diff options
Diffstat (limited to '76913-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76913-0.txt | 10650 |
1 files changed, 10650 insertions, 0 deletions
diff --git a/76913-0.txt b/76913-0.txt new file mode 100644 index 0000000..a8f4bf2 --- /dev/null +++ b/76913-0.txt @@ -0,0 +1,10650 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76913 *** + + + + + + SVEN HEDIN + + + VAN POOL TOT POOL. + + TWEEDE REIS. + + VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR. + + + GEAUTORISEERDE UITGAVE. + + + W. DE HAAN—UTRECHT. + + + + + + + + +1. NAAR HET LAND VAN DE MIDDERNACHTZON. + + +Na even uitgerust te hebben van onzen tocht door Azië, kiezen wij het +hooge Noorden voor ons volgend doel. Wij zijn in Stockholm in den +spoortrein gestapt en als wij op het achterbalkon van den laatsten +wagen gaan staan, schitteren ons de metalen rails tegemoet, die +Stockholm met Narvik in het hooge Noorden van Noorwegen verbinden. Stil +droomerig ligt het landschap om ons heen in den helderen avond. De uren +gaan voorbij, wij schrijven 27 Juni, den tijd van de heldere nachten. +Wie kan dan het besluit nemen, te gaan slapen? Nu eens wordt de blik +geboeid door een klein meer, op welks landtongen en eilandjes jonge +pijnboomen als in den slaap knikken, dan weer groene weiden, aan welker +uitersten rand een reeks witte berkestammen scherp tegen de duisternis +van het dennenbosch afsteekt. + +Den volgenden morgen zijn wij reeds midden in het land der +onuitputtelijke bosschen en der zaagwerken. Overal dennen, sparren en +berken, de meren en rivieren bedekt met drijvende houtblokken en +vlotten. De nabijgelegen hoogten flikkeren in krachtige, groene tinten; +daarachter verdwijnt alles meer en meer in diep blauw. Dikwijls +strekken zich tusschen de heuvels vlakke veenstreken uit, omlijst door +boomen, die er als verschrompelde dwergjes uitzien. Wel is dit land +mijlen ver tot naar het Noorden eentonig, maar toch kunnen wij er onze +oogen niet van afhouden; de teere lijnen en tinten en de wazige, +trillende spiegelbeelden van het landschap in de heldere golven der +blauwe meren stellen volop schadeloos, voor de grootscher bekoring van +het hooggebergte, dat ver in het Westen blijft liggen. + +Wij hebben reeds meer dan de helft van den weg achter ons en houden ’s +avonds te Boden stil, vanwaar wij een uitstapje maken naar Luleå aan de +Bottnische golf. Op den weg naar de kust wordt het bosch weer dichter +en hooger en spoedig wandelen wij door de straten van Luleâ, de +hoofdstad van Norrbotten, die na den laatsten verwoestenden brand nieuw +en voornaam is verrezen. De alleeën van berken in de grootere straten +zijn niet minder betooverend dan de palmen in Singapore. In het Noorden +glinsteren de randen der wolken in verblindend purper. Maar welk een +eenzaamheid! Het is klaarlichte dag en toch is er niemand op straat? Is +de stad verlaten of betooverd? De klok lost het raadsel op; het is +middernacht! + +Een kleine stoomboot brengt ons den volgenden morgen naar het eiland +Svartö, en spoedig staan wij op een geweldige houten brug, die zich +zestien meter boven den waterspiegel verheft. Aan beide zijden ligt een +stoomboot met erts voor anker, en nu komt op de brug een trein +aangerold. Elk van zijn wagens bevat dertig ton erts. Zoodra de eerste +zich boven een opening in de brug bevindt, slaat zijn bodem naar +beneden open. Met oorverdoovend geraas stort het erts in een met +geslagen plaatijzer bedekte goot om in het ruim van een der schepen te +verdwenen. Zoo wordt de eene wagen na den anderen geledigd, de eene +trein na den anderen, en elk uur dalen duizenden tonnen erts in het +binnenste van een schip. Zoodra het geladen is, stoomt het naar eene +vreemde haven, bijv. Rotterdam, vanwaar het erts naar de groote +metaalgieterijen in Westfalen wordt verzonden. + +Al dit ijzererts komt uit Gellivara en den Malmberg. + +Als ’s winters de scheepvaart heeft opgehouden, wordt het op de kade +opgestapeld; daar liggen dan ongeveer 600.000 ton. Hier op Svartö +vloeit een der twee ertsstroomen van Norrland, de andere gaat over +Narvik in Noorwegen en is nog geweldiger, want daar vloeit het erts het +geheele jaar door en keert als goudstroom terug. + +Te Boden bereiken wij weer onzen trein en richten ons nu meer +noord-noord-west naar Lapland. Geen gebergte, geen rivieren. De +spoorweg slingert zich tusschen eindelooze moerassen en veengronden, +waaruit kleine, ronde heuvels als eilanden uitsteken. + +Maar denkt niet, dat deze veengronden waardelooze woestenijen zijn, +waarin de spoorweg-stations schaarsche oasen vormen. Zij zijn een +kapitaal voor de toekomst, want daaruit wordt zooveel turf gewonnen, +dat ze den tegenwoordigen steenkoleninvoer, voor geheel Zweden +gedurende tweehonderd jaar kan vervangen! + +Het woud krimpt meer en meer in. De dennen zijn zoo klein, dat ze +ternauwernood voor kerstboompjes deugen, hun korte takken liggen vlak +tegen den stam. Maar zij staan zoo dicht tegen elkaar, alsof een leger +dwergen, dat men naar het Noorden heeft gejaagd, opeendrong, om zich +gedurende den winter wederkeerig te verwarmen. Zij streven naar de zon, +maar kunnen zich niet verheffen, en blijven verschrompeld, mager en +ellendig. In den winter verdwijnen zij geheel onder opgewaaide sneeuw. + +Schril gilt de stoomfluit der locomotief over het zwijgende dwergwoud. +Daardoor maakt de machinist ons opmerkzaam op een merkwaardigheid. Op +twee witte borden rechts en links, staat in groote, zwarte letters +„Poolcirkel”. Hier zijn wij dus in de Poolstreek, waar de langste dag +des zomers, zoowel als de langste nacht ’s winters vier en twintig uren +duurt. Van den Poolcirkel af neemt de lengte van den dag naar de +Noordpool toe, waar zij zes maanden duurt, om met een even langen +winternacht af te wisselen. + +Het merkwaardigste, wat ik ooit in mijn leven zag, is Kirunavara, dat +wij van af Boden over Malmberg bereiken, een gebergte dat van de +geheele wereld het rijkste is aan ijzererts. Hier heeft de aarde aan de +bewoners van Zweden bijna onuitputtelijke rijkdommen geschonken, en hij +die er voorbijgaat, vermoedt ternauwernood den onmetelijken schat, die +onder den golvenden rug van het zoo onaanzienlijk gebergte ligt. + +Midden in de wildernis is hier aan de oostelijke zijde van een meer, de +plaats Kiruna verrezen, en noordwestelijk er van verheft zich een +tweede berg, de Luossavara, die eveneens ontzaglijke massa’s kostbaar +ijzererts in zijn binnenste verbergt. Te Kiruna heerscht gedurende een +maand heldere dag; een arbeider verzekerde mij, dat voortdurend licht +veel onaangenamer aandoet dan een even lange winternacht. Want ook dan, +als de diepste duisternis heerscht en de zon zich sedert veertien dagen +niet meer boven den horizon vertoond heeft, ziet men toch in het Zuiden +den weerschijn van het verdwenen licht, en de vlam van het noorderlicht +trilt over de witte sneeuw, waarover de Lappen in hun sleden rijden. +Tusschen met sneeuw bedekte bergen, gaat de spoorbaan verder naar het +Noorden. Voor ons ontvouwt zich een prachtig uitzicht over het +Torne-Träsk. Dit zeventig kilometer lange tot negen kilometer breede +meer ligt tusschen geweldige door sneeuw bedekte bergen, die zich aan +den noordelijken oever tot 1300 meter hoogte verheffen. Het Torne-Träsk +is geen moerassig meer, maar een echt Alpenmeer met 162 meter diepte en +wordt in schoonheid maar door weinig meren van Europa overtroffen. Bij +Björkliden worden de dwergberken, die de hellingen van den oever +bedekken, vijf meter hoog, maar krimpen spoedig weer in tot +onaanzienlijke struiken. Een waterval stort schuimend een steilen wand +af: hij heet „de Zilveren Sluier” en fladdert en glinstert in den wind +als een sluier op het haar van een meisje. Maar nu wordt het uitzicht +steeds meer benomen. Muren ter bescherming tegen opgewaaide sneeuw +versperren het. Dikwijls sneeuwen de ertstreinen hierboven zoo diep in, +dat ternauwernood de bovenste blokken der ertsvrachten nog zichtbaar +zijn. Dan moet de trein met schepraderen, die door motoren, op +bijzondere, door de locomotief geschoven wagens gedreven worden, uit de +sneeuw worden bevrijd. + +Opeens ligt een kamp der Lappen voor ons, een tent en een hut, aan een +kleine poel! Wat aardig en tevreden zien deze kleine Lappen in hun +bonte kleeren, uit rendierenhuid met roode, blauwe en gele banden, er +uit! Bijna hadden wij eenige van hun rendieren overreden, die +natuurlijk juist over de rails moesten loopen, toen de trein naderde. +Sedert duizend jaren volgen de Lappen steeds getrouw hun rendieren en +trekken als de dagen lengen over het hooggebergte naar de Noorweegsche +fjorden, om in den herfst weer terug te keeren en den winter in Lapland +door te brengen. De rendieren bepalen het tijdstip voor het opbreken en +de Lappen moeten hen volgen en met behulp van hun vroolijke, waakzame +honden de kudden bijeenhouden. Want deze kudden rendieren zijn hun +eenig bezit, hun rijkdom. Zij verzorgen ze met liefde en beschermen ze +zorgvuldig tegen den wolf, den veelvraat en de stekende insekten. Men +telt in Zweden vierduizend Lappen en zij bezitten twee honderdduizend +rendieren. Dit volk eens uit Azië hierheen gekomen, kent zijn land in- +en uitwendig als de Indianen hun wouden. Elke Lap is een padvinder. Het +was ook een Lap, die voor honderdzeventig jaren den ertsberg Kiruna +ontdekte en den weg daarheen wees. + +Terwijl de trein ons langs het traject tusschen het Torne-Träsk en de +grens van Zweden voert, door dit eenzaam en toch betooverend hoogland, +langs kleine, nog bevroren meren, tusschen hoog opgewaaide +sneeuwhoopen, door en over een bodem, waar geen boom meer wortelt, waar +de rendieren buiten in vrijheid schaarsch mos zoeken, en dikke, blauwe +rook uit de tenten der Lappen omhoog stijgt, moet ik aan mijn oud Tibet +denken. Welk een gelijkenis tusschen beide landen! De natuur, de +menschen met hun spleetoogen en hun levenswijze, dezelfde eenzame, +golvende landstreken tusschen meren en moerassen, beide worden +doorgetrokken door kleine, tevreden Nomaden, die gehard en geduldig een +dapperen strijd, met een harde, karige natuur en een grimmig klimaat +voeren. Dezelfde omzwervingen met de jaargetijden, dezelfde gewoonten, +dezelfde mannelijke kleederdracht voor beide geslachten en dezelfde +ronde, naar boven spits toeloopende tenten! De yak en het schaap zijn +voor den Tibetaan, wat het rendier voor den Lap is. De bewoners van +Tibet zijn even goedaardig en vreedzaam als hun geestverwanten in +Zweden en koesteren evenals dezen slechts den eenigen wensch in vrede +gelaten te worden. + + + + + + + + +2. AAN DE NOORDKAAP. + + +De grens van Zweden is nu bereikt, de wolken liggen dicht als +veerenbedden over het station „Riksgränsen” (landgrens) op een hoogte +van 520 Meter. Dan gaat het op Noorweegsch gebied omlaag naar de zee. +De trein geeft zich nu over aan zijn eigen zwaarte, de machinist +behoeft slechts te remmen. Op een 180 meter lange viaduct van tien +gewelfde bogen, gaan wij over het woeste Noorddal en rijden dan langs +de linkerzijde van het Hondedal. In de diepte schuimt de blauw-groene +rivier. De dwergboomen beginnen zich weer in de hoogte te verheffen, +hoe dieper wij komen. De bergruggen verdwijnen in de wolken. Maar onder +den rand der wolkenmantels storten ruischende watervallen van de +rotswanden af. Nog enkele krommingen en wij zijn in de havenstad +Narvik, die tusschen hooge, steile bergen ligt. Hier waar het Zweedsche +erts de wereld inrolt, wacht ons de stoomboot „Salten”. + +Bij scherpen Zuid-Westen wind en nevelig weer, draagt ze ons den +volgenden dag de Ofotenfjord uit, om zich dan naar het Noord-Oosten te +wenden, tusschen groote eilanden, door smalle zeeëngten en over open +vlakken van den Atlantischen Oceaan, waarop men de uitgestrekte +wereldzee tusschen de eilanden door ziet schemeren. Elk oogenblik +verandert de omgeving. De onderste hellingen der hooge bergen zijn met +berkenbosschen en groene weiden bedekt, hier en daar ligt een eenzame +hoeve temidden van haar akkers, van welke de gerst zoo hoog in het +Noorden niet meer rijp wordt. De hoogten zijn kaal, op de toppen ligt +sneeuw, en van de punten der sneeuwvelden dansen de bergbeekjes naar de +zee omlaag. Wij ontmoeten eenige visschersbooten, roei- en motorbooten, +alle met bruine zeilen. Zij komen van de vischvangst aan de kusten van +Finmarken, hebben den buit hunner netten verkocht en keeren nu met hun +verdienste naar huis terug. De lichten der vuurtorens op de landtongen +en klippen slapen in den hellen zomernacht, het weer was onvriendelijk +tegen ons, maar in den nacht klaart de noordelijke horizon op. Slechts +een kleine opening breekt door de wolken, maar groot genoeg, dat de zon +er door kan zien, en eindelijk kunnen wij ons met eigen oogen +overtuigen, dat de dagvorstin op deze hooge breedte niet meer in de zee +verzinkt. + +Voor ons ligt Tromsö; ginds de kerk en het museum, hier aan den oever +houten loodsen op hun palen en aan de landingsbrug visschersschuiten en +stoombooten. Uit de berkenboschjes boven de haven komen sierlijke +houten villa’s kijken, en als de zon zich weer achter de wolken +verbergt, teekent zich de geheele stad donker af tegen den helderen +noordelijken hemel. Maar van den ondersten rand der wolken overstroomt +het licht als stralen van een geweldig zoeklicht, de zeeëngte. Alles +slaapt. Slechts twee jongens staan op een pier en eenige mannen werken +in hun boot. Nu valt het zonlicht brandgeel op daken en gevels en in +het Zuiden staan de van regen zware wolken donker violet. + +Tromsö is een kleine en gezellige, maar vuile stad. Het museum bevat de +dierenwereld van de noordelijke zeeën van af den walvisch tot het +kleinste wormpje. In den bonthandel van Tromsö spelen de kostbare +vellen van den blauw- en zilvervos, van het sabeldier en den hermelijn +een groote rol. + +Verscheiden Russische zeilschepen liggen voor de stad. Zij kwamen +bevracht met hout, van Archangel en hadden de reis van daar tot hier in +tien dagen afgelegd. In Tromsö en omgeving koopen zij dan versche +dorschen en andere visschen, die aan boord worden ingezouten en met +deze lading gaan de schepen weer naar den mond van de Dwina terug. In +het gunstigst geval is de winst van zulk een schip op een reis 5000 +roebel. De Noorweegsche visschers houden echter niet van de Russische +kooplieden. Zij vinden, dat zij te veel verdienen aan de dorschen; +bovendien drinken de Russische matrozen naar hun inzicht te veel en +leven te ruw in de havensteden. + +Slechts ongaarne scheidt men van dit eeuwig wisselend landschap, om +gedurende den eeuwigen dag eenige uren te gaan slapen. Als men dan +echter buiten op de Loppzee ontwaakt, waar de hooge golven van den +oceaan onbelemmerd tegen het schip slaan, dan is men blij nog eenigen +tijd te kunnen bleven liggen. Men kan al zeeziek worden als men kleeren +en handdoeken heen en weer ziet fladderen, en handkoffers, schoenen en +boeken op den bodem van de hut hoort dansen! + +Maar nu glijden wij kalm water binnen, waar men slechts zelden een +visscher, hier en daar een stoomboot met erts uit de Varangerfjord of +een schip met timmerhout van de kust van de Witte Zee ziet. Wij maken +een uitstapje naar de Kvänangenfjord en een harer vertakkingen de +Jökelfjord in, aan welker uitersten rand ijsschollen rondzwemmen. De +gillende toon van een stoomfluit weergalmt tusschen de bergen. Dat is +het teeken van een Lap, die zich aan het strand heeft gevestigd en +spoedig stoot een boot van den oever af, die ons tegemoet komt en +waarvan de bezitter aan onzen loods inlichtingen geeft. Hij is +dorschvisscher en kent het vaarwater. Hij is een levendige, kleine, +aardige kerel, die ons, terwijl hij wijdbeens met bloot hoofd staat, +verzekert, dat wij bij 70 vadem diepgang niet op grond zullen komen! +Het zwartgroene water, waartegen de ijsschotsen in stralend wit +afsteken, zegt ons ook reeds zelf, dat het nog een flink eind is tot de +ankerplaats in den fjord. + +Langzaam glijden wij den fjord binnen en voor ons ontrolt zich een +grootsch beeld. Over een geweldigen rotswand hangt een gletscher. Als +van tijd tot tijd ijsblokken door hun eigen gewicht omlaag storten, +vloeien zij aan de voet van den berg weer tot een nieuwe gletschertong +samen; deze rekt zich langzaam voorwaarts tot ze den fjord heeft +bereikt; hier rolt de kracht van het water den ijsrand uit, en blokken +storten omlaag; dan „kalft” de gletscher, zooals men pleegt te zeggen. +Maar nu rust hij; de Lap verzekert echter, dat de ijstong ’s zomers +elke twee dagen en ’s winters dagelijks „kalft” en als de blokken van +den ijswand afstorten, kan men het kraken 60 kilometer ver hooren. De +kapitein van de „Salten” laat twee kanonschoten afvuren, om het ijs te +schokken, maar vandaag laat de „Jökel”, de gletscher, zich niet in zijn +rust storen. Misschien tot ons geluk, want het kalven van den gletscher +kan een stortgolf teweegbrengen, die kleine schepen doet kenteren. + +Onze loods, de Lap, wordt koninklijk betaald en daar hij buitendien een +arm vol boterhammen, vruchten en sigaren ontvangt, wordt hij opgetogen +van geluk. Zulke aardige reizigers had hij nog nooit ontmoet, herhaalt +hij onophoudelijk! De „Salten” keert langzaam in het binnenste bekken +van den Jökelfjord. Hij stevent als hij weer in de open zee is +aangekomen, verder noordwaarts, op Hammerfest aan, de noordelijkste +stad der aarde; voor welker slechtriekende traankokerijen talrijke +Russische zeilschepen liggen, die van hier met visch naar Archangel +gaan. In dien avond stoomen wij over een open gat, waar de zee +grijsgroen is en hoog gaat. Eenige dolfijnen krommen hun blanke, zwarte +ruggen bevallig over de golven. + +Het is koud en winderig geworden; voortdurend stroomt een fijne regen +op de „Salten” neer; en uit den dichten nevel glanzen slechts de +allernaaste rotseilanden, achter welke zij beschutting voor den wind +zoeken, om de smalle, schoone zeeëngte tusschen het vasteland en het +eiland Magerö binnen te varen. Onze koers gaat oostelijk om Magerö +heen. In het Zuiden opent de Porsangerfjord, in het Oosten is +Svärholtklubben even zichtbaar met den Vogelberg, een steil +omlaaggaande kaap, waarop ontelbaar veel meeuwen nestelen. Daarna +wenden wij ons noordwaarts. Aan stuurboordzijde speelt een dolfijn in +de golven, die nu door den storm worden gezweept. Het schip stampt +onaangenaam; de stoelen op het dek wandelen kris en kras door elkaar en +in het rond rommelt het van beweegbare voorwerpen. Wij hebben het +middagmaal juist geëindigd, daar slingert het schip heftig, en de tafel +is in een ommezien afgenomen. Op den vloer zwemmen de sardinen in den +rooden wijn! + +Zoo worstelen wij met de golven en rollen langzaam naar ons doel. Voor +ons verheft zich de rots van de Noordkaap. Europa’s noordelijkst +voorgebergte, dat steil naar de zee afdaalt. Als wij maar eerst +gelukkig onder de beschutting der hooge rotswanden zijn, waar reeds +twee toeristen-stoombooten voor anker liggen! Het gelukt, weldra zijn +wij in veilige beschutting en de zee wordt kalmer. + +Slechts de binnenste hoek van de bocht is stil, boven ons huilt de +storm en suist in teugelooze woede de steile hellingen af en over de +zee heen. Op een hoogte van 300 Meter staat op den top van de Noordkaap +een klein paviljoen. + +Het middernachtuur is nabij. Er heerscht een geel schemerlicht, +loodzware wolkenmassa’s jagen over zee en land. Vergeefs wachten wij op +de doorbraak der middernachtzon in het Noorden! Maar misschien nog +grootscher dan zij, is het uitzicht, dat wij nu naar het Noorden +hebben! Voor ons ligt staalgrijs en koud de witte ijszee, op den +achtergrond der blauwzwarte wolken dansen de witte schuimkoppen van de +golven der zee, die de Zuid-Weststorm naar Nova-Zembla en het +Frans-Jozef-land drijft. + + + + + + + + +3. DE POOLTOCHT VAN FRANKLIN. + + +Nu zijn wij onmiddellijk aan de grens van het eeuwige ijs. Alle +vastelanden, zeeën en eilanden heeft de ondernemingsgeest van den +mensch reeds doorzocht. Slechts de beide Polen en hun naaste omgeving +hebben tot nu toe nog aan zijn verder doordringen den hardnekkigsten +tegenstand geboden. [1] Maar onvermoeid is de eerzuchtige +ontdekkingsgeest aan den arbeid; de wetenschap duldt geen witte, +onbeschreven plek meer op de kaart. Daarvoor konden zelfs de +onafzienbare ijsvelden op den duur den moed der zeevaarders niet +terugschrikken. Het eene schip na het andere ging te gronde, maar +steeds nieuwe kielen doorploegden de Poolzee. De Noordpool heeft de +grootste aantrekkingskracht, want deze ligt het dichtst bij Europa, +midden in de Noordelijke IJszee, die door de kusten van Azië, Europa en +Noord-Amerika wordt ingesloten. + +De geschiedenis der Poolonderzoeking is buitengewoon rijk aan +heldendaden en onheilen; een er van willen wij ons kort in herinnering +brengen. + +Aan de door het geluk begunstigde poging van Nordenskjöld om langs de +kusten van Noord-Azië een Noord-Oost doorvaart te vinden, heb ik reeds +herinnerd. Ook de Noord-West doorvaart is een der problemen, die +ondanks alle mislukkingen, steeds weer wordt ondernomen. De +noodlottigste van deze expedities, was de pooltocht van den Engelschman +John Franklin in het jaar 1845. + +Franklin was officier van de Engelsche vloot. Hij had te land en te +water op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond expedities geleid, in +zeeslagen gevochten en kaartopnamen gedaan van aanzienlijke +uitgestrektheden der noordkust van Amerika, ten oosten van de +Behringstraat. Het grootste deel der kust van het Amerikaansche +vasteland was hem dus bekend en het betrof nu nog slechts een +bevaarbaren waterweg te vinden, tusschen de groote eilanden, die ten +Noorden van de kust lagen. Hij was er natuurlijk, maar of hij geschikt +was voor de scheepvaart, dat was de vraag. Een aantal deskundigen +besloten een groote expeditie uit te rusten, om de doorvaart te vinden. + +Geheel Engeland kwam in geestdrift voor het plan en honderden dappere +mannen meldden zich aan om er aan deel te nemen. Admiraal John Franklin +was reeds vroeger in deze streken geweest en koesterde den vurigen +wensch, leider der expeditie te zijn. Wel vreesde de Admiraliteit dat +Franklin met zijn zestig jaren niet opgewassen zou zijn voor de taak. +„Maar ik ben pas negen en vijftig jaren”, antwoordde Franklin met +nadruk en zoo werd hij de leider der expeditie, van welke noch hij, +noch een zijner ondergeschikten zoude terugkeeren. + +De schepen, die van de kiel tot aan den mast zeevaardig werden gemaakt, +heeten „Erebus” en „Terror” „Onderwereld” en „Schrik”. Franklin heesch +zijn admiraalsvlag op de „Erebus”, waar kapitein Fitsjames in rang op +hem volgde; bevelhebber van de „Terror” en tweede leider der expeditie, +werd kapitein Crizier. Het officierscorps werd met groote zorg gekozen; +slechts krachtige door de zee geharde en zeer bekwame mannen werden +aangenomen. De bezetting der beide schepen bestond uit drie en twintig +officieren en honderd elf man. Levensmiddelen werden voor drie jaren +medegenomen en in beide scheepsruimten stoommachines gebouwd, hetgeen +destijds nog nooit in de Poolzeeën was beproefd. + +Franklin kreeg een voorschrift, waaraan hij zich te houden had; +natuurlijk behield hij het recht onder zekere omstandigheden anders te +handelen, zijn taak was van de Atlantische zijde Noord-Amerika om te +zeilen en door de Behringstraat in den Stillen Oceaan te komen. Met de +oplossing van deze taak zou de Noord-West doorvaart gevonden zijn. + +Den 19den Mei 1845 verlieten de beide schepen Engeland. Bevelhebber en +manschappen waren vol heerlijke verwachtingen op succes, en vast +besloten hun uiterste kracht tot bereiking van het doel in te spannen. +Allen droomden reeds van de warme winden, die hen in den Stillen Oceaan +zouden ontvangen en van den onsterfelijken roem, die hen wachtte, als +zij door de smalle zeeëngte, waar Azië en Amerika maar enkele mijlen +van elkaar verwijderd zijn, zuidwaarts zouden stevenen. + +Op zee hield de admiraal een toespraak tot zijn lieden, verklaarde hen, +waarom het ging en sprak de verwachting uit, dat ieder zijn plicht zou +vervullen. Zij voeren de Orkney eilanden voorbij en op Sint Jan zagen +zij Kaap Farewell, de Zuidkaap van Groenland, verdwijnen. Den volgenden +dag stieten zij op het eerste ijs, geweldige drijvende ijsbergen, die +woeste, getande vormen toonden en aan de waterlijn door den golfslag +klokvormig waren uitgehold. Voor de meesten der manschappen was dit +schouwspel nieuw; zij stonden op het dek en bewonderden deze drijvende +bergen, waarvan de toppen boven den wimpel van den hoofdmast uitstaken. +Nu en dan sloeg een der ijsbergen om en de zee kwam in beroering, als +hij zijn door het water stukgeknaagde onderzijde naar boven keerde. + +Tien dagen later ankerden de beide schepen bij het eiland Disko, aan de +westkust van Groenland. Hier ontmoetten zij een ander Engelsch schip, +dat vooruit was gezonden, om met zijn lading hun voorraad aan proviand +en verdere voorwerpen voor de uitrusting te voltooien. De kapitein van +dit schip was de laatste die met de leden der Franklin expeditie had +gesproken. Nooit, zoo verzekerde hij later, heb ik zulk een flinke +schaar en voor hun taak in geestdrift verkeerende zeelieden gezien. Ik +heb gemeend, dat die zich overal zouden doorslaan. Hij nam de laatste +postzending der poolvaarders mede. Eenige der briefschrijvers gaven +Kamschatka, de Sandwicheilanden en Panama als postadres op; zij meenden +in een jaar weer in Europa terug te zijn, en de brieven getuigden van +de geestdriftige stemming, welke aan de officierstafel heerschte en van +de bewondering voor den admiraal, den ouden zeerob, die niet eens bij +stormachtig weer het getal der geheschen zeilen verminderde om maar +snel verder te komen! Want hij wist, dat hier in het Noorden, slechts +kort gedurende den laten zomer op open water was te rekenen. Er was +voor drie jaar proviand voorradig, zelfs op het dek stond elke hoek vol +met tonnen en kisten,—wat was er dus verder te vreezen? + +Den 26sten Juli werden „Erebus” en „Terror” door een Engelschen +walvischvaarder gepraaid. Dat was de laatste maal, dat een sterfelijk +oog hen zag; sedert dien dag omgaf de ongelukkigste van alle +poolexpedities een huiveringwekkend diep duister! + + + + + + + + +4. DE DOOD VAN DEN ADMIRAAL. + + +Wat men over het verdere lot der beide ongeluksschepen „Erebus” en +„Terror” met zekerheid weet, bepaalt zich tot heel enkele +bijzonderheden, die pas verscheidene jaren later door hulpexpedities +werden ontdekt. Maar ze zijn voldoende voor de nadenkende fantasie, om +zich het ontzettend drama voor te stellen, waaraan schip en manschappen +ten offer vielen. + +Eerst ging de vaart naar het Noord-Westen, tusschen twee groote +eilanden door in de Lancaster-sond. Verder doordringen werd verhinderd +door onoverkomelijk saamgepakt ijs. De stoommachines bleken zoo zwak te +zijn, dat ze slechts in kalm open water bruikbaar waren. Een naar het +Noorden gaande zeeëngte liet echter nog open water zien, en hier kon +men 250 kilometer afleggen, voordat het ijs weer zijn onverbiddelijk: +„tot hiertoe en niet verder!” uitsprak. Daarop gingen de zeevaarders +door een tweede open zeeëngte weer zuidelijk. Het was het begin van den +herfst; sneeuw bedekte reeds alles in het rond, en in de Sond vormde +zich nieuw ijs. Bij een klein eiland vond men een beschutte haven, en +hier sloeg Franklin het winterkwartier op. + +Hoe het leven aan boord was gedurende den langen winternacht, laat zich +steeds vermoeden. De officieren zullen wel gelezen en gestudeerd +hebben, en de manschappen bezig hooge sneeuwmuren, die boven de reeling +van het schip reikten, te maken, om het binnenste van het schip warm te +houden. In elk geval werden sneeuwhutten op het ijs en op het land +gebouwd voor wetenschappelijke waarnemingen en werd dag en nacht een +wak opengehouden, voor het geval er brand uitbrak en de pompen tot +ijszuilen waren bevroren. Toen de lange poolnacht voorbij was en +Februari met een zwak lichtschijnsel aan den zuidelijken horizon begon, +toen het van dag tot dag lichter werd en eindelijk de zon aan den hemel +straalde, ondernamen bevelhebbers en manschappen waarschijnlijk +jachttochten op de naburige eilanden. De hoop van allen herleefde met +het toenemende licht. Slechts 420 kilometer onbekende kusten waren nog +van de Noord-West doorvaart over. Was het niet zoo goed als zeker, dat +het nieuwe jaar getuige zou zijn van hun terugkeer? Steeds langer bleef +de zon aan den horizon, en eindelijk was de lange pooldag er, waarop +zij in het geheel niet ondergaat. + +Maar pas in den naherfst werden de „Erebus” en de „Terror” uit hun +ijsbanden bevrijd en konden eindelijk het eiland verlaten. Drie dooden +bleven aan het strand achter; hun graven met enkele eenvoudige +herinneringswoorden werden vijf jaar later door een hulpexpeditie +gevonden. Daar alleen door weet men, dat Franklin op die plek heeft +overwinterd. + +Naar het Zuiden lag het vaarwater nu open. Wat juichten de zeelieden! +Naar het Westen strekte zich nog dik ijs uit; maar ook de zuidelijke +waterweg moest ten slotte naar het Zuiden afslaan. De eene mijl na de +andere gleden de schepen, het drijfijs ontwakend, naar het Zuiden. In +het Oosten en Westen waren de kusten van groote eilanden zichtbaar en +recht vooruit vermoedde men King-Williamland, den naasten buur van het +vasteland- Hiermede was alzoo het grootste deel der Noord-West +doorvaart afgelegd, want tot reeds bekende kusten in het Westen, waren +er nu nog maar 200 kilometer. + +En tóch—hoe hopeloos lang leek dit eind, toen de schepen eenige dagen +later weer door het ijs werden vastgelegd. Door winden en +zeestroomingen gedreven, hoopten de ijsblokken zich op en bevroren tot +een rotsharden wand. Toch behoefde de bemanning de hoop nog niet geheel +op te geven, los te komen. Wel stond de winter voor de deur, maar de +laatste najaarsstormen uit het Zuiden konden het ijs nog breken en in +noordelijke richting drijven. Maar steeds vaster sloot het zich rondom +de rompen der schepen en alle hoop verdween. De dagen werden korter, +met haastige schreden naderde de tweede winter en evenals het vorige +jaar bereidde men zich op zijn komst voor. De schepen waren op zestig +graden noorderbreedte vast gevroren, dus nog iets meer zuidelijk, dan +de Noordelijke punt van Scandinavië. Maar daar hield geen golfstroom +door zijn warm water de zee open. Nooit zouden de officieren en +manschappen weer een golf tegen de zijden van de „Erebus” en de +„Terror” hooren klotsen! + +Deze winter zal minder opgewekt doorgebracht zijn dan de eerste. De +schepen hadden een slechte plaats op de open reede, zonder eenige +beschutting van de kust. Zij lagen als in een schroef en het drukken +van het opgehoopte ijs dreigde hen te verpletteren. Het kraakte en +knapte in de rompen en de schepen steunden en jammerden om toch maar +weer overgelaten te worden aan de vrije golven. Hoe lang zouden zij nog +weerstand kunnen bieden? Men moest er elk oogenblik op voorbereid zijn, +dat het hout met oorverdoovend gekraak bezweek, en de schepen als +notedoppen kapot in de onpeilbare stroomen verdwenen. Het leven aan +boord, van een in het ijs bekneld schip, kan niet anders dan vol zorg +zijn geweest. Maar het ergste was toch de duisternis, toen de zon voor +het laatst onderging. Als schimmen gleden de menschen in de donkere +gangen onder het dek, waar de lucht zwaar, vochtig en bedorven was. Wat +zou men buiten doen, waar het even donker was, zoodat men geen +handbreed vooruit kon zien? Liever lag men in de kajuit en las bij het +bleeke kaarslicht. Toen de drukking van het ijs, het schip echter in +een scheeve positie bracht, was het nog erger; het was levensgevaarlijk +in de pikdonkere gangen tusschen wankelende kisten en balen door te +balanceeren. De eenige afwisseling was de klok, die de gevangenen aan +den maaltijd riep. De gesprekken werden steeds minder, men kende elkaar +in- en uitwendig. Wie had nog iets nieuws te zeggen? Steeds dezelfde +gezichten in het rond! Men ging het liefst den kameraad uit den weg en +zocht de eenzaamheid van zijn hut. Als die lange, ontzettende +duisternis maar eerst voorbij was! + +Een ontzaglijke laagheid, waaraan men slechts met afschuw kan denken, +had bovendien de expeditie van Franklin getroffen. De koopman, op wien +de zorg rustte de vleeschconserven te leveren, had bedorven vleesch, +zaagsel en kiezel in de blikken laten doen! Duizenden van zulke doozen +werden later gevonden op de kusten, die door de schepen werden +aangedaan. Dat de proviand niet toereikend was voor drie jaren, moesten +zij, die in het eeuwige ijs gevangen zaten, weten. Reeds den tweeden +winter sidderde men stellig bij de gedachte aan het inkrimpen der +levensmiddelen. De toestand moest wanhopend worden, als geen hulp kwam +voor den derden winter! + +De tweede winter ging voorbij en de zon keerde terug. Gaandeweg werd +het in de gangen onder het dek lichter; het was niet meer noodig +talklicht aan te steken, om ’s avonds te kunnen lezen. En eindelijk +straalde de zon weer gedurende de vierentwintig uren van den dag, nog +schitterender dan ooit, daar de schepen nog door niets dan ijs en +sneeuw ingesloten waren! Verder in het Zuiden en Oosten zag men de +heuvels van King-Williamland. Als het ijs zijn greep slechts losser +wilde maken en begon te drijven! Maar naar het Westen lag nog steeds +opeengehoopt ijs; en zonder twijfel waren de schepen door het persen +van het ijs beschadigd. Twee officieren ondernamen met zes mannen een +tocht naar King-Williamland, vanwaar men bij helder weer het vasteland +van Noord-Amerika kon zien. Op de plek waar zij weer omkeerden, legden +zij in een hoop steenen een kort bericht neer over de gewichtigste +gebeurtenissen aan boord. Deze regels werden na vele jaren gevonden. + +Met goede berichten en groote verwachtingen keerden de reizigers weer +naar de schepen terug. Maar welk een slag wachtte hen daar. Admiraal +Franklin lag op zijn sterfbed! Het wachten had hem te lang geduurd. Men +kon hem nog slechts vertellen, dat de Noord-West doorvaart als ontdekt +beschouwd kon worden. Weinige dagen daarna, in Juni 1847 stierf hij, en +deze dood moest nog als een geluk beschouwd worden, na een leven van +dapperheid en moed. Zeker speelde er een trotsche lach om zijn lippen +toen hij ontsliep! + +Hoe zal het er op dien rouwdag op de „Erebus” hebben uitgezien? De +lange pooldag was op zijn middaghoogte. De zonnestralen braken in de +scherpe randen van het ijs en vervloeiden in alle kleuren van het +prisma. Het was stil aan boord; aan den bazaanmast fladderde Engeland’s +vlag halfstok. Ernstige mannen liepen door de gangen en fluisterden +zacht in de nabijheid der kajuit van den admiraal. Bleek en uitgeput +zagen zij zich nu beroofd van hun leider, die beter dan een hunner het +vasteland in het Zuiden kende. De scheepstimmerman maakte een lijkkist. +Daar werd de admiraal in groot uniform ingelegd. Misschien werd de kist +in een Engelsche vlag gehuld en zoo droegen de officieren ze over het +dek en over het ijs. In het glasheldere ijs was een graf uitgehouwen; +daar werd de kist in neergelaten en met fijn ijs en ijsblokken bedekt. +De nieuwe opperbevelhebber, kapitein Crozier, ging bij het kruis staan, +om de lijkrede te houden, terwijl de anderen er met ontbloot hoofd +omheen stonden. En zeker zullen de bleeke mannen in hun versleten +poolkleeren de grafgezangen van hun geboorteland hebben gezongen. +Plechtig en aangrijpend zal het gezang over de ijsvelden hebben +weerklonken. Zwijgend keerden zij naar de „Erebus” en de „Terror” +terug, waar zij zich nu nog ongelukkiger voelden dan te voren. Nog eens +waren zij voor een jaar tot blijven veroordeeld! + + + + + + + + +5. IN NACHT EN IJS. + + +Weer kwam de tijd, waarop het ijs in beweging raakte en men op open +water kon hopen. Zeker zullen de gevangenen van de „Erebus” en de +„Terror” naar alle kanten tochten hebben gemaakt, om te zien, waar de +branding van de open zee het meest nabij was. Misschien beproefden zij +ook met ijszagen en buskruit zich uit de ijsbanden te bevrijden. Alles +vergeefs! Het ijs hield hen vast. Op zekeren dag ontdekten zij echter +tot hun groote vreugde, dat het geheele ijsveld zich in zuidelijker +richting bewoog! Als zij op deze manier het vasteland toch maar konden +bereiken! Een groote Amerikaansche maatschappij, die zich naar de +Hudsonbaai noemde, had ver in het Noorden van het vasteland kleine +handelsstations gevestigd. Als zij daar slechts konden komen, dan waren +zij gered. + +De herfst liep naar zijn einde, maar de hoop op bevrijding werd +verijdeld, nu, dat de winter zoo nabij was, nog een poging te wagen het +vasteland te bereiken, was ondenkbaar, want in die eindelooze +woestenijen is in den winter geen wild, en het trekken naar het Zuiden +brengt daarom tot een zekeren hongerdood. In den zomer daarentegen kan +men hopen daar reeds tamelijk vroeg op rendieren te stooten en op +muskusossen, die vreemde pooldieren, die evenveel gelijken op het +schaap als op het rund, van varens en mossen leven en niet meer +zuidelijk gaan dan tot 60 graden breedte. In het Westen van +Noord-Amerika valt de zuidelijke grens voor het optreden der +muskusossen ongeveer samen met de noordelijke boomgrens. Een kudde van +twintig of dertig dieren zou de gebreklijdende zeelieden van Franklin +van den dood hebben gered! Indien men tenminste maar ijsberen had +ontmoet! Of nog beter zeehonden en walrussen, met hun dikke speklaag +onder de huid. + +De poolhaas zou ook niet te versmaden zijn geweest, indien hij in +voldoend aantal was aangetroffen. Maar de bergvos, die van vogeleieren +en jonge vogels leeft en in den winter, niet te herkennen door zijn +witte vel, op de sneeuwhoenderjacht gaat, zou weliswaar niet aangenaam +zijn geweest te ontmoeten. + +Nu was het jaargetijde echter reeds te ver verstreken en de wilde +dieren trokken voor de sneeuw en de koude meer zuidelijk. Zeker +beraadslaagden de officieren wat er nu gedaan moest worden. Zij hadden +kaarten en boeken aan boord en wisten heel precies hoever het eerste +handelsstation der Hudsonbaai-maatschappij was verwijderd en op den weg +daarheen hadden zij misschien wild of Eskimo’s kunnen ontmoeten. Maar +zij besloten ook den derden winter aan boord uit te houden! Waarom +gebruikten zij den herfst niet, om de walvischbooten, sleden, tenten, +werktuigen en munitie en al de zware bagage op het King-Williamland aan +land te brengen? Zelfs met het afnemen van het licht hadden zij toch +verscheidene dagen kunnen werken. Stellig waren zij geheel +terneergeslagen en zagen met een huivering de duisternis tegemoet. Nog +ging de zon op, maar beschreef in het Zuiden slechts een vlakke boog en +dook na anderhalf uur weer onder. Spoedig duurde de dag nog maar een +half uur, de lichte oogenblikken werden steeds minder, en op zekeren +dag zag men nog slechts den bovensten rand, als een stralenden robijn, +een oogenblik boven den horizon fonkelen. Den volgenden dag viel in den +middag de schemering reeds in; slechts een weerschijn der zon vlamde +als het avondrood langs den zuidelijken hemel. Daarna werd de +schemering dieper en dieper. Wel merkte men ’s middags, in het Zuiden, +nog een bloedroode streep, die een mat purper schijnsel over de +ijsvelden wierp. Maar ook dit bluschte uit, en de poolnacht, die op +dezen breedtegraad volle zestig dagen, terwijl hij aan de Noordelijke +Pool zelfs een half jaar duurt, was er, en de sterren fonkelden als +brandende fakkels, op blauw-zwarten grond, zelfs dan, als de klok in de +officierskajuit het middaguur aangaf! + +Het was weliswaar niet altijd zoo pikdonker. Behalve de sterren, die in +de reine lucht bij de scherpe koude veel helderder stralen, dan in de +landen, die meer door de natuur zijn begunstigd, doet de maan ook +dienst. Maar haar licht deed het door de vorst verstijfde tehuis van +sneeuw en ijs nog verlatener en somberder lijken. In de duisternis zag +men tenminste niet hoe verlaten het aan alle kanten was. + +Wie voor het eerst in het hooge Noorden overwintert, vindt den +poolnacht wonderlijk aantrekkelijk, het diepe zwijgen der koude +duisternis en het klagend huilen van den voortjagenden sneeuwstorm. +Maar niets is zoo bewonderenswaardig als het noorderlicht. In Zweden +vertoont het zich niet zelden. Al weet men, dat de magnetische en +electrische kracht der aarde van tijd tot tijd bijna den ganschen +aardbol in een mantel van licht hult, toch staat men nog vragend voor +dit raadselachtig verschijnsel. Als de vuurtongen van het noorderlicht +hun flikkerend schijnsel over het Noorden uitstraalden, geloofden de +oude Vikings, dat de Walkuren op zilverwitte paarden van het Walhalla +uit naar het slagveld trokken. + +Meestal is het noorderlicht onvast. Het vlamt plotseling op, trilt een +oogenblik aan den hemel, verbleekt en verdwijnt. Het langst duren de +boogvormige noorderlichten, die dikwijls hun melkwitte wegen, hoog over +den hemel spannen. Dikwijls is slechts de eene helft van den boog +zichtbaar en verheft zich als een lichtzuil aan den rand des hemels. +Een anderen keer gelijkt het noorderlicht op flikkerende vlammen, die +naar beneden rood en naar boven groen zijn en vlug langs den hemel +glippen. Verder noordelijk is het licht geelachtiger. Als de stralen +zich alle in hetzelfde punt schijnen te vereenigen, dan spreekt men van +een noorderlichtkroon. Prachtige kleuren vertoonen zich, snel wisselend +in zulk een stralenbundel, die de kruin der aarde kroont; slechts +zelden is het licht zoo sterk als het schijnsel van de volle maan. Het +schoonst is echter het noorderlicht, wanneer het als geplooide +gordijnen van den hemel schijnt neer te hangen, die in den wind +fladderen. + +Voor de in het ijs gevangen gehouden Engelschen zullen de vlammentongen +van het noorderlicht wel geen aantrekkingskracht meer gehad hebben! +Uitgemergeld en afgestompt, de bedorven proviand zat, door drie winters +eindeloos nietsdoend wachten verweeklijkt geworden, lagen zij in hun +kooien en hoorden hoe de klok de seconden aftikte. De eenige +afwisseling in het eentonige leven waren nog de sterfgevallen. De +timmerlieden hadden de handel vol en kapitein Crozier kende zijn +lijkredenen al van buiten. Negen officieren en elf matrozen stierven +gedurende de beide laatste winters, de meesten in ieder geval gedurende +den laatsten winter. Dat werd bekend door een klein strookje papier, +dat verzegeld in een hoop steen aan de kust was neergelegd en elf jaar +later werd gevonden. + +Ook de maanden van deze duisternis naderden haar einde. De roode streep +ontvlamde weer in het Zuiden en werd gaandeweg lichter. Schemering +loste de duisternis af en eindelijk flikkerden de eerste zonnestralen +weer aan den horizon. Zeker hebben de Brahmanen aan den oever van den +Ganges het opgaan der zon niet met grooter gejubel begroet, dan de +manschappen van deze beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror”. + + + + + + + + +6. DE TOCHT NAAR DE DOODENBAAI. + + +Met de nieuwe zon ontwaakte de hoop der bemanning nu voor de laatste +maal! Wie kapitein Crozier persoonlijk heeft gekend, was overtuigd, dat +hij de hoop nooit heeft opgegeven. + +Nu gold het een laatste poging. De kapitein hield een toespraak tot +zijn manschappen en verheelde hen niet, dat hun leven op het spel stond +en dat hij het uiterste van hen verlangen moest. Er waren nog +honderdvijftig man bijeen, maar velen waarschijnlijk ziek of zelfs +stervende, zeker allen geheel uitgeput. Maar met het toenemende licht +verhief de levens- en arbeidslust zich weer. Verscheidene sleden werden +ingericht, wel plomp en zwaar, maar sterk. Drie walvischbooten, die +sedert jaren vastgevroren in hun davids hadden gehangen, werden +losgemaakt en op het ijs neergelaten. Het beste van de nog voorhanden +zijnde proviand werd uitgezocht en rondom de booten opgestapeld. Met +toenemende opwinding zag men de zon van dag tot dag langer boven den +horizon staan. Stellig werd een uitvoerig bericht over het lot der +expeditie neergeschreven en aan boord achter gelaten. + +Toen al de bagage op het ijs bijeen was, werden voorraden, tenten, +instrumenten, geweren en munitie op de sleden geladen en de drie +walvischbooten met koorden elk op een slede vast gesnoerd. Een aparte +slede met bedden was voor de zieken bestemd. Onder deze voorbereidingen +werden de dagen steeds langer en eindelijk werd het verlangen om op te +breken zoo sterk, dat niets de manschappen meer kon terughouden. Maar +dit te vroeg opbreken, bezegelde hun lot! Noch wild, noch Eskimo’s gaan +voor den nazomer zoover naar het Noorden, en ook met de volgeladen +sleden kon de proviand slechts voor veertien dagen toereikend zijn! + +Den dag voor den afmarsch zag ieder zijn bezittingen voor het laatst +nog eens na; dierbare herinneringen aan betrekkingen, den bijbel en het +horloge, dat den tragen gang van den tijd verkondigde, nam elk der +zwaar beproefde zeelieden in zijn zak mede. De officieren gingen voor +het laatst hun leege hutten binnen, om zich er van te overtuigen, dat +niets van gewicht was vergeten. In het inwendige van het schip zag het +er uit als in een huis, dat bij een overstrooming hals over kop +verlaten was en waaruit men nog maar het meest onontbeerlijke had +kunnen medenemen. + +Den 22sten April 1848 klonk het signaal tot opbreken, en de veel te +zwaar beladen sleden knarsten langzaam en hortend over het met sneeuw +bedekte, hobbelige ijs. Bijlen, houweelen en spaden zijn onafgebroken +aan het werk om scherpe kanten af te houwen en hinderlijke blokken weg +te ruimen. Het zijn slechts vijf-en-twintig kilometer tot +King-Williamland, toch duurt het drie dagen! Te langzaam worden de +masten en de rompen der verlaten schepen kleiner, maar eindelijk +verdwijnen zij toch. + +Maar nu zag de kapitein in, dat hij zoo niet verder kon gaan. De bagage +werd opnieuw doorgezien, en al wat maar eenigszins gemist kon worden er +uit gehaald. De latere hulpexpeditie vond op deze plek een menigte +voorwerpen, stukken van de uniform, koperen knoopen, metalen +voorwerpen, en dergelijke, hetgeen men als munt, bij ruilhandel met +Eskimo’s en Indianen had willen gebruiken. Maar alle proviand en +munitie werd medegenomen, want als de eerste op zijn eind raakte, dan +was de munitie de eenige redding. + +Met lichtere schreden zette de stoet zich langs de westkust in +beweging. Maar men was nog niet ver gevorderd of John Irving, luitenant +van de „Terror”, bezweek. Gekleed in zijn blauwe uniform, gewikkeld in +zeildoek, een zijden doek om het hoofd gewonden, werd hij tusschen +schuin geplaatste steenen begraven en het graf met vlakke steenen +gedekt. Naast zijn hoofd lag een zilveren medaille, op de voorzijde +stond: „Tweede prijs voor de wiskunde, door de Koninklijke +Zeevaartschool, aan John Irving 21 Juni 1830 uitgereikt.” Aan deze +medaille werd de doode na lange jaren herkend, en daardoor konden zijn +overblijfselen naar zijn geboorteplaats overgebracht worden. + +Twee bochten der westkust van King-Williamland zijn naar de beide +ongeluksschepen genoemd. Aan het strand van de noordelijkste, de +Erebus-baai, waren de krachten der Engelsche zeelieden zoo uitgeput, +dat zij twee booten, met de sleden waarop ze nu onnoodig zoover waren +medegesleept, achterlieten. Een menigte andere dingen werden hier +eveneens geofferd. Hier en daar toonde een graf hun weg—en steeds +eenvoudiger werden deze graven, hoe verder de stoet zich naar het +Zuiden bewoog. Daar kwam het vreeselijkste. Bij de Terror-baai hield de +band der vriendschap hen niet meer bijeen! De bevelhebber had geen +macht meer over de manschappen. De ongeveer honderd man, die +overgebleven waren, scheidden zich nu in twee, waarschijnlijke gelijke +deelen. Het eene, met de zwakkeren, wilde naar de schepen terugkeeren, +waar men tenminste tegen wind en weer beschut was en nog levensmiddelen +vond. Het andere deel trok, met de derde walvischboot langs de zuidkust +verder, en hoopte dan naar het vasteland en de Groote Vischrivier te +komen. Zonder eenigen twijfel zouden dezen, zoodra ze hulp hadden +gevonden, naar hun kameraden zijn teruggekeerd. + +Wanhopend moet de tocht zijn geweest van hen, die terugkeerden. +Wanhopend ook de marsch van hen, die verder trokken. Van de eersten +weet men zoo goed als niets. De laatsten sleepten zich, de zware sleden +trekkend, met vermoeide schreden voort, totdat zij, de een na den +ander, bezweken. Niemand dacht er meer aan, de lijken der makkers te +begraven; terwille van een stervende kon men zich niet ophouden! Ieder +had genoeg te zorgen voor zichzelf. Eenigen stierven in het gaan; dit +zag men later aan de geraamten, die men op het gezicht liggend vond. + +Vergeefs sleepten de overlevenden hun munitiekisten mede, zonder een +enkel schot te kunnen afvuren, want geen spoor van wild komt in Mei en +Juni op het eiland voor. Steeds kleiner werd het getal van hen, die de +boot over sneeuw en ijs nog aan land konden trekken. Nu wachtten zij op +open water om over de zeeëngte aan land te kunnen komen. In het begin +van Juli pleegt het ijs te breken, en in elk geval zijn de overlevenden +in dezen tijd daar overgezet, want de boot werd later in een bocht, die +nu de „Doodenbaai” heet, aangetroffen. Indien men de boot daar later +zou hebben gevonden, dan was het even goed mogelijk geweest, dat wind +en golven ze daarheen hadden gedreven; maar de geraamten in de boot en +aan het strand en allerlei voorwerpen van de uitrusting toonden aan, +dat de boot bij de overvaart en het landen bemand geweest was. Vele +oogenblikken van dezen noodlottigen tocht zijn voor eeuwig duister +gebleven. Waarom sleepten zij de zware walvischbooten twee maanden lang +mede, daar ze toch reeds het vorige jaar, op den tocht, kort voor den +dood van den admiraal, het vasteland in het Zuiden moesten hebben +gezien? De zeeëngte is op haar smalste plaats slechts tien kilometer +breed, en ze hadden haar op elke plaats over het ijs kunnen overgaan! +Nooit zal het raadsel opgelost worden, want allen stierven en geen blad +uit het dagboek is gevonden! + +Toen berichten van Franklin geheel uitbleven, werd reeds na twee jaar +de eerste hulp-expeditie gezonden. In het najaar van 1850 waren +vijftien schepen aan het zoeken; het dapperst en meest energiek was de +vrouw van Franklin, die jaren lang de hoop op een weerzien niet opgaf! +Zij offerde haar geheele vermogen aan de hulp-expedities en de +regeering gaf in den loop van zes jaar, ruim negen millioen gulden voor +hulpexpedities uit! Alles vergeefs! Want het ongeluk was reeds lang +geschied. Een expeditie, die reeds in 1848 uittrok, bleef in het ijs +steken, en kwam op een heel bijzonderen inval, om de in nood +verkeerenden, waar zij zich ook mochten bevinden, van hun nabijheid in +kennis te stellen. Men ving ongeveer honderd bergvossen, deed ze +koperen halsbanden om, waarop een kort bericht omtrent de ligging van +het hulpschip was ingekrast en liet ze dan weer loopen. + +In het jaar 1854 werden de namen van Franklin, Crozier en de overige +deelnemers uit de personeellijst der Engelsche marine geschrapt. In de +geboorteplaats van Franklin werd een gedenkteeken voor hem opgericht en +in de Westminster abdij, waar Engeland’s helden sluimeren, heeft men +een marmeren gedenksteen voor hem opgericht, met de woorden van den +dichter Alfred Tennyson: + + + „Niet hier! In den ijzigen arm verwijlt gij + Van de Pool—Een man, een held. + Naar een andere Pool gij ijlt, + Daar boven in de hemeltent!” + + +Een beroemd poolreiziger, Julius Payer, die Frans-Jozef-land in het +Oosten van Spitsbergen heeft ontdekt, heeft een schilderij geschilderd, +die hij de „Doodenbaai” noemde. Aan een verlaten kust midden tusschen +ijs en sneeuw ligt een aan land getrokken boot, tusschen hier en daar +verspreide bagage rusten de lijken van verscheidene zeelieden. In de +boot liggen andere lijken in de meest verschillende houdingen, de +trekken verstijfd in wanhoop en ontzetting! Een ligt voorovergebogen op +een open bijbel, de linkerhand omknelt krampachtig de saamgekreukelde +bladeren. Aan den voorsteven der boot knielt een man, de laatst +overgeblevene, kapitein Crozier. Met koelbloedige kalmte houdt hij zijn +geweer gereed. Twee ijsberen naderen, tegen hen wil hij zichzelf en +zijn doode makkers beschermen! + + + + + + + + +7. HET BERICHT DER ESKIMO’S. + + +Dertig jaren na den ondergang van de Franklin-expeditie begaf zich +luitenant Schwatka naar het Noorden om de oplossing van het raadsel te +zoeken. Verscheidene van de verongelukten zouden toch zeker een dagboek +hebben gehouden; een was voldoende om alles te vernemen. + +Schwatka zocht het allereerst de Eskimostammen op, die op hun zomersche +jachttochten, het dichtst bij King-Williamland kwamen. Bij velen vond +hij voorwerpen, die bij de expeditie hadden behoord. Maar het +merkwaardigste waren de verhalen van oude Eskimo’s. + +Een oude vrouw was met haar inmiddels gestorven man en twee andere +families naar King-Williamland getrokken voor de robbenvangst. Vol +verbazing en schrik hadden zij op een dag een troep vreemdelingen +gezien, die een boot achter zich aantrokken. Eerst hadden zij op de +vlucht willen gaan, maar toen een der vreemdelingen haastig op hen toe +was gekomen, hadden zij niet kunnen wegloopen. Zij spraken met elkaar +door teekenen en de Eskimo’s begrepen, dat de mannen blanke zeelieden +waren van een gestrand schip. Zij hadden er ontzettend uitgehongerd en +mager uitgezien, en zwarte kringen om oogen en mond gehad. De Eskimo’s +bleven vier dagen bij hen, deelden met hen het vleesch van een zeehond +en ontvingen als vergoeding een mes. De blanken brachten den nacht +gedeeltelijk in een boot, gedeeltelijk in een kleine tent door. +Levensmiddelen hadden zij niet. De Eskimovrouw vertelde, dat een der +mannen lang was geweest, en een reeds grijzenden baard had, een ander +werd „doklut”—dokter—genoemd, en had een witten bril gedragen, de +anderen, allen een donkeren. De Eskimo’s werden door ijsgang verrast en +moesten den geheelen zomer op het eiland blijven. In dien tijd verloren +zij de vreemdelingen uit het oog. + +Het volgend jaar keerden dezelfde Eskimo’s terug naar de zuidkust van +het eiland en vonden daar voor een tent verscheidene lijken, slechts +twee waren met zand en steenen bedekt, en ook in de tent lagen +verscheiden dooden in hun bed, geheel aangekleed, met laarzen aan de +voeten en toegedekt met hun dekens. De lijken, die buiten lagen waren +door de nog levenden daarheen gedragen. Messen, lepels, horloges, +papieren, werktuigen, en wat er nog meer in de tent lag, namen de +Eskimo’s mede. + +Andere Eskimo’s vertelden, dat zij op het vasteland een boot met +verscheiden geraamten hadden gevonden, hoeveel waren zij vergeten, +naast de boot hadden vier dooden gelegen, slechts een der dooden had +nog huid en haren, en zijn haar was lichtblond geweest, hij kon pas +eenige maanden dood zijn geweest. Hij had een ring aan den vinger en +droeg oorringen, zijn horloge was met een ketting bevestigd geweest. +Naast hem lag een blauwe bril. Alles van waarde namen de Eskimo’s mede, +o.a. een zaag, aarden pijpen, zeildoek, kleedingstukken, een kompas, +een tabaksdoos en een blikken doos met boeken. De boeken gaven zij aan +hun kinderen om mede te spelen en in den loop der jaren waren zij +verscheurd. Ongetwijfeld waren dat de kostbare logboeken met al de +waarnemingen en kaarten welke gedurende de drie jaren waren +opgeschreven en geteekend—papieren, voor welke Engeland vele millioenen +zou hebben gegeven! + +Eindelijk vertelde nog een oude man, dat hij en zijn stamgenooten voor +ongeveer dertig jaren in de nabijheid der kust van het vasteland in een +groot ijsveld een schip ingesloten hadden gevonden, ook hadden zij +sporen van menschen in de sneeuw ontdekt. Het volgend voorjaar hadden +zij zich weer naar het schip begeven, maar geen spoor van een bezetting +meer gevonden en aan boord was het zoo stil geweest als het graf. + +Waarschijnlijk was het dek nog hoog met sneeuw bedekt van den vorigen +zomer, en hadden de Eskimo’s die nog nooit aan boord van een schip +waren geweest, niet geweten hoe er in te komen. Op hun kloppen en leven +maken hadden zij geen antwoord gekregen en de scheepsluiken hadden zij +niet gevonden. Toen hadden zij met bijlen een gat in den zijwand +gehouwen en waren hierdoor voorzichtig naar binnen gekropen. Het was +binnen stikdonker en doodstil. Maar zij vatten moed en zochten rond in +de gangen en hutten. Maar in één kooi hadden zij het lijk van een man +gevonden. Naast hem, op een kleine tafel had een blikken kan met eenige +stukken vleesch gestaan. Toen het ijs in den loop van den zomer +verdween, vulde het schip zich door het gat in den romp en ging onder. +Andere Eskimo’s bevestigden dit bericht. Maar welk van de twee schepen, +de „Erebus” of „Terror” de „Onderwereld” of de „Schrik” zoo naar de +diepte ging, dat weet men niet. + +En wie was die eenzame in het binnenste van het schip? Men huivert bij +de gedachte aan zijn lot, hij was de laatste van die vijftig mannen, +die van de Terrorbaai naar het schip terugkeerden. Alle kameraden waren +dood, hij alleen had de kracht behouden zich naar het schip te slepen. +In de kajuiten lag alles nog even onordelijk verspreid als men het voor +twee maanden bij het verlaten van het schip had achtergelaten. De +laatste der manschappen, zocht proviand bijeen en droeg het in zijn +kajuit, dekens waren er genoeg voorhanden, een geriefelijk bed kon hij +nog voor zich inrichten. De zomerdag naderde zijn einde. Steeds langer +bleef de zon onder den horizon. Hij vermoedde niet, dat buiten op het +ijs Eskimo’s het schip gadesloegen maar niet aan boord dorsten te +komen. En toch was hij nu en dan op het dek geweest en had vergeefs +naar hulp van het land uitgezien. Toen kwam de schemering weer, gevolgd +door den langen nacht. Nu bleef hij in zijn hut, luisterde ingespannen +maar hij hoorde niets dan den wind in het takelwerk en in de bevroren +rinkelende touwen of het op zuchten gelijkende knarsen van den +scheepsromp, die door het ijs werd saamgeperst. Ontzettender dan welke +kerker ook, moet dit geheel alleen zijn op het verlaten schip zijn +geweest! En toch bracht het hem niet tot waanzin! De laatste der +overledenen wachtte rustig zijn laatste uur af: een vierde winter was +te veel voor hem, en de tijd tot den volgenden zonsopgang te lang. Toen +de dag weer lichtte, het ijs smolt, en het schip uit zijn driejarige +gevangenschap bevrijdde, zonk het met zijn held in de diepte. + + + + + + + + +8. AAN DE OOSTKUST VAN GROENLAND. + + +De Noordpool, het doel van zoovele ontdekkingsreizen, is door zulk een +dichten krans van onopgeloste vraagstukken omgeven, dat elke expeditie, +die bij den altijd durenden wisselenden toestand van het poolijs geheel +van haar route wordt afgedreven, toch met een menigte wetenschappelijke +resultaten terugkeert en al heeft zij de Noordpool ook niet bereikt, +toch bij zorgvuldigen, wetenschappelijken arbeid, voor onze kennis der +Poolstreek gewichtige bijdragen levert. Dat geldt ook van de Duitsche +Noordpool-expeditie, die in de jaren 1869 en 1870 ondernomen werd op +aandrijven van den beroemden Duitschen geograaf August Petermann, en +die de verdienste heeft, aan de oostkust van Groenland, het grootste +eiland van de wereld, het vaderland der Eskimo’s, dat op de kaart als +een lange, witte, slechts aan de randen gekleurde landstrook van de +Noordpool afhangt, ruime gebieden te hebben ontsloten. Groenland, welks +eigenaardigheden van een eiland pas door de laatste ontdekkingsreizen, +vooral die van den Amerikaan Peary, werden bepaald, dankt zijn +ontdekking en eerste nederzetting tot in de tiende eeuw aan de Noren +wier kolonies aan de westkust zich tot in de 14e eeuw in bloeienden +toestand bevonden. Reeds in het jaar 1000 werd in Groenland van uit +Noorwegen het christendom wettelijk ingevoerd en van 1126 tot aan den +hervormingstijd kan men nagaan, welke bisschoppen er achtereenvolgens +geregeerd hebben. Het levendig scheepverkeer dat in die vroege eeuwen +tusschen Groenland, IJsland en Noorwegen bestond, verminderde echter +met het verval der Noorweegsche kolonies, in de 13de eeuw, en in het +midden der 15de eeuw was alle verbinding tusschen Groenland en de +beschaafde wereld verbroken. Pas in den tijd der Noorsche +ontdekkingsreizen, dus vanaf de 16de eeuw, moest dit ontzaglijke eiland +weer stuk voor stuk ontdekt worden, en in de 17de eeuw werd de +Groenlandsche kust vaak bezocht door Duitsche en Hollandsche +walvischvaarders, de zoogenaamde Groenlandvaarders. Maar steeds was de +westkust van Groenland het doel der walvischvaarders en +ontdekkingsreizigers, daar de oostkust door den onmetelijken stroom van +het voortdrijvende poolijs als achter een veilig bolwerk volkomen +ontoegankelijk scheen. Pas aan het einde der 18de en vooral in de 19e +eeuw drong de geografische onderzoeking ook hier zegevierend door en +het succes der Duitsche expeditie lokte een groot aantal poolreizigers +naar deze oostkust van Groenland, die tegenwoordig wel beschouwd mag +worden als bekend te zijn in haar hoofdomtrekken. + +Met twee schepen, de stoomboot „Germania” en het zeilschip „Hansa” stak +de Duitsche expeditie den 15den Juli 1869 van Bremerhaven uit, in +tegenwoordigheid van Koning Wilhelm van Pruisen, in zee. Maar reeds in +het midden van Juli werden de beide schepen, toen zij juist de grens +van het poolijs hadden bereikt, van elkaar gescheiden. Het gelukte aan +de „Germania” zich tot aan de oostkust van Groenland door te werken; +zij bereikte den 5den Augustus 1869 land en drong den 12den Augustus +tot 75° 17′ breedtegraad door, waar het ijs den verderen doortocht +verbood. Zij trok zich vooreerst terug naar de zuidzijde der +Shannon-eilanden, teneinde die wetenschappelijk te onderzoeken en +stootte daarbij op muskusossen, van welke het tot dusverre niet bekend +was, dat zij zich op Groenland’s oostkust bevonden. Daar de toestand +van het ijs ook verder ongunstig was begaf de „Germania” zich aan de +zuidzijde der Sabine-eilanden in winter-kwartier, en daar ook de +winterstormen geen beweging in het ijs brachten, bleef de expeditie +tien maanden op die plaats, om op slede- en boottochten een reeks +kuststreken, die tot nog toe niet waren onderzocht, te verkennen. + +Zij hadden een uitstekende haven voor overwintering uitgezocht, die +door vooruitstekende bergen voor de razende noorderstormen was beschut +en geheel ongedeerd bleef van drijfijs en dank zij de vèrziende +voorzorgen van den uitnemenden kapitein Koldewey en zijn vier +wetenschappelijke medearbeiders, dr. Börgen, eerste luitenant Payer, +dr. Copeland en dr. Pansch, werd deze arctische overwintering van tien +maanden in de „Germania-haven” een zeer huiselijke idylle. + +Op het nabijzijnd vasteland van de Sabine-eilanden werd het voornaamste +deel van de proviand opgestapeld en twee observatoria opgericht, een +astronomisch en een meteorologisch. Over het dek der „Germania” werd +een dichte tent gespannen en die met een laag mos belegd, wat echter +niet belette, dat bij dagenlangen heftigen storm, de sneeuw door alle +spleten drong en het dek een voet hoog bedekte. De kajuiten werden met +vilt, wollen stof en zeildoek bekleed, een vernuftige ventilatie voor +de ruimten onder dek werd aangebracht en tijdig drinkwater uit de +borrelende beken der nabijzijnde kust gehaald. Het schip werd omgeven +door een borstwering van geweldige ijsblokken en een schutting eveneens +van ijsblokken leidde naar de observatoria. Om den stand van den stroom +gade te slaan en om bij brandgevaar veilig te zijn, werd steeds een gat +in het ijsveld opengehouden, een voorzorg, die bij een brand, die in +den loop van den winter in de kajuiten uitbrak, schitterend voldeed. + +Tot in November werden deze voorbereidingen door prachtig helder +winterweer begunstigd. Toen begon gaandeweg de vorst sterker te worden, +de dagen werden korter, en den 6en November verdween de zon en de +poolnacht van drie maanden daalde op de „Germania” en haar zeventien +bewoners. Tot de terugkeer van het daglicht, was de bezetting beperkt +tot het schip en de naaste omgeving er van. De bediening der +observatoria, die veelvuldig te lijden hadden van het geweld der +stormen en de nieuwsgierigheid der ijsberen, en de uitvoering der +andere wetenschappelijke observaties was van uur tot uur precies +geregeld en slechts aan de pijnlijke nauwgezetheid in het opvolgen +dezer voorschriften, was het te danken, dat de hierboven genoemde brand +in het achterdek bijtijds werd ontdekt. Om de manschappen bezig te +houden, richtten de geleerden der „Germania” een zeevaartschool op, +waar de nautische wetenschappen, geografie, astronomie en natuurkunde +werden onderwezen, en zelden heeft men in een scheepslogis zooveel +gehoord van plus en minus, van macht en wortel als in de kajuiten der +Duitsche poolreizigers! Er werd zelfs een „Oost Groenlandsche Courant” +opgericht. Zij verscheen elke veertien dagen in twee geschreven +exemplaren, bevatte allerhande schertsen, gedichten, toespraken, +„officieele bekendmakingen” en droeg niet weinig bij tot het +wintervermaak. Voor het Kerstfeest bouwde de timmerman een kunstige +denneboom; de takken werden sierlijk getooid met de groene +uitspruitsels van de onder de sneeuw groeiende plant Andromeda. +Oudejaarsavond werd met rijnwijn, muziek, gezang en dans op het ijs +gevierd. Den 3en Februari keerde de jubelend begroete zon weer terug en +spoedig had men weer volle werkdagen zonder het vermoeiende lamplicht. +Maar daarmede kwam er ook een eind aan het gezellige leven aan boord, +en de manschappen gingen in troepjes met sleden uit; tochten, die hun +moed en volharding op de zwaarste proef stelden. Bij het volkomen +onbewoond zijn der kusten, waren honden en rendierensleden niet te +krijgen. Men moest de sleden met bagage en proviand dus zelf over de +ijsbergen en sneeuwvelden trekken. Toch gelukte het aan de Duitsche +pioniers op vijf zulke reizen met sleden bijna duizend zeemijlen in een +onbekend gebied te doorkruisen. Het vreeselijkst waren daarbij de +sneeuwstormen, die dikwijls dagenlang de deelnemers van een +slede-expeditie in hun nauwe tent vast hielden en tijdverlies +veroorzaakten, dat bij de beperkte proviand soms levensgevaarlijk werd. + +Was de dagmarsch volbracht, meestal bij het invallen der duisternis, +dan werd een geschikte plek op het strand of een ijsvlakte als +kampement gekozen. Kleine sneeuwlagen werden met den voet weggeschopt, +scherpgekante, vastgevroren blokken, met moeite terzijde geschoven, +grootere menigmaal meer dan honderd schreden aangesleept om de touwen +der tent er aan te bevestigen, een werk, dat bij storm en 20 graden +koude eenige zelfoverwinning kost. Was de slaapzak in de tent +uitgespreid, de bagage in orde gebracht, had de kok den ketel met +sneeuw volgestopt, de lamp aangestoken en het avondrantsoen uitgedeeld, +dan konden ook de andere makkers, die ondertusschen door de toenemende +koude hoe langer hoe meer gekweld werden, het nachtkwartier betrekken. +De openingen van de tent werden met haken gesloten en men trof de +toebereidselen voor den nacht. + +De stijve laarzen van zeildoek, die aan de kousen vastgevroren waren, +moesten als hoofdkussen dienen, zij werden met de hand ontdooid en met +moeite losgescheurd. Daarop de met sneeuw bedekte kousen uitgetrokken, +afgekrabd en op de borst bewaard, om door de eenige warmtebron, de +eigen lichaamswarmte voor den volgenden dag te worden gedroogd. +Eindelijk hebben allen zich in den slaapzak gewrongen, ieder ligt +gedeeltelijk op zijn buurman en men wacht, dicht opeengedrongen, op het +avondeten. De wind drukt de wanden van de tent naar binnen en maakt de +ruimte nog kleiner. Door het weefsel, uit elken naad, door de kleinste +opening spat een fijne stroom sneeuwkorrels en valt onafgebroken als +meel uit den molen op den slaapzak neer. Hoe dikwijls de sneeuwlaag ook +met het mes wordt weggeschraapt, even snel vormt zij zich weer. +Dikwijls gebeurt het ook, dat de sneeuw smelt door de verhooging der +temperatuur in de tent en dan doordringt tot op de huid. + +Met een onverschilligheid, grenzende aan stompzinnigheid, wachten de +makkers, dicht op elkaar gedrongen, hurkend, met verstijfde handen +handschoenen en kousen herstellend, den baard vol ijs, te midden van +dezen chaos van bevroren kleedingstukken en laarzen. De kookpan is lek +geworden; de spirituslamp druipt en dreigt de tent met brandgevaar; de +vernieling ervan zou bij den woedenden storm het werk van een oogenblik +zijn. De kok klaagt, dat hij vandaag zijn vingers verbrandt, die +gisteren bevroren waren. Zijn werkzaamheid is aan voortdurende kritiek +onderhevig, waartoe de algemeene honger prikkelt. Ieder wacht met +ongeduld op het gereedkomen van het eten; rillend, in elkaar gedoken, +roept de een of ander: „Peter, kookt het haast, je hebt zeker sneeuw in +den spiritus gedaan!” + +Waarop Peter dan antwoordt: „Houd je mond! Hebt ge niet leeren +wachten?” + +De levensmiddelen zijn steenhard bevroren, vleesch in bussen of ham +wordt met de bijl stuk geslagen; boter kan men zonder eenige bedenking +in het vestjeszakje opbergen, om onder den marsch bevroren te worden +opgegeten, want de thermometer in den binnensten jas- of broekzak wijst +gewoonlijk nog zes tot tien graden koude. + +Eindelijk is na twee uur de maaltijd gereed en wordt gretig en zoo warm +mogelijk verslonden. De damp, door het koken ontstaan, maakt, dat men, +als in een dampbad, ternauwernood iets van zijn buurman ziet; de wanden +der tent worden door en door nat; de vochtigheid der kleeren neemt toe, +het opengaan der deur van de tent brengt dadelijk een sneeuwval te +weeg, en nadat het koken is geëindigd, is alles bevroren of met een +dikke korst sneeuw bedekt. Het kleine rantsoen van een uit rundvleesch +en peulvruchten toebereide soep kan den dagelijks toenemenden honger +niet stillen, de slaap moet dien, evenals den smachtenden dorst, doen +vergeten. + +Eindelijk heeft de kok, nadat hij den ketel heeft uitgekrabd, zich ook +een plaats in den slaapzak veroverd, en nu kan er ook verder niemand +meer in. Het is slechts mogelijk op de zijde te liggen. Vandaag liggen +allen links, morgen allen rechts; persoonlijke begeerten, bijvoorbeeld +den wensch op den rug te gaan liggen, wekken algemeen protest, evenals +elke beweging, zoodra de toestand van verstijving is ingetreden. Uit +acht menschen is één klomp geworden! + +’s Morgens te 5 uur wordt weer opgebroken; de slappe, zwarte koffie is +met ijskoud broodkruim tot een brei vermengd. De bevroren laarzen +worden met de hand ontdooid, in de plooien en van buiten van sneeuw +bevrijd; zoo ook de tent, die geheel stijf is geworden, en eerst door +kloppen buigzaam gemaakt moet worden. Zoo ook de slaapzak, die door de +dagelijks toenemende vracht van ijs den spotnaam van „Walrus” heeft +gekregen. De doorweekte zeehondenkleeding bevriest buiten dadelijk en +aan de haren vormen zich ijsbloemen. Enkelen wrijven hun gezicht met +fijne sneeuw om do oogen te verfrisschen, een andere manier om zich te +wasschen verbiedt het gebrek aan water. Sleden en tent worden uit de +opgewaaide sneeuw uitgegraven en eindelijk kan ieder na twee uren de +trekkoorden grijpen, de vurig verlangde verlossing van de pijn van het +nachtleger! Het is nog een geluk als de brandstoffen tot het einde van +zulk een sledevaart toereikend zijn. Indien de voorraad ten einde +raakt, dan moeten de manschappen zich er aan gewennen, het rauwe, nog +warme vleesch van gevelde muskusossen te verorberen, en de drang tot +zelfbehoud walgde zelfs niet van bosjes haar en de wol der dekens, +vermengd met broodkruim, peper en jeneverbessen! + +Tot midden Juli werden deze sledevaarten langs de kusten ondernomen, en +daarbij 77 breedtegraad bereikt. Toen het poolijs zich echter in +beweging zette, moest de „Germania” trachten uit haar winterkwartier +los te komen. Een nieuwe voortgang naar het Noorden bleek onmogelijk te +zijn, de expeditie gebruikte den overigen tijd tot verdere onderzoeking +van de kust; daarbij ontdekten zij den Keizer-Frans Jozeffjord, die +diep tot in het binnenste van Groenland voert en aan grootschheid van +natuurschoon met de meest romantische Alpenstreken kan wedijveren. + +Averij aan den stoomketel maakte, vroeger dan men gedacht had, een eind +aan den verderen ontdekkingstocht van de „Germania” en zij