summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76913-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76913-0.txt')
-rw-r--r--76913-0.txt10650
1 files changed, 10650 insertions, 0 deletions
diff --git a/76913-0.txt b/76913-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..a8f4bf2
--- /dev/null
+++ b/76913-0.txt
@@ -0,0 +1,10650 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76913 ***
+
+
+
+
+
+ SVEN HEDIN
+
+
+ VAN POOL TOT POOL.
+
+ TWEEDE REIS.
+
+ VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR.
+
+
+ GEAUTORISEERDE UITGAVE.
+
+
+ W. DE HAAN—UTRECHT.
+
+
+
+
+
+
+
+
+1. NAAR HET LAND VAN DE MIDDERNACHTZON.
+
+
+Na even uitgerust te hebben van onzen tocht door Azië, kiezen wij het
+hooge Noorden voor ons volgend doel. Wij zijn in Stockholm in den
+spoortrein gestapt en als wij op het achterbalkon van den laatsten
+wagen gaan staan, schitteren ons de metalen rails tegemoet, die
+Stockholm met Narvik in het hooge Noorden van Noorwegen verbinden. Stil
+droomerig ligt het landschap om ons heen in den helderen avond. De uren
+gaan voorbij, wij schrijven 27 Juni, den tijd van de heldere nachten.
+Wie kan dan het besluit nemen, te gaan slapen? Nu eens wordt de blik
+geboeid door een klein meer, op welks landtongen en eilandjes jonge
+pijnboomen als in den slaap knikken, dan weer groene weiden, aan welker
+uitersten rand een reeks witte berkestammen scherp tegen de duisternis
+van het dennenbosch afsteekt.
+
+Den volgenden morgen zijn wij reeds midden in het land der
+onuitputtelijke bosschen en der zaagwerken. Overal dennen, sparren en
+berken, de meren en rivieren bedekt met drijvende houtblokken en
+vlotten. De nabijgelegen hoogten flikkeren in krachtige, groene tinten;
+daarachter verdwijnt alles meer en meer in diep blauw. Dikwijls
+strekken zich tusschen de heuvels vlakke veenstreken uit, omlijst door
+boomen, die er als verschrompelde dwergjes uitzien. Wel is dit land
+mijlen ver tot naar het Noorden eentonig, maar toch kunnen wij er onze
+oogen niet van afhouden; de teere lijnen en tinten en de wazige,
+trillende spiegelbeelden van het landschap in de heldere golven der
+blauwe meren stellen volop schadeloos, voor de grootscher bekoring van
+het hooggebergte, dat ver in het Westen blijft liggen.
+
+Wij hebben reeds meer dan de helft van den weg achter ons en houden ’s
+avonds te Boden stil, vanwaar wij een uitstapje maken naar Luleå aan de
+Bottnische golf. Op den weg naar de kust wordt het bosch weer dichter
+en hooger en spoedig wandelen wij door de straten van Luleâ, de
+hoofdstad van Norrbotten, die na den laatsten verwoestenden brand nieuw
+en voornaam is verrezen. De alleeën van berken in de grootere straten
+zijn niet minder betooverend dan de palmen in Singapore. In het Noorden
+glinsteren de randen der wolken in verblindend purper. Maar welk een
+eenzaamheid! Het is klaarlichte dag en toch is er niemand op straat? Is
+de stad verlaten of betooverd? De klok lost het raadsel op; het is
+middernacht!
+
+Een kleine stoomboot brengt ons den volgenden morgen naar het eiland
+Svartö, en spoedig staan wij op een geweldige houten brug, die zich
+zestien meter boven den waterspiegel verheft. Aan beide zijden ligt een
+stoomboot met erts voor anker, en nu komt op de brug een trein
+aangerold. Elk van zijn wagens bevat dertig ton erts. Zoodra de eerste
+zich boven een opening in de brug bevindt, slaat zijn bodem naar
+beneden open. Met oorverdoovend geraas stort het erts in een met
+geslagen plaatijzer bedekte goot om in het ruim van een der schepen te
+verdwenen. Zoo wordt de eene wagen na den anderen geledigd, de eene
+trein na den anderen, en elk uur dalen duizenden tonnen erts in het
+binnenste van een schip. Zoodra het geladen is, stoomt het naar eene
+vreemde haven, bijv. Rotterdam, vanwaar het erts naar de groote
+metaalgieterijen in Westfalen wordt verzonden.
+
+Al dit ijzererts komt uit Gellivara en den Malmberg.
+
+Als ’s winters de scheepvaart heeft opgehouden, wordt het op de kade
+opgestapeld; daar liggen dan ongeveer 600.000 ton. Hier op Svartö
+vloeit een der twee ertsstroomen van Norrland, de andere gaat over
+Narvik in Noorwegen en is nog geweldiger, want daar vloeit het erts het
+geheele jaar door en keert als goudstroom terug.
+
+Te Boden bereiken wij weer onzen trein en richten ons nu meer
+noord-noord-west naar Lapland. Geen gebergte, geen rivieren. De
+spoorweg slingert zich tusschen eindelooze moerassen en veengronden,
+waaruit kleine, ronde heuvels als eilanden uitsteken.
+
+Maar denkt niet, dat deze veengronden waardelooze woestenijen zijn,
+waarin de spoorweg-stations schaarsche oasen vormen. Zij zijn een
+kapitaal voor de toekomst, want daaruit wordt zooveel turf gewonnen,
+dat ze den tegenwoordigen steenkoleninvoer, voor geheel Zweden
+gedurende tweehonderd jaar kan vervangen!
+
+Het woud krimpt meer en meer in. De dennen zijn zoo klein, dat ze
+ternauwernood voor kerstboompjes deugen, hun korte takken liggen vlak
+tegen den stam. Maar zij staan zoo dicht tegen elkaar, alsof een leger
+dwergen, dat men naar het Noorden heeft gejaagd, opeendrong, om zich
+gedurende den winter wederkeerig te verwarmen. Zij streven naar de zon,
+maar kunnen zich niet verheffen, en blijven verschrompeld, mager en
+ellendig. In den winter verdwijnen zij geheel onder opgewaaide sneeuw.
+
+Schril gilt de stoomfluit der locomotief over het zwijgende dwergwoud.
+Daardoor maakt de machinist ons opmerkzaam op een merkwaardigheid. Op
+twee witte borden rechts en links, staat in groote, zwarte letters
+„Poolcirkel”. Hier zijn wij dus in de Poolstreek, waar de langste dag
+des zomers, zoowel als de langste nacht ’s winters vier en twintig uren
+duurt. Van den Poolcirkel af neemt de lengte van den dag naar de
+Noordpool toe, waar zij zes maanden duurt, om met een even langen
+winternacht af te wisselen.
+
+Het merkwaardigste, wat ik ooit in mijn leven zag, is Kirunavara, dat
+wij van af Boden over Malmberg bereiken, een gebergte dat van de
+geheele wereld het rijkste is aan ijzererts. Hier heeft de aarde aan de
+bewoners van Zweden bijna onuitputtelijke rijkdommen geschonken, en hij
+die er voorbijgaat, vermoedt ternauwernood den onmetelijken schat, die
+onder den golvenden rug van het zoo onaanzienlijk gebergte ligt.
+
+Midden in de wildernis is hier aan de oostelijke zijde van een meer, de
+plaats Kiruna verrezen, en noordwestelijk er van verheft zich een
+tweede berg, de Luossavara, die eveneens ontzaglijke massa’s kostbaar
+ijzererts in zijn binnenste verbergt. Te Kiruna heerscht gedurende een
+maand heldere dag; een arbeider verzekerde mij, dat voortdurend licht
+veel onaangenamer aandoet dan een even lange winternacht. Want ook dan,
+als de diepste duisternis heerscht en de zon zich sedert veertien dagen
+niet meer boven den horizon vertoond heeft, ziet men toch in het Zuiden
+den weerschijn van het verdwenen licht, en de vlam van het noorderlicht
+trilt over de witte sneeuw, waarover de Lappen in hun sleden rijden.
+Tusschen met sneeuw bedekte bergen, gaat de spoorbaan verder naar het
+Noorden. Voor ons ontvouwt zich een prachtig uitzicht over het
+Torne-Träsk. Dit zeventig kilometer lange tot negen kilometer breede
+meer ligt tusschen geweldige door sneeuw bedekte bergen, die zich aan
+den noordelijken oever tot 1300 meter hoogte verheffen. Het Torne-Träsk
+is geen moerassig meer, maar een echt Alpenmeer met 162 meter diepte en
+wordt in schoonheid maar door weinig meren van Europa overtroffen. Bij
+Björkliden worden de dwergberken, die de hellingen van den oever
+bedekken, vijf meter hoog, maar krimpen spoedig weer in tot
+onaanzienlijke struiken. Een waterval stort schuimend een steilen wand
+af: hij heet „de Zilveren Sluier” en fladdert en glinstert in den wind
+als een sluier op het haar van een meisje. Maar nu wordt het uitzicht
+steeds meer benomen. Muren ter bescherming tegen opgewaaide sneeuw
+versperren het. Dikwijls sneeuwen de ertstreinen hierboven zoo diep in,
+dat ternauwernood de bovenste blokken der ertsvrachten nog zichtbaar
+zijn. Dan moet de trein met schepraderen, die door motoren, op
+bijzondere, door de locomotief geschoven wagens gedreven worden, uit de
+sneeuw worden bevrijd.
+
+Opeens ligt een kamp der Lappen voor ons, een tent en een hut, aan een
+kleine poel! Wat aardig en tevreden zien deze kleine Lappen in hun
+bonte kleeren, uit rendierenhuid met roode, blauwe en gele banden, er
+uit! Bijna hadden wij eenige van hun rendieren overreden, die
+natuurlijk juist over de rails moesten loopen, toen de trein naderde.
+Sedert duizend jaren volgen de Lappen steeds getrouw hun rendieren en
+trekken als de dagen lengen over het hooggebergte naar de Noorweegsche
+fjorden, om in den herfst weer terug te keeren en den winter in Lapland
+door te brengen. De rendieren bepalen het tijdstip voor het opbreken en
+de Lappen moeten hen volgen en met behulp van hun vroolijke, waakzame
+honden de kudden bijeenhouden. Want deze kudden rendieren zijn hun
+eenig bezit, hun rijkdom. Zij verzorgen ze met liefde en beschermen ze
+zorgvuldig tegen den wolf, den veelvraat en de stekende insekten. Men
+telt in Zweden vierduizend Lappen en zij bezitten twee honderdduizend
+rendieren. Dit volk eens uit Azië hierheen gekomen, kent zijn land in-
+en uitwendig als de Indianen hun wouden. Elke Lap is een padvinder. Het
+was ook een Lap, die voor honderdzeventig jaren den ertsberg Kiruna
+ontdekte en den weg daarheen wees.
+
+Terwijl de trein ons langs het traject tusschen het Torne-Träsk en de
+grens van Zweden voert, door dit eenzaam en toch betooverend hoogland,
+langs kleine, nog bevroren meren, tusschen hoog opgewaaide
+sneeuwhoopen, door en over een bodem, waar geen boom meer wortelt, waar
+de rendieren buiten in vrijheid schaarsch mos zoeken, en dikke, blauwe
+rook uit de tenten der Lappen omhoog stijgt, moet ik aan mijn oud Tibet
+denken. Welk een gelijkenis tusschen beide landen! De natuur, de
+menschen met hun spleetoogen en hun levenswijze, dezelfde eenzame,
+golvende landstreken tusschen meren en moerassen, beide worden
+doorgetrokken door kleine, tevreden Nomaden, die gehard en geduldig een
+dapperen strijd, met een harde, karige natuur en een grimmig klimaat
+voeren. Dezelfde omzwervingen met de jaargetijden, dezelfde gewoonten,
+dezelfde mannelijke kleederdracht voor beide geslachten en dezelfde
+ronde, naar boven spits toeloopende tenten! De yak en het schaap zijn
+voor den Tibetaan, wat het rendier voor den Lap is. De bewoners van
+Tibet zijn even goedaardig en vreedzaam als hun geestverwanten in
+Zweden en koesteren evenals dezen slechts den eenigen wensch in vrede
+gelaten te worden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+2. AAN DE NOORDKAAP.
+
+
+De grens van Zweden is nu bereikt, de wolken liggen dicht als
+veerenbedden over het station „Riksgränsen” (landgrens) op een hoogte
+van 520 Meter. Dan gaat het op Noorweegsch gebied omlaag naar de zee.
+De trein geeft zich nu over aan zijn eigen zwaarte, de machinist
+behoeft slechts te remmen. Op een 180 meter lange viaduct van tien
+gewelfde bogen, gaan wij over het woeste Noorddal en rijden dan langs
+de linkerzijde van het Hondedal. In de diepte schuimt de blauw-groene
+rivier. De dwergboomen beginnen zich weer in de hoogte te verheffen,
+hoe dieper wij komen. De bergruggen verdwijnen in de wolken. Maar onder
+den rand der wolkenmantels storten ruischende watervallen van de
+rotswanden af. Nog enkele krommingen en wij zijn in de havenstad
+Narvik, die tusschen hooge, steile bergen ligt. Hier waar het Zweedsche
+erts de wereld inrolt, wacht ons de stoomboot „Salten”.
+
+Bij scherpen Zuid-Westen wind en nevelig weer, draagt ze ons den
+volgenden dag de Ofotenfjord uit, om zich dan naar het Noord-Oosten te
+wenden, tusschen groote eilanden, door smalle zeeëngten en over open
+vlakken van den Atlantischen Oceaan, waarop men de uitgestrekte
+wereldzee tusschen de eilanden door ziet schemeren. Elk oogenblik
+verandert de omgeving. De onderste hellingen der hooge bergen zijn met
+berkenbosschen en groene weiden bedekt, hier en daar ligt een eenzame
+hoeve temidden van haar akkers, van welke de gerst zoo hoog in het
+Noorden niet meer rijp wordt. De hoogten zijn kaal, op de toppen ligt
+sneeuw, en van de punten der sneeuwvelden dansen de bergbeekjes naar de
+zee omlaag. Wij ontmoeten eenige visschersbooten, roei- en motorbooten,
+alle met bruine zeilen. Zij komen van de vischvangst aan de kusten van
+Finmarken, hebben den buit hunner netten verkocht en keeren nu met hun
+verdienste naar huis terug. De lichten der vuurtorens op de landtongen
+en klippen slapen in den hellen zomernacht, het weer was onvriendelijk
+tegen ons, maar in den nacht klaart de noordelijke horizon op. Slechts
+een kleine opening breekt door de wolken, maar groot genoeg, dat de zon
+er door kan zien, en eindelijk kunnen wij ons met eigen oogen
+overtuigen, dat de dagvorstin op deze hooge breedte niet meer in de zee
+verzinkt.
+
+Voor ons ligt Tromsö; ginds de kerk en het museum, hier aan den oever
+houten loodsen op hun palen en aan de landingsbrug visschersschuiten en
+stoombooten. Uit de berkenboschjes boven de haven komen sierlijke
+houten villa’s kijken, en als de zon zich weer achter de wolken
+verbergt, teekent zich de geheele stad donker af tegen den helderen
+noordelijken hemel. Maar van den ondersten rand der wolken overstroomt
+het licht als stralen van een geweldig zoeklicht, de zeeëngte. Alles
+slaapt. Slechts twee jongens staan op een pier en eenige mannen werken
+in hun boot. Nu valt het zonlicht brandgeel op daken en gevels en in
+het Zuiden staan de van regen zware wolken donker violet.
+
+Tromsö is een kleine en gezellige, maar vuile stad. Het museum bevat de
+dierenwereld van de noordelijke zeeën van af den walvisch tot het
+kleinste wormpje. In den bonthandel van Tromsö spelen de kostbare
+vellen van den blauw- en zilvervos, van het sabeldier en den hermelijn
+een groote rol.
+
+Verscheiden Russische zeilschepen liggen voor de stad. Zij kwamen
+bevracht met hout, van Archangel en hadden de reis van daar tot hier in
+tien dagen afgelegd. In Tromsö en omgeving koopen zij dan versche
+dorschen en andere visschen, die aan boord worden ingezouten en met
+deze lading gaan de schepen weer naar den mond van de Dwina terug. In
+het gunstigst geval is de winst van zulk een schip op een reis 5000
+roebel. De Noorweegsche visschers houden echter niet van de Russische
+kooplieden. Zij vinden, dat zij te veel verdienen aan de dorschen;
+bovendien drinken de Russische matrozen naar hun inzicht te veel en
+leven te ruw in de havensteden.
+
+Slechts ongaarne scheidt men van dit eeuwig wisselend landschap, om
+gedurende den eeuwigen dag eenige uren te gaan slapen. Als men dan
+echter buiten op de Loppzee ontwaakt, waar de hooge golven van den
+oceaan onbelemmerd tegen het schip slaan, dan is men blij nog eenigen
+tijd te kunnen bleven liggen. Men kan al zeeziek worden als men kleeren
+en handdoeken heen en weer ziet fladderen, en handkoffers, schoenen en
+boeken op den bodem van de hut hoort dansen!
+
+Maar nu glijden wij kalm water binnen, waar men slechts zelden een
+visscher, hier en daar een stoomboot met erts uit de Varangerfjord of
+een schip met timmerhout van de kust van de Witte Zee ziet. Wij maken
+een uitstapje naar de Kvänangenfjord en een harer vertakkingen de
+Jökelfjord in, aan welker uitersten rand ijsschollen rondzwemmen. De
+gillende toon van een stoomfluit weergalmt tusschen de bergen. Dat is
+het teeken van een Lap, die zich aan het strand heeft gevestigd en
+spoedig stoot een boot van den oever af, die ons tegemoet komt en
+waarvan de bezitter aan onzen loods inlichtingen geeft. Hij is
+dorschvisscher en kent het vaarwater. Hij is een levendige, kleine,
+aardige kerel, die ons, terwijl hij wijdbeens met bloot hoofd staat,
+verzekert, dat wij bij 70 vadem diepgang niet op grond zullen komen!
+Het zwartgroene water, waartegen de ijsschotsen in stralend wit
+afsteken, zegt ons ook reeds zelf, dat het nog een flink eind is tot de
+ankerplaats in den fjord.
+
+Langzaam glijden wij den fjord binnen en voor ons ontrolt zich een
+grootsch beeld. Over een geweldigen rotswand hangt een gletscher. Als
+van tijd tot tijd ijsblokken door hun eigen gewicht omlaag storten,
+vloeien zij aan de voet van den berg weer tot een nieuwe gletschertong
+samen; deze rekt zich langzaam voorwaarts tot ze den fjord heeft
+bereikt; hier rolt de kracht van het water den ijsrand uit, en blokken
+storten omlaag; dan „kalft” de gletscher, zooals men pleegt te zeggen.
+Maar nu rust hij; de Lap verzekert echter, dat de ijstong ’s zomers
+elke twee dagen en ’s winters dagelijks „kalft” en als de blokken van
+den ijswand afstorten, kan men het kraken 60 kilometer ver hooren. De
+kapitein van de „Salten” laat twee kanonschoten afvuren, om het ijs te
+schokken, maar vandaag laat de „Jökel”, de gletscher, zich niet in zijn
+rust storen. Misschien tot ons geluk, want het kalven van den gletscher
+kan een stortgolf teweegbrengen, die kleine schepen doet kenteren.
+
+Onze loods, de Lap, wordt koninklijk betaald en daar hij buitendien een
+arm vol boterhammen, vruchten en sigaren ontvangt, wordt hij opgetogen
+van geluk. Zulke aardige reizigers had hij nog nooit ontmoet, herhaalt
+hij onophoudelijk! De „Salten” keert langzaam in het binnenste bekken
+van den Jökelfjord. Hij stevent als hij weer in de open zee is
+aangekomen, verder noordwaarts, op Hammerfest aan, de noordelijkste
+stad der aarde; voor welker slechtriekende traankokerijen talrijke
+Russische zeilschepen liggen, die van hier met visch naar Archangel
+gaan. In dien avond stoomen wij over een open gat, waar de zee
+grijsgroen is en hoog gaat. Eenige dolfijnen krommen hun blanke, zwarte
+ruggen bevallig over de golven.
+
+Het is koud en winderig geworden; voortdurend stroomt een fijne regen
+op de „Salten” neer; en uit den dichten nevel glanzen slechts de
+allernaaste rotseilanden, achter welke zij beschutting voor den wind
+zoeken, om de smalle, schoone zeeëngte tusschen het vasteland en het
+eiland Magerö binnen te varen. Onze koers gaat oostelijk om Magerö
+heen. In het Zuiden opent de Porsangerfjord, in het Oosten is
+Svärholtklubben even zichtbaar met den Vogelberg, een steil
+omlaaggaande kaap, waarop ontelbaar veel meeuwen nestelen. Daarna
+wenden wij ons noordwaarts. Aan stuurboordzijde speelt een dolfijn in
+de golven, die nu door den storm worden gezweept. Het schip stampt
+onaangenaam; de stoelen op het dek wandelen kris en kras door elkaar en
+in het rond rommelt het van beweegbare voorwerpen. Wij hebben het
+middagmaal juist geëindigd, daar slingert het schip heftig, en de tafel
+is in een ommezien afgenomen. Op den vloer zwemmen de sardinen in den
+rooden wijn!
+
+Zoo worstelen wij met de golven en rollen langzaam naar ons doel. Voor
+ons verheft zich de rots van de Noordkaap. Europa’s noordelijkst
+voorgebergte, dat steil naar de zee afdaalt. Als wij maar eerst
+gelukkig onder de beschutting der hooge rotswanden zijn, waar reeds
+twee toeristen-stoombooten voor anker liggen! Het gelukt, weldra zijn
+wij in veilige beschutting en de zee wordt kalmer.
+
+Slechts de binnenste hoek van de bocht is stil, boven ons huilt de
+storm en suist in teugelooze woede de steile hellingen af en over de
+zee heen. Op een hoogte van 300 Meter staat op den top van de Noordkaap
+een klein paviljoen.
+
+Het middernachtuur is nabij. Er heerscht een geel schemerlicht,
+loodzware wolkenmassa’s jagen over zee en land. Vergeefs wachten wij op
+de doorbraak der middernachtzon in het Noorden! Maar misschien nog
+grootscher dan zij, is het uitzicht, dat wij nu naar het Noorden
+hebben! Voor ons ligt staalgrijs en koud de witte ijszee, op den
+achtergrond der blauwzwarte wolken dansen de witte schuimkoppen van de
+golven der zee, die de Zuid-Weststorm naar Nova-Zembla en het
+Frans-Jozef-land drijft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+3. DE POOLTOCHT VAN FRANKLIN.
+
+
+Nu zijn wij onmiddellijk aan de grens van het eeuwige ijs. Alle
+vastelanden, zeeën en eilanden heeft de ondernemingsgeest van den
+mensch reeds doorzocht. Slechts de beide Polen en hun naaste omgeving
+hebben tot nu toe nog aan zijn verder doordringen den hardnekkigsten
+tegenstand geboden. [1] Maar onvermoeid is de eerzuchtige
+ontdekkingsgeest aan den arbeid; de wetenschap duldt geen witte,
+onbeschreven plek meer op de kaart. Daarvoor konden zelfs de
+onafzienbare ijsvelden op den duur den moed der zeevaarders niet
+terugschrikken. Het eene schip na het andere ging te gronde, maar
+steeds nieuwe kielen doorploegden de Poolzee. De Noordpool heeft de
+grootste aantrekkingskracht, want deze ligt het dichtst bij Europa,
+midden in de Noordelijke IJszee, die door de kusten van Azië, Europa en
+Noord-Amerika wordt ingesloten.
+
+De geschiedenis der Poolonderzoeking is buitengewoon rijk aan
+heldendaden en onheilen; een er van willen wij ons kort in herinnering
+brengen.
+
+Aan de door het geluk begunstigde poging van Nordenskjöld om langs de
+kusten van Noord-Azië een Noord-Oost doorvaart te vinden, heb ik reeds
+herinnerd. Ook de Noord-West doorvaart is een der problemen, die
+ondanks alle mislukkingen, steeds weer wordt ondernomen. De
+noodlottigste van deze expedities, was de pooltocht van den Engelschman
+John Franklin in het jaar 1845.
+
+Franklin was officier van de Engelsche vloot. Hij had te land en te
+water op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond expedities geleid, in
+zeeslagen gevochten en kaartopnamen gedaan van aanzienlijke
+uitgestrektheden der noordkust van Amerika, ten oosten van de
+Behringstraat. Het grootste deel der kust van het Amerikaansche
+vasteland was hem dus bekend en het betrof nu nog slechts een
+bevaarbaren waterweg te vinden, tusschen de groote eilanden, die ten
+Noorden van de kust lagen. Hij was er natuurlijk, maar of hij geschikt
+was voor de scheepvaart, dat was de vraag. Een aantal deskundigen
+besloten een groote expeditie uit te rusten, om de doorvaart te vinden.
+
+Geheel Engeland kwam in geestdrift voor het plan en honderden dappere
+mannen meldden zich aan om er aan deel te nemen. Admiraal John Franklin
+was reeds vroeger in deze streken geweest en koesterde den vurigen
+wensch, leider der expeditie te zijn. Wel vreesde de Admiraliteit dat
+Franklin met zijn zestig jaren niet opgewassen zou zijn voor de taak.
+„Maar ik ben pas negen en vijftig jaren”, antwoordde Franklin met
+nadruk en zoo werd hij de leider der expeditie, van welke noch hij,
+noch een zijner ondergeschikten zoude terugkeeren.
+
+De schepen, die van de kiel tot aan den mast zeevaardig werden gemaakt,
+heeten „Erebus” en „Terror” „Onderwereld” en „Schrik”. Franklin heesch
+zijn admiraalsvlag op de „Erebus”, waar kapitein Fitsjames in rang op
+hem volgde; bevelhebber van de „Terror” en tweede leider der expeditie,
+werd kapitein Crizier. Het officierscorps werd met groote zorg gekozen;
+slechts krachtige door de zee geharde en zeer bekwame mannen werden
+aangenomen. De bezetting der beide schepen bestond uit drie en twintig
+officieren en honderd elf man. Levensmiddelen werden voor drie jaren
+medegenomen en in beide scheepsruimten stoommachines gebouwd, hetgeen
+destijds nog nooit in de Poolzeeën was beproefd.
+
+Franklin kreeg een voorschrift, waaraan hij zich te houden had;
+natuurlijk behield hij het recht onder zekere omstandigheden anders te
+handelen, zijn taak was van de Atlantische zijde Noord-Amerika om te
+zeilen en door de Behringstraat in den Stillen Oceaan te komen. Met de
+oplossing van deze taak zou de Noord-West doorvaart gevonden zijn.
+
+Den 19den Mei 1845 verlieten de beide schepen Engeland. Bevelhebber en
+manschappen waren vol heerlijke verwachtingen op succes, en vast
+besloten hun uiterste kracht tot bereiking van het doel in te spannen.
+Allen droomden reeds van de warme winden, die hen in den Stillen Oceaan
+zouden ontvangen en van den onsterfelijken roem, die hen wachtte, als
+zij door de smalle zeeëngte, waar Azië en Amerika maar enkele mijlen
+van elkaar verwijderd zijn, zuidwaarts zouden stevenen.
+
+Op zee hield de admiraal een toespraak tot zijn lieden, verklaarde hen,
+waarom het ging en sprak de verwachting uit, dat ieder zijn plicht zou
+vervullen. Zij voeren de Orkney eilanden voorbij en op Sint Jan zagen
+zij Kaap Farewell, de Zuidkaap van Groenland, verdwijnen. Den volgenden
+dag stieten zij op het eerste ijs, geweldige drijvende ijsbergen, die
+woeste, getande vormen toonden en aan de waterlijn door den golfslag
+klokvormig waren uitgehold. Voor de meesten der manschappen was dit
+schouwspel nieuw; zij stonden op het dek en bewonderden deze drijvende
+bergen, waarvan de toppen boven den wimpel van den hoofdmast uitstaken.
+Nu en dan sloeg een der ijsbergen om en de zee kwam in beroering, als
+hij zijn door het water stukgeknaagde onderzijde naar boven keerde.
+
+Tien dagen later ankerden de beide schepen bij het eiland Disko, aan de
+westkust van Groenland. Hier ontmoetten zij een ander Engelsch schip,
+dat vooruit was gezonden, om met zijn lading hun voorraad aan proviand
+en verdere voorwerpen voor de uitrusting te voltooien. De kapitein van
+dit schip was de laatste die met de leden der Franklin expeditie had
+gesproken. Nooit, zoo verzekerde hij later, heb ik zulk een flinke
+schaar en voor hun taak in geestdrift verkeerende zeelieden gezien. Ik
+heb gemeend, dat die zich overal zouden doorslaan. Hij nam de laatste
+postzending der poolvaarders mede. Eenige der briefschrijvers gaven
+Kamschatka, de Sandwicheilanden en Panama als postadres op; zij meenden
+in een jaar weer in Europa terug te zijn, en de brieven getuigden van
+de geestdriftige stemming, welke aan de officierstafel heerschte en van
+de bewondering voor den admiraal, den ouden zeerob, die niet eens bij
+stormachtig weer het getal der geheschen zeilen verminderde om maar
+snel verder te komen! Want hij wist, dat hier in het Noorden, slechts
+kort gedurende den laten zomer op open water was te rekenen. Er was
+voor drie jaar proviand voorradig, zelfs op het dek stond elke hoek vol
+met tonnen en kisten,—wat was er dus verder te vreezen?
+
+Den 26sten Juli werden „Erebus” en „Terror” door een Engelschen
+walvischvaarder gepraaid. Dat was de laatste maal, dat een sterfelijk
+oog hen zag; sedert dien dag omgaf de ongelukkigste van alle
+poolexpedities een huiveringwekkend diep duister!
+
+
+
+
+
+
+
+
+4. DE DOOD VAN DEN ADMIRAAL.
+
+
+Wat men over het verdere lot der beide ongeluksschepen „Erebus” en
+„Terror” met zekerheid weet, bepaalt zich tot heel enkele
+bijzonderheden, die pas verscheidene jaren later door hulpexpedities
+werden ontdekt. Maar ze zijn voldoende voor de nadenkende fantasie, om
+zich het ontzettend drama voor te stellen, waaraan schip en manschappen
+ten offer vielen.
+
+Eerst ging de vaart naar het Noord-Westen, tusschen twee groote
+eilanden door in de Lancaster-sond. Verder doordringen werd verhinderd
+door onoverkomelijk saamgepakt ijs. De stoommachines bleken zoo zwak te
+zijn, dat ze slechts in kalm open water bruikbaar waren. Een naar het
+Noorden gaande zeeëngte liet echter nog open water zien, en hier kon
+men 250 kilometer afleggen, voordat het ijs weer zijn onverbiddelijk:
+„tot hiertoe en niet verder!” uitsprak. Daarop gingen de zeevaarders
+door een tweede open zeeëngte weer zuidelijk. Het was het begin van den
+herfst; sneeuw bedekte reeds alles in het rond, en in de Sond vormde
+zich nieuw ijs. Bij een klein eiland vond men een beschutte haven, en
+hier sloeg Franklin het winterkwartier op.
+
+Hoe het leven aan boord was gedurende den langen winternacht, laat zich
+steeds vermoeden. De officieren zullen wel gelezen en gestudeerd
+hebben, en de manschappen bezig hooge sneeuwmuren, die boven de reeling
+van het schip reikten, te maken, om het binnenste van het schip warm te
+houden. In elk geval werden sneeuwhutten op het ijs en op het land
+gebouwd voor wetenschappelijke waarnemingen en werd dag en nacht een
+wak opengehouden, voor het geval er brand uitbrak en de pompen tot
+ijszuilen waren bevroren. Toen de lange poolnacht voorbij was en
+Februari met een zwak lichtschijnsel aan den zuidelijken horizon begon,
+toen het van dag tot dag lichter werd en eindelijk de zon aan den hemel
+straalde, ondernamen bevelhebbers en manschappen waarschijnlijk
+jachttochten op de naburige eilanden. De hoop van allen herleefde met
+het toenemende licht. Slechts 420 kilometer onbekende kusten waren nog
+van de Noord-West doorvaart over. Was het niet zoo goed als zeker, dat
+het nieuwe jaar getuige zou zijn van hun terugkeer? Steeds langer bleef
+de zon aan den horizon, en eindelijk was de lange pooldag er, waarop
+zij in het geheel niet ondergaat.
+
+Maar pas in den naherfst werden de „Erebus” en de „Terror” uit hun
+ijsbanden bevrijd en konden eindelijk het eiland verlaten. Drie dooden
+bleven aan het strand achter; hun graven met enkele eenvoudige
+herinneringswoorden werden vijf jaar later door een hulpexpeditie
+gevonden. Daar alleen door weet men, dat Franklin op die plek heeft
+overwinterd.
+
+Naar het Zuiden lag het vaarwater nu open. Wat juichten de zeelieden!
+Naar het Westen strekte zich nog dik ijs uit; maar ook de zuidelijke
+waterweg moest ten slotte naar het Zuiden afslaan. De eene mijl na de
+andere gleden de schepen, het drijfijs ontwakend, naar het Zuiden. In
+het Oosten en Westen waren de kusten van groote eilanden zichtbaar en
+recht vooruit vermoedde men King-Williamland, den naasten buur van het
+vasteland- Hiermede was alzoo het grootste deel der Noord-West
+doorvaart afgelegd, want tot reeds bekende kusten in het Westen, waren
+er nu nog maar 200 kilometer.
+
+En tóch—hoe hopeloos lang leek dit eind, toen de schepen eenige dagen
+later weer door het ijs werden vastgelegd. Door winden en
+zeestroomingen gedreven, hoopten de ijsblokken zich op en bevroren tot
+een rotsharden wand. Toch behoefde de bemanning de hoop nog niet geheel
+op te geven, los te komen. Wel stond de winter voor de deur, maar de
+laatste najaarsstormen uit het Zuiden konden het ijs nog breken en in
+noordelijke richting drijven. Maar steeds vaster sloot het zich rondom
+de rompen der schepen en alle hoop verdween. De dagen werden korter,
+met haastige schreden naderde de tweede winter en evenals het vorige
+jaar bereidde men zich op zijn komst voor. De schepen waren op zestig
+graden noorderbreedte vast gevroren, dus nog iets meer zuidelijk, dan
+de Noordelijke punt van Scandinavië. Maar daar hield geen golfstroom
+door zijn warm water de zee open. Nooit zouden de officieren en
+manschappen weer een golf tegen de zijden van de „Erebus” en de
+„Terror” hooren klotsen!
+
+Deze winter zal minder opgewekt doorgebracht zijn dan de eerste. De
+schepen hadden een slechte plaats op de open reede, zonder eenige
+beschutting van de kust. Zij lagen als in een schroef en het drukken
+van het opgehoopte ijs dreigde hen te verpletteren. Het kraakte en
+knapte in de rompen en de schepen steunden en jammerden om toch maar
+weer overgelaten te worden aan de vrije golven. Hoe lang zouden zij nog
+weerstand kunnen bieden? Men moest er elk oogenblik op voorbereid zijn,
+dat het hout met oorverdoovend gekraak bezweek, en de schepen als
+notedoppen kapot in de onpeilbare stroomen verdwenen. Het leven aan
+boord, van een in het ijs bekneld schip, kan niet anders dan vol zorg
+zijn geweest. Maar het ergste was toch de duisternis, toen de zon voor
+het laatst onderging. Als schimmen gleden de menschen in de donkere
+gangen onder het dek, waar de lucht zwaar, vochtig en bedorven was. Wat
+zou men buiten doen, waar het even donker was, zoodat men geen
+handbreed vooruit kon zien? Liever lag men in de kajuit en las bij het
+bleeke kaarslicht. Toen de drukking van het ijs, het schip echter in
+een scheeve positie bracht, was het nog erger; het was levensgevaarlijk
+in de pikdonkere gangen tusschen wankelende kisten en balen door te
+balanceeren. De eenige afwisseling was de klok, die de gevangenen aan
+den maaltijd riep. De gesprekken werden steeds minder, men kende elkaar
+in- en uitwendig. Wie had nog iets nieuws te zeggen? Steeds dezelfde
+gezichten in het rond! Men ging het liefst den kameraad uit den weg en
+zocht de eenzaamheid van zijn hut. Als die lange, ontzettende
+duisternis maar eerst voorbij was!
+
+Een ontzaglijke laagheid, waaraan men slechts met afschuw kan denken,
+had bovendien de expeditie van Franklin getroffen. De koopman, op wien
+de zorg rustte de vleeschconserven te leveren, had bedorven vleesch,
+zaagsel en kiezel in de blikken laten doen! Duizenden van zulke doozen
+werden later gevonden op de kusten, die door de schepen werden
+aangedaan. Dat de proviand niet toereikend was voor drie jaren, moesten
+zij, die in het eeuwige ijs gevangen zaten, weten. Reeds den tweeden
+winter sidderde men stellig bij de gedachte aan het inkrimpen der
+levensmiddelen. De toestand moest wanhopend worden, als geen hulp kwam
+voor den derden winter!
+
+De tweede winter ging voorbij en de zon keerde terug. Gaandeweg werd
+het in de gangen onder het dek lichter; het was niet meer noodig
+talklicht aan te steken, om ’s avonds te kunnen lezen. En eindelijk
+straalde de zon weer gedurende de vierentwintig uren van den dag, nog
+schitterender dan ooit, daar de schepen nog door niets dan ijs en
+sneeuw ingesloten waren! Verder in het Zuiden en Oosten zag men de
+heuvels van King-Williamland. Als het ijs zijn greep slechts losser
+wilde maken en begon te drijven! Maar naar het Westen lag nog steeds
+opeengehoopt ijs; en zonder twijfel waren de schepen door het persen
+van het ijs beschadigd. Twee officieren ondernamen met zes mannen een
+tocht naar King-Williamland, vanwaar men bij helder weer het vasteland
+van Noord-Amerika kon zien. Op de plek waar zij weer omkeerden, legden
+zij in een hoop steenen een kort bericht neer over de gewichtigste
+gebeurtenissen aan boord. Deze regels werden na vele jaren gevonden.
+
+Met goede berichten en groote verwachtingen keerden de reizigers weer
+naar de schepen terug. Maar welk een slag wachtte hen daar. Admiraal
+Franklin lag op zijn sterfbed! Het wachten had hem te lang geduurd. Men
+kon hem nog slechts vertellen, dat de Noord-West doorvaart als ontdekt
+beschouwd kon worden. Weinige dagen daarna, in Juni 1847 stierf hij, en
+deze dood moest nog als een geluk beschouwd worden, na een leven van
+dapperheid en moed. Zeker speelde er een trotsche lach om zijn lippen
+toen hij ontsliep!
+
+Hoe zal het er op dien rouwdag op de „Erebus” hebben uitgezien? De
+lange pooldag was op zijn middaghoogte. De zonnestralen braken in de
+scherpe randen van het ijs en vervloeiden in alle kleuren van het
+prisma. Het was stil aan boord; aan den bazaanmast fladderde Engeland’s
+vlag halfstok. Ernstige mannen liepen door de gangen en fluisterden
+zacht in de nabijheid der kajuit van den admiraal. Bleek en uitgeput
+zagen zij zich nu beroofd van hun leider, die beter dan een hunner het
+vasteland in het Zuiden kende. De scheepstimmerman maakte een lijkkist.
+Daar werd de admiraal in groot uniform ingelegd. Misschien werd de kist
+in een Engelsche vlag gehuld en zoo droegen de officieren ze over het
+dek en over het ijs. In het glasheldere ijs was een graf uitgehouwen;
+daar werd de kist in neergelaten en met fijn ijs en ijsblokken bedekt.
+De nieuwe opperbevelhebber, kapitein Crozier, ging bij het kruis staan,
+om de lijkrede te houden, terwijl de anderen er met ontbloot hoofd
+omheen stonden. En zeker zullen de bleeke mannen in hun versleten
+poolkleeren de grafgezangen van hun geboorteland hebben gezongen.
+Plechtig en aangrijpend zal het gezang over de ijsvelden hebben
+weerklonken. Zwijgend keerden zij naar de „Erebus” en de „Terror”
+terug, waar zij zich nu nog ongelukkiger voelden dan te voren. Nog eens
+waren zij voor een jaar tot blijven veroordeeld!
+
+
+
+
+
+
+
+
+5. IN NACHT EN IJS.
+
+
+Weer kwam de tijd, waarop het ijs in beweging raakte en men op open
+water kon hopen. Zeker zullen de gevangenen van de „Erebus” en de
+„Terror” naar alle kanten tochten hebben gemaakt, om te zien, waar de
+branding van de open zee het meest nabij was. Misschien beproefden zij
+ook met ijszagen en buskruit zich uit de ijsbanden te bevrijden. Alles
+vergeefs! Het ijs hield hen vast. Op zekeren dag ontdekten zij echter
+tot hun groote vreugde, dat het geheele ijsveld zich in zuidelijker
+richting bewoog! Als zij op deze manier het vasteland toch maar konden
+bereiken! Een groote Amerikaansche maatschappij, die zich naar de
+Hudsonbaai noemde, had ver in het Noorden van het vasteland kleine
+handelsstations gevestigd. Als zij daar slechts konden komen, dan waren
+zij gered.
+
+De herfst liep naar zijn einde, maar de hoop op bevrijding werd
+verijdeld, nu, dat de winter zoo nabij was, nog een poging te wagen het
+vasteland te bereiken, was ondenkbaar, want in die eindelooze
+woestenijen is in den winter geen wild, en het trekken naar het Zuiden
+brengt daarom tot een zekeren hongerdood. In den zomer daarentegen kan
+men hopen daar reeds tamelijk vroeg op rendieren te stooten en op
+muskusossen, die vreemde pooldieren, die evenveel gelijken op het
+schaap als op het rund, van varens en mossen leven en niet meer
+zuidelijk gaan dan tot 60 graden breedte. In het Westen van
+Noord-Amerika valt de zuidelijke grens voor het optreden der
+muskusossen ongeveer samen met de noordelijke boomgrens. Een kudde van
+twintig of dertig dieren zou de gebreklijdende zeelieden van Franklin
+van den dood hebben gered! Indien men tenminste maar ijsberen had
+ontmoet! Of nog beter zeehonden en walrussen, met hun dikke speklaag
+onder de huid.
+
+De poolhaas zou ook niet te versmaden zijn geweest, indien hij in
+voldoend aantal was aangetroffen. Maar de bergvos, die van vogeleieren
+en jonge vogels leeft en in den winter, niet te herkennen door zijn
+witte vel, op de sneeuwhoenderjacht gaat, zou weliswaar niet aangenaam
+zijn geweest te ontmoeten.
+
+Nu was het jaargetijde echter reeds te ver verstreken en de wilde
+dieren trokken voor de sneeuw en de koude meer zuidelijk. Zeker
+beraadslaagden de officieren wat er nu gedaan moest worden. Zij hadden
+kaarten en boeken aan boord en wisten heel precies hoever het eerste
+handelsstation der Hudsonbaai-maatschappij was verwijderd en op den weg
+daarheen hadden zij misschien wild of Eskimo’s kunnen ontmoeten. Maar
+zij besloten ook den derden winter aan boord uit te houden! Waarom
+gebruikten zij den herfst niet, om de walvischbooten, sleden, tenten,
+werktuigen en munitie en al de zware bagage op het King-Williamland aan
+land te brengen? Zelfs met het afnemen van het licht hadden zij toch
+verscheidene dagen kunnen werken. Stellig waren zij geheel
+terneergeslagen en zagen met een huivering de duisternis tegemoet. Nog
+ging de zon op, maar beschreef in het Zuiden slechts een vlakke boog en
+dook na anderhalf uur weer onder. Spoedig duurde de dag nog maar een
+half uur, de lichte oogenblikken werden steeds minder, en op zekeren
+dag zag men nog slechts den bovensten rand, als een stralenden robijn,
+een oogenblik boven den horizon fonkelen. Den volgenden dag viel in den
+middag de schemering reeds in; slechts een weerschijn der zon vlamde
+als het avondrood langs den zuidelijken hemel. Daarna werd de
+schemering dieper en dieper. Wel merkte men ’s middags, in het Zuiden,
+nog een bloedroode streep, die een mat purper schijnsel over de
+ijsvelden wierp. Maar ook dit bluschte uit, en de poolnacht, die op
+dezen breedtegraad volle zestig dagen, terwijl hij aan de Noordelijke
+Pool zelfs een half jaar duurt, was er, en de sterren fonkelden als
+brandende fakkels, op blauw-zwarten grond, zelfs dan, als de klok in de
+officierskajuit het middaguur aangaf!
+
+Het was weliswaar niet altijd zoo pikdonker. Behalve de sterren, die in
+de reine lucht bij de scherpe koude veel helderder stralen, dan in de
+landen, die meer door de natuur zijn begunstigd, doet de maan ook
+dienst. Maar haar licht deed het door de vorst verstijfde tehuis van
+sneeuw en ijs nog verlatener en somberder lijken. In de duisternis zag
+men tenminste niet hoe verlaten het aan alle kanten was.
+
+Wie voor het eerst in het hooge Noorden overwintert, vindt den
+poolnacht wonderlijk aantrekkelijk, het diepe zwijgen der koude
+duisternis en het klagend huilen van den voortjagenden sneeuwstorm.
+Maar niets is zoo bewonderenswaardig als het noorderlicht. In Zweden
+vertoont het zich niet zelden. Al weet men, dat de magnetische en
+electrische kracht der aarde van tijd tot tijd bijna den ganschen
+aardbol in een mantel van licht hult, toch staat men nog vragend voor
+dit raadselachtig verschijnsel. Als de vuurtongen van het noorderlicht
+hun flikkerend schijnsel over het Noorden uitstraalden, geloofden de
+oude Vikings, dat de Walkuren op zilverwitte paarden van het Walhalla
+uit naar het slagveld trokken.
+
+Meestal is het noorderlicht onvast. Het vlamt plotseling op, trilt een
+oogenblik aan den hemel, verbleekt en verdwijnt. Het langst duren de
+boogvormige noorderlichten, die dikwijls hun melkwitte wegen, hoog over
+den hemel spannen. Dikwijls is slechts de eene helft van den boog
+zichtbaar en verheft zich als een lichtzuil aan den rand des hemels.
+Een anderen keer gelijkt het noorderlicht op flikkerende vlammen, die
+naar beneden rood en naar boven groen zijn en vlug langs den hemel
+glippen. Verder noordelijk is het licht geelachtiger. Als de stralen
+zich alle in hetzelfde punt schijnen te vereenigen, dan spreekt men van
+een noorderlichtkroon. Prachtige kleuren vertoonen zich, snel wisselend
+in zulk een stralenbundel, die de kruin der aarde kroont; slechts
+zelden is het licht zoo sterk als het schijnsel van de volle maan. Het
+schoonst is echter het noorderlicht, wanneer het als geplooide
+gordijnen van den hemel schijnt neer te hangen, die in den wind
+fladderen.
+
+Voor de in het ijs gevangen gehouden Engelschen zullen de vlammentongen
+van het noorderlicht wel geen aantrekkingskracht meer gehad hebben!
+Uitgemergeld en afgestompt, de bedorven proviand zat, door drie winters
+eindeloos nietsdoend wachten verweeklijkt geworden, lagen zij in hun
+kooien en hoorden hoe de klok de seconden aftikte. De eenige
+afwisseling in het eentonige leven waren nog de sterfgevallen. De
+timmerlieden hadden de handel vol en kapitein Crozier kende zijn
+lijkredenen al van buiten. Negen officieren en elf matrozen stierven
+gedurende de beide laatste winters, de meesten in ieder geval gedurende
+den laatsten winter. Dat werd bekend door een klein strookje papier,
+dat verzegeld in een hoop steen aan de kust was neergelegd en elf jaar
+later werd gevonden.
+
+Ook de maanden van deze duisternis naderden haar einde. De roode streep
+ontvlamde weer in het Zuiden en werd gaandeweg lichter. Schemering
+loste de duisternis af en eindelijk flikkerden de eerste zonnestralen
+weer aan den horizon. Zeker hebben de Brahmanen aan den oever van den
+Ganges het opgaan der zon niet met grooter gejubel begroet, dan de
+manschappen van deze beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+6. DE TOCHT NAAR DE DOODENBAAI.
+
+
+Met de nieuwe zon ontwaakte de hoop der bemanning nu voor de laatste
+maal! Wie kapitein Crozier persoonlijk heeft gekend, was overtuigd, dat
+hij de hoop nooit heeft opgegeven.
+
+Nu gold het een laatste poging. De kapitein hield een toespraak tot
+zijn manschappen en verheelde hen niet, dat hun leven op het spel stond
+en dat hij het uiterste van hen verlangen moest. Er waren nog
+honderdvijftig man bijeen, maar velen waarschijnlijk ziek of zelfs
+stervende, zeker allen geheel uitgeput. Maar met het toenemende licht
+verhief de levens- en arbeidslust zich weer. Verscheidene sleden werden
+ingericht, wel plomp en zwaar, maar sterk. Drie walvischbooten, die
+sedert jaren vastgevroren in hun davids hadden gehangen, werden
+losgemaakt en op het ijs neergelaten. Het beste van de nog voorhanden
+zijnde proviand werd uitgezocht en rondom de booten opgestapeld. Met
+toenemende opwinding zag men de zon van dag tot dag langer boven den
+horizon staan. Stellig werd een uitvoerig bericht over het lot der
+expeditie neergeschreven en aan boord achter gelaten.
+
+Toen al de bagage op het ijs bijeen was, werden voorraden, tenten,
+instrumenten, geweren en munitie op de sleden geladen en de drie
+walvischbooten met koorden elk op een slede vast gesnoerd. Een aparte
+slede met bedden was voor de zieken bestemd. Onder deze voorbereidingen
+werden de dagen steeds langer en eindelijk werd het verlangen om op te
+breken zoo sterk, dat niets de manschappen meer kon terughouden. Maar
+dit te vroeg opbreken, bezegelde hun lot! Noch wild, noch Eskimo’s gaan
+voor den nazomer zoover naar het Noorden, en ook met de volgeladen
+sleden kon de proviand slechts voor veertien dagen toereikend zijn!
+
+Den dag voor den afmarsch zag ieder zijn bezittingen voor het laatst
+nog eens na; dierbare herinneringen aan betrekkingen, den bijbel en het
+horloge, dat den tragen gang van den tijd verkondigde, nam elk der
+zwaar beproefde zeelieden in zijn zak mede. De officieren gingen voor
+het laatst hun leege hutten binnen, om zich er van te overtuigen, dat
+niets van gewicht was vergeten. In het inwendige van het schip zag het
+er uit als in een huis, dat bij een overstrooming hals over kop
+verlaten was en waaruit men nog maar het meest onontbeerlijke had
+kunnen medenemen.
+
+Den 22sten April 1848 klonk het signaal tot opbreken, en de veel te
+zwaar beladen sleden knarsten langzaam en hortend over het met sneeuw
+bedekte, hobbelige ijs. Bijlen, houweelen en spaden zijn onafgebroken
+aan het werk om scherpe kanten af te houwen en hinderlijke blokken weg
+te ruimen. Het zijn slechts vijf-en-twintig kilometer tot
+King-Williamland, toch duurt het drie dagen! Te langzaam worden de
+masten en de rompen der verlaten schepen kleiner, maar eindelijk
+verdwijnen zij toch.
+
+Maar nu zag de kapitein in, dat hij zoo niet verder kon gaan. De bagage
+werd opnieuw doorgezien, en al wat maar eenigszins gemist kon worden er
+uit gehaald. De latere hulpexpeditie vond op deze plek een menigte
+voorwerpen, stukken van de uniform, koperen knoopen, metalen
+voorwerpen, en dergelijke, hetgeen men als munt, bij ruilhandel met
+Eskimo’s en Indianen had willen gebruiken. Maar alle proviand en
+munitie werd medegenomen, want als de eerste op zijn eind raakte, dan
+was de munitie de eenige redding.
+
+Met lichtere schreden zette de stoet zich langs de westkust in
+beweging. Maar men was nog niet ver gevorderd of John Irving, luitenant
+van de „Terror”, bezweek. Gekleed in zijn blauwe uniform, gewikkeld in
+zeildoek, een zijden doek om het hoofd gewonden, werd hij tusschen
+schuin geplaatste steenen begraven en het graf met vlakke steenen
+gedekt. Naast zijn hoofd lag een zilveren medaille, op de voorzijde
+stond: „Tweede prijs voor de wiskunde, door de Koninklijke
+Zeevaartschool, aan John Irving 21 Juni 1830 uitgereikt.” Aan deze
+medaille werd de doode na lange jaren herkend, en daardoor konden zijn
+overblijfselen naar zijn geboorteplaats overgebracht worden.
+
+Twee bochten der westkust van King-Williamland zijn naar de beide
+ongeluksschepen genoemd. Aan het strand van de noordelijkste, de
+Erebus-baai, waren de krachten der Engelsche zeelieden zoo uitgeput,
+dat zij twee booten, met de sleden waarop ze nu onnoodig zoover waren
+medegesleept, achterlieten. Een menigte andere dingen werden hier
+eveneens geofferd. Hier en daar toonde een graf hun weg—en steeds
+eenvoudiger werden deze graven, hoe verder de stoet zich naar het
+Zuiden bewoog. Daar kwam het vreeselijkste. Bij de Terror-baai hield de
+band der vriendschap hen niet meer bijeen! De bevelhebber had geen
+macht meer over de manschappen. De ongeveer honderd man, die
+overgebleven waren, scheidden zich nu in twee, waarschijnlijke gelijke
+deelen. Het eene, met de zwakkeren, wilde naar de schepen terugkeeren,
+waar men tenminste tegen wind en weer beschut was en nog levensmiddelen
+vond. Het andere deel trok, met de derde walvischboot langs de zuidkust
+verder, en hoopte dan naar het vasteland en de Groote Vischrivier te
+komen. Zonder eenigen twijfel zouden dezen, zoodra ze hulp hadden
+gevonden, naar hun kameraden zijn teruggekeerd.
+
+Wanhopend moet de tocht zijn geweest van hen, die terugkeerden.
+Wanhopend ook de marsch van hen, die verder trokken. Van de eersten
+weet men zoo goed als niets. De laatsten sleepten zich, de zware sleden
+trekkend, met vermoeide schreden voort, totdat zij, de een na den
+ander, bezweken. Niemand dacht er meer aan, de lijken der makkers te
+begraven; terwille van een stervende kon men zich niet ophouden! Ieder
+had genoeg te zorgen voor zichzelf. Eenigen stierven in het gaan; dit
+zag men later aan de geraamten, die men op het gezicht liggend vond.
+
+Vergeefs sleepten de overlevenden hun munitiekisten mede, zonder een
+enkel schot te kunnen afvuren, want geen spoor van wild komt in Mei en
+Juni op het eiland voor. Steeds kleiner werd het getal van hen, die de
+boot over sneeuw en ijs nog aan land konden trekken. Nu wachtten zij op
+open water om over de zeeëngte aan land te kunnen komen. In het begin
+van Juli pleegt het ijs te breken, en in elk geval zijn de overlevenden
+in dezen tijd daar overgezet, want de boot werd later in een bocht, die
+nu de „Doodenbaai” heet, aangetroffen. Indien men de boot daar later
+zou hebben gevonden, dan was het even goed mogelijk geweest, dat wind
+en golven ze daarheen hadden gedreven; maar de geraamten in de boot en
+aan het strand en allerlei voorwerpen van de uitrusting toonden aan,
+dat de boot bij de overvaart en het landen bemand geweest was. Vele
+oogenblikken van dezen noodlottigen tocht zijn voor eeuwig duister
+gebleven. Waarom sleepten zij de zware walvischbooten twee maanden lang
+mede, daar ze toch reeds het vorige jaar, op den tocht, kort voor den
+dood van den admiraal, het vasteland in het Zuiden moesten hebben
+gezien? De zeeëngte is op haar smalste plaats slechts tien kilometer
+breed, en ze hadden haar op elke plaats over het ijs kunnen overgaan!
+Nooit zal het raadsel opgelost worden, want allen stierven en geen blad
+uit het dagboek is gevonden!
+
+Toen berichten van Franklin geheel uitbleven, werd reeds na twee jaar
+de eerste hulp-expeditie gezonden. In het najaar van 1850 waren
+vijftien schepen aan het zoeken; het dapperst en meest energiek was de
+vrouw van Franklin, die jaren lang de hoop op een weerzien niet opgaf!
+Zij offerde haar geheele vermogen aan de hulp-expedities en de
+regeering gaf in den loop van zes jaar, ruim negen millioen gulden voor
+hulpexpedities uit! Alles vergeefs! Want het ongeluk was reeds lang
+geschied. Een expeditie, die reeds in 1848 uittrok, bleef in het ijs
+steken, en kwam op een heel bijzonderen inval, om de in nood
+verkeerenden, waar zij zich ook mochten bevinden, van hun nabijheid in
+kennis te stellen. Men ving ongeveer honderd bergvossen, deed ze
+koperen halsbanden om, waarop een kort bericht omtrent de ligging van
+het hulpschip was ingekrast en liet ze dan weer loopen.
+
+In het jaar 1854 werden de namen van Franklin, Crozier en de overige
+deelnemers uit de personeellijst der Engelsche marine geschrapt. In de
+geboorteplaats van Franklin werd een gedenkteeken voor hem opgericht en
+in de Westminster abdij, waar Engeland’s helden sluimeren, heeft men
+een marmeren gedenksteen voor hem opgericht, met de woorden van den
+dichter Alfred Tennyson:
+
+
+ „Niet hier! In den ijzigen arm verwijlt gij
+ Van de Pool—Een man, een held.
+ Naar een andere Pool gij ijlt,
+ Daar boven in de hemeltent!”
+
+
+Een beroemd poolreiziger, Julius Payer, die Frans-Jozef-land in het
+Oosten van Spitsbergen heeft ontdekt, heeft een schilderij geschilderd,
+die hij de „Doodenbaai” noemde. Aan een verlaten kust midden tusschen
+ijs en sneeuw ligt een aan land getrokken boot, tusschen hier en daar
+verspreide bagage rusten de lijken van verscheidene zeelieden. In de
+boot liggen andere lijken in de meest verschillende houdingen, de
+trekken verstijfd in wanhoop en ontzetting! Een ligt voorovergebogen op
+een open bijbel, de linkerhand omknelt krampachtig de saamgekreukelde
+bladeren. Aan den voorsteven der boot knielt een man, de laatst
+overgeblevene, kapitein Crozier. Met koelbloedige kalmte houdt hij zijn
+geweer gereed. Twee ijsberen naderen, tegen hen wil hij zichzelf en
+zijn doode makkers beschermen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+7. HET BERICHT DER ESKIMO’S.
+
+
+Dertig jaren na den ondergang van de Franklin-expeditie begaf zich
+luitenant Schwatka naar het Noorden om de oplossing van het raadsel te
+zoeken. Verscheidene van de verongelukten zouden toch zeker een dagboek
+hebben gehouden; een was voldoende om alles te vernemen.
+
+Schwatka zocht het allereerst de Eskimostammen op, die op hun zomersche
+jachttochten, het dichtst bij King-Williamland kwamen. Bij velen vond
+hij voorwerpen, die bij de expeditie hadden behoord. Maar het
+merkwaardigste waren de verhalen van oude Eskimo’s.
+
+Een oude vrouw was met haar inmiddels gestorven man en twee andere
+families naar King-Williamland getrokken voor de robbenvangst. Vol
+verbazing en schrik hadden zij op een dag een troep vreemdelingen
+gezien, die een boot achter zich aantrokken. Eerst hadden zij op de
+vlucht willen gaan, maar toen een der vreemdelingen haastig op hen toe
+was gekomen, hadden zij niet kunnen wegloopen. Zij spraken met elkaar
+door teekenen en de Eskimo’s begrepen, dat de mannen blanke zeelieden
+waren van een gestrand schip. Zij hadden er ontzettend uitgehongerd en
+mager uitgezien, en zwarte kringen om oogen en mond gehad. De Eskimo’s
+bleven vier dagen bij hen, deelden met hen het vleesch van een zeehond
+en ontvingen als vergoeding een mes. De blanken brachten den nacht
+gedeeltelijk in een boot, gedeeltelijk in een kleine tent door.
+Levensmiddelen hadden zij niet. De Eskimovrouw vertelde, dat een der
+mannen lang was geweest, en een reeds grijzenden baard had, een ander
+werd „doklut”—dokter—genoemd, en had een witten bril gedragen, de
+anderen, allen een donkeren. De Eskimo’s werden door ijsgang verrast en
+moesten den geheelen zomer op het eiland blijven. In dien tijd verloren
+zij de vreemdelingen uit het oog.
+
+Het volgend jaar keerden dezelfde Eskimo’s terug naar de zuidkust van
+het eiland en vonden daar voor een tent verscheidene lijken, slechts
+twee waren met zand en steenen bedekt, en ook in de tent lagen
+verscheiden dooden in hun bed, geheel aangekleed, met laarzen aan de
+voeten en toegedekt met hun dekens. De lijken, die buiten lagen waren
+door de nog levenden daarheen gedragen. Messen, lepels, horloges,
+papieren, werktuigen, en wat er nog meer in de tent lag, namen de
+Eskimo’s mede.
+
+Andere Eskimo’s vertelden, dat zij op het vasteland een boot met
+verscheiden geraamten hadden gevonden, hoeveel waren zij vergeten,
+naast de boot hadden vier dooden gelegen, slechts een der dooden had
+nog huid en haren, en zijn haar was lichtblond geweest, hij kon pas
+eenige maanden dood zijn geweest. Hij had een ring aan den vinger en
+droeg oorringen, zijn horloge was met een ketting bevestigd geweest.
+Naast hem lag een blauwe bril. Alles van waarde namen de Eskimo’s mede,
+o.a. een zaag, aarden pijpen, zeildoek, kleedingstukken, een kompas,
+een tabaksdoos en een blikken doos met boeken. De boeken gaven zij aan
+hun kinderen om mede te spelen en in den loop der jaren waren zij
+verscheurd. Ongetwijfeld waren dat de kostbare logboeken met al de
+waarnemingen en kaarten welke gedurende de drie jaren waren
+opgeschreven en geteekend—papieren, voor welke Engeland vele millioenen
+zou hebben gegeven!
+
+Eindelijk vertelde nog een oude man, dat hij en zijn stamgenooten voor
+ongeveer dertig jaren in de nabijheid der kust van het vasteland in een
+groot ijsveld een schip ingesloten hadden gevonden, ook hadden zij
+sporen van menschen in de sneeuw ontdekt. Het volgend voorjaar hadden
+zij zich weer naar het schip begeven, maar geen spoor van een bezetting
+meer gevonden en aan boord was het zoo stil geweest als het graf.
+
+Waarschijnlijk was het dek nog hoog met sneeuw bedekt van den vorigen
+zomer, en hadden de Eskimo’s die nog nooit aan boord van een schip
+waren geweest, niet geweten hoe er in te komen. Op hun kloppen en leven
+maken hadden zij geen antwoord gekregen en de scheepsluiken hadden zij
+niet gevonden. Toen hadden zij met bijlen een gat in den zijwand
+gehouwen en waren hierdoor voorzichtig naar binnen gekropen. Het was
+binnen stikdonker en doodstil. Maar zij vatten moed en zochten rond in
+de gangen en hutten. Maar in één kooi hadden zij het lijk van een man
+gevonden. Naast hem, op een kleine tafel had een blikken kan met eenige
+stukken vleesch gestaan. Toen het ijs in den loop van den zomer
+verdween, vulde het schip zich door het gat in den romp en ging onder.
+Andere Eskimo’s bevestigden dit bericht. Maar welk van de twee schepen,
+de „Erebus” of „Terror” de „Onderwereld” of de „Schrik” zoo naar de
+diepte ging, dat weet men niet.
+
+En wie was die eenzame in het binnenste van het schip? Men huivert bij
+de gedachte aan zijn lot, hij was de laatste van die vijftig mannen,
+die van de Terrorbaai naar het schip terugkeerden. Alle kameraden waren
+dood, hij alleen had de kracht behouden zich naar het schip te slepen.
+In de kajuiten lag alles nog even onordelijk verspreid als men het voor
+twee maanden bij het verlaten van het schip had achtergelaten. De
+laatste der manschappen, zocht proviand bijeen en droeg het in zijn
+kajuit, dekens waren er genoeg voorhanden, een geriefelijk bed kon hij
+nog voor zich inrichten. De zomerdag naderde zijn einde. Steeds langer
+bleef de zon onder den horizon. Hij vermoedde niet, dat buiten op het
+ijs Eskimo’s het schip gadesloegen maar niet aan boord dorsten te
+komen. En toch was hij nu en dan op het dek geweest en had vergeefs
+naar hulp van het land uitgezien. Toen kwam de schemering weer, gevolgd
+door den langen nacht. Nu bleef hij in zijn hut, luisterde ingespannen
+maar hij hoorde niets dan den wind in het takelwerk en in de bevroren
+rinkelende touwen of het op zuchten gelijkende knarsen van den
+scheepsromp, die door het ijs werd saamgeperst. Ontzettender dan welke
+kerker ook, moet dit geheel alleen zijn op het verlaten schip zijn
+geweest! En toch bracht het hem niet tot waanzin! De laatste der
+overledenen wachtte rustig zijn laatste uur af: een vierde winter was
+te veel voor hem, en de tijd tot den volgenden zonsopgang te lang. Toen
+de dag weer lichtte, het ijs smolt, en het schip uit zijn driejarige
+gevangenschap bevrijdde, zonk het met zijn held in de diepte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+8. AAN DE OOSTKUST VAN GROENLAND.
+
+
+De Noordpool, het doel van zoovele ontdekkingsreizen, is door zulk een
+dichten krans van onopgeloste vraagstukken omgeven, dat elke expeditie,
+die bij den altijd durenden wisselenden toestand van het poolijs geheel
+van haar route wordt afgedreven, toch met een menigte wetenschappelijke
+resultaten terugkeert en al heeft zij de Noordpool ook niet bereikt,
+toch bij zorgvuldigen, wetenschappelijken arbeid, voor onze kennis der
+Poolstreek gewichtige bijdragen levert. Dat geldt ook van de Duitsche
+Noordpool-expeditie, die in de jaren 1869 en 1870 ondernomen werd op
+aandrijven van den beroemden Duitschen geograaf August Petermann, en
+die de verdienste heeft, aan de oostkust van Groenland, het grootste
+eiland van de wereld, het vaderland der Eskimo’s, dat op de kaart als
+een lange, witte, slechts aan de randen gekleurde landstrook van de
+Noordpool afhangt, ruime gebieden te hebben ontsloten. Groenland, welks
+eigenaardigheden van een eiland pas door de laatste ontdekkingsreizen,
+vooral die van den Amerikaan Peary, werden bepaald, dankt zijn
+ontdekking en eerste nederzetting tot in de tiende eeuw aan de Noren
+wier kolonies aan de westkust zich tot in de 14e eeuw in bloeienden
+toestand bevonden. Reeds in het jaar 1000 werd in Groenland van uit
+Noorwegen het christendom wettelijk ingevoerd en van 1126 tot aan den
+hervormingstijd kan men nagaan, welke bisschoppen er achtereenvolgens
+geregeerd hebben. Het levendig scheepverkeer dat in die vroege eeuwen
+tusschen Groenland, IJsland en Noorwegen bestond, verminderde echter
+met het verval der Noorweegsche kolonies, in de 13de eeuw, en in het
+midden der 15de eeuw was alle verbinding tusschen Groenland en de
+beschaafde wereld verbroken. Pas in den tijd der Noorsche
+ontdekkingsreizen, dus vanaf de 16de eeuw, moest dit ontzaglijke eiland
+weer stuk voor stuk ontdekt worden, en in de 17de eeuw werd de
+Groenlandsche kust vaak bezocht door Duitsche en Hollandsche
+walvischvaarders, de zoogenaamde Groenlandvaarders. Maar steeds was de
+westkust van Groenland het doel der walvischvaarders en
+ontdekkingsreizigers, daar de oostkust door den onmetelijken stroom van
+het voortdrijvende poolijs als achter een veilig bolwerk volkomen
+ontoegankelijk scheen. Pas aan het einde der 18de en vooral in de 19e
+eeuw drong de geografische onderzoeking ook hier zegevierend door en
+het succes der Duitsche expeditie lokte een groot aantal poolreizigers
+naar deze oostkust van Groenland, die tegenwoordig wel beschouwd mag
+worden als bekend te zijn in haar hoofdomtrekken.
+
+Met twee schepen, de stoomboot „Germania” en het zeilschip „Hansa” stak
+de Duitsche expeditie den 15den Juli 1869 van Bremerhaven uit, in
+tegenwoordigheid van Koning Wilhelm van Pruisen, in zee. Maar reeds in
+het midden van Juli werden de beide schepen, toen zij juist de grens
+van het poolijs hadden bereikt, van elkaar gescheiden. Het gelukte aan
+de „Germania” zich tot aan de oostkust van Groenland door te werken;
+zij bereikte den 5den Augustus 1869 land en drong den 12den Augustus
+tot 75° 17′ breedtegraad door, waar het ijs den verderen doortocht
+verbood. Zij trok zich vooreerst terug naar de zuidzijde der
+Shannon-eilanden, teneinde die wetenschappelijk te onderzoeken en
+stootte daarbij op muskusossen, van welke het tot dusverre niet bekend
+was, dat zij zich op Groenland’s oostkust bevonden. Daar de toestand
+van het ijs ook verder ongunstig was begaf de „Germania” zich aan de
+zuidzijde der Sabine-eilanden in winter-kwartier, en daar ook de
+winterstormen geen beweging in het ijs brachten, bleef de expeditie
+tien maanden op die plaats, om op slede- en boottochten een reeks
+kuststreken, die tot nog toe niet waren onderzocht, te verkennen.
+
+Zij hadden een uitstekende haven voor overwintering uitgezocht, die
+door vooruitstekende bergen voor de razende noorderstormen was beschut
+en geheel ongedeerd bleef van drijfijs en dank zij de vèrziende
+voorzorgen van den uitnemenden kapitein Koldewey en zijn vier
+wetenschappelijke medearbeiders, dr. Börgen, eerste luitenant Payer,
+dr. Copeland en dr. Pansch, werd deze arctische overwintering van tien
+maanden in de „Germania-haven” een zeer huiselijke idylle.
+
+Op het nabijzijnd vasteland van de Sabine-eilanden werd het voornaamste
+deel van de proviand opgestapeld en twee observatoria opgericht, een
+astronomisch en een meteorologisch. Over het dek der „Germania” werd
+een dichte tent gespannen en die met een laag mos belegd, wat echter
+niet belette, dat bij dagenlangen heftigen storm, de sneeuw door alle
+spleten drong en het dek een voet hoog bedekte. De kajuiten werden met
+vilt, wollen stof en zeildoek bekleed, een vernuftige ventilatie voor
+de ruimten onder dek werd aangebracht en tijdig drinkwater uit de
+borrelende beken der nabijzijnde kust gehaald. Het schip werd omgeven
+door een borstwering van geweldige ijsblokken en een schutting eveneens
+van ijsblokken leidde naar de observatoria. Om den stand van den stroom
+gade te slaan en om bij brandgevaar veilig te zijn, werd steeds een gat
+in het ijsveld opengehouden, een voorzorg, die bij een brand, die in
+den loop van den winter in de kajuiten uitbrak, schitterend voldeed.
+
+Tot in November werden deze voorbereidingen door prachtig helder
+winterweer begunstigd. Toen begon gaandeweg de vorst sterker te worden,
+de dagen werden korter, en den 6en November verdween de zon en de
+poolnacht van drie maanden daalde op de „Germania” en haar zeventien
+bewoners. Tot de terugkeer van het daglicht, was de bezetting beperkt
+tot het schip en de naaste omgeving er van. De bediening der
+observatoria, die veelvuldig te lijden hadden van het geweld der
+stormen en de nieuwsgierigheid der ijsberen, en de uitvoering der
+andere wetenschappelijke observaties was van uur tot uur precies
+geregeld en slechts aan de pijnlijke nauwgezetheid in het opvolgen
+dezer voorschriften, was het te danken, dat de hierboven genoemde brand
+in het achterdek bijtijds werd ontdekt. Om de manschappen bezig te
+houden, richtten de geleerden der „Germania” een zeevaartschool op,
+waar de nautische wetenschappen, geografie, astronomie en natuurkunde
+werden onderwezen, en zelden heeft men in een scheepslogis zooveel
+gehoord van plus en minus, van macht en wortel als in de kajuiten der
+Duitsche poolreizigers! Er werd zelfs een „Oost Groenlandsche Courant”
+opgericht. Zij verscheen elke veertien dagen in twee geschreven
+exemplaren, bevatte allerhande schertsen, gedichten, toespraken,
+„officieele bekendmakingen” en droeg niet weinig bij tot het
+wintervermaak. Voor het Kerstfeest bouwde de timmerman een kunstige
+denneboom; de takken werden sierlijk getooid met de groene
+uitspruitsels van de onder de sneeuw groeiende plant Andromeda.
+Oudejaarsavond werd met rijnwijn, muziek, gezang en dans op het ijs
+gevierd. Den 3en Februari keerde de jubelend begroete zon weer terug en
+spoedig had men weer volle werkdagen zonder het vermoeiende lamplicht.
+Maar daarmede kwam er ook een eind aan het gezellige leven aan boord,
+en de manschappen gingen in troepjes met sleden uit; tochten, die hun
+moed en volharding op de zwaarste proef stelden. Bij het volkomen
+onbewoond zijn der kusten, waren honden en rendierensleden niet te
+krijgen. Men moest de sleden met bagage en proviand dus zelf over de
+ijsbergen en sneeuwvelden trekken. Toch gelukte het aan de Duitsche
+pioniers op vijf zulke reizen met sleden bijna duizend zeemijlen in een
+onbekend gebied te doorkruisen. Het vreeselijkst waren daarbij de
+sneeuwstormen, die dikwijls dagenlang de deelnemers van een
+slede-expeditie in hun nauwe tent vast hielden en tijdverlies
+veroorzaakten, dat bij de beperkte proviand soms levensgevaarlijk werd.
