summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76912-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76912-0.txt')
-rw-r--r--76912-0.txt6874
1 files changed, 6874 insertions, 0 deletions
diff --git a/76912-0.txt b/76912-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..890bfb7
--- /dev/null
+++ b/76912-0.txt
@@ -0,0 +1,6874 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76912 ***
+
+
+
+
+KONING RICHARD DE DERDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Edward de Vierde.
+ Edward, prins van Wales, }
+ Richard, hertog van York, } zijn zonen.
+ George, hertog van Clarence, }
+ Richard, hertog van Gloster, } broeders des konings.
+ Een jonge Zoon van Clarence.
+ Hendrik, graaf van Richmond, later koning Hendrik de Zevende.
+ Kardinaal Bourchier, aartsbisschop van Canterbury.
+ Thomas Rotherham, aartsbisschop van York.
+ John Morton, bisschop van Ely.
+ De hertog van Buckingham.
+ De hertog van Norfolk.
+ De graaf van Surrey, zijn zoon.
+ Graaf Rivers, broeder van koningin Elizabeth.
+ De markies van Dorset, }
+ Lord Grey, } haar zonen.
+ De graaf van Oxford.
+ Lord Hastings.
+ Lord Stanley, ook graaf Derby genoemd.
+ Lord Lovel.
+ Sir Thomas Vaughan.
+ Sir Richard Ratcliff.
+ Sir William Catesby.
+ Sir James Tyrrel.
+ Sir James Blount.
+ Sir Walter Herbert.
+ Sir Robert Brakenbury, commandant van den Tower.
+ Christopher Urswick, een priester.—Een ander Priester.
+ Tressel en Berkeley, edellieden van lady Anna.
+ De Lord-Mayor van Londen.—De Sheriff van Wiltshire.
+
+ Elizabeth, gemalin van koning Edward den Vierden.
+ Margaretha, weduwe van koning Hendrik den Zesden.
+ De hertogin van York, moeder van koning Edward den Vierden, van
+ Clarence en van Gloster.
+ Lady Anna, weduwe van Edward, prins van Wales, den zoon van koning
+ Hendrik den Zesden, later gemalin van Richard.
+ Een jonge Dochter van Clarence.
+
+ Lords. Gevolg. Een Heraut. Een Griffier. Een Gevangenbewaarder.
+ Burgers. Moordenaars. Boden. Geesten. Krijgslieden enz.
+
+
+Het tooneel is in Engeland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Londen. Een straat.
+
+Gloster komt op.
+
+GLOSTER. Nu werd de winter onzer wreev’le stemming
+Tot blijden zomer door de zon van York;
+De zware wolken, die ons huis bedreigden,
+Verzwolg de diepe schoot des oceaans.
+Nu drukken zegekransen ons de slapen;
+Ons butsig wapentuig siert thans den wand;
+Het slaggedruisch vervangen vreugdegalmen,
+De felle marschen zoete dansmuziek;
+De krijg ontfronste ’t norsch gerimpeld voorhoofd,
+Bestijgt niet meer ’t geharnast ros, en wekt
+Geen angst in ’t hart van schrikb’re tegenstanders,
+Maar huppelt, bij een eed’le gastvrouw, luchtig
+Naar ’t wulpsche welgevallen van een luit.
+Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen,
+Of om verliefden spiegels ’t hof te maken, 15
+Die, ruw gestempeld, de’ adel mis van gang,
+Die ’t oog bekoort van dart’le, luchte nimfen,
+Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan,
+Valsch door Natuur van evenmaat verstoken,
+Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg de wereld,
+Die ademt, ingezonden, nauwelijks half
+Voltooid en wel zoo lam, zoo vreemd van vorm,
+Dat honden bassen, als ik langs hen hink,—
+Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien,
+Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf,
+Dan ’t staren op mijn schaduw in de zon
+En ’t heeklen van mijn eigen wangestalte;
+En daarom—wijl ik niet voor minnaar deug
+Om dezen welbespraakten tijd te korten—
+Is mijn besluit genomen: ’k word een booswicht
+En zweer des tijds nietswaardig beuz’len haat.
+Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid
+Door dronken profetieën, briefjes, droomen,
+Om bij mijn broeder Clarence en den koning
+Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken;
+En is de koning even waar en trouw,
+Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar,
+Dan wordt nog heden Clarence ingerekend,
+Ter wille van een profetie,—dat G
+Aan Edwards erven dood bereidt en wee.—
+Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt.
+
+(Clarence komt op, vergezeld van Bewakers, alsmede van Brakenbury.)
+
+Mijn broeder, goeden dag! Waartoe die wacht
+Bij uw genade?
+
+CLARENCE. Zijne majesteit
+Heeft, voor mijn veiligheid bezorgd, bevolen,
+Dat ik aldus ten Tower wierd geleid.
+
+GLOSTER. En dat waarom?
+
+CLARENCE. Omdat ik George heet.
+
+GLOSTER. Ach, dit mylord, is uwe schuld toch niet;
+Daarvoor moest hij uw peten laten boeten.
+O, moog’lijk is zijn majesteit van plan,
+U in den Tow’r opnieuw te laten doopen.
+Maar Clarence, wat is de oorzaak? mag ik ’t weten?
+
+CLARENCE. Ja, Richard, als ìk ’t weet; doch ik verklaar,
+Tot nog toe weet ik ’t niet. Maar, zoo ik hoor,
+Hecht hij aan profetieën en aan droomen,
+En schrapt de letter G van ’t ABC;
+Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G
+Zijn kroost onterving brengen zou en wee;
+Nu, mijn naam, George, o ramp! begint met G,
+Dus, ìk bedreig zijn kroost en stoor zijn vreê.
+Dit, zoo ik hoor, en zulke grillen meer
+Zijn oorzaak, dat zijn hoogheid mij deed vatten.
+
+GLOSTER. Zoo gaat het, doet een man, wat vrouwen willen!
+U zendt de koning, neen, niet naar den Tower;
+Mylady Grey, zijn vrouw, die is het, Clarence,
+Die hem tot zulk een uiterste verleidt.
+Was ’t niet door haar en dien hoogeed’len vriend,
+Antonius Woodville, Rivers thans, haar broeder,
+Dat hij lord Hastings naar den Tower zond,
+Waar hij eerst heden uit ontslagen werd?
+Wij zijn niet veilig, Clarence, zijn niet veilig.
+
+CLARENCE. Bij God! geen mensch is veilig, dan verwanten
+Der koningin, en ook die nachtherauten,
+Des konings en mejuffer Shore’s loopers.
+Hebt gij vernomen, hoe als need’rig smeek’ling
+Lord Hastings haar om zijn bevrijding bad?
+
+GLOSTER. Deemoedig jamm’rend bij haar godd’lijkheid,
+Erlangde de eed’le kamerheer zijn vrijheid.
+Ik zeg: naar ìk denk, is het voor ons zaak,—
+Zoo wij des konings gunst behouden willen,—
+Als hare dienaars haar livrei te dragen.
+Sinds onze broeder haar, en die jaloersche,
+Versleten weeuw tot edelvrouwen sloeg,
+Stelt haar gesnap in ’t koninkrijk de wet.
+
+BRAKENBURY. ’k Bid uw’ genaden beiden om vergiff’nis,
+Doch zijne majesteit beval mij streng,
+Dat niemand, van wat stand hij ook mocht zijn,
+Vertrouw’lijk met zijn broeder spreken zou.
+
+GLOSTER. Zeer wel; en als ’t uw edelheid behaagt,
+Vrij moogt gij alles hooren, wat wij zeggen.
+’t Is, man, geen hoogverraad; ’t is, dat de koning
+Vroed is en vroom, zijn eed’le koningin
+Van rijpen leeftijd, schoon en niet jaloersch;—
+Alsook, dat Shore’s vrouw een mooien voet heeft,
+Een kersenmond, schoone oogen, zoete tong;
+En dat der koningin geslacht voornaam werd.
+Wat zegt gij, heer, kunt gij dit alles looch’nen?
+
+BRAKENBURY. ’k Heb met dit alles niets te doen, mylord. 97
+
+GLOSTER. Met juffer Shore niets te doen? Wel, man,
+Wie iets met haar wil doen, één uitgezonderd,
+Die doe het liefst in diep geheim, alleen.
+
+BRAKENBURY. Wie is die een, mylord?
+
+GLOSTER. Haar man, gij schelm; zoudt gij mij willen vangen?
+
+BRAKENBURY. Vergeef mij, uw genade, maar ik bid u,
+Niet meer te spreken met den eed’len hertog.
+
+CLARENCE. Wij kennen uwen last en willen volgen.
+
+GLOSTER. Wij, koninginneslaven, moeten volgen.
+Vaar, broeder, wel; ik spoed mij tot den koning
+En wat gij mij gelast voor u te doen,
+Zelfs koning Edwards weeuw als zuster groeten,
+Ik zal het doen, zoo ’t u bevrijden kan.
+Want inderdaad, die diepe smaad eens broeders
+Treft mij veel dieper dan gij denken kunt.
+
+CLARENCE. Ik weet, die smaad behaagt nòch u nòch mij.
+
+GLOSTER. Kom, lang zal uw gevangenschap niet duren;
+Ik maak u vrij, of raak voor u in hecht’nis;
+Heb midd’lerwijl geduld.
+
+CLARENCE. Dit moet; vaarwel!
+
+ (Clarence, Brakenbury en de Wacht af.)
+
+GLOSTER. Ga vrij dien weg, waarlangs gij nimmer keert,
+Onnooz’le Clarence! Zoo bemin ik u,
+Dat ik welras uw ziel ten hemel zend,
+Zoo die uit onze hand de gift aanvaardt.
+Doch wie komt daar? de pas bevrijde Hastings?
+
+(Hastings komt op.)
+
+HASTINGS. ’k Wensch mijn doorluchten heer een blijden morgen.
+
+GLOSTER. Ik insgelijks mijn waarden kamerheer;
+Gij zijt recht welkom in de vrije lucht.
+Hoe hebt gij uw gevangenschap gedragen?
+
+HASTINGS. Geduldig, heer, zooals gevang’nen ’t moeten.
+Maar toch, ik hoop eens hun mijn dank te brengen,
+Die de oorzaak waren der gevangenschap.
+
+GLOSTER. Vertrouw dit, ja, en dit zal Clarence ook;
+Die u vijandig waren, zijn het hem,
+En zijn nu hem, als vroeger u, te sterk.
+
+HASTINGS. Een jammertijd, die de’ aadlaar op doet sluiten,
+En gier en havik rooven laat naar lust!
+
+GLOSTER. Wat is er in de wereld wel voor nieuws?
+
+HASTINGS. Geen nieuws zoo slecht van buiten, als te huis:—
+De koning voelt zich krank, is zwak, zwaarmoedig;
+Zijn artsen zijn om hem in groote zorg 137
+
+GLOSTER. Nu, bij Sint Paul, dit nieuws is waarlijk slecht.
+O, maar zijn leefwijs was sinds lang verkeerd;
+De koning heeft zijn krachten uitgeput;
+’t Is zeer bedroevend, als men hieraan denkt.
+Spreek, houdt hij ’t bed?
+
+HASTINGS. Ja zeker.
+
+GLOSTER. Ga, bid ik, voor; ik zal u daad’lijk volgen.
+
+ (Hastings af.)
+
+’t Loopt, hoop ik, af; maar sterven mag hij niet,
+Eer George in postgalop ten hemel voer.
+’k Ga tot hem; ’k wil zijn haat op Clarence hitsen,
+Door leugens, wel gestaald met zware reed’nen;
+En zoo mijn diepe toeleg niet mislukt,
+Heeft Clarence nu geen tweeden dag te leven;
+Dan haal’ God koning Edward in zijn hemel,
+En late de aard aan mij om daar te woelen.
+Dan zal ik Warwick’s jongste dochter huwen;
+Maar hoe! ik doodde haar gemaal, haar vader!
+De beste schaad’loosstelling voor de deerne,
+Zoo ìk nu haar gemaal en vader word;
+Dit wil ik doen, niet juist zoozeer uit liefde,
+Als om een ander diep verholen doel,
+Dat ik door haar te huwen moet bereiken.
+Doch ik wil koopen, vóór er iets te koop is;
+Nog ademt Clarence; koning Edward leeft;
+Zijn zìj weg, dan bereek’nen, wat het geeft!
+
+ (Gloster af.)
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Een andere straat in Londen.
+
+Het lijk van Koning Hendrik den Zesden wordt in een open kist ten
+tooneele gedragen, begeleid door Edellieden met hellebaarden, gevolgd
+door Lady Anna als rouwdraagster.
+
+ANNA. Zet neer, zet neer uw eerbiedwaarden last,—
+Zoo eere door een lijkwâ kan omhuld zijn,—
+Opdat mijn rouwbeklag een wijl betreure
+Des eed’len Lancaster’s ontijdig eind.—
+Ach, ijskoud wezen van een heil’gen koning!
+Des vorstenhuizes Lancaster bleek stof!
+Gij, bloedloos overschot van koningsbloed!
+Vergun mij, uwen geest hier op te roepen,
+Dat die de weeklacht hoor’ van Anna, de arme,
+De vrouw van Edward, uw vermoorden zoon,
+Dien hìj doorstak, wiens hand u wonden sloeg!