konden van +geluk spreken, dat zij nog zooveel stoom hadden, om den pas ontdekten +fjord te verlaten. Den 17den Augustus lichtte men het anker voor den +terugtocht en na twee dagen moeitevol en opwindend heen en weer zeilen +door een gordel van pakijs, hoorde de bemanning eindelijk met +onbeschrijflijke vreugde de branding van de open zee weer tegen de +ijsschollen klotsen. De 10den September liep de „Germania” gelukkig +reeds weer den Wezer binnen en landde den 11den September aan haar +uitgangspunt Bremerhaven. + + + + + + + + +9. DOOR IJSBEREN AANGEVALLEN. + + +Naast de muskusossen, die in tegenstelling van hun leelijk uiterlijk, +evenals de schapen, tot wier familie zij behooren, zeer onschuldig +bleken te zijn, waren voor de manschappen van de „Germania” de talrijke +rendieren gedurende hun overwintering een zeer welkom wild. Daar de +oostkust van Groenland geheel onbewoond was, toonden de dieren niet de +minste schuwheid voor de voor hen vreemde menschen en liepen vaak +regelrecht voor het geweer; zelfs de poolvossen, die dikwijls rondom +het schip slopen, waren zoo tam, dat ze zich met de hand lieten +streelen. + +Bedenkelijk en met het vorderen van den winter steeds gevaarlijker +werden echter de bezoeken van de ijsberen, en de bemanning van de +„Germania” had ruim gelegenheid op te merken, dat deze roofdieren +volstrekt geen winterslaap hielden, zooals men vroeger meende. Steeds +meer lieten de ongenoode gasten zich in de nabijheid van het schip +zien, vanwaar hun allerhande heerlijke geuren tegemoet stroomden en het +kwam zoo ver, dat de „Germania” gewoon belegerd werd door een kring van +deze gevaarlijke dieren, en niemand meer zonder geleide ook maar eenige +schreden het schip kon verlaten. + +Het was op den 13den Januari, in den voormiddag, de tijd waarop de +manschappen gewoonlijk buiten bezig waren, en moesten wandelen, dat een +der matrozen, Kleutzer geheeten, op eigen gelegenheid den nabijgelegen +Germaniaberg beklom, om het landschap, in het reeds helderder wordend +middaglicht, op te nemen. Boven aangekomen ging hij welgemoed op een +rots zitten en zong vroolijk een lied de stille heldere lucht in. Heel +toevallig keek hij om; daar stond maar enkele schreden verwijderd een +geweldige ijsbeer, die met ernstige uitdrukking den vreemdeling bekeek. +De matroos was een even kalm en vastberaden als krachtig man en in +gewone omstandigheden zou er niets bijzonders aan de zaak zijn geweest; +de beer stond prachtig onder schot en kon niet zoo gemakkelijk gemist +worden, maar—Kleutzer was geheel ongewapend en had zelfs geen mes bij +zich. Onbegrijpelijk, niet waar? Want nog slechts enkele dagen geleden +was een beer bij het schip gezien. En alleen verklaarbaar door de +noodlottige zorgeloosheid, welke den matrozen eigen is en door de +omstandigheid, dat tot nu toe bijna alle beren voor de ongewone +verschijningen der poolvaarders gevlucht waren en de matrozen nog geen +respect hadden ingeboezemd. + +Kleutzer ziet zich dus ongewapend en ver van zijn makkers, alleen +tegenover den beer. Vlucht is de eenige, al is het dan ook +twijfelachtige redding en reeds komt de vermetele gedachte bij hem op, +zich op goed geluk langs de steile gletscherhelling omlaag te storten. +Maar hij neemt toch liever de zachter glooiende zijde en begint nu hard +den berg af te loopen. Na een poos kijkt hij om, de beer loopt als een +groote hond op zijn gemak hem achterna. Zoo gaat het een tijdlang +bergaf, zoo hard als het terrein het toelaat. Stond Kleutzer stil, dan +stond de beer ook stil, ging hij verder dan volgde de beer langzaam, en +ging hij hard loopen, dan volgde de beer, in hetzelfde tempo. Zoo waren +de twee al een goed eind gevorderd en Kleutzer waande zich zoo goed als +gered. Het begon den beer zeker te vervelen, hij bleef den vervolgde +tenminste dichter op de hielen. + +Dat werd den matroos toch te griezelig en terwijl hij steeds +voortholde, slaakte hij, om het dier te verschrikken en om hulp te +krijgen, een luiden kreet. In het eerst scheen de beer er door +verbluft, maar daarna woedend geworden, naderde hij den vluchteling nu +steeds meer, zoodat deze den heeten adem van het monster reeds meende +te voelen. In dezen ontzettenden toestand kwam Kleutzer de bekende +berengeschiedenis in de gedachte, die hem juist kort geleden was +verteld, waarin de vervolgde zich redde door den beer kleedingstukken +voor te werpen; bij het onderzoek er van hield de beer zich zoo lang +op, totdat hulp kwam opdagen. Kleutzer trekt dus, al voortsnellend, +zijn buis uit, en werpt het achter zich en ziet, de list helpt. De beer +blijft staan en begint een nader onderzoek van het buis, dat hij +besnuffelt en heen en weer schudt. Kleutzer vat nieuwen moed, snelt +verder den berg af en stoot uit volle borst een kreet om hulp uit, die +ver door de stille streek weergalmt. Maar al te gauw is de beer hem +echter weer op de hielen en Kleutzer werpt hem nu de muts, dan het vest +toe, waardoor hij weer een voorsprong krijgt. Kleutzer ziet reeds dat +redding nadert, en eenige kameraden over het ijs toesnellen. Met +inspanning zijner laatste krachten loopt en schreeuwt hij weer, maar +alle hulp schijnt vergeefs, want steeds sneller nadert de vervolger en +Kleutzer moet nu het laatste wat hij nog geven kan, afstaan, zijn +wollen doek, welken hij het dier tegen den kop werpt. + +Maar de beer, door het geschreeuw opnieuw getergd, werpt den doek door +een ruk met den kop, met verachting van zich, en dringt steeds +begeeriger op den weerlooze toe, die reeds den kouden, zwarten snuit +aan zijn hand voelt. Nu schijnt hij verloren te zijn; de matroos weet +geen raad meer,—daar komt hij op een prachtige gedachte: met zijn +lederen gordel de keel van het dier dicht te snoeren. Strak kijkt hij +in de meedoogenlooze oogen van het beest—een kort oogenblik van wanhoop +treedt in, daar—schrikt de beer door iets wat op zij gebeurt, het +volgend oogenblik verwijdert hij zich in volle vaart! Het geschreeuw +der kameraden die ter hulpe kwamen, had hem blijkbaar verschrikt, en +hij vond het ’t verstandigst het op een loopen te zetten. Kleutzer was +als door een wonder gered. + +Nog veel erger was een aanval op den astronoom der „Germania” in het +begin van Maart. + +Tegen negen uur in den avond was Dr. Börgen naar buiten gegaan, om een +hemelverschijnsel gade te slaan en te gelijkertijd de meteorologische +aanteekeningen op te nemen. Juist op het punt aan land te gaan, +ontmoette hij kapitein Koldewey. Die twee spreken nog een oogenblik met +elkaar, waarop de een naar het observatorium, de ander naar het schip +gaat. Op den terugweg van het observatorium, nog vijftig schreden van +het schip verwijderd, hoort Dr. Börgen een geruisch links naast zich en +staat hij tegenover een op hem toekomenden beer. De aanval geschiedde +zoo plotseling, dat Börgen van het geweer geen gebruik kon maken, ja +later niet eens kon zeggen, of de beer zich had opgericht en hem met +zijn klauwen op den grond geworpen of omvergeloopen had. Het eerste wat +Börgen voelde, wat het indringen van het gebit in de huid van zijn +hoofd, dat slechts door een dun lakenschen muts was bedekt. De beer +spande zich in, zooals hij dat met zeehonden pleegt te doen, den +schedel van zijn slachtoffer te breken, maar zijn tanden gleden er +knarsend af. Een luide hulpkreet verjoeg het dier voor een oogenblik, +het keerde echter onmiddellijk terug en beet nog verscheiden keeren in +het hoofd van Dr. Börgen. Dat het gebit den schedel niet verbrijzelde, +was stellig toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het geen +volkomen volwassen dier was. De hulpkreet was intusschen door den +kapitein vernomen. Hij snelde op het dek, alarmeerde de bemanning en +allen snelden den in gevaar verkeerenden makker te hulp. Het geraas dat +ontstond, joeg den beer schrik aan, en nu beproefde hij zijn +slachtoffer, dat hij aan het hoofd vast had, en dat zich door +machtelooze stooten in de ribben van het dier trachtte te weren, in +zekerheid te brengen. Daar weerklonk een schot; het dier schrok, liet +Börgen los en sprong een paar schreden ter zijde, maar eensklaps greep +het zijn arm en daarna zijn hand, die in een bonten handschoen was +gehuld. Dit oponthoud maakte het den vervolgers mogelijk te naderen, +maar toch zou de beer met zijn buit zijn ontkomen, indien hij tegen den +oever was opgeklauterd. Maar hij nam zijn weg langs de kust, waar door +de oneffenheid van het ijs zijn snelheid van loopen aanmerkelijk werd +vertraagd, terwijl de toesnellenden op het gladde ijs snel dichterbij +kwamen. Toch werd Börgen ongeveer driehonderd schreden ver +voortgesleept en door den doek, waarvan de beer de einden ook beet had +gepakt, werd hij bijna geworgd. Eindelijk liet het ondier los; dadelijk +daarop bukte kapitein Koldewey zich met een „Goddank, hij leeft nog!” +over het lichaam van den geleerde. + +Eenige schreden terzijde stond de beer, blijkbaar nog overleggend, wat +hem te doen stond, totdat een kogel hem vertelde, dat het hoog tijd +werd zich uit de voeten te maken. Aan het vervolgen van den beer dacht +echter niemand, daar de allereerste taak nu was, den gewonde aan boord +te brengen; het duurde verscheiden weken, voordat deze van de vele +wonden, die de ijsbeer hem had toegebracht, genezen was. + + + + + + + + +10. TWEEHONDERD DAGEN OP EEN IJSSCHOTS. + + +Het lot van de „Hansa” waarop kapitein Hedemann het bevel voerde en die +in dr. Buchholz en dr. Laube twee wetenschappelijke medewerkers aan +boord had, was niet zoo gelukkig als dat van de „Germania”. Ze was door +een verkeerd begrepen signaal te ver naar het Westen gezeild, en zat +spoedig, nadat zij het hoofdschip uit het gezicht verloren had in het +ijs vast, dat langzaam naar het Zuiden dreef. Land te bereiken was +onmogelijk en men moest voorbereid zijn op een overwintering tusschen +het drijfijs. Met of zonder schip? Dat was de moeielijke vraag, van +welker beslissing het lot der geheele bemanning die veertien man sterk +was, afhing. Ondenkbaar was het niet, met het ijs verder te drijven en +in Februari ongeveer bij IJsland weer vlot te worden. Maar hoeveel +Groenlandvaarders van vroegers tijden, die eveneens met hun schepen +tusschen het ijs der Groenlandsche kusten waren gedreven, waren daarbij +niet te gronde gegaan. + +De ijspersingen kwamen steeds meer voor en spoedig moest men zich +voorbereiden op het verlies van de „Hansa”. + +De booten gaven te weinig beschutting tegen storm, koude en sneeuw; in +de allereerste plaats moest er dus voor een goed onderkomen worden +gezorgd. Vierhonderd vijftig schreden van het schip verwijderd zocht +men een stevig stuk ijs, dat geen gaten had, en oogenschijnlijk niet +zoo spoedig door de wrijving met andere ijsvelden zou doorbreken. En +hier begon men een huis te bouwen. Bouwsteenen waren de voorhanden +zijnde briquetten, een uitnemend bouwmateriaal, dat de vochtigheid +opnam en de warmte in de binnenruimte hield. Water en sneeuw was de +kalk; hoe sterker het vroor, des te beter vorderde het werk; men +behoefde slechts in de voegen en spleten der kolensteenen fijne sneeuw +te strooien en daar water op te gieten—in tien minuten was alles tot +een vaste massa bevroren. De kap van het dak werd getimmerd uit +scheepshout en met zeildoek en matten bedekt en om aan het luchtige dak +meer dichtheid en vastheid te geven, werd er nog sneeuw opgeschept. De +vloer werd eveneens met briquetten belegd, in het huis, dat 3 October +na een arbeid van zeven dagen gereed kwam, werd proviand voor twee +maanden gebracht; vooral brood en vleesch, conserven, spek, wat koffie +en alcohol, brandhout en kolen. Tegelijkertijd werd het schip zelf voor +de mogelijke overwintering ingericht. + +Intusschen dreef de „Hansa” steeds meer naar het Zuid-Westen. Een +laatste poging om te voet tot het land door te dringen bleek +onuitvoerbaar door een waterarm, die parallel met de kust liep. + +Den 18den October begon het ijs den strijd met het ingesloten schip. In +regelmatige tusschenruimten, als door een gelijkmatigen golfslag in het +leven geroepen, begon het persen en schroeven der ijsmassa, het dreunen +en knallen, piepen en fluiten onder het ijs. Nu eens klonk het als het +knarsen van deuren, dan weer als een verward door elkaar spreken van +stemmen, dan weer als het remmen van een trein. Het ijsveld, waarin de +„Hansa” lag, had zich onder het drijven omgedraaid en drong het schip +nu steeds sterker naar het kustijs. De masten schommelden en het was +den stuurman boven op zijn brug vaak, alsof iemand hem naklom. + +Dat was slechts het voorspel der gebeurtenissen in de eerstvolgende +dagen. Onder storm en sneeuwjachten werden de persingen van het ijs +steeds sterker, gaandeweg hieven de ijsmassa’s den voorsteven omhoog, +terwijl de achtersteven van het schip ingeklemd bleef en een +vreeselijken druk had te weerstaan. Elk oogenblik kon de catastrofe +plaats hebben en dan was de eenige toevlucht voor de mannen het +kolenhuis op het ijs! + +In de grootste haast werd nog alles uit het schip gehaald, dat aan +kleedingstukken, bedden, brandstof en proviand diensten kon bewijzen. +Toen de persing wat minderde, bleek, dat het schip op een onbereikbare +plaats een gat had gekregen. + +Het pompen was vergeefs en de „Hansa” begon langzaam te zinken. Wat nog +maar van eenige waarde kon zijn, werd gehaald en op het ijs gebracht; +de tot nu toe bijeengebrachte wetenschappelijke verzamelingen en +fotografische opnamen gingen echter verloren; de masten werden gekapt +en met al het takelwerk op het ijs gesleept; daarna werden de touwen +losgemaakt, waarmede het ijsanker de „Hansa” nog aan het veld +vasthield, opdat de ijsschol zelf niet door het zinkende schip werd +verbrijzeld. In het rond lagen in chaotische verwarring de meest +verschillende zaken door elkaar, met den dood kampende en van koude +bevende ratten, die door het water uit het scheepsruim waren gedreven, +liepen er tusschen, en in den nacht van den 21sten op den 22sten +October zonk de „Hansa” in de ijzige diepte! + +Nu moest men zich eenigszins huiselijk in het kolenhuis inrichten. Het +niet luchtdichte dak van zeildoek werd door een planken dak vervangen +en om licht en lucht in de zwarte woning te brengen, werden twee +klepramen in het dak aangebracht, maar die toch het grootste gedeelte +van den dag het lamplicht niet onontbeerlijk maakten. Aan beide zijden +van de middengang werden britsen om op te slapen geplaatst en tegen den +wand houtvoering aangebracht om het vastvriezen der kussens te +beletten. Twee kachels zorgden voor voldoende verwarming. Tegen de met +zeildoek bekleede muren werden planken getimmerd, waarop boeken, +instrumenten en kookgereedschappen geplaatst konden worden; de +scheepskisten dienden voor tafel en banken. De vergulde spiegel uit de +kajuit prijkte tegen den zeildoeken wand, daaronder een kostbare +barometer en de klok. Het grootste deel van de proviand en brandstof +werd van de plaats, waar de „Hansa” was gezonken naar het huis gesleept +en daar opgestapeld. Daar de sneeuw spoedig zoo hoog als de muren van +het huis kwam, werd een vijf voet breede gang rondom de woning gegraven +en met zeildoek gedekt. Dat was de eetkamer. Een voor ongeveer twee +maanden dienend deel van de proviand werd in de booten gepakt, die +elken dag uit de sneeuw moesten gegraven worden. Een valreeptrap diende +om in het huis te komen, dat als een vossehol, ternauwernood met het +dak uit de sneeuw stak en om sneeuw en wind van dezen ingang verre te +houden, werd er nog een voorhal met een slingerende gang in de sneeuw +gegraven, waarvan het dak evenals de voorraadschuren was samengesteld. + +Met de vernietiging van de „Hansa” scheen de kracht van het ijs ook +uitgeput te zijn, de ijspersingen hielden op en het ijsveld met de +vreemde nederzetting dreef langzaam langs de ijskust van Groenland, nu +eens dichter, dan weer verder van het land verwijderd, een beweging die +stellig haar oorzaak vond in ebbe en vloed. De schilderachtige vormen +der Groenlandsche rotsige kusten waren meestal duidelijk te zien, +zonder dat er eenige mogelijkheid bestond ze te naderen. + +De veertien kolonisten waren natuurlijk spoedig begonnen hun drijvend +ijsland te onderzoeken, zooals vroeger Robinson zijn eiland. Het bleek +in alle richtingen ongeveer dezelfde doorsnede van ongeveer twee +zeemijlen te hebben en had boven het water een hoogte van vijf voet, +waaruit volgens de ervaring besloten konden worden, dat de sterkte van +het ijs onder het water op meer dan veertig voet geschat kon worden. +Overigens bood ze slechts het beeld van een gelijksoortig met sneeuw +bedekte, gelijke vlakte en als men zich verwijderde, van het diep in de +sneeuw begraven huis, dan verdwenen spoedig alle herkenningsteekenen +der nederzetting behalve de donkere punten der beide schoorsteenen, de +na elke sneeuwjacht weer opengelegde booten en de mast met de +wapperende Noord-Duitsche vlag. Maar een afschrikwekkend woest gezicht +leverden echter de randen van het ijsveld, namelijk in het Westen en +Noord-Oosten. De wrijvingen en persingen met aandrijvende schollen +hadden hier muren opgestapeld tot tien voet hoogte. In den zonneschijn +glinsterden de sneeuw-kristallen als millioenen diamanten. Het avond- +en morgenrood gaf aan de witte vlakten een vaal-groene kleur. De +nachten waren prachtig helder, zoodat men het fijnste schrift zonder +moeite kon lezen. Het noorderlicht verscheen bijna elken nacht, +dikwijls zoo intensief sterk, dat de glans der sterren verdoofde en de +voorwerpen op het ijs schaduwen wierpen. + +In deze sprookjesachtige ijswereld ontwikkelde nu het kleine hoopje +schipbreukelingen een bedrijvige, geregelde werkzaamheid het eenige +middel om zich over het tot wanhoop brengend traag voortsluipen der +dagen, weken en maanden heen te helpen. ’s Morgens te zeven uur wekte +de laatste nachtwacht de kameraden, die zich snel in hun wollen +kleederen wierpen, met gesmolten sneeuwwater waschten en hun +ochtendkoffie met scheepsbeschuit gebruikten. Dan ging ieder aan zijn +bezigheden, het maken van allerlei nog ontbrekende nuttige voorwerpen, +het naaien van zeilen, het kloven van hout, herstellen van kleeren, het +dagboek bijhouden en lectuur. Bij heldere lucht werden astronomische +waarnemingen gedaan en de noodige schriftelijke berekeningen gemaakt. +Te één uur werd er gemiddagmaald, het hoofdbestanddeel was een +krachtige vleeschsoep en de rijkelijk voorhanden zijnde conserven +zorgden telkens voor afwisseling der bijgerechten. Gezouten vleesch en +spek werden weinig gegeten; het spek der gevangen walvisch waarop de +mannen dikwijls jacht maakten, werd meestal slechts als brandstof +gebruikt. Nu en dan leverde een nieuwsgierige ijsbeer kostelijk gebraad +in de keuken. Met spiritualiën werd zeer spaarzaam omgegaan, slechts op +den Zondag gunde men zich een glas sterken portwijn. De +gezondheidstoestand der manschappen bleef dan ook gewoon goed. + +Zonder ernstige gevaren ging December 1869 voorbij. Het Kerstfeest werd +volgens het gebruik in het vaderland feestelijk gevierd, de matrozen +hadden uit dennenhout en berkenrijs een kunstige kerstboom opgericht, +en den kapitein zelfs verrast met eigen vervaardigde geschenken. +Eveneens werd oudejaarsavond met geweersalvo’s en vroolijke punch +doorgebracht, en als ooit gelukwenschen bij het nieuwe jaar met +klinkende glazen diepernstig worden gemeend, dan was het hier in den +helderen poolnacht op de drijvende ijsschots der Duitsche +Hansavaarders. + +Met een ontzettend stormweer, zette het jaar 1870 den tweeden Januari +in. Reeds in den ochtend van dien dag meenden de kapitein en de +officieren een eigenaardig geraas te hooren, alsof iemand met den voet +langs den grond krabde. + +Toen ’s middags de manschappen zich hadden neergelegd voor de +middagrust, klonk hetzelfde geruisch, maar veel sterker. Het was een +krabben, stommelen, knetteren, een zagen, steunen en knarsen, alsof +griezelige geesten onder de ijsschots aan het razen waren. Opgeschrikt +sprongen allen op en stormden naar buiten; zeker was de plaats met +proviand rondom het huis ingestort. Maar er was niets te ontdekken en +buiten kon men in den sneeuwstorm geen tien pas ver zien. Maar tusschen +het woeden van den storm, steeds dit schuiven en kraken van het ijs, en +als men het oor op den grond legde was het alsof water onder de +schollen vloeide. Er was geen twijfel aan: het ijsveld begon te barsten +of aan de kanten af te brokkelen en één oogenblik kon over het leven en +den dood der veertien menschen beslissen! + +In dezen ontzettenden toestand brachten de in sneeuw en ijs begravenen +twee eindelooze dagen door. Toen de storm was uitgewoed, en in den +morgen van den vierden Januari de lucht weer helder was, zagen de +kolonisten met ontzetting, dat de vorm van hun ijseiland veranderd was, +en de doorsnede nu hoogstens één zeemijl bedroeg! Het kolenhuis lag +naar drie kanten slechts tweehonderd schreden van den rand van de +schots verwijderd, naar den vierden kant nog duizend schreden, tegen +drieduizend vroeger. Daarbij waren de randen van het ijsveld zoo met +brokken ijs bedekt en vol gewaaid met sneeuw, dat aan een halen der +booten en aan redding naar de nabijzijnde kust niet viel te denken. De +Hansamannen waren en bleven de gevangenen van het onverbiddelijke ijs! +Den 11den Januari stormde ’s morgens vroeg de matroos van de wacht met +den alarmkreet: „alle man gereed” het huis binnen; een onbeschrijfelijk +gevaar woedde in de naaste omgeving. Opnieuw begon het ijsveld aan alle +kanten af te brokkelen; ongeveer vijf en twintig schreden van het huis +verwijderd gaapte eensklaps een ijsspleet, het afgebrokkelde stuk +verhief zich huizenhoog en dreef met het opgestapelde brandhout naar de +woedende zee. De weer kleiner geworden ijsschol met het kolenhuis +verhief zich en daalde weer omlaag, en weer scheen het laatste uur der +kolonisten te zijn geslagen. Zij namen afscheid van elkaar en +verdeelden zich bij twee hunner booten in twee groepen. Zoo stonden zij +en hurkten zij neer gedurende een ganschen dag, voorbereid op de +laatste ramp. Maar als door een wonder hield juist dat deel der +ijsschots, waarop zij zich hadden neergezet nog stand. ’s Avonds legden +zij zich eenigszins gerustgesteld in het huis neer, maar omstreeks +middernacht schrok weer een angstige kreet de slapers op. Zij gunden +zich den tijd niet eerst door de lange sneeuwgang te loopen, maar +stieten het dak door en klauterden zoo naar buiten. Vlak naast het huis +verhief zich een kolom van reusachtige hoogte—slechts enkele +oogenblikken. Toen klonk de geruststellende stem van den kapitein: „Het +is voorbij!” + +Of het werkelijk een ijsberg was, of maar een luchtspiegeling of +misschien de hooge kust, was door de snelheid, waarmede het griezelige +spooksel verdween, niet uit te maken. + +Maar den 14den Januari werd, door het plotseling openen van een spleet +in het ijs, het kolenhuis zelf vernield en de mannen moesten zich in de +booten redden! Uit de puinhoopen werd een kleiner woonhuis gebouwd, +waarvan het dak den eersten nacht reeds door den storm werd weggewaaid. +Er was slechts plaats in voor zes man, de overigen moesten een onderdak +in de booten vinden. Volgens het getuigenis van den kapitein, hield de +dappere Duitsche schaar zich in die dagen van schrik, toen de dood +achter elk ijsblok grijnsde, voorbeeldig, en de eenige vreemdeling +onder hen, de Hollandsche kok, behield zelfs zijn drogen zeemanshumor +in de angstigste oogenblikken. In al die dagen, toen de schemerachtige +koude ochtenduren bij storm en sneeuwjacht steeds nieuwe tooneelen van +verwoesting in het rond onthulden, wist hij toch zijn kameraden, alsof +er niets gebeurd was, de morgenkoffie klaar te maken, en toen de +instorting van het huis hem juist verraste, terwijl hij met de +reparatie van zijn ketel bezig was, zeide hij: „Als de ijsschol nu maar +zoolang wilde stand houden, totdat ik met mijn ketel klaar ben! Ik +wilde nog thee voor den avond klaar maken, opdat wij „voor de afreis” +nog wat warms hebben!” + +De geweldige ijspersingen in Januari kwamen voornamelijk daardoor, dat +de schol met de schipbreukelingen in dien tijd tusschen IJsland en +Groenland doordreef, waar de ijsmassa’s, vooral door het veelvuldig +vooruitspringen der Groenlandsche kust in talrijke kapen steil op +elkaar schoven. Zoodra zij Kaap Dan voorbij waren gedreven, waar de +kust van Groenland naar het Westen terugwijkt en in het Oosten de grens +van IJsland wegvalt, houdt de ijsopstopperij op en de scènes aan de +golf „der Verschrikking”—zoo werd de golf genoemd, waarin den 4den +Januari de Hansaschol geheel dreigde te barsten—herhaalden zich niet +meer. Maar naast de elken dag dreigende ijsbergen, verhief zich nu een +nieuw gevaar. Reeds in Februari begon de zon merkbaar haar invloed uit +te oefenen; den 17den April steeg de thermometer tot tien graden +warmte! Begin Mei stroomde hevige regen neer en de hut der +schipbreukelingen, die vroeger in het dal had gestaan, lag nu na het +smelten van de sneeuw op een heuvel. + +Daar vertoonde zich den 7en Mei rondom de schots naar alle kanten +water, en het oogenblik der verlossing uit de ijzige gevangenschap +scheen gekomen. Nadat de kapitein den geheelen ochtend ijs en weer had +gadegeslagen, werden de booten na het eten in koortsachtige haast +geledigd en over den rand der schol geschoven, daarna weer geladen en +na drie uur was alles „gereed”. Nog een laatsten dankbaren blik op het +getrouwe ijseiland geworpen, dat de Hansamannen tweehonderd dagen lang +door alle gevaar gelukkig heen had gedragen en na een driewerf hoera +gingen de drie booten te 4 uur in den namiddag onder zeil. ’s Nachts +werden ze weer op het ijs gehaald, wat telkens groote inspanning +kostte; en zoo naderden zij tot op anderhalve zeemijl het land. Maar +hier had het kustijs zich tot een ondoordringbare massa samengeschoven, +en verscheiden dagen moest er op het ijs worden gebivouakeerd. Met den +verrekijker konden zij reeds op het land de beken van de steile +hellingen omlaag zien storten, en frisch water stond overal op de +schollen; op zekeren dag zoemde zelfs een vroolijke vlieg rondom het +zeil. Het bedenkelijk minderen van de proviand dwong de bemanning nu, +het kostte wat het wilde, de kust te bereiken, en onder onnoemelijke +inspanning en onophoudelijke stortregens, die alle nachtrust beletten, +werden de booten voetje voor voetje door het labyrint van ijs +geschoven, naar het drie mijlen verwijderde eiland Illuilek. De +maaltijden bestonden ’s morgens en ’s avonds nog maar uit een vierde +pond brood en een klein stuk spek en het opraken van den voorraad +spiritus, maakte het bereiden van warme dranken spoedig onmogelijk, nu +er geen zeehonden meer werden aangetroffen met hun brandbaar spek. +Daarbij droomden de mannen in enkele uren van onrustigen slaap van +prachtige maaltijden en voelden dan bij het ontwaken de leegte van hun +maag des te kwellender. + +Den 4den Juni gelukte het eindelijk het eiland te bereiken. Vier weken +waren verstreken sinds het verlaten der ijsschol, en de proviand zou nu +nog slechts voor ten hoogste veertien dagen toereikend zijn. Het eiland +was echter niets dan een rotseiland, en vertoonde geen spoor van +vegetatie, er nestelden slechts enkele meeuwen en alken! + +Den 7den Juni landde de bemanning der „Hansa” eindelijk aan de kust van +het vasteland van Groenland en konden de mannen hier tenminste eens +grondig uitrusten, zonder het voortdurende gevaar van het opdringende +ijs. En na een zesdaagsche zeilvaart kris en kras door de klippen en +fjorden der kust, bereikten de drie booten den 13den Juni gelukkig de +kolonie Frederickstal aan de westkust, waar zij in het daar aanwezige +zendingshuis werden opgenomen en voortreffelijk verpleegd. In +Julianahaab troffen zij een Deensch schip en den 26sten Juli lichtten +de geredden het anker voor de huisreis. + +Den 1sten September 1870 kwamen zij te Kopenhagen aan, en de berichten +van den zegevierenden strijd van Duitschland tegen den Franschen +erfvijand ontvingen zij, die aan het leven waren teruggeschonken! +Denzelfden dag waarop het bericht van den slag bij Sedan de wereld +doortrok, betraden zij te Sleeswijk voor het eerst weer den Duitschen +bodem, en kwamen Hamburg binnen, juist toen de stad ter eere der +overwinning in schitterende verlichting straalde! Zoo waren veertien +dappere mannen aan hun roemrijk vaderland terug gegeven na een +zwerftocht in het poolijs, rijk aan avonturen en heldendaden. + + + + + + + + +11. EEN GORDON-BENNETTVAART NAAR DE NOORDPOOL. + + +Het was de Amerikaansche dagbladondernemer, Gordon-Bennett, wiens naam +destijds in aller mond was door den door hem uitgeschreven grooten +prijs voor de wedstrijden in automobiel en luchtballon, die eens +Stanley naar Afrika heeft gezonden om den verdwenen zendeling +Livingstone op te zoeken. Naast het onderzoek van tropisch Afrika, +waarvoor hij groote sommen beschikbaar stelde, beproefde hij echter ook +de verovering van de Noordpool. Hij had de geschiedenis der +Noordpoolreizen bestudeerd en daarbij was hem opgevallen, dat +verscheiden schepen, die van den Atlantischen Oceaan naar het Noorden +voeren, in een zeestrooming geraakten, die met drijfijs was bedekt en +waardoor zij naar het Zuiden werden teruggedrongen. Als dus een schip +door de Beringhstraat tusschen Azië en Amerika doorging, moest het nut +trekken van deze strooming en kon misschien juist door deze, langs de +Noordpool naar de andere zijde van den Oceaan worden gedreven. + +Gordon-Bennett kocht dus een schip, dat reeds vroeger dienst gedaan had +bij het zoeken naar Franklin. Het kreeg te New-York den naam van +„Jeannette” en bij den doop was ook Stanley tegenwoordig, die juist van +zijn tweede Afrikareis was teruggekeerd. De „Jeannette” zeilde geheel +Amerika om en deed San Francisco aan, om daar haar uitrusting te +voltooien. Er werd voor drie jaar proviand ingescheept. De kapitein en +leider der expeditie was De Long, de eerste machinist heette Melville, +de arts dr. Ambler. Daar kwamen nog vijf andere officieren bij; de +bemanning bestond uit vier en twintig man; daaronder bevonden zich twee +Indianen, bekwame jagers, en twee Chineezen ter verzorging der keuken. +De geheele onderneming kostte 1.080.000 gulden. + +De Long kreeg van Bennett drie gewichtige opdrachten mede. Ten eerste +moest hij de Noordpool bereiken; bovendien de Noord-West-doorvaart +zoeken, in tegenovergestelde richting van de „Vega”. Van het gelukken +der Zweedsche expeditie wist men toen nog niets; de „Vega” was sedert +een jaar weg en men had nog geen bericht van die expeditie gekregen. +Indien het noodig was, zou De Long haar derhalve hulp brengen. + +Den 8sten Juli 1879 ging de „Jeannette” in zee. Een geheele vloot +stoombooten en jachten deed haar uitgeleide. Mevrouw De Long ging ook +mede, totdat men in open zee was. Daar zeiden de beide echtgenooten +elkaar voor het laatst vaarwel en de dappere vrouw bleef zoolang bij de +borstwering van haar schip staan, als er nog iets van de rookkolommen +van het poolschip was te zien. Een afscheid voor eeuwig! + +De zee stond bol toen de „Jeannette” in open zee kwam, en toen de klok +voor het middageten luidde, begaven zich maar weinigen naar de eetzaal. +De meesten lagen liever in de hut, terwijl het stampende schip als een +meeuw op de golven schommelde. Zelfs geharde zeelieden moesten den +zeegod rijkelijk schatting betalen. + +Op witte vleugelen zweefden de stormvogels rondom het schip en daalden +nu en dan op de golven neer, als afval over boord werd geworpen. +Eenigen werden gevangen; zij fladderden, sloegen met de vleugels en +konden zich niet meer van het schip opheffen, omdat de harde, gelijke +grond hun geen lucht genoeg bood. Vreemd genoeg werden ook zij zeeziek; +ofschoon ze hun leven boven de golven doorbrachten en zoo dikwijls op +de golven wiegden, konden zij het schommelen van het schip niet +verdragen, maar keerden letterlijk hun maag om. Bovendien zaten zij vol +ongedierte, ofschoon de zoutachtige, reine zee hun tehuis was. + +De Chinees werd onder de passagiers het ergste ziek. Dr. Ambler moest +al zijn kennis aanwenden om hem in het leven te behouden: in de eerst +volgende haven werd hij op een ander schip weer teruggezonden. + +De dagen vervolgden rustig hun loop. Men deed waarnemingen en begon met +het verzamelen van de bewoners der zee. ’s Avonds werd muziek gemaakt +op een piano en ’s Zondags leidde De Long een godsdienstoefening op het +achterdek. De zee was kalmer geworden en ver in het Oosten moest de +kust van Canada reeds liggen. Om kolen te sparen vertrouwde de +„Jeannette” zich zoo veel mogelijk aan haar zeilen toe; het duurde +daarom lang, voordat zij door de eilandenketen der Aleoeten de +Behringstraat inliep. + +Op de kust van Alaska werden Eskimohonden aan boord genomen; maar negen +er van werden dadelijk door hun makkers opgegeten en moesten door +nieuwe worden vervangen. De twee Indianen waren meegenomen voor de +verzorging der honden en voor de jacht. Het hondenhok was op het +voordek en daar heerschte voortdurend een helsch geraas, dat maar een +korten tijd minder werd als een der Indianen zijn zweep op het +gezelschap liet neersuizen. + +Op het eiland St. Lorenz vernam De Long, dat de „Vega” drie maanden +geleden gelukkig daar was aangekomen en in zuidelijke richting was +gegaan. Een oude Tschiektsch, die zelf aan boord van de „Vega” was +geweest, gaf uitvoerig verslag over het winterkwartier van het +Zweedsche schip. Om zich van de juistheid der verklaringen te +overtuigen, zeilde De Long naar de plaats van het winterkwartier en +liet zich daar elke mededeeling door de daar wonende Tschiektschen +bevestigen. Er viel dus niet meer te twijfelen aan den gelukkigen +uitslag der Vega-expeditie. Twee van zijn eigen opdrachten waren +hiermede volbracht: de Noord-Oost-doorvaart was gevonden en de mannen +van de „Vega” hadden zijn hulp niet noodig. Nu bleef hem nog slechts +over de Noordpool te bereiken. + +Van San Francisco was een tweede schip naar de Behringstraat gevaren, +om kolen en proviand van de „Jeannette”, weer aan te vullen. Daarna +werd de „Jeannette” nog maar eens gezien en wel door een Amerikaanschen +walvischvaarder; deze vertelde, dat de Poolzee vol drijfijs was geweest +en de „Jeannette” zeker spoedig in het ijs was blijven steken. De +walvischvaarders, die dat jaar het laatst terugkeerden, hadden het +schip niet meer gezien en spoedig begon men er zich ongerust over te +maken. Maar pas na bijna twee jaar, in 1881, werden vijf +hulp-expedities uitgezonden: naar de Noordkust van Alaska, naar +Noord-Groenland, naar Frans-Jozef-land en andere deelen van de +noordelijke IJszee en de Russische regeering werd verzocht alle +Siberische zeelieden bevel te geven, dat zij naar het schip zouden +rondzien, en in geval van nood hulp moesten bieden. + + + + + + + + +12. DE ONDERGANG DER „JEANNETTE”. + + +Intusschen was de „Jeanette” reeds in het begin van September 1879 in +dicht ijs geraakt, en daar zij geen duimbreed meer verder kon, werd het +schip aan een veld drijfijs voor anker gelegd en de vuren onder de +stoomketels werden uitgedoofd. Den volgenden morgen was ze reeds aan +alle kanten ingesloten en gevangen—een en twintig maanden lang! De +zeelieden namen het lot kalm op en hoopten, dat het ijs zich spoedig in +beweging zou zetten. Op de bevroren zoetwaterplassen, die zich op de +ijsschollen vormden, reden de manschappen schaatsen; de een hield zich +bezig met lezen, de ander ging op de jacht. Twee walrussen en eenige +ijsberen werden neergeschoten. Toen een der Indianen zijn eerste walrus +had gedood, stak hij zijn arm in den muil van het nog niet koud +geworden dier, trok er hem weer met bloed bedekt uit, en bestreek toen +zijn voorhoofd eerst met bloed, daarna met sneeuw; dit, had zijn vader +hem verzekerd, bezorgde hem geluk op de jacht. + +Spoedig bemerkte men door waarneming van den hemel, dat het schip +slechts schijnbaar stil lag in het ijs. Een onregelmatige strooming der +zee dreef het geheele ijsveld noord-westelijk. Indien het slechts wat +sneller was gegaan, zou men niet gemakkelijker het poolijs door hebben +kunnen varen! Maar het ging wanhopig langzaam. Dikwijls dreef het +ijsveld in kromme lijnen en cirkels en van het Wrangeleiland naar de +slechts ongeveer duizend meter verwijderde groep der Nieuw-Siberische +eilanden had men bijna twee jaar noodig! + +Zonder gevaar was deze gevangenis der „Jeannette” volstrekt niet. Het +ijs perste ontzaglijk. Het roer werd weggenomen maar de schroef liet +men nog zitten en de dreigende ijsblokken in de nabijheid er van werden +weggeslagen en weggezaagd. De instrumenten werden op een afstand van +eenige honderden meters op het ijs ondergebracht, waar een +observatorium werd gebouwd, dat met het schip in telefonische +verbinding stond. De „Jeannette” lag tusschen twee meter dik ijs, maar +daar hier en daar de ijsvelden, door de ontzaglijke persing op elkaar +waren geschoven, bedroeg de dikte van het ijs op enkele plaatsen tot +zes meter. Bij zulke opschuivingen der ijsmassa’s dreunde het rondom de +„Jeannette” als donder en de grootste voorzichtigheid was noodig. + +Tot dusverre had men gedacht, dat het eiland Wrangel zich noordelijk +naar de Pool als een tweede Groenland uitstrekt. De drift van de +„Jeannette” toonde echter, dat het eiland tamelijk klein was en rondom +de kusten de zee nog grootendeels open was. + +Zeehonden en walrussen kwamen hier in grooten getale voor, maar men +ontmoette slechts twee witte walvisschen. + +In het begin van November werd het kraken van het ijs, dat +onophoudelijk van positie veranderde, hoogst beangstigend. De honden +huilden van schrik, noch zij noch hun meesters hadden ooit zulk een +geraas gehoord. Soms scheidden de ijsschollen zich en dan dreef de +„Jeannette” een korten tijd op het water. Spleten en gleuven openden +zich hier en ginds en gedurende eenige dagen verkeerde de bemanning van +het schip in zulk een opwinding, dat ze er ternauwernood toe konden +komen thee te drinken. + +Den 10den November begon de winternacht van drie maanden, een tijd van +rust, dien men eenigszins gezellig inrichtte. Te zeven uur ’s morgens +klonk de reveille, dan werd het vuur aangemaakt. Te negen uur werd het +ontbijt gebruikt en van elf tot een uur moesten allen op de jacht gaan +om beweging te nemen. Te drie uur werd er voor het middagmaal geluid, +daarna liet men het keukenvuur uitgaan om kolen te sparen. Te acht uur +was er thee en koude keuken, daarna ging men slapen. Het menu bracht +tamelijk veel afwisseling: tweemaal in de week was er gebraden +ijsberen- en robbenvleesch. Wijn werd slechts bij feestelijke +gelegenheden gedronken. + +Met Kerstmis verschenen de manschappen in groot tenue aan den bak om de +officieren geluk te wenschen en werden door hen aan het middageten +genoodigd. De avond werd gevierd met de opvoering van een tooneelstuk +en verder hield men de manschappen bezig met voordrachten, precies als +op de „Vega”. + +In Januari 1880 was de „Jeannette” aan zulke ontzettende ijspersingen +blootgesteld, dat ze lek werd. Waar het lek was, wist men niet, maar in +het voorruim kwam het water zoo hoog, dat de pompen in werking gebracht +moesten worden. Van toen af werkten ze volle achttien maanden! + +Begin Februari werd een witte vos geschoten. Wat ter wereld had die +hier buiten te zoeken? Het eiland Wrangel was nog steeds een groot eind +verwijderd. Meester Reintje had misschien de honden gespeurd, en zich +naar hier laten lokken. Op een anderen keer beproefde een ijsbeer een +bezoek aan boord te brengen; ontvangen door de woedende honden, maakte +hij volstrekt niet, dat hij wegkwam, maar joeg zijn tegenstanders op de +vlucht. Het dappere dier had wel een beter lot verdiend, dan in kleine +porties op de tafel der „Jeannette” te verschijnen. + +Toen de zon, door stormachtig gejubel begroet, terugkeerde, waren de +gevangenen verbaasd te zien hoe bleek en grauwgeel zij er uitzagen. De +koude daalde tot bijna vijftig graden; het was hier dus nog vier graden +kouder dan in het winterkwartier van de „Vega”. + +In Mei vertoonde zich nu en dan een meeuw, ook soms een verdwaalde +eidergans of een wilde eend. Gedurende den zomer was het heerlijk weer. +De honden vonden den voortdurenden zonneschijn zelfs hinderlijk warm en +lagen hijgend aan de schaduwzijde van het dek. + +Zoo dreef de „Jeannette” van maand tot maand in haar ijsveld steeds +verder naar het Noorden, en indien zij stand had kunnen houden tegen +het ijs, dan was zij zeker de Noordpool voorbij of althans in haar +nabijheid gekomen! De waarnemingen der zeelieden schenen aan te toonen, +dat de geheele Poolzee met een mantel drijfijs bedekt was, dat, althans +in de nabijheid der Siberische kusten, langzaam den tegenovergestelden +weg van den wijzer eener klok aflegde, namelijk van het Oosten over het +Noorden naar het Westen. + +Daarna begon de tweede nacht, die drie maanden duurde. De gezondheid +der gevangenen leed meer dan in den eersten winter. Teekenen van +scheurbuik, de vernielende ziekte der poolstreken, waaraan reeds +zooveel menschenlevens ten offer waren gevallen, vertoonden zich en de +scheepsdokter had handen vol werk. + +Den 18den Mei zag de loods van zijn uitkijk aan den top van den +grootsten mast, in het Zuidwesten, waar tot nu toe nog geen land bekend +was, een kust. Het was slechts een klein eiland; het kreeg voor goed +den naam van het in het ijs gevangen gehouden schip. Eenige dagen later +kwam weer een eiland in het zicht, waar de „Jeannette” langzaam voorbij +ging. In het begin van Juni openden zich rondom het schip gapende +spleten in het ijs. Den avond van den 10den werden heftige stooten +gevoeld en gedurende de uren van den zonhelderen Juni-nacht barstten de +ijsvelden overal in het rond, alom vertoonden zich groote watervlakten, +en de „Jeannette” was bijna vlot. Het roer werd weer aangezet, onder +den stoomketel het vuur gestookt, en men verheugde zich in de hoop +eindelijk weer uit het pak-ijs te komen. + +Met het vlot worden van de „Jeannette” eindigt het logboek van kapitein +De Long, maar in zijn dagboek vervolgt hij het verslag. De „Jeannette” +kwam den 11den Juni in den voormiddag geheel vrij van ijs en allen +waren vervuld van een gevoel, alsof het schip zoo juist van stapel was +geloopen! De geheele bemanning stormde uit de kajuiten naar het dek en +jubelde over het kristalheldere, blauwe bekken, waarin de „Jeannette” +zwom. + +Men ging voor anker liggen in de verwachting van een vaarwater, dat +zich zou openen. Maar men wachtte vergeefs! Weer schoof het ijs aan +alle kanten te zamen en den 12den Juni zat het schip erger dan ooit in +het ijs bekneld. Het weer was prachtig. Toen men weer eenigszins van +het persen van het ijs was bekomen, ging een deel der bemanning op +jacht en gedurende hun afwezigheid begon het persen van het ijs +opnieuw. Het vlaggesignaal van De Long riep allen terug aan boord en +toen de laatste jager, een Indiaan, hijgend aankwam met een zeehond op +den schouder, dien hij had geveld, perste het ijs reeds zoo, dat het +schip overhelde. Allen verkeerden in de grootste opwinding. Zonder +eenigen twijfel moest de „Jeannette” als glas tot splinters gaan, als +het ijs met al zijn kracht verder perste en het drong stormachtig +nader. Het schip streed zijn doodstrijd; het werd zoo samengedrukt, dat +het dek zich als een golf verhief en de trap naar de commandobrug +instortte. De machinist verliet eveneens zijn post met den kreet van +schrik: „Het ijs dringt in het kolenruim”. + +Daarna hoorde men nog slechts het water alle lekken binnen stroomen. +Officieren en manschappen werkten als galeislaven. De Long deelde zijn +bevelen uit vanaf de commandobrug, de matrozen stonden halverwege in +het water en reikten elkaar kisten met proviand toe. Maar toen het +water onder het dek steeds hooger kwam, moesten zij hun plaats +verlaten. Sleden, booten en een voorraad levensmiddelen had men reeds +geruimen tijd te voren op een veilige plaats van het schip verwijderd, +gereed gehouden. Nu moest nog slechts gered worden, wat op de een of +andere wijze geborgen kon worden. Officieren en manschappen hadden hun +eigendommen bij elkaar gepakt en het werd hoog tijd, deze te halen, +want het water stond reeds in de kajuiten en salons. Op den bezaansmast +werd de vlag geheschen—voor den ondergang. + +Wat gered was, werd naar het kamp gedragen, waar de tenten opgeslagen +waren. Intusschen drong en drong het ijs het schip sterk naar +stuurboordzijde; het was reeds tot boven toe vol water en werd nog +slechts door den druk van het ijs gehouden. + +De laatste manschappen waren van het dek gesprongen, dat langzaam door +het water werd overstroomd; nu verliet ook de kapitein, als +allerlaatste, de commandobrug van zijn zinkend schip! Den 13den Juni te +drie uur in den morgen stond de geheele scheepsromp onder water, de +schoorsteenen verdwenen in de golven, de masten staken nog alleen +omhoog. Knallend versplinterden de raas tegen de ijskanten en ten +slotte gaapte een wak, als een graf; nog slechts enkele boeien en +planken dreven rond. De bemanning der „Jeannette” stond zoo stil en +zwijgend als bij een begrafenis, de honden huilden klagend. Daarna +schoof langzaam een ijsschots over het wak, als een ijzeren deksel van +een crematorium! + +Zwijgend gingen de mannen naar het kamp, waar alles dooreen lag +opgestapeld. Er waren levensmiddelen voorhanden voor twee à drie +maanden: vleesch, brood, suiker, thee, chocolade, vleeschextract. Zij +hadden verscheiden geweren en twee duizend patronen. Twee sloepen, en +een walvischboot, sleden en tenten waren eveneens gered. + +Verlaten en woest lag in het rond het ijslandschap. Geen spoor meer van +het schip, dat zoolang het tehuis der mannen was geweest. Zij voelden +zich als arme sukkels, die door den kwaden huisbaas op straat waren +gezet. De ongeluksdag was een Zondag; op den gewonen tijd riep De Long +de zijnen bijeen voor de godsdienstoefening. + +Daarna werd het kamp in orde gebracht en de tenten geriefelijk en warm +ingericht. De Nieuw-Siberische eilanden waren zoo nabij, en over de zee +zou men zonder al te groote moeilijkheden de Lenadelta aan de +Siberische kust kunnen bereiken. ’s Avonds zongen de matrozen bij de +klanken der harmonica. + +De Long gaf zijn mannen zes dagen den tijd om zich gereed te maken voor +het opbreken. De booten werden op de grootste sleden vastgesnoerd en +met tenten, kisten proviand en de overige bagage gevuld. Logboeken, +aanteekeningen en kaarten verloor de kapitein niet uit het oog. Niemand +mocht overbodige en al te zware zaken medenemen; elk pak mocht niet +meer bevatten dan twee vilten dekens, twee paar kousen, ondergoed, +wanten, twee mutsen, schoenen om te verwisselen, een sneeuwbril, een +pak tabak met een pijp en lucifers en enkele kleinigheden. Toen alles +tot den afmarsch gereed was, telde men 28 man en 23 honden. + + + + + + + + +13. DOOR DE IJSWOESTIJN. + + +Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg +met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn +nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd +halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De +sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw. +Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage +gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de +onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten +en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten +herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te +brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie. +Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen +en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden +trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met +geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een +week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen, +driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het +Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden +zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit +vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het +slechts aan de officieren toe. + +Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat +gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open +water te bereiken. + +Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben, +een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch +vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog +hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde. +Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk +uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag +werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk. + +Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot +verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats. +Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge +onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood +geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich +echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op +welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun +meester—tot het einde. + +Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en +manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den +kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man +op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann, +Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees. + +Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville. +Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde +en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder +commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman. + +Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven. +Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog +verliezen. + +Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over +de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten +in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het +ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op +het eiland Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden +behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige +hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen +werd bezocht. + +Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de +zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op +zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten +wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en +al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te +slaan. + +Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar +nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den +September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren +door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een +rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag. + +De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun +krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren. +Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te +gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het +meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men +moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd +kilometer. + +De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver +gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs +gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om +het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos. +Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren. +Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts. + +De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven +rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het +bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het +vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of +stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over +de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog +in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, verstijfd +van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde +handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit +naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den +storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag +sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de +woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien! + +Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind +en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het +oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht +uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren +zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur +konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich +neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen +later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het +eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long +gebleven? + + + + + + + + +14. DE DOODENMARSCH VAN DE LONG. + + +Ofschoon verscheidene jaren verloopen zijn, sedert den tocht over de +ijszee, weet men nu nog niet, wat er geworden is van de boot van Chipp. +Ongetwijfeld heeft hij nooit land gezien en is in den storm ten gronde +gegaan. Maar De Long heeft zijn manschappen tenminste op vast land +gebracht. Wel verloor zijn boot in den eersten stormnacht mast en +zeilen, maar die werden door drie riemen vervangen. Den morgen van den +13den September zag hij de andere booten niet weer, maar daarvoor kwam +den volgenden dag land in het gezicht. Het was een vlak strand en nieuw +gevormd ijs maakte het aan land komen moeielijk. Twee dagen later +roeiden zij, halfdood van koude en afmatting zoo dicht langs het strand +als maar eenigszins mogelijk was en boegseerden toen de boot zoover op +het ijs, dat ze niet meer van de plek ging. Den volgenden dag droegen +zij hun zaken aan land, waarbij zij eenige honderden meters ver, op den +langzaam stijgenden oever, door het water moesten waden. + +Hier bleven zij twee dagen, om uit te slapen en hun bagage te regelen. +Drijfhout, dat de Lena uit de wouden van Siberië naar de zee sleept, +lag overal in het rond. De voeten van den matroos Erikson waren +bevroren, hij moest op een handslede worden getrokken. Er waren nog +levensmiddelen voor vijf dagen, waaronder de laatste der veertig +honden. Nog altijd waren de vrachten voor ieder afzonderlijk te zwaar, +want De Long kon zijn logboeken niet achterlaten, en behalve hun +ransels moesten zij nog tenten, geweren en munitiekisten meesleepen. + +Toen de eerste vijf dagen voorbij waren en de troep eenige mijlen in +zuidelijke richting had afgelegd, schoot de Indiaan twee rendieren, die +de manschappen voor den eerstvolgenden tijd redden. Nu marcheerden zij +negen dagen, totdat een breede rivierarm hen tot staan bracht. De +toestand van Erikson verergerde en op zekeren nacht bevroor zijn hand. +Daarom moest men den marsch afbreken en zich den 6den October een +rustdag gunnen. De nood was reeds tot het hoogste gestegen. Om den +honger der lieden te stillen, moest reeds de hond geslacht worden. Den +volgenden dag stierf de zieke matroos en was nu niet meer tot last +zijner kameraden. Door een wak in het ijs werd hij in de rivier +neergelaten. De Long sprak boven het graf de voorgeschreven gebeden en +drie geweersalvo’s werden afgevuurd. Het sneeuwde hevig, en zoo spoedig +mogelijk snelde men weer voor den heftigen stormwind in de tenten +terug. Het was onmogelijk bij dit weer te loopen, daarom moest men +opnieuw wachten, en de rest van het vleesch van den hond werd ’s avonds +uitgedeeld. Dan rolden zij zich allen als egels in elkaar, om beter +warm te kunnen blijven. + +Den volgenden morgen besloten zij toch liever den sneeuwstorm te +trotseeren dan stilliggend te verhongeren! Een geweer en een +schriftelijk met zorg ingepakt bericht over de lotgevallen der +„Jeannette” werden achtergelaten. De bagage bestond nu behalve kleeren, +die men droeg, slechts uit de logboeken, een tent en twee geweren. + +Maar de krachten der reizigers namen snel af, daar zij verder niets +meer hadden om te gebruiken dan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds +warm water met een paar druppels spiritus. De nood was tot het uiterste +gestegen. Na de godsdienstoefening op den Zondag van 9 October, riep De +Long de twee sterkste matrozen, Nindermann en Noros bij zich en vroeg +hun of zij vooruit wilden gaan om hulp te zoeken. Zij verzochten +dadelijk te mogen gaan. De kapitein gaf hun een kaart van den +benedenloop van de Lena, opdat zij zich konden oriënteeren en ried hen +aan op den linker oever te blijven, omdat er daar slechts dorpen en +drijfhout waren. Het eene geweer en vijftig patronen mochten zij +medenemen. Indien het hun gelukte binnen anderhalven dag een rendier te +schieten, moesten zij daarmede terugkeeren. Na een aandoenlijk afscheid +begaven zij zich op weg, een driewerf hoera werd den padvinders door de +achterblijvenden nageroepen. + +Het was niet de eerste keer dat de matroos Nindermann op zulk een +avontuur uittrok. Hij was een der deelnemers van de Polaris-Expeditie +geweest, in de zeeëngte van Noord-West-Groenland. Het schip „Polaris” +was ook in het ijs bekneld geweest en in een donkeren nacht van het +jaar 1873 hadden twee geweldige schotsen het uit het ijs opgeheven. +Daar men het ergste kon verwachten, werden boeken en levensmiddelen op +een drijvende ijsschol gebracht, die in den heftigen storm scheurde. +Negentien menschen, waaronder negen Eskimo’s en de matroos Nindermann +dreven nu op grootere en kleine schotsen in de ondoordringbare +duisternis op de verwoede zee rond. Veertien mannen waren nog aan +boord. Tot hen terug te keeren, daaraan viel niet te denken en toen de +„Polaris” uit het gezicht der schipbreukelingen was verdwenen, +verzamelden zij zich op een groot ijsveld, waar zij hutten uit sneeuw +en ijs bouwden, en hun voorraden opstapelden. Op dit ijsveld dreven zij +acht maanden lang in zuidelijke richting. Maar met ontzetting bemerkten +zij in den loop van het voorjaar hoe de bodem onder hun voeten in +omvang afnam; de branding brak heele stukken uit het ijs en knaagde er +aan, aan alle kanten. Reeds waren zij langs Kaap Farewell naar het +Zuiden gedreven, toen zij geheel uitgeput door een schip werden gered! +Ook de veertien op de „Polaris” mochten hun vaderland terugzien. + +Nu jaren later, stond weer het leven op het spel. Met zijn kameraad +Noros snelde Nindermann in zuidelijke richting. Een kudde rendieren, +die zij op een heuvel staande, zagen, speurden de vreemdelingen echter +en gingen in wilde vaart op de vlucht. De sneeuwstorm joeg hen juist in +het gezicht en ’s avonds moesten zij, daar er geen beschutte plek te +vinden was, met de hand een gat in de sneeuw graven, waar zij inkropen. +Gedurende den nacht hoopte de sneeuw zich zoo voor hun schuilplaats op, +dat zij er ’s morgens ternauwernood meer uit konden komen! + +In hetzelfde stormweer ging het verder. Stap voor stap drongen zij, +tegen den wind vooruit, zonder te kunnen opzien. Tegen den avond zagen +zij een kleinen heuvel voor zich, die een verlaten hut bleek te zijn; +hier staken zij vuur aan. Den volgenden nacht brachten zij in een +onoverdekt hol door, waar zij bijna bevroren. Een dag later stieten zij +op een tentvormige hut, waar twee rottende visschen en een paling +lagen. Hier bleven zij zes en dertig uur om krachten te verzamelen. Den +15den October kwamen zij door den storm niet verder, brachten den nacht +in een hol door en gebruikten voor ontbijt bast van wilgen en reepen +van de broek van robbenvel van Noros. Daarna gingen zij de bevroren +Lena over en overnachtten in een kloof om den volgenden nacht weer naar +den westelijken oever terug te keeren en voor den nacht in een grot +beschutting te zoeken, waar zij echter geen hout vonden om vuur aan te +steken. Zij waren geheel wanhopend. Met loome schreden vervolgden zij +den 19den October hun tocht op het ijs van de Lena, vast besloten om op +handen voeten te kruipen, als zij niet meer zouden kunnen loopen. Zij +hadden tweehonderd kilometer afgelegd zonder hulp te vinden. Den avond +van dien dag ontdekten zij drie hutten en vonden hier niet alleen +onderkomen maar ook redding. In de eene hut lag een kleine voorraad +gedroogde visch, en een slede, die voor de deur stond, leverde +brandhout. Nadat zij twee dagen rust hadden genomen, wilden zij verder +trekken, maar zij waren nog te vermoeid, zoodat zij nog een paar dagen +moesten blijven. Den 22sten October, toen zij juist op het punt waren +eten te koken, klonk buiten voor de deur een ongewoon geraas. +Nindermann keek tersluiks naar buiten en kwam dadelijk terug om zijn +geweer te halen. Hij had twee rendieren gezien. Toen hij zacht de hut +wilde verlaten, stond op den drempel—een mensch, een Toengoes! + +Toen de inboorling de twee uitgemergelde vreemdelingen zag en het +geweer in de hand van den een, geloofde hij, dat zijn laatste uurtje +was geslagen, viel op de knieën en smeekte om genade. Nindermann wierp +het geweer in den hoek, klopte den man vriendelijk op den schouder en +beproefde hem te kalmeeren; spoedig begreep de Toengoes ook, dat de +twee niets tegen hem in het schild voerden. Hij zag, dat zij in den +grootsten nood verkeerden, en zij beproefden hem door teekens duidelijk +te maken, dat zij schipbreukelingen waren, dat zij dringend voedsel +noodig hadden, en verder noordelijk kameraden hadden achtergelaten. De +Toengoes kon hen echter niet meer geven dan een paar laarzen van vellen +en de huid van een rendier! + +Na een poosje stak hij drie vingers in de hoogte en ging naar zijn +rendierslede. Dat moest zeker beteekenen, dat hij na drie dagen terug +komen en hulp brengen zou. Voordat de twee matrozen er aan dachten, was +hij met zijn voertuig vertrokken en zij hadden weldra spijt, dat zij +hem hadden laten gaan. Maar den volgenden dag kwam hij al weer terug +met twee stamgenooten en verscheidene sleden en bracht pelzen, laarzen +en bevroren visch mede. De half uitgehongerde mannen aten nu eindelijk +weer, trokken de nieuwe, warme kleeren aan en waren nu buiten gevaar. + +En toch was het voor hun nagedachtenis in de dikwijls treurige, bijna +altijd roemrijke en nu en dan schitterende geschiedenis der poolreizen, +misschien beter geweest, als zij dien Toengoes niet meer teruggezien +hadden. Dan zouden zij toch gedwongen zijn geweest, hun marsch naar het +Zuiden voort te zetten en waren er waarschijnlijk levend afgekomen. +Want tot het naaste Toengoesche dorp waren nog slechts vijftig +kilometer. De Long en zijn kameraden waren weliswaar verloren geweest, +maar Nindermann en Noros hadden dan tenminste alles gedaan, wat van hen +verwacht had kunnen worden. Hadden zij zich, in het ergste geval door +bedreigingen, een slede met een half dozijn rendieren, die buiten in de +sneeuw voor de hut stonden te trappelen, toegeëigend, om den weg, dien +zij gekomen waren terug te rijden, dan waren zij nog ter rechtertijd +gekomen, om de meeste makkers van De Long te redden! Zij wisten, dat +hun kameraden, toen zij veertien dagen tevoren hen verlieten, leer en +bast van wilgen aten, en het werd hoog tijd hun rendierenvleesch te +brengen! Maar ze keerden niet terug, doch vergezelden de Toengoezen op +hun weg naar het Zuiden—en daarna was het te laat! + +Maar toch moet men zich wachten de beide dappere matrozen maar kortweg +te veroordeelen. Zij hadden in elk geval wonderen verricht en zij waren +door den langen strijd voor hun levensbehoud gedurende vier maanden, +sedert den dag waarop de „Jeannette” in de diepte wegzonk, uitgehongerd +en geheel uitgeput. Daarbij de voortdurende spanning dag en nacht! Een +derde winter naderde, dien zij nog dichter bij de Noordpool hadden +moeten doorbrengen dan de twee vorige. Onverschilligheid en stompheid +van geest moeten zich van hen hebben meester gemaakt, en dat moet hun +ter verontschuldiging strekken. Uit zulk een toestand herstelt men niet +in een dag en juist de onbeperkte voorraad levensmiddelen was voor hen +een gevaar. Na zoo lang hongerlijden konden zij het eten niet meer +verdragen en werden daardoor nog meer uitgeput. + +Genoeg, te middernacht namen zij, goed ingepakt, plaats op de sleden en +joegen met de Toengoezen naar een dorp, dat uit twee groote tenten en +tien bewoners bestond. Deze bezaten 75 rendieren en 30 sleden. In de +eene tent stond een ketel met versch rendierenvleesch te koken en de +mannen werden uitgenoodigd toe te tasten. Houten schalen werden voor +hen gevuld met vette vleeschpap, waarbij thee werd gedronken. Daarna +spreidden de vriendelijke Toengoezen warme, zachte rendiervellen op den +grond uit; zulk een nacht hadden de twee sinds maanden niet beleefd! + +Den volgenden dag reden de Toengoezen en hun beide gasten in een aantal +sleden naar een ander dorp, waar zij den 25sten October aankwamen. Nu +pas dacht Nindermann aan den kapitein en zijn ongelukkige makkers en +ofschoon hij geen woord met de Toengoezen kon spreken, beproefde hij +toch, hun den stand van zaken duidelijk te maken. In een tent lag een +kleine boot, een stuk speelgoed. Hij zette er masten op. Daarna sneed +hij drie kleine booten, die de drie booten der „Jeannette” moesten +voorstellen. Met twee brokken ijs wees hij nu hoe het schip in elkaar +was gedrukt en vergaan en de manschappen zich in de kleine booten aan +land hadden gered. Zestien maal strekte hij zich op den grond uit, +sloot de oogen en stond weer op, om de Toengoezen te doen begrijpen, +dat zestien nachten verloopen waren, sedert hij zijn makkers had +verlaten! + +De inboorlingen knikten bij deze gebarentaal, en wisselden met elkaar +onverstaanbare woorden. Maar hoe ijverig de matrozen hen dezelfde +geschiedenis telkens ook weer voordroegen, men scheen ze niet te +begrijpen of wilde ze misschien ook niet begrijpen, omdat de Toengoezen +de woeste toendra in den wintertijd ook vreesden. Eindelijk begon +Nindermann in zijn wanhoop te schreien. Zij beproefden hem te troosten, +klopten hem op de schouders en trokken een medelijdend gezicht. + +Den volgenden dag verscheen een banneling, Kusma genaamd. Hij was +intelligenter dan de Toengoezen en werd door Nindermann goed +ondervraagd. Elf verdwaalde mannen! Dat scheen hij te begrijpen en +beproefde nu van zijn kant Nindermann te doen begrijpen, dat zij reeds +gered waren! Maar Kusma dacht, dat Nindermann sprak over den troep van +Melville, die eveneens uit elf man bestond en zoo nam hij de twee +matrozen mede naar Boeloen, waar zij den 2den November weer samenkwamen +met Melville en zijn manschappen. + +Toen Melville hen naar De Long vroeg, begonnen zij hard te snikken en +smeekten hem, hen weer naar het Noorden te laten trekken. Maar hij vond +er hen te zwak voor en begaf zich alleen op reis. Hier en daar vond hij +achtergelaten voorwerpen van de manschappen van De Long, een vlag, +instrumenten en de apotheekkist. Hij was dus op het juiste spoor, maar +kon door de hooge sneeuw en den onwil der Toengoezen zijn nasporingen +niet vervolgen. Hiermede werd het lot van De Long en zijn makkers +beslist! + +Een half jaar later, in Maart 1882, werden verschillende afdeelingen +naar de Lenadelta gezonden, om nasporingen in het werk te stellen. +Melville begaf er zich ook weer heen, en nu vond men spoedig acht man +van den troep van De Long, die door honger en koude waren omgekomen. De +laatste kampplaats lag geheel onder de sneeuw; de hand van den kapitein +zag men slechts uit de sneeuw steken, alsof hij de zoekenden de juiste +plaats had willen wijzen! Hij zelf, dr. Ambler, Collins, de Chinees en +de matrozen waren gedeeltelijk bedekt door de tent. Tot het laatste +oogenblik hadden zij blijkbaar beproefd het kampvuur aan te houden. De +koude moet hen ontzettend hebben gemarteld; van twee waren handen en +kleeren geschroeid, zoo dicht waren zij bij het vuur gekomen. Gemarteld +door den honger, hadden ze hun laarzen van vellen stuk gesneden en de +stukjes in gloeiende kolen geroosterd. Het gelaat van Collins was met +een doek bedekt, welke De Long en dr. Ambler daar stellig nog over +hadden gelegd. Het dagboek van den kapitein lag naast een potlood op +den grond; hij had het gebruikt, tot het oogenblik, waarop hij de +kracht miste het in den zak te steken! + +Dit dagboek vertelde, dat men op 9 October het spoor van Nindermann en +Noros was gevolgd. De krachten begaven de manschappen echter hoe langer +hoe meer. Voetje voor voetje sleepten zij zich voort. Zij kookten soep +van wilgentakken. + +„Ik hoop toch nog op Gods hulp en geloof niet, dat het Zijn plan is, +ons van honger te laten omkomen,” schreef De Long nog in zijn dagboek. + +Tweemaal teekende hij op, dat de Indiaan een sneeuwhoen had geschoten, +dat zij onder elkaar hadden verdeeld. + +Op een andere plaats staat: „Niets te eten, maar wij zijn nog vol moed. +O God, help ons!” + +Den 11den October: „Onmogelijk verder te komen, geen brandhout.” + +Den 13den October: „Wij kunnen niet tegen den wind op, en hier blijven, +wil zeggen van honger omkomen.” + +Een matroos bezweek. De kapitein bidt het Onze Vader bij het lijk. „Een +nacht van ontzettenden sneeuwstorm!” + +Zondag, den 16den: „Alexis (de Indiaan) kan niet meer, is aan het einde +zijner krachten. Godsdienstoefening.” + +Den 17den: „Alexis ligt op sterven. De dokter doopt hem. Ik houd met +den zieke een godsdienstoefening. Collins wordt vandaag veertig jaar. +Alexis stierf bij zonsondergang van honger en uitputting. Wij dekten +hem onder de tent toe met een vlag.” + +Twee dagen later snijden zij de halve tent stuk om met de reepen hun +voeten in te wikkelen. + +Den 21sten lag een der matrozen dood tusschen hen. In den middag stierf +een tweede matroos. Niemand had de kracht meer de lijken te begraven; +ze werden naar buiten gebracht, opdat men hen niet meer behoefde te +zien. + +Den volgenden Zondag was de godsdienstoefening heel kort, daarna werd +brandhout gezocht voor den nacht. + +Den 24sten October: „Een grimmig koude nacht.” + +Daarna twee dagen geen woord. + +Den 27sten schrijft De Long over een matroos, die op sterven ligt en +den volgenden dag, dat hij dood is. + +Den 29sten sterft weer een matroos. + +Den 30sten October, 140 dagen na den ondergang der „Jeannette”, wordt +geen godsdienstoefening meer gehouden. + +De laatste woorden, die De Long schreef, voordat het potlood aan zijn +hand ontglipte, luidde: „Boyd en Cortz stierven vannacht, Collins ligt +op sterven.” + + + + + + + + +15. FRIDTJOF NANSEN. + + +Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid +van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte +voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij +zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan +omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de +handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de +„Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en +eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen! +Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg +afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk +voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool +gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der +Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te +landen. + +Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde +maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de +Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van +Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele +Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee +ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van +de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten +drijven! + +Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist +opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen waren met +ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden +verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen +gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger +het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog +geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder +drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de +overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar +men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee, +weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool +noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de +wetenschappelijke resultaten. + +Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de +twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat +bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen! + +Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de +kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen +geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland +van de west- tot de oostkust doorkruist. + +Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar +medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische +IJszee. + +Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg +daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg +slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich +dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat +in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen +totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de +minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen +van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid +hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze +voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam +verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken +houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en +leidde aan boord een heel gezellig leven. + +Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in +’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel +donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken. +Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met +de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over +blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich +vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze +hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve +aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug +medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de +uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo +goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten +kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen +zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon, +ze te slaan. + +Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der +trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door +ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden +in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook +jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon +zagen, blaften zij er woedend tegen. + +Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden +in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier +niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond +nog niet bereikte. + +Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad +werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de +grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den +20sten Februari. + +Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke +gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge +honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de +winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon +hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote +vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en +wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op zekeren +dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig +geheel leeggeloopen. + +Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met +hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke +richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen +haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen +gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen, +met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een +onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een +oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen. + +„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide +Nansen. + +Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk +voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de +Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een +stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk +dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt, +en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen +sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot +of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak +voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een +petroleumstel,—alles werd gepakt. + +Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd +onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond +kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote +ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij +het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog +gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna +verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur +van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak +de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek +verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen. +En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het +gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te +voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht. + +Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd +weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken +Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was +een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest. +Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun +trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien? + + + + + + + + +16. OP SNEEUWSCHOENEN EN MET HONDENSLEDEN NAAR DE NOORDPOOL. + + +De beide koene reizigers hadden, bij het aanvaarden van hun tocht naar +de Noordpool, drie sleden en acht en twintig honden bij zich. Op +sneeuwschoenen loopend bestuurden ze hun hondespannen. Aanvankelijk +konden ze op het effen terrein vlug vooruit komen; maar gaandeweg werd +de ijsvlakte hobbelig, zoodat ze slechts weinig opschoten. + +Na twee dagmarschen steeg de koude tot drie en veertig graden, en in de +kleine zijden tent was ’t meer dan frisch. Maar toch legden ze +dagelijks negen uur af, en onder het gaan bemerkten ze niets van de +koude; het eenige, waarvan ze last hadden, was, dat de uitwaseming van +hun lichaam in hun kleederen bevroor, die zoodoende tot een pantser van +ijs werden, dat bij elken stap kraakte. Door de voortdurende wrijving +tegen de stijfbevroren mouwen kwamen er aan Nansen’s polsen bloedende +wonden, die pas in den herfst genazen. + +Om te kampeeren kozen ze altijd een voor den wind beschutte plek op het +ijs. Johansen zorgde voor de honden en gaf hun te eten, terwijl Nansen +de tent in gereedheid bracht en den ketel met stukken ijs vulde. Het +avondeten was voor beiden een feest, waarnaar ze den geheelen dag met +verlangen uitzagen, daarbij werden ze tenminste inwendig eens flink +warm; na afloop van het eten kropen ze vlug in hun slaapzak, dan +ontdooiden hun bevroren kleederen en de slapers lagen den geheelen +nacht in druipnatte omslagen en droomden van slede en hondespannen. +Eenmaal riep Johansen des nachts in zijn slaap: „Vooruit, rakkers, +vort, vort! Halt, daar kantelt de sleê!” + +In de barre koude van den aanbrekenden dag stonden ze weer op, dreven +de honden op, die, van de koude jankend, ineengerold in de sneeuw +lagen, haalden de teugels uit de war, laadden de sleden weer op, en dan +ging ’t weer verder, de verlaten eenzaamheid in. + +Maar al te vaak was ’t ijs ontzettend slecht; de sleden raakten vast, +moesten gedragen, of over oneffenheden en spleten voortgeschoven +worden: een inspannenden tocht. Maar, één breedte graad was reeds +doorworsteld. + +Dikwijls waren ze zoo uitgeput, dat ze onder het loopen bijna +insliepen, terwijl de honden zich met moeite voortsleepten. Ook dezen +werd de voortdurende inspanning langzamerhand te machtig. Twee moesten +er geslacht worden en werden hun kameraden als ontbijt voorgezet; maar +er waren er die zulk een maal niet wilden aanroeren. + +Toen het ijs voortdurend slechter werd en de witte woestenij zich +onafzienbaar naar het Noorden uitstrekte, besloot Nansen van het +bereiken van de Noordpool af te zien, en, al was ’t ook met een +bezwaard gemoed, om te keeren. Terug naar de „Fram” was onmogelijk; +alle sporen waren door sneeuwstormen uitgewischt. Het eenige wat er op +zat, was, de richting in te slaan naar de barre eilandengroep, die den +naam draagt van Frans Jozefs-land. Maar—dat was een afstand van +zevenhonderd kilometer en de proviand begon al op te raken. + +Gelukkig was het voorjaar in aantocht, zoodat de kans bestond, dat ze +wel eenig wild zouden weten te bemachtigen. Ze hadden twee geweren met +honderdtachtig scherpe en honderd vijftig losse patronen. Voor de +honden zag het er heel wat bedenkelijker uit; die moesten van +lieverlede elkaar tot voedsel dienen. + +Zoo aanvaardden dus Nansen en Johansen den 8sten April den terugtocht, +nadat ze tot 86° 4′ voortgedrongen waren, en zetten over vrij goed ijs +met lange marschen koers naar Frans Jozefs-land. Op zekeren dag zagen +zij een balk uit het ijs steken. Welke wonderlijke lotgevallen zou dat +stuk hout wel beleefd hebben sedert het van den boomstam afgezaagd was! +Tegen het einde van April teekende zich het spoor van twee vossen in de +sneeuw af. Was er land in de nabijheid, of wat hadden die dieren hier +in deze ijszeeën te zoeken? Twee dagen later werd de eerste hond, de +„gele” opgeofferd. Op de „Fram” geboren, had hij gedurende zijn +kortstondig leven nog nooit iets anders dan ijs en sneeuw gezien. + +Open water, waarin de zon zich spiegelde, glinsterende golven! + +Hoe heerlijk, dat geluid van de golfjes, die tegen den ijsrand +kabbelden! Het was den beiden reizigers als een voorbode van voorjaar +en zomer, als een groet van de groote zee, de weg naar het vaderland! +Nieuwe sporen van vossen wezen op de nabijheid van land, en dagelijks +keken beiden er verlangend naar uit. Maar, nog drie lange maanden +moesten verloopen, voordat ze het eerste eiland zouden bereiken! + +In het begin van Mei waren er nog slechts zeventien honden in leven. Nu +deed de lange zomerdag zijn intrede in het poolgebied, en het was bijna +niet meer uit te houden van de warmte—want het vroor nog slechts elf +graden! Maar het ijs was afschuwelijk! Onophoudelijk moesten de sleden +over diepe spleten of over hooge ijsdammen heen geschoven worden, en de +beide mannen strompelden na deze zware inspanning uitgeput op hun +sneeuwschoenen verder. De honden hadden het, naarmate hun aantal +geringer werd, niet minder hard te verantwoorden, en de proviand slonk +bedenkelijk. + +Toen werden ze door een hevigen sneeuwstorm gedwongen om een dag halt +te houden. Een slede werd opgeofferd en de stukken van gebroken +sneeuwschoenen werden aan de vlammen van een heerlijk vuur prijs +gegeven. Voor elk der beide overgebleven sleden waren nu nog zes honden +over. + +Eindelijk, op het einde van Mei, kwamen Nansen en zijn tochtgenoot in +een streek, die door open water in alle richtingen werd doorsneden; +daardoor werd hun voortgang aanmerkelijk vertraagd. Maar nu vertoonden +zich ook levende wezens. De grijze rug van den otter dook op boven het +staalblauwe water; de zeehond ging uit op de vischvangst, en sporen van +ijsberen wekten het verlangen naar versch vleesch! Vaak snelde Nansen +op zijn sneeuwschoenen ver vooruit, om te zien, waar de weg het beste +was; dan bleef Johansen bij de sleden achter. Wanneer het al te lang +duurde, dan bekroop hem wel eens een gevoel van vrees, of niet soms +zijn makker een ongeluk overkomen zou zijn. Hoe het dan den +achtergeblevene zou vergaan, geheel alleen in die eindelooze woestenij, +daaraan moest men maar liever niet denken! + +Juni brak aan, en het gekrijsch der meeuwen weerklonk door de lucht. De +beide mannen bleven een week lang in hun kamp om hun kajaks zeevaardig +te maken. Ze hadden nog voldoende brood voor een maand, en er waren nog +zes honden in leven. Toen er nog slechts drie over waren, moesten ze +zichzelf voor de sleden spannen. + +In een lange, breede kreek lieten ze de kajaks te water, bonden de +sneeuwschoenen aan elkaar en roeiden langs den zoom van het ijs. +Daarbij schoten ze twee zeehonden en drie ijsberen en waren nu voor +langen tijd voorzien van vleesch. Ook de beide laatste honden konden nu +weer eens volop eten krijgen. + +Eindelijk vertoonde zich in het Zuiden het land, waarnaar ze +reikhalzend hadden uitgezien, en nu ging het snel daarop af; voor elke +slede een man en een hond. Eenmaal moesten ze met de kajak een kreek +oversteken. Nansen stond reeds op den rand van het ijs, toen hij achter +zich Johansen hoorde roepen: + +„Vlug de geweren!” + +Toen Nansen zich omkeerde, zag hij een grooten beer, die zijn makker +neergeveld had en bezig was hem te besnuffelen. Snel wilde Nansen zijn +geweer in de kajak grijpen, maar in hetzelfde oogenblik dreef het +vaartuig van den kant af, en terwijl hij het terug roeide, hoorde hij +Johansen doodbedaard zeggen: + +„Schiet vlug, of ’t is te laat!” + +Toen had hij eindelijk zijn geweer gegrepen en schoot den beer neer. + +Vijf maanden lang hadden ze zich zoo over het ijs voortgesleept, toen +ze in het begin van Augustus vanaf het ijs open water in de buurt van +de eilanden voor zich zagen. Nu moest de zeetocht beginnen, en de beide +oudste honden zouden maar onnoodige ballast zijn. Nansen nam Johansen’s +hond, en Johansen dien van zijn vriend, en twee kogels waren het loon +voor de trouwe diensten der goede dieren. + +Van nu af ging het gemakkelijker en sneller vooruit. De kajaks waren +aan elkaar gebonden en van mast en zeil voorzien, en zoo voeren ze +langs onbekende eilanden. Eenmaal dwong een sterke strooming hen om op +een der beide eilanden aan land te gaan; terwijl ze hun kajaks op het +land trokken, kwam er een witte beer aandraven, en begon hun spoor te +besnuffelen. Welkome proviand voor eenigen tijd! Nauwelijks hadden ze +den beer gevild, of daar plaste een walrus in het water rond, en zwom +naar de plek, waar reeds twee van zijn kameraden zich in de zon lagen +te koesteren, en ook hij met de vinnen op den ijsrand gesteund, eerst +een poos bleef liggen uitblazen. Toen verhief het dier zich langzaam +uit het water en kroop naar zijn makkers toe; maar dezen wilden eerst +niets van hem weten en toonden den indringer hun slagtanden, maar per +slot van rekening lieten ze hem toch met rust. Daar lagen ze drie uren +lang in roerlooze rust uitgestrekt, terwijl de zeemeeuwen boven de +golven hun overmoedig gekrijsch deden hooren. + +Nansen en zijn metgezel namen hun nieuw domein in bezit, deden een +onderzoekingstocht over het eiland en keerden toen naar hun +ijsbeergebraad terug dat hun een ongekend gevoel van verzadigdheid +verschafte. + +Den volgenden dag zochten ze een geschikt verblijf om te overwinteren. +Maar, daar ze nergens een hol ontdekten, bouwden ze uit steenen een +kleine hut, waarvan het dak gevormd werd door hun sneeuwschoenen en de +zijden tent. Aan alle kanten hadden het licht en de wind vrijen +toegang; maar toch was ’t binnen heel behaaglijk, en de ketel pruttelde +boven een vuur, gestookt van rauw walrussenspek. Nansen besloot op dit +eiland te overwinteren. + + + + + + + + +17. EEN OVERWINTERING. + + +De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden, +geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans +Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich +eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het +open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van +mondvoorraad te zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en +binnenkort zou al het wild verdwenen zijn. + +Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut. +Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een +aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als +dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit +maakte, was de bedekking van het dak ook in orde. + +Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een +ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van +daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar +kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar, +of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een +doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf +wilde stooten, verdween hij in de diepte. + +Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer +geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld +had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik +van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het +opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven +zou bijblijven. + +Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit +naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo +voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als +slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op, +zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar +de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene, +witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende +snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te +moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de +eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks. +Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven +terug. + +In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens +een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; de beide jongen +draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een +ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden +zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel +over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het +zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol +door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als +twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en +Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen +voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te +water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge +beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het +land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten. + +Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En +bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de +oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit +nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij +dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed +en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong. +Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den +afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de +poolnacht een aanvang nam. + +Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het +schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen +gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van +een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen +korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond +uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd +en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het +materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het +geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar +boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke +gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den +afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de +nieuwe hut, die hun gedurende den geheelen langen winter een veilig en +behagelijk onderkomen verschafte. + +Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde +poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het +volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en +deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad +en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten +was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al +huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen +van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling, +dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben +willen missen. + +Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele +winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en +verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De +maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het +maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde +het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte +uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans. + +Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de +kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen +hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en +vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur. + +Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en +dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden +in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op: +verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste +delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen +luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te +zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude +dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak +vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de +ijsberen in hun hol. + +Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar +stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de beide mannen +schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard +waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen +en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart +haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig +graden vorst niet te denken! + +Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut, +aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een +kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer: +van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang. + +Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten +van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te +beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van +walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand +opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun +veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren +tocht voort te zetten. + + + + + + + + +18. HET AVONTUUR IN DE KAJAK. + + +De sneeuwstormen loeiden om de beide reizigers heen. Hun tent hadden ze +prijs gegeven en ’s nachts kropen ze tusschen de sleden, waar ze een +zeil over heen gespannen hadden. Eenmaal liep Nansen op sneeuwschoenen +regelrecht het water in, en hij zou stellig verdronken zijn, wanneer +niet Johansen hem er nog tijdig uitgetrokken had. Het dunne ijs was met +een laag sneeuw bedekt, en was van water doortrokken: zoo kwam het, dat +ze slechts langzaam vorderden, want ze moesten eerst begaanbaar ijs +opzoeken. Reeds begon de proviand weer op te raken, maar gelukkig +krioelde het in ’t water van walrussen. Vaak waren de dieren, die in +troepen op ’t ijs lagen, zoo mak, dat Nansen dicht in hun nabijheid kon +komen om ze te fotografeeren. Zelfs wanneer er een neergeschoten werd, +verroerden de anderen zich in ’t geheel niet. Slechts wanneer er met +stokken op los geslagen werd, stonden ze log op, waggelden als eenden +achter elkaar naar het water en doken met de koppen naar beneden onder. + +Eens was het ijs zoo glad, en de wind zoo gunstig, dat Nansen en +Johansen de zeilen heschen, zich op hun sneeuwschoenen er voor +plaatsten om te sturen en voort ging het, in suizende vaart, zoodat de +wind hen om de ooren floot! + +Op een anderen keer zeilden ze met samengebonden kajaks en landden op +een eiland, om ruimer om zich heen te kunnen zien. De kajaks werden aan +een koord van walrussenhuid vastgelegd. Maar toen ze over het eiland +ronddwaalden, riep plotseling Johansen: + +„Halt! Daar drijven de kajaks!” + +Toen snelden ze naar het water, de wind woei krachtig zeewaarts en +dreef met de kajaks al hun bezittingen weg. + +„Hier is mijn horloge!” riep Nansen, gooide snel zijn kleeren uit, +sprong in het ijskoude water, en zwom de schuiten achterna. Maar deze +dreven sneller dan Nansen kon zwemmen. Hij voelde reeds dat hij begon +te verstijven; maar hier te verdrinken was niet erger dan zonder de +booten terug te keeren! Vooruit dus, met inspanning van alle krachten! +Toen zijn krachten hem begonnen te begeven, ging hij een poos op zijn +rug liggen; intusschen liep Johansen in vertwijfeling op het ijs heen +en weer—maar daar zwom Nansen reeds weer, en ten slotte werd de afstand +geringer; Johansen uitte een vreugdekreet, en reeds op het punt van te +zinken, gelukte het Nansen nog juist om een der sneeuwschoenen, die +buiten de kajuit uitstaken, te grijpen; daaraan klemde hij zich vast en +kon tenminste een oogenblik op adem komen. Toen heesch hij zich met +moeite in de boot, en roeide terug, door en door verkleumd. Maar toch +kwam hij eindelijk aan land; Johansen pakte hem dadelijk in den +slaapzak, en dekte hem toe met alles wat voorhanden was. Na een paar +uur geslapen te hebben, was de ijzersterke Nansen weer zoo frisch als +een hoen, en deed het avondeten alle eer aan. Later bekende Johansen +dat het de angstigste oogenblikken geweest waren, die hij nog ooit had +doorgebracht. + +Steeds meer zuidwaarts leidde hun weg, dwars door het ijs en de golven. +Het grootste gedeelte van hun tocht legden zij thans in de kajaks af. +Op zekeren dag kwam vlak naast Nansen’s kajak, een walrus aan de +oppervlakte, en had bijna de boot met de beide mannen in het zilte nat +doen verdwijnen. Toen het dier weer weggezwommen was, voelde Nansen dat +op den bodem plotseling alles drijfnat geworden was. Zoo vlug als hij +kon, roeide hij naar de naastbijgelegen ijsvlakte, waar de kajak, +gelukkig in ondiep water, snel begon te zinken. Om het lek te +herstellen hadden zij een geruimen tijd noodig. + +Nansen’s tocht is een ongeëvenaard feit in de geschiedenis der +noordpooltochten. Van de honderd en dertig manschappen van den „Erebus” +en den „Terror” had niet één enkele er het levend afgebracht, hoewel ze +hun schepen niet verloren hadden, en hoewel ze vlak in de nabijheid +lagen van land, waar menschen woonden, en waar levend wild in overvloed +was. De Long was het slachtoffer geworden der ongunstige +omstandigheden. Deze beide koene Noren daarentegen, hadden het vijftien +maanden lang in de Poolzeeën uitgehouden, zonder daarbij hun leven in +te boeten, zonder dat hun ledematen bevroren waren, ja zelfs zonder +door uitputting en ontberingen te vermageren! Zelfs hadden ze het nog +wel geruimen tijd langer kunnen uithouden, maar—het oogenblik van hun +bevrijding was ophanden. + + + + + + + + +19. NANSEN’S GELUKKIGE TERUGKEER. + + +Den 17den Juli 1896 stond Nansen op een ijsberg naar het krijschen der +vogels te luisteren, die in wijde kringen om hem heen vlogen. +Plotseling luisterde hij met gespannen aandacht. Wat was dat? Neen ’t +was onmogelijk. En toch,—het geblaf van honden. Of was dat een vogel, +die op zoo bijzondere manier krijschte? Neen, ’t kon onmogelijk iets +anders wezen, ’t moest het blaffen van een hond zijn! Op een draf ging +hij naar het kamp terug, maar Johansen meende, dat hij zich stellig +vergist moest hebben. Nadat ze haastig ontbeten hadden, bond Nansen +zich de sneeuwschoenen aan, greep geweer, verrekijker en sok, en +pijlsnel vloog hij over de sneeuwvlakte voort. + +Weldra ontdekte hij het spoor van een hond. Of zou het misschien toch +van een vos zijn? Maar neen, van een vos is het spoor veel kleiner. Nu +ging het in vliegende vaart over het ijs landwaarts. Daar treft een +stem Nansen’s oor, en hij roept met al de kracht van zijn longen, +terwijl hij over scheuren en dammen heensnelt, want nu was de redding +nabij, en wie weet hoe spoedig men weer in het vaderland terug zou +zijn! + +En werkelijk—daar komt, luid blaffend een hond op hem toespringen, en +daarachter komt een man. Nansen snelt op den man toe, en beide zwaaien +met hun mutsen. Wie ook die vreemdeling mocht wezen, hij kon niet +anders doen dan dien pikzwarten reus, die daar regelrecht van de +Noordpool op hem afkwam, sprakeloos aanstaren. + +Nu stonden beiden tegenover elkaar, en reikten elkaar de hand. + +„’t Doet me bijzonder veel genoegen u te zien,” sprak de vreemdeling. + +„Dank u, mij eveneens,” antwoordde Nansen. + +„Hebt u hier een schip?” + +„Neen, mijn schip is hier niet.” + +„Met z’n hoevelen bent u?” + +„Ik heb slechts één tochtgenoot, daarginds op het ijsplateau.” + +De vreemdeling was een Engelschman, Frederick Jackson genaamd; hij had +zich reeds sedert twee jaren op het Frans Josefs-land gevestigd, +teneinde dat land met een goed uitgeruste expeditie grondig te +onderzoeken. In het eerst meende hij, dat deze zwarte gedaante op +sneeuwschoenen tot de bemanning van de „Fram” behoorde, en verdwaald +was. Maar toen hij hoorde dat Nansen in eigen persoon voor hem stond, +steeg zijn verbazing nog meer. + +Beiden begaven zich naar de woonplaats van Jackson, waar ook Johansen +zich na korten tijd bij hen voegde. Het eerste wat de beide Noren +deden, was, zich het zoo lang ontbeerde genot van een grondige +reiniging met heet water te verschaffen. Ze bewerkten hun lichaam met +groene zeep en harde borstels om tenminste het vuil, dat nog niet in de +poriën doorgedrongen en op het lichaam vastgekleefd zat, kwijt te +raken. Toen lieten ze zich scheren en de haren knippen, en toen ze van +top tot teen in schoone kleeren gestoken waren, zagen ze er tenminste +weer eenigszins als gewone menschen uit. + +In den loop van den zomer kwam een schip om Jackson zijn gewone +proviand te brengen. Daarmee voeren Nansen en Johansen naar huis. Reeds +in Bardö ontvingen ze telegrammen van hun verwanten, en hun vreugde was +grenzenloos. Slechts één ding was er nog waarover ze zich bezorgd +maakten: waar was de „Fram?” + +Het was te Hammerfest, toen Nansen ’s morgens uit den slaap gewekt +werd. Er stond iemand aan de deur, die hem dadelijk wenschte te +spreken. Nu, zoolang totdat hij zich aangekleed had, zou die persoon +nog wel kunnen wachten, meende Nansen. Toen hij klaar was, ging hij +naar buiten. De directeur van het telegraafkantoor stond in hoogsteigen +persoon voor hem. + +„Ik heb een telegram voor u, dat u ongetwijfeld genoegen zal doen,” +zeide deze. + +Nansen maakte het telegram open en las: „„Fram” heden veilig +aangekomen. Alles wel aan boord. Ga terstond naar Tromsö. Welkom in het +vaderland.” + +De afzender van dit telegram was de kapitein van de „Fram”, de wakkere +Sverdrup! + + + + + + + + +20. PER LUCHTBALLON NAAR DE NOORDPOOL. + + +Het was den 16den October 1893, toen ik Stockholm verliet om door Azië +een reis naar het verre Oosten te beginnen. Een deel van mijn +reisindrukken op dezen tocht heb ik in het eerste deel van dit werk +weegegeven. Te St. Petersburg, waar ik eenige inkoopen moest doen, +vertoefde ik in het huis van Nobel, waar ik op zekeren dag het volgend +telegram ontving: + +„Den 19den October streek Andrée’s ballon over de Finsche scheren, en +werd door den storm de Oostzee ingedreven. Van Sandhamn uit zag men, +hoe de ballon steeds twintig meter boven het zeewater zweefde.” + +Hoe ontzettend! Nauwelijks had Andrée Zweden achter zich gelaten, en de +woeste Oostzeegolven voor zich, en reeds zou zijn tocht een rampzalig +einde moeten nemen? Want omringd door herfstnevelen, was er nauwelijks +eenige hoop op behoud voor hem. Persoonlijk kende ik Andrée niet, ik +had hem nooit gezien; maar iedereen sprak van hem, want hij had reeds +negen gevaarvolle tochten gemaakt in de „Svea”, denzelfden ballon, die +hem thans den dood tegemoet voerde. Zulk een man kon de wereld toch +niet zoo snel verliezen! + +Ik zelf had het grootste vasteland der aarde voor mij. Het was toch +iets heerlijks, om tenminste vaste bodem onder de voeten te hebben! +Maar Andrée! De gedachte aan hem liet me geen rust. Sedert eenige jaren +had hij zichzelf tot een der wakkerste en bekwaamste luchtschippers +gevormd; zou dan nu reeds zijn loopbaan een einde nemen, nu reeds, +hoewel hij slechts veertig jaar oud was? + +Den volgenden dag kwam er evenwel een tweede telegram: + +„Andrée gered. Geland op de Finsche kust. Alles wel.” + +Goddank! Nu was ik op mijn reis tenminste van deze zorg ontheven. + +Twee jaar na dezen, bijna zoo rampspoedig geëindigden tocht, ontwierp +Andrée het plan voor een reis, die zich niet tot de Oostzee bepalen +zou. De geheele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen tot aan de +Behringstraat wilde hij doorkruisen, een gebied, dat zich over een +afstand van 3700 kilometer uitstrekte; en zoo mogelijk, wilde hij op +zijn tocht over de Noordpool heenvliegen! Het was het meest gewaagde +plan dat nog ooit een ontdekkingsreiziger beraamd had. En Andrée had +zoo lang en zoo grondig er over nagedacht, dat hij nauwkeurig berekend +had, hoeveel elke schroef en elk touw van zijn ballon mocht wegen. + +De ballon zou vervaardigd zijn van een drievoudige bedekking van +Chineesche zijde, en zou, zoowel van binnen als van buiten gevernist +worden, teneinde zoo weinig mogelijk van zijn inhoud van 4500 kubieke +meters waterstofgas te verliezen. De doorsnede zou twintig meter +bedragen en van boven zou een extra omhulsel aangebracht worden, dat +beletten moest, dat de sneeuw zich op het netwerk vastzette. + +Lange sleeptouwen zouden den ballon gedurig op dezelfde hoogte houden. +Ze zouden gemaakt zijn van kokosdraden, zoodat ze op het water konden +drijven, en zouden veel gemakkelijker over het ijs heenglijden dan over +het land, waar ze vaak aan boomen, of andere voorwerpen konden blijven +hangen, en zoodoende den ballon aan menigen gevaarlijken ruk konden +blootstellen. Wanneer de helft van het sleeptouw op de aarde ligt, en +de andere helft in de lucht zweeft, dan trekt alleen die laatste helft +de ballon naar beneden. Zoodra deze daalt, wordt het gedeelte van het +touw dat op de aarde rust, grooter, de ballon wordt daardoor verlicht, +en stijgt weer omhoog. Maar de sleeptouwen verhinderen dan weer een al +te sterke stijging, want hoe langer het touw wordt dat in de lucht +hangt, des te meer wordt de ballon weer omlaag getrokken. Zoodoende zal +de ballon, zoo berekende Andrée, steeds op een gelijkmatige hoogte +blijven zweven. + +Maar, de sleeptouwen hebben nog een ander doel. Door hun wrijving aan +de oppervlakte van het water of van het ijs werken ze als een rem. +Dientengevolge is de snelheid van den wind grooter dan die van den +ballon, die niet vrij in de lucht zweeft, maar, om ’t zoo uit te +drukken, steeds een voet op de aarde heeft. Door het hijschen van een +zeil aan een der beide kanten kan men dan den ballon eenigszins +besturen en hem, evenals een zeilschip laten laveeren. + +De gondel van Andrée’s ballon bestond uit een teenen korf, en was rond, +ruim, stevig en licht, voorzien van een dak, waarop de luchtreizigers +als op een balkon konden staan, tot het doen hunner waarnemingen. Door +een luik kon men in de gondel afdalen, die voor twee mannen, wanneer ze +naast elkaar uitgestrekt lagen, plaats bood. + +Twee vensters in het dak gaven uitzicht naar buiten. In de zijwanden +bevonden zich tal van vakjes en zakken, waarin alle mogelijke dingen +konden opgeborgen worden. Met zes dikke touwen was de gondel aan den +draagring bevestigd. Acht ballasttouwen, van zeventig meter lang, +moesten dienen om den schok te breken, wanneer een heftige windstoot +den ballon tegen de aarde zou slingeren; ze konden ook afgekapt worden, +zoodra de ballon zooveel gas verloor, dat ze niet meer in staat was om +te bleven zweven. Al deze touwen wogen te zamen ongeveer duizend +kilogram. + +Andrée’s ballon zou dertig dagen kunnen zweven. Maar wanneer er nu een +windstilte intrad, of wanneer men door het drijfijs, dat de Pool +omringde, weer teruggedreven werd? Ook met deze mogelijkheid had Andrée +rekening gehouden, en hij was erop voorbereid den ballon ergens achter +te kunnen laten, en den terugtocht over het ijs te aanvaarden. + +Daarvoor zouden sleden en sneeuwschoenen, een tent, een opvouwbare +zeilboot en drie geweren met ammunitie meegenomen moeten worden, +bovendien voldoende mondvoorraad voor honderd dagen; dit alles was in +zakken boven aan den draagring geborgen. + +Maar hoe zou men zich daarboven in de koude lucht iets warms kunnen +toebereiden? Daarom werd een bijzonder kooktoestel vervaardigd, dat, +ter voorkoming van brandgevaar onder aan den ballon zou hangen. Men +behoefde slechts een blikje met soep, vleesch of visch in den ketel te +doen, de spirituslamp te vullen en de geheele geschiedenis naar beneden +te laten zakken; wanneer men aan een bepaald koord trok, dan ontbrandde +daar een vlam, die men met behulp van een slang weer uit kon blazen, +wanneer het eten gaar was, en men het toestel weer naar boven trok. +Teneinde de buitenwereld berichten te kunnen doen toekomen over het +verloop der reis, zouden dertien boeien van kurk meegenomen worden, die +van buiten met koperdraad omhuld en van binnen een metalen koker +bevatten voor het opbergen van brieven. De grootste zou bij aankomst +van de Noordpool uitgeworpen worden! Bovendien stelde Andrée zich voor +om rechtstreeks schriftelijke mededeelingen te zenden. Daartoe kocht +hij ongeveer vijftig postduiven, die vroegtijdig naar den +noordelijksten vuurtoren aan de Noordkaap gebracht werden; om ze met +den vorm der kust vertrouwd te maken, bracht men ze eerst op een hoogen +berg met vrij uitzicht naar alle kanten. Daarna werden ze op +zeilschepen een eind de zee ingenomen, en daar losgelaten. Eenigen +vlogen terstond naar hun punt van uitgang terug, anderen sloegen de +richting naar het Zuiden in, en twee vielen ten prooi van een +roofvogel. Gedurende de reis zouden de duiven in kleine teenen kooien +geborgen worden, waarin aluminium bakjes met water en kleine korfjes +met gerst, erwten en zaad geplaatst waren. Toen men van Spitsbergen +uit, drie van deze duiven liet vliegen, stegen ze loodrecht in de +hoogte, bleven daar eenige minuten lang volkomen onbeweeglijk, als om +het terrein te verkennen, en vlogen toen pijlsnel zuidwaarts. Slechts +een dezer postduiven werd bij Ofoten op de Noorsche kust opgevangen. +Maar, dat was een bedriegster, ze was op een stoomboot, die naar +Noorwegen onderweg was, neergestreken, en toen de kust in ’t zicht was, +vloog ze weer op en liet zich met den wind naar Ofoten meevoeren. + +De brief, dien zulk een duif draagt, moet licht als een veertje zijn om +het vliegen niet te belemmeren. Hij wordt geschreven op zijde-papier +en, opgerold, in een waterdichte huls geschoven die met was +dichtgekleefd en onder de staartveeren van de duif bevestigd wordt. + +Zoo had Andrée alles met groote scherpzinnigheid voorbereid. Er was een +geheel boek geschreven, dat uitsluitend de toerusting tot deze reis +beschreef. In het begin van Juli, een tijd waarin de zon dag en nacht +aan den hemel staat, wilde Andrée met twee tochtgenooten de opstijging +wagen vanuit het Denen-eiland, aan de noordkust van Spitsbergen. In +dezen tijd van het jaar kon men steeds fotografische opnamen maken +wanneer men over onbekende eilanden heen vloog. Ook zou de zon de +temperatuur van het gas op gelijkmatige hoogte houden, en zoodoende zou +de ballon steeds op ongeveer dezelfde hoogte bleven zweven. + +Andrée was vast overtuigd van het welslagen van zijn plan. In het +gunstigste geval zou alles immers als vanzelf gaan. Op een zijner +proeftochten had hij den afstand van 400 Kilometer tusschen Gothenburg +en Gotland in 3 uren afgelegd. Zulk een wind zou hem in negen uren aan +de Noordpool kunnen brengen, en, zelfs bij matigen wind zou hij in +hoogstens twee dagen de Pool kunnen bereiken! Wanneer hij op +Spitsbergen een gunstigen, zuidelijken wind had, dan kon hij, volgens +zijn vaste overtuiging, wanneer alles meeliep, reeds na acht dagen aan +de Behringzee, of ergens anders, op de Aziatische of Amerikaansche +noordkust, kunnen landen! + +Maar „de wind blaast waarheen hij wil, en ge hoort zijn suizen wel, +maar ge weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij henen gaat.” Het +eenige vaststaande is het feit, dat de wind aan de Noordpool altijd uit +het zuiden komt! Want aan de Pool komen de meridianen allen in een punt +te zamen, en wanneer ge aan de Pool staat, dan kijkt ge, wáárheen ge +het oog ook richt, altijd naar het Zuiden! + + + + + + + + +21. VOOR DE OPSTIJGING. + + +Toen het plan van Andrée’s tocht wereldkundig werd, schoten natuurlijk +overal de ongeluksprofeten als paddestoelen uit den grond op. In het +buitenland had men niets dan scherpe woorden, en sprak men van +onzinnige waaghalzerij. Andrée kon zelf toch wel begrijpen, dat de +zeevogels daar in het hooge Noorden het omhulsel van zijn ballon met +hun snavels zouden doorboren, dat hij en zijn tochtgenooten, wanneer ze +over het bewoonde land heenzweefden door de bewoners met pijlen +doorschoten zouden worden, en dat ze, indien ze al de Noordpool +bereikten, daar immers toch van koude zouden omkomen! Sneeuw en ijs +zouden door hun gewicht het gevaarte omlaag drukken, de sleeptouwen +zouden tusschen de ijsschotsen verward raken, vastvriezen en zoodoende +den ballon onbeweeglijk vasthouden. + +Alleen in Zweden veroorzaakte het plan eerst verbazing, voorts +bewondering, en eindelijk geestdrift! Maar—waar zou het geld vandaan +komen? Er waren voor de verwezenlijking van het plan 130.000 Kronen +noodig. Alfred Nobel bood aan de helft der kosten voor zijn rekening te +nemen. Koning Oscar, die alles wat met ontdekkingsreizen in verband +stond met milde hand steunde, schonk het vierde gedeelte, en de rest +werd door anderen bijeengebracht. + +Toen alles in gereedheid was, reisde Andrée naar Spitsbergen. Op het +Denen-eiland werd een reusachtige loods gebouwd om den ballon tijdens +de vulling te beschutten. Op het einde van Juli 1896 was de vulling +afgeloopen, en nu wachtte men slechts op den zuidenwind. + +Maar de wind kwam voortdurend uit het Noorden of uit het Westen. Weken +verliepen. Mist en sneeuw maakten de vooruitzichten nog ongunstiger. +Het wachten was vergeefs—de gunstige wind kwam niet. + +Ten Noorden der Denen-eilanden ligt het Amsterdam-eiland, dat naar het +Oosten in een vlakke landtong, de Hollanderkaap, uitsteekt. Hier kwam +den 14den Augustus een merkwaardig schip voor anker. Andrée en +verscheidene andere Zweden voeren er in hun stoomsloep heen. Het was de +„Fram”, eerst enkele dagen geleden, uit een driejarige gevangenschap in +het poolijs, bevrijd! + +„Zou ik Nansen kunnen spreken?” vroeg Andrée, nadat hij Sverdrup en +zijn metgezellen begroet had. + +„Wat, is Nansen dan nog niet terug?” riepen de Noren. + +„Neen, maar waarom is hij niet op de „Fram”?” + +„Het is nu bijna anderhalf jaar geleden, sedert hij van ons wegging.” + +Aan weerskanten heerschten angst en verslagenheid. Sverdrup keerde zoo +snel mogelijk naar Noorwegen terug, vast besloten om, na kolen en +proviand ingenomen te hebben, zich naar Frans-Josefs-land te begeven en +Nansen te zoeken. Toen hij de eerste haven, een klein Noorsch +kustplaatsje, bereikt had, liet hij zich, midden in den nacht, aan land +roeien, en ging naar een telegraafkantoor. Daar hamerde hij met zulk +een geweld op de deur, alsof zijn leven er mee gemoeid was. Alles was +in diepe rust. Eindelijk stak een oud man zijn hoofd uit het venster, +en schreeuwde hem toe: „Wat heeft dat gruwelijke spektakel in ’t holle +van den nacht te beduiden?” + +Sverdrup antwoordde: „Doe maar vlug open, ik ben kapitein Sverdrup, van +de „Fram”.” + +Dadelijk werden overal de vensters verlicht, en de telegraafbeambte +kwam hals over kop naar beneden hollen. + +„Ik heb van Andrée gehoord,” zei Sverdrup op bezorgden toon, „dat er +nog geen bericht van Nansen gekomen is.” + +„Wel,” riep de man, „Nansen? Die is den 13den Augustus te Bardö +aangekomen! Op ’t oogenblik is hij te Hammerfest.” + +Sverdrup maakte van blijdschap een luchtsprong, draaide zich, zonder +een woord te zeggen om, en snelde weg om zijn makkers de blijde tijding +te brengen. + +Intusschen wachtte Andrée nog steeds op den zuidenwind. Maar, daar het +reeds te ver in het jaar was, moest hij wel terugkeeren. De ballon werd +leeggemaakt, alles werd ingepakt, en Andrée reisde naar Stockholm +terug. + +Men kan zich wel voorstellen hoe terneergeslagen hij was. Nog nooit had +het plan van een Noordpooltocht een zoo algemeene en warme sympathie +genoten. De geheele wereld wachtte met spanning en ongeduld op het +vertrek. Toen hij Stockholm en Gothenburg verliet, had men hem als een +held gehuldigd, en nu moest hij onverrichter zake weer terugkeeren! +Velen dreven den spot met hem, maar de meesten bewonderden toch zijn +zelfbeheersching. Het bedrag dat voor een nieuwe poging noodig was, +werd terstond bijeengebracht, en wel uitsluitend in Zweden. In het +midden van Mei van het volgend jaar wilde Andrée zich wederom naar het +Denen-eiland begeven. + +Den 10den Mei 1897, kwam ik uit Azië terug. Den dertienden gaf Andrée +een diner te zijner eere. Wij waren slechts met ons zessen aan tafel, +en ik zag hem bij deze gelegenheid voor het eerst. Tijdens het maal +heette hij mij welkom met een rede, die ik mij niet zonder ontroering +herinner. Hij sprak er over welk een verschillende toekomst ons beiden +wachtte. Terwijl ik mijn groote reis achter den rug had, en rustige +arbeid mij wachtte, had hij zijn tocht nog voor zich, en stond op het +punt zich toe te vertrouwen aan een onzeker lot in de groote +eenzaamheid. In zijn toon was iets weemoedigs verscholen, dat hij +vergeefs trachtte te verbergen. In mijn antwoord huldigde ik hem als de +ontwerper van een grootsch plan, en sprak mijn overtuiging uit, dat we +elkaar onder gelukkiger omstandigheden zouden weerzien! + +Het gezelschap ging spoedig uiteen. Andrée had nog veel te doen; over +twee dagen zou hij Stockholm voorgoed verlaten. + +Ditmaal vond zijn vertrek in alle stilte plaats. Men had hem zoo weinig +met rust gelaten, dat het te voorzien was, dat hij, ook bij niet +volkomen gunstigen wind, tóch zou opstijgen. Slechts enkele vrienden +waren aan het station om afscheid van hem te nemen. Ik drukte hem +hartelijk de hand—voor het laatst! Toen voerde de trein hem weg, den +helderen nacht in. + +In Juni heerschte op het Denen-eiland weer dezelfde bedrijvigheid. In +het begin van Juli was alles voor de opstijging in gereedheid. Wederom +was het wachten slechts op een gunstigen zuidenwind. Door een heftigen +storm werd de ballon zoo hevig in de loods heen en weer geslingerd, dat +hij bijna tegen de wanden stuk geslagen werd, en zelfs bijna geheel +losgerukt werd. + +Dagelijks schreef Andrée eenige regels in zijn dagboek. Op den 8sten +Juli 1897 eindigt het—voor altijd. + + + + + + + + +22. „ALLES KLAAR!” + + +Den 11den Juli 1897, een Zondag, brak aan. Reeds des morgens om drie +uur vertoonden zich bij de Hollanderkaap eenige rimpels op het effen +watervlak. Het was een lichte bries, die elk uur in kracht toenam! + +Om acht uur werd de laatste post bezorgd en nog het een en ander in het +schuitje van den ballon gebracht. Andrée belegde een krijgsraad. Zijn +beide tochtgenooten, de ingenieur Fränkel en Dr. Strindberg verklaarden +zich voor de opstijging. Hij zelf sloot zich daarbij aan. Onverwijld +toog men aan ’t werk. De bemanning der kanonneerboot „Svenskund”, het +schip, dat de luchtvaarders naar het Denen-eiland gebracht had, werd +aan land gezet, en om 11 uur begon men met het afbreken van de loods. +Reeds was een groot gedeelte van de voorzijde weggenomen. Aan de +windzijde werd zeildoek gespannen om eenige beschutting voor den wind +te vormen. Uitstekende balken werden met een dikke laag vilt omwikkeld, +zoodat ze bij het slingeren van den ballon geen gaten in het omhulsel +konden boren. + +Gedurende de eerstvolgende uren heerschte er een koortsachtige +opgewondenheid. Iedereen deed zijn uiterste best. Aan alle kanten +weerklonk het kraken en dreunen van planken, die losgebroken werden. +Men repte zich, als gold het een brand te blusschen. Door een +scheepsroeper deelde Andrée met de stem van een godheid zijn bevelen +uit; aan ieder moest hij zijn bijzondere bevelen geven en naar alle +kanten moest hij zijn opmerkzaamheid richten. Intusschen daalden, van +de hooge berghellingen achter de loods, zware wolken neer. + +Reeds rukte de ballon ongeduldig aan de touwen, en vaak werden reeds +alle zandzakken van den bodem opgelicht. Nu werd hij een weinig gevierd +om de gondel met de zes draagtouwen aan den ring te kunnen bevestigen. +De kooien met de duiven werden in de gondel gezet en de zandzakken voor +een groot deel verwijderd. De ballon werd nu alleen nog maar +vastgehouden door drie bundels ballastzakken, waarvan de luchtschippers +op het laatste oogenblik de touwen zouden doorkappen, en door drie +dikke kabels die om eenige balken op den grond heengeslagen waren. Bij +elken kabel stond een matroos met een bijl. Twee dozijn zakken met zand +werden als ballast ingeladen. + +„Alles klaar!” + +Andrée dankt allen, die hem geholpen hebben, en neemt haastig van ieder +afzonderlijk afscheid. Zonder veel woorden drukt men elkaar stevig de +hand. Wanneer de laatste oogenblikken maar eerst voorbij waren, wenscht +ieder in stilte. Een onvergetelijk schouwspel moet deze opstijging +opgeleverd hebben. + +Dan doopt Andrée den ballon met den naam „Ornen” (Adelaar) en hij +springt in de gondel waar Fränkel en Strindberg reeds onder de +Zweedsche vlag hebben plaats genomen. Met blanke messen in de handen +staan ze daar, en met één enkele snede kappen ze de touwen der +ballastzakken! + +Een rustig oogenblik wordt afgewacht. Er heerscht een diepe stilte. Men +waagt het nauwelijks te fluisteren, slechts het suizen van den wind in +de bijna ledige loods is hoorbaar. De drie helden leunen tegen den rand +van de gondel. Andrée bewaart een onverstoorbare kalmte; geen spoor van +aandoening is op zijn gelaat te bekennen. Om halfdrie klinkt zijn stem: + +„Kappen—een, twee, drie!” + +Op hetzelfde oogenblik springen de kabels los, en statig verheft zich +de „Adelaar” uit zijn nest! + +„Leve Andrée!” klinkt het daar beneden. + +„Groet Zweden van mij!” roept hij met luider stem, terwijl hij zich +over den rand van de gondel heenbuigt; met de sleeptouwen die een spoor +van schuim in het water achter laten, als het zog van een stoomschip, +zweefde de „Adelaar” in noordoostelijke richting over de Hollanderkaap +heen. Voordat hij die achter zich had, daalde hij bedenkelijk, wellicht +door een sterken luchtstroom naar beneden gedrukt. De gondel kwam zelfs +in het water, maar sprong toen weer in de hoogte. Negen zandzakken +moesten uitgeworpen worden om te beletten dat de „Adelaar” tegen de +klippen zou stooten. Daarmede gingen tweehonderd kilogram ballast +overboord! + +Nog ernstiger was, dat bij het opstijgen een groot stuk der sleeptouwen +scheurde. Daarmee ging meer dan een halve ton ballast verloren! Het +geheele fundament, waarop Andrée zijn plannen gebouwd had, scheen +vernietigd! Hij was niet meer door de sleeptouwen in aanraking met de +aarde, maar zweefde als een speelbal der winden, vrij in de lucht! + +De „Adelaar” verhief zich dan ook tot een hoogte van ongeveer +zevenhonderd meter. Een tijd lang werd hij door een wolk aan het +gezicht onttrokken, maar weldra kwam hij weer te voorschijn. Na verloop +van een uur verdween hij achter de rotsige eilanden in het Noordoosten, +in de wijde eenzaamheid der poolzeeën—voor altijd. + +Zwijgend en ernstig begaven zich de helpers der drie helden weer aan +boord van de „Svensksund”.— + + + + + + + + +23. HET LOT VAN ANDRÉE. + + +Met welke spanning wachtte de geheele wereld op berichten van Andrée, +hoe werd overal de telegraaf in werking gesteld toen het bekend werd +dat de held opgestegen, en in noordelijke richting verdwenen was! Op de +geheele wereld was er nauwelijks een dagblad dat niet kolommenlange +beschrijvingen van de koene opstijging gegeven had. Overal heerschten +verbazing en bewondering! Hoe zou het wel afloopen? vroeg een ieder +zich af. Atlassen werden te voorschijn gehaald, en onderzoekend liet +men het oog gaan over de landen om de ijszeeën. Hoelang zou de +zuidenwind aanhouden, en waar zou de ballon weer te voorschijn komen? +Te oordeelen naar de manier waarop de „Adelaar” opgestegen was, zou +hij, zoo was de algemeene meening, zich hoogstens drie weken in de +wolken drijvend kunnen houden! Maar in dien tijd kon hij geweldige +afstanden afleggen, en op elke willekeurige plek van de bewoonde wereld +weer zichtbaar worden. Juist in dezen tijd van het jaar bevonden zich +tal van walvischvaarders en visschers in de noordelijke ijszeeën. De +spanning nam met elken dag toe. Niemand dacht meer aan de Noordpool. +Waar ook Andrée’s ballon zou landen—hij zou ongetwijfeld den +merkwaardigsten tocht gemaakt hebben, waarvan nog ooit een mensch +gehoord had. + +Nauwelijks waren veertien dagen verloopen, of de eerste verontrustende +berichten deden door de pers de ronde. Den 17den Juli zou een Hollander +den ballon in de Witte Zee op het water hebben zien drijven! +Nasporingen brachten echter aan licht dat de Hollander vrij zeker een +doode, opgezwollen walvisch ontmoet had. + +Van nu af kwam er echter van alle kanten een stroom van de meest +tegenstrijdige berichten. Aan de westkust van Groenland had men vanuit +de zee schoten van een buks gehoord; zonder twijfel waren die schoten +afgevuurd door Andrée en zijn makkers, die, evenals vroeger de mannen +van de „Polaris” op een ijsschots zuidwaarts dreven. Wanneer men op een +schip in de herfstnevelen het krijschen van zeemeeuwen hoorde, dan was +dat natuurlijk Andrée, die in zijn zeilboot ronddobberend, om hulp +riep! + +En hoevele bewoners van de landen om de Noordpool heen, wilden den +ballon met eigen oogen gezien hebben! De wakkere Russische +pelshandelaars, en boeren tot ver in Siberië, bezwoeren met dure eeden, +dat ze den „Adelaar” boven dit of dat dorp hadden gezien. Op Sachalin, +het eiland der verbannenen in het verre Oosten had men hem stil en +geheimzinnig boven de kale rotsen zien drijven. Zelfs de Indianen van +Noord-Amerika beweerden, dat ze hem gezien hadden. + +Anderen weer, wisten stellig, dat Andrée te Klondyke was, en van +daaruit reeds geschreven had. In Britsch-Columbia streek de „Adelaar” +over het land heen, en in Canada hadden de Eskimo’s verscheidene blanke +mannen ontmoet die hun proviand in een zonderling gevaarte +medesleepten. Weer anderen hadden visioenen gehad, en wisten +dientengevolge nauwkeurig dat Andrée en zijn makkers in de zee gestort +en verdronken waren—ze hadden in den geest de catastrophe mede +aangezien. Weer anderen wisten met even groote zekerheid te vertellen +dat Andrée nog leefde, maar dringend hulp noodig had. + +Op deze wijze had de menschelijke verbeeldingskracht allerwege vrij +spel, overal tuurde men met spiedende blikken omhoog, en meende den +ballon te zien, zelfs al was ’t slechts een kraai die in den +schemeravond voorbijvloog. De beangstigende, maar geweldige +werkelijkheid werd langzamerhand tot een wonderbare sage, en bijna ging +het met Andrée’s ballons als met het sprookjesschip van den vliegenden +Hollander! + +Reeds in den herfst werd er vanuit Zweden hulp gezonden, on overal waar +Andrée met mogelijkheid zijn kon, werd proviand opgesteld. Een +expeditie onderzocht vanuit het nu ledige graf van De Long en zijn +makkers een groot deel der kusten van de Siberische IJszee. Professor +Rathorst gaf als zijn meening te kennen, dat de luchtschippers +Oost-Groenland hadden kunnen bereiken, waar ze zich langen tijd met +muskusossen zouden kunnen voeden. Hij rustte derhalve de „Anlactic” uit +met het doel om deze kusten grondig te onderzoeken. Weliswaar vond hij +Andrée niet, maar hij bracht prachtige kaarten, verzamelingen en het +resultaat van belangrijke waarnemingen mede terug. + +Zoo verliepen maanden en jaren! Van tijd tot tijd dook een nieuw +gerucht op, en steeds vlamde weer een nieuwe straal van hoop op! + +Wat was er gevonden van de dertien boeien, die Andrée wilde uitwerpen, +en waar waren de duiven gebleven? + +Vijf boeien werden twee jaar later gevonden. Drie waren er in het +ongereede geraakt, de briefhulzen ontbraken. Twee bevatten een +schrijven, en hadden met den stroom een grooten afstand afgelegd, de +eene werd op de noordkust van Noorwegen gevonden, de ander op IJsland. +Ze waren reeds op den dag van opstijging om 10 uur en om 11 uur +uitgeworpen, en behelsden slechts korte berichten over den koers, den +toestand aan boord en de plek waar de boei uitgeworpen was. Om 10 uur +dreef de ballon in noordelijke richting over vlak ijs heen. „Prachtig +weer. Stemming uitstekend.” Om elf uur zweefde hij zeshonderd meter +boven het zeeoppervlak „alles wel.” + +Van de duiven keerde slechts één enkele weer terug. Een Noorsch schip +nam ze reeds vier dagen na de opstijging aan boord. Het bericht, dat ze +droeg, was daarom merkwaardig, omdat Andrée het den 13den Juli om half +drie geschreven had. De „Adelaar” had toen reeds zes en veertig uur +gezweefd, en was dus reeds langer in de lucht geweest dan eenig ander +luchtschip! Op het kleine ineengerolde stuk papier stond o.a.: „aan +boord alles wel. Dit is de derde duivenpost. Andrée.” De ballon bevond +zich toen boven het noordelijk gedeelte van Spitsbergen, maar dreef met +een flinke vaart naar het Oost-Zuid-Oosten. + +Van dit oogenblik af is er van het lot van den „Adelaar” niets meer +bekend;—en, waarschijnlijk zal het ook wel onbekend blijven. + +Gedurende tweemaal vier en twintig uren na de opstijging was dus alles +aan boord in orde, en de luchtschippers koesterden geen angst voor den +afloop van hun tocht. Misschien zweefden ze gedurende verscheidene +dagen nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden. Maar elken +dag moest de draagkracht van den ballon onvermijdelijk verminderen, +totdat tenslotte de „Adelaar” zijn last niet meer kon torsen. Maar, +waar hij nederdaalde, dat weet niemand. + +Wanneer hij in de buurt van de Noordpool, in de richting van de +Behringzee, tusschen het drijfijs geland is, dan was de positie der +opvarenden hopeloos, want ze hadden niet voldoenden leeftocht bij zich +voor een zoo verren tocht, als in dat geval noodzakelijk zou wezen. +Waarschijnlijker is dat de ballon naar het zuidelijk deel van de +IJszee, tusschen Frans-Jozefs-land en het schiereiland Kola dreef. Hij +moest daarbij steeds slapper worden, en steeds dieper zinken. +Ongetwijfeld kapte men alle touwen, en wierp allen ballast overboord. +Zoodoende kon hij nog eenige uren, misschien nog een geheelen dag in de +lucht blijven. Maar ten slotte moest hij weer dalen, terwijl de donkere +zee daaronder den muil opensperde. Nu zal men de laatste boeien +opgeofferd, en alles wat men eenigszins kon missen, weggeworpen hebben. +Weer verhief zich de ballon, maar verslapte spoedig weer opnieuw, door +het minste koeltje heen en weer gedreven. Andrée was een man, die in +oogenblikken van gevaar den moed niet verloor; hij en zijn makkers +zullen dapper met den dood gestreden hebben! + +Indien de winter zijn intocht reeds gedaan had op het noordelijk +halfrond, dan had Andrée misschien kans gehad, spoedig hulp te zien +opdagen. Dan zou hij een groot gedeelte van zijn leeftocht rustig +hebben kunnen prijs geven, dan had hij de duiven kunnen loslaten en hun +kooien in zee kunnen werpen. Maar misschien zonk de „Adelaar” op een +plek waar geen land te bekennen was. De gondel sleepte over het water +en stiet tegen elke oneffenheid; de inzittenden klommen in den +draagring en kapten de gondel af. Dan verhief zich misschien de ballon +nog eenmaal voor het laatst, om door de winden weer zeewaarts gedreven +te worden. Daardoor werd de catastrophe nog slechte enkele uren +uitgesteld, want wanneer een ballon zijn grootste hoogte bereikt heeft, +daalt hij plotseling. Toen hij weer op de oppervlakte van het water +kwam, was de ring het eenige wat nog gekapt kon worden. Hoe ook de +omstandigheden mogen geweest zijn, waaronder Andrée en zijn makkers den +dood gevonden hebben,—nu, na zooveel jaren weten we het nog niet; laat +ons hopen dat hun doodsstrijd kort was! Hun reis was vruchteloos, maar +die drie mannen zullen voor altoos toonbeelden blijven van heldenmoed. +Ze hebben nieuwe paden betreden, en de tijd is nabij waarop anderen, +met betere hulpmiddelen toegerust, hun onzichtbaar spoor door het +luchtruim en over de zeeën zullen volgen. + + + + + + + + +24. IN HAMBURG BIJ HAGENBECK. + + +Verlaten we thans de dood-aanbrengende hoogere sferen, om ons weer op +vasten bodem te bewegen! Na het korte uitstapje in de geschiedenis der +Noordpooltochten willen we ons naar Engeland op weg begeven, uit de +oneindige eenzaamheid van het eeuwige ijs, der middernachtzon, en der +poolstormen naar een der brandpunten van het menschengewoel; naar de +wereldstad Londen. + +Van Malmö uit, brengt ons een stoomboot over de Sond, naar het groote, +vroolijke en bedrijvige Kopenhagen. Daarna doorsnijdt de spoorweg het +rijke en vruchtbare eiland Seeland. Hier staan prachtige hoeven +tusschen vruchtbare velden, hier graast op welige weiden het +kloekgebouwde vee, waaraan Denemarken zijn overvloed van melk en boter +dankt: hier breidt zich naar alle kanten de vruchtbare bodem uit, die +geen plaats meer overlaat voor de kale zandvlakten en schrale heide, +zooals die op de westkust van Jutland voorkomen. + +Denemarken is een der kleinste landen van Europa, maar de bewoners +weten van de natuurlijke hulpbronnen van hun land partij te trekken en +voordeelige handelsbetrekkingen met het buitenland aan te knoopen. Veel +uitgestrekter dan het moederland zijn echter zijn bezittingen in de +noordelijke zeeën, Groenland en IJsland; helaas zijn deze beide +eilanden echter slechts schaars bevolkt, koude en ijs zijn er de +eigenlijke heerschers. Van Korsör uit brengt ons een stoomboot tusschen +de eilanden Langeland en Laaland door, in enkele uren naar Kiel. Hier +betreden we Duitschen bodem; hier is Duitschland’s grootste +oorlogshaven. + +Door het vruchtbare Holstein heen, spoeden we ons naar het Zuiden, waar +de vrije Hanzestad Hamburg aan de Elbe, de grootste havenplaats op het +vasteland van Europa, en na Londen en New-York de derde der geheele +wereld. + +Wat is hier al niet te zien en te bewonderen. De enkele uren oponthoud +willen we besteden om iets te zien, dat men overal elders vergeefs zou +zoeken: Hagenbeck’s dierenpark. + +Het ligt buiten de stad. Uit alle landen der wereld zijn hier wilde +dieren bijeengebracht. Maar hier verkwijnen ze niet in een sombere +gevangenschap, zooals in menagerieën en zoölogische tuinen, hier kunnen +ze zich vrij bewegen over terreinen, die naar gelang van den aard der +verschillende soorten, ingericht zijn. Over wijde zandvlakten zwerven +de dromedarissen en struisvogels der Sahara, een kunstmatig aangelegde +steppe strekt de buffels van Noord-Amerika en de antilopen en zebra’s +van Afrika tot verblijfplaats. Tusschen grillige rotsen klauteren de +lama’s der Andes, de steenbokken der Alpen en de muffeldieren uit de +gebergten van Corsika en Sardinië: de olifanten staan in een +gemeenschappelijk hok bijeen, en gaan vandaar uit aan hun arbeid in het +park. + +In het Poollandschap dartelen walrussen en robben in ruime bassins, op +welker randen de pinguins komisch-gewichtig plomp rondwaggelen. +Afzonderlijke grotten en koele vijvers strekken den ijsberen tot +woonplaats; ze laten zich in ’t water neerplonzen, zwemmen snuivend in +’t rond, slaan elkaar, wanneer ze te dicht in elkaars nabijheid komen, +met de klauwen, klauteren dan op een overhangende rots om daar lui op +den rug liggend, uit te rusten, en storten zich dan weer, den kop +vooruit, in ’t water. Daarboven verheft zich een klein plateau waar een +rendierkudde graast. + +Het glanspunt van Hagenbeck’s dierenpark is de leeuwenkloof. Aan drie +kanten bevinden zich steile rotswanden met grotten en kloven. Aan den +vierden kant, naar den toegang, is de kloof open, en hier staan we nu, +op een afstand van slechts enkele meters, vlak tegenover twaalf groote +leeuwen, zonder ook maar door een draadwerk van hen gescheiden te zijn! +Dat is wel buitengewoon gevaarlijk, zou men zoo zeggen. In ’t geheel +niet! De dieren zouden ons, zelfs al wilden ze, geen kwaad kunnen doen. +Dan zijn ze zeker vastgebonden? Ook dat niet! Ze zijn vrij. Eenigen +liggen languit te slapen, anderen zitten voor zich uit te staren, en +droomen van Soedan; twee springen met lenige, katachtige bewegingen de +rotsen op en af; twee Oost-Afrikaansche leeuwen zonder manen nemen +elkaar met vijandige blikken op, terwijl een Zuid-Perzische leeuw op +het plateau op den voorgrond rusteloos heen en weer loopt. Ze +verwaardigen den toeschouwer met geen enkelen blik, daarvoor zijn die +koninklijke dieren veel te trotsch; ’t is alsof ze die menschen vóór +zich in ’t geheel niet zien, en toch zijn ze slechts één sprong +afstands van hen verwijderd. Maar deze sprong zou te groot zijn! Een +gracht tusschen hen en ons is acht meter breed, en zoo ver springt een +leeuw niet! Wanneer een van die dieren op ons af zou springen, dan zou +hij tegen een gladden muur terecht komen, die zich loodrecht uit de met +water gevulde gracht verheft, en van daaruit is geen andere uitweg dan +weer naar de kloof terug. + +Toen ik eens voor dat eigenaardige leeuwenhol stond, kwam een breed +geschouderde oppasser naar me toe en zei: „Wanneer u me tien stuivers +geeft, ga ik het leeuwenhol binnen!” + +„Best,” zei ik, „maar op je eigen verantwoording.” + +„Natuurlijk! Wacht u maar een oogenblik!” + +Dadelijk daarop ging er een kleine deur in de rots open, en met kalme, +zekere schreden naderde de oppasser de twaalf woestijnkoningen. Men kon +terstond zien dat hij ze volkomen in bedwang had. De Zuid-Perzische +leeuw stiet een dof gebrul uit, maar bleef heen en weer loopen. De +slapenden openden de oogen, spitsten de ooren en verhieven zich. De +oppasser sloeg een der dieren met een rijzweep, waarop het dier lenig +op een omgevallen boomstam in de kloof sprong. Een tweede leeuw sprong +geluidloos en sierlijk over de hem voorgehouden zweep. Toen ze hun +kunsten vertoond hadden, kreeg ieder een stuk vleesch, dat de oppasser +uit zijn zak te voorschijn haalde, toen greep hij een der grootste +dieren stevig bij de manen en schudde hem duchtig heen en weer; een +ander pakte hij bij de ooren, en hield zijn gezicht tegen den kop van +den leeuw aangedrukt. Deze hoefde slechts zijn muil open te sperren om +hem het hoofd van den romp af te scheiden; maar zooals de oppasser me +later verzekerde, bij al die gevaarlijke kunststukken klopte zijn hart +geen oogenblik sneller. Hij had de leeuwen volkomen aan zich +onderworpen; hij speelde met ze, alsof het jonge katten waren, en toch +waren er twee bij, die pas zes maanden geleden gevangen waren. Toen de +oppasser de kloof verliet, liep hij achteruit, bleef op het eind een +oogenblik staan, riep op bevelenden toon een commando, en sloeg met +zijn zweep op een rotsblok, om de dieren naar den anderen kant te +verdrijven, en verdween toen snel door de deur. Klaarblijkelijk kon hij +ze toch niet blindelings vertrouwen, onverwachts kon in deze gevangenen +het roofdier ontwaken! + +In de nabijheid der wilde dieren vergeet men niet alleen den tijd, maar +ook het begrip van plaats. Ik althans vertoefde daar met voorliefde. +Hun aanblik verplaatst me in de stilte der woestijn, in het zwijgen der +wouden, in de stormen der bergen, in de geheimzinnigheid van Indië’s +struikgewas. Ik denk aan karavanen en nachtelijk kampvuur, aan jachten +en gevaarvolle avonturen, en ik koester medelijden met de gevangenen, +ook al hebben ze ’t zoo goed als in Hagenbeck’s prachtig park in +Hamburg. + +Maar nu voert de trein ons met razende vaart door Hannover en +Westfalen, over den statigen Rijn, en door het Zuiden van Holland. +Rechts en links zooveel nijverheid, zooveel rustelooze arbeid! Hier +kampen de Hollanders met het water, dat hen steeds met overstroomingen +bedreigt. Slechts kort zijn de afstanden tusschen de nijvere +industrie-steden. Voorbij! Onverbiddelijk voert ons de trein +westwaarts, totdat we het eindpunt, Vlissingen bereiken. + +Hier wacht ons de stoomboot. Zoodra alle reizigers aan boord zijn, en +hun bagage, benevens eenige wagenladingen vrachtgoed in het ruim +geladen zijn, beginnen de raderen te werken en het schip verlaat de +haven en vaart het kanaal, tusschen het vasteland en Engeland in. Het +weer is prachtig, een zilte bries strijkt over het water, maar zonder +dat we last hebben van hooge golven. Nu en dan ontmoeten we een ander +stoomschip. Hongerige meeuwen vliegen in sierlijke kringen rondom ons. +Een voor anker liggend lichtschip laten we links achter ons liggen, en +aan denzelfden kant doemt na eenige uren de kust van het graafschap +Kent op. Engeland is in ’t zicht! + + + + + + + + +25. IN HET GEWOEL DER WERELDSTAD. + + +Ons schip vaart de breede, trechtervormige uitmonding der Theems +binnen, en landt in de haven van Queensborough. Hier nemen we weer +plaats in den spoortrein, die ons in korten tijd door een dichtbevolkte +landstreek naar het hartje van Londen brengt. Reeds op weg naar het +hotel, krijgt men een indruk van de woelige drukte van Engeland’s +hoofdstad, die tweemaal zoo groot is als Berlijn, en met haar bijna +vijf millioen inwoners het zevende deel der gezamenlijke bevolking van +Engeland en Wales herbergt. + +Welke keus zullen we nu doen uit deze onuitputtelijke zee van +bezienswaardigheden? Men verdrinkt in die menigte musea, +kunstverzamelingen, theaters en kerken! Er zijn dorpen, die slechts uit +één enkele straat bestaan. Wanneer men de 8000 straten die Londen telt, +aan elkaar zou kunnen voegen, dan zou die reuzenstraat zich door geheel +Europa, West-Azië, tot aan Samarkand in Turkestan uitstrekken! Maar, +gelukkig, zóó lang zijn de Londensche straten niet; ze vormen één groot +net, ze eindigen aan de Theems of in uitgestrekte parken en +wereldberoemde pleinen. En op al deze straten en pleinen wemelt en +krioelt het van voetgangers en voertuigen; maar het drukste verkeer +vindt men in Piccadilly, de drukste straat der wereld! + +Reeds na twee dagen komen we tot de overtuiging, dat onze zwakke +krachten het tegenover de onafzienbare menigte bezienswaardigheden van +Londen moeten afleggen, we willen ons dus willoos door het toeval laten +leiden. Wanneer men bezoeken moet afleggen bij vrienden en bekenden, +dan raadpleegt men eerst den plattegrond om op de snelste en +goedkoopste manier te komen waar men moet wezen, en men zorgt er voor +vooraf te informeeren, wanneer de familie thuis is om bezoek af te +wachten. + +Men kan hun geen grooter genoegen doen dan door juist op een ontvangdag +te komen, en het gewoel in de salons en om de theetafel te helpen +vergrooten. Want het staat deftig om zooveel mogelijk bezoek te +ontvangen. Maar, om bezoek te ontvangen moet de gastvrouw zich +beijveren om gedurende de overige dagen der week zelve bezoeken af te +leggen. Het gevolg hiervan is een rusteloos rondrijden in equipage of +automobiel; en nauwelijks tehuis gekomen, moet ze snel voor een diner +toilet maken. In Engeland is het warme jaargetijde gewijd aan het +maatschappelijk verkeer, hoewel ik persoonlijk in dit opzicht tusschen +winter en zomer volstrekt geen onderscheid opgemerkt heb. Want ook ’s +winters betoonen de Engelschen den vreemdeling dezelfde gastvrijheid. + +Wanneer men een indruk wil krijgen van het straatgewoel, dan moet men +bovenop een omnibus plaats nemen; van daar uit heeft men naar alle +kanten vrij uitzicht. Wij bestijgen dus een „bus” in Kensington, de +wijk waarin ons hotel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van twee der +rijkste musea van Londen voor kunsten en wetenschappen. Eerst gaat ’t +langs het prachtige Hydepark, een heerlijke oase temidden van de +huizenwoestijn. Het park wordt doorsneden door breede, schaduwrijke +wegen; hier praalt de voorname wereld met schitterende equipages, +kostbare toiletten en rijk uitgedoste livreien. Wanneer men ’s zomers +zucht van de hitte, dan vindt men hier een verkwikkende koelte; zwarte +zwanen zwemmen statig rond in den langwerpigen vijver, waarin ieder mag +baden, zonder dat hij daarvoor een cent hoeft te betalen. Maar de +prachtige gazons zien er uit alsof er zoo juist een groote +volksbijeenkomst is gehouden; hier rusten de dakloozen, want overdag +mogen ze in de openbare parken gaan liggen en slapen, maar des nachts +worden ze er door de politie verdreven! + +Langzaam beweegt zich nu onze omnibus door het gewoel van Piccadilly. +Zooeven hadden we nog het Hydepark links, en reeds spreidt het St. +James-park zijn boomenpracht rechts van ons ten toon. Links van ons +hebben we Londen’s grauwe, eindelooze huizenzee. Maar spoedig zijn we +het park voorbij, en nu hebben we aan weerszijden de huizen van +Piccadilly. Men houdt bij het rijden links, daardoor ontstaat een +dubbele stroom van voertuigen in de tamelijk smalle straat. Vanaf het +imperiaal van den omnibus heeft men een uitstekend uitzicht op dien +gestadig voortbruisenden verkeersstroom. + +Voor en achter ons, zoover de blik reikt, ziet men de honderden van +voertuigen als eindelooze, naast elkaar rijdende treinen, een bonte +aaneenschakeling van passagiers- en goederenwagens. De omnibussen +alleen zijn honderden in getal, groote, zware, roodgeverfde monsters, +deels door motoren, deels door paarden voortbewogen; aan de zijkanten +altoos met reclameborden bedekt. Op het imperiaal zitten de heeren met +hun hooge hoeden, onder het rooken van een pijp, hun courant te lezen, +terwijl de dames onder haar groote hoeden schuil gaan. Van het +plaveisel is nauwelijks iets te zien. Want tusschen de omnibussen +verdringen zich nog automobielen, vierwielige huurrijtuigen, +reclamewagens, hooge tweewielige hansoms en vrachtwagens, en +daartusschen weer kleine karren beladen met bananen en sinaasappels. +Hier en daar dringt zich ook nog een wielrijder tusschen het +levensgevaarlijke gewoel. De andere helft der straat biedt hetzelfde +schouwspel. Slechts beweegt zich hier de stroom in tegenovergestelde +richting. Onafgebroken klinkt het getoeter der automobielen en het +knallen der zweepen: al die geluiden der wereldstad, vermengd met het +paardengetrappel, het menschengedruisch, het roepen der +courantenventers, enz. smelt samen tot een zoemend gebrom, dat ons +onophoudelijk in de ooren klinkt. + +Van tijd tot tijd ziet men kleine jongens, die snel den paardenmest +opvegen en wegdragen. Vlug en handig wippen ze door het ergste gedrang +heen; en ’t mag wel een wonder heeten, dat ze het er altijd heelhuids +afbrengen! + +Langzaam, langzaam gaat ’t verder. Ineens staat de geheele stoet stil; +een politieagent heeft zijn hand in de hoogte gestoken; wee den +koetsier of chauffeur die bij dit teeken niet onmiddellijk zou +stilhouden! De politieagent en zijn kameraad, aan den anderen kant van +de straat, hebben het verkeer een oogenblik stop gezet om een rij +voertuigen uit een dwarsstraat gelegenheid te geven Piccadilly over te +steken; ze rijden ons nu voorbij, maar over eenige minuten brengen +andere agenten het verkeer in de zijstraat tot stilstand en wij kunnen +onzen weg weer vervolgen, totdat we aan een ander kruispunt weer moeten +wachten. Men heeft zoodoende bij een rit door Londen’s straten heel wat +geduld noodig, want van snel vooruit komen, kan bij al die drukte, geen +sprake wezen. + +Eindelijk eindigt Piccadilly in een klein rond plein, waarop van alle +kanten straten uitkomen. Hier is het gewemel van voertuigen en +voetgangers werkelijk angstwekkend! De onvermoeide politie leidt echter +rustig het verkeer, en wordt ook gewillig gehoorzaamd. De politie van +Londen is de vriend en beschermer van het publiek, zoo komt het, dat er +overal voorbeeldige orde heerscht. + +Nu buigt onze omnibus naar rechts af, en brengt ons door een korte, +maar belangrijke straat naar Trafalgar-Square, een der mooiste en +levendigste pleinen van Londen. In het midden verheft zich een 44 meter +hooge zuil, bekroond door het standbeeld van den zeeheld Nelson. Het +plein ontleent zijn naam aan het voorgebergte Trafalgar in Spanje, aan +de kust van den Atlantischen Oceaan, in de buurt van Gibraltar. Daar +behaalde Nelson in 1805 de overwinning op de vloot van Napoleon, en +verijdelde zoodoende het plan van den keizer, om met zijn troepen een +inval in Engeland te doen. Nelson zelf vond in dezen bloedigen slag den +dood. Op de zuil staan zijn beroemde woorden gebeiteld: „Engeland +verwacht dat elkeen zijn plicht zal doen!” + +De omnibus rolt dreunend verder oostwaarts door eindelooze straten met +winkels en kantoren. Beneden ons krioelt het als in een mierenhoop. +Iedereen heeft haast. Men spoedt zich naar het station, naar kantoor, +winkel, of bank zonder zijn aandacht te schenken aan die oude huizen, +gevels of fonteinen die de herinnering wakker roepen aan lang vervlogen +tijden. „Zaken” dat is het wachtwoord in de City, de „hoofdstad van +Londen.” Hier vloeit het geld in zilveren en gouden stroomen, hier is +het brandpunt van wereld- en kolonialen handel, hier liggen naast +ontelbare bankgebouwen de paleizen der stedelijke beambten, de oude +gilde-huizen, de redactiebureaus der couranten. Hier verheft zich ook +de prachtige, en op twee na de grootste kerk der christenheid, de St. +Pauls-kathedraal, die zoo omringd is door de zee van grauwe, donkere +huizenmassa’s dat het uiterlijk nauwelijks eenigen indruk maakt; van +binnen is de kerk evenwel overweldigend en plechtig. + +Een eind verderop ligt de Bank van Engeland, met zijn meer dan 1000 +beambten, en zijn geldvoorraad van minstens 240 millioen gulden aan +goud en zilver. Daar het gebouw geheel zonder vensters is, ziet het er +uit als een geweldige vesting; en met dien schat, dien het bergt, is ’t +dan ook inderdaad het sterkste bolwerk van Engeland’s welvaart en +onafhankelijkheid. + + + + + + + + +26. DE THEEMS. + + +Weer rijden we langs het dek van Hydepark, maar ditmaal slaat onze +automobiel bij Piccadilly rechtsaf, voert ons langs het +Buckingham-paleis, waar de koning verblijf houdt; en laat vervolgens +een rij groote gebouwen, waarin de ministeries gevestigd zijn, links +liggen. Rechts verheft zich de beroemde Westminster-Abdij, waar +Engeland’s koningen gekroond worden en waar de grootste mannen en +helden van Brittannië in hun graven sluimeren. Naast de Kathedraal +verheft zich het reusachtige parlementsgebouw, in welks prachtige zalen +het Engelsche Hooger- en Lagerhuis zitting houden en waar over het wel +en wee van het Britsche rijk beraadslaagd wordt. + +Met zijn languitgestrekten gevel en zijn torens weerspiegelt zich het +Parlementsgebouw in het water van de Theems, evenals het vlak +daartegenover liggend St. Thomas-hospitaal. De verbinding tusschen de +beide oevers wordt gevormd door de Westminsterbrug. Hier begeven we ons +op een rivierbootje, waarmee we stroomafwaarts, en tóch tegen den +stroom opvaren! Want het is bijna twaalf uur en de vloed komt van uit +zee opzetten. Ontelbare vrachtschepen maken daarvan gebruik, om +zoodoende gemakkelijk van uit zee Londen te bereiken. + +We varen onder een spoorbrug door. Links op de kade verheft zich de +„Naald van Cleopatra,” een Egyptische obelisk: en iets verder +stroomafwaarts zien we de steenen muren van eenige reuzen-hotels. +Achter de Waterloo-brug wordt de hooge, heerlijke koepel der St. +Pauls-kathedraal zichtbaar. Blackfriars-brug, de brug der „Zwarte +broeders” en een spoorbrug liggen zóó dicht naast elkaar, dat de +afstand tusschen die beide nauwelijks twintig meter bedraagt. De +rechteroever wordt ingenomen door fabrieken en eenvoudige woonhuizen. + +Nu gaan we onder drie bruggen door, die eveneens vlak naast elkaar +liggen. De derde heet „London Bridge”, en is een der hoofdaderen van +het verkeer. Voortdurend wordt het oog door iets nieuws geboeid. Ginds +ligt de „Tower” een der beroemdste overblijfselen uit vroegere eeuwen, +een overoude vesting en staatsgevangenis, een gebouw, welks +geschiedenis ten nauwste met die van Engeland verbonden is. In den +„Tower” worden tegenwoordig, behalve andere kostbaarheden, de +kroonjuweelen en de uiterlijke kenteekenen der koninklijke macht +bewaard, ter waarde van ongeveer zestig millioen gulden. + +Op twee, midden in den stroom gebouwde torens, rust de „Tower-brug”. +Het middelste gedeelte bestaat uit twee boven elkaar liggende bruggen, +zoodat ook schepen met hooge masten er onder door kunnen varen, terwijl +voor de voetgangers in de beide torens liften zijn aangebracht waarmede +zij op de bovenste brug worden gebracht en niet behoeven te wachten. De +grootste stoomschepen varen evenwel niet zoo ver stroomopwaarts. De +schepen met bestemming voor Amerika verlaten Engeland van uit +Liverpool, Southampton en Bristol, terwijl de Australische, die we in +Bombay en Colombo zagen, veel dichter bij de Theemsmonding ankeren. + +Wanneer we de Towerbrug voorbij zijn, bieden de oevers weinig +belangrijks meer. Dokken, fabrieken, stapelplaatsen, werven, kranen, +nemen de plaats in van beroemde gebouwen. Aan weerszijden liggen +tallooze kleine stoombootjes, zeilschepen en roeibooten. We komen +machtige stoomschepen uit alle werelddeelen tegen. Nu varen we juist +over een tunnel heen, die onder den stroom door gegraven is. Rechts +ligt de Electrische Centrale, vanwaar uit alle electrische trams van +Londen hun beweegkracht ontvangen, een reuzen-installatie, want de +trams doorsnijden Londen in alle richtingen. + +Eindelijk bereiken we Greenwich, met de wereldberoemde sterrenwacht, +wier meridiaan in nagenoeg alle landen als „nulmeridiaan” aangenomen +is. Op de meeste land- en zeekaarten wordt de ooster- en westerlengte +van deze meridiaan uit berekend. + +We bevinden ons thans op den rechteroever van de Theems. Om op den +linkeroever te komen, gaan we met een omnibus door de Blackwell-tunnel +onder de rivier door. Deze tunnel is gebouwd van cement, en lijkt op +een buis met twee trottoirs en een rijweg in ’t midden. De lengte +bedraagt twee kilometer, de echo wordt dreunend door de wanden +weerkaatst: boven ons hoofd doorploegen de schepen de rivier. + +Tenslotte zoeken we, om weer in ons hotel terug te komen, een der +ondergrondsche spoorwegen op, die in alle richtingen Londen +doorkruisen, evenals de gangen van reusachtige mollen. In doorsnede +bevinden ze zich op een diepte van twintig meter, sommigen zelfs van +vijftig meter. Men kan daarmee goedkoop en snel van het eene eind van +de stad naar het andere komen, maar men mist natuurlijk het +belangwekkende schouwspel, dat het bonte gewoel daarboven in het +daglicht oplevert. + + + + + + + + +27. TWEE DAGEN IN HET BRITSCH MUSEUM. + + +Men kan twee dagen in het Britsch Museum, wel het grootste der wereld, +doorgebracht hebben, zonder nog zelfs een oppervlakkig overzicht te +hebben van de schatten die het bevat! Onder sfinxen en granieten +beelden die 6000 jaar oud zijn, wordt men verplaatst in het grijze +verleden. Hier staat een doodkist waarin voor 5500 jaar een Egyptische +koning ter ruste gelegd werd; hij was de stichter van tal van prachtige +graven bij Caïro; en in de Ninivé-zaal staan we vol bewondering voor +oude oorkonden en brieven die in spijkerschrift op leemen tabletten +gegrift zijn. + +Uit de dagen van Sanherig en Sardanapalus, 700 en 600 v. Chr., stamt +het Babylonisch-Assyrische verhaal van Schepping en Zondvloed, dat +zooveel overeenkomst vertoont met de bijbelsche voorstelling. De goden, +zoo heet het, besloten een vloed over de aarde te zenden, waarin alles +zou verdrinken. Slechts aan Sit-Napistim, den Babylonischen Noach, werd +bevolen een schip te bouwen dat voor hem, zijn familie en zijn +huisdieren zou dienen als een veilige wijkplaats. Toen steeg de vloed, +en bedekte de gansche aarde, en toen het schip, nadat het water weer +gevallen was, op den berg Nizir landde, werden op den zevenden dag een +duif, een zwaluw en een raaf losgelaten om op verkenning uit te +gaan.—Deze sage is tot ons gekomen door de bibliotheek te Ninivé, die +door Sardanapalus werd uitgebreid. + +Welk een gevoel van eerbied vervult ons, wanneer we staan voor het +beeld van Ramses II. Hij was de Pharao die de kinderen Israëls +onderdrukte! Wanneer we dan de Romeinsche zalen betreden, en we het oog +vestigen op de buste van Caesar, dan hebben we het gevoel, weer op +historischen bodem te staan, en wanneer we dan in de bibliotheek van +George III (King’s Library) een bijbel uit het jaar 1455 aanschouwen, +de eerste die uit Gutenberg’s eigen drukkerij te Mainz kwam, dan meenen +we al zeer nabij den tegenwoordigen tijd te zijn. + +De handschriftenverzameling van het Britsch Museum omvat een menigte +gedenkwaardige brieven uit de geschiedenis van Engeland. Zoo kunnen we +hier het eigenhandig, door Nelson geschreven, plan voor den zeeslag van +Trafalgar lezen, alsook de laatste bladzijden uit het dagboek van +Gordon, den held van Karthoem, met wien we nog nader zullen +kennismaken. + +De bibliotheek van het Britsch Museum omvat twee-en-een-half millioen +banden die, naast elkaar gezet, een rij van zeventig kilometer lengte +zouden vormen. En onze bewondering voor deze menigte van boeken stijgt +nog wanneer we denken aan de scherpzinnigheid der navorschers, die er +in geslaagd zijn om uit al deze gegevens schatten van wijsheid te +putten, aangaande de geschiedenis van volkeren, die reeds tal van +eeuwen tot het verleden behooren. + +Niet minder dan deze verzamelplaats van historische herinneringen trof +mij de levende getuige van een grijs verleden, die tot aan zijn dood op +een buitenplaats buiten Londen woonde, en dien ik eens bezocht, in +gezelschap van den overste Younghusband, die jaren geleden de +Engelsch-Indische expeditie naar Lhassa in Thibet leidde. Toen we +aanbelden, kwam de statige grijsaard zelf om ons te ontvangen. Hij was +toendertijd vijf-en-negentig jaar oud en heette Sir Joseph Hooker. +Eertijds directeur van den grooten Londenschen plantentuin, zat hij nog +op het eind van zijn leven over zijn microscoop gebogen, en schreef +geleerde verhandelingen over het leven der planten! Reeds twintig jaren +voor mijn geboorte was hij tot aan de grenzen van Thibet doorgedrongen, +en ook van zijn reis naar de Zuidelijke IJszee vertelde hij met groote +levendigheid! Hij was in 1839 scheepsdokter bij de Zuidpool expeditie +van James Rosz. Twee-en-zeventig jaren waren er sedert voorbij gegaan, +en men kan zich nauwelijks voorstellen, dat er nog persoonlijke +herinneringen bewaard konden blijven uit een tijd, die zoo ver in ’t +verleden lag. + +„Is ’t mogelijk, dat u zich alles nog kunt herinneren, wat op dien +tocht voorviel?” vroeg ik. + +„Zeker,” antwoordde Hooker, „ik kan me dien tocht beter voor den geest +terugbrengen, dan de gebeurtenissen van het vorige jaar.” + +En toen beschreef hij ons hoe de ligging van het ijs was, en hoe hij en +zijn tochtgenooten aan boord leefden. Ook sprak hij met warmte over +dien grooten baanbreker der nieuwere natuurwetenschap, zijn vriend +Charles Darwin. + + + + + + + + +28. IN LONDEN’S ARMENWIJK. + + +Wat is het leven toch rijk aan scherpe tegenstellingen en aan ten hemel +schreiend onrecht! Op een afstand van ternauwernood een half uur van al +de pracht en praal, die bij de laatste kroning in Juni 1910 in de +Westminster Abdij tentoongespreid werd, ligt de armenwijk in het +Eastland en in het zuidoostelijk deel van Londen. Begeven we ons thans +daarheen. + +We hebben onze allereenvoudigste plunje aangetrokken en worden begeleid +door een vriendelijken missionaris, want het is in deze straten, waar +moorden niet tot de zeldzaamheden behooren, en waar nog heden +vreemdelingen spoorloos verdwijnen, volstrekt onveilig. Het is raadzaam +om horloge en ketting maar liever thuis te laten, en ’t is dames niet +aan te bevelen om hier haar handtaschje met geld met zich mede te +dragen! + +Hoevele boeken zou men niet kunnen vol schrijven over de ontzettende +armoede van Londen! Een armoede die het hart breekt en die schande +roept over de grootste en rijkste stad der wereld. Tot zulk een ellende +als in Londen, vervallen de armen in geen enkel land op aarde, zelfs +niet in Azië! Hun leven is een onafgebroken worsteling met de meest +kwellende zorgen en het meest nijpende gebrek; met ziekte, vervuiling, +gedierte en misdaad. + +Daar woont een moeder met acht kinderen in een enkel kamertje, waarvoor +ze nauwelijks de huur kan betalen. Hoe moet ze den honger van haar +kinderen stillen, wanneer haar man het grootste gedeelte van zijn +verdiensten als dokwerker verdrinkt? Jammerlijk slepen de kinderen hun +ellendig bestaan voort, en wanneer er een sterft, blijft het liggen, +totdat het noodige geld voor een begrafenis bijeengebracht is. +Overleven ze de kinderjaren, dan groeien ze op tot straatslijpers en +vagebonden, die voor niets anders deugen dan voor bedelaars. + +Roerend, en tegelijk ergerlijk is de aanblik dier kleinen, zoo als ze, +in lompen gehuld, in de nauwe, stinkende sloppen te midden van allerlei +afval, stoeien en spelen. Dat is hun zomervermaak, en van de vrije +natuur hebben ze niet eens een voorstelling! Ze zijn aan deze straten +in het Eastland gehecht, en zouden niet eens van woonplaats willen +wisselen! ’t Is nu immers zomer, en dan heeft men ’t tenminste op +straat niet koud! + +Onze leidsman brengt ons naar een wijk waar de stegen zoo nauw zijn, +dat twee personen elkaar nauwelijks kunnen passeeren. Hier heeft de +missionaris veel goeds verricht. De zending heeft hier een eigen +vergaderlokaal, kerk en club, en ’t is weldadig om te zien hoe graag de +arme kinderen hier heen gaan. Een ruim gymnastieklokaal en een kleine +bibliotheek staan hun ter beschikking, en zelfs hebben ze een +padvindersclub georganiseerd die achttien leden telt. Op het dak van +een huis hebben ze een ruim terrein voor voetbal en andere spelen. + +Zulk een zending, een zoogenaamd „Settlement” of kolonie vindt men in +de armste wijken van het Eastland. Barmhartige Samaritanen, uit de +welgestelde klassen van Londen, offeren een deel van hun tijd op om +hier met de armen om te gaan en hun met raad en daad bij te staan. + +Ze zijn in zekeren zin het zout dat het bederf tegen gaat. Ze redden +velen van het verderf en vormen hen tot fatsoenlijke burgers. Hoe groot +is echter het getal van hen, die in dien poel van jammer en misdaad +reddeloos ten onder gaan! + +Nu voert onze leidsman ons in een arbeiderswoning, die niet eens tot de +slechtste behoort; men gaat vanuit de straat twee treden af in een +ellendig klein kelderhol. De enkele meubels zien er zoo vervallen uit, +dat het schijnt, alsof ze zich nog slechts met moeite staande houden. +Aan een ronde tafel in ’t midden zit baas Higgins, met zijn moeder en +zijn vrouw voor een karig middageten; het vertrek is klein en bedompt, +en geen frissche lucht komt van de straat uit naar binnen. Hoe zal ’t +hier dan ’s winters wel wezen, wanneer de beruchte Londensche mist zoo +dik is, dat ’s middags een stikdonkere duisternis heerscht en op de +rijk verlichte breede straten de electrische lampen aan de overzijde +nauwelijks te zien zijn! + +Maar baas Higgins is tenminste nog een goede kerel. Hij is juist +thuisgekomen van zijn werk: het bouwen van een brug, en hij heeft ’t +nog zóó warm, dat de hitte van zijn lichaam afslaat als hij te midden +der zijnen in zijn hemdsmouwen aan tafel zit. Hij heeft reeds volwassen +zoons, die zelf verdienen en hij vertelt ons wat hij wekelijks +verdient, en wat hij noodig heeft voor huur en levensmiddelen. + +Reeds bij de oudste staatsregeling heeft elke Engelschman het recht +„niet te verhongeren” en een uitstekende Armenzorg van staats- en +gemeentewege was het gevolg. Maar, nog ontbreekt het hier aan wetten, +die inplaats van de armoede te lenigen, die weten te voorkomen. + +Tijdens een bezoek aan Londen was ik op zekeren avond als gast bij een +feestmaal van het gilde der zijdehandelaars. Dit gilde is een der +oudste van Londen en bestaat reeds acht eeuwen; hoewel tegenwoordig +geen der leden meer zijdehandelaar is. Lid kan evenwel lang niet +iedereen worden, het is een eer die van vader op zoon overgedragen +wordt. Door giften en legaten beschikt het gilde over ontzaglijke +sommen, waarvan de rente in zijn geheel voor liefdadige doeleinden +gebruikt wordt. Het gildehuis in Londen is een heel oud gebouw, van +middeleeuwsche pracht; men vindt hier de prachtigste bekers, kannen en +schotels, die alle eeuwen oud zijn. Wel twee duizend huizen in Londen +zijn het eigendom van het gilde en tal van scholen worden geheel door +het gilde bekostigd; ook worden alle ziekenhuizen uit de kas met ruime +giften gesteund. + +Toen ik later met een kennis langs de Theems naar huis ging, waren de +banken dicht bezet met tal van kerels in lompen en nachtelijke +zwervers. De meeste zaten in elkaar gebogen, de handen in de zakken en +het hoofd op de borst gezonken. Enkelen zaten met elkaar te praten, +terwijl ze hun pijp rookten. Een oude man had een plaats gevonden dicht +bij een lantaarnpaal, en las de courant. + +„Wat zijn dat voor menschen?” + +„De dakloozen,” antwoordde mijn geleider. + +„Slapen ze hier den geheelen nacht?” + +„Neen, ze wachten tot twee uur, dan deelt het Leger des Heils daarginds +onder de brug warme soep en brood uit.” + +„En na het eten?” + +„Dan zitten ze weer in doffe onverschilligheid op de banken, of ze +zwerven door de stad heen om te bedelen of te stelen. ’s Morgens zien +ze weer op de een of andere manier aan een gratis maal te komen.” + +„Wat doen ze dan overdag?” + +„Dan liggen ze in de parken te slapen; ’s nachts worden ze daar door de +politie niet geduld.” + +„Maar waarom werken ze dan niet?” + +„Ze willen niet! Van al deze kerels hier kon ieder gemakkelijk zijn +dertig stuivers per dag verdienen, een slaapgelegenheid bekostigen, en +onafhankelijk leven, maar ze willen niet. Probeer ’t: verschaf hun +werk, biedt hun dertig stuivers dagloon aan! Niet een enkele zou van uw +aanbod gebruik maken! Ze willen veel liever bedelen, in de parken +slapen en de gemeente tot last zijn.” + +„Is hun aantal groot?” + +„Veertig duizend—maar, laat ons dat niet vergeten, onder de +aanzienlijken en onder den adel zijn minstens evenveel dagdieven en +deugnieten te vinden! Van hen heeft men het recht te verwachten, dat ze +zich voor hun land nuttig maken. Hij, die des nachts moet rondzwerven, +is wel meer te beklagen dan te veroordeelen.” + + + + + + + + +29. VAN LONDEN NAAR PARIJS. + + +Vaak ben ik van Londen naar Parijs gereisd. De tocht duurt slechts +enkele uren. Een trein brengt ons vlug naar Dover, en dan, waar ’t +kanaal het smalst is, steken we met de stoomboot naar Calais over. Dan +gaat ’t weer verder per spoor door noordwest Frankrijk. + +Het is me altijd een genot de Fransche taal te hooren, die als muziek +in de ooren klinkt. Graag zie ik dit levendige, opgewekte menschenras +dat ieder woord vergezeld doet gaan van gebaren, schouderophalen en het +wisselen der gelaatsuitdrukking. Op weg naar Parijs heb ik het gevoel +alsof ik me naar een feest begeef. Reeds de naam Parijs bevat een +onuitputtelijken voorraad van levensvreugde en zorgeloosheid, van trots +en vaderlandsliefde, vrijheid, dapperheid en roem. + +Welk een onderscheid tusschen Londen en Parijs! De steden liggen +bijkans vlak bij elkaar, en toch is ’t alsof ze door een geheele wereld +van elkaar gescheiden zijn. Reeds in de namen ligt het verschil. +„Londen”, hoe zwaarwichtig, dof en ouderwetsch klinkt dat! Zooals het +brommen van een torenklok, in nauwe straten weerklinkend tusschen +grauwe huizen. Het klinkt als het stampen van zware stoommachines, als +het dreunen van voetstappen van een in koortsachtige haast zich +voortspoedende menigte, het maakt een indruk als iets reusachtigs, maar +tevens als iets eentonigs, dat krachtig en overweldigend verborgen ligt +onder roet en stoomwolken, als iets alledaagsch en prozaïsch dat zich +slechts bij een kroning of bij de begrafenis van een vorst tot +feestelijken luister ontplooit. + +Maar Parijs! Klinkt dat niet als een zegelied, als een fanfare, +opstijgend te midden eener jubelende menigte? Het klinkt als het luiden +van zilveren klokjes te midden van witte paleizen. Het roept en lokt +den vreemdeling naar de vroolijkste aller steden; het toont hem +theaters waar de kunst als een godsdienst wordt beleden, het herinnert +hem aan de fijnste beschaving, het tintelendste vernuft en de diepste +wijsheid, die ooit een stad heeft tentoongespreid. De naam Parijs roept +de herinnering te voorschijn aan roemrijke oorlogen, schitterende +triomftochten; maar ook aan belegeringen, bestormingen en bloedige +omwentelingen, aan onuitputtelijke kracht en rijkdom, zelfopoffering en +geestdrift, wanneer het ging om de verdediging van het vaderland. Nog +steeds schijnt de zon over Parijs te stralen, ook op sombere dagen +viert er de levensvreugde hoogtij. En zoo is Parijs eeuwig jong, hoewel +het reeds ten tijde van Ceasar een stad van beteekenis was. + +Het moge zoo zijn dat Londen in zekeren zin het middelpunt der aarde +is; het moge zijn dat de Engelsche taal heerscht op de zeeën en in de +havens; maar toch was steeds Parijs de hoofdstad der wereld, en was het +Fransch de wereldtaal, en nog heden is ’t de taal der diplomatie. Naar +Parijs trekken de kunstenaars, beeldhouwers en schilders om zich te +vormen; in Parijs hebben kunsten en wetenschappen een buitengewone +hoogte bereikt; na Bologne bezit Parijs de oudste academie ter wereld. +Op het punt van verfijnden smaak en weelde, ook in de kunst zijn de +Franschen ongeëvenaard, en wat kleeding, kookkunst en wijnkelder +betreft, daarin schreven zij de andere volken de wetten voor! + +Vanaf Calais reist men zuidwaarts door een der vruchtbaarste streken +van Frankrijk. Steden en dorpen, akkers en boomgaarden en gehuchten +volgen elkaar op in bonte afwisseling. Als een geweldige zeshoek ligt +Frankrijk tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee; +ver in het Westen strekt zich het eeuwenoude Normandië uit, het land +dat herinnert aan de strooptochten der Noormannen en de veroveringen op +de kusten van Europa der Vikingers in overoude tijden; zelfs bedreigden +ze Parijs, maar de stad werd voor een losprijs voor verwoesting +bewaard. + +Vier eeuwen lang beheerschten de Romeinen Frankrijk, totdat de West +Gothen, de Bourgondiërs en de Franken het land veroverden. Onder de +Bourbons werd het de kweekplaats der vreeselijke revolutie, die de +maatschappij met al haar misstanden omver wierp, en die den grondslag +legde voor een nieuwen tijd; van hieruit verspreidde zich over de +geheele beschaafde wereld het streven naar „Vrijheid, Gelijkheid, +Broederschap”. Voorwaar, we betreden hier een belangwekkenden +historischen bodem. + + + + + + + + +30. EEN WANDELING DOOR DE SEINESTAD. + + +We bevinden ons nu in de wereldstad waar de Seine een wijden boog +beschrijft, om verder noordwestwaarts langs Rouaan te stroomen en bij +Le Havre in de zee uit te monden. Het eerste wat ons opvalt zijn de +boulevards, prachtige straten, met schaduwrijke boomen beplant, met aan +weerszijden groote paleizen, theaters, café’s en winkels. De naam +boulevard beteekent bolwerk, en de oudste boulevards waren dan ook +niets anders dan vestingwallen. Lodewijk de XIII liet in de 17e eeuw +ter verfraaiïng en uitbreiding der hoofdstad, deze bolwerken slechten, +en in de plaats daarvan de eerste moderne boulevards aanleggen. Zij +vormen noordelijk van de Seine een doorloopende reeks met verschillende +namen: Boulevard de la Madeleine, des Capucines, des Italiens en +Montmartre, en deze boulevards vormen een der hoofdaderen van Parijs. +Hier bevindt men zich temidden van het gewemel van automobielen, +omnibussen, huurrijtuigen, equipages en een onophoudelijken +menschenstroom. + +Later werden ook daar, waar oorspronkelijk geen vestingwallen waren, +boulevards aangelegd; onder Lodewijk XIV en diens opvolgers nam Parijs +aan grootte en luister toe, en ten tijde van Napoleon I was het ’t hart +van het machtigste rijk ter wereld. Na den val van Napoleon werd het +tweemaal door Frankrijk’s vijanden veroverd. Napoleon III verfraaide en +verbeterde de stad, als nooit te voren geschied was. In 1871 namen de +Duitschers Parijs in, en in hetzelfde jaar werd het door de oproerige +benden der Commune bezet. Het gepeupel verwoestte tal van prachtige +paleizen, musea en gedenkteekenen. Ook de reusachtige Vendôme-zuil, een +herinnering aan Napoleon’s overwinningen werd bij deze gelegenheid +omvergehaald. + +Sedert dien tijd is Parijs voor verwoestingen gespaard gebleven. Maar +nog steeds gaat het levendig toe in die stad, waar koningen, keizers en +presidenten elkaar afwisselen en waar ministers nooit langen tijd +achtereen hun post behouden. Nog heden is Parijs de stad der +verrassingen, en dagelijks volgt de geheele wereld met gespannen +aandacht de nieuwtjes die van daaruit bericht worden. + +We moeten ons met een snelle wandeling door Parijs tevreden stellen. We +kiezen daarvoor den noordelijken oever der Seine en doorkruisen de stad +van het zuidoosten naar het noordwesten. We beginnen onze wandeling +waar eertijds de Bastille, tegelijk vesting en staatsgevangenis, stond. +Deze werd bij het begin der groote revolutie den 14den Juli 1789 +bestormd en verwoest en sedert is die dag de nationale feestdag der +Franschen gebleven. Tegenwoordig verheft zich in het midden van het +plein de Juli-kolom, opgericht ter eere van hen die in de +Juli-revolutie van 1830 op de barricade gevallen zijn. + +Van hieruit volgen we de Rue de Rivoli, een der grootste en mooiste +straten van Parijs. Links is het stadhuis, een grootsch bouwwerk in +renaissance-stijl, in welks prachtige zalen schitterende feesten +gehouden worden. Het bevat vele schilderstukken van beroemde meesters. + +Iets verder verheft zich het grootste openbare gebouw van de stad, het +Louvre, van de middeleeuwen af, tot aan de dagen van Napoleon III, de +residentie van Frankrijk’s koningen en keizers, het schitterendste +paleis der wereld; tegenwoordig bevat het twee groote ministeriën en +een der grootste musea. Om alles wat het bevat nauwkeurig te bezien, +heeft men, evenals in het Britsch museum, dagen en weken noodig, zoo +niet maanden en jaren! Kolossale verzamelingen zijn hier opgehoopt, +niet slechts herinneringen aan de groote rijken der oudheid, van Azië +en Europa, maar ook het beste en kostbaarste wat Europa door alle +tijden heen aan kunst heeft opgeleverd. + +In noordwestelijke richting gaan we door het park der Tuilerieën, en +vertoeven een oogenblik op de Place de la Concorde, om te genieten van +het prachtige uitzicht dat men hier naar alle kanten heeft, de rivier +met haar kaden en bruggen, de parken en lanen, de machtige gebouwen, +wonderen van bouwkunst, de talrijke pleinen en de onafgebroken stroom +van levenslustige mannen en elegante vrouwen, die naar de laatste mode +gekleed zijn. + +In dit deel van Parijs vormen de pleinen, plantsoenen en parken een +onafgebroken reeks. + +Van de Place de la Concorde komen we thans in de Champs Elysées, een +twee kilometer lange allée. Op de breede paden verzamelt zich de +voorname wereld in schitterende equipages en prachtige automobielen, te +paard of te voet. Des avonds zijn al deze pleinen, straten en parken +schitterend electrisch verlicht, zoodat ook dan het oog overal door +prachtige vergezichten geboeid wordt. Aan de noordzijde der Champs +Elysées woont in het Elysée-paleis de president der republiek. Den +14den Juli ontvangt hij ieder, die in het bezit is van een +visitekaartje en een rok. + +Wanneer we de breede straten in noordwestelijke richting vervolgen, +komen we aan de Place de l’Etoile, waarop twaalf avenue’s of groote +straten uitkomen. Een daarvan, het vervolg der Champs Elysées is +genoemd naar het leger van Napoleon, en voert naar het Bois de +Boulogne. In het midden van de Place de l’Etoile verheft zich een +vijftig meter hooge triomfboog, opgericht ter herinnering aan de +overwinningen van den Corsicaan. Vanaf dezen triomfboog overziet men de +twaalf straten die aan den voet samenkomen; vanaf die hoogte lijkt het +gewoel daar beneden op het gekrioel in een mierenhoop. + +We begeven ons thans naar de Pont d’Iéna waar tegenover, op den anderen +oever der Seine de Eiffeltoren zich driehonderd meter boven Parijs +verheft. De Eiffeltoren is het hoogste bouwwerk dat ooit door +menschenhanden werd opgericht; met zijn driehonderd meter is deze toren +ongeveer tweemaal zoo hoog als de dom te Keulen en als de hoogste +pyramide van Egypte. Op het tweede platform zijn we al meer dan honderd +meter boven de stad; maar de heuvels rondom Parijs beletten nog het +vrije uitzicht. Wanneer de lift ons echter op het derde platform +gebracht heeft, bevinden we ons op een hoogte van 276 meter boven den +grond, en in de diepte zien we de Seine met haar talrijke bruggen en we +overzien de stad met haar tallooze straten en haar 140 pleinen en +parken. Langs een trap komen we nog tot heel boven in den toren, en in +de spits straalt des nachts een licht dat zeventig kilometer ver +zichtbaar is. Alleen zij, die geen last hebben van duizeligheid kunnen +het wagen om over de borstwering naar beneden te zien, naar de pijlers +van het ijzeren gevaarte; en vooral niet wanneer het hard waait en de +groote toren merkbaar heen en weer schommelt. Men behoeft niet in een +luchtballon op te stijgen om Parijs in vogelvlucht te zien; vanaf den +Eiffeltoren ziet men de geheele stad als een uitgerolde kaart aan zijn +voeten liggen. + + + + + + + + +31. HET GRAF VAN NAPOLEON. + + +Van de duizelingwekkende hoogte van den Eiffeltoren zijn we gelukkig +weer beneden aangeland, en we begeven ons over het Marsveld naar het +Invalidenhuis. Vroeger bewoond door duizenden invaliden van het +Fransche leger, herbergt het thans slechts historische herinneringen. + +Onder den vergulden koepel der Dôme des Invalides, die bijna vanaf elk +punt der stad zichtbaar is, komen we in een ronde zaal; waarvan het +midden bestaat uit een crypta. Deze is eveneens rond, heeft een diepte +van eenige meters en is naar boven toe open. Op den bodem leest men in +mozaïek de beroemde namen: Rivoli, Pyramiden, Marengo, Austerlitz, +Jéna, Friedland, Wagram en Moskou. Twaalf marmerbeelden, die even +zoovele overwinningen voorstellen, houden de wacht om de machtige +sarcophaag uit rood Siberisch porfier, die de asch van Napoleon bedekt. +Een zacht blauw licht beschijnt de crypta. Ook het levendigste Fransche +gesprek verstomt bij het betreden van Napoleon’s grafkamer. Diepe +stilte omgeeft het stoffelijk overschot van hem, die tijdens zijn leven +de wereld vervulde van het gedonder van zijn geschut, en het +wapengekletter zijner legioenen, en die binnen verloop van enkele jaren +de kaart van Europa volkomen veranderde. + +De plechtige stilte, de verheven bouwstijl, en het schemerachtige licht +oefenen een aangrijpenden invloed uit op het gemoed van den +toeschouwer. Hoevele beelden worden niet voor ons geestesoog te +voorschijn geroepen! Onwillekeurig verwacht men de echo te hooren +weerklinken der commando’s, die eertijds van den grooten keizer +uitgingen! + +We zien een blauwoogig kind spelen aan den schoot zijner moeder te +Ajaccio. Dan hooren we hoe de jonge revolutionnair geestdriftige +redevoeringen houdt in de geheime clubs te Parijs. Bleek en ernstig +zien we de gestalte van den zes-en-twintig jarigen generaal voorbij +schrijden; na tal van roemrijke overwinningen komt hij terug uit +Italië, waar hij als een stormwind was komen neerstrijken in de vlakte +van Lombardije, waar hij als overwinnaar zijn intocht hield te Milaan, +en waar hij de overoude republiek Venetië voor altoos van de +onafhankelijkheid beroofde. + +Ginds voor het altaarvenster verheft zich het beeld van den gekruisten +Heiland. Het leidt onze gedachten naar den tocht van het keizerlijke +leger naar Egypte en het Heilige Land. Frankrijk’s grootste generaal +voert de vloot uit de haven van Toulon. Hij ontkomt aan de +oorlogsschepen van Nelson, verovert Malta, vaart langs Kreta en Cyprus +en landt met 40000 man in Alexandrië. Op den weg naar Kaïro versmachten +de soldaten in de dorre woestenij. Bij den Nijl komt het tot een +treffen met het Egyptische leger, en aan den voet der pyramiden moet +het Oosten zich buigen voor den held van het Westen. + +In oostelijke richting vervolgt het leger zijn weg naar Syrië. Vijf +eeuwen waren voorbijgegaan sedert de kruisvaarders gepoogd hadden het +Heilige Graf aan de ongeloovigen te ontrukken. Nu kletteren wederom de +wapenen van het avondland in het Jordaandal en aan den voet van den +berg Tabor, en voor de poorten van Nazareth worden de Turken door den +Franschen generaal verslagen. Maar, intusschen heeft Nelson de Fransche +vloot vernietigd, de keur van het republikeinsche leger heeft den dood +gevonden. Napoleon’s droom van een rijk in het morgenland, is in den +rook van het laatste wachtvuur verdwenen. Met twee fregatten verlaat +hij Egypte, zeilt langs Tripolis en de kusten van Tunis, en komt met +gedoofde lichten, behouden door de straat van Gibraltar heen. Bij zijn +aankomst te Parijs begroet hem het volk met stormachtigen jubel. + +Geleidelijk raakt het oog gewend aan het schemerduister in den koepel +der Invaliden en de witte zuilen en marmeren beelden geven onze +gedachten een andere wending. De Alpen passen, de St. Bernard, de St. +Gothard, de Mont Cenis en de Simplon, de hoogste bergtoppen van Europa, +worden door Napoleon met zijn vier armeecorpsen getrotseerd! Soldaten +trekken de kanonnen door de sneeuwvelden; en eerst op Italiaanschen +bodem scharen ze zich weer in ’t gelid. Bij Marengo oogsten de vanen +van Frankrijk nieuwe lauweren, en het lot van geheel Europa berust in +handen van Frankrijk’s grootsten held. + +„Austerlitz” lezen we in het mozaïek der crypta. Frankrijk’s keizer is +opgetrokken naar Mähren, en zijn legioenen strijden onder den vergulden +adelaar. De garde-cavalerie rijdt de Russische garde onder den voet, en +Napoleon’s leger vernietigt de vereenigde strijdmachten van Oostenrijk +en Rusland; de Fransche artillerie beschiet de bevroren oppervlakte van +een meer, zoodat de vijand met kanonnen, wagens en paarden omkomt. + +Welke nieuwe echo stijgt thans uit de crypta omhoog? „Jena!” Waar de +Pruisen verslagen werden, waar hun land tusschen Elbe en Oder onder het +vreemde juk gebracht, hun vestingen geslecht werden; Erfurt, +Maagdeburg, Stettin en Lübeck geven zich over, terwijl de overwinnaar +zijn intocht houdt in Berlijn, de residentie van Frederik den Grooten! + +Dan dreunen de voetstappen der scharen door Poolsche straten, op de +bloedige slagvelden bij Pultusk op den oostelijken oever van den +Weichsel en bij Eylau in West-Pruisen, waar de lijken opgehoopt in de +diepe sneeuw liggen. Napoleon zelf snelt op zijn schimmel voort na den +slag bij Friedland in Oost-Pruisen, waar de Russen verslagen werden. +Met getrokken sabel defileeren garde-cavalerie en huzaren, en nog heden +trilt de naklank van hun geestdriftigen jubel om de vaandels van de +sarcophaag, en langs de heirwegen van Europa weerklinkt het +hoefgetrappel der paarden: het zijn de boden, die de gemeenschap +onderhouden tusschen het hoofdkwartier en Parijs. + +Napoleon trekt op Weenen aan, en dreigt Oostenrijk te verpletteren. Hij +overwint in den bloedigen slag bij Wagram, noord-oostelijk van Weenen; +hij maakt zelfstandige rijken tot provinciën van Frankrijk, hun +beheerschers tot Fransche vazallen, en deelt koningskronen uit onder +zijn bloedverwanten, vrienden en generaals. Zijn rijk strekt zich thans +uit van Danzig tot Cadix, van de Elbe tot aan den Tiber, als eertijds +het rijk van Karel den Grooten! De macht van den Corsikaan is +uitgebreid, en zijn rijk is gevestigd zooals van geen sedert de helden +van het oud Romeinsch rijk. + +Bajonetten en sabels, kurassen en helmen flikkeren in het +zonlicht—Napoleon’s onoverwinnelijke heirscharen trekken over den +Njemen, een half millioen soldaten rukt op tegen Moskou, Rusland’s oude +hoofdstad. Onafzienbare scharen, tallooze kanonnen en een eindelooze +legertros trekt voort over de Russische wegen van Wilna naar Witebsk en +Smolensk. De Russen weten het: het gaat om hun vrijheid. Ze verbranden +hun eigen steden en dorpen; ze verwoesten hun land, en trekken zich +terug naar het binnenland, zooals ze het reeds een eeuw vroeger deden, +toen Karel XII van Zweden in Rusland binnendrong. Eindelijk komt het +tot een slag aan de Moskowa, en het Fransche leger bezet de stad. Maar +dan verlichten de vlammen van het brandende Moskou ver in het rond de +Septembernachten! + +Op een der terrassen van het Kremlin staat een kleine man in grauwe +wapenrok, de handen op den rug staart de keizer nadenkend in de vlammen +en de rookwolken, die over de stad heen rollen. In een week is het oude +heiligdom der Moskovieten in vlammen opgegaan. + +Daarbuiten, in de straten van Parijs, is de schemering neergedaald, en +de schaduwen tusschen de zuilen rondom Napoleon’s graf worden dichter. +Maar uit deze schaduwen doemen menschelijke gedaanten op, die worstelen +met honger, koude en uitputting. De tijden van tegenspoed zijn +aangebroken! Het groote leger bevindt zich op den terugtocht. Aan den +kant der wegen liggen de lijken, weggeworpen wapenen en achtergelaten +bagage. De kanonnen blijven steken in de diepe sneeuw, en de soldaten +storten bij geheele regimenten neer als rijpe aren onder de sikkel. +Scharen hongerige wolven volgen hun spoor, ze vergenoegen zich met de +lijken, terwijl de kozakkenbenden de overlevenden neerhouwen. Bij den +overtocht over de Beresina, een zijrivier van den Dnjepr, komen 30.000 +man om! Alle gehoorzaamheid en discipline is verdwenen. + +Gekleed in een pels, een stok in de hand marcheert de overwonnen keizer +als een gewoon soldaat in ’t gelid mee. Het barre klimaat is de +sterkste bondgenoot der Russen, en hun voorzichtige taktiek doet het +overige om het Fransche leger geheel te vernietigen. + +Nu heerscht bijna duisternis om ons heen. Bij Leipzig staan Russen en +Oostenrijkers, Pruisen en Zweden tegenover Napoleon. Hier stort zijn +trotsch rijk als een kaartenhuis ineen; zelfs Parijs wordt veroverd, en +de kroon wordt aan zijn hoofd ontrukt! Als gevangene voert men hem door +het Rhônedal over Lyon naar de zee, en per schip naar Elba. + +Maar nog is de kracht van dezen man niet uitgeput. Nog eenmaal vervult +zijn naam de wereld met angst. Vergezeld van zeven kleine schepen zet +hij koers naar Frankrijk’s kusten! Hij trekt over de West-Alpen; in +Lyon wordt hij begroet als keizer, en Parijs opent hem de poorten. + +Thans staat alles op het spel; in België zal de beslissende slag plaats +vinden. Wederom vereenigen zich aan Frankrijk’s grenzen de vijandelijke +legers. Europa is eindelijk den voortdurenden krijg moede, het besluit +tot een beslissenden slag. Bij Belle-Alliance (Waterloo) strijdt +Napoleon voor het laatst, hier wordt zijn lot voor immer bezegeld. + +Nog eens verlaat de keizer zijn hoofdstad—nu voor altijd. In de haven +Rochefort, tusschen de monden van Loire en Garonne gaat hij aan boord +van een Engelsch fregat. Na een zeereis van zeventig dagen wordt hij op +St. Helena, een klein eiland in het zuidelijk deel van den Atlantischen +Oceaan, aan land gezet, om daar zijn zes laatste levensjaren in harde +gevangenschap door te brengen! Onder de wilgen in een dal delft men +zijn graf. + +Nu heerscht volslagen duisternis in de Dôme des Invalides. Duister +ontwaakt de werkelijkheid rondom ons. Negentien jaren na zijn dood +vordert Frankrijk het stoffelijk overschot van zijn held op. Het +eenzame graf op St. Helena wordt geopend, de viervoudige lijkkist wordt +ontsloten in tegenwoordigheid van eenige getrouwen, die gedurende zes +lange jaren des keizers gevangenschap gedeeld hebben; in de groen-witte +uniform der garde ligt de overwinnaar van Marengo en Austerlitz, +onveranderd als op zijn sterfbed voor hun oogen! + +Dan brengt men het lijk op een Fransch fregat, de kanonnen donderen, de +vlaggen waaien halfstok. In Cherbourg, in Normandië wordt de lijkkist +aan land gebracht, en nog eenmaal houdt de veroveraar van Europa, onder +militair eerbetoon, ten aanschouwe van geheel Frankrijk zijn intocht in +Parijs. Door zestien met rouwfloers bekleede paarden getrokken, +begeleid door de oudgedienden uit zijn veldtochten, rijdt de lijkwagen +met keizerlijke pracht tusschen dichte rijen van soldaten onder den +triomfboog der Place de l’Etoile door langs de Champs Elysées naar de +Dôme des Invalides, om daar in de sarcophaag van porfier te worden +bijgezet. + +Zoo werd de laatste wil van den wereldveroveraar, neergeschreven op St. +Helena, vervuld: „Ik wensch dat mijn stof moge rusten aan de boorden +der Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoozeer heb +liefgehad.” + + + + + + + + +32. AAN DEN OEVER VAN HET MEER VAN GENEVE. + + +Slechts noode verlaat de vreemdeling Parijs, maar de gedachte op weg te +zijn naar het zonnige Italië, maakt hem het afscheid minder zwaar, +wanneer hij op zijn tocht oostwaarts door het venster van zijn +spoorwegcoupé, de heuvels en dalen van Champagne, het land vanwaar de +bekende wijn komt, aanschouwt. Overal bebouwde velden, dorpen en +boerderijen, waar de bodem ongeschikt is voor den akkerbouw, daar +grazen groote kudden vee. Allerwege ziet men arbeiders op het veld; het +bedrijf der kleine grondbezitters, boeren en burgers vormt de bron van +Frankrijk’s welvaart. + +Thans naderen we de grens. De sterke vesting Belfort is de laatste +Fransche stad, kort daarop zijn we in den Elzas. Nauwelijks een +menschenleeftijd geleden waren deze streken het tooneel van gewichtige +gebeurtenissen. Het was de tijd van den Fransch-Duitschen oorlog; na +een dappere verdediging moest Frankrijk het onderspit delven. Het +verloor hierbij twee van zijn bloeiendste provinciën. Nog heden ten +dage doet men goed de namen dezer provinciën: Elzas en Lotharingen, in +Fransche kringen niet te noemen. Ze wekken smartelijke herinneringen +op. Deze beide provinciën zijn echter in 1919 bij den vrede van +Versailles weder aan Frankrijk toegewezen. Frankrijk was niet voor een +oorlog toegerust, en had zijn leger en vestingwerken verwaarloosd. In +een staat die ten strijde toegerust is, bloeit de vrede. Zoodra +daarentegen een volk luistert naar de inblazingen van idealistische +droomers die de leuze van ontwapening en eeuwigen vrede prediken, dan +is zijn lot beslist, en dan zal vroeg of laat het volk zich bukken +onder het juk van vreemde tyrannen. Zoo was het steeds, en zoo zal het +ook immer blijven. De tijd van het duizendjarig rijk is nog lang niet +aangebroken! + +Wederom passeeren we de grenzen, en wel van Zwitserland, het nijvere +Alpenland. De trein houdt stil in Bazel, de stad die den Rijn in tweeën +splitst. Van den „Bodensee” komend, stroomt het heldere water onder +Bazel’s bruggen door, om vervolgens in een rechten hoek naar het +noorden af te buigen en zijn loop tusschen Vogezen en Scharzwald te +vervolgen. Onze plaats van bestemming is Genève. De spoorweg loopt door +een nauw dal langs een zijrivier van den Rijn, de Birs. Het is winter, +en het landschap is met een effen kleed van sneeuw bedekt, nauwelijks +ziet men de kleine dorpjes die in de dalen verspreid liggen. Aan +weerszijden verheffen zich de dennenbosschen; een dikke sneeuwlaag +buigt de takken der boomen naar omlaag. Wanneer het dal niet zoo nauw +was, en zich in het Westen niet een bergketen verhief, zou men zich in +Zweden verplaatst wanen. Die bergketen is de Jura, die de scheiding +vormt tusschen Zwitserland en Frankrijk. + +Hier liggen na elkaar drie meren. Het kleinste heet het Bieler-meer; +het volgende is grooter en heet naar de stad Neuenburg; het laatste is +het groote meer van Genève dat we bij Lausanne bereiken. + +Hier houdt de sneeuw op, en in het Zuiden schitteren de Alpen van +Savoye, terwijl de zonnestralen door het heldere watervlak weerspiegeld +worden. Deze aanblik behoort tot het schoonste wat de aarde te +aanschouwen geeft, en men blijft in bewondering verzonken, terwijl de +trein langs het meer voortsnelt. Het meer gelijkt in vorm op een +dolfijn die op het punt staat onder te duiken; bij den kop van den +dolfijn ligt Genève, en hier verlaat de Rhône het meer, die verder naar +Lyon stroomt om vervolgens vlak ten westen van de groote havenstad +Marseille in de Middellandsche Zee uit te monden. + +Genève is een der sierlijkste en schilderachtigste steden der wereld. +Tusschen de noordelijke en zuidelijke helft der stad wordt het +kristalheldere water, als door een trechter in de Rhône gestuwd, de +stroom is sterk, en wordt door een langwerpig eiland in tweeën gedeeld. +Het geheel herinnert levendig aan Stockholm; in ’t bijzonder ’s avonds +wanneer overal het electrisch licht door den voortglijdenden stroom +weerspiegeld wordt. + +Het prachtigst is echter het uitzicht naar het zuidoosten bij helder +weer. Daar verheffen zich de Alpen van Savoye met hun schitterende, met +sneeuw bedekte kruinen en bergruggen. Daar troont boven de Alpen, ja +boven geheel Europa in trotsche majesteit de Mont-Blanc, die den +grenspaal vormt tusschen Zwitserland, Frankrijk en Italië. Tegen den +avond krijgen we den „Witten Berg” even te zien, maar spoedig hult zich +de reus weder in een ondoordringbaren mantel van nevel. + +Van Genève uit voert ons de spoorbaan oostwaarts langs den noordelijken +oever van het meer. Als een nevelachtige streep teekenen zich de Alpen +van Savoye aan den horizon af. Voorbij Lausanne verdwijnen de nevelen, +en weer verheffen zich in verblindenden glans de Alpen als geweldige +torens en piramiden. Langs den oever strekt zich temidden van tuinen en +parken een eindelooze rij van internationale hotels uit. Uit alle +oorden der wereld komen reizigers hierheen om zich te verzadigen aan +het natuurschoon en om hun longen te versterken door het inademen der +reine Alpenlucht. Bij iedere bocht ontrolt zich een nieuw panorama, en +in de herinnering smelt alles tezamen tot één onvergetelijk geheel. + +We verlaten thans het meer en volgen tusschen woeste rotsgevaarten de +Rhône stroomopwaarts. Naarmate we hooger stijgen, wordt het dal nauwer. +De Rhône is thans een bruisende bergstroom, haast onbeduidend in +vergelijking met de breedte van den stroom bij Genève. In het dal +breiden zich vlakke velden uit, op de hellingen verheffen zich donkere +pijnboomen uit de sneeuw, en boven dat alles tronen de sneeuwtoppen der +Alpen. + +Eenige minuten voorbij Brieg suist de trein in volle vaart het gebergte +in. De electrische lampen branden, en alle raampjes zijn gesloten; de +tunnel vult zich met rook, en de duizendvoudige echo maakt ons bijna +doof. Hoezeer verlangt men naar de vrije lucht; door alle spleten +dringt de rook naar binnen; maar hier heet het geduld oefenen, want de +Simplon-tunnel met zijn lengte van 19731 meter is de langste der +wereld. Ze is eerst enkele jaren oud. Van weerszijden werd +tegelijkertijd begonnen, en toen men bij elkaar gekomen was, en een +ontploffing de laatste scheidsmuur opruimde, bleek het dat men zich bij +de berekeningen geen duimbreed vergist had! + + + + + + + + +33. DE LAGUNENSTAD. + + +Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de +geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo +inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld +voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de +„Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn! + +Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in +snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600 +meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts +en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts +vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien +minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een +ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië. + +We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station +verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos +een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik. + +Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft, +geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons +kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil +opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al +deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog +precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun +zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan +zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste +verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert. + +We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn +vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met +bewonderenswaardige handigheid hanteert hij zijn roeispaan. Een +doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en +door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we +waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na +het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere. +Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van +Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar, +aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw +bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop +het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de +marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water +schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige +stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan +onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met +marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels. + +De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom +andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige +geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet +voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot +aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied +van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en +verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis +dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen, +aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld +verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met +de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee. +Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen +der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten” +door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter +dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten +sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks +kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een +levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de +verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien +wisten te ontsnappen? + +We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en +verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone +Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is +Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden, +zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt. + +Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het +Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”, +oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het +hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient +tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië +bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het +plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met +een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten. +Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder +het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den +schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829 +uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het +Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige +zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche +republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf +het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende +menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier +onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen, +de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande +visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en +aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen, +Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt +zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de +maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco +verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen +is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en +niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel +afscheid. + + + + + + + + +34. DWARS DOOR ITALIË. + + +Wel moeten de verwachtingen hooggespannen zijn van hem, die van Venetië +zijn eerste indrukken van Italië ontving, toen hij door de poorten der +Lagunenstad zijn intrede in dit land deed. Wij echter komen op onze +reis, van Zwitserland’s hemelhooge bergen in een heerlijk dal aan de +oevers van het Lago Maggiore. Door steile bergen omringd, bevat dit +donkerblauwe meer een groep kleine eilandjes, bezet met witte huizen, +fraaie paleizen en groene parken. Een dezer eilandjes draagt den +beroemden naam „Isola Bella”, het „mooie eiland”. + +Dan snelt de spoortrein de Lombardische vlakte in, die het grootste +deel van Noord-Italië omvat, en waardoor de Po heenstroomt, alvorens in +de Adriatische Zee uit te monden. + +De eerste groote stad, die nog geen bepaald Italiaansch karakter +draagt, is Milaan. De straten zijn breed en goed geplaveid, de huizen +modern gebouwd; men zou kunnen wanen zich in een groote Duitsche stad +te bevinden. Ook van fabrieken, die in de kleinere Italiaansche steden +nagenoeg geheel ontbreken, is Milaan ruimschoots voorzien. + +Maar twee wonderen herbergt de stad. Het eene is de Dom, een der +prachtigste Gotische bouwwerken. In het middelpunt der stad verheft +zich dit indrukwekkende Godshuis op een ruim plein. Eerst wanneer men +de vijfhonderd treden, deels binnen in het gebouw, deels aan de +buitenzijde van den toren bestegen heeft, kan men zich een voorstelling +maken van de reusachtige afmetingen. Niet minder dan acht en negentig +spitsen, versieren als een woud van marmer het dakwerk, en het aantal +marmeren beelden dat aan de buitenzijde is aangebracht, moet ongeveer +tweeduizend bedragen. Geen andere kerk is met pulk een kwistigen +rijkdom van marmer voorzien. De oogverblindende schittering van al dit +marmer, vormt een wonderbare tegenstelling met het mystieke +schemerlicht dat daarbinnen, door de beschilderde glazen, heerscht; +daglicht en schemering hebben hier een verbond gesloten, om dit +meesterwerk van architectuur, waarover meer dan twee eeuwen gebouwd +werd, een bijzondere bekoring te verleenen. + +Het tweede wonder van Milaan is het Heilige Avondmaal van Leonardo da +Vinci. Deze schat bevindt zich in het refectorium van een klooster, dat +tegen de kerk Santa Maria delle Grazia aangebouwd is; jammer is ’t dat +de jaren slechts te duidelijk hun sporen op dit beroemde schilderstuk +hebben achtergelaten. Maar nog steeds verkondigen de omtrekken en +verbleekte kleuren het genie van Leonardo. + +De vruchtbare, dicht bebouwde vlakte van Lombardije biedt den reiziger +geen bonte verscheidenheid van tafereelen. Eerst bij Piacenza, waar wij +de Po oversteken, en waar reeds de noordelijke uitloopers der Apenijnen +in ’t gezicht komen, wordt het terrein heuvelachtig. De trein voert ons +langs den noordelijken rand der Apenijnen naar Bologna. Wij snellen de +oude universiteitsstad Parma, waar de beroemde schilder Corregio +arbeidde, voorbij evenals het overoude Reggio, de geboorteplaats van +den dichter Ariosto. Dan volgt Modena, met zijn bijna duizendjarigen +Dom en ten slotte bereiken we de vijftienhonderd jaar oude +universiteitsstad Bologna. + +Gedurende de middeleeuwen, en ook tijdens de Renaissance, was Bologna +de verzamelplaats van alle naar wetenschap, dorstende jongelieden. Hier +heeft ook Ulrich von Hutten zich aan de bron der kennis gelaafd. +Bologna’s geschiedenis reikt ver in het verleden terug. Reeds in de +vijfde eeuw voor onze jaartelling werd een heftige strijd gevoerd om +het bezit der stad, totdat het door de Romeinen tot een hunner koloniën +gemaakt werd. Ook keizer Frederik Barbarossa had menigen harden kamp om +Bologna te voeren. Zijn zoon Enzio werd in 1249 in den bloedigen slag +van Forsalta gevangen genomen, en werd langen tijd als gijzelaar door +de Bolognesers gehouden. Het paleis waar hij in gevangenschap zuchtte, +en, volgens het verhaal, door de schoone Lucia Biadagola vertroost +werd, is nog heden ten dage te zien. Bologna is rijk aan kerken en +paleizen. Een der mooiste is de onvoltooide kerk San Petronio. Hier +werd Karel V door Paus Clemens VII gekroond. + +De stad die op Bologna volgt, Ravenna, is het Pompeji uit den tijd der +eerste Christenheid. Oorspronkelijk was Ravenna, evenals Venetië, een +lagunen-stad. Ten tijde van keizer Augustus was het de oorlogshaven +voor de vloot der Adriatische zee. Maar tegenwoordig ligt de stad op +een afstand van tien kilometer van de zee verwijderd; zoozeer is in den +loop der eeuwen de kustlijn veranderd! Talrijke monumenten verkondigen +nog heden ten dage den glans der vroegere Germaansche heerschappij over +Italië. Weliswaar zijn er van het trotsche paleis van Theoderik nog +slechts enkele zuilen over, maar nog altijd verheft zich in +indrukwekkenden eenvoud zijn grafmonument. Hier is ook de laatste +rustplaats van Italië’s grootsten dichter, Dante. Bij Bologna begint de +spoorweg naar Florence de Apenijnen te doorsnijden. Het landschap +verliest nu zijn eentonigheid. Diepe dalen en ravijnen wisselen af met +steile rotsgevaarten, watervallen en wilde bergstroomen. Alvorens +Florence te bereiken komen we door meer dan 20 tunnels, want deze stad, +de kroon van Toscane, ligt diep in het dal van den Arno verscholen. + +„La Bella”, de schoone, zoo noemen de Italianen Florence. Maar haar +schoonheid springt niet dadelijk in het oog, zooals die van Venetië, ze +is een schoonheid die slechts geleidelijk haar bekoorlijkheden +tentoonspreidt. + +De aantrekkelijkheid der stad ligt in de kunstschatten die binnen haar +muren besloten zijn. Men hoeft nog niet de Uffiziën of het Palazzo +Pitti bezocht te hebben, men behoeft nog niet op de Piazza della +Signoria met het burchtachtige Palazzo Vecchio gestaan te hebben, om +deze bijzondere bekoorlijkheid van Florence op te merken. Bijna op +elken hoek der straat, bij elke fontein worden wij door een kunstwerk +getroffen, en worden we herinnerd aan de namen van een Leonardo, Michel +Angelo of Rafaël. + +Niet ver van het station ligt een eenvoudige kerk, San Lorenzo genaamd, +gebouwd door de Medici en andere Florentijnsche families. Deze kerk +biedt weinig aantrekkelijks voor het oog, maar ze bevat de mooiste en +zinrijkste grafmonumenten ter wereld. Ze zijn vervaardigd door Michel +Angelo. Het was zijn plan om in deze kleine kapel nog meer van zulke +meesterwerken op te richten, maar verstoordheid over het omverwerpen +der republiek benam hem hiertoe den lust. Zoo hebben deze +grafmonumenten, behalve hun oorspronkelijk doel, den roem der Medici +door alle tijden heen te verkondigen, nog een tweede beteekenis; ze +zijn de laatste getuigenissen der Florentijnsche kunst, die met den val +der republiek uitstierf. Nauwelijks een eeuw had dit bloeitijdperk +geduurd, maar gedurende dezen tijd zijn er binnen de muren van Florence +zoovele kunstschatten opgehoopt, dat de stad voor altoos „La Bella” zal +blijven heeten. + +Zuidelijk van Florence komen de sporen der antieke wereld duidelijker +voor den dag dan die der Renaissance. Reeds het Trasmeensche meer, +langs welke Westelijken oever we voorbij sporen, wekt de herinnering +aan het oude Rome. Hier versloeg Hannibal in 217 v. Chr. het leger van +den onvoorzichtigen Romeinschen consul Flaminius. Van af de bergtoppen +der Apenijnen zien nog trotsche, ommuurde burchten uit de middeleeuwen +op ons neer, en de een of andere bergvesting als Perugia of Siena +herinneren ons aan de Renaissance; maar hoe meer we het dal van den +Tiber naderen, des te talrijker worden de overblijfselen uit de +oudheid, om eindelijk in de Campagne, en in Rome zelf, uit tal van +ruïnes te verhalen van een wereld waaraan ook wij, bewoners van +noordelijke gewesten, het grootste deel van onze beschaving te danken +hebben. Daar ligt de eeuwige stad voor ons! Beschenen door de stralen +der zon, schittert de vergulde koepel van den St. Pieter als een +hemelsch vuur boven Rome! + + + + + + + + +35. DE EEUWIGE STAD. + + +Rome is onuitputtelijk. Het groeit onder de voeten van den bezoeker. In +2600 jaren zijn steeds nieuwe bouwwerken boven de ruïnen van een +vroegeren tijd verrezen. Van wat in de diepste lagen verborgen ligt, +het Rome uit den tijd der koningen, heeft men nog nauwelijks eenig +vermoeden. Daarop volgde het Rome der republiek, en vervolgens het Rome +van den keizertijd, de wereldstad, toen vanuit het Palatinum de +Caesaren hun scepter zwaaiden over de geheele, toenmaals bekende +wereld; van het nevelachtige Brittannië, en de duistere wouden van +Germanië, tot aan de gloeiende zandvlakten van Afrika, van de bergen +van Spanje, tot aan Galilea, het land der Joden. Talrijke +overblijfselen uit deze tijden van Rome’s wereldheerschappij zijn nog +heden temidden van het moderne straatgewoel overgebleven. Monsters op +den troon der Caesaren hebben de stad verwoest, teneinde de herinnering +aan hun voorgangers uit te wisschen, en slechts hun eigen roem aan het +nageslacht over te leveren. Vandalen, Gothen en andere barbaren hebben +Rome geplunderd. „Rome is niet op één dag gebouwd”—maar ook hebben +tweeduizend jaren Rome’s heerlijkheid niet kunnen vernietigen! + +Op het Rome van den keizertijd volgen nieuwe lagen, de christelijke +tijd, de middeleeuwen en de nieuwere tijd met hun tallooze kerken, +kloosters, musea, en machtige paleizen. Het christendom bouwde op de +bouwvallen van het heidendom, het verleden en het heden gaan onmerkbaar +in elkaar over. Op het Kapitool staat de Romeinsche keizer Marcus +Aurelius, en op den anderen Tiber-oever staart Garibaldi, de +vrijheidsheld van het jonge Italië over de eeuwige stad heen. Men rijdt +door een moderne straat met prachtige winkels, en in weinige minuten +staat men op het Forum Romanum, het Romeinsche marktplein, het hart van +het oud-Romeinsche rijk, het tooneel van volksverzamelingen, +gerechtszittingen en handelszaken. Het Forum geleek op een marmeren +zaal in de open lucht, waardoor de triumfators omstuwd van +wapenbroeders en gevangenen zich naar het Kapitool begaven, om daar hun +offer te brengen aan Jupiter. Heden zijn nog eenige zuilen en +bouwvallen overgebleven van al de pracht waarmede Julius Caesar en +keizer Augustus het plein versierden. Zoo juist dwaalde men nog als een +vroom pelgrim door de St. Pieterskerk rond, en reeds bevindt men zich +onder den triomfboog van Titus, die opgericht werd ter herinnering aan +de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr.! + +Zoo dwaalt men in Rome rond, tusschen gedenkzuilen en triomfbogen, +tusschen tempel en theater, en vergeet bijna dat bijkans tweeduizend +jaren verloopen zijn, sedert de stemmen van krijgers, priesters en +tooneelspelers onder al deze geweldige bogen, voor het laatst +weerklonken. Op de trappen die naar het Kapitool voeren, wordt men +herinnerd aan de stichting van Rome; in een door een ijzeren hekwerk +omsloten grot loopen twee wolven heen en weer, vruchteloos een uitweg +zoekend; en boven op den heuvel zien we het bronzen beeld der wolvin +die Romulus en Remus zoogde. Volgens de sage werden beide knapen aan +den oever van den Tiber te vondeling gelegd, maar door de wolvin +gevonden en in het leven gehouden. Romulus grondvestte 750 jaar voor +het begin onzer jaartelling de eeuwige stad, en werd Rome’s eerste +koning. + +Tal van gangen en gewelven bedekken den Palatijnschen heuvel, het zijn +de overblijfselen der paleizen van de Romeinsche keizers. Op de +hellingen groeien sinaasappelen tusschen de varens en klimopranken, en +door de oude pijnboomen en cypressen ruischt een wegstervende echo uit +lang vervlogen tijden. + + + + + + + + +36. PAUS PIUS X. + + +Italië’s koning heerscht over 35 millioen onderdanen. Zijn hoofdstad +Rome is echter ook de zetel van een ander machtig vorst, wiens rijk +niet van deze wereld is. Zijn troon is de stoel van den heiligen +Petrus, zijn wapens zijn de drievoudige kroon, de Tiara, en de +gekruiste sleutels die de poort van het hemelrijk openen en sluiten. +Aan hem zijn de 270 millioen Katholieken over de geheele wereld +onderworpen! Hij is een vrijwillige gevangene in het Vatikaan, een +groep van hooge paleizen, dat wel tienduizend zalen en vertrekken +omvat. Hier zijn musea, bibliotheken en handschriftenverzamelingen van +onschatbare waarde bijeengebracht, alleen de beeldengalerij van het +Vatikaan is de rijkste der wereld. De Sixtijnsche kapel is door Michel +Angelo met reusachtige schilderstukken versierd; de prachtige +plafondschildering stelt de schepping, de zondeval en de zondvloed +voor; een muurschildering toont ons het jongste gericht. + +Aan de westzijde van het Vatikaan liggen de tuinen van den paus, en +zuidelijk daarvan verheft zich de St. Pieterskerk, het geweldigste +bedehuis der christenheid. + +Het Vatikaan, met alles wat er bij behoort, vormt een stad op zichzelf, +en wel de machtigste stad op de geheele wereld, een zetel van kunst en +geleerdheid, en bovenal, is het ’t brandpunt van een machtig +kerkgenootschap. Van hieruit slingert de Paus zijn banbliksem over +ketters en zondaren, en van hieruit bewaakt hij de geloovigen van zijn +werk volgens het driemaal herhaalde woord van den Heiland tot Petrus: +„Weidt mijne lammeren!” + +Toen den 20sten Juli 1903, de vorige Paus, Leo XIII stierf, kwamen de +kardinalen bijeen om zijn opvolger te kiezen. Onder deze bevond zich +ook de bejaarde patriarch van Venetië, kardinaal Giuseppe Sarto. Toen +deze zijn geliefd Venetië verliet, om voor de Pauskeuze naar Rome te +reizen, nam hij aan het station een retourkaartje! Maar, daar hij het +was, die tot Paus gekozen werd, zal hij zijn Venetië, en het landhuis +waar hij als kind gespeeld heeft, nimmer weer zien; want als heerscher +in het Vatikaan, heeft hij van zijn vrijheid afstand moeten doen. + +Op zekeren Februaridag van het jaar 1910 bevond ik me op weg naar het +Vatikaan. Een vriend uit Italië vergezelde me. We reden over de +Engelen-brug, en voor ons verhief zich de statige Engelen-burcht, door +keizer Hadrianus 1800 jaar geleden opgericht als zijn eigen +grafmonument. Na links afgeslagen te zijn, kwamen we aan het St. +Pietersplein, dat, begrensd door St. Pieterskerk, Vatikaan en +zuilengangen, een der indrukwekkendste pleinen ter wereld is. Tusschen +de ruischende fonteinen, staat een obelisk, op bevel van keizer +Caligula uit Egypte hierheen gebracht. Reeds lang vóór den tijd van +Mozes zag deze obelisk neer op Egypte’s woestijn. Aan zijn voeten +hebben de kinderen Israël’s in hun gevangenschap hun liederen gezongen. +Ten tijde van Nero, zag hij duizenden Christenen den marteldood +sterven. Nog heden verheft hij zich, vijf en twintig meter hoog, +bestaande uit een enkel stuk steen, ongedeerd door den tijd en +onaangetast door menschenhanden. Aan de noordzijde van het plein +bevindt zich de poort van het Vatikaan. Hier houdt de Zwitsersche Garde +in middeleeuwsche uniform, de wacht. In prachtige, met roode zijde +behangen vertrekken wachten talrijke pelgrims, monniken en prelaten het +oogenblik af, waarop ze tot Zijne Heiligheid zouden worden toegelaten. +Een voornaam priester, gekleed in violet gewaad, ging ons voor, om ons +aan te dienen, en door de geopende deur zag ik, hoe hij nederknielde +terwijl hij met den Paus sprak. + +Spoedig was het mijn beurt om toegelaten te worden. In een ruim, rood +behangen vertrek zat Pius X aan zijn schrijftafel. Bij mijn binnenkomst +stond hij op, en reikte mij zijn fijngevormde doch krachtige hand. +Daarop namen wij plaats. De Paus leunde met de ellebogen op de +schrijftafel, en hield het hoofd op de handen gesteund; hij begon over +Tibet te spreken. Hij vroeg of de zending in dat land eenige kans op +succes had. Ik moest antwoorden dat Tibet tegenwoordig voor alle +Europeanen gesloten is, maar dat vroeger Italiaansche monniken er als +zendelingen werkzaam geweest waren. Toen ik onder anderen Odorico uit +Pordenone noemde, die in de 14de eeuw Tibet bereisd had, luisterde de +Paus vol belangstelling; want die naam was hem goed bekend, immers +Pordenone is een dorp uit zijn eigen geboortestreek! + +Pius X geeft den indruk van grooten christelijken deemoed, van +eenvoudige, vriendelijke zachtmoedigheid, en zijn stem klinkt week en +ernstig. Ook zijn uiterlijk komt, door de witte kleeding die tegen het +roode behangsel van het vertrek afsteekt, uitstekend tot zijn recht. +Hij droeg een langen dichtgeknoopten priesterrok met een breeden gordel +en een schouderkraag, en op het witte haar droeg hij een wit kapje. Om +zijn hals fonkelde een gouden ketting met een groot kruis. + +Tusschen het Vatikaan en de St. Pieterskerk liggen slechts enkele +schreden. We betreden het prachtige voorportaal en komen door een der +vijf gewelfde bronzen deuren in de kerk zelf. Eerbied en bewondering +overweldigen ons, zoo indrukwekkend zijn hier alle afmetingen! Nu eens +verlustigt zich onze blik in de bonte, hemelhooge gewelven, dan weer in +de eindelooze zuilenrijen, nu eens worden we geboeid door een +mozaiekwerk, dan weer door een grafteeken. Hoe lang zou men hier niet +moeten ronddwalen om aan al deze heerlijkheid eenigszins recht te doen +wedervaren! Rome is niet in één dag gebouwd, luidt het spreekwoord. +Voor het bouwen van de St. Pieterskerk waren alleen al honderd en +twintig jaren noodig, gedurende welken tijd twintig Pausen elkaar +opvolgden! Italië’s grootste meesters waaronder Rafaël en Michel Angelo +hebben het beste van hun scheppingen gewijd aan dezen tempelbouw, die +het graf van den apostel Petrus omsluit. De kosten bedroegen twee +honderd en vijftig millioen. + + + + + + + + +37. „BROOD EN SPELEN”. + + +„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche +gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers +van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd +tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater +was het Circus Maximus dat aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier +werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden +wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen. +Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij +tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de +keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en +bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel +gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte +zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op. + +Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar +64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele +stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen +reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor +altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het +Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde +zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd +en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de +verwoesting van Troje. + +Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf +Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn +waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat +van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde +hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden +immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad +vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning +der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat +zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De +leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen +geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis +gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het +Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en +uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als +kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in +verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou +het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten. + +In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen, +bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen +liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te +prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun +hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het +op handen zijnde schouwspel! + +De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige +draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van +krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur +van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de +banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en +zijn hovelingen. + +De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen +betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze +helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een +drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van +zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der +beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene +begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar +los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor +Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten +U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept, +en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te +bedekken. + +Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare +wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in +dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn +zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang +klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome. + +Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep +wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar +met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun +prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch. +Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun +honger. Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik +waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang. + +Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor +de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort. +Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen +losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht +van het bloed den geheelen circus vervult. + +Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich +eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het +gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen +buiten Rome. + +Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het +Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich +nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen. +Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat. +Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd +onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die +ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen +verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en +vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst, +die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat +ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De +zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de +muren van het theater. + +Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena +en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen. +Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van +overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in +purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart +gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende +wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun +witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt +haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend +was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke +vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten uit alle +landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië +en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte. + +Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet +overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het +theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen +stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit +over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt, +beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken. +Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de +onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten +werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed +gedrenkt. + +Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door. +En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het +vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet +vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun +wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de +onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde +doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het +overwinningslied der martelaren ten hemel! + +Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts +speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren +meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak +van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd, +waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten +tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit +kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water +rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan +in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en +het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena +door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden +gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer +Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden +twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en +tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op. + + + + + + + + +38. IN DE CATACOMBEN. + + +Niet ver van het Colosseum ligt het begin van een der oudste en +beroemdste wegen, die ooit door menschenvoeten betreden zijn, de +Appische weg. Hierlangs hielden keizers en legeraanvoerders hun +zegevierenden intocht in Rome; hierlangs werden ze na hun dood +uitgedragen om op brandstapels verbrand en in hun familiegraven +bijgezet te worden. Hierlangs schreden in duisteren nacht de +christenen, om de overblijfselen hunner, in de arena omgekomen, +geloofsgenooten aan het onderaardsche Rome toe te vertrouwen. Langs den +Appischen weg kwam ook Paulus Rome binnen, omstuwd door een schare +christenen, die hem, zooals men in het laatste hoofdstuk van het boek +der Handelingen lezen kan, tegemoet gegaan waren. Nog heden staat aan +de Via Appia een kleine kapel; ze is geheeten „Quo vadis?” („waarheen +gaat ge?”); aan deze kapel is de volgende sage verbonden: + +Nadat de apostelen Petrus en Paulus negen maanden lang in den +Mamertijnschen kerker gevangen gezeten hadden, werd het doodvonnis over +hen beiden geveld. Als Romeinsch burger zou Paulus met het zwaard +worden terechtgesteld; Petrus echter werd tot den onteerenden kruisdood +veroordeeld. + +Doch in den nacht, voorafgaande aan den dag waarop het vonnis +voltrokken zou worden, kwamen de gevangenbewaarders bij de gevangenen, +bevrijdden hen van hun boeien en fluisterden hun toe: „Vlucht, voor het +te laat is!” Paulus vluchtte niet, hij was bereid om voor zijn geloof +te sterven. Petrus echter kon, volgens de sage, de verzoeking niet +weerstaan. Het was een duistere nacht, de regen stroomde kletterend op +het marmeren plaveisel van het Forum neer, en de storm huilde door de +zuilengangen. Over de verlaten markt voortsnellend, bereikte hij een +der stadspoorten en ontvluchtte Rome langs de Via Appia. Wel sprak zijn +geweten, maar hij trachtte het tot zwijgen te brengen door te denken +aan al de bekeeringen, die hij zou volvoeren, indien hem nog eenige +jaren levens vergund werden. + +De storm bedaarde en de lucht werd helder. Daar bespeurde Petrus voor +zich uit een lichtschijnsel, dat hem tegemoet kwam. Het licht was niet +geel, zooals van vuur, maar blauwachtig als het schijnsel van sterren, +en toen het nabij gekomen was, zag Petrus dat het licht van een +stralenkrans uitging, die het hoofd omgaf van een man, gehuld in een +lang wit gewaad. + +Petrus gevoelde bij dezen aanblik een wondere ontroering. Toen de +onbekende twee schreden aan Petrus voorbij was, wendde hij zich om en +zag den apostel met denzelfden weemoedigen zachten blik aan, dien +Petrus zich zoo wel herinnerde van drie en dertig jaar geleden, in den +hof van den hoogepriester Kajafas. Hij wierp zich voor Jezus’ voeten, +en vroeg: + +„Heer, waarheen gaat ge?” + +En Jezus antwoordde: „Naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden!” + +Toen boog Petrus het oude, moede hoofd ter aarde, en weende bitterlijk. +Toen hij zich weder ophief, was de Meester verdwenen, en de apostel +stond alleen op de Via Appia. + +Opnieuw was de storm opgestoken, en zware wolken joegen over de +Campagna naar de Appenijnen. Zonder aarzeling, keerde Petrus om, en +snelde naar Rome terug. Onderweg ontmoette hij een vrijgelaten slaaf, +dien hij zelf gedoopt had. + +„Heer, waarheen gaat ge?” vroeg de slaaf verbaasd. En Petrus +antwoordde: „Naar Rome om gekruisigd te worden!” Met vluggen tred ging +hij verder, ging weer over het Forum, en daalde in de Mamertijnsche +gevangenis af. Hier liet hij zich door den gevangenbewaarder de ketenen +weer aanleggen. + +Den volgenden dag bracht men hem naar een heuvel waar het kruis reeds +opgericht was. Daar hij zichzelf evenwel voor onwaardig hield om in +dezelfde houding als zijn Heiland te sterven, vroeg hij den Romeinschen +krijgsknechten om de gunst om met het hoofd naar omlaag aan het kruis +genageld te mogen worden. + +Langs de Via Appia gaat men ook wanneer men de onderaardsche catacomben +wil bezoeken. + +Twee monniken met waskaarsen voeren ons een trap omlaag, en dan gaat +het door smalle gangen die een duister en vochtig labyrint onder de +aarde vormen. De meeste gangen zijn slechts een meter breed, het dak is +gewelfd, en in de wanden ziet men ontelbare nissen waar de christenen +hun ontslapene broeders en zusters bij zetten. Men legde het lijk in +een doek; kruiste de armen over de borst, wendde hun gezicht naar het +Oosten. De nissen werden afgesloten met een marmeren plaat, of met +eenige tichelsteenen, en dan zongen de rouwdragers, met fakkels in de +handen, geestelijke liederen. + +Hoevele lijkstoeten zullen zich wel door deze gangen hebben +voortbewogen! Hier rustten de martelaren. Hier verzamelden zich de +christenen tot gemeenschappelijk gebed of beraadslagingen, en nog in de +vijfde eeuw vierden ze hier in den schoot der aarde feesten ter +herinnering aan hun martelaren. + +Een steile, donkere trap brengt ons nog een verdieping lager. Vaak +liggen vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarvan de diepste meer +dan twintig meter beneden den grond ligt. Alle gangen tezamen vormen +een lengte van negenhonderd kilometer, en overal vindt men nissen in de +wanden; het onderaardsche Rome bevat meer dan drie millioen zulke +graven! + +Het zou levensgevaarlijk wezen, zich hier zonder een gids te wagen. Men +zou doelloos ronddwalen, vergeefs een uitweg zoeken, nu eens rechtsom, +dan weer ter linkerzijde een zijgang inslaan. Wanneer de waskaars +opgebrand was, zou men al tastend den weg zoeken, telkens struikelend +zou men al verder en verder verdwalen. Niet het geringste geluid! +Alleen de echo zou op het hulpgeroep antwoorden. De waanzin zou als +verlosser komen en men zou het hoofd te pletter stooten tegen een der +grafsteenen in deze doodenstad! + +In de musea, vooral in het Vatikaan, bevinden zich tal van marmeren +gedenkplaten uit dezen oud christelijken tijd. De inschriften zijn in +het Latijn of Grieksch geschreven, en bevatten vaak zinnebeeldige +voorstellingen waarbij de visch de Heiland, het olijvenblad de vrede, +een schip het menschenleven, de duif de ziel van den afgestorvene, het +anker de hoop op de opstanding, en de palmtak de zege der zaligen +beteekent. + +Niets is treffender dan deze grafsteenen met hun korte, veelzeggende +afscheidswoorden. Voor de antieke marmeren beelden staat men in stomme +bewondering; hier echter, te midden der schatten van deze doodenstad, +hoort men de steenen spreken. Voor ongeveer tweeduizend jaren hebben de +levenden, vaak in onbeholpen schrift, hun geloof, hun liefde, hun +droefheid en hun hoop aan deze steenen toevertrouwd. + +Maar wij moeten afscheid nemen van Rome. Er is echter een middel om +zich de terugkomst in de eeuwige stad te verzekeren. + +Ik heb het zelf geprobeerd. Op een klein plein in Rome verheft zich +voor den voorgevel van een prachtig paleis de Fontana Trevi. De zeegod +staat op zijn wagen, een reusachtige schelp, die door twee zeepaarden +wordt getrokken. Door tritons geleid willen zij over den rand van de +nagemaakte rotsen springen, waarover het water in hel-groene golven en +witte stralen afstroomt, om beneden in een rond bassin saam te vloeien. + +Als de laatste avond van uw verblijf te Rome is aangebroken, begeeft u +dan naar de Fontana Trevi. Hier werpt gij—voor de straatjongens—een +klein geldstuk in het bassin; laat uw hand volloopen onder een der +waterstralen en drinkt van het water van Rome—dan zal u de toovermacht +van den zeegod gevangen houden, en uw ziel zal geen rust vinden, +voordat gij nog eens uw schreden hebt gericht naar de Eeuwige Stad! + + + + + + + + +39. POMPEJI. + + +Weer eenige uren langs glinsterende rails en wij zijn te Napels. Ginds +in het Oosten broedt de kegel van den Vesuvius, als een vuurspuwende +draak over den zeeboezem, aan welks oever steden en dorpen en stralend +witte landhuizen, zoo dicht naast elkaar liggen, als de kralen van een +rozenkrans. Op de met lava geplaveide straten van Napels loopen wij +rond en kunnen ons niet verzadigen aan het gezicht van de prachtige, +bruine gezichten, de bonte, morsige kleederdrachten. Steeds weer zouden +wij de melodieuse liederen willen hooren, die ter eere van het +liefelijk Napels weerklinken. „Napels zien en dan sterven” is een +Italiaansch spreekwoord, het wil zeggen dat voor hem die Napels niet +zag, het leven geen waarde heeft! + +Wij gaan het nationaal museum binnen en nu verdwijnen voor ons het +bonte leven daarbuiten op de straten, de blauwe Golf van Napels en de +krans van groenende tuinen. Hier overweldigt ons het verleden, dat in +een grootsche verzameling van kunstwerken, beelden en schilderijen uit +Pompeji ons tegemoet treedt. + +In de zevende eeuw voor de geboorte van Christus, werd niet ver van de +kust, aan de Golf van Napels, aan den zuidelijken voet van den Vesuvius +de stad Pompeji gesticht. Ongeveer tachtig jaar voor onze tijdrekening +kwam ze onder Romeinsche heerschappij en gedurende de volgende honderd +vijftig jaren ontwikkelde zij zich in architectuur, taal en gewoonten +tot een echte Romeinsche stad. Een muur met torens omringde de huizen +en straten met haar 20.000 inwoners en bij het invallen van den nacht +werden de acht stadspoorten gesloten. Op het voornaamste plein, het +Forum, waar volksvergaderingen en feesten werden gehouden, verhief +zich, tusschen open hallen en zuilengangen en een reeks marmeren +beelden, de tempel van Jupiter. + +Op het tweede plein stonden het theater en een oude Grieksche tempel. + +Pompeji werd spoedig een lievelingsstad der aanzienlijke Romeinen, die +in het stadsgebied zelf van Pompeji of in de wonderschoone omgeving +ervan prachtige villa’s lieten bouwen. Een dezer villa’s, bij de +noord-westelijke stadspoort, behoorde aan den beroemden redenaar en +schrijver Cicero, die van tijd tot tijd in dezen, zijnen „Tusculum”, +ontspanning zocht van het geraas en het onrustige leven in Rome. Men +weet heel nauwkeurig dat hij zich hier het laatst ophield in het jaar +44 na Christus, kort na den moord van den grooten Julius Caesar. + +Niet ver van de villa van Cicero liep noord-westelijk de „Weg der +Graven”, die evenals de Appische heirweg aan beide zijden door +grafmonumenten is begrensd, van de eenvoudigste gedenksteenen, tot de +kostbaarste altaren en tempels; zij bevatten alle de urnen met het +gebeente en de asch der dooden. + +De straten waren recht en regelmatig aangelegd, eenige breed, vele heel +smal. Zij waren met lavazerken, geplaveid en verhoogde trottoirs liepen +langs de huizen. Langs eenige straten waren aan beide zijden winkels, +hier en daar was een rij steenen dwars over de straat gelegd, opdat de +voetgangers na hevige stortregens, die destijds evenals nu nog alle +wegen in kanalen en rivieren veranderden, droogvoets aan den anderen +kant konden komen. + +Pompeji bezat vele baden, die prachtig en met de uiterste +geriefelijkheid waren ingericht. Uit steen opgetrokken, waren zij koel +en donker, en boden gedurende den warmen zomer een heerlijke +verkwikking. Men legde zijn kleeren in de nissen van de ontkleedhal, en +liep van het eene badkamertje naar het andere, om eerst een heet +luchtbad, dan een warm bad, en eindelijk een koud bad te nemen. De +muren van de kamer voor het koude bad waren met schilderijen versierd, +die schaduwrijke bosschages en donkere wouden voorstelden; de blauw +gewelfde zoldering was met gouden sterren bezaaid, en het zonlicht viel +slechts door een klein rond venster naar binnen; daardoor geleek het +bassin op een klein meer in een bosch, onder den vrijen hemel. Men liet +zich door de badknechten masseeren en met welriekende oliën inwrijven. + +De huizen der welgestelde burgers waren met uitgezochten smaak, en +grooten kunstzin ingericht. Naar de straatzijde toe was niet veel meer +te zien dan kale, gelijkvormige muren, want de oude Romeinen wilden het +heiligdom van hun tehuis niet laten ontwijden door het geraas der +straat en de nieuwsgierigheid der voorbijgangers. Precies zoo is het +ook nu nog, zooal niet in Italië en Griekenland dan toch in het gansche +Aziatische Oosten. In het inwendige wordt daarentegen des te grooter +pracht tentoongesteld. Hier stonden beelden en busten, onder open +zuilengangen, geurende, weelderige bloembedden, en midden in de +voornaamste zaal, in het „atrium” was in den mozaïeken vloer een +marmeren bassin aangebracht. Door een vierkante opening in de zoldering +boven het bassin, keken zon en maan binnen, en de regen vermengde vaak +zijn droppels met de stralen van de steeds klaterende fontein. + +Indien de heer des huizes een gastmaal gaf, dan droegen slaven tafels +aan, en terwijl ze op lange rustbedden lagen, gebruikten zij de +overdadige spijzen; dronken, schertsten en luisterden onderhand naar de +tonen der fluiten, citers en cimbalen en volgden met slaperige, door +het gebruik van wijn verduisterde oogen de bewegingen van danseressen. + +Dat was een gelukkige tijd van ongestoorde rust voor Pompeji! Men +genoot van de gaven der wouden, der tuinen en van de zee, dreef handel, +vervulde zijn ambtsplichten en verzamelde zich voor beraadslagingen op +het Forum, op welks steenen zerken de marmeren zuilen koele schaduwen +wierpen. Wie dacht aan den nabijzijnden Vesuvius! Sedert duizenden +jaren was de vulkaan reeds uitgebluscht en op oeroude lavastroomen +stonden oeroude boomen en tegen de hellingen van den berg rijpten in de +zon de heerlijkste druiven, waaruit nog tegenwoordig een wijn wordt +geperst, die „de tranen van Christus” heet. De sage vertelt, dat de +Heiland eens op zijn omwandeling op aarde, den Vesuvius heeft +beklommen, en eerst is blijven staan in stomme bewondering over het +heerlijke landschap dat de Golf van Napels omgeeft. Daarna zou Hij, +door leed, over deze plaats der ijdelheid en der zonde bitter hebben +geschreid. En juist op de plaats waar zijn tranen op aarde +neerdruppelden, ontsproot een wijnrank, die haars gelijke niet had! + + + + + + + + +40. ONDER DE ASCH VAN DEN VESUVIUS. + + +Een jaar voor den brand van Rome werd Pompeji door een geweldige +aardbeving geschokt, maar de bewoners vatten weer gauw moed en bouwden +hun stad weer schooner en prachtiger op. Zestien jaren gingen voorbij, +toen viel de meest vernietigende slag, die ooit een stad heeft +getroffen sedert Sodom en Gomorrha door vuur uit den hemel werden +verteerd. + +Plinius de Oudere, die ons een onsterfelijk natuur-wetenschappelijk +werk heeft nagelaten, was destijds bevelhebber over de Romeinsche +vloot; ze lag in de bocht van Napels voor anker, terwijl hij zelf +vertoefde bij zijn zuster, op een plaats niet ver van Pompeji. Plinius +de Jongere, zijn neef, een jonge man van achttien jaren, was eveneens +bij zijn moeder te gast. + +De 24ste Augustus van het jaar 79 brak aan. De Vesuvius had zich zoo +lang stil gehouden, maar nu kende zijn woede geen grenzen. In den loop +van enkele uren begroef hij Pompeji en nog twee andere steden, +Herculanum en Stabiae onder een regen van puimsteen en asch en onder +een stroom gloeiende lava en heete modder. Onder hen die er het leven +bij verloren behoorde ook Plinius de Oudere. + +Verscheidene jaren later schreef de geschiedschrijver Tacitus aan +Plinius den Jongeren en verzocht hem eenig bericht te geven over den +dood van zijn oom. Deze geschriften zijn nog bewaard. Plinius +beschrijft hoe zijn oom beneden aan het strand door een regen van asch +en zwaveldampen stikt. Hij zelf had gezien hoe vurige vlammen uit den +krater opstegen en hoe de Vesuvius een zwarte wolk uitspuwde die zich +omhoog, als de kroon van een pijnboom vertakte. Hij was met zijn moeder +gevlucht in den voorhof van haar huis; maar toen de grond onder hun +voeten begon te wankelen en de lucht zich met asch vulde, snelden zij +met nog een menigte menschen weg. Zijn reeds bejaarde moeder smeekte +hem zich toch door een haastige vlucht te redden, maar hij wilde haar +niet alleen laten. „Dikke rookerige duisternis,” zoo luidt zijn +beschrijving, „welfde zich dreigend boven ons. Zij overstroomde de +aarde als een voortstormende rivier, en golfde achter ons aan. „Laat +ons terzijde afslaan,” zeide ik, „zoolang wij nog kunnen zien, opdat +wij onderweg niet vallen en in de duisternis, door hen, die ons volgen, +worden vertreden.” Ternauwernood waren wij gelukkig aan het gedrang +ontkomen, of diepe nacht omringde ons reeds, een nacht, niet alleen +zonder maan of bewolkt, maar zooals hij in dichtgesloten ruimten +heerscht, waar het licht is uitgebluscht.” Dan vertelt Plinius hoe de +vluchtenden kussens op hun hoofd bonden om niet verpletterd te worden +door neervallende steenen en hoe men onophoudelijk de asch van zich +moest afschudden om niet door den last daarvan op den grond te worden +gedrukt. Hij zelf bleef onder deze gebeurtenissen heel kalm, want hij +was er van overtuigd, dat de geheele wereld nu ten onder moest gaan. + +Door deze uitbarsting van den Vesuvius werd Pompeji onder een dikke, +zes meter hooge laag puimsteen en asch begraven. Nog vele jaren later +gingen de bewoners van omliggende streken er heen om met spaden +allerhande uit te graven. Maar daarna daalde Pompeji in den nacht der +vergetelheid en sliep 1500 jaren onder de aarde. Maar na 1500 jaren +werd de stad weer ontdekt en men begon opnieuw te graven. Akkers, +moerbeiboschjes en landgoederen waren intusschen op het kleed van het +geweldige bed van asch opgegroeid. Maar pas vijftig jaar geleden begon +de navorsching van den nieuwen tijd met ernst de bedolven stad op te +graven, en nu heeft men het reeds voor meer dan de helft gedaan. +Tegenwoordig kan de vreemdeling ongehinderd door haar straten rijden, +de oude winkels en baden inzien en de prachtige muurschilderingen in de +paleizen der aanzienlijken bewonderen. De zuilen van den tempel van +Jupiter, die zoo lang in ondoordringbaren nacht begraven waren—werpen +nu weer, in de verblindende zon hun schaduw op dezelfde steenen zerken +van het Forum als te voren. De Weg der Graven is opengelegd en jonge +cypressen schieten omhoog tusschen de grafteekenen. De dooden, die voor +den tweeden keer begraven werden, toen de Vesuvius zijn asch over hen +uitspreidde, luisterden nu opnieuw naar de schreden van een jong +geslacht, buiten op de straat. + +Maar de ongelukkigen, die levend onder den aschregen werden begraven, +zijn lang tot stof vergaan, en toch zijn er nog en in de musea kunnen +wij hen met verwrongen ledematen, het gelaat op den grond gedrukt, zien +liggen precies in de houding, die zij innamen, toen zij neervielen en +de asch hen bedekte. Want zoo bleven zij als in een gietvorm 1800 jaren +liggen! Hun stof werd weer aarde, maar de ontstane ledige ruimte bleef +bestaan, en als men gips in zulke holten giet, dan verkrijgt men een +levendig afbeeldsel van die menschen in het oogenblik van hun dood! +Hier ligt een vrouw, die voor haar huis is neergestort en krampachtig +een buidel van goud en zilver met beide handen omklemd houdt; ginds een +man, wiens hoofd zwaar op de ellebogen is neergevallen en daar een +hond, die zich ineen heeft gerold, voordat hij stikte. Zoo is de +slapende stad tot nieuw leven ontwaakt en de dooden zijn teruggekeerd +uit het rijk der schaduwen. + +Onverbiddelijk heeft de spade alle geheimen van Pompeji onthuld; de +asch heeft alles getrouw bewaard, tot zelfs de vluchtige invallen, die +op de hoeken van huizen werden geschreven. Op een huis werd aangegeven, +dat het vanaf den eersten Juli te huur was: „Mogelijke huurders worden +verzocht zich tot den slaaf Primus te wenden.” Op een anderen hoek +raadt een grappenmaker een kennis aan: „Loop heen en hang je op!” Een +burger schrijft van zijn vriend: „Ik hoor tot mijn leedwezen, dat je +gestorven bent.—Vaarwel!” Een andere muur draagt de vriendelijke +aanmaning: „Hier is geen plaats voor luilakken, maak dat je wegkomt, +jij, deugniet!” Het merkwaardigst zijn echter de woorden Sodom en +Gomorrha, die stellig door een Jood tegen een huis werden ingekrast. +Zelfs de schrijfoefeningen der schooljongens zijn nog tegen een muur te +herkennen, pogingen in het Grieksche alphabet, hetgeen bewust dat de +Grieksche taal een deel van het onderwijs uitmaakte. Oudere jongens +hebben, precies als zij nu nog doen, verzen van voorname dichters +ingekrast, en eens vindt men, met houtskool geschreven en nog maar voor +de helft leesbaar: „Verheug u op het vuur, Christen!” Zoo bespotte men +de martelaars, die met teer overgoten in den tuin van Nero als fakkels +werden verbrand! + +De kunstschatten, schilderijen en beeldhouwwerken, die men te Pompeji +heeft uitgegraven, hebben met den geheelen aanleg der stad, haar +bouwtrant en haar inschriften een licht over het leven der Oudheid +geworpen, dat men te voren nooit had vermoed. Maar nog een veel +rijkeren oogst voor de wetenschap verwacht men uit het bed van lava en +slib, dat Herculanum, de stad die naast Pompeji lag, bedekt. Maar op +dien bodem zijn intusschen twee steden verrezen, die eerst verwijderd +zouden moeten worden als ook Herculanum uit zijn eeuwigen slaap gewekt +zou worden. + +Vaarwel, Pompeji en Napels! + +Wij gaan in gedachten op een schip dat ons over de Golf van Napels +draagt. Rechts laten wij het verrukkelijke eiland Capri achter ons. Aan +de noordelijke zijde ervan kan men liggend in een platte roeiboot, of +zwemmend een rotsopening, die niet hooger is dan een meter, voorbij +gaan, die toegang geeft tot de Blauwe Grot. Zij werd in 1826 door twee +Duitsche schilders ontdekt. Daarbinnen strekt zich een stille, +kristalheldere watervlakte uit, meer dan vijftig meter den berg in en +het gewelf boven den waterspiegel is vijftien meter hoog. De eenige +verlichting van het inwendige der grot, is de reflectie der kleur van +den hemel en van de zee in de grot, van welker gewelf en wanden +druipsteenen als ijskegels neerhangen—alles blauw. Dompelt men een +roeispaan of de hand in het water dan glinstert zij, door de reflectie +van den witten zandbodem, zilverwit. Maar men kan het slechts bij kalm +weer wagen er in te varen, anders zou de boot tegen de rotsachtige +zoldering verpletteren. Slechts moedige bewoners van Capri wagen er +zich ook bij hooge zee in, met groote handigheid en vlugheid boegseeren +zij hun boot tusschen twee golfslagen in de grot. + +Aan onze linkerhand verbergt een landtong de witte huizen en +olijftuinen van Sorrent, een kleine stad, die door groote dichters werd +bezongen. Daarna stevenen wij op de turkoois-blauwe watervlakte van de +Tyrrheensche zee verder. In het Zuiden duikt het rotseiland Stromboli +uit de golven op, met zijn vuurspuwenden op een vuurtoren gelijkenden +vulkaan. In de straat van Messina zijn wij tusschen de kusten van +Calabrië en Cicilië, die zoo vaak door ontzettende aardbevingen werden +verwoest. Maar nu gaat het naar buiten, in de groote, open +Middellandsche Zee. Achter ons verdwijnt Italië en daarmede Europa aan +den horizon, en wij schommelen naar het Oosten, naar het land der +pharao’s. + + + + + + + + +41. EGYPTE. + + +Ik herinner mij nog alsof het gisteren gebeurde, den dag in het jaar +1885, toen de telegraaf over de gansche aarde de treurmare bracht, dat +Chartoem gevallen en Gordon Pacha, de gouverneur van Soedan omgekomen +was! Zelden werd de geheele wereld zoo diep getroffen door den dood van +een man. + +Gordon was een Schot, maar werd in 1833 in een der voorsteden van +Londen geboren, en reeds als jonge luitenant bij de genie, hoorde hij +onder de muren van Sebastopol het oorlogsgedonder dreunen. Als +dertigjarig majoor voerde hij het bevel over het keizerlijk leger in +China en onderdrukte den schrikkelijken Taiping-opstand, die sedert +1851 in de provinciën aan de blauwe Rivier woede. In anderhalf jaar had +hij de rust hersteld. + +Nadat hij eenige jaren, gedeeltelijk in zijn geboorteland, gedeeltelijk +in de landen van het Oosten had doorgebracht, trad hij in 1874 in +dienst van den Khedive, den onderkoning van Egypte. De Khedive Ismail +was een energiek man met vooruitstrevende plannen. Hij wilde zijn rijk +uitbreiden tot aan de groote meren van den aequator, waar men meende +dat de Nijl moest ontspringen, en Gordon zou over een provincie +regeeren, die haar naam, Aequatoria, naar den aequator draagt. Vlak ten +Zuiden van Caïro, de grootste stad van Afrika, de hoofdstad van Egypte, +begint een hoogland, dat zich van het Noorden naar het Zuiden bijna +over het geheele vasteland uitstrekt. In Abessinië verheft het zich tot +aanzienlijke hoogte en rondom den aequator, verheft het zich tot +Afrika’s hoogste bergtoppen. Als een scherm houdt dit gebergte allen +regen verre van Egypte en groote deelen van Soedan. De waterdampen, die +de passaatwind des zomers over Abessinië heendrijft, veranderen in de +bergstreken van dit land in regen en sneeuw en de wind komt droog naar +Nubië en Egypte. Wat aan vochtige massa’s uit den warmen Indischen +Oceaan opstijgt en door den passaatwind naar het Noordwesten wordt +gedreven, verandert gedurende acht maanden van het jaar in water, in de +gebergten bij den aequator, en zoo ontvangt het Nijldal ook van daar +geen neerslag. De bodem blijft hoog en ontzaglijke gebieden zijn +woestenijen, waar bronnen slechts op groote afstanden van elkaar +liggen. Maar gedragen door de winden van den Indischen Oceaan, ruischt +de regen op de Oost-Afrikaansche gebergten neer en verzamelt zich daar +tot geweldige rivieren. De Atbara en de Blauwe Nijl stroomen uit +Abessinië neer en veroorzaken in den herfst de bekende overstroomingen +van den Nijl; gedurende het overige deel van het jaar zorgt de Witte +Nijl voor de bewatering van Egypte. Zoo gedijt het land ook zonder +regen, en ontelbare kanalen bevruchten in zijn plaats de akkers in +welker, krachtigen, moerassigen slibbodem ontelbaar veel graansoorten; +tarwe, mais, gerst en durrha (negergierst), groenten als boonen en +erwten en veel dadelpalmen welig groeien en suikerriet en +katoenstruiken, zich steeds meer uitbreiden. Van uit een ballon gezien +zouden deze akkers, die palmen en vruchtboomen zich afteekenen langs de +rivier als een groene band, terwijl het geheele overige gebied er geel +en grauw zou uitzien; want het bestaat slechts uit droge +zandwoestijnen. + +Zoo is de Nijl voor Egypte de gewichtigste levensvoorwaarde. Daarvan +vertelt de geschiedenis van de verste Oudheid ons reeds. Want Egypte is +een der oudste cultuur-centra der aarde. Wie duizelt niet bij de +gedachte, dat de eerste koning van wien gegevens uit de Oudheid worden +medegedeeld 3200 jaren voor de christelijke jaartelling heeft geleefd +en dat de groote piramide bij Giseh 4600 jaren oud is! Het grafgewelf +ervan is in de vaste steenmassa ingemetseld en daar staat tegenwoordig +nog de sarcophaag van rood graniet van koning Cheops. Twee millioen +300.000 steenblokken, elk tien kubieke meter groot, zijn noodig geweest +om voor een vergankelijk koning een onvergankelijk grafteeken op te +richten! Het gaat door voor het grootste bouwwerk, wat ooit door +menschenhanden werd opgericht. Gebouwen van onzen tijd schrompelen +daarnaast tot niets ineen. Slechts de lange Chineesche muur zou er +zich, wat omvang betreft, mede kunnen meten, maar hij is vervallen en +voor het grootste deel van de aarde verdwenen, terwijl de piramide van +Cheops er nog altijd als voor duizenden jaren staat, nu eens door de +zon verwarmd, dan weer door het maanlicht beschenen, of als een +sprookjesachtige verschijning te midden van den duisteren, lauwwarmen +nacht. + +Twee duizend kilometer ten zuiden van de hoofdstad van Egypte eindigt +de woestijn en vandaar bedekken geweldige moerassen en dicht riet den +grond. Dit is Soedan, „het land der zwarten”. Op de landpunt, in welks +hoek de Witte en de Blauwe Nijl samenvloeien, lag Chartoem, de eenige +stad van Soedan, tot waar handelswegen van alle kanten heenleidden, en +waar de waren nooit onverkocht bleven liggen. Naar de kostbare veeren +van den snelvoetigen struisvogel was toch ter versiering der +Europeesche dameshoeden steeds groote navraag en eveneens naar het +kostbaar ivoor van de Afrikaansche olifanten die grooter en krachtiger +zijn dan hun Indische neven en die bij kudden worden neergeschoten of +in het woud in valkuilen worden gevangen. Maar het handelsartikel dat +het meest op prijs werd gesteld, en langs Chartoem ging, dat waren de +slaven, „het zwarte ivoor”, zooals hun hartelooze Arabische handelaars +hen noemden. Het vervoer der olifantstanden door paarden of ossen was +te duur, daar vele dieren bezweken onder de steken van de giftige +vliegen. Daarom moest het ivoor door menschen worden gedragen en zoodra +deze hun diensten hadden bewezen, werden zij zelf naar Egypte, Rome, +Syrië en Turkije verkocht. Wouden en woestijnen waren niet +onuitputtelijk, ivoor en struisveeren konden eens een einde nemen; voor +uitsterven van negers behoefde men niet te vreezen. Sedert voor drie +honderd jaren, een Engelsen kapitein de eerste scheepslading slaven +naar Amerika bevrachtte, heeft deze schandelijke handel tot in den +modernen tijd als een vloek gerust op het werelddeel der zwarten. + + + + + + + + +42. MET GORDON DEN NIJL OP. + + +Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de +bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel +eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte +mannen en vrouwen te stuiten. Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar +Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal +gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier +vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar +was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten. + +De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar +dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken +hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en +vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen. +Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van +papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe +doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik +en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het +aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle +openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden +weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo +stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke +dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en +vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de +regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa. +Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk +van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar. + +Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper +in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den +oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit +het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het +papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag +de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende +scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden +gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water +opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich +eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun +schaarsche bosschen. + +Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba +voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de derwisch Mohammed +Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van +Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s +moordenaar worden! + +Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die +tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu +begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid. +De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl +in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde +hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men +meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd. +Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan +de hongerenden durrha. + +De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige +muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar +toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een +moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze +moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren +reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij +zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land +veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek. + +Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote +meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van +Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl. +En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in +rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan +de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren +en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen. +Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel +gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in +brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de +oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s +nooit de waarheid had vernomen. + +Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren; +toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het +verder naar het Zuiden. De inboorlingen sloegen deze expeditie echter +met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden +het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was +Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij +verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te +worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk. +Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen +vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij +gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden +tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In +tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch +wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika, +precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad! + +Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der +Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een +heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen +gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren +duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren. + + + + + + + + +43. DE WITTE PACHA. + + +Drie jaren lang werkte Gordon aan den Boven-Nijl, in de nabijheid van +den aequator. Gedurende de volgende drie jaren vinden wij hem verder +noordelijk als stadhouder van het geheele Egyptische Soedan; Chartoem +is z’n hoofdstad. Zijn provincie is 2000 kilometer breed, vanaf de +Roode Zee tot aan de Sahara en haar uitgestrektheid naar het Noorden en +Zuiden is niet minder. + +Het geheele land bevindt zich in opstand. De Khedive van Egypte heeft +met den koning van het christelijk Abessinië een ongelukkigen oorlog +gevoerd en de Mohammedaansche rijken: Kordofan en Darfoer in Westelijk +Soedan zijn tegen hem opgestaan. Juist in dit deel van de provincie van +Gordon doorkruisen half wilde Bedouïnen-stammen de woestijn, eenige van +de boosaardigste slavenhandelaars hebben daar hun holen. + +In Mei 1877 beklimt Gordon zijn vluggen dromedaris voor een reis van +3300 kilometer. Hij zelf wil de dorpen en tentkampen der +slavenhandelaars in het ver verwijderd Darfoer opzoeken, ondanks het +warme jaargetijde. Troosteloos strekt zich naar alle kanten de woestijn +uit, grauwgeel, stoffig en droog. Als de zon de middaghoogte heeft +bereikt, verdwijnt de schaduw van den dromedaris bijna onder het dier. + +De eene mijl na de andere jaagt de Witte Pacha over het woestijnzand op +zijn prachtig rijdier, dat in geheel Soedan beroemd is. Eenige +honderden Egyptische ruiters volgen hem, maar ze blijven ver achter, +alleen de gids is in staat hem bij te houden. Geheimzinnig en +onverwacht als de wind stuift hij verder, en houdt voor de poort eener +oase stil nog voordat de wacht zijn geweer kan presenteeren. En nadat +hij uit naam van den Khedive zijn bevelen heeft uitgedeeld, verdwijnt +hij even geheimzinnig; niemand weet waarheen. In een andere 500 +kilometer verder liggende oase, heeft men bericht van zijn reis +ontvangen, en de hoofdman heeft wachten uitgezet, die de nadering van +den Witten Pacha moeten melden. Geel en zandig strekt zich in het rond +de door de zon doorgloeide woestijn uit, evenals de spiegel der zee; +mijlen ver moet men elken reiziger kunnen zien. Daar meldt de wacht +twee zwarte punten in het verschiet. Dat kunnen niet anders dan de +voorrijders van den pacha zijn, en het zal nog wel uren duren, voordat +hij zelf met zijn troepen aankomt. De beide punten worden grooter en +naderen snel; de lange pooten van den dromedaris glippen over den +woestijngrond, zij vliegen als op onzichtbare vleugelen. Daar zijn zij +reeds aan den rand van de oase, en de bewoners vertrouwen hun oogen +niet; de een der beide aangekomenen draagt de goudgeborduurde uniform +van den Egyptischen Pacha! Zonder vaandels en militaire muziek en al +den uiterlijken glans van z’n positie. Nooit had men in Soedan zoo een +stadhouder zien reizen. + +Even raadselachtig gauw is hij ook weer verdwenen; in onveilige +plaatsen legt hij bezetting; in andere streken bezet hij de paden die +naar de bronnen leiden, om oproerige stammen tot onderwerping te +dwingen. Met ijzeren gestrengheid breekt hij de macht der opperhoofden, +die nog slavenhandel drijven. Hij bevrijdt een menigte zwarte slaven en +vormt hen tot soldaten, want hij heeft manschappen noodig; de +krijgslieden van zijn gevolg zijn slechts het schuim van Egypte en +Syrië. Met een handvol mannen volbrengt hij goed gerichte aanvallen +tegen de zwakste punten van den vijand en overwint steeds. In vier +maanden heeft hij het oproer onderdrukt en de heerschappij der +slavenhandelaars gebroken! + +Het spoedig tot rust brengen van West-Soedan, was eveneens een +heldendaad en het is nauwelijks te begrijpen, hoe Gordon bijna +alleenstaand tegenover talrijke oproerige stammen, ze heeft volbracht. +Door zijn ontzaglijke snelheid en verrassende alomtegenwoordigheid, +deed hij de menschen gelooven, dat hij over heerscharen te beschikken +had, terwijl hem slechts eenige honderden mannen ten dienste stonden en +door zijn onwankelbare kalmte en zijn groot overwicht verlamde hij +elken aanslag. + +Een karavaan met slaven trekt door de woestijn. In lange rijen komen de +zwarte mannen aanloopen, die tot den zwaren arbeid der lijfeigenschap +veroordeeld zijn en de jonge meisjes, die voor de harems van Egypte en +Turkije bestemd zijn, gedreven door hun Arabische meesters, als vee, +met zweepslagen aangezet en dikwijls in den dood gedreven. Gedurende de +warmste uren van den dag wordt aan de van honger en dorst +versmachtenden toegestaan uit te rusten, maar de woestijn biedt geen +schaduw en zoo liggen zij midden in de gloeiende middagzon halfdood van +uitputting. En dan suist de zweep weer op de naakte ruggen neer, en in +de avondkoelte worden zij verder naar het Oosten gedreven. + +Daar nadert in een stofwolk de Witte Pacha. De tirannen vluchten als +kaf voor den wind, alle banden worden losgemaakt, alle honger gestild, +de mannen worden gewapend. Voor een troep slaven heeft het uur der +bevrijding geslagen! + +Zoo zuiverde Gordon geheel westelijk Soedan. Ten laatste bleef alleen +nog Dara in Zuid-Darfoer over. Hier hadden zich de machtigste +slavenkoningen, tot weerstand, verzameld. Maar als de bliksem viel hij +op zekeren dag hun tentkamp binnen. Zij hadden hem gemakkelijk om het +leven kunnen brengen; met bovenmenschelijke kalmte ging hij alleen +tusschen hun tenten rond, en niemand waagde het hem aan te raken. Toen +zijn troepen aankwamen, liet hij de opperhoofden in zijn tent komen en +stelde hen daar zijn voorwaarden: het neerleggen der wapenen en +terugtrekken naar hun haardsteden. En de een na den ander gehoorzaamde +en ging stil zijns weegs. + +Wie was deze buitengewone man, die zijn scepter over een land zwaaide, +dat grooter was dan alle koninkrijken van Europa te zamen; Arabieren, +Egyptenaren en negers, onderdrukkers en onderdrukten vreesden en +bewonderden hem evenzeer! Hij reed op zijn snelvoetigen dromedaris +sneller dan de roofzuchtige Bedouïn en haalde zelfs den struisvogel in +aan den rand van de Libysche woestijn! Geen gevaar schrikte hem af. +Rechtvaardigheid en bescherming van de zwakken, daarin bestond zijn +leven en hij verlangde geen loon. Een pacha, die zijn macht niet +gebruikt tot afpersingen—van zoo een had men nog nooit gehoord! De +herinnering aan Gordon zweeft nog heden als een lied en een sage over +de troostelooze woestijn! + +Wat bereikte Gordon door zijn rustelooze jacht voor het geluk der +zwarten? De slavenhandel wortelde als een onkruid veel te diep in +Afrika’s aarde, om opeens uitgeroeid te kunnen worden. Ternauwernood +was Gordon naar Chartoem teruggekeerd, of de slavenhandelaars begonnen +hun schandelijk bedrijf opnieuw. En toch gaf hij de hoop niet op. +„Stuur mij een man,” zoo schreef hij in zijn dagboek, „die geld, roem +en onderscheidingen veracht, die geen hoop meer koestert zijn +geboorteland terug te zien, en tot God opziet als de bron van het goede +en den wreker van het kwade, een man met gezond lichaam en ijzeren +karakter, die den dood beschouwt als den bevrijder van alle ellende—ik +neem hem in mijn dienst. Indien gij zoo een niet vindt, laat mij dan +alleen! Ik heb genoeg aan mijzelf te dragen; ik heb geen bagage +noodig!” + +Van uit zijn groot paleis te Chartoem regeerde Gordon zijn geweldige +provincie en richtte nieuwe slagen tegen den slavenhandel. Dikwijls lag +hij, als in September na de zomerwarmte de koortstijd begon, in hooge +koorts ijlend op zijn legerstede, of zwierf rusteloos door zijn eenzame +zalen, steeds nieuwe plannen smedend om de zwarten te redden. Voor hem +had het leven geen waarde, als hij het niet gebruiken kon om het lijden +van anderen te verminderen. + +Bij de wisseling van het jaar gistte het weer aan alle kanten. De +provincie Bahr el-Ghasal, die uit haar binnenland den Witten Nijl +talrijke zijrivieren toezendt, was in opstand, en Abessinië dreigde met +oorlog. In Bahr el-Ghasal regeerde Ziber, een machtig Arabisch +opperhoofd; deze had de brandfakkel tegen Egypte ontstoken en nu +dreigde de beweging zich over geheel Darfoer uit te breiden. Het +opperhoofd kocht bij de negerstammen in het hartje van Afrika een +menigte slaven, om hen als soldaten tegen Egypte te gebruiken. De +negers zelf hebben altijd den slavenhandel vergemakkelijkt; als de +stammen onder elkaar met bogen, speren en schilden, vervaardigd van de +huid van nijlpaarden, oorlog voerden, dan aten zij hun verslagen +vijanden op en verkochten de gevangenen als slaven. Daarom viel het aan +het Arabisch opperhoofd gemakkelijk manschappen te krijgen. Maar +Gordon’s waakzaamheid verijdelde zijn plannen. + +Ternauwernood was de rust weer hersteld, of Gordon ontving het bericht +dat Khedive Ismail Pacha afgezet was, en een nieuwe Khedive het lot van +Egypte bestuurde. Nu spoedde hij zich naar Kaïro en verzocht om zijn +ontslag. Maar de nieuwe Khedive kon hem niet missen, en drong bij hem +aan, dat hij bleef. Gordon liet zich overhalen en begaf zich nu, in +opdracht van den nieuwen Khedive, naar koning Johannes van Abessinië, +om te zien of de dreigende oorlog niet was af te wenden. Maar de koning +behandelde hem met minachting en stelde onaannemelijke voorwaarden. +Daarom keerde Gordon naar zijn hoofdstad Chartoem terug. Maar op het +oogenblik, dat hij de grenzen van Soedan had bereikt, werden hij en +zijn metgezellen door Abessinische ruiters gevangen genomen, die hem +dwongen Soedan te verlaten en door de met sneeuw bedekte bergen van +Abessinië den terugtocht naar de kusten van de Roode Zee te ondernemen. + +Zoo keerde hij weer naar Kaïro terug. Nijd en afgunst begluurden elk +zijner schreden. Vele Europeanen haatten en vreesden hem ook. Want +Egypte moest immers tot wanhoop worden gedreven; maar Gordon steunde +den Khedive. In zijn eigen vaderland, Engeland, werd hij belasterd en +zijn particuliere correspondentie met den Khedive werd in de dagbladen +openbaar gemaakt. De een noemde hem krankzinnig, de ander een +gevaarlijk avonturier. En toch was Gordon een der grootste en edelste +mannen, die ooit heeft geleefd. + +Spoedig daarop vinden wij hem in Bombay. Hier ontving hij een telegram +van den grooten staatsman Li-hung-tschang, die hem verzocht, dadelijk +naar Peking te komen. Rusland bedreigde China met den oorlog en China +dacht er nog aan, dat Gordon den Taiping-opstand had onderdrukt. +Werkelijk gelukte het hem weer door verstandigen raad, het krijgsgevaar +af te wenden, en hij leerde den Chineezen hoe zij hun verdediging +moesten inrichten. + +Welk blad van Gordon’s levensgeschiedenis wij ook opslaan, ze schijnt +ons steeds een heldensage toe. Na zijn terugkeer uit China vertoefde +hij in Ierland, daarna in Engelschen dienst, op het eiland Mauritius in +het Oosten van Madagascar, en spoedig daarop in Zuid-Afrika. In het +einde van 1882 was hij weer in Engeland en een jaar daarna dwaalde hij +eenzaam en vergeten door de straten van Jeruzalem. Hij zocht alle +plaatsen op, waar de Heiland had geleefd en geleden, alsof hij zich +door dezen pelgrimstocht wilde voorbereiden op het laatste jaar van +zijn merkwaardig leven. + + + + + + + + +44. DE ONTRUIMING VAN SOEDAN. + + +Intusschen waren gewichtige gebeurtenissen in Egypte voorgevallen. +Engeland had schepen en soldaten naar het land van den Khedive +uitgezonden, en in Egypte de macht aan zich getrokken. Mohammed Ahmed, +de koning der derwischen, die vroeger op het kleine Nijleiland Abba +woonde, had zich uitgegeven voor een Godsgezant, tot redding der +onderdrukten, als Mahdi of Messias van den Islam. In het Mohammedaansch +Soedan heerschte overal ontevredenheid, want Egypte had toch eindelijk +den slavenhandel verboden. Al de ontevreden stammen verzamelden zich +onder het vaandel van den Mahdi. Zijn doel was het afschudden van het +Egyptische juk, en als een brand der steppen vloog zijn oproep tot den +heiligen krijg door geheel Noord-Afrika. Met verstand en energie +tooverde hij uit het rampzalig Soedan zulk een machtig rijk, dat +Engeland in zorg geraakte. Een leger van 10000 Egyptenaren, dat +gedeeltelijk onder Engelsch bevel stond, werd, toen het Kordofan wilde +veroveren, zoo volkomen door de opgezweepte scharen van den Mahdi +vernietigd, dat er nauwelijks een ooggetuige overbleef van deze +gebeurtenis. Wapenen en ammunitie van dit leger beteekenden voor de +overwinnaars een welkome versterking. + +De positie van de Engelsche regeering was nu moeilijk. Soedan moest +veroverd of ontruimd worden. Men besloot het te ontruimen, maar in +Chartoem en in verschillende andere plaatsen aan den Aequator lag nog +Egyptisch garnizoen. Hoe zou men die uit de macht van den Mahdi redden +en den Nijl afvoeren? + +Daar herinnerde men zich den man, die Soedan het best kende en alleen +in staat zou zijn, deze reuzentaak, de redding van die garnizoenen, te +volvoeren! En toen in het einde van 1883 de nieuwe jobstijding kwam, +dat de Mahdi weer een Egyptisch leger, onder Engelsch commando, had +vernietigd, verzocht de Engelsche regeering aan Gordon, deze taak op +zich te willen nemen! Gordon verklaarde zich bereid en reisde dadelijk +naar Kaïro. + +Vandaar begon hij zijn laatste reis den Nijl op. Achter hem verdwenen +de prachtige moskeeën en minaretten van Kaïro, van welker galerijen de +priesters tot het gebed oproepen en de oeroude pyramide van Cheops +onttrok zich aan zijn oogen, achter heuvelen en palmboomen. In Korosko, +aan de noordelijke spits van de groote S-vormige kromming van den Nijl, +beklom hij zijn dromedaris en vervolgde het smalle, slingerende pad, +dat sinds duizenden jaren door de droge beddingen van de Nubische +woestijn, over verweerde vulkanische heuvels en door duinen van +verstikkend zand leidt. Wat was hij gelukkig, toen hij nu weer de +schreden van zijn dromedaris in het woestijnzand kon beluisteren; Alsof +de vlugge gang van zijn rijdier hem regelrecht naar het verlangde doel +moest voeren! Zoo was hij duizenden mijlen door Soedan gereden, toen +hij nog voor de bevrijding der slaven streed. Nu had hij slechts de +eene gedachte, de bedreigde garnizoenen te redden, ook al moest het +zijn eigen leven kosten. + +De garnizoenen in zekerheid brengen! Dat klonk zoo eenvoudig. Maar in +werkelijkheid was het een hopelooze opdracht. Chartoem ligt pas op de +helft van den weg naar den aequator, en het grootste deel van het +geheele land was in de macht van den Mahdi. Toch geloofde Gordon door +snel handelen zijn taak te kunnen vervullen, en zoo niet, dan wilde hij +in elk geval zijn plicht doen. + +Op den weg naar Abu Hammed, die de noordelijke bocht van den Nijl +afsnijdt, reed Gordon door de Nubische woestijn, bereikte gelukkig Abu +Hammed, en trok dan Nijlopwaarts verder over Berber naar Chartoem. +Ondanks den oorlog was de geheele weg vrij. + +De vanzelfsprekende taak van de Engelsche regeering, die een der der +grootste zonen van haar land naar Chartoem zond om vele duizenden +menschenlevens te redden, zou zijn geweest, bezetting naar Korosko, Abu +Hammed en Berber aan den Nijl te zenden, om den terugtocht der +garnizoenen te dekken! Maar inplaats daarvan redeneerden de Engelsche +ministers en Egyptische pacha’s, de gezanten generaals en ingenieurs +over en weer, kibbelden over kleinigheden, beproefden elkaar de loef af +te steken en vergaten daardoor de eenvoudigste van alle +voorzorgsmaatregelen, die binnen een maand uitgevoerd hadden kunnen +worden en het minst gekost zouden hebben! Inplaats van dit beraamde men +het plan een spoorlijn aan te leggen van de Roode Zee naar den Nijl; +maar de ingenieurs rekenden eindelijk uit, dat de aanleg twee jaren zou +duren en het water, dat men van de zee naar de woestijn zou moeten +oppompen, zou zoo duur worden, dat men even goed de stoomketels der +locomotieven met champagne zou kunnen vullen! Genoeg, Korosko, Berber +en Abu Hammed bleven zonder verdedigers, en daarmede waren Gordon en de +garnizoenen aan hun lot overgelaten! + + + + + + + + +45. IN DE MACHT VAN DEN MAHDI. + + +Den 18den Februari 1884 trok Gordon voor den tweeden keer als +stadhouder van Soedan Chartoem binnen, en nam weer zijn intrek in zijn +oude paleis. Wreedheid en onrecht van allerlei aard hadden, gedurende +de jaren zijner afwezigheid, om zich gegrepen. Nu opende hij de deuren +der overvolle gevangenissen, onbetaalde belastingpapieren werden +verbrand, allerhande martelwerktuigen gebroken en in den Nijl geworpen. +Daarna begon hij met de ontruiming der stad. Ongeveer 3000 vrouwen en +kinderen werden naar Abu Hammed en door de Nubische woestijn naar +Korosko gezonden; zij kwamen daar nog zonder gevaar en waren gered. +Langs denzelfden weg zou het oprukken van troepen uit Egypte een +kleinigheid zijn geweest. In plaats daarvan zond Engeland een expeditie +naar Soeakin, om aan de Roode Zee een vast standpunt te hebben! Dat +deed de woede der oproerige stammen in Soedan nog meer ontvlammen, want +zij veronderstelden natuurlijk, dat de blanken van daar uit hun land +wilden veroveren. Steeds vaster sloten zij zich aaneen, rondom den +Mahdi, en hun haat richtte zich tegen den gevreesden Gordon en de +weinige Europeanen, die zich met hem te Chartoem bevonden. + +Zoolang de telegraaflijn naar Kaïro nog in orde was, bracht Gordon de +machthebbers op de hoogte van zijn toestand. Vóór alles verlangde hij, +dat de weg van Soeakin naar Berber bezet werd, want ook vanaf deze lijn +was Soedan te beheerschen. Maar men verwierp zijn raadgevingen en +Berber werd door de troepen van den Mahdi veroverd. Verschillende, tot +nu toe bevriende opperhoofden ten Noorden en Noordoosten van Chartoem +voegden zich nu ook bij den Mahdi, onophoudelijk kwamen berichten van +nieuwe opstanden naar Chartoem, en in de stad zelf was Gordon aan alle +kanten door verraders omgeven. Den 10den Maart werd de telegraafkabel +doorgesneden, en nu lag een geheel halfjaar diep stilzwijgen over +Gordon en zijn manschappen! Reeds den 11den Maart vertoonden zich aan +den oever van de Roode Zee Arabische krijgslieden, de Mahdi trok het +net steeds vaster rondom de ongelukkige stad. + +Gedurende de laatste jaren had de Egyptische regeering Chartoem slechts +gebrekkig laten versterken en gedurende de eerste drie maanden der +belegering werkte Gordon dag en nacht aan de versterking der +verschansingen. Rondom de stad werden aarden wallen opgeworpen, +prikkeldraad aangebracht, en daar waar aanvallen te verwachten waren, +mijnen gelegd. Einde April was Chartoem geheel ingesloten, en alleen de +weg langs de rivier naar het Noorden vrij. Begin Mei gingen de +Arabieren den Blauwen Nijl over, leden echter groote verliezen door +ontploffende mijnen, en werden met kruppkanonnen uit hun stelling +gedreven. + +Zoolang het maar eenigszins mogelijk was, had Gordon troepen +uitgezonden om durrha en andere levensmiddelen te halen. Einde Juli +zuiverde hij met zijn beste troepen den oever van den Nijl en nam +dertien Arabische verschansingen. Maar tot dien tijd had hij reeds 700 +man verloren. Elke gedachte aan een ontruiming der stad was reeds +opgegeven. Het was nu nog slechts uithouden—tot het einde. + +In September 1884 was er nog proviand voor drie maanden voorhanden en +de Arabieren, die inzagen, dat zij de stad niet aan den Witten Pacha +konden ontnemen, besloten ze te laten uithongeren. + +In September had de Nijl zijn hoogsten waterstand bereikt. Hoe vaak +zullen Gordon en zijn beide makkers, overste Steward en Power, de +correspondent van de Times, wel niet vanaf het platte dak van het +paleis, naar het Noorden, naar verlangde hulp hebben uitgezien. Over de +watervallen beneden Chartoem en Berber bruiste het water tien meter +omlaag, en nu alleen was het mogelijk met een stoomboot naar Dongola +door te dringen. In den nacht van 9 September werd een der acht kleine +stoombooten, met welke Gordon de Arabieren van de oevers van den Witten +en den Blauwen Nijl placht te verdrijven, voor de afreis gereed +gehouden. Steward, Power, de Fransche consul en eenige Grieken, kortom +alle Europeanen in Chartoem, begaven zich aan boord en met hen vijftig +soldaten. Zij namen de belegeringskronieken, de ambtelijke geschriften, +de lijsten over proviand, ammunitie, wapenen en manschappen, de +verdedigingsplannen en alle papieren van waarde mede. Toen de stoomboot +van den oever afstiet, en bij het ochtendgrauwen in de schemering +verdween, was Gordon de eenige Europeaan in Chartoem. + +In Februari had de stad 60.000 inwoners gehad. Gedurende de belegering +werd echter het derde deel der inwoners verdreven, omdat men wist, dat +het verraders waren. Van de overige 40.000 kan Gordon zich +ternauwernood op de helft verlaten, en ook de betrouwbaren zijner +manschappen waren slechts daarop bedacht, hun have en goed te redden. +In vergelijking met de vreugdedronken, fanatieke derwischen, onder het +vaandel van den Mahdi, waren Gordon’s soldaten erbarmelijk gespuis. + +Wat nu gedurende dit halfjaar gebeurde, zal men nooit te weten komen. +Men weet slechts dat Gordon de versterking der stad krachtiger maakte, +de schepen en stoombooten met stalen platen bekleedde en met kanonnen +liet bewapenen en onvermoeid z’n soldaten tot weerstand oefende. Men +weet ook, dat hij waakte over de rechtvaardige verdeeling der +levensmiddelen, zieken en gewonden in de hospitalen opzocht en moed +insprak en de nachten doorbracht in de buitenwerken, waar het eerst +gevaar dreigde. In den bazaar kocht hij groote hoeveelheden blauw-groen +katoen, dat over de aarden wallen werd uitgespreid, opdat deze er +zouden uitzien alsof zij met stalen platen waren bedekt en den aanval +der Arabieren vertraagden, totdat men gereed was met het opwerpen van +nieuwe wallen binnen de oude. Maar al deze berichten zijn slechts bij +geruchten uit het belegerd Chartoem in de wereld gekomen. Want ook +Steward en de overige Europeanen bereikten het doel niet. Vlak achter +Abu Hammed leed de boot schipbreuk, de geheele bemanning werd door de +lieden van den Mahdi vermoord, en al de papieren van waarde van Gordon +vielen den overweldigers in handen! + + + + + + + + +46. HET DAGBOEK VAN GORDON. + + +Het eenige wat er aan betrouwbare berichten omtrent den tijd tusschen +10 September en 14 December 1884 is overgebleven, weten wij uit het +dagboek van Gordon, dat nog bestaat en aangrijpend is om te lezen. + +In Augustus had de Engelsche regeering eindelijk het besluit opgevat +een hulpexpeditie uit te zenden tot redding van Gordon. Het ging nu +niet meer om de garnizoenen, maar om Gordon zelf, de geheele wereld +verkeerde in opgewondenheid, over zijn lot, en met elke maand werd de +spanning grooter. Sedert een half jaar had men geen bericht van hem, en +nu overhaastte men het verleenen van hulp om nog bijtijds bij hem te +komen. Groote troepenmassa’s van alle wapenen werden naar het Zuiden +gezonden, rivierbooten bij honderden gebouwd, de beste Engelsche +officieren namen het bevel op zich, en reeds midden September trok het +eerste bataljon infanterie Dongola, in de noordelijkste helft van het +groote Nijlgebied, binnen. Intusschen waren de stoombooten pas te +Alexandrië aangekomen en moesten den Nijl nog af, over de gevaarlijke +en tijdroovende watervallen, en de woestijncolonnen, die bestemd waren +Chartoem te bestormen, hadden Engeland nog niet eens verlaten. + +Zonder verbinding met de buitenwereld, zonder vriend en makker, +vertrouwde Gordon zich slechts aan zijn dagboek toe, en in de weinige +bladzijden, die daarvan bewaard zijn gebleven, weerspiegelt zich zijn +diepst en innigst zieleleven. Hij is een held, een groot +legeraanvoerder en een goed christen. Hij beklaagt zich nooit en geen +verwijt tegen hen, die in het vaderland de verantwoording van zijn lot +dragen, komt over zijn lippen! Dag aan dag beschrijft hij den voortgang +der belegering zoo kalm en rustig, alsof het de eenvoudigste zaak ter +wereld was. Nergens spreekt hij van zijn eigen heldenmoed en de +nachtelijke uren van eenzaamheid, die hij onder het vijandelijk vuur +der schansen doorbracht; hij beproeft zelfs zijn heldenmoed te +verkleinen, terwijl hij eens schrijft: + +„Gedurende de belegering hebben wij vaak over de vraag omtrent de vrees +geredeneerd, dat gevoel, hetwelk een echte man volgens het oordeel der +wereld niet mag kennen. Ik ben echter steeds door vrees vervuld, +dikwijls zelfs zeer erg! Vrees voor den dood is dat echter niet, die +is, Gode zij dank, voorbij; maar vrees voor een nederlaag en haar +gevolgen. Ik geloof niet aan den steeds kalmen, onwrikbaren man. De +hoofdzaak is slechts dat hij niet toont, wat hij voelt. Daarom moet een +bevelhebber nooit te nauw samen zijn met zijn ondergeschikten. Want zij +slaan hem met scherpe oogen gade, en er bestaat geen gevaarlijker +besmettingsstof dan de vrees! Ik kon woedend worden, als ik van angst +niet kon eten, en dan zag dat de officieren aan mijn tafel dezelfde +neigingen hadden. Misschien vraagt men mij, waarom ik niet met Steward +en de anderen heenging? Nu eenvoudig daarom niet, omdat de menschen +hier niet zoo dwaas zouden zijn geweest, mij te laten gaan!” + +Ondertusschen legerden de derwischen ongeveer tien kilometer van de +buitenwerken en wachtten hun tijd af. Uit de verte werden schoten +gewisseld, maar de dagen verliepen toch nog eenigszins kalm. Den 20sten +September hoorde Gordon door een handig verkenner, dat de hulpexpeditie +onderweg was en tien dagen later zond hij zijn stoomboot een eind in +noordelijke richting, haar tegemoet, om het naderbrengen der troepen te +verhaasten. Maar daardoor boette hij ook de helft van zijn +weerstandskracht in. + +Den 21sten October kwam de Mahdi zelf in het leger rondom Chartoem en +den volgenden dag zond hij aan Gordon de bewijzen, dat de stoomboot van +Steward was vergaan, en alle opvarenden gedood waren; hij legde zelfs +een lijst over der dagboeken en aanteekeningen, die aan boord waren +gevonden. Uit deze papieren had de Mahdi tot op een dag gezien, hoe +lang Chartoem zich nog staande kon houden, hoe groot het garnizoen was +en hoe de verdediging was georganiseerd, waar de batterijen stonden en +hoe lang de ammunitie nog kon strekken. Dat was een ontzettende slag +voor Gordon, maar het brak zijn moed niet. Het meest deed hem den dood +van Steward en der overigen leed, daar hij meende er zelf schuld aan te +hebben. Hij liet den Mahdi echter zeggen: „Ook al kaapt gij mij 20.000 +booten weg, toch sta ik hier pal!” + +Den 2den November telde hij in de streng bewaakte schuur de zakken met +durrha. De proviand strekte nog voor zes weken. Deze termijn kon +verlengd worden, als de menschen op half rantsoen werden gesteld. Maar +waarom de bezetting door beperking van het dagelijksch voedsel onnoodig +zwakker maken? Zij waren toch al met volle magen moedeloos genoeg! + +Onder de troepen der Engelsche hulpexpeditie bevond zich een majoor +Kitchener, een naam, die later zeer beroemd is geworden. Hij beproefde +vermomd Chartoem binnen te sluipen en het gelukte hem Gordon de +schriftelijke mededeeling te doen toekomen, dat de hulpbrigade den +eersten November uit Dongola zou opbreken. Toen de brief aankwam, was +het corps reeds twee dagen onderweg; maar de weg tusschen Dongola en +Chartoem bedroeg 450 kilometer! + +De brief van Kitchener was in een dagblad gewikkeld. Sedert negen +maanden had Gordon niets meer dan duistere geruchten van de +buitenwereld gehoord en toen hij dit verdwaald blad, dat als omslag +diende, las, zag hij de eene kolom na de andere gevuld met berichten en +vermoedens over hemzelf. „De hulpexpeditie tot ontzet van Gordon” stond +daar gespatiëerd. Het opschrift ontstemde hem, en hij schreef in zijn +dagboek dat het moest heeten: „De expeditie tot ontzet der garnizoenen +in Soedan.” + +Gordon’s dagboek vertelt ons ook, hoe hij zijn dagen en nachten +doorbracht en hoe onvermoeid en ingespannen hij werkte. Pas te drie uur +’s nachts placht hij zich uitgeput op zijn legerstede neer te werpen. +Maar dikwijls was hij ternauwernood ingeslapen, of buiten werd +tromgeroffel vernomen. Hij ontwaakt, wrijft zich de oogen en herinnert +zich, dat hij in Chartoem is. Wat beteekent het geraas? Hij roept de +mannen in het geweer en de bevelhebbers naar de buitenwerken. Overdag +is Gordon alom tegenwoordig om zijn manschappen gerust te stellen en +aan te vuren. Slechts zelden blijft hem een kort ongestoord oogenblik +over om in zijn dagboek te schrijven. Als de dag aanbreekt, ziet hij +vanaf het dak in het rond. Vandaar overziet hij ver het vlakke land: +hij ziet hoe de Arabieren den belegeringsketting steeds vaster snoeren. +Hoe ver zijn de Engelsche legerscharen nog achter den vlakken rand van +den noordelijken horizon? Zullen zij komen voordat het te laat is? + +40.000 schoten werden dagelijks uit Chartoem afgevuurd en ondanks dat +reikte de ammunitie nog voor veertig dagen. De soldaten konden er +gerust op los schieten, de proviand reikte toch niet langer dan dertig +dagen. Maar Gordon dacht aan geen overgave; volhouden en vallen onder +de vlag, dat was zijn vast besluit. Talrijk waren de overloopers, die +Chartoem verlieten, de ratten verlieten het zinkende schip. Door +verraad omgeven, beproefde hij nog steeds de wegsmeltende scharen +zijner getrouwen staande te houden. + +Den 22sten November had Gordon in het geheel reeds twee duizend +soldaten verloren. Toch liet hij de hoop niet varen. Zijn dagboek +onthult, dat hij, indien redding bijtijds was gekomen, het plan had +gekoesterd, nog meer zuidelijk te trekken, om de garnizoenen in de +Aequator-provinciën hulp te verleenen! + +Den 10den December is er nog voor vijftien dagen proviand aanwezig. De +aanteekeningen in het dagboek worden steeds korter, en gewagen bijna +van niets anders dan van deserteurs, overloopers en het inslinken der +levensmiddelen. Den 14den December biedt zich nog een laatste +gelegenheid aan, uit Chartoem bericht te zenden en het dagboek, dat de +bode meeneemt, sluit daarom met dien datum, en met de woorden: „Ik heb +mijn best voor de eer van het vaderland gedaan, vaarwel!” Per brief +neemt hij van zijn vrienden afscheid en aan zijn zuster schrijft hij: +„Ik ben, Gode zij dank, volkomen gelukkig; ik heb mijn plicht gedaan.” +Aan een vriend verzoekt hij voor zijn familie te zorgen. Uit al zijn +afscheidsbrieven klinkt ons zijn onwankelbare heldhaftige kalmte tegen, +maar ook de zekerheid, dat hij sinds dit laatst vaarwel, alle hoop op +redding heeft begraven. + + + + + + + + +47. DE VAL VAN CHARTOEM EN HET EINDE VAN GORDON. + + +Na de afzending van het dagboek daalt op de laatste weken van Chartoem +ondoordringbare nacht. Van de hand van Gordon hebben wij geen bericht +meer en geen navorschingen zullen in staat zijn, volkomen licht over +zijn laatsten strijd te brengen. + +Door overloopers zijn nog enkele schaarsche berichten ontvangen. +Gedurende de veertig dagen, dat de stad zich na den 16den December +staande hield, werden 18000 inwoners in het legerkamp van den Mahdi +gezonden, om hen van den dood te redden. Daardoor reikte de proviand +voor de achterblijvenden langer dan men had berekend. De overige 14000 +burgers en soldaten werden op half rantsoen gezet; de hulpexpeditie +moest nu dicht bij zijn! Omdoerman, een fort aan den linker oever van +den Witten Nijl, dat reeds lang van de stad was afgesneden, viel en de +troepen van den Mahdi drongen van alle kanten op. Ontvluchte slaven +hebben medegedeeld, dat de Egyptische officieren zich hadden willen +overgeven, maar dat Gordon onder geen enkele voorwaarde zijn +toestemming had willen geven. Hij had zijn rekening met de wereld +afgesloten, en zoolang hij in leven was, wilde hij de vlag niet +strijken, ook al verlieten allen hem. Toen alle proviand op was, leefde +men van ratten en muizen, huiden en leer, en ontbolsterde men de +stammen der palmen, om de zachte vezels er binnen te eten. Ondanks +alles stond de Witte Pacha nog altijd met opgeheven hoofd en onbewolkt +voorhoofd, in de voorste gelederen, om zijn manschappen tot heldhaftige +verdediging aan te vuren. + +Intusschen trok de hulpbrigade zuidwaarts en bereikte 20 Januari 1895 +Metemma, 160 kilometer van Chartoem verwijderd. Hier stiet zij op de +stoombooten van Gordon, die reeds sedert vier maanden vergeefs hadden +gewacht. Vier dagen later vertrokken twee der stoombooten naar +Chartoem. + +Waarom werd er vier dagen gewacht, terwijl toch elk uur Gordon het +leven kon kosten? Nauwelijks een maand geleden had een bode van Gordon +het leger bereikt, en had een brief gebracht met de woorden: „In +Chartoem alles wel, kan nog jarenlang stand houden.” Daaruit maakte men +op, dat de toestand nog niet gevaarlijk kon zijn. Eerst later is men +den zin dezer woorden van Gordon goed gaan uitleggen. Hij wist dat de +bode door de troepen van den Mahdi zou gevangen genomen worden, en de +Mahdi wist, dat de stad elken dag kon vallen. Gordon wilde daarom den +bode voor gevangenschap en dood bewaren; de Mahdi moest den man wel met +genoegen laten loopen, want zijn boodschap zou den opmarsch van het +hulpleger slechts verlangzamen. + +Den 24sten Januari verlieten de beide stoombooten Metemma pas; +halverwege moesten zij over een waterval en verloren daardoor twee +dagen. Pas den 28sten hadden zij de watervallen achter zich en de +middagzon scheen helder, toen de Engelsche officieren Chartoem op de +landtong tusschen den Witten en den Blauwen Nijl zagen liggen. Alle +verrekijkers werden naar het hooge paleis gericht; men dorst niet te +spreken, ternauwernood adem te halen. Daar stond het paleis van Gordon, +maar—de vlag was gestreken! + +Toch stoomden de booten verder. Maar geen vreugdekreten begroetten de +bemanning, als vurig verlangde bevrijders. Toen zij in het bereik der +kogels waren, begonnen de derwischen op hen te vuren; woeste, door de +overwinning bedwelmde scharen, verzamelden zich aan den oever, Chartoem +was in de macht van den Mahdi; de hulp kwam acht-en-veertig uren te +laat! + +Twee dagen te voren, den 26sten Januari, hadden de derwischen, tot +uiterste woede geprikkeld door den hardnekkigen tegenstand, hun +voortdurende verliezen en den onuitputtelijken regen van kogels uit +Chartoem, zich verzameld tot een laatsten stormloop. De aanval +geschiedde gedurende de donkerste uren van den nacht, nadat de maan was +ondergegaan. De verdedigers werden verrast, bovendien waren zij +uitgeput en tengevolge van den honger onverschillig geworden voor hun +lot. Zij boden ternauwernood meer weerstand, toen de derwischen de stad +binnenstormden en hun wild gehuil in de straten en stegen weerklonk. + +Terwijl de razende bende der bloeddorstige derwischen naar het paleis +van Gordon drong, luisterde in het kamp van den Mahdi een tweede +Europeaan met koortsachtige spanning naar elk geluid, dat van de +vestingwerken van Chartoem tot hem doordrong. Met veertien meter lange +zware kettingen, met hals- en voetijzers geketend, lag hij voor zijn +tent en had al zijn bewonderenswaardige energie noodig, om den hem +bespiedenden bewakers zijn opwinding niet te verraden. Op de wallen van +de in het nauw gebrachte stad viel voor hem waarschijnlijk ook de +beslissing over leven en dood! + +Deze gevangene van den Mahdi was een vroeger Oostenrijksch officier, +Rudolf Slatin genaamd. Hij was tegen het eind van het jaar 1878, den +oproep van Gordon volgend, in dienst der Egyptische regeering gekomen, +en dank zij zijn geschiktheid en dapperheid, heerschte hij enkele jaren +later als gouverneur en militair commandant over de provincie Darfoer. +Hier was het zijn taak de roofzuchtige, als nomaden levende Arabieren, +in toom te houden en aan zijn onverschrokken geestkracht gelukte het +gaandeweg een reeks oproerige stammen met sterke hand ten onder te +brengen. Maar toen de Mahdi het vaandel van den profeet ophief en de +volkeren van Soedan tot den heiligen oorlog opriep, vielen ook de tot +nu toe getrouwen van de Egyptische regeering af, en na enkele weken +stond Slatin met zijn schaarsche en bovendien onbetrouwbare troepen +midden in het brandpunt van het oproer, dat bovendien nog door +persoonlijken haat en wraakzucht van den strengen gouverneur werd +aangewakkerd. Er viel aan geen ontkomen meer te denken, en na een +dappere verdediging moest Slatin zich in December 1883 met de overige +zijner soldaten overgeven aan de zegevierende overmacht van den Mahdi. + +Eerst hield de sluwe Mahdi hem in dragelijke gevangenschap; deze hooge +beambte der Egyptische regeering, die men bovendien voor den neef van +Gordon hield, was voor hem een maar al te kostbare gijzelaar. + +Uit krijgslist had Slatin reeds terwijl hij gouverneur was, den Islam +aangenomen: het fanatisme der Mahdisten had daarom dus geen reden meer +dezen „christenhond” als zooveel anderen met geweld uit den weg te +ruimen. + +Slatin had de hoop gekoesterd, bij de belegering van Chartoem naar +Gordon te kunnen ontvluchten. Maar de Mahdi doorzag hem, en had hem +voor Chartoem in boeien geslagen en streng laten bewaken om elke poging +tot ontvluchten en elke verbinding met Gordon onmogelijk te maken. Zoo +was deze gevangene de eenige overlevende Europeaan, die de belegering +van Chartoem van nabij en met het volle overzicht over de krachten der +strijdende partijen meeleefde. Wat aan schriftelijke berichten in +handen der derwischen viel, werd hem voorgelegd, want in het leger van +den Mahdi was hij alleen in staat, de brieven en rapporten van Gordon +te lezen. Slechts zijn ongewone tegenwoordigheid van geest en +verbazingwekkende dialektische handigheid, bewaarden hem voor het lot, +terwille van zijn eigen redding, door het vertalen van die brieven +verraad tegenover de zijnen te moeten plegen. De Mahdi was toch ook +door overloopers en door berichten van geheime aanhangers in Chartoem +zelf ruimschoots onderricht over den onhoudbaren toestand der belegerde +stad. Maar even precies kende Slatin nu den toestand van Gordon en toen +den 26sten Januari 1885 het leger van den Mahdi onder de beschutting +van den duisteren nacht en zoo geluidloos als maar mogelijk was tot de +bestorming van Chartoem uitrukte, maakte zich van den achtergebleven +gevangene, die tot nu toe ketenen en honger, verachting en spot, zijner +pijnigers met stoïcijnsche onverschilligheid had verdragen, een met het +uur groeiende zenuwachtigheid meester. + +Toen hij tegen het ochtendgrauwen van afmatting een weinig was +ingeslapen, werd hij eensklaps opgeschrikt door het geknetter der +geweren en de eerste kanonschoten. Er was in de schemering nog niets te +zien. Na eenige salvo’s vielen nog slechts enkele schoten, daarna werd +alles weer rustig. Dat kon toch onmogelijk de bestorming van Chartoem +zijn? + +De zon kwam op, in het rond was alles stil, de bewakers hadden zich, +door nieuwsgierigheid gedreven, verwijderd. Plotseling geschreeuw en +jubelkreten, de bewakers kwamen terug met het bericht: „Chartoem is +bestormd, en in handen der Mahdisten.” + +Deze jobstijding dreef Slatin uit zijn tent. Een groote menigte +menschen had zich verzameld voor de tenten van den Mahdi en zijn +kalifa’s. De menigte scheen zich in beweging te zetten en het staketsel +te naderen, waarmede de tent van Slatin werd omgeven. En werkelijk +kwamen ze nu in deze richting. Voorop liepen drie negersoldaten, een +hunner droeg een bloedigen bundel in de handen. Achter hen aan drong de +joelende menigte. De slaven traden binnen de omheining, bleven met +grijnzend gezicht voor Slatin staan, de een sloeg den doek van elkaar +en vertoonde aan den ontstelden gevangene het hoofd van generaal +Gordon! + +Het bloed steeg Slatin naar het hoofd, zijn adem stokte; met de +uiterste inspanning behield hij echter zooveel zelfbeheersching rustig +in het vale gelaat te zien. De blauwe oogen waren half geopend, de mond +had zijn natuurlijken vorm behouden, het gelaat was kalm, de trekken +niet verwrongen, het hoofdhaar en de korte bakkebaarden waren bijna +wit. + +„Is dat niet je oom, de ongeloovige?” vroeg de slaaf, het hoofd omhoog +houdend. + +„En wat zou dat dan?” antwoordde Slatin rustig. „In elk geval een +dapper soldaat, die op zijn post is gevallen en opgehouden heeft te +lijden. Wel hem!” + +„Je prijst den ongeloovige nog! Je zult de gevolgen ondervinden,” +bromde de slaaf en verwijderde zich langzaam met het schrikkelijk +teeken van den triomf van den Mahdi. De menigte drong brullend achter +hem aan. + +Slatin sleepte zich terug in zijn tent en wierp zich doodelijk afgemat +op den grond. Chartoem gevallen! Gordon dood! Dat was dus het einde van +den man, die zijn post met zooveel heldenmoed had verdedigd, een man, +die door velen misschien te hoog verheven en verafgood werd, door velen +miskend en belasterd, maar door zijn buitengewone eigenschappen, de +wereld echter met z’n roem had vervuld! Wat nut had nu de zegevierende +voorhoede, wat het geheele Engelsche leger? + +Door vrienden, die Slatin zich ook in het leger van den vijand door +zijn vrijgevigheid had verworven, vernam hij nu gaandeweg alle +bijzonderheden van den schrikkelijken nacht. De overval had Gordon niet +onvoorbereid gevonden, maar hij scheen niet verwacht te hebben, dat de +bestorming zoo gauw en in het vroege morgenuur ondernomen zou worden. +Ter misleiding van den vijand en tot amusement zijner manschappen, liet +hij nog den avond te voren een vuurwerk ontsteken, en juist toen de +Mahdi den stormloop voorbereidde, stegen de eerste raketten boven +Chartoem in bont kleurenspel ten hemel en de muziek speelde vroolijke +wijsjes, om de terneergeslagen gemoederen wat op te wekken. + +Het vuurwerk was uitgebrand, de muziek zweeg en de verdedigers van +Chartoem sliepen. Maar de vijanden waren maar al te wakker! Zij kenden +de versterking, wisten precies waar ze sterk, en met geregelde troepen +bezet, en waar ze zwak en slechts door de stadsbewoners verdedigd was. +Tegen deze zwakke plaatsen der versterking, hoofdzakelijk aan den +Witten Nijl, richtte zich bij het eerste ochtendgrauwen de hoofdaanval. +De verdedigers vluchtten en toen de soldaten op de muren der vesting +staande de Mahdisten in hun rug de stad zagen binnendringen, verlieten +ook zij hun post, en gaven zich meestal vrijwillig en zonder strijd +over. + +De Mahdisten beproefden voor alles de kerk en het paleis te bereiken, +omdat men daar schatten en in het laatste—voor alles, Gordon Pacha +hoopte te vinden. De dienaren van den generaal, die zich in de +benedenverdieping bevonden, werden neergesabeld. Hij zelf wachtte den +vijand af op de bovenste trede van de naar zijn vertrekken leidende +trap. Zonder zich te bekommeren om zijn groet, stiet hem de eerste +aanvaller, de treden opstormend, de lans in het lichaam. Gordon viel +met het gezicht naar voren zonder een geluid te geven op de trap, en +werd door zijn moordenaars tot aan den ingang van het paleis gesleept. +Hier werd zijn hoofd met een mes van den romp gescheiden, en naar den +Mahdi gezonden, die beval, dat men het aan Slatin zou toonen; de romp +werd prijs gegeven aan de fanatici en honderden van deze onmenschen +beproefden de spitsen hunner lansen en de scherpte van hun zwaarden aan +den gevallen held, die in enkele minuten een onherkenbare bloedige +massa geleek. + +Nog langen tijd daarna waren de sporen van deze bloedige daad voor het +paleis zichtbaar en de zwarte bloedvlek op de trap van het paleis geeft +de plaats aan waar men Gordon heeft vermoord; ze werd pas verwijderd, +toen de opvolger van den Mahdi, de Kalief, het regeeringspaleis tot +woning voor zijn vrouwen liet inrichten. + +Toen men den Mahdi het hoofd van generaal Gordon bracht, zei de +huichelaar, dat hij wenschte dat men hem levend in handen gekregen had, +want dat hij hem „na zijn bekeering” had willen uitleveren tegen +gevangen genomen derwischen. Wanneer het echter werkelijk zijn wensch +geweest was, Gordon’s leven te sparen, dan zou geen van zijn +volgelingen het gewaagd hebben om in strijd met zijn uitdrukkelijk +uitgesproken verlangen te handelen. + +De gruwelen, door de derwischen in de veroverde stad bedreven, spotten +met elke beschrijving. Gedurende de eerste dagen, tijdens welke de +Mahdi Chartoem aan plundering prijsgaf, werden slechts slaven en +slavinnen, benevens de mooiste vrouwen en meisjes der vrije stammen +gespaard, alle anderen hadden het uitsluitend aan het toeval te danken +wanneer ze er levend afkwamen. + +Tal van inwoners benamen zich vrijwillig het leven; een nog veel +grooter aantal werd door eigen slaven en vroegere vrienden vermoord, of +viel ten offer aan het zwaard der verraders, die voor de rooverbenden +als gids hadden gediend. + +Met het verhaal van al de gruweldaden, die in de weerlooze stad +gepleegd werden, zouden, zooals Slatin Pacha zelf zegt, boekdeelen te +vullen zijn. Ook de overlevenden gingen een droevig lot tegemoet. Nadat +alle huizen bezet waren, begon men naar verborgen schatten te zoeken; +geen ontkennen, geen plechtige verzekeringen mochten baten; hij op wien +slechts de minste verdenking viel—en bij wien was dit niet het +geval?—iets van waarde verborgen te hebben, werd zoolang gemarteld, +totdat hij bekend had, of, indien hij werkelijk niets te bekennen had, +totdat hij onder de handen zijner pijnigers den laatsten adem uitblies. + +En de Engelsch-Egyptische ontzettings-expeditie, waarvan de schepen +reeds in ’t zicht van Chartoem lagen? Met den val van Chartoem, en den +dood van Gordon, was haar taak afgeloopen, en bovendien waren er onder +de inlandsche bemanning der schepen zoovele verraders, dat de Engelsche +bemanning genoeg te doen had met er voor te zorgen, dat ze niet door de +brooddronken Mahdisten omsingeld werden, temeer daar ze in aantal lang +niet tegen deze benden opgewassen waren. Ze maakten daarom zoo snel +mogelijk rechtsomkeert, en lieten Soedan aan den Mahdi over, die nu +Omdoerman tot hoofdstad van zijn rijk verhief, dat van nu af niets meer +van de Egyptische regeering te duchten had. + + + + + + + + +48. DE VELDTOCHT VAN KITCHENER IN SOEDAN. + + +Hoe snel volgden daar ginds in het Oosten de gedenkwaardige +gebeurtenissen elkaar op! In 1881 had de Mahdi de vaan des oproers +geplant, en reeds na vier jaar was hij in het bezit der +alleenheerschappij over Soedan. Maar, lang zou hij de vruchten van zijn +overwinning niet plukken; den 28sten Juni 1885, juist vijf maanden na +den val van Chartoem stierf hij. + +Zijn opvolger, Abdullahi, nam den titel van Kalifa aan, en dertien +jaren zuchtte het ongelukkige land onder het juk zijner heerschappij! +De stammen van Soedan, het Egyptische juk moede, hadden den Mahdi als +hun bevrijder begroet. In plaats van Turksche pacha’s kregen ze thans +een despoot, die in schandelijke willekeur zijns gelijke zocht. +Abdullahi legde op al het bare geld en al het koren beslag, en +vaardigde de meest dwaze verordeningen uit. Wie niet gehoorzaamde, werd +opgehangen. Het land was ten prooi aan plundering en brandstichting, en +meer dan de helft der bevolking werd tijdens zijn bewind uitgeroeid. +Met de schatten die hij van zijn eigen volk stal, kon hij een +uitstekend leger op de been houden; eenmaal zou het uur der vergelding +slaan, en daarvoor moest hij zijn leger bereid houden. Zijn hoofdstad +was Omdoerman, waar de Mahdi onder den koepel eener moskee begraven +lag. Voordat de christenhonden zoover in zijn rijk waren doorgedrongen, +zouden hun geraamten allang verbleekt zijn in het zand der Nubische +woestijn. + +Maar, het uur der vergelding naderde. Langzaam trok een +Engelsch-Egyptisch leger Nijl-opwaarts, en de aanvoerder, generaal +Kitchener, de laatste die aan Gordon een brief had kunnen doen +toekomen, had zijn maatregelen zoo goed getroffen, dat hij reeds twee +jaren van te voren, bijna op den dag af, nauwkeurig het tijdstip had +kunnen voorspellen, waarop Chartoem en Omdoerman hem in handen zouden +vallen. + +Bij den Atbara, een der zijrivieren van den Nijl, versloeg hij, na een +moorddadig gevecht, een der legers van den Kalifa. In Augustus 1898 +trok de expeditie tegen Metemma op. In de voorhoede trokken de +verkenners en de lichte cavalerie, daarop volgden Egyptische troepen, +kanonnen en mitrailleurs, Engelsche troepen in lichte grauw-gele +uniformen met helmen van kurk, die de beste beschutting tegen de zon +opleveren, Egyptische troepen met hun bonte turbans en de rijk met goud +versierde uniformen der officieren. Daarop volgden eindelooze karavanen +van sterke transport-muilezels, dromedarissen beladen met kisten vol +proviand, ammunitie en wapenen, tenten, balen met kleedingstukken, de +geheele uitrusting voor een leger van twee en twintig duizend man. +Groote kudden slachtvee, ossen, schapen en geiten werden medegevoerd. +Het geleek op een lange, zwarte slang die daar over het gele zand langs +den Nijloever voortkronkelde. Zoover het oog reikte, niets dan +legerscharen; een schouwspel dat deed denken aan een groote +volksverhuizing der Israëlieten uit Egypte. + +Het leger bereikte zonder schermutselingen Metemma. + +Den 28sten Augustus was men nog slechts vier dagreizen van Chartoem +verwijderd, waar Engeland’s naam weer in eere hersteld zou worden! +Thans naderde de beslissende slag. De grauwe kanonneerbooten voeren +langzaam Nijlopwaarts; met verzengenden gloed bescheen de zon het +woestijnzand; maar stap voor stap ging het gestadig voorwaarts, en bij +het kampeeren werd het terrein zoo gekozen, dat een nachtelijke +overrompeling uitgesloten was. + +Daar verschenen in de verte bereden troepen derwischen. De weg voert +door struikgewas en tusschen twee heuvels door. Reeds komen witte +tenten en vaandels in ’t gezicht. Er weerklinkt tromgeroffel;—de Kalifa +roept de zijnen ten strijde op. Maar de derwischen trekken zich weder +terug; het Engelsch-Egyptisch leger vervolgt zijn weg. + +Eindelijk doemt in het Zuiden de koepel op, die zich welft over het +graf van den Mahdi; en daar bovenuit verheffen zich de leemen huizen en +grauwe muren van Omdoerman. Tusschen de stad en het leger breidt zich +een zandvlakte uit. Voor de stad vertoont zich een zwarte streep. +Wellicht een schans? Maar neen, het beweegt, de derwischen trekken ten +strijde. Thans is voor de blanken het oogenblik van wraak aangebroken, +nu begint een tooneel dat geheel Soedan van ontzetting zal vervullen. + +Het krijgsgehuil der derwischen nadert, reeds hoort men het kletteren +van hun wapenen. Op één kilometer afstand maken ze weer rechtsomkeert. +Kitchener laat de nacht rustig voorbijgaan, zijn tijd zal wel komen! + +Op den morgen van den 2den September is het leger strijdvaardig. Uit +den nevel komen van de heuvels in ’t Zuiden eenige ruiters te +voorschijn: Hun aantal groeit steeds aan; een strijdmacht van +vijftigduizend derwischen krioelt in bonte verwarring dooreen. + +Weer verheft zich hun fanatiek krijgsgehuil ten hemel, het rolt als een +loeiende stormwind over de vlakte. Ze komen aanstormen. God moge hun +genadig zijn! Zij rijden hun verderf tegemoet. Ze naderen in snellen +draf, ze willen zich als een lawine op den vijand storten; nu zijn ze +onder schot—daar knetteren duizenden geweren, en plotseling maken de +horden halt, terwijl de granaten in hun midden dood en verderf +verspreiden. + +Maar, slechts voor één oogenblik is de aanval in zijn vaart gestuit, +met een onversaagdheid, zooals alleen godsdienstig fanatisme die teweeg +kan brengen, rukken ze voort. De Engelsche mitrailleurs vuren zóó +onophoudelijk dat men slechts een gelijkmatig geknetter hoort. De +soldaten vuren zoo snel achtereen dat hun geweren warm worden, en door +anderen moeten worden vervangen. De derwischen vallen bij geheele +compagnieën tegelijk, maar de openingen in de gelederen worden steeds +weer aangevuld. De lijken in de witte, met bloed bevlekte mantels +bedekken de vlakte als de bloesems in het voorjaar na een wervelwind. +Eindelijk geven ze den strijd op, en trekken zich terug. + +„Voorwaarts naar Omdoerman!” klinkt het Engelsche commando. Nog is de +bloedige dag niet ten einde. De derwischen verzamelen zich opnieuw, de +vaan van den Kalifa wordt op den heuvel geplant, en daarnaast de groene +vaan van den profeet, om de geloovigen tot een laatsten vertwijfelenden +kamp op te roepen. De eene linie na de andere stort zich in het vuur, +om telkens weer opnieuw door de Engelsche kogels te worden weggemaaid. +De derwischen verweren zich als leeuwen, want het gaat hier om de +heerschappij in Soedan, Mahdi, Kalifa en paradijs, overwinning of dood! + +Toen de dag ten einde was, was het leger van den Kalifa vernietigd, en +de vaan die bij Gordon’s dood geheschen was, zonk in het stof. + +Elfduizend dooden, zestienduizend gewonden en vierduizend gevangenen! +De Kalifa zelf ontkwam. Zijn harem en zijn dienaren verlieten hem, en +hij die des morgens nog de alleenheerscher over een onmetelijk rijk +geweest was, zwierf bij het aanbreken van den avond eenzaam rond. Hij +vluchtte naar het Zuiden, en het gelukte hem een nieuw leger op de been +te brengen, dat echter het volgende jaar eveneens volkomen vernietigd +werd. Hij zelf sneuvelde. + +Thans bleef er voor den overwinnaar nog een dure plicht over. Sedert +Gordon’s dood waren dertien jaren en zes maanden verstreken en nu zou +de held zijn christelijke begrafenis deelachtig worden. Op het plein +voor Gordon’s paleis te Chartoem vormden de troepen drie zijden van een +carré; op de vierde zijde stond Kitchener temidden van zijn staf, en +omringd door de divisie- en brigade-generaals. Kitchener heft de hand +op, de vlag van Groot-Brittannië wordt op het paleis geheschen, begroet +door den donder van het geschut der kanonneerbooten. Het muziekkorps +der garde speelt het Engelsche volkslied. Dan wappert de vlag van +Egypte naast de Engelsche, begroet door de Egyptische volkshymne. Vier +geestelijken verrichten den lijkdienst. Dan blazen de Soedaneezen den +lievelingsmarsch van Gordon en een laatste hoera van officieren en +manschappen geldt den wreker van den gevallene, generaal Kitchener. + +In den generalen staf van het Engelsche leger bevond zich ook Slatin +Pacha, wien het na twaalfjarige, standvastig verduurde gevangenschap, +eindelijk gelukt was de waakzaamheid van den Kalifa en zijn dienaren te +verschalken, en na een avontuurlijke vlucht vaderland en familie weer +terug te zien. Na de wederoprichting van de Engelsch-Egyptische +heerschappij in Soedan werd hij tot generaal-inspector van dit land +benoemd + + + + + + + + +49. DE STRUISVOGEL. + + +Tegenwoordig is in Soedan alles anders geworden; een spoorweg loopt van +de Nijldelta naar Chartoem, en een andere van de Roode Zee naar Berber. +Chartoem bezit thans scholen, hospitalen, kerken en andere openbare +gebouwen en de stoombooten bevaren den Nijl tot aan de groote meren. +Gordon’s plan het Victoria-Niansa meer met Mombas aan de kust te +verbinden, is verwezenlijkt, en een spoorlijn doorsnijdt Britsch +Oost-Afrika. Kortom van alle kanten zijn de blanken steeds dieper in +het zwarte werelddeel binnengedrongen, en hebben zich de heerschappij +over bijna geheel Afrika verzekerd. De fauna van dit werelddeel is +dientengevolge herhaaldelijk in het gedrang gekomen, en door te grooten +ijver der jagers is in vele streken het wild volkomen uitgeroeid; het +heeft ontoegankelijke oorden opgezocht, waar het voorloopig nog +ongestoord kan voortleven. + +In de Sahara, in de Libysche Woestijn, op de vlakke velden aan den +boven-Nijl, op de steppen van Zuid-Afrika, overal waar open vlakten +zijn, leeft een der schoonste en belangwekkendste vertegenwoordigers +van Afrika’s dierenwereld, de struisvogel. Hoewel hij wegens zijn +kostbare vederen sedert tal van eeuwen wordt gejaagd, komt hij nog in +menigte voor. In de onherbergzame woestijnstreken houdt hij zich +evenwel niet op; hij leeft slechts daar, waar water in de nabijheid is. + +Deze wonderlijke vogel bereikt een hoogte van twee-en-een-halven meter +en weegt in volwassen toestand vijf-en-zeventig kilogram. Hij heeft een +kleinen, platten kop met groote, schitterende oogen. Zijn vleugels, +waaraan de kostbare vederen zitten, zijn zoo klein, dat zij hem niet in +staat stellen, om zich in de lucht te verheffen en te vliegen; maar als +vergoeding daarvoor kan hij een duizelingwekkende snelheid bereiken, en +laat een paard en ruiter ver achter zich. + +De struisvogels leven in kleine troepen bijeen van vijf of zes stuks. +Den morgen gebruiken ze om hun maag te vullen met planten, en ook wel +met kleine dieren en insekten. Dan rusten ze, of spelen met elkaar +waarbij ze in een kring over het zand loopen, zonder hinder te hebben +van de zon en den gloeienden bodem. Dan drinken ze, en des middags gaan +ze weer op jacht om voedsel te zoeken. Des avonds zoeken ze hun +legerstede op. + +Het scherpste zintuig van den struisvogel is het gezicht, hoewel ook +hun reuk en gehoor buitengewoon ontwikkeld zijn. Wanneer er gevaar in +aantocht is, vlucht hij fladderend weg en neemt dan passen, die een +lengte bereiken van drie tot vier meter. Door de waakzaamheid van den +struisvogel houdt de zebra zich bij voorkeur in zijn nabijheid op, +teneinde tijdig tegen naderend onheil gewaarschuwd te zijn. + +De struisvogeljacht wordt van ouds door de Arabieren van Noord-Afrika +op snelle paarden of dromedarissen uitgeoefend. Twee of drie ruiters +achtervolgen een mannetje, dat na een vlucht van een uur uitgeput is. +Weliswaar zijn dan ook de paarden aan het eind van hun krachten, maar +een der ruiters dwingt zijn ros tot een laatste krachtsinspanning, en +haalt ten slotte den struisvogel in; dan velt hij hem met een slag op +den kop terneer. Dan springen de ruiters van hun paarden, villen de +dieren en keeren de huid om, die dan dient als een zak, waarin ze de +veeren bergen, en zoo keeren ze dan weer naar hun tenten terug. + +De veeren van den wilden struisvogel zijn veel mooier en kostbaarder +dan die van de tamme exemplaren. Een volwassen struisvogel levert +steeds 14 groote, witte veeren op. + +De wijfjes leggen haar reusachtige eieren in kuilen in het zand, en, +merkwaardigerwijze, zijn ’t de mannetjes die de eieren uitbroeden. +Overdag gaan ze uren lang van het nest af, maar dekken de eieren met +zand toe. Reeds na anderhalve maand komen de jongen uit, ze zijn dan +even groot als jonge hanen, maar een enkel struisvogelei weegt dan ook +evenveel als vier-en-twintig kippeneieren tezamen, en heeft in +doorsnede een lengte van vijftien centimeter. + +De eetlust van den struisvogel is verwonderlijk. Er is bijna niets wat +hij versmaadt. De groote dierenkenner Brehm, die er tamme struisvogels +op na hield, vertelt dat ze ratten en kuikens verteren, kleine steenen +inslikken, en dat tweemaal zijn sleutelbos in een struisvogelmaag +verdween. Men vond eenmaal in zulk een maag voor vier kilogram aan +„diversen”, en wel: steenen, lompen, metaal, munten, sleutels, enz. +Brehm bezat een tamme baviaan, die met alle dieren in vijandschap +leefde, alleen niet met de struisvogels; maar op den duur ging ook deze +vriendschap over in vijandschap, want wanneer de baviaan op een muur +van den hof zat, en zijn staart naar beneden liet hangen, kwam altijd +een der struisvogels, die nu eenmaal niets kon zien of hij moest +dadelijk probeeren hoe het smaakte, en die hem altijd in dit gevoelige +aanhangsel beet. De aap werd dan natuurlijk woedend, en sprong op den +struisvogel toe, die er nooit zonder eenige schrammen en geplukte +veeren afkwam. + +Er wordt wel eens beweerd, dat de struisvogel het domste dier is dat er +bestaat. Dit is een bewering die niet door alle Zoölogen gedeeld wordt. +De Duitsche onderzoekingsreizer Schillings, die beroemd is wegens zijn +moment-opnamen, des nachts van wilde dieren gemaakt, volgde op zekeren +keer uren lang het spoor van eenige leeuwen; het spoor bracht hem langs +een struisvogelnest waarin een paar jongen waren, die pas waren +uitgebroed. De ouden waren klaarblijkelijk niet aanwezig, en, +merkwaardigerwijze hadden de leeuwen de jongen ongemoeid gelaten. +Spoedig vond hij de oplossing van dit raadsel: de oude struisvogels, +die in den helderen maannacht reeds lang van tevoren het gevaar hadden +zien aankomen, waren bij het naderen der leeuwen opgesprongen om ze van +het nest weg te lokken. Deze list was hun ook gelukt, het spoor wees +eindelijk uit dat de leeuwen de vluchtende struisvogels achtervolgd +hadden, en zoodoende zich steeds verder van het nest hadden verwijderd. +Toen het struisvogelpaar meende dat ze den vijand ver genoeg hadden +weggelokt, waren ze omgekeerd om langs een omweg weer naar hun jongen +terug te keeren. + + + + + + + + +50. LEEUWENJACHT. + + +We begeven ons thans naar Mombas, aan Afrika’s Oostkust, vlak ten +zuiden van den aequator. Hier bevinden we ons in het gebied van den +Afrikaanschen leeuw. De beste gids die er voor deze streken bestaat, +vergezelt ons, namelijk de Engelsche overste Patterson; talrijk zijn de +avonturen die hij heeft meegemaakt op zijn leeuwenjachten, en van een +dezer avonturen willen we nu vertellen. Hoewel het een verhaal vol van +verschrikkingen zal zijn, is ’t toch in waarheid gebeurd, en +onopgesmukt, zooals duizenden die er getuigen van waren, zouden kunnen +bevestigen. + +Overste Patterson was in het jaar 1898 gedetacheerd bij den +Uganda-spoorweg, die van Mombas door Britsch Oost-Afrika +noordwestwaarts naar het Victoria-Niansa-meer, een der groote meren, +waaruit de Nijl zijn oorsprong neemt, loopt. Bij zijn aankomst aldaar +liep de spoorweg nog niet verder dan tot aan den Tsavo, een klein +zijriviertje van den Sabaki, die ten noorden van Mombas in de zee +uitstroomt. Hier aan den Tsavo, waar een houten hulpbrug gebouwd was, +die door Patterson vervangen zou worden door een ijzeren brug, +kampeerde hij met een paar duizend Indische arbeiders. + +Eenige dagen na zijn aankomst hoorde Patterson van twee leeuwen, die de +streek onveilig maakten. Aanvankelijk sloeg hij niet veel acht op dit +gerucht, totdat na verloop van eenigen tijd een zijner bedienden door +een leeuw werd weggesleept. Een makker van den ongelukkige, die in +dezelfde tent sliep, had gezien hoe de leeuw midden in den nacht het +kamp onhoorbaar binnensloop, de tent binnendrong, en Patterson’s +bediende bij de keel greep. De man had geroepen „Laat me los!” en zijn +arm om den hals van het roofdier geslagen. Toen was het kamp weer in +diepe stilte gehuld. Des morgens kon de overste het spoor van den leeuw +gemakkelijk volgen, want langs den geheelen weg hadden de voeten van +het slachtoffer door het zand gesleept; daar waar de leeuw zijn prooi +verslonden had, lagen nog slechts de kleedingstukken van den +ongelukkige, en zijn hoofd; een namelooze ontzetting sprak uit de +gebroken oogen. + +Diep door dit droevige schouwspel bewogen, zwoer de overste niet eerder +te zullen rusten voordat de beide leeuwen gedood waren. Met zijn buks +in de hand hield hij den volgenden nacht in de nabijheid van de tent +zijner bedienden de wacht. Toen het stil en donker geworden was, +weerklonk in de verte een gebrul, dat steeds meer nabij kwam; de +leeuwen kwamen om een nieuw offer te halen. Toen werd het wederom stil; +de leeuw bespringt zijn prooi in stilte; alleen wanneer hij zijn +zwerftochten begint, stoot hij een dof gebrul uit, als om de bewoners +der wildernis te waarschuwen. De overste wachtte—daar weerklonk +plotseling in het naastbijzijnde kamp, op een afstand van ongeveer +honderd meter, een kreet van ontzetting. Dan weer diepe stilte. Weer +hadden de roofdieren hun prooi weggesleept. + +Nu verborg de overste zich in het andere kamp. Maar ook hier werd hij +teleurgesteld. Van uit de verte klonk den volgenden nacht een +hartverscheurende kreet—een derde arbeider was weggesleurd. + +De Indische arbeiders sliepen in verschillende kampen, en de leeuwen +hadden elken nacht een ander kamp uitgezocht, teneinde de menschen op +een dwaalspoor te brengen. Toen ze nu bemerkten dat ze verscheidene +nachten achtereen ongestraft hun prooi hadden kunnen wegsleuren, werden +ze steeds overmoediger, en toonden niet den geringsten angst voor de +wachtvuren. Ze stoorden zich zelfs in ’t geheel niet aan de kogels, die +hun in de duisternis werden nagezonden. + +Men bouwde thans om elk kamp een hooge, stevige omheining van +doornstruiken, maar toch gelukte het den leeuwen steeds er over heen te +springen of er doorheen te breken. Overdag volgde overste Patterson het +spoor in alle richtingen, maar zoodra hij op rotsachtig terrein kwam, +hield natuurlijk elk spoor op. Nog ernstiger werd de toestand, toen de +spoorweg meer landwaarts gelegd werd, en slechts een paar honderd +arbeiders bij de Tsavo-brug achterbleven. De heiningen werden bizonder +hoog en stevig gebouwd, de kampvuren gloeiden als brandstapels, overal +werden wachtposten uitgezet, de buksen lagen gereed, en in elk kamp +moest een man op oliekannen trommelen om de dieren te verjagen. Maar +toch verdwenen steeds weer nieuwe offers. De arbeiders waren zóó +verlamd van angst, dat ze niet eens konden schieten wanneer de leeuwen +vlakbij waren. Eens werd zelfs een zieke uit de hospitaaltent +weggesleept. Het volgende offer was een waterdrager, hij had met het +hoofd naar het midden der tent, en met de voeten naar de opening +gelegen; de leeuwen waren over de heining heen gesprongen, hadden den +man bij de voeten beetgepakt, en naar buiten gesleurd. De ongelukkige +had zich aan een kist vastgeklemd, dan aan een stuk touw van de tent; +het touw was afgebroken, en de leeuw was met zijn buit in den bek langs +de omheining geloopen om een open plek te zoeken, waar hij doorheen was +gedrongen. Hier vond men des morgens eenige flarden van kleederen en +stukken vleesch. De tweede leeuw had aan de buitenzijde gewacht, en +samen hadden ze den buit gedeeld. Een hand van het slachtoffer was +overgebleven, en daaraan stak een ring, die naar zijn vrouw in Indië +gestuurd werd. + +Hierop volgde een periode van rust. De leeuwen waren klaarblijkelijk +elders bezig, en de arbeiders begonnen reeds wegens de hitte buiten de +tenten te slapen. Op zekeren nacht zaten ze rondom het wachtvuur toen +de eene leeuw plotseling over de omheining sprong, voor hen bleef +staan, en ze aanstaarde. Alles sprong in ontzetting op wierp met +steenen en brandende stukken hout naar het ondier. Maar de leeuw deed +onversaagd een sprong, pakte weer een der mannen en stormde met hem +door de omheining heen, weg. Het andere dier wachtte hem daarbuiten, en +op slechts dertig meter afstand van het kamp verslonden ze samen hun +prooi. + +Een geheele week achtereen hield de overste de wacht in een der kampen, +waar het bezoek te wachten was. Er is, zooals hij zelf zegt, niets +afmattender voor de zenuwen dan zulk een vruchteloos afwachten. Altijd +hoorde hij het waarschuwende gebrul in de verte, wanneer de roofdieren +in aantocht waren. Dan riepen de wachters: „Past op, broeders, de +duivel komt!” En dan weerklonken altijd weer een oogenblik later de +angstkreten van het slachtoffer dat weggesleurd werd! Tenslotte werden +de leeuwen zoo overmoedig dat ze beiden tegelijk over de heining +sprongen, om ieder voor zich een prooi te maken. Eenmaal gelukte het +een der leeuwen niet om zijn buit door de heining heen te sleepen, en +hij moest zich tevreden stellen met zijn aandeel in de buit van zijn +makker. De man, dien hij had moeten achterlaten, was echter zoo +gruwelijk toegetakeld, dat hij reeds stierf voordat men hem in de +ziekentent had kunnen brengen. De arbeiders, uitgeput als ze waren door +hun voortdurend doodsgevaar en het waken, konden dezen toestand +eindelijk niet meer uithouden; ze legden het werk neer. Ze waren naar +Afrika gekomen om geld te verdienen bij het aanleggen van een spoorweg, +en niet om als voedsel te dienen voor leeuwen. Op zekeren dag hielden +ze een trein aan, vulden de wagens met al hun hebben en houden, en +vertrokken naar de kust. De enkele dapperen, die bij overste Patterson +stand hielden, overnachtten in boomen, in het waterreservoir of in +overdekte kuilen, die ze in hun tenten gegraven hadden. + +Nu had overste Patterson een Engelschen kameraad uitgenoodigd om bij +hem aan den Tsavo te komen en aan de jacht op de beide leeuwen deel te +nemen. De trein, waarmede die aankwam, had vertraging en het was reeds +donker toen hij zich door het struikgewas op weg naar het kamp begaf. +Hij werd slechts door één bediende met een lantaarn vergezeld. Toen hij +halverwege gekomen was, sprong plotseling een leeuw van de glooiïng van +een heuvel naar beneden, bracht den Engelschman bloedende wonden in den +rug toe, en zou hem meegesleurd hebben, wanneer deze niet zijn karabijn +had afgevuurd. Door den knal verdoofd, liet de leeuw onwillekeurig los, +maar wierp zich nu op den bediende en was het volgende oogenblik met +zijn prooi in het struikgewas verdwenen. + +Eenige dagen later meldde een Suaheli, de afstammeling van een +Arabischen vader en een negerin, dat de leeuw een ezel geroofd had, en +nu bezig was, dien vlak in de nabijheid te verslinden. De overste +snelde naar de plek, die de boodschapper hem aanwees, en zag reeds +vanuit de verte den gelen rug van het dier. Ongelukkigerwijze trad hij +op een tak. De leeuw verdween in het ondoordringbare struikgewas. Nu +werd iedereen die in de nabijheid was ontboden, en van trommels en +blikken kannen voorzien, ondernamen ze een klopjacht, terwijl de +overste zich in een hinderlaag legde bij de plek waar het beest +waarschijnlijk te voorschijn zou komen. En ja, daar kwam hij te +voorschijn, een geweldige leeuw, grimmig en woedend gemaakt door die +stoornis. Langzaam liep hij rechtuit; telkens bleef hij stilstaan, en +hij was zoozeer in beslag genomen door het lawaai achter zich, dat hij +den jager in ’t geheel niet opmerkte. Nu was hij nog slechts op dertien +meter afstand; de overste nam zijn buks op—daar hoorde de leeuw de +beweging, zette zich met de voorpooten schrap, en bereidde zich, +snuivend van woede, voor tot een sprong. De overste richtte zijn buks +op den manenlooze kop en—het schot weigerde! + +Maar op hetzelfde oogenblik draaide de leeuw zich om en nam de wijk in +de struiken; een schot beantwoordde hij met een woedend gebrul. Nu +moest de overste tot aan het aanbreken van den nacht geduld hebben. In +de haast had hij die verraderlijke buks van iemand geleend; nu was het +zaak om op zijn eigen wapenen te vertrouwen. De ezel lag daar nog +onaangeroerd. In de onmiddellijke nabijheid van het lijk werd een +verhevenheid van vier meter hoogte opgericht, waarop tegen +zonsondergang de overste post vatte. Aan den aequator duurt de +schemering slechts zeer kort, en wanneer de maan niet schijnt, wordt +het snel donkere nacht. Dan heerscht er over Afrika’s vlakten een +drukkende, onheilspellende stilte. Patterson zelf bekent dat het hem +steeds banger te moede werd, naarmate de uren voorbij gingen. Met het +geweer in de hand bleef hij onbeweeglijk staan wachten; hij was er +zeker van, dat de leeuw zou komen, om tezamen met zijn makker den ezel +te verslinden, want uit de arbeiderskampen waren dezen avond geen +angstkreten opgestegen. + +Klonk het daar niet alsof er een dunne tak onder een zwaren last brak? +Een groot dier drong zich tusschen de struiken door, dat was duidelijk +te hooren. Dan weer diepe stilte, nu een dof gesteun, het teeken van +honger—het dier was in de nabijheid. Weer een zacht ruischen tusschen +de struiken, daarna verbrak een vreeselijk gebrul de nachtelijke +stilte. De leeuw had lucht gekregen van de nabijheid van een mensch. +Zou hij omkeeren? Integendeel, hij versmaadt nu den ezel, en gaat +regelrecht op den overste af! + +Twee uren lang kroop het roofdier in steeds enger kringen om de +verhevenheid heen. Het werd den jager bang te moede. Plotseling voelt +hij hoe iets zachts zijn nek aanraakt—„nu heeft het monster me” dacht +hij! Maar ’t was slechts een nachtuil, die de roerlooze gestalte van +den overste niet bemerkt had. + +Eindelijk besloot de leeuw tot den aanval en maakte zich gereed tot een +sprong. Nauwelijks was het dier te onderscheiden van den bodem. Daar +knalde het eerste schot door den nacht; de leeuw stiet een ontzettend +gebrul uit en vluchtte in het struikgewas, waar hij zich, brullend van +pijn, rondwentelde. Maar het gebrul werd zwakker, om eindelijk na een +langgerekt gesteun, te verstommen. De rekening met den eersten roover +was vereffend! + +Nog voor het aanbreken van den dag kwamen de arbeiders aangestroomd, en +droegen den overste onder luid gejuich in triomf om den dooden leeuw +rond. De tweede leeuw zette evenwel zijn bezoeken voort, maar werd ook +spoedig neergeschoten. + +Nu kon het werk aan den spoorwegaanleg weer voortgezet worden, en de +overste genoot in die streek, die hij van een plaag bevrijd had, de +grootste populariteit. + +Patterson beleefde een groot aantal van zulke jachtavonturen, niet +slechts met leeuwen, maar ook met neushoorns, nijlpaarden, luipaarden, +giraffen, krokodillen, enz. Nog een zijner avonturen moge hier een +plaats vinden. + +Op zekeren dag had hij in een klein station ten noorden van den Tsavo +met den politiecommissaris Ryall in een spoorwagen gedineerd, zonder +eenig vermoeden te hebben van het lot dat dezen man, eenige maanden +later, precies in denzelfden wagen zou treffen. Een leeuw had dit +station als zijn jachtterrein uitgekozen, en sleepte den eenen man na +den anderen weg. De politiecommissaris begaf zich met twee andere +Europeanen daarheen, om de streek van dien roover te bevrijden. Bij hun +aankomst vernamen ze, dat het dier nog kort te voren in de nabijheid +gezien was, en dat het dus niet ver weg kon wezen. Dus besloten de drie +Europeanen om des nachts de wacht te houden. Ryall’s wagen werd +afgehaakt, en op een zijspoor geschoven. Hier was de onderbouw nog niet +gereed, zoodat de wagen een weinig scheef stond. Na het eten zouden zij +afwisselend de wacht houden. Ryall het eerst. In den wagen stonden twee +sofa’s die als bedden dienst deden, de eene tamelijk hoog boven den +bodem. Ryall had ze zijn gasten aangeboden, maar de eene wilde liever +tusschen de beide sofa’s op den grond liggen. Toen nu Ryall meende dat +hij lang genoeg gewaakt had, en er geen spoor van den leeuw te bekennen +viel, legde hij zich op de lagere sofa ter ruste. + +De wagen was voorzien van een schuifdeur die zeer gemakkelijk open en +dicht schoof, en niet gesloten was. Toen alles stil was, kwam de leeuw +uit het struikgewas in de nabijheid te voorschijn sluipen, sprong op +het achterplatvorm van den wagen, maakte met zijn poot de deur open en +gleed onhoorbaar naar binnen. Maar, nauwelijks was hij binnen, of de +deur schoof tengevolge van den scheeven stand van den wagen, weer +dicht, en sprong in het slot. Nu was het beest met drie slapende mannen +in den wagen opgesloten! De slaper op de bovenste sofa werd wakker +geschrikt door een rauwen angstkreet, en zag hoe de leeuw met de +achterpooten op den eenen man, die op den bodem lag, en met de +voorpooten op Ryall stond. Met den moed der vertwijfeling sprong hij +van de sofa op, om de tegenover liggende deur te bereiken, maar hij kon +het dier niet voorbijkomen, zonder op zijn rug te stappen! Tot zijn +ontzetting bemerkte hij dat de bedienden, door het leven wakker +geschrikt, de deur van buiten dicht hielden. Toch gelukte het hem, met +aanwending van alle krachten, de deur te openen, en naar buiten te +komen, waarop men ze snel sloot. In hetzelfde oogenblik klonk een +verschrikkelijk gekraak—de leeuw was met Ryall in den bek door het +venster gesprongen, en, daar de opening te smal was, had hij het +houtwerk als glas versplinterd! Den volgenden dag werden de +overblijfselen van den ongelukkige gevonden en begraven. De leeuw werd +later in een val gevangen, en nog vele dagen lang tentoongesteld, +voordat hij werd doodgeschoten. + + + + + + + + +51. HET NIJLPAARD. + + +In de meren en stroomen van midden-Afrika leeft het groote, plompe, +monsterachtige nijlpaard, de Behemoth uit den bijbel. In oude tijden +kwam het ook voor in Beneden Egypte, waar het „rivierzwijn” heette. +Tegenwoordig moet men echter al een heel eind zuidelijk van Nubië +komen, wil men het aantreffen. Het onderneemt in tal van stroomen +tochten, waarbij het zich naar den waterstand richt: wanneer de +waterspiegel daalt, dan trekt het dier stroomafwaarts, en wanneer het +water weer wast, dan gaat ’t weer stroomopwaarts. + +Terwijl andere diersoorten sedert de vroegste zoölogische tijdperken +groote gedaante-veranderingen hebben ondergaan, is het nijlpaard in +hoofdzaak hetzelfde gebleven. Zoo komt het dat dit dier nog heden een +voorwereldlijken indruk maakte. Het ronde, plompe lichaam rust op vier +korte, vormlooze pooten, met vier hoeven aan elken poot. De kop is +bijna vierkant, oogen en ooren zijn klein, de muil is geweldig breed en +de neusgaten zijn groot. De twee centimeter dikke huid is onbehaard en +heeft, naar gelang het dier nat of droog is, een grauwe, donkerbruine, +of wel vuilroode kleur. Het wordt, de kleine staart niet meegerekend, +vier meter lang, en weegt evenveel als dertig volwassen mannen. + +De nijlpaarden blijven voor het grootste deel van den tijd in het +water; des nachts komen ze aan land, voornamelijk dáár, waar de stroom +hun niet veel voedsel biedt. Wanneer men stil over rustig stroomend +water heen vaart, dan kan men de dieren vaak verrassen; wanneer ze +opduiken om versche lucht in te ademen, dan stijgen de waterstralen uit +hun neusgaten naar boven. Dan duiken ze weer, en blijven wel drie of +vier minuten onder water. Wanneer ze vlak onder den waterspiegel zijn, +ziet men slechts zes kleine stippen: ooren, oogen en neusgaten. Wanneer +ze gevaar meenen te bespeuren, dan steken ze slechts met hun neusgaten +boven het water uit, en ademen zoo zacht als ze maar kunnen. + +Vaak klimmen ze op het droge, om zich in de zon te koesteren, dan hoort +men hoe ze voortdurend een gegrom van welbehagen uitstooten. Tegen den +avond zoeken ze echter dieper water op, waar ze rondzwemmen, en, met +een voor zulke logge dieren groote behendigheid, elkaar najagen. Ze +zwemmen steeds in troepen bijeen, en ontwikkelen daarbij een groote +snelheid, terwijl ze de lucht met hun gebrul vervullen. Maar ze kunnen +ook zoo zachtjes zwemmen, dat men het water in ’t geheel niet hoort +ruischen. Wanneer een nijlpaard gewond is, brengt hij het water in zoo +heftige beroering, dat kleine booten vaak gevaar loopen te kantelen. +Wanneer meerdere oude mannetjes tegelijk hun gebrul uitstooten, +weerklinkt het wijd en zijd door het oerwoud, als het rollen van den +donder. Er is geen ander dier dat zulk een geluid kan teweegbrengen; +zelfs de leeuw blijft dan luisterend staan. + +Aan den Boven-Nijl, voorbij Chartoem, waar een welige plantengroei de +oevers bedekt, en waar talrijke stilstaande plassen en moerassen zijn, +gaat het nijlpaard, evenals de krokodil slechts zelden aan land. Het +voedt zich hier met lotusstengels en rietgewassen die in deze +moerassige streken voorkomen; van tijd tot tijd duikt het dier onder, +en wroet op den bodem van den stroom; wanneer het zijn geweldigen bek +met bladeren en stengels gevuld heeft, komt het weer naar boven, +waarbij dan het water in stroomen van zijn breeden rug afloopt, en dan +ontplooien de geweldige tanden hun kracht. De eetlust van het dier is +even groot als zijn geheele wezen. + +In streken, waar de oevers door bebouwde velden omzoomd worden, richt +hij onder het koren en de groenten groote schade aan, zelfs het leven +der menschen wordt daar door hem bedreigd. Wanneer hij door een boot in +zijn rust gestoord wordt, laat hij niet met zich spotten. Het +gevaarlijkste is het wijfjesnijlpaard, zoolang ze haar jong, dat ze op +den rug overal meevoert, bij zich heeft. Een buks moet, om eenige +uitwerking te hebben op het dikke huid-pantser, geducht geladen zijn. +Wanneer het dier, na getroffen te zijn, snuift en onderduikt, dan is ’t +voor den jager verloren; wanneer het zich echter uit het water verheft, +om dan weer neer te vallen, dan heeft het een doodelijke wond +ontvangen; in dit geval zinkt het onmiddellijk, en de jager heeft niets +anders te doen dan een paar uur te wachten, totdat het lijk aan de +oppervlakte komt drijven. + +Enkele negerstammen aan den Witten Nijl graven kuilen om daarin de +nijlpaarden te vangen. Langs de stroomen, die in den noordelijken oever +van het Ngami-meer uitmonden, maken de inboorlingen jacht op deze +dieren met harpoenen, die voorzien zijn van scherpe, ijzeren weerhaken. +Door middel van een lang touw is aan den harpoen een stuk kurk +bevestigd. Op een rieten vlot zijn twee kano’s vastgemaakt, daar +tusschen in hurken de zwarte jagers met hun harpoenen en lichte speren. +Het vlot drijft geruischloos stroomafwaarts. In de verte hoort men de +dieren snuiven en in het water rondplassen. Het gesprek der jagers +verstomt, ieder moet op zijn post zijn. Daar ziet men de donkere +gestalten, die gedeeltelijk boven het water uitsteken. Ze vermoeden +geen gevaar van dat vlot dat door den stroom langs hen heen gedreven +wordt. Vlak naast het vlot komt een nijlpaard opduiken. Op dit +oogenblik verheft zich een harpoenier, en stoot het dier bliksemsnel +zijn wapen in de zijde. Het dier duikt onder, maar het stuk kurk dat op +het water blijft drijven, duidt de plek aan waar het zich bevindt. +Zoodra het weer boven komt, wordt het met een hagelbui van speren +ontvangen door de jagers die inmiddels hun kano’s van het vlot in het +water hebben geschoven. Weer duikt het dier onder en laat een +bloedroode streep in het water achter. Wanneer het nog eens naar boven +komt en weer door een hagelbui van speren ontvangen wordt, komt het +vaak voor, dat het woedend wordt, zich tegen zijn vervolgers richt, en +een kano die zich wat al te dicht in zijn nabijheid gewaagd heeft, met +de tanden versplintert, of wel met den kop omstoot. Soms koelt het +verwonde nijlpaard zijn woede niet alleen aan de kano, maar werpt zich +ook op de mannen, en menige koene jager is door hem reeds verscheurd. + +Wanneer echter het dier uitgeput is, dan vischt de jager het stuk kurk +op, roeit aan land, bindt een touw om een boomstam, en trekt zoolang +tot hij zijn buit op het droge gekregen heeft. + +Het vleesch van nijlpaarden wordt met graagte gegeten. Het vleesch der +jongere en het vet van oudere exemplaren wordt voor bijzonder smakelijk +gehouden; de tong is een lekkernij. Uit de huid vervaardigd men zweepen +en schilden en nog tal van andere zaken; ook de groote hoektanden zijn +van waarde. Vele diergaarden in Europa bezitten nijlpaarden die als +jongen gevangen zijn. Wanneer men een jong wil bemachtigen, moet men +eerst de moeder dooden, want ook in het gevaar verlaat het jong de +moeder niet, het gaat zelfs niet van haar lijk weg. Deze jonge dieren, +die voor zoölogische tuinen gevangen worden, worden met bijzonder +ingerichte harpoenen gewond, die zoo gemaakt zijn, dat de wond niet +diep in de huid doordringt en dus spoedig weer geneest. In den eersten +tijd wordt het jong met koemelk gevoed; voor een enkelen maaltijd +gebruikt het de melk van vier koeien. Maar, vaak kwijnen ze weg in de +gevangenschap; ze droomen van Afrika’s meren en stroomen, waar ze lagen +tusschen kokosbladen en riet. In plaats van den ruischenden stroom, +moeten ze zich thans tevreden stellen met een armzalig bassin. En toch +is, volgens den bijbel, het nijlpaard het eerste van Gods schepselen. + + + + + + + + +52. DAVID LIVINGSTONE. + + +In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij +Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens +naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en +werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen, +meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen +leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd. + +Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en +schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten +studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een +spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken. +Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet, +en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het +garen heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de +fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven +daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een +hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van +boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel +mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op +de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten. + +Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij +zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het +Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem +wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te +verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen +hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester, +ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een +kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste +semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te +verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich +door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op +zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar +Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge +zendings-arts reisde af naar Afrika. + +Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het +noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte +hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te +leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen. +Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250 +K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder +zijn wagen gehurkt. + +De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te +worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone +verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te +huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden +was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar +Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook +later voor de slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een +symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone +begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren +later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche +gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd +volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden. +Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner +medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog +was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet +door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige +stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed +en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier +te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen +wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel +eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de +inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen +kinderen.” + +Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over +de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die +over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit +dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der +zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde +woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze +wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo +machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats +van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te +buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was +dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer +hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven +de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen +mede. + +In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van +de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad +uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne +bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere +voor hem waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze +streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven +in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die +geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone +maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond, +en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer +uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij +het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds +rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op +het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen +aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar +gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog +dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij +heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen +opheffen. + +Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe +zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde +arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het +met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling +Moffat in Koeroeman. + +Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde +Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet +tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie +hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig +kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen +opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks +van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van +huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen +wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren, +smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis +voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf +zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde. + +Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar +zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het +Christendom te zullen bekeeren, en wel met behulp van een flinke zweep. +Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde +weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van +een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan +Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na +weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want +een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig! + +Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het +gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden +de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel +duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten +derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de +overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is. +Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen +dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen +land van vreemden afhankelijk. + +Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde, +verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en +wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een +kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan +inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd +gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar +het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg +en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde +onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen. + +Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was +gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer +noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal +een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel +verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen +te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met +hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens +laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de +vriendschap der inboorlingen, want wanneer het gold een zieke te +helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te +denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen +kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen. + +De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn +arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en +beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en +tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die +zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en +ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te +ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken, +waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als +dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in +Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een +groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren +volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht +te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel. +Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs +open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te +vestigen. + + + + + + + + +53. DE ONTDEKKING VAN HET NGAMI-MEER. + + +Reeds toen Livingstone voor het eerst Afrika betreden had, en in +Koeroeman vertoefde, hoorde hij, dat er ver in het Noorden, een groot +zoetwatermeer was, dat men Ngami noemde. En op een zijner latere +tochten was het hem zelfs gelukt om dit meer, dat nog nooit door +Europeanen bezocht was, tot op tien dagreizen te naderen. Maar hij +moest toen omkeeren, omdat onder zijn trekossen de runderpest uitbrak. +Nu kwam echter op zekeren dag te Kolobeng een bode bij hem van den +zwarten koning Letscholetebe, wiens gebied aan het Ngami-meer gelegen +was; deze liet den zendeling verzoeken om tot hem te komen en beloofde +hem een goed onthaal. Ook was er in zijn land veel ivoor. Toen de +menschen van Livingstone van ivoor hoorden, waren ze terstond tot de +lange reis bereid, en den 1sten Juni 1849 ging het weder noordwaarts. +Een vriend van Livingstone, de Engelschman Oswell ging mee; als een +welgesteld man had hij verscheidene wagens, tachtig ossen, twintig +paarden en vijf-en-twintig dienaren medegenomen. Een dezer laatsten +diende als gids, want reeds na twee dagen voerde de weg langs streken +die nog nooit door een Europeaan betreden waren. Aan den woestijnrand +kampeerden ze; overal in de rondte waren de bronnen uitgedroogd. +Slechts in een kuil, waar een neushoorn zich in het zand rondgewenteld +had, stond nog zooveel water, dat elk paard een slok kon nemen, maar +voor de ossen was het niet toereikend, en daar de weg, tot aan de +volgende rustplaats honderd en twintig kilometer lang was, en dwars +door de beruchte Kalahari-woestijn liep, werden de ossen weer +teruggedreven naar een veertig kilometer verder terug gelegen bron. +Toen ze terugkwamen, had men echter reeds verscheidene waterrijke +bronnen opgegraven, en toen de karavaan opbrak, hadden alle dieren +zooveel gedronken als ze maar wilden. + +Verlaten en dor strekte de woestijn zich voor hun oogen uit. De +uitgedroogde wagens knarsten over de zandvlakte, en de raderen zonken +diep in het mulle zand. De ossen, die gebrek hadden aan water, verloren +snel hun krachten. Na een tocht van drie dagen door de Kalahari, had +men pas zeventig K.M. afgelegd. Toen raakte plotseling de gids de kluts +kwijt, en wanneer men hem vroeg hoever het nog was tot aan de naaste +bron, dan antwoordde hij op goed geluk af: vijftig kilometer. Een +somber vooruitzicht voor de reizigers! Voordat ze zoover kwamen, zouden +alle ossen allang van dorst omgekomen zijn! De paarden moesten +vooruitgezonden worden, dan bleven die tenminste gespaard. In geval van +nood kon men dan, wanneer de geheele karavaan omkwam, met de paarden +verder trekken en van de jacht leven. Bovendien zouden de ossen het +spoor van de paarden kunnen volgen, en misschien, door hun instinct +geleid, een bron vinden. + +De paarden en hun berijders waren echter nauwelijks een uur weg, of ze +kwamen aan een oase, en spoedig verried het kwaken van kikvorschen de +aanwezigheid van een waterplas, die allen het leven redde. + +Na een tocht van twee maanden bereikte Livingstone de oevers van het +Ngami-meer, dat nog nooit door een Europeaan aanschouwd was. De koning +Letscholetebe bleek evenwel niet zoo vriendschappelijk gezind te zijn +als men gehoopt had. Toen hij hoorde dat Livingstone nog verder +noordwaarts wilde trekken, naar het groote stamhoofd Sebitoeane, was +hij bang dat deze van de blanken vuurwapenen zou krijgen en +strooptochten in zijn gebied zou ondernemen. Dientengevolge moest de +expeditie weer naar Kolobeng terugkeeren. Maar Livingstone’s volharding +kende geen hinderpalen; hij kwam nog een tweeden keer aan het +Ngami-meer terug, vergezeld van zijn familie en van Oswell. Op dezen +tocht kwam hij ook in het gebied van den machtigen Sebitoeane, die hem +gastvrij ontving. Dit stamhoofd, in dit deel van Midden-Afrika als een +goedhartig mensch bekend, was blij een blanke te zien, en begreep +terstond dat deze zendeling hem en zijn stam goed gezind was. Reeds den +eersten Zondag woonde hij de godsdienstoefening bij, en luisterde +aandachtig naar Livingstone’s woorden. Eenige dagen later kreeg +Sebitoeane echter een longontsteking, en het duurde niet lang of +Livingstone zag dat het stamhoofd op sterven lag. Zijn laatste woorden +golden Livingstone’s kleinen zoon: „Breng hem in de hut van de vrouwen +en geef hem wat melk!” Toen blies Livingstone’s nieuwe vriend den +laatsten adem uit. + +Nu zetten de beide reizigers hun tocht noordoostwaarts voort, naar het +groote dorp Linjanti, en ontdekten spoedig daarop een groote rivier, de +Zambesi. Haar benedenloop was den Europeanen reeds lang bekend, maar +niemand kende haar bovenloop. Het klimaat van deze streken was zeer +ongezond, aan het oprichten van een zendingsstation viel hier dan ook +niet te denken. Het Makololo-volk, de stam van het doode opperhoofd, +beloofde hem weliswaar grondbezit, hutten en ossen, wanneer hij daar +wilde blijven, maar Livingstone had grootere plannen. Voordat hier aan +een zendingsstation gedacht kon worden, moest er eerst een eerlijke +handel bloeien; ook het Makololo-volk was begonnen slaven te verkoopen, +teneinde in het bezit te komen van vuurwapenen en andere begeerlijke +zaken uit Europa. Wanneer men ze nu er toe kon brengen om met ivoor en +struisvederen handel te drijven, dan konden ze evengoed alles wat hun +hart begeerde van de Europeanen in ruil bekomen. Maar daartoe ontbrak +in de eerste plaats een weg naar de kust, hetzij van den Atlantischen, +hetzij van den Indischen Oceaan, en het was Livingstone’s plan, zulk +een weg te zoeken. Later, zoo meende hij, wanneer de slavenhandel voor +een eerlijken handel had plaats gemaakt, zou het nog altijd tijd genoeg +wezen om hier het christendom te prediken. + +Zoo trok hij dan weer zuidwaarts. Vrouw en kinderen konden hem op deze +moeitevolle tochten niet vergezellen; hij zond ze naar Engeland. In +Kaapstad nam hij van de zijnen afscheid, daarop reisde hij alleen naar +Koeroeman, en begaf zich langs een omweg naar Kolobeng. Hij had +onderweg veel oponthoud, en ditmaal was dat zijn geluk. Want intusschen +had de eerste President der Boerenrepubliek, Pretorius, met zeshonderd +Boeren, en zevenhonderd aangeworven zwarten Kolobeng verwoest, +Livingstone’s geheele have geroofd, zijn vee weggedreven, alles wat ze +niet konden meenemen, tot zelfs de meubels, stuk geslagen, zijn boeken +verscheurd, de dorpen der inboorlingen overvallen, en zestig menschen +met kanonnen neergeschoten. De verwachting der Boeren, om Livingstone +zelf in handen te krijgen, werd gelukkig niet verwezenlijkt. De zwarten +hadden zich echter dapper verweerd, en vijf-en-dertig dooden hadden de +Boeren moeten achterlaten. Deze overval moest een straf voor de zwarten +zijn, omdat ze Engelsche reizigers vrijen doortocht verschaft hadden. +Daarbij waren deze Boeren Christenen, maar ze sloten hun land voor alle +Europeanen, teneinde ongehinderd zelve de zwarten te kunnen mishandelen +en uitzuigen, en ze als slaven te kunnen gebruiken, terwijl ze zelf +rustig thuis zaten, hun pijp rookten, en in kalme gemoedsrust—den +Bijbel lazen! + + + + + + + + +54. VAN KUST TOT KUST. + + +In het jaar 1853 begon Livingstone zijn verderen tocht naar de +Westkust, en kwam eerst bij het Makololo-volk. Hier heerschte thans +Sebitoeane’s zoon Sekeletoe, die hem vriendelijk ontving, en hem het +liefst in het geheel niet meer had laten gaan. Toen Livingstone toch +langs de Zambesi stroomopwaarts verder trok, begeleidde de koning hem +met tal van krijgers. Na eenige dagmarschen stiet men op den +halfbroeder des konings, die Mpepe heette; deze was een slavenhandelaar +en stond Sekeletoe reeds lang naar het leven, om daardoor zijn eigen +macht te vergrooten. Tweemaal poogde Mpepe zijn stiefbroeder te dooden, +en eenmaal was het Livingstone, die den koning voor een speerworp +behoedde. De strijd tusschen deze beide mededingers eindigde met den +dood van Mpepe. + +Nog verder stroomopwaarts aan de Zambesi woonde de vader van den +gedoode. Deze verbond zich nu met het opperhoofd van een naburigen +stam, om gezamenlijk zijn zoon te wreken. Bij het eerste samentreffen +werden eerst vreedzame onderhandelingen gevoerd, totdat plotseling +Sekeletoe een teeken gaf; terstond omringden zijn krijgers de beide +vijandelijke stamhoofden, en voordat Livingstone het kon verhinderen, +werden ze door de mannen van Sekeletoe neergehouwen. De lijken werden +in stukken gehakt, en den krokodillen in de Zambesi voorgeworpen. +Livingstone was over deze verraderlijke daad zoo verontwaardigd, dat +hij terstond deze streken verliet, en verder trok. + +Nu maakte Livingstone zijn gedenkwaardigen tocht van Linjanti naar +Loanda aan de Westkust ten zuiden van de uitmonding van den Congo. Nog +geen Europeaan had voor hem dezen weg afgelegd. Zijn geleide bestond +uit zeven-en-twintig Makololo-manen, en zijn bagage uit bijna niets +anders dan kralen en stukken goed, de in Afrika gangbare munt. Proviand +had hij niet meegenomen, omdat hij van plan was dat men zou leven van +wat er onderweg zou worden geschoten of gevangen. + +Het was een inspannende, moeitevolle tocht waarbij men door het gebied +van tallooze wilde stammen trok. Eerst ging het stroomopwaarts langs de +Zambesi, en dan langs den anderen oever. Tengevolge van hevige regens +moest men telkens over sterk gezwollen beken en door verraderlijke +moerassen trekken. + +Sedert Livingstone eens met een boot droevige ervaringen had opgedaan, +liet hij zich steeds door een os door het natte element dragen. + +Wolken muskieten zwermden boven den vochtigen grond en de koorts +ondermijnde Livingstone zoo hevig, dat hij niet eens meer op zijn os +kon zitten. Maar onder al deze plagen verzuimde hij niet de natuur +rondom hem gade te slaan en de kaart van den door hem genomen weg uit +te werken. Zijn dagboek was een dik deel met sterken omslag en voorzien +van een slot. Hij schreef daarin fijn en sierlijk, alsof het gedrukt +was. Men zou hebben gedacht, dat het de mannen uit Makololo moede zou +zijn geworden door onbekende streken en volkeren te trekken; maar niets +was in staat hen hun heer en leidsman te doen verlaten. + +Reeds bij het begin van deze lange reis had Livingstone een schaar van +achttien aan elkaar geketende slaven bevrijd, en hoe verder hij door de +bosschen drong, des te vaker moest hij zien, hoe de slavenhandel de +menschen verwilderde, hen wantrouwend en vijandig maakte. Meermalen +bevrijdde hij troepen slaven door den drijver eenvoudig te bevelen, de +gevangenen te laten loopen. + +Door goedheid en vriendelijkheid verwierf Livingstone overal het +vertrouwen der wilden, zoodat zij hem niet alleen vrij lieten +doortrekken, maar zelfs levensmiddelen schonken. Mocht al soms een +opperhoofd moeilijkheden maken, en als schatting een os, een geweer of +een van Livingstone’s geleiders verlangen, wist hij toch zoo goed met +hem klaar te komen, dat deze hem ten slotte in vrede verder liet +trekken. Dikwijls ontwapende hij zulk een opperhoofd met een grapje, en +als dat niet hielp, kalmeerde hij de opgewonden gemoederen door zijn +tooverlantaarn met bijbelsche platen. In gespannen verwachting +verdrongen de zwarten, als de platen op het scherm verschenen, zich +achter hem, niet vrij van angst, dat het geesten zouden zijn, die hen +kwaad wilden doen. Maar van een anderen godsdienst dan het kijken naar +deze bijbelsche platen wilden zij niets hooren. + +Zoo naderde Livingstone met zijn dappere schaar voetje voor voetje de +Westkust. Kort voor zijn doel werd hem echter nog een zware schatting +afgeperst door een onverzoenlijk opperhoofd; hij boette zijn wollen +deken, zijn scheermes en een menigte kleedingstukken in, en zijn +manschappen moesten hun sieraden en hun koperen armbanden afstaan. Van +alles beroofd, ontmoetten zij eindelijk een Portugees, en onder zijn +geleide hield Livingstone zijn intocht in het Portugeesche gebied aan +de Westkust. Door de Portugeezen in Loanda werd Livingstone gastvrij +opgenomen; zij bezorgden hem alles wat hij noodig had, en voorzagen hem +van top tot teen van nieuwe kleeren. + +Voor Loanda lagen verscheidene Engelsche kruisers, die daar gekomen +waren om den slavenhandel onmogelijk te maken. Hier bij zijn +landslieden verheugde zich Livingstone in een heerlijken rusttijd. Welk +een genot weer eens in een behoorlijk bed te slapen, nadat hij een half +jaar lang slechts op den vochtigen grond had gelegen! En hoeveel nieuws +vernam hij nu niet uit de groote wereld, waaruit zoo lang geen bericht +tot hem was doorgedrongen. Men vertelde hem van den Krim-oorlog, waarin +Gordon als onbekend luitenant voor het eerst streed, en van de +hulp-expeditie, die uitgevaren was om den Noordpoolvaarder Franklin en +zijn ongelukkige makkers te zoeken. Na jarenlang rondtrekken in het +zwarte werelddeel, zou het maar al te heerlijk zijn geweest, in een +gemakkelijke scheepskajuit op den terugweg naar Engeland uit te rusten! + +Maar Livingstone weerstond de verzoeking. Hij wilde zijn trouwe +Makololo-manschappen niet aan een onzeker lot overlaten, daar hij +bovendien had vastgesteld, dat de weg naar de Westkust zich niet +eigende voor een handelsweg. Misschien bood de Zambesi een zekeren weg +van de binnenlanden naar de Oostkust, en om dit vast te stellen, +weerstond hij alle gevaar en koortsaanvallen, nam afscheid van de +Engelschen en Portugeezen en trok nog eens het donkere Afrika binnen. + +Voordat Livingstone echter Loanda verliet, ordende hij zijn papieren, +zijn aanteekeningen en kaarten van de nieuw ontdekte landen tot een +geweldig pakket. Maar het Engelsche schip, dat zijn post aan boord had +genomen, leed schipbreuk bij Madeira en verging met man en muis! +Slechts één passagier werd gered. Livingstone bevond zich nog in de +nabijheid van de kust, toen hem deze ongelukstijding bereikte, en nu +moest hij al deze aanteekeningen en teekeningen nog eens over maken, +een werk dat verscheiden maanden in beslag nam. En toch kan hij nog van +geluk spreken! Indien hij zijn Makololo-mannen in den steek had gelaten +en naar zijn vaderland was teruggegaan, dan zou ook hij met het +verongelukte schip te gronde zijn gegaan. + +Regen en ziekte veroorzaakten op deze nieuwe reis vele hinderpalen, +maar anders liep ze gemakkelijker van stapel dan de vorige. Uit Loanda +had hij een grooten voorraad geschenken voor de opperhoofden meegenomen +en nu was hij bij zijn terugkeer ook reeds een bekende voor hen. Toen +hij de dorpen van het Makololo-volk weer binnentrok, kwam de geheele +stam hem tegemoet om hem te begroeten. Livingstone hield een dankstond +voor het geheele volk. Bij de nachtelijke vuren werden ossen geslacht, +de zwarte mannen sloegen de trommel, onder dans en gezang stegen +vreugdekreten boven de toppen der apenbroodboomen en van omhoog +fonkelden de sterren door de kruinen der wilde palmen. + +Sekeletoe toonde zich nog steeds vriendschappelijk gezind. Maar +Livingstone had ook een prachtig geschenk voor hem uit Loanda +medegebracht, een afgelegd uniform van een overste, waarin hij nu +Zondags in de kerk verscheen; die trok de aandacht van het volk veel +meer dan de prediker met zijn woorden. De vrijgevigheid van Sekeletoe +ging zoo ver, dat hij, toen Livingstone nu verder naar de Oostkust +wilde trekken aan zijn blanken vriend tien ossen om te slachten, drie +van zijn beste trekossen en mondvoorraad voor de geheele reis schonk. +En dit was nog niet genoeg, hij beval, dat honderd van zijn +krijgslieden als wacht zouden medetrekken, en zoo ver als zijn naam +macht had over woud en veld, gaf hij bevel, dat alle jagers en +landbouwers den blanken man en zijn troep moesten geven, wat dezen +noodig hadden. De reizen van Livingstone zijn toch daarom vooral +merkwaardig, dat hij ze zonder noemenswaardige ondersteuningen uit het +vaderland, ten uitvoer bracht; als vriend der Afrikanen legde hij +geheele einden uitsluitend als hun gast af. + +Nu werd de richting langs den oever der Zambesi ingeslagen, het was +voor hem een volkomen onbekend land. In Linjanti had Livingstone reeds +gedurende zijn vroegere bezoeken gehoord van een geweldigen waterval +der Zambesi, en nu zou hij deze Niagara van Afrika ontdekken. Hij gaf +er den naam Victoria-val aan. Boven den val is de Zambesi 1800 meter +breed en over een drempel van basalt stort deze ontzaglijke stroom 119 +meter in de diepte, waar de ziedende en borrelende watermassa’s door +een dikwijls ternauwernood 50 meter breede rotskloof worden +saamgeperst. Wolken van stof, regen en waterdamp zweven voortdurend +boven den val, daarom noemen de inboorlingen hem „het rookende water.” +De beschrijving van den Victoria-val maakte later op de Europeanen een +veel dieperen indruk dan al de overige ontdekkingen van Livingstone. +Dat er in Afrika een waterval was, die zich met de Niagara kon meten, +ja die aan woeste schoonheid en grootsche kracht zelfs nog overtrof, +daarvan had men tot nu toe niets vermoed. Tegenwoordig loopt een +spoortrein over den Victoria-val en ook is er een stad in de nabijheid +ontstaan, die den naam van Livingstone draagt. + +Het oorverdoovend geraas van den Victoria-val stierf in de verte weg +achter de reizigers en de troep ging verder langs de boschpaden van de +grens van den eenen stam naar die van een anderen. Met +bewonderenswaardige kalmte plaatste Livingstone moed en doodsverachting +tegenover alle gevaren en lage listen, en met onvermoeiden ijver werkte +hij aan zijn kaart van Zuid-Afrika, waarvan hij de hoofdlijnen aangaf. +In den loop der jaren was hij meer onderzoeker dan zendeling geworden. +Maar de grondgedachten zijner toekomstdroomen waren steeds: het eind +van den geografischen ontdekkingsarbeid is slechts het begin der +werkzaamheid van den zendeling. + +In het eerste Portugeesche station aan de Zambesi liet hij zijn +Makololo-manschappen achter met de belofte, dat hij later terug zou +komen en hen naar hun dorpen zou terugbrengen. Daarna voer hij de +Zambesi af, naar Quelimana en had hiermede Afrika van kust tot kust +doorkruist. Livingstone was de eerste wetenschappelijk gevormde +Europeaan, die dit ten uitvoer bracht. + +Nadat hij zoo vijftien jaren in de binnenlanden van Afrika had +doorgebracht, kon hij het zich wel veroorloven, ook eens de terugreis +naar het vaderland te aanvaarden. + +Een Engelsche brik bracht hem naar Mauritius, einde 1856 kwam hij te +Engeland aan. Met ontzaglijk gejubel werd hij overal ontvangen en nog +nooit was een onderzoeker zoo geëerd als hij! Van stad tot stad werd +hij als een held geëerd en deze populariteit gebruikte hij om overal +tegen den slavenhandel te prediken, en zijn landslieden er van te +overtuigen, dat de blanken verantwoordelijk zijn voor de bevrijding der +zwarten. Afrika dat donker en vergeten onder zijn dravende regengordels +had neergelegen, werd nu opeens het middelpunt van de aandacht van alle +beschaafden. + +Wel is waar bleef afkeuring den overwinnaar bij zijn terugkeer niet +gespaard. Zooals altijd waren er geografen, die beweerden dat zijn +ontdekkingen reeds door anderen waren gedaan, maar het geschreeuw dezer +dwergen tegen den reus verstomde gaandeweg. Het zendingsgenootschap gaf +hem ook te verstaan, dat hij voor de verbreiding van het Evangelie niet +genoeg had gewerkt, dat hij te zeer onderzoeker en te weinig zendeling +was geweest. Livingstone trad daarom het zendingsgenootschap uit en +toen hij daarna, na een verblijf van twaalf maanden in het vaderland, +met zijn vrouw naar Afrika terugkeerde, reisde hij in opdracht van de +Engelsche regeering. + +Gedurende deze tweede, zes jaren durende reis door het zwarte +werelddeel, gelukte het hem, onder meer gewichtige ontdekkingen, het +Groot Nyassa-meer te vinden, uit welks omgeving tot nu toe jaarlijks +negentienduizend slaven naar Zanzibar werden gebracht; het aantal der +ongelukkigen, die op den weg naar de kust bezweken, is mogelijk +jaarlijks nog veel grooter geweest. + +Gedurende dit tweede verblijf in Afrika stierf de vrouw van Livingstone +en werd onder de zware takken van een apenbroodboom begraven. Ook dit +ongeluk brak zijn moed en kracht niet en toen hij na zes jaar naar zijn +geboorteland terugkeerde, had hij weer licht gebracht over een geweldig +stuk van de binnenlanden van Afrika. + + + + + + + + +55. DE APOSTEL VAN AFRIKA. + + +In het jaar 1866 landde Livingstone opnieuw in Zanzibar en dezen keer +in de hoedanigheid van Britsch consul van de binnenlanden van Afrika. +Hij doorkruiste het land van het Nyassa-meer; toen hij zich echter in +de booten der inboorlingen naar den westelijken oever van het meer +wilde laten overzetten, beletten Arabieren hem dit, die hem kenden als +den gevaarlijksten vijand van den slavenhandel. Hij moest dus te voet +het meer omgaan, en veroverde voet voor voet voor de wetenschap nieuwe +streken, werkte kaarten uit, hield aanteekeningen en legde +verzamelingen aan. Nog eens naderde hij streken, die hij reeds van de +vorige reizen kende, waar de vrouwen van de zwarten aan den oever der +rivier door krokodillen werden weggesleept, waar zijn echtgenoote was +gestorven en alle zendelingen, die men er op zijn verzoek heen gezonden +had, aan koorts waren gestorven! + +Hij had slechts zeven-en-dertig manschappen bij zich; een hunner, +Moesa, had hem vroeger reeds vergezeld, en velen zijner bedienden waren +Indiërs. Maar spoedig bleek het dat zijn geleide armzalig gespuis was. +Hij moest de Indiërs wegzenden en van de overigen kon hij slechts aan +weinigen vertrouwen geven. De besten waren Soesi en Tschoema, die later +in Afrika en Europa beroemd werden om hun voorbeeldigen trouw. +Daarentegen was Moesa een schurk. Toen hij van een slavenhandelaar +vernam, dat het geheele land, hetwelk Livingstone wilde doortrekken, +door oorlogzuchtige stammen was bewoond, die kort geleden een troep van +veertig Arabieren overvallen en gedood hadden, overviel hem en de +meesten zijner makkers zulk een vrees, dat zij op de vlucht gingen. Bij +zijn komst te Zanzibar vertelde Moesa aan den Engelschen consul, dat +Livingstone overvallen en gedood en van al zijn bezittingen beroofd was +geworden. Hij had zijn verzonnen bericht zoo handig bedacht, en zoo +goed uit het hoofd geleerd, dat hij zich bij het kruisverhoor in geen +tegenspraken verwikkelde en overal geloofd werd. De Engelsche bladen +brachten reeds kolommen vol klaagliederen over den doode. Slechts één +vriend van Livingstone, die hem op zijn vroegere reizen had vergezeld, +en Moesa heel precies kende, twijfelde aan de waarheid van het bericht. +Hij ging zelf naar Afrika, volgde het spoor van den doodgewaande en +vernam toen ook spoedig van de inboorlingen, dat Livingstone nooit +overvallen was, maar zich nu op weg bevond naar het tot nu toe +onbekende Tangajika-meer. + +Deze weg was ver en bezwaarlijk, en berokkende Livingstone groote +verliezen. De levensmiddelen raakten op, en een gehuurde drager ging er +met de reisapotheek vandoor. Dientengevolge was Livingstone van alle +middelen tegen de koorts beroofd, en zijn gezondheid werd ernstig +geschokt. Toch bereikte hij de zuidelijke punt van het Tangajika-meer, +en een jaar later ontdekte hij het Bangweolo-meer. Per boot bezocht hij +de in het meer liggende eilanden, en wekte groot opzien onder de +inboorlingen, die nog nooit een blanke hadden gezien. + +Rondom het meer strekten zich groote moerassen uit, en Livingstone had +de overtuiging gekregen, dat men in deze streek de uiterste zuidelijke +bron van den Nijl had te zoeken. De vraag omtrent de waterscheiding van +den Nijl boeide hem zoo sterk, dat hij het eene jaar na het andere in +Afrika bleef en toch werd het hem niet gegund dit vraagstuk op te +lossen. Hij heeft nooit gehoord, dat de rivier, die uit het +Bangweolo-meer komt, niet naar den Nijl stroomt, maar een zijrivier van +de Loealaba of de Boven-Congo is. + +Aan den oever van het Bangweolo-meer sloegen de meesten zijner +geleiders aan het muiten, maar hij wist hen in zooverre te kalmeeren, +dat zij hem nog verder volgden. Hij reisde nu in gezelschap van een +vriendschappelijk gezind Arabier, Mohammed genaamd. Bij den troep waren +nog eenige Arabieren, verscheiden inboorlingen van den oostelijken +oever van het Tangajika-meer en slaven, die ivoor en proviand droegen. +Hoe vaak zag Livingstone nu groote scharen slaven voorttrekken, die met +een hout, dat als een vork om hun hals greep, vooruit geduwd werden, en +als zij zich niet verder konden sleepen door hun onmenschelijke +pijnigers op de plaats werden gedood, opdat zij andere kooplieden niet +ten goede zouden komen. Eens hoorde hij zulk een troep uit volle borst +zingen, en toen hij hen naar de reden van hun vroolijkheid vroeg, +vertelden zij hem, dat zij wraakliederen zongen. Nu werden zij naar de +kust gebracht, om zich zelf af te werken in slavernij, maar eens zou +hun juk worden afgeschud. Dan zouden zij naar hun wouden terug keeren +en daar de tirannen op hun beurt martelen. + +Livingstone werd op deze reis ernstig ziek en moest op een baar worden +gedragen. Dikwijls lag hij in ijlende koorts en verloor volkomen elk +besef van tijd. Als men slechts gelukkig het Tangajika-meer bereikte en +over het meer het land Oedjidji, aan den oostelijken oever, dan kreeg +hij weer rust, nieuwe voorraden en brieven uit het geboorteland en deze +hoop hield hem staande. + +Van alles beroofd en rampzalig bereikte hij werkelijk Oedjidji, een der +hoofdpunten van den Arabischen slavenhandel. Maar de verwachte +voorraden waren spoorloos verdwenen en van al de brieven, die hij aan +den sultan van Zanzibar en naar zijn geboorteland had geschreven, is er +nooit een aangekomen. De stammen aan den oostelijken kant van het meer +waren juist met elkaar in strijd. Toch liet Livingstone den moed niet +zakken. Geen noodlot scheen vreeselijk genoeg om de weerstandskracht +van dezen man te breken. Met Soesi en een schaar nieuw aangeworven +dragers brak hij opnieuw op, om in westelijke richting over het meer te +gaan, waar het land Manjema zijn doel was. Door het grensgebied hiervan +stroomde de Loealaba, en als het hem gelukte vast te stellen waar deze +geweldige rivier bleef, of zij naar de Middellandsche Zee of naar den +Atlantischen Oceaan stroomde, dan wilde hij met een gerust geweten naar +het vaderland terugkeeren. Hij had zich voorgenomen het zwarte +werelddeel niet eerder te verlaten, voor hij dit vraagstuk zou hebben +opgelost, en aan dit besluit heeft hij vergeefs zijn leven opgeofferd. + +Ook in het Manjemaland waren de zwarten met elkaar in oorlog, aten hun +verslagen vijanden op, aanbaden afgoden, die zij zelf uit hout sneden, +en geloofden aan bezweringen en meer dergelijke dwaasheden. „Sterven +bij u de menschen ook, of kent gij bezweringen, die tegen den dood +helpen?” vroegen zij. „Waar blijft den mensch als het leven is +uitgebluscht?” Livingstone beproefde hun dat alles duidelijk te maken. + +Daarna trok hij verder in westelijke richting. De Loealaba liet hem +geen rust; de inboorlingen der streken, die hij doortrok, zagen hem +evenals de andere vreemdelingen, voor een slavenhandelaar aan, en +ondersteunden hem op geen enkele manier. + +Maar welk een sprookjesachtig land trok hij door. Op de heuvels wuifden +palmen in den wind, en klimplanten, zoo dik als kabeltouw slingerden +zich rondom reusachtige boomen, op welke krijschende papegaaien van tak +tot tak vlogen. Geheele scharen vroolijke apen, leefden in het groene +bladerendak en de dieren wedijverden met den plantengroei in +verscheidenheid en rijkdom. Vreemde planten, die insecten en zelfs +kleine visschen, die in het natte gras omhoogsprongen, naar zich toe +trokken en opaten, groeiden aan de oevers der rivieren, en voor al +zulke natuurverschijnselen had Livingstone een steeds open oog. + +Doordat de regentijd intrad, kon hij gedurende verscheidene maanden +niet verder trekken en toen het eindelijk weer zoover kwam, had hij nog +slechts drie metgezellen, onder wie de twee getrouwen Soesi en +Tschoema. + +In het donkere kreupelhout van het tropisch bosch reet hij zijn voeten +open, hij klauterde verder over omgevallen boomstammen en vermolmde +takken, door gezwollen rivieren moest hij waden, terwijl tusschen de +toppen der boomen en in het dichte kreupelhout koortsdampen als +nauwelijks zichtbare sluiers zweefden. Weer werd hij ziek en moest lang +in een armelijke hut op een bed van gras blijven liggen, waar hij zijn +tijd doorbracht met steeds weer zijn reeds geheel stuk gelezen bijbel +te bestudeeren en zich door de inboorlingen te laten inlichten over hun +strijd met menschen en mensch-apen, want ook de gorilla huisde daar in +het woud. + +Zoo verliep het eene jaar na het andere zonder dat ook maar het zwakste +geluid van het gewoel der wereld tot het oor van Livingstone doordrong, +en hij zelf was voor de Europeesche wereld verdwenen. Wat hem hier +terughield, was nog steeds de Loealaba rivier. Stortte ze haar +onuitputtelijk water in de groote zee in het Westen of stroomde ze +langzaam door bosschen, moerassen en woestijnen naar Egypte? + +Livingstone had een dochter, Agnes genaamd. Zij leeft nog en in haar +gastvrij huis te Edinburg zijn nog de dagboeken haars vaders, zijn oude +bijbel en zijn instrumenten te zien. + +Als jong kind had zij aan haar vader geschreven, dat hij zich voor haar +niet moest haasten met het naar huis keeren, dat het veel beter was, +dat hij eerst kalm zijn werk voltooide, opdat hij er zelf tevreden over +zou kunnen zijn. Zulk een opwekking van den kant zijner eigen dochter +kon natuurlijk niet anders dan hem in zijn besluit versterken, en in +een brief uit Manjema schreef hij haar, dat hij aan zijn jonge +landgenooten ook een voorbeeld van volharding wilde geven. In dezen +brief vertelde hij ook hoe oud, grijs en tandeloos hij is geworden, dat +hij ingevallen wangen en diep weggezonken oogen heeft. Een opperhoofd +had hem een jongen gorilla geschonken, over dien schrijft hij: „Als het +dier zit, is het bijna twee voet hoog en hij is de verstandigste, de +minst dwaze aap, dien ik ooit heb gezien. Hij strekt zijn handen +smeekend uit om opgetild en rondgedragen te worden en als men weigert, +vertrekt hij zijn gezicht als een schreiend mensch en wringt de handen +precies als een mensch. Soms strekt hij nog een derde hand uit om de +vraag nog dringender te maken. Hij nam mij dadelijk als vriend aan en +als iemand hem plaagt, zoekt hij bij mij bescherming: op mijn mat heeft +hij een legerstede uit gras en bladeren gemaakt en als het tijd is om +te gaan slapen, dekt hij zich met de mat toe. Helaas kan ik hem niet +mede naar huis nemen, want ik vrees, dat hij sterft, voor dat ik op weg +naar huis ga. Maar hij ziet er erg verwilderd uit; zoolang zijn moeder +leefde, die hem goed verzorgde, was zijn lang zwart haar mooi en fijn. +Maar waartoe zou ik hem meebrengen? Alleen word ik al genoeg +aangegaapt—twee gorilla’s, hij en ik, zouden zeker niet met rust worden +gelaten!” + +In Februari 1871 verliet Livingstone Manjema, en begaf zich naar +Njangwe, aan den oever van de Loealaba, een middelpunt van den +slavenhandel. Weer toonden de inboorlingen zich vijandig, omdat zij ook +hem voor een slavenhandelaar hielden, en tevergeefs beproefde hij +booten te krijgen om de groote rivier af te varen. Hij bood een der +Arabische opperhoofden, Doegoembo genaamd, betaling aan, als deze hem +zou willen helpen, maar terwijl Doegoembo over het aanbod nadacht, werd +Livingstone ooggetuige van een voorval, dat aan afschuwelijkheid alles +overtrof, wat hij nog in Afrika had bijgewoond. + +Het was een mooie Julidag aan den oever van den Loealaba. +Vijftienhonderd zwarten, voor het meerendeel vrouwen, waren in een dorp +aan den oever, waar een markt gehouden werd, samengekomen. Livingstone +dwaalde buiten in het vrije veld rond, toen hij op eens zag, hoe twee +kanonnen op de menigte werden gericht en afgevuurd. De slavenhandelaars +waren aan het werk! Velen van hen, die overvallen waren, snelden naar +de booten, maar de bende slavenjagers sneed hen den weg af en stortte +een regen van pijlen op hen neer, en de booten aan den oever lagen te +dicht naast elkaar om inallerijl afgestooten te kunnen worden. Het +gekerm der gewonden vervulde de lucht, en allen liepen in wanhoop door +elkaar. Boven den waterspiegel vertoonden zich een menigte zwarte +koppen; velen der vervolgden beproefden zwemmend een eiland te +bereiken, dat anderhalve kilometer verwijderd was, maar de stroom was +hen tegen. Eenigen verdwenen stil in de diepte, anderen stieten luide +jammerklachten uit, en strekten de armen ten hemel, voordat ze in de +donkere kristallen zalen der krokodillen neerdaalden. Drie kano’s, die +te zwaar beladen waren, zonken, en de geheele bemanning kwam om. +Gaandeweg werd het getal der boven het water zichtbare hoofden steeds +kleiner en slechts enkelen streden nog maar om het behoud van hun +leven, toen het opperhoofd Doegoembe zich eindelijk ontfermde en de +laatste een-en-twintig liet redden. Een dappere vrouw weigerde echter +zijn hulp aan te nemen, en verkoos den krokodil boven de genade van den +slavenkoning. De Arabieren zelf schatten de omgekomenen op vierhonderd +man. De beschrijving van zulke tooneelen, die daarna door de geheele +Engelsche pers ging, verwekte in Europa zulk een storm van afschuw, dat +een commissie benoemd en naar Zanzibar werd gezonden, om den +slavenhandel aan de plaats zelf te bestudeeren en om met den sultan van +Zanzibar middelen te beramen tot geheele uitroeiing er van. Wij weten +met welke uitkomst. Nog ten tijde van Gordon was de slavenhandel in +Soedan in vollen gang, en er zouden nog tientallen van jaren +voorbijgaan, voordat de macht der slavenhandelaars gebroken zou zijn. +Maar het was voor Livingstone zelf een geluk, dat hij zich niet bij het +opperhoofd Doegoembe had aangesloten, want de inboorlingen vereenigden +zich tot verweer, overvielen den slavenhandelaar en zijn bende en +doodden tweehonderd van hun pijnigers. + +Maar nu bleef de vraag naar het lot van de Loealaba-rivier onopgelost +en Livingstone zelf begon te vreezen, dat zijn droom, in de Loealaba de +bron van den Nijl voor zich te hebben, ongegrond was. Een gerucht drong +tot hem door, dat de rivier naar het Westen afsloeg; maar nog steeds +kon hij de hoop niet opgeven, dat de Loealaba naar het Noorden ging en +de bron van den Nijl dus onder de zijrivieren van het Bangweolo-meer +was te zoeken. Ofschoon de moeilijkheden rondom hem als muren omhoog +kwamen, werd zijn besluit, niet toe te geven, nog sterker. Zonder een +sterke, goed uitgeruste karavaan, kon hij wel is waar niets bereiken. +Daarom moest hij terugkeeren naar Oedjidji, waar zeker reeds lang +nieuwe voorraden van de kust waren aangekomen. Onder duizend gevaren +ondernam hij den terugtocht door het in opstand verkeerend land, en +half dood van koortsaanvallen en van alles ontbloot, bereikte hij in +October Oedjidji. + +Maar hier wachtte hem een nieuwe teleurstelling! Wel waren de voorraden +overgekomen, maar de Arabische schurk, die de zaken van Livingstone zou +bewaren, had ze verkocht, daaronder waren tweeduizend meter stoffen en +verschillende zakken kralen, de eenige gangbare munt in het verkeer met +de zwarten. De Arabier zeide doodbedaard, dat hij gemeend had, dat de +zendeling dood was! + +Hoe Livingstone te moede was in dezen benarden toestand, lezen wij in +zijn dagboek; hij geleek op den man die naar Jericho reisde en in +handen van roovers viel en hij scheen vergeefs te moeten wachten op den +priester, den Leviet en den barmhartigen Samaritaan. Maar vijf dagen na +zijn aankomst in Oedjidji schrijft hij in dagboek: + +„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de +barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig +aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze +woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te +snellen. + +„Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van +welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten, +kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest +onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme +drommel als ik ben.”” + + + + + + + + +56. HOE STANLEY LIVINGSTONE VOND. + + +Terwijl Livingstone nu voor zijn hut staat, de oogen met de hand +beschuttend en de Amerikaansche vlag bekijkend, die van den naasten +heuvel, wapperend in den wind nadert, willen wij hooren wat er +intusschen in Europa is gebeurd. + +Een jong journalist Henry Morton Stanley genaamd, in dienst van het +groote dagblad „The New York Herald” wiens eigenaar de Amerikaansche +millionnair Gordon Bennett was, bevond zich in 1869 in Madrid. Op +zekeren morgen wekte zijn bediende hem met een telegram, dat slechts de +woorden bevatte: „Kom voor een gewichtige aangelegenheid naar Parijs, +Gordon Bennett.” + +Met den eersten trein ging Stanley naar Parijs en haastte zich naar het +hotel van Bennett. Deze ontving hem met de vraag: + +„Waar denkt gij dat Livingstone nu zal zijn?” + +„Dat weet ik werkelijk niet,” antwoordde Stanley. + +„Gelooft ge dat hij nog leeft?” + +„Misschien—maar misschien ook niet.” + +„Ik geloof dat hij leeft,” zeide Bennett, „en gij moet hem zoeken.” + +„Wat,” riep Stanley, „ik moet naar Afrika?” + +„Ja, ik zou willen dat gij daarheen ging en Livingstone opzocht. +Misschien lijdt de oude man gebrek; neem dus alles mee wat hij zou +kunnen gebruiken. Handel geheel naar eigen goedvinden, maar—vind +Livingstone!” + +Stanley bracht nog alleen in het midden: „Zulk een reis kost geld.” +Maar Bennett antwoordde hem: „Laat f 12000 van de bank halen, en als +gij die hebt uitgegeven neemt gij weer f 12000 op en zoo verder, zoo +lang als het noodig is, maar—vind Livingstone!” + +„Goed,” zeide Stanley. „Ik zal met Gods hulp doen wat ik kan.” + +En zoo ging het dan naar Afrika. Stanley had van Gordon Bennett nog +eenige andere opdrachten ontvangen, die hij onderweg ten uitvoer moest +brengen. Hij reisde den Nijl op, bezocht Jeruzalem, ging naar Trapezund +en Teheran en dwars door Perzië naar Boesjir, langs denzelfden weg dien +de lezers van het eerste deel bekend is, en bereikte pas begin Januari +1871 Zanzibar. + +Hier maakte hij allereerst grondige voorbereidselen voor de reis naar +de binnenlanden. Hij had van Afrika slechts Abessinië leeren kennen en +was nooit in de binnenlanden van het zwarte werelddeel geweest, maar +als verstandig en moedig man stelde hij zich van al het wetenswaardige +op de hoogte en gelijk een speurhond was hij niet van zijn plan af te +brengen. Hij kocht zooveel stoffen, dat honderd man zich daarmede twee +jaren lang zouden kunnen kleeden. Kralen, metaaldraad en andere +voorwerpen van welke de zwarten houden, verder zadels en tenten, +geweren en patronen, een boot, geneesmiddelen, werktuigen, proviand en +ezels. Twee Engelsche zeelieden sloten zich bij de expeditie aan, maar +beiden stierven in het koortsland. Zwarte dragers werden gehuurd en +twintig man, die Stanley zijn soldaten noemde, werden van geweren +voorzien. De groote bagage werd op booten geladen en onder zeil ging +het van Zanzibar naar het Afrikaansche vasteland. Te Bagamoyo werd de +laatste hand aan de uitrusting gelegd, en nu moest er haast gemaakt +worden om den marsch nog voor den regentijd te kunnen beginnen. + +In twee afdeelingen, te zamen honderd twee-en-negentig man, trok de +groote en rijke karavaan naar het Westen. Leider van de laatste +afdeeling was Stanley zelf, en toen hij, met de Amerikaansche vlag +voorop, op weg ging, was geheel Bagamoyo op de been. In de diepe +schaduwen der mimosahagen marcheerden de soldaten met het geweer op den +schouder en zongen vroolijke liederen, voor hen lag de wildernis, de +binnenlanden van Afrika met hun donkere raadselen! + +Op tijd bereikte de vroolijk zingende troep de eerste kampplaats. Hier +groeide de hooge maïs in het rond, en op uitgestrekte velden werd de +maniokplant geteeld. Hun groote knollen bevatten voor het grootste deel +stijfsel, maar ook een giftig, meelachtig sap, dat doodt als men de +wortels zoo maar opeet. Maar bij juiste behandeling wordt het sap +gemakkelijk verwijderd, en de fijngewreven wortel geeft dan een meel, +waaruit een soort brood wordt bereidt. Rondom de nabijgelegen moerassen +stonden lage waaierpalmen en accacia’s tusschen weelderig gras en +onbeweeglijke varens. + +Den volgenden dag marcheerde de karavaan onder ebbenhoutboomen en +kalabasboomen; uit de basten der vruchten maken de inboorlingen +vaatwerk, want door uitwendige bewerking laat de vrucht zich gedurende +haar groei in elken vorm brengen. Faisanten en kwartels, moerashoenders +en duiven vlogen verschrikt op, toen de lange reeks zwarte mannen zich +door het hooge gras slingerde. In de waterpoelen, die men over moest +trekken, lagen nijlpaarden, die in het geheel niet schuw waren en +behaaglijk snoven. + +Maar lang duurde het gunstige weer niet; toen trokken de voorloopers +van den regentijd met geplas en gekletter over het land. De twee +paarden der karavaan bezweken; verscheiden manschappen, wie het in +Bagamoyo beter was bevallen, deserteerden, en twaalf dragers kregen de +koorts. Ondanks dat verhaastte Stanley zijn marsch zooveel mogelijk, +hij zelf sloeg elken morgen op een blikken kan de reveille. Het ging +verder door dichte „jungles”. In een klein dal wiegden zich maïsvelden +in den wind en zachte koeltjes suisden door het suikerriet, dat nat van +den regen was. De hangende bananen geleken op vergulde komkommers en +rechts en links van het pad geurden tamarinden- en mimosaboomen. Nu en +dan werd in de dorpen, die uit goed gebouwde hutten van gras bestonden, +halt gehouden. + +Na veertig dagen eindigde de regentijd op den laatsten April. Bosschen +van prachtige palmyrapalmen omringden nu de reizigers; deze palmen +groeien bijna in geheel tropisch Afrika, in Indië en op de +Soenda-eilanden en ze werden reeds in een oud Indisch lied +verheerlijkt, omdat hun vrucht, hun bladeren en hun hout, naar men +zegt, voor acht honderd en één verschillende doeleinden zouden zijn te +gebruiken. Daarna werd het land heuvelachtig en in het Westen verheft +zich de eene bergkam boven den anderen. Soldaten en dragers verheugden +zich uit het vochtige kustland in droge streken te komen, maar voor de +ezels werd de weg nu heel moeilijk. Er werd gekampeerd in dorpen, wier +bijenkorfvormige hutten met bamboes en bast waren gedekt en door leemen +muren waren omgeven. Eenige einden van den weg waren zoo woest, dat +slechts wolfsmelk (euphorbia), distels en doornstruiken in den dorren +grond voedsel vonden. Bij een klein meer vond men verscheiden sporen +van buffels, zebra’s, giraffen, wilde zwijnen en antilopen, die daar +kwamen om te drinken. + +In een dorp haalde Stanley een groote Arabische karavaan in, met welke +hij het gevreesde, oorlogzuchtige Oegogoland doortrok. + +De twee karavanen telden nu te zamen vierhonderd man, die op de smalle +paden, die sinds onheugelijke tijden door olifanten en neushoorns in de +jungles waren uitgetreden, de een achter den ander moesten verder +trekken. In een streek hadden de hutten den vorm van de tenten der +Kirgiezen en in een andere streek verhieven zich midden in het bosch +rotsen als ruïnen van een slot uit een sprookje. + +In Tabora, de hoofdplaats van Oenjamwesi, een der voornaamste +nederzettingen in Oost-Afrika, haalde Stanley de voorste afdeelingen +van de karavaan in, en de Arabieren bewezen hem alle mogelijke eer. Zij +onthaalden hem op tarwekoeken, kippen en rijst, en schonken hem vijf +vette ossen, acht schapen en tien geiten. Prachtig bebouwde akkers +strekten zich in het rond uit, waarop groote kudden met vee graasden, +en men zag het de statige, goedgebouwde mannen niet aan, dat zij ook +slavenhandelaars waren. + +Het land Oenjamwesi was juist in oorlog. Mirambo, een machtig +opperhoofd in het Noord-Westen bedreigde Tabora; de Arabieren +verzamelden daarom de Oenjamwesi krijgslieden, om hen voor te zijn, en +een leger van tweeduizend tweehonderd man trok ten strijde. Twintig +Arabieren trokken met vijfhonderd inboorlingen naar het dorp Mirambos +en veroverden het, maar het opperhoofd ontvluchtte met zijn +manschappen. De hutten werden geplunderd; met een rijken buit van +honderd olifantstanden, zestig balen stof, en tweehonderd slaven +keerden de krijgslieden naar hun haardsteden terug. Maar hiermede was +de oorlog nog in het geheel niet ten einde. Mirambo en zijn manschappen +overvielen Oenjamwesi, doodden alle Arabieren en een menigte +inboorlingen en haalden hun eigendom terug. Bij deze gelegenheid werden +ook vijf mannen van Stanley gedood. + +Toen Stanley Tabora verliet, had hij nog slechts vier-en-vijftig man; +hij moest daarom een omweg naar het Zuiden maken, om de stammen te +vermijden, die in oorlog waren. Met elken dag nam zijn spanning en zorg +toe. Waar was die Livingstone dan toch, over wien de geheele wereld +sprak? + +Was hij reeds lang dood of zwierf hij nog steeds in de wouden van +Afrika, zooals nu gedurende bijna dertig jaren? + +Dikwijls moest Stanley een of soms wel twee balen stof aan een +opperhoofd als schatting betalen. Een dezer zwarte koningen zond +levensmiddelen, voor de karavaan, voldoende om vier dagen lang van te +kunnen leven en bezocht daarna met een schaar zijner zwarte +krijgslieden Stanley in zijn tent. Men noodigde hen uit plaats te +nemen, een poos zaten de zwarten stil, keken den blanken man +nieuwsgierig aan, betastten zijn kleeren, keken elkaar aan en barstten +in schaterend gelach uit. Gaandeweg werden zij zóó vroolijk, dat zij +met de vingers knipten en zoo heftig aan hun ineengestrengelde +wijsvingers trokken, dat zij zich bijna de handen ontwrichtten. Daarna +mochten zij de geweren en de apotheek bekijken. Stanley liet hun een +flesch ammoniak zien, en vertelde hun dat deze medicijn tegen hoofdpijn +en de beten der slangen hielp. De zwarte koning klaagde dadelijk over +hoofdpijn, maar toen Stanley hem de flesch onder de neus hield, viel +hij met verwrongen gelaat lang uit op den grond, terwijl zijn +krijgslieden het uitbrulden van lachen en in de handen klapten. + +Voor dezen keer had zijne majesteit genoeg van het sterke geneesmiddel! + +Toen op een avond, juist onder het eten, Stanley het teeken tot +opbreken gaf, kwam het tot een muiterij onder zijn dragers. Deze +wierpen, nadat zij een half uur hadden geloopen hun pakken weg en +begonnen in dreigend uitziende groepen met elkaar te fluisteren, twee +raddraaiers legden zich in hinderlaag en richtten hun geweren op +Stanley. Maar deze greep dadelijk naar zijn buks en dreigde hen, dat +hij hen op de plaats zou neerschieten als zij niet onmiddellijk hun +geweren neerlegden. Het voorval eindigde zonder bloedvergieten en de +mannen beloofden opnieuw verder rustig mede naar het Tangajika-meer te +trekken, zooals het bij de afreis was overeengekomen. + +Nu moest de karavaan door een boschrijke streek waar de tsetse-vlieg al +het vee doodde en de kleine honigvogel bedrijvig tusschen de boomen +heen en weer vloog. Deze vogel gelijkt op de gewone musch, hij is +alleen iets grooter en heeft op elke schouder een gele vlek. Door +voortdurend heen en weer fladderen in een bepaalde richting, maakt hij +de inboorlingen opmerkzaam op nesten van wilde bijen. Volgt men hem, +vriendelijk fluitend, zonder hem door geraas te verschrikken, dan merkt +de vogel dat men zijn bedoeling begrijpt. Hoe meer men het bijennest +nadert, des te korter einden fladdert hij heen en terug, en als hij +zijn doel heeft bereikt, gaat hij op een nabijgelegen tak zitten, om +geduldig te wachten op zijn aandeel in den buit. Daarom is de +honigvogel zeer geliefd bij de inboorlingen en zij volgen hem waarheen +hij hen roept. + +Vandaar richtte Stanley zich noordelijk naar een rivier, die in het +Tangajika-meer uitloopt. In kleine, gebrekkige booten ging de karavaan +er over, terwijl de ezels er overheen moesten zwemmen, waarbij een der +dieren de prooi van een krokodil werd. + +Daar ontmoette Stanley op zekeren dag een karavaan, die uit Oedjidji +kwam, en hoorde, dat zich daar een blanke man bevond! „Hoera, dat kan +niemand anders dan Livingstone zijn!” dacht Stanley. Zijn ijver verder +te komen werd nu des te grooter. Door hoogere betaling kon hij zijn +dragers bewegen langere dagmarschen te maken, en steeds sneller ging +het nu van land tot land, van het eene opperhoofd naar het andere. + +Eens versperde een troep inboorlingen de karavaan den weg, de zwarten +riepen Stanley toe: „Waarom trekt de blanke man zonder groet of gave +het dorp van koning Oekka voorbij? Weet hij niet, dat koning Oekka +schatting heft voor de toestemming zijn land door te trekken?” Uit een +naburig dorp naderden vijftig krijgslieden met een aanvoerder van hooge +gestalte. + +Hij droeg een kersrooden mantel, een hoofdband en aan een halsketting +een stuk ivoor. Allen waren gewapend met speren, knotsen, bogen en +pijlen. Met voorname houding trad het zwarte opperhoofd op den +aanvoerder der blanken toe en begroette hem vriendelijk: „Hoe gaat het +u, mijnheer?” En Stanley antwoordde: „Hoe gaat het u zelf, opperhoofd?” +Stanley ging nu op een baal goed zitten en de zwarten legden hun +wapenen neer. Na een poosje zeide het opperhoofd: „Ik ben de groote +Miouwoe, de eerste man na den koning van Oekka. Wil de blanke man geen +schatting betalen aan den koning? De blanke man is sterker dan wij. Hij +heeft geweren, wij slechts bogen en speren. Maar Oekka is groot en wij +bezitten veel dorpen. De blanke man kan rondzien, alles wat hij ziet, +behoort aan Oekka. Verlangt de blanke man oorlog of vrede?” + +Op deze plechtige toespraak antwoordde Stanley: „Het groote opperhoofd +Miouwoe weet, dat blanke mannen niet tegen zwarten oorlog voeren. Zij +komen niet voor de slaven noch voor het ivoor maar om het nieuwe land +te zien, de bergen en meren, de menschen en de dieren, en tehuis in hun +eigen land daarvan te vertellen. De blanken zijn machtig, hun kogels +reiken verder dan gij kunt zien. Maar ik wil geen oorlog, ik wil de +vriend zijn van Miouwoe en van alle zwarte mannen.” + +Het einde van deze verhandeling was, dat Stanley een groote belasting +aan katoen moest geven. Het volgend opperhoofd eischte eveneens hooge +schatting en slaven meldden, dat op de volgende dagreizen vijf +verschillende opperhoofden dezelfde aanspraken zouden maken. Dat ging +te ver! Men kon zich toch maar niet gewoonweg laten plunderen. Daar +bood de gids aan, om voor twaalf ellen katoen de karavaan bij nacht +door het bosch te brengen, als men zich dan heel stil hield. En +werkelijk bracht hij hen door het struikgewas, dat door het maanlicht +werd overgoten en de karavaan bereikte zonder verder lastig gevallen te +worden zijn laatste legerplaats, voor het Tangajika-meer. + +De tiende November van het jaar 1871 brak aan. Het was een prachtige, +zonnige morgen en zes uren lang marcheerden Stanley en zijn manschappen +naar het Zuid-Westen. Door dicht bamboeriet, leidde het pad naar den +heuvel, van waar men den zilver-glanzenden spiegel van het +Tangajika-meer voor zich zag en aan den westelijken oever vertoonden +zich blauwe bergen, welker nevelige omtrekken in de verte vervaagden. +De geheele karavaan slaakte een jubelkreet. Van een laatsten landrug +kwam het dorp Oedjidji reeds in het zicht, zijn hutten, zijn paleizen +en zijn groote booten, beneden aan den oever. Stanley tuurde als een +valk langs den oever. Het gerucht dat een blanke man aan het meer +vertoefde, was de laatste dagen steeds beslister geworden. Waar was de +hut van den gezochte? Was het Livingstone, leefde hij nog, of was zijn +naam nog maar een sage of een droom? + +Nu wordt de vlag gezwaaid. De dorpelingen stroomden de naderenden +tegemoet onder oorverdoovend geraas; een verwelkoming, een vragen en +door elkaar roepen begint. Nog slechts enkele honderden schreden tot +aan het dorp.—Voorwaarts! Marsch! + +Daar roept iemand uit het gedrang: „Good morning, sir!” Wie kan dat +zijn? Een zwarte, in een wit hemd en tulband op het hoofd! + +„Wie ter wereld zijt gij?” vraagt Stanley. + +„Ik ben Soesi, de bediende van Dr. Livingstone!” + +„Dus Dr. Livingstone leeft?” + +„Ja, mijnheer!” + +„In dit dorp?” + +„Ja, mijnheer!” + +„Loop dan gauw en haal den doctor!” + +En Soesi liep zoo gauw als hij maar kon. + +Toen Livingstone het verrassende bericht hoorde, dat een karavaan was +aangekomen, daalde hij van de veranda van zijn huis op het erf, waar de +Arabieren, die in Oedjidji woonden, zich ook hadden verzameld. Stanley +baande zich een weg door de menigte en zag nu voor zich een kleinen +man, grijs en bleek met de blauwe muts van een consul, waarvan de band, +die eens goud was geweest, geheel verbleekt was, een buis met roode +mouwen en versleten grauwe broek. De eerste ingeving van Stanley was op +hem toe te snellen en hem te omarmen, maar met het oog op de +volksmenigte nam hij zijn hoed af, trad op hem toe en zeide: + +„Niet waar, Dr. Livingstone?” + +„Ja,” antwoordde deze vriendelijk, terwijl hij even de muts afnam. + +„Goddank, doctor, dat het mij vergund is u te ontmoeten.” + +Waarop Livingstone antwoordde: „Ook ik dank er God voor, dat ik hier +ben om u welkom te heeten.” + +De twee gingen nu op de veranda zitten, de in het rond staande +inboorlingen keken hen bewonderend aan. Ik heb Stanley eens in Londen, +aan een diner, gevraagd, hoe het hem te moede was, toen hij Livingstone +in het hartje van Afrika ontmoette; hij antwoordde, dat zijn gevoel +veel te overweldigend was geweest, om te kunnen beschrijven. Hij had +den beroemden kluizenaar, die gedurende bijna dertig jaren, de wereld +verzakend, onder de zwarten had geleefd, steeds weer moeten aankijken +en elken rimpel van zijn bleek gelaat gadegeslagen, waarin lijden en +ernst, de jaren van eenzaamheid en arbeid, ziekte en zorg gegrift +waren, en steeds weer had hij aan de woorden van Gordon Bennett moeten +denken: „Het doet er niet toe wat het kost—maar spoor voor mij +Livingstone op.” + +Nog laat in den avond zaten de twee bij elkaar en spraken samen. De +nacht spreidde zijn sluier uit over de palmen, en het werd donker over +de bergen van waar Stanley dien dag was neergedaald. Een doffe branding +sloeg ruischend tegen den oever van het Tangajika-meer. + + + + + + + + +57. DE LAATSTE REIS VAN LIVINGSTONE. + + +Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee +groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het +Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste +zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij +toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of +tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het +meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat +Livingstone zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas +twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega +te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba +stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de +Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn +uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de +Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van +Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te +willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den +Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de +bovenloop van den Congo. + +Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar +Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog +leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe +voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog +veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een +waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem +ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen +die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist +zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht. + +Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige +vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone +hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had +Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het +grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde +men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al +geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter +voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer +aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had +verricht. + +Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig +man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus +begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij +de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij +zich in de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen +keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en +de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite +vooruit. + +Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren +slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het +rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook +onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen +omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit +gemaakt! + +Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al +de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de +Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan, +het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting +en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige +rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen +eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren +geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van +de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en +verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog +steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide +nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de +andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer +voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met +bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek: + +„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel +uitgeput terug in het dorp.” + +Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en +Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij +twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende +vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te +schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den +zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten +April staat er: + +„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb +uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den +oever van de Molilamo.” + +Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten +waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond +andere levensmiddelen als geschenken. + +Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten +om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De +zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid. +Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het +opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde +langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar +neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te +zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in +het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden +zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man +rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een +hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een +bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd +een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield. + +Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn +gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen +spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd +Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid +geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een +leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij: + +„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld +verjagen.” + +Na een poosje zeide hij: + +„Is dat de Loeapoela?” + +„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.” + +„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?” + +„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi. + +Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide: + +„O, lieve, lieve God!” + +Daarna verloor hij het bewustzijn. + +Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder +wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu +kunt gij gaan.” + +Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende +Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet +niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen, +en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast +zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem +dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in +eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en +toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet +meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij +waren koud. De apostel van Afrika was dood! + +Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna +naar buiten om te beraadslagen. + +Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak +over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn +bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig +om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden +zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn +instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die +anders alles vernielen, te beschermen. + +Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte. +Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen +meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan +aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze +geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas +of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste +zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest, +voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de +dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij +zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze +opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.” + +Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En +zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle +ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft. + + + + + + + + +58. DE LIJKSTOET VAN EEN HELD. + + +Vooreerst besloten de geleiders van Livingstone, dat de dood van hun +meester een geheim zou blijven, want als Tschitambo er achter kwam, was +te vreezen, dat hij de karavaan een bovenmatige groote schatting zou +laten betalen, en daardoor den tocht naar de kust onmogelijk zou maken. +Bovendien besloten de lieden hun gestorven heer, den geheelen weg naar +Zanzibar te dragen! Intusschen zou er op eenigen afstand van het dorp +een hut worden gebouwd, opdat men ongestoord voorbereidselen voor de +lange reis zou kunnen maken. Tschoema vroeg aan het opperhoofd +Tschitambo de toestemming voor den bouw en verkreeg die ook dadelijk. + +In den loop van den dag verbreidde zich in het dorp het gerucht van den +dood van Livingstone en Tschitambo kwam zichzelf overtuigen. „Waarom +hebt gij mij de waarheid niet gezegd?” vroeg hij aan de mannen, „ik +weet dat uw meester vannacht is gestorven. Gij waart bang het mij te +zeggen, maar ik heb ook reizen gemaakt, en ben meer dan eens aan de +kust geweest. Ik weet, dat gij bij uw bezoek in ons land slechts goede +bedoelingen hebt gehad, en de dood overvalt vaak reizigers op hun +tochten.” + +Gerustgesteld door deze woorden, deelden zij aan het opperhoofd mede, +dat zij plan hadden den doode tot aan Zanzibar te dragen. Dat was +onmogelijk verzekerde Tschitambo en hij raadde hun dringend aan, +Livingstone op de plaats zelf te begraven. Den volgenden dag bracht +Soesi het opperhoofd een rijk geschenk en later kwam deze aan het hoofd +van zijn geheelen stam naar de nieuwgebouwde hut. Met een rooden +katoenen lap had hij zijn schouders versierd en om het lijf droeg hij +een rok van zelf geweven linnen, die hem tot aan de enkels reikte. Zijn +metgezellen droegen bogen, pijlen en speren. Nu weerklonken luide +klaagliederen rondom de baar, en tromgeroffel weergalmde dof in de +omgeving. Daarna werd de baar in een hooge en sterke omheining +geplaatst, opdat geen wilde dieren aan het lijk zouden kunnen komen. + +Livingstone was bij zijn dood zoo in elkaar geschrompeld, dat zijn +lichaam nog slechts uit huid en beenderen bestond. Ingewanden en hart +werden er uit genomen en in een blikken bus diep in de aarde begraven. +Een christen onder de bedienden sprak de gebeden. Het lichaam werd met +zout opgevuld en veertien dagen aan den zonnegloed blootgesteld, om te +drogen en de verrotting te ontgaan. Daarna werden de beenen van af de +knieën naar achteren gebogen en het lijk stevig in katoen genaaid. Een +boom ontdeed men van den bast, en daarin schoof men het lijk, snoerde +het geheel met koorden bijeen en bevestigde het pak aan een stang, om +het gemakkelijker te kunnen dragen. In een boom werd de naam van +Livingstone ingesneden en den datum van zijn dood, en de treurende +bedienden verzochten Tschitambo de struiken rondom den boom te laten +neerhouwen, opdat hij bij een grasbrand niet in vlammen zou opgaan. + +Toen alles gereed was, hieven twee mannen den kostbaren last op hun +schouders, de anderen namen hun bagage op den rug en zoo begon een +tocht, die negen maanden zou duren; de eigenaardigste lijkstoet waarvan +de geschiedenis vertelt! De weg ging nu eens door vriendelijk-, dan +weer door vijandig-gezinde stammen, en eens moest de karavaan zich een +doortocht afdwingen. + +Ondanks alle vermomming snelde het gerucht van den dood van den grooten +zendeling hen overal vooruit, en verbreidde zich door geheel Afrika. In +eenige streken vluchtten de lieden uit vrees voor den griezeligen +lijkstoet; in andere kwamen ze haastig aanloopen om deze zonderlinge +karavaan te bekijken. De apenbroodboomen strekken hun takken over den +weg uit, alsof ze een troonhemel wilden vormen boven de terugkeerende +overwinnaars, en de palmen, de zinnebeelden van den vrede en de +opstanding, hielden aan den weg trouw de wacht. De eene mijl na de +andere trok men, zoo onder het groene loof, naar het Oosten. + +In Tabora ontmoette de karavaan een Engelsche expeditie, die +Livingstone hulp zou brengen, en de aangekomenen luisterden nu diep +getroffen naar het bericht van de bedienden. Maar van het voorstel, den +doode in Tabora te begraven, wilden Soesi en Tschoema niets weten. +Eenige dagen later stieten de reizigers op ernstigen tegenstand; een +stam verbood hen, omdat zij het lijk meedroegen, den doortocht. Zij +hielpen zich met een list. Zij maakten een pak gereed, gelijk aan dat +van het lijk en gaven voor naar Tabora te willen terugkeeren om hun +heer daar te begraven. Eenigen trokken nu met het voorgewende pak af, +namen het op zekeren nacht uit elkaar, verstopten het in dichte +doornenstruiken en keerden daarna naar hun makkers terug, die +intusschen aan het noodlottige pak een ander aanzien hadden gegeven, +zoodat het nu op een baal goed geleek. Daarmede waren de inboorlingen +tevreden en lieten hen nu ongehinderd verder trekken. + +In Februari 1874 bereikte men Bagamoyo en de doode werd door een +kruiser naar Zanzibar en van daar uit eindelijk naar Engeland gebracht. +In Londen twijfelde men er echter aan, of deze doode werkelijk +Livingstone was. De eene gebroken, weer slecht aangegroeide arm, die +voor jaren door den leeuw in Mabotsa zoo was toegetakeld, moest daarom +de identiteit van den doode bewijzen. Nu werd Livingstone onder de +helden van de Engelsche natie in de Westminster Abdij, midden in het +hoofdschip der kerk, begraven. Onder de dragers van het lijkkleed +bevond zich ook Henry M. Stanley. Het graf is gedekt door een zwart +granieten plaat met de woorden: „Hier rust, door trouwe handen over +land en zee gedragen, David Livingstone, zendeling, ontdekkingsreiziger +en menschenvriend, geboren den 19 Maart 1813 in Blantyre, gestorven 1 +Mei 1873 in het dorp Tschitambos. Dertig jaren van zijn leven offerde +hij in onvermoeiden arbeid aan de verbreiding van het Evangelie onder +de inboorlingen, aan de navorsching naar niet ontdekte geheimen en aan +de uitroeiïng van den verderfelijken slavenhandel in Midden-Afrika.” + +Nu nog denken de inboorlingen met dankbare herinnering aan het Witte +Hart, aan den Helper der menschen, zooals zij Livingstone noemden, en +verheugen zich, dat zijn hart in Afrika’s aarde, onder den boom in het +dorp Tschitambos rust. Livingstone’s droom, de bron van den Nijl te +vinden en den verderen loop van de Loealaba vast te stellen, werd niet +vervuld. Maar daardoor is zijn verdienste niet geringer. Hij ontdekte +het Ngami-, het Nyassa- en andere meren, den Victoria-val en den +bovenloop van de Zambesi en heeft van ontzaglijke uitgestrektheden +onbekend land kaarten geteekend. Het werk der wetenschap en der +menschelijkheid heeft sedert Livingstone’s leven reusachtige +vorderingen in het werelddeel der zwarten gemaakt. Maar aan deze +vorderingen zou niet te denken zijn geweest, zonder den +zelfverloochenenden voorarbeid en de bewonderenswaardige volharding van +dezen man. + + + + + + + + +59. DOOR HET DONKERE WERELDDEEL. + + +Succes moedigt aan! Reeds in het najaar van 1874 was Stanley weer in +Zanzibar om nog eens in het donkere werelddeel zijn geluk te beproeven! +Hij rustte een karavaan uit met driehonderd dragers, met proviand, +kralen, koperdraad, wapenen, opvouwbare booten, tenten, werktuigen en +al datgene wat men op een reis van verscheidene jaren noodig heeft en +sloeg de richting in naar het Victoria-Niansa meer. Hij zeilde het +geheele meer om, bezocht Oeganda en Oedjidji, waar de hut van +Livingstone reeds lang met den grond was gelijk gemaakt, en zeilde toen +nog het Tangajika-meer om. + +Twee jaar na zijn vertrek bereikte hij den oever van de Loealaba, +waaraan Dr. Livingstone zijn leven had gewijd om de raadselen er van op +te lossen. Na twee jaren inspannend reizen stond nu Stanley op de +westelijkste punt, tot waar ooit een Europeaan vanaf de Indische kust +van Afrika was doorgedrongen en voor hem lag een geheel onbekend land, +dat op de kaarten van dien tijd slechts door een groote, witte vlek was +aangegeven. Van alle kanten waren reizigers den rand van dit gebied +genaderd, maar niet een was verder gedrongen; men wist niet eens waar +de Loealaba bleef en vergeefs had Livingstone getracht daar +inboorlingen en Arabieren uit te vragen. Hier te Njangwe hadden de +Arabische slavenhandelaars hun westelijkste markt. Groenten, vruchten, +graan, visch, vee, metaaldraad, bogen, pijlen en speren werden hier +verkocht en een ruilhandel met ivoor en slaven uit het binnenland +gedreven. Maar ofschoon van alle kanten wegen in Njangwe samenliepen +waren de Arabieren al even weinig van het binnenland op de hoogte. + +Maar moeielijkheden waren er voor den ijzeren wil van Stanley niet. +Zijn besluit stond vast in geen geval weer naar het Oosten terug te +keeren; hij wilde naar het Westen, naar de Atlantische kust +doordringen, al kostte het zijn eigen leven; zijn lijfspreuk was: „Waag +te winnen en te verliezen!” Zoo brak hij dan den 5den November 1876 in +gezelschap van het machtig en rijk Arabisch opperhoofd Tipoe Tip op en +ging in noordelijke richting naar een groot woud. De troep van Tipoe +Tip bestond uit zevenhonderd mannen, vrouwen en kinderen; Stanley had +honderd vier-en-vijftig manschappen met geweren, revolvers en bijlen +gewapend. Dus een groote karavaan, die in lange rijen het oerwoud +naderde en onder de geweldige boomen verdween. Als zuilen stonden hier +de stammen naast elkaar. Palmen en rotangs worstelden met de wilde +wijnranken om de plaats. Varens en riet woekerden op den grond en +doornstruiken vormden ondoordringbaar struikgewas. Klimplanten kropen +tegen de stammen op en hingen als netten van de takken. Uit het +bladerengewelf druppelde dauw als motregen neer; de lucht was zwaar en +zwoel, en verzadigd van den geur der planten en van de aarde. Slechts +zelden drong een koeltje in de diepte van het woud. Hoog boven de +toppen der boomen konden stormen woeden, maar daar beneden in de +schemering van het bosch bewoog zich geen blad. In den lossen, van +water doortrokken bodem behoefden de wortels zich dus niet zoo diep in +te boren om aan boomen en struiken kracht en steun te geven; dikwijls +lagen de geweldige wortels van oeroude woudreuzen bijna geheel bloot. + +Met bijlen moest de karavaan zich voetje voor voetje een weg door het +tropisch oerwoud, door zijn nooit door een zonnestraal getroffen +kreupelhout, banen. Mieren, duizendpooten, kevers en andere insecten +kropen hier in groote volksverhuizingen rond; tusschen de wortels der +boomen loerde de pythonslang op haar buit. Op de takken der boomen +klauterden apen en slingerden zich schommelend en met handige sprongen +van den eenen boomstam op den anderen. Rijen bavianen maakten geraas en +brulden en hier en daar hoorde men de geluiden van den chimpansee, en +ontdekte men tusschen een forschen tak zijn gevlochten nest. + +Langzaam ging het op den slibberigen bodem en door het struikgewas +vooruit. De pakken droeg men op het hoofd, om de armen vrij te hebben +en takken en jonge boomen op zij te kunnen schuiven. De kleeren hingen +weldra aan flarden, bij de naakte zwarten moest de huid het ontgelden. +Voor de dragers van de opvouwbare boot, moest, dikwijls een apart pad +met moeite worden uitgehouwen. Daarbij steeds dezelfde zwoele, +verstikkende broeikaslucht en de diepe, drukkende schemering! Men +tastte als door een donkere gang; nergens een licht, steeds een eeuwige +schemering, die door pikzwarte nachten werd afgelost. Evenals de +Poolvaarders in den langen winternacht, verlangde ieder naar den +terugkeer der zon en naar het daglicht. + +Op eenigen afstand van den oostelijken oever van de Loealaba ging de +tocht noordwaarts. Stanley klauterde in een boom, die vrij en eenzaam +op een heuvel stond. Welk een wondervol gezicht hier, over de toppen +der boomen van het woud. In het rond een enkele zee van bladeren, de +door de zon bestraalde oppervlakte der dicht in elkaar gevlochten +groene kronen der boomen. Hier boven ruischten de bladeren in den wind +en de storm veroorzaakte geweldige golven over de groene vlakte. Zelfs +voor den moed en de volharding van een Stanley was dit oerwoud een +beproeving van zijn energie. Ziekte, verveling en ongehoorzaamheid werd +merkbaar in zijn schaar. De groote Tipoe Tip was van oordeel, dat in +zulk een land verder doordringen onmogelijk was; hij wilde daarom met +zijn zwarte bende omkeeren. Na veel heen en weer praten liet hij zich +eindelijk overhalen nog twintig dagreizen verder mede te trekken, en na +ontelbaar veel moeite bereikte de karavaan eindelijk weer den oever der +Loealaba. + +Zonder geluid en majestueus gleed de geweldige watermassa den oever +langs. Dik en bruin door de verrotte planten wentelde de rivier zich +naar een land, van welks tallooze negerstammen de Europeanen nog in het +geheel niets wisten en dat nog nooit door den voet van een blanke was +betreden. De olifanten in het duistere woud voelden zich nog niet +verontrust door de Europeesche jagers en het nijlpaard lag nog +onbezorgd tusschen lotusbladeren en riet. En deze geheimzinnige rivier +over welke geleerden met elkaar streden, wilde Stanley overwinnen, het +koste wat het wilde. + +Tenten en omheiningen werden aan den rechteroever opgericht. Ginds aan +den linkeroever werden hutten zichtbaar van onbekende stammen. Stanley +liet zijn boot in elkaar zetten om de rivier over te gaan en met de +wilden te spreken. Intusschen lag hij peinzend in zijn tent. Door deze +eeuwige wouden te voet te gaan, was op den duur niet mogelijk. Waarom +den breeden weg niet gebruiken, dien de Loealaba zelf aanbood! Het woud +stond vol groeiende booten! Uit deze stammen kon een geheele vloot +bruikbare vaartuigen worden gehouwen. + +Snel besloten liet Stanley zijn karavaan door trommelslag bijeenroepen, +om zijn plan mede te deelen. Met aarzelende schreden naderden de +mannen, Tipoe Tip en de overige Arabieren vooraan. Zij verwachtten +niets anders dan dat de marsch door het geheele bosch voortgezet zou +worden. Toen allen bij elkaar waren, zei Stanley: + +„Arabieren, mannen uit Oenjamwesi en Zanzibar! Gij ziet deze rivier, +die sedert onheuglijke tijden stil en onbekend naar de zoute zee +stroomt, waar mijn blanke vrienden wonen.” En nu zette hij hun zijn +plan uiteen, om met een sterke vloot de Loealaba te willen afroeien. + +Eerst klonk als antwoord een onwillig gemompel, maar Stanley liet zich +niet van zijn stuk brengen. Hij verzekerde hen rondweg, dat hij dezen +tocht zou doen, ook al vergezelde hem niemand anders dan Frank Pocock, +de eenige overlevende, der drie uit Zanzibar medegenomen blanken. +Daarna wendde hij zich tot de bootslieden: „Gij, die met mij over de +groote zeeën zijt gezeild, wilt gij nu mij en mijn blanken broeder in +het woud laten omkomen?” Reeds kwamen eenigen naar voren en tenslotte +verklaarden twee-en-dertig man zich bereid mede te gaan. Tipoe Tip en +zijn Arabieren verzekerden echter dat zoo’n tocht reine krankzinnigheid +was, men zou in handen vallen van oorlogzuchtige wilden en +menscheneters of omkomen in bruisende watervallen. Stanley verzocht aan +de Arabieren, tenminste door hun gepraat niet hen af te schrikken, die +reeds beloofd hadden te zullen meegaan. + +Juist kwam nu van den linkeroever een boot met twee roeiers en een van +Stanley’s tolken riep den inboorlingen toe: + +„Bezorgt ons booten, opdat wij u ginds kunnen bezoeken.” + +„Vult de booten met schelpen en dan kunt gij komen!” + +„Gij kunt ieder tien schelpen krijgen,” antwoordde de tolk. + +Maar de wilden antwoordden: + +„Neen, jelui zijn slechte menschen, keert terug, keert terug!” En +daarbij hieven zij een akelig, vreemd lied aan, en van den anderen +oever klonk een onheilspellend „o-hoe, o-hoe-hoe!” + +„Ginds schijnt een strijdlustig opperhoofd te wonen,” zeide de tolk van +Stanley. + +„Onzin,” antwoordde Stanley, „waarom zouden zij strijd met ons zoeken?” + +„Het zijn wilden en daarom strijdlustig als de dieren.” + +„Ik zal je bewijzen, dat je ongelijk hebt,” antwoordde Stanley, stapte +met Tipoe Tip, eenige Arabieren en alle tolken in een boot en roeide +met snelle slagen naar den anderen oever. + +Hier krioelde het van zwarte krijgslieden, en een vloot van twintig +booten lag aan den oever. + +Op behoorlijken afstand riep de tolk de wilden toe, dat de blanke man +hun land wilde zien, men zou niets van hun eigendom aanraken en hen +geen kwaad doen. Het antwoord was, dat de blanke man den volgenden +morgen naar een klein, nabijgelegen eiland moest roeien; hun opperhoofd +zou daar eveneens met tien krijgslieden heengaan. Zoodra men daar +broederschap gesloten zou hebben, mochten de vreemdelingen de hutten +der zwarten bezoeken! + +Daar Stanley een overval vreesde, zond hij in den nacht twintig +gewapenden naar het eiland, die zich in het kreupelhout moesten +verbergen. Pocock en tien man roeiden den volgenden morgen naar de +plaats van samenkomst, terwijl Stanley zelf in de nabijheid in zijn +boot wachtte. Stanley had het goed voorzien, een geheele zwerm van +booten der wilden verliet den linkeroever, en toen zij het eiland +naderden, hieven de zwarten hun oorlogskreet aan: „o-hoe, o-hoe-hoe!” +en stormden met gespannen bogen en opgeheven speren aan land. Maar daar +waren de twintig in hinderlaag liggenden ook op hun post, en na een +korte schermutseling snelden de wilden hals over kop naar hun booten, +om zoo gauw als mogelijk naar hun dorpen terug te roeien. + +Stanley bracht nu al zijn manschappen naar een beschutte plaats op den +linkeroever. Den volgenden morgen waren de inboorlingen gevlucht en hun +dorpen stonden leeg. Slechts twee rijen grijnzende schedels van +opgegeten vijanden en gevangenen sierden de dorpsstraten. + + + + + + + + +60. OORLOGEN MET DE INBOORLINGEN. + + +Ondanks deze onvriendelijke houding der inboorlingen gaf Stanley het +besluit niet op met zijn boot de Loealaba af te varen. Met ongeveer +dertig man scheepte hij zich eindelijk in, terwijl Tipoe Tip en Pocock +met de overigen den oever langs zouden trekken. + +Het eene dorp na het andere werd aan den oever zichtbaar, maar overal +hadden de inboorlingen zich teruggetrokken en uit de verte hoorde men +hun oorlogskreet: „O-hoe, o-hoe-hoe!” + +Op een eiland tusschen de hoofdrivier en een zijrivier ging Stanley met +zijn boot aan land om de karavaan af te wachten en ze bij den overtocht +over de rivier behulpzaam te zijn. Rondom de legerplaats werd een +omheining opgericht. Daarna roeide hij een eind de zijrivier op, het +water was door de donkere boomwortels, die van den oever tot aan den +bodem reikten, zoo zwart als inkt. Bij zijn terugkomst vond hij het +eiland door vijandelijke booten omringd; maar zoodra zijn boot naderde, +roeiden de wilden pijlsnel weg. + +Eindelijk kwam Tipoe Tip met zijn troep hijgend aan, en nu kon men +verder trekken. Stanley bleef nu met zijn boot steeds dicht bij den +oever, zoodat de twee afdeelingen door een teeken met de trom met +elkaar in verbinding konden blijven. Weer waren alle dorpen verlaten, +maar toch sloegen de inboorlingen de vreemdelingen gade en lagen overal +in hinderlaag; maar toen op zekeren dag eenige van Stanley’s +manschappen in twee geroofde booten op verkenning uitgingen, werden zij +overvallen en geraakten op hun vlucht in draaikolken en +stroomversnellingen. Hun booten sloegen om en zij verloren vier +geweren; maar zij zelf werkten zich op de gekantelde boot en bleven +daarop zoolang, totdat zij door hun makkers werden gered. Uit het +groote dorp Ikondo waren alle inwoners gevlucht. Maar tusschen de +kooivormige rieten hutten, die zich in twee lange rijen uitstrekten, +hingen nog de gevulde wijnkruiken aan de palmen, meloenen en bananen +geurden, en overal stiet men op maniokaanplantingen, aardnoten- en +suikerrietvelden. In de nabijheid van Ikondo lag een groote boot, maar +die was gebarsten en lek; ze werd hersteld, in het water gelaten en als +hospitaal gebruikt, want pokken en buikloop waren in de karavaan +uitgebroken en dagelijks moesten twee à drie dooden in de rivier worden +begraven. + +Toen op zekeren dag de kleine vloot langs den oever roeide, slaakte +eensklaps een man in de ziekenboot een luiden kreet. Een vergiftige +pijl was hem in de borst gedrongen en op deze eerste volgde een regen +van pijlen. Snel werd uit de gevaarlijke streek geroeid en gekampeerd +op een plaats, waar vroeger markt was gehouden. De gewone haag van +rijshout werd rondom de tent opgericht, en voor alle zekerheid werden +posten in het kreupelhout uitgezet. + +Het duurde ook niet lang of geweerschoten en geschreeuw werden +vernomen. De wachten kwamen hals over kop aanloopen en riepen van +verre: „Houdt jelui gereed, zij komen!” En voordat men er op bedacht +was, suisden pijlen en speren tegen de verschansingen en de wilden +kwamen aanstormen onder het zingen van hun akelige krijgsliederen. Arme +duivels! Wat hielpen hun pijlen en speren tegen kogels en kruit! Zij +werden teruggeslagen, maar keerden steeds weer met nieuwe versterking +terug. Pas na een strijd van twee uur en bij het invallen der +duisternis trokken zij terug. + +Onder zulke gevechten bereikten Stanley en Tipoe Tip een dicht bebouwde +streek aan den westelijken oever en ook hier kwamen de inboorlingen hen +vijandig tegemoet. Bij het eerste treffen werden zij teruggeslagen, +roeiden toen echter naar een lang en smal eiland, waar zij hun booten +aan palen vastbonden, blijkbaar met het plan den volgenden dag weer te +beginnen. + +Maar dat plan zou hen vergald worden. In den pikduisteren nacht, +terwijl de regen nederkletterde, roeide Stanley naar het eiland, en +terwijl zijn boot stil en voorzichtig onder den hoogen, met boomen +bezetten oever gleed, sneed hij de vaartuigen, zooveel hij maar +bereiken kon, los en spoedig daarop dreven zes-en-dertig booten de +rivier af, waar ze door de manschappen van Stanley werden opgevangen. +Met deze buitgemaakte vloot roeide men met het aanbreken van den dag +weer naar de kampplaats terug. De wilden, die den kouden nacht in de +hutten van gras op het eiland hadden doorgebracht, zullen den volgenden +morgen wel verbaasd hebben staan kijken, toen zij bijna al hun booten +misten. Nu roeide de tolk van Stanley naar hen toe, om hun de +voorwaarden mede te deelen die Stanley hen stelde. Zij hadden den troep +van den blanken man trouweloos overvallen, vier man gedood en dertien +verwond; nu moesten zij levensmiddelen geven en dan zouden zij +schadeloos gesteld worden voor de geroofde booten. En eindelijk moesten +zij beloven den vrede te bewaren. + +Door deze handige list gelukte het eenige dagen in vrede te leven en +dat was dringend noodig, want Tipoe Tip had er nu meer dan genoeg van +en wilde geen schrede verder gaan op deze oorlogzuchtige rivier, maar +beslist met zijn manschappen terugkeeren. Maar Stanley stond er op, met +uitgezochte manschappen, die voor het grootste deel vrouwen en kinderen +bij zich hadden, in ’t geheel honderd en vijftig zielen, de reis te +vervolgen. + +De buitgemaakte booten werden, twee aan twee, met stangen aan elkaar +bevestigd, opdat zij niet zouden kenteren: de geheele vloot bestond nu +uit drie-en-twintig vaartuigen. Er werd voor twintig dagen proviand +ingepakt en een der laatste dagen van December, toen juist een frisch +koeltje de dichte nevelen van elkaar reet, riepen trompet- en +hoornsignalen tot het vertrek. Stanley commandeerde: „Aan boord!” De +zonen van Oenjamwesi zongen afscheidsliederen, waarop de naar huis +trekkende schaar van Tipoe Tip antwoordde, en nu gleed Stanley’s vloot +de rivier af, opnieuw onbekende landen en lotgevallen tegemoet. + + + + + + + + +61. OVER DE CONGO-VALLEN. + + +Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij +den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo, +waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was +ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in +het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van +dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en +tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd +zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en +avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte +rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier. + +Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever +aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en +voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden +opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen +vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer +van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp +tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij +troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley +omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op +bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot +onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand, +stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen +zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten +deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen. + +Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo +gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley +geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met +nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal +schilden buit, die hen later van veel nut werden. + +Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij +een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad +te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en +liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch +buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen +en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren, +en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt, +stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de +ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en +kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en +bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten. + +Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers +in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk +weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten +strijd gereed, midden in de rivier halt houden. Zwermen flinke booten +vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers +klonken helder tegen de schilden. + +De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we +schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich +langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls +gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het +eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de +vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen +naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun +pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord, +dan keerden zij bloedend naar den oever terug. + +Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de +reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen +waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De +vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de +watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den +oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige +dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en +toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de +oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der +inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte +strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun +hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten. + +Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering +van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen +ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van +vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd +met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval +over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden, +de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te +ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de +watervallen kon worden voortgezet. + +Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar de +inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen +te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te +water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden +water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest +de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen +om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden +van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de +manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde +er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen +waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits +toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek +menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een +zeer welkome buit zijn geweest. + +Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de +rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij +niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste +Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die +sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede +ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van +den Belgischen Congostaat. + + + + + + + + +62. „BOELA MATARI, DE STEENBREKER”. + + +Beneden de Congo-vallen verbreedde het bed der rivier zich hier en daar +tot drie kilometer, zoodat de tegenovergestelde oever ternauwernood nog +zichtbaar was en de vloot van Stanley tusschen de vele eilanden en +labyrinthen van waterwegen verdwaalde. De gevaren van de reis bleven +dezelfde. Telkens moest uitgekeken worden en steeds werden de +vreemdelingen door de inboorlingen vervolgd. In de booten vertoonden +zich krijgslieden met afzichtelijke gezichten en roode en groene +papegaaienveeren op het hoofd. Zij droegen armbanden van ivoor en het +handvat van hun roeispanen was eveneens gesneden uit de tanden van +olifanten. Aan den boeg van de groote booten woei een bos palmtakken en +uit de ivoren hoorns riepen schetterende tonen tot den aanval. + +In een dorp werd een afgodstempel ontdekt; het ronde dak rustte op +drie-en-dertig olifantstanden. In het midden van den tempel troonde een +uit hout gesneden rood geschilderd afgodsbeeld met zwarte oogen, haren +en baard. De messen, speren en strijdbijlen van deze wilden waren +buitengewoon handig gesmeed en hun sieraden bestonden uit koperen, +ijzeren en ivoren ringen. In de vuilnishoopen zag men de overblijfselen +van hun afschuwelijke maaltijden en rondom de hutten waren schedels van +menschen op hooge palen gestoken. + +Eindelooze wouden bedekten de oevers en de eilanden. Hier groeit de +mangroveboom, met zijn vele wortels, de hooge slangvormige rotang, met +zijn hangende gevederde bladeren, de drakenbloedboom, de gummiboom en +vele andere. Gevaar en hinderlaag loerde achter elke landtong. Er moest +gelet worden op rotsen en stroomingen in het water; op watervallen, +stroomversnellingen en draaikolken: nijlpaarden en krokodillen waren er +in menigte. Maar de inboorlingen zelf waren het gevaarlijkst en Stanley +en zijn manschappen waren door de eeuwige vervolging, waaraan zij +gedurende de laatste maanden waren blootgesteld, geheel uitgeput. + +In het dorp Roeboenga waar de inboorlingen weer eens vriendelijk gezind +waren, hoorde Stanley voor het eerst, dat deze rivier werkelijk de +Congo heette! Hier konden de reizigers hun levensmiddelen weer +aanvullen en toen de trommen van Roeboenga werden geroerd, was het niet +om ten strijde op te trekken maar om naar de handelsmarkt op te roepen, +waar de bewoners der omliggende dorpen visch, slakken, eetbare +schelpdieren, gedroogd hondevleesch, geiten, bananen, meel en brood te +koop aanboden. + +Maar vertrouwen kon men deze wilden nooit. Met hun griezelig +getatoueerd lichaam, hun halsbanden uit tanden van menschen, met hun +eigen tanden die zoo spits als die van een wolf zijn gevijld, met de +lichte gordels van gras om de lenden, speer en boog in de handen, +maakten zij in het geheel geen vertrouwenwekkenden indruk en +ternauwernood was men van een oogenschijnlijk vredelievenden oever +afgestooten of de zwarten maakten zich al weer gereed in de booten te +gaan om de vertrekkenden te vervolgen. In deze streek waren zij zelfs +al met geweren gewapend, die zij van de kust hadden gekregen en eens +kwam het tusschen de kleine vloot van Stanley en drie-en-dertig booten +der inboorlingen tot een heftigen strijd met schietwapenen aan beide +zijden! In de voorste boot stond een jong opperhoofd als aanvoerder, +hij had een schoon en waardig voorkomen. Hij droeg een hoofdbedekking +en een mantel uit geitenvel en om zijn armen, beenen en hals lompe +ringen van koperdraad. Een kogel trof hem in de dij, kalm bond hij een +lap om de wond, daarna gaf hij zijn roeiers een teeken naar den oever +terug te gaan. Nu verloren ook de anderen den moed en volgden de boot +van hun aanvoerder. + +Zoo ging deze tocht van Stanley onder onophoudelijke gevechten verder +naar het Zuiden. De groote kromming van den Congo was nu afgelegd, +waarbij niet minder dan twee-en-dertig slagen geleverd waren. Er volgde +weer een moeilijk einde waarop de geweldige rivier, in schuimende +watervallen en kokende stroomversnellingen, het hoogland, dat zich +langs Afrika’s westkust uitstrekt, doorbreekt. Aan dezen waterval gaf +Stanley den naam van Livingstone, want nu zag hij in, dat de rivier +toch nooit anders dan Congo zou heeten. De Livingstonevallen zouden +echter toch den naam van den grooten zendeling voor het nageslacht +bewaren. + +Nieuwe en vele moeilijkheden waren hier te overwinnen. Eens verdronken +een half dozijn mannen en verscheiden booten gingen verloren: de tocht +moest onderbroken worden om in het woud nieuwe booten uit te hollen. De +verraderlijke rivier trok de boot van Pocock op zekeren dag naar een +waterval, de arme bemerkte het gevaar pas te laat, suisde over den +waterval omlaag en verdronk. + +De laatste blanke, die Stanley zoo ver door Afrika had vergezeld, was +nu ook heen, en leeg en verlaten stond zijn tent ’s avonds als de maan +helder en spookachtig op de schuimende watermassa’s neerzag. + +Bij een anderen waterval geraakten de kwartiermeester en de timmerman +met een juist uitgeholden boom aan het drijven. Zij hadden geen +roeispanen bij zich. „Spring in het water,” riep de kwartiermeester +zijn makker toe, hij kreeg echter tot antwoord: „Ik waag het niet, ik +kan niet zwemmen!” + +„Vaarwel dan, broeder,” riep de andere, sprong in het water en zwom +naar het land. De eerste suisde den val af, de boot verdween in de +schuimende draaikolk, dook weer op, en men kon duidelijk zien, dat de +man er zich nog aan vastklemde. + +Nog eens zoog de draaikolk de boot in en nog eens werd ze boven het +water zichtbaar met haar last. Toen ze voor den derden keer in de +diepte werd getrokken en ze weer naar boven kwam, was de man verdwenen! + +Eindelijk werd het verder trekken met de booten onmogelijk. Ze moesten +opgeofferd worden, en de tocht verder over land voortgezet worden. Nu +was de schaar van Stanley van alles ontbloot, ellendig en uitgehongerd; +zij hadden ook bijna niets meer om de schatting te betalen, die de +zwarte stamhoofden voor den doortocht eischten. Eens zeide zulk een +zwarte koning, dat hij met een flesch cognac tevreden was. Cognac, als +men drie jaar in Afrika heeft rondgezworven! Daar kwam de +kwartiermeester naar voren en hoorde wat de zwarte majesteit eischte. +„Cognac,” riep hij, „daar hebt gij cognac!” En daarbij gaf hij den +zwarte zulk een muilpeer, dat hij languit neerviel en het geheele hof +de vlucht nam! + +Eindelijk was men nog slechts twee dagreizen van Boma, aan de monding +van den Congo, verwijderd. Daar waren handelsfactorijen en Europeanen! +Daarheen schreef Stanley en spoedig kreeg hij alles wat hij voor het +levensonderhoud noodig had. Toen hij dan eindelijk Boma bereikte, kon +hij zich en zijn getrouwen eenigen tijd rust gunnen! Daarna ging de +reis per schip Afrika om, naar Zanzibar, waar Stanley zijn mannen weer +afleverde. + +In zijn vaderland werd hij overal met gejubel ontvangen. Sedert een +duizendtal jaren waren de Arabieren steeds meer de binnenlanden van +Afrika ingedrongen, maar den loop van den Congo kenden zij nog niet! +Vergeefs hadden sinds eeuwen Europeesche vorschers getracht licht in +deze duisternis te brengen; de inboorlingen wisten niet eens waar ten +slotte de Loealaba bleef. Stanley had op eens de witte vlek op de kaart +van Afrika gevuld. Hij had voor de Europeanen de binnenlanden ontsloten +en was hen als pionier vooruitgegaan. Zelfs de wilden werden +geïmponeerd door zijn onbuigzamen moed en zijn ijzeren volharding en +zij noemden hem „Boela Matari” den „Steenbreker.” + +Andere vorschers volgden en volgen nog heden de voetstappen van +Stanley. Nu gaat een spoorlijn langs de Congo-vallen, en op de rivier +varen verscheiden stoombooten. Stanley zelf was tegenwoordig toen de +eerste stations werden aangelegd, en zijn naam is sedert dezen +Congotocht voor altijd met de geschiedenis van Afrika verbonden. + + + + + + + + +63. DE LAATSTE GOUVERNEUR VAN GORDON. + + +Chartoem was in Januari 1885 gevallen. Gordon dood, Slatin pacha +gevangen en de opvolger van den zegevierenden Mahdi, Kalifa Abdullahi +had geheel Soedan te vuur en te zwaard aan zijn heerschappij +onderworpen. Alleen het zuidelijkst deel van het voormalig Egyptische +rijk, de Aequator-provincie, die zich Nijlopwaarts tot aan het hart van +Afrika uitstrekt, had nog steeds hardnekkig weerstand geboden aan den +stormloop der derwischen. + +De gouverneur van deze provincie, een Duitscher, Eduard Schnitzer, Emin +pacha genaamd, was als vijf-en-twintig jarig arts en natuuronderzoeker +in Turkschen dienst getreden en had zich na tien veel bewogen +levensjaren ter beschikking gesteld van den gouverneur van Egyptisch +Soedan, van Gordon te Chartoem. Gordon had reeds na korten tijd de +uitnemende hoedanigheid van den Duitschen arts erkend, en hem in Maart +1878 tot gouverneur van de Aequator-provincie benoemd. In zijn +uiterlijk meer het oerbeeld van een slechts voor de wetenschap levend +professor, zooals de geestigheid van het volk hem graag teekent wist +Emin pacha, door beminnelijke zorg, diplomatieke handigheid en +onwankelbare kalmte het volle vertrouwen zijner onderdanen te winnen. +Den slavenhandel wist hij krachtig te beperken, de her- en derwaarts +gedreven inboorlingen opnieuw aan vaste woonplaatsen te binden en door +het aanleggen van wegen zijn gebied te ontsluiten voor handel en +verkeer: de bebouwing zijner provincie nam zoo toe, dat de Egyptische +regeering, nadat hij vijf jaar het bestuur in handen had gehad, +aanzienlijke oogsten kon binnenhalen. Naast dit veelzijdig werk aan +zijn bestuur verbonden, verrijkte Emin op talrijke reizen de +wetenschappelijke kennis omtrent de binnenlanden van Afrika door +grondige onderzoekingen en hij zond de resultaten van zijn +lievelingsstudie, groote botanische en zoölogische verzamelingen, naar +Europa. + +Daar brak de opstand van Soedan uit tegen de Egyptische heerschappij en +14 April 1883 ging de laatste stoomboot van Lado, de residentie van +Emin, den Nijl af naar Chartoem. + +Hiermede was de gouverneur met zijn manschappen geheel van Egypte en +Europa afgesneden. + +Ondanks dapper verweer, moest hij steeds meer Nijlopwaarts terugtrekken +voor de uit het Noorden voortdringende horden der Mahdisten; in het +Zuiden was hij de rijken van zwarte, oorlogzuchtige koningen +ingedreven, die er slechts op wachtten de hoofden van den blanken pacha +en zijn Egyptische soldaten als overwinnings-trofeeën rondom hun hutten +op staken te plaatsen, of met het vleesch der verslagenen hun +kookpannen te vullen. Vele naburige negerstammen sloten zich bij de +Mahdisten aan, en het godsdienstig fanatisme wekte oproer en verraad, +zelfs in Emin’s naaste omgeving. Hoe lang kon de Duitsche geleerde, +door zijn Egyptische regeering in den steek gelaten, zich op dezen +verwijderden post met een handjevol soldaten nog staande houden? + +Deze vraag hield gedurende de volgende drie jaren de geheele beschaafde +wereld bezig! Reeds had een Duitsche hulpexpeditie, die onder leiding +van den Afrika-reiziger, Gustaaf Adolf Fischer, vanaf de westkust voort +was getrokken, bij het Victoria-Niansa-meer moeten terugkeeren zonder +iets van Emin pacha te hebben vernomen. Wie zou het nu wagen den +laatsten der gouverneurs van Gordon, voor hetzelfde lot van den +verdediger van Chartoem te redden? + +Daar richtten eenige ondernemende Engelschen het oog weer op Stanley. +Indien hij eens Livingstone had gevonden, zoo zou hij ook nu van de +oost- of de westkust tot Emin pacha doordringen en den gouverneur en +zijn getrouwen uit de, door Egypte opgegeven, provincie naar Zanzibar +geleiden. + +Stanley was juist op een reis in Amerika om voordrachten te houden, +toen hij telegrafisch het bericht kreeg, dat het comité dat zich ten +doel stelde Emin pacha hulp te verleenen in verbinding met de +Egyptische regeering de noodige middelen voor een expeditie bijeen had +gebracht. + +Tot wanhoop zijner agenten onderbrak hij dadelijk zijn reis en 24 +December 1886 was hij in Londen. Dadelijk begon hij met zijn +voorbereidingen en wel met zulk een energie, dat hij reeds vier weken +later naar Egypte kon vertrekken. Den 22sten Februari 1887 was hij +reeds in Zanzibar, om hier de geschikte troepen te werven en dan per +schip rondom Zuid-Afrika naar de monding van den Congo te varen. Het +ongeluk der Duitsche expeditie had bewezen, dat men slechts met een +klein Europeesch leger, vanaf de Oostkust, den doortocht zou hebben +kunnen wagen door de stammen van de binnenlanden van Afrika, en de +gewone neiging der dragers uit Zanzibar, om na verkregen voorschot naar +hun naburig geboorteland te deserteeren, zou een expeditie vanaf de +oostkust roekeloos op niets hebben doen uitloopen. Daarom wilde +Stanley, met behulp van den Congo, Afrika voor den tweeden keer +doorkruisen en langs dezen weg tot aan het Albert-meer doordringen, in +de nabijheid waarvan de verdwenen gouverneur, als hij nog leefde, zich +moest ophouden. + +De Congolijn leidde echter door een gebied, dat het machtig Arabisch +opperhoofd Tipoe Tip als zijn eigendom beschouwde. De sluwe slaven- en +ivoorhandelaar was, sedert hij Stanley op zijn eerste doorkruising van +Afrika, in 1876 zoo trouweloos in den steek had gelaten, het spoor van +den Europeeschen ontdekker gevolgd en de eerste vruchten van dat +pionierswerk waren hem in den schoot gevallen. Onmetelijke gebieden van +menschen en olifanten, schenen slechts ontdekt, om zijn rijkdom aan +slaven en ivoor, met millioenen te doen toenemen! In enkele jaren had +hij zich opgewerkt tot dwingeland van het Congo-bekken, en aan den +oever van de rivier vele Arabische nederzettingen gevestigd, van waar +uit zijn duizenden krijgslieden die aan het woeste leven van den +Aequator gewoon waren, begeerig naar buit, rondtrokken en door moord, +roof en verwoesting voor de toekomstige beschaving van het donkere +werelddeel ontzetting verbreidende herauten werden. Indien Tipoe Tip de +nieuwe expeditie moeielijkheden in den weg lei, dan zou zij +onuitvoerbaar zijn, en als de groote voorraad aan ammunitie, die +Stanley voor Emin pacha meevoerde in handen van het opperhoofd viel, +dan zou de jonge opbloeiende Congo-staat aan welks vestiging Stanley +verscheidene jaren van zijn leven had gewijd, bedenkelijk in gevaar +gebracht worden. Bovendien had Stanley bij de geringe weerstandskracht +van zijn geleiders uit Zanzibar dragers noodig om tot Emin te kunnen +komen. + +Stanley ontmoette het Arabisch opperhoofd reeds in Zanzibar en deze nam +op zich, om tegen hooge betaling, zeshonderd dragers te verschaffen +voor het eind dat van de Stanley-vallen naar het Albert-meer afgelegd +moest worden. Als belooning voor zijn goeden wil zorgde Stanley er +voor, dat Tipoe Tip tot gouverneur over de Stanley-vallen werd benoemd, +met het traktement van een officier; hij moest daarvoor het in 1883 +gevestigd station Stanley-val, dat om zijn roofzuchtige scharen was +opgegeven, verdedigen tegen zijn eigen lieden en de naburige +inboorlingen, en den slavenhandel daar onderdrukken. Bovendien kreeg +Tipoe Tip met zes-en-negentig van zijn metgezellen vrije vaart rondom +Afrika en den Congo op. Den 25sten Februari 1887 stoomde de geheele +expeditie, op de stoomboot „Madoera” van Zanzibar uit. + +In het gezicht van Kaapstad, waarvan de groei en het bedrijvig leven op +den Arabier grooten indruk maakte, zeide deze tegen zijn Engelsche +bondgenooten, dat hij tot nu toe alle blanken voor dwazen had gehouden. + +„En wat denkt gij nu van hen?” vroeg Stanley. + +„Ik geloof, dat er iets in hen steekt,” antwoordde Tipoe Tip, „en zij +zijn nog ondernemender dan de Arabieren. Ik heb met mijn vrienden deze +stad, haar groote schepen en havendammen bekeken, en wij zijn tot de +overtuiging gekomen, dat alles zooveel beter is dan in Zanzibar, en ik +heb mij verbaasd, waarom wij het niet even goed kunnen als de blanken. +Ik begin te gelooven, dat zij heel schrander moeten zijn.” + +„Indien gij dat ontdekt hebt, Tipoe Tip, dan zijt gij op den goeden weg +meer te ontdekken. Jammer dat gij nooit een bezoek aan Engeland hebt +gebracht. Wees op deze lange reis trouw aan ons, dan zal ik er u heen +brengen en gij zult meer zien dan gij u kunt voorstellen!” + +„Inschallah! Als het de wil van Allah is, zullen wij er samen +heengaan.” + +Indien deze bewonderende stemming van Tipoe Tip bleef, dan zou hij de +expeditie van onschatbaar veel nut zijn. Maar wie kon peilen, wat voor +plannen en aanslagen achter het breede voorhoofd van dezen bruinen +diplomaat schuilden! + + + + + + + + +64. HONDERD ZESTIG DAGEN IN HET OER-WOUD. + + +Den 18den Maart liep de stoomboot „Madoera” de monding van den Congo +binnen. Maar reeds gedurende het eerste eind van Matadi tot aan +Stanley-Pool leed de karavaan door desertie en ziekte groote verliezen, +en bagage, proviand en ammunitie smolten tot bijna op de helft in. +Daarbij veroorzaakte het verkregen van nieuwe voedingsmiddelen zeer +onverwachte moeilijkheden, en daarom moesten in geforceerde marschen +vruchtbare streken bereikt worden. Van Stanley-Pool zou het per schip +verder gaan, maar de bestuurder van het Zendingsstation was slechts na +langdurige onderhandeling bereid, zijn schepen aan de expeditie ter +beschikking te stellen, voor de vaart den Congo op tot aan Jamboeja, +aan de zijrivier Aroewimi. + +Den eersten Mei begon de eentonige vaart. Dag aan dag hetzelfde +tooneel: boschrijk land, miriaden met bosch bedekte eilanden, en breede +kanalen met doodsch, stil water, die in den strakken glans der zon op +stroomen van kwikzilver geleken. Maar de inboorlingen leverden tamelijk +bereidwillig levensmiddelen en de gezondheid der expeditie bleef in het +begin uitstekend. Maar in Leopoldville moest reeds een deel der bagage +achter worden gelaten en in Bolobo bleef zelfs een deel der expeditie +liggen: honderd en vijf-en-twintig man, die reeds te uitgeput en ziek +waren. Te Jamboeja, waar de zendingsschepen terugkeerden en ook Tipoe +Tip zijns weegs ging, moest Stanley weer een keuze onder zijn +manschappen doen. En daar in het Oosten wachtte Emin pacha hevig door +de Mahdisten in het nauw gebracht op hulp! Voorwaarts dus, het koste +wat het wilde! Een voorhoede van gezonden en sterken baant den weg naar +het Albert-meer; wie niet mede kan, blijft bij de achterhoede onder +majoor Barttelot in Jamboeja. Hun taak is bagage en manschappen uit +Leopoldville en Bolobo te halen, en dan ondersteund door de door Tipoe +Tip beloofde dragers of in het ergste geval alleen, de voetsporen van +Stanley te volgen om zich na eenige maanden weer met hem te vereenigen. + +De achterhoede betrok een bestaande kampplaats te Jamboeja, want het +verlies der achtergebleven manschappen en hun voor het grootste deel +voor Emin pacha bestemde bagage, zou een onherstelbaar verlies voor de +voorhoede wezen; men moest dus voorzichtig zijn tegenover de +inboorlingen en eveneens tegenover Tipoe Tip, voor het geval deze de +voorkeur er aan mocht geven, inplaats zijn loon te verdienen, zich de +schatten der expeditie kortweg toe te eigenen. + +Den 28sten Juni begon nu de marsch der voorhoede van drie honderd +negen-en-tachtig man in de richting van het Albert-meer door een geheel +onbekend gebied en door vreemde stammen van inboorlingen. Weer nam een +ontzaglijk oerwoud de karavaan op en gedurende honderd en zestig dagen +moest zij zich onder ontzaglijke moeite met mes en bijl een pad banen, +door kreupelhout en struikgewas, zonder in al dien tijd, ook maar een +stuk grasland, zoo groot als de vloer eener kamer te hebben gezien! De +marsch ging langs den oever van de Aroewini, en af en toe kwam men in +de meegebrachte boot of in van de inboorlingen geroofde kano’s op +einden, die vrij waren van watervallen, sneller vooruit. Maar bijna nog +gevaarlijker dan de inboorlingen, waren de aanvallen der zwermen +wespen, wier nesten vastkleefden aan de over het water hangende takken; +vooral de naakte dragers wisten zich ternauwernood tegen hen te +verweren. Regen, vereenigd met stormachtige onweersbuien, bemoeilijkten +den marsch zeer, en meestal moest de karavaan zich tevreden stellen met +de meest schrale voedingsmiddelen, die zij langs den weg vonden. Want +de inboorlingen aan de dichtbevolkte oevers gedroegen zich, met enkele +uitzonderingen, vijandig of verlangden buitensporige prijzen voor een +paar bananen en maïskolven, want dikwijls leden zij ook zelf honger en +leefden zij van paddestoelen, wortelen, visschen, slakken of rupsen, +een menu, dat zij in het gunstigste geval door eenige porties +menschenvleesch van verslagen vijanden verbeterden. + +Daarbij toonden velen van Stanley’s manschappen zich zoo weerbarstig en +lui, dat zij liever zouden zijn verhongerd, dan met eigen hand de boven +hun hoofd hangende bananen af te snijden. De mannen uit Zanzibar +toonden zich zeer onverschillig omtrent het verlies van hun bagage, +hetgeen noodlottig dreigde te worden voor het lot der geheele karavaan, +die in het oerwoud als begraven was. Op het water waren zij geheel +onbruikbaar en aan den oever tegenover de hen omringende gevaren van +dezelfde stompzinnige onverschilligheid. Ondanks dagelijksche, ja elk +uur, gegeven waarschuwingen zwierven zij zorgeloos in het bosch rond en +werden dan dikwijls door de vergiftige pijlen en speren der +inboorlingen in den rug doorboord. Indien een moedige wilde hen brutaal +tegemoet trad, dan wierpen zij het liefst het geweer weg om te vluchten +of zij verhandelden hun wapenen tegen een paar maïskolven; daardoor +werden de inboorlingen steeds brutaler en weldra moest elke schrede in +hardnekkig gevecht met de wilden veroverd worden. De veerkracht hunner +bogen was zoo groot, dat de pijlen op korten afstand een lichaam geheel +doorboorden, en het gift, waarmede de punten waren bestreken, +veroorzaakte na voorafgegane krampaanvallen bij de meeste verwondingen, +onder groote smarten den dood. + +Bovendien ontmoette de karavaan nu roofzuchtige Arabieren en deze +ontmoeting demoraliseerde de troepen van Stanley nog meer dan ziekte en +honger het tot nu toe hadden gedaan. + +De desertie nam toe, proviand, ammunitie en ruilwaren werden bij +massa’s gestolen en aan de Arabieren verkocht. Vele zieken +bemoeielijkten den marsch, vooral als de booten op het land getrokken +en voorbij watervallen gesleept moesten worden. De desertiekoorts stak +zelfs een der laatste ezels aan, ook hij ging op zekeren dag aan den +haal. + +Intusschen was het nog een geluk voor de geheel uitgeputte en +ingesmolten karavaan, dat zij den 16den September in de nederzetting +van het Arabisch opperhoofd Oegarrowa aankwam, een voorpost der +slavenhandelaars, waar men Stanley vriendelijk ontving. Hij gaf daarom +zijn zieken aan de Arabieren ter verpleging; zij zouden, tegen +betaling, zoo lang in de nederzetting van Oegarrowa blijven, totdat de +achterhoede van majoor Barttelot hen zou bereiken. Door desertie en +dood had de voorhoede tot nu toe twee-en-zestig man verloren, en het +hoopje van hen, die zich nu gereed maakten verder te trekken, was zeer +verminderd. + +De aanwezigheid der slaven- en ivoorjagers had bovendien de +inboorlingen in het rond verdreven. Zij hielden zich verborgen in +ontoegankelijke kreupelbosschen en levensmiddelen waren maar zelden te +krijgen. De woeste strooming der rivier maakte het onmogelijk de +vaartuigen te gebruiken en spoedig waren de dragers zoo verzwakt, dat +zij nog slechts op handen en voeten kropen. Weer moest een troep zieken +en uitgeputten achtergelaten worden, en niettegenstaande de +buitengewone volharding van Stanley begon deze nu te twijfelen aan de +redding der expeditie! Evenals de wilden leefde men van woudbananen, +kevers, rupsen, slakken en witte mieren, en een ezel werd zoo grondig +verorberd door de half uitgehongerden dat niets dan het vergoten bloed +en de haren overbleven. Op de rustplaatsen zaten de lieden dof voor +zich heen te staren of spraken met elkaar over het bange voorgevoel dat +zij omtrent het hun te wachten lot hadden. + +„Weet gij dat die en die dood is; dat die verloren is en een derde +misschien vannacht te gronde gaat? De overigen zullen morgen omkomen.” +En na het gesprek riep de trompet weer allen op hun post om verder te +marcheeren en verder te strijden. + +Daar stiet men eindelijk den 18den October weer op de +herkenningsteekenen der Arabieren en vond in hun nederzetting Ipoto +opname en redding. Maar deze vriendelijkheid der Arabieren was +gevaarlijker, dan wanneer zij de expeditie met de wapenen in de hand +tegemoet waren getreden. + +Tegen levensmiddelen verkochten de mannen uit Zanzibar, wapenen en +bagage en vanaf Stanley tot aan den laatsten drager waren allen op het +punt weerloos in de handen der Arabieren te vallen! Toch bleef er niets +anders over dan om ook hier weer de zieken achter te laten, om nog maar +voorwaarts te komen. + +Den 27sten October ging de marsch verder naar het Oosten. Het oerwoud +werd steeds meer onbegaanbaar. Het vreeselijkste waren de open plekken, +die gedeeltelijk door den storm waren veroorzaakt, gedeeltelijk door de +inboorlingen ter beschutting hunner dorpen waren gemaakt. In +schrikkelijke verwarring lagen stammen en boomen, de een op den ander; +verhieven zich de takken tot den eenen heuvel boven den anderen. In +deze woestenij van bosch groeiden in den grootsten overvloed bananen, +wilde druiven, palmen, rotangs en vele woekerplanten, en door dit alles +moesten de manschappen dringen, over neergevallen stammen balanceeren, +dan weer op den grond door een warnet van takken kruipen en door +moerassen en greppels voorttuimelen. En vooral dreigden, onder bladeren +verborgen, vergiftige houtsplinters, die de sluwe inboorlingen tot +verweer tegen de vreemdelingen rechtop in den grond plachten te steken! +Elken avond pakten zich wolken samen, en hoorde men het rollen van den +donder van alle kanten weerkaatsen in het woud; de bliksemstralen +flikkerden hier en ginds, braken dagelijks de kronen der boomen en +spleten een woud-patriarch van den top tot den wortel, en de regen viel +in stroomen neer. Maar gedurende den marsch was de Voorzienigheid weer +genadig, de zon scheen en wierp haar zacht licht in millioenen stralen +door de takken en wekte de gedrukte stemming der reizigers op, +veranderde de stammen der boomen in marmeren pilaren en den dauw en +regendroppels in fonkelende brillanten, vroolijkte de onzichtbare +vogels op, zoodat zij hun lied deden klinken, wekte de zwermen van +papegaaien tot vroolijk geschreeuw en gefluit, en de groote troepen +apen tot uitgelaten grappen, terwijl hier en daar een diep gebrul in de +verte verkondigde dat een soko- of chimpanseefamilie zich in hun +schuilhoek met de een of andere wilde sport vermaakte. + +Een troep Arabieren diende op dezen marsch tot gidsen en de brutale +overmoed, tegenover de vreemdelingen, die zij reeds geheel in hun macht +zagen, werd voor de manschappen een onverdraaglijke marteling. Maar +zwak als zij waren, aan wandelende geraamten gelijk, moesten zij zich +alles laten welgevallen, totdat zij eindelijk Ibwiri bereikten, waar +zij zich weer aan een overvloed van levensmiddelen konden versterken. +Alsof zij met een tooverstaf werden aangeraakt, werkte hier op de +karavanen het bericht, dat de gevangenschap in het oerwoud op haar +einde liep en het grasland in het Oosten nog maar enkele dagreizen was +verwijderd. In Ibwiri wachtte Stanley, totdat zij, die in de laatste +kampplaatsen waren achtergebleven, zich met hem vereenigden, en toen de +voorhoede weer honderd vijf-en-zeventig man telde, zette hij den 24sten +November met nieuwen moed en frissche kracht den tocht voort. + + + + + + + + +65. OP ZOEK NAAR EMIN PACHA. + + +Den 4den December betrad Stanley met zijn kameraden, na honderd en +zestig dagen, voor het eerst weer de open vlakte, en de uitgestrekte +landerijen van Aequatoria lagen voor de oogen van de jubelende +manschappen, voor wie het een ontspanning was, eindelijk weer eens in +looppas te kunnen voortgaan. Achter de blauwe bergen aan den horizon, +moest het Albert-meer liggen, het vurig verlangde doel der expeditie, +waar Stanley den verdwenen gouverneur hoopte te vinden! + +Nieuwe moeielijkheden! Ontzaglijke velden en aanplantingen lagen voor +hem, en het eene dorp volgde op het andere; maar de inboorlingen +drongen rondom de karavaan in benauwende massa’s: van een +vriendschappelijke overeenkomst wilden zij niets weten en dag noch +nacht kon men het geweer uit de hand leggen. Dikwijls waren de wilden +door strijdlustige honden vergezeld, en wie zich alleen van de karavaan +verwijderde, was reddeloos ten doode opgeschreven. + +Bij elke hindernis in den weg, bij elken overgang over de rivier lagen +de wilden in hinderlaag, en als Stanley, hun eigendom sparend, voorbij +trok, zagen zij dat voor lafheid aan en werden zij nog brutaler. Het +krijgsgehuil weerklonk onophoudelijk, elk vooruitspringend gedeelte van +een berg, elke heuvel was zwart van de menschen, en op de vlakten +krioelden zij dooreen als mieren. En al deze gevechten en deze +slachtoffers slechts door een misverstand! De inboorlingen zagen de +vreemdelingen aan voor bondgenooten van den zwarten koning Kabba-Rega, +die hun gebied schatting liet betalen en Emin pacha ook bedreigde. + +Onder onophoudelijke gevechten naderde men eindelijk het Albert-meer en +op zekeren dag rustten aller oogen op een grauwe wolk beneden in het +dal. Wat is dat? De nevel trok gaandeweg op, en de glinsterende vlakte +van het meer lag voor hen! Door geestdriftig gejubel, werd den 13den +December 1887 de ontdekking gevierd. + +Maar wat nu? De voorhoede bezat geen vaartuig, want de booten had men +in Ipoto moeten achterlaten. Op de rotsige hellingen van de het meer +omgevende bergen, groeiden noch bananen noch eenige boom, die voor den +bouw van kano’s gebruikt konden worden. Nergens was een aanplanting te +zien, de bewoners der oevers leefden van vischvangst en van de +bereiding van zout. Indien Emin pacha nu zelf niet met zijn stoomboot +en levensmiddelen hen tegemoet kwam, dan was de karavaan hier vlak bij +het doel prijsgegeven aan den hongerdood. Maar hoe ijverig Stanley zijn +tolken ook liet navragen en hoe onvermoeid hij elk punt van den oever +met zijn verrekijker ook afzocht—geen spoor van den gouverneur en zijn +manschappen! Zou nu de geheele zending met al haar offers aan bloed en +leven toch vergeefs zijn geweest? + +Wat bleef er anders over dan intusschen naar Ibwiri terug te keeren! +Den 16den December begon de terugtocht, en den 8sten Januari 1888, werd +Ibwiri weer bereikt. Hier bouwde Stanley eerst het fort Bodo, bezette +het sterk en zond een afdeeling uit, om de verschillende achterblijvers +uit de Arabische nederzettingen te halen. Rondom het fort liet hij het +bosch ontginnen en maïs en boonen zaaien, opdat de later hier +achterblijvende bezetting eenige levensmiddelen zou hebben. Wel +verwoestten de inboorlingen de nieuwe aanplantingen dikwijls en het +fort geleek meer op een belegerde vesting. + +Daarbij overvielen gansche legers van mieren en ander ongedierte, de +hutten en tenten, en het wemelde er van giftige slangen. + +Den 8sten Februari kwamen de achterblijvers uit Ipoto gelukkig met de +boot aan. Zij hadden in de legerplaats der Arabieren ontzettend +geleden! De slavenhandelaars hadden hen slechts dan spaarzaam van +voedingsmiddelen voorzien, als zij in de aanplantingen werkten, en de +zwakken en zieken hadden zij eenvoudig laten verhongeren. Door diefstal +en geweld hadden de roovers een deel der wapenen van de expeditie in +hun bezit gekregen. Wat was onder deze omstandigheden het lot der +achterhoede en van majoor Barttelot geweest? Niemand had een spoor van +haar gezien. Zeer verontrust zond nu Stanley een troep vrijwilligers de +Aroewimi weer af, om de verdwenenen op te zoeken. Maar terwijl hij op +hun terugkomst wachtte, kreeg hij zelf koorts en lag drie-en-twintig +dagen onder den invloed van morphine, bijna voortdurend bewusteloos! + +Intusschen schoot op de bebouwde akkers de jonge maïs op, en was weldra +zoo hoog als het kreupelhout in het woud; fort Bodo beloofde een rijke +graanschuur voor de bezetting en de geheele karavaan te worden. Stanley +herstelde weer, maar niets bevrijdde hem van de kwellende zorgen over +zijn manschappen. De weken gingen voorbij. Geen spoor van de +achterhoede! Geen bericht van de verkenners! Allen schenen reddeloos +begraven te zijn onder de altijd groene golven van het oerwoud! En aan +het Albert-meer wachtte Emin pacha in wanhopig verzet op hulp en +redding! + +Zoodra Stanley zich weer krachtig voelde begon den 2den April 1888 de +tweede marsch naar het Albert-meer. Nog eens door de legioenen van +zwarte krijgslieden Emin pacha tegemoet! Maar dezen keer werden zij +niet ontvangen door het krijgsgeschreeuw der inboorlingen. De +machtigste opperhoofden kwamen nu de karavaan als bondgenooten +tegemoet. Twee maanden na Stanley’s terugkeer van het Albert-meer was +een hen bevriend blanke Mallejoe genaamd of de „Gebaarde” in een groote +ijzeren kano op het meer verschenen! „In het midden stond een groote, +zwarte boom, waaruit rook en vonken vuur kwamen,” vertelden het +opperhoofd Masamboni en zijn krijgslieden. „En er waren veel vreemde +lieden aan boord en er liepen geiten heen en weer als op de markt in +een dorp en kippen in met staven gesloten kisten en wij hoorden de +hanen even vroolijk kraaien als tusschen onze gierstvelden. Mallejoe +vroeg met diepe, diepe stem naar u, zijn broeder. Daarna voer hij weer +weg met zijn groote, ijzeren kano, die zooveel rook in de lucht deed +gaan, alsof ze in brand stond. Twijfel er niet aan, heer, u zult hem +spoedig vinden.” + +Dat waren de eerste berichten, die Stanley van Emin pacha kreeg. Van de +vele berichten, die Stanley reeds uit Zanzibar, langs de meest +verschillende wegen, naar den gouverneur had gezonden, had er hem dus +niet één bereikt. Maar de opperhoofden der inboorlingen zonden hem nu +hun hardloopers na, en binnen enkele dagen moest Emin pacha er van op +de hoogte zijn, dat de expeditie er was. Intusschen marcheerde Stanley +naar Kavalli, overal begroet en aangeroepen door de vriendelijke +inboorlingen, die nog enkele maanden geleden de vreemdelingen beschimpt +en niet weinigen gedood hadden. Nu trok een voorhoede van honderd +vijftig inboorlingen vooruit en vrijwillige, zwarte dragers namen de +lasten der karavaan over. + +Wel was de plechtig gesloten vrede van de inboorlingen een welkome +gelegenheid zich te verrijken met de geschenken der vreemdelingen en +zelfs de opperhoofden werden vaak onbeschaamde bedelaars. Maar zij +moesten in goede stemming worden gehouden en Stanley was daarom niet +spaarzaam met de producten der Europeesche beschaving, die meegenomen +waren om de nieuwsgierigheid der wilden gaande te maken en hen er mee +te vermaken. Een handspiegel wekte onder de zwarten eerst de grootste +verwondering en vrees. Toen zij hun eigen gelaat weerspiegeld zagen, +geloofden zij dat een vijandelijke stam uit de aarde tegen hen optrok +en zij liepen in den grootsten schrik weg. + +Daarna kwamen zij op de teenen terug en lieten nog eens het vreemde +visioen over zich heen gaan. „De gezichten zien er als die van ons +uit!” fluisterden zij tegen elkaar, en nu legde Stanley hun uit, dat +hetgeen zij zagen niets anders was dan het spiegelbeeld van hun eigen +buitengewoon innemende trekken, bij welk compliment het opperhoofd, +Mpinga van trots gloeide. En nu overwon de persoonlijke ijdelheid in +enkele oogenblikken de aanvankelijke vrees. Zijn geleiders drongen zich +om hem heen, en allen sloegen met onuitputtelijk genoegen gade hoe waar +de spiegel de kenteekenen van elk gelaat weergaf. „Zie eens het +litteeken, het is precies zoo; maar zie toch je breeden neus, Mpinga. +O, dat is heel precies. Ja, en zie de groote veer, die wuift werkelijk! +Het is te vreemd! Waar kan het van zijn gemaakt? Het ziet eruit als +water, is toch niet vloeibaar; en op den rug ziet het zwart. Ah, wij +hebben vandaag een ding gezien, dat onze voorvaderen nooit zagen!” + +In Kavalli kreeg Stanley eindelijk een brief van Emin, die hem echter +tot zijn verbazing beval te blijven waar hij was, totdat de gouverneur +met zijn manschappen bij hem zou komen. Den 29sten April kwam eindelijk +de stoomboot van Emin, op het Albert-meer, in het zicht. Stanley zond +hem boden tegemoet, en onder algemeen gejubel en talrijke +begroetingssalvo’s, naderde de verdwenen gouverneur met zijn geleide in +het duistere avonduur, de legerplaats. Maar laat ons nu Stanley zelf +laten vertellen: + +„Ik schudde alle aangekomenen de hand en vroeg, wie Emin pacha was. +Toen wekte een wat kleine, tengere gestalte mijn opmerkzaamheid door de +in ’t uitnemend Engelsch gesproken woorden: + +„Ik ben u veel dank verschuldigd, mijnheer Stanley en ik weet werkelijk +niet hoe ik dien zal uiten.” + +„Ah, u zijt Emin pacha! spreek over geen dank, maar kom binnen en neemt +u plaats. Het is hier buiten zoo donker, dat wij elkaar niet kunnen +zien.” + +„Wij zaten aan den ingang der tent, een waskaars verlichtte die. Ik had +volgens de beschrijving van verschillende reizigers een groote, magere +gestalte van militair voorkomen verwacht, in afgedragen Egyptische +uniform, maar zag in de plaats daarvan een kleine, tengere gestalte met +een goed onderhouden fez en in een helder, goed gestreken en uitnemend +zittend pak uit katoenen dril. Een donkere, met grijs doorweven baard, +omlijstte het gelaat dat een Hongaarsch type had ofschoon een bril het +een ietwat Italiaansche of Spaansche uitdrukking gaf. + +„Het gelaat vertoonde geen spoor van ziekte of zorg, integendeel, +slechts gezondheid en kalme gemoedsrust waren er op te lezen. Korte +mededeelingen over onze lotgevallen, de gebeurtenissen in Europa; de +voorvallen uit de streken om den aequator, alsmede persoonlijke +lotgevallen, namen nagenoeg twee uren in beslag; daarna werden, om het +gelukkige wederzien te vieren, vijf halve flesschen champagne ontkurkt, +en op de voortdurende gezondheid van Emin pacha en zijn metgezellen +geledigd! Daarop brachten wij het gezelschap naar de boot, die hen naar +het stoomschip terug bracht.” + +De rollen der beide groepen waren dus juist omgekeerd! Naast het +welverzorgde militaire geleide van den pacha, scheen de karavaan van +Stanley een erbarmelijk armoedige bende, die veel eerder hulp noodig +scheen te hebben dan de gouverneur, ter wiens redding zoo vele +kameraden het leven gelaten hadden! + +In de positie van Emin pacha was namelijk weer een gunstige wending +gekomen, daar het scheen alsof zijn gebied niet meer onmiddellijk +bedreigd werd. Daarom was hij ook nog volstrekt niet besloten om zich +door Stanley te laten redden. Het viel hem zwaar om plotseling zijn +levenstaak niet verder voort te zetten, en ook zijn troepen dachten er +niet aan hun vaderland op te geven; en aan den anderen kant kon hij het +niet over zijn hart verkrijgen om zijn mannen in den steek te laten. +Het werd ook spoedig duidelijk, dat hij van zijn soldaten en hun +inlandsche officieren afhankelijker was dan wel voor een gouverneur, +met de macht van onder-koning bekleed, paste; hij verklaarde dan ook +dat hij zijn besluit afhankelijk zou maken van den wensch zijner +manschappen. Hij moest derhalve eerst naar zijn residentie Wadelai +terugkeeren; en zelfs indien in het gunstigste geval de Egyptische +troepen zich bereid verklaarden om zich by Stanley aan te sluiten, dan +zouden er toch nog weken en maanden moeten verloopen, voordat zij ter +plaatse waren. + +Ook Stanley zelf had een tijd van rust noodig. Hij kon zijn uitgeputte +manschappen niet dadelijk blootstellen aan het onzekere lot, dat hen +wachtte op de onbekende wegen naar de oostkust; maar bovenal moest de +achterhoede, waarvan hij nog niet het geringste levensteeken had +ontvangen, gered worden. + +Stanley betrok derhalve in Nsabe een versterkt kamp, liet een zijner +officieren, Jephson, met verscheidene manschappen by Emin achter, en +begon den 24sten Mei zijn verschrikkelijken marsch teneinde de +achterhoede te ontzetten! + + + + + + + + +66. HET LOT VAN DE ACHTERHOEDE. + + +Ten tweeden male het donkere oerwoud in! Den 8sten Juni was Stanley +reeds weder in het fort Bodo, waar hij alles in den besten toestand +aantrof. De gewassen waren uitstekend opgekomen, de oogst was +binnengehaald, en er was opnieuw gezaaid. De bevelhebber van het +garnizoen, luitenant Stairs, had de invaliden uit het kamp van +Oegarrowa gehaald, maar tengevolge van de schandelijke behandeling der +Arabieren, waren er van de zes-en-vijftig man slechts veertien levend +in het fort Bodo aangekomen! + +Den 16den Juni begon de opmarsen naar Jamboeja, en weerklonk dagelijks +de waarschuwende roep der gidsen: „Roode mieren onderweg! Pas op, een +boomstronk, o! splinters! Een kuil, rechts! Pas op, links! Pas op, +doornen! Een wortel! Roode mieren in aantocht! Pas op de roode mieren! +Een boomstam! Splinters daaronder!” + +Zoo ging het verder, van het eene kamp naar het andere. Toen Stanley +den 21sten Juni te Ipoto aankwam, waren de Arabieren aldaar niet weinig +geschrokken, daar ze bang waren voor een wraakoefening wegens de wijze +waarop ze zijn invaliden behandeld hadden. Maar Stanley hield zich in, +want eerst moest de achterhoede gered worden, en hij mocht het fort +Bodo met zijn bezetting van zestig man niet blootstellen aan een +overrompeling door Arabische roovers. Derhalve vergenoegde hij er zich +mee, een deel der geroofde wapenen te doen uitleveren, en trok toen +verder de Aroewini stroomafwaarts. + +De lastdragers die hem door Emin medegegeven waren, hadden het meeste +van de vermoeienissen der dagmarschen te lijden; bij een heftigen +stortregen, vielen er plotseling drie dood neer, alsof ze door een +kogel getroffen waren, en dagelijks waren er meerderen die ditzelfde +lot deelden. + +Den 13den Juli bereikte Stanley het kamp van Oegarrowa. Maar de plek +was als uitgestorven, alle bewoners waren stroomafwaarts getrokken. Met +behulp van talrijke kano’s, die men den inboorlingen ontnam, +achterhaalde men echter de mannen van Oegarrowa, en hier, in het kamp +der Arabieren trof Stanley eindelijk de vrijwilligers aan, die hij de +achterhoede tegemoet gezonden had. Van de twintig man waren er vier +gesneuveld, en van de overige zestien man was er slechts één enkele +zonder schot- of speerwond afgekomen! Ze hadden voor de vijandelijke +inboorlingen moeten wijken, en zich onder bescherming der Arabieren +moeten stellen. Ook de afgezanten die Oegarrowa in opdracht van Stanley +naar Jamboeja gezonden had, waren niet in staat geweest, zich door de +vijandelijke benden heen een weg te banen. Het lot der achterhoede was +dus nog geheel in het duister gehuld. Daar moest wel iets +verschrikkelijks gebeurd zijn! + +Den 12den Augustus werd de marsch voortgezet. De bezwaren, die de weg +opleverde, bleven dezelfde, alleen werd de karavaan niet meer door de +inboorlingen lastig gevallen. De dicht bewoonde streken, waardoor men +zich bij den opmarsch met moeite een weg had moeten banen, waren thans +verlaten; de inboorlingen waren verdwenen, hun groote dorpen waren te +deele verwoest De slaven- en ivoorhandelaars hadden hier weer eens +duchtig huisgehouden! + +Zoo brak de 17de Augustus aan. Na de opeenvolgende tooneelen van +verwoesting en verlatenheid aan beide oevers, vertoonde zich in den +lichten morgennevel een nog gespaard gebleven dorp, en toen men +naderbij gekomen was, werd een versterkte omheining zichtbaar. Witte +gewaden kwamen in ’t zicht, en in den morgenwind wapperde een roode +vaan met de halve maan. Weer een kamp der Arabieren! Hier was misschien +de achterhoede! „De majoor, jongens! Aan de riemen!” riep Stanley zijn +mannen toe, en onder luid hoera-geroep vloog de kano met razende +snelheid voort. + +Een eind voor het dorp hield Stanley stil, en daar hij aan land een +troep vreemde menschen zag, riep hij: + +„Tot wien behooren jullie?” + +„We behooren tot Stanley’s mannen,” klonk het antwoord. + +In enkele oogenblikken was Stanley aan land, en voor hem stond, als +eenige Europeaan, de arts Bonny. + +„Wel Bonny, hoe gaat ’t? Waar is de majoor? Soms ziek?” + +„De majoor is dood!” + +„Dood? Goede God! Hoe is hij gestorven? Aan koorts?” + +„Neen, hij is doodgeschoten!” + +„Door wie?” + +„Door de Manjema, de mannen van Tipoe Tip!” + +„Genadige hemel! En waar is de plaatsvervangende officier?” + +„Aan de Stanley-vallen!” + +„Om Godswil! Wat doet hij daar?” + +„Hij is daarheen gegaan om meer dragers te krijgen.” + +„En waar zijn de andere officieren?” + +„De eene is in Bangala, en de andere is al sedert lang ziek naar huis +teruggekeerd!” + +Bij stukjes en beetjes vernam nu Stanley het lot van de achterhoede. +Majoor Barttelot had de instructies van Stanley niet opgevolgd, die hem +uitdrukkelijk gelast had, om slechts een tijdlang op de door Tipoe Tip +beloofde dragers te wachten; maar om dan, wanneer de Arabier zijn woord +niet zou houden, met al de bagage in kleine dagmarschen op te rukken, +om in elk geval dichter by Stanley te komen. Tipoe Tip had, zooals +Stanley wel voorzien had, zijn woord niet gehouden, en majoor Barttelot +had zich door de beloften van den sluwen Arabier volkomen om den tuin +laten leiden! + +Deze had spoedig de benarde positie van den majoor bemerkt, en het was +zijn streven geweest om zich zijn hulp zoo duur mogelijk te laten +betalen. De rooftochten van zijn benden hadden de oevers van de +Aroewini verwoest en ontvolkt, en de achterhoede was nu voor de +proviandeering op de milddadigheid der Arabieren aangewezen. Dit was ’t +juist wat Tipoe Tip beoogde: op deze wijze kreeg hij voortdurend meer +van de kostbare bagage van Stanley in handen. Hoewel er geen +schermutselingen hadden plaats gehad, was de munitie-voorraad reeds tot +op de helft ingekrompen, de helft van het buskruit en meer dan twee +derden der kogels waren verdwenen; de slaghoedjes had men aan Tipoe Tip +moeten verkoopen! + +Maar, nog erger! Tengevolge van ongunstige berichten omtrent het lot +van Stanley had Barttelot een groot deel der bagage naar Bangala +teruggezonden, zoodat Stanley thans aan alles gebrek had, en voor +zichzelf uit een stuk doek der tent, een soort van kousen moest maken! +Alsof dit alles nog niet voldoende was, had Barttelot ook een deel van +de Europeesche proviand, en bijna alle geneesmiddelen teruggezonden, en +dat nog wel terwijl zijn mannen van honger omkwamen, en het kamp meer +zieken dan gezonden bevatte! Van de 271 man sterke achterhoede waren er +nog slechts 101 in leven, en van dezen was nog de helft door honger en +ontbering ten doode opgeschreven. Kortom, de aanvoerder was bij al den +tegenspoed volkomen zijn hoofd kwijtgeraakt. En toen eindelijk, tien +maanden later dan afgesproken was, Tipoe Tip met een deel der beloofde +dragers aankwam, waren deze zoo onbruikbaar, dat de majoor zijn +zelfbeheersching volkomen kwijt raakte. Bij een twist, die hierover +ontstond, had een der Arabieren hem eenvoudig neergeschoten. + +Zelfs de ijzeren energie van iemand als Stanley moest wel door het +verhaal van dezen rampspoed gebroken worden. De halve expeditie +vernietigd door de roekeloosheid van den aanvoerder! Niets dan moord en +dood, ziekte en zorg, kommer en gebrek. Welk een welkom voor deze +kleine heldenschaar! Dagen lang was Stanley als ’t ware versteend bij +den aanblik van al deze ellende. + +Toen hij echter weer eenigszins tot zichzelve gekomen was, zorgde hij +er eerst voor, dat velen van de achterhoede die zichzelf met slecht +toebereide maniok vergiftigd hadden, weer op krachten kwamen; toen dit +het geval was, werd den 1sten September de terugmarsch ondernomen. + +Alzoo ten derden male door de verschrikkingen van het oerwoud! En dat +met een karavaan waarin op één gezonde drie zieken voorkwamen. De +vreeselijkste ervaringen hadden de mannen nog niet verstandiger +gemaakt, en noch de vergiftigde pijlen noch de vlijmscherpe speren der +inboorlingen hielden de mannen er van af om zich van den troep af te +scheiden, en alleen op buit uit te gaan. Daarbij dag aan dag regen, die +de bezwaren van den tocht nagenoeg onoverkomelijk maakte! Meer dan eens +dreigde de hongerdood een einde aan de geheele expeditie te zullen +maken. + +Den 15den December, in een kamp nabij het punt waar de Ihoeroe en de +Doei samenstroomen, wanhoopte zelfs Stanley er aan, den volgenden dag +nog te zullen beleven. + +De uitgezonden fourageerders waren sedert dagen verdwenen; of +verzorgden zichzelf misschien in weelderige bananenaanplantingen, +zonder aan hun kameraden te denken. Van hen die in het kamp waren +achtergebleven, waren slechts weinigen in staat om in het woud bessen +of paddestoelen te zoeken. Wie nog gaan kon, volgde den aanvoerder om +de vermisten te zoeken. Het werd nacht, wellicht de laatste nacht, dien +ze zouden beleven! De sterren waren niet te zien, er brandde geen vuur, +want er was toch niets om te koken. Diepe stilte heerschte +rondom—slechts nu en dan een vertwijfeld steunen. + +„Uit de pikzwarte duisternis,” zoo lezen we in Stanley’s dagboek +„doemden vage gestalten op, die het koortsgebied bevolken, er waart +door de lucht een gefluister van graven en eenige vergetelheid, een +demon fluistert de verhitte verbeelding in, dat het beter is te rusten, +dan met een gebroken hart te denken, en de wind in de toppen der boomen +van het duistere woud schijnt te zuchten en te steunen: verloren! +verloren! verloren! Vergeefs zijn uw arbeid en uw kommer! De eene +noodlotsdag na den anderen; stuk voor stuk zullen uw mannen den dood +ten prooi vallen, en dan zult ge alleen zijn!” + +„Allah ho Akbar” weerklonk plotseling de roep van een man in het +duister. „God is groot”—een Muzelman herinnerde de Christenen er aan +hunnen God te gedenken! + +Tegen den morgen sluimerde Stanley in, maar toen de dag nog nauwelijks +aangebroken was en het spookachtig licht zijn doodstille makkers deed +zien, sprong hij weer op. „Vooruit, jongens naar de bananen! Met Gods +hulp zullen we vandaag nog bananen hebben!” Allen stonden met +inspanning van hun laatste krachten op, en struikelend van zwakte +gingen ze in het grauwe morgenlicht achter elkaar aan. + +Hoor! Was dat niet als het gerommel van stemmen in de verte? Neen, ’t +was reeds nabij! En komt daar niet als gedragen door de hand van een +schim een bundel groene bananen uit het struikgewas te voorschijn? Daar +zijn de fourageerders met schatten beladen! En op hetzelfde oogenblik +vergaten allen hun ellende, en jubelend stijgt hun dank ten hemel: „God +zij gedankt!” Snel werden vuren aangestoken, waarop de bananen +geroosterd werden, en toen men weer voldoende krachten had opgedaan om +zich op weg te begeven, gingen ze naar het kamp terug, om ook daar aan +de halfdooden weer nieuw leven te schenken. + +Dit verschrikkelijkste avontuur van de geheele expeditie vond plaats op +een afstand van weinige dagreizen van het fort Bodo, waar Stanley op +den 20sten December aankwam. In het geheel had de marsch van Banalja +naar het fort honderd en zes menschenlevens gekost! + +„In het fort Bodo alles wel!” Dit gelukkige bericht had tegelijkertijd +iets verbluffends voor Stanley. Immers, hij had er in ’t geheel niet op +gerekend de bezetting nog in het fort aan te zullen treffen. + +Emin pacha en Jephson hadden, zoo luidde de stellige afspraak, een +expeditie tot ontzet zullen vormen! Maar er was van beiden niet het +geringste bericht tot hier doorgedrongen. Had dan alles samengespannen +om het doel dezer expeditie onmogelijk te maken? Er moest in het gebied +van den gouverneur wel iets zeer bijzonders hebben plaats gegrepen, +wanneer zelfs Stanley’s eigen officieren de strikste bevelen om het +fort te ontzetten niet hadden kunnen nakomen! + + + + + + + + +67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN. + + +Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner +achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de provincie Aequatoria +ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over +zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den +18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door +Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische +regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land +te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel +strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische +officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond, +dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet +waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier +was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den +gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit +het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze +leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de +bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam, +werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet, +ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen +verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit +duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn +rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley +hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze +waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie +en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen. + +Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en +spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur +om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven. + +Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de +bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht. + +Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de +soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur +gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze +jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats +van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!” + +De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de +overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze +weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd +teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van +Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun +vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht, +maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met +gejubel ontvangen. + +Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen +verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen +viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch +prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar +Toengoeroe terug. + +In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk +weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het +zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten +Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij +hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan. + +Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch +zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de +munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley +uit den weg te ruimen. + +Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar +het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de +verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst +inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken +afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te +vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou +zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur +zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage +mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met +recht weerspannig werden. + +Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf +voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de +redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten +gebruiken voor hun molensteenen om maïs te malen, en hun groote vaten +voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen. + +Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden +volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij +zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin +pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke +studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich +bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten, +vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel +wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te +lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten +voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het +kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en +werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd. + +Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van +Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen +waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat +overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen +gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens +allen getrouw, ze deserteerden bij troepen. + +Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den +April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de +marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei +kon men verder trekken. + +De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste +sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888 +als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den +hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet +men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een +misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had +Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de +geheele karavaan aan koorts leed! + +Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die +zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van +vijf maanden kwam een expeditie den 4den December te Bagamoyo tegenover +Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris +van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een +feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven +werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een +ongeluk, daar hij uit een raam viel! + +Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche +rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn +bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën +in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en +volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En +thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het +binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den +23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der +wereldgeschiedenis. + +Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was, +keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons. + +Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we +ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit +over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om +tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo: +„tot weerziens!” + + + + + + + + +INHOUD. + + + 1. Naar het land van de Middernachtzon 3 + 2. Aan de Noordkaap 7 + 3. De Pooltocht van Franklin 11 + 4. De dood van den Admiraal 14 + 5. In nacht en ijs 19 + 6. De tocht naar de Doodenbaai 23 + 7. Het bericht der Eskimo’s 27 + 8. Aan de Oostkust van Groenland 30 + 9. Door ijsberen aangevallen 36 + 10. Tweehonderd dagen op een ijsschots 40 + 11. Een Gordon-Bennettvaart naar de Noordpool 48 + 12. De ondergang der „Jeannette” 51 + 13. Door de ijswoestijn 57 + 14. De doodenmarsch van De Long 60 + 15. Fridtjof Nansen 68 + 16. Op sneeuwschoenen en met hondensleden naar + de Noordpool 72 + 17. Een overwintering 76 + 18. Een avontuur in de Kajak 80 + 19. Nansen’s gelukkige terugkeer 82 + 20. Per luchtballon naar de Noordpool 84 + 21. Voor de opstijging 88 + 22. „Alles klaar!” 91 + 23. Het lot van Andrée 94 + 24. In Hamburg bij Hagenbeck 98 + 25. In het gewoel der wereldstad 102 + 26. Tocht op de Theems 106 + 27. Twee dagen in het Britsch museum 108 + 28. In Londen’s armenwijk 110 + 29. Van Londen naar Parijs 113 + 30. Een wandeling door de Seinestad 115 + 31. Het graf van Napoleon 118 + 32. Aan den oever van het Meer van Genève 124 + 33. De lagunenstad 127 + 34. Dwars door Italië 130 + 35. De eeuwige stad 133 + 36. Paus Pius X 135 + 37. „Brood en spelen” 137 + 38. In de catacomben 142 + 39. Pompeji 145 + 40. Onder de asch van den Vesuvius 148 + 41. Egypte 152 + 42. Met Gordon den Nijl op 155 + 43. De Witte Pacha 158 + 44. De ontruiming van Soedan 163 + 45. In de macht van den Mahdi 165 + 46. Het dagboek van Gordon 168 + 47. De val van Chartoem en het einde van Gordon 172 + 48. De veldtocht van Kitchener in Soedan 179 + 49. De struisvogel 182 + 50. Leeuwenjacht 185 + 51. Het nijlpaard 192 + 52. David Livingstone 195 + 53. De ontdekking van het Ngami-meer 200 + 54. Van kust tot kust 203 + 55. De apostel van Afrika 209 + 56. Hoe Stanley Livingstone vond 216 + 57. De laatste reis van Livingstone 224 + 58. De lijkstoet van een held 229 + 59. Door het donkere werelddeel 232 + 60. Oorlogen met de inboorlingen 237 + 61. Over de congo-vallen 239 + 62. „Boela Matari, de steenbreker” 242 + 63. De laatste gouverneur van Gordon 246 + 64. Honderd zestig dagen in het oerwoud 250 + 65. Op zoek naar Emin Pacha 255 + 66. Het lot van de achterhoede 260 + 67. Gered uit de handen der rebellen 265 + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Thans is de Zuidpool zoowel door den Noor Asmussen als door den +Engelschman Scott betreden, terwijl den 26en April 1908 de Noordpool +ontdekt werd door R. E. Peary. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76913 *** |