+
+Was de dagmarsch volbracht, meestal bij het invallen der duisternis,
+dan werd een geschikte plek op het strand of een ijsvlakte als
+kampement gekozen. Kleine sneeuwlagen werden met den voet weggeschopt,
+scherpgekante, vastgevroren blokken, met moeite terzijde geschoven,
+grootere menigmaal meer dan honderd schreden aangesleept om de touwen
+der tent er aan te bevestigen, een werk, dat bij storm en 20 graden
+koude eenige zelfoverwinning kost. Was de slaapzak in de tent
+uitgespreid, de bagage in orde gebracht, had de kok den ketel met
+sneeuw volgestopt, de lamp aangestoken en het avondrantsoen uitgedeeld,
+dan konden ook de andere makkers, die ondertusschen door de toenemende
+koude hoe langer hoe meer gekweld werden, het nachtkwartier betrekken.
+De openingen van de tent werden met haken gesloten en men trof de
+toebereidselen voor den nacht.
+
+De stijve laarzen van zeildoek, die aan de kousen vastgevroren waren,
+moesten als hoofdkussen dienen, zij werden met de hand ontdooid en met
+moeite losgescheurd. Daarop de met sneeuw bedekte kousen uitgetrokken,
+afgekrabd en op de borst bewaard, om door de eenige warmtebron, de
+eigen lichaamswarmte voor den volgenden dag te worden gedroogd.
+Eindelijk hebben allen zich in den slaapzak gewrongen, ieder ligt
+gedeeltelijk op zijn buurman en men wacht, dicht opeengedrongen, op het
+avondeten. De wind drukt de wanden van de tent naar binnen en maakt de
+ruimte nog kleiner. Door het weefsel, uit elken naad, door de kleinste
+opening spat een fijne stroom sneeuwkorrels en valt onafgebroken als
+meel uit den molen op den slaapzak neer. Hoe dikwijls de sneeuwlaag ook
+met het mes wordt weggeschraapt, even snel vormt zij zich weer.
+Dikwijls gebeurt het ook, dat de sneeuw smelt door de verhooging der
+temperatuur in de tent en dan doordringt tot op de huid.
+
+Met een onverschilligheid, grenzende aan stompzinnigheid, wachten de
+makkers, dicht op elkaar gedrongen, hurkend, met verstijfde handen
+handschoenen en kousen herstellend, den baard vol ijs, te midden van
+dezen chaos van bevroren kleedingstukken en laarzen. De kookpan is lek
+geworden; de spirituslamp druipt en dreigt de tent met brandgevaar; de
+vernieling ervan zou bij den woedenden storm het werk van een oogenblik
+zijn. De kok klaagt, dat hij vandaag zijn vingers verbrandt, die
+gisteren bevroren waren. Zijn werkzaamheid is aan voortdurende kritiek
+onderhevig, waartoe de algemeene honger prikkelt. Ieder wacht met
+ongeduld op het gereedkomen van het eten; rillend, in elkaar gedoken,
+roept de een of ander: „Peter, kookt het haast, je hebt zeker sneeuw in
+den spiritus gedaan!”
+
+Waarop Peter dan antwoordt: „Houd je mond! Hebt ge niet leeren
+wachten?”
+
+De levensmiddelen zijn steenhard bevroren, vleesch in bussen of ham
+wordt met de bijl stuk geslagen; boter kan men zonder eenige bedenking
+in het vestjeszakje opbergen, om onder den marsch bevroren te worden
+opgegeten, want de thermometer in den binnensten jas- of broekzak wijst
+gewoonlijk nog zes tot tien graden koude.
+
+Eindelijk is na twee uur de maaltijd gereed en wordt gretig en zoo warm
+mogelijk verslonden. De damp, door het koken ontstaan, maakt, dat men,
+als in een dampbad, ternauwernood iets van zijn buurman ziet; de wanden
+der tent worden door en door nat; de vochtigheid der kleeren neemt toe,
+het opengaan der deur van de tent brengt dadelijk een sneeuwval te
+weeg, en nadat het koken is geëindigd, is alles bevroren of met een
+dikke korst sneeuw bedekt. Het kleine rantsoen van een uit rundvleesch
+en peulvruchten toebereide soep kan den dagelijks toenemenden honger
+niet stillen, de slaap moet dien, evenals den smachtenden dorst, doen
+vergeten.
+
+Eindelijk heeft de kok, nadat hij den ketel heeft uitgekrabd, zich ook
+een plaats in den slaapzak veroverd, en nu kan er ook verder niemand
+meer in. Het is slechts mogelijk op de zijde te liggen. Vandaag liggen
+allen links, morgen allen rechts; persoonlijke begeerten, bijvoorbeeld
+den wensch op den rug te gaan liggen, wekken algemeen protest, evenals
+elke beweging, zoodra de toestand van verstijving is ingetreden. Uit
+acht menschen is één klomp geworden!
+
+’s Morgens te 5 uur wordt weer opgebroken; de slappe, zwarte koffie is
+met ijskoud broodkruim tot een brei vermengd. De bevroren laarzen
+worden met de hand ontdooid, in de plooien en van buiten van sneeuw
+bevrijd; zoo ook de tent, die geheel stijf is geworden, en eerst door
+kloppen buigzaam gemaakt moet worden. Zoo ook de slaapzak, die door de
+dagelijks toenemende vracht van ijs den spotnaam van „Walrus” heeft
+gekregen. De doorweekte zeehondenkleeding bevriest buiten dadelijk en
+aan de haren vormen zich ijsbloemen. Enkelen wrijven hun gezicht met
+fijne sneeuw om do oogen te verfrisschen, een andere manier om zich te
+wasschen verbiedt het gebrek aan water. Sleden en tent worden uit de
+opgewaaide sneeuw uitgegraven en eindelijk kan ieder na twee uren de
+trekkoorden grijpen, de vurig verlangde verlossing van de pijn van het
+nachtleger! Het is nog een geluk als de brandstoffen tot het einde van
+zulk een sledevaart toereikend zijn. Indien de voorraad ten einde
+raakt, dan moeten de manschappen zich er aan gewennen, het rauwe, nog
+warme vleesch van gevelde muskusossen te verorberen, en de drang tot
+zelfbehoud walgde zelfs niet van bosjes haar en de wol der dekens,
+vermengd met broodkruim, peper en jeneverbessen!
+
+Tot midden Juli werden deze sledevaarten langs de kusten ondernomen, en
+daarbij 77 breedtegraad bereikt. Toen het poolijs zich echter in
+beweging zette, moest de „Germania” trachten uit haar winterkwartier
+los te komen. Een nieuwe voortgang naar het Noorden bleek onmogelijk te
+zijn, de expeditie gebruikte den overigen tijd tot verdere onderzoeking
+van de kust; daarbij ontdekten zij den Keizer-Frans Jozeffjord, die
+diep tot in het binnenste van Groenland voert en aan grootschheid van
+natuurschoon met de meest romantische Alpenstreken kan wedijveren.
+
+Averij aan den stoomketel maakte, vroeger dan men gedacht had, een eind
+aan den verderen ontdekkingstocht van de „Germania” en zij konden van
+geluk spreken, dat zij nog zooveel stoom hadden, om den pas ontdekten
+fjord te verlaten. Den 17den Augustus lichtte men het anker voor den
+terugtocht en na twee dagen moeitevol en opwindend heen en weer zeilen
+door een gordel van pakijs, hoorde de bemanning eindelijk met
+onbeschrijflijke vreugde de branding van de open zee weer tegen de
+ijsschollen klotsen. De 10den September liep de „Germania” gelukkig
+reeds weer den Wezer binnen en landde den 11den September aan haar
+uitgangspunt Bremerhaven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+9. DOOR IJSBEREN AANGEVALLEN.
+
+
+Naast de muskusossen, die in tegenstelling van hun leelijk uiterlijk,
+evenals de schapen, tot wier familie zij behooren, zeer onschuldig
+bleken te zijn, waren voor de manschappen van de „Germania” de talrijke
+rendieren gedurende hun overwintering een zeer welkom wild. Daar de
+oostkust van Groenland geheel onbewoond was, toonden de dieren niet de
+minste schuwheid voor de voor hen vreemde menschen en liepen vaak
+regelrecht voor het geweer; zelfs de poolvossen, die dikwijls rondom
+het schip slopen, waren zoo tam, dat ze zich met de hand lieten
+streelen.
+
+Bedenkelijk en met het vorderen van den winter steeds gevaarlijker
+werden echter de bezoeken van de ijsberen, en de bemanning van de
+„Germania” had ruim gelegenheid op te merken, dat deze roofdieren
+volstrekt geen winterslaap hielden, zooals men vroeger meende. Steeds
+meer lieten de ongenoode gasten zich in de nabijheid van het schip
+zien, vanwaar hun allerhande heerlijke geuren tegemoet stroomden en het
+kwam zoo ver, dat de „Germania” gewoon belegerd werd door een kring van
+deze gevaarlijke dieren, en niemand meer zonder geleide ook maar eenige
+schreden het schip kon verlaten.
+
+Het was op den 13den Januari, in den voormiddag, de tijd waarop de
+manschappen gewoonlijk buiten bezig waren, en moesten wandelen, dat een
+der matrozen, Kleutzer geheeten, op eigen gelegenheid den nabijgelegen
+Germaniaberg beklom, om het landschap, in het reeds helderder wordend
+middaglicht, op te nemen. Boven aangekomen ging hij welgemoed op een
+rots zitten en zong vroolijk een lied de stille heldere lucht in. Heel
+toevallig keek hij om; daar stond maar enkele schreden verwijderd een
+geweldige ijsbeer, die met ernstige uitdrukking den vreemdeling bekeek.
+De matroos was een even kalm en vastberaden als krachtig man en in
+gewone omstandigheden zou er niets bijzonders aan de zaak zijn geweest;
+de beer stond prachtig onder schot en kon niet zoo gemakkelijk gemist
+worden, maar—Kleutzer was geheel ongewapend en had zelfs geen mes bij
+zich. Onbegrijpelijk, niet waar? Want nog slechts enkele dagen geleden
+was een beer bij het schip gezien. En alleen verklaarbaar door de
+noodlottige zorgeloosheid, welke den matrozen eigen is en door de
+omstandigheid, dat tot nu toe bijna alle beren voor de ongewone
+verschijningen der poolvaarders gevlucht waren en de matrozen nog geen
+respect hadden ingeboezemd.
+
+Kleutzer ziet zich dus ongewapend en ver van zijn makkers, alleen
+tegenover den beer. Vlucht is de eenige, al is het dan ook
+twijfelachtige redding en reeds komt de vermetele gedachte bij hem op,
+zich op goed geluk langs de steile gletscherhelling omlaag te storten.
+Maar hij neemt toch liever de zachter glooiende zijde en begint nu hard
+den berg af te loopen. Na een poos kijkt hij om, de beer loopt als een
+groote hond op zijn gemak hem achterna. Zoo gaat het een tijdlang
+bergaf, zoo hard als het terrein het toelaat. Stond Kleutzer stil, dan
+stond de beer ook stil, ging hij verder dan volgde de beer langzaam, en
+ging hij hard loopen, dan volgde de beer, in hetzelfde tempo. Zoo waren
+de twee al een goed eind gevorderd en Kleutzer waande zich zoo goed als
+gered. Het begon den beer zeker te vervelen, hij bleef den vervolgde
+tenminste dichter op de hielen.
+
+Dat werd den matroos toch te griezelig en terwijl hij steeds
+voortholde, slaakte hij, om het dier te verschrikken en om hulp te
+krijgen, een luiden kreet. In het eerst scheen de beer er door
+verbluft, maar daarna woedend geworden, naderde hij den vluchteling nu
+steeds meer, zoodat deze den heeten adem van het monster reeds meende
+te voelen. In dezen ontzettenden toestand kwam Kleutzer de bekende
+berengeschiedenis in de gedachte, die hem juist kort geleden was
+verteld, waarin de vervolgde zich redde door den beer kleedingstukken
+voor te werpen; bij het onderzoek er van hield de beer zich zoo lang
+op, totdat hulp kwam opdagen. Kleutzer trekt dus, al voortsnellend,
+zijn buis uit, en werpt het achter zich en ziet, de list helpt. De beer
+blijft staan en begint een nader onderzoek van het buis, dat hij
+besnuffelt en heen en weer schudt. Kleutzer vat nieuwen moed, snelt
+verder den berg af en stoot uit volle borst een kreet om hulp uit, die
+ver door de stille streek weergalmt. Maar al te gauw is de beer hem
+echter weer op de hielen en Kleutzer werpt hem nu de muts, dan het vest
+toe, waardoor hij weer een voorsprong krijgt. Kleutzer ziet reeds dat
+redding nadert, en eenige kameraden over het ijs toesnellen. Met
+inspanning zijner laatste krachten loopt en schreeuwt hij weer, maar
+alle hulp schijnt vergeefs, want steeds sneller nadert de vervolger en
+Kleutzer moet nu het laatste wat hij nog geven kan, afstaan, zijn
+wollen doek, welken hij het dier tegen den kop werpt.
+
+Maar de beer, door het geschreeuw opnieuw getergd, werpt den doek door
+een ruk met den kop, met verachting van zich, en dringt steeds
+begeeriger op den weerlooze toe, die reeds den kouden, zwarten snuit
+aan zijn hand voelt. Nu schijnt hij verloren te zijn; de matroos weet
+geen raad meer,—daar komt hij op een prachtige gedachte: met zijn
+lederen gordel de keel van het dier dicht te snoeren. Strak kijkt hij
+in de meedoogenlooze oogen van het beest—een kort oogenblik van wanhoop
+treedt in, daar—schrikt de beer door iets wat op zij gebeurt, het
+volgend oogenblik verwijdert hij zich in volle vaart! Het geschreeuw
+der kameraden die ter hulpe kwamen, had hem blijkbaar verschrikt, en
+hij vond het ’t verstandigst het op een loopen te zetten. Kleutzer was
+als door een wonder gered.
+
+Nog veel erger was een aanval op den astronoom der „Germania” in het
+begin van Maart.
+
+Tegen negen uur in den avond was Dr. Börgen naar buiten gegaan, om een
+hemelverschijnsel gade te slaan en te gelijkertijd de meteorologische
+aanteekeningen op te nemen. Juist op het punt aan land te gaan,
+ontmoette hij kapitein Koldewey. Die twee spreken nog een oogenblik met
+elkaar, waarop de een naar het observatorium, de ander naar het schip
+gaat. Op den terugweg van het observatorium, nog vijftig schreden van
+het schip verwijderd, hoort Dr. Börgen een geruisch links naast zich en
+staat hij tegenover een op hem toekomenden beer. De aanval geschiedde
+zoo plotseling, dat Börgen van het geweer geen gebruik kon maken, ja
+later niet eens kon zeggen, of de beer zich had opgericht en hem met
+zijn klauwen op den grond geworpen of omvergeloopen had. Het eerste wat
+Börgen voelde, wat het indringen van het gebit in de huid van zijn
+hoofd, dat slechts door een dun lakenschen muts was bedekt. De beer
+spande zich in, zooals hij dat met zeehonden pleegt te doen, den
+schedel van zijn slachtoffer te breken, maar zijn tanden gleden er
+knarsend af. Een luide hulpkreet verjoeg het dier voor een oogenblik,
+het keerde echter onmiddellijk terug en beet nog verscheiden keeren in
+het hoofd van Dr. Börgen. Dat het gebit den schedel niet verbrijzelde,
+was stellig toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het geen
+volkomen volwassen dier was. De hulpkreet was intusschen door den
+kapitein vernomen. Hij snelde op het dek, alarmeerde de bemanning en
+allen snelden den in gevaar verkeerenden makker te hulp. Het geraas dat
+ontstond, joeg den beer schrik aan, en nu beproefde hij zijn
+slachtoffer, dat hij aan het hoofd vast had, en dat zich door
+machtelooze stooten in de ribben van het dier trachtte te weren, in
+zekerheid te brengen. Daar weerklonk een schot; het dier schrok, liet
+Börgen los en sprong een paar schreden ter zijde, maar eensklaps greep
+het zijn arm en daarna zijn hand, die in een bonten handschoen was
+gehuld. Dit oponthoud maakte het den vervolgers mogelijk te naderen,
+maar toch zou de beer met zijn buit zijn ontkomen, indien hij tegen den
+oever was opgeklauterd. Maar hij nam zijn weg langs de kust, waar door
+de oneffenheid van het ijs zijn snelheid van loopen aanmerkelijk werd
+vertraagd, terwijl de toesnellenden op het gladde ijs snel dichterbij
+kwamen. Toch werd Börgen ongeveer driehonderd schreden ver
+voortgesleept en door den doek, waarvan de beer de einden ook beet had
+gepakt, werd hij bijna geworgd. Eindelijk liet het ondier los; dadelijk
+daarop bukte kapitein Koldewey zich met een „Goddank, hij leeft nog!”
+over het lichaam van den geleerde.
+
+Eenige schreden terzijde stond de beer, blijkbaar nog overleggend, wat
+hem te doen stond, totdat een kogel hem vertelde, dat het hoog tijd
+werd zich uit de voeten te maken. Aan het vervolgen van den beer dacht
+echter niemand, daar de allereerste taak nu was, den gewonde aan boord
+te brengen; het duurde verscheiden weken, voordat deze van de vele
+wonden, die de ijsbeer hem had toegebracht, genezen was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+10. TWEEHONDERD DAGEN OP EEN IJSSCHOTS.
+
+
+Het lot van de „Hansa” waarop kapitein Hedemann het bevel voerde en die
+in dr. Buchholz en dr. Laube twee wetenschappelijke medewerkers aan
+boord had, was niet zoo gelukkig als dat van de „Germania”. Ze was door
+een verkeerd begrepen signaal te ver naar het Westen gezeild, en zat
+spoedig, nadat zij het hoofdschip uit het gezicht verloren had in het
+ijs vast, dat langzaam naar het Zuiden dreef. Land te bereiken was
+onmogelijk en men moest voorbereid zijn op een overwintering tusschen
+het drijfijs. Met of zonder schip? Dat was de moeielijke vraag, van
+welker beslissing het lot der geheele bemanning die veertien man sterk
+was, afhing. Ondenkbaar was het niet, met het ijs verder te drijven en
+in Februari ongeveer bij IJsland weer vlot te worden. Maar hoeveel
+Groenlandvaarders van vroegers tijden, die eveneens met hun schepen
+tusschen het ijs der Groenlandsche kusten waren gedreven, waren daarbij
+niet te gronde gegaan.
+
+De ijspersingen kwamen steeds meer voor en spoedig moest men zich
+voorbereiden op het verlies van de „Hansa”.
+
+De booten gaven te weinig beschutting tegen storm, koude en sneeuw; in
+de allereerste plaats moest er dus voor een goed onderkomen worden
+gezorgd. Vierhonderd vijftig schreden van het schip verwijderd zocht
+men een stevig stuk ijs, dat geen gaten had, en oogenschijnlijk niet
+zoo spoedig door de wrijving met andere ijsvelden zou doorbreken. En
+hier begon men een huis te bouwen. Bouwsteenen waren de voorhanden
+zijnde briquetten, een uitnemend bouwmateriaal, dat de vochtigheid
+opnam en de warmte in de binnenruimte hield. Water en sneeuw was de
+kalk; hoe sterker het vroor, des te beter vorderde het werk; men
+behoefde slechts in de voegen en spleten der kolensteenen fijne sneeuw
+te strooien en daar water op te gieten—in tien minuten was alles tot
+een vaste massa bevroren. De kap van het dak werd getimmerd uit
+scheepshout en met zeildoek en matten bedekt en om aan het luchtige dak
+meer dichtheid en vastheid te geven, werd er nog sneeuw opgeschept. De
+vloer werd eveneens met briquetten belegd, in het huis, dat 3 October
+na een arbeid van zeven dagen gereed kwam, werd proviand voor twee
+maanden gebracht; vooral brood en vleesch, conserven, spek, wat koffie
+en alcohol, brandhout en kolen. Tegelijkertijd werd het schip zelf voor
+de mogelijke overwintering ingericht.
+
+Intusschen dreef de „Hansa” steeds meer naar het Zuid-Westen. Een
+laatste poging om te voet tot het land door te dringen bleek
+onuitvoerbaar door een waterarm, die parallel met de kust liep.
+
+Den 18den October begon het ijs den strijd met het ingesloten schip. In
+regelmatige tusschenruimten, als door een gelijkmatigen golfslag in het
+leven geroepen, begon het persen en schroeven der ijsmassa, het dreunen
+en knallen, piepen en fluiten onder het ijs. Nu eens klonk het als het
+knarsen van deuren, dan weer als een verward door elkaar spreken van
+stemmen, dan weer als het remmen van een trein. Het ijsveld, waarin de
+„Hansa” lag, had zich onder het drijven omgedraaid en drong het schip
+nu steeds sterker naar het kustijs. De masten schommelden en het was
+den stuurman boven op zijn brug vaak, alsof iemand hem naklom.
+
+Dat was slechts het voorspel der gebeurtenissen in de eerstvolgende
+dagen. Onder storm en sneeuwjachten werden de persingen van het ijs
+steeds sterker, gaandeweg hieven de ijsmassa’s den voorsteven omhoog,
+terwijl de achtersteven van het schip ingeklemd bleef en een
+vreeselijken druk had te weerstaan. Elk oogenblik kon de catastrofe
+plaats hebben en dan was de eenige toevlucht voor de mannen het
+kolenhuis op het ijs!
+
+In de grootste haast werd nog alles uit het schip gehaald, dat aan
+kleedingstukken, bedden, brandstof en proviand diensten kon bewijzen.
+Toen de persing wat minderde, bleek, dat het schip op een onbereikbare
+plaats een gat had gekregen.
+
+Het pompen was vergeefs en de „Hansa” begon langzaam te zinken. Wat nog
+maar van eenige waarde kon zijn, werd gehaald en op het ijs gebracht;
+de tot nu toe bijeengebrachte wetenschappelijke verzamelingen en
+fotografische opnamen gingen echter verloren; de masten werden gekapt
+en met al het takelwerk op het ijs gesleept; daarna werden de touwen
+losgemaakt, waarmede het ijsanker de „Hansa” nog aan het veld
+vasthield, opdat de ijsschol zelf niet door het zinkende schip werd
+verbrijzeld. In het rond lagen in chaotische verwarring de meest
+verschillende zaken door elkaar, met den dood kampende en van koude
+bevende ratten, die door het water uit het scheepsruim waren gedreven,
+liepen er tusschen, en in den nacht van den 21sten op den 22sten
+October zonk de „Hansa” in de ijzige diepte!
+
+Nu moest men zich eenigszins huiselijk in het kolenhuis inrichten. Het
+niet luchtdichte dak van zeildoek werd door een planken dak vervangen
+en om licht en lucht in de zwarte woning te brengen, werden twee
+klepramen in het dak aangebracht, maar die toch het grootste gedeelte
+van den dag het lamplicht niet onontbeerlijk maakten. Aan beide zijden
+van de middengang werden britsen om op te slapen geplaatst en tegen den
+wand houtvoering aangebracht om het vastvriezen der kussens te
+beletten. Twee kachels zorgden voor voldoende verwarming. Tegen de met
+zeildoek bekleede muren werden planken getimmerd, waarop boeken,
+instrumenten en kookgereedschappen geplaatst konden worden; de
+scheepskisten dienden voor tafel en banken. De vergulde spiegel uit de
+kajuit prijkte tegen den zeildoeken wand, daaronder een kostbare
+barometer en de klok. Het grootste deel van de proviand en brandstof
+werd van de plaats, waar de „Hansa” was gezonken naar het huis gesleept
+en daar opgestapeld. Daar de sneeuw spoedig zoo hoog als de muren van
+het huis kwam, werd een vijf voet breede gang rondom de woning gegraven
+en met zeildoek gedekt. Dat was de eetkamer. Een voor ongeveer twee
+maanden dienend deel van de proviand werd in de booten gepakt, die
+elken dag uit de sneeuw moesten gegraven worden. Een valreeptrap diende
+om in het huis te komen, dat als een vossehol, ternauwernood met het
+dak uit de sneeuw stak en om sneeuw en wind van dezen ingang verre te
+houden, werd er nog een voorhal met een slingerende gang in de sneeuw
+gegraven, waarvan het dak evenals de voorraadschuren was samengesteld.
+
+Met de vernietiging van de „Hansa” scheen de kracht van het ijs ook
+uitgeput te zijn, de ijspersingen hielden op en het ijsveld met de
+vreemde nederzetting dreef langzaam langs de ijskust van Groenland, nu
+eens dichter, dan weer verder van het land verwijderd, een beweging die
+stellig haar oorzaak vond in ebbe en vloed. De schilderachtige vormen
+der Groenlandsche rotsige kusten waren meestal duidelijk te zien,
+zonder dat er eenige mogelijkheid bestond ze te naderen.
+
+De veertien kolonisten waren natuurlijk spoedig begonnen hun drijvend
+ijsland te onderzoeken, zooals vroeger Robinson zijn eiland. Het bleek
+in alle richtingen ongeveer dezelfde doorsnede van ongeveer twee
+zeemijlen te hebben en had boven het water een hoogte van vijf voet,
+waaruit volgens de ervaring besloten konden worden, dat de sterkte van
+het ijs onder het water op meer dan veertig voet geschat kon worden.
+Overigens bood ze slechts het beeld van een gelijksoortig met sneeuw
+bedekte, gelijke vlakte en als men zich verwijderde, van het diep in de
+sneeuw begraven huis, dan verdwenen spoedig alle herkenningsteekenen
+der nederzetting behalve de donkere punten der beide schoorsteenen, de
+na elke sneeuwjacht weer opengelegde booten en de mast met de
+wapperende Noord-Duitsche vlag. Maar een afschrikwekkend woest gezicht
+leverden echter de randen van het ijsveld, namelijk in het Westen en
+Noord-Oosten. De wrijvingen en persingen met aandrijvende schollen
+hadden hier muren opgestapeld tot tien voet hoogte. In den zonneschijn
+glinsterden de sneeuw-kristallen als millioenen diamanten. Het avond-
+en morgenrood gaf aan de witte vlakten een vaal-groene kleur. De
+nachten waren prachtig helder, zoodat men het fijnste schrift zonder
+moeite kon lezen. Het noorderlicht verscheen bijna elken nacht,
+dikwijls zoo intensief sterk, dat de glans der sterren verdoofde en de
+voorwerpen op het ijs schaduwen wierpen.
+
+In deze sprookjesachtige ijswereld ontwikkelde nu het kleine hoopje
+schipbreukelingen een bedrijvige, geregelde werkzaamheid het eenige
+middel om zich over het tot wanhoop brengend traag voortsluipen der
+dagen, weken en maanden heen te helpen. ’s Morgens te zeven uur wekte
+de laatste nachtwacht de kameraden, die zich snel in hun wollen
+kleederen wierpen, met gesmolten sneeuwwater waschten en hun
+ochtendkoffie met scheepsbeschuit gebruikten. Dan ging ieder aan zijn
+bezigheden, het maken van allerlei nog ontbrekende nuttige voorwerpen,
+het naaien van zeilen, het kloven van hout, herstellen van kleeren, het
+dagboek bijhouden en lectuur. Bij heldere lucht werden astronomische
+waarnemingen gedaan en de noodige schriftelijke berekeningen gemaakt.
+Te één uur werd er gemiddagmaald, het hoofdbestanddeel was een
+krachtige vleeschsoep en de rijkelijk voorhanden zijnde conserven
+zorgden telkens voor afwisseling der bijgerechten. Gezouten vleesch en
+spek werden weinig gegeten; het spek der gevangen walvisch waarop de
+mannen dikwijls jacht maakten, werd meestal slechts als brandstof
+gebruikt. Nu en dan leverde een nieuwsgierige ijsbeer kostelijk gebraad
+in de keuken. Met spiritualiën werd zeer spaarzaam omgegaan, slechts op
+den Zondag gunde men zich een glas sterken portwijn. De
+gezondheidstoestand der manschappen bleef dan ook gewoon goed.
+
+Zonder ernstige gevaren ging December 1869 voorbij. Het Kerstfeest werd
+volgens het gebruik in het vaderland feestelijk gevierd, de matrozen
+hadden uit dennenhout en berkenrijs een kunstige kerstboom opgericht,
+en den kapitein zelfs verrast met eigen vervaardigde geschenken.
+Eveneens werd oudejaarsavond met geweersalvo’s en vroolijke punch
+doorgebracht, en als ooit gelukwenschen bij het nieuwe jaar met
+klinkende glazen diepernstig worden gemeend, dan was het hier in den
+helderen poolnacht op de drijvende ijsschots der Duitsche
+Hansavaarders.
+
+Met een ontzettend stormweer, zette het jaar 1870 den tweeden Januari
+in. Reeds in den ochtend van dien dag meenden de kapitein en de
+officieren een eigenaardig geraas te hooren, alsof iemand met den voet
+langs den grond krabde.
+
+Toen ’s middags de manschappen zich hadden neergelegd voor de
+middagrust, klonk hetzelfde geruisch, maar veel sterker. Het was een
+krabben, stommelen, knetteren, een zagen, steunen en knarsen, alsof
+griezelige geesten onder de ijsschots aan het razen waren. Opgeschrikt
+sprongen allen op en stormden naar buiten; zeker was de plaats met
+proviand rondom het huis ingestort. Maar er was niets te ontdekken en
+buiten kon men in den sneeuwstorm geen tien pas ver zien. Maar tusschen
+het woeden van den storm, steeds dit schuiven en kraken van het ijs, en
+als men het oor op den grond legde was het alsof water onder de
+schollen vloeide. Er was geen twijfel aan: het ijsveld begon te barsten
+of aan de kanten af te brokkelen en één oogenblik kon over het leven en
+den dood der veertien menschen beslissen!
+
+In dezen ontzettenden toestand brachten de in sneeuw en ijs begravenen
+twee eindelooze dagen door. Toen de storm was uitgewoed, en in den
+morgen van den vierden Januari de lucht weer helder was, zagen de
+kolonisten met ontzetting, dat de vorm van hun ijseiland veranderd was,
+en de doorsnede nu hoogstens één zeemijl bedroeg! Het kolenhuis lag
+naar drie kanten slechts tweehonderd schreden van den rand van de
+schots verwijderd, naar den vierden kant nog duizend schreden, tegen
+drieduizend vroeger. Daarbij waren de randen van het ijsveld zoo met
+brokken ijs bedekt en vol gewaaid met sneeuw, dat aan een halen der
+booten en aan redding naar de nabijzijnde kust niet viel te denken. De
+Hansamannen waren en bleven de gevangenen van het onverbiddelijke ijs!
+Den 11den Januari stormde ’s morgens vroeg de matroos van de wacht met
+den alarmkreet: „alle man gereed” het huis binnen; een onbeschrijfelijk
+gevaar woedde in de naaste omgeving. Opnieuw begon het ijsveld aan alle
+kanten af te brokkelen; ongeveer vijf en twintig schreden van het huis
+verwijderd gaapte eensklaps een ijsspleet, het afgebrokkelde stuk
+verhief zich huizenhoog en dreef met het opgestapelde brandhout naar de
+woedende zee. De weer kleiner geworden ijsschol met het kolenhuis
+verhief zich en daalde weer omlaag, en weer scheen het laatste uur der
+kolonisten te zijn geslagen. Zij namen afscheid van elkaar en
+verdeelden zich bij twee hunner booten in twee groepen. Zoo stonden zij
+en hurkten zij neer gedurende een ganschen dag, voorbereid op de
+laatste ramp. Maar als door een wonder hield juist dat deel der
+ijsschots, waarop zij zich hadden neergezet nog stand. ’s Avonds legden
+zij zich eenigszins gerustgesteld in het huis neer, maar omstreeks
+middernacht schrok weer een angstige kreet de slapers op. Zij gunden
+zich den tijd niet eerst door de lange sneeuwgang te loopen, maar
+stieten het dak door en klauterden zoo naar buiten. Vlak naast het huis
+verhief zich een kolom van reusachtige hoogte—slechts enkele
+oogenblikken. Toen klonk de geruststellende stem van den kapitein: „Het
+is voorbij!”
+
+Of het werkelijk een ijsberg was, of maar een luchtspiegeling of
+misschien de hooge kust, was door de snelheid, waarmede het griezelige
+spooksel verdween, niet uit te maken.
+
+Maar den 14den Januari werd, door het plotseling openen van een spleet
+in het ijs, het kolenhuis zelf vernield en de mannen moesten zich in de
+booten redden! Uit de puinhoopen werd een kleiner woonhuis gebouwd,
+waarvan het dak den eersten nacht reeds door den storm werd weggewaaid.
+Er was slechts plaats in voor zes man, de overigen moesten een onderdak
+in de booten vinden. Volgens het getuigenis van den kapitein, hield de
+dappere Duitsche schaar zich in die dagen van schrik, toen de dood
+achter elk ijsblok grijnsde, voorbeeldig, en de eenige vreemdeling
+onder hen, de Hollandsche kok, behield zelfs zijn drogen zeemanshumor
+in de angstigste oogenblikken. In al die dagen, toen de schemerachtige
+koude ochtenduren bij storm en sneeuwjacht steeds nieuwe tooneelen van
+verwoesting in het rond onthulden, wist hij toch zijn kameraden, alsof
+er niets gebeurd was, de morgenkoffie klaar te maken, en toen de
+instorting van het huis hem juist verraste, terwijl hij met de
+reparatie van zijn ketel bezig was, zeide hij: „Als de ijsschol nu maar
+zoolang wilde stand houden, totdat ik met mijn ketel klaar ben! Ik
+wilde nog thee voor den avond klaar maken, opdat wij „voor de afreis”
+nog wat warms hebben!”
+
+De geweldige ijspersingen in Januari kwamen voornamelijk daardoor, dat
+de schol met de schipbreukelingen in dien tijd tusschen IJsland en
+Groenland doordreef, waar de ijsmassa’s, vooral door het veelvuldig
+vooruitspringen der Groenlandsche kust in talrijke kapen steil op
+elkaar schoven. Zoodra zij Kaap Dan voorbij waren gedreven, waar de
+kust van Groenland naar het Westen terugwijkt en in het Oosten de grens
+van IJsland wegvalt, houdt de ijsopstopperij op en de scènes aan de
+golf „der Verschrikking”—zoo werd de golf genoemd, waarin den 4den
+Januari de Hansaschol geheel dreigde te barsten—herhaalden zich niet
+meer. Maar naast de elken dag dreigende ijsbergen, verhief zich nu een
+nieuw gevaar. Reeds in Februari begon de zon merkbaar haar invloed uit
+te oefenen; den 17den April steeg de thermometer tot tien graden
+warmte! Begin Mei stroomde hevige regen neer en de hut der
+schipbreukelingen, die vroeger in het dal had gestaan, lag nu na het
+smelten van de sneeuw op een heuvel.
+
+Daar vertoonde zich den 7en Mei rondom de schots naar alle kanten
+water, en het oogenblik der verlossing uit de ijzige gevangenschap
+scheen gekomen. Nadat de kapitein den geheelen ochtend ijs en weer had
+gadegeslagen, werden de booten na het eten in koortsachtige haast
+geledigd en over den rand der schol geschoven, daarna weer geladen en
+na drie uur was alles „gereed”. Nog een laatsten dankbaren blik op het
+getrouwe ijseiland geworpen, dat de Hansamannen tweehonderd dagen lang
+door alle gevaar gelukkig heen had gedragen en na een driewerf hoera
+gingen de drie booten te 4 uur in den namiddag onder zeil. ’s Nachts
+werden ze weer op het ijs gehaald, wat telkens groote inspanning
+kostte; en zoo naderden zij tot op anderhalve zeemijl het land. Maar
+hier had het kustijs zich tot een ondoordringbare massa samengeschoven,
+en verscheiden dagen moest er op het ijs worden gebivouakeerd. Met den
+verrekijker konden zij reeds op het land de beken van de steile
+hellingen omlaag zien storten, en frisch water stond overal op de
+schollen; op zekeren dag zoemde zelfs een vroolijke vlieg rondom het
+zeil. Het bedenkelijk minderen van de proviand dwong de bemanning nu,
+het kostte wat het wilde, de kust te bereiken, en onder onnoemelijke
+inspanning en onophoudelijke stortregens, die alle nachtrust beletten,
+werden de booten voetje voor voetje door het labyrint van ijs
+geschoven, naar het drie mijlen verwijderde eiland Illuilek. De
+maaltijden bestonden ’s morgens en ’s avonds nog maar uit een vierde
+pond brood en een klein stuk spek en het opraken van den voorraad
+spiritus, maakte het bereiden van warme dranken spoedig onmogelijk, nu
+er geen zeehonden meer werden aangetroffen met hun brandbaar spek.
+Daarbij droomden de mannen in enkele uren van onrustigen slaap van
+prachtige maaltijden en voelden dan bij het ontwaken de leegte van hun
+maag des te kwellender.
+
+Den 4den Juni gelukte het eindelijk het eiland te bereiken. Vier weken
+waren verstreken sinds het verlaten der ijsschol, en de proviand zou nu
+nog slechts voor ten hoogste veertien dagen toereikend zijn. Het eiland
+was echter niets dan een rotseiland, en vertoonde geen spoor van
+vegetatie, er nestelden slechts enkele meeuwen en alken!
+
+Den 7den Juni landde de bemanning der „Hansa” eindelijk aan de kust van
+het vasteland van Groenland en konden de mannen hier tenminste eens
+grondig uitrusten, zonder het voortdurende gevaar van het opdringende
+ijs. En na een zesdaagsche zeilvaart kris en kras door de klippen en
+fjorden der kust, bereikten de drie booten den 13den Juni gelukkig de
+kolonie Frederickstal aan de westkust, waar zij in het daar aanwezige
+zendingshuis werden opgenomen en voortreffelijk verpleegd. In
+Julianahaab troffen zij een Deensch schip en den 26sten Juli lichtten
+de geredden het anker voor de huisreis.
+
+Den 1sten September 1870 kwamen zij te Kopenhagen aan, en de berichten
+van den zegevierenden strijd van Duitschland tegen den Franschen
+erfvijand ontvingen zij, die aan het leven waren teruggeschonken!
+Denzelfden dag waarop het bericht van den slag bij Sedan de wereld
+doortrok, betraden zij te Sleeswijk voor het eerst weer den Duitschen
+bodem, en kwamen Hamburg binnen, juist toen de stad ter eere der
+overwinning in schitterende verlichting straalde! Zoo waren veertien
+dappere mannen aan hun roemrijk vaderland terug gegeven na een
+zwerftocht in het poolijs, rijk aan avonturen en heldendaden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+11. EEN GORDON-BENNETTVAART NAAR DE NOORDPOOL.
+
+
+Het was de Amerikaansche dagbladondernemer, Gordon-Bennett, wiens naam
+destijds in aller mond was door den door hem uitgeschreven grooten
+prijs voor de wedstrijden in automobiel en luchtballon, die eens
+Stanley naar Afrika heeft gezonden om den verdwenen zendeling
+Livingstone op te zoeken. Naast het onderzoek van tropisch Afrika,
+waarvoor hij groote sommen beschikbaar stelde, beproefde hij echter ook
+de verovering van de Noordpool. Hij had de geschiedenis der
+Noordpoolreizen bestudeerd en daarbij was hem opgevallen, dat
+verscheiden schepen, die van den Atlantischen Oceaan naar het Noorden
+voeren, in een zeestrooming geraakten, die met drijfijs was bedekt en
+waardoor zij naar het Zuiden werden teruggedrongen. Als dus een schip
+door de Beringhstraat tusschen Azië en Amerika doorging, moest het nut
+trekken van deze strooming en kon misschien juist door deze, langs de
+Noordpool naar de andere zijde van den Oceaan worden gedreven.
+
+Gordon-Bennett kocht dus een schip, dat reeds vroeger dienst gedaan had
+bij het zoeken naar Franklin. Het kreeg te New-York den naam van
+„Jeannette” en bij den doop was ook Stanley tegenwoordig, die juist van
+zijn tweede Afrikareis was teruggekeerd. De „Jeannette” zeilde geheel
+Amerika om en deed San Francisco aan, om daar haar uitrusting te
+voltooien. Er werd voor drie jaar proviand ingescheept. De kapitein en
+leider der expeditie was De Long, de eerste machinist heette Melville,
+de arts dr. Ambler. Daar kwamen nog vijf andere officieren bij; de
+bemanning bestond uit vier en twintig man; daaronder bevonden zich twee
+Indianen, bekwame jagers, en twee Chineezen ter verzorging der keuken.
+De geheele onderneming kostte 1.080.000 gulden.
+
+De Long kreeg van Bennett drie gewichtige opdrachten mede. Ten eerste
+moest hij de Noordpool bereiken; bovendien de Noord-West-doorvaart
+zoeken, in tegenovergestelde richting van de „Vega”. Van het gelukken
+der Zweedsche expeditie wist men toen nog niets; de „Vega” was sedert
+een jaar weg en men had nog geen bericht van die expeditie gekregen.
+Indien het noodig was, zou De Long haar derhalve hulp brengen.
+
+Den 8sten Juli 1879 ging de „Jeannette” in zee. Een geheele vloot
+stoombooten en jachten deed haar uitgeleide. Mevrouw De Long ging ook
+mede, totdat men in open zee was. Daar zeiden de beide echtgenooten
+elkaar voor het laatst vaarwel en de dappere vrouw bleef zoolang bij de
+borstwering van haar schip staan, als er nog iets van de rookkolommen
+van het poolschip was te zien. Een afscheid voor eeuwig!
+
+De zee stond bol toen de „Jeannette” in open zee kwam, en toen de klok
+voor het middageten luidde, begaven zich maar weinigen naar de eetzaal.
+De meesten lagen liever in de hut, terwijl het stampende schip als een
+meeuw op de golven schommelde. Zelfs geharde zeelieden moesten den
+zeegod rijkelijk schatting betalen.
+
+Op witte vleugelen zweefden de stormvogels rondom het schip en daalden
+nu en dan op de golven neer, als afval over boord werd geworpen.
+Eenigen werden gevangen; zij fladderden, sloegen met de vleugels en
+konden zich niet meer van het schip opheffen, omdat de harde, gelijke
+grond hun geen lucht genoeg bood. Vreemd genoeg werden ook zij zeeziek;
+ofschoon ze hun leven boven de golven doorbrachten en zoo dikwijls op
+de golven wiegden, konden zij het schommelen van het schip niet
+verdragen, maar keerden letterlijk hun maag om. Bovendien zaten zij vol
+ongedierte, ofschoon de zoutachtige, reine zee hun tehuis was.
+
+De Chinees werd onder de passagiers het ergste ziek. Dr. Ambler moest
+al zijn kennis aanwenden om hem in het leven te behouden: in de eerst
+volgende haven werd hij op een ander schip weer teruggezonden.
+
+De dagen vervolgden rustig hun loop. Men deed waarnemingen en begon met
+het verzamelen van de bewoners der zee. ’s Avonds werd muziek gemaakt
+op een piano en ’s Zondags leidde De Long een godsdienstoefening op het
+achterdek. De zee was kalmer geworden en ver in het Oosten moest de
+kust van Canada reeds liggen. Om kolen te sparen vertrouwde de
+„Jeannette” zich zoo veel mogelijk aan haar zeilen toe; het duurde
+daarom lang, voordat zij door de eilandenketen der Aleoeten de
+Behringstraat inliep.
+
+Op de kust van Alaska werden Eskimohonden aan boord genomen; maar negen
+er van werden dadelijk door hun makkers opgegeten en moesten door
+nieuwe worden vervangen. De twee Indianen waren meegenomen voor de
+verzorging der honden en voor de jacht. Het hondenhok was op het
+voordek en daar heerschte voortdurend een helsch geraas, dat maar een
+korten tijd minder werd als een der Indianen zijn zweep op het
+gezelschap liet neersuizen.
+
+Op het eiland St. Lorenz vernam De Long, dat de „Vega” drie maanden
+geleden gelukkig daar was aangekomen en in zuidelijke richting was
+gegaan. Een oude Tschiektsch, die zelf aan boord van de „Vega” was
+geweest, gaf uitvoerig verslag over het winterkwartier van het
+Zweedsche schip. Om zich van de juistheid der verklaringen te
+overtuigen, zeilde De Long naar de plaats van het winterkwartier en
+liet zich daar elke mededeeling door de daar wonende Tschiektschen
+bevestigen. Er viel dus niet meer te twijfelen aan den gelukkigen
+uitslag der Vega-expeditie. Twee van zijn eigen opdrachten waren
+hiermede volbracht: de Noord-Oost-doorvaart was gevonden en de mannen
+van de „Vega” hadden zijn hulp niet noodig. Nu bleef hem nog slechts
+over de Noordpool te bereiken.
+
+Van San Francisco was een tweede schip naar de Behringstraat gevaren,
+om kolen en proviand van de „Jeannette”, weer aan te vullen. Daarna
+werd de „Jeannette” nog maar eens gezien en wel door een Amerikaanschen
+walvischvaarder; deze vertelde, dat de Poolzee vol drijfijs was geweest
+en de „Jeannette” zeker spoedig in het ijs was blijven steken. De
+walvischvaarders, die dat jaar het laatst terugkeerden, hadden het
+schip niet meer gezien en spoedig begon men er zich ongerust over te
+maken. Maar pas na bijna twee jaar, in 1881, werden vijf
+hulp-expedities uitgezonden: naar de Noordkust van Alaska, naar
+Noord-Groenland, naar Frans-Jozef-land en andere deelen van de
+noordelijke IJszee en de Russische regeering werd verzocht alle
+Siberische zeelieden bevel te geven, dat zij naar het schip zouden
+rondzien, en in geval van nood hulp moesten bieden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+12. DE ONDERGANG DER „JEANNETTE”.
+
+
+Intusschen was de „Jeanette” reeds in het begin van September 1879 in
+dicht ijs geraakt, en daar zij geen duimbreed meer verder kon, werd het
+schip aan een veld drijfijs voor anker gelegd en de vuren onder de
+stoomketels werden uitgedoofd. Den volgenden morgen was ze reeds aan
+alle kanten ingesloten en gevangen—een en twintig maanden lang! De
+zeelieden namen het lot kalm op en hoopten, dat het ijs zich spoedig in
+beweging zou zetten. Op de bevroren zoetwaterplassen, die zich op de
+ijsschollen vormden, reden de manschappen schaatsen; de een hield zich
+bezig met lezen, de ander ging op de jacht. Twee walrussen en eenige
+ijsberen werden neergeschoten. Toen een der Indianen zijn eerste walrus
+had gedood, stak hij zijn arm in den muil van het nog niet koud
+geworden dier, trok er hem weer met bloed bedekt uit, en bestreek toen
+zijn voorhoofd eerst met bloed, daarna met sneeuw; dit, had zijn vader
+hem verzekerd, bezorgde hem geluk op de jacht.
+
+Spoedig bemerkte men door waarneming van den hemel, dat het schip
+slechts schijnbaar stil lag in het ijs. Een onregelmatige strooming der
+zee dreef het geheele ijsveld noord-westelijk. Indien het slechts wat
+sneller was gegaan, zou men niet gemakkelijker het poolijs door hebben
+kunnen varen! Maar het ging wanhopig langzaam. Dikwijls dreef het
+ijsveld in kromme lijnen en cirkels en van het Wrangeleiland naar de
+slechts ongeveer duizend meter verwijderde groep der Nieuw-Siberische
+eilanden had men bijna twee jaar noodig!
+
+Zonder gevaar was deze gevangenis der „Jeannette” volstrekt niet. Het
+ijs perste ontzaglijk. Het roer werd weggenomen maar de schroef liet
+men nog zitten en de dreigende ijsblokken in de nabijheid er van werden
+weggeslagen en weggezaagd. De instrumenten werden op een afstand van
+eenige honderden meters op het ijs ondergebracht, waar een
+observatorium werd gebouwd, dat met het schip in telefonische
+verbinding stond. De „Jeannette” lag tusschen twee meter dik ijs, maar
+daar hier en daar de ijsvelden, door de ontzaglijke persing op elkaar
+waren geschoven, bedroeg de dikte van het ijs op enkele plaatsen tot
+zes meter. Bij zulke opschuivingen der ijsmassa’s dreunde het rondom de
+„Jeannette” als donder en de grootste voorzichtigheid was noodig.
+
+Tot dusverre had men gedacht, dat het eiland Wrangel zich noordelijk
+naar de Pool als een tweede Groenland uitstrekt. De drift van de
+„Jeannette” toonde echter, dat het eiland tamelijk klein was en rondom
+de kusten de zee nog grootendeels open was.
+
+Zeehonden en walrussen kwamen hier in grooten getale voor, maar men
+ontmoette slechts twee witte walvisschen.
+
+In het begin van November werd het kraken van het ijs, dat
+onophoudelijk van positie veranderde, hoogst beangstigend. De honden
+huilden van schrik, noch zij noch hun meesters hadden ooit zulk een
+geraas gehoord. Soms scheidden de ijsschollen zich en dan dreef de
+„Jeannette” een korten tijd op het water. Spleten en gleuven openden
+zich hier en ginds en gedurende eenige dagen verkeerde de bemanning van
+het schip in zulk een opwinding, dat ze er ternauwernood toe konden
+komen thee te drinken.
+
+Den 10den November begon de winternacht van drie maanden, een tijd van
+rust, dien men eenigszins gezellig inrichtte. Te zeven uur ’s morgens
+klonk de reveille, dan werd het vuur aangemaakt. Te negen uur werd het
+ontbijt gebruikt en van elf tot een uur moesten allen op de jacht gaan
+om beweging te nemen. Te drie uur werd er voor het middagmaal geluid,
+daarna liet men het keukenvuur uitgaan om kolen te sparen. Te acht uur
+was er thee en koude keuken, daarna ging men slapen. Het menu bracht
+tamelijk veel afwisseling: tweemaal in de week was er gebraden
+ijsberen- en robbenvleesch. Wijn werd slechts bij feestelijke
+gelegenheden gedronken.
+
+Met Kerstmis verschenen de manschappen in groot tenue aan den bak om de
+officieren geluk te wenschen en werden door hen aan het middageten
+genoodigd. De avond werd gevierd met de opvoering van een tooneelstuk
+en verder hield men de manschappen bezig met voordrachten, precies als
+op de „Vega”.
+
+In Januari 1880 was de „Jeannette” aan zulke ontzettende ijspersingen
+blootgesteld, dat ze lek werd. Waar het lek was, wist men niet, maar in
+het voorruim kwam het water zoo hoog, dat de pompen in werking gebracht
+moesten worden. Van toen af werkten ze volle achttien maanden!
+
+Begin Februari werd een witte vos geschoten. Wat ter wereld had die
+hier buiten te zoeken? Het eiland Wrangel was nog steeds een groot eind
+verwijderd. Meester Reintje had misschien de honden gespeurd, en zich
+naar hier laten lokken. Op een anderen keer beproefde een ijsbeer een
+bezoek aan boord te brengen; ontvangen door de woedende honden, maakte
+hij volstrekt niet, dat hij wegkwam, maar joeg zijn tegenstanders op de
+vlucht. Het dappere dier had wel een beter lot verdiend, dan in kleine
+porties op de tafel der „Jeannette” te verschijnen.
+
+Toen de zon, door stormachtig gejubel begroet, terugkeerde, waren de
+gevangenen verbaasd te zien hoe bleek en grauwgeel zij er uitzagen. De
+koude daalde tot bijna vijftig graden; het was hier dus nog vier graden
+kouder dan in het winterkwartier van de „Vega”.
+
+In Mei vertoonde zich nu en dan een meeuw, ook soms een verdwaalde
+eidergans of een wilde eend. Gedurende den zomer was het heerlijk weer.
+De honden vonden den voortdurenden zonneschijn zelfs hinderlijk warm en
+lagen hijgend aan de schaduwzijde van het dek.
+
+Zoo dreef de „Jeannette” van maand tot maand in haar ijsveld steeds
+verder naar het Noorden, en indien zij stand had kunnen houden tegen
+het ijs, dan was zij zeker de Noordpool voorbij of althans in haar
+nabijheid gekomen! De waarnemingen der zeelieden schenen aan te toonen,
+dat de geheele Poolzee met een mantel drijfijs bedekt was, dat, althans
+in de nabijheid der Siberische kusten, langzaam den tegenovergestelden
+weg van den wijzer eener klok aflegde, namelijk van het Oosten over het
+Noorden naar het Westen.
+
+Daarna begon de tweede nacht, die drie maanden duurde. De gezondheid
+der gevangenen leed meer dan in den eersten winter. Teekenen van
+scheurbuik, de vernielende ziekte der poolstreken, waaraan reeds
+zooveel menschenlevens ten offer waren gevallen, vertoonden zich en de
+scheepsdokter had handen vol werk.
+
+Den 18den Mei zag de loods van zijn uitkijk aan den top van den
+grootsten mast, in het Zuidwesten, waar tot nu toe nog geen land bekend
+was, een kust. Het was slechts een klein eiland; het kreeg voor goed
+den naam van het in het ijs gevangen gehouden schip. Eenige dagen later
+kwam weer een eiland in het zicht, waar de „Jeannette” langzaam voorbij
+ging. In het begin van Juni openden zich rondom het schip gapende
+spleten in het ijs. Den avond van den 10den werden heftige stooten
+gevoeld en gedurende de uren van den zonhelderen Juni-nacht barstten de
+ijsvelden overal in het rond, alom vertoonden zich groote watervlakten,
+en de „Jeannette” was bijna vlot. Het roer werd weer aangezet, onder
+den stoomketel het vuur gestookt, en men verheugde zich in de hoop
+eindelijk weer uit het pak-ijs te komen.
+
+Met het vlot worden van de „Jeannette” eindigt het logboek van kapitein
+De Long, maar in zijn dagboek vervolgt hij het verslag. De „Jeannette”
+kwam den 11den Juni in den voormiddag geheel vrij van ijs en allen
+waren vervuld van een gevoel, alsof het schip zoo juist van stapel was
+geloopen! De geheele bemanning stormde uit de kajuiten naar het dek en
+jubelde over het kristalheldere, blauwe bekken, waarin de „Jeannette”
+zwom.
+
+Men ging voor anker liggen in de verwachting van een vaarwater, dat
+zich zou openen. Maar men wachtte vergeefs! Weer schoof het ijs aan
+alle kanten te zamen en den 12den Juni zat het schip erger dan ooit in
+het ijs bekneld. Het weer was prachtig. Toen men weer eenigszins van
+het persen van het ijs was bekomen, ging een deel der bemanning op
+jacht en gedurende hun afwezigheid begon het persen van het ijs
+opnieuw. Het vlaggesignaal van De Long riep allen terug aan boord en
+toen de laatste jager, een Indiaan, hijgend aankwam met een zeehond op
+den schouder, dien hij had geveld, perste het ijs reeds zoo, dat het
+schip overhelde. Allen verkeerden in de grootste opwinding. Zonder
+eenigen twijfel moest de „Jeannette” als glas tot splinters gaan, als
+het ijs met al zijn kracht verder perste en het drong stormachtig
+nader. Het schip streed zijn doodstrijd; het werd zoo samengedrukt, dat
+het dek zich als een golf verhief en de trap naar de commandobrug
+instortte. De machinist verliet eveneens zijn post met den kreet van
+schrik: „Het ijs dringt in het kolenruim”.
+
+Daarna hoorde men nog slechts het water alle lekken binnen stroomen.
+Officieren en manschappen werkten als galeislaven. De Long deelde zijn
+bevelen uit vanaf de commandobrug, de matrozen stonden halverwege in
+het water en reikten elkaar kisten met proviand toe. Maar toen het
+water onder het dek steeds hooger kwam, moesten zij hun plaats
+verlaten. Sleden, booten en een voorraad levensmiddelen had men reeds
+geruimen tijd te voren op een veilige plaats van het schip verwijderd,
+gereed gehouden. Nu moest nog slechts gered worden, wat op de een of
+andere wijze geborgen kon worden. Officieren en manschappen hadden hun
+eigendommen bij elkaar gepakt en het werd hoog tijd, deze te halen,
+want het water stond reeds in de kajuiten en salons. Op den bezaansmast
+werd de vlag geheschen—voor den ondergang.
+
+Wat gered was, werd naar het kamp gedragen, waar de tenten opgeslagen
+waren. Intusschen drong en drong het ijs het schip sterk naar
+stuurboordzijde; het was reeds tot boven toe vol water en werd nog
+slechts door den druk van het ijs gehouden.
+
+De laatste manschappen waren van het dek gesprongen, dat langzaam door
+het water werd overstroomd; nu verliet ook de kapitein, als
+allerlaatste, de commandobrug van zijn zinkend schip! Den 13den Juni te
+drie uur in den morgen stond de geheele scheepsromp onder water, de
+schoorsteenen verdwenen in de golven, de masten staken nog alleen
+omhoog. Knallend versplinterden de raas tegen de ijskanten en ten
+slotte gaapte een wak, als een graf; nog slechts enkele boeien en
+planken dreven rond. De bemanning der „Jeannette” stond zoo stil en
+zwijgend als bij een begrafenis, de honden huilden klagend. Daarna
+schoof langzaam een ijsschots over het wak, als een ijzeren deksel van
+een crematorium!
+
+Zwijgend gingen de mannen naar het kamp, waar alles dooreen lag
+opgestapeld. Er waren levensmiddelen voorhanden voor twee à drie
+maanden: vleesch, brood, suiker, thee, chocolade, vleeschextract. Zij
+hadden verscheiden geweren en twee duizend patronen. Twee sloepen, en
+een walvischboot, sleden en tenten waren eveneens gered.
+
+Verlaten en woest lag in het rond het ijslandschap. Geen spoor meer van
+het schip, dat zoolang het tehuis der mannen was geweest. Zij voelden
+zich als arme sukkels, die door den kwaden huisbaas op straat waren
+gezet. De ongeluksdag was een Zondag; op den gewonen tijd riep De Long
+de zijnen bijeen voor de godsdienstoefening.
+
+Daarna werd het kamp in orde gebracht en de tenten geriefelijk en warm
+ingericht. De Nieuw-Siberische eilanden waren zoo nabij, en over de zee
+zou men zonder al te groote moeilijkheden de Lenadelta aan de
+Siberische kust kunnen bereiken. ’s Avonds zongen de matrozen bij de
+klanken der harmonica.
+
+De Long gaf zijn mannen zes dagen den tijd om zich gereed te maken voor
+het opbreken. De booten werden op de grootste sleden vastgesnoerd en
+met tenten, kisten proviand en de overige bagage gevuld. Logboeken,
+aanteekeningen en kaarten verloor de kapitein niet uit het oog. Niemand
+mocht overbodige en al te zware zaken medenemen; elk pak mocht niet
+meer bevatten dan twee vilten dekens, twee paar kousen, ondergoed,
+wanten, twee mutsen, schoenen om te verwisselen, een sneeuwbril, een
+pak tabak met een pijp en lucifers en enkele kleinigheden. Toen alles
+tot den afmarsch gereed was, telde men 28 man en 23 honden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+13. DOOR DE IJSWOESTIJN.
+
+
+Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg
+met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn
+nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd
+halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De
+sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw.
+Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage
+gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de
+onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten
+en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten
+herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te
+brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie.
+Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen
+en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden
+trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met
+geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een
+week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen,
+driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het
+Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden
+zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit
+vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het
+slechts aan de officieren toe.
+
+Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat
+gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open
+water te bereiken.
+
+Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben,
+een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch
+vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog
+hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde.
+Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk
+uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag
+werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk.
+
+Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot
+verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats.
+Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge
+onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood
+geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich
+echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op
+welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun
+meester—tot het einde.
+
+Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en
+manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den
+kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man
+op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann,
+Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees.
+
+Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville.
+Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde
+en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder
+commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman.
+
+Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven.
+Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog
+verliezen.
+
+Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over
+de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten
+in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het
+ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op
+het eiland Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden
+behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige
+hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen
+werd bezocht.
+
+Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de
+zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op
+zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten
+wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en
+al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te
+slaan.
+
+Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar
+nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den
+September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren
+door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een
+rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag.
+
+De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun
+krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren.
+Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te
+gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het
+meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men
+moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd
+kilometer.
+
+De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver
+gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs
+gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om
+het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos.
+Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren.
+Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts.
+
+De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven
+rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het
+bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het
+vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of
+stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over
+de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog
+in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, verstijfd
+van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde
+handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit
+naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den
+storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag
+sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de
+woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien!
+
+Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind
+en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het
+oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht
+uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren
+zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur
+konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich
+neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen
+later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het
+eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long
+gebleven?
+
+
+
+
+
+
+
+
+14. DE DOODENMARSCH VAN DE LONG.
+
+
+Ofschoon verscheidene jaren verloopen zijn, sedert den tocht over de
+ijszee, weet men nu nog niet, wat er geworden is van de boot van Chipp.
+Ongetwijfeld heeft hij nooit land gezien en is in den storm ten gronde
+gegaan. Maar De Long heeft zijn manschappen tenminste op vast land
+gebracht. Wel verloor zijn boot in den eersten stormnacht mast en
+zeilen, maar die werden door drie riemen vervangen. Den morgen van den
+13den September zag hij de andere booten niet weer, maar daarvoor kwam
+den volgenden dag land in het gezicht. Het was een vlak strand en nieuw
+gevormd ijs maakte het aan land komen moeielijk. Twee dagen later
+roeiden zij, halfdood van koude en afmatting zoo dicht langs het strand
+als maar eenigszins mogelijk was en boegseerden toen de boot zoover op
+het ijs, dat ze niet meer van de plek ging. Den volgenden dag droegen
+zij hun zaken aan land, waarbij zij eenige honderden meters ver, op den
+langzaam stijgenden oever, door het water moesten waden.
+
+Hier bleven zij twee dagen, om uit te slapen en hun bagage te regelen.
+Drijfhout, dat de Lena uit de wouden van Siberië naar de zee sleept,
+lag overal in het rond. De voeten van den matroos Erikson waren
+bevroren, hij moest op een handslede worden getrokken. Er waren nog
+levensmiddelen voor vijf dagen, waaronder de laatste der veertig
+honden. Nog altijd waren de vrachten voor ieder afzonderlijk te zwaar,
+want De Long kon zijn logboeken niet achterlaten, en behalve hun
+ransels moesten zij nog tenten, geweren en munitiekisten meesleepen.
+
+Toen de eerste vijf dagen voorbij waren en de troep eenige mijlen in
+zuidelijke richting had afgelegd, schoot de Indiaan twee rendieren, die
+de manschappen voor den eerstvolgenden tijd redden. Nu marcheerden zij
+negen dagen, totdat een breede rivierarm hen tot staan bracht. De
+toestand van Erikson verergerde en op zekeren nacht bevroor zijn hand.
+Daarom moest men den marsch afbreken en zich den 6den October een
+rustdag gunnen. De nood was reeds tot het hoogste gestegen. Om den
+honger der lieden te stillen, moest reeds de hond geslacht worden. Den
+volgenden dag stierf de zieke matroos en was nu niet meer tot last
+zijner kameraden. Door een wak in het ijs werd hij in de rivier
+neergelaten. De Long sprak boven het graf de voorgeschreven gebeden en
+drie geweersalvo’s werden afgevuurd. Het sneeuwde hevig, en zoo spoedig
+mogelijk snelde men weer voor den heftigen stormwind in de tenten
+terug. Het was onmogelijk bij dit weer te loopen, daarom moest men
+opnieuw wachten, en de rest van het vleesch van den hond werd ’s avonds
+uitgedeeld. Dan rolden zij zich allen als egels in elkaar, om beter
+warm te kunnen blijven.
+
+Den volgenden morgen besloten zij toch liever den sneeuwstorm te
+trotseeren dan stilliggend te verhongeren! Een geweer en een
+schriftelijk met zorg ingepakt bericht over de lotgevallen der
+„Jeannette” werden achtergelaten. De bagage bestond nu behalve kleeren,
+die men droeg, slechts uit de logboeken, een tent en twee geweren.
+
+Maar de krachten der reizigers namen snel af, daar zij verder niets
+meer hadden om te gebruiken dan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds
+warm water met een paar druppels spiritus. De nood was tot het uiterste
+gestegen. Na de godsdienstoefening op den Zondag van 9 October, riep De
+Long de twee sterkste matrozen, Nindermann en Noros bij zich en vroeg
+hun of zij vooruit wilden gaan om hulp te zoeken. Zij verzochten
+dadelijk te mogen gaan. De kapitein gaf hun een kaart van den
+benedenloop van de Lena, opdat zij zich konden oriënteeren en ried hen
+aan op den linker oever te blijven, omdat er daar slechts dorpen en
+drijfhout waren. Het eene geweer en vijftig patronen mochten zij
+medenemen. Indien het hun gelukte binnen anderhalven dag een rendier te
+schieten, moesten zij daarmede terugkeeren. Na een aandoenlijk afscheid
+begaven zij zich op weg, een driewerf hoera werd den padvinders door de
+achterblijvenden nageroepen.
+
+Het was niet de eerste keer dat de matroos Nindermann op zulk een
+avontuur uittrok. Hij was een der deelnemers van de Polaris-Expeditie
+geweest, in de zeeëngte van Noord-West-Groenland. Het schip „Polaris”
+was ook in het ijs bekneld geweest en in een donkeren nacht van het
+jaar 1873 hadden twee geweldige schotsen het uit het ijs opgeheven.
+Daar men het ergste kon verwachten, werden boeken en levensmiddelen op
+een drijvende ijsschol gebracht, die in den heftigen storm scheurde.
+Negentien menschen, waaronder negen Eskimo’s en de matroos Nindermann
+dreven nu op grootere en kleine schotsen in de ondoordringbare
+duisternis op de verwoede zee rond. Veertien mannen waren nog aan
+boord. Tot hen terug te keeren, daaraan viel niet te denken en toen de
+„Polaris” uit het gezicht der schipbreukelingen was verdwenen,
+verzamelden zij zich op een groot ijsveld, waar zij hutten uit sneeuw
+en ijs bouwden, en hun voorraden opstapelden. Op dit ijsveld dreven zij
+acht maanden lang in zuidelijke richting. Maar met ontzetting bemerkten
+zij in den loop van het voorjaar hoe de bodem onder hun voeten in
+omvang afnam; de branding brak heele stukken uit het ijs en knaagde er
+aan, aan alle kanten. Reeds waren zij langs Kaap Farewell naar het
+Zuiden gedreven, toen zij geheel uitgeput door een schip werden gered!
+Ook de veertien op de „Polaris” mochten hun vaderland terugzien.
+
+Nu jaren later, stond weer het leven op het spel. Met zijn kameraad
+Noros snelde Nindermann in zuidelijke richting. Een kudde rendieren,
+die zij op een heuvel staande, zagen, speurden de vreemdelingen echter
+en gingen in wilde vaart op de vlucht. De sneeuwstorm joeg hen juist in
+het gezicht en ’s avonds moesten zij, daar er geen beschutte plek te
+vinden was, met de hand een gat in de sneeuw graven, waar zij inkropen.
+Gedurende den nacht hoopte de sneeuw zich zoo voor hun schuilplaats op,
+dat zij er ’s morgens ternauwernood meer uit konden komen!
+
+In hetzelfde stormweer ging het verder. Stap voor stap drongen zij,
+tegen den wind vooruit, zonder te kunnen opzien. Tegen den avond zagen
+zij een kleinen heuvel voor zich, die een verlaten hut bleek te zijn;
+hier staken zij vuur aan. Den volgenden nacht brachten zij in een
+onoverdekt hol door, waar zij bijna bevroren. Een dag later stieten zij
+op een tentvormige hut, waar twee rottende visschen en een paling
+lagen. Hier bleven zij zes en dertig uur om krachten te verzamelen. Den
+15den October kwamen zij door den storm niet verder, brachten den nacht
+in een hol door en gebruikten voor ontbijt bast van wilgen en reepen
+van de broek van robbenvel van Noros. Daarna gingen zij de bevroren
+Lena over en overnachtten in een kloof om den volgenden nacht weer naar
+den westelijken oever terug te keeren en voor den nacht in een grot
+beschutting te zoeken, waar zij echter geen hout vonden om vuur aan te
+steken. Zij waren geheel wanhopend. Met loome schreden vervolgden zij
+den 19den October hun tocht op het ijs van de Lena, vast besloten om op
+handen voeten te kruipen, als zij niet meer zouden kunnen loopen. Zij
+hadden tweehonderd kilometer afgelegd zonder hulp te vinden. Den avond
+van dien dag ontdekten zij drie hutten en vonden hier niet alleen
+onderkomen maar ook redding. In de eene hut lag een kleine voorraad
+gedroogde visch, en een slede, die voor de deur stond, leverde
+brandhout. Nadat zij twee dagen rust hadden genomen, wilden zij verder
+trekken, maar zij waren nog te vermoeid, zoodat zij nog een paar dagen
+moesten blijven. Den 22sten October, toen zij juist op het punt waren
+eten te koken, klonk buiten voor de deur een ongewoon geraas.
+Nindermann keek tersluiks naar buiten en kwam dadelijk terug om zijn
+geweer te halen. Hij had twee rendieren gezien. Toen hij zacht de hut
+wilde verlaten, stond op den drempel—een mensch, een Toengoes!
+
+Toen de inboorling de twee uitgemergelde vreemdelingen zag en het
+geweer in de hand van den een, geloofde hij, dat zijn laatste uurtje
+was geslagen, viel op de knieën en smeekte om genade. Nindermann wierp
+het geweer in den hoek, klopte den man vriendelijk op den schouder en
+beproefde hem te kalmeeren; spoedig begreep de Toengoes ook, dat de
+twee niets tegen hem in het schild voerden. Hij zag, dat zij in den
+grootsten nood verkeerden, en zij beproefden hem door teekens duidelijk
+te maken, dat zij schipbreukelingen waren, dat zij dringend voedsel
+noodig hadden, en verder noordelijk kameraden hadden achtergelaten. De
+Toengoes kon hen echter niet meer geven dan een paar laarzen van vellen
+en de huid van een rendier!
+
+Na een poosje stak hij drie vingers in de hoogte en ging naar zijn
+rendierslede. Dat moest zeker beteekenen, dat hij na drie dagen terug
+komen en hulp brengen zou. Voordat de twee matrozen er aan dachten, was
+hij met zijn voertuig vertrokken en zij hadden weldra spijt, dat zij
+hem hadden laten gaan. Maar den volgenden dag kwam hij al weer terug
+met twee stamgenooten en verscheidene sleden en bracht pelzen, laarzen
+en bevroren visch mede. De half uitgehongerde mannen aten nu eindelijk
+weer, trokken de nieuwe, warme kleeren aan en waren nu buiten gevaar.
+
+En toch was het voor hun nagedachtenis in de dikwijls treurige, bijna
+altijd roemrijke en nu en dan schitterende geschiedenis der poolreizen,
+misschien beter geweest, als zij dien Toengoes niet meer teruggezien
+hadden. Dan zouden zij toch gedwongen zijn geweest, hun marsch naar het
+Zuiden voort te zetten en waren er waarschijnlijk levend afgekomen.
+Want tot het naaste Toengoesche dorp waren nog slechts vijftig
+kilometer. De Long en zijn kameraden waren weliswaar verloren geweest,
+maar Nindermann en Noros hadden dan tenminste alles gedaan, wat van hen
+verwacht had kunnen worden. Hadden zij zich, in het ergste geval door
+bedreigingen, een slede met een half dozijn rendieren, die buiten in de
+sneeuw voor de hut stonden te trappelen, toegeëigend, om den weg, dien
+zij gekomen waren terug te rijden, dan waren zij nog ter rechtertijd
+gekomen, om de meeste makkers van De Long te redden! Zij wisten, dat
+hun kameraden, toen zij veertien dagen tevoren hen verlieten, leer en
+bast van wilgen aten, en het werd hoog tijd hun rendierenvleesch te
+brengen! Maar ze keerden niet terug, doch vergezelden de Toengoezen op
+hun weg naar het Zuiden—en daarna was het te laat!
+
+Maar toch moet men zich wachten de beide dappere matrozen maar kortweg
+te veroordeelen. Zij hadden in elk geval wonderen verricht en zij waren
+door den langen strijd voor hun levensbehoud gedurende vier maanden,
+sedert den dag waarop de „Jeannette” in de diepte wegzonk, uitgehongerd
+en geheel uitgeput. Daarbij de voortdurende spanning dag en nacht! Een
+derde winter naderde, dien zij nog dichter bij de Noordpool hadden
+moeten doorbrengen dan de twee vorige. Onverschilligheid en stompheid
+van geest moeten zich van hen hebben meester gemaakt, en dat moet hun
+ter verontschuldiging strekken. Uit zulk een toestand herstelt men niet
+in een dag en juist de onbeperkte voorraad levensmiddelen was voor hen
+een gevaar. Na zoo lang hongerlijden konden zij het eten niet meer
+verdragen en werden daardoor nog meer uitgeput.
+
+Genoeg, te middernacht namen zij, goed ingepakt, plaats op de sleden en
+joegen met de Toengoezen naar een dorp, dat uit twee groote tenten en
+tien bewoners bestond. Deze bezaten 75 rendieren en 30 sleden. In de
+eene tent stond een ketel met versch rendierenvleesch te koken en de
+mannen werden uitgenoodigd toe te tasten. Houten schalen werden voor
+hen gevuld met vette vleeschpap, waarbij thee werd gedronken. Daarna
+spreidden de vriendelijke Toengoezen warme, zachte rendiervellen op den
+grond uit; zulk een nacht hadden de twee sinds maanden niet beleefd!
+
+Den volgenden dag reden de Toengoezen en hun beide gasten in een aantal
+sleden naar een ander dorp, waar zij den 25sten October aankwamen. Nu
+pas dacht Nindermann aan den kapitein en zijn ongelukkige makkers en
+ofschoon hij geen woord met de Toengoezen kon spreken, beproefde hij
+toch, hun den stand van zaken duidelijk te maken. In een tent lag een
+kleine boot, een stuk speelgoed. Hij zette er masten op. Daarna sneed
+hij drie kleine booten, die de drie booten der „Jeannette” moesten
+voorstellen. Met twee brokken ijs wees hij nu hoe het schip in elkaar
+was gedrukt en vergaan en de manschappen zich in de kleine booten aan
+land hadden gered. Zestien maal strekte hij zich op den grond uit,
+sloot de oogen en stond weer op, om de Toengoezen te doen begrijpen,
+dat zestien nachten verloopen waren, sedert hij zijn makkers had
+verlaten!
+
+De inboorlingen knikten bij deze gebarentaal, en wisselden met elkaar
+onverstaanbare woorden. Maar hoe ijverig de matrozen hen dezelfde
+geschiedenis telkens ook weer voordroegen, men scheen ze niet te
+begrijpen of wilde ze misschien ook niet begrijpen, omdat de Toengoezen
+de woeste toendra in den wintertijd ook vreesden. Eindelijk begon
+Nindermann in zijn wanhoop te schreien. Zij beproefden hem te troosten,
+klopten hem op de schouders en trokken een medelijdend gezicht.
+
+Den volgenden dag verscheen een banneling, Kusma genaamd. Hij was
+intelligenter dan de Toengoezen en werd door Nindermann goed
+ondervraagd. Elf verdwaalde mannen! Dat scheen hij te begrijpen en
+beproefde nu van zijn kant Nindermann te doen begrijpen, dat zij reeds
+gered waren! Maar Kusma dacht, dat Nindermann sprak over den troep van
+Melville, die eveneens uit elf man bestond en zoo nam hij de twee
+matrozen mede naar Boeloen, waar zij den 2den November weer samenkwamen
+met Melville en zijn manschappen.
+
+Toen Melville hen naar De Long vroeg, begonnen zij hard te snikken en
+smeekten hem, hen weer naar het Noorden te laten trekken. Maar hij vond
+er hen te zwak voor en begaf zich alleen op reis. Hier en daar vond hij
+achtergelaten voorwerpen van de manschappen van De Long, een vlag,
+instrumenten en de apotheekkist. Hij was dus op het juiste spoor, maar
+kon door de hooge sneeuw en den onwil der Toengoezen zijn nasporingen
+niet vervolgen. Hiermede werd het lot van De Long en zijn makkers
+beslist!
+
+Een half jaar later, in Maart 1882, werden verschillende afdeelingen
+naar de Lenadelta gezonden, om nasporingen in het werk te stellen.
+Melville begaf er zich ook weer heen, en nu vond men spoedig acht man
+van den troep van De Long, die door honger en koude waren omgekomen. De
+laatste kampplaats lag geheel onder de sneeuw; de hand van den kapitein
+zag men slechts uit de sneeuw steken, alsof hij de zoekenden de juiste
+plaats had willen wijzen! Hij zelf, dr. Ambler, Collins, de Chinees en
+de matrozen waren gedeeltelijk bedekt door de tent. Tot het laatste
+oogenblik hadden zij blijkbaar beproefd het kampvuur aan te houden. De
+koude moet hen ontzettend hebben gemarteld; van twee waren handen en
+kleeren geschroeid, zoo dicht waren zij bij het vuur gekomen. Gemarteld
+door den honger, hadden ze hun laarzen van vellen stuk gesneden en de
+stukjes in gloeiende kolen geroosterd. Het gelaat van Collins was met
+een doek bedekt, welke De Long en dr. Ambler daar stellig nog over
+hadden gelegd. Het dagboek van den kapitein lag naast een potlood op
+den grond; hij had het gebruikt, tot het oogenblik, waarop hij de
+kracht miste het in den zak te steken!
+
+Dit dagboek vertelde, dat men op 9 October het spoor van Nindermann en
+Noros was gevolgd. De krachten begaven de manschappen echter hoe langer
+hoe meer. Voetje voor voetje sleepten zij zich voort. Zij kookten soep
+van wilgentakken.
+
+„Ik hoop toch nog op Gods hulp en geloof niet, dat het Zijn plan is,
+ons van honger te laten omkomen,” schreef De Long nog in zijn dagboek.
+
+Tweemaal teekende hij op, dat de Indiaan een sneeuwhoen had geschoten,
+dat zij onder elkaar hadden verdeeld.
+
+Op een andere plaats staat: „Niets te eten, maar wij zijn nog vol moed.
+O God, help ons!”
+
+Den 11den October: „Onmogelijk verder te komen, geen brandhout.”
+
+Den 13den October: „Wij kunnen niet tegen den wind op, en hier blijven,
+wil zeggen van honger omkomen.”
+
+Een matroos bezweek. De kapitein bidt het Onze Vader bij het lijk. „Een
+nacht van ontzettenden sneeuwstorm!”
+
+Zondag, den 16den: „Alexis (de Indiaan) kan niet meer, is aan het einde
+zijner krachten. Godsdienstoefening.”
+
+Den 17den: „Alexis ligt op sterven. De dokter doopt hem. Ik houd met
+den zieke een godsdienstoefening. Collins wordt vandaag veertig jaar.
+Alexis stierf bij zonsondergang van honger en uitputting. Wij dekten
+hem onder de tent toe met een vlag.”
+
+Twee dagen later snijden zij de halve tent stuk om met de reepen hun
+voeten in te wikkelen.
+
+Den 21sten lag een der matrozen dood tusschen hen. In den middag stierf
+een tweede matroos. Niemand had de kracht meer de lijken te begraven;
+ze werden naar buiten gebracht, opdat men hen niet meer behoefde te
+zien.
+
+Den volgenden Zondag was de godsdienstoefening heel kort, daarna werd
+brandhout gezocht voor den nacht.
+
+Den 24sten October: „Een grimmig koude nacht.”
+
+Daarna twee dagen geen woord.
+
+Den 27sten schrijft De Long over een matroos, die op sterven ligt en
+den volgenden dag, dat hij dood is.
+
+Den 29sten sterft weer een matroos.
+
+Den 30sten October, 140 dagen na den ondergang der „Jeannette”, wordt
+geen godsdienstoefening meer gehouden.
+
+De laatste woorden, die De Long schreef, voordat het potlood aan zijn
+hand ontglipte, luidde: „Boyd en Cortz stierven vannacht, Collins ligt
+op sterven.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+15. FRIDTJOF NANSEN.
+
+
+Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid
+van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte
+voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij
+zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan
+omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de
+handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de
+„Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en
+eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen!
+Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg
+afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk
+voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool
+gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der
+Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te
+landen.
+
+Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde
+maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de
+Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van
+Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele
+Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee
+ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van
+de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten
+drijven!
+
+Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist
+opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen waren met
+ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden
+verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen
+gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger
+het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog
+geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder
+drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de
+overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar
+men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee,
+weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool
+noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de
+wetenschappelijke resultaten.
+
+Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de
+twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat
+bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen!
+
+Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de
+kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen
+geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland
+van de west- tot de oostkust doorkruist.
+
+Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar
+medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische
+IJszee.
+
+Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg
+daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg
+slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich
+dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat
+in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen
+totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de
+minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen
+van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid
+hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze
+voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam
+verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken
+houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en
+leidde aan boord een heel gezellig leven.
+
+Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in
+’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel
+donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken.
+Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met
+de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over
+blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich
+vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze
+hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve
+aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug
+medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de
+uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo
+goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten
+kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen
+zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon,
+ze te slaan.
+
+Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der
+trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door
+ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden
+in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook
+jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon
+zagen, blaften zij er woedend tegen.
+
+Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden
+in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier
+niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond
+nog niet bereikte.
+
+Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad
+werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de
+grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den
+20sten Februari.
+
+Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke
+gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge
+honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de
+winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon
+hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote
+vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en
+wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op zekeren
+dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig
+geheel leeggeloopen.
+
+Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met
+hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke
+richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen
+haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen
+gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen,
+met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een
+onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een
+oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen.
+
+„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide
+Nansen.
+
+Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk
+voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de
+Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een
+stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk
+dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt,
+en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen
+sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot
+of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak
+voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een
+petroleumstel,—alles werd gepakt.
+
+Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd
+onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond
+kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote
+ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij
+het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog
+gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna
+verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur
+van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak
+de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek
+verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen.
+En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het
+gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te
+voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht.
+
+Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd
+weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken
+Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was
+een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest.
+Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun
+trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien?
+
+
+
+
+
+
+
+
+16. OP SNEEUWSCHOENEN EN MET HONDENSLEDEN NAAR DE NOORDPOOL.
+
+
+De beide koene reizigers hadden, bij het aanvaarden van hun tocht naar
+de Noordpool, drie sleden en acht en twintig honden bij zich. Op
+sneeuwschoenen loopend bestuurden ze hun hondespannen. Aanvankelijk
+konden ze op het effen terrein vlug vooruit komen; maar gaandeweg werd
+de ijsvlakte hobbelig, zoodat ze slechts weinig opschoten.
+
+Na twee dagmarschen steeg de koude tot drie en veertig graden, en in de
+kleine zijden tent was ’t meer dan frisch. Maar toch legden ze
+dagelijks negen uur af, en onder het gaan bemerkten ze niets van de
+koude; het eenige, waarvan ze last hadden, was, dat de uitwaseming van
+hun lichaam in hun kleederen bevroor, die zoodoende tot een pantser van
+ijs werden, dat bij elken stap kraakte. Door de voortdurende wrijving
+tegen de stijfbevroren mouwen kwamen er aan Nansen’s polsen bloedende
+wonden, die pas in den herfst genazen.
+
+Om te kampeeren kozen ze altijd een voor den wind beschutte plek op het
+ijs. Johansen zorgde voor de honden en gaf hun te eten, terwijl Nansen
+de tent in gereedheid bracht en den ketel met stukken ijs vulde. Het
+avondeten was voor beiden een feest, waarnaar ze den geheelen dag met
+verlangen uitzagen, daarbij werden ze tenminste inwendig eens flink
+warm; na afloop van het eten kropen ze vlug in hun slaapzak, dan
+ontdooiden hun bevroren kleederen en de slapers lagen den geheelen
+nacht in druipnatte omslagen en droomden van slede en hondespannen.
+Eenmaal riep Johansen des nachts in zijn slaap: „Vooruit, rakkers,
+vort, vort! Halt, daar kantelt de sleê!”
+
+In de barre koude van den aanbrekenden dag stonden ze weer op, dreven
+de honden op, die, van de koude jankend, ineengerold in de sneeuw
+lagen, haalden de teugels uit de war, laadden de sleden weer op, en dan
+ging ’t weer verder, de verlaten eenzaamheid in.
+
+Maar al te vaak was ’t ijs ontzettend slecht; de sleden raakten vast,
+moesten gedragen, of over oneffenheden en spleten voortgeschoven
+worden: een inspannenden tocht. Maar, één breedte graad was reeds
+doorworsteld.
+
+Dikwijls waren ze zoo uitgeput, dat ze onder het loopen bijna
+insliepen, terwijl de honden zich met moeite voortsleepten. Ook dezen
+werd de voortdurende inspanning langzamerhand te machtig. Twee moesten
+er geslacht worden en werden hun kameraden als ontbijt voorgezet; maar
+er waren er die zulk een maal niet wilden aanroeren.
+
+Toen het ijs voortdurend slechter werd en de witte woestenij zich
+onafzienbaar naar het Noorden uitstrekte, besloot Nansen van het
+bereiken van de Noordpool af te zien, en, al was ’t ook met een
+bezwaard gemoed, om te keeren. Terug naar de „Fram” was onmogelijk;
+alle sporen waren door sneeuwstormen uitgewischt. Het eenige wat er op
+zat, was, de richting in te slaan naar de barre eilandengroep, die den
+naam draagt van Frans Jozefs-land. Maar—dat was een afstand van
+zevenhonderd kilometer en de proviand begon al op te raken.
+
+Gelukkig was het voorjaar in aantocht, zoodat de kans bestond, dat ze
+wel eenig wild zouden weten te bemachtigen. Ze hadden twee geweren met
+honderdtachtig scherpe en honderd vijftig losse patronen. Voor de
+honden zag het er heel wat bedenkelijker uit; die moesten van
+lieverlede elkaar tot voedsel dienen.
+
+Zoo aanvaardden dus Nansen en Johansen den 8sten April den terugtocht,
+nadat ze tot 86° 4′ voortgedrongen waren, en zetten over vrij goed ijs
+met lange marschen koers naar Frans Jozefs-land. Op zekeren dag zagen
+zij een balk uit het ijs steken. Welke wonderlijke lotgevallen zou dat
+stuk hout wel beleefd hebben sedert het van den boomstam afgezaagd was!
+Tegen het einde van April teekende zich het spoor van twee vossen in de
+sneeuw af. Was er land in de nabijheid, of wat hadden die dieren hier
+in deze ijszeeën te zoeken? Twee dagen later werd de eerste hond, de
+„gele” opgeofferd. Op de „Fram” geboren, had hij gedurende zijn
+kortstondig leven nog nooit iets anders dan ijs en sneeuw gezien.
+
+Open water, waarin de zon zich spiegelde, glinsterende golven!
+
+Hoe heerlijk, dat geluid van de golfjes, die tegen den ijsrand
+kabbelden! Het was den beiden reizigers als een voorbode van voorjaar
+en zomer, als een groet van de groote zee, de weg naar het vaderland!
+Nieuwe sporen van vossen wezen op de nabijheid van land, en dagelijks
+keken beiden er verlangend naar uit. Maar, nog drie lange maanden
+moesten verloopen, voordat ze het eerste eiland zouden bereiken!
+
+In het begin van Mei waren er nog slechts zeventien honden in leven. Nu
+deed de lange zomerdag zijn intrede in het poolgebied, en het was bijna
+niet meer uit te houden van de warmte—want het vroor nog slechts elf
+graden! Maar het ijs was afschuwelijk! Onophoudelijk moesten de sleden
+over diepe spleten of over hooge ijsdammen heen geschoven worden, en de
+beide mannen strompelden na deze zware inspanning uitgeput op hun
+sneeuwschoenen verder. De honden hadden het, naarmate hun aantal
+geringer werd, niet minder hard te verantwoorden, en de proviand slonk
+bedenkelijk.
+
+Toen werden ze door een hevigen sneeuwstorm gedwongen om een dag halt
+te houden. Een slede werd opgeofferd en de stukken van gebroken
+sneeuwschoenen werden aan de vlammen van een heerlijk vuur prijs
+gegeven. Voor elk der beide overgebleven sleden waren nu nog zes honden
+over.
+
+Eindelijk, op het einde van Mei, kwamen Nansen en zijn tochtgenoot in
+een streek, die door open water in alle richtingen werd doorsneden;
+daardoor werd hun voortgang aanmerkelijk vertraagd. Maar nu vertoonden
+zich ook levende wezens. De grijze rug van den otter dook op boven het
+staalblauwe water; de zeehond ging uit op de vischvangst, en sporen van
+ijsberen wekten het verlangen naar versch vleesch! Vaak snelde Nansen
+op zijn sneeuwschoenen ver vooruit, om te zien, waar de weg het beste
+was; dan bleef Johansen bij de sleden achter. Wanneer het al te lang
+duurde, dan bekroop hem wel eens een gevoel van vrees, of niet soms
+zijn makker een ongeluk overkomen zou zijn. Hoe het dan den
+achtergeblevene zou vergaan, geheel alleen in die eindelooze woestenij,
+daaraan moest men maar liever niet denken!
+
+Juni brak aan, en het gekrijsch der meeuwen weerklonk door de lucht. De
+beide mannen bleven een week lang in hun kamp om hun kajaks zeevaardig
+te maken. Ze hadden nog voldoende brood voor een maand, en er waren nog
+zes honden in leven. Toen er nog slechts drie over waren, moesten ze
+zichzelf voor de sleden spannen.
+
+In een lange, breede kreek lieten ze de kajaks te water, bonden de
+sneeuwschoenen aan elkaar en roeiden langs den zoom van het ijs.
+Daarbij schoten ze twee zeehonden en drie ijsberen en waren nu voor
+langen tijd voorzien van vleesch. Ook de beide laatste honden konden nu
+weer eens volop eten krijgen.
+
+Eindelijk vertoonde zich in het Zuiden het land, waarnaar ze
+reikhalzend hadden uitgezien, en nu ging het snel daarop af; voor elke
+slede een man en een hond. Eenmaal moesten ze met de kajak een kreek
+oversteken. Nansen stond reeds op den rand van het ijs, toen hij achter
+zich Johansen hoorde roepen:
+
+„Vlug de geweren!”
+
+Toen Nansen zich omkeerde, zag hij een grooten beer, die zijn makker
+neergeveld had en bezig was hem te besnuffelen. Snel wilde Nansen zijn
+geweer in de kajak grijpen, maar in hetzelfde oogenblik dreef het
+vaartuig van den kant af, en terwijl hij het terug roeide, hoorde hij
+Johansen doodbedaard zeggen:
+
+„Schiet vlug, of ’t is te laat!”
+
+Toen had hij eindelijk zijn geweer gegrepen en schoot den beer neer.
+
+Vijf maanden lang hadden ze zich zoo over het ijs voortgesleept, toen
+ze in het begin van Augustus vanaf het ijs open water in de buurt van
+de eilanden voor zich zagen. Nu moest de zeetocht beginnen, en de beide
+oudste honden zouden maar onnoodige ballast zijn. Nansen nam Johansen’s
+hond, en Johansen dien van zijn vriend, en twee kogels waren het loon
+voor de trouwe diensten der goede dieren.
+
+Van nu af ging het gemakkelijker en sneller vooruit. De kajaks waren
+aan elkaar gebonden en van mast en zeil voorzien, en zoo voeren ze
+langs onbekende eilanden. Eenmaal dwong een sterke strooming hen om op
+een der beide eilanden aan land te gaan; terwijl ze hun kajaks op het
+land trokken, kwam er een witte beer aandraven, en begon hun spoor te
+besnuffelen. Welkome proviand voor eenigen tijd! Nauwelijks hadden ze
+den beer gevild, of daar plaste een walrus in het water rond, en zwom
+naar de plek, waar reeds twee van zijn kameraden zich in de zon lagen
+te koesteren, en ook hij met de vinnen op den ijsrand gesteund, eerst
+een poos bleef liggen uitblazen. Toen verhief het dier zich langzaam
+uit het water en kroop naar zijn makkers toe; maar dezen wilden eerst
+niets van hem weten en toonden den indringer hun slagtanden, maar per
+slot van rekening lieten ze hem toch met rust. Daar lagen ze drie uren
+lang in roerlooze rust uitgestrekt, terwijl de zeemeeuwen boven de
+golven hun overmoedig gekrijsch deden hooren.
+
+Nansen en zijn metgezel namen hun nieuw domein in bezit, deden een
+onderzoekingstocht over het eiland en keerden toen naar hun
+ijsbeergebraad terug dat hun een ongekend gevoel van verzadigdheid
+verschafte.
+
+Den volgenden dag zochten ze een geschikt verblijf om te overwinteren.
+Maar, daar ze nergens een hol ontdekten, bouwden ze uit steenen een
+kleine hut, waarvan het dak gevormd werd door hun sneeuwschoenen en de
+zijden tent. Aan alle kanten hadden het licht en de wind vrijen
+toegang; maar toch was ’t binnen heel behaaglijk, en de ketel pruttelde
+boven een vuur, gestookt van rauw walrussenspek. Nansen besloot op dit
+eiland te overwinteren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+17. EEN OVERWINTERING.
+
+
+De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden,
+geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans
+Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich
+eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het
+open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van
+mondvoorraad te zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en
+binnenkort zou al het wild verdwenen zijn.
+
+Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut.
+Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een
+aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als
+dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit
+maakte, was de bedekking van het dak ook in orde.
+
+Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een
+ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van
+daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar
+kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar,
+of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een
+doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf
+wilde stooten, verdween hij in de diepte.
+
+Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer
+geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld
+had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik
+van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het
+opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven
+zou bijblijven.
+
+Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit
+naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo
+voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als
+slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op,
+zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar
+de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene,
+witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende
+snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te
+moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de
+eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks.
+Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven
+terug.
+
+In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens
+een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; de beide jongen
+draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een
+ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden
+zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel
+over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het
+zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol
+door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als
+twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en
+Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen
+voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te
+water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge
+beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het
+land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten.
+
+Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En
+bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de
+oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit
+nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij
+dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed
+en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong.
+Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den
+afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de
+poolnacht een aanvang nam.
+
+Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het
+schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen
+gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van
+een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen
+korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond
+uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd
+en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het
+materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het
+geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar
+boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke
+gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den
+afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de
+nieuwe hut, die hun gedurende den geheelen langen winter een veilig en
+behagelijk onderkomen verschafte.
+
+Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde
+poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het
+volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en
+deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad
+en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten
+was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al
+huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen
+van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling,
+dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben
+willen missen.
+
+Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele
+winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en
+verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De
+maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het
+maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde
+het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte
+uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans.
+
+Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de
+kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen
+hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en
+vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur.
+
+Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en
+dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden
+in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op:
+verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste
+delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen
+luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te
+zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude
+dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak
+vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de
+ijsberen in hun hol.
+
+Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar
+stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de beide mannen
+schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard
+waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen
+en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart
+haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig
+graden vorst niet te denken!
+
+Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut,
+aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een
+kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer:
+van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang.
+
+Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten
+van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te
+beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van
+walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand
+opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun
+veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren
+tocht voort te zetten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+18. HET AVONTUUR IN DE KAJAK.
+
+
+De sneeuwstormen loeiden om de beide reizigers heen. Hun tent hadden ze
+prijs gegeven en ’s nachts kropen ze tusschen de sleden, waar ze een
+zeil over heen gespannen hadden. Eenmaal liep Nansen op sneeuwschoenen
+regelrecht het water in, en hij zou stellig verdronken zijn, wanneer
+niet Johansen hem er nog tijdig uitgetrokken had. Het dunne ijs was met
+een laag sneeuw bedekt, en was van water doortrokken: zoo kwam het, dat
+ze slechts langzaam vorderden, want ze moesten eerst begaanbaar ijs
+opzoeken. Reeds begon de proviand weer op te raken, maar gelukkig
+krioelde het in ’t water van walrussen. Vaak waren de dieren, die in
+troepen op ’t ijs lagen, zoo mak, dat Nansen dicht in hun nabijheid kon
+komen om ze te fotografeeren. Zelfs wanneer er een neergeschoten werd,
+verroerden de anderen zich in ’t geheel niet. Slechts wanneer er met
+stokken op los geslagen werd, stonden ze log op, waggelden als eenden
+achter elkaar naar het water en doken met de koppen naar beneden onder.
+
+Eens was het ijs zoo glad, en de wind zoo gunstig, dat Nansen en
+Johansen de zeilen heschen, zich op hun sneeuwschoenen er voor
+plaatsten om te sturen en voort ging het, in suizende vaart, zoodat de
+wind hen om de ooren floot!
+
+Op een anderen keer zeilden ze met samengebonden kajaks en landden op
+een eiland, om ruimer om zich heen te kunnen zien. De kajaks werden aan
+een koord van walrussenhuid vastgelegd. Maar toen ze over het eiland
+ronddwaalden, riep plotseling Johansen:
+
+„Halt! Daar drijven de kajaks!”
+
+Toen snelden ze naar het water, de wind woei krachtig zeewaarts en
+dreef met de kajaks al hun bezittingen weg.
+
+„Hier is mijn horloge!” riep Nansen, gooide snel zijn kleeren uit,
+sprong in het ijskoude water, en zwom de schuiten achterna. Maar deze
+dreven sneller dan Nansen kon zwemmen. Hij voelde reeds dat hij begon
+te verstijven; maar hier te verdrinken was niet erger dan zonder de
+booten terug te keeren! Vooruit dus, met inspanning van alle krachten!
+Toen zijn krachten hem begonnen te begeven, ging hij een poos op zijn
+rug liggen; intusschen liep Johansen in vertwijfeling op het ijs heen
+en weer—maar daar zwom Nansen reeds weer, en ten slotte werd de afstand
+geringer; Johansen uitte een vreugdekreet, en reeds op het punt van te
+zinken, gelukte het Nansen nog juist om een der sneeuwschoenen, die
+buiten de kajuit uitstaken, te grijpen; daaraan klemde hij zich vast en
+kon tenminste een oogenblik op adem komen. Toen heesch hij zich met
+moeite in de boot, en roeide terug, door en door verkleumd. Maar toch
+kwam hij eindelijk aan land; Johansen pakte hem dadelijk in den
+slaapzak, en dekte hem toe met alles wat voorhanden was. Na een paar
+uur geslapen te hebben, was de ijzersterke Nansen weer zoo frisch als
+een hoen, en deed het avondeten alle eer aan. Later bekende Johansen
+dat het de angstigste oogenblikken geweest waren, die hij nog ooit had
+doorgebracht.
+
+Steeds meer zuidwaarts leidde hun weg, dwars door het ijs en de golven.
+Het grootste gedeelte van hun tocht legden zij thans in de kajaks af.
+Op zekeren dag kwam vlak naast Nansen’s kajak, een walrus aan de
+oppervlakte, en had bijna de boot met de beide mannen in het zilte nat
+doen verdwijnen. Toen het dier weer weggezwommen was, voelde Nansen dat
+op den bodem plotseling alles drijfnat geworden was. Zoo vlug als hij
+kon, roeide hij naar de naastbijgelegen ijsvlakte, waar de kajak,
+gelukkig in ondiep water, snel begon te zinken. Om het lek te
+herstellen hadden zij een geruimen tijd noodig.
+
+Nansen’s tocht is een ongeëvenaard feit in de geschiedenis der
+noordpooltochten. Van de honderd en dertig manschappen van den „Erebus”
+en den „Terror” had niet één enkele er het levend afgebracht, hoewel ze
+hun schepen niet verloren hadden, en hoewel ze vlak in de nabijheid
+lagen van land, waar menschen woonden, en waar levend wild in overvloed
+was. De Long was het slachtoffer geworden der ongunstige
+omstandigheden. Deze beide koene Noren daarentegen, hadden het vijftien
+maanden lang in de Poolzeeën uitgehouden, zonder daarbij hun leven in
+te boeten, zonder dat hun ledematen bevroren waren, ja zelfs zonder
+door uitputting en ontberingen te vermageren! Zelfs hadden ze het nog
+wel geruimen tijd langer kunnen uithouden, maar—het oogenblik van hun
+bevrijding was ophanden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+19. NANSEN’S GELUKKIGE TERUGKEER.
+
+
+Den 17den Juli 1896 stond Nansen op een ijsberg naar het krijschen der
+vogels te luisteren, die in wijde kringen om hem heen vlogen.
+Plotseling luisterde hij met gespannen aandacht. Wat was dat? Neen ’t
+was onmogelijk. En toch,—het geblaf van honden. Of was dat een vogel,
+die op zoo bijzondere manier krijschte? Neen, ’t kon onmogelijk iets
+anders wezen, ’t moest het blaffen van een hond zijn! Op een draf ging
+hij naar het kamp terug, maar Johansen meende, dat hij zich stellig
+vergist moest hebben. Nadat ze haastig ontbeten hadden, bond Nansen
+zich de sneeuwschoenen aan, greep geweer, verrekijker en sok, en
+pijlsnel vloog hij over de sneeuwvlakte voort.
+
+Weldra ontdekte hij het spoor van een hond. Of zou het misschien toch
+van een vos zijn? Maar neen, van een vos is het spoor veel kleiner. Nu
+ging het in vliegende vaart over het ijs landwaarts. Daar treft een
+stem Nansen’s oor, en hij roept met al de kracht van zijn longen,
+terwijl hij over scheuren en dammen heensnelt, want nu was de redding
+nabij, en wie weet hoe spoedig men weer in het vaderland terug zou
+zijn!
+
+En werkelijk—daar komt, luid blaffend een hond op hem toespringen, en
+daarachter komt een man. Nansen snelt op den man toe, en beide zwaaien
+met hun mutsen. Wie ook die vreemdeling mocht wezen, hij kon niet
+anders doen dan dien pikzwarten reus, die daar regelrecht van de
+Noordpool op hem afkwam, sprakeloos aanstaren.
+
+Nu stonden beiden tegenover elkaar, en reikten elkaar de hand.
+
+„’t Doet me bijzonder veel genoegen u te zien,” sprak de vreemdeling.
+
+„Dank u, mij eveneens,” antwoordde Nansen.
+
+„Hebt u hier een schip?”
+
+„Neen, mijn schip is hier niet.”
+
+„Met z’n hoevelen bent u?”
+
+„Ik heb slechts één tochtgenoot, daarginds op het ijsplateau.”
+
+De vreemdeling was een Engelschman, Frederick Jackson genaamd; hij had
+zich reeds sedert twee jaren op het Frans Josefs-land gevestigd,
+teneinde dat land met een goed uitgeruste expeditie grondig te
+onderzoeken. In het eerst meende hij, dat deze zwarte gedaante op
+sneeuwschoenen tot de bemanning van de „Fram” behoorde, en verdwaald
+was. Maar toen hij hoorde dat Nansen in eigen persoon voor hem stond,
+steeg zijn verbazing nog meer.
+
+Beiden begaven zich naar de woonplaats van Jackson, waar ook Johansen
+zich na korten tijd bij hen voegde. Het eerste wat de beide Noren
+deden, was, zich het zoo lang ontbeerde genot van een grondige
+reiniging met heet water te verschaffen. Ze bewerkten hun lichaam met
+groene zeep en harde borstels om tenminste het vuil, dat nog niet in de
+poriën doorgedrongen en op het lichaam vastgekleefd zat, kwijt te
+raken. Toen lieten ze zich scheren en de haren knippen, en toen ze van
+top tot teen in schoone kleeren gestoken waren, zagen ze er tenminste
+weer eenigszins als gewone menschen uit.
+
+In den loop van den zomer kwam een schip om Jackson zijn gewone
+proviand te brengen. Daarmee voeren Nansen en Johansen naar huis. Reeds
+in Bardö ontvingen ze telegrammen van hun verwanten, en hun vreugde was
+grenzenloos. Slechts één ding was er nog waarover ze zich bezorgd
+maakten: waar was de „Fram?”
+
+Het was te Hammerfest, toen Nansen ’s morgens uit den slaap gewekt
+werd. Er stond iemand aan de deur, die hem dadelijk wenschte te
+spreken. Nu, zoolang totdat hij zich aangekleed had, zou die persoon
+nog wel kunnen wachten, meende Nansen. Toen hij klaar was, ging hij
+naar buiten. De directeur van het telegraafkantoor stond in hoogsteigen
+persoon voor hem.
+
+„Ik heb een telegram voor u, dat u ongetwijfeld genoegen zal doen,”
+zeide deze.
+
+Nansen maakte het telegram open en las: „„Fram” heden veilig
+aangekomen. Alles wel aan boord. Ga terstond naar Tromsö. Welkom in het
+vaderland.”
+
+De afzender van dit telegram was de kapitein van de „Fram”, de wakkere
+Sverdrup!
+
+
+
+
+
+
+
+
+20. PER LUCHTBALLON NAAR DE NOORDPOOL.
+
+
+Het was den 16den October 1893, toen ik Stockholm verliet om door Azië
+een reis naar het verre Oosten te beginnen. Een deel van mijn
+reisindrukken op dezen tocht heb ik in het eerste deel van dit werk
+weegegeven. Te St. Petersburg, waar ik eenige inkoopen moest doen,
+vertoefde ik in het huis van Nobel, waar ik op zekeren dag het volgend
+telegram ontving:
+
+„Den 19den October streek Andrée’s ballon over de Finsche scheren, en
+werd door den storm de Oostzee ingedreven. Van Sandhamn uit zag men,
+hoe de ballon steeds twintig meter boven het zeewater zweefde.”
+
+Hoe ontzettend! Nauwelijks had Andrée Zweden achter zich gelaten, en de
+woeste Oostzeegolven voor zich, en reeds zou zijn tocht een rampzalig
+einde moeten nemen? Want omringd door herfstnevelen, was er nauwelijks
+eenige hoop op behoud voor hem. Persoonlijk kende ik Andrée niet, ik
+had hem nooit gezien; maar iedereen sprak van hem, want hij had reeds
+negen gevaarvolle tochten gemaakt in de „Svea”, denzelfden ballon, die
+hem thans den dood tegemoet voerde. Zulk een man kon de wereld toch
+niet zoo snel verliezen!
+
+Ik zelf had het grootste vasteland der aarde voor mij. Het was toch
+iets heerlijks, om tenminste vaste bodem onder de voeten te hebben!
+Maar Andrée! De gedachte aan hem liet me geen rust. Sedert eenige jaren
+had hij zichzelf tot een der wakkerste en bekwaamste luchtschippers
+gevormd; zou dan nu reeds zijn loopbaan een einde nemen, nu reeds,
+hoewel hij slechts veertig jaar oud was?
+
+Den volgenden dag kwam er evenwel een tweede telegram:
+
+„Andrée gered. Geland op de Finsche kust. Alles wel.”
+
+Goddank! Nu was ik op mijn reis tenminste van deze zorg ontheven.
+
+Twee jaar na dezen, bijna zoo rampspoedig geëindigden tocht, ontwierp
+Andrée het plan voor een reis, die zich niet tot de Oostzee bepalen
+zou. De geheele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen tot aan de
+Behringstraat wilde hij doorkruisen, een gebied, dat zich over een
+afstand van 3700 kilometer uitstrekte; en zoo mogelijk, wilde hij op
+zijn tocht over de Noordpool heenvliegen! Het was het meest gewaagde
+plan dat nog ooit een ontdekkingsreiziger beraamd had. En Andrée had
+zoo lang en zoo grondig er over nagedacht, dat hij nauwkeurig berekend
+had, hoeveel elke schroef en elk touw van zijn ballon mocht wegen.
+
+De ballon zou vervaardigd zijn van een drievoudige bedekking van
+Chineesche zijde, en zou, zoowel van binnen als van buiten gevernist
+worden, teneinde zoo weinig mogelijk van zijn inhoud van 4500 kubieke
+meters waterstofgas te verliezen. De doorsnede zou twintig meter
+bedragen en van boven zou een extra omhulsel aangebracht worden, dat
+beletten moest, dat de sneeuw zich op het netwerk vastzette.
+
+Lange sleeptouwen zouden den ballon gedurig op dezelfde hoogte houden.
+Ze zouden gemaakt zijn van kokosdraden, zoodat ze op het water konden
+drijven, en zouden veel gemakkelijker over het ijs heenglijden dan over
+het land, waar ze vaak aan boomen, of andere voorwerpen konden blijven
+hangen, en zoodoende den ballon aan menigen gevaarlijken ruk konden
+blootstellen. Wanneer de helft van het sleeptouw op de aarde ligt, en
+de andere helft in de lucht zweeft, dan trekt alleen die laatste helft
+de ballon naar beneden. Zoodra deze daalt, wordt het gedeelte van het
+touw dat op de aarde rust, grooter, de ballon wordt daardoor verlicht,
+en stijgt weer omhoog. Maar de sleeptouwen verhinderen dan weer een al
+te sterke stijging, want hoe langer het touw wordt dat in de lucht
+hangt, des te meer wordt de ballon weer omlaag getrokken. Zoodoende zal
+de ballon, zoo berekende Andrée, steeds op een gelijkmatige hoogte
+blijven zweven.
+
+Maar, de sleeptouwen hebben nog een ander doel. Door hun wrijving aan
+de oppervlakte van het water of van het ijs werken ze als een rem.
+Dientengevolge is de snelheid van den wind grooter dan die van den
+ballon, die niet vrij in de lucht zweeft, maar, om ’t zoo uit te
+drukken, steeds een voet op de aarde heeft. Door het hijschen van een
+zeil aan een der beide kanten kan men dan den ballon eenigszins
+besturen en hem, evenals een zeilschip laten laveeren.
+
+De gondel van Andrée’s ballon bestond uit een teenen korf, en was rond,
+ruim, stevig en licht, voorzien van een dak, waarop de luchtreizigers
+als op een balkon konden staan, tot het doen hunner waarnemingen. Door
+een luik kon men in de gondel afdalen, die voor twee mannen, wanneer ze
+naast elkaar uitgestrekt lagen, plaats bood.
+
+Twee vensters in het dak gaven uitzicht naar buiten. In de zijwanden
+bevonden zich tal van vakjes en zakken, waarin alle mogelijke dingen
+konden opgeborgen worden. Met zes dikke touwen was de gondel aan den
+draagring bevestigd. Acht ballasttouwen, van zeventig meter lang,
+moesten dienen om den schok te breken, wanneer een heftige windstoot
+den ballon tegen de aarde zou slingeren; ze konden ook afgekapt worden,
+zoodra de ballon zooveel gas verloor, dat ze niet meer in staat was om
+te bleven zweven. Al deze touwen wogen te zamen ongeveer duizend
+kilogram.
+
+Andrée’s ballon zou dertig dagen kunnen zweven. Maar wanneer er nu een
+windstilte intrad, of wanneer men door het drijfijs, dat de Pool
+omringde, weer teruggedreven werd? Ook met deze mogelijkheid had Andrée
+rekening gehouden, en hij was erop voorbereid den ballon ergens achter
+te kunnen laten, en den terugtocht over het ijs te aanvaarden.
+
+Daarvoor zouden sleden en sneeuwschoenen, een tent, een opvouwbare
+zeilboot en drie geweren met ammunitie meegenomen moeten worden,
+bovendien voldoende mondvoorraad voor honderd dagen; dit alles was in
+zakken boven aan den draagring geborgen.
+
+Maar hoe zou men zich daarboven in de koude lucht iets warms kunnen
+toebereiden? Daarom werd een bijzonder kooktoestel vervaardigd, dat,
+ter voorkoming van brandgevaar onder aan den ballon zou hangen. Men
+behoefde slechts een blikje met soep, vleesch of visch in den ketel te
+doen, de spirituslamp te vullen en de geheele geschiedenis naar beneden
+te laten zakken; wanneer men aan een bepaald koord trok, dan ontbrandde
+daar een vlam, die men met behulp van een slang weer uit kon blazen,
+wanneer het eten gaar was, en men het toestel weer naar boven trok.
+Teneinde de buitenwereld berichten te kunnen doen toekomen over het
+verloop der reis, zouden dertien boeien van kurk meegenomen worden, die
+van buiten met koperdraad omhuld en van binnen een metalen koker
+bevatten voor het opbergen van brieven. De grootste zou bij aankomst
+van de Noordpool uitgeworpen worden! Bovendien stelde Andrée zich voor
+om rechtstreeks schriftelijke mededeelingen te zenden. Daartoe kocht
+hij ongeveer vijftig postduiven, die vroegtijdig naar den
+noordelijksten vuurtoren aan de Noordkaap gebracht werden; om ze met
+den vorm der kust vertrouwd te maken, bracht men ze eerst op een hoogen
+berg met vrij uitzicht naar alle kanten. Daarna werden ze op
+zeilschepen een eind de zee ingenomen, en daar losgelaten. Eenigen
+vlogen terstond naar hun punt van uitgang terug, anderen sloegen de
+richting naar het Zuiden in, en twee vielen ten prooi van een
+roofvogel. Gedurende de reis zouden de duiven in kleine teenen kooien
+geborgen worden, waarin aluminium bakjes met water en kleine korfjes
+met gerst, erwten en zaad geplaatst waren. Toen men van Spitsbergen
+uit, drie van deze duiven liet vliegen, stegen ze loodrecht in de
+hoogte, bleven daar eenige minuten lang volkomen onbeweeglijk, als om
+het terrein te verkennen, en vlogen toen pijlsnel zuidwaarts. Slechts
+een dezer postduiven werd bij Ofoten op de Noorsche kust opgevangen.
+Maar, dat was een bedriegster, ze was op een stoomboot, die naar
+Noorwegen onderweg was, neergestreken, en toen de kust in ’t zicht was,
+vloog ze weer op en liet zich met den wind naar Ofoten meevoeren.
+
+De brief, dien zulk een duif draagt, moet licht als een veertje zijn om
+het vliegen niet te belemmeren. Hij wordt geschreven op zijde-papier
+en, opgerold, in een waterdichte huls geschoven die met was
+dichtgekleefd en onder de staartveeren van de duif bevestigd wordt.
+
+Zoo had Andrée alles met groote scherpzinnigheid voorbereid. Er was een
+geheel boek geschreven, dat uitsluitend de toerusting tot deze reis
+beschreef. In het begin van Juli, een tijd waarin de zon dag en nacht
+aan den hemel staat, wilde Andrée met twee tochtgenooten de opstijging
+wagen vanuit het Denen-eiland, aan de noordkust van Spitsbergen. In
+dezen tijd van het jaar kon men steeds fotografische opnamen maken
+wanneer men over onbekende eilanden heen vloog. Ook zou de zon de
+temperatuur van het gas op gelijkmatige hoogte houden, en zoodoende zou
+de ballon steeds op ongeveer dezelfde hoogte bleven zweven.
+
+Andrée was vast overtuigd van het welslagen van zijn plan. In het
+gunstigste geval zou alles immers als vanzelf gaan. Op een zijner
+proeftochten had hij den afstand van 400 Kilometer tusschen Gothenburg
+en Gotland in 3 uren afgelegd. Zulk een wind zou hem in negen uren aan
+de Noordpool kunnen brengen, en, zelfs bij matigen wind zou hij in
+hoogstens twee dagen de Pool kunnen bereiken! Wanneer hij op
+Spitsbergen een gunstigen, zuidelijken wind had, dan kon hij, volgens
+zijn vaste overtuiging, wanneer alles meeliep, reeds na acht dagen aan
+de Behringzee, of ergens anders, op de Aziatische of Amerikaansche
+noordkust, kunnen landen!
+
+Maar „de wind blaast waarheen hij wil, en ge hoort zijn suizen wel,
+maar ge weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij henen gaat.” Het
+eenige vaststaande is het feit, dat de wind aan de Noordpool altijd uit
+het zuiden komt! Want aan de Pool komen de meridianen allen in een punt
+te zamen, en wanneer ge aan de Pool staat, dan kijkt ge, wáárheen ge
+het oog ook richt, altijd naar het Zuiden!
+
+
+
+
+
+
+
+
+21. VOOR DE OPSTIJGING.
+
+
+Toen het plan van Andrée’s tocht wereldkundig werd, schoten natuurlijk
+overal de ongeluksprofeten als paddestoelen uit den grond op. In het
+buitenland had men niets dan scherpe woorden, en sprak men van
+onzinnige waaghalzerij. Andrée kon zelf toch wel begrijpen, dat de
+zeevogels daar in het hooge Noorden het omhulsel van zijn ballon met
+hun snavels zouden doorboren, dat hij en zijn tochtgenooten, wanneer ze
+over het bewoonde land heenzweefden door de bewoners met pijlen
+doorschoten zouden worden, en dat ze, indien ze al de Noordpool
+bereikten, daar immers toch van koude zouden omkomen! Sneeuw en ijs
+zouden door hun gewicht het gevaarte omlaag drukken, de sleeptouwen
+zouden tusschen de ijsschotsen verward raken, vastvriezen en zoodoende
+den ballon onbeweeglijk vasthouden.
+
+Alleen in Zweden veroorzaakte het plan eerst verbazing, voorts
+bewondering, en eindelijk geestdrift! Maar—waar zou het geld vandaan
+komen? Er waren voor de verwezenlijking van het plan 130.000 Kronen
+noodig. Alfred Nobel bood aan de helft der kosten voor zijn rekening te
+nemen. Koning Oscar, die alles wat met ontdekkingsreizen in verband
+stond met milde hand steunde, schonk het vierde gedeelte, en de rest
+werd door anderen bijeengebracht.
+
+Toen alles in gereedheid was, reisde Andrée naar Spitsbergen. Op het
+Denen-eiland werd een reusachtige loods gebouwd om den ballon tijdens
+de vulling te beschutten. Op het einde van Juli 1896 was de vulling
+afgeloopen, en nu wachtte men slechts op den zuidenwind.
+
+Maar de wind kwam voortdurend uit het Noorden of uit het Westen. Weken
+verliepen. Mist en sneeuw maakten de vooruitzichten nog ongunstiger.
+Het wachten was vergeefs—de gunstige wind kwam niet.
+
+Ten Noorden der Denen-eilanden ligt het Amsterdam-eiland, dat naar het
+Oosten in een vlakke landtong, de Hollanderkaap, uitsteekt. Hier kwam
+den 14den Augustus een merkwaardig schip voor anker. Andrée en
+verscheidene andere Zweden voeren er in hun stoomsloep heen. Het was de
+„Fram”, eerst enkele dagen geleden, uit een driejarige gevangenschap in
+het poolijs, bevrijd!
+
+„Zou ik Nansen kunnen spreken?” vroeg Andrée, nadat hij Sverdrup en
+zijn metgezellen begroet had.
+
+„Wat, is Nansen dan nog niet terug?” riepen de Noren.
+
+„Neen, maar waarom is hij niet op de „Fram”?”
+
+„Het is nu bijna anderhalf jaar geleden, sedert hij van ons wegging.”
+
+Aan weerskanten heerschten angst en verslagenheid. Sverdrup keerde zoo
+snel mogelijk naar Noorwegen terug, vast besloten om, na kolen en
+proviand ingenomen te hebben, zich naar Frans-Josefs-land te begeven en
+Nansen te zoeken. Toen hij de eerste haven, een klein Noorsch
+kustplaatsje, bereikt had, liet hij zich, midden in den nacht, aan land
+roeien, en ging naar een telegraafkantoor. Daar hamerde hij met zulk
+een geweld op de deur, alsof zijn leven er mee gemoeid was. Alles was
+in diepe rust. Eindelijk stak een oud man zijn hoofd uit het venster,
+en schreeuwde hem toe: „Wat heeft dat gruwelijke spektakel in ’t holle
+van den nacht te beduiden?”
+
+Sverdrup antwoordde: „Doe maar vlug open, ik ben kapitein Sverdrup, van
+de „Fram”.”
+
+Dadelijk werden overal de vensters verlicht, en de telegraafbeambte
+kwam hals over kop naar beneden hollen.
+
+„Ik heb van Andrée gehoord,” zei Sverdrup op bezorgden toon, „dat er
+nog geen bericht van Nansen gekomen is.”
+
+„Wel,” riep de man, „Nansen? Die is den 13den Augustus te Bardö
+aangekomen! Op ’t oogenblik is hij te Hammerfest.”
+
+Sverdrup maakte van blijdschap een luchtsprong, draaide zich, zonder
+een woord te zeggen om, en snelde weg om zijn makkers de blijde tijding
+te brengen.
+
+Intusschen wachtte Andrée nog steeds op den zuidenwind. Maar, daar het
+reeds te ver in het jaar was, moest hij wel terugkeeren. De ballon werd
+leeggemaakt, alles werd ingepakt, en Andrée reisde naar Stockholm
+terug.
+
+Men kan zich wel voorstellen hoe terneergeslagen hij was. Nog nooit had
+het plan van een Noordpooltocht een zoo algemeene en warme sympathie
+genoten. De geheele wereld wachtte met spanning en ongeduld op het
+vertrek. Toen hij Stockholm en Gothenburg verliet, had men hem als een
+held gehuldigd, en nu moest hij onverrichter zake weer terugkeeren!
+Velen dreven den spot met hem, maar de meesten bewonderden toch zijn
+zelfbeheersching. Het bedrag dat voor een nieuwe poging noodig was,
+werd terstond bijeengebracht, en wel uitsluitend in Zweden. In het
+midden van Mei van het volgend jaar wilde Andrée zich wederom naar het
+Denen-eiland begeven.
+
+Den 10den Mei 1897, kwam ik uit Azië terug. Den dertienden gaf Andrée
+een diner te zijner eere. Wij waren slechts met ons zessen aan tafel,
+en ik zag hem bij deze gelegenheid voor het eerst. Tijdens het maal
+heette hij mij welkom met een rede, die ik mij niet zonder ontroering
+herinner. Hij sprak er over welk een verschillende toekomst ons beiden
+wachtte. Terwijl ik mijn groote reis achter den rug had, en rustige
+arbeid mij wachtte, had hij zijn tocht nog voor zich, en stond op het
+punt zich toe te vertrouwen aan een onzeker lot in de groote
+eenzaamheid. In zijn toon was iets weemoedigs verscholen, dat hij
+vergeefs trachtte te verbergen. In mijn antwoord huldigde ik hem als de
+ontwerper van een grootsch plan, en sprak mijn overtuiging uit, dat we
+elkaar onder gelukkiger omstandigheden zouden weerzien!
+
+Het gezelschap ging spoedig uiteen. Andrée had nog veel te doen; over
+twee dagen zou hij Stockholm voorgoed verlaten.
+
+Ditmaal vond zijn vertrek in alle stilte plaats. Men had hem zoo weinig
+met rust gelaten, dat het te voorzien was, dat hij, ook bij niet
+volkomen gunstigen wind, tóch zou opstijgen. Slechts enkele vrienden
+waren aan het station om afscheid van hem te nemen. Ik drukte hem
+hartelijk de hand—voor het laatst! Toen voerde de trein hem weg, den
+helderen nacht in.
+
+In Juni heerschte op het Denen-eiland weer dezelfde bedrijvigheid. In
+het begin van Juli was alles voor de opstijging in gereedheid. Wederom
+was het wachten slechts op een gunstigen zuidenwind. Door een heftigen
+storm werd de ballon zoo hevig in de loods heen en weer geslingerd, dat
+hij bijna tegen de wanden stuk geslagen werd, en zelfs bijna geheel
+losgerukt werd.
+
+Dagelijks schreef Andrée eenige regels in zijn dagboek. Op den 8sten
+Juli 1897 eindigt het—voor altijd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+22. „ALLES KLAAR!”
+
+
+Den 11den Juli 1897, een Zondag, brak aan. Reeds des morgens om drie
+uur vertoonden zich bij de Hollanderkaap eenige rimpels op het effen
+watervlak. Het was een lichte bries, die elk uur in kracht toenam!
+
+Om acht uur werd de laatste post bezorgd en nog het een en ander in het
+schuitje van den ballon gebracht. Andrée belegde een krijgsraad. Zijn
+beide tochtgenooten, de ingenieur Fränkel en Dr. Strindberg verklaarden
+zich voor de opstijging. Hij zelf sloot zich daarbij aan. Onverwijld
+toog men aan ’t werk. De bemanning der kanonneerboot „Svenskund”, het
+schip, dat de luchtvaarders naar het Denen-eiland gebracht had, werd
+aan land gezet, en om 11 uur begon men met het afbreken van de loods.
+Reeds was een groot gedeelte van de voorzijde weggenomen. Aan de
+windzijde werd zeildoek gespannen om eenige beschutting voor den wind
+te vormen. Uitstekende balken werden met een dikke laag vilt omwikkeld,
+zoodat ze bij het slingeren van den ballon geen gaten in het omhulsel
+konden boren.
+
+Gedurende de eerstvolgende uren heerschte er een koortsachtige
+opgewondenheid. Iedereen deed zijn uiterste best. Aan alle kanten
+weerklonk het kraken en dreunen van planken, die losgebroken werden.
+Men repte zich, als gold het een brand te blusschen. Door een
+scheepsroeper deelde Andrée met de stem van een godheid zijn bevelen
+uit; aan ieder moest hij zijn bijzondere bevelen geven en naar alle
+kanten moest hij zijn opmerkzaamheid richten. Intusschen daalden, van
+de hooge berghellingen achter de loods, zware wolken neer.
+
+Reeds rukte de ballon ongeduldig aan de touwen, en vaak werden reeds
+alle zandzakken van den bodem opgelicht. Nu werd hij een weinig gevierd
+om de gondel met de zes draagtouwen aan den ring te kunnen bevestigen.
+De kooien met de duiven werden in de gondel gezet en de zandzakken voor
+een groot deel verwijderd. De ballon werd nu alleen nog maar
+vastgehouden door drie bundels ballastzakken, waarvan de luchtschippers
+op het laatste oogenblik de touwen zouden doorkappen, en door drie
+dikke kabels die om eenige balken op den grond heengeslagen waren. Bij
+elken kabel stond een matroos met een bijl. Twee dozijn zakken met zand
+werden als ballast ingeladen.
+
+„Alles klaar!”
+
+Andrée dankt allen, die hem geholpen hebben, en neemt haastig van ieder
+afzonderlijk afscheid. Zonder veel woorden drukt men elkaar stevig de
+hand. Wanneer de laatste oogenblikken maar eerst voorbij waren, wenscht
+ieder in stilte. Een onvergetelijk schouwspel moet deze opstijging
+opgeleverd hebben.
+
+Dan doopt Andrée den ballon met den naam „Ornen” (Adelaar) en hij
+springt in de gondel waar Fränkel en Strindberg reeds onder de
+Zweedsche vlag hebben plaats genomen. Met blanke messen in de handen
+staan ze daar, en met één enkele snede kappen ze de touwen der
+ballastzakken!
+
+Een rustig oogenblik wordt afgewacht. Er heerscht een diepe stilte. Men
+waagt het nauwelijks te fluisteren, slechts het suizen van den wind in
+de bijna ledige loods is hoorbaar. De drie helden leunen tegen den rand
+van de gondel. Andrée bewaart een onverstoorbare kalmte; geen spoor van
+aandoening is op zijn gelaat te bekennen. Om halfdrie klinkt zijn stem:
+
+„Kappen—een, twee, drie!”
+
+Op hetzelfde oogenblik springen de kabels los, en statig verheft zich
+de „Adelaar” uit zijn nest!
+
+„Leve Andrée!” klinkt het daar beneden.
+
+„Groet Zweden van mij!” roept hij met luider stem, terwijl hij zich
+over den rand van de gondel heenbuigt; met de sleeptouwen die een spoor
+van schuim in het water achter laten, als het zog van een stoomschip,
+zweefde de „Adelaar” in noordoostelijke richting over de Hollanderkaap
+heen. Voordat hij die achter zich had, daalde hij bedenkelijk, wellicht
+door een sterken luchtstroom naar beneden gedrukt. De gondel kwam zelfs
+in het water, maar sprong toen weer in de hoogte. Negen zandzakken
+moesten uitgeworpen worden om te beletten dat de „Adelaar” tegen de
+klippen zou stooten. Daarmede gingen tweehonderd kilogram ballast
+overboord!
+
+Nog ernstiger was, dat bij het opstijgen een groot stuk der sleeptouwen
+scheurde. Daarmee ging meer dan een halve ton ballast verloren! Het
+geheele fundament, waarop Andrée zijn plannen gebouwd had, scheen
+vernietigd! Hij was niet meer door de sleeptouwen in aanraking met de
+aarde, maar zweefde als een speelbal der winden, vrij in de lucht!
+
+De „Adelaar” verhief zich dan ook tot een hoogte van ongeveer
+zevenhonderd meter. Een tijd lang werd hij door een wolk aan het
+gezicht onttrokken, maar weldra kwam hij weer te voorschijn. Na verloop
+van een uur verdween hij achter de rotsige eilanden in het Noordoosten,
+in de wijde eenzaamheid der poolzeeën—voor altijd.
+
+Zwijgend en ernstig begaven zich de helpers der drie helden weer aan
+boord van de „Svensksund”.—
+
+
+
+
+
+
+
+
+23. HET LOT VAN ANDRÉE.
+
+
+Met welke spanning wachtte de geheele wereld op berichten van Andrée,
+hoe werd overal de telegraaf in werking gesteld toen het bekend werd
+dat de held opgestegen, en in noordelijke richting verdwenen was! Op de
+geheele wereld was er nauwelijks een dagblad dat niet kolommenlange
+beschrijvingen van de koene opstijging gegeven had. Overal heerschten
+verbazing en bewondering! Hoe zou het wel afloopen? vroeg een ieder
+zich af. Atlassen werden te voorschijn gehaald, en onderzoekend liet
+men het oog gaan over de landen om de ijszeeën. Hoelang zou de
+zuidenwind aanhouden, en waar zou de ballon weer te voorschijn komen?
+Te oordeelen naar de manier waarop de „Adelaar” opgestegen was, zou
+hij, zoo was de algemeene meening, zich hoogstens drie weken in de
+wolken drijvend kunnen houden! Maar in dien tijd kon hij geweldige
+afstanden afleggen, en op elke willekeurige plek van de bewoonde wereld
+weer zichtbaar worden. Juist in dezen tijd van het jaar bevonden zich
+tal van walvischvaarders en visschers in de noordelijke ijszeeën. De
+spanning nam met elken dag toe. Niemand dacht meer aan de Noordpool.
+Waar ook Andrée’s ballon zou landen—hij zou ongetwijfeld den
+merkwaardigsten tocht gemaakt hebben, waarvan nog ooit een mensch
+gehoord had.
+
+Nauwelijks waren veertien dagen verloopen, of de eerste verontrustende
+berichten deden door de pers de ronde. Den 17den Juli zou een Hollander
+den ballon in de Witte Zee op het water hebben zien drijven!
+Nasporingen brachten echter aan licht dat de Hollander vrij zeker een
+doode, opgezwollen walvisch ontmoet had.
+
+Van nu af kwam er echter van alle kanten een stroom van de meest
+tegenstrijdige berichten. Aan de westkust van Groenland had men vanuit
+de zee schoten van een buks gehoord; zonder twijfel waren die schoten
+afgevuurd door Andrée en zijn makkers, die, evenals vroeger de mannen
+van de „Polaris” op een ijsschots zuidwaarts dreven. Wanneer men op een
+schip in de herfstnevelen het krijschen van zeemeeuwen hoorde, dan was
+dat natuurlijk Andrée, die in zijn zeilboot ronddobberend, om hulp
+riep!
+
+En hoevele bewoners van de landen om de Noordpool heen, wilden den
+ballon met eigen oogen gezien hebben! De wakkere Russische
+pelshandelaars, en boeren tot ver in Siberië, bezwoeren met dure eeden,
+dat ze den „Adelaar” boven dit of dat dorp hadden gezien. Op Sachalin,
+het eiland der verbannenen in het verre Oosten had men hem stil en
+geheimzinnig boven de kale rotsen zien drijven. Zelfs de Indianen van
+Noord-Amerika beweerden, dat ze hem gezien hadden.
+
+Anderen weer, wisten stellig, dat Andrée te Klondyke was, en van
+daaruit reeds geschreven had. In Britsch-Columbia streek de „Adelaar”
+over het land heen, en in Canada hadden de Eskimo’s verscheidene blanke
+mannen ontmoet die hun proviand in een zonderling gevaarte
+medesleepten. Weer anderen hadden visioenen gehad, en wisten
+dientengevolge nauwkeurig dat Andrée en zijn makkers in de zee gestort
+en verdronken waren—ze hadden in den geest de catastrophe mede
+aangezien. Weer anderen wisten met even groote zekerheid te vertellen
+dat Andrée nog leefde, maar dringend hulp noodig had.
+
+Op deze wijze had de menschelijke verbeeldingskracht allerwege vrij
+spel, overal tuurde men met spiedende blikken omhoog, en meende den
+ballon te zien, zelfs al was ’t slechts een kraai die in den
+schemeravond voorbijvloog. De beangstigende, maar geweldige
+werkelijkheid werd langzamerhand tot een wonderbare sage, en bijna ging
+het met Andrée’s ballons als met het sprookjesschip van den vliegenden
+Hollander!
+
+Reeds in den herfst werd er vanuit Zweden hulp gezonden, on overal waar
+Andrée met mogelijkheid zijn kon, werd proviand opgesteld. Een
+expeditie onderzocht vanuit het nu ledige graf van De Long en zijn
+makkers een groot deel der kusten van de Siberische IJszee. Professor
+Rathorst gaf als zijn meening te kennen, dat de luchtschippers
+Oost-Groenland hadden kunnen bereiken, waar ze zich langen tijd met
+muskusossen zouden kunnen voeden. Hij rustte derhalve de „Anlactic” uit
+met het doel om deze kusten grondig te onderzoeken. Weliswaar vond hij
+Andrée niet, maar hij bracht prachtige kaarten, verzamelingen en het
+resultaat van belangrijke waarnemingen mede terug.
+
+Zoo verliepen maanden en jaren! Van tijd tot tijd dook een nieuw
+gerucht op, en steeds vlamde weer een nieuwe straal van hoop op!
+
+Wat was er gevonden van de dertien boeien, die Andrée wilde uitwerpen,
+en waar waren de duiven gebleven?
+
+Vijf boeien werden twee jaar later gevonden. Drie waren er in het
+ongereede geraakt, de briefhulzen ontbraken. Twee bevatten een
+schrijven, en hadden met den stroom een grooten afstand afgelegd, de
+eene werd op de noordkust van Noorwegen gevonden, de ander op IJsland.
+Ze waren reeds op den dag van opstijging om 10 uur en om 11 uur
+uitgeworpen, en behelsden slechts korte berichten over den koers, den
+toestand aan boord en de plek waar de boei uitgeworpen was. Om 10 uur
+dreef de ballon in noordelijke richting over vlak ijs heen. „Prachtig
+weer. Stemming uitstekend.” Om elf uur zweefde hij zeshonderd meter
+boven het zeeoppervlak „alles wel.”
+
+Van de duiven keerde slechts één enkele weer terug. Een Noorsch schip
+nam ze reeds vier dagen na de opstijging aan boord. Het bericht, dat ze
+droeg, was daarom merkwaardig, omdat Andrée het den 13den Juli om half
+drie geschreven had. De „Adelaar” had toen reeds zes en veertig uur
+gezweefd, en was dus reeds langer in de lucht geweest dan eenig ander
+luchtschip! Op het kleine ineengerolde stuk papier stond o.a.: „aan
+boord alles wel. Dit is de derde duivenpost. Andrée.” De ballon bevond
+zich toen boven het noordelijk gedeelte van Spitsbergen, maar dreef met
+een flinke vaart naar het Oost-Zuid-Oosten.
+
+Van dit oogenblik af is er van het lot van den „Adelaar” niets meer
+bekend;—en, waarschijnlijk zal het ook wel onbekend blijven.
+
+Gedurende tweemaal vier en twintig uren na de opstijging was dus alles
+aan boord in orde, en de luchtschippers koesterden geen angst voor den
+afloop van hun tocht. Misschien zweefden ze gedurende verscheidene
+dagen nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden. Maar elken
+dag moest de draagkracht van den ballon onvermijdelijk verminderen,
+totdat tenslotte de „Adelaar” zijn last niet meer kon torsen. Maar,
+waar hij nederdaalde, dat weet niemand.
+
+Wanneer hij in de buurt van de Noordpool, in de richting van de
+Behringzee, tusschen het drijfijs geland is, dan was de positie der
+opvarenden hopeloos, want ze hadden niet voldoenden leeftocht bij zich
+voor een zoo verren tocht, als in dat geval noodzakelijk zou wezen.
+Waarschijnlijker is dat de ballon naar het zuidelijk deel van de
+IJszee, tusschen Frans-Jozefs-land en het schiereiland Kola dreef. Hij
+moest daarbij steeds slapper worden, en steeds dieper zinken.
+Ongetwijfeld kapte men alle touwen, en wierp allen ballast overboord.
+Zoodoende kon hij nog eenige uren, misschien nog een geheelen dag in de
+lucht blijven. Maar ten slotte moest hij weer dalen, terwijl de donkere
+zee daaronder den muil opensperde. Nu zal men de laatste boeien
+opgeofferd, en alles wat men eenigszins kon missen, weggeworpen hebben.
+Weer verhief zich de ballon, maar verslapte spoedig weer opnieuw, door
+het minste koeltje heen en weer gedreven. Andrée was een man, die in
+oogenblikken van gevaar den moed niet verloor; hij en zijn makkers
+zullen dapper met den dood gestreden hebben!
+
+Indien de winter zijn intocht reeds gedaan had op het noordelijk
+halfrond, dan had Andrée misschien kans gehad, spoedig hulp te zien
+opdagen. Dan zou hij een groot gedeelte van zijn leeftocht rustig
+hebben kunnen prijs geven, dan had hij de duiven kunnen loslaten en hun
+kooien in zee kunnen werpen. Maar misschien zonk de „Adelaar” op een
+plek waar geen land te bekennen was. De gondel sleepte over het water
+en stiet tegen elke oneffenheid; de inzittenden klommen in den
+draagring en kapten de gondel af. Dan verhief zich misschien de ballon
+nog eenmaal voor het laatst, om door de winden weer zeewaarts gedreven
+te worden. Daardoor werd de catastrophe nog slechte enkele uren
+uitgesteld, want wanneer een ballon zijn grootste hoogte bereikt heeft,
+daalt hij plotseling. Toen hij weer op de oppervlakte van het water
+kwam, was de ring het eenige wat nog gekapt kon worden. Hoe ook de
+omstandigheden mogen geweest zijn, waaronder Andrée en zijn makkers den
+dood gevonden hebben,—nu, na zooveel jaren weten we het nog niet; laat
+ons hopen dat hun doodsstrijd kort was! Hun reis was vruchteloos, maar
+die drie mannen zullen voor altoos toonbeelden blijven van heldenmoed.
+Ze hebben nieuwe paden betreden, en de tijd is nabij waarop anderen,
+met betere hulpmiddelen toegerust, hun onzichtbaar spoor door het
+luchtruim en over de zeeën zullen volgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+24. IN HAMBURG BIJ HAGENBECK.
+
+
+Verlaten we thans de dood-aanbrengende hoogere sferen, om ons weer op
+vasten bodem te bewegen! Na het korte uitstapje in de geschiedenis der
+Noordpooltochten willen we ons naar Engeland op weg begeven, uit de
+oneindige eenzaamheid van het eeuwige ijs, der middernachtzon, en der
+poolstormen naar een der brandpunten van het menschengewoel; naar de
+wereldstad Londen.
+
+Van Malmö uit, brengt ons een stoomboot over de Sond, naar het groote,
+vroolijke en bedrijvige Kopenhagen. Daarna doorsnijdt de spoorweg het
+rijke en vruchtbare eiland Seeland. Hier staan prachtige hoeven
+tusschen vruchtbare velden, hier graast op welige weiden het
+kloekgebouwde vee, waaraan Denemarken zijn overvloed van melk en boter
+dankt: hier breidt zich naar alle kanten de vruchtbare bodem uit, die
+geen plaats meer overlaat voor de kale zandvlakten en schrale heide,
+zooals die op de westkust van Jutland voorkomen.
+
+Denemarken is een der kleinste landen van Europa, maar de bewoners
+weten van de natuurlijke hulpbronnen van hun land partij te trekken en
+voordeelige handelsbetrekkingen met het buitenland aan te knoopen. Veel
+uitgestrekter dan het moederland zijn echter zijn bezittingen in de
+noordelijke zeeën, Groenland en IJsland; helaas zijn deze beide
+eilanden echter slechts schaars bevolkt, koude en ijs zijn er de
+eigenlijke heerschers. Van Korsör uit brengt ons een stoomboot tusschen
+de eilanden Langeland en Laaland door, in enkele uren naar Kiel. Hier
+betreden we Duitschen bodem; hier is Duitschland’s grootste
+oorlogshaven.
+
+Door het vruchtbare Holstein heen, spoeden we ons naar het Zuiden, waar
+de vrije Hanzestad Hamburg aan de Elbe, de grootste havenplaats op het
+vasteland van Europa, en na Londen en New-York de derde der geheele
+wereld.
+
+Wat is hier al niet te zien en te bewonderen. De enkele uren oponthoud
+willen we besteden om iets te zien, dat men overal elders vergeefs zou
+zoeken: Hagenbeck’s dierenpark.
+
+Het ligt buiten de stad. Uit alle landen der wereld zijn hier wilde
+dieren bijeengebracht. Maar hier verkwijnen ze niet in een sombere
+gevangenschap, zooals in menagerieën en zoölogische tuinen, hier kunnen
+ze zich vrij bewegen over terreinen, die naar gelang van den aard der
+verschillende soorten, ingericht zijn. Over wijde zandvlakten zwerven
+de dromedarissen en struisvogels der Sahara, een kunstmatig aangelegde
+steppe strekt de buffels van Noord-Amerika en de antilopen en zebra’s
+van Afrika tot verblijfplaats. Tusschen grillige rotsen klauteren de
+lama’s der Andes, de steenbokken der Alpen en de muffeldieren uit de
+gebergten van Corsika en Sardinië: de olifanten staan in een
+gemeenschappelijk hok bijeen, en gaan vandaar uit aan hun arbeid in het
+park.
+
+In het Poollandschap dartelen walrussen en robben in ruime bassins, op
+welker randen de pinguins komisch-gewichtig plomp rondwaggelen.
+Afzonderlijke grotten en koele vijvers strekken den ijsberen tot
+woonplaats; ze laten zich in ’t water neerplonzen, zwemmen snuivend in
+’t rond, slaan elkaar, wanneer ze te dicht in elkaars nabijheid komen,
+met de klauwen, klauteren dan op een overhangende rots om daar lui op
+den rug liggend, uit te rusten, en storten zich dan weer, den kop
+vooruit, in ’t water. Daarboven verheft zich een klein plateau waar een
+rendierkudde graast.
+
+Het glanspunt van Hagenbeck’s dierenpark is de leeuwenkloof. Aan drie
+kanten bevinden zich steile rotswanden met grotten en kloven. Aan den
+vierden kant, naar den toegang, is de kloof open, en hier staan we nu,
+op een afstand van slechts enkele meters, vlak tegenover twaalf groote
+leeuwen, zonder ook maar door een draadwerk van hen gescheiden te zijn!
+Dat is wel buitengewoon gevaarlijk, zou men zoo zeggen. In ’t geheel
+niet! De dieren zouden ons, zelfs al wilden ze, geen kwaad kunnen doen.
+Dan zijn ze zeker vastgebonden? Ook dat niet! Ze zijn vrij. Eenigen
+liggen languit te slapen, anderen zitten voor zich uit te staren, en
+droomen van Soedan; twee springen met lenige, katachtige bewegingen de
+rotsen op en af; twee Oost-Afrikaansche leeuwen zonder manen nemen
+elkaar met vijandige blikken op, terwijl een Zuid-Perzische leeuw op
+het plateau op den voorgrond rusteloos heen en weer loopt. Ze
+verwaardigen den toeschouwer met geen enkelen blik, daarvoor zijn die
+koninklijke dieren veel te trotsch; ’t is alsof ze die menschen vóór
+zich in ’t geheel niet zien, en toch zijn ze slechts één sprong
+afstands van hen verwijderd. Maar deze sprong zou te groot zijn! Een
+gracht tusschen hen en ons is acht meter breed, en zoo ver springt een
+leeuw niet! Wanneer een van die dieren op ons af zou springen, dan zou
+hij tegen een gladden muur terecht komen, die zich loodrecht uit de met
+water gevulde gracht verheft, en van daaruit is geen andere uitweg dan
+weer naar de kloof terug.
+
+Toen ik eens voor dat eigenaardige leeuwenhol stond, kwam een breed
+geschouderde oppasser naar me toe en zei: „Wanneer u me tien stuivers
+geeft, ga ik het leeuwenhol binnen!”
+
+„Best,” zei ik, „maar op je eigen verantwoording.”
+
+„Natuurlijk! Wacht u maar een oogenblik!”
+
+Dadelijk daarop ging er een kleine deur in de rots open, en met kalme,
+zekere schreden naderde de oppasser de twaalf woestijnkoningen. Men kon
+terstond zien dat hij ze volkomen in bedwang had. De Zuid-Perzische
+leeuw stiet een dof gebrul uit, maar bleef heen en weer loopen. De
+slapenden openden de oogen, spitsten de ooren en verhieven zich. De
+oppasser sloeg een der dieren met een rijzweep, waarop het dier lenig
+op een omgevallen boomstam in de kloof sprong. Een tweede leeuw sprong
+geluidloos en sierlijk over de hem voorgehouden zweep. Toen ze hun
+kunsten vertoond hadden, kreeg ieder een stuk vleesch, dat de oppasser
+uit zijn zak te voorschijn haalde, toen greep hij een der grootste
+dieren stevig bij de manen en schudde hem duchtig heen en weer; een
+ander pakte hij bij de ooren, en hield zijn gezicht tegen den kop van
+den leeuw aangedrukt. Deze hoefde slechts zijn muil open te sperren om
+hem het hoofd van den romp af te scheiden; maar zooals de oppasser me
+later verzekerde, bij al die gevaarlijke kunststukken klopte zijn hart
+geen oogenblik sneller. Hij had de leeuwen volkomen aan zich
+onderworpen; hij speelde met ze, alsof het jonge katten waren, en toch
+waren er twee bij, die pas zes maanden geleden gevangen waren. Toen de
+oppasser de kloof verliet, liep hij achteruit, bleef op het eind een
+oogenblik staan, riep op bevelenden toon een commando, en sloeg met
+zijn zweep op een rotsblok, om de dieren naar den anderen kant te
+verdrijven, en verdween toen snel door de deur. Klaarblijkelijk kon hij
+ze toch niet blindelings vertrouwen, onverwachts kon in deze gevangenen
+het roofdier ontwaken!
+
+In de nabijheid der wilde dieren vergeet men niet alleen den tijd, maar
+ook het begrip van plaats. Ik althans vertoefde daar met voorliefde.
+Hun aanblik verplaatst me in de stilte der woestijn, in het zwijgen der
+wouden, in de stormen der bergen, in de geheimzinnigheid van Indië’s
+struikgewas. Ik denk aan karavanen en nachtelijk kampvuur, aan jachten
+en gevaarvolle avonturen, en ik koester medelijden met de gevangenen,
+ook al hebben ze ’t zoo goed als in Hagenbeck’s prachtig park in
+Hamburg.
+
+Maar nu voert de trein ons met razende vaart door Hannover en
+Westfalen, over den statigen Rijn, en door het Zuiden van Holland.
+Rechts en links zooveel nijverheid, zooveel rustelooze arbeid! Hier
+kampen de Hollanders met het water, dat hen steeds met overstroomingen
+bedreigt. Slechts kort zijn de afstanden tusschen de nijvere
+industrie-steden. Voorbij! Onverbiddelijk voert ons de trein
+westwaarts, totdat we het eindpunt, Vlissingen bereiken.
+
+Hier wacht ons de stoomboot. Zoodra alle reizigers aan boord zijn, en
+hun bagage, benevens eenige wagenladingen vrachtgoed in het ruim
+geladen zijn, beginnen de raderen te werken en het schip verlaat de
+haven en vaart het kanaal, tusschen het vasteland en Engeland in. Het
+weer is prachtig, een zilte bries strijkt over het water, maar zonder
+dat we last hebben van hooge golven. Nu en dan ontmoeten we een ander
+stoomschip. Hongerige meeuwen vliegen in sierlijke kringen rondom ons.
+Een voor anker liggend lichtschip laten we links achter ons liggen, en
+aan denzelfden kant doemt na eenige uren de kust van het graafschap
+Kent op. Engeland is in ’t zicht!
+
+
+
+
+
+
+
+
+25. IN HET GEWOEL DER WERELDSTAD.
+
+
+Ons schip vaart de breede, trechtervormige uitmonding der Theems
+binnen, en landt in de haven van Queensborough. Hier nemen we weer
+plaats in den spoortrein, die ons in korten tijd door een dichtbevolkte
+landstreek naar het hartje van Londen brengt. Reeds op weg naar het
+hotel, krijgt men een indruk van de woelige drukte van Engeland’s
+hoofdstad, die tweemaal zoo groot is als Berlijn, en met haar bijna
+vijf millioen inwoners het zevende deel der gezamenlijke bevolking van
+Engeland en Wales herbergt.
+
+Welke keus zullen we nu doen uit deze onuitputtelijke zee van
+bezienswaardigheden? Men verdrinkt in die menigte musea,
+kunstverzamelingen, theaters en kerken! Er zijn dorpen, die slechts uit
+één enkele straat bestaan. Wanneer men de 8000 straten die Londen telt,
+aan elkaar zou kunnen voegen, dan zou die reuzenstraat zich door geheel
+Europa, West-Azië, tot aan Samarkand in Turkestan uitstrekken! Maar,
+gelukkig, zóó lang zijn de Londensche straten niet; ze vormen één groot
+net, ze eindigen aan de Theems of in uitgestrekte parken en
+wereldberoemde pleinen. En op al deze straten en pleinen wemelt en
+krioelt het van voetgangers en voertuigen; maar het drukste verkeer
+vindt men in Piccadilly, de drukste straat der wereld!
+
+Reeds na twee dagen komen we tot de overtuiging, dat onze zwakke
+krachten het tegenover de onafzienbare menigte bezienswaardigheden van
+Londen moeten afleggen, we willen ons dus willoos door het toeval laten
+leiden. Wanneer men bezoeken moet afleggen bij vrienden en bekenden,
+dan raadpleegt men eerst den plattegrond om op de snelste en
+goedkoopste manier te komen waar men moet wezen, en men zorgt er voor
+vooraf te informeeren, wanneer de familie thuis is om bezoek af te
+wachten.
+
+Men kan hun geen grooter genoegen doen dan door juist op een ontvangdag
+te komen, en het gewoel in de salons en om de theetafel te helpen
+vergrooten. Want het staat deftig om zooveel mogelijk bezoek te
+ontvangen. Maar, om bezoek te ontvangen moet de gastvrouw zich
+beijveren om gedurende de overige dagen der week zelve bezoeken af te
+leggen. Het gevolg hiervan is een rusteloos rondrijden in equipage of
+automobiel; en nauwelijks tehuis gekomen, moet ze snel voor een diner
+toilet maken. In Engeland is het warme jaargetijde gewijd aan het
+maatschappelijk verkeer, hoewel ik persoonlijk in dit opzicht tusschen
+winter en zomer volstrekt geen onderscheid opgemerkt heb. Want ook ’s
+winters betoonen de Engelschen den vreemdeling dezelfde gastvrijheid.
+
+Wanneer men een indruk wil krijgen van het straatgewoel, dan moet men
+bovenop een omnibus plaats nemen; van daar uit heeft men naar alle
+kanten vrij uitzicht. Wij bestijgen dus een „bus” in Kensington, de
+wijk waarin ons hotel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van twee der
+rijkste musea van Londen voor kunsten en wetenschappen. Eerst gaat ’t
+langs het prachtige Hydepark, een heerlijke oase temidden van de
+huizenwoestijn. Het park wordt doorsneden door breede, schaduwrijke
+wegen; hier praalt de voorname wereld met schitterende equipages,
+kostbare toiletten en rijk uitgedoste livreien. Wanneer men ’s zomers
+zucht van de hitte, dan vindt men hier een verkwikkende koelte; zwarte
+zwanen zwemmen statig rond in den langwerpigen vijver, waarin ieder mag
+baden, zonder dat hij daarvoor een cent hoeft te betalen. Maar de
+prachtige gazons zien er uit alsof er zoo juist een groote
+volksbijeenkomst is gehouden; hier rusten de dakloozen, want overdag
+mogen ze in de openbare parken gaan liggen en slapen, maar des nachts
+worden ze er door de politie verdreven!
+
+Langzaam beweegt zich nu onze omnibus door het gewoel van Piccadilly.
+Zooeven hadden we nog het Hydepark links, en reeds spreidt het St.
+James-park zijn boomenpracht rechts van ons ten toon. Links van ons
+hebben we Londen’s grauwe, eindelooze huizenzee. Maar spoedig zijn we
+het park voorbij, en nu hebben we aan weerszijden de huizen van
+Piccadilly. Men houdt bij het rijden links, daardoor ontstaat een
+dubbele stroom van voertuigen in de tamelijk smalle straat. Vanaf het
+imperiaal van den omnibus heeft men een uitstekend uitzicht op dien
+gestadig voortbruisenden verkeersstroom.
+
+Voor en achter ons, zoover de blik reikt, ziet men de honderden van
+voertuigen als eindelooze, naast elkaar rijdende treinen, een bonte
+aaneenschakeling van passagiers- en goederenwagens. De omnibussen
+alleen zijn honderden in getal, groote, zware, roodgeverfde monsters,
+deels door motoren, deels door paarden voortbewogen; aan de zijkanten
+altoos met reclameborden bedekt. Op het imperiaal zitten de heeren met
+hun hooge hoeden, onder het rooken van een pijp, hun courant te lezen,
+terwijl de dames onder haar groote hoeden schuil gaan. Van het
+plaveisel is nauwelijks iets te zien. Want tusschen de omnibussen
+verdringen zich nog automobielen, vierwielige huurrijtuigen,
+reclamewagens, hooge tweewielige hansoms en vrachtwagens, en
+daartusschen weer kleine karren beladen met bananen en sinaasappels.
+Hier en daar dringt zich ook nog een wielrijder tusschen het
+levensgevaarlijke gewoel. De andere helft der straat biedt hetzelfde
+schouwspel. Slechts beweegt zich hier de stroom in tegenovergestelde
+richting. Onafgebroken klinkt het getoeter der automobielen en het
+knallen der zweepen: al die geluiden der wereldstad, vermengd met het
+paardengetrappel, het menschengedruisch, het roepen der
+courantenventers, enz. smelt samen tot een zoemend gebrom, dat ons
+onophoudelijk in de ooren klinkt.
+
+Van tijd tot tijd ziet men kleine jongens, die snel den paardenmest
+opvegen en wegdragen. Vlug en handig wippen ze door het ergste gedrang
+heen; en ’t mag wel een wonder heeten, dat ze het er altijd heelhuids
+afbrengen!
+
+Langzaam, langzaam gaat ’t verder. Ineens staat de geheele stoet stil;
+een politieagent heeft zijn hand in de hoogte gestoken; wee den
+koetsier of chauffeur die bij dit teeken niet onmiddellijk zou
+stilhouden! De politieagent en zijn kameraad, aan den anderen kant van
+de straat, hebben het verkeer een oogenblik stop gezet om een rij
+voertuigen uit een dwarsstraat gelegenheid te geven Piccadilly over te
+steken; ze rijden ons nu voorbij, maar over eenige minuten brengen
+andere agenten het verkeer in de zijstraat tot stilstand en wij kunnen
+onzen weg weer vervolgen, totdat we aan een ander kruispunt weer moeten
+wachten. Men heeft zoodoende bij een rit door Londen’s straten heel wat
+geduld noodig, want van snel vooruit komen, kan bij al die drukte, geen
+sprake wezen.
+
+Eindelijk eindigt Piccadilly in een klein rond plein, waarop van alle
+kanten straten uitkomen. Hier is het gewemel van voertuigen en
+voetgangers werkelijk angstwekkend! De onvermoeide politie leidt echter
+rustig het verkeer, en wordt ook gewillig gehoorzaamd. De politie van
+Londen is de vriend en beschermer van het publiek, zoo komt het, dat er
+overal voorbeeldige orde heerscht.
+
+Nu buigt onze omnibus naar rechts af, en brengt ons door een korte,
+maar belangrijke straat naar Trafalgar-Square, een der mooiste en
+levendigste pleinen van Londen. In het midden verheft zich een 44 meter
+hooge zuil, bekroond door het standbeeld van den zeeheld Nelson. Het
+plein ontleent zijn naam aan het voorgebergte Trafalgar in Spanje, aan
+de kust van den Atlantischen Oceaan, in de buurt van Gibraltar. Daar
+behaalde Nelson in 1805 de overwinning op de vloot van Napoleon, en
+verijdelde zoodoende het plan van den keizer, om met zijn troepen een
+inval in Engeland te doen. Nelson zelf vond in dezen bloedigen slag den
+dood. Op de zuil staan zijn beroemde woorden gebeiteld: „Engeland
+verwacht dat elkeen zijn plicht zal doen!”
+
+De omnibus rolt dreunend verder oostwaarts door eindelooze straten met
+winkels en kantoren. Beneden ons krioelt het als in een mierenhoop.
+Iedereen heeft haast. Men spoedt zich naar het station, naar kantoor,
+winkel, of bank zonder zijn aandacht te schenken aan die oude huizen,
+gevels of fonteinen die de herinnering wakker roepen aan lang vervlogen
+tijden. „Zaken” dat is het wachtwoord in de City, de „hoofdstad van
+Londen.” Hier vloeit het geld in zilveren en gouden stroomen, hier is
+het brandpunt van wereld- en kolonialen handel, hier liggen naast
+ontelbare bankgebouwen de paleizen der stedelijke beambten, de oude
+gilde-huizen, de redactiebureaus der couranten. Hier verheft zich ook
+de prachtige, en op twee na de grootste kerk der christenheid, de St.
+Pauls-kathedraal, die zoo omringd is door de zee van grauwe, donkere
+huizenmassa’s dat het uiterlijk nauwelijks eenigen indruk maakt; van
+binnen is de kerk evenwel overweldigend en plechtig.
+
+Een eind verderop ligt de Bank van Engeland, met zijn meer dan 1000
+beambten, en zijn geldvoorraad van minstens 240 millioen gulden aan
+goud en zilver. Daar het gebouw geheel zonder vensters is, ziet het er
+uit als een geweldige vesting; en met dien schat, dien het bergt, is ’t
+dan ook inderdaad het sterkste bolwerk van Engeland’s welvaart en
+onafhankelijkheid.
+
+
+
+
+
+
+
+
+26. DE THEEMS.
+
+
+Weer rijden we langs het dek van Hydepark, maar ditmaal slaat onze
+automobiel bij Piccadilly rechtsaf, voert ons langs het
+Buckingham-paleis, waar de koning verblijf houdt; en laat vervolgens
+een rij groote gebouwen, waarin de ministeries gevestigd zijn, links
+liggen. Rechts verheft zich de beroemde Westminster-Abdij, waar
+Engeland’s koningen gekroond worden en waar de grootste mannen en
+helden van Brittannië in hun graven sluimeren. Naast de Kathedraal
+verheft zich het reusachtige parlementsgebouw, in welks prachtige zalen
+het Engelsche Hooger- en Lagerhuis zitting houden en waar over het wel
+en wee van het Britsche rijk beraadslaagd wordt.
+
+Met zijn languitgestrekten gevel en zijn torens weerspiegelt zich het
+Parlementsgebouw in het water van de Theems, evenals het vlak
+daartegenover liggend St. Thomas-hospitaal. De verbinding tusschen de
+beide oevers wordt gevormd door de Westminsterbrug. Hier begeven we ons
+op een rivierbootje, waarmee we stroomafwaarts, en tóch tegen den
+stroom opvaren! Want het is bijna twaalf uur en de vloed komt van uit
+zee opzetten. Ontelbare vrachtschepen maken daarvan gebruik, om
+zoodoende gemakkelijk van uit zee Londen te bereiken.
+
+We varen onder een spoorbrug door. Links op de kade verheft zich de
+„Naald van Cleopatra,” een Egyptische obelisk: en iets verder
+stroomafwaarts zien we de steenen muren van eenige reuzen-hotels.
+Achter de Waterloo-brug wordt de hooge, heerlijke koepel der St.
+Pauls-kathedraal zichtbaar. Blackfriars-brug, de brug der „Zwarte
+broeders” en een spoorbrug liggen zóó dicht naast elkaar, dat de
+afstand tusschen die beide nauwelijks twintig meter bedraagt. De
+rechteroever wordt ingenomen door fabrieken en eenvoudige woonhuizen.
+
+Nu gaan we onder drie bruggen door, die eveneens vlak naast elkaar
+liggen. De derde heet „London Bridge”, en is een der hoofdaderen van
+het verkeer. Voortdurend wordt het oog door iets nieuws geboeid. Ginds
+ligt de „Tower” een der beroemdste overblijfselen uit vroegere eeuwen,
+een overoude vesting en staatsgevangenis, een gebouw, welks
+geschiedenis ten nauwste met die van Engeland verbonden is. In den
+„Tower” worden tegenwoordig, behalve andere kostbaarheden, de
+kroonjuweelen en de uiterlijke kenteekenen der koninklijke macht
+bewaard, ter waarde van ongeveer zestig millioen gulden.
+
+Op twee, midden in den stroom gebouwde torens, rust de „Tower-brug”.
+Het middelste gedeelte bestaat uit twee boven elkaar liggende bruggen,
+zoodat ook schepen met hooge masten er onder door kunnen varen, terwijl
+voor de voetgangers in de beide torens liften zijn aangebracht waarmede
+zij op de bovenste brug worden gebracht en niet behoeven te wachten. De
+grootste stoomschepen varen evenwel niet zoo ver stroomopwaarts. De
+schepen met bestemming voor Amerika verlaten Engeland van uit
+Liverpool, Southampton en Bristol, terwijl de Australische, die we in
+Bombay en Colombo zagen, veel dichter bij de Theemsmonding ankeren.
+
+Wanneer we de Towerbrug voorbij zijn, bieden de oevers weinig
+belangrijks meer. Dokken, fabrieken, stapelplaatsen, werven, kranen,
+nemen de plaats in van beroemde gebouwen. Aan weerszijden liggen
+tallooze kleine stoombootjes, zeilschepen en roeibooten. We komen
+machtige stoomschepen uit alle werelddeelen tegen. Nu varen we juist
+over een tunnel heen, die onder den stroom door gegraven is. Rechts
+ligt de Electrische Centrale, vanwaar uit alle electrische trams van
+Londen hun beweegkracht ontvangen, een reuzen-installatie, want de
+trams doorsnijden Londen in alle richtingen.
+
+Eindelijk bereiken we Greenwich, met de wereldberoemde sterrenwacht,
+wier meridiaan in nagenoeg alle landen als „nulmeridiaan” aangenomen
+is. Op de meeste land- en zeekaarten wordt de ooster- en westerlengte
+van deze meridiaan uit berekend.
+
+We bevinden ons thans op den rechteroever van de Theems. Om op den
+linkeroever te komen, gaan we met een omnibus door de Blackwell-tunnel
+onder de rivier door. Deze tunnel is gebouwd van cement, en lijkt op
+een buis met twee trottoirs en een rijweg in ’t midden. De lengte
+bedraagt twee kilometer, de echo wordt dreunend door de wanden
+weerkaatst: boven ons hoofd doorploegen de schepen de rivier.
+
+Tenslotte zoeken we, om weer in ons hotel terug te komen, een der
+ondergrondsche spoorwegen op, die in alle richtingen Londen
+doorkruisen, evenals de gangen van reusachtige mollen. In doorsnede
+bevinden ze zich op een diepte van twintig meter, sommigen zelfs van
+vijftig meter. Men kan daarmee goedkoop en snel van het eene eind van
+de stad naar het andere komen, maar men mist natuurlijk het
+belangwekkende schouwspel, dat het bonte gewoel daarboven in het
+daglicht oplevert.
+
+
+
+
+
+
+
+
+27. TWEE DAGEN IN HET BRITSCH MUSEUM.
+
+
+Men kan twee dagen in het Britsch Museum, wel het grootste der wereld,
+doorgebracht hebben, zonder nog zelfs een oppervlakkig overzicht te
+hebben van de schatten die het bevat! Onder sfinxen en granieten
+beelden die 6000 jaar oud zijn, wordt men verplaatst in het grijze
+verleden. Hier staat een doodkist waarin voor 5500 jaar een Egyptische
+koning ter ruste gelegd werd; hij was de stichter van tal van prachtige
+graven bij Caïro; en in de Ninivé-zaal staan we vol bewondering voor
+oude oorkonden en brieven die in spijkerschrift op leemen tabletten
+gegrift zijn.
+
+Uit de dagen van Sanherig en Sardanapalus, 700 en 600 v. Chr., stamt
+het Babylonisch-Assyrische verhaal van Schepping en Zondvloed, dat
+zooveel overeenkomst vertoont met de bijbelsche voorstelling. De goden,
+zoo heet het, besloten een vloed over de aarde te zenden, waarin alles
+zou verdrinken. Slechts aan Sit-Napistim, den Babylonischen Noach, werd
+bevolen een schip te bouwen dat voor hem, zijn familie en zijn
+huisdieren zou dienen als een veilige wijkplaats. Toen steeg de vloed,
+en bedekte de gansche aarde, en toen het schip, nadat het water weer
+gevallen was, op den berg Nizir landde, werden op den zevenden dag een
+duif, een zwaluw en een raaf losgelaten om op verkenning uit te
+gaan.—Deze sage is tot ons gekomen door de bibliotheek te Ninivé, die
+door Sardanapalus werd uitgebreid.
+
+Welk een gevoel van eerbied vervult ons, wanneer we staan voor het
+beeld van Ramses II. Hij was de Pharao die de kinderen Israëls
+onderdrukte! Wanneer we dan de Romeinsche zalen betreden, en we het oog
+vestigen op de buste van Caesar, dan hebben we het gevoel, weer op
+historischen bodem te staan, en wanneer we dan in de bibliotheek van
+George III (King’s Library) een bijbel uit het jaar 1455 aanschouwen,
+de eerste die uit Gutenberg’s eigen drukkerij te Mainz kwam, dan meenen
+we al zeer nabij den tegenwoordigen tijd te zijn.
+
+De handschriftenverzameling van het Britsch Museum omvat een menigte
+gedenkwaardige brieven uit de geschiedenis van Engeland. Zoo kunnen we
+hier het eigenhandig, door Nelson geschreven, plan voor den zeeslag van
+Trafalgar lezen, alsook de laatste bladzijden uit het dagboek van
+Gordon, den held van Karthoem, met wien we nog nader zullen
+kennismaken.
+
+De bibliotheek van het Britsch Museum omvat twee-en-een-half millioen
+banden die, naast elkaar gezet, een rij van zeventig kilometer lengte
+zouden vormen. En onze bewondering voor deze menigte van boeken stijgt
+nog wanneer we denken aan de scherpzinnigheid der navorschers, die er
+in geslaagd zijn om uit al deze gegevens schatten van wijsheid te
+putten, aangaande de geschiedenis van volkeren, die reeds tal van
+eeuwen tot het verleden behooren.
+
+Niet minder dan deze verzamelplaats van historische herinneringen trof
+mij de levende getuige van een grijs verleden, die tot aan zijn dood op
+een buitenplaats buiten Londen woonde, en dien ik eens bezocht, in
+gezelschap van den overste Younghusband, die jaren geleden de
+Engelsch-Indische expeditie naar Lhassa in Thibet leidde. Toen we
+aanbelden, kwam de statige grijsaard zelf om ons te ontvangen. Hij was
+toendertijd vijf-en-negentig jaar oud en heette Sir Joseph Hooker.
+Eertijds directeur van den grooten Londenschen plantentuin, zat hij nog
+op het eind van zijn leven over zijn microscoop gebogen, en schreef
+geleerde verhandelingen over het leven der planten! Reeds twintig jaren
+voor mijn geboorte was hij tot aan de grenzen van Thibet doorgedrongen,
+en ook van zijn reis naar de Zuidelijke IJszee vertelde hij met groote
+levendigheid! Hij was in 1839 scheepsdokter bij de Zuidpool expeditie
+van James Rosz. Twee-en-zeventig jaren waren er sedert voorbij gegaan,
+en men kan zich nauwelijks voorstellen, dat er nog persoonlijke
+herinneringen bewaard konden blijven uit een tijd, die zoo ver in ’t
+verleden lag.
+
+„Is ’t mogelijk, dat u zich alles nog kunt herinneren, wat op dien
+tocht voorviel?” vroeg ik.
+
+„Zeker,” antwoordde Hooker, „ik kan me dien tocht beter voor den geest
+terugbrengen, dan de gebeurtenissen van het vorige jaar.”
+
+En toen beschreef hij ons hoe de ligging van het ijs was, en hoe hij en
+zijn tochtgenooten aan boord leefden. Ook sprak hij met warmte over
+dien grooten baanbreker der nieuwere natuurwetenschap, zijn vriend
+Charles Darwin.
+
+
+
+
+
+
+
+
+28. IN LONDEN’S ARMENWIJK.
+
+
+Wat is het leven toch rijk aan scherpe tegenstellingen en aan ten hemel
+schreiend onrecht! Op een afstand van ternauwernood een half uur van al
+de pracht en praal, die bij de laatste kroning in Juni 1910 in de
+Westminster Abdij tentoongespreid werd, ligt de armenwijk in het
+Eastland en in het zuidoostelijk deel van Londen. Begeven we ons thans
+daarheen.
+
+We hebben onze allereenvoudigste plunje aangetrokken en worden begeleid
+door een vriendelijken missionaris, want het is in deze straten, waar
+moorden niet tot de zeldzaamheden behooren, en waar nog heden
+vreemdelingen spoorloos verdwijnen, volstrekt onveilig. Het is raadzaam
+om horloge en ketting maar liever thuis te laten, en ’t is dames niet
+aan te bevelen om hier haar handtaschje met geld met zich mede te
+dragen!
+
+Hoevele boeken zou men niet kunnen vol schrijven over de ontzettende
+armoede van Londen! Een armoede die het hart breekt en die schande
+roept over de grootste en rijkste stad der wereld. Tot zulk een ellende
+als in Londen, vervallen de armen in geen enkel land op aarde, zelfs
+niet in Azië! Hun leven is een onafgebroken worsteling met de meest
+kwellende zorgen en het meest nijpende gebrek; met ziekte, vervuiling,
+gedierte en misdaad.
+
+Daar woont een moeder met acht kinderen in een enkel kamertje, waarvoor
+ze nauwelijks de huur kan betalen. Hoe moet ze den honger van haar
+kinderen stillen, wanneer haar man het grootste gedeelte van zijn
+verdiensten als dokwerker verdrinkt? Jammerlijk slepen de kinderen hun
+ellendig bestaan voort, en wanneer er een sterft, blijft het liggen,
+totdat het noodige geld voor een begrafenis bijeengebracht is.
+Overleven ze de kinderjaren, dan groeien ze op tot straatslijpers en
+vagebonden, die voor niets anders deugen dan voor bedelaars.
+
+Roerend, en tegelijk ergerlijk is de aanblik dier kleinen, zoo als ze,
+in lompen gehuld, in de nauwe, stinkende sloppen te midden van allerlei
+afval, stoeien en spelen. Dat is hun zomervermaak, en van de vrije
+natuur hebben ze niet eens een voorstelling! Ze zijn aan deze straten
+in het Eastland gehecht, en zouden niet eens van woonplaats willen
+wisselen! ’t Is nu immers zomer, en dan heeft men ’t tenminste op
+straat niet koud!
+
+Onze leidsman brengt ons naar een wijk waar de stegen zoo nauw zijn,
+dat twee personen elkaar nauwelijks kunnen passeeren. Hier heeft de
+missionaris veel goeds verricht. De zending heeft hier een eigen
+vergaderlokaal, kerk en club, en ’t is weldadig om te zien hoe graag de
+arme kinderen hier heen gaan. Een ruim gymnastieklokaal en een kleine
+bibliotheek staan hun ter beschikking, en zelfs hebben ze een
+padvindersclub georganiseerd die achttien leden telt. Op het dak van
+een huis hebben ze een ruim terrein voor voetbal en andere spelen.
+
+Zulk een zending, een zoogenaamd „Settlement” of kolonie vindt men in
+de armste wijken van het Eastland. Barmhartige Samaritanen, uit de
+welgestelde klassen van Londen, offeren een deel van hun tijd op om
+hier met de armen om te gaan en hun met raad en daad bij te staan.
+
+Ze zijn in zekeren zin het zout dat het bederf tegen gaat. Ze redden
+velen van het verderf en vormen hen tot fatsoenlijke burgers. Hoe groot
+is echter het getal van hen, die in dien poel van jammer en misdaad
+reddeloos ten onder gaan!
+
+Nu voert onze leidsman ons in een arbeiderswoning, die niet eens tot de
+slechtste behoort; men gaat vanuit de straat twee treden af in een
+ellendig klein kelderhol. De enkele meubels zien er zoo vervallen uit,
+dat het schijnt, alsof ze zich nog slechts met moeite staande houden.
+Aan een ronde tafel in ’t midden zit baas Higgins, met zijn moeder en
+zijn vrouw voor een karig middageten; het vertrek is klein en bedompt,
+en geen frissche lucht komt van de straat uit naar binnen. Hoe zal ’t
+hier dan ’s winters wel wezen, wanneer de beruchte Londensche mist zoo
+dik is, dat ’s middags een stikdonkere duisternis heerscht en op de
+rijk verlichte breede straten de electrische lampen aan de overzijde
+nauwelijks te zien zijn!
+
+Maar baas Higgins is tenminste nog een goede kerel. Hij is juist
+thuisgekomen van zijn werk: het bouwen van een brug, en hij heeft ’t
+nog zóó warm, dat de hitte van zijn lichaam afslaat als hij te midden
+der zijnen in zijn hemdsmouwen aan tafel zit. Hij heeft reeds volwassen
+zoons, die zelf verdienen en hij vertelt ons wat hij wekelijks
+verdient, en wat hij noodig heeft voor huur en levensmiddelen.
+
+Reeds bij de oudste staatsregeling heeft elke Engelschman het recht
+„niet te verhongeren” en een uitstekende Armenzorg van staats- en
+gemeentewege was het gevolg. Maar, nog ontbreekt het hier aan wetten,
+die inplaats van de armoede te lenigen, die weten te voorkomen.
+
+Tijdens een bezoek aan Londen was ik op zekeren avond als gast bij een
+feestmaal van het gilde der zijdehandelaars. Dit gilde is een der
+oudste van Londen en bestaat reeds acht eeuwen; hoewel tegenwoordig
+geen der leden meer zijdehandelaar is. Lid kan evenwel lang niet
+iedereen worden, het is een eer die van vader op zoon overgedragen
+wordt. Door giften en legaten beschikt het gilde over ontzaglijke
+sommen, waarvan de rente in zijn geheel voor liefdadige doeleinden
+gebruikt wordt. Het gildehuis in Londen is een heel oud gebouw, van
+middeleeuwsche pracht; men vindt hier de prachtigste bekers, kannen en
+schotels, die alle eeuwen oud zijn. Wel twee duizend huizen in Londen
+zijn het eigendom van het gilde en tal van scholen worden geheel door
+het gilde bekostigd; ook worden alle ziekenhuizen uit de kas met ruime
+giften gesteund.
+
+Toen ik later met een kennis langs de Theems naar huis ging, waren de
+banken dicht bezet met tal van kerels in lompen en nachtelijke
+zwervers. De meeste zaten in elkaar gebogen, de handen in de zakken en
+het hoofd op de borst gezonken. Enkelen zaten met elkaar te praten,
+terwijl ze hun pijp rookten. Een oude man had een plaats gevonden dicht
+bij een lantaarnpaal, en las de courant.
+
+„Wat zijn dat voor menschen?”
+
+„De dakloozen,” antwoordde mijn geleider.
+
+„Slapen ze hier den geheelen nacht?”
+
+„Neen, ze wachten tot twee uur, dan deelt het Leger des Heils daarginds
+onder de brug warme soep en brood uit.”
+
+„En na het eten?”
+
+„Dan zitten ze weer in doffe onverschilligheid op de banken, of ze
+zwerven door de stad heen om te bedelen of te stelen. ’s Morgens zien
+ze weer op de een of andere manier aan een gratis maal te komen.”
+
+„Wat doen ze dan overdag?”
+
+„Dan liggen ze in de parken te slapen; ’s nachts worden ze daar door de
+politie niet geduld.”
+
+„Maar waarom werken ze dan niet?”
+
+„Ze willen niet! Van al deze kerels hier kon ieder gemakkelijk zijn
+dertig stuivers per dag verdienen, een slaapgelegenheid bekostigen, en
+onafhankelijk leven, maar ze willen niet. Probeer ’t: verschaf hun
+werk, biedt hun dertig stuivers dagloon aan! Niet een enkele zou van uw
+aanbod gebruik maken! Ze willen veel liever bedelen, in de parken
+slapen en de gemeente tot last zijn.”
+
+„Is hun aantal groot?”
+
+„Veertig duizend—maar, laat ons dat niet vergeten, onder de
+aanzienlijken en onder den adel zijn minstens evenveel dagdieven en
+deugnieten te vinden! Van hen heeft men het recht te verwachten, dat ze
+zich voor hun land nuttig maken. Hij, die des nachts moet rondzwerven,
+is wel meer te beklagen dan te veroordeelen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+29. VAN LONDEN NAAR PARIJS.
+
+
+Vaak ben ik van Londen naar Parijs gereisd. De tocht duurt slechts
+enkele uren. Een trein brengt ons vlug naar Dover, en dan, waar ’t
+kanaal het smalst is, steken we met de stoomboot naar Calais over. Dan
+gaat ’t weer verder per spoor door noordwest Frankrijk.
+
+Het is me altijd een genot de Fransche taal te hooren, die als muziek
+in de ooren klinkt. Graag zie ik dit levendige, opgewekte menschenras
+dat ieder woord vergezeld doet gaan van gebaren, schouderophalen en het
+wisselen der gelaatsuitdrukking. Op weg naar Parijs heb ik het gevoel
+alsof ik me naar een feest begeef. Reeds de naam Parijs bevat een
+onuitputtelijken voorraad van levensvreugde en zorgeloosheid, van trots
+en vaderlandsliefde, vrijheid, dapperheid en roem.
+
+Welk een onderscheid tusschen Londen en Parijs! De steden liggen
+bijkans vlak bij elkaar, en toch is ’t alsof ze door een geheele wereld
+van elkaar gescheiden zijn. Reeds in de namen ligt het verschil.
+„Londen”, hoe zwaarwichtig, dof en ouderwetsch klinkt dat! Zooals het
+brommen van een torenklok, in nauwe straten weerklinkend tusschen
+grauwe huizen. Het klinkt als het stampen van zware stoommachines, als
+het dreunen van voetstappen van een in koortsachtige haast zich
+voortspoedende menigte, het maakt een indruk als iets reusachtigs, maar
+tevens als iets eentonigs, dat krachtig en overweldigend verborgen ligt
+onder roet en stoomwolken, als iets alledaagsch en prozaïsch dat zich
+slechts bij een kroning of bij de begrafenis van een vorst tot
+feestelijken luister ontplooit.
+
+Maar Parijs! Klinkt dat niet als een zegelied, als een fanfare,
+opstijgend te midden eener jubelende menigte? Het klinkt als het luiden
+van zilveren klokjes te midden van witte paleizen. Het roept en lokt
+den vreemdeling naar de vroolijkste aller steden; het toont hem
+theaters waar de kunst als een godsdienst wordt beleden, het herinnert
+hem aan de fijnste beschaving, het tintelendste vernuft en de diepste
+wijsheid, die ooit een stad heeft tentoongespreid. De naam Parijs roept
+de herinnering te voorschijn aan roemrijke oorlogen, schitterende
+triomftochten; maar ook aan belegeringen, bestormingen en bloedige
+omwentelingen, aan onuitputtelijke kracht en rijkdom, zelfopoffering en
+geestdrift, wanneer het ging om de verdediging van het vaderland. Nog
+steeds schijnt de zon over Parijs te stralen, ook op sombere dagen
+viert er de levensvreugde hoogtij. En zoo is Parijs eeuwig jong, hoewel
+het reeds ten tijde van Ceasar een stad van beteekenis was.
+
+Het moge zoo zijn dat Londen in zekeren zin het middelpunt der aarde
+is; het moge zijn dat de Engelsche taal heerscht op de zeeën en in de
+havens; maar toch was steeds Parijs de hoofdstad der wereld, en was het
+Fransch de wereldtaal, en nog heden is ’t de taal der diplomatie. Naar
+Parijs trekken de kunstenaars, beeldhouwers en schilders om zich te
+vormen; in Parijs hebben kunsten en wetenschappen een buitengewone
+hoogte bereikt; na Bologne bezit Parijs de oudste academie ter wereld.
+Op het punt van verfijnden smaak en weelde, ook in de kunst zijn de
+Franschen ongeëvenaard, en wat kleeding, kookkunst en wijnkelder
+betreft, daarin schreven zij de andere volken de wetten voor!
+
+Vanaf Calais reist men zuidwaarts door een der vruchtbaarste streken
+van Frankrijk. Steden en dorpen, akkers en boomgaarden en gehuchten
+volgen elkaar op in bonte afwisseling. Als een geweldige zeshoek ligt
+Frankrijk tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee;
+ver in het Westen strekt zich het eeuwenoude Normandië uit, het land
+dat herinnert aan de strooptochten der Noormannen en de veroveringen op
+de kusten van Europa der Vikingers in overoude tijden; zelfs bedreigden
+ze Parijs, maar de stad werd voor een losprijs voor verwoesting
+bewaard.
+
+Vier eeuwen lang beheerschten de Romeinen Frankrijk, totdat de West
+Gothen, de Bourgondiërs en de Franken het land veroverden. Onder de
+Bourbons werd het de kweekplaats der vreeselijke revolutie, die de
+maatschappij met al haar misstanden omver wierp, en die den grondslag
+legde voor een nieuwen tijd; van hieruit verspreidde zich over de
+geheele beschaafde wereld het streven naar „Vrijheid, Gelijkheid,
+Broederschap”. Voorwaar, we betreden hier een belangwekkenden
+historischen bodem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+30. EEN WANDELING DOOR DE SEINESTAD.
+
+
+We bevinden ons nu in de wereldstad waar de Seine een wijden boog
+beschrijft, om verder noordwestwaarts langs Rouaan te stroomen en bij
+Le Havre in de zee uit te monden. Het eerste wat ons opvalt zijn de
+boulevards, prachtige straten, met schaduwrijke boomen beplant, met aan
+weerszijden groote paleizen, theaters, café’s en winkels. De naam
+boulevard beteekent bolwerk, en de oudste boulevards waren dan ook
+niets anders dan vestingwallen. Lodewijk de XIII liet in de 17e eeuw
+ter verfraaiïng en uitbreiding der hoofdstad, deze bolwerken slechten,
+en in de plaats daarvan de eerste moderne boulevards aanleggen. Zij
+vormen noordelijk van de Seine een doorloopende reeks met verschillende
+namen: Boulevard de la Madeleine, des Capucines, des Italiens en
+Montmartre, en deze boulevards vormen een der hoofdaderen van Parijs.
+Hier bevindt men zich temidden van het gewemel van automobielen,
+omnibussen, huurrijtuigen, equipages en een onophoudelijken
+menschenstroom.
+
+Later werden ook daar, waar oorspronkelijk geen vestingwallen waren,
+boulevards aangelegd; onder Lodewijk XIV en diens opvolgers nam Parijs
+aan grootte en luister toe, en ten tijde van Napoleon I was het ’t hart
+van het machtigste rijk ter wereld. Na den val van Napoleon werd het
+tweemaal door Frankrijk’s vijanden veroverd. Napoleon III verfraaide en
+verbeterde de stad, als nooit te voren geschied was. In 1871 namen de
+Duitschers Parijs in, en in hetzelfde jaar werd het door de oproerige
+benden der Commune bezet. Het gepeupel verwoestte tal van prachtige
+paleizen, musea en gedenkteekenen. Ook de reusachtige Vendôme-zuil, een
+herinnering aan Napoleon’s overwinningen werd bij deze gelegenheid
+omvergehaald.
+
+Sedert dien tijd is Parijs voor verwoestingen gespaard gebleven. Maar
+nog steeds gaat het levendig toe in die stad, waar koningen, keizers en
+presidenten elkaar afwisselen en waar ministers nooit langen tijd
+achtereen hun post behouden. Nog heden is Parijs de stad der
+verrassingen, en dagelijks volgt de geheele wereld met gespannen
+aandacht de nieuwtjes die van daaruit bericht worden.
+
+We moeten ons met een snelle wandeling door Parijs tevreden stellen. We
+kiezen daarvoor den noordelijken oever der Seine en doorkruisen de stad
+van het zuidoosten naar het noordwesten. We beginnen onze wandeling
+waar eertijds de Bastille, tegelijk vesting en staatsgevangenis, stond.
+Deze werd bij het begin der groote revolutie den 14den Juli 1789
+bestormd en verwoest en sedert is die dag de nationale feestdag der
+Franschen gebleven. Tegenwoordig verheft zich in het midden van het
+plein de Juli-kolom, opgericht ter eere van hen die in de
+Juli-revolutie van 1830 op de barricade gevallen zijn.
+
+Van hieruit volgen we de Rue de Rivoli, een der grootste en mooiste
+straten van Parijs. Links is het stadhuis, een grootsch bouwwerk in
+renaissance-stijl, in welks prachtige zalen schitterende feesten
+gehouden worden. Het bevat vele schilderstukken van beroemde meesters.
+
+Iets verder verheft zich het grootste openbare gebouw van de stad, het
+Louvre, van de middeleeuwen af, tot aan de dagen van Napoleon III, de
+residentie van Frankrijk’s koningen en keizers, het schitterendste
+paleis der wereld; tegenwoordig bevat het twee groote ministeriën en
+een der grootste musea. Om alles wat het bevat nauwkeurig te bezien,
+heeft men, evenals in het Britsch museum, dagen en weken noodig, zoo
+niet maanden en jaren! Kolossale verzamelingen zijn hier opgehoopt,
+niet slechts herinneringen aan de groote rijken der oudheid, van Azië
+en Europa, maar ook het beste en kostbaarste wat Europa door alle
+tijden heen aan kunst heeft opgeleverd.
+
+In noordwestelijke richting gaan we door het park der Tuilerieën, en
+vertoeven een oogenblik op de Place de la Concorde, om te genieten van
+het prachtige uitzicht dat men hier naar alle kanten heeft, de rivier
+met haar kaden en bruggen, de parken en lanen, de machtige gebouwen,
+wonderen van bouwkunst, de talrijke pleinen en de onafgebroken stroom
+van levenslustige mannen en elegante vrouwen, die naar de laatste mode
+gekleed zijn.
+
+In dit deel van Parijs vormen de pleinen, plantsoenen en parken een
+onafgebroken reeks.
+
+Van de Place de la Concorde komen we thans in de Champs Elysées, een
+twee kilometer lange allée. Op de breede paden verzamelt zich de
+voorname wereld in schitterende equipages en prachtige automobielen, te
+paard of te voet. Des avonds zijn al deze pleinen, straten en parken
+schitterend electrisch verlicht, zoodat ook dan het oog overal door
+prachtige vergezichten geboeid wordt. Aan de noordzijde der Champs
+Elysées woont in het Elysée-paleis de president der republiek. Den
+14den Juli ontvangt hij ieder, die in het bezit is van een
+visitekaartje en een rok.
+
+Wanneer we de breede straten in noordwestelijke richting vervolgen,
+komen we aan de Place de l’Etoile, waarop twaalf avenue’s of groote
+straten uitkomen. Een daarvan, het vervolg der Champs Elysées is
+genoemd naar het leger van Napoleon, en voert naar het Bois de
+Boulogne. In het midden van de Place de l’Etoile verheft zich een
+vijftig meter hooge triomfboog, opgericht ter herinnering aan de
+overwinningen van den Corsicaan. Vanaf dezen triomfboog overziet men de
+twaalf straten die aan den voet samenkomen; vanaf die hoogte lijkt het
+gewoel daar beneden op het gekrioel in een mierenhoop.
+
+We begeven ons thans naar de Pont d’Iéna waar tegenover, op den anderen
+oever der Seine de Eiffeltoren zich driehonderd meter boven Parijs
+verheft. De Eiffeltoren is het hoogste bouwwerk dat ooit door
+menschenhanden werd opgericht; met zijn driehonderd meter is deze toren
+ongeveer tweemaal zoo hoog als de dom te Keulen en als de hoogste
+pyramide van Egypte. Op het tweede platform zijn we al meer dan honderd
+meter boven de stad; maar de heuvels rondom Parijs beletten nog het
+vrije uitzicht. Wanneer de lift ons echter op het derde platform
+gebracht heeft, bevinden we ons op een hoogte van 276 meter boven den
+grond, en in de diepte zien we de Seine met haar talrijke bruggen en we
+overzien de stad met haar tallooze straten en haar 140 pleinen en
+parken. Langs een trap komen we nog tot heel boven in den toren, en in
+de spits straalt des nachts een licht dat zeventig kilometer ver
+zichtbaar is. Alleen zij, die geen last hebben van duizeligheid kunnen
+het wagen om over de borstwering naar beneden te zien, naar de pijlers
+van het ijzeren gevaarte; en vooral niet wanneer het hard waait en de
+groote toren merkbaar heen en weer schommelt. Men behoeft niet in een
+luchtballon op te stijgen om Parijs in vogelvlucht te zien; vanaf den
+Eiffeltoren ziet men de geheele stad als een uitgerolde kaart aan zijn
+voeten liggen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+31. HET GRAF VAN NAPOLEON.
+
+
+Van de duizelingwekkende hoogte van den Eiffeltoren zijn we gelukkig
+weer beneden aangeland, en we begeven ons over het Marsveld naar het
+Invalidenhuis. Vroeger bewoond door duizenden invaliden van het
+Fransche leger, herbergt het thans slechts historische herinneringen.
+
+Onder den vergulden koepel der Dôme des Invalides, die bijna vanaf elk
+punt der stad zichtbaar is, komen we in een ronde zaal; waarvan het
+midden bestaat uit een crypta. Deze is eveneens rond, heeft een diepte
+van eenige meters en is naar boven toe open. Op den bodem leest men in
+mozaïek de beroemde namen: Rivoli, Pyramiden, Marengo, Austerlitz,
+Jéna, Friedland, Wagram en Moskou. Twaalf marmerbeelden, die even
+zoovele overwinningen voorstellen, houden de wacht om de machtige
+sarcophaag uit rood Siberisch porfier, die de asch van Napoleon bedekt.
+Een zacht blauw licht beschijnt de crypta. Ook het levendigste Fransche
+gesprek verstomt bij het betreden van Napoleon’s grafkamer. Diepe
+stilte omgeeft het stoffelijk overschot van hem, die tijdens zijn leven
+de wereld vervulde van het gedonder van zijn geschut, en het
+wapengekletter zijner legioenen, en die binnen verloop van enkele jaren
+de kaart van Europa volkomen veranderde.
+
+De plechtige stilte, de verheven bouwstijl, en het schemerachtige licht
+oefenen een aangrijpenden invloed uit op het gemoed van den
+toeschouwer. Hoevele beelden worden niet voor ons geestesoog te
+voorschijn geroepen! Onwillekeurig verwacht men de echo te hooren
+weerklinken der commando’s, die eertijds van den grooten keizer
+uitgingen!
+
+We zien een blauwoogig kind spelen aan den schoot zijner moeder te
+Ajaccio. Dan hooren we hoe de jonge revolutionnair geestdriftige
+redevoeringen houdt in de geheime clubs te Parijs. Bleek en ernstig
+zien we de gestalte van den zes-en-twintig jarigen generaal voorbij
+schrijden; na tal van roemrijke overwinningen komt hij terug uit
+Italië, waar hij als een stormwind was komen neerstrijken in de vlakte
+van Lombardije, waar hij als overwinnaar zijn intocht hield te Milaan,
+en waar hij de overoude republiek Venetië voor altoos van de
+onafhankelijkheid beroofde.
+
+Ginds voor het altaarvenster verheft zich het beeld van den gekruisten
+Heiland. Het leidt onze gedachten naar den tocht van het keizerlijke
+leger naar Egypte en het Heilige Land. Frankrijk’s grootste generaal
+voert de vloot uit de haven van Toulon. Hij ontkomt aan de
+oorlogsschepen van Nelson, verovert Malta, vaart langs Kreta en Cyprus
+en landt met 40000 man in Alexandrië. Op den weg naar Kaïro versmachten
+de soldaten in de dorre woestenij. Bij den Nijl komt het tot een
+treffen met het Egyptische leger, en aan den voet der pyramiden moet
+het Oosten zich buigen voor den held van het Westen.
+
+In oostelijke richting vervolgt het leger zijn weg naar Syrië. Vijf
+eeuwen waren voorbijgegaan sedert de kruisvaarders gepoogd hadden het
+Heilige Graf aan de ongeloovigen te ontrukken. Nu kletteren wederom de
+wapenen van het avondland in het Jordaandal en aan den voet van den
+berg Tabor, en voor de poorten van Nazareth worden de Turken door den
+Franschen generaal verslagen. Maar, intusschen heeft Nelson de Fransche
+vloot vernietigd, de keur van het republikeinsche leger heeft den dood
+gevonden. Napoleon’s droom van een rijk in het morgenland, is in den
+rook van het laatste wachtvuur verdwenen. Met twee fregatten verlaat
+hij Egypte, zeilt langs Tripolis en de kusten van Tunis, en komt met
+gedoofde lichten, behouden door de straat van Gibraltar heen. Bij zijn
+aankomst te Parijs begroet hem het volk met stormachtigen jubel.
+
+Geleidelijk raakt het oog gewend aan het schemerduister in den koepel
+der Invaliden en de witte zuilen en marmeren beelden geven onze
+gedachten een andere wending. De Alpen passen, de St. Bernard, de St.
+Gothard, de Mont Cenis en de Simplon, de hoogste bergtoppen van Europa,
+worden door Napoleon met zijn vier armeecorpsen getrotseerd! Soldaten
+trekken de kanonnen door de sneeuwvelden; en eerst op Italiaanschen
+bodem scharen ze zich weer in ’t gelid. Bij Marengo oogsten de vanen
+van Frankrijk nieuwe lauweren, en het lot van geheel Europa berust in
+handen van Frankrijk’s grootsten held.
+
+„Austerlitz” lezen we in het mozaïek der crypta. Frankrijk’s keizer is
+opgetrokken naar Mähren, en zijn legioenen strijden onder den vergulden
+adelaar. De garde-cavalerie rijdt de Russische garde onder den voet, en
+Napoleon’s leger vernietigt de vereenigde strijdmachten van Oostenrijk
+en Rusland; de Fransche artillerie beschiet de bevroren oppervlakte van
+een meer, zoodat de vijand met kanonnen, wagens en paarden omkomt.
+
+Welke nieuwe echo stijgt thans uit de crypta omhoog? „Jena!” Waar de
+Pruisen verslagen werden, waar hun land tusschen Elbe en Oder onder het
+vreemde juk gebracht, hun vestingen geslecht werden; Erfurt,
+Maagdeburg, Stettin en Lübeck geven zich over, terwijl de overwinnaar
+zijn intocht houdt in Berlijn, de residentie van Frederik den Grooten!
+
+Dan dreunen de voetstappen der scharen door Poolsche straten, op de
+bloedige slagvelden bij Pultusk op den oostelijken oever van den
+Weichsel en bij Eylau in West-Pruisen, waar de lijken opgehoopt in de
+diepe sneeuw liggen. Napoleon zelf snelt op zijn schimmel voort na den
+slag bij Friedland in Oost-Pruisen, waar de Russen verslagen werden.
+Met getrokken sabel defileeren garde-cavalerie en huzaren, en nog heden
+trilt de naklank van hun geestdriftigen jubel om de vaandels van de
+sarcophaag, en langs de heirwegen van Europa weerklinkt het
+hoefgetrappel der paarden: het zijn de boden, die de gemeenschap
+onderhouden tusschen het hoofdkwartier en Parijs.
+
+Napoleon trekt op Weenen aan, en dreigt Oostenrijk te verpletteren. Hij
+overwint in den bloedigen slag bij Wagram, noord-oostelijk van Weenen;
+hij maakt zelfstandige rijken tot provinciën van Frankrijk, hun
+beheerschers tot Fransche vazallen, en deelt koningskronen uit onder
+zijn bloedverwanten, vrienden en generaals. Zijn rijk strekt zich thans
+uit van Danzig tot Cadix, van de Elbe tot aan den Tiber, als eertijds
+het rijk van Karel den Grooten! De macht van den Corsikaan is
+uitgebreid, en zijn rijk is gevestigd zooals van geen sedert de helden
+van het oud Romeinsch rijk.
+
+Bajonetten en sabels, kurassen en helmen flikkeren in het
+zonlicht—Napoleon’s onoverwinnelijke heirscharen trekken over den
+Njemen, een half millioen soldaten rukt op tegen Moskou, Rusland’s oude
+hoofdstad. Onafzienbare scharen, tallooze kanonnen en een eindelooze
+legertros trekt voort over de Russische wegen van Wilna naar Witebsk en
+Smolensk. De Russen weten het: het gaat om hun vrijheid. Ze verbranden
+hun eigen steden en dorpen; ze verwoesten hun land, en trekken zich
+terug naar het binnenland, zooals ze het reeds een eeuw vroeger deden,
+toen Karel XII van Zweden in Rusland binnendrong. Eindelijk komt het
+tot een slag aan de Moskowa, en het Fransche leger bezet de stad. Maar
+dan verlichten de vlammen van het brandende Moskou ver in het rond de
+Septembernachten!
+
+Op een der terrassen van het Kremlin staat een kleine man in grauwe
+wapenrok, de handen op den rug staart de keizer nadenkend in de vlammen
+en de rookwolken, die over de stad heen rollen. In een week is het oude
+heiligdom der Moskovieten in vlammen opgegaan.
+
+Daarbuiten, in de straten van Parijs, is de schemering neergedaald, en
+de schaduwen tusschen de zuilen rondom Napoleon’s graf worden dichter.
+Maar uit deze schaduwen doemen menschelijke gedaanten op, die worstelen
+met honger, koude en uitputting. De tijden van tegenspoed zijn
+aangebroken! Het groote leger bevindt zich op den terugtocht. Aan den
+kant der wegen liggen de lijken, weggeworpen wapenen en achtergelaten
+bagage. De kanonnen blijven steken in de diepe sneeuw, en de soldaten
+storten bij geheele regimenten neer als rijpe aren onder de sikkel.
+Scharen hongerige wolven volgen hun spoor, ze vergenoegen zich met de
+lijken, terwijl de kozakkenbenden de overlevenden neerhouwen. Bij den
+overtocht over de Beresina, een zijrivier van den Dnjepr, komen 30.000
+man om! Alle gehoorzaamheid en discipline is verdwenen.
+
+Gekleed in een pels, een stok in de hand marcheert de overwonnen keizer
+als een gewoon soldaat in ’t gelid mee. Het barre klimaat is de
+sterkste bondgenoot der Russen, en hun voorzichtige taktiek doet het
+overige om het Fransche leger geheel te vernietigen.
+
+Nu heerscht bijna duisternis om ons heen. Bij Leipzig staan Russen en
+Oostenrijkers, Pruisen en Zweden tegenover Napoleon. Hier stort zijn
+trotsch rijk als een kaartenhuis ineen; zelfs Parijs wordt veroverd, en
+de kroon wordt aan zijn hoofd ontrukt! Als gevangene voert men hem door
+het Rhônedal over Lyon naar de zee, en per schip naar Elba.
+
+Maar nog is de kracht van dezen man niet uitgeput. Nog eenmaal vervult
+zijn naam de wereld met angst. Vergezeld van zeven kleine schepen zet
+hij koers naar Frankrijk’s kusten! Hij trekt over de West-Alpen; in
+Lyon wordt hij begroet als keizer, en Parijs opent hem de poorten.
+
+Thans staat alles op het spel; in België zal de beslissende slag plaats
+vinden. Wederom vereenigen zich aan Frankrijk’s grenzen de vijandelijke
+legers. Europa is eindelijk den voortdurenden krijg moede, het besluit
+tot een beslissenden slag. Bij Belle-Alliance (Waterloo) strijdt
+Napoleon voor het laatst, hier wordt zijn lot voor immer bezegeld.
+
+Nog eens verlaat de keizer zijn hoofdstad—nu voor altijd. In de haven
+Rochefort, tusschen de monden van Loire en Garonne gaat hij aan boord
+van een Engelsch fregat. Na een zeereis van zeventig dagen wordt hij op
+St. Helena, een klein eiland in het zuidelijk deel van den Atlantischen
+Oceaan, aan land gezet, om daar zijn zes laatste levensjaren in harde
+gevangenschap door te brengen! Onder de wilgen in een dal delft men
+zijn graf.
+
+Nu heerscht volslagen duisternis in de Dôme des Invalides. Duister
+ontwaakt de werkelijkheid rondom ons. Negentien jaren na zijn dood
+vordert Frankrijk het stoffelijk overschot van zijn held op. Het
+eenzame graf op St. Helena wordt geopend, de viervoudige lijkkist wordt
+ontsloten in tegenwoordigheid van eenige getrouwen, die gedurende zes
+lange jaren des keizers gevangenschap gedeeld hebben; in de groen-witte
+uniform der garde ligt de overwinnaar van Marengo en Austerlitz,
+onveranderd als op zijn sterfbed voor hun oogen!
+
+Dan brengt men het lijk op een Fransch fregat, de kanonnen donderen, de
+vlaggen waaien halfstok. In Cherbourg, in Normandië wordt de lijkkist
+aan land gebracht, en nog eenmaal houdt de veroveraar van Europa, onder
+militair eerbetoon, ten aanschouwe van geheel Frankrijk zijn intocht in
+Parijs. Door zestien met rouwfloers bekleede paarden getrokken,
+begeleid door de oudgedienden uit zijn veldtochten, rijdt de lijkwagen
+met keizerlijke pracht tusschen dichte rijen van soldaten onder den
+triomfboog der Place de l’Etoile door langs de Champs Elysées naar de
+Dôme des Invalides, om daar in de sarcophaag van porfier te worden
+bijgezet.
+
+Zoo werd de laatste wil van den wereldveroveraar, neergeschreven op St.
+Helena, vervuld: „Ik wensch dat mijn stof moge rusten aan de boorden
+der Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoozeer heb
+liefgehad.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+32. AAN DEN OEVER VAN HET MEER VAN GENEVE.
+
+
+Slechts noode verlaat de vreemdeling Parijs, maar de gedachte op weg te
+zijn naar het zonnige Italië, maakt hem het afscheid minder zwaar,
+wanneer hij op zijn tocht oostwaarts door het venster van zijn
+spoorwegcoupé, de heuvels en dalen van Champagne, het land vanwaar de
+bekende wijn komt, aanschouwt. Overal bebouwde velden, dorpen en
+boerderijen, waar de bodem ongeschikt is voor den akkerbouw, daar
+grazen groote kudden vee. Allerwege ziet men arbeiders op het veld; het
+bedrijf der kleine grondbezitters, boeren en burgers vormt de bron van
+Frankrijk’s welvaart.
+
+Thans naderen we de grens. De sterke vesting Belfort is de laatste
+Fransche stad, kort daarop zijn we in den Elzas. Nauwelijks een
+menschenleeftijd geleden waren deze streken het tooneel van gewichtige
+gebeurtenissen. Het was de tijd van den Fransch-Duitschen oorlog; na
+een dappere verdediging moest Frankrijk het onderspit delven. Het
+verloor hierbij twee van zijn bloeiendste provinciën. Nog heden ten
+dage doet men goed de namen dezer provinciën: Elzas en Lotharingen, in
+Fransche kringen niet te noemen. Ze wekken smartelijke herinneringen
+op. Deze beide provinciën zijn echter in 1919 bij den vrede van
+Versailles weder aan Frankrijk toegewezen. Frankrijk was niet voor een
+oorlog toegerust, en had zijn leger en vestingwerken verwaarloosd. In
+een staat die ten strijde toegerust is, bloeit de vrede. Zoodra
+daarentegen een volk luistert naar de inblazingen van idealistische
+droomers die de leuze van ontwapening en eeuwigen vrede prediken, dan
+is zijn lot beslist, en dan zal vroeg of laat het volk zich bukken
+onder het juk van vreemde tyrannen. Zoo was het steeds, en zoo zal het
+ook immer blijven. De tijd van het duizendjarig rijk is nog lang niet
+aangebroken!
+
+Wederom passeeren we de grenzen, en wel van Zwitserland, het nijvere
+Alpenland. De trein houdt stil in Bazel, de stad die den Rijn in tweeën
+splitst. Van den „Bodensee” komend, stroomt het heldere water onder
+Bazel’s bruggen door, om vervolgens in een rechten hoek naar het
+noorden af te buigen en zijn loop tusschen Vogezen en Scharzwald te
+vervolgen. Onze plaats van bestemming is Genève. De spoorweg loopt door
+een nauw dal langs een zijrivier van den Rijn, de Birs. Het is winter,
+en het landschap is met een effen kleed van sneeuw bedekt, nauwelijks
+ziet men de kleine dorpjes die in de dalen verspreid liggen. Aan
+weerszijden verheffen zich de dennenbosschen; een dikke sneeuwlaag
+buigt de takken der boomen naar omlaag. Wanneer het dal niet zoo nauw
+was, en zich in het Westen niet een bergketen verhief, zou men zich in
+Zweden verplaatst wanen. Die bergketen is de Jura, die de scheiding
+vormt tusschen Zwitserland en Frankrijk.
+
+Hier liggen na elkaar drie meren. Het kleinste heet het Bieler-meer;
+het volgende is grooter en heet naar de stad Neuenburg; het laatste is
+het groote meer van Genève dat we bij Lausanne bereiken.
+
+Hier houdt de sneeuw op, en in het Zuiden schitteren de Alpen van
+Savoye, terwijl de zonnestralen door het heldere watervlak weerspiegeld
+worden. Deze aanblik behoort tot het schoonste wat de aarde te
+aanschouwen geeft, en men blijft in bewondering verzonken, terwijl de
+trein langs het meer voortsnelt. Het meer gelijkt in vorm op een
+dolfijn die op het punt staat onder te duiken; bij den kop van den
+dolfijn ligt Genève, en hier verlaat de Rhône het meer, die verder naar
+Lyon stroomt om vervolgens vlak ten westen van de groote havenstad
+Marseille in de Middellandsche Zee uit te monden.
+
+Genève is een der sierlijkste en schilderachtigste steden der wereld.
+Tusschen de noordelijke en zuidelijke helft der stad wordt het
+kristalheldere water, als door een trechter in de Rhône gestuwd, de
+stroom is sterk, en wordt door een langwerpig eiland in tweeën gedeeld.
+Het geheel herinnert levendig aan Stockholm; in ’t bijzonder ’s avonds
+wanneer overal het electrisch licht door den voortglijdenden stroom
+weerspiegeld wordt.
+
+Het prachtigst is echter het uitzicht naar het zuidoosten bij helder
+weer. Daar verheffen zich de Alpen van Savoye met hun schitterende, met
+sneeuw bedekte kruinen en bergruggen. Daar troont boven de Alpen, ja
+boven geheel Europa in trotsche majesteit de Mont-Blanc, die den
+grenspaal vormt tusschen Zwitserland, Frankrijk en Italië. Tegen den
+avond krijgen we den „Witten Berg” even te zien, maar spoedig hult zich
+de reus weder in een ondoordringbaren mantel van nevel.
+
+Van Genève uit voert ons de spoorbaan oostwaarts langs den noordelijken
+oever van het meer. Als een nevelachtige streep teekenen zich de Alpen
+van Savoye aan den horizon af. Voorbij Lausanne verdwijnen de nevelen,
+en weer verheffen zich in verblindenden glans de Alpen als geweldige
+torens en piramiden. Langs den oever strekt zich temidden van tuinen en
+parken een eindelooze rij van internationale hotels uit. Uit alle
+oorden der wereld komen reizigers hierheen om zich te verzadigen aan
+het natuurschoon en om hun longen te versterken door het inademen der
+reine Alpenlucht. Bij iedere bocht ontrolt zich een nieuw panorama, en
+in de herinnering smelt alles tezamen tot één onvergetelijk geheel.
+
+We verlaten thans het meer en volgen tusschen woeste rotsgevaarten de
+Rhône stroomopwaarts. Naarmate we hooger stijgen, wordt het dal nauwer.
+De Rhône is thans een bruisende bergstroom, haast onbeduidend in
+vergelijking met de breedte van den stroom bij Genève. In het dal
+breiden zich vlakke velden uit, op de hellingen verheffen zich donkere
+pijnboomen uit de sneeuw, en boven dat alles tronen de sneeuwtoppen der
+Alpen.
+
+Eenige minuten voorbij Brieg suist de trein in volle vaart het gebergte
+in. De electrische lampen branden, en alle raampjes zijn gesloten; de
+tunnel vult zich met rook, en de duizendvoudige echo maakt ons bijna
+doof. Hoezeer verlangt men naar de vrije lucht; door alle spleten
+dringt de rook naar binnen; maar hier heet het geduld oefenen, want de
+Simplon-tunnel met zijn lengte van 19731 meter is de langste der
+wereld. Ze is eerst enkele jaren oud. Van weerszijden werd
+tegelijkertijd begonnen, en toen men bij elkaar gekomen was, en een
+ontploffing de laatste scheidsmuur opruimde, bleek het dat men zich bij
+de berekeningen geen duimbreed vergist had!
+
+
+
+
+
+
+
+
+33. DE LAGUNENSTAD.
+
+
+Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de
+geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo
+inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld
+voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de
+„Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn!
+
+Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in
+snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600
+meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts
+en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts
+vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien
+minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een
+ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië.
+
+We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station
+verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos
+een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik.
+
+Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft,
+geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons
+kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil
+opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al
+deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog
+precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun
+zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan
+zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste
+verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert.
+
+We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn
+vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met
+bewonderenswaardige handigheid hanteert hij zijn roeispaan. Een
+doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en
+door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we
+waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na
+het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere.
+Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van
+Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar,
+aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw
+bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop
+het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de
+marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water
+schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige
+stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan
+onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met
+marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels.
+
+De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom
+andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige
+geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet
+voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot
+aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied
+van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en
+verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis
+dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen,
+aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld
+verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met
+de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee.
+Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen
+der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten”
+door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter
+dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten
+sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks
+kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een
+levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de
+verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien
+wisten te ontsnappen?
+
+We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en
+verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone
+Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is
+Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden,
+zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt.
+
+Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het
+Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”,
+oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het
+hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient
+tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië
+bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het
+plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met
+een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten.
+Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder
+het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den
+schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829
+uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het
+Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige
+zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche
+republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf
+het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende
+menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier
+onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen,
+de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande
+visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en
+aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen,
+Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt
+zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de
+maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco
+verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen
+is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en
+niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel
+afscheid.
+
+
+
+
+
+
+
+
+34. DWARS DOOR ITALIË.
+
+
+Wel moeten de verwachtingen hooggespannen zijn van hem, die van Venetië
+zijn eerste indrukken van Italië ontving, toen hij door de poorten der
+Lagunenstad zijn intrede in dit land deed. Wij echter komen op onze
+reis, van Zwitserland’s hemelhooge bergen in een heerlijk dal aan de
+oevers van het Lago Maggiore. Door steile bergen omringd, bevat dit
+donkerblauwe meer een groep kleine eilandjes, bezet met witte huizen,
+fraaie paleizen en groene parken. Een dezer eilandjes draagt den
+beroemden naam „Isola Bella”, het „mooie eiland”.
+
+Dan snelt de spoortrein de Lombardische vlakte in, die het grootste
+deel van Noord-Italië omvat, en waardoor de Po heenstroomt, alvorens in
+de Adriatische Zee uit te monden.
+
+De eerste groote stad, die nog geen bepaald Italiaansch karakter
+draagt, is Milaan. De straten zijn breed en goed geplaveid, de huizen
+modern gebouwd; men zou kunnen wanen zich in een groote Duitsche stad
+te bevinden. Ook van fabrieken, die in de kleinere Italiaansche steden
+nagenoeg geheel ontbreken, is Milaan ruimschoots voorzien.
+
+Maar twee wonderen herbergt de stad. Het eene is de Dom, een der
+prachtigste Gotische bouwwerken. In het middelpunt der stad verheft
+zich dit indrukwekkende Godshuis op een ruim plein. Eerst wanneer men
+de vijfhonderd treden, deels binnen in het gebouw, deels aan de
+buitenzijde van den toren bestegen heeft, kan men zich een voorstelling
+maken van de reusachtige afmetingen. Niet minder dan acht en negentig
+spitsen, versieren als een woud van marmer het dakwerk, en het aantal
+marmeren beelden dat aan de buitenzijde is aangebracht, moet ongeveer
+tweeduizend bedragen. Geen andere kerk is met pulk een kwistigen
+rijkdom van marmer voorzien. De oogverblindende schittering van al dit
+marmer, vormt een wonderbare tegenstelling met het mystieke
+schemerlicht dat daarbinnen, door de beschilderde glazen, heerscht;
+daglicht en schemering hebben hier een verbond gesloten, om dit
+meesterwerk van architectuur, waarover meer dan twee eeuwen gebouwd
+werd, een bijzondere bekoring te verleenen.
+
+Het tweede wonder van Milaan is het Heilige Avondmaal van Leonardo da
+Vinci. Deze schat bevindt zich in het refectorium van een klooster, dat
+tegen de kerk Santa Maria delle Grazia aangebouwd is; jammer is ’t dat
+de jaren slechts te duidelijk hun sporen op dit beroemde schilderstuk
+hebben achtergelaten. Maar nog steeds verkondigen de omtrekken en
+verbleekte kleuren het genie van Leonardo.
+
+De vruchtbare, dicht bebouwde vlakte van Lombardije biedt den reiziger
+geen bonte verscheidenheid van tafereelen. Eerst bij Piacenza, waar wij
+de Po oversteken, en waar reeds de noordelijke uitloopers der Apenijnen
+in ’t gezicht komen, wordt het terrein heuvelachtig. De trein voert ons
+langs den noordelijken rand der Apenijnen naar Bologna. Wij snellen de
+oude universiteitsstad Parma, waar de beroemde schilder Corregio
+arbeidde, voorbij evenals het overoude Reggio, de geboorteplaats van
+den dichter Ariosto. Dan volgt Modena, met zijn bijna duizendjarigen
+Dom en ten slotte bereiken we de vijftienhonderd jaar oude
+universiteitsstad Bologna.
+
+Gedurende de middeleeuwen, en ook tijdens de Renaissance, was Bologna
+de verzamelplaats van alle naar wetenschap, dorstende jongelieden. Hier
+heeft ook Ulrich von Hutten zich aan de bron der kennis gelaafd.
+Bologna’s geschiedenis reikt ver in het verleden terug. Reeds in de
+vijfde eeuw voor onze jaartelling werd een heftige strijd gevoerd om
+het bezit der stad, totdat het door de Romeinen tot een hunner koloniën
+gemaakt werd. Ook keizer Frederik Barbarossa had menigen harden kamp om
+Bologna te voeren. Zijn zoon Enzio werd in 1249 in den bloedigen slag
+van Forsalta gevangen genomen, en werd langen tijd als gijzelaar door
+de Bolognesers gehouden. Het paleis waar hij in gevangenschap zuchtte,
+en, volgens het verhaal, door de schoone Lucia Biadagola vertroost
+werd, is nog heden ten dage te zien. Bologna is rijk aan kerken en
+paleizen. Een der mooiste is de onvoltooide kerk San Petronio. Hier
+werd Karel V door Paus Clemens VII gekroond.
+
+De stad die op Bologna volgt, Ravenna, is het Pompeji uit den tijd der
+eerste Christenheid. Oorspronkelijk was Ravenna, evenals Venetië, een
+lagunen-stad. Ten tijde van keizer Augustus was het de oorlogshaven
+voor de vloot der Adriatische zee. Maar tegenwoordig ligt de stad op
+een afstand van tien kilometer van de zee verwijderd; zoozeer is in den
+loop der eeuwen de kustlijn veranderd! Talrijke monumenten verkondigen
+nog heden ten dage den glans der vroegere Germaansche heerschappij over
+Italië. Weliswaar zijn er van het trotsche paleis van Theoderik nog
+slechts enkele zuilen over, maar nog altijd verheft zich in
+indrukwekkenden eenvoud zijn grafmonument. Hier is ook de laatste
+rustplaats van Italië’s grootsten dichter, Dante. Bij Bologna begint de
+spoorweg naar Florence de Apenijnen te doorsnijden. Het landschap
+verliest nu zijn eentonigheid. Diepe dalen en ravijnen wisselen af met
+steile rotsgevaarten, watervallen en wilde bergstroomen. Alvorens
+Florence te bereiken komen we door meer dan 20 tunnels, want deze stad,
+de kroon van Toscane, ligt diep in het dal van den Arno verscholen.
+
+„La Bella”, de schoone, zoo noemen de Italianen Florence. Maar haar
+schoonheid springt niet dadelijk in het oog, zooals die van Venetië, ze
+is een schoonheid die slechts geleidelijk haar bekoorlijkheden
+tentoonspreidt.
+
+De aantrekkelijkheid der stad ligt in de kunstschatten die binnen haar
+muren besloten zijn. Men hoeft nog niet de Uffiziën of het Palazzo
+Pitti bezocht te hebben, men behoeft nog niet op de Piazza della
+Signoria met het burchtachtige Palazzo Vecchio gestaan te hebben, om
+deze bijzondere bekoorlijkheid van Florence op te merken. Bijna op
+elken hoek der straat, bij elke fontein worden wij door een kunstwerk
+getroffen, en worden we herinnerd aan de namen van een Leonardo, Michel
+Angelo of Rafaël.
+
+Niet ver van het station ligt een eenvoudige kerk, San Lorenzo genaamd,
+gebouwd door de Medici en andere Florentijnsche families. Deze kerk
+biedt weinig aantrekkelijks voor het oog, maar ze bevat de mooiste en
+zinrijkste grafmonumenten ter wereld. Ze zijn vervaardigd door Michel
+Angelo. Het was zijn plan om in deze kleine kapel nog meer van zulke
+meesterwerken op te richten, maar verstoordheid over het omverwerpen
+der republiek benam hem hiertoe den lust. Zoo hebben deze
+grafmonumenten, behalve hun oorspronkelijk doel, den roem der Medici
+door alle tijden heen te verkondigen, nog een tweede beteekenis; ze
+zijn de laatste getuigenissen der Florentijnsche kunst, die met den val
+der republiek uitstierf. Nauwelijks een eeuw had dit bloeitijdperk
+geduurd, maar gedurende dezen tijd zijn er binnen de muren van Florence
+zoovele kunstschatten opgehoopt, dat de stad voor altoos „La Bella” zal
+blijven heeten.
+
+Zuidelijk van Florence komen de sporen der antieke wereld duidelijker
+voor den dag dan die der Renaissance. Reeds het Trasmeensche meer,
+langs welke Westelijken oever we voorbij sporen, wekt de herinnering
+aan het oude Rome. Hier versloeg Hannibal in 217 v. Chr. het leger van
+den onvoorzichtigen Romeinschen consul Flaminius. Van af de bergtoppen
+der Apenijnen zien nog trotsche, ommuurde burchten uit de middeleeuwen
+op ons neer, en de een of andere bergvesting als Perugia of Siena
+herinneren ons aan de Renaissance; maar hoe meer we het dal van den
+Tiber naderen, des te talrijker worden de overblijfselen uit de
+oudheid, om eindelijk in de Campagne, en in Rome zelf, uit tal van
+ruïnes te verhalen van een wereld waaraan ook wij, bewoners van
+noordelijke gewesten, het grootste deel van onze beschaving te danken
+hebben. Daar ligt de eeuwige stad voor ons! Beschenen door de stralen
+der zon, schittert de vergulde koepel van den St. Pieter als een
+hemelsch vuur boven Rome!
+
+
+
+
+
+
+
+
+35. DE EEUWIGE STAD.
+
+
+Rome is onuitputtelijk. Het groeit onder de voeten van den bezoeker. In
+2600 jaren zijn steeds nieuwe bouwwerken boven de ruïnen van een
+vroegeren tijd verrezen. Van wat in de diepste lagen verborgen ligt,
+het Rome uit den tijd der koningen, heeft men nog nauwelijks eenig
+vermoeden. Daarop volgde het Rome der republiek, en vervolgens het Rome
+van den keizertijd, de wereldstad, toen vanuit het Palatinum de
+Caesaren hun scepter zwaaiden over de geheele, toenmaals bekende
+wereld; van het nevelachtige Brittannië, en de duistere wouden van
+Germanië, tot aan de gloeiende zandvlakten van Afrika, van de bergen
+van Spanje, tot aan Galilea, het land der Joden. Talrijke
+overblijfselen uit deze tijden van Rome’s wereldheerschappij zijn nog
+heden temidden van het moderne straatgewoel overgebleven. Monsters op
+den troon der Caesaren hebben de stad verwoest, teneinde de herinnering
+aan hun voorgangers uit te wisschen, en slechts hun eigen roem aan het
+nageslacht over te leveren. Vandalen, Gothen en andere barbaren hebben
+Rome geplunderd. „Rome is niet op één dag gebouwd”—maar ook hebben
+tweeduizend jaren Rome’s heerlijkheid niet kunnen vernietigen!
+
+Op het Rome van den keizertijd volgen nieuwe lagen, de christelijke
+tijd, de middeleeuwen en de nieuwere tijd met hun tallooze kerken,
+kloosters, musea, en machtige paleizen. Het christendom bouwde op de
+bouwvallen van het heidendom, het verleden en het heden gaan onmerkbaar
+in elkaar over. Op het Kapitool staat de Romeinsche keizer Marcus
+Aurelius, en op den anderen Tiber-oever staart Garibaldi, de
+vrijheidsheld van het jonge Italië over de eeuwige stad heen. Men rijdt
+door een moderne straat met prachtige winkels, en in weinige minuten
+staat men op het Forum Romanum, het Romeinsche marktplein, het hart van
+het oud-Romeinsche rijk, het tooneel van volksverzamelingen,
+gerechtszittingen en handelszaken. Het Forum geleek op een marmeren
+zaal in de open lucht, waardoor de triumfators omstuwd van
+wapenbroeders en gevangenen zich naar het Kapitool begaven, om daar hun
+offer te brengen aan Jupiter. Heden zijn nog eenige zuilen en
+bouwvallen overgebleven van al de pracht waarmede Julius Caesar en
+keizer Augustus het plein versierden. Zoo juist dwaalde men nog als een
+vroom pelgrim door de St. Pieterskerk rond, en reeds bevindt men zich
+onder den triomfboog van Titus, die opgericht werd ter herinnering aan
+de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr.!
+
+Zoo dwaalt men in Rome rond, tusschen gedenkzuilen en triomfbogen,
+tusschen tempel en theater, en vergeet bijna dat bijkans tweeduizend
+jaren verloopen zijn, sedert de stemmen van krijgers, priesters en
+tooneelspelers onder al deze geweldige bogen, voor het laatst
+weerklonken. Op de trappen die naar het Kapitool voeren, wordt men
+herinnerd aan de stichting van Rome; in een door een ijzeren hekwerk
+omsloten grot loopen twee wolven heen en weer, vruchteloos een uitweg
+zoekend; en boven op den heuvel zien we het bronzen beeld der wolvin
+die Romulus en Remus zoogde. Volgens de sage werden beide knapen aan
+den oever van den Tiber te vondeling gelegd, maar door de wolvin
+gevonden en in het leven gehouden. Romulus grondvestte 750 jaar voor
+het begin onzer jaartelling de eeuwige stad, en werd Rome’s eerste
+koning.
+
+Tal van gangen en gewelven bedekken den Palatijnschen heuvel, het zijn
+de overblijfselen der paleizen van de Romeinsche keizers. Op de
+hellingen groeien sinaasappelen tusschen de varens en klimopranken, en
+door de oude pijnboomen en cypressen ruischt een wegstervende echo uit
+lang vervlogen tijden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+36. PAUS PIUS X.
+
+
+Italië’s koning heerscht over 35 millioen onderdanen. Zijn hoofdstad
+Rome is echter ook de zetel van een ander machtig vorst, wiens rijk
+niet van deze wereld is. Zijn troon is de stoel van den heiligen
+Petrus, zijn wapens zijn de drievoudige kroon, de Tiara, en de
+gekruiste sleutels die de poort van het hemelrijk openen en sluiten.
+Aan hem zijn de 270 millioen Katholieken over de geheele wereld
+onderworpen! Hij is een vrijwillige gevangene in het Vatikaan, een
+groep van hooge paleizen, dat wel tienduizend zalen en vertrekken
+omvat. Hier zijn musea, bibliotheken en handschriftenverzamelingen van
+onschatbare waarde bijeengebracht, alleen de beeldengalerij van het
+Vatikaan is de rijkste der wereld. De Sixtijnsche kapel is door Michel
+Angelo met reusachtige schilderstukken versierd; de prachtige
+plafondschildering stelt de schepping, de zondeval en de zondvloed
+voor; een muurschildering toont ons het jongste gericht.
+
+Aan de westzijde van het Vatikaan liggen de tuinen van den paus, en
+zuidelijk daarvan verheft zich de St. Pieterskerk, het geweldigste
+bedehuis der christenheid.
+
+Het Vatikaan, met alles wat er bij behoort, vormt een stad op zichzelf,
+en wel de machtigste stad op de geheele wereld, een zetel van kunst en
+geleerdheid, en bovenal, is het ’t brandpunt van een machtig
+kerkgenootschap. Van hieruit slingert de Paus zijn banbliksem over
+ketters en zondaren, en van hieruit bewaakt hij de geloovigen van zijn
+werk volgens het driemaal herhaalde woord van den Heiland tot Petrus:
+„Weidt mijne lammeren!”
+
+Toen den 20sten Juli 1903, de vorige Paus, Leo XIII stierf, kwamen de
+kardinalen bijeen om zijn opvolger te kiezen. Onder deze bevond zich
+ook de bejaarde patriarch van Venetië, kardinaal Giuseppe Sarto. Toen
+deze zijn geliefd Venetië verliet, om voor de Pauskeuze naar Rome te
+reizen, nam hij aan het station een retourkaartje! Maar, daar hij het
+was, die tot Paus gekozen werd, zal hij zijn Venetië, en het landhuis
+waar hij als kind gespeeld heeft, nimmer weer zien; want als heerscher
+in het Vatikaan, heeft hij van zijn vrijheid afstand moeten doen.
+
+Op zekeren Februaridag van het jaar 1910 bevond ik me op weg naar het
+Vatikaan. Een vriend uit Italië vergezelde me. We reden over de
+Engelen-brug, en voor ons verhief zich de statige Engelen-burcht, door
+keizer Hadrianus 1800 jaar geleden opgericht als zijn eigen
+grafmonument. Na links afgeslagen te zijn, kwamen we aan het St.
+Pietersplein, dat, begrensd door St. Pieterskerk, Vatikaan en
+zuilengangen, een der indrukwekkendste pleinen ter wereld is. Tusschen
+de ruischende fonteinen, staat een obelisk, op bevel van keizer
+Caligula uit Egypte hierheen gebracht. Reeds lang vóór den tijd van
+Mozes zag deze obelisk neer op Egypte’s woestijn. Aan zijn voeten
+hebben de kinderen Israël’s in hun gevangenschap hun liederen gezongen.
+Ten tijde van Nero, zag hij duizenden Christenen den marteldood
+sterven. Nog heden verheft hij zich, vijf en twintig meter hoog,
+bestaande uit een enkel stuk steen, ongedeerd door den tijd en
+onaangetast door menschenhanden. Aan de noordzijde van het plein
+bevindt zich de poort van het Vatikaan. Hier houdt de Zwitsersche Garde
+in middeleeuwsche uniform, de wacht. In prachtige, met roode zijde
+behangen vertrekken wachten talrijke pelgrims, monniken en prelaten het
+oogenblik af, waarop ze tot Zijne Heiligheid zouden worden toegelaten.
+Een voornaam priester, gekleed in violet gewaad, ging ons voor, om ons
+aan te dienen, en door de geopende deur zag ik, hoe hij nederknielde
+terwijl hij met den Paus sprak.
+
+Spoedig was het mijn beurt om toegelaten te worden. In een ruim, rood
+behangen vertrek zat Pius X aan zijn schrijftafel. Bij mijn binnenkomst
+stond hij op, en reikte mij zijn fijngevormde doch krachtige hand.
+Daarop namen wij plaats. De Paus leunde met de ellebogen op de
+schrijftafel, en hield het hoofd op de handen gesteund; hij begon over
+Tibet te spreken. Hij vroeg of de zending in dat land eenige kans op
+succes had. Ik moest antwoorden dat Tibet tegenwoordig voor alle
+Europeanen gesloten is, maar dat vroeger Italiaansche monniken er als
+zendelingen werkzaam geweest waren. Toen ik onder anderen Odorico uit
+Pordenone noemde, die in de 14de eeuw Tibet bereisd had, luisterde de
+Paus vol belangstelling; want die naam was hem goed bekend, immers
+Pordenone is een dorp uit zijn eigen geboortestreek!
+
+Pius X geeft den indruk van grooten christelijken deemoed, van
+eenvoudige, vriendelijke zachtmoedigheid, en zijn stem klinkt week en
+ernstig. Ook zijn uiterlijk komt, door de witte kleeding die tegen het
+roode behangsel van het vertrek afsteekt, uitstekend tot zijn recht.
+Hij droeg een langen dichtgeknoopten priesterrok met een breeden gordel
+en een schouderkraag, en op het witte haar droeg hij een wit kapje. Om
+zijn hals fonkelde een gouden ketting met een groot kruis.
+
+Tusschen het Vatikaan en de St. Pieterskerk liggen slechts enkele
+schreden. We betreden het prachtige voorportaal en komen door een der
+vijf gewelfde bronzen deuren in de kerk zelf. Eerbied en bewondering
+overweldigen ons, zoo indrukwekkend zijn hier alle afmetingen! Nu eens
+verlustigt zich onze blik in de bonte, hemelhooge gewelven, dan weer in
+de eindelooze zuilenrijen, nu eens worden we geboeid door een
+mozaiekwerk, dan weer door een grafteeken. Hoe lang zou men hier niet
+moeten ronddwalen om aan al deze heerlijkheid eenigszins recht te doen
+wedervaren! Rome is niet in één dag gebouwd, luidt het spreekwoord.
+Voor het bouwen van de St. Pieterskerk waren alleen al honderd en
+twintig jaren noodig, gedurende welken tijd twintig Pausen elkaar
+opvolgden! Italië’s grootste meesters waaronder Rafaël en Michel Angelo
+hebben het beste van hun scheppingen gewijd aan dezen tempelbouw, die
+het graf van den apostel Petrus omsluit. De kosten bedroegen twee
+honderd en vijftig millioen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+37. „BROOD EN SPELEN”.
+
+
+„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche
+gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers
+van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd
+tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater
+was het Circus Maximus dat aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier
+werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden
+wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen.
+Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij
+tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de
+keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en
+bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel
+gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte
+zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op.
+
+Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar
+64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele
+stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen
+reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor
+altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het
+Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde
+zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd
+en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de
+verwoesting van Troje.
+
+Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf
+Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn
+waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat
+van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde
+hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden
+immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad
+vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning
+der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat
+zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De
+leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen
+geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis
+gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het
+Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en
+uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als
+kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in
+verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou
+het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten.
+
+In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen,
+bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen
+liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te
+prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun
+hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het
+op handen zijnde schouwspel!
+
+De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige
+draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van
+krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur
+van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de
+banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en
+zijn hovelingen.
+
+De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen
+betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze
+helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een
+drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van
+zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der
+beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene
+begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar
+los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor
+Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten
+U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept,
+en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te
+bedekken.
+
+Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare
+wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in
+dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn
+zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang
+klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome.
+
+Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep
+wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar
+met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun
+prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch.
+Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun
+honger. Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik
+waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang.
+
+Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor
+de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort.
+Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen
+losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht
+van het bloed den geheelen circus vervult.
+
+Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich
+eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het
+gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen
+buiten Rome.
+
+Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het
+Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich
+nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen.
+Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat.
+Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd
+onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die
+ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen
+verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en
+vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst,
+die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat
+ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De
+zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de
+muren van het theater.
+
+Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena
+en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen.
+Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van
+overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in
+purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart
+gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende
+wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun
+witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt
+haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend
+was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke
+vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten uit alle
+landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië
+en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte.
+
+Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet
+overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het
+theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen
+stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit
+over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt,
+beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken.
+Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de
+onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten
+werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed
+gedrenkt.
+
+Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door.
+En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het
+vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet
+vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun
+wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de
+onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde
+doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het
+overwinningslied der martelaren ten hemel!
+
+Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts
+speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren
+meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak
+van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd,
+waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten
+tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit
+kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water
+rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan
+in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en
+het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena
+door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden
+gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer
+Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden
+twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en
+tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op.
+
+
+
+
+
+
+
+
+38. IN DE CATACOMBEN.
+
+
+Niet ver van het Colosseum ligt het begin van een der oudste en
+beroemdste wegen, die ooit door menschenvoeten betreden zijn, de
+Appische weg. Hierlangs hielden keizers en legeraanvoerders hun
+zegevierenden intocht in Rome; hierlangs werden ze na hun dood
+uitgedragen om op brandstapels verbrand en in hun familiegraven
+bijgezet te worden. Hierlangs schreden in duisteren nacht de
+christenen, om de overblijfselen hunner, in de arena omgekomen,
+geloofsgenooten aan het onderaardsche Rome toe te vertrouwen. Langs den
+Appischen weg kwam ook Paulus Rome binnen, omstuwd door een schare
+christenen, die hem, zooals men in het laatste hoofdstuk van het boek
+der Handelingen lezen kan, tegemoet gegaan waren. Nog heden staat aan
+de Via Appia een kleine kapel; ze is geheeten „Quo vadis?” („waarheen
+gaat ge?”); aan deze kapel is de volgende sage verbonden:
+
+Nadat de apostelen Petrus en Paulus negen maanden lang in den
+Mamertijnschen kerker gevangen gezeten hadden, werd het doodvonnis over
+hen beiden geveld. Als Romeinsch burger zou Paulus met het zwaard
+worden terechtgesteld; Petrus echter werd tot den onteerenden kruisdood
+veroordeeld.
+
+Doch in den nacht, voorafgaande aan den dag waarop het vonnis
+voltrokken zou worden, kwamen de gevangenbewaarders bij de gevangenen,
+bevrijdden hen van hun boeien en fluisterden hun toe: „Vlucht, voor het
+te laat is!” Paulus vluchtte niet, hij was bereid om voor zijn geloof
+te sterven. Petrus echter kon, volgens de sage, de verzoeking niet
+weerstaan. Het was een duistere nacht, de regen stroomde kletterend op
+het marmeren plaveisel van het Forum neer, en de storm huilde door de
+zuilengangen. Over de verlaten markt voortsnellend, bereikte hij een
+der stadspoorten en ontvluchtte Rome langs de Via Appia. Wel sprak zijn
+geweten, maar hij trachtte het tot zwijgen te brengen door te denken
+aan al de bekeeringen, die hij zou volvoeren, indien hem nog eenige
+jaren levens vergund werden.
+
+De storm bedaarde en de lucht werd helder. Daar bespeurde Petrus voor
+zich uit een lichtschijnsel, dat hem tegemoet kwam. Het licht was niet
+geel, zooals van vuur, maar blauwachtig als het schijnsel van sterren,
+en toen het nabij gekomen was, zag Petrus dat het licht van een
+stralenkrans uitging, die het hoofd omgaf van een man, gehuld in een
+lang wit gewaad.
+
+Petrus gevoelde bij dezen aanblik een wondere ontroering. Toen de
+onbekende twee schreden aan Petrus voorbij was, wendde hij zich om en
+zag den apostel met denzelfden weemoedigen zachten blik aan, dien
+Petrus zich zoo wel herinnerde van drie en dertig jaar geleden, in den
+hof van den hoogepriester Kajafas. Hij wierp zich voor Jezus’ voeten,
+en vroeg:
+
+„Heer, waarheen gaat ge?”
+
+En Jezus antwoordde: „Naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden!”
+
+Toen boog Petrus het oude, moede hoofd ter aarde, en weende bitterlijk.
+Toen hij zich weder ophief, was de Meester verdwenen, en de apostel
+stond alleen op de Via Appia.
+
+Opnieuw was de storm opgestoken, en zware wolken joegen over de
+Campagna naar de Appenijnen. Zonder aarzeling, keerde Petrus om, en
+snelde naar Rome terug. Onderweg ontmoette hij een vrijgelaten slaaf,
+dien hij zelf gedoopt had.
+
+„Heer, waarheen gaat ge?” vroeg de slaaf verbaasd. En Petrus
+antwoordde: „Naar Rome om gekruisigd te worden!” Met vluggen tred ging
+hij verder, ging weer over het Forum, en daalde in de Mamertijnsche
+gevangenis af. Hier liet hij zich door den gevangenbewaarder de ketenen
+weer aanleggen.
+
+Den volgenden dag bracht men hem naar een heuvel waar het kruis reeds
+opgericht was. Daar hij zichzelf evenwel voor onwaardig hield om in
+dezelfde houding als zijn Heiland te sterven, vroeg hij den Romeinschen
+krijgsknechten om de gunst om met het hoofd naar omlaag aan het kruis
+genageld te mogen worden.
+
+Langs de Via Appia gaat men ook wanneer men de onderaardsche catacomben
+wil bezoeken.
+
+Twee monniken met waskaarsen voeren ons een trap omlaag, en dan gaat
+het door smalle gangen die een duister en vochtig labyrint onder de
+aarde vormen. De meeste gangen zijn slechts een meter breed, het dak is
+gewelfd, en in de wanden ziet men ontelbare nissen waar de christenen
+hun ontslapene broeders en zusters bij zetten. Men legde het lijk in
+een doek; kruiste de armen over de borst, wendde hun gezicht naar het
+Oosten. De nissen werden afgesloten met een marmeren plaat, of met
+eenige tichelsteenen, en dan zongen de rouwdragers, met fakkels in de
+handen, geestelijke liederen.
+
+Hoevele lijkstoeten zullen zich wel door deze gangen hebben
+voortbewogen! Hier rustten de martelaren. Hier verzamelden zich de
+christenen tot gemeenschappelijk gebed of beraadslagingen, en nog in de
+vijfde eeuw vierden ze hier in den schoot der aarde feesten ter
+herinnering aan hun martelaren.
+
+Een steile, donkere trap brengt ons nog een verdieping lager. Vaak
+liggen vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarvan de diepste meer
+dan twintig meter beneden den grond ligt. Alle gangen tezamen vormen
+een lengte van negenhonderd kilometer, en overal vindt men nissen in de
+wanden; het onderaardsche Rome bevat meer dan drie millioen zulke
+graven!
+
+Het zou levensgevaarlijk wezen, zich hier zonder een gids te wagen. Men
+zou doelloos ronddwalen, vergeefs een uitweg zoeken, nu eens rechtsom,
+dan weer ter linkerzijde een zijgang inslaan. Wanneer de waskaars
+opgebrand was, zou men al tastend den weg zoeken, telkens struikelend
+zou men al verder en verder verdwalen. Niet het geringste geluid!
+Alleen de echo zou op het hulpgeroep antwoorden. De waanzin zou als
+verlosser komen en men zou het hoofd te pletter stooten tegen een der
+grafsteenen in deze doodenstad!
+
+In de musea, vooral in het Vatikaan, bevinden zich tal van marmeren
+gedenkplaten uit dezen oud christelijken tijd. De inschriften zijn in
+het Latijn of Grieksch geschreven, en bevatten vaak zinnebeeldige
+voorstellingen waarbij de visch de Heiland, het olijvenblad de vrede,
+een schip het menschenleven, de duif de ziel van den afgestorvene, het
+anker de hoop op de opstanding, en de palmtak de zege der zaligen
+beteekent.
+
+Niets is treffender dan deze grafsteenen met hun korte, veelzeggende
+afscheidswoorden. Voor de antieke marmeren beelden staat men in stomme
+bewondering; hier echter, te midden der schatten van deze doodenstad,
+hoort men de steenen spreken. Voor ongeveer tweeduizend jaren hebben de
+levenden, vaak in onbeholpen schrift, hun geloof, hun liefde, hun
+droefheid en hun hoop aan deze steenen toevertrouwd.
+
+Maar wij moeten afscheid nemen van Rome. Er is echter een middel om
+zich de terugkomst in de eeuwige stad te verzekeren.
+
+Ik heb het zelf geprobeerd. Op een klein plein in Rome verheft zich
+voor den voorgevel van een prachtig paleis de Fontana Trevi. De zeegod
+staat op zijn wagen, een reusachtige schelp, die door twee zeepaarden
+wordt getrokken. Door tritons geleid willen zij over den rand van de
+nagemaakte rotsen springen, waarover het water in hel-groene golven en
+witte stralen afstroomt, om beneden in een rond bassin saam te vloeien.
+
+Als de laatste avond van uw verblijf te Rome is aangebroken, begeeft u
+dan naar de Fontana Trevi. Hier werpt gij—voor de straatjongens—een
+klein geldstuk in het bassin; laat uw hand volloopen onder een der
+waterstralen en drinkt van het water van Rome—dan zal u de toovermacht
+van den zeegod gevangen houden, en uw ziel zal geen rust vinden,
+voordat gij nog eens uw schreden hebt gericht naar de Eeuwige Stad!
+
+
+
+
+
+
+
+
+39. POMPEJI.
+
+
+Weer eenige uren langs glinsterende rails en wij zijn te Napels. Ginds
+in het Oosten broedt de kegel van den Vesuvius, als een vuurspuwende
+draak over den zeeboezem, aan welks oever steden en dorpen en stralend
+witte landhuizen, zoo dicht naast elkaar liggen, als de kralen van een
+rozenkrans. Op de met lava geplaveide straten van Napels loopen wij
+rond en kunnen ons niet verzadigen aan het gezicht van de prachtige,
+bruine gezichten, de bonte, morsige kleederdrachten. Steeds weer zouden
+wij de melodieuse liederen willen hooren, die ter eere van het
+liefelijk Napels weerklinken. „Napels zien en dan sterven” is een
+Italiaansch spreekwoord, het wil zeggen dat voor hem die Napels niet
+zag, het leven geen waarde heeft!
+
+Wij gaan het nationaal museum binnen en nu verdwijnen voor ons het
+bonte leven daarbuiten op de straten, de blauwe Golf van Napels en de
+krans van groenende tuinen. Hier overweldigt ons het verleden, dat in
+een grootsche verzameling van kunstwerken, beelden en schilderijen uit
+Pompeji ons tegemoet treedt.
+
+In de zevende eeuw voor de geboorte van Christus, werd niet ver van de
+kust, aan de Golf van Napels, aan den zuidelijken voet van den Vesuvius
+de stad Pompeji gesticht. Ongeveer tachtig jaar voor onze tijdrekening
+kwam ze onder Romeinsche heerschappij en gedurende de volgende honderd
+vijftig jaren ontwikkelde zij zich in architectuur, taal en gewoonten
+tot een echte Romeinsche stad. Een muur met torens omringde de huizen
+en straten met haar 20.000 inwoners en bij het invallen van den nacht
+werden de acht stadspoorten gesloten. Op het voornaamste plein, het
+Forum, waar volksvergaderingen en feesten werden gehouden, verhief
+zich, tusschen open hallen en zuilengangen en een reeks marmeren
+beelden, de tempel van Jupiter.
+
+Op het tweede plein stonden het theater en een oude Grieksche tempel.
+
+Pompeji werd spoedig een lievelingsstad der aanzienlijke Romeinen, die
+in het stadsgebied zelf van Pompeji of in de wonderschoone omgeving
+ervan prachtige villa’s lieten bouwen. Een dezer villa’s, bij de
+noord-westelijke stadspoort, behoorde aan den beroemden redenaar en
+schrijver Cicero, die van tijd tot tijd in dezen, zijnen „Tusculum”,
+ontspanning zocht van het geraas en het onrustige leven in Rome. Men
+weet heel nauwkeurig dat hij zich hier het laatst ophield in het jaar
+44 na Christus, kort na den moord van den grooten Julius Caesar.
+
+Niet ver van de villa van Cicero liep noord-westelijk de „Weg der
+Graven”, die evenals de Appische heirweg aan beide zijden door
+grafmonumenten is begrensd, van de eenvoudigste gedenksteenen, tot de
+kostbaarste altaren en tempels; zij bevatten alle de urnen met het
+gebeente en de asch der dooden.
+
+De straten waren recht en regelmatig aangelegd, eenige breed, vele heel
+smal. Zij waren met lavazerken, geplaveid en verhoogde trottoirs liepen
+langs de huizen. Langs eenige straten waren aan beide zijden winkels,
+hier en daar was een rij steenen dwars over de straat gelegd, opdat de
+voetgangers na hevige stortregens, die destijds evenals nu nog alle
+wegen in kanalen en rivieren veranderden, droogvoets aan den anderen
+kant konden komen.
+
+Pompeji bezat vele baden, die prachtig en met de uiterste
+geriefelijkheid waren ingericht. Uit steen opgetrokken, waren zij koel
+en donker, en boden gedurende den warmen zomer een heerlijke
+verkwikking. Men legde zijn kleeren in de nissen van de ontkleedhal, en
+liep van het eene badkamertje naar het andere, om eerst een heet
+luchtbad, dan een warm bad, en eindelijk een koud bad te nemen. De
+muren van de kamer voor het koude bad waren met schilderijen versierd,
+die schaduwrijke bosschages en donkere wouden voorstelden; de blauw
+gewelfde zoldering was met gouden sterren bezaaid, en het zonlicht viel
+slechts door een klein rond venster naar binnen; daardoor geleek het
+bassin op een klein meer in een bosch, onder den vrijen hemel. Men liet
+zich door de badknechten masseeren en met welriekende oliën inwrijven.
+
+De huizen der welgestelde burgers waren met uitgezochten smaak, en
+grooten kunstzin ingericht. Naar de straatzijde toe was niet veel meer
+te zien dan kale, gelijkvormige muren, want de oude Romeinen wilden het
+heiligdom van hun tehuis niet laten ontwijden door het geraas der
+straat en de nieuwsgierigheid der voorbijgangers. Precies zoo is het
+ook nu nog, zooal niet in Italië en Griekenland dan toch in het gansche
+Aziatische Oosten. In het inwendige wordt daarentegen des te grooter
+pracht tentoongesteld. Hier stonden beelden en busten, onder open
+zuilengangen, geurende, weelderige bloembedden, en midden in de
+voornaamste zaal, in het „atrium” was in den mozaïeken vloer een
+marmeren bassin aangebracht. Door een vierkante opening in de zoldering
+boven het bassin, keken zon en maan binnen, en de regen vermengde vaak
+zijn droppels met de stralen van de steeds klaterende fontein.
+
+Indien de heer des huizes een gastmaal gaf, dan droegen slaven tafels
+aan, en terwijl ze op lange rustbedden lagen, gebruikten zij de
+overdadige spijzen; dronken, schertsten en luisterden onderhand naar de
+tonen der fluiten, citers en cimbalen en volgden met slaperige, door
+het gebruik van wijn verduisterde oogen de bewegingen van danseressen.
+
+Dat was een gelukkige tijd van ongestoorde rust voor Pompeji! Men
+genoot van de gaven der wouden, der tuinen en van de zee, dreef handel,
+vervulde zijn ambtsplichten en verzamelde zich voor beraadslagingen op
+het Forum, op welks steenen zerken de marmeren zuilen koele schaduwen
+wierpen. Wie dacht aan den nabijzijnden Vesuvius! Sedert duizenden
+jaren was de vulkaan reeds uitgebluscht en op oeroude lavastroomen
+stonden oeroude boomen en tegen de hellingen van den berg rijpten in de
+zon de heerlijkste druiven, waaruit nog tegenwoordig een wijn wordt
+geperst, die „de tranen van Christus” heet. De sage vertelt, dat de
+Heiland eens op zijn omwandeling op aarde, den Vesuvius heeft
+beklommen, en eerst is blijven staan in stomme bewondering over het
+heerlijke landschap dat de Golf van Napels omgeeft. Daarna zou Hij,
+door leed, over deze plaats der ijdelheid en der zonde bitter hebben
+geschreid. En juist op de plaats waar zijn tranen op aarde
+neerdruppelden, ontsproot een wijnrank, die haars gelijke niet had!
+
+
+
+
+
+
+
+
+40. ONDER DE ASCH VAN DEN VESUVIUS.
+
+
+Een jaar voor den brand van Rome werd Pompeji door een geweldige
+aardbeving geschokt, maar de bewoners vatten weer gauw moed en bouwden
+hun stad weer schooner en prachtiger op. Zestien jaren gingen voorbij,
+toen viel de meest vernietigende slag, die ooit een stad heeft
+getroffen sedert Sodom en Gomorrha door vuur uit den hemel werden
+verteerd.
+
+Plinius de Oudere, die ons een onsterfelijk natuur-wetenschappelijk
+werk heeft nagelaten, was destijds bevelhebber over de Romeinsche
+vloot; ze lag in de bocht van Napels voor anker, terwijl hij zelf
+vertoefde bij zijn zuster, op een plaats niet ver van Pompeji. Plinius
+de Jongere, zijn neef, een jonge man van achttien jaren, was eveneens
+bij zijn moeder te gast.
+
+De 24ste Augustus van het jaar 79 brak aan. De Vesuvius had zich zoo
+lang stil gehouden, maar nu kende zijn woede geen grenzen. In den loop
+van enkele uren begroef hij Pompeji en nog twee andere steden,
+Herculanum en Stabiae onder een regen van puimsteen en asch en onder
+een stroom gloeiende lava en heete modder. Onder hen die er het leven
+bij verloren behoorde ook Plinius de Oudere.
+
+Verscheidene jaren later schreef de geschiedschrijver Tacitus aan
+Plinius den Jongeren en verzocht hem eenig bericht te geven over den
+dood van zijn oom. Deze geschriften zijn nog bewaard. Plinius
+beschrijft hoe zijn oom beneden aan het strand door een regen van asch
+en zwaveldampen stikt. Hij zelf had gezien hoe vurige vlammen uit den
+krater opstegen en hoe de Vesuvius een zwarte wolk uitspuwde die zich
+omhoog, als de kroon van een pijnboom vertakte. Hij was met zijn moeder
+gevlucht in den voorhof van haar huis; maar toen de grond onder hun
+voeten begon te wankelen en de lucht zich met asch vulde, snelden zij
+met nog een menigte menschen weg. Zijn reeds bejaarde moeder smeekte
+hem zich toch door een haastige vlucht te redden, maar hij wilde haar
+niet alleen laten. „Dikke rookerige duisternis,” zoo luidt zijn
+beschrijving, „welfde zich dreigend boven ons. Zij overstroomde de
+aarde als een voortstormende rivier, en golfde achter ons aan. „Laat
+ons terzijde afslaan,” zeide ik, „zoolang wij nog kunnen zien, opdat
+wij onderweg niet vallen en in de duisternis, door hen, die ons volgen,
+worden vertreden.” Ternauwernood waren wij gelukkig aan het gedrang
+ontkomen, of diepe nacht omringde ons reeds, een nacht, niet alleen
+zonder maan of bewolkt, maar zooals hij in dichtgesloten ruimten
+heerscht, waar het licht is uitgebluscht.” Dan vertelt Plinius hoe de
+vluchtenden kussens op hun hoofd bonden om niet verpletterd te worden
+door neervallende steenen en hoe men onophoudelijk de asch van zich
+moest afschudden om niet door den last daarvan op den grond te worden
+gedrukt. Hij zelf bleef onder deze gebeurtenissen heel kalm, want hij
+was er van overtuigd, dat de geheele wereld nu ten onder moest gaan.
+
+Door deze uitbarsting van den Vesuvius werd Pompeji onder een dikke,
+zes meter hooge laag puimsteen en asch begraven. Nog vele jaren later
+gingen de bewoners van omliggende streken er heen om met spaden
+allerhande uit te graven. Maar daarna daalde Pompeji in den nacht der
+vergetelheid en sliep 1500 jaren onder de aarde. Maar na 1500 jaren
+werd de stad weer ontdekt en men begon opnieuw te graven. Akkers,
+moerbeiboschjes en landgoederen waren intusschen op het kleed van het
+geweldige bed van asch opgegroeid. Maar pas vijftig jaar geleden begon
+de navorsching van den nieuwen tijd met ernst de bedolven stad op te
+graven, en nu heeft men het reeds voor meer dan de helft gedaan.
+Tegenwoordig kan de vreemdeling ongehinderd door haar straten rijden,
+de oude winkels en baden inzien en de prachtige muurschilderingen in de
+paleizen der aanzienlijken bewonderen. De zuilen van den tempel van
+Jupiter, die zoo lang in ondoordringbaren nacht begraven waren—werpen
+nu weer, in de verblindende zon hun schaduw op dezelfde steenen zerken
+van het Forum als te voren. De Weg der Graven is opengelegd en jonge
+cypressen schieten omhoog tusschen de grafteekenen. De dooden, die voor
+den tweeden keer begraven werden, toen de Vesuvius zijn asch over hen
+uitspreidde, luisterden nu opnieuw naar de schreden van een jong
+geslacht, buiten op de straat.
+
+Maar de ongelukkigen, die levend onder den aschregen werden begraven,
+zijn lang tot stof vergaan, en toch zijn er nog en in de musea kunnen
+wij hen met verwrongen ledematen, het gelaat op den grond gedrukt, zien
+liggen precies in de houding, die zij innamen, toen zij neervielen en
+de asch hen bedekte. Want zoo bleven zij als in een gietvorm 1800 jaren
+liggen! Hun stof werd weer aarde, maar de ontstane ledige ruimte bleef
+bestaan, en als men gips in zulke holten giet, dan verkrijgt men een
+levendig afbeeldsel van die menschen in het oogenblik van hun dood!
+Hier ligt een vrouw, die voor haar huis is neergestort en krampachtig
+een buidel van goud en zilver met beide handen omklemd houdt; ginds een
+man, wiens hoofd zwaar op de ellebogen is neergevallen en daar een
+hond, die zich ineen heeft gerold, voordat hij stikte. Zoo is de
+slapende stad tot nieuw leven ontwaakt en de dooden zijn teruggekeerd
+uit het rijk der schaduwen.
+
+Onverbiddelijk heeft de spade alle geheimen van Pompeji onthuld; de
+asch heeft alles getrouw bewaard, tot zelfs de vluchtige invallen, die
+op de hoeken van huizen werden geschreven. Op een huis werd aangegeven,
+dat het vanaf den eersten Juli te huur was: „Mogelijke huurders worden
+verzocht zich tot den slaaf Primus te wenden.” Op een anderen hoek
+raadt een grappenmaker een kennis aan: „Loop heen en hang je op!” Een
+burger schrijft van zijn vriend: „Ik hoor tot mijn leedwezen, dat je
+gestorven bent.—Vaarwel!” Een andere muur draagt de vriendelijke
+aanmaning: „Hier is geen plaats voor luilakken, maak dat je wegkomt,
+jij, deugniet!” Het merkwaardigst zijn echter de woorden Sodom en
+Gomorrha, die stellig door een Jood tegen een huis werden ingekrast.
+Zelfs de schrijfoefeningen der schooljongens zijn nog tegen een muur te
+herkennen, pogingen in het Grieksche alphabet, hetgeen bewust dat de
+Grieksche taal een deel van het onderwijs uitmaakte. Oudere jongens
+hebben, precies als zij nu nog doen, verzen van voorname dichters
+ingekrast, en eens vindt men, met houtskool geschreven en nog maar voor
+de helft leesbaar: „Verheug u op het vuur, Christen!” Zoo bespotte men
+de martelaars, die met teer overgoten in den tuin van Nero als fakkels
+werden verbrand!
+
+De kunstschatten, schilderijen en beeldhouwwerken, die men te Pompeji
+heeft uitgegraven, hebben met den geheelen aanleg der stad, haar
+bouwtrant en haar inschriften een licht over het leven der Oudheid
+geworpen, dat men te voren nooit had vermoed. Maar nog een veel
+rijkeren oogst voor de wetenschap verwacht men uit het bed van lava en
+slib, dat Herculanum, de stad die naast Pompeji lag, bedekt. Maar op
+dien bodem zijn intusschen twee steden verrezen, die eerst verwijderd
+zouden moeten worden als ook Herculanum uit zijn eeuwigen slaap gewekt
+zou worden.
+
+Vaarwel, Pompeji en Napels!
+
+Wij gaan in gedachten op een schip dat ons over de Golf van Napels
+draagt. Rechts laten wij het verrukkelijke eiland Capri achter ons. Aan
+de noordelijke zijde ervan kan men liggend in een platte roeiboot, of
+zwemmend een rotsopening, die niet hooger is dan een meter, voorbij
+gaan, die toegang geeft tot de Blauwe Grot. Zij werd in 1826 door twee
+Duitsche schilders ontdekt. Daarbinnen strekt zich een stille,
+kristalheldere watervlakte uit, meer dan vijftig meter den berg in en
+het gewelf boven den waterspiegel is vijftien meter hoog. De eenige
+verlichting van het inwendige der grot, is de reflectie der kleur van
+den hemel en van de zee in de grot, van welker gewelf en wanden
+druipsteenen als ijskegels neerhangen—alles blauw. Dompelt men een
+roeispaan of de hand in het water dan glinstert zij, door de reflectie
+van den witten zandbodem, zilverwit. Maar men kan het slechts bij kalm
+weer wagen er in te varen, anders zou de boot tegen de rotsachtige
+zoldering verpletteren. Slechts moedige bewoners van Capri wagen er
+zich ook bij hooge zee in, met groote handigheid en vlugheid boegseeren
+zij hun boot tusschen twee golfslagen in de grot.
+
+Aan onze linkerhand verbergt een landtong de witte huizen en
+olijftuinen van Sorrent, een kleine stad, die door groote dichters werd
+bezongen. Daarna stevenen wij op de turkoois-blauwe watervlakte van de
+Tyrrheensche zee verder. In het Zuiden duikt het rotseiland Stromboli
+uit de golven op, met zijn vuurspuwenden op een vuurtoren gelijkenden
+vulkaan. In de straat van Messina zijn wij tusschen de kusten van
+Calabrië en Cicilië, die zoo vaak door ontzettende aardbevingen werden
+verwoest. Maar nu gaat het naar buiten, in de groote, open
+Middellandsche Zee. Achter ons verdwijnt Italië en daarmede Europa aan
+den horizon, en wij schommelen naar het Oosten, naar het land der
+pharao’s.
+
+
+
+
+
+
+
+
+41. EGYPTE.
+
+
+Ik herinner mij nog alsof het gisteren gebeurde, den dag in het jaar
+1885, toen de telegraaf over de gansche aarde de treurmare bracht, dat
+Chartoem gevallen en Gordon Pacha, de gouverneur van Soedan omgekomen
+was! Zelden werd de geheele wereld zoo diep getroffen door den dood van
+een man.
+
+Gordon was een Schot, maar werd in 1833 in een der voorsteden van
+Londen geboren, en reeds als jonge luitenant bij de genie, hoorde hij
+onder de muren van Sebastopol het oorlogsgedonder dreunen. Als
+dertigjarig majoor voerde hij het bevel over het keizerlijk leger in
+China en onderdrukte den schrikkelijken Taiping-opstand, die sedert
+1851 in de provinciën aan de blauwe Rivier woede. In anderhalf jaar had
+hij de rust hersteld.
+
+Nadat hij eenige jaren, gedeeltelijk in zijn geboorteland, gedeeltelijk
+in de landen van het Oosten had doorgebracht, trad hij in 1874 in
+dienst van den Khedive, den onderkoning van Egypte. De Khedive Ismail
+was een energiek man met vooruitstrevende plannen. Hij wilde zijn rijk
+uitbreiden tot aan de groote meren van den aequator, waar men meende
+dat de Nijl moest ontspringen, en Gordon zou over een provincie
+regeeren, die haar naam, Aequatoria, naar den aequator draagt. Vlak ten
+Zuiden van Caïro, de grootste stad van Afrika, de hoofdstad van Egypte,
+begint een hoogland, dat zich van het Noorden naar het Zuiden bijna
+over het geheele vasteland uitstrekt. In Abessinië verheft het zich tot
+aanzienlijke hoogte en rondom den aequator, verheft het zich tot
+Afrika’s hoogste bergtoppen. Als een scherm houdt dit gebergte allen
+regen verre van Egypte en groote deelen van Soedan. De waterdampen, die
+de passaatwind des zomers over Abessinië heendrijft, veranderen in de
+bergstreken van dit land in regen en sneeuw en de wind komt droog naar
+Nubië en Egypte. Wat aan vochtige massa’s uit den warmen Indischen
+Oceaan opstijgt en door den passaatwind naar het Noordwesten wordt
+gedreven, verandert gedurende acht maanden van het jaar in water, in de
+gebergten bij den aequator, en zoo ontvangt het Nijldal ook van daar
+geen neerslag. De bodem blijft hoog en ontzaglijke gebieden zijn
+woestenijen, waar bronnen slechts op groote afstanden van elkaar
+liggen. Maar gedragen door de winden van den Indischen Oceaan, ruischt
+de regen op de Oost-Afrikaansche gebergten neer en verzamelt zich daar
+tot geweldige rivieren. De Atbara en de Blauwe Nijl stroomen uit
+Abessinië neer en veroorzaken in den herfst de bekende overstroomingen
+van den Nijl; gedurende het overige deel van het jaar zorgt de Witte
+Nijl voor de bewatering van Egypte. Zoo gedijt het land ook zonder
+regen, en ontelbare kanalen bevruchten in zijn plaats de akkers in
+welker, krachtigen, moerassigen slibbodem ontelbaar veel graansoorten;
+tarwe, mais, gerst en durrha (negergierst), groenten als boonen en
+erwten en veel dadelpalmen welig groeien en suikerriet en
+katoenstruiken, zich steeds meer uitbreiden. Van uit een ballon gezien
+zouden deze akkers, die palmen en vruchtboomen zich afteekenen langs de
+rivier als een groene band, terwijl het geheele overige gebied er geel
+en grauw zou uitzien; want het bestaat slechts uit droge
+zandwoestijnen.
+
+Zoo is de Nijl voor Egypte de gewichtigste levensvoorwaarde. Daarvan
+vertelt de geschiedenis van de verste Oudheid ons reeds. Want Egypte is
+een der oudste cultuur-centra der aarde. Wie duizelt niet bij de
+gedachte, dat de eerste koning van wien gegevens uit de Oudheid worden
+medegedeeld 3200 jaren voor de christelijke jaartelling heeft geleefd
+en dat de groote piramide bij Giseh 4600 jaren oud is! Het grafgewelf
+ervan is in de vaste steenmassa ingemetseld en daar staat tegenwoordig
+nog de sarcophaag van rood graniet van koning Cheops. Twee millioen
+300.000 steenblokken, elk tien kubieke meter groot, zijn noodig geweest
+om voor een vergankelijk koning een onvergankelijk grafteeken op te
+richten! Het gaat door voor het grootste bouwwerk, wat ooit door
+menschenhanden werd opgericht. Gebouwen van onzen tijd schrompelen
+daarnaast tot niets ineen. Slechts de lange Chineesche muur zou er
+zich, wat omvang betreft, mede kunnen meten, maar hij is vervallen en
+voor het grootste deel van de aarde verdwenen, terwijl de piramide van
+Cheops er nog altijd als voor duizenden jaren staat, nu eens door de
+zon verwarmd, dan weer door het maanlicht beschenen, of als een
+sprookjesachtige verschijning te midden van den duisteren, lauwwarmen
+nacht.
+
+Twee duizend kilometer ten zuiden van de hoofdstad van Egypte eindigt
+de woestijn en vandaar bedekken geweldige moerassen en dicht riet den
+grond. Dit is Soedan, „het land der zwarten”. Op de landpunt, in welks
+hoek de Witte en de Blauwe Nijl samenvloeien, lag Chartoem, de eenige
+stad van Soedan, tot waar handelswegen van alle kanten heenleidden, en
+waar de waren nooit onverkocht bleven liggen. Naar de kostbare veeren
+van den snelvoetigen struisvogel was toch ter versiering der
+Europeesche dameshoeden steeds groote navraag en eveneens naar het
+kostbaar ivoor van de Afrikaansche olifanten die grooter en krachtiger
+zijn dan hun Indische neven en die bij kudden worden neergeschoten of
+in het woud in valkuilen worden gevangen. Maar het handelsartikel dat
+het meest op prijs werd gesteld, en langs Chartoem ging, dat waren de
+slaven, „het zwarte ivoor”, zooals hun hartelooze Arabische handelaars
+hen noemden. Het vervoer der olifantstanden door paarden of ossen was
+te duur, daar vele dieren bezweken onder de steken van de giftige
+vliegen. Daarom moest het ivoor door menschen worden gedragen en zoodra
+deze hun diensten hadden bewezen, werden zij zelf naar Egypte, Rome,
+Syrië en Turkije verkocht. Wouden en woestijnen waren niet
+onuitputtelijk, ivoor en struisveeren konden eens een einde nemen; voor
+uitsterven van negers behoefde men niet te vreezen. Sedert voor drie
+honderd jaren, een Engelsen kapitein de eerste scheepslading slaven
+naar Amerika bevrachtte, heeft deze schandelijke handel tot in den
+modernen tijd als een vloek gerust op het werelddeel der zwarten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+42. MET GORDON DEN NIJL OP.
+
+
+Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de
+bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel
+eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte
+mannen en vrouwen te stuiten. Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar
+Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal
+gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier
+vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar
+was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten.
+
+De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar
+dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken
+hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en
+vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen.
+Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van
+papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe
+doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik
+en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het
+aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle
+openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden
+weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo
+stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke
+dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en
+vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de
+regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa.
+Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk
+van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar.
+
+Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper
+in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den
+oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit
+het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het
+papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag
+de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende
+scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden
+gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water
+opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich
+eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun
+schaarsche bosschen.
+
+Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba
+voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de derwisch Mohammed
+Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van
+Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s
+moordenaar worden!
+
+Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die
+tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu
+begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid.
+De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl
+in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde
+hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men
+meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd.
+Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan
+de hongerenden durrha.
+
+De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige
+muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar
+toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een
+moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze
+moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren
+reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij
+zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land
+veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek.
+
+Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote
+meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van
+Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl.
+En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in
+rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan
+de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren
+en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen.
+Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel
+gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in
+brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de
+oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s
+nooit de waarheid had vernomen.
+
+Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren;
+toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het
+verder naar het Zuiden. De inboorlingen sloegen deze expeditie echter
+met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden
+het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was
+Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij
+verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te
+worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk.
+Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen
+vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij
+gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden
+tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In
+tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch
+wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika,
+precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad!
+
+Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der
+Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een
+heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen
+gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren
+duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+43. DE WITTE PACHA.
+
+
+Drie jaren lang werkte Gordon aan den Boven-Nijl, in de nabijheid van
+den aequator. Gedurende de volgende drie jaren vinden wij hem verder
+noordelijk als stadhouder van het geheele Egyptische Soedan; Chartoem
+is z’n hoofdstad. Zijn provincie is 2000 kilometer breed, vanaf de
+Roode Zee tot aan de Sahara en haar uitgestrektheid naar het Noorden en
+Zuiden is niet minder.
+
+Het geheele land bevindt zich in opstand. De Khedive van Egypte heeft
+met den koning van het christelijk Abessinië een ongelukkigen oorlog
+gevoerd en de Mohammedaansche rijken: Kordofan en Darfoer in Westelijk
+Soedan zijn tegen hem opgestaan. Juist in dit deel van de provincie van
+Gordon doorkruisen half wilde Bedouïnen-stammen de woestijn, eenige van
+de boosaardigste slavenhandelaars hebben daar hun holen.
+
+In Mei 1877 beklimt Gordon zijn vluggen dromedaris voor een reis van
+3300 kilometer. Hij zelf wil de dorpen en tentkampen der
+slavenhandelaars in het ver verwijderd Darfoer opzoeken, ondanks het
+warme jaargetijde. Troosteloos strekt zich naar alle kanten de woestijn
+uit, grauwgeel, stoffig en droog. Als de zon de middaghoogte heeft
+bereikt, verdwijnt de schaduw van den dromedaris bijna onder het dier.
+
+De eene mijl na de andere jaagt de Witte Pacha over het woestijnzand op
+zijn prachtig rijdier, dat in geheel Soedan beroemd is. Eenige
+honderden Egyptische ruiters volgen hem, maar ze blijven ver achter,
+alleen de gids is in staat hem bij te houden. Geheimzinnig en
+onverwacht als de wind stuift hij verder, en houdt voor de poort eener
+oase stil nog voordat de wacht zijn geweer kan presenteeren. En nadat
+hij uit naam van den Khedive zijn bevelen heeft uitgedeeld, verdwijnt
+hij even geheimzinnig; niemand weet waarheen. In een andere 500
+kilometer verder liggende oase, heeft men bericht van zijn reis
+ontvangen, en de hoofdman heeft wachten uitgezet, die de nadering van
+den Witten Pacha moeten melden. Geel en zandig strekt zich in het rond
+de door de zon doorgloeide woestijn uit, evenals de spiegel der zee;
+mijlen ver moet men elken reiziger kunnen zien. Daar meldt de wacht
+twee zwarte punten in het verschiet. Dat kunnen niet anders dan de
+voorrijders van den pacha zijn, en het zal nog wel uren duren, voordat
+hij zelf met zijn troepen aankomt. De beide punten worden grooter en
+naderen snel; de lange pooten van den dromedaris glippen over den
+woestijngrond, zij vliegen als op onzichtbare vleugelen. Daar zijn zij
+reeds aan den rand van de oase, en de bewoners vertrouwen hun oogen
+niet; de een der beide aangekomenen draagt de goudgeborduurde uniform
+van den Egyptischen Pacha! Zonder vaandels en militaire muziek en al
+den uiterlijken glans van z’n positie. Nooit had men in Soedan zoo een
+stadhouder zien reizen.
+
+Even raadselachtig gauw is hij ook weer verdwenen; in onveilige
+plaatsen legt hij bezetting; in andere streken bezet hij de paden die
+naar de bronnen leiden, om oproerige stammen tot onderwerping te
+dwingen. Met ijzeren gestrengheid breekt hij de macht der opperhoofden,
+die nog slavenhandel drijven. Hij bevrijdt een menigte zwarte slaven en
+vormt hen tot soldaten, want hij heeft manschappen noodig; de
+krijgslieden van zijn gevolg zijn slechts het schuim van Egypte en
+Syrië. Met een handvol mannen volbrengt hij goed gerichte aanvallen
+tegen de zwakste punten van den vijand en overwint steeds. In vier
+maanden heeft hij het oproer onderdrukt en de heerschappij der
+slavenhandelaars gebroken!
+
+Het spoedig tot rust brengen van West-Soedan, was eveneens een
+heldendaad en het is nauwelijks te begrijpen, hoe Gordon bijna
+alleenstaand tegenover talrijke oproerige stammen, ze heeft volbracht.
+Door zijn ontzaglijke snelheid en verrassende alomtegenwoordigheid,
+deed hij de menschen gelooven, dat hij over heerscharen te beschikken
+had, terwijl hem slechts eenige honderden mannen ten dienste stonden en
+door zijn onwankelbare kalmte en zijn groot overwicht verlamde hij
+elken aanslag.
+
+Een karavaan met slaven trekt door de woestijn. In lange rijen komen de
+zwarte mannen aanloopen, die tot den zwaren arbeid der lijfeigenschap
+veroordeeld zijn en de jonge meisjes, die voor de harems van Egypte en
+Turkije bestemd zijn, gedreven door hun Arabische meesters, als vee,
+met zweepslagen aangezet en dikwijls in den dood gedreven. Gedurende de
+warmste uren van den dag wordt aan de van honger en dorst
+versmachtenden toegestaan uit te rusten, maar de woestijn biedt geen
+schaduw en zoo liggen zij midden in de gloeiende middagzon halfdood van
+uitputting. En dan suist de zweep weer op de naakte ruggen neer, en in
+de avondkoelte worden zij verder naar het Oosten gedreven.
+
+Daar nadert in een stofwolk de Witte Pacha. De tirannen vluchten als
+kaf voor den wind, alle banden worden losgemaakt, alle honger gestild,
+de mannen worden gewapend. Voor een troep slaven heeft het uur der
+bevrijding geslagen!
+
+Zoo zuiverde Gordon geheel westelijk Soedan. Ten laatste bleef alleen
+nog Dara in Zuid-Darfoer over. Hier hadden zich de machtigste
+slavenkoningen, tot weerstand, verzameld. Maar als de bliksem viel hij
+op zekeren dag hun tentkamp binnen. Zij hadden hem gemakkelijk om het
+leven kunnen brengen; met bovenmenschelijke kalmte ging hij alleen
+tusschen hun tenten rond, en niemand waagde het hem aan te raken. Toen
+zijn troepen aankwamen, liet hij de opperhoofden in zijn tent komen en
+stelde hen daar zijn voorwaarden: het neerleggen der wapenen en
+terugtrekken naar hun haardsteden. En de een na den ander gehoorzaamde
+en ging stil zijns weegs.
+
+Wie was deze buitengewone man, die zijn scepter over een land zwaaide,
+dat grooter was dan alle koninkrijken van Europa te zamen; Arabieren,
+Egyptenaren en negers, onderdrukkers en onderdrukten vreesden en
+bewonderden hem evenzeer! Hij reed op zijn snelvoetigen dromedaris
+sneller dan de roofzuchtige Bedouïn en haalde zelfs den struisvogel in
+aan den rand van de Libysche woestijn! Geen gevaar schrikte hem af.
+Rechtvaardigheid en bescherming van de zwakken, daarin bestond zijn
+leven en hij verlangde geen loon. Een pacha, die zijn macht niet
+gebruikt tot afpersingen—van zoo een had men nog nooit gehoord! De
+herinnering aan Gordon zweeft nog heden als een lied en een sage over
+de troostelooze woestijn!
+
+Wat bereikte Gordon door zijn rustelooze jacht voor het geluk der
+zwarten? De slavenhandel wortelde als een onkruid veel te diep in
+Afrika’s aarde, om opeens uitgeroeid te kunnen worden. Ternauwernood
+was Gordon naar Chartoem teruggekeerd, of de slavenhandelaars begonnen
+hun schandelijk bedrijf opnieuw. En toch gaf hij de hoop niet op.
+„Stuur mij een man,” zoo schreef hij in zijn dagboek, „die geld, roem
+en onderscheidingen veracht, die geen hoop meer koestert zijn
+geboorteland terug te zien, en tot God opziet als de bron van het goede
+en den wreker van het kwade, een man met gezond lichaam en ijzeren
+karakter, die den dood beschouwt als den bevrijder van alle ellende—ik
+neem hem in mijn dienst. Indien gij zoo een niet vindt, laat mij dan
+alleen! Ik heb genoeg aan mijzelf te dragen; ik heb geen bagage
+noodig!”
+
+Van uit zijn groot paleis te Chartoem regeerde Gordon zijn geweldige
+provincie en richtte nieuwe slagen tegen den slavenhandel. Dikwijls lag
+hij, als in September na de zomerwarmte de koortstijd begon, in hooge
+koorts ijlend op zijn legerstede, of zwierf rusteloos door zijn eenzame
+zalen, steeds nieuwe plannen smedend om de zwarten te redden. Voor hem
+had het leven geen waarde, als hij het niet gebruiken kon om het lijden
+van anderen te verminderen.
+
+Bij de wisseling van het jaar gistte het weer aan alle kanten. De
+provincie Bahr el-Ghasal, die uit haar binnenland den Witten Nijl
+talrijke zijrivieren toezendt, was in opstand, en Abessinië dreigde met
+oorlog. In Bahr el-Ghasal regeerde Ziber, een machtig Arabisch
+opperhoofd; deze had de brandfakkel tegen Egypte ontstoken en nu
+dreigde de beweging zich over geheel Darfoer uit te breiden. Het
+opperhoofd kocht bij de negerstammen in het hartje van Afrika een
+menigte slaven, om hen als soldaten tegen Egypte te gebruiken. De
+negers zelf hebben altijd den slavenhandel vergemakkelijkt; als de
+stammen onder elkaar met bogen, speren en schilden, vervaardigd van de
+huid van nijlpaarden, oorlog voerden, dan aten zij hun verslagen
+vijanden op en verkochten de gevangenen als slaven. Daarom viel het aan
+het Arabisch opperhoofd gemakkelijk manschappen te krijgen. Maar
+Gordon’s waakzaamheid verijdelde zijn plannen.
+
+Ternauwernood was de rust weer hersteld, of Gordon ontving het bericht
+dat Khedive Ismail Pacha afgezet was, en een nieuwe Khedive het lot van
+Egypte bestuurde. Nu spoedde hij zich naar Kaïro en verzocht om zijn
+ontslag. Maar de nieuwe Khedive kon hem niet missen, en drong bij hem
+aan, dat hij bleef. Gordon liet zich overhalen en begaf zich nu, in
+opdracht van den nieuwen Khedive, naar koning Johannes van Abessinië,
+om te zien of de dreigende oorlog niet was af te wenden. Maar de koning
+behandelde hem met minachting en stelde onaannemelijke voorwaarden.
+Daarom keerde Gordon naar zijn hoofdstad Chartoem terug. Maar op het
+oogenblik, dat hij de grenzen van Soedan had bereikt, werden hij en
+zijn metgezellen door Abessinische ruiters gevangen genomen, die hem
+dwongen Soedan te verlaten en door de met sneeuw bedekte bergen van
+Abessinië den terugtocht naar de kusten van de Roode Zee te ondernemen.
+
+Zoo keerde hij weer naar Kaïro terug. Nijd en afgunst begluurden elk
+zijner schreden. Vele Europeanen haatten en vreesden hem ook. Want
+Egypte moest immers tot wanhoop worden gedreven; maar Gordon steunde
+den Khedive. In zijn eigen vaderland, Engeland, werd hij belasterd en
+zijn particuliere correspondentie met den Khedive werd in de dagbladen
+openbaar gemaakt. De een noemde hem krankzinnig, de ander een
+gevaarlijk avonturier. En toch was Gordon een der grootste en edelste
+mannen, die ooit heeft geleefd.
+
+Spoedig daarop vinden wij hem in Bombay. Hier ontving hij een telegram
+van den grooten staatsman Li-hung-tschang, die hem verzocht, dadelijk
+naar Peking te komen. Rusland bedreigde China met den oorlog en China
+dacht er nog aan, dat Gordon den Taiping-opstand had onderdrukt.
+Werkelijk gelukte het hem weer door verstandigen raad, het krijgsgevaar
+af te wenden, en hij leerde den Chineezen hoe zij hun verdediging
+moesten inrichten.
+
+Welk blad van Gordon’s levensgeschiedenis wij ook opslaan, ze schijnt
+ons steeds een heldensage toe. Na zijn terugkeer uit China vertoefde
+hij in Ierland, daarna in Engelschen dienst, op het eiland Mauritius in
+het Oosten van Madagascar, en spoedig daarop in Zuid-Afrika. In het
+einde van 1882 was hij weer in Engeland en een jaar daarna dwaalde hij
+eenzaam en vergeten door de straten van Jeruzalem. Hij zocht alle
+plaatsen op, waar de Heiland had geleefd en geleden, alsof hij zich
+door dezen pelgrimstocht wilde voorbereiden op het laatste jaar van
+zijn merkwaardig leven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+44. DE ONTRUIMING VAN SOEDAN.
+
+
+Intusschen waren gewichtige gebeurtenissen in Egypte voorgevallen.
+Engeland had schepen en soldaten naar het land van den Khedive
+uitgezonden, en in Egypte de macht aan zich getrokken. Mohammed Ahmed,
+de koning der derwischen, die vroeger op het kleine Nijleiland Abba
+woonde, had zich uitgegeven voor een Godsgezant, tot redding der
+onderdrukten, als Mahdi of Messias van den Islam. In het Mohammedaansch
+Soedan heerschte overal ontevredenheid, want Egypte had toch eindelijk
+den slavenhandel verboden. Al de ontevreden stammen verzamelden zich
+onder het vaandel van den Mahdi. Zijn doel was het afschudden van het
+Egyptische juk, en als een brand der steppen vloog zijn oproep tot den
+heiligen krijg door geheel Noord-Afrika. Met verstand en energie
+tooverde hij uit het rampzalig Soedan zulk een machtig rijk, dat
+Engeland in zorg geraakte. Een leger van 10000 Egyptenaren, dat
+gedeeltelijk onder Engelsch bevel stond, werd, toen het Kordofan wilde
+veroveren, zoo volkomen door de opgezweepte scharen van den Mahdi
+vernietigd, dat er nauwelijks een ooggetuige overbleef van deze
+gebeurtenis. Wapenen en ammunitie van dit leger beteekenden voor de
+overwinnaars een welkome versterking.
+
+De positie van de Engelsche regeering was nu moeilijk. Soedan moest
+veroverd of ontruimd worden. Men besloot het te ontruimen, maar in
+Chartoem en in verschillende andere plaatsen aan den Aequator lag nog
+Egyptisch garnizoen. Hoe zou men die uit de macht van den Mahdi redden
+en den Nijl afvoeren?
+
+Daar herinnerde men zich den man, die Soedan het best kende en alleen
+in staat zou zijn, deze reuzentaak, de redding van die garnizoenen, te
+volvoeren! En toen in het einde van 1883 de nieuwe jobstijding kwam,
+dat de Mahdi weer een Egyptisch leger, onder Engelsch commando, had
+vernietigd, verzocht de Engelsche regeering aan Gordon, deze taak op
+zich te willen nemen! Gordon verklaarde zich bereid en reisde dadelijk
+naar Kaïro.
+
+Vandaar begon hij zijn laatste reis den Nijl op. Achter hem verdwenen
+de prachtige moskeeën en minaretten van Kaïro, van welker galerijen de
+priesters tot het gebed oproepen en de oeroude pyramide van Cheops
+onttrok zich aan zijn oogen, achter heuvelen en palmboomen. In Korosko,
+aan de noordelijke spits van de groote S-vormige kromming van den Nijl,
+beklom hij zijn dromedaris en vervolgde het smalle, slingerende pad,
+dat sinds duizenden jaren door de droge beddingen van de Nubische
+woestijn, over verweerde vulkanische heuvels en door duinen van
+verstikkend zand leidt. Wat was hij gelukkig, toen hij nu weer de
+schreden van zijn dromedaris in het woestijnzand kon beluisteren; Alsof
+de vlugge gang van zijn rijdier hem regelrecht naar het verlangde doel
+moest voeren! Zoo was hij duizenden mijlen door Soedan gereden, toen
+hij nog voor de bevrijding der slaven streed. Nu had hij slechts de
+eene gedachte, de bedreigde garnizoenen te redden, ook al moest het
+zijn eigen leven kosten.
+
+De garnizoenen in zekerheid brengen! Dat klonk zoo eenvoudig. Maar in
+werkelijkheid was het een hopelooze opdracht. Chartoem ligt pas op de
+helft van den weg naar den aequator, en het grootste deel van het
+geheele land was in de macht van den Mahdi. Toch geloofde Gordon door
+snel handelen zijn taak te kunnen vervullen, en zoo niet, dan wilde hij
+in elk geval zijn plicht doen.
+
+Op den weg naar Abu Hammed, die de noordelijke bocht van den Nijl
+afsnijdt, reed Gordon door de Nubische woestijn, bereikte gelukkig Abu
+Hammed, en trok dan Nijlopwaarts verder over Berber naar Chartoem.
+Ondanks den oorlog was de geheele weg vrij.
+
+De vanzelfsprekende taak van de Engelsche regeering, die een der der
+grootste zonen van haar land naar Chartoem zond om vele duizenden
+menschenlevens te redden, zou zijn geweest, bezetting naar Korosko, Abu
+Hammed en Berber aan den Nijl te zenden, om den terugtocht der
+garnizoenen te dekken! Maar inplaats daarvan redeneerden de Engelsche
+ministers en Egyptische pacha’s, de gezanten generaals en ingenieurs
+over en weer, kibbelden over kleinigheden, beproefden elkaar de loef af
+te steken en vergaten daardoor de eenvoudigste van alle
+voorzorgsmaatregelen, die binnen een maand uitgevoerd hadden kunnen
+worden en het minst gekost zouden hebben! Inplaats van dit beraamde men
+het plan een spoorlijn aan te leggen van de Roode Zee naar den Nijl;
+maar de ingenieurs rekenden eindelijk uit, dat de aanleg twee jaren zou
+duren en het water, dat men van de zee naar de woestijn zou moeten
+oppompen, zou zoo duur worden, dat men even goed de stoomketels der
+locomotieven met champagne zou kunnen vullen! Genoeg, Korosko, Berber
+en Abu Hammed bleven zonder verdedigers, en daarmede waren Gordon en de
+garnizoenen aan hun lot overgelaten!
+
+
+
+
+
+
+
+
+45. IN DE MACHT VAN DEN MAHDI.
+
+
+Den 18den Februari 1884 trok Gordon voor den tweeden keer als
+stadhouder van Soedan Chartoem binnen, en nam weer zijn intrek in zijn
+oude paleis. Wreedheid en onrecht van allerlei aard hadden, gedurende
+de jaren zijner afwezigheid, om zich gegrepen. Nu opende hij de deuren
+der overvolle gevangenissen, onbetaalde belastingpapieren werden
+verbrand, allerhande martelwerktuigen gebroken en in den Nijl geworpen.
+Daarna begon hij met de ontruiming der stad. Ongeveer 3000 vrouwen en
+kinderen werden naar Abu Hammed en door de Nubische woestijn naar
+Korosko gezonden; zij kwamen daar nog zonder gevaar en waren gered.
+Langs denzelfden weg zou het oprukken van troepen uit Egypte een
+kleinigheid zijn geweest. In plaats daarvan zond Engeland een expeditie
+naar Soeakin, om aan de Roode Zee een vast standpunt te hebben! Dat
+deed de woede der oproerige stammen in Soedan nog meer ontvlammen, want
+zij veronderstelden natuurlijk, dat de blanken van daar uit hun land
+wilden veroveren. Steeds vaster sloten zij zich aaneen, rondom den
+Mahdi, en hun haat richtte zich tegen den gevreesden Gordon en de
+weinige Europeanen, die zich met hem te Chartoem bevonden.
+
+Zoolang de telegraaflijn naar Kaïro nog in orde was, bracht Gordon de
+machthebbers op de hoogte van zijn toestand. Vóór alles verlangde hij,
+dat de weg van Soeakin naar Berber bezet werd, want ook vanaf deze lijn
+was Soedan te beheerschen. Maar men verwierp zijn raadgevingen en
+Berber werd door de troepen van den Mahdi veroverd. Verschillende, tot
+nu toe bevriende opperhoofden ten Noorden en Noordoosten van Chartoem
+voegden zich nu ook bij den Mahdi, onophoudelijk kwamen berichten van
+nieuwe opstanden naar Chartoem, en in de stad zelf was Gordon aan alle
+kanten door verraders omgeven. Den 10den Maart werd de telegraafkabel
+doorgesneden, en nu lag een geheel halfjaar diep stilzwijgen over
+Gordon en zijn manschappen! Reeds den 11den Maart vertoonden zich aan
+den oever van de Roode Zee Arabische krijgslieden, de Mahdi trok het
+net steeds vaster rondom de ongelukkige stad.
+
+Gedurende de laatste jaren had de Egyptische regeering Chartoem slechts
+gebrekkig laten versterken en gedurende de eerste drie maanden der
+belegering werkte Gordon dag en nacht aan de versterking der
+verschansingen. Rondom de stad werden aarden wallen opgeworpen,
+prikkeldraad aangebracht, en daar waar aanvallen te verwachten waren,
+mijnen gelegd. Einde April was Chartoem geheel ingesloten, en alleen de
+weg langs de rivier naar het Noorden vrij. Begin Mei gingen de
+Arabieren den Blauwen Nijl over, leden echter groote verliezen door
+ontploffende mijnen, en werden met kruppkanonnen uit hun stelling
+gedreven.
+
+Zoolang het maar eenigszins mogelijk was, had Gordon troepen
+uitgezonden om durrha en andere levensmiddelen te halen. Einde Juli
+zuiverde hij met zijn beste troepen den oever van den Nijl en nam
+dertien Arabische verschansingen. Maar tot dien tijd had hij reeds 700
+man verloren. Elke gedachte aan een ontruiming der stad was reeds
+opgegeven. Het was nu nog slechts uithouden—tot het einde.
+
+In September 1884 was er nog proviand voor drie maanden voorhanden en
+de Arabieren, die inzagen, dat zij de stad niet aan den Witten Pacha
+konden ontnemen, besloten ze te laten uithongeren.
+
+In September had de Nijl zijn hoogsten waterstand bereikt. Hoe vaak
+zullen Gordon en zijn beide makkers, overste Steward en Power, de
+correspondent van de Times, wel niet vanaf het platte dak van het
+paleis, naar het Noorden, naar verlangde hulp hebben uitgezien. Over de
+watervallen beneden Chartoem en Berber bruiste het water tien meter
+omlaag, en nu alleen was het mogelijk met een stoomboot naar Dongola
+door te dringen. In den nacht van 9 September werd een der acht kleine
+stoombooten, met welke Gordon de Arabieren van de oevers van den Witten
+en den Blauwen Nijl placht te verdrijven, voor de afreis gereed
+gehouden. Steward, Power, de Fransche consul en eenige Grieken, kortom
+alle Europeanen in Chartoem, begaven zich aan boord en met hen vijftig
+soldaten. Zij namen de belegeringskronieken, de ambtelijke geschriften,
+de lijsten over proviand, ammunitie, wapenen en manschappen, de
+verdedigingsplannen en alle papieren van waarde mede. Toen de stoomboot
+van den oever afstiet, en bij het ochtendgrauwen in de schemering
+verdween, was Gordon de eenige Europeaan in Chartoem.
+
+In Februari had de stad 60.000 inwoners gehad. Gedurende de belegering
+werd echter het derde deel der inwoners verdreven, omdat men wist, dat
+het verraders waren. Van de overige 40.000 kan Gordon zich
+ternauwernood op de helft verlaten, en ook de betrouwbaren zijner
+manschappen waren slechts daarop bedacht, hun have en goed te redden.
+In vergelijking met de vreugdedronken, fanatieke derwischen, onder het
+vaandel van den Mahdi, waren Gordon’s soldaten erbarmelijk gespuis.
+
+Wat nu gedurende dit halfjaar gebeurde, zal men nooit te weten komen.
+Men weet slechts dat Gordon de versterking der stad krachtiger maakte,
+de schepen en stoombooten met stalen platen bekleedde en met kanonnen
+liet bewapenen en onvermoeid z’n soldaten tot weerstand oefende. Men
+weet ook, dat hij waakte over de rechtvaardige verdeeling der
+levensmiddelen, zieken en gewonden in de hospitalen opzocht en moed
+insprak en de nachten doorbracht in de buitenwerken, waar het eerst
+gevaar dreigde. In den bazaar kocht hij groote hoeveelheden blauw-groen
+katoen, dat over de aarden wallen werd uitgespreid, opdat deze er
+zouden uitzien alsof zij met stalen platen waren bedekt en den aanval
+der Arabieren vertraagden, totdat men gereed was met het opwerpen van
+nieuwe wallen binnen de oude. Maar al deze berichten zijn slechts bij
+geruchten uit het belegerd Chartoem in de wereld gekomen. Want ook
+Steward en de overige Europeanen bereikten het doel niet. Vlak achter
+Abu Hammed leed de boot schipbreuk, de geheele bemanning werd door de
+lieden van den Mahdi vermoord, en al de papieren van waarde van Gordon
+vielen den overweldigers in handen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+46. HET DAGBOEK VAN GORDON.
+
+
+Het eenige wat er aan betrouwbare berichten omtrent den tijd tusschen
+10 September en 14 December 1884 is overgebleven, weten wij uit het
+dagboek van Gordon, dat nog bestaat en aangrijpend is om te lezen.
+
+In Augustus had de Engelsche regeering eindelijk het besluit opgevat
+een hulpexpeditie uit te zenden tot redding van Gordon. Het ging nu
+niet meer om de garnizoenen, maar om Gordon zelf, de geheele wereld
+verkeerde in opgewondenheid, over zijn lot, en met elke maand werd de
+spanning grooter. Sedert een half jaar had men geen bericht van hem, en
+nu overhaastte men het verleenen van hulp om nog bijtijds bij hem te
+komen. Groote troepenmassa’s van alle wapenen werden naar het Zuiden
+gezonden, rivierbooten bij honderden gebouwd, de beste Engelsche
+officieren namen het bevel op zich, en reeds midden September trok het
+eerste bataljon infanterie Dongola, in de noordelijkste helft van het
+groote Nijlgebied, binnen. Intusschen waren de stoombooten pas te
+Alexandrië aangekomen en moesten den Nijl nog af, over de gevaarlijke
+en tijdroovende watervallen, en de woestijncolonnen, die bestemd waren
+Chartoem te bestormen, hadden Engeland nog niet eens verlaten.
+
+Zonder verbinding met de buitenwereld, zonder vriend en makker,
+vertrouwde Gordon zich slechts aan zijn dagboek toe, en in de weinige
+bladzijden, die daarvan bewaard zijn gebleven, weerspiegelt zich zijn
+diepst en innigst zieleleven. Hij is een held, een groot
+legeraanvoerder en een goed christen. Hij beklaagt zich nooit en geen
+verwijt tegen hen, die in het vaderland de verantwoording van zijn lot
+dragen, komt over zijn lippen! Dag aan dag beschrijft hij den voortgang
+der belegering zoo kalm en rustig, alsof het de eenvoudigste zaak ter
+wereld was. Nergens spreekt hij van zijn eigen heldenmoed en de
+nachtelijke uren van eenzaamheid, die hij onder het vijandelijk vuur
+der schansen doorbracht; hij beproeft zelfs zijn heldenmoed te
+verkleinen, terwijl hij eens schrijft:
+
+„Gedurende de belegering hebben wij vaak over de vraag omtrent de vrees
+geredeneerd, dat gevoel, hetwelk een echte man volgens het oordeel der
+wereld niet mag kennen. Ik ben echter steeds door vrees vervuld,
+dikwijls zelfs zeer erg! Vrees voor den dood is dat echter niet, die
+is, Gode zij dank, voorbij; maar vrees voor een nederlaag en haar
+gevolgen. Ik geloof niet aan den steeds kalmen, onwrikbaren man. De
+hoofdzaak is slechts dat hij niet toont, wat hij voelt. Daarom moet een
+bevelhebber nooit te nauw samen zijn met zijn ondergeschikten. Want zij
+slaan hem met scherpe oogen gade, en er bestaat geen gevaarlijker
+besmettingsstof dan de vrees! Ik kon woedend worden, als ik van angst
+niet kon eten, en dan zag dat de officieren aan mijn tafel dezelfde
+neigingen hadden. Misschien vraagt men mij, waarom ik niet met Steward
+en de anderen heenging? Nu eenvoudig daarom niet, omdat de menschen
+hier niet zoo dwaas zouden zijn geweest, mij te laten gaan!”
+
+Ondertusschen legerden de derwischen ongeveer tien kilometer van de
+buitenwerken en wachtten hun tijd af. Uit de verte werden schoten
+gewisseld, maar de dagen verliepen toch nog eenigszins kalm. Den 20sten
+September hoorde Gordon door een handig verkenner, dat de hulpexpeditie
+onderweg was en tien dagen later zond hij zijn stoomboot een eind in
+noordelijke richting, haar tegemoet, om het naderbrengen der troepen te
+verhaasten. Maar daardoor boette hij ook de helft van zijn
+weerstandskracht in.
+
+Den 21sten October kwam de Mahdi zelf in het leger rondom Chartoem en
+den volgenden dag zond hij aan Gordon de bewijzen, dat de stoomboot van
+Steward was vergaan, en alle opvarenden gedood waren; hij legde zelfs
+een lijst over der dagboeken en aanteekeningen, die aan boord waren
+gevonden. Uit deze papieren had de Mahdi tot op een dag gezien, hoe
+lang Chartoem zich nog staande kon houden, hoe groot het garnizoen was
+en hoe de verdediging was georganiseerd, waar de batterijen stonden en
+hoe lang de ammunitie nog kon strekken. Dat was een ontzettende slag
+voor Gordon, maar het brak zijn moed niet. Het meest deed hem den dood
+van Steward en der overigen leed, daar hij meende er zelf schuld aan te
+hebben. Hij liet den Mahdi echter zeggen: „Ook al kaapt gij mij 20.000
+booten weg, toch sta ik hier pal!”
+
+Den 2den November telde hij in de streng bewaakte schuur de zakken met
+durrha. De proviand strekte nog voor zes weken. Deze termijn kon
+verlengd worden, als de menschen op half rantsoen werden gesteld. Maar
+waarom de bezetting door beperking van het dagelijksch voedsel onnoodig
+zwakker maken? Zij waren toch al met volle magen moedeloos genoeg!
+
+Onder de troepen der Engelsche hulpexpeditie bevond zich een majoor
+Kitchener, een naam, die later zeer beroemd is geworden. Hij beproefde
+vermomd Chartoem binnen te sluipen en het gelukte hem Gordon de
+schriftelijke mededeeling te doen toekomen, dat de hulpbrigade den
+eersten November uit Dongola zou opbreken. Toen de brief aankwam, was
+het corps reeds twee dagen onderweg; maar de weg tusschen Dongola en
+Chartoem bedroeg 450 kilometer!
+
+De brief van Kitchener was in een dagblad gewikkeld. Sedert negen
+maanden had Gordon niets meer dan duistere geruchten van de
+buitenwereld gehoord en toen hij dit verdwaald blad, dat als omslag
+diende, las, zag hij de eene kolom na de andere gevuld met berichten en
+vermoedens over hemzelf. „De hulpexpeditie tot ontzet van Gordon” stond
+daar gespatiëerd. Het opschrift ontstemde hem, en hij schreef in zijn
+dagboek dat het moest heeten: „De expeditie tot ontzet der garnizoenen
+in Soedan.”
+
+Gordon’s dagboek vertelt ons ook, hoe hij zijn dagen en nachten
+doorbracht en hoe onvermoeid en ingespannen hij werkte. Pas te drie uur
+’s nachts placht hij zich uitgeput op zijn legerstede neer te werpen.
+Maar dikwijls was hij ternauwernood ingeslapen, of buiten werd
+tromgeroffel vernomen. Hij ontwaakt, wrijft zich de oogen en herinnert
+zich, dat hij in Chartoem is. Wat beteekent het geraas? Hij roept de
+mannen in het geweer en de bevelhebbers naar de buitenwerken. Overdag
+is Gordon alom tegenwoordig om zijn manschappen gerust te stellen en
+aan te vuren. Slechts zelden blijft hem een kort ongestoord oogenblik
+over om in zijn dagboek te schrijven. Als de dag aanbreekt, ziet hij
+vanaf het dak in het rond. Vandaar overziet hij ver het vlakke land:
+hij ziet hoe de Arabieren den belegeringsketting steeds vaster snoeren.
+Hoe ver zijn de Engelsche legerscharen nog achter den vlakken rand van
+den noordelijken horizon? Zullen zij komen voordat het te laat is?
+
+40.000 schoten werden dagelijks uit Chartoem afgevuurd en ondanks dat
+reikte de ammunitie nog voor veertig dagen. De soldaten konden er
+gerust op los schieten, de proviand reikte toch niet langer dan dertig
+dagen. Maar Gordon dacht aan geen overgave; volhouden en vallen onder
+de vlag, dat was zijn vast besluit. Talrijk waren de overloopers, die
+Chartoem verlieten, de ratten verlieten het zinkende schip. Door
+verraad omgeven, beproefde hij nog steeds de wegsmeltende scharen
+zijner getrouwen staande te houden.
+
+Den 22sten November had Gordon in het geheel reeds twee duizend
+soldaten verloren. Toch liet hij de hoop niet varen. Zijn dagboek
+onthult, dat hij, indien redding bijtijds was gekomen, het plan had
+gekoesterd, nog meer zuidelijk te trekken, om de garnizoenen in de
+Aequator-provinciën hulp te verleenen!
+
+Den 10den December is er nog voor vijftien dagen proviand aanwezig. De
+aanteekeningen in het dagboek worden steeds korter, en gewagen bijna
+van niets anders dan van deserteurs, overloopers en het inslinken der
+levensmiddelen. Den 14den December biedt zich nog een laatste
+gelegenheid aan, uit Chartoem bericht te zenden en het dagboek, dat de
+bode meeneemt, sluit daarom met dien datum, en met de woorden: „Ik heb
+mijn best voor de eer van het vaderland gedaan, vaarwel!” Per brief
+neemt hij van zijn vrienden afscheid en aan zijn zuster schrijft hij:
+„Ik ben, Gode zij dank, volkomen gelukkig; ik heb mijn plicht gedaan.”
+Aan een vriend verzoekt hij voor zijn familie te zorgen. Uit al zijn
+afscheidsbrieven klinkt ons zijn onwankelbare heldhaftige kalmte tegen,
+maar ook de zekerheid, dat hij sinds dit laatst vaarwel, alle hoop op
+redding heeft begraven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+47. DE VAL VAN CHARTOEM EN HET EINDE VAN GORDON.
+
+
+Na de afzending van het dagboek daalt op de laatste weken van Chartoem
+ondoordringbare nacht. Van de hand van Gordon hebben wij geen bericht
+meer en geen navorschingen zullen in staat zijn, volkomen licht over
+zijn laatsten strijd te brengen.
+
+Door overloopers zijn nog enkele schaarsche berichten ontvangen.
+Gedurende de veertig dagen, dat de stad zich na den 16den December
+staande hield, werden 18000 inwoners in het legerkamp van den Mahdi
+gezonden, om hen van den dood te redden. Daardoor reikte de proviand
+voor de achterblijvenden langer dan men had berekend. De overige 14000
+burgers en soldaten werden op half rantsoen gezet; de hulpexpeditie
+moest nu dicht bij zijn! Omdoerman, een fort aan den linker oever van
+den Witten Nijl, dat reeds lang van de stad was afgesneden, viel en de
+troepen van den Mahdi drongen van alle kanten op. Ontvluchte slaven
+hebben medegedeeld, dat de Egyptische officieren zich hadden willen
+overgeven, maar dat Gordon onder geen enkele voorwaarde zijn
+toestemming had willen geven. Hij had zijn rekening met de wereld
+afgesloten, en zoolang hij in leven was, wilde hij de vlag niet
+strijken, ook al verlieten allen hem. Toen alle proviand op was, leefde
+men van ratten en muizen, huiden en leer, en ontbolsterde men de
+stammen der palmen, om de zachte vezels er binnen te eten. Ondanks
+alles stond de Witte Pacha nog altijd met opgeheven hoofd en onbewolkt
+voorhoofd, in de voorste gelederen, om zijn manschappen tot heldhaftige
+verdediging aan te vuren.
+
+Intusschen trok de hulpbrigade zuidwaarts en bereikte 20 Januari 1895
+Metemma, 160 kilometer van Chartoem verwijderd. Hier stiet zij op de
+stoombooten van Gordon, die reeds sedert vier maanden vergeefs hadden
+gewacht. Vier dagen later vertrokken twee der stoombooten naar
+Chartoem.
+
+Waarom werd er vier dagen gewacht, terwijl toch elk uur Gordon het
+leven kon kosten? Nauwelijks een maand geleden had een bode van Gordon
+het leger bereikt, en had een brief gebracht met de woorden: „In
+Chartoem alles wel, kan nog jarenlang stand houden.” Daaruit maakte men
+op, dat de toestand nog niet gevaarlijk kon zijn. Eerst later is men
+den zin dezer woorden van Gordon goed gaan uitleggen. Hij wist dat de
+bode door de troepen van den Mahdi zou gevangen genomen worden, en de
+Mahdi wist, dat de stad elken dag kon vallen. Gordon wilde daarom den
+bode voor gevangenschap en dood bewaren; de Mahdi moest den man wel met
+genoegen laten loopen, want zijn boodschap zou den opmarsch van het
+hulpleger slechts verlangzamen.
+
+Den 24sten Januari verlieten de beide stoombooten Metemma pas;
+halverwege moesten zij over een waterval en verloren daardoor twee
+dagen. Pas den 28sten hadden zij de watervallen achter zich en de
+middagzon scheen helder, toen de Engelsche officieren Chartoem op de
+landtong tusschen den Witten en den Blauwen Nijl zagen liggen. Alle
+verrekijkers werden naar het hooge paleis gericht; men dorst niet te
+spreken, ternauwernood adem te halen. Daar stond het paleis van Gordon,
+maar—de vlag was gestreken!
+
+Toch stoomden de booten verder. Maar geen vreugdekreten begroetten de
+bemanning, als vurig verlangde bevrijders. Toen zij in het bereik der
+kogels waren, begonnen de derwischen op hen te vuren; woeste, door de
+overwinning bedwelmde scharen, verzamelden zich aan den oever, Chartoem
+was in de macht van den Mahdi; de hulp kwam acht-en-veertig uren te
+laat!
+
+Twee dagen te voren, den 26sten Januari, hadden de derwischen, tot
+uiterste woede geprikkeld door den hardnekkigen tegenstand, hun
+voortdurende verliezen en den onuitputtelijken regen van kogels uit
+Chartoem, zich verzameld tot een laatsten stormloop. De aanval
+geschiedde gedurende de donkerste uren van den nacht, nadat de maan was
+ondergegaan. De verdedigers werden verrast, bovendien waren zij
+uitgeput en tengevolge van den honger onverschillig geworden voor hun
+lot. Zij boden ternauwernood meer weerstand, toen de derwischen de stad
+binnenstormden en hun wild gehuil in de straten en stegen weerklonk.
+
+Terwijl de razende bende der bloeddorstige derwischen naar het paleis
+van Gordon drong, luisterde in het kamp van den Mahdi een tweede
+Europeaan met koortsachtige spanning naar elk geluid, dat van de
+vestingwerken van Chartoem tot hem doordrong. Met veertien meter lange
+zware kettingen, met hals- en voetijzers geketend, lag hij voor zijn
+tent en had al zijn bewonderenswaardige energie noodig, om den hem
+bespiedenden bewakers zijn opwinding niet te verraden. Op de wallen van
+de in het nauw gebrachte stad viel voor hem waarschijnlijk ook de
+beslissing over leven en dood!
+
+Deze gevangene van den Mahdi was een vroeger Oostenrijksch officier,
+Rudolf Slatin genaamd. Hij was tegen het eind van het jaar 1878, den
+oproep van Gordon volgend, in dienst der Egyptische regeering gekomen,
+en dank zij zijn geschiktheid en dapperheid, heerschte hij enkele jaren
+later als gouverneur en militair commandant over de provincie Darfoer.
+Hier was het zijn taak de roofzuchtige, als nomaden levende Arabieren,
+in toom te houden en aan zijn onverschrokken geestkracht gelukte het
+gaandeweg een reeks oproerige stammen met sterke hand ten onder te
+brengen. Maar toen de Mahdi het vaandel van den profeet ophief en de
+volkeren van Soedan tot den heiligen oorlog opriep, vielen ook de tot
+nu toe getrouwen van de Egyptische regeering af, en na enkele weken
+stond Slatin met zijn schaarsche en bovendien onbetrouwbare troepen
+midden in het brandpunt van het oproer, dat bovendien nog door
+persoonlijken haat en wraakzucht van den strengen gouverneur werd
+aangewakkerd. Er viel aan geen ontkomen meer te denken, en na een
+dappere verdediging moest Slatin zich in December 1883 met de overige
+zijner soldaten overgeven aan de zegevierende overmacht van den Mahdi.
+
+Eerst hield de sluwe Mahdi hem in dragelijke gevangenschap; deze hooge
+beambte der Egyptische regeering, die men bovendien voor den neef van
+Gordon hield, was voor hem een maar al te kostbare gijzelaar.
+
+Uit krijgslist had Slatin reeds terwijl hij gouverneur was, den Islam
+aangenomen: het fanatisme der Mahdisten had daarom dus geen reden meer
+dezen „christenhond” als zooveel anderen met geweld uit den weg te
+ruimen.
+
+Slatin had de hoop gekoesterd, bij de belegering van Chartoem naar
+Gordon te kunnen ontvluchten. Maar de Mahdi doorzag hem, en had hem
+voor Chartoem in boeien geslagen en streng laten bewaken om elke poging
+tot ontvluchten en elke verbinding met Gordon onmogelijk te maken. Zoo
+was deze gevangene de eenige overlevende Europeaan, die de belegering
+van Chartoem van nabij en met het volle overzicht over de krachten der
+strijdende partijen meeleefde. Wat aan schriftelijke berichten in
+handen der derwischen viel, werd hem voorgelegd, want in het leger van
+den Mahdi was hij alleen in staat, de brieven en rapporten van Gordon
+te lezen. Slechts zijn ongewone tegenwoordigheid van geest en
+verbazingwekkende dialektische handigheid, bewaarden hem voor het lot,
+terwille van zijn eigen redding, door het vertalen van die brieven
+verraad tegenover de zijnen te moeten plegen. De Mahdi was toch ook
+door overloopers en door berichten van geheime aanhangers in Chartoem
+zelf ruimschoots onderricht over den onhoudbaren toestand der belegerde
+stad. Maar even precies kende Slatin nu den toestand van Gordon en toen
+den 26sten Januari 1885 het leger van den Mahdi onder de beschutting
+van den duisteren nacht en zoo geluidloos als maar mogelijk was tot de
+bestorming van Chartoem uitrukte, maakte zich van den achtergebleven
+gevangene, die tot nu toe ketenen en honger, verachting en spot, zijner
+pijnigers met stoïcijnsche onverschilligheid had verdragen, een met het
+uur groeiende zenuwachtigheid meester.
+
+Toen hij tegen het ochtendgrauwen van afmatting een weinig was
+ingeslapen, werd hij eensklaps opgeschrikt door het geknetter der
+geweren en de eerste kanonschoten. Er was in de schemering nog niets te
+zien. Na eenige salvo’s vielen nog slechts enkele schoten, daarna werd
+alles weer rustig. Dat kon toch onmogelijk de bestorming van Chartoem
+zijn?
+
+De zon kwam op, in het rond was alles stil, de bewakers hadden zich,
+door nieuwsgierigheid gedreven, verwijderd. Plotseling geschreeuw en
+jubelkreten, de bewakers kwamen terug met het bericht: „Chartoem is
+bestormd, en in handen der Mahdisten.”
+
+Deze jobstijding dreef Slatin uit zijn tent. Een groote menigte
+menschen had zich verzameld voor de tenten van den Mahdi en zijn
+kalifa’s. De menigte scheen zich in beweging te zetten en het staketsel
+te naderen, waarmede de tent van Slatin werd omgeven. En werkelijk
+kwamen ze nu in deze richting. Voorop liepen drie negersoldaten, een
+hunner droeg een bloedigen bundel in de handen. Achter hen aan drong de
+joelende menigte. De slaven traden binnen de omheining, bleven met
+grijnzend gezicht voor Slatin staan, de een sloeg den doek van elkaar
+en vertoonde aan den ontstelden gevangene het hoofd van generaal
+Gordon!
+
+Het bloed steeg Slatin naar het hoofd, zijn adem stokte; met de
+uiterste inspanning behield hij echter zooveel zelfbeheersching rustig
+in het vale gelaat te zien. De blauwe oogen waren half geopend, de mond
+had zijn natuurlijken vorm behouden, het gelaat was kalm, de trekken
+niet verwrongen, het hoofdhaar en de korte bakkebaarden waren bijna
+wit.
+
+„Is dat niet je oom, de ongeloovige?” vroeg de slaaf, het hoofd omhoog
+houdend.
+
+„En wat zou dat dan?” antwoordde Slatin rustig. „In elk geval een
+dapper soldaat, die op zijn post is gevallen en opgehouden heeft te
+lijden. Wel hem!”
+
+„Je prijst den ongeloovige nog! Je zult de gevolgen ondervinden,”
+bromde de slaaf en verwijderde zich langzaam met het schrikkelijk
+teeken van den triomf van den Mahdi. De menigte drong brullend achter
+hem aan.
+
+Slatin sleepte zich terug in zijn tent en wierp zich doodelijk afgemat
+op den grond. Chartoem gevallen! Gordon dood! Dat was dus het einde van
+den man, die zijn post met zooveel heldenmoed had verdedigd, een man,
+die door velen misschien te hoog verheven en verafgood werd, door velen
+miskend en belasterd, maar door zijn buitengewone eigenschappen, de
+wereld echter met z’n roem had vervuld! Wat nut had nu de zegevierende
+voorhoede, wat het geheele Engelsche leger?
+
+Door vrienden, die Slatin zich ook in het leger van den vijand door
+zijn vrijgevigheid had verworven, vernam hij nu gaandeweg alle
+bijzonderheden van den schrikkelijken nacht. De overval had Gordon niet
+onvoorbereid gevonden, maar hij scheen niet verwacht te hebben, dat de
+bestorming zoo gauw en in het vroege morgenuur ondernomen zou worden.
+Ter misleiding van den vijand en tot amusement zijner manschappen, liet
+hij nog den avond te voren een vuurwerk ontsteken, en juist toen de
+Mahdi den stormloop voorbereidde, stegen de eerste raketten boven
+Chartoem in bont kleurenspel ten hemel en de muziek speelde vroolijke
+wijsjes, om de terneergeslagen gemoederen wat op te wekken.
+
+Het vuurwerk was uitgebrand, de muziek zweeg en de verdedigers van
+Chartoem sliepen. Maar de vijanden waren maar al te wakker! Zij kenden
+de versterking, wisten precies waar ze sterk, en met geregelde troepen
+bezet, en waar ze zwak en slechts door de stadsbewoners verdedigd was.
+Tegen deze zwakke plaatsen der versterking, hoofdzakelijk aan den
+Witten Nijl, richtte zich bij het eerste ochtendgrauwen de hoofdaanval.
+De verdedigers vluchtten en toen de soldaten op de muren der vesting
+staande de Mahdisten in hun rug de stad zagen binnendringen, verlieten
+ook zij hun post, en gaven zich meestal vrijwillig en zonder strijd
+over.
+
+De Mahdisten beproefden voor alles de kerk en het paleis te bereiken,
+omdat men daar schatten en in het laatste—voor alles, Gordon Pacha
+hoopte te vinden. De dienaren van den generaal, die zich in de
+benedenverdieping bevonden, werden neergesabeld. Hij zelf wachtte den
+vijand af op de bovenste trede van de naar zijn vertrekken leidende
+trap. Zonder zich te bekommeren om zijn groet, stiet hem de eerste
+aanvaller, de treden opstormend, de lans in het lichaam. Gordon viel
+met het gezicht naar voren zonder een geluid te geven op de trap, en
+werd door zijn moordenaars tot aan den ingang van het paleis gesleept.
+Hier werd zijn hoofd met een mes van den romp gescheiden, en naar den
+Mahdi gezonden, die beval, dat men het aan Slatin zou toonen; de romp
+werd prijs gegeven aan de fanatici en honderden van deze onmenschen
+beproefden de spitsen hunner lansen en de scherpte van hun zwaarden aan
+den gevallen held, die in enkele minuten een onherkenbare bloedige
+massa geleek.
+
+Nog langen tijd daarna waren de sporen van deze bloedige daad voor het
+paleis zichtbaar en de zwarte bloedvlek op de trap van het paleis geeft
+de plaats aan waar men Gordon heeft vermoord; ze werd pas verwijderd,
+toen de opvolger van den Mahdi, de Kalief, het regeeringspaleis tot
+woning voor zijn vrouwen liet inrichten.
+
+Toen men den Mahdi het hoofd van generaal Gordon bracht, zei de
+huichelaar, dat hij wenschte dat men hem levend in handen gekregen had,
+want dat hij hem „na zijn bekeering” had willen uitleveren tegen
+gevangen genomen derwischen. Wanneer het echter werkelijk zijn wensch
+geweest was, Gordon’s leven te sparen, dan zou geen van zijn
+volgelingen het gewaagd hebben om in strijd met zijn uitdrukkelijk
+uitgesproken verlangen te handelen.
+
+De gruwelen, door de derwischen in de veroverde stad bedreven, spotten
+met elke beschrijving. Gedurende de eerste dagen, tijdens welke de
+Mahdi Chartoem aan plundering prijsgaf, werden slechts slaven en
+slavinnen, benevens de mooiste vrouwen en meisjes der vrije stammen
+gespaard, alle anderen hadden het uitsluitend aan het toeval te danken
+wanneer ze er levend afkwamen.
+
+Tal van inwoners benamen zich vrijwillig het leven; een nog veel
+grooter aantal werd door eigen slaven en vroegere vrienden vermoord, of
+viel ten offer aan het zwaard der verraders, die voor de rooverbenden
+als gids hadden gediend.
+
+Met het verhaal van al de gruweldaden, die in de weerlooze stad
+gepleegd werden, zouden, zooals Slatin Pacha zelf zegt, boekdeelen te
+vullen zijn. Ook de overlevenden gingen een droevig lot tegemoet. Nadat
+alle huizen bezet waren, begon men naar verborgen schatten te zoeken;
+geen ontkennen, geen plechtige verzekeringen mochten baten; hij op wien
+slechts de minste verdenking viel—en bij wien was dit niet het
+geval?—iets van waarde verborgen te hebben, werd zoolang gemarteld,
+totdat hij bekend had, of, indien hij werkelijk niets te bekennen had,
+totdat hij onder de handen zijner pijnigers den laatsten adem uitblies.
+
+En de Engelsch-Egyptische ontzettings-expeditie, waarvan de schepen
+reeds in ’t zicht van Chartoem lagen? Met den val van Chartoem, en den
+dood van Gordon, was haar taak afgeloopen, en bovendien waren er onder
+de inlandsche bemanning der schepen zoovele verraders, dat de Engelsche
+bemanning genoeg te doen had met er voor te zorgen, dat ze niet door de
+brooddronken Mahdisten omsingeld werden, temeer daar ze in aantal lang
+niet tegen deze benden opgewassen waren. Ze maakten daarom zoo snel
+mogelijk rechtsomkeert, en lieten Soedan aan den Mahdi over, die nu
+Omdoerman tot hoofdstad van zijn rijk verhief, dat van nu af niets meer
+van de Egyptische regeering te duchten had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+48. DE VELDTOCHT VAN KITCHENER IN SOEDAN.
+
+
+Hoe snel volgden daar ginds in het Oosten de gedenkwaardige
+gebeurtenissen elkaar op! In 1881 had de Mahdi de vaan des oproers
+geplant, en reeds na vier jaar was hij in het bezit der
+alleenheerschappij over Soedan. Maar, lang zou hij de vruchten van zijn
+overwinning niet plukken; den 28sten Juni 1885, juist vijf maanden na
+den val van Chartoem stierf hij.
+
+Zijn opvolger, Abdullahi, nam den titel van Kalifa aan, en dertien
+jaren zuchtte het ongelukkige land onder het juk zijner heerschappij!
+De stammen van Soedan, het Egyptische juk moede, hadden den Mahdi als
+hun bevrijder begroet. In plaats van Turksche pacha’s kregen ze thans
+een despoot, die in schandelijke willekeur zijns gelijke zocht.
+Abdullahi legde op al het bare geld en al het koren beslag, en
+vaardigde de meest dwaze verordeningen uit. Wie niet gehoorzaamde, werd
+opgehangen. Het land was ten prooi aan plundering en brandstichting, en
+meer dan de helft der bevolking werd tijdens zijn bewind uitgeroeid.
+Met de schatten die hij van zijn eigen volk stal, kon hij een
+uitstekend leger op de been houden; eenmaal zou het uur der vergelding
+slaan, en daarvoor moest hij zijn leger bereid houden. Zijn hoofdstad
+was Omdoerman, waar de Mahdi onder den koepel eener moskee begraven
+lag. Voordat de christenhonden zoover in zijn rijk waren doorgedrongen,
+zouden hun geraamten allang verbleekt zijn in het zand der Nubische
+woestijn.
+
+Maar, het uur der vergelding naderde. Langzaam trok een
+Engelsch-Egyptisch leger Nijl-opwaarts, en de aanvoerder, generaal
+Kitchener, de laatste die aan Gordon een brief had kunnen doen
+toekomen, had zijn maatregelen zoo goed getroffen, dat hij reeds twee
+jaren van te voren, bijna op den dag af, nauwkeurig het tijdstip had
+kunnen voorspellen, waarop Chartoem en Omdoerman hem in handen zouden
+vallen.
+
+Bij den Atbara, een der zijrivieren van den Nijl, versloeg hij, na een
+moorddadig gevecht, een der legers van den Kalifa. In Augustus 1898
+trok de expeditie tegen Metemma op. In de voorhoede trokken de
+verkenners en de lichte cavalerie, daarop volgden Egyptische troepen,
+kanonnen en mitrailleurs, Engelsche troepen in lichte grauw-gele
+uniformen met helmen van kurk, die de beste beschutting tegen de zon
+opleveren, Egyptische troepen met hun bonte turbans en de rijk met goud
+versierde uniformen der officieren. Daarop volgden eindelooze karavanen
+van sterke transport-muilezels, dromedarissen beladen met kisten vol
+proviand, ammunitie en wapenen, tenten, balen met kleedingstukken, de
+geheele uitrusting voor een leger van twee en twintig duizend man.
+Groote kudden slachtvee, ossen, schapen en geiten werden medegevoerd.
+Het geleek op een lange, zwarte slang die daar over het gele zand langs
+den Nijloever voortkronkelde. Zoover het oog reikte, niets dan
+legerscharen; een schouwspel dat deed denken aan een groote
+volksverhuizing der Israëlieten uit Egypte.
+
+Het leger bereikte zonder schermutselingen Metemma.
+
+Den 28sten Augustus was men nog slechts vier dagreizen van Chartoem
+verwijderd, waar Engeland’s naam weer in eere hersteld zou worden!
+Thans naderde de beslissende slag. De grauwe kanonneerbooten voeren
+langzaam Nijlopwaarts; met verzengenden gloed bescheen de zon het
+woestijnzand; maar stap voor stap ging het gestadig voorwaarts, en bij
+het kampeeren werd het terrein zoo gekozen, dat een nachtelijke
+overrompeling uitgesloten was.
+
+Daar verschenen in de verte bereden troepen derwischen. De weg voert
+door struikgewas en tusschen twee heuvels door. Reeds komen witte
+tenten en vaandels in ’t gezicht. Er weerklinkt tromgeroffel;—de Kalifa
+roept de zijnen ten strijde op. Maar de derwischen trekken zich weder
+terug; het Engelsch-Egyptisch leger vervolgt zijn weg.
+
+Eindelijk doemt in het Zuiden de koepel op, die zich welft over het
+graf van den Mahdi; en daar bovenuit verheffen zich de leemen huizen en
+grauwe muren van Omdoerman. Tusschen de stad en het leger breidt zich
+een zandvlakte uit. Voor de stad vertoont zich een zwarte streep.
+Wellicht een schans? Maar neen, het beweegt, de derwischen trekken ten
+strijde. Thans is voor de blanken het oogenblik van wraak aangebroken,
+nu begint een tooneel dat geheel Soedan van ontzetting zal vervullen.
+
+Het krijgsgehuil der derwischen nadert, reeds hoort men het kletteren
+van hun wapenen. Op één kilometer afstand maken ze weer rechtsomkeert.
+Kitchener laat de nacht rustig voorbijgaan, zijn tijd zal wel komen!
+
+Op den morgen van den 2den September is het leger strijdvaardig. Uit
+den nevel komen van de heuvels in ’t Zuiden eenige ruiters te
+voorschijn: Hun aantal groeit steeds aan; een strijdmacht van
+vijftigduizend derwischen krioelt in bonte verwarring dooreen.
+
+Weer verheft zich hun fanatiek krijgsgehuil ten hemel, het rolt als een
+loeiende stormwind over de vlakte. Ze komen aanstormen. God moge hun
+genadig zijn! Zij rijden hun verderf tegemoet. Ze naderen in snellen
+draf, ze willen zich als een lawine op den vijand storten; nu zijn ze
+onder schot—daar knetteren duizenden geweren, en plotseling maken de
+horden halt, terwijl de granaten in hun midden dood en verderf
+verspreiden.
+
+Maar, slechts voor één oogenblik is de aanval in zijn vaart gestuit,
+met een onversaagdheid, zooals alleen godsdienstig fanatisme die teweeg
+kan brengen, rukken ze voort. De Engelsche mitrailleurs vuren zóó
+onophoudelijk dat men slechts een gelijkmatig geknetter hoort. De
+soldaten vuren zoo snel achtereen dat hun geweren warm worden, en door
+anderen moeten worden vervangen. De derwischen vallen bij geheele
+compagnieën tegelijk, maar de openingen in de gelederen worden steeds
+weer aangevuld. De lijken in de witte, met bloed bevlekte mantels
+bedekken de vlakte als de bloesems in het voorjaar na een wervelwind.
+Eindelijk geven ze den strijd op, en trekken zich terug.
+
+„Voorwaarts naar Omdoerman!” klinkt het Engelsche commando. Nog is de
+bloedige dag niet ten einde. De derwischen verzamelen zich opnieuw, de
+vaan van den Kalifa wordt op den heuvel geplant, en daarnaast de groene
+vaan van den profeet, om de geloovigen tot een laatsten vertwijfelenden
+kamp op te roepen. De eene linie na de andere stort zich in het vuur,
+om telkens weer opnieuw door de Engelsche kogels te worden weggemaaid.
+De derwischen verweren zich als leeuwen, want het gaat hier om de
+heerschappij in Soedan, Mahdi, Kalifa en paradijs, overwinning of dood!
+
+Toen de dag ten einde was, was het leger van den Kalifa vernietigd, en
+de vaan die bij Gordon’s dood geheschen was, zonk in het stof.
+
+Elfduizend dooden, zestienduizend gewonden en vierduizend gevangenen!
+De Kalifa zelf ontkwam. Zijn harem en zijn dienaren verlieten hem, en
+hij die des morgens nog de alleenheerscher over een onmetelijk rijk
+geweest was, zwierf bij het aanbreken van den avond eenzaam rond. Hij
+vluchtte naar het Zuiden, en het gelukte hem een nieuw leger op de been
+te brengen, dat echter het volgende jaar eveneens volkomen vernietigd
+werd. Hij zelf sneuvelde.
+
+Thans bleef er voor den overwinnaar nog een dure plicht over. Sedert
+Gordon’s dood waren dertien jaren en zes maanden verstreken en nu zou
+de held zijn christelijke begrafenis deelachtig worden. Op het plein
+voor Gordon’s paleis te Chartoem vormden de troepen drie zijden van een
+carré; op de vierde zijde stond Kitchener temidden van zijn staf, en
+omringd door de divisie- en brigade-generaals. Kitchener heft de hand
+op, de vlag van Groot-Brittannië wordt op het paleis geheschen, begroet
+door den donder van het geschut der kanonneerbooten. Het muziekkorps
+der garde speelt het Engelsche volkslied. Dan wappert de vlag van
+Egypte naast de Engelsche, begroet door de Egyptische volkshymne. Vier
+geestelijken verrichten den lijkdienst. Dan blazen de Soedaneezen den
+lievelingsmarsch van Gordon en een laatste hoera van officieren en
+manschappen geldt den wreker van den gevallene, generaal Kitchener.
+
+In den generalen staf van het Engelsche leger bevond zich ook Slatin
+Pacha, wien het na twaalfjarige, standvastig verduurde gevangenschap,
+eindelijk gelukt was de waakzaamheid van den Kalifa en zijn dienaren te
+verschalken, en na een avontuurlijke vlucht vaderland en familie weer
+terug te zien. Na de wederoprichting van de Engelsch-Egyptische
+heerschappij in Soedan werd hij tot generaal-inspector van dit land
+benoemd
+
+
+
+
+
+
+
+
+49. DE STRUISVOGEL.
+
+
+Tegenwoordig is in Soedan alles anders geworden; een spoorweg loopt van
+de Nijldelta naar Chartoem, en een andere van de Roode Zee naar Berber.
+Chartoem bezit thans scholen, hospitalen, kerken en andere openbare
+gebouwen en de stoombooten bevaren den Nijl tot aan de groote meren.
+Gordon’s plan het Victoria-Niansa meer met Mombas aan de kust te
+verbinden, is verwezenlijkt, en een spoorlijn doorsnijdt Britsch
+Oost-Afrika. Kortom van alle kanten zijn de blanken steeds dieper in
+het zwarte werelddeel binnengedrongen, en hebben zich de heerschappij
+over bijna geheel Afrika verzekerd. De fauna van dit werelddeel is
+dientengevolge herhaaldelijk in het gedrang gekomen, en door te grooten
+ijver der jagers is in vele streken het wild volkomen uitgeroeid; het
+heeft ontoegankelijke oorden opgezocht, waar het voorloopig nog
+ongestoord kan voortleven.
+
+In de Sahara, in de Libysche Woestijn, op de vlakke velden aan den
+boven-Nijl, op de steppen van Zuid-Afrika, overal waar open vlakten
+zijn, leeft een der schoonste en belangwekkendste vertegenwoordigers
+van Afrika’s dierenwereld, de struisvogel. Hoewel hij wegens zijn
+kostbare vederen sedert tal van eeuwen wordt gejaagd, komt hij nog in
+menigte voor. In de onherbergzame woestijnstreken houdt hij zich
+evenwel niet op; hij leeft slechts daar, waar water in de nabijheid is.
+
+Deze wonderlijke vogel bereikt een hoogte van twee-en-een-halven meter
+en weegt in volwassen toestand vijf-en-zeventig kilogram. Hij heeft een
+kleinen, platten kop met groote, schitterende oogen. Zijn vleugels,
+waaraan de kostbare vederen zitten, zijn zoo klein, dat zij hem niet in
+staat stellen, om zich in de lucht te verheffen en te vliegen; maar als
+vergoeding daarvoor kan hij een duizelingwekkende snelheid bereiken, en
+laat een paard en ruiter ver achter zich.
+
+De struisvogels leven in kleine troepen bijeen van vijf of zes stuks.
+Den morgen gebruiken ze om hun maag te vullen met planten, en ook wel
+met kleine dieren en insekten. Dan rusten ze, of spelen met elkaar
+waarbij ze in een kring over het zand loopen, zonder hinder te hebben
+van de zon en den gloeienden bodem. Dan drinken ze, en des middags gaan
+ze weer op jacht om voedsel te zoeken. Des avonds zoeken ze hun
+legerstede op.
+
+Het scherpste zintuig van den struisvogel is het gezicht, hoewel ook
+hun reuk en gehoor buitengewoon ontwikkeld zijn. Wanneer er gevaar in
+aantocht is, vlucht hij fladderend weg en neemt dan passen, die een
+lengte bereiken van drie tot vier meter. Door de waakzaamheid van den
+struisvogel houdt de zebra zich bij voorkeur in zijn nabijheid op,
+teneinde tijdig tegen naderend onheil gewaarschuwd te zijn.
+
+De struisvogeljacht wordt van ouds door de Arabieren van Noord-Afrika
+op snelle paarden of dromedarissen uitgeoefend. Twee of drie ruiters
+achtervolgen een mannetje, dat na een vlucht van een uur uitgeput is.
+Weliswaar zijn dan ook de paarden aan het eind van hun krachten, maar
+een der ruiters dwingt zijn ros tot een laatste krachtsinspanning, en
+haalt ten slotte den struisvogel in; dan velt hij hem met een slag op
+den kop terneer. Dan springen de ruiters van hun paarden, villen de
+dieren en keeren de huid om, die dan dient als een zak, waarin ze de
+veeren bergen, en zoo keeren ze dan weer naar hun tenten terug.
+
+De veeren van den wilden struisvogel zijn veel mooier en kostbaarder
+dan die van de tamme exemplaren. Een volwassen struisvogel levert
+steeds 14 groote, witte veeren op.
+
+De wijfjes leggen haar reusachtige eieren in kuilen in het zand, en,
+merkwaardigerwijze, zijn ’t de mannetjes die de eieren uitbroeden.
+Overdag gaan ze uren lang van het nest af, maar dekken de eieren met
+zand toe. Reeds na anderhalve maand komen de jongen uit, ze zijn dan
+even groot als jonge hanen, maar een enkel struisvogelei weegt dan ook
+evenveel als vier-en-twintig kippeneieren tezamen, en heeft in
+doorsnede een lengte van vijftien centimeter.
+
+De eetlust van den struisvogel is verwonderlijk. Er is bijna niets wat
+hij versmaadt. De groote dierenkenner Brehm, die er tamme struisvogels
+op na hield, vertelt dat ze ratten en kuikens verteren, kleine steenen
+inslikken, en dat tweemaal zijn sleutelbos in een struisvogelmaag
+verdween. Men vond eenmaal in zulk een maag voor vier kilogram aan
+„diversen”, en wel: steenen, lompen, metaal, munten, sleutels, enz.
+Brehm bezat een tamme baviaan, die met alle dieren in vijandschap
+leefde, alleen niet met de struisvogels; maar op den duur ging ook deze
+vriendschap over in vijandschap, want wanneer de baviaan op een muur
+van den hof zat, en zijn staart naar beneden liet hangen, kwam altijd
+een der struisvogels, die nu eenmaal niets kon zien of hij moest
+dadelijk probeeren hoe het smaakte, en die hem altijd in dit gevoelige
+aanhangsel beet. De aap werd dan natuurlijk woedend, en sprong op den
+struisvogel toe, die er nooit zonder eenige schrammen en geplukte
+veeren afkwam.
+
+Er wordt wel eens beweerd, dat de struisvogel het domste dier is dat er
+bestaat. Dit is een bewering die niet door alle Zoölogen gedeeld wordt.
+De Duitsche onderzoekingsreizer Schillings, die beroemd is wegens zijn
+moment-opnamen, des nachts van wilde dieren gemaakt, volgde op zekeren
+keer uren lang het spoor van eenige leeuwen; het spoor bracht hem langs
+een struisvogelnest waarin een paar jongen waren, die pas waren
+uitgebroed. De ouden waren klaarblijkelijk niet aanwezig, en,
+merkwaardigerwijze hadden de leeuwen de jongen ongemoeid gelaten.
+Spoedig vond hij de oplossing van dit raadsel: de oude struisvogels,
+die in den helderen maannacht reeds lang van tevoren het gevaar hadden
+zien aankomen, waren bij het naderen der leeuwen opgesprongen om ze van
+het nest weg te lokken. Deze list was hun ook gelukt, het spoor wees
+eindelijk uit dat de leeuwen de vluchtende struisvogels achtervolgd
+hadden, en zoodoende zich steeds verder van het nest hadden verwijderd.
+Toen het struisvogelpaar meende dat ze den vijand ver genoeg hadden
+weggelokt, waren ze omgekeerd om langs een omweg weer naar hun jongen
+terug te keeren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+50. LEEUWENJACHT.
+
+
+We begeven ons thans naar Mombas, aan Afrika’s Oostkust, vlak ten
+zuiden van den aequator. Hier bevinden we ons in het gebied van den
+Afrikaanschen leeuw. De beste gids die er voor deze streken bestaat,
+vergezelt ons, namelijk de Engelsche overste Patterson; talrijk zijn de
+avonturen die hij heeft meegemaakt op zijn leeuwenjachten, en van een
+dezer avonturen willen we nu vertellen. Hoewel het een verhaal vol van
+verschrikkingen zal zijn, is ’t toch in waarheid gebeurd, en
+onopgesmukt, zooals duizenden die er getuigen van waren, zouden kunnen
+bevestigen.
+
+Overste Patterson was in het jaar 1898 gedetacheerd bij den
+Uganda-spoorweg, die van Mombas door Britsch Oost-Afrika
+noordwestwaarts naar het Victoria-Niansa-meer, een der groote meren,
+waaruit de Nijl zijn oorsprong neemt, loopt. Bij zijn aankomst aldaar
+liep de spoorweg nog niet verder dan tot aan den Tsavo, een klein
+zijriviertje van den Sabaki, die ten noorden van Mombas in de zee
+uitstroomt. Hier aan den Tsavo, waar een houten hulpbrug gebouwd was,
+die door Patterson vervangen zou worden door een ijzeren brug,
+kampeerde hij met een paar duizend Indische arbeiders.
+
+Eenige dagen na zijn aankomst hoorde Patterson van twee leeuwen, die de
+streek onveilig maakten. Aanvankelijk sloeg hij niet veel acht op dit
+gerucht, totdat na verloop van eenigen tijd een zijner bedienden door
+een leeuw werd weggesleept. Een makker van den ongelukkige, die in
+dezelfde tent sliep, had gezien hoe de leeuw midden in den nacht het
+kamp onhoorbaar binnensloop, de tent binnendrong, en Patterson’s
+bediende bij de keel greep. De man had geroepen „Laat me los!” en zijn
+arm om den hals van het roofdier geslagen. Toen was het kamp weer in
+diepe stilte gehuld. Des morgens kon de overste het spoor van den leeuw
+gemakkelijk volgen, want langs den geheelen weg hadden de voeten van
+het slachtoffer door het zand gesleept; daar waar de leeuw zijn prooi
+verslonden had, lagen nog slechts de kleedingstukken van den
+ongelukkige, en zijn hoofd; een namelooze ontzetting sprak uit de
+gebroken oogen.
+
+Diep door dit droevige schouwspel bewogen, zwoer de overste niet eerder
+te zullen rusten voordat de beide leeuwen gedood waren. Met zijn buks
+in de hand hield hij den volgenden nacht in de nabijheid van de tent
+zijner bedienden de wacht. Toen het stil en donker geworden was,
+weerklonk in de verte een gebrul, dat steeds meer nabij kwam; de
+leeuwen kwamen om een nieuw offer te halen. Toen werd het wederom stil;
+de leeuw bespringt zijn prooi in stilte; alleen wanneer hij zijn
+zwerftochten begint, stoot hij een dof gebrul uit, als om de bewoners
+der wildernis te waarschuwen. De overste wachtte—daar weerklonk
+plotseling in het naastbijzijnde kamp, op een afstand van ongeveer
+honderd meter, een kreet van ontzetting. Dan weer diepe stilte. Weer
+hadden de roofdieren hun prooi weggesleept.
+
+Nu verborg de overste zich in het andere kamp. Maar ook hier werd hij
+teleurgesteld. Van uit de verte klonk den volgenden nacht een
+hartverscheurende kreet—een derde arbeider was weggesleurd.
+
+De Indische arbeiders sliepen in verschillende kampen, en de leeuwen
+hadden elken nacht een ander kamp uitgezocht, teneinde de menschen op
+een dwaalspoor te brengen. Toen ze nu bemerkten dat ze verscheidene
+nachten achtereen ongestraft hun prooi hadden kunnen wegsleuren, werden
+ze steeds overmoediger, en toonden niet den geringsten angst voor de
+wachtvuren. Ze stoorden zich zelfs in ’t geheel niet aan de kogels, die
+hun in de duisternis werden nagezonden.
+
+Men bouwde thans om elk kamp een hooge, stevige omheining van
+doornstruiken, maar toch gelukte het den leeuwen steeds er over heen te
+springen of er doorheen te breken. Overdag volgde overste Patterson het
+spoor in alle richtingen, maar zoodra hij op rotsachtig terrein kwam,
+hield natuurlijk elk spoor op. Nog ernstiger werd de toestand, toen de
+spoorweg meer landwaarts gelegd werd, en slechts een paar honderd
+arbeiders bij de Tsavo-brug achterbleven. De heiningen werden bizonder
+hoog en stevig gebouwd, de kampvuren gloeiden als brandstapels, overal
+werden wachtposten uitgezet, de buksen lagen gereed, en in elk kamp
+moest een man op oliekannen trommelen om de dieren te verjagen. Maar
+toch verdwenen steeds weer nieuwe offers. De arbeiders waren zóó
+verlamd van angst, dat ze niet eens konden schieten wanneer de leeuwen
+vlakbij waren. Eens werd zelfs een zieke uit de hospitaaltent
+weggesleept. Het volgende offer was een waterdrager, hij had met het
+hoofd naar het midden der tent, en met de voeten naar de opening
+gelegen; de leeuwen waren over de heining heen gesprongen, hadden den
+man bij de voeten beetgepakt, en naar buiten gesleurd. De ongelukkige
+had zich aan een kist vastgeklemd, dan aan een stuk touw van de tent;
+het touw was afgebroken, en de leeuw was met zijn buit in den bek langs
+de omheining geloopen om een open plek te zoeken, waar hij doorheen was
+gedrongen. Hier vond men des morgens eenige flarden van kleederen en
+stukken vleesch. De tweede leeuw had aan de buitenzijde gewacht, en
+samen hadden ze den buit gedeeld. Een hand van het slachtoffer was
+overgebleven, en daaraan stak een ring, die naar zijn vrouw in Indië
+gestuurd werd.
+
+Hierop volgde een periode van rust. De leeuwen waren klaarblijkelijk
+elders bezig, en de arbeiders begonnen reeds wegens de hitte buiten de
+tenten te slapen. Op zekeren nacht zaten ze rondom het wachtvuur toen
+de eene leeuw plotseling over de omheining sprong, voor hen bleef
+staan, en ze aanstaarde. Alles sprong in ontzetting op wierp met
+steenen en brandende stukken hout naar het ondier. Maar de leeuw deed
+onversaagd een sprong, pakte weer een der mannen en stormde met hem
+door de omheining heen, weg. Het andere dier wachtte hem daarbuiten, en
+op slechts dertig meter afstand van het kamp verslonden ze samen hun
+prooi.
+
+Een geheele week achtereen hield de overste de wacht in een der kampen,
+waar het bezoek te wachten was. Er is, zooals hij zelf zegt, niets
+afmattender voor de zenuwen dan zulk een vruchteloos afwachten. Altijd
+hoorde hij het waarschuwende gebrul in de verte, wanneer de roofdieren
+in aantocht waren. Dan riepen de wachters: „Past op, broeders, de
+duivel komt!” En dan weerklonken altijd weer een oogenblik later de
+angstkreten van het slachtoffer dat weggesleurd werd! Tenslotte werden
+de leeuwen zoo overmoedig dat ze beiden tegelijk over de heining
+sprongen, om ieder voor zich een prooi te maken. Eenmaal gelukte het
+een der leeuwen niet om zijn buit door de heining heen te sleepen, en
+hij moest zich tevreden stellen met zijn aandeel in de buit van zijn
+makker. De man, dien hij had moeten achterlaten, was echter zoo
+gruwelijk toegetakeld, dat hij reeds stierf voordat men hem in de
+ziekentent had kunnen brengen. De arbeiders, uitgeput als ze waren door
+hun voortdurend doodsgevaar en het waken, konden dezen toestand
+eindelijk niet meer uithouden; ze legden het werk neer. Ze waren naar
+Afrika gekomen om geld te verdienen bij het aanleggen van een spoorweg,
+en niet om als voedsel te dienen voor leeuwen. Op zekeren dag hielden
+ze een trein aan, vulden de wagens met al hun hebben en houden, en
+vertrokken naar de kust. De enkele dapperen, die bij overste Patterson
+stand hielden, overnachtten in boomen, in het waterreservoir of in
+overdekte kuilen, die ze in hun tenten gegraven hadden.
+
+Nu had overste Patterson een Engelschen kameraad uitgenoodigd om bij
+hem aan den Tsavo te komen en aan de jacht op de beide leeuwen deel te
+nemen. De trein, waarmede die aankwam, had vertraging en het was reeds
+donker toen hij zich door het struikgewas op weg naar het kamp begaf.
+Hij werd slechts door één bediende met een lantaarn vergezeld. Toen hij
+halverwege gekomen was, sprong plotseling een leeuw van de glooiïng van
+een heuvel naar beneden, bracht den Engelschman bloedende wonden in den
+rug toe, en zou hem meegesleurd hebben, wanneer deze niet zijn karabijn
+had afgevuurd. Door den knal verdoofd, liet de leeuw onwillekeurig los,
+maar wierp zich nu op den bediende en was het volgende oogenblik met
+zijn prooi in het struikgewas verdwenen.
+
+Eenige dagen later meldde een Suaheli, de afstammeling van een
+Arabischen vader en een negerin, dat de leeuw een ezel geroofd had, en
+nu bezig was, dien vlak in de nabijheid te verslinden. De overste
+snelde naar de plek, die de boodschapper hem aanwees, en zag reeds
+vanuit de verte den gelen rug van het dier. Ongelukkigerwijze trad hij
+op een tak. De leeuw verdween in het ondoordringbare struikgewas. Nu
+werd iedereen die in de nabijheid was ontboden, en van trommels en
+blikken kannen voorzien, ondernamen ze een klopjacht, terwijl de
+overste zich in een hinderlaag legde bij de plek waar het beest
+waarschijnlijk te voorschijn zou komen. En ja, daar kwam hij te
+voorschijn, een geweldige leeuw, grimmig en woedend gemaakt door die
+stoornis. Langzaam liep hij rechtuit; telkens bleef hij stilstaan, en
+hij was zoozeer in beslag genomen door het lawaai achter zich, dat hij
+den jager in ’t geheel niet opmerkte. Nu was hij nog slechts op dertien
+meter afstand; de overste nam zijn buks op—daar hoorde de leeuw de
+beweging, zette zich met de voorpooten schrap, en bereidde zich,
+snuivend van woede, voor tot een sprong. De overste richtte zijn buks
+op den manenlooze kop en—het schot weigerde!
+
+Maar op hetzelfde oogenblik draaide de leeuw zich om en nam de wijk in
+de struiken; een schot beantwoordde hij met een woedend gebrul. Nu
+moest de overste tot aan het aanbreken van den nacht geduld hebben. In
+de haast had hij die verraderlijke buks van iemand geleend; nu was het
+zaak om op zijn eigen wapenen te vertrouwen. De ezel lag daar nog
+onaangeroerd. In de onmiddellijke nabijheid van het lijk werd een
+verhevenheid van vier meter hoogte opgericht, waarop tegen
+zonsondergang de overste post vatte. Aan den aequator duurt de
+schemering slechts zeer kort, en wanneer de maan niet schijnt, wordt
+het snel donkere nacht. Dan heerscht er over Afrika’s vlakten een
+drukkende, onheilspellende stilte. Patterson zelf bekent dat het hem
+steeds banger te moede werd, naarmate de uren voorbij gingen. Met het
+geweer in de hand bleef hij onbeweeglijk staan wachten; hij was er
+zeker van, dat de leeuw zou komen, om tezamen met zijn makker den ezel
+te verslinden, want uit de arbeiderskampen waren dezen avond geen
+angstkreten opgestegen.
+
+Klonk het daar niet alsof er een dunne tak onder een zwaren last brak?
+Een groot dier drong zich tusschen de struiken door, dat was duidelijk
+te hooren. Dan weer diepe stilte, nu een dof gesteun, het teeken van
+honger—het dier was in de nabijheid. Weer een zacht ruischen tusschen
+de struiken, daarna verbrak een vreeselijk gebrul de nachtelijke
+stilte. De leeuw had lucht gekregen van de nabijheid van een mensch.
+Zou hij omkeeren? Integendeel, hij versmaadt nu den ezel, en gaat
+regelrecht op den overste af!
+
+Twee uren lang kroop het roofdier in steeds enger kringen om de
+verhevenheid heen. Het werd den jager bang te moede. Plotseling voelt
+hij hoe iets zachts zijn nek aanraakt—„nu heeft het monster me” dacht
+hij! Maar ’t was slechts een nachtuil, die de roerlooze gestalte van
+den overste niet bemerkt had.
+
+Eindelijk besloot de leeuw tot den aanval en maakte zich gereed tot een
+sprong. Nauwelijks was het dier te onderscheiden van den bodem. Daar
+knalde het eerste schot door den nacht; de leeuw stiet een ontzettend
+gebrul uit en vluchtte in het struikgewas, waar hij zich, brullend van
+pijn, rondwentelde. Maar het gebrul werd zwakker, om eindelijk na een
+langgerekt gesteun, te verstommen. De rekening met den eersten roover
+was vereffend!
+
+Nog voor het aanbreken van den dag kwamen de arbeiders aangestroomd, en
+droegen den overste onder luid gejuich in triomf om den dooden leeuw
+rond. De tweede leeuw zette evenwel zijn bezoeken voort, maar werd ook
+spoedig neergeschoten.
+
+Nu kon het werk aan den spoorwegaanleg weer voortgezet worden, en de
+overste genoot in die streek, die hij van een plaag bevrijd had, de
+grootste populariteit.
+
+Patterson beleefde een groot aantal van zulke jachtavonturen, niet
+slechts met leeuwen, maar ook met neushoorns, nijlpaarden, luipaarden,
+giraffen, krokodillen, enz. Nog een zijner avonturen moge hier een
+plaats vinden.
+
+Op zekeren dag had hij in een klein station ten noorden van den Tsavo
+met den politiecommissaris Ryall in een spoorwagen gedineerd, zonder
+eenig vermoeden te hebben van het lot dat dezen man, eenige maanden
+later, precies in denzelfden wagen zou treffen. Een leeuw had dit
+station als zijn jachtterrein uitgekozen, en sleepte den eenen man na
+den anderen weg. De politiecommissaris begaf zich met twee andere
+Europeanen daarheen, om de streek van dien roover te bevrijden. Bij hun
+aankomst vernamen ze, dat het dier nog kort te voren in de nabijheid
+gezien was, en dat het dus niet ver weg kon wezen. Dus besloten de drie
+Europeanen om des nachts de wacht te houden. Ryall’s wagen werd
+afgehaakt, en op een zijspoor geschoven. Hier was de onderbouw nog niet
+gereed, zoodat de wagen een weinig scheef stond. Na het eten zouden zij
+afwisselend de wacht houden. Ryall het eerst. In den wagen stonden twee
+sofa’s die als bedden dienst deden, de eene tamelijk hoog boven den
+bodem. Ryall had ze zijn gasten aangeboden, maar de eene wilde liever
+tusschen de beide sofa’s op den grond liggen. Toen nu Ryall meende dat
+hij lang genoeg gewaakt had, en er geen spoor van den leeuw te bekennen
+viel, legde hij zich op de lagere sofa ter ruste.
+
+De wagen was voorzien van een schuifdeur die zeer gemakkelijk open en
+dicht schoof, en niet gesloten was. Toen alles stil was, kwam de leeuw
+uit het struikgewas in de nabijheid te voorschijn sluipen, sprong op
+het achterplatvorm van den wagen, maakte met zijn poot de deur open en
+gleed onhoorbaar naar binnen. Maar, nauwelijks was hij binnen, of de
+deur schoof tengevolge van den scheeven stand van den wagen, weer
+dicht, en sprong in het slot. Nu was het beest met drie slapende mannen
+in den wagen opgesloten! De slaper op de bovenste sofa werd wakker
+geschrikt door een rauwen angstkreet, en zag hoe de leeuw met de
+achterpooten op den eenen man, die op den bodem lag, en met de
+voorpooten op Ryall stond. Met den moed der vertwijfeling sprong hij
+van de sofa op, om de tegenover liggende deur te bereiken, maar hij kon
+het dier niet voorbijkomen, zonder op zijn rug te stappen! Tot zijn
+ontzetting bemerkte hij dat de bedienden, door het leven wakker
+geschrikt, de deur van buiten dicht hielden. Toch gelukte het hem, met
+aanwending van alle krachten, de deur te openen, en naar buiten te
+komen, waarop men ze snel sloot. In hetzelfde oogenblik klonk een
+verschrikkelijk gekraak—de leeuw was met Ryall in den bek door het
+venster gesprongen, en, daar de opening te smal was, had hij het
+houtwerk als glas versplinterd! Den volgenden dag werden de
+overblijfselen van den ongelukkige gevonden en begraven. De leeuw werd
+later in een val gevangen, en nog vele dagen lang tentoongesteld,
+voordat hij werd doodgeschoten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+51. HET NIJLPAARD.
+
+
+In de meren en stroomen van midden-Afrika leeft het groote, plompe,
+monsterachtige nijlpaard, de Behemoth uit den bijbel. In oude tijden
+kwam het ook voor in Beneden Egypte, waar het „rivierzwijn” heette.
+Tegenwoordig moet men echter al een heel eind zuidelijk van Nubië
+komen, wil men het aantreffen. Het onderneemt in tal van stroomen
+tochten, waarbij het zich naar den waterstand richt: wanneer de
+waterspiegel daalt, dan trekt het dier stroomafwaarts, en wanneer het
+water weer wast, dan gaat ’t weer stroomopwaarts.
+
+Terwijl andere diersoorten sedert de vroegste zoölogische tijdperken
+groote gedaante-veranderingen hebben ondergaan, is het nijlpaard in
+hoofdzaak hetzelfde gebleven. Zoo komt het dat dit dier nog heden een
+voorwereldlijken indruk maakte. Het ronde, plompe lichaam rust op vier
+korte, vormlooze pooten, met vier hoeven aan elken poot. De kop is
+bijna vierkant, oogen en ooren zijn klein, de muil is geweldig breed en
+de neusgaten zijn groot. De twee centimeter dikke huid is onbehaard en
+heeft, naar gelang het dier nat of droog is, een grauwe, donkerbruine,
+of wel vuilroode kleur. Het wordt, de kleine staart niet meegerekend,
+vier meter lang, en weegt evenveel als dertig volwassen mannen.
+
+De nijlpaarden blijven voor het grootste deel van den tijd in het
+water; des nachts komen ze aan land, voornamelijk dáár, waar de stroom
+hun niet veel voedsel biedt. Wanneer men stil over rustig stroomend
+water heen vaart, dan kan men de dieren vaak verrassen; wanneer ze
+opduiken om versche lucht in te ademen, dan stijgen de waterstralen uit
+hun neusgaten naar boven. Dan duiken ze weer, en blijven wel drie of
+vier minuten onder water. Wanneer ze vlak onder den waterspiegel zijn,
+ziet men slechts zes kleine stippen: ooren, oogen en neusgaten. Wanneer
+ze gevaar meenen te bespeuren, dan steken ze slechts met hun neusgaten
+boven het water uit, en ademen zoo zacht als ze maar kunnen.
+
+Vaak klimmen ze op het droge, om zich in de zon te koesteren, dan hoort
+men hoe ze voortdurend een gegrom van welbehagen uitstooten. Tegen den
+avond zoeken ze echter dieper water op, waar ze rondzwemmen, en, met
+een voor zulke logge dieren groote behendigheid, elkaar najagen. Ze
+zwemmen steeds in troepen bijeen, en ontwikkelen daarbij een groote
+snelheid, terwijl ze de lucht met hun gebrul vervullen. Maar ze kunnen
+ook zoo zachtjes zwemmen, dat men het water in ’t geheel niet hoort
+ruischen. Wanneer een nijlpaard gewond is, brengt hij het water in zoo
+heftige beroering, dat kleine booten vaak gevaar loopen te kantelen.
+Wanneer meerdere oude mannetjes tegelijk hun gebrul uitstooten,
+weerklinkt het wijd en zijd door het oerwoud, als het rollen van den
+donder. Er is geen ander dier dat zulk een geluid kan teweegbrengen;
+zelfs de leeuw blijft dan luisterend staan.
+
+Aan den Boven-Nijl, voorbij Chartoem, waar een welige plantengroei de
+oevers bedekt, en waar talrijke stilstaande plassen en moerassen zijn,
+gaat het nijlpaard, evenals de krokodil slechts zelden aan land. Het
+voedt zich hier met lotusstengels en rietgewassen die in deze
+moerassige streken voorkomen; van tijd tot tijd duikt het dier onder,
+en wroet op den bodem van den stroom; wanneer het zijn geweldigen bek
+met bladeren en stengels gevuld heeft, komt het weer naar boven,
+waarbij dan het water in stroomen van zijn breeden rug afloopt, en dan
+ontplooien de geweldige tanden hun kracht. De eetlust van het dier is
+even groot als zijn geheele wezen.
+
+In streken, waar de oevers door bebouwde velden omzoomd worden, richt
+hij onder het koren en de groenten groote schade aan, zelfs het leven
+der menschen wordt daar door hem bedreigd. Wanneer hij door een boot in
+zijn rust gestoord wordt, laat hij niet met zich spotten. Het
+gevaarlijkste is het wijfjesnijlpaard, zoolang ze haar jong, dat ze op
+den rug overal meevoert, bij zich heeft. Een buks moet, om eenige
+uitwerking te hebben op het dikke huid-pantser, geducht geladen zijn.
+Wanneer het dier, na getroffen te zijn, snuift en onderduikt, dan is ’t
+voor den jager verloren; wanneer het zich echter uit het water verheft,
+om dan weer neer te vallen, dan heeft het een doodelijke wond
+ontvangen; in dit geval zinkt het onmiddellijk, en de jager heeft niets
+anders te doen dan een paar uur te wachten, totdat het lijk aan de
+oppervlakte komt drijven.
+
+Enkele negerstammen aan den Witten Nijl graven kuilen om daarin de
+nijlpaarden te vangen. Langs de stroomen, die in den noordelijken oever
+van het Ngami-meer uitmonden, maken de inboorlingen jacht op deze
+dieren met harpoenen, die voorzien zijn van scherpe, ijzeren weerhaken.
+Door middel van een lang touw is aan den harpoen een stuk kurk
+bevestigd. Op een rieten vlot zijn twee kano’s vastgemaakt, daar
+tusschen in hurken de zwarte jagers met hun harpoenen en lichte speren.
+Het vlot drijft geruischloos stroomafwaarts. In de verte hoort men de
+dieren snuiven en in het water rondplassen. Het gesprek der jagers
+verstomt, ieder moet op zijn post zijn. Daar ziet men de donkere
+gestalten, die gedeeltelijk boven het water uitsteken. Ze vermoeden
+geen gevaar van dat vlot dat door den stroom langs hen heen gedreven
+wordt. Vlak naast het vlot komt een nijlpaard opduiken. Op dit
+oogenblik verheft zich een harpoenier, en stoot het dier bliksemsnel
+zijn wapen in de zijde. Het dier duikt onder, maar het stuk kurk dat op
+het water blijft drijven, duidt de plek aan waar het zich bevindt.
+Zoodra het weer boven komt, wordt het met een hagelbui van speren
+ontvangen door de jagers die inmiddels hun kano’s van het vlot in het
+water hebben geschoven. Weer duikt het dier onder en laat een
+bloedroode streep in het water achter. Wanneer het nog eens naar boven
+komt en weer door een hagelbui van speren ontvangen wordt, komt het
+vaak voor, dat het woedend wordt, zich tegen zijn vervolgers richt, en
+een kano die zich wat al te dicht in zijn nabijheid gewaagd heeft, met
+de tanden versplintert, of wel met den kop omstoot. Soms koelt het
+verwonde nijlpaard zijn woede niet alleen aan de kano, maar werpt zich
+ook op de mannen, en menige koene jager is door hem reeds verscheurd.
+
+Wanneer echter het dier uitgeput is, dan vischt de jager het stuk kurk
+op, roeit aan land, bindt een touw om een boomstam, en trekt zoolang
+tot hij zijn buit op het droge gekregen heeft.
+
+Het vleesch van nijlpaarden wordt met graagte gegeten. Het vleesch der
+jongere en het vet van oudere exemplaren wordt voor bijzonder smakelijk
+gehouden; de tong is een lekkernij. Uit de huid vervaardigd men zweepen
+en schilden en nog tal van andere zaken; ook de groote hoektanden zijn
+van waarde. Vele diergaarden in Europa bezitten nijlpaarden die als
+jongen gevangen zijn. Wanneer men een jong wil bemachtigen, moet men
+eerst de moeder dooden, want ook in het gevaar verlaat het jong de
+moeder niet, het gaat zelfs niet van haar lijk weg. Deze jonge dieren,
+die voor zoölogische tuinen gevangen worden, worden met bijzonder
+ingerichte harpoenen gewond, die zoo gemaakt zijn, dat de wond niet
+diep in de huid doordringt en dus spoedig weer geneest. In den eersten
+tijd wordt het jong met koemelk gevoed; voor een enkelen maaltijd
+gebruikt het de melk van vier koeien. Maar, vaak kwijnen ze weg in de
+gevangenschap; ze droomen van Afrika’s meren en stroomen, waar ze lagen
+tusschen kokosbladen en riet. In plaats van den ruischenden stroom,
+moeten ze zich thans tevreden stellen met een armzalig bassin. En toch
+is, volgens den bijbel, het nijlpaard het eerste van Gods schepselen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+52. DAVID LIVINGSTONE.
+
+
+In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij
+Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens
+naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en
+werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen,
+meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen
+leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd.
+
+Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en
+schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten
+studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een
+spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken.
+Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet,
+en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het
+garen heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de
+fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven
+daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een
+hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van
+boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel
+mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op
+de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten.
+
+Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij
+zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het
+Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem
+wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te
+verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen
+hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester,
+ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een
+kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste
+semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te
+verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich
+door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op
+zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar
+Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge
+zendings-arts reisde af naar Afrika.
+
+Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het
+noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte
+hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te
+leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen.
+Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250
+K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder
+zijn wagen gehurkt.
+
+De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te
+worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone
+verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te
+huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden
+was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar
+Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook
+later voor de slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een
+symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone
+begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren
+later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche
+gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd
+volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden.
+Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner
+medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog
+was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet
+door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige
+stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed
+en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier
+te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen
+wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel
+eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de
+inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen
+kinderen.”
+
+Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over
+de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die
+over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit
+dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der
+zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde
+woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze
+wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo
+machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats
+van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te
+buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was
+dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer
+hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven
+de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen
+mede.
+
+In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van
+de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad
+uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne
+bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere
+voor hem waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze
+streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven
+in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die
+geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone
+maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond,
+en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer
+uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij
+het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds
+rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op
+het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen
+aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar
+gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog
+dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij
+heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen
+opheffen.
+
+Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe
+zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde
+arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het
+met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling
+Moffat in Koeroeman.
+
+Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde
+Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet
+tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie
+hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig
+kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen
+opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks
+van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van
+huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen
+wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren,
+smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis
+voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf
+zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde.
+
+Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar
+zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het
+Christendom te zullen bekeeren, en wel met behulp van een flinke zweep.
+Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde
+weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van
+een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan
+Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na
+weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want
+een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig!
+
+Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het
+gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden
+de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel
+duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten
+derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de
+overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is.
+Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen
+dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen
+land van vreemden afhankelijk.
+
+Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde,
+verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en
+wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een
+kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan
+inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd
+gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar
+het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg
+en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde
+onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen.
+
+Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was
+gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer
+noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal
+een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel
+verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen
+te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met
+hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens
+laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de
+vriendschap der inboorlingen, want wanneer het gold een zieke te
+helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te
+denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen
+kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen.
+
+De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn
+arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en
+beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en
+tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die
+zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en
+ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te
+ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken,
+waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als
+dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in
+Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een
+groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren
+volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht
+te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel.
+Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs
+open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te
+vestigen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+53. DE ONTDEKKING VAN HET NGAMI-MEER.
+
+
+Reeds toen Livingstone voor het eerst Afrika betreden had, en in
+Koeroeman vertoefde, hoorde hij, dat er ver in het Noorden, een groot
+zoetwatermeer was, dat men Ngami noemde. En op een zijner latere
+tochten was het hem zelfs gelukt om dit meer, dat nog nooit door
+Europeanen bezocht was, tot op tien dagreizen te naderen. Maar hij
+moest toen omkeeren, omdat onder zijn trekossen de runderpest uitbrak.
+Nu kwam echter op zekeren dag te Kolobeng een bode bij hem van den
+zwarten koning Letscholetebe, wiens gebied aan het Ngami-meer gelegen
+was; deze liet den zendeling verzoeken om tot hem te komen en beloofde
+hem een goed onthaal. Ook was er in zijn land veel ivoor. Toen de
+menschen van Livingstone van ivoor hoorden, waren ze terstond tot de
+lange reis bereid, en den 1sten Juni 1849 ging het weder noordwaarts.
+Een vriend van Livingstone, de Engelschman Oswell ging mee; als een
+welgesteld man had hij verscheidene wagens, tachtig ossen, twintig
+paarden en vijf-en-twintig dienaren medegenomen. Een dezer laatsten
+diende als gids, want reeds na twee dagen voerde de weg langs streken
+die nog nooit door een Europeaan betreden waren. Aan den woestijnrand
+kampeerden ze; overal in de rondte waren de bronnen uitgedroogd.
+Slechts in een kuil, waar een neushoorn zich in het zand rondgewenteld
+had, stond nog zooveel water, dat elk paard een slok kon nemen, maar
+voor de ossen was het niet toereikend, en daar de weg, tot aan de
+volgende rustplaats honderd en twintig kilometer lang was, en dwars
+door de beruchte Kalahari-woestijn liep, werden de ossen weer
+teruggedreven naar een veertig kilometer verder terug gelegen bron.
+Toen ze terugkwamen, had men echter reeds verscheidene waterrijke
+bronnen opgegraven, en toen de karavaan opbrak, hadden alle dieren
+zooveel gedronken als ze maar wilden.
+
+Verlaten en dor strekte de woestijn zich voor hun oogen uit. De
+uitgedroogde wagens knarsten over de zandvlakte, en de raderen zonken
+diep in het mulle zand. De ossen, die gebrek hadden aan water, verloren
+snel hun krachten. Na een tocht van drie dagen door de Kalahari, had
+men pas zeventig K.M. afgelegd. Toen raakte plotseling de gids de kluts
+kwijt, en wanneer men hem vroeg hoever het nog was tot aan de naaste
+bron, dan antwoordde hij op goed geluk af: vijftig kilometer. Een
+somber vooruitzicht voor de reizigers! Voordat ze zoover kwamen, zouden
+alle ossen allang van dorst omgekomen zijn! De paarden moesten
+vooruitgezonden worden, dan bleven die tenminste gespaard. In geval van
+nood kon men dan, wanneer de geheele karavaan omkwam, met de paarden
+verder trekken en van de jacht leven. Bovendien zouden de ossen het
+spoor van de paarden kunnen volgen, en misschien, door hun instinct
+geleid, een bron vinden.
+
+De paarden en hun berijders waren echter nauwelijks een uur weg, of ze
+kwamen aan een oase, en spoedig verried het kwaken van kikvorschen de
+aanwezigheid van een waterplas, die allen het leven redde.
+
+Na een tocht van twee maanden bereikte Livingstone de oevers van het
+Ngami-meer, dat nog nooit door een Europeaan aanschouwd was. De koning
+Letscholetebe bleek evenwel niet zoo vriendschappelijk gezind te zijn
+als men gehoopt had. Toen hij hoorde dat Livingstone nog verder
+noordwaarts wilde trekken, naar het groote stamhoofd Sebitoeane, was
+hij bang dat deze van de blanken vuurwapenen zou krijgen en
+strooptochten in zijn gebied zou ondernemen. Dientengevolge moest de
+expeditie weer naar Kolobeng terugkeeren. Maar Livingstone’s volharding
+kende geen hinderpalen; hij kwam nog een tweeden keer aan het
+Ngami-meer terug, vergezeld van zijn familie en van Oswell. Op dezen
+tocht kwam hij ook in het gebied van den machtigen Sebitoeane, die hem
+gastvrij ontving. Dit stamhoofd, in dit deel van Midden-Afrika als een
+goedhartig mensch bekend, was blij een blanke te zien, en begreep
+terstond dat deze zendeling hem en zijn stam goed gezind was. Reeds den
+eersten Zondag woonde hij de godsdienstoefening bij, en luisterde
+aandachtig naar Livingstone’s woorden. Eenige dagen later kreeg
+Sebitoeane echter een longontsteking, en het duurde niet lang of
+Livingstone zag dat het stamhoofd op sterven lag. Zijn laatste woorden
+golden Livingstone’s kleinen zoon: „Breng hem in de hut van de vrouwen
+en geef hem wat melk!” Toen blies Livingstone’s nieuwe vriend den
+laatsten adem uit.
+
+Nu zetten de beide reizigers hun tocht noordoostwaarts voort, naar het
+groote dorp Linjanti, en ontdekten spoedig daarop een groote rivier, de
+Zambesi. Haar benedenloop was den Europeanen reeds lang bekend, maar
+niemand kende haar bovenloop. Het klimaat van deze streken was zeer
+ongezond, aan het oprichten van een zendingsstation viel hier dan ook
+niet te denken. Het Makololo-volk, de stam van het doode opperhoofd,
+beloofde hem weliswaar grondbezit, hutten en ossen, wanneer hij daar
+wilde blijven, maar Livingstone had grootere plannen. Voordat hier aan
+een zendingsstation gedacht kon worden, moest er eerst een eerlijke
+handel bloeien; ook het Makololo-volk was begonnen slaven te verkoopen,
+teneinde in het bezit te komen van vuurwapenen en andere begeerlijke
+zaken uit Europa. Wanneer men ze nu er toe kon brengen om met ivoor en
+struisvederen handel te drijven, dan konden ze evengoed alles wat hun
+hart begeerde van de Europeanen in ruil bekomen. Maar daartoe ontbrak
+in de eerste plaats een weg naar de kust, hetzij van den Atlantischen,
+hetzij van den Indischen Oceaan, en het was Livingstone’s plan, zulk
+een weg te zoeken. Later, zoo meende hij, wanneer de slavenhandel voor
+een eerlijken handel had plaats gemaakt, zou het nog altijd tijd genoeg
+wezen om hier het christendom te prediken.
+
+Zoo trok hij dan weer zuidwaarts. Vrouw en kinderen konden hem op deze
+moeitevolle tochten niet vergezellen; hij zond ze naar Engeland. In
+Kaapstad nam hij van de zijnen afscheid, daarop reisde hij alleen naar
+Koeroeman, en begaf zich langs een omweg naar Kolobeng. Hij had
+onderweg veel oponthoud, en ditmaal was dat zijn geluk. Want intusschen
+had de eerste President der Boerenrepubliek, Pretorius, met zeshonderd
+Boeren, en zevenhonderd aangeworven zwarten Kolobeng verwoest,
+Livingstone’s geheele have geroofd, zijn vee weggedreven, alles wat ze
+niet konden meenemen, tot zelfs de meubels, stuk geslagen, zijn boeken
+verscheurd, de dorpen der inboorlingen overvallen, en zestig menschen
+met kanonnen neergeschoten. De verwachting der Boeren, om Livingstone
+zelf in handen te krijgen, werd gelukkig niet verwezenlijkt. De zwarten
+hadden zich echter dapper verweerd, en vijf-en-dertig dooden hadden de
+Boeren moeten achterlaten. Deze overval moest een straf voor de zwarten
+zijn, omdat ze Engelsche reizigers vrijen doortocht verschaft hadden.
+Daarbij waren deze Boeren Christenen, maar ze sloten hun land voor alle
+Europeanen, teneinde ongehinderd zelve de zwarten te kunnen mishandelen
+en uitzuigen, en ze als slaven te kunnen gebruiken, terwijl ze zelf
+rustig thuis zaten, hun pijp rookten, en in kalme gemoedsrust—den
+Bijbel lazen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+54. VAN KUST TOT KUST.
+
+
+In het jaar 1853 begon Livingstone zijn verderen tocht naar de
+Westkust, en kwam eerst bij het Makololo-volk. Hier heerschte thans
+Sebitoeane’s zoon Sekeletoe, die hem vriendelijk ontving, en hem het
+liefst in het geheel niet meer had laten gaan. Toen Livingstone toch
+langs de Zambesi stroomopwaarts verder trok, begeleidde de koning hem
+met tal van krijgers. Na eenige dagmarschen stiet men op den
+halfbroeder des konings, die Mpepe heette; deze was een slavenhandelaar
+en stond Sekeletoe reeds lang naar het leven, om daardoor zijn eigen
+macht te vergrooten. Tweemaal poogde Mpepe zijn stiefbroeder te dooden,
+en eenmaal was het Livingstone, die den koning voor een speerworp
+behoedde. De strijd tusschen deze beide mededingers eindigde met den
+dood van Mpepe.
+
+Nog verder stroomopwaarts aan de Zambesi woonde de vader van den
+gedoode. Deze verbond zich nu met het opperhoofd van een naburigen
+stam, om gezamenlijk zijn zoon te wreken. Bij het eerste samentreffen
+werden eerst vreedzame onderhandelingen gevoerd, totdat plotseling
+Sekeletoe een teeken gaf; terstond omringden zijn krijgers de beide
+vijandelijke stamhoofden, en voordat Livingstone het kon verhinderen,
+werden ze door de mannen van Sekeletoe neergehouwen. De lijken werden
+in stukken gehakt, en den krokodillen in de Zambesi voorgeworpen.
+Livingstone was over deze verraderlijke daad zoo verontwaardigd, dat
+hij terstond deze streken verliet, en verder trok.
+
+Nu maakte Livingstone zijn gedenkwaardigen tocht van Linjanti naar
+Loanda aan de Westkust ten zuiden van de uitmonding van den Congo. Nog
+geen Europeaan had voor hem dezen weg afgelegd. Zijn geleide bestond
+uit zeven-en-twintig Makololo-manen, en zijn bagage uit bijna niets
+anders dan kralen en stukken goed, de in Afrika gangbare munt. Proviand
+had hij niet meegenomen, omdat hij van plan was dat men zou leven van
+wat er onderweg zou worden geschoten of gevangen.
+
+Het was een inspannende, moeitevolle tocht waarbij men door het gebied
+van tallooze wilde stammen trok. Eerst ging het stroomopwaarts langs de
+Zambesi, en dan langs den anderen oever. Tengevolge van hevige regens
+moest men telkens over sterk gezwollen beken en door verraderlijke
+moerassen trekken.
+
+Sedert Livingstone eens met een boot droevige ervaringen had opgedaan,
+liet hij zich steeds door een os door het natte element dragen.
+
+Wolken muskieten zwermden boven den vochtigen grond en de koorts
+ondermijnde Livingstone zoo hevig, dat hij niet eens meer op zijn os
+kon zitten. Maar onder al deze plagen verzuimde hij niet de natuur
+rondom hem gade te slaan en de kaart van den door hem genomen weg uit
+te werken. Zijn dagboek was een dik deel met sterken omslag en voorzien
+van een slot. Hij schreef daarin fijn en sierlijk, alsof het gedrukt
+was. Men zou hebben gedacht, dat het de mannen uit Makololo moede zou
+zijn geworden door onbekende streken en volkeren te trekken; maar niets
+was in staat hen hun heer en leidsman te doen verlaten.
+
+Reeds bij het begin van deze lange reis had Livingstone een schaar van
+achttien aan elkaar geketende slaven bevrijd, en hoe verder hij door de
+bosschen drong, des te vaker moest hij zien, hoe de slavenhandel de
+menschen verwilderde, hen wantrouwend en vijandig maakte. Meermalen
+bevrijdde hij troepen slaven door den drijver eenvoudig te bevelen, de
+gevangenen te laten loopen.
+
+Door goedheid en vriendelijkheid verwierf Livingstone overal het
+vertrouwen der wilden, zoodat zij hem niet alleen vrij lieten
+doortrekken, maar zelfs levensmiddelen schonken. Mocht al soms een
+opperhoofd moeilijkheden maken, en als schatting een os, een geweer of
+een van Livingstone’s geleiders verlangen, wist hij toch zoo goed met
+hem klaar te komen, dat deze hem ten slotte in vrede verder liet
+trekken. Dikwijls ontwapende hij zulk een opperhoofd met een grapje, en
+als dat niet hielp, kalmeerde hij de opgewonden gemoederen door zijn
+tooverlantaarn met bijbelsche platen. In gespannen verwachting
+verdrongen de zwarten, als de platen op het scherm verschenen, zich
+achter hem, niet vrij van angst, dat het geesten zouden zijn, die hen
+kwaad wilden doen. Maar van een anderen godsdienst dan het kijken naar
+deze bijbelsche platen wilden zij niets hooren.
+
+Zoo naderde Livingstone met zijn dappere schaar voetje voor voetje de
+Westkust. Kort voor zijn doel werd hem echter nog een zware schatting
+afgeperst door een onverzoenlijk opperhoofd; hij boette zijn wollen
+deken, zijn scheermes en een menigte kleedingstukken in, en zijn
+manschappen moesten hun sieraden en hun koperen armbanden afstaan. Van
+alles beroofd, ontmoetten zij eindelijk een Portugees, en onder zijn
+geleide hield Livingstone zijn intocht in het Portugeesche gebied aan
+de Westkust. Door de Portugeezen in Loanda werd Livingstone gastvrij
+opgenomen; zij bezorgden hem alles wat hij noodig had, en voorzagen hem
+van top tot teen van nieuwe kleeren.
+
+Voor Loanda lagen verscheidene Engelsche kruisers, die daar gekomen
+waren om den slavenhandel onmogelijk te maken. Hier bij zijn
+landslieden verheugde zich Livingstone in een heerlijken rusttijd. Welk
+een genot weer eens in een behoorlijk bed te slapen, nadat hij een half
+jaar lang slechts op den vochtigen grond had gelegen! En hoeveel nieuws
+vernam hij nu niet uit de groote wereld, waaruit zoo lang geen bericht
+tot hem was doorgedrongen. Men vertelde hem van den Krim-oorlog, waarin
+Gordon als onbekend luitenant voor het eerst streed, en van de
+hulp-expeditie, die uitgevaren was om den Noordpoolvaarder Franklin en
+zijn ongelukkige makkers te zoeken. Na jarenlang rondtrekken in het
+zwarte werelddeel, zou het maar al te heerlijk zijn geweest, in een
+gemakkelijke scheepskajuit op den terugweg naar Engeland uit te rusten!
+
+Maar Livingstone weerstond de verzoeking. Hij wilde zijn trouwe
+Makololo-manschappen niet aan een onzeker lot overlaten, daar hij
+bovendien had vastgesteld, dat de weg naar de Westkust zich niet
+eigende voor een handelsweg. Misschien bood de Zambesi een zekeren weg
+van de binnenlanden naar de Oostkust, en om dit vast te stellen,
+weerstond hij alle gevaar en koortsaanvallen, nam afscheid van de
+Engelschen en Portugeezen en trok nog eens het donkere Afrika binnen.
+
+Voordat Livingstone echter Loanda verliet, ordende hij zijn papieren,
+zijn aanteekeningen en kaarten van de nieuw ontdekte landen tot een
+geweldig pakket. Maar het Engelsche schip, dat zijn post aan boord had
+genomen, leed schipbreuk bij Madeira en verging met man en muis!
+Slechts één passagier werd gered. Livingstone bevond zich nog in de
+nabijheid van de kust, toen hem deze ongelukstijding bereikte, en nu
+moest hij al deze aanteekeningen en teekeningen nog eens over maken,
+een werk dat verscheiden maanden in beslag nam. En toch kan hij nog van
+geluk spreken! Indien hij zijn Makololo-mannen in den steek had gelaten
+en naar zijn vaderland was teruggegaan, dan zou ook hij met het
+verongelukte schip te gronde zijn gegaan.
+
+Regen en ziekte veroorzaakten op deze nieuwe reis vele hinderpalen,
+maar anders liep ze gemakkelijker van stapel dan de vorige. Uit Loanda
+had hij een grooten voorraad geschenken voor de opperhoofden meegenomen
+en nu was hij bij zijn terugkeer ook reeds een bekende voor hen. Toen
+hij de dorpen van het Makololo-volk weer binnentrok, kwam de geheele
+stam hem tegemoet om hem te begroeten. Livingstone hield een dankstond
+voor het geheele volk. Bij de nachtelijke vuren werden ossen geslacht,
+de zwarte mannen sloegen de trommel, onder dans en gezang stegen
+vreugdekreten boven de toppen der apenbroodboomen en van omhoog
+fonkelden de sterren door de kruinen der wilde palmen.
+
+Sekeletoe toonde zich nog steeds vriendschappelijk gezind. Maar
+Livingstone had ook een prachtig geschenk voor hem uit Loanda
+medegebracht, een afgelegd uniform van een overste, waarin hij nu
+Zondags in de kerk verscheen; die trok de aandacht van het volk veel
+meer dan de prediker met zijn woorden. De vrijgevigheid van Sekeletoe
+ging zoo ver, dat hij, toen Livingstone nu verder naar de Oostkust
+wilde trekken aan zijn blanken vriend tien ossen om te slachten, drie
+van zijn beste trekossen en mondvoorraad voor de geheele reis schonk.
+En dit was nog niet genoeg, hij beval, dat honderd van zijn
+krijgslieden als wacht zouden medetrekken, en zoo ver als zijn naam
+macht had over woud en veld, gaf hij bevel, dat alle jagers en
+landbouwers den blanken man en zijn troep moesten geven, wat dezen
+noodig hadden. De reizen van Livingstone zijn toch daarom vooral
+merkwaardig, dat hij ze zonder noemenswaardige ondersteuningen uit het
+vaderland, ten uitvoer bracht; als vriend der Afrikanen legde hij
+geheele einden uitsluitend als hun gast af.
+
+Nu werd de richting langs den oever der Zambesi ingeslagen, het was
+voor hem een volkomen onbekend land. In Linjanti had Livingstone reeds
+gedurende zijn vroegere bezoeken gehoord van een geweldigen waterval
+der Zambesi, en nu zou hij deze Niagara van Afrika ontdekken. Hij gaf
+er den naam Victoria-val aan. Boven den val is de Zambesi 1800 meter
+breed en over een drempel van basalt stort deze ontzaglijke stroom 119
+meter in de diepte, waar de ziedende en borrelende watermassa’s door
+een dikwijls ternauwernood 50 meter breede rotskloof worden
+saamgeperst. Wolken van stof, regen en waterdamp zweven voortdurend
+boven den val, daarom noemen de inboorlingen hem „het rookende water.”
+De beschrijving van den Victoria-val maakte later op de Europeanen een
+veel dieperen indruk dan al de overige ontdekkingen van Livingstone.
+Dat er in Afrika een waterval was, die zich met de Niagara kon meten,
+ja die aan woeste schoonheid en grootsche kracht zelfs nog overtrof,
+daarvan had men tot nu toe niets vermoed. Tegenwoordig loopt een
+spoortrein over den Victoria-val en ook is er een stad in de nabijheid
+ontstaan, die den naam van Livingstone draagt.
+
+Het oorverdoovend geraas van den Victoria-val stierf in de verte weg
+achter de reizigers en de troep ging verder langs de boschpaden van de
+grens van den eenen stam naar die van een anderen. Met
+bewonderenswaardige kalmte plaatste Livingstone moed en doodsverachting
+tegenover alle gevaren en lage listen, en met onvermoeiden ijver werkte
+hij aan zijn kaart van Zuid-Afrika, waarvan hij de hoofdlijnen aangaf.
+In den loop der jaren was hij meer onderzoeker dan zendeling geworden.
+Maar de grondgedachten zijner toekomstdroomen waren steeds: het eind
+van den geografischen ontdekkingsarbeid is slechts het begin der
+werkzaamheid van den zendeling.
+
+In het eerste Portugeesche station aan de Zambesi liet hij zijn
+Makololo-manschappen achter met de belofte, dat hij later terug zou
+komen en hen naar hun dorpen zou terugbrengen. Daarna voer hij de
+Zambesi af, naar Quelimana en had hiermede Afrika van kust tot kust
+doorkruist. Livingstone was de eerste wetenschappelijk gevormde
+Europeaan, die dit ten uitvoer bracht.
+
+Nadat hij zoo vijftien jaren in de binnenlanden van Afrika had
+doorgebracht, kon hij het zich wel veroorloven, ook eens de terugreis
+naar het vaderland te aanvaarden.
+
+Een Engelsche brik bracht hem naar Mauritius, einde 1856 kwam hij te
+Engeland aan. Met ontzaglijk gejubel werd hij overal ontvangen en nog
+nooit was een onderzoeker zoo geëerd als hij! Van stad tot stad werd
+hij als een held geëerd en deze populariteit gebruikte hij om overal
+tegen den slavenhandel te prediken, en zijn landslieden er van te
+overtuigen, dat de blanken verantwoordelijk zijn voor de bevrijding der
+zwarten. Afrika dat donker en vergeten onder zijn dravende regengordels
+had neergelegen, werd nu opeens het middelpunt van de aandacht van alle
+beschaafden.
+
+Wel is waar bleef afkeuring den overwinnaar bij zijn terugkeer niet
+gespaard. Zooals altijd waren er geografen, die beweerden dat zijn
+ontdekkingen reeds door anderen waren gedaan, maar het geschreeuw dezer
+dwergen tegen den reus verstomde gaandeweg. Het zendingsgenootschap gaf
+hem ook te verstaan, dat hij voor de verbreiding van het Evangelie niet
+genoeg had gewerkt, dat hij te zeer onderzoeker en te weinig zendeling
+was geweest. Livingstone trad daarom het zendingsgenootschap uit en
+toen hij daarna, na een verblijf van twaalf maanden in het vaderland,
+met zijn vrouw naar Afrika terugkeerde, reisde hij in opdracht van de
+Engelsche regeering.
+
+Gedurende deze tweede, zes jaren durende reis door het zwarte
+werelddeel, gelukte het hem, onder meer gewichtige ontdekkingen, het
+Groot Nyassa-meer te vinden, uit welks omgeving tot nu toe jaarlijks
+negentienduizend slaven naar Zanzibar werden gebracht; het aantal der
+ongelukkigen, die op den weg naar de kust bezweken, is mogelijk
+jaarlijks nog veel grooter geweest.
+
+Gedurende dit tweede verblijf in Afrika stierf de vrouw van Livingstone
+en werd onder de zware takken van een apenbroodboom begraven. Ook dit
+ongeluk brak zijn moed en kracht niet en toen hij na zes jaar naar zijn
+geboorteland terugkeerde, had hij weer licht gebracht over een geweldig
+stuk van de binnenlanden van Afrika.
+
+
+
+
+
+
+
+
+55. DE APOSTEL VAN AFRIKA.
+
+
+In het jaar 1866 landde Livingstone opnieuw in Zanzibar en dezen keer
+in de hoedanigheid van Britsch consul van de binnenlanden van Afrika.
+Hij doorkruiste het land van het Nyassa-meer; toen hij zich echter in
+de booten der inboorlingen naar den westelijken oever van het meer
+wilde laten overzetten, beletten Arabieren hem dit, die hem kenden als
+den gevaarlijksten vijand van den slavenhandel. Hij moest dus te voet
+het meer omgaan, en veroverde voet voor voet voor de wetenschap nieuwe
+streken, werkte kaarten uit, hield aanteekeningen en legde
+verzamelingen aan. Nog eens naderde hij streken, die hij reeds van de
+vorige reizen kende, waar de vrouwen van de zwarten aan den oever der
+rivier door krokodillen werden weggesleept, waar zijn echtgenoote was
+gestorven en alle zendelingen, die men er op zijn verzoek heen gezonden
+had, aan koorts waren gestorven!
+
+Hij had slechts zeven-en-dertig manschappen bij zich; een hunner,
+Moesa, had hem vroeger reeds vergezeld, en velen zijner bedienden waren
+Indiërs. Maar spoedig bleek het dat zijn geleide armzalig gespuis was.
+Hij moest de Indiërs wegzenden en van de overigen kon hij slechts aan
+weinigen vertrouwen geven. De besten waren Soesi en Tschoema, die later
+in Afrika en Europa beroemd werden om hun voorbeeldigen trouw.
+Daarentegen was Moesa een schurk. Toen hij van een slavenhandelaar
+vernam, dat het geheele land, hetwelk Livingstone wilde doortrekken,
+door oorlogzuchtige stammen was bewoond, die kort geleden een troep van
+veertig Arabieren overvallen en gedood hadden, overviel hem en de
+meesten zijner makkers zulk een vrees, dat zij op de vlucht gingen. Bij
+zijn komst te Zanzibar vertelde Moesa aan den Engelschen consul, dat
+Livingstone overvallen en gedood en van al zijn bezittingen beroofd was
+geworden. Hij had zijn verzonnen bericht zoo handig bedacht, en zoo
+goed uit het hoofd geleerd, dat hij zich bij het kruisverhoor in geen
+tegenspraken verwikkelde en overal geloofd werd. De Engelsche bladen
+brachten reeds kolommen vol klaagliederen over den doode. Slechts één
+vriend van Livingstone, die hem op zijn vroegere reizen had vergezeld,
+en Moesa heel precies kende, twijfelde aan de waarheid van het bericht.
+Hij ging zelf naar Afrika, volgde het spoor van den doodgewaande en
+vernam toen ook spoedig van de inboorlingen, dat Livingstone nooit
+overvallen was, maar zich nu op weg bevond naar het tot nu toe
+onbekende Tangajika-meer.
+
+Deze weg was ver en bezwaarlijk, en berokkende Livingstone groote
+verliezen. De levensmiddelen raakten op, en een gehuurde drager ging er
+met de reisapotheek vandoor. Dientengevolge was Livingstone van alle
+middelen tegen de koorts beroofd, en zijn gezondheid werd ernstig
+geschokt. Toch bereikte hij de zuidelijke punt van het Tangajika-meer,
+en een jaar later ontdekte hij het Bangweolo-meer. Per boot bezocht hij
+de in het meer liggende eilanden, en wekte groot opzien onder de
+inboorlingen, die nog nooit een blanke hadden gezien.
+
+Rondom het meer strekten zich groote moerassen uit, en Livingstone had
+de overtuiging gekregen, dat men in deze streek de uiterste zuidelijke
+bron van den Nijl had te zoeken. De vraag omtrent de waterscheiding van
+den Nijl boeide hem zoo sterk, dat hij het eene jaar na het andere in
+Afrika bleef en toch werd het hem niet gegund dit vraagstuk op te
+lossen. Hij heeft nooit gehoord, dat de rivier, die uit het
+Bangweolo-meer komt, niet naar den Nijl stroomt, maar een zijrivier van
+de Loealaba of de Boven-Congo is.
+
+Aan den oever van het Bangweolo-meer sloegen de meesten zijner
+geleiders aan het muiten, maar hij wist hen in zooverre te kalmeeren,
+dat zij hem nog verder volgden. Hij reisde nu in gezelschap van een
+vriendschappelijk gezind Arabier, Mohammed genaamd. Bij den troep waren
+nog eenige Arabieren, verscheiden inboorlingen van den oostelijken
+oever van het Tangajika-meer en slaven, die ivoor en proviand droegen.
+Hoe vaak zag Livingstone nu groote scharen slaven voorttrekken, die met
+een hout, dat als een vork om hun hals greep, vooruit geduwd werden, en
+als zij zich niet verder konden sleepen door hun onmenschelijke
+pijnigers op de plaats werden gedood, opdat zij andere kooplieden niet
+ten goede zouden komen. Eens hoorde hij zulk een troep uit volle borst
+zingen, en toen hij hen naar de reden van hun vroolijkheid vroeg,
+vertelden zij hem, dat zij wraakliederen zongen. Nu werden zij naar de
+kust gebracht, om zich zelf af te werken in slavernij, maar eens zou
+hun juk worden afgeschud. Dan zouden zij naar hun wouden terug keeren
+en daar de tirannen op hun beurt martelen.
+
+Livingstone werd op deze reis ernstig ziek en moest op een baar worden
+gedragen. Dikwijls lag hij in ijlende koorts en verloor volkomen elk
+besef van tijd. Als men slechts gelukkig het Tangajika-meer bereikte en
+over het meer het land Oedjidji, aan den oostelijken oever, dan kreeg
+hij weer rust, nieuwe voorraden en brieven uit het geboorteland en deze
+hoop hield hem staande.
+
+Van alles beroofd en rampzalig bereikte hij werkelijk Oedjidji, een der
+hoofdpunten van den Arabischen slavenhandel. Maar de verwachte
+voorraden waren spoorloos verdwenen en van al de brieven, die hij aan
+den sultan van Zanzibar en naar zijn geboorteland had geschreven, is er
+nooit een aangekomen. De stammen aan den oostelijken kant van het meer
+waren juist met elkaar in strijd. Toch liet Livingstone den moed niet
+zakken. Geen noodlot scheen vreeselijk genoeg om de weerstandskracht
+van dezen man te breken. Met Soesi en een schaar nieuw aangeworven
+dragers brak hij opnieuw op, om in westelijke richting over het meer te
+gaan, waar het land Manjema zijn doel was. Door het grensgebied hiervan
+stroomde de Loealaba, en als het hem gelukte vast te stellen waar deze
+geweldige rivier bleef, of zij naar de Middellandsche Zee of naar den
+Atlantischen Oceaan stroomde, dan wilde hij met een gerust geweten naar
+het vaderland terugkeeren. Hij had zich voorgenomen het zwarte
+werelddeel niet eerder te verlaten, voor hij dit vraagstuk zou hebben
+opgelost, en aan dit besluit heeft hij vergeefs zijn leven opgeofferd.
+
+Ook in het Manjemaland waren de zwarten met elkaar in oorlog, aten hun
+verslagen vijanden op, aanbaden afgoden, die zij zelf uit hout sneden,
+en geloofden aan bezweringen en meer dergelijke dwaasheden. „Sterven
+bij u de menschen ook, of kent gij bezweringen, die tegen den dood
+helpen?” vroegen zij. „Waar blijft den mensch als het leven is
+uitgebluscht?” Livingstone beproefde hun dat alles duidelijk te maken.
+
+Daarna trok hij verder in westelijke richting. De Loealaba liet hem
+geen rust; de inboorlingen der streken, die hij doortrok, zagen hem
+evenals de andere vreemdelingen, voor een slavenhandelaar aan, en
+ondersteunden hem op geen enkele manier.
+
+Maar welk een sprookjesachtig land trok hij door. Op de heuvels wuifden
+palmen in den wind, en klimplanten, zoo dik als kabeltouw slingerden
+zich rondom reusachtige boomen, op welke krijschende papegaaien van tak
+tot tak vlogen. Geheele scharen vroolijke apen, leefden in het groene
+bladerendak en de dieren wedijverden met den plantengroei in
+verscheidenheid en rijkdom. Vreemde planten, die insecten en zelfs
+kleine visschen, die in het natte gras omhoogsprongen, naar zich toe
+trokken en opaten, groeiden aan de oevers der rivieren, en voor al
+zulke natuurverschijnselen had Livingstone een steeds open oog.
+
+Doordat de regentijd intrad, kon hij gedurende verscheidene maanden
+niet verder trekken en toen het eindelijk weer zoover kwam, had hij nog
+slechts drie metgezellen, onder wie de twee getrouwen Soesi en
+Tschoema.
+
+In het donkere kreupelhout van het tropisch bosch reet hij zijn voeten
+open, hij klauterde verder over omgevallen boomstammen en vermolmde
+takken, door gezwollen rivieren moest hij waden, terwijl tusschen de
+toppen der boomen en in het dichte kreupelhout koortsdampen als
+nauwelijks zichtbare sluiers zweefden. Weer werd hij ziek en moest lang
+in een armelijke hut op een bed van gras blijven liggen, waar hij zijn
+tijd doorbracht met steeds weer zijn reeds geheel stuk gelezen bijbel
+te bestudeeren en zich door de inboorlingen te laten inlichten over hun
+strijd met menschen en mensch-apen, want ook de gorilla huisde daar in
+het woud.
+
+Zoo verliep het eene jaar na het andere zonder dat ook maar het zwakste
+geluid van het gewoel der wereld tot het oor van Livingstone doordrong,
+en hij zelf was voor de Europeesche wereld verdwenen. Wat hem hier
+terughield, was nog steeds de Loealaba rivier. Stortte ze haar
+onuitputtelijk water in de groote zee in het Westen of stroomde ze
+langzaam door bosschen, moerassen en woestijnen naar Egypte?
+
+Livingstone had een dochter, Agnes genaamd. Zij leeft nog en in haar
+gastvrij huis te Edinburg zijn nog de dagboeken haars vaders, zijn oude
+bijbel en zijn instrumenten te zien.
+
+Als jong kind had zij aan haar vader geschreven, dat hij zich voor haar
+niet moest haasten met het naar huis keeren, dat het veel beter was,
+dat hij eerst kalm zijn werk voltooide, opdat hij er zelf tevreden over
+zou kunnen zijn. Zulk een opwekking van den kant zijner eigen dochter
+kon natuurlijk niet anders dan hem in zijn besluit versterken, en in
+een brief uit Manjema schreef hij haar, dat hij aan zijn jonge
+landgenooten ook een voorbeeld van volharding wilde geven. In dezen
+brief vertelde hij ook hoe oud, grijs en tandeloos hij is geworden, dat
+hij ingevallen wangen en diep weggezonken oogen heeft. Een opperhoofd
+had hem een jongen gorilla geschonken, over dien schrijft hij: „Als het
+dier zit, is het bijna twee voet hoog en hij is de verstandigste, de
+minst dwaze aap, dien ik ooit heb gezien. Hij strekt zijn handen
+smeekend uit om opgetild en rondgedragen te worden en als men weigert,
+vertrekt hij zijn gezicht als een schreiend mensch en wringt de handen
+precies als een mensch. Soms strekt hij nog een derde hand uit om de
+vraag nog dringender te maken. Hij nam mij dadelijk als vriend aan en
+als iemand hem plaagt, zoekt hij bij mij bescherming: op mijn mat heeft
+hij een legerstede uit gras en bladeren gemaakt en als het tijd is om
+te gaan slapen, dekt hij zich met de mat toe. Helaas kan ik hem niet
+mede naar huis nemen, want ik vrees, dat hij sterft, voor dat ik op weg
+naar huis ga. Maar hij ziet er erg verwilderd uit; zoolang zijn moeder
+leefde, die hem goed verzorgde, was zijn lang zwart haar mooi en fijn.
+Maar waartoe zou ik hem meebrengen? Alleen word ik al genoeg
+aangegaapt—twee gorilla’s, hij en ik, zouden zeker niet met rust worden
+gelaten!”
+
+In Februari 1871 verliet Livingstone Manjema, en begaf zich naar
+Njangwe, aan den oever van de Loealaba, een middelpunt van den
+slavenhandel. Weer toonden de inboorlingen zich vijandig, omdat zij ook
+hem voor een slavenhandelaar hielden, en tevergeefs beproefde hij
+booten te krijgen om de groote rivier af te varen. Hij bood een der
+Arabische opperhoofden, Doegoembo genaamd, betaling aan, als deze hem
+zou willen helpen, maar terwijl Doegoembo over het aanbod nadacht, werd
+Livingstone ooggetuige van een voorval, dat aan afschuwelijkheid alles
+overtrof, wat hij nog in Afrika had bijgewoond.
+
+Het was een mooie Julidag aan den oever van den Loealaba.
+Vijftienhonderd zwarten, voor het meerendeel vrouwen, waren in een dorp
+aan den oever, waar een markt gehouden werd, samengekomen. Livingstone
+dwaalde buiten in het vrije veld rond, toen hij op eens zag, hoe twee
+kanonnen op de menigte werden gericht en afgevuurd. De slavenhandelaars
+waren aan het werk! Velen van hen, die overvallen waren, snelden naar
+de booten, maar de bende slavenjagers sneed hen den weg af en stortte
+een regen van pijlen op hen neer, en de booten aan den oever lagen te
+dicht naast elkaar om inallerijl afgestooten te kunnen worden. Het
+gekerm der gewonden vervulde de lucht, en allen liepen in wanhoop door
+elkaar. Boven den waterspiegel vertoonden zich een menigte zwarte
+koppen; velen der vervolgden beproefden zwemmend een eiland te
+bereiken, dat anderhalve kilometer verwijderd was, maar de stroom was
+hen tegen. Eenigen verdwenen stil in de diepte, anderen stieten luide
+jammerklachten uit, en strekten de armen ten hemel, voordat ze in de
+donkere kristallen zalen der krokodillen neerdaalden. Drie kano’s, die
+te zwaar beladen waren, zonken, en de geheele bemanning kwam om.
+Gaandeweg werd het getal der boven het water zichtbare hoofden steeds
+kleiner en slechts enkelen streden nog maar om het behoud van hun
+leven, toen het opperhoofd Doegoembe zich eindelijk ontfermde en de
+laatste een-en-twintig liet redden. Een dappere vrouw weigerde echter
+zijn hulp aan te nemen, en verkoos den krokodil boven de genade van den
+slavenkoning. De Arabieren zelf schatten de omgekomenen op vierhonderd
+man. De beschrijving van zulke tooneelen, die daarna door de geheele
+Engelsche pers ging, verwekte in Europa zulk een storm van afschuw, dat
+een commissie benoemd en naar Zanzibar werd gezonden, om den
+slavenhandel aan de plaats zelf te bestudeeren en om met den sultan van
+Zanzibar middelen te beramen tot geheele uitroeiing er van. Wij weten
+met welke uitkomst. Nog ten tijde van Gordon was de slavenhandel in
+Soedan in vollen gang, en er zouden nog tientallen van jaren
+voorbijgaan, voordat de macht der slavenhandelaars gebroken zou zijn.
+Maar het was voor Livingstone zelf een geluk, dat hij zich niet bij het
+opperhoofd Doegoembe had aangesloten, want de inboorlingen vereenigden
+zich tot verweer, overvielen den slavenhandelaar en zijn bende en
+doodden tweehonderd van hun pijnigers.
+
+Maar nu bleef de vraag naar het lot van de Loealaba-rivier onopgelost
+en Livingstone zelf begon te vreezen, dat zijn droom, in de Loealaba de
+bron van den Nijl voor zich te hebben, ongegrond was. Een gerucht drong
+tot hem door, dat de rivier naar het Westen afsloeg; maar nog steeds
+kon hij de hoop niet opgeven, dat de Loealaba naar het Noorden ging en
+de bron van den Nijl dus onder de zijrivieren van het Bangweolo-meer
+was te zoeken. Ofschoon de moeilijkheden rondom hem als muren omhoog
+kwamen, werd zijn besluit, niet toe te geven, nog sterker. Zonder een
+sterke, goed uitgeruste karavaan, kon hij wel is waar niets bereiken.
+Daarom moest hij terugkeeren naar Oedjidji, waar zeker reeds lang
+nieuwe voorraden van de kust waren aangekomen. Onder duizend gevaren
+ondernam hij den terugtocht door het in opstand verkeerend land, en
+half dood van koortsaanvallen en van alles ontbloot, bereikte hij in
+October Oedjidji.
+
+Maar hier wachtte hem een nieuwe teleurstelling! Wel waren de voorraden
+overgekomen, maar de Arabische schurk, die de zaken van Livingstone zou
+bewaren, had ze verkocht, daaronder waren tweeduizend meter stoffen en
+verschillende zakken kralen, de eenige gangbare munt in het verkeer met
+de zwarten. De Arabier zeide doodbedaard, dat hij gemeend had, dat de
+zendeling dood was!
+
+Hoe Livingstone te moede was in dezen benarden toestand, lezen wij in
+zijn dagboek; hij geleek op den man die naar Jericho reisde en in
+handen van roovers viel en hij scheen vergeefs te moeten wachten op den
+priester, den Leviet en den barmhartigen Samaritaan. Maar vijf dagen na
+zijn aankomst in Oedjidji schrijft hij in dagboek:
+
+„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de
+barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig
+aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze
+woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te
+snellen.
+
+„Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van
+welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten,
+kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest
+onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme
+drommel als ik ben.””
+
+
+
+
+
+
+
+
+56. HOE STANLEY LIVINGSTONE VOND.
+
+
+Terwijl Livingstone nu voor zijn hut staat, de oogen met de hand
+beschuttend en de Amerikaansche vlag bekijkend, die van den naasten
+heuvel, wapperend in den wind nadert, willen wij hooren wat er
+intusschen in Europa is gebeurd.
+
+Een jong journalist Henry Morton Stanley genaamd, in dienst van het
+groote dagblad „The New York Herald” wiens eigenaar de Amerikaansche
+millionnair Gordon Bennett was, bevond zich in 1869 in Madrid. Op
+zekeren morgen wekte zijn bediende hem met een telegram, dat slechts de
+woorden bevatte: „Kom voor een gewichtige aangelegenheid naar Parijs,
+Gordon Bennett.”
+
+Met den eersten trein ging Stanley naar Parijs en haastte zich naar het
+hotel van Bennett. Deze ontving hem met de vraag:
+
+„Waar denkt gij dat Livingstone nu zal zijn?”
+
+„Dat weet ik werkelijk niet,” antwoordde Stanley.
+
+„Gelooft ge dat hij nog leeft?”
+
+„Misschien—maar misschien ook niet.”
+
+„Ik geloof dat hij leeft,” zeide Bennett, „en gij moet hem zoeken.”
+
+„Wat,” riep Stanley, „ik moet naar Afrika?”
+
+„Ja, ik zou willen dat gij daarheen ging en Livingstone opzocht.
+Misschien lijdt de oude man gebrek; neem dus alles mee wat hij zou
+kunnen gebruiken. Handel geheel naar eigen goedvinden, maar—vind
+Livingstone!”
+
+Stanley bracht nog alleen in het midden: „Zulk een reis kost geld.”
+Maar Bennett antwoordde hem: „Laat f 12000 van de bank halen, en als
+gij die hebt uitgegeven neemt gij weer f 12000 op en zoo verder, zoo
+lang als het noodig is, maar—vind Livingstone!”
+
+„Goed,” zeide Stanley. „Ik zal met Gods hulp doen wat ik kan.”
+
+En zoo ging het dan naar Afrika. Stanley had van Gordon Bennett nog
+eenige andere opdrachten ontvangen, die hij onderweg ten uitvoer moest
+brengen. Hij reisde den Nijl op, bezocht Jeruzalem, ging naar Trapezund
+en Teheran en dwars door Perzië naar Boesjir, langs denzelfden weg dien
+de lezers van het eerste deel bekend is, en bereikte pas begin Januari
+1871 Zanzibar.
+
+Hier maakte hij allereerst grondige voorbereidselen voor de reis naar
+de binnenlanden. Hij had van Afrika slechts Abessinië leeren kennen en
+was nooit in de binnenlanden van het zwarte werelddeel geweest, maar
+als verstandig en moedig man stelde hij zich van al het wetenswaardige
+op de hoogte en gelijk een speurhond was hij niet van zijn plan af te
+brengen. Hij kocht zooveel stoffen, dat honderd man zich daarmede twee
+jaren lang zouden kunnen kleeden. Kralen, metaaldraad en andere
+voorwerpen van welke de zwarten houden, verder zadels en tenten,
+geweren en patronen, een boot, geneesmiddelen, werktuigen, proviand en
+ezels. Twee Engelsche zeelieden sloten zich bij de expeditie aan, maar
+beiden stierven in het koortsland. Zwarte dragers werden gehuurd en
+twintig man, die Stanley zijn soldaten noemde, werden van geweren
+voorzien. De groote bagage werd op booten geladen en onder zeil ging
+het van Zanzibar naar het Afrikaansche vasteland. Te Bagamoyo werd de
+laatste hand aan de uitrusting gelegd, en nu moest er haast gemaakt
+worden om den marsch nog voor den regentijd te kunnen beginnen.
+
+In twee afdeelingen, te zamen honderd twee-en-negentig man, trok de
+groote en rijke karavaan naar het Westen. Leider van de laatste
+afdeeling was Stanley zelf, en toen hij, met de Amerikaansche vlag
+voorop, op weg ging, was geheel Bagamoyo op de been. In de diepe
+schaduwen der mimosahagen marcheerden de soldaten met het geweer op den
+schouder en zongen vroolijke liederen, voor hen lag de wildernis, de
+binnenlanden van Afrika met hun donkere raadselen!
+
+Op tijd bereikte de vroolijk zingende troep de eerste kampplaats. Hier
+groeide de hooge maïs in het rond, en op uitgestrekte velden werd de
+maniokplant geteeld. Hun groote knollen bevatten voor het grootste deel
+stijfsel, maar ook een giftig, meelachtig sap, dat doodt als men de
+wortels zoo maar opeet. Maar bij juiste behandeling wordt het sap
+gemakkelijk verwijderd, en de fijngewreven wortel geeft dan een meel,
+waaruit een soort brood wordt bereidt. Rondom de nabijgelegen moerassen
+stonden lage waaierpalmen en accacia’s tusschen weelderig gras en
+onbeweeglijke varens.
+
+Den volgenden dag marcheerde de karavaan onder ebbenhoutboomen en
+kalabasboomen; uit de basten der vruchten maken de inboorlingen
+vaatwerk, want door uitwendige bewerking laat de vrucht zich gedurende
+haar groei in elken vorm brengen. Faisanten en kwartels, moerashoenders
+en duiven vlogen verschrikt op, toen de lange reeks zwarte mannen zich
+door het hooge gras slingerde. In de waterpoelen, die men over moest
+trekken, lagen nijlpaarden, die in het geheel niet schuw waren en
+behaaglijk snoven.
+
+Maar lang duurde het gunstige weer niet; toen trokken de voorloopers
+van den regentijd met geplas en gekletter over het land. De twee
+paarden der karavaan bezweken; verscheiden manschappen, wie het in
+Bagamoyo beter was bevallen, deserteerden, en twaalf dragers kregen de
+koorts. Ondanks dat verhaastte Stanley zijn marsch zooveel mogelijk,
+hij zelf sloeg elken morgen op een blikken kan de reveille. Het ging
+verder door dichte „jungles”. In een klein dal wiegden zich maïsvelden
+in den wind en zachte koeltjes suisden door het suikerriet, dat nat van
+den regen was. De hangende bananen geleken op vergulde komkommers en
+rechts en links van het pad geurden tamarinden- en mimosaboomen. Nu en
+dan werd in de dorpen, die uit goed gebouwde hutten van gras bestonden,
+halt gehouden.
+
+Na veertig dagen eindigde de regentijd op den laatsten April. Bosschen
+van prachtige palmyrapalmen omringden nu de reizigers; deze palmen
+groeien bijna in geheel tropisch Afrika, in Indië en op de
+Soenda-eilanden en ze werden reeds in een oud Indisch lied
+verheerlijkt, omdat hun vrucht, hun bladeren en hun hout, naar men
+zegt, voor acht honderd en één verschillende doeleinden zouden zijn te
+gebruiken. Daarna werd het land heuvelachtig en in het Westen verheft
+zich de eene bergkam boven den anderen. Soldaten en dragers verheugden
+zich uit het vochtige kustland in droge streken te komen, maar voor de
+ezels werd de weg nu heel moeilijk. Er werd gekampeerd in dorpen, wier
+bijenkorfvormige hutten met bamboes en bast waren gedekt en door leemen
+muren waren omgeven. Eenige einden van den weg waren zoo woest, dat
+slechts wolfsmelk (euphorbia), distels en doornstruiken in den dorren
+grond voedsel vonden. Bij een klein meer vond men verscheiden sporen
+van buffels, zebra’s, giraffen, wilde zwijnen en antilopen, die daar
+kwamen om te drinken.
+
+In een dorp haalde Stanley een groote Arabische karavaan in, met welke
+hij het gevreesde, oorlogzuchtige Oegogoland doortrok.
+
+De twee karavanen telden nu te zamen vierhonderd man, die op de smalle
+paden, die sinds onheugelijke tijden door olifanten en neushoorns in de
+jungles waren uitgetreden, de een achter den ander moesten verder
+trekken. In een streek hadden de hutten den vorm van de tenten der
+Kirgiezen en in een andere streek verhieven zich midden in het bosch
+rotsen als ruïnen van een slot uit een sprookje.
+
+In Tabora, de hoofdplaats van Oenjamwesi, een der voornaamste
+nederzettingen in Oost-Afrika, haalde Stanley de voorste afdeelingen
+van de karavaan in, en de Arabieren bewezen hem alle mogelijke eer. Zij
+onthaalden hem op tarwekoeken, kippen en rijst, en schonken hem vijf
+vette ossen, acht schapen en tien geiten. Prachtig bebouwde akkers
+strekten zich in het rond uit, waarop groote kudden met vee graasden,
+en men zag het de statige, goedgebouwde mannen niet aan, dat zij ook
+slavenhandelaars waren.
+
+Het land Oenjamwesi was juist in oorlog. Mirambo, een machtig
+opperhoofd in het Noord-Westen bedreigde Tabora; de Arabieren
+verzamelden daarom de Oenjamwesi krijgslieden, om hen voor te zijn, en
+een leger van tweeduizend tweehonderd man trok ten strijde. Twintig
+Arabieren trokken met vijfhonderd inboorlingen naar het dorp Mirambos
+en veroverden het, maar het opperhoofd ontvluchtte met zijn
+manschappen. De hutten werden geplunderd; met een rijken buit van
+honderd olifantstanden, zestig balen stof, en tweehonderd slaven
+keerden de krijgslieden naar hun haardsteden terug. Maar hiermede was
+de oorlog nog in het geheel niet ten einde. Mirambo en zijn manschappen
+overvielen Oenjamwesi, doodden alle Arabieren en een menigte
+inboorlingen en haalden hun eigendom terug. Bij deze gelegenheid werden
+ook vijf mannen van Stanley gedood.
+
+Toen Stanley Tabora verliet, had hij nog slechts vier-en-vijftig man;
+hij moest daarom een omweg naar het Zuiden maken, om de stammen te
+vermijden, die in oorlog waren. Met elken dag nam zijn spanning en zorg
+toe. Waar was die Livingstone dan toch, over wien de geheele wereld
+sprak?
+
+Was hij reeds lang dood of zwierf hij nog steeds in de wouden van
+Afrika, zooals nu gedurende bijna dertig jaren?
+
+Dikwijls moest Stanley een of soms wel twee balen stof aan een
+opperhoofd als schatting betalen. Een dezer zwarte koningen zond
+levensmiddelen, voor de karavaan, voldoende om vier dagen lang van te
+kunnen leven en bezocht daarna met een schaar zijner zwarte
+krijgslieden Stanley in zijn tent. Men noodigde hen uit plaats te
+nemen, een poos zaten de zwarten stil, keken den blanken man
+nieuwsgierig aan, betastten zijn kleeren, keken elkaar aan en barstten
+in schaterend gelach uit. Gaandeweg werden zij zóó vroolijk, dat zij
+met de vingers knipten en zoo heftig aan hun ineengestrengelde
+wijsvingers trokken, dat zij zich bijna de handen ontwrichtten. Daarna
+mochten zij de geweren en de apotheek bekijken. Stanley liet hun een
+flesch ammoniak zien, en vertelde hun dat deze medicijn tegen hoofdpijn
+en de beten der slangen hielp. De zwarte koning klaagde dadelijk over
+hoofdpijn, maar toen Stanley hem de flesch onder de neus hield, viel
+hij met verwrongen gelaat lang uit op den grond, terwijl zijn
+krijgslieden het uitbrulden van lachen en in de handen klapten.
+
+Voor dezen keer had zijne majesteit genoeg van het sterke geneesmiddel!
+
+Toen op een avond, juist onder het eten, Stanley het teeken tot
+opbreken gaf, kwam het tot een muiterij onder zijn dragers. Deze
+wierpen, nadat zij een half uur hadden geloopen hun pakken weg en
+begonnen in dreigend uitziende groepen met elkaar te fluisteren, twee
+raddraaiers legden zich in hinderlaag en richtten hun geweren op
+Stanley. Maar deze greep dadelijk naar zijn buks en dreigde hen, dat
+hij hen op de plaats zou neerschieten als zij niet onmiddellijk hun
+geweren neerlegden. Het voorval eindigde zonder bloedvergieten en de
+mannen beloofden opnieuw verder rustig mede naar het Tangajika-meer te
+trekken, zooals het bij de afreis was overeengekomen.
+
+Nu moest de karavaan door een boschrijke streek waar de tsetse-vlieg al
+het vee doodde en de kleine honigvogel bedrijvig tusschen de boomen
+heen en weer vloog. Deze vogel gelijkt op de gewone musch, hij is
+alleen iets grooter en heeft op elke schouder een gele vlek. Door
+voortdurend heen en weer fladderen in een bepaalde richting, maakt hij
+de inboorlingen opmerkzaam op nesten van wilde bijen. Volgt men hem,
+vriendelijk fluitend, zonder hem door geraas te verschrikken, dan merkt
+de vogel dat men zijn bedoeling begrijpt. Hoe meer men het bijennest
+nadert, des te korter einden fladdert hij heen en terug, en als hij
+zijn doel heeft bereikt, gaat hij op een nabijgelegen tak zitten, om
+geduldig te wachten op zijn aandeel in den buit. Daarom is de
+honigvogel zeer geliefd bij de inboorlingen en zij volgen hem waarheen
+hij hen roept.
+
+Vandaar richtte Stanley zich noordelijk naar een rivier, die in het
+Tangajika-meer uitloopt. In kleine, gebrekkige booten ging de karavaan
+er over, terwijl de ezels er overheen moesten zwemmen, waarbij een der
+dieren de prooi van een krokodil werd.
+
+Daar ontmoette Stanley op zekeren dag een karavaan, die uit Oedjidji
+kwam, en hoorde, dat zich daar een blanke man bevond! „Hoera, dat kan
+niemand anders dan Livingstone zijn!” dacht Stanley. Zijn ijver verder
+te komen werd nu des te grooter. Door hoogere betaling kon hij zijn
+dragers bewegen langere dagmarschen te maken, en steeds sneller ging
+het nu van land tot land, van het eene opperhoofd naar het andere.
+
+Eens versperde een troep inboorlingen de karavaan den weg, de zwarten
+riepen Stanley toe: „Waarom trekt de blanke man zonder groet of gave
+het dorp van koning Oekka voorbij? Weet hij niet, dat koning Oekka
+schatting heft voor de toestemming zijn land door te trekken?” Uit een
+naburig dorp naderden vijftig krijgslieden met een aanvoerder van hooge
+gestalte.
+
+Hij droeg een kersrooden mantel, een hoofdband en aan een halsketting
+een stuk ivoor. Allen waren gewapend met speren, knotsen, bogen en
+pijlen. Met voorname houding trad het zwarte opperhoofd op den
+aanvoerder der blanken toe en begroette hem vriendelijk: „Hoe gaat het
+u, mijnheer?” En Stanley antwoordde: „Hoe gaat het u zelf, opperhoofd?”
+Stanley ging nu op een baal goed zitten en de zwarten legden hun
+wapenen neer. Na een poosje zeide het opperhoofd: „Ik ben de groote
+Miouwoe, de eerste man na den koning van Oekka. Wil de blanke man geen
+schatting betalen aan den koning? De blanke man is sterker dan wij. Hij
+heeft geweren, wij slechts bogen en speren. Maar Oekka is groot en wij
+bezitten veel dorpen. De blanke man kan rondzien, alles wat hij ziet,
+behoort aan Oekka. Verlangt de blanke man oorlog of vrede?”
+
+Op deze plechtige toespraak antwoordde Stanley: „Het groote opperhoofd
+Miouwoe weet, dat blanke mannen niet tegen zwarten oorlog voeren. Zij
+komen niet voor de slaven noch voor het ivoor maar om het nieuwe land
+te zien, de bergen en meren, de menschen en de dieren, en tehuis in hun
+eigen land daarvan te vertellen. De blanken zijn machtig, hun kogels
+reiken verder dan gij kunt zien. Maar ik wil geen oorlog, ik wil de
+vriend zijn van Miouwoe en van alle zwarte mannen.”
+
+Het einde van deze verhandeling was, dat Stanley een groote belasting
+aan katoen moest geven. Het volgend opperhoofd eischte eveneens hooge
+schatting en slaven meldden, dat op de volgende dagreizen vijf
+verschillende opperhoofden dezelfde aanspraken zouden maken. Dat ging
+te ver! Men kon zich toch maar niet gewoonweg laten plunderen. Daar
+bood de gids aan, om voor twaalf ellen katoen de karavaan bij nacht
+door het bosch te brengen, als men zich dan heel stil hield. En
+werkelijk bracht hij hen door het struikgewas, dat door het maanlicht
+werd overgoten en de karavaan bereikte zonder verder lastig gevallen te
+worden zijn laatste legerplaats, voor het Tangajika-meer.
+
+De tiende November van het jaar 1871 brak aan. Het was een prachtige,
+zonnige morgen en zes uren lang marcheerden Stanley en zijn manschappen
+naar het Zuid-Westen. Door dicht bamboeriet, leidde het pad naar den
+heuvel, van waar men den zilver-glanzenden spiegel van het
+Tangajika-meer voor zich zag en aan den westelijken oever vertoonden
+zich blauwe bergen, welker nevelige omtrekken in de verte vervaagden.
+De geheele karavaan slaakte een jubelkreet. Van een laatsten landrug
+kwam het dorp Oedjidji reeds in het zicht, zijn hutten, zijn paleizen
+en zijn groote booten, beneden aan den oever. Stanley tuurde als een
+valk langs den oever. Het gerucht dat een blanke man aan het meer
+vertoefde, was de laatste dagen steeds beslister geworden. Waar was de
+hut van den gezochte? Was het Livingstone, leefde hij nog, of was zijn
+naam nog maar een sage of een droom?
+
+Nu wordt de vlag gezwaaid. De dorpelingen stroomden de naderenden
+tegemoet onder oorverdoovend geraas; een verwelkoming, een vragen en
+door elkaar roepen begint. Nog slechts enkele honderden schreden tot
+aan het dorp.—Voorwaarts! Marsch!
+
+Daar roept iemand uit het gedrang: „Good morning, sir!” Wie kan dat
+zijn? Een zwarte, in een wit hemd en tulband op het hoofd!
+
+„Wie ter wereld zijt gij?” vraagt Stanley.
+
+„Ik ben Soesi, de bediende van Dr. Livingstone!”
+
+„Dus Dr. Livingstone leeft?”
+
+„Ja, mijnheer!”
+
+„In dit dorp?”
+
+„Ja, mijnheer!”
+
+„Loop dan gauw en haal den doctor!”
+
+En Soesi liep zoo gauw als hij maar kon.
+
+Toen Livingstone het verrassende bericht hoorde, dat een karavaan was
+aangekomen, daalde hij van de veranda van zijn huis op het erf, waar de
+Arabieren, die in Oedjidji woonden, zich ook hadden verzameld. Stanley
+baande zich een weg door de menigte en zag nu voor zich een kleinen
+man, grijs en bleek met de blauwe muts van een consul, waarvan de band,
+die eens goud was geweest, geheel verbleekt was, een buis met roode
+mouwen en versleten grauwe broek. De eerste ingeving van Stanley was op
+hem toe te snellen en hem te omarmen, maar met het oog op de
+volksmenigte nam hij zijn hoed af, trad op hem toe en zeide:
+
+„Niet waar, Dr. Livingstone?”
+
+„Ja,” antwoordde deze vriendelijk, terwijl hij even de muts afnam.
+
+„Goddank, doctor, dat het mij vergund is u te ontmoeten.”
+
+Waarop Livingstone antwoordde: „Ook ik dank er God voor, dat ik hier
+ben om u welkom te heeten.”
+
+De twee gingen nu op de veranda zitten, de in het rond staande
+inboorlingen keken hen bewonderend aan. Ik heb Stanley eens in Londen,
+aan een diner, gevraagd, hoe het hem te moede was, toen hij Livingstone
+in het hartje van Afrika ontmoette; hij antwoordde, dat zijn gevoel
+veel te overweldigend was geweest, om te kunnen beschrijven. Hij had
+den beroemden kluizenaar, die gedurende bijna dertig jaren, de wereld
+verzakend, onder de zwarten had geleefd, steeds weer moeten aankijken
+en elken rimpel van zijn bleek gelaat gadegeslagen, waarin lijden en
+ernst, de jaren van eenzaamheid en arbeid, ziekte en zorg gegrift
+waren, en steeds weer had hij aan de woorden van Gordon Bennett moeten
+denken: „Het doet er niet toe wat het kost—maar spoor voor mij
+Livingstone op.”
+
+Nog laat in den avond zaten de twee bij elkaar en spraken samen. De
+nacht spreidde zijn sluier uit over de palmen, en het werd donker over
+de bergen van waar Stanley dien dag was neergedaald. Een doffe branding
+sloeg ruischend tegen den oever van het Tangajika-meer.
+
+
+
+
+
+
+
+
+57. DE LAATSTE REIS VAN LIVINGSTONE.
+
+
+Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee
+groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het
+Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste
+zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij
+toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of
+tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het
+meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat
+Livingstone zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas
+twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega
+te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba
+stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de
+Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn
+uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de
+Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van
+Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te
+willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den
+Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de
+bovenloop van den Congo.
+
+Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar
+Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog
+leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe
+voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog
+veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een
+waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem
+ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen
+die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist
+zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht.
+
+Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige
+vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone
+hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had
+Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het
+grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde
+men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al
+geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter
+voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer
+aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had
+verricht.
+
+Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig
+man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus
+begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij
+de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij
+zich in de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen
+keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en
+de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite
+vooruit.
+
+Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren
+slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het
+rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook
+onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen
+omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit
+gemaakt!
+
+Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al
+de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de
+Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan,
+het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting
+en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige
+rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen
+eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren
+geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van
+de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en
+verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog
+steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide
+nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de
+andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer
+voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met
+bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek:
+
+„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel
+uitgeput terug in het dorp.”
+
+Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en
+Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij
+twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende
+vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te
+schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den
+zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten
+April staat er:
+
+„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb
+uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den
+oever van de Molilamo.”
+
+Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten
+waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond
+andere levensmiddelen als geschenken.
+
+Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten
+om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De
+zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid.
+Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het
+opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde
+langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar
+neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te
+zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in
+het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden
+zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man
+rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een
+hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een
+bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd
+een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield.
+
+Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn
+gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen
+spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd
+Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid
+geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een
+leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij:
+
+„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld
+verjagen.”
+
+Na een poosje zeide hij:
+
+„Is dat de Loeapoela?”
+
+„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.”
+
+„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?”
+
+„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi.
+
+Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide:
+
+„O, lieve, lieve God!”
+
+Daarna verloor hij het bewustzijn.
+
+Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder
+wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu
+kunt gij gaan.”
+
+Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende
+Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet
+niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen,
+en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast
+zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem
+dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in
+eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en
+toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet
+meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij
+waren koud. De apostel van Afrika was dood!
+
+Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna
+naar buiten om te beraadslagen.
+
+Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak
+over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn
+bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig
+om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden
+zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn
+instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die
+anders alles vernielen, te beschermen.
+
+Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte.
+Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen
+meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan
+aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze
+geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas
+of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste
+zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest,
+voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de
+dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij
+zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze
+opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.”
+
+Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En
+zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle
+ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+58. DE LIJKSTOET VAN EEN HELD.
+
+
+Vooreerst besloten de geleiders van Livingstone, dat de dood van hun
+meester een geheim zou blijven, want als Tschitambo er achter kwam, was
+te vreezen, dat hij de karavaan een bovenmatige groote schatting zou
+laten betalen, en daardoor den tocht naar de kust onmogelijk zou maken.
+Bovendien besloten de lieden hun gestorven heer, den geheelen weg naar
+Zanzibar te dragen! Intusschen zou er op eenigen afstand van het dorp
+een hut worden gebouwd, opdat men ongestoord voorbereidselen voor de
+lange reis zou kunnen maken. Tschoema vroeg aan het opperhoofd
+Tschitambo de toestemming voor den bouw en verkreeg die ook dadelijk.
+
+In den loop van den dag verbreidde zich in het dorp het gerucht van den
+dood van Livingstone en Tschitambo kwam zichzelf overtuigen. „Waarom
+hebt gij mij de waarheid niet gezegd?” vroeg hij aan de mannen, „ik
+weet dat uw meester vannacht is gestorven. Gij waart bang het mij te
+zeggen, maar ik heb ook reizen gemaakt, en ben meer dan eens aan de
+kust geweest. Ik weet, dat gij bij uw bezoek in ons land slechts goede
+bedoelingen hebt gehad, en de dood overvalt vaak reizigers op hun
+tochten.”
+
+Gerustgesteld door deze woorden, deelden zij aan het opperhoofd mede,
+dat zij plan hadden den doode tot aan Zanzibar te dragen. Dat was
+onmogelijk verzekerde Tschitambo en hij raadde hun dringend aan,
+Livingstone op de plaats zelf te begraven. Den volgenden dag bracht
+Soesi het opperhoofd een rijk geschenk en later kwam deze aan het hoofd
+van zijn geheelen stam naar de nieuwgebouwde hut. Met een rooden
+katoenen lap had hij zijn schouders versierd en om het lijf droeg hij
+een rok van zelf geweven linnen, die hem tot aan de enkels reikte. Zijn
+metgezellen droegen bogen, pijlen en speren. Nu weerklonken luide
+klaagliederen rondom de baar, en tromgeroffel weergalmde dof in de
+omgeving. Daarna werd de baar in een hooge en sterke omheining
+geplaatst, opdat geen wilde dieren aan het lijk zouden kunnen komen.
+
+Livingstone was bij zijn dood zoo in elkaar geschrompeld, dat zijn
+lichaam nog slechts uit huid en beenderen bestond. Ingewanden en hart
+werden er uit genomen en in een blikken bus diep in de aarde begraven.
+Een christen onder de bedienden sprak de gebeden. Het lichaam werd met
+zout opgevuld en veertien dagen aan den zonnegloed blootgesteld, om te
+drogen en de verrotting te ontgaan. Daarna werden de beenen van af de
+knieën naar achteren gebogen en het lijk stevig in katoen genaaid. Een
+boom ontdeed men van den bast, en daarin schoof men het lijk, snoerde
+het geheel met koorden bijeen en bevestigde het pak aan een stang, om
+het gemakkelijker te kunnen dragen. In een boom werd de naam van
+Livingstone ingesneden en den datum van zijn dood, en de treurende
+bedienden verzochten Tschitambo de struiken rondom den boom te laten
+neerhouwen, opdat hij bij een grasbrand niet in vlammen zou opgaan.
+
+Toen alles gereed was, hieven twee mannen den kostbaren last op hun
+schouders, de anderen namen hun bagage op den rug en zoo begon een
+tocht, die negen maanden zou duren; de eigenaardigste lijkstoet waarvan
+de geschiedenis vertelt! De weg ging nu eens door vriendelijk-, dan
+weer door vijandig-gezinde stammen, en eens moest de karavaan zich een
+doortocht afdwingen.
+
+Ondanks alle vermomming snelde het gerucht van den dood van den grooten
+zendeling hen overal vooruit, en verbreidde zich door geheel Afrika. In
+eenige streken vluchtten de lieden uit vrees voor den griezeligen
+lijkstoet; in andere kwamen ze haastig aanloopen om deze zonderlinge
+karavaan te bekijken. De apenbroodboomen strekken hun takken over den
+weg uit, alsof ze een troonhemel wilden vormen boven de terugkeerende
+overwinnaars, en de palmen, de zinnebeelden van den vrede en de
+opstanding, hielden aan den weg trouw de wacht. De eene mijl na de
+andere trok men, zoo onder het groene loof, naar het Oosten.
+
+In Tabora ontmoette de karavaan een Engelsche expeditie, die
+Livingstone hulp zou brengen, en de aangekomenen luisterden nu diep
+getroffen naar het bericht van de bedienden. Maar van het voorstel, den
+doode in Tabora te begraven, wilden Soesi en Tschoema niets weten.
+Eenige dagen later stieten de reizigers op ernstigen tegenstand; een
+stam verbood hen, omdat zij het lijk meedroegen, den doortocht. Zij
+hielpen zich met een list. Zij maakten een pak gereed, gelijk aan dat
+van het lijk en gaven voor naar Tabora te willen terugkeeren om hun
+heer daar te begraven. Eenigen trokken nu met het voorgewende pak af,
+namen het op zekeren nacht uit elkaar, verstopten het in dichte
+doornenstruiken en keerden daarna naar hun makkers terug, die
+intusschen aan het noodlottige pak een ander aanzien hadden gegeven,
+zoodat het nu op een baal goed geleek. Daarmede waren de inboorlingen
+tevreden en lieten hen nu ongehinderd verder trekken.
+
+In Februari 1874 bereikte men Bagamoyo en de doode werd door een
+kruiser naar Zanzibar en van daar uit eindelijk naar Engeland gebracht.
+In Londen twijfelde men er echter aan, of deze doode werkelijk
+Livingstone was. De eene gebroken, weer slecht aangegroeide arm, die
+voor jaren door den leeuw in Mabotsa zoo was toegetakeld, moest daarom
+de identiteit van den doode bewijzen. Nu werd Livingstone onder de
+helden van de Engelsche natie in de Westminster Abdij, midden in het
+hoofdschip der kerk, begraven. Onder de dragers van het lijkkleed
+bevond zich ook Henry M. Stanley. Het graf is gedekt door een zwart
+granieten plaat met de woorden: „Hier rust, door trouwe handen over
+land en zee gedragen, David Livingstone, zendeling, ontdekkingsreiziger
+en menschenvriend, geboren den 19 Maart 1813 in Blantyre, gestorven 1
+Mei 1873 in het dorp Tschitambos. Dertig jaren van zijn leven offerde
+hij in onvermoeiden arbeid aan de verbreiding van het Evangelie onder
+de inboorlingen, aan de navorsching naar niet ontdekte geheimen en aan
+de uitroeiïng van den verderfelijken slavenhandel in Midden-Afrika.”
+
+Nu nog denken de inboorlingen met dankbare herinnering aan het Witte
+Hart, aan den Helper der menschen, zooals zij Livingstone noemden, en
+verheugen zich, dat zijn hart in Afrika’s aarde, onder den boom in het
+dorp Tschitambos rust. Livingstone’s droom, de bron van den Nijl te
+vinden en den verderen loop van de Loealaba vast te stellen, werd niet
+vervuld. Maar daardoor is zijn verdienste niet geringer. Hij ontdekte
+het Ngami-, het Nyassa- en andere meren, den Victoria-val en den
+bovenloop van de Zambesi en heeft van ontzaglijke uitgestrektheden
+onbekend land kaarten geteekend. Het werk der wetenschap en der
+menschelijkheid heeft sedert Livingstone’s leven reusachtige
+vorderingen in het werelddeel der zwarten gemaakt. Maar aan deze
+vorderingen zou niet te denken zijn geweest, zonder den
+zelfverloochenenden voorarbeid en de bewonderenswaardige volharding van
+dezen man.
+
+
+
+
+
+
+
+
+59. DOOR HET DONKERE WERELDDEEL.
+
+
+Succes moedigt aan! Reeds in het najaar van 1874 was Stanley weer in
+Zanzibar om nog eens in het donkere werelddeel zijn geluk te beproeven!
+Hij rustte een karavaan uit met driehonderd dragers, met proviand,
+kralen, koperdraad, wapenen, opvouwbare booten, tenten, werktuigen en
+al datgene wat men op een reis van verscheidene jaren noodig heeft en
+sloeg de richting in naar het Victoria-Niansa meer. Hij zeilde het
+geheele meer om, bezocht Oeganda en Oedjidji, waar de hut van
+Livingstone reeds lang met den grond was gelijk gemaakt, en zeilde toen
+nog het Tangajika-meer om.
+
+Twee jaar na zijn vertrek bereikte hij den oever van de Loealaba,
+waaraan Dr. Livingstone zijn leven had gewijd om de raadselen er van op
+te lossen. Na twee jaren inspannend reizen stond nu Stanley op de
+westelijkste punt, tot waar ooit een Europeaan vanaf de Indische kust
+van Afrika was doorgedrongen en voor hem lag een geheel onbekend land,
+dat op de kaarten van dien tijd slechts door een groote, witte vlek was
+aangegeven. Van alle kanten waren reizigers den rand van dit gebied
+genaderd, maar niet een was verder gedrongen; men wist niet eens waar
+de Loealaba bleef en vergeefs had Livingstone getracht daar
+inboorlingen en Arabieren uit te vragen. Hier te Njangwe hadden de
+Arabische slavenhandelaars hun westelijkste markt. Groenten, vruchten,
+graan, visch, vee, metaaldraad, bogen, pijlen en speren werden hier
+verkocht en een ruilhandel met ivoor en slaven uit het binnenland
+gedreven. Maar ofschoon van alle kanten wegen in Njangwe samenliepen
+waren de Arabieren al even weinig van het binnenland op de hoogte.
+
+Maar moeielijkheden waren er voor den ijzeren wil van Stanley niet.
+Zijn besluit stond vast in geen geval weer naar het Oosten terug te
+keeren; hij wilde naar het Westen, naar de Atlantische kust
+doordringen, al kostte het zijn eigen leven; zijn lijfspreuk was: „Waag
+te winnen en te verliezen!” Zoo brak hij dan den 5den November 1876 in
+gezelschap van het machtig en rijk Arabisch opperhoofd Tipoe Tip op en
+ging in noordelijke richting naar een groot woud. De troep van Tipoe
+Tip bestond uit zevenhonderd mannen, vrouwen en kinderen; Stanley had
+honderd vier-en-vijftig manschappen met geweren, revolvers en bijlen
+gewapend. Dus een groote karavaan, die in lange rijen het oerwoud
+naderde en onder de geweldige boomen verdween. Als zuilen stonden hier
+de stammen naast elkaar. Palmen en rotangs worstelden met de wilde
+wijnranken om de plaats. Varens en riet woekerden op den grond en
+doornstruiken vormden ondoordringbaar struikgewas. Klimplanten kropen
+tegen de stammen op en hingen als netten van de takken. Uit het
+bladerengewelf druppelde dauw als motregen neer; de lucht was zwaar en
+zwoel, en verzadigd van den geur der planten en van de aarde. Slechts
+zelden drong een koeltje in de diepte van het woud. Hoog boven de
+toppen der boomen konden stormen woeden, maar daar beneden in de
+schemering van het bosch bewoog zich geen blad. In den lossen, van
+water doortrokken bodem behoefden de wortels zich dus niet zoo diep in
+te boren om aan boomen en struiken kracht en steun te geven; dikwijls
+lagen de geweldige wortels van oeroude woudreuzen bijna geheel bloot.
+
+Met bijlen moest de karavaan zich voetje voor voetje een weg door het
+tropisch oerwoud, door zijn nooit door een zonnestraal getroffen
+kreupelhout, banen. Mieren, duizendpooten, kevers en andere insecten
+kropen hier in groote volksverhuizingen rond; tusschen de wortels der
+boomen loerde de pythonslang op haar buit. Op de takken der boomen
+klauterden apen en slingerden zich schommelend en met handige sprongen
+van den eenen boomstam op den anderen. Rijen bavianen maakten geraas en
+brulden en hier en daar hoorde men de geluiden van den chimpansee, en
+ontdekte men tusschen een forschen tak zijn gevlochten nest.
+
+Langzaam ging het op den slibberigen bodem en door het struikgewas
+vooruit. De pakken droeg men op het hoofd, om de armen vrij te hebben
+en takken en jonge boomen op zij te kunnen schuiven. De kleeren hingen
+weldra aan flarden, bij de naakte zwarten moest de huid het ontgelden.
+Voor de dragers van de opvouwbare boot, moest, dikwijls een apart pad
+met moeite worden uitgehouwen. Daarbij steeds dezelfde zwoele,
+verstikkende broeikaslucht en de diepe, drukkende schemering! Men
+tastte als door een donkere gang; nergens een licht, steeds een eeuwige
+schemering, die door pikzwarte nachten werd afgelost. Evenals de
+Poolvaarders in den langen winternacht, verlangde ieder naar den
+terugkeer der zon en naar het daglicht.
+
+Op eenigen afstand van den oostelijken oever van de Loealaba ging de
+tocht noordwaarts. Stanley klauterde in een boom, die vrij en eenzaam
+op een heuvel stond. Welk een wondervol gezicht hier, over de toppen
+der boomen van het woud. In het rond een enkele zee van bladeren, de
+door de zon bestraalde oppervlakte der dicht in elkaar gevlochten
+groene kronen der boomen. Hier boven ruischten de bladeren in den wind
+en de storm veroorzaakte geweldige golven over de groene vlakte. Zelfs
+voor den moed en de volharding van een Stanley was dit oerwoud een
+beproeving van zijn energie. Ziekte, verveling en ongehoorzaamheid werd
+merkbaar in zijn schaar. De groote Tipoe Tip was van oordeel, dat in
+zulk een land verder doordringen onmogelijk was; hij wilde daarom met
+zijn zwarte bende omkeeren. Na veel heen en weer praten liet hij zich
+eindelijk overhalen nog twintig dagreizen verder mede te trekken, en na
+ontelbaar veel moeite bereikte de karavaan eindelijk weer den oever der
+Loealaba.
+
+Zonder geluid en majestueus gleed de geweldige watermassa den oever
+langs. Dik en bruin door de verrotte planten wentelde de rivier zich
+naar een land, van welks tallooze negerstammen de Europeanen nog in het
+geheel niets wisten en dat nog nooit door den voet van een blanke was
+betreden. De olifanten in het duistere woud voelden zich nog niet
+verontrust door de Europeesche jagers en het nijlpaard lag nog
+onbezorgd tusschen lotusbladeren en riet. En deze geheimzinnige rivier
+over welke geleerden met elkaar streden, wilde Stanley overwinnen, het
+koste wat het wilde.
+
+Tenten en omheiningen werden aan den rechteroever opgericht. Ginds aan
+den linkeroever werden hutten zichtbaar van onbekende stammen. Stanley
+liet zijn boot in elkaar zetten om de rivier over te gaan en met de
+wilden te spreken. Intusschen lag hij peinzend in zijn tent. Door deze
+eeuwige wouden te voet te gaan, was op den duur niet mogelijk. Waarom
+den breeden weg niet gebruiken, dien de Loealaba zelf aanbood! Het woud
+stond vol groeiende booten! Uit deze stammen kon een geheele vloot
+bruikbare vaartuigen worden gehouwen.
+
+Snel besloten liet Stanley zijn karavaan door trommelslag bijeenroepen,
+om zijn plan mede te deelen. Met aarzelende schreden naderden de
+mannen, Tipoe Tip en de overige Arabieren vooraan. Zij verwachtten
+niets anders dan dat de marsch door het geheele bosch voortgezet zou
+worden. Toen allen bij elkaar waren, zei Stanley:
+
+„Arabieren, mannen uit Oenjamwesi en Zanzibar! Gij ziet deze rivier,
+die sedert onheuglijke tijden stil en onbekend naar de zoute zee
+stroomt, waar mijn blanke vrienden wonen.” En nu zette hij hun zijn
+plan uiteen, om met een sterke vloot de Loealaba te willen afroeien.
+
+Eerst klonk als antwoord een onwillig gemompel, maar Stanley liet zich
+niet van zijn stuk brengen. Hij verzekerde hen rondweg, dat hij dezen
+tocht zou doen, ook al vergezelde hem niemand anders dan Frank Pocock,
+de eenige overlevende, der drie uit Zanzibar medegenomen blanken.
+Daarna wendde hij zich tot de bootslieden: „Gij, die met mij over de
+groote zeeën zijt gezeild, wilt gij nu mij en mijn blanken broeder in
+het woud laten omkomen?” Reeds kwamen eenigen naar voren en tenslotte
+verklaarden twee-en-dertig man zich bereid mede te gaan. Tipoe Tip en
+zijn Arabieren verzekerden echter dat zoo’n tocht reine krankzinnigheid
+was, men zou in handen vallen van oorlogzuchtige wilden en
+menscheneters of omkomen in bruisende watervallen. Stanley verzocht aan
+de Arabieren, tenminste door hun gepraat niet hen af te schrikken, die
+reeds beloofd hadden te zullen meegaan.
+
+Juist kwam nu van den linkeroever een boot met twee roeiers en een van
+Stanley’s tolken riep den inboorlingen toe:
+
+„Bezorgt ons booten, opdat wij u ginds kunnen bezoeken.”
+
+„Vult de booten met schelpen en dan kunt gij komen!”
+
+„Gij kunt ieder tien schelpen krijgen,” antwoordde de tolk.
+
+Maar de wilden antwoordden:
+
+„Neen, jelui zijn slechte menschen, keert terug, keert terug!” En
+daarbij hieven zij een akelig, vreemd lied aan, en van den anderen
+oever klonk een onheilspellend „o-hoe, o-hoe-hoe!”
+
+„Ginds schijnt een strijdlustig opperhoofd te wonen,” zeide de tolk van
+Stanley.
+
+„Onzin,” antwoordde Stanley, „waarom zouden zij strijd met ons zoeken?”
+
+„Het zijn wilden en daarom strijdlustig als de dieren.”
+
+„Ik zal je bewijzen, dat je ongelijk hebt,” antwoordde Stanley, stapte
+met Tipoe Tip, eenige Arabieren en alle tolken in een boot en roeide
+met snelle slagen naar den anderen oever.
+
+Hier krioelde het van zwarte krijgslieden, en een vloot van twintig
+booten lag aan den oever.
+
+Op behoorlijken afstand riep de tolk de wilden toe, dat de blanke man
+hun land wilde zien, men zou niets van hun eigendom aanraken en hen
+geen kwaad doen. Het antwoord was, dat de blanke man den volgenden
+morgen naar een klein, nabijgelegen eiland moest roeien; hun opperhoofd
+zou daar eveneens met tien krijgslieden heengaan. Zoodra men daar
+broederschap gesloten zou hebben, mochten de vreemdelingen de hutten
+der zwarten bezoeken!
+
+Daar Stanley een overval vreesde, zond hij in den nacht twintig
+gewapenden naar het eiland, die zich in het kreupelhout moesten
+verbergen. Pocock en tien man roeiden den volgenden morgen naar de
+plaats van samenkomst, terwijl Stanley zelf in de nabijheid in zijn
+boot wachtte. Stanley had het goed voorzien, een geheele zwerm van
+booten der wilden verliet den linkeroever, en toen zij het eiland
+naderden, hieven de zwarten hun oorlogskreet aan: „o-hoe, o-hoe-hoe!”
+en stormden met gespannen bogen en opgeheven speren aan land. Maar daar
+waren de twintig in hinderlaag liggenden ook op hun post, en na een
+korte schermutseling snelden de wilden hals over kop naar hun booten,
+om zoo gauw als mogelijk naar hun dorpen terug te roeien.
+
+Stanley bracht nu al zijn manschappen naar een beschutte plaats op den
+linkeroever. Den volgenden morgen waren de inboorlingen gevlucht en hun
+dorpen stonden leeg. Slechts twee rijen grijnzende schedels van
+opgegeten vijanden en gevangenen sierden de dorpsstraten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+60. OORLOGEN MET DE INBOORLINGEN.
+
+
+Ondanks deze onvriendelijke houding der inboorlingen gaf Stanley het
+besluit niet op met zijn boot de Loealaba af te varen. Met ongeveer
+dertig man scheepte hij zich eindelijk in, terwijl Tipoe Tip en Pocock
+met de overigen den oever langs zouden trekken.
+
+Het eene dorp na het andere werd aan den oever zichtbaar, maar overal
+hadden de inboorlingen zich teruggetrokken en uit de verte hoorde men
+hun oorlogskreet: „O-hoe, o-hoe-hoe!”
+
+Op een eiland tusschen de hoofdrivier en een zijrivier ging Stanley met
+zijn boot aan land om de karavaan af te wachten en ze bij den overtocht
+over de rivier behulpzaam te zijn. Rondom de legerplaats werd een
+omheining opgericht. Daarna roeide hij een eind de zijrivier op, het
+water was door de donkere boomwortels, die van den oever tot aan den
+bodem reikten, zoo zwart als inkt. Bij zijn terugkomst vond hij het
+eiland door vijandelijke booten omringd; maar zoodra zijn boot naderde,
+roeiden de wilden pijlsnel weg.
+
+Eindelijk kwam Tipoe Tip met zijn troep hijgend aan, en nu kon men
+verder trekken. Stanley bleef nu met zijn boot steeds dicht bij den
+oever, zoodat de twee afdeelingen door een teeken met de trom met
+elkaar in verbinding konden blijven. Weer waren alle dorpen verlaten,
+maar toch sloegen de inboorlingen de vreemdelingen gade en lagen overal
+in hinderlaag; maar toen op zekeren dag eenige van Stanley’s
+manschappen in twee geroofde booten op verkenning uitgingen, werden zij
+overvallen en geraakten op hun vlucht in draaikolken en
+stroomversnellingen. Hun booten sloegen om en zij verloren vier
+geweren; maar zij zelf werkten zich op de gekantelde boot en bleven
+daarop zoolang, totdat zij door hun makkers werden gered. Uit het
+groote dorp Ikondo waren alle inwoners gevlucht. Maar tusschen de
+kooivormige rieten hutten, die zich in twee lange rijen uitstrekten,
+hingen nog de gevulde wijnkruiken aan de palmen, meloenen en bananen
+geurden, en overal stiet men op maniokaanplantingen, aardnoten- en
+suikerrietvelden. In de nabijheid van Ikondo lag een groote boot, maar
+die was gebarsten en lek; ze werd hersteld, in het water gelaten en als
+hospitaal gebruikt, want pokken en buikloop waren in de karavaan
+uitgebroken en dagelijks moesten twee à drie dooden in de rivier worden
+begraven.
+
+Toen op zekeren dag de kleine vloot langs den oever roeide, slaakte
+eensklaps een man in de ziekenboot een luiden kreet. Een vergiftige
+pijl was hem in de borst gedrongen en op deze eerste volgde een regen
+van pijlen. Snel werd uit de gevaarlijke streek geroeid en gekampeerd
+op een plaats, waar vroeger markt was gehouden. De gewone haag van
+rijshout werd rondom de tent opgericht, en voor alle zekerheid werden
+posten in het kreupelhout uitgezet.
+
+Het duurde ook niet lang of geweerschoten en geschreeuw werden
+vernomen. De wachten kwamen hals over kop aanloopen en riepen van
+verre: „Houdt jelui gereed, zij komen!” En voordat men er op bedacht
+was, suisden pijlen en speren tegen de verschansingen en de wilden
+kwamen aanstormen onder het zingen van hun akelige krijgsliederen. Arme
+duivels! Wat hielpen hun pijlen en speren tegen kogels en kruit! Zij
+werden teruggeslagen, maar keerden steeds weer met nieuwe versterking
+terug. Pas na een strijd van twee uur en bij het invallen der
+duisternis trokken zij terug.
+
+Onder zulke gevechten bereikten Stanley en Tipoe Tip een dicht bebouwde
+streek aan den westelijken oever en ook hier kwamen de inboorlingen hen
+vijandig tegemoet. Bij het eerste treffen werden zij teruggeslagen,
+roeiden toen echter naar een lang en smal eiland, waar zij hun booten
+aan palen vastbonden, blijkbaar met het plan den volgenden dag weer te
+beginnen.
+
+Maar dat plan zou hen vergald worden. In den pikduisteren nacht,
+terwijl de regen nederkletterde, roeide Stanley naar het eiland, en
+terwijl zijn boot stil en voorzichtig onder den hoogen, met boomen
+bezetten oever gleed, sneed hij de vaartuigen, zooveel hij maar
+bereiken kon, los en spoedig daarop dreven zes-en-dertig booten de
+rivier af, waar ze door de manschappen van Stanley werden opgevangen.
+Met deze buitgemaakte vloot roeide men met het aanbreken van den dag
+weer naar de kampplaats terug. De wilden, die den kouden nacht in de
+hutten van gras op het eiland hadden doorgebracht, zullen den volgenden
+morgen wel verbaasd hebben staan kijken, toen zij bijna al hun booten
+misten. Nu roeide de tolk van Stanley naar hen toe, om hun de
+voorwaarden mede te deelen die Stanley hen stelde. Zij hadden den troep
+van den blanken man trouweloos overvallen, vier man gedood en dertien
+verwond; nu moesten zij levensmiddelen geven en dan zouden zij
+schadeloos gesteld worden voor de geroofde booten. En eindelijk moesten
+zij beloven den vrede te bewaren.
+
+Door deze handige list gelukte het eenige dagen in vrede te leven en
+dat was dringend noodig, want Tipoe Tip had er nu meer dan genoeg van
+en wilde geen schrede verder gaan op deze oorlogzuchtige rivier, maar
+beslist met zijn manschappen terugkeeren. Maar Stanley stond er op, met
+uitgezochte manschappen, die voor het grootste deel vrouwen en kinderen
+bij zich hadden, in ’t geheel honderd en vijftig zielen, de reis te
+vervolgen.
+
+De buitgemaakte booten werden, twee aan twee, met stangen aan elkaar
+bevestigd, opdat zij niet zouden kenteren: de geheele vloot bestond nu
+uit drie-en-twintig vaartuigen. Er werd voor twintig dagen proviand
+ingepakt en een der laatste dagen van December, toen juist een frisch
+koeltje de dichte nevelen van elkaar reet, riepen trompet- en
+hoornsignalen tot het vertrek. Stanley commandeerde: „Aan boord!” De
+zonen van Oenjamwesi zongen afscheidsliederen, waarop de naar huis
+trekkende schaar van Tipoe Tip antwoordde, en nu gleed Stanley’s vloot
+de rivier af, opnieuw onbekende landen en lotgevallen tegemoet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+61. OVER DE CONGO-VALLEN.
+
+
+Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij
+den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo,
+waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was
+ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in
+het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van
+dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en
+tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd
+zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en
+avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte
+rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier.
+
+Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever
+aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en
+voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden
+opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen
+vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer
+van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp
+tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij
+troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley
+omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op
+bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot
+onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand,
+stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen
+zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten
+deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen.
+
+Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo
+gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley
+geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met
+nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal
+schilden buit, die hen later van veel nut werden.
+
+Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij
+een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad
+te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en
+liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch
+buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen
+en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren,
+en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt,
+stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de
+ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en
+kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en
+bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten.
+
+Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers
+in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk
+weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten
+strijd gereed, midden in de rivier halt houden. Zwermen flinke booten
+vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers
+klonken helder tegen de schilden.
+
+De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we
+schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich
+langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls
+gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het
+eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de
+vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen
+naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun
+pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord,
+dan keerden zij bloedend naar den oever terug.
+
+Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de
+reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen
+waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De
+vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de
+watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den
+oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige
+dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en
+toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de
+oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der
+inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte
+strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun
+hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten.
+
+Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering
+van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen
+ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van
+vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd
+met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval
+over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden,
+de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te
+ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de
+watervallen kon worden voortgezet.
+
+Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar de
+inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen
+te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te
+water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden
+water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest
+de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen
+om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden
+van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de
+manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde
+er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen
+waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits
+toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek
+menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een
+zeer welkome buit zijn geweest.
+
+Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de
+rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij
+niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste
+Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die
+sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede
+ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van
+den Belgischen Congostaat.
+
+
+
+
+
+
+
+
+62. „BOELA MATARI, DE STEENBREKER”.
+
+
+Beneden de Congo-vallen verbreedde het bed der rivier zich hier en daar
+tot drie kilometer, zoodat de tegenovergestelde oever ternauwernood nog
+zichtbaar was en de vloot van Stanley tusschen de vele eilanden en
+labyrinthen van waterwegen verdwaalde. De gevaren van de reis bleven
+dezelfde. Telkens moest uitgekeken worden en steeds werden de
+vreemdelingen door de inboorlingen vervolgd. In de booten vertoonden
+zich krijgslieden met afzichtelijke gezichten en roode en groene
+papegaaienveeren op het hoofd. Zij droegen armbanden van ivoor en het
+handvat van hun roeispanen was eveneens gesneden uit de tanden van
+olifanten. Aan den boeg van de groote booten woei een bos palmtakken en
+uit de ivoren hoorns riepen schetterende tonen tot den aanval.
+
+In een dorp werd een afgodstempel ontdekt; het ronde dak rustte op
+drie-en-dertig olifantstanden. In het midden van den tempel troonde een
+uit hout gesneden rood geschilderd afgodsbeeld met zwarte oogen, haren
+en baard. De messen, speren en strijdbijlen van deze wilden waren
+buitengewoon handig gesmeed en hun sieraden bestonden uit koperen,
+ijzeren en ivoren ringen. In de vuilnishoopen zag men de overblijfselen
+van hun afschuwelijke maaltijden en rondom de hutten waren schedels van
+menschen op hooge palen gestoken.
+
+Eindelooze wouden bedekten de oevers en de eilanden. Hier groeit de
+mangroveboom, met zijn vele wortels, de hooge slangvormige rotang, met
+zijn hangende gevederde bladeren, de drakenbloedboom, de gummiboom en
+vele andere. Gevaar en hinderlaag loerde achter elke landtong. Er moest
+gelet worden op rotsen en stroomingen in het water; op watervallen,
+stroomversnellingen en draaikolken: nijlpaarden en krokodillen waren er
+in menigte. Maar de inboorlingen zelf waren het gevaarlijkst en Stanley
+en zijn manschappen waren door de eeuwige vervolging, waaraan zij
+gedurende de laatste maanden waren blootgesteld, geheel uitgeput.
+
+In het dorp Roeboenga waar de inboorlingen weer eens vriendelijk gezind
+waren, hoorde Stanley voor het eerst, dat deze rivier werkelijk de
+Congo heette! Hier konden de reizigers hun levensmiddelen weer
+aanvullen en toen de trommen van Roeboenga werden geroerd, was het niet
+om ten strijde op te trekken maar om naar de handelsmarkt op te roepen,
+waar de bewoners der omliggende dorpen visch, slakken, eetbare
+schelpdieren, gedroogd hondevleesch, geiten, bananen, meel en brood te
+koop aanboden.
+
+Maar vertrouwen kon men deze wilden nooit. Met hun griezelig
+getatoueerd lichaam, hun halsbanden uit tanden van menschen, met hun
+eigen tanden die zoo spits als die van een wolf zijn gevijld, met de
+lichte gordels van gras om de lenden, speer en boog in de handen,
+maakten zij in het geheel geen vertrouwenwekkenden indruk en
+ternauwernood was men van een oogenschijnlijk vredelievenden oever
+afgestooten of de zwarten maakten zich al weer gereed in de booten te
+gaan om de vertrekkenden te vervolgen. In deze streek waren zij zelfs
+al met geweren gewapend, die zij van de kust hadden gekregen en eens
+kwam het tusschen de kleine vloot van Stanley en drie-en-dertig booten
+der inboorlingen tot een heftigen strijd met schietwapenen aan beide
+zijden! In de voorste boot stond een jong opperhoofd als aanvoerder,
+hij had een schoon en waardig voorkomen. Hij droeg een hoofdbedekking
+en een mantel uit geitenvel en om zijn armen, beenen en hals lompe
+ringen van koperdraad. Een kogel trof hem in de dij, kalm bond hij een
+lap om de wond, daarna gaf hij zijn roeiers een teeken naar den oever
+terug te gaan. Nu verloren ook de anderen den moed en volgden de boot
+van hun aanvoerder.
+
+Zoo ging deze tocht van Stanley onder onophoudelijke gevechten verder
+naar het Zuiden. De groote kromming van den Congo was nu afgelegd,
+waarbij niet minder dan twee-en-dertig slagen geleverd waren. Er volgde
+weer een moeilijk einde waarop de geweldige rivier, in schuimende
+watervallen en kokende stroomversnellingen, het hoogland, dat zich
+langs Afrika’s westkust uitstrekt, doorbreekt. Aan dezen waterval gaf
+Stanley den naam van Livingstone, want nu zag hij in, dat de rivier
+toch nooit anders dan Congo zou heeten. De Livingstonevallen zouden
+echter toch den naam van den grooten zendeling voor het nageslacht
+bewaren.
+
+Nieuwe en vele moeilijkheden waren hier te overwinnen. Eens verdronken
+een half dozijn mannen en verscheiden booten gingen verloren: de tocht
+moest onderbroken worden om in het woud nieuwe booten uit te hollen. De
+verraderlijke rivier trok de boot van Pocock op zekeren dag naar een
+waterval, de arme bemerkte het gevaar pas te laat, suisde over den
+waterval omlaag en verdronk.
+
+De laatste blanke, die Stanley zoo ver door Afrika had vergezeld, was
+nu ook heen, en leeg en verlaten stond zijn tent ’s avonds als de maan
+helder en spookachtig op de schuimende watermassa’s neerzag.
+
+Bij een anderen waterval geraakten de kwartiermeester en de timmerman
+met een juist uitgeholden boom aan het drijven. Zij hadden geen
+roeispanen bij zich. „Spring in het water,” riep de kwartiermeester
+zijn makker toe, hij kreeg echter tot antwoord: „Ik waag het niet, ik
+kan niet zwemmen!”
+
+„Vaarwel dan, broeder,” riep de andere, sprong in het water en zwom
+naar het land. De eerste suisde den val af, de boot verdween in de
+schuimende draaikolk, dook weer op, en men kon duidelijk zien, dat de
+man er zich nog aan vastklemde.
+
+Nog eens zoog de draaikolk de boot in en nog eens werd ze boven het
+water zichtbaar met haar last. Toen ze voor den derden keer in de
+diepte werd getrokken en ze weer naar boven kwam, was de man verdwenen!
+
+Eindelijk werd het verder trekken met de booten onmogelijk. Ze moesten
+opgeofferd worden, en de tocht verder over land voortgezet worden. Nu
+was de schaar van Stanley van alles ontbloot, ellendig en uitgehongerd;
+zij hadden ook bijna niets meer om de schatting te betalen, die de
+zwarte stamhoofden voor den doortocht eischten. Eens zeide zulk een
+zwarte koning, dat hij met een flesch cognac tevreden was. Cognac, als
+men drie jaar in Afrika heeft rondgezworven! Daar kwam de
+kwartiermeester naar voren en hoorde wat de zwarte majesteit eischte.
+„Cognac,” riep hij, „daar hebt gij cognac!” En daarbij gaf hij den
+zwarte zulk een muilpeer, dat hij languit neerviel en het geheele hof
+de vlucht nam!
+
+Eindelijk was men nog slechts twee dagreizen van Boma, aan de monding
+van den Congo, verwijderd. Daar waren handelsfactorijen en Europeanen!
+Daarheen schreef Stanley en spoedig kreeg hij alles wat hij voor het
+levensonderhoud noodig had. Toen hij dan eindelijk Boma bereikte, kon
+hij zich en zijn getrouwen eenigen tijd rust gunnen! Daarna ging de
+reis per schip Afrika om, naar Zanzibar, waar Stanley zijn mannen weer
+afleverde.
+
+In zijn vaderland werd hij overal met gejubel ontvangen. Sedert een
+duizendtal jaren waren de Arabieren steeds meer de binnenlanden van
+Afrika ingedrongen, maar den loop van den Congo kenden zij nog niet!
+Vergeefs hadden sinds eeuwen Europeesche vorschers getracht licht in
+deze duisternis te brengen; de inboorlingen wisten niet eens waar ten
+slotte de Loealaba bleef. Stanley had op eens de witte vlek op de kaart
+van Afrika gevuld. Hij had voor de Europeanen de binnenlanden ontsloten
+en was hen als pionier vooruitgegaan. Zelfs de wilden werden
+geïmponeerd door zijn onbuigzamen moed en zijn ijzeren volharding en
+zij noemden hem „Boela Matari” den „Steenbreker.”
+
+Andere vorschers volgden en volgen nog heden de voetstappen van
+Stanley. Nu gaat een spoorlijn langs de Congo-vallen, en op de rivier
+varen verscheiden stoombooten. Stanley zelf was tegenwoordig toen de
+eerste stations werden aangelegd, en zijn naam is sedert dezen
+Congotocht voor altijd met de geschiedenis van Afrika verbonden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+63. DE LAATSTE GOUVERNEUR VAN GORDON.
+
+
+Chartoem was in Januari 1885 gevallen. Gordon dood, Slatin pacha
+gevangen en de opvolger van den zegevierenden Mahdi, Kalifa Abdullahi
+had geheel Soedan te vuur en te zwaard aan zijn heerschappij
+onderworpen. Alleen het zuidelijkst deel van het voormalig Egyptische
+rijk, de Aequator-provincie, die zich Nijlopwaarts tot aan het hart van
+Afrika uitstrekt, had nog steeds hardnekkig weerstand geboden aan den
+stormloop der derwischen.
+
+De gouverneur van deze provincie, een Duitscher, Eduard Schnitzer, Emin
+pacha genaamd, was als vijf-en-twintig jarig arts en natuuronderzoeker
+in Turkschen dienst getreden en had zich na tien veel bewogen
+levensjaren ter beschikking gesteld van den gouverneur van Egyptisch
+Soedan, van Gordon te Chartoem. Gordon had reeds na korten tijd de
+uitnemende hoedanigheid van den Duitschen arts erkend, en hem in Maart
+1878 tot gouverneur van de Aequator-provincie benoemd. In zijn
+uiterlijk meer het oerbeeld van een slechts voor de wetenschap levend
+professor, zooals de geestigheid van het volk hem graag teekent wist
+Emin pacha, door beminnelijke zorg, diplomatieke handigheid en
+onwankelbare kalmte het volle vertrouwen zijner onderdanen te winnen.
+Den slavenhandel wist hij krachtig te beperken, de her- en derwaarts
+gedreven inboorlingen opnieuw aan vaste woonplaatsen te binden en door
+het aanleggen van wegen zijn gebied te ontsluiten voor handel en
+verkeer: de bebouwing zijner provincie nam zoo toe, dat de Egyptische
+regeering, nadat hij vijf jaar het bestuur in handen had gehad,
+aanzienlijke oogsten kon binnenhalen. Naast dit veelzijdig werk aan
+zijn bestuur verbonden, verrijkte Emin op talrijke reizen de
+wetenschappelijke kennis omtrent de binnenlanden van Afrika door
+grondige onderzoekingen en hij zond de resultaten van zijn
+lievelingsstudie, groote botanische en zoölogische verzamelingen, naar
+Europa.
+
+Daar brak de opstand van Soedan uit tegen de Egyptische heerschappij en
+14 April 1883 ging de laatste stoomboot van Lado, de residentie van
+Emin, den Nijl af naar Chartoem.
+
+Hiermede was de gouverneur met zijn manschappen geheel van Egypte en
+Europa afgesneden.
+
+Ondanks dapper verweer, moest hij steeds meer Nijlopwaarts terugtrekken
+voor de uit het Noorden voortdringende horden der Mahdisten; in het
+Zuiden was hij de rijken van zwarte, oorlogzuchtige koningen
+ingedreven, die er slechts op wachtten de hoofden van den blanken pacha
+en zijn Egyptische soldaten als overwinnings-trofeeën rondom hun hutten
+op staken te plaatsen, of met het vleesch der verslagenen hun
+kookpannen te vullen. Vele naburige negerstammen sloten zich bij de
+Mahdisten aan, en het godsdienstig fanatisme wekte oproer en verraad,
+zelfs in Emin’s naaste omgeving. Hoe lang kon de Duitsche geleerde,
+door zijn Egyptische regeering in den steek gelaten, zich op dezen
+verwijderden post met een handjevol soldaten nog staande houden?
+
+Deze vraag hield gedurende de volgende drie jaren de geheele beschaafde
+wereld bezig! Reeds had een Duitsche hulpexpeditie, die onder leiding
+van den Afrika-reiziger, Gustaaf Adolf Fischer, vanaf de westkust voort
+was getrokken, bij het Victoria-Niansa-meer moeten terugkeeren zonder
+iets van Emin pacha te hebben vernomen. Wie zou het nu wagen den
+laatsten der gouverneurs van Gordon, voor hetzelfde lot van den
+verdediger van Chartoem te redden?
+
+Daar richtten eenige ondernemende Engelschen het oog weer op Stanley.
+Indien hij eens Livingstone had gevonden, zoo zou hij ook nu van de
+oost- of de westkust tot Emin pacha doordringen en den gouverneur en
+zijn getrouwen uit de, door Egypte opgegeven, provincie naar Zanzibar
+geleiden.
+
+Stanley was juist op een reis in Amerika om voordrachten te houden,
+toen hij telegrafisch het bericht kreeg, dat het comité dat zich ten
+doel stelde Emin pacha hulp te verleenen in verbinding met de
+Egyptische regeering de noodige middelen voor een expeditie bijeen had
+gebracht.
+
+Tot wanhoop zijner agenten onderbrak hij dadelijk zijn reis en 24
+December 1886 was hij in Londen. Dadelijk begon hij met zijn
+voorbereidingen en wel met zulk een energie, dat hij reeds vier weken
+later naar Egypte kon vertrekken. Den 22sten Februari 1887 was hij
+reeds in Zanzibar, om hier de geschikte troepen te werven en dan per
+schip rondom Zuid-Afrika naar de monding van den Congo te varen. Het
+ongeluk der Duitsche expeditie had bewezen, dat men slechts met een
+klein Europeesch leger, vanaf de Oostkust, den doortocht zou hebben
+kunnen wagen door de stammen van de binnenlanden van Afrika, en de
+gewone neiging der dragers uit Zanzibar, om na verkregen voorschot naar
+hun naburig geboorteland te deserteeren, zou een expeditie vanaf de
+oostkust roekeloos op niets hebben doen uitloopen. Daarom wilde
+Stanley, met behulp van den Congo, Afrika voor den tweeden keer
+doorkruisen en langs dezen weg tot aan het Albert-meer doordringen, in
+de nabijheid waarvan de verdwenen gouverneur, als hij nog leefde, zich
+moest ophouden.
+
+De Congolijn leidde echter door een gebied, dat het machtig Arabisch
+opperhoofd Tipoe Tip als zijn eigendom beschouwde. De sluwe slaven- en
+ivoorhandelaar was, sedert hij Stanley op zijn eerste doorkruising van
+Afrika, in 1876 zoo trouweloos in den steek had gelaten, het spoor van
+den Europeeschen ontdekker gevolgd en de eerste vruchten van dat
+pionierswerk waren hem in den schoot gevallen. Onmetelijke gebieden van
+menschen en olifanten, schenen slechts ontdekt, om zijn rijkdom aan
+slaven en ivoor, met millioenen te doen toenemen! In enkele jaren had
+hij zich opgewerkt tot dwingeland van het Congo-bekken, en aan den
+oever van de rivier vele Arabische nederzettingen gevestigd, van waar
+uit zijn duizenden krijgslieden die aan het woeste leven van den
+Aequator gewoon waren, begeerig naar buit, rondtrokken en door moord,
+roof en verwoesting voor de toekomstige beschaving van het donkere
+werelddeel ontzetting verbreidende herauten werden. Indien Tipoe Tip de
+nieuwe expeditie moeielijkheden in den weg lei, dan zou zij
+onuitvoerbaar zijn, en als de groote voorraad aan ammunitie, die
+Stanley voor Emin pacha meevoerde in handen van het opperhoofd viel,
+dan zou de jonge opbloeiende Congo-staat aan welks vestiging Stanley
+verscheidene jaren van zijn leven had gewijd, bedenkelijk in gevaar
+gebracht worden. Bovendien had Stanley bij de geringe weerstandskracht
+van zijn geleiders uit Zanzibar dragers noodig om tot Emin te kunnen
+komen.
+
+Stanley ontmoette het Arabisch opperhoofd reeds in Zanzibar en deze nam
+op zich, om tegen hooge betaling, zeshonderd dragers te verschaffen
+voor het eind dat van de Stanley-vallen naar het Albert-meer afgelegd
+moest worden. Als belooning voor zijn goeden wil zorgde Stanley er
+voor, dat Tipoe Tip tot gouverneur over de Stanley-vallen werd benoemd,
+met het traktement van een officier; hij moest daarvoor het in 1883
+gevestigd station Stanley-val, dat om zijn roofzuchtige scharen was
+opgegeven, verdedigen tegen zijn eigen lieden en de naburige
+inboorlingen, en den slavenhandel daar onderdrukken. Bovendien kreeg
+Tipoe Tip met zes-en-negentig van zijn metgezellen vrije vaart rondom
+Afrika en den Congo op. Den 25sten Februari 1887 stoomde de geheele
+expeditie, op de stoomboot „Madoera” van Zanzibar uit.
+
+In het gezicht van Kaapstad, waarvan de groei en het bedrijvig leven op
+den Arabier grooten indruk maakte, zeide deze tegen zijn Engelsche
+bondgenooten, dat hij tot nu toe alle blanken voor dwazen had gehouden.
+
+„En wat denkt gij nu van hen?” vroeg Stanley.
+
+„Ik geloof, dat er iets in hen steekt,” antwoordde Tipoe Tip, „en zij
+zijn nog ondernemender dan de Arabieren. Ik heb met mijn vrienden deze
+stad, haar groote schepen en havendammen bekeken, en wij zijn tot de
+overtuiging gekomen, dat alles zooveel beter is dan in Zanzibar, en ik
+heb mij verbaasd, waarom wij het niet even goed kunnen als de blanken.
+Ik begin te gelooven, dat zij heel schrander moeten zijn.”
+
+„Indien gij dat ontdekt hebt, Tipoe Tip, dan zijt gij op den goeden weg
+meer te ontdekken. Jammer dat gij nooit een bezoek aan Engeland hebt
+gebracht. Wees op deze lange reis trouw aan ons, dan zal ik er u heen
+brengen en gij zult meer zien dan gij u kunt voorstellen!”
+
+„Inschallah! Als het de wil van Allah is, zullen wij er samen
+heengaan.”
+
+Indien deze bewonderende stemming van Tipoe Tip bleef, dan zou hij de
+expeditie van onschatbaar veel nut zijn. Maar wie kon peilen, wat voor
+plannen en aanslagen achter het breede voorhoofd van dezen bruinen
+diplomaat schuilden!
+
+
+
+
+
+
+
+
+64. HONDERD ZESTIG DAGEN IN HET OER-WOUD.
+
+
+Den 18den Maart liep de stoomboot „Madoera” de monding van den Congo
+binnen. Maar reeds gedurende het eerste eind van Matadi tot aan
+Stanley-Pool leed de karavaan door desertie en ziekte groote verliezen,
+en bagage, proviand en ammunitie smolten tot bijna op de helft in.
+Daarbij veroorzaakte het verkregen van nieuwe voedingsmiddelen zeer
+onverwachte moeilijkheden, en daarom moesten in geforceerde marschen
+vruchtbare streken bereikt worden. Van Stanley-Pool zou het per schip
+verder gaan, maar de bestuurder van het Zendingsstation was slechts na
+langdurige onderhandeling bereid, zijn schepen aan de expeditie ter
+beschikking te stellen, voor de vaart den Congo op tot aan Jamboeja,
+aan de zijrivier Aroewimi.
+
+Den eersten Mei begon de eentonige vaart. Dag aan dag hetzelfde
+tooneel: boschrijk land, miriaden met bosch bedekte eilanden, en breede
+kanalen met doodsch, stil water, die in den strakken glans der zon op
+stroomen van kwikzilver geleken. Maar de inboorlingen leverden tamelijk
+bereidwillig levensmiddelen en de gezondheid der expeditie bleef in het
+begin uitstekend. Maar in Leopoldville moest reeds een deel der bagage
+achter worden gelaten en in Bolobo bleef zelfs een deel der expeditie
+liggen: honderd en vijf-en-twintig man, die reeds te uitgeput en ziek
+waren. Te Jamboeja, waar de zendingsschepen terugkeerden en ook Tipoe
+Tip zijns weegs ging, moest Stanley weer een keuze onder zijn
+manschappen doen. En daar in het Oosten wachtte Emin pacha hevig door
+de Mahdisten in het nauw gebracht op hulp! Voorwaarts dus, het koste
+wat het wilde! Een voorhoede van gezonden en sterken baant den weg naar
+het Albert-meer; wie niet mede kan, blijft bij de achterhoede onder
+majoor Barttelot in Jamboeja. Hun taak is bagage en manschappen uit
+Leopoldville en Bolobo te halen, en dan ondersteund door de door Tipoe
+Tip beloofde dragers of in het ergste geval alleen, de voetsporen van
+Stanley te volgen om zich na eenige maanden weer met hem te vereenigen.
+
+De achterhoede betrok een bestaande kampplaats te Jamboeja, want het
+verlies der achtergebleven manschappen en hun voor het grootste deel
+voor Emin pacha bestemde bagage, zou een onherstelbaar verlies voor de
+voorhoede wezen; men moest dus voorzichtig zijn tegenover de
+inboorlingen en eveneens tegenover Tipoe Tip, voor het geval deze de
+voorkeur er aan mocht geven, inplaats zijn loon te verdienen, zich de
+schatten der expeditie kortweg toe te eigenen.
+
+Den 28sten Juni begon nu de marsch der voorhoede van drie honderd
+negen-en-tachtig man in de richting van het Albert-meer door een geheel
+onbekend gebied en door vreemde stammen van inboorlingen. Weer nam een
+ontzaglijk oerwoud de karavaan op en gedurende honderd en zestig dagen
+moest zij zich onder ontzaglijke moeite met mes en bijl een pad banen,
+door kreupelhout en struikgewas, zonder in al dien tijd, ook maar een
+stuk grasland, zoo groot als de vloer eener kamer te hebben gezien! De
+marsch ging langs den oever van de Aroewini, en af en toe kwam men in
+de meegebrachte boot of in van de inboorlingen geroofde kano’s op
+einden, die vrij waren van watervallen, sneller vooruit. Maar bijna nog
+gevaarlijker dan de inboorlingen, waren de aanvallen der zwermen
+wespen, wier nesten vastkleefden aan de over het water hangende takken;
+vooral de naakte dragers wisten zich ternauwernood tegen hen te
+verweren. Regen, vereenigd met stormachtige onweersbuien, bemoeilijkten
+den marsch zeer, en meestal moest de karavaan zich tevreden stellen met
+de meest schrale voedingsmiddelen, die zij langs den weg vonden. Want
+de inboorlingen aan de dichtbevolkte oevers gedroegen zich, met enkele
+uitzonderingen, vijandig of verlangden buitensporige prijzen voor een
+paar bananen en maïskolven, want dikwijls leden zij ook zelf honger en
+leefden zij van paddestoelen, wortelen, visschen, slakken of rupsen,
+een menu, dat zij in het gunstigste geval door eenige porties
+menschenvleesch van verslagen vijanden verbeterden.
+
+Daarbij toonden velen van Stanley’s manschappen zich zoo weerbarstig en
+lui, dat zij liever zouden zijn verhongerd, dan met eigen hand de boven
+hun hoofd hangende bananen af te snijden. De mannen uit Zanzibar
+toonden zich zeer onverschillig omtrent het verlies van hun bagage,
+hetgeen noodlottig dreigde te worden voor het lot der geheele karavaan,
+die in het oerwoud als begraven was. Op het water waren zij geheel
+onbruikbaar en aan den oever tegenover de hen omringende gevaren van
+dezelfde stompzinnige onverschilligheid. Ondanks dagelijksche, ja elk
+uur, gegeven waarschuwingen zwierven zij zorgeloos in het bosch rond en
+werden dan dikwijls door de vergiftige pijlen en speren der
+inboorlingen in den rug doorboord. Indien een moedige wilde hen brutaal
+tegemoet trad, dan wierpen zij het liefst het geweer weg om te vluchten
+of zij verhandelden hun wapenen tegen een paar maïskolven; daardoor
+werden de inboorlingen steeds brutaler en weldra moest elke schrede in
+hardnekkig gevecht met de wilden veroverd worden. De veerkracht hunner
+bogen was zoo groot, dat de pijlen op korten afstand een lichaam geheel
+doorboorden, en het gift, waarmede de punten waren bestreken,
+veroorzaakte na voorafgegane krampaanvallen bij de meeste verwondingen,
+onder groote smarten den dood.
+
+Bovendien ontmoette de karavaan nu roofzuchtige Arabieren en deze
+ontmoeting demoraliseerde de troepen van Stanley nog meer dan ziekte en
+honger het tot nu toe hadden gedaan.
+
+De desertie nam toe, proviand, ammunitie en ruilwaren werden bij
+massa’s gestolen en aan de Arabieren verkocht. Vele zieken
+bemoeielijkten den marsch, vooral als de booten op het land getrokken
+en voorbij watervallen gesleept moesten worden. De desertiekoorts stak
+zelfs een der laatste ezels aan, ook hij ging op zekeren dag aan den
+haal.
+
+Intusschen was het nog een geluk voor de geheel uitgeputte en
+ingesmolten karavaan, dat zij den 16den September in de nederzetting
+van het Arabisch opperhoofd Oegarrowa aankwam, een voorpost der
+slavenhandelaars, waar men Stanley vriendelijk ontving. Hij gaf daarom
+zijn zieken aan de Arabieren ter verpleging; zij zouden, tegen
+betaling, zoo lang in de nederzetting van Oegarrowa blijven, totdat de
+achterhoede van majoor Barttelot hen zou bereiken. Door desertie en
+dood had de voorhoede tot nu toe twee-en-zestig man verloren, en het
+hoopje van hen, die zich nu gereed maakten verder te trekken, was zeer
+verminderd.
+
+De aanwezigheid der slaven- en ivoorjagers had bovendien de
+inboorlingen in het rond verdreven. Zij hielden zich verborgen in
+ontoegankelijke kreupelbosschen en levensmiddelen waren maar zelden te
+krijgen. De woeste strooming der rivier maakte het onmogelijk de
+vaartuigen te gebruiken en spoedig waren de dragers zoo verzwakt, dat
+zij nog slechts op handen en voeten kropen. Weer moest een troep zieken
+en uitgeputten achtergelaten worden, en niettegenstaande de
+buitengewone volharding van Stanley begon deze nu te twijfelen aan de
+redding der expeditie! Evenals de wilden leefde men van woudbananen,
+kevers, rupsen, slakken en witte mieren, en een ezel werd zoo grondig
+verorberd door de half uitgehongerden dat niets dan het vergoten bloed
+en de haren overbleven. Op de rustplaatsen zaten de lieden dof voor
+zich heen te staren of spraken met elkaar over het bange voorgevoel dat
+zij omtrent het hun te wachten lot hadden.
+
+„Weet gij dat die en die dood is; dat die verloren is en een derde
+misschien vannacht te gronde gaat? De overigen zullen morgen omkomen.”
+En na het gesprek riep de trompet weer allen op hun post om verder te
+marcheeren en verder te strijden.
+
+Daar stiet men eindelijk den 18den October weer op de
+herkenningsteekenen der Arabieren en vond in hun nederzetting Ipoto
+opname en redding. Maar deze vriendelijkheid der Arabieren was
+gevaarlijker, dan wanneer zij de expeditie met de wapenen in de hand
+tegemoet waren getreden.
+
+Tegen levensmiddelen verkochten de mannen uit Zanzibar, wapenen en
+bagage en vanaf Stanley tot aan den laatsten drager waren allen op het
+punt weerloos in de handen der Arabieren te vallen! Toch bleef er niets
+anders over dan om ook hier weer de zieken achter te laten, om nog maar
+voorwaarts te komen.
+
+Den 27sten October ging de marsch verder naar het Oosten. Het oerwoud
+werd steeds meer onbegaanbaar. Het vreeselijkste waren de open plekken,
+die gedeeltelijk door den storm waren veroorzaakt, gedeeltelijk door de
+inboorlingen ter beschutting hunner dorpen waren gemaakt. In
+schrikkelijke verwarring lagen stammen en boomen, de een op den ander;
+verhieven zich de takken tot den eenen heuvel boven den anderen. In
+deze woestenij van bosch groeiden in den grootsten overvloed bananen,
+wilde druiven, palmen, rotangs en vele woekerplanten, en door dit alles
+moesten de manschappen dringen, over neergevallen stammen balanceeren,
+dan weer op den grond door een warnet van takken kruipen en door
+moerassen en greppels voorttuimelen. En vooral dreigden, onder bladeren
+verborgen, vergiftige houtsplinters, die de sluwe inboorlingen tot
+verweer tegen de vreemdelingen rechtop in den grond plachten te steken!
+Elken avond pakten zich wolken samen, en hoorde men het rollen van den
+donder van alle kanten weerkaatsen in het woud; de bliksemstralen
+flikkerden hier en ginds, braken dagelijks de kronen der boomen en
+spleten een woud-patriarch van den top tot den wortel, en de regen viel
+in stroomen neer. Maar gedurende den marsch was de Voorzienigheid weer
+genadig, de zon scheen en wierp haar zacht licht in millioenen stralen
+door de takken en wekte de gedrukte stemming der reizigers op,
+veranderde de stammen der boomen in marmeren pilaren en den dauw en
+regendroppels in fonkelende brillanten, vroolijkte de onzichtbare
+vogels op, zoodat zij hun lied deden klinken, wekte de zwermen van
+papegaaien tot vroolijk geschreeuw en gefluit, en de groote troepen
+apen tot uitgelaten grappen, terwijl hier en daar een diep gebrul in de
+verte verkondigde dat een soko- of chimpanseefamilie zich in hun
+schuilhoek met de een of andere wilde sport vermaakte.
+
+Een troep Arabieren diende op dezen marsch tot gidsen en de brutale
+overmoed, tegenover de vreemdelingen, die zij reeds geheel in hun macht
+zagen, werd voor de manschappen een onverdraaglijke marteling. Maar
+zwak als zij waren, aan wandelende geraamten gelijk, moesten zij zich
+alles laten welgevallen, totdat zij eindelijk Ibwiri bereikten, waar
+zij zich weer aan een overvloed van levensmiddelen konden versterken.
+Alsof zij met een tooverstaf werden aangeraakt, werkte hier op de
+karavanen het bericht, dat de gevangenschap in het oerwoud op haar
+einde liep en het grasland in het Oosten nog maar enkele dagreizen was
+verwijderd. In Ibwiri wachtte Stanley, totdat zij, die in de laatste
+kampplaatsen waren achtergebleven, zich met hem vereenigden, en toen de
+voorhoede weer honderd vijf-en-zeventig man telde, zette hij den 24sten
+November met nieuwen moed en frissche kracht den tocht voort.
+
+
+
+
+
+
+
+
+65. OP ZOEK NAAR EMIN PACHA.
+
+
+Den 4den December betrad Stanley met zijn kameraden, na honderd en
+zestig dagen, voor het eerst weer de open vlakte, en de uitgestrekte
+landerijen van Aequatoria lagen voor de oogen van de jubelende
+manschappen, voor wie het een ontspanning was, eindelijk weer eens in
+looppas te kunnen voortgaan. Achter de blauwe bergen aan den horizon,
+moest het Albert-meer liggen, het vurig verlangde doel der expeditie,
+waar Stanley den verdwenen gouverneur hoopte te vinden!
+
+Nieuwe moeielijkheden! Ontzaglijke velden en aanplantingen lagen voor
+hem, en het eene dorp volgde op het andere; maar de inboorlingen
+drongen rondom de karavaan in benauwende massa’s: van een
+vriendschappelijke overeenkomst wilden zij niets weten en dag noch
+nacht kon men het geweer uit de hand leggen. Dikwijls waren de wilden
+door strijdlustige honden vergezeld, en wie zich alleen van de karavaan
+verwijderde, was reddeloos ten doode opgeschreven.
+
+Bij elke hindernis in den weg, bij elken overgang over de rivier lagen
+de wilden in hinderlaag, en als Stanley, hun eigendom sparend, voorbij
+trok, zagen zij dat voor lafheid aan en werden zij nog brutaler. Het
+krijgsgehuil weerklonk onophoudelijk, elk vooruitspringend gedeelte van
+een berg, elke heuvel was zwart van de menschen, en op de vlakten
+krioelden zij dooreen als mieren. En al deze gevechten en deze
+slachtoffers slechts door een misverstand! De inboorlingen zagen de
+vreemdelingen aan voor bondgenooten van den zwarten koning Kabba-Rega,
+die hun gebied schatting liet betalen en Emin pacha ook bedreigde.
+
+Onder onophoudelijke gevechten naderde men eindelijk het Albert-meer en
+op zekeren dag rustten aller oogen op een grauwe wolk beneden in het
+dal. Wat is dat? De nevel trok gaandeweg op, en de glinsterende vlakte
+van het meer lag voor hen! Door geestdriftig gejubel, werd den 13den
+December 1887 de ontdekking gevierd.
+
+Maar wat nu? De voorhoede bezat geen vaartuig, want de booten had men
+in Ipoto moeten achterlaten. Op de rotsige hellingen van de het meer
+omgevende bergen, groeiden noch bananen noch eenige boom, die voor den
+bouw van kano’s gebruikt konden worden. Nergens was een aanplanting te
+zien, de bewoners der oevers leefden van vischvangst en van de
+bereiding van zout. Indien Emin pacha nu zelf niet met zijn stoomboot
+en levensmiddelen hen tegemoet kwam, dan was de karavaan hier vlak bij
+het doel prijsgegeven aan den hongerdood. Maar hoe ijverig Stanley zijn
+tolken ook liet navragen en hoe onvermoeid hij elk punt van den oever
+met zijn verrekijker ook afzocht—geen spoor van den gouverneur en zijn
+manschappen! Zou nu de geheele zending met al haar offers aan bloed en
+leven toch vergeefs zijn geweest?
+
+Wat bleef er anders over dan intusschen naar Ibwiri terug te keeren!
+Den 16den December begon de terugtocht, en den 8sten Januari 1888, werd
+Ibwiri weer bereikt. Hier bouwde Stanley eerst het fort Bodo, bezette
+het sterk en zond een afdeeling uit, om de verschillende achterblijvers
+uit de Arabische nederzettingen te halen. Rondom het fort liet hij het
+bosch ontginnen en maïs en boonen zaaien, opdat de later hier
+achterblijvende bezetting eenige levensmiddelen zou hebben. Wel
+verwoestten de inboorlingen de nieuwe aanplantingen dikwijls en het
+fort geleek meer op een belegerde vesting.
+
+Daarbij overvielen gansche legers van mieren en ander ongedierte, de
+hutten en tenten, en het wemelde er van giftige slangen.
+
+Den 8sten Februari kwamen de achterblijvers uit Ipoto gelukkig met de
+boot aan. Zij hadden in de legerplaats der Arabieren ontzettend
+geleden! De slavenhandelaars hadden hen slechts dan spaarzaam van
+voedingsmiddelen voorzien, als zij in de aanplantingen werkten, en de
+zwakken en zieken hadden zij eenvoudig laten verhongeren. Door diefstal
+en geweld hadden de roovers een deel der wapenen van de expeditie in
+hun bezit gekregen. Wat was onder deze omstandigheden het lot der
+achterhoede en van majoor Barttelot geweest? Niemand had een spoor van
+haar gezien. Zeer verontrust zond nu Stanley een troep vrijwilligers de
+Aroewimi weer af, om de verdwenenen op te zoeken. Maar terwijl hij op
+hun terugkomst wachtte, kreeg hij zelf koorts en lag drie-en-twintig
+dagen onder den invloed van morphine, bijna voortdurend bewusteloos!
+
+Intusschen schoot op de bebouwde akkers de jonge maïs op, en was weldra
+zoo hoog als het kreupelhout in het woud; fort Bodo beloofde een rijke
+graanschuur voor de bezetting en de geheele karavaan te worden. Stanley
+herstelde weer, maar niets bevrijdde hem van de kwellende zorgen over
+zijn manschappen. De weken gingen voorbij. Geen spoor van de
+achterhoede! Geen bericht van de verkenners! Allen schenen reddeloos
+begraven te zijn onder de altijd groene golven van het oerwoud! En aan
+het Albert-meer wachtte Emin pacha in wanhopig verzet op hulp en
+redding!
+
+Zoodra Stanley zich weer krachtig voelde begon den 2den April 1888 de
+tweede marsch naar het Albert-meer. Nog eens door de legioenen van
+zwarte krijgslieden Emin pacha tegemoet! Maar dezen keer werden zij
+niet ontvangen door het krijgsgeschreeuw der inboorlingen. De
+machtigste opperhoofden kwamen nu de karavaan als bondgenooten
+tegemoet. Twee maanden na Stanley’s terugkeer van het Albert-meer was
+een hen bevriend blanke Mallejoe genaamd of de „Gebaarde” in een groote
+ijzeren kano op het meer verschenen! „In het midden stond een groote,
+zwarte boom, waaruit rook en vonken vuur kwamen,” vertelden het
+opperhoofd Masamboni en zijn krijgslieden. „En er waren veel vreemde
+lieden aan boord en er liepen geiten heen en weer als op de markt in
+een dorp en kippen in met staven gesloten kisten en wij hoorden de
+hanen even vroolijk kraaien als tusschen onze gierstvelden. Mallejoe
+vroeg met diepe, diepe stem naar u, zijn broeder. Daarna voer hij weer
+weg met zijn groote, ijzeren kano, die zooveel rook in de lucht deed
+gaan, alsof ze in brand stond. Twijfel er niet aan, heer, u zult hem
+spoedig vinden.”
+
+Dat waren de eerste berichten, die Stanley van Emin pacha kreeg. Van de
+vele berichten, die Stanley reeds uit Zanzibar, langs de meest
+verschillende wegen, naar den gouverneur had gezonden, had er hem dus
+niet één bereikt. Maar de opperhoofden der inboorlingen zonden hem nu
+hun hardloopers na, en binnen enkele dagen moest Emin pacha er van op
+de hoogte zijn, dat de expeditie er was. Intusschen marcheerde Stanley
+naar Kavalli, overal begroet en aangeroepen door de vriendelijke
+inboorlingen, die nog enkele maanden geleden de vreemdelingen beschimpt
+en niet weinigen gedood hadden. Nu trok een voorhoede van honderd
+vijftig inboorlingen vooruit en vrijwillige, zwarte dragers namen de
+lasten der karavaan over.
+
+Wel was de plechtig gesloten vrede van de inboorlingen een welkome
+gelegenheid zich te verrijken met de geschenken der vreemdelingen en
+zelfs de opperhoofden werden vaak onbeschaamde bedelaars. Maar zij
+moesten in goede stemming worden gehouden en Stanley was daarom niet
+spaarzaam met de producten der Europeesche beschaving, die meegenomen
+waren om de nieuwsgierigheid der wilden gaande te maken en hen er mee
+te vermaken. Een handspiegel wekte onder de zwarten eerst de grootste
+verwondering en vrees. Toen zij hun eigen gelaat weerspiegeld zagen,
+geloofden zij dat een vijandelijke stam uit de aarde tegen hen optrok
+en zij liepen in den grootsten schrik weg.
+
+Daarna kwamen zij op de teenen terug en lieten nog eens het vreemde
+visioen over zich heen gaan. „De gezichten zien er als die van ons
+uit!” fluisterden zij tegen elkaar, en nu legde Stanley hun uit, dat
+hetgeen zij zagen niets anders was dan het spiegelbeeld van hun eigen
+buitengewoon innemende trekken, bij welk compliment het opperhoofd,
+Mpinga van trots gloeide. En nu overwon de persoonlijke ijdelheid in
+enkele oogenblikken de aanvankelijke vrees. Zijn geleiders drongen zich
+om hem heen, en allen sloegen met onuitputtelijk genoegen gade hoe waar
+de spiegel de kenteekenen van elk gelaat weergaf. „Zie eens het
+litteeken, het is precies zoo; maar zie toch je breeden neus, Mpinga.
+O, dat is heel precies. Ja, en zie de groote veer, die wuift werkelijk!
+Het is te vreemd! Waar kan het van zijn gemaakt? Het ziet eruit als
+water, is toch niet vloeibaar; en op den rug ziet het zwart. Ah, wij
+hebben vandaag een ding gezien, dat onze voorvaderen nooit zagen!”
+
+In Kavalli kreeg Stanley eindelijk een brief van Emin, die hem echter
+tot zijn verbazing beval te blijven waar hij was, totdat de gouverneur
+met zijn manschappen bij hem zou komen. Den 29sten April kwam eindelijk
+de stoomboot van Emin, op het Albert-meer, in het zicht. Stanley zond
+hem boden tegemoet, en onder algemeen gejubel en talrijke
+begroetingssalvo’s, naderde de verdwenen gouverneur met zijn geleide in
+het duistere avonduur, de legerplaats. Maar laat ons nu Stanley zelf
+laten vertellen:
+
+„Ik schudde alle aangekomenen de hand en vroeg, wie Emin pacha was.
+Toen wekte een wat kleine, tengere gestalte mijn opmerkzaamheid door de
+in ’t uitnemend Engelsch gesproken woorden:
+
+„Ik ben u veel dank verschuldigd, mijnheer Stanley en ik weet werkelijk
+niet hoe ik dien zal uiten.”
+
+„Ah, u zijt Emin pacha! spreek over geen dank, maar kom binnen en neemt
+u plaats. Het is hier buiten zoo donker, dat wij elkaar niet kunnen
+zien.”
+
+„Wij zaten aan den ingang der tent, een waskaars verlichtte die. Ik had
+volgens de beschrijving van verschillende reizigers een groote, magere
+gestalte van militair voorkomen verwacht, in afgedragen Egyptische
+uniform, maar zag in de plaats daarvan een kleine, tengere gestalte met
+een goed onderhouden fez en in een helder, goed gestreken en uitnemend
+zittend pak uit katoenen dril. Een donkere, met grijs doorweven baard,
+omlijstte het gelaat dat een Hongaarsch type had ofschoon een bril het
+een ietwat Italiaansche of Spaansche uitdrukking gaf.
+
+„Het gelaat vertoonde geen spoor van ziekte of zorg, integendeel,
+slechts gezondheid en kalme gemoedsrust waren er op te lezen. Korte
+mededeelingen over onze lotgevallen, de gebeurtenissen in Europa; de
+voorvallen uit de streken om den aequator, alsmede persoonlijke
+lotgevallen, namen nagenoeg twee uren in beslag; daarna werden, om het
+gelukkige wederzien te vieren, vijf halve flesschen champagne ontkurkt,
+en op de voortdurende gezondheid van Emin pacha en zijn metgezellen
+geledigd! Daarop brachten wij het gezelschap naar de boot, die hen naar
+het stoomschip terug bracht.”
+
+De rollen der beide groepen waren dus juist omgekeerd! Naast het
+welverzorgde militaire geleide van den pacha, scheen de karavaan van
+Stanley een erbarmelijk armoedige bende, die veel eerder hulp noodig
+scheen te hebben dan de gouverneur, ter wiens redding zoo vele
+kameraden het leven gelaten hadden!
+
+In de positie van Emin pacha was namelijk weer een gunstige wending
+gekomen, daar het scheen alsof zijn gebied niet meer onmiddellijk
+bedreigd werd. Daarom was hij ook nog volstrekt niet besloten om zich
+door Stanley te laten redden. Het viel hem zwaar om plotseling zijn
+levenstaak niet verder voort te zetten, en ook zijn troepen dachten er
+niet aan hun vaderland op te geven; en aan den anderen kant kon hij het
+niet over zijn hart verkrijgen om zijn mannen in den steek te laten.
+Het werd ook spoedig duidelijk, dat hij van zijn soldaten en hun
+inlandsche officieren afhankelijker was dan wel voor een gouverneur,
+met de macht van onder-koning bekleed, paste; hij verklaarde dan ook
+dat hij zijn besluit afhankelijk zou maken van den wensch zijner
+manschappen. Hij moest derhalve eerst naar zijn residentie Wadelai
+terugkeeren; en zelfs indien in het gunstigste geval de Egyptische
+troepen zich bereid verklaarden om zich by Stanley aan te sluiten, dan
+zouden er toch nog weken en maanden moeten verloopen, voordat zij ter
+plaatse waren.
+
+Ook Stanley zelf had een tijd van rust noodig. Hij kon zijn uitgeputte
+manschappen niet dadelijk blootstellen aan het onzekere lot, dat hen
+wachtte op de onbekende wegen naar de oostkust; maar bovenal moest de
+achterhoede, waarvan hij nog niet het geringste levensteeken had
+ontvangen, gered worden.
+
+Stanley betrok derhalve in Nsabe een versterkt kamp, liet een zijner
+officieren, Jephson, met verscheidene manschappen by Emin achter, en
+begon den 24sten Mei zijn verschrikkelijken marsch teneinde de
+achterhoede te ontzetten!
+
+
+
+
+
+
+
+
+66. HET LOT VAN DE ACHTERHOEDE.
+
+
+Ten tweeden male het donkere oerwoud in! Den 8sten Juni was Stanley
+reeds weder in het fort Bodo, waar hij alles in den besten toestand
+aantrof. De gewassen waren uitstekend opgekomen, de oogst was
+binnengehaald, en er was opnieuw gezaaid. De bevelhebber van het
+garnizoen, luitenant Stairs, had de invaliden uit het kamp van
+Oegarrowa gehaald, maar tengevolge van de schandelijke behandeling der
+Arabieren, waren er van de zes-en-vijftig man slechts veertien levend
+in het fort Bodo aangekomen!
+
+Den 16den Juni begon de opmarsen naar Jamboeja, en weerklonk dagelijks
+de waarschuwende roep der gidsen: „Roode mieren onderweg! Pas op, een
+boomstronk, o! splinters! Een kuil, rechts! Pas op, links! Pas op,
+doornen! Een wortel! Roode mieren in aantocht! Pas op de roode mieren!
+Een boomstam! Splinters daaronder!”
+
+Zoo ging het verder, van het eene kamp naar het andere. Toen Stanley
+den 21sten Juni te Ipoto aankwam, waren de Arabieren aldaar niet weinig
+geschrokken, daar ze bang waren voor een wraakoefening wegens de wijze
+waarop ze zijn invaliden behandeld hadden. Maar Stanley hield zich in,
+want eerst moest de achterhoede gered worden, en hij mocht het fort
+Bodo met zijn bezetting van zestig man niet blootstellen aan een
+overrompeling door Arabische roovers. Derhalve vergenoegde hij er zich
+mee, een deel der geroofde wapenen te doen uitleveren, en trok toen
+verder de Aroewini stroomafwaarts.
+
+De lastdragers die hem door Emin medegegeven waren, hadden het meeste
+van de vermoeienissen der dagmarschen te lijden; bij een heftigen
+stortregen, vielen er plotseling drie dood neer, alsof ze door een
+kogel getroffen waren, en dagelijks waren er meerderen die ditzelfde
+lot deelden.
+
+Den 13den Juli bereikte Stanley het kamp van Oegarrowa. Maar de plek
+was als uitgestorven, alle bewoners waren stroomafwaarts getrokken. Met
+behulp van talrijke kano’s, die men den inboorlingen ontnam,
+achterhaalde men echter de mannen van Oegarrowa, en hier, in het kamp
+der Arabieren trof Stanley eindelijk de vrijwilligers aan, die hij de
+achterhoede tegemoet gezonden had. Van de twintig man waren er vier
+gesneuveld, en van de overige zestien man was er slechts één enkele
+zonder schot- of speerwond afgekomen! Ze hadden voor de vijandelijke
+inboorlingen moeten wijken, en zich onder bescherming der Arabieren
+moeten stellen. Ook de afgezanten die Oegarrowa in opdracht van Stanley
+naar Jamboeja gezonden had, waren niet in staat geweest, zich door de
+vijandelijke benden heen een weg te banen. Het lot der achterhoede was
+dus nog geheel in het duister gehuld. Daar moest wel iets
+verschrikkelijks gebeurd zijn!
+
+Den 12den Augustus werd de marsch voortgezet. De bezwaren, die de weg
+opleverde, bleven dezelfde, alleen werd de karavaan niet meer door de
+inboorlingen lastig gevallen. De dicht bewoonde streken, waardoor men
+zich bij den opmarsch met moeite een weg had moeten banen, waren thans
+verlaten; de inboorlingen waren verdwenen, hun groote dorpen waren te
+deele verwoest De slaven- en ivoorhandelaars hadden hier weer eens
+duchtig huisgehouden!
+
+Zoo brak de 17de Augustus aan. Na de opeenvolgende tooneelen van
+verwoesting en verlatenheid aan beide oevers, vertoonde zich in den
+lichten morgennevel een nog gespaard gebleven dorp, en toen men
+naderbij gekomen was, werd een versterkte omheining zichtbaar. Witte
+gewaden kwamen in ’t zicht, en in den morgenwind wapperde een roode
+vaan met de halve maan. Weer een kamp der Arabieren! Hier was misschien
+de achterhoede! „De majoor, jongens! Aan de riemen!” riep Stanley zijn
+mannen toe, en onder luid hoera-geroep vloog de kano met razende
+snelheid voort.
+
+Een eind voor het dorp hield Stanley stil, en daar hij aan land een
+troep vreemde menschen zag, riep hij:
+
+„Tot wien behooren jullie?”
+
+„We behooren tot Stanley’s mannen,” klonk het antwoord.
+
+In enkele oogenblikken was Stanley aan land, en voor hem stond, als
+eenige Europeaan, de arts Bonny.
+
+„Wel Bonny, hoe gaat ’t? Waar is de majoor? Soms ziek?”
+
+„De majoor is dood!”
+
+„Dood? Goede God! Hoe is hij gestorven? Aan koorts?”
+
+„Neen, hij is doodgeschoten!”
+
+„Door wie?”
+
+„Door de Manjema, de mannen van Tipoe Tip!”
+
+„Genadige hemel! En waar is de plaatsvervangende officier?”
+
+„Aan de Stanley-vallen!”
+
+„Om Godswil! Wat doet hij daar?”
+
+„Hij is daarheen gegaan om meer dragers te krijgen.”
+
+„En waar zijn de andere officieren?”
+
+„De eene is in Bangala, en de andere is al sedert lang ziek naar huis
+teruggekeerd!”
+
+Bij stukjes en beetjes vernam nu Stanley het lot van de achterhoede.
+Majoor Barttelot had de instructies van Stanley niet opgevolgd, die hem
+uitdrukkelijk gelast had, om slechts een tijdlang op de door Tipoe Tip
+beloofde dragers te wachten; maar om dan, wanneer de Arabier zijn woord
+niet zou houden, met al de bagage in kleine dagmarschen op te rukken,
+om in elk geval dichter by Stanley te komen. Tipoe Tip had, zooals
+Stanley wel voorzien had, zijn woord niet gehouden, en majoor Barttelot
+had zich door de beloften van den sluwen Arabier volkomen om den tuin
+laten leiden!
+
+Deze had spoedig de benarde positie van den majoor bemerkt, en het was
+zijn streven geweest om zich zijn hulp zoo duur mogelijk te laten
+betalen. De rooftochten van zijn benden hadden de oevers van de
+Aroewini verwoest en ontvolkt, en de achterhoede was nu voor de
+proviandeering op de milddadigheid der Arabieren aangewezen. Dit was ’t
+juist wat Tipoe Tip beoogde: op deze wijze kreeg hij voortdurend meer
+van de kostbare bagage van Stanley in handen. Hoewel er geen
+schermutselingen hadden plaats gehad, was de munitie-voorraad reeds tot
+op de helft ingekrompen, de helft van het buskruit en meer dan twee
+derden der kogels waren verdwenen; de slaghoedjes had men aan Tipoe Tip
+moeten verkoopen!
+
+Maar, nog erger! Tengevolge van ongunstige berichten omtrent het lot
+van Stanley had Barttelot een groot deel der bagage naar Bangala
+teruggezonden, zoodat Stanley thans aan alles gebrek had, en voor
+zichzelf uit een stuk doek der tent, een soort van kousen moest maken!
+Alsof dit alles nog niet voldoende was, had Barttelot ook een deel van
+de Europeesche proviand, en bijna alle geneesmiddelen teruggezonden, en
+dat nog wel terwijl zijn mannen van honger omkwamen, en het kamp meer
+zieken dan gezonden bevatte! Van de 271 man sterke achterhoede waren er
+nog slechts 101 in leven, en van dezen was nog de helft door honger en
+ontbering ten doode opgeschreven. Kortom, de aanvoerder was bij al den
+tegenspoed volkomen zijn hoofd kwijtgeraakt. En toen eindelijk, tien
+maanden later dan afgesproken was, Tipoe Tip met een deel der beloofde
+dragers aankwam, waren deze zoo onbruikbaar, dat de majoor zijn
+zelfbeheersching volkomen kwijt raakte. Bij een twist, die hierover
+ontstond, had een der Arabieren hem eenvoudig neergeschoten.
+
+Zelfs de ijzeren energie van iemand als Stanley moest wel door het
+verhaal van dezen rampspoed gebroken worden. De halve expeditie
+vernietigd door de roekeloosheid van den aanvoerder! Niets dan moord en
+dood, ziekte en zorg, kommer en gebrek. Welk een welkom voor deze
+kleine heldenschaar! Dagen lang was Stanley als ’t ware versteend bij
+den aanblik van al deze ellende.
+
+Toen hij echter weer eenigszins tot zichzelve gekomen was, zorgde hij
+er eerst voor, dat velen van de achterhoede die zichzelf met slecht
+toebereide maniok vergiftigd hadden, weer op krachten kwamen; toen dit
+het geval was, werd den 1sten September de terugmarsch ondernomen.
+
+Alzoo ten derden male door de verschrikkingen van het oerwoud! En dat
+met een karavaan waarin op één gezonde drie zieken voorkwamen. De
+vreeselijkste ervaringen hadden de mannen nog niet verstandiger
+gemaakt, en noch de vergiftigde pijlen noch de vlijmscherpe speren der
+inboorlingen hielden de mannen er van af om zich van den troep af te
+scheiden, en alleen op buit uit te gaan. Daarbij dag aan dag regen, die
+de bezwaren van den tocht nagenoeg onoverkomelijk maakte! Meer dan eens
+dreigde de hongerdood een einde aan de geheele expeditie te zullen
+maken.
+
+Den 15den December, in een kamp nabij het punt waar de Ihoeroe en de
+Doei samenstroomen, wanhoopte zelfs Stanley er aan, den volgenden dag
+nog te zullen beleven.
+
+De uitgezonden fourageerders waren sedert dagen verdwenen; of
+verzorgden zichzelf misschien in weelderige bananenaanplantingen,
+zonder aan hun kameraden te denken. Van hen die in het kamp waren
+achtergebleven, waren slechts weinigen in staat om in het woud bessen
+of paddestoelen te zoeken. Wie nog gaan kon, volgde den aanvoerder om
+de vermisten te zoeken. Het werd nacht, wellicht de laatste nacht, dien
+ze zouden beleven! De sterren waren niet te zien, er brandde geen vuur,
+want er was toch niets om te koken. Diepe stilte heerschte
+rondom—slechts nu en dan een vertwijfeld steunen.
+
+„Uit de pikzwarte duisternis,” zoo lezen we in Stanley’s dagboek
+„doemden vage gestalten op, die het koortsgebied bevolken, er waart
+door de lucht een gefluister van graven en eenige vergetelheid, een
+demon fluistert de verhitte verbeelding in, dat het beter is te rusten,
+dan met een gebroken hart te denken, en de wind in de toppen der boomen
+van het duistere woud schijnt te zuchten en te steunen: verloren!
+verloren! verloren! Vergeefs zijn uw arbeid en uw kommer! De eene
+noodlotsdag na den anderen; stuk voor stuk zullen uw mannen den dood
+ten prooi vallen, en dan zult ge alleen zijn!”
+
+„Allah ho Akbar” weerklonk plotseling de roep van een man in het
+duister. „God is groot”—een Muzelman herinnerde de Christenen er aan
+hunnen God te gedenken!
+
+Tegen den morgen sluimerde Stanley in, maar toen de dag nog nauwelijks
+aangebroken was en het spookachtig licht zijn doodstille makkers deed
+zien, sprong hij weer op. „Vooruit, jongens naar de bananen! Met Gods
+hulp zullen we vandaag nog bananen hebben!” Allen stonden met
+inspanning van hun laatste krachten op, en struikelend van zwakte
+gingen ze in het grauwe morgenlicht achter elkaar aan.
+
+Hoor! Was dat niet als het gerommel van stemmen in de verte? Neen, ’t
+was reeds nabij! En komt daar niet als gedragen door de hand van een
+schim een bundel groene bananen uit het struikgewas te voorschijn? Daar
+zijn de fourageerders met schatten beladen! En op hetzelfde oogenblik
+vergaten allen hun ellende, en jubelend stijgt hun dank ten hemel: „God
+zij gedankt!” Snel werden vuren aangestoken, waarop de bananen
+geroosterd werden, en toen men weer voldoende krachten had opgedaan om
+zich op weg te begeven, gingen ze naar het kamp terug, om ook daar aan
+de halfdooden weer nieuw leven te schenken.
+
+Dit verschrikkelijkste avontuur van de geheele expeditie vond plaats op
+een afstand van weinige dagreizen van het fort Bodo, waar Stanley op
+den 20sten December aankwam. In het geheel had de marsch van Banalja
+naar het fort honderd en zes menschenlevens gekost!
+
+„In het fort Bodo alles wel!” Dit gelukkige bericht had tegelijkertijd
+iets verbluffends voor Stanley. Immers, hij had er in ’t geheel niet op
+gerekend de bezetting nog in het fort aan te zullen treffen.
+
+Emin pacha en Jephson hadden, zoo luidde de stellige afspraak, een
+expeditie tot ontzet zullen vormen! Maar er was van beiden niet het
+geringste bericht tot hier doorgedrongen. Had dan alles samengespannen
+om het doel dezer expeditie onmogelijk te maken? Er moest in het gebied
+van den gouverneur wel iets zeer bijzonders hebben plaats gegrepen,
+wanneer zelfs Stanley’s eigen officieren de strikste bevelen om het
+fort te ontzetten niet hadden kunnen nakomen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN.
+
+
+Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner
+achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de provincie Aequatoria
+ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over
+zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den
+18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door
+Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische
+regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land
+te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel
+strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische
+officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond,
+dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet
+waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier
+was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den
+gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit
+het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze
+leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de
+bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam,
+werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet,
+ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen
+verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit
+duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn
+rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley
+hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze
+waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie
+en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen.
+
+Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en
+spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur
+om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven.
+
+Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de
+bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht.
+
+Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de
+soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur
+gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze
+jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats
+van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!”
+
+De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de
+overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze
+weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd
+teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van
+Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun
+vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht,
+maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met
+gejubel ontvangen.
+
+Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen
+verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen
+viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch
+prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar
+Toengoeroe terug.
+
+In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk
+weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het
+zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten
+Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij
+hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan.
+
+Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch
+zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de
+munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley
+uit den weg te ruimen.
+
+Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar
+het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de
+verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst
+inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken
+afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te
+vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou
+zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur
+zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage
+mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met
+recht weerspannig werden.
+
+Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf
+voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de
+redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten
+gebruiken voor hun molensteenen om maïs te malen, en hun groote vaten
+voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen.
+
+Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden
+volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij
+zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin
+pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke
+studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich
+bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten,
+vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel
+wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te
+lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten
+voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het
+kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en
+werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd.
+
+Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van
+Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen
+waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat
+overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen
+gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens
+allen getrouw, ze deserteerden bij troepen.
+
+Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den
+April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de
+marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei
+kon men verder trekken.
+
+De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste
+sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888
+als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den
+hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet
+men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een
+misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had
+Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de
+geheele karavaan aan koorts leed!
+
+Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die
+zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van
+vijf maanden kwam een expeditie den 4den December te Bagamoyo tegenover
+Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris
+van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een
+feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven
+werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een
+ongeluk, daar hij uit een raam viel!
+
+Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche
+rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn
+bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën
+in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en
+volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En
+thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het
+binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den
+23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der
+wereldgeschiedenis.
+
+Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was,
+keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons.
+
+Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we
+ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit
+over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om
+tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo:
+„tot weerziens!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ 1. Naar het land van de Middernachtzon 3
+ 2. Aan de Noordkaap 7
+ 3. De Pooltocht van Franklin 11
+ 4. De dood van den Admiraal 14
+ 5. In nacht en ijs 19
+ 6. De tocht naar de Doodenbaai 23
+ 7. Het bericht der Eskimo’s 27
+ 8. Aan de Oostkust van Groenland 30
+ 9. Door ijsberen aangevallen 36
+ 10. Tweehonderd dagen op een ijsschots 40
+ 11. Een Gordon-Bennettvaart naar de Noordpool 48
+ 12. De ondergang der „Jeannette” 51
+ 13. Door de ijswoestijn 57
+ 14. De doodenmarsch van De Long 60
+ 15. Fridtjof Nansen 68
+ 16. Op sneeuwschoenen en met hondensleden naar
+ de Noordpool 72
+ 17. Een overwintering 76
+ 18. Een avontuur in de Kajak 80
+ 19. Nansen’s gelukkige terugkeer 82
+ 20. Per luchtballon naar de Noordpool 84
+ 21. Voor de opstijging 88
+ 22. „Alles klaar!” 91
+ 23. Het lot van Andrée 94
+ 24. In Hamburg bij Hagenbeck 98
+ 25. In het gewoel der wereldstad 102
+ 26. Tocht op de Theems 106
+ 27. Twee dagen in het Britsch museum 108
+ 28. In Londen’s armenwijk 110
+ 29. Van Londen naar Parijs 113
+ 30. Een wandeling door de Seinestad 115
+ 31. Het graf van Napoleon 118
+ 32. Aan den oever van het Meer van Genève 124
+ 33. De lagunenstad 127
+ 34. Dwars door Italië 130
+ 35. De eeuwige stad 133
+ 36. Paus Pius X 135
+ 37. „Brood en spelen” 137
+ 38. In de catacomben 142
+ 39. Pompeji 145
+ 40. Onder de asch van den Vesuvius 148
+ 41. Egypte 152
+ 42. Met Gordon den Nijl op 155
+ 43. De Witte Pacha 158
+ 44. De ontruiming van Soedan 163
+ 45. In de macht van den Mahdi 165
+ 46. Het dagboek van Gordon 168
+ 47. De val van Chartoem en het einde van Gordon 172
+ 48. De veldtocht van Kitchener in Soedan 179
+ 49. De struisvogel 182
+ 50. Leeuwenjacht 185
+ 51. Het nijlpaard 192
+ 52. David Livingstone 195
+ 53. De ontdekking van het Ngami-meer 200
+ 54. Van kust tot kust 203
+ 55. De apostel van Afrika 209
+ 56. Hoe Stanley Livingstone vond 216
+ 57. De laatste reis van Livingstone 224
+ 58. De lijkstoet van een held 229
+ 59. Door het donkere werelddeel 232
+ 60. Oorlogen met de inboorlingen 237
+ 61. Over de congo-vallen 239
+ 62. „Boela Matari, de steenbreker” 242
+ 63. De laatste gouverneur van Gordon 246
+ 64. Honderd zestig dagen in het oerwoud 250
+ 65. Op zoek naar Emin Pacha 255
+ 66. Het lot van de achterhoede 260
+ 67. Gered uit de handen der rebellen 265
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Thans is de Zuidpool zoowel door den Noor Asmussen als door den
+Engelschman Scott betreden, terwijl den 26en April 1908 de Noordpool
+ontdekt werd door R. E. Peary.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76913 ***