+Zie, in de poorten, waar u ’t leven uitvloot,
+Vloeit, ach vergeefs! de balsem mijner oogen!
+Vervloekt de hand, die zulke scheuren reet!
+Vervloekt het hart, dat tot dit doen het hart had!
+Vervloekt het bloed, dat dit bloed stroomen deed!
+Meer gruwb’re ellende treff’ dien onverlaat,
+Die ons verlaten maakte door uw dood,
+Dan ik aan adders, spinnen, padden wensch,
+Of eenig kruipend, giftig tuig, dat leeft! 20
+Heeft hij een kind ooit, ’t zij een misgeboorte,
+Een monster, vóór zijn tijd aan ’t licht gebracht,
+Dat door zijn leelijk en gedrocht’lijk wezen
+Der moeder hoopvol oog verstijv’ van schrik;
+En dit zij zijner boosheid erfgenaam!
+En heeft hij ooit een vrouw, dan worde zij
+Onzaal’ger nog door zijnen dood, dan ik
+Het door mijn jonge gade werd en u!—
+Komt, thans naar Chertsey met uw heil’gen last,
+Dien we uit Sint Paul ter plechtige uitvaart haalden;
+Rust vrij, als gij vermoeid zijt, telkens uit;
+Ik weeklaag dan bij koning Hendriks lijk.
+
+(De Dragers nemen het lijk op en gaan voort.)
+
+(Gloster treedt op.)
+
+GLOSTER. Niet verder, gij, die ’t lijk draagt, zet het neder!
+
+ANNA. Wat zwarte toov’naar roept dien duivel op,
+Tot storing van een vroom en christ’lijk werk?
+
+GLOSTER. Zet neêr het lijk, gij schurken! Bij Sint Paul,
+Ik maak tot lijk een elk, die zich verzet!
+
+EERSTE EDELMAN. Terug, mylord, en laat de baar voorbij.
+
+GLOSTER. Schaamt’looze hond, blijf staan, als ik ’t beveel;
+Uw hellebaard omhoog, niet voor mijn borst,
+Of, bij Sint Paul, ik sla u voor den grond,
+En ik vertreed u, beedlaar, om uw stoutheid.
+
+(De Dragers zetten de baar neder.)
+
+ANNA. Hoe! Siddert gij? gij allen zijt bevreesd?
+Helaas, ik wraak u niet, want gij zijt sterflijk,
+En ’t sterflijk oog verdraagt den duivel niet.—
+Verdwijn, gij gruwzame afgezant der hel!
+Gij hadt slechts op zijn sterflijk lichaam macht;
+Zijn ziel erlangt gij niet; daarom van hier!
+
+GLOSTER. Wees christ’lijk, lieve heil’ge; vloek niet zoo.
+
+ANNA. Bij God, weg, booze duivel! stoor ons niet;
+Gij, die de schoone wereld tot uw hel,
+Vol vloekgehuil en jammer hebt gemaakt!
+Als de aanblik uwer gruw’len u vermaakt,
+Zie dan dit staaltje van uw slachtersdaden.—
+Ziet, mannen, ziet, des dooden Hendriks wonden
+Ontsluiten haar verstijfden mond; zij bloeden!—
+Bloos, bloos, gij klomp van snoode afzicht’lijkheid!
+Want uw nabijheid dringt dit koude bloed
+Uit ledige aad’ren, waar geen bloed meer woont;
+Uw ondaad, ja, onmenschlijk, onnatuurlijk,
+Verwekt dien stortvloed, even onnatuurlijk.
+O God, gij schiept dit bloed, o wreek zijn dood!
+Gij aard, gij drinkt dit bloed, o wreek zijn dood!
+Gij hemel, dood den moord’naar met uw bliksem,
+Of gaap, gij aarde, wijd, verslind hem levend,
+Zooals gij ’t bloed verzwelgt diens goeden konings,
+Door de’ arm van dezen helleknecht geslacht!
+
+GLOSTER. Prinses, gij kent de leer der liefde niet,
+Die kwaad met goed vergeldt en vloek met zegen.
+
+ANNA. Gij schurk, gij kent geen wet, van God noch mensch;
+Het wildste beest kent eenig medelijden. 71
+
+GLOSTER. Dit ken ik niet en ben alzoo geen beest.
+
+ANNA. O wondervreemd, ook duivels spreken waar!
+
+GLOSTER. Nog vreemder, zulk een gramschap bij een engel!
+Sta toe, o godd’lijk toonbeeld eener vrouw,
+Dat ik van die vermeende booze dingen
+Uitvoerig uwe vrijspraak mij verwerv’.
+
+ANNA. Sta toe, gij helsch gedrocht’lijk beeld eens mans,
+Dat ik voor die bewezen booze dingen
+Uitvoerig u, vervloekte, nogmaals vloek.
+
+GLOSTER. Gij, schooner dan ooit tong het uit kan drukken,
+Geef mij geduldig tijd, dat ik me ontschuldig.
+
+ANNA. Gij, snooder dan ooit hart vermoeden kan,
+Ontschuldigd zult gij zijn, als ge u verhangt.
+
+GLOSTER. Door die vertwijfling zou ik schuld erkennen.
+
+ANNA. Door die vertwijfling delgt gijzelf uw schuld,
+Daar gij verdiende wraak neemt op uzelf,
+Die onverdienden moord op and’ren pleegdet.
+
+GLOSTER. Doch zoo ’k hen niet versloeg?
+
+ANNA. Dan waren zij niet dood;
+Doch dood, zij zijn ’t, en, helleslaaf, door u.
+
+GLOSTER. Ik doodde uw gade niet.
+
+ANNA. Dan leeft hij nog.
+
+GLOSTER. Neen, hij is dood, doch viel door Edwards hand.
+
+ANNA. Boos liegt uw tong, want koningin Marg’retha
+Zag zelf uw moordstaal rooken van zijn bloed;
+Gij hebt het ook op hare borst gericht,
+Doch uwe broeders sloegen ’t ras ter zijde.
+
+GLOSTER. Ik werd geprikkeld door haar lastertong,
+Die hun schuld valsch op mijne schoud’ren laadde.
+
+ANNA. Gij werdt geprikkeld door uw moord’naarsziel,
+Die nooit van iets dan bloedvergieten droomt.
+Hebt gij deez’ koning niet gedood?
+
+GLOSTER. ’k Stem toe.
+
+ANNA. Toe stemt gij ’t, egel? Dan stemm’ God mij toe,
+Dat gij vervloekt zijt om die booze daad!
+O, hij was deugdzaam, zacht en liefderijk.
+
+GLOSTER. Te beter voor den hemel, die hem heeft.
+
+ANNA. Daar is hij, ja; gìj zult er nimmer komen.
+
+GLOSTER. Dan dank’ hij mij, die hem er henen zond;
+Hij zal er beter thuis zijn dan op aarde. 108
+
+ANNA. En gij kunt enkel thuis zijn in de hel.
+
+GLOSTER. O, nog op ééne plaats; mag ik die noemen?
+
+ANNA. Een kerkerkrocht.
+
+GLOSTER. Uw slaapvertrek.
+
+ANNA. De rust ontvliê de kamer, waar gij ligt!
+
+GLOSTER. Zoo is ’t, tot ik bij ù lig, eed’le vrouw.
+
+ANNA. Ik hoop het.
+
+GLOSTER. Ik weet het.—Maar, lieve lady Anna,—
+Om uit dit scherp, spitsvondig woordschermuts’len
+Te komen tot bedaarder onderhoud,—
+Spreek, is, die de oorzaak was des vroegen doods
+Der twee Plantagenets, Hendrik en Edward,
+Niet even laakbaar, als die ’t feit volbracht?
+
+ANNA. Gijzelf waart de oorzaak en gevloekte werking.
+
+GLOSTER. En uwe schoonheid de oorzaak dezer werking,
+Uw schoonheid, die mij in den slaap bezocht,
+Om der geheele wereld dood te wagen
+Voor één uur levens aan uw zoete borst.
+
+ANNA. Als ik dit dacht, ik zeg u, menschenmoorder,
+Mijn nagels reten uit mijn wang dat schoon.
+
+GLOSTER. Mijn oog verdroeg ’t vergaan dier schoonheid niet;
+Stond ik er bij, gij zoudt haar nimmer deren;
+Gelijk heel de aard zich aan de zon verkwikt,
+Zoo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven!
+
+ANNA. Nacht overhuive uw dag, en dood uw leven!
+
+GLOSTER. Schoone engel, vloek uzelf niet; gij zijt beide.
+
+ANNA. Ja, ware ik dit, om mij op u te wreken!
+
+GLOSTER. O, zulk een vijandschap is onnatuurlijk,
+U wreken op den man, die u bemint!
+
+ANNA. Die vijandschap is goed, naar recht en rede;
+Mij wreken op den moord’naar mijns gemaals!
+
+GLOSTER. Die u van uw gemaal beroofde, deed het,
+Om, lady, u een beet’ren te verschaffen.
+
+ANNA. Een betere ademt er op aarde niet.
+
+GLOSTER. Eén wijdt u beet’re liefde nog dan hij.
+
+ANNA. Wie is ’t?
+
+GLOSTER. Plantagenet.
+
+ANNA. Dat was hijzelf.
+
+GLOSTER. Dezelfde naam, ja, doch een beter man.
+
+ANNA. Waar is hij?
+
+GLOSTER. Hier.
+
+(Zij spuwt naar hem.)
+
+ Wat spuwt gij zoo naar mij?
+
+ANNA. Ik wenschte, ’t ware een dood’lijk gif voor u! 146
+
+GLOSTER. Nooit kwam vergif van zulk een zoete plaats.
+
+ANNA. En nooit kleefde er vergif aan snooder pad.
+Uit mijn gezicht! want gij verzengt mijn oogen.
+
+GLOSTER. Uw oogen hebben mij in vlam gezet.
+
+ANNA. O, waren ’t basilisken, bliksems schietend!
+
+GLOSTER. Ik wenschte ’t ook, dan ware ik dood op eens;
+Thans geven zij me een dood, die ’t leven laat.
+Uw oog heeft zilte tranen mij ontperst,
+Mijn oogen smaad gebracht door kindsche droppen,
+Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden,
+Noch toen mijn vader York en Edward weenden
+Om Rutland’s jammerkreet, toen over hem
+Clifford met donk’ren blik het zwaard verhief,
+Noch toen uw dapp’re vader, als een kind,
+Het droef verhaal deed van mijns vaders dood,
+En tienmaal op moest houden, snikte en weende,
+Dat elk, die ’t hoorde, vochte wangen had,
+Als boomen in den regen; in dien rouwtijd
+Weerhield mijn mann’lijk oog een laffen traan;
+En wat die smart het nooit heeft afgeperst,
+Deed uwe schoonheid, maakte ’t blind van weenen.
+Nooit smeekte ik iets aan vriend of vijand af;
+Nooit leerde mijne tong een vleiend woord;
+Doch nu mij uwe schoonheid wenkt als loon,
+Smeekt mijn trotsch hart en leert mijn tong te spreken.
+
+(Zij ziet hem met een hoonenden blik aan.)
+
+Leer uwen lippen zulk een hoon niet, lady,
+Zij zijn ten kus geschapen, niet tot hoon.
+Als uw wraakgierig hart niet kan vergeven,
+Zie, ’k leen u hier dit scherpgepunte zwaard;
+Gij, berg het vrij in deze trouwe borst,
+En drijf de ziel er uit, die u vergoodt.
+Zie, ik ontbloot haar, dat gij dood’lijk toestoot,
+En bid, deemoedig knielend, om mijn dood.
+
+(Hij ontbloot de borst; zij richt er het zwaard op.)
+
+Neen, weifel niet: ik doodde koning Hendrik;
+Maar ’t was uw schoonheid, die er mij toe drong.
+Stoot toe; ja, ik doorstak den jongen Edward;—
+Maar ’t was uw hemelsch aanschijn, dat mij dreef.
+
+(Zij laat het zwaard vallen.)
+
+Neem op het zwaard, of mij in uwe gunst.
+
+ANNA. Rijs, huich’laar op, hoezeer uw dood mijn wensch zij,
+Ik wil ’t niet zijn, die met den zwaarde u recht.
+
+GLOSTER. Zeg mij dan mij te dooden, en ik doe het.
+
+ANNA. Dit deed ik reeds.
+
+GLOSTER. Gij deedt het in uw toorn;
+Zeg ’t nu nog eens; terstond zal deze hand,
+Die, om uw liefde, uw liefde heeft gedood,
+Veel trouwer liefde om uwe liefde dooden;
+Aan beider dood zult gij meeplichtig zijn.
+
+ANNA. O, kende ik slechts uw hart!
+
+GLOSTER. Ik draag het op de tong.
+
+ANNA. Wellicht zijn beide valsch. 195
+
+GLOSTER. Nooit sprak dan iemand waar.
+
+ANNA. Nu dan, steek op uw zwaard.
+
+GLOSTER. Zeg dan: wij zijn verzoend.
+
+ANNA. Dit blijke u door ’t vervolg.
+
+GLOSTER. Dus, leef ik nog in hoop?
+
+ANNA. Dit, hoop ik, doet een elk.
+
+GLOSTER. Draag dezen ring van mij.
+
+ANNA. Die aanneemt, geeft nog niet.
+
+(Zij laat zich den ring aan den vinger steken.)
+
+GLOSTER. Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit;
+Zoo houdt uw borst mij ’t arme hart omsloten,
+Draag gij die beide, beide zijn zij u.
+En als uw arme, trouw verknochte dienaar
+Nog ééne gunst van uw genâ mag smeeken.
+Dan grondt gij hem voor eeuwig zijn geluk.
+
+ANNA. Wat is het?
+
+GLOSTER. Dat gij den rouwdienst hem wilt overlaten,
+Die meerder oorzaak heeft om rouw te dragen,
+En u van hier naar Crosbyhof begeeft.
+Daar kom ik, nadat ik deze’ eed’len koning
+In ’t klooster Chertsey plechtig heb begraven,
+En tranen vol berouw op ’t graf geplengd,
+Met allen spoed eerbiedig u bezoeken;
+Om veel geheime reed’nen smeek ik u:
+Sta deze gunst mij toe.
+
+ANNA. Van ganscher harte; zeer verheugt het mij,
+Te zien, dat gij boetvaardig zijt geworden.—
+Komt, Berkeley en Tressel, begeleidt mij.
+
+GLOSTER. Zeg mij vaarwel.
+
+ANNA. ’t Is meer dan gij verdient;
+Doch daar gij mij geleerd hebt, u te vleien,
+Zoo denk, dat ik u reeds vaarwelgezegd heb.
+
+ (Lady Anna met twee Edellieden af.)
+
+GLOSTER. Gij, neemt het lijk weer op.
+
+EEN EDELMAN. Naar Chertsey, uwe hoogheid?
+
+GLOSTER. Neen, naar de Karmelieten; wacht mij daar.
+
+ (Al de overigen met het lijk af.)
+
+Werd ooit in zulk een luim een vrouw gevrijd?
+Werd ooit in zulk een luim een vrouw gewonnen?
+Ik wil haar hebben, niet haar lang behouden.
+Wat! ik, de moord’naar van haar man en vader,
+Ik vang haar in haars harten diepsten haat,
+Met vloeken op haar tong, het oog vol tranen,
+Bij ’t bloedend lijk, getuige van haar haat;
+God, haar geweten, alles tegen mij;
+Ik, zonder vrienden, die mijn aanzoek steunen,
+Dan huich’laarsblikken, en den baren duivel;
+En toch zij mijn!—de wereld tegen niets!
+Ha! Heeft zij dien wakk’ren prins alreeds vergeten,
+Edward, haar gade, dien ik voor drie maanden
+Te Tewksbury doorstak in arren moede? 242
+Een edelman, zoo goed en minnenswaard,—
+Zoo kwistig door natuur bedeeld met gaven,
+Jong, dapper, wijs, echt koninklijk voorwaar,—
+Is in de wijde wereld niet te vinden;
+En toch vernedert zij haar blik tot mij,
+Die ’t gouden bloeisel afsneed van dien prins
+En haar tot weduw maakte op bange sponde!
+Mij, wiens geheel geen halven Edward opweegt!
+Tot mij, die hink en zoo wanstaltig ben!
+Mijn hertogdom, ja, tegen éénen duit,
+Dat ik aldoor mijzelven heb miskend;
+Mijn kop af, dat zij mij, wat ìk niet vind,
+Voor een verbazend knappen jonkman houdt.
+Ik moet mij, wat het koste, een spiegel koopen,
+En schaf een paar dozijnen snijders aan,
+Om drachten uit te denken, die mij goed staan.
+Nu ’k bij mijzelf in gunst gekomen ben,
+Leg ik er ook een weinig aan te kost.
+Doch eerst help ik dien kerel in zijn graf,
+En kom dan jamm’rend bij mijn liefste weer.—
+Schijn helder, zon, tot ik een spiegel heb,
+Opdat ik in mijn schaduw vreugde schepp’!
+
+ (Gloster af.)
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+Aldaar. Een kamer in het paleis.
+
+Koningin Elizabeth, lord Rivers en lord Grey komen op.
+
+RIVERS. Houd moed, vorstin; geen twijfel, of zijn hoogheid
+Is binnen korten tijd geheel hersteld.
+
+GREY. Zijt gij er om bedrukt, dit maakt hem erger;
+Blijf dus om Gods wil immer welgemoed,
+En beur hem op door luchtig, vroolijk praten.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Als hij eens stierf, wat leed zou dan mij treffen!
+
+GREY. ’t Verlies van zulk een gâ, geen verder leed.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zulk een verlies sluit al wat leed is in.
+
+GREY. God heeft u met een wakk’ren zoon gezegend,
+Die u na zijnen dood tot troost zal zijn.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ach, hij is jong; en zijne jeugd wordt dan
+Aan Richard Gloster’s hoede toevertrouwd,
+Een man, die mij, noch een van u, mag lijden.
+
+RIVERS. Is dit bepaald, moet hij protector worden?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Besloten is ’t, ofschoon nog niet bepaald;
+Maar ’t moet, indien de koning komt te vallen.
+
+(Buckingham en Stanley treden op.)
+
+GREY. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley.
+
+BUCKINGHAM. Uw koninklijke hoogheid alle heil!
+
+STANLEY. God geve uw majesteit weer vreugd als vroeger! 19
+
+KONINGIN ELIZABETH. Gravinne Richmond, waarde lord van Stanley,
+Zegt wis geen amen op uw goeden wensch.
+Doch, beste Stanley, schoon ze uw gade zij
+En mij niet lijden moog’, geloof me, ik koester
+Voor u geen haat om haar laatdunkendheid.
+
+STANLEY. Ik bid u, schenk dien boozen lastertongen
+Van die haar valsch betichten geen gehoor;
+Of, wat men haar terecht ten laste legt,
+Beschouw dit als een zwakheid, die veeleer
+Uit kranke luim, dan boozen zin ontspruit.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zaagt gij vandaag den koning reeds, lord Stanley?
+
+STANLEY. Wij hebben, hertog Buckingham, en ik,
+Zoo even zijne majesteit bezocht.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe vindt gij ’t uitzicht op zijn beterschap?
+
+BUCKINGHAM. Heb moed, vorstin; hij spreekt recht opgeruimd.
+
+KONINGIN ELIZABETH. God sterk’ hem! Sprak hij met u over zaken?
+
+BUCKINGHAM. O ja, vorstin; het is zijn wensch, uw broeders
+Met hertog Gloster duurzaam te verzoenen,
+Alsmede met den opperkamerheer;
+Hij liet hen naar zijn kamer opontbieden.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ware alles goed!—Doch dit zal nimmer zijn;
+Ik vrees, ons heil staat op zijn middaghoogte.
+
+(Gloster, Hastings en Dorset komen op.)
+
+GLOSTER. Zij doen mij onrecht, en ik wil ’t niet dulden.—
+Wie zijn zij, die steeds klagen bij den koning,
+Dat ik, ik, wrok, voor hen recht liefd’loos ben?
+Zij, bij Sint Paul, zijn voor den koning liefd’loos,
+Die zoo zijn oor met twistgeruchten vullen.
+Wijl ik niet vleien kan, niet mooi kan praten,
+Toelachen, streelen, foppen en bedriegen,
+Strijkages op zijn Fransch, recht aap’rig, maken,
+Moet ik volstrekt een wrokkend vijand zijn.
+Kan geen eenvoudig man meer vreedzaam leven,
+Dat niet zijn eerlijk hart belasterd wordt,
+Door fulpen, sluw, indringend vleigeboefte?
+
+GREY. Tot wien in dezen kring spreekt uw genade?
+
+GLOSTER. Tot u, die zonder deugd zijt en genade.
+Spreek, wanneer krenkte ik u, of kwetste ik u?—
+Of u?—Of u?—of iemand van uw bent?
+Hale u de pest! De koning, onze heer,—
+Wien God behoede, beter dan gij ’t wenscht!—
+Heeft nauwlijks voor een ademhaling rust,
+Dat gij hem niet met lage klachten kwelt. 61
+
+KONINGIN ELIZABETH. Verkeerd neemt gij de zaak op, broeder Gloster.
+De koning, door zichzelf alleen gedreven,
+En niet door and’re klagers aangezet,
+Maar lettend, moog’lijk, op uws boezems wrok,
+Die zich uitwendig in uw doen verraadt,
+Wrok tegen mij, mijn broeders en mijn kind’ren,
+Deed u ontbieden, opdat hij den wortel
+Van uwen haat ontdekken, rooien moog’.
+
+GLOSTER. Ik weet niet;—al te slecht is thans de wereld:
+’t Kleinjantje rooft, waar de aad’laar zich niet waagt;
+Sinds elke schooier edelman hier werd,
+Werd menig edelman een kale schooier.
+
+KONINGIN ELIZABETH. O duid’lijk is uw meening, broeder Gloster;
+Mijn, mijner vrienden opkomst wekt uw nijd.
+God geve, dat wij nimmer u behoeven!
+
+GLOSTER. God geeft inmiddels, dat wij u behoeven.
+Mijn broeder is gekerkerd door uw toedoen,
+Ikzelf in ongenade, heel onze adel
+Geminacht; en de hoogste posten vallen
+Met gravenkronen daag’lijks hun ten deel,
+Wier rijkdom, gist’ren nog, geen zilvren kroon was.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Bij Hem, die uit mijn need’rig, stil geluk
+Tot deze bange hoogte mij verhief,
+Nooit deed ik iets om tegen hertog Clarence
+Den koning op te zetten; veeleer was ik
+Zijn voorspraak en volijv’rig pleitbezorger.
+Mylord, gij doet mij smaadlijk onrecht aan,
+Door zulk een valsche smet op mij te werpen.
+
+GLOSTER. Gij kunt ook looch’nen, dat niet uw bedrijf
+Lord Hastings in den Tower heeft gebracht.
+
+RIVERS. Zij kan ’t, mylord; want—
+
+GLOSTER. Zij kan ’t, lord Rivers,—wel, wie weet het niet?—
+Zij kan, mijn heer, nog meer doen, dan dit looch’nen;
+Zij kan—aan meen’gen vetten post u helpen,
+En later looch’nen, dat ze er iets voor deed,
+En zeggen, dat gij ’t uw verdiensten dankt.
+Wat kan zij niet? Zij kan,—ja trouwens, kan—
+
+RIVERS. Wat trouwens kan zij?
+
+GLOSTER. Wat trouwens kan zij? met een koning trouwen,
+Een jonkman, ja, een knappen vrijgezel.
+Uws vaders moeder deed een minder keus. 102
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mylord van Gloster, al te lang verdroeg ik
+Uw plompen smaad en uwen bitt’ren spot;
+Bij God, ik meld nu aan zijn majesteit
+Den groven hoon, dien ik zoo vaak moest lijden.
+Veel liever ware ik dienstmaagd op het land
+Dan groote koningin met dit beding,
+Van zulk een schimp en hoon en smaad te dulden;
+Klein is mijn vreugd als Eng’lands koningin.
+
+(Koningin Margaretha verschijnt op den achtergrond.)
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Dat kleine word’ nog minder, bid ik
+God!
+Mij komt uw rang en staat en zetel toe.
+
+GLOSTER. Wat! dreigt gij met een aanklacht bij den koning?
+Goed, spaar mij niet; zie, wat ik heb gezegd,
+Dit zal ik voor den koning staande houden.
+Al wachtte mij de Tower, ’k zou het wagen.
+’t Is sprekenstijd, mijn diensten zijn vergeten.
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Gij duivel! Al te goed staan mij die
+voor;
+Mijn gade Hendrik dooddet gij in den Tower,
+Edward, mijn armen zoon, te Tewksbury.
+
+GLOSTER. Eer gij, ja eer nog uw gemaal gekroond was,
+Was ik het pakpaard van zijn hooge wenschen,
+Verdelger van zijn trotsche weerpartijders
+En mild belooner van zijn medestanders;
+Ik schonk hem koningsbloed door ’t mijn te spillen.
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, èn veel beter bloed dan ’t zijne
+of ’t uwe.
+
+GLOSTER. En al dien tijd trokt gij, en Grey, uw gade,
+Partij steeds voor het huis van Lancaster;
+En gij ook, Rivers,—Viel uw gade niet
+Als Margaretha’s krijger bij Sint-Albaans?
+Laat mij, zijt gij ’t vergeten, u herinn’ren,
+Wat gij voor dezen waart en wat gij zijt,
+Alsook, wat ik geweest ben en nu ben.
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Een lage moord’naar, en dit zijt gij
+nog.
+
+GLOSTER. Die arme Clarence heeft zijn vader Warwick
+Verzaakt, zijn eed van trouw aan hem verbroken;—
+Vergeev’ hem Jezus!
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Straff’ hem God er voor!
+
+GLOSTER. Om, voor de kroon, aan Edwards zij te strijden;
+En zie, tot loon zit de arme prins in hecht’nis.
+Gaav’ God, ik had een steenen hart als Edward,
+Of hij een zacht, meewarig hart als ik;
+Ik ben te kindsch-goedhartig voor deze aarde.
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Zoo vaar ter helle uit schaamte en
+wijk van de aarde;
+Gij kakodæmon! dààr ligt uw gebied.
+
+RIVERS. Mylord van Gloster, in die heete dagen,
+Waar gij op wijst, opdat wij vijand blijken,
+Zijn we onzen heer en souverein gevolgd;
+Wij zouden ’t u doen, zoo gij koning waart.
+
+GLOSTER. Als ik dat waar’!—Marskramer ware ik liever!
+Zelfs de gedachte er aan, zij ver van mij! 150
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zoo luttel heils, mylord, als gij voor u
+Van ’t koning-zijn verwacht in dezen lande,
+Zoo luttel heils, geloof mij, smaak ikzelf,
+Schoon ik de koningin zij van dat rijk.
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, luttel heils smaakt Eng’lands
+koningin;
+Want dit ben ik, en enkel tot mijn onheil.
+Ik houd mijn gramschap thans niet langer in.—
+
+(Zij treedt naar voren.)
+
+Hoort mij, vrijbuiters, die krakeelt, die twist
+Bij ’t deelen van uw buit, aan mij ontroofd!
+Wie uwer, die mij aanblikt, siddert niet,
+Zoo niet voor uw vorstin, als onderdaan,
+Toch voor die gij onttroond hebt, als rebel?—
+Gij, hooge schurk, wend uw gelaat niet af!
+
+GLOSTER. Boos, rimpl’ig tooverwijf, wat doet gij hier?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Herhalen kom ik hier uw euveldaden;
+Dit wil ik doen, aleer ik u laat gaan.
+
+GLOSTER. Zijt gij hier niet op straf des doods verbannen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ja, doch ik lijd als balling dieper wee,
+Dan, blijf ik hier, de dood mij brengen kan.
+Gij zijt mij een gemaal en zoon verschuldigd,—
+En gij, een koninkrijk,—gij allen, leenplicht;
+U komt het lijden toe, dat ik verduur,
+Mij al ’t geluk, dat gij hebt overmeesterd.
+
+GLOSTER. De vloek mijns eed’len vaders, toen gij hem
+De heldenslapen kroondet met papier,
+Zijn’ oogen stroomen afdwongt door uw hoon,
+En toen om ze af te drogen hem een doek gaaft,
+Gedoopt in ’s lieven Rutland’s schuldloos, bloed,—
+Zijn vloeken, die zijn bitter hart u toen
+Heeft toegeslingerd, zijn ’t, die op u vielen;
+En God, niet wij, vergeldt uw bloedig doen.
+
+KONINGIN ELIZABETH. God is gerecht, hij wreekt onschuldig bloed.
+
+HASTINGS. O, ’t was de snoodste daad, dat kind te slachten,
+De wreedste, die ooit menschenoor vernam.
+
+RIVERS. Tirannen zelfs, zij weenden bij het hooren.
+
+DORSET. Geen mensch, die daar geen wraak uit profiteerde.
+
+BUCKINGHAM. Northumberland, die ’t aanzag, stortte tranen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat! blikketanddet ge allen, eer ik kwam,
+Als zoudt ge elkander bij den gorgel pakken,
+En keert gij al uw haat nu tegen mij? 190
+Bewoog York’s schrikb’re vloek den hemel zoo,
+Dat Hendriks dood, mijns lieven Edwards dood,
+’t Verlies der kroon, mijn bitt’re ballingschap,
+Slechts boeten zijn voor dien halfwassen brasem?
+Dringt zoo een vloek, de wolken door, ten hemel?—
+Laat dan, grauw zwerk, mijn rassche vloeken, door!—
+Door brassen, niet in de’ oorlog, sterve uw koning,
+Gelijk door moord, om hem te kronen, de onze!
+Edward, uw zoon, de nieuwe prins van Wales,
+Voor Edward, mijn zoon, vroeger prins van Wales,
+Sterv’ door geweld, ontijdig, jong, als hij!
+Gij, koningin voor mij, die koningin was,
+Gij, overleef, als ik, onzaal’ge, uw rijk!
+Leef lang, om uwe kind’ren te bejamm’ren,
+En zie eene and’re, zooals ik u zie,
+Getooid, als gij ’t in mìjn recht zijt, in ’t uwe!
+Lang voor uw dood zij uw gelukstijd dood;
+En sterf, na menig eind’loos uur van wee,
+Sterf, niet meer moeder, vrouw, noch koningin!
+Rivers en Dorset, gij waart ooggetuigen,
+Ook gij, lord Hastings, toen met purp’ren dolken
+Mijn zoon doorstoken werd; ik smeek tot God:
+Geen uwer leev’ natuurs gezetten tijd;
+Een plots’ling onheil moge u nedermaaien!
+
+GLOSTER. Staak uw bezwering, booze, dorre heks!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Met niets voor u? Blijf, hond, gij zult mij
+hooren.
+Wanneer de hemel nog een erger wee
+In voorraad heeft, dan ik u wenschen kan,
+Dan spaar’ hij ’t op, tot uwe zonden rijp zijn,
+En stort’ dan al zijn grimmigheid op u,
+U, vredestoorder in deze arme wereld!
+Gewetensangst knaag’ als een worm uw ziel!
+Verdenk uw vrienden immer van verraad,
+Kies aartsverraders tot uw boezemvrienden!
+Geen slaap luik’ ooit uw onheilbrengend oog,
+Tenzij terwijl een mart’lend droomgezicht
+U met een hel van woeste duivels pijnigt!
+Behekst, wanstaltig wezen! wroetend zwijn!
+Gij, van natuur in uw geboortestond
+Als slaaf gebrandmerkt, als een zoon der hel!
+Gij schande van uw moeders zwang’ren schoot!
+Verfoeide wanvrucht van uws vaders lenden!
+Gij vod in eere! diep verachte—
+
+GLOSTER. Margaretha!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Richard!
+
+GLOSTER. He!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik riep u niet.
+
+GLOSTER. Dan vraag ik u verschooning, want ik waande,
+Mij riept gij al die bitt’re namen toe.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Dit deed ik, maar een antwoord vroeg ik niet.
+O, laat mij nu mijn vloek ten einde brengen!
+
+GLOSTER. Ik deed dit reeds; hij sluit met „Margaretha.” 239
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zoo keerde uw vloek nu tot uzelve weer.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Arm vorstenbeeld, gij mijner grootheid
+schijnglans?
+Wat strooit ge op die gezwollen giftspin suiker,
+Wier dood’lijk web in ’t rond u heeft omstrikt?
+Gekkin, gij wet een mes, dat u zal dooden.
+Eens komt de dag, dat gij mij naast u wenscht,
+Om die gebulte giftpad mee te vloeken.
+
+HASTINGS. Gij leugenspelster, dat uw waanzin zwijg’!
+Put ons geduld niet uit, het mocht u schaden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Schande op u allen! ’t mijne is uitgeput.
+
+RIVERS. Hij diende u goed, die uwen plicht u leerde.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mij goed te dienen, ware uw aller plicht;
+Leert mij, dat ik hier heersch en gij gehoorzaamt.
+O, dient mij goed en leert uzelf dien plicht.
+
+DORSET. Geen redetwist met haar, zij is waanzinnig.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Stil, jonge markgraaf, gij zijt schaamtloos stout;
+Nauw gangbaar is uw pasgemunte rang.
+O, wist uw jeugdige adel, wat het zegt,
+Zijn rang te derven, in ellend’ te leven!
+Wie hoog staat, wordt door meen’ge vlaag geschud;
+En als hij valt, wordt hij geheel verpletterd.
+
+GLOSTER. Een goede raad;—behartig hem, markies.
+
+DORSET. Hij past voor u, mylord, gelijk voor mij.
+
+GLOSTER. Veel meer nog; maar ik werd zoo hoog geboren.
+In cedertoppen bouwt ons aad’laarsras,
+En dartelt met den wind en trotst de zon.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En maakt de zon tot nacht;—ach, ach! getuig’ dit,
+Mijn zon, mijn zoon, in doodsnacht nu gehuld,
+Wiens flonkerstralen uwer gramschap wolk
+Met eeuw’ge duisternis omtogen heeft!
+York’s broedsel, ’t bouwt in onzer jongen nest;
+O God, gij ziet het; duld, o duld het niet;
+Wat bloed deed winnen, ga door bloed verloren!
+
+BUCKINGHAM. Stil, dit is schande! ’t is onchrist’lijk doen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O spreek mij niet van christ’lijkheid of schande,
+Gij allen waart onchrist’lijk jegens mij,
+En schand’lijk hebt gij al mijn hoop geslacht.
+Woede is mijn christ’lijkheid, mijn leven schande,
+En in die schande leev’ de wrok der smart!
+
+BUCKINGHAM. Houd op, houd op!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte Buckingham, ik kus uw hand;
+280
+Dit zij u teeken van mijn vrede en vriendschap;
+U en uw edel huis ga ’t immer wel!
+Uw kleed’ren zijn niet met ons bloed bespat,
+En gij niet in ’t bereik van mijnen vloek.
+
+BUCKINGHAM. En niemand hier, geen vloeken reiken verder
+Dan tot de lippen, die hen lucht doen zijn.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En ik geloof, dat zij ten hemel stijgen,
+Gods vrede er wekken uit zijn zoeten slaap.
+O Buckingham, o hoed u voor dien hond!
+Zie, kwispelt hij, dan bijt hij; als hij bijt,
+Dan woedt zijn gifttand tot den dood toe door.
+Heb niets met hem te doen, wacht u voor hem!
+Dood, hel en zonde hebben hem geteekend,
+En al hun dienaars zijn in zijn gevolg.
+
+GLOSTER. Wat zegt zij u, mylord van Buckingham?
+
+BUCKINGHAM. Niets waar ik acht op sla, genadig heer.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat! hoont gij mij, die vriend’lijk raad, en hangt
+gij
+Den duivel, waar ik u voor waarschuw, aan?
+O denk eens aan dit uur, als hij door wee
+Uw hart vaneen zal rijten, en zeg dan:
+„Die arme Margaretha was profetisch!”—
+Zoo leeft dan, elk van u bij hem gehaat,
+En hij bij u, en allen saam bij God!
+
+ (Koningin Margaretha af.)
+
+HASTINGS. Mij rees het haar te berge bij haar vloeken.
+
+RIVERS. Mij ook; dat zij hier vrij blijft, is me een raadsel.
+
+GLOSTER. Valt haar niet hard; want bij Gods heil’ge moeder,
+Veel onrecht moest zij lijden; mij berouwt
+Het deel, dat ik er aan heb toegevoegd.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ik deed geen leed haar aan, zoover ik weet.
+
+GLOSTER. Toch pluktet gij de vruchten van haar leed.
+Ik was vol vuur om iemand goed te doen,
+Die nu te koel van al mijn diensten denkt.
+Voorwaar, wat Clarence deed, wordt goed betaald!
+Erkent’lijk wordt hij in een kot gemest;—
+Vergeev’ God hun, die daar de schuld van zijn!
+
+RIVERS. Een vroom besluit, een christen waard, te bidden
+Voor hen, die schade ons hebben toegevoegd!
+
+GLOSTER. Zoo doe ik steeds;—(Ter zijde.) en ’k heb er reden toe,
+Want vloekte ik nu, ik had mijzelf vervloekt.
+
+(Catesby komt op.)
+
+CATESBY. De koning, eed’le vrouw, wenscht u te zien,—
+En uwe hoogheid ook, en u, mylords. 321
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wij komen, Catesby.—Gaat gij mede, lords?
+
+RIVERS. Wij volgen uwe hoogheid.
+
+ (Allen af, behalve Gloster.)
+
+GLOSTER. Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak.
+Het onheil, dat ik heim’lijk heb gesticht,
+Leg ik als zwaren last op vreemde schouders.
+Ikzelf wierp Clarence in dat donker kot,
+En nu beween ik hem bij stikziende uilen,
+Zooals bij Stanley, Hastings, Buckingham;
+En zeg, de koningin, zij en haar aanhang,
+Die hitsen tegen hem den koning op.
+En zij gelooven ’t; ja, zij wetten mij,
+Dat ik op Rivers, Vaughan, Grey mij wreek;
+Dan zucht ik, zeg hun met een bijbelspreuk,
+Dat God gebiedt, voor ’t kwade goed te doen;
+En zoo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid
+Met dwaze vodden, uit de Schrift gekaapt,
+En schijn een heil’ge, als ik echt duivelsch ben.
+
+(Twee Moordenaars komen op.)
+
+Maar stil! het zijn mijn beulen, die daar komen.—
+Gij wakk’re stoute, vastberaden mannen,
+Zijt gij bereid, dat zaakjen af te doen?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ja, eed’le heer, wij komen om de volmacht,
+Opdat wij toegang vinden, waar hij is.
+
+GLOSTER. Zeer goed bedacht; ik heb ze bij mij; hier!
+
+(Hij geeft hun de volmacht.)
+
+En komt, is ’t werk gedaan, naar Crosbyhof.
+Maar mannen, brengt met spoed uw taak ten eind;
+Weest onverbidd’lijk; laat hem niet aan ’t woord;
+Want Clarence weet te praten, en wellicht
+Vermurwde hij uw hart, als gij gingt luist’ren.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Gerust, mylord; wij maken daar geen praats;
+Wie babbelt, leutert meest; wees gij verzekert,
+Wij roeren onze handen, niet de tong.
+
+GLOSTER. Een dwaas ween’ tranen, gij eer molensteenen;
+Gij lijkt mij flinke kerels;—komt, aan ’t werk,
+Gaat, gaat, en snel!
+
+EERSTE MOORDENAAR. Dat zullen wij, uw hoogheid.
+
+ (Allen af).
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+Londen. Een vertrek in den Tower.
+
+Clarence en een Stokbewaarder komen op.
+
+STOKBEWAARDER. Hoe ziet uw hoogheid heden zoo bedrukt?
+
+CLARENCE. O, ’k heb een nacht doorleefd van diepe ellend,
+Vol bange droomen, schrikk’lijke gezichten;
+Zoowaar ik een geloovig christen ben,
+Nog eens een nacht als deze door te staan,
+Ik deed het voor geen wereld blijde dagen;
+Zoo vol van naamlooze’ angst was mij die tijd!
+
+STOKBEWAARDER. Wat was uw droom, mylord? ik bid u, meld dit.
+
+CLARENCE. Mij dacht, dat ik ontsnapt was uit den Tower,
+En dat een schip mij voerde naar Bourgondië;
+Mijn broeder Gloster was mijn reisgezel;
+Hij lokte me uit mijn hut op ’t dek; wij deden
+Daar saam een wand’ling, blikten uit naar England,
+En spraken van die duizend zware tijden
+Uit de’ oorlog tusschen York en Lancaster,
+Die ons getroffen hadden. Bij die wand’ling
+Op ’t glibb’rig dek, kwam het op eens mij voor,
+Dat Gloster struikelde en bij ’t vallen mij,
+Die trachtte hem te houden, overboord
+En in ’t gewoel der woeste baren stiet.
+O God, hoe smartlijk scheen ’t mij, te verdrinken!
+Wat vreeslijk waterklotsen in mijn oor!
+Wat beelden van den gruwb’ren dood in ’t oog,
+Mij dacht, ik zag een duizend schrikb’re wrakken,
+Een duizend menschen, waaraan visschen knaagden,
+Goudklompen, reuzige ankers, hoopen paarlen,
+Onschatb’re steenen, tal van prachtjuweelen,
+Op heel den bodem van de zee verspreid;
+In schedels lagen enkele; in de holten,
+Waar oogen eens in huisden, zaten nu,
+Als schimpten zij op oogen, flonkersteenen,
+Het glibb’rig slijk der diepte tegenlonkend,
+En spottend met het doodsgebeente in ’t rond.
+
+STOKBEWAARDER. Hadt gij in ’t oogenblik des doods den tijd
+Om zoo der zee geheimen te bespieden?
+
+CLARENCE. Zoo kwam ’t mij voor, en menigmaal beproefde ik
+Den geest te geven, doch de zee hield wreev’lig
+Mijn ziel steeds vast en liet haar niet ontglippen
+Om de open, ruime, vrije lucht te zoeken;
+Zij deed haar stikken in mijn hijgend lichaam,
+Dat bijna barstte om haar in zee te loozen.
+
+STOKBEWAARDER. Werdt gij niet wakker in dien zwaren doodsstrijd?
+
+CLARENCE. Neen, neen, mijn droom ging nog na ’t leven door; 43
+O toen begon de storm voor mijne ziel!
+Haar bracht, zoo scheen ’t mij, over ’t somb’re water
+De norsche veerman, van wien dichters spreken,
+Naar ’t koninkrijk der nacht, die nimmer eindt.
+En de eerste, die mijn vreemd’lingziel daar groette,
+Was mijner vrouw roemruchte vader Warwick,
+Die luide riep: „Wat gees’ling voor verraad
+Bereidt dit duist’re rijk den valschen Clarence?”
+En zoo verdween hij. Daarna zweefde een schim
+Gelijk een engel nader, ’t lichte haar 53
+Met bloed bevlekt; met luider stemme kreet hij:
+„Clarence is daar, die eedvergeten Clarence,
+Die mij bij Tewksbury op ’t veld doorstak;—
+Grijpt, grijpt hem, Furiën; sleept hem weg ter martling!”
+En, docht mij, een legioen van booze geesten
+Omringde mij en huilde mij in ’t oor,
+Zoo schrikverwekkend, dat ik door ’t gebrul
+Ontwaakte en rilde en nog geruimen tijd
+Niet anders dacht dan in de hel te zijn;
+Zoo diep was in mijn ziel de droom gegrift.
+
+STOKBEWAARDER. Geen wonder, dat hij u ontzette, heer;
+Want van ’t verhaal alleen ben ik ontsteld.
+
+CLARENCE. O stokbewaarder! O, ik deed dat alles,
+Dat tegen mijne ziele nu getuigt,
+Om Edwards wil; en zie, hoe hij ’t mij loont!—
+O God, verzoent geen innig smeeken u,
+Maar eischt gij wrake voor wat ik misdeed,
+O, boet uw grimmigheid alleen op mij,
+Spaar mijn onnooz’le vrouw, mijn arme kinders!—
+Bewaker, ’k bid u, blijf een wijle hier,
+Want mijne ziel is bang, ik wensch te slapen.
+
+STOKBEWAARDER. Dit zal ik, heer; God geve uw hoogheid rust.
+
+(Clarence slaapt in.)
+
+(Brakenbury komt op.)
+
+BRAKENBURY. Het leed verstoort èn wakenstijd èn rustuur,
+En maakt de nacht tot morgen, dag tot nacht.
+Der vorsten een’ge heerlijkheid zijn titels,
+Uitwendig schitt’ren voor inwendig slaven;
+Voor ongenoten hersenschimmen voelen
+Ze een wereld vaak van rustelooze zorg;
+Zoodat van lagen stand een hooge naam
+In niets verschilt dan in den roep der faam.
+
+(De twee Moordenaars komen op.)
+
+EERSTE MOORDENAAR. Hé, wie is daar?
+
+BRAKENBURY. Wat wilt gij kerel? en hoe komt gij hier?
+
+EERSTE MOORDENAAR. ’k Moet Clarence spreken, en ik kwam te voet
+hierheen.
+
+BRAKENBURY. Wat! zoo kortaf?
+
+TWEEDE MOORDENAAR. ’t Is beter dan langwijlig, heer.—
+Laat hem de volmacht zien, en praat niet verder.
+
+(De eerste Moordenaar overhandigt aan Brakenbury een papier.)
+
+BRAKENBURY (na lezing). ’t Is een bevelschrift om in uwe handen
+Den eed’len hertog Clarence uit te leev’ren;
+Ik wil niet vragen, wat hiermee bedoeld is,
+Want aan dit doel wil ik onschuldig zijn.
+Daar slaapt de hertog en hier zijn de sleutels.
+Ik ga terstond den koning kennis geven,
+Dat ik aldus mijn ambt u overdroeg. 99
+
+EERSTE MOORDENAAR. Zoo kunt ge doen, heer; ’t is een wijze keus.
+Vaarwel.
+
+ (Brakenbury af, met den Stokbewaarder).
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Hoe is het, zullen wij hem in den slaap doorsteken?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Neen, hij zou bij het wakker worden zeggen, dat het
+een laffe daad was.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Wel, hij zal niet wakker worden voor den grooten
+oordeelsdag.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Nu, dàn zal hij zeggen, dat wij hem in den slaap
+doorstoken hebben.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Het noemen van dat woord „oordeelsdag” heeft een
+soort van gewetensangst bij mij gaande gemaakt.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Wat! zijt gij bang?
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Niet om hem te dooden, want daartoe heb ik een
+volmacht, maar voor de verdoemenis, als ik hem dood; want waartegen kan
+geen volmacht mij iets helpen.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ik dacht, dat gij vastbesloten waart geweest.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Dat ben ik, om hem te laten leven.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ik ga naar den hertog van Gloster terug en vertel
+het hem.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Neen, ik bid u, wacht nog een oogenblik; ik hoop,
+dat die vlaag van gevoeligheid wel zal overwaaien; zij hield meestal
+slechts een twintig tellens aan.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Hoe voelt gij u nu?
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Er zit nog een klein bezinksel van geweten bij mij.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Denk aan onze belooning, als de daad gedaan is.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Alle duivels, hij sterft; ik was de belooning
+vergeten.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Waar is uw geweten nu?
+
+TWEEDE MOORDENAAR. O, in de beurs van den hertog van Gloster.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Als hij zijn beurs opent om ons te beloonen, vliegt
+uw geweten er uit.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Het doet er niet toe, laat het zijn gang gaan; er
+zijn er weinig of geen, die er huisvesting aan zullen verleenen.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Maar, als het eens bij uzelven terugkomt?
+136
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Dan laat ik mij er niet mee in, het maakt een man
+tot een lafaard; men kan niet stelen, of het klaagt aan; men kan niet
+vloeken, of het valt in de rede; men kan niet bij zijns buurmans vrouw
+liggen, of het speelt voor verrader; het is een bloode, schaamrood
+wordende geest, die in het hart oproer stookt; het stopt een man geheel
+vol zwarigheden; het heeft mij eens een beurs met goud terug doen
+geven, die ik bij toeval gevonden had: het maakt ieder, die het er op
+nahoudt, tot een bedelaar; het wordt als een gevaarlijk ding alle
+steden en vlekken uitgejaagd; en ieder, die een goed leven wil hebben,
+verlaat zich liefst op zichzelf en tracht zonder dat ding te leven.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Waarachtig, het trekt mij daar juist bij de mouw en
+vermaant mij, den hertog niet om te brengen.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Neem u voor den duivel in acht en geloof hem niet;
+hij wil zich alleen bij u indringen, om u aan het zuchten te brengen.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ik ben sterk van natuur; hij krijgt mij niet onder.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Dat is gesproken als een flinke kerel, die zijn naam
+in eere houdt. Kom, willen wij aan ’t werk gaan?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Sla hem met het gevest van uw degen den kop in, en
+smijt hem dan in ’t malvezijvat in de kamer hiernaast.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. O, heerlijk uitgedacht! wij maken een sopje van hem.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Stil, hij wordt wakker.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Sla toe!
+
+EERSTE MOORDENAAR. Neen, we willen een praatje met hem maken.
+
+CLARENCE (ontwakend). Waar zijt gij, wachter? geef me een roemer wijns.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Zoo daad’lijk, heer, bekomt gij wijn genoeg.
+
+CLARENCE. In Gods naam, wie zijt gij?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Een mensch, als gij zijt.
+
+CLARENCE. Doch niet, als ik, een koningszoon.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Noch gij, als wij, trouw dienaar van den troon.
+
+CLARENCE. Uw taal is donder, maar uw blik is schuw.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Mijn taal is koningstaal, mijn blik de mijne.
+
+CLARENCE. Hoe duister en hoe dood’lijk zijn uw woorden!
+Uw oogen dreigen; waarom ziet gij bleek?
+Wie heeft u hier gezonden? waarvoor komt gij?
+
+BEIDE MOORDENAARS. Om, om, om—
+
+CLARENCE. Mij te vermoorden?
+
+BEIDE MOORDENAARS. Juist.
+
+CLARENCE. Gij hebt het hart niet eens, mij dit te zeggen,
+En kunt dus ’t hart niet hebben, zoo te doen.
+Waarmee, mijn vrienden, heb ik u beleedigd?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Niet ons hebt gij beleedigd, maar den koning.
+183
+
+CLARENCE. Eerlang ben ik gewis met hem verzoend.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Neen, nimmer, heer; bereid u dus ter dood.
+
+CLARENCE. Werdt ge uit millioenen door het lot verkoren
+Om de onschuld te vermoorden? Wat misdreef ik?
+Waar is ’t getuignis, dat mij schuldig noemt?
+Waar de gezwoor’nen, die den grammen rechter
+Hun uitspraak overreikten? ’t Bitter vonnis
+Tot dood van de’ armen Clarence, wie, wie streek het?
+Aleer de loop van ’t recht mij schuldig vindt,
+Is ’t dreigen met den dood een schand’lijk onrecht.
+Zoo waar gij op vergeving hoopt van schuld
+Door Christus’ kost’lijk bloed, voor ons vergoten,
+Zeg ik, gaat heen en slaat geen hand aan mij;
+Verdoemlijk is uw voorgenomen daad.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Die voorgenomen daad geschiedt op last.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. En die haar heeft gelast, is onze koning.
+
+CLARENCE. Verdwaasde knechten! aller vorstenkoning,
+Gaf in zijn wet der taaf’len dezen last:
+„Gij zult niet doodslaan!” Wilt gij Zijn gebod
+Vertreden en eens menschen last volbrengen?
+Ziet toe! hij heeft de wraak in Zijne hand
+En slingert ze op der wetsveracht’ren hoofd.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. En de eigen wrake slingert hij op u,
+Voor valschen meineed en nog valscher moord;
+Ge ontvingt het sacrament, dat ge in den strijd
+Zoudt vechten voor het huis van Lancaster.
+
+EERSTE MOORDENAAR. En als verrader aan den name Gods
+Braakt gij dien eed en scheurde uw trouwloos staal
+Den boezem open van uws vorsten zoon.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Wien gij, naar de’ eed, beminnen zoudt en hoeden.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Hoe houdt gij ons Gods hoog gebod voor oogen,
+Gij, die het zelf zoo zwaar geschonden hebt?
+
+CLARENCE. Helaas! voor wien deed ik die snoode daad?
+Voor Edward, voor mijn broeder, hem tot nut;
+Hij zendt u niet, om daarvoor mij te moorden,
+Want in die schuld steekt hij zoo diep als ik.
+Zoo God die daad door wrake wil vergelden,
+O weet, dan doet Hij ’t ook ’t openbaar;
+Neemt gij de straf niet uit Zijn sterke hand;
+Geen krommen weg, geen wetloos doen behoeft Hij,
+Om wie hem heeft beleedigd uit te roeien.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Wie heeft u toen tot bloedgezant gemaakt,
+226
+Toen ge in zijn lentebloei Plantagenet,
+Dien wakk’ren vorstentelg, hebt neergestooten?
+
+CLARENCE. Mijn broedermin, de duivel en mijn toorn.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Uw broeder, onze plicht en uw vergrijpen
+Die zenden ons nu hier, dat we u verslaan.
+
+CLARENCE. O haat,—hebt gij mijn broeder lief,—niet mij;
+Ik ben zijn broeder en ik heb hem lief.
+Zijt gij voor loon gehuurd, zoo gaat terug,
+Wendt namens mij u tot mijn broeder Gloster,
+Die beter u zal loonen voor mijn leven,
+Dan Edward ooit voor ’t melden van mijn dood.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Voorwaar, gij dwaalt; uw broeder Gloster haat u.
+
+CLARENCE. Neen, neen; hij heeft mij lief, ik ben hem dierbaar.
+Gaat slechts van mij tot hem.
+
+BEIDE MOORDENAARS. Wij zullen ’t doen.
+
+CLARENCE. Zegt hem, dat, toen onze eed’le vader York
+Ons drieën met zijn heldenhand gezegend,
+Bezworen heeft elkander lief te hebben,
+Hij luttel zulk een vriendschapsbreuk voorzag;
+Herinnert Gloster dit, en hij zal weenen.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ja, molensteenen, naar zijn les aan ons.
+
+CLARENCE. O, spreek van hem geen kwaad, want hij is goed.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Als sneeuw in de’ oogst-tijd.—Waarlijk, gij bedriegt
+u;
+Hij is het, die ons zendt om u te dooden.
+
+CLARENCE. Het kan niet zijn; hij weende om wat mij trof,
+En klemde mij aan ’t hart, en zwoer al snikkend,
+Dat hij mijn vrijheid dra bewerken zou.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Welnu, dit doet hij, want hij maakt u vrij
+Van aardsche slavernij, voor hemelvreugd.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Verzoen u, heer, met God, want gij moet sterven.
+
+CLARENCE. Hebt ge in uw zielen zooveel vroom gevoel,
+Dat gij mij raadt, met God mij te verzoenen.
+En zijt gij voor uw eigen ziel zoo blind,
+Dat gij, door mij te moorden God wilt tergen?
+Bedenkt het wel: die u heeft aangezet
+De daad te doen, zal om de daad u haten.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Wat nu te doen?
+
+CLARENCE. Wordt week, en redt uw zielen.
+
+EERSTE MOORDENAAR. Week worden! neen, ’t is laf, ’t is vrouwenaard.
+
+CLARENCE. Niet week te worden, dierlijk, woest en duivelsch.
+Spreekt, wie van u, als hij een vorstenzoon was
+En van zijn vrijheid was beroofd als ik,
+Zou, door twee moord’naars zooals gij bedreigd,
+Niet om zijn leven smeeken?
+Mijn vriend, uw blik verraadt mij een’ge deernis;
+O kom, indien uw oog geen vleier is,
+Aan mijne zijde, en smeek voor mij, zooals
+Gijzelf, waart gij in mijnen nood, zoudt smeeken!
+Wat beed’laar schenkt een prins, die bidt, geen deernis?
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Zie achter u, mylord.
+
+EERSTE MOORDENAAR (Clarence doorstekend).
+Neem dit,—en dat;—is dit nog niet genoeg,
+Dan smoor ik u in ’t malvezijvat ginds.
+
+ (De eerste Moordenaar met het lijk af.)
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Een bloedig stuk, gewetenloos volvoerd!
+Hoe gaarne wiesch ik als Pilatus eens,
+Mijn handen rein van dezen gruwelmoord!
+
+(De eerste Moordenaar komt weder op.)
+
+EERSTE MOORDENAAR. Hoe is ’t met u, dat gij niet helpt? de hertog
+Verneemt het, man, ik zweer ’t, hoe laf gij waart!
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Vernam hij eer, dat ik zijn broeder redde!
+Neem gij het loon en meld hem, wat ik zeg,
+Want mij berouwt het, dat de hertog dood is.
+
+ (Tweede Moordenaar af.)
+
+EERSTE MOORDENAAR. Mij rouwt het niet; ga, lafaard, die gij zijt!
+’k Verstop het lijk in de’ een of andren schuilhoek,
+Totdat de hertog last geeft ter begraafnis;
+En heb ik ’t loon, dan weet ik, wie ontvliedt;
+Want dit komt uit, en dan zij ik hier niet.
+
+ (Eerste Moordenaar af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Een vertrek in het paleis.
+
+Koning Edward wordt krank binnengeleid, Koningin Elizabeth, Dorset,
+Rivers, Hastings, Buckingham, Grey en anderen komen op.
+
+KONING EDWARD. Nu,—’k heb een schoone dagtaak afgedaan.—
+Gij, pairs, houdt vast aan de eendracht, nu gesticht;
+Ik wacht van dag tot dag van mijn Verlosser
+Een afgezant, die mij van hier verlost;
+En meer in vrede stijgt mijn ziel ten hemel,
+Nu ik mijn vrienden vrede schonk op aard.
+Rivers en Hastings, reikt elkaâr de hand.
+Voedt geen geheimen haat, bezweert uw vriendschap.
+
+RIVERS. Ik zweer, mijn ziel is rein van haat en wrok;
+Mijns harten vriendschap zegelt deze hand.
+
+HASTINGS. Mij zeeg’ne God, zoo waar ik ’tzelfde zweer!
+
+KONING EDWARD. Ziet toe, dat gij geen spel drijft voor uw vorst,
+Opdat niet aller vorsten Opperheer
+Uw valschheid, hoe verkapt, te schande maak’,
+En elk van u ’t verderf doe zijn des and’ren.
+
+HASTINGS. Zoo bloei’ mijn huis, zoo waar ik vriendschap zweer! 16
+
+RIVERS. En ’t mijn’, zoo waar mij Hastings dierbaar is!
+
+KONING EDWARD. Ook gij, vorstin, zijt hier niet uitgezonderd,—
+Nòch gij, zoon Dorset;—Buckingham, nòch gij;—
+Gij waart in tweedracht met elkaâr; reik, vrouw,
+Lord Hastings, als uw vriend, de hand ten kus;
+En wat gij doet, zij ongeveinsd gedaan.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hier, Hastings;—onzen vroeg’ren haat begraaf ik;
+Zoo waar ga ’t mij en al den mijnen wel!
+
+KONING EDWARD. Dorset, omarm hem;—Hastings, heb hem lief.
+
+DORSET. Ik zweer, dat deze vriendschapsruiling steeds
+Van mijnen kant onschendbaar wezen zal.
+
+HASTINGS. Dit zweer ook ik, mylord.
+
+(Omarming.)
+
+KONING EDWARD. Bezegel, eed’le Buckingham, den vrede;
+Omarm de bloedverwanten mijner vrouw;
+En schenkt mij door uw eendracht blij geluk!
+
+BUCKINGHAM (tot de Koningin). Zoo Buckingham ooit tegen uwe hoogheid
+Zijn wrevel keert en niet voor u en de uwen
+Oprechte liefde voedt, dan straff’ mij God
+Door haat bij hen, wier liefde ik meest verwachtte!
+Wanneer ik meest de hulp eens vriends behoef,
+En mij het zekerst waan van zijne trouw,
+Dan moog’ hij valsch, vol list, bedrog, verraad,
+Mijn onheil zijn! Dit smeek ik van den Hemel,
+Verkilt mijn hart voor u of de uwen ooit!
+
+KONING EDWARD. De zoetste laaf’nis, eed’le Buckingham, 41
+Is die gelofte voor mijn lijdend hart.
+Slechts onzen broeder Gloster mis ik nog
+Om op dit vreêverbond de kroon te zetten.
+
+BUCKINGHAM. En, als geroepen, komt daar de eed’le hertog.
+
+(Gloster komt op.)
+
+GLOSTER. ’k Wensch ’t hooge vorstenpaar een goeden morgen,
+En, eed’le pairs, u allen alle heil!
+
+KONING EDWARD. Ja, wel tot heil werd deze dag besteed.—
+Wij deden, Gloster, hier een christ’lijk werk;
+Wij schiepen vrede uit krijg en liefde uit haat
+Bij deze felle, boos ontvlamde pairs.
+
+GLOSTER. Een rijk gezegend werk, verheven vorst.—
+Zoo een uit deze hooge schare mij
+Door valsch gerucht of ongegronden argwaan
+Zijn vijand acht;
+Zoo ik onwetend of in woeste drift
+Iets heb begaan, dat krenkend wezen mocht
+Voor één uit dezen kring, dan wensch ik mij
+Tot vrede en vriendschap met hem te verzoenen;
+In vijandschap te leven is mij dood;
+Ik haat het, wensch mij aller braven liefde.
+Eerst, hooge vrouwe, smeek ik u om vrede,
+’k Wil dien mij koopen door mijn trouwen dienst;
+Dan u, mijn eed’len neef van Buckingham,
+Zoo tusschen ons ooit een’ge veete woonde;
+Dan u, en u, lord Rivers en lord Dorset,
+Die elk mij toornig aanzaagt zonder grond;
+[En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u;]
+Hertogen, graven, lords,—kortom, u allen.
+Geen Engelschman, die leeft, is mij bekend,
+Met wien mijn ziel een haartje meer verschil heeft,
+Dan ’t wicht, dat deze nacht geboren werd;
+En ’k zeg voor mijnen ootmoed Gode dank.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Voortaan zij deze dag een heil’ge feestdag;—
+Gaav’ God, dat ied’re twist ten einde waar’!—
+Mijn heer en vorst, thans smeek ik van uw hoogheid:
+Schenk onzen broeder Clarence weer uw gunst!
+
+GLOSTER. Wat, hooge vrouw, bood ik u daartoe vriendschap,
+Om zoo voor ’s konings troon bespot te worden?
+Wie weet dan niet, dat de eed’le hertog dood is?
+
+(Allen deinzen terug.)
+
+Het is hem onrecht doen, zijn lijk te hoonen.
+
+KONING EDWARD. Wie weet niet, dat hij dood is! Spreek, wie weet het?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Alziende God, wat wereld is dit hier!
+
+BUCKINGHAM. Zie ik zoo bleek, lord Dorset, als die and’ren?
+
+DORSET. Ja, beste lord; geen mensch in dezen kring,
+Of alle rood is zijn gelaat ontweken.
+
+KONING EDWARD. Is Clarence dood? herroepen werd de last. 86
+
+GLOSTER. Doch de arme stierf door uwen eersten last;
+En dien bracht een gevleugelde Mercurius;
+Een trage kreup’le bracht den tegenlast
+En kwam te laat, om voor zijn graf te zorgen.
+God geev’, dat menigeen, min trouw en edel,
+Door ’t bloed niet, maar door lust naar bloed u nader,
+Niet erger lot verdien’ dan de arme Clarence,
+Al loopt hij thans nog van verdenking vrij!
+
+(Stanley komt op.)
+
+STANLEY. Mijn vorst, een gunst, als dank voor mijne diensten!
+
+KONING EDWARD. O, ’k bid u, zwijg; vol kommer is mijn ziel.
+
+STANLEY. Ik rijs niet op, aleer mijn vorst mij hoort.
+
+KONING EDWARD. Zoo zeg in ’t kort, wat uw verlangen is.
+
+STANLEY. ’t Verbeurde leven van mijn dienaar, heer;
+Hij sloeg vandaag een woesten jonker dood,
+Voormaals een edelknaap van hertog Norfolk.
+
+KONING EDWARD. Heb ik een tong, die mijnen broeder doodt,
+En moet die tong een knecht het leven schenken?
+Mijn broeder deed geen doodslag; in gedachte
+Bestond zijn schuld; toch leed hij bitt’ren dood.
+Wie bad voor hem? wie knielde voor mijn toorn
+En smeekte, dat ik wikken zou en wegen?
+Wie sprak van broederzin? wie sprak van liefde?
+Wie wees er op, hoe de arme de’ afval waagde
+Van grooten Warwick, om voor mij te strijden?
+Wie wees er op, dat hij bij Tewksbury,
+Toen Oxford mij reeds onder had, mij redde,
+En riep: „Leef, dierb’re broeder, wees gij koning!”
+Wie wees er op, hoe, toen wij, saam op ’t veld
+Gelegerd, schier bevroren, hij mij hulde
+In zijne kleed’ren, en ontkleed, ja naakt,
+Zich bloot gaf aan de bitterkoude nacht?
+Dit alles reet een zondig, dierlijk wrokken
+Mij uit de ziel, en niemand uwer was
+Zoo christ’lijk, dat hij ’t mij te binnenbracht.
+Doch als uw voerliên of uw dienstvazallen
+Een dronken moord begaan en ’t kost’lijk beeld
+Des lieven Heilands schenden, daad’lijk ligt
+Gij op de knieën om genâ, genade!
+En ik moet, schoon het onrecht zij, die schenken.
+Doch voor mijn broeder wilde niemand spreken.
+En ik, ook ik, was hard, sprak hem niet voor,
+Hem, de arme ziel!—Elk uwer, ook de fierste,
+Had veel aan hem te danken bij zijn leven;
+Doch geen, geen uwer pleitte ooit voor zijn leven;—
+O God! ik vrees, uw oordeel zal ’t verhalen
+Op mij, op u, op de uwen, op de mijnen! 132
+Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek.
+Ach, arme Clarence!
+
+ (Allen af, behalve Gloster, Buckingham en Stanley.)
+
+GLOSTER. Ziedaar de vrucht van woeste haast!—Gij zaagt wel
+Hoe, wis door schuld, der koningin verwanten
+Verbleekten bij ’t bericht, dat Clarence stierf?
+O, daag’lijks hitsen zij den koning op!
+God zal het wreken. Komt, mylords, wie volgt mij,
+Om door ons bijzijn Edward troost te bieden?
+
+BUCKINGHAM. Wij staan ten dienste, uw hoogheid.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Londen. Een ander vertrek in het paleis.
+
+De hertogin van York komt op, met een Zoon en een Dochter van den
+hertog van Clarence.
+
+ZOON. Grootmoeder, zeg, is onze vader dood?
+
+HERTOGIN. Neen, kind.
+
+DOCHTER. Wat weent gij dan zoo vaak en slaat uw borst,
+En roept:—„O Clarence, mijn rampzaal’ge zoon!”
+
+ZOON. En waarom ziet ge ons aan en schudt het hoofd,
+En noemt ons arme bloeden en verstoot’nen
+En weezen, zoo onze eed’le vader leeft?
+
+HERTOGIN. Dit is verkeerd begrepen, lieve kind’ren;
+Ik ween om ’s konings ziekte, ik ben beangst
+Voor zijn verlies, niet om uws vaders dood.
+Verloren klacht waar’ smart om een verloor’ne!
+
+ZOON. Gij denkt dan toch, grootmoeder, dat hij dood is?
+Mijn oom, de koning, is er schuldig aan;
+En God zal ’t wreken! Hem wil ik bestormen
+Met bede op bede, en alle tot dit doel.
+
+DOCHTER. Dit wil ik ook.
+
+HERTOGIN. Stil, kind’ren, stil! de koning heeft u lief;
+Onnooz’le schaapjes, neen, gij kunt niet gissen,
+Wie de oorzaak van uws vaders sterven is.
+
+ZOON. Toch wel; mijn goede oom Gloster zeide mij:
+De koning, door de koningin gedreven,
+Verzon een aanklacht om hem in te kerk’ren;
+En toen hij ’t mij vertelde, weende oom Gloster,
+Beklaagde mij en kuste teêr mijn wang;
+’k Moest hem vertrouwen, sprak hij, als mijn vader;
+’k Zou hem zoo lief zijn als zijn eigen kind.
+
+HERTOGIN. Ach, dat bedrog zoo zachte trekken steelt,
+En diepe boosheid dekt met deugdzaam mom!
+Hij is mijn zoon, ja, en mijn schande er door,
+Maar zoog aan mijne borst die arglist niet.
+
+ZOON. Grootmoeder, denkt gij, dat mijn oom zou huich’len?
+
+HERTOGIN. Ja, kind. 32
+
+ZOON. Ik kan ’t niet denken. Hoor, welk een gedruisch!
+
+(Koningin Elizabeth komt op, geheel ontdaan, gevolgd door Rivers en
+Dorset.)
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ach, wie wil ’t keeren, dat ik ween en jammer,
+Mijn noodlot boos noem en mijzelve kwel?
+Ik wil, met zware wanhoop in verbond,
+Een vijand worden van mijn eigen ziel.
+
+HERTOGIN. Wat wil hier dit tooneel van felle woestheid?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ach, een bedrijf zijn van een schokkend treurspel;—
+Edward, mijn gade, uw zoon, de koning, stierf!—
+Wat groeien takken, als de stam verging?
+Wat dort het loof niet, dat zijn sappen derft?
+Wilt gij nog leven? weeklaag!—sterven, haast u,
+Opdat de snelbewiekte ziel hem inhaal’,
+Of als gehoorzaam onderdaan hem volg’
+Naar ’t rijk der eeuw’ge nacht, zijn nieuw gebied!
+
+HERTOGIN. Ach, zooveel deel heb ik in uwen rouw,
+Als ik op uwen eed’len gade recht had.
+Ik heb eens dierb’ren gaden dood beweend,
+En leefde in de’ aanblik van zijn evenbeelden;
+Nu zijn twee spiegels van zijn vorst’lijk aanschijn
+Vergruisd tot scherven door den boozen dood,
+En rest slechts één, één valsch glas mij tot troost,
+Waarin ik steeds mijn eigen schande ontwaar.
+Weeuw zijt gij, ja, maar moeder zijt gij nog;
+U is de troost gebleven van uw kind’ren;
+Mij reet de dood mijn echtgenoot uit de armen,
+En nu twee krukken uit de zwakke handen,
+Clarence en Edward. O, wat grond heb ik,—
+Want uw leed is een deel slechts van het mijn;—
+Om uw gekrijt door mijne klacht te smoren!
+
+ZOON. Moei, onzen vader hebt gij niet beschreid;
+Hoe kunnen wij u thans met tranen helpen?
+
+DOCHTER. Bleef onze weezenkommer onbeklaagd,
+Zoo blijve uw weduwsmart ook onbeweend!
+
+KONINGIN ELIZABETH. O, ik behoef uw hulp niet bij mijn jamm’ren;
+’k Ben niet onvruchtbaar, neen, ga groot van klachten.
+Mijn’ oogen vlieten alle bronnen toe;
+Als door de maan, die vloeden wekt, beheerscht,
+Kon ik heel de aard in tranen doen verdrinken!
+O mijn gemaal, mijn heer, mijn dierbare Edward!
+
+DE KINDEREN. O onze vader, dierb’re vader Clarence!
+
+HERTOGIN. O gij, mijn beide zoons, Edward en Clarence!
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wie was mijn steun dan Edward? en hij stierf!
+
+DE KINDEREN. Wie onze steun dan Clarence? en hij stierf. 75
+
+HERTOGIN. Wie was mijn steun dan zij? en beiden stierven.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Nooit leed een weduw zulk een zwaar verlies!
+
+DE KINDEREN. Nooit leden weezen zulk een zwaar verlies!
+
+HERTOGIN. Nooit leed een moeder zulk een zwaar verlies!
+Wee mij, ik ben de moeder dezer smarten;
+Hun leed is stukwerk, mijn leed is ’t geheel.
+Zij weent om eenen Edward, en ik ook;
+Ik ween om eenen Clarence, en zij niet;
+Die kleinen om hun Clarence, en ik ook;
+En ik om eenen Edward, en zij niet;—
+Gij drieën, stort op mij, driewerf verslaag’ne,
+Uw tranen uit; ik, voedster van uw leed,
+Zal ’t rijk’lijk laven met mijn weegeklag.
+
+DORSET. Kalm, lieve moeder! God wordt zeer verstoord,
+Neemt gij met ondank aan, wat hij beschikt.
+Ondankbaar heet het steeds in ’s werelds doen
+Met tragen onwil gelden weer te geven,
+Met milde hand welwillend ons geleend;
+Veel meer dan, zoo te twisten met den hemel,
+Wijl die zijn vorst’lijk leengoed weder eischt.
+
+RIVERS. Denk, eed’le vrouw, nu, als een trouwe moeder,
+Aan uwen jongen prins; zend fluks om hem;
+Hij zij gekroond; in hem leeft thans uw troost
+Berg ’t naamloos wee in ’s dooden Edwards graf,
+En plant uw heil bij ’s jongen Edwards troon.
+
+(Gloster, Buckingham, Stanley, Hastings, Ratcliff en Anderen komen op.)
+
+GLOSTER. Wees, zuster, kalm; wij allen hebben grond
+Om ’t dooven onzer flonkerster te klagen;
+Doch niemand heelt zijn smart door weegeklag.—
+Mijn eed’le moeder, ’k vraag u om vergiff’nis;
+Ik zag uw hoogheid niet.—Deemoedig smeek ik
+U knielend om uw zegen.
+
+HERTOGIN. God zegene u en make uw hart zachtmoedig,
+Gehoorzaam, liefd’rijk, christ’lijk, waar en trouw!
+
+GLOSTER. Amen;—(Ter zijde.) en late als goed oud man mij sterven!
+Want dit is ’t eind steeds van een moederzegen;
+Dat haar genade dit vergat, bevreemdt mij.
+
+BUCKINGHAM. Bedroefde vorsten, diepgebogen pairs,
+Die allen dezen zwaren rouwlast draagt,
+Beurt met elkanders liefde elkander op;
+Zij de oogst van dezen koning nu verteerd,
+Thans moge de oogst van zijnen zoon ons rijpen.
+De tweespalt uwer hooggezwollen harten,
+Zoo kortlings eerst gezet, gespalkt, verbonden,
+Vereischt een teed’re zorg, verpleging, hoede.
+Mij dunkt het goed, dat fluks een klein gevolg
+Den jongen prins van Ludlow halen ga,
+Opdat hij hier als koning zij gekroond. 122
+
+RIVERS. Waarom een klein gevolg, mylord van Buckingham?
+
+BUCKINGHAM. Opdat, mylord, niet door een grooten stoet
+De pas geheelde wond des haats zich oop’ne;
+Wat des te meer gevaarlijk wezen zou,
+Daar alles groen is en nog leiding mist.
+Als ieder ros den teugel in zijn macht heeft,
+En zelf zijn weg naar welgevallen kiest,
+Dan worde, dunkt mij, ook de vrees voor onheil,
+En niet het onheil zelf alleen, verhoed.
+
+GLOSTER. Verzoend heeft ons de koning, hoop ik, allen;
+Vast en onschendbaar is ’t verdrag voor mij.
+
+RIVERS. En ook voor mij, en voor ons allen, denk ik;
+Doch, wijl het jong is, stelle men het niet
+Aan ’t moog’lijk dreigen van een breuke bloot,
+Die door een grooten stoet licht kon ontstaan.
+Daarom zeg ik met de’ eed’len Buckingham:
+Klein zij ’t geleide van den prins hierheen.
+
+HASTINGS. Dit zeg ik ook.
+
+GLOSTER. Zoo zij het dan; en laat ons nu bepalen,
+Wie onverwijld naar Ludlow zullen gaan.
+Komt, bid ik, eed’le moeder, en gij, zuster,
+En meldt, wat hieromtrent uw meening is.
+
+ (Allen af, behalve Buckingham en Gloster.)
+
+BUCKINGHAM. Mylord, wie naar den prins ook reizen moog’,
+Bij God, laat niet ons tweeën achterblijven;
+’k Vind, als begin van ’t afgesproken plan,
+Wel midd’len onderweg om ’t trotsch geslacht
+Der koningin te scheiden van den prins.
+
+GLOSTER. Mijn ander ik, mijn raadsvergadering,
+Mijn godspraak, mijn profeet!—Mijn waarde neef,
+’k Vertrouw mij, als een kind, aan uwe leiding.
+Naar Ludlow dus, wij blijven niet te huis.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+Aldaar. Een straat.
+
+Twee Burgers ontmoeten elkander.
+
+EERSTE BURGER. Zoo, buurman, goeden dag; waarheen zoo haastig?
+
+TWEEDE BURGER. Ja, dit, geloof mij, weet ik nauwlijks zelf.
+En weet gij ’t nieuws?
+
+EERSTE BURGER. Ja, dat de koning dood is.
+
+TWEEDE BURGER. Slecht nieuws, ja; zelden baart de toekomst rozen.
+Ik vrees, ik vrees, er komt een tijd van storm.
+
+(Een ander Burger komt op.)
+
+DERDE BURGER. Gods zegen, buren!
+
+EERSTE BURGER. ’k Wensch u goeden morgen.
+
+DERDE BURGER. Is ’t waar, de goede koning Edward dood?
+
+TWEEDE BURGER. Ja, ja, maar al te waar; sta God ons bij!
+
+DERDE BURGER. Dan, mannen, kunt ge een tijd van storm verwachten.
+
+EERSTE BURGER. Neen, neen; als God wil, wordt zijn zoon nu koning.
+10
+
+DERDE BURGER. Wee, wee den lande, door een kind bestuurd!
+
+TWEEDE BURGER. Neen toch, bij hem valt op bestuur te hopen;
+Zoolang hij klein is, denkt de raad voor hem,
+En in zijn rijp’re jaren heerscht hijzelf;
+Geloof mij, voor en na wordt goed bestuurd.
+
+EERSTE BURGER. ’t Stond evenzoo, toen negen maanden oud,
+De zesde Hendrik te Parijs gekroond werd.
+
+DERDE BURGER. ’t Stond evenzoo? Neen, vrienden, neen, God weet het;
+Toen mocht het land zich op een schat verheffen
+Van welberaden staatsmanskunst; toen had
+De koning deugdrijke ooms tot steun en hoede.
+
+EERSTE BURGER. Deze ook, van vaders- en van moederszijde.
+
+DERDE BURGER. Veel beter stond het, als zij allen waren
+Van vaderszijde, of geen van vaderszijde;
+Want nu treedt ijverzucht, wie ’t naast hem zijn zal,
+Ons allen al te na, zoo God niet helpt.
+O, vol gevaren is de hertog Gloster,
+Der koningin verwanten driest en trotsch;
+Ja, wilden zij beheerscht zijn en niet heerschen,
+Dan had dit kranke land wellicht weer rust.
+
+EERSTE BURGER. Kom, kom, te zwaar getild! het zal wel gaan.
+
+DERDE BURGER. Betrekt de lucht, dan slaan we een mantel om;
+Verliest het woud zijn loof, dan komt de winter;
+Wien meldt het ondergaan der zon geen nacht?
+Na hagelslag en storm wacht elk een duurte.
+’t Kan goed gaan; maar, als God het zoo beschikt,
+Is ’t meer, dan ik verwacht, of wij verdienen.
+
+TWEEDE BURGER. ’t Is waar, een ieders hart is vol van vrees;
+Met wien ge ook spreekt, gij vondt bijna geen mensch,
+Die niet bezorgd er uitziet en vol angst.
+
+DERDE BURGER. Zoo is het altijd, voor verand’ring komt;
+Door hoog’ren aandrang ducht des menschen geest
+Gevaar, dat naakt; zoo zien wij immers ook
+De waat’ren zwellen voor een wilden storm.
+Doch Gode zij ’t vertrouwd! Waar gaat gij heen?
+
+TWEEDE BURGER. Wij werden voor de rechtbank opgeroepen.
+
+DERDE BURGER. Ik eveneens; zoo laat ons samen gaan.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+Aldaar. Een vertrek in het paleis.
+
+De aartsbisschop van York, de jonge hertog van York, koningin Elizabeth
+en de hertogin van York komen op.
+
+AARTSBISSCHOP. Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford,
+En in Northampton rusten zij van nacht,
+Zij zijn dus morgen hier of overmorgen.
+
+HERTOGIN. ’k Verlang van ganscher hart den prins te zien,
+Ik hoop hem sterk gegroeid, sinds ik hem zag.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Men zegt van neen; ’k hoor, dat mijn zoon van York
+Hem in zijn groei bijkans heeft ingehaald.
+
+YORK. Ja, moeder; maar ik had dit liever niet.
+
+HERTOGIN. Waarom, mijn jongen? ’t Is toch goed te groeien.
+
+YORK. Grootmoeder, bij het avondmaal vertelde
+Oom Rivers eens, dat ik veel sneller groeide,
+Dan Edward doet. „Ja,” zeide oom Gloster toen,
+„Een klein gewas is eêl, onkruid groeit veel.”
+En sedert wenschte ik minder sterken groei;
+Eêl kruid komt laat, en onkruid snel in bloei.
+
+HERTOGIN. Voorwaar, voorwaar, dit zeggen ging bij hem,
+Die u dit voor de voeten wierp, niet door;
+Hij was als kind een nietig onderblijfsel,
+Zoo laat en traag in ’t groeien, dat hij, was
+Zijn regel waar, een edel kruid zou zijn.
+
+AARTSBISSCHOP. En zonder twijfel is hij ’t, eed’le vrouwe.
+
+HERTOGIN. Ik hoop het, maar een moeder moge twijf’len.
+
+YORK. Doch hoor eens, ware ’t mij toen ingevallen,
+Ik had mijn eed’len oom een zet gegeven,
+Wat groeien aangaat, erger dan hij mij.
+
+HERTOGIN. Hoe dan, mijn kleine York? vertel het eens.
+
+YORK. Wel dit: men zegt, oom Gloster groeide zoo,
+Dat hij, twee uur pas oud, aan korstjes knaagde;
+Twee jaar was ik, aleer ik tanden kreeg.
+Grootmoeder, zou die zet niet raak geweest zijn?
+
+HERTOGIN. Maar, beste York, wie heeft u dit verteld?
+
+YORK. Zijn min, grootmoeder.
+
+HERTOGIN. Zijn min! die was lang dood bij uw geboorte. 33
+
+YORK. Als zij ’t niet deed, dan weet ik niet meer wie.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Een sluwe knaap! Loop heen, gij praat te vrij.
+
+AARTSBISSCHOP. Doorluchte vrouw, wees op het kind niet boos.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ook kleine kruikjes hebben ooren.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+AARTSBISSCHOP. Daar komt een bode.—Wat voor nieuws?
+
+BODE. Nieuws, heer, waarvan het brengen mij bedroeft.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe vaart de prins?
+
+BODE. Gezond en wel, uw hoogheid.
+
+HERTOGIN. Wat brengt gij dan voor nieuws?
+
+BODE. Lord Rivers en lord Grey, zij zijn naar Pomfret,
+En ook sir Thomas Vaughan, als gevang’nen.
+
+HERTOGIN. En wie nam hen gevangen?
+
+BODE. Hertog Gloster,
+Met hertog Buckingham.
+
+AARTSBISSCHOP. Om welk vergrijp?
+
+BODE. Ik heb gemeld al wat ik melden kan.
+Waarom, waarvoor die eed’len zijn gevat,
+Is mij volkomen onbekend, mylord.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes.
+Nu heeft de tijger ’t slanke ree gepakt,
+En dra vergrijpt verwaten tyrannie
+Zich aan de’ onnooz’len, eerbiedloozen troon.
+Welkom, verdelging, bloedvergieten, slachting!
+Ik zie, als op een kaart, het eindmerk reeds!
+
+HERTOGIN. Gevloekte en onrustvolle tweedrachtsdagen,
+Hoe velen uwer heeft mijn oog aanschouwd!
+Mijn gade viel bij ’t streven naar de kroon;
+En op en neder ging het met mijn zoons,
+Zoodat ik juichte en weende om zege en neêrlaag;
+En nu zij veilig zeet’len, nu de storm
+Van twist voorbij is, voeren zij, die wonnen,
+Krijg met elkander, broeder tegen broeder.
+Bloed tegen bloed, zelf met zichzelf.—O waanzin,
+O dolheid, laat van ’t helsche wrokken af;
+Of doe mij sterven, niets op aard meer zien!
+
+KONINGIN ELIZABETH. Kom, kom, mijn knaap, ras naar de heil’ge
+vrijplaats!—
+Vaar, eed’le vrouwe, wel.
+
+HERTOGIN. Wacht, ik wil mede.
+
+KONINGIN ELIZABETH. ’t Is u niet noodig.
+
+AARTSBISSCHOP (tot de Koningin.) Eed’le vrouwe, ga;
+En berg er ook uw schatten en uw goed’ren.
+Voor mij, ik geef het mij vertrouwde zegel
+Uw hoogheid af; en moge ’t zoo mij gaan,
+Als ik voor u en voor al de uwen zorg!
+Ga, ik geleid u zelf naar ’t heiligdom.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Londen. Een straat.
+
+Trompetgeschal. De Prins van Wales, Gloster, Buckingham, Bourchier en
+Anderen komen op.
+
+BUCKINGHAM. Wees welkom, Prins, in Londen, in uw kamer!
+
+GLOSTER. Welkom, mijn lieve neef, mijns harten koning!
+De lange weg heeft droevig u gestemd.
+
+PRINS. Neen, oom; maar wat mij op mijn weg weervoer,
+Heeft dien mij lang, bedroevend, zwaar gemaakt;
+Ik wenschte meerdere ooms hier tot ontvangst.
+
+GLOSTER. De schuld’looze eenvoud uwer jaren, prins,
+Dook in der wereld arglist nog niet neer
+En niets kunt gij nog aan een man erkennen
+Dan wat hij toont en schijnt; en dit, God weet het,
+Strookt nooit of zelden met des menschen hart.
+Die ooms, die gij u hier wenscht, zijn gevaarlijk;
+Gij gaaft slechts op hun suikerwoorden acht,
+Doch hadt geen oog voor hunner harten gif.
+Voor zulke valsche vrienden hoede u God!
+
+PRINS. Voor valsche vrienden, ja; maar zij zijn ’t niet. 16
+
+GLOSTER. Daar komt de mayor van Londen u begroeten.
+
+(De Lord-Mayor komt op, met Gevolg.)
+
+LORD-MAYOR. God schenke uw Hoogheid heil en blijde dagen!
+
+PRINS. Ik dank u, waarde lord, ik dank u allen.
+
+(De Lord-Mayor en Gevolg treden terug.)
+
+’k Had van mijn moeder en mijn broeder York
+Reeds eerder op mijn weg een groet verwacht;
+Foei, welk een slak is Hastings, dat hij ons
+Niet meldt, of zij in aantocht zijn of niet!
+
+(Hastings komt op.)
+
+BUCKINGHAM. Daar komt de lord juist aan, in ’t zweet zijns aanschijns.
+
+PRINS. Welkom, mylord! Spreek! zal mijn moeder komen?
+
+HASTINGS. Om welke reed’nen, dit weet God, niet ik,
+maar met uw broeder York week uwe moeder
+Ter heil’ge vrijplaats heen; recht gaarne had
+De jonge prins met mij u hier begroet,
+Doch met geweld hield hem zijn moeder ginds.
+
+BUCKINGHAM. Foei, hoe verkeerd en valsch van haar gedaan!— 31
+Lord kardinaal, kan uw genade niet
+De koningin bewegen, hertog York
+Terstond te zenden naar den prins, zijn broeder?
+En weigert zij, ga mee, lord Hastings, scheur
+Hem uit haar achterdochtige armen weg.
+
+KARDINAAL. Mylord, indien mijn zwakke redekunst
+Den hertog van zijn moeder kan verwerven,
+Zoo wacht hem daad’lijk hier. Maar blijft zij doof
+Voor zachte beden, dan verhoede God,
+Dat wij het godd’lijk recht der heil’ge vrijplaats
+Geweld aandoen! Voor heel dit rijk wilde ik
+Niet aan zoo groote zonde schuldig zijn.
+
+BUCKINGHAM. Gij klemt, Mylord, u te kleingeestig vast
+Aan vormen, aan wat de oudheid heilig noemde;
+En ’t is geen heiligschennis hem te grijpen.
+De weldaad van een vrijplaats wordt verleend
+Aan wie er door zijn hand’len recht op heeft,
+En wijs genoeg is, haar voor zich te vord’ren.
+De prins begeert haar niet en heeft geen aanspraak,
+En moet daarom, dunkt mij, haar niet erlangen;
+En dus, wie hem, die daar niet is, er weghaalt,
+Die schendt geen enkel recht of voorrecht daar.
+Ja, ’k hoorde vaak van mannen in een vrijplaats,
+Van kind’ren in een vrijplaats, nooit voor nu!
+
+KARDINAAL. Mylord, voor ditmaal geef ik mij gewonnen.—
+Kom dus, lord Hastings, wilt gij met mij gaan?
+
+HASTINGS. ’k Ben tot uw dienst, mylord.
+
+PRINS. Mijn beste lords, maakt haast, zooveel gij kunt.
+
+ (De Kardinaal en Hastings af.)
+
+Zeg nu, oom Gloster, als mijn broeder komt,
+Waar zullen wij dan huizen tot de kroning?
+
+GLOSTER. Waar uwe koninklijke hoogheid zelf verkiest.
+Maar mag ik u eens raden, neem dan eerst
+Een dag of twee uw rust hier in den Tower,
+En kies daarna ’t verblijf, dat u het best
+Tot uw gezondheid en vermaken dient.
+
+PRINS. Geen plaats staat meer mij tegen dan de Tower.—
+(Tot Buckingham.) Heeft Julius Cæsar hem gebouwd, mylord? 69
+
+BUCKINGHAM. Hij heeft, genadig heer, het slot gesticht,
+Maar later tijden hebben ’t sinds herbouwd.
+
+PRINS. Is ’t overleev’ring slechts, van mond tot mond,
+Of staat het opgeteekend, dat hij ’t bouwde?
+
+BUCKINGHAM. ’t Is opgeteekend, wis, genadig heer.
+
+PRINS. Maar neem eens aan, het ware niet geboekt,
+De waarheid, dunkt mij, moest onsterflijk leven,
+Als ’t ware naverteld aan ’t verste nakroost,
+Zelfs tot den dag, die heel de wereld endt.
+
+GLOSTER (ter zijde). Zoo jong in ’t denken stout, wordt nimmer oud.
+
+PRINS. Wat zegt gij, oom?
+
+GLOSTER. ’k Zeg, roem wordt, ongeboekt, toch immer oud.
+(Ter zijde). Ik spreek, als Boosheid in mysterie-spelen,
+Één woord gebruikend, tweederlei moraal.
+
+PRINS. Die Julius Cæsar was een eenig man,
+Want wat zijn moed voor zijnen geest verwierf,
+Dat schreef zijn geest, zoodat zijn moed bleef leven.
+Dood kan op dien veroov’raar niets veroov’ren;
+Steeds voort leeft hij in roem, na ’s levens eind.—
+Neef Buckingham, wil ik u eens iets zeggen?
+
+BUCKINGHAM. Wat dan, genadig heer?
+
+PRINS. Wanneer ik leven blijf, tot ik een man ben,
+Dan win ik ons oud recht in Frankrijk weer,
+Of sterf als held, gelijk ik leefde als vorst.
+
+GLOSTER (ter zijde). Vroeg wordt na vroege lent de groei geschorst.
+
+(Hastings en de Kardinaal komen weder op, met York.)
+
+BUCKINGHAM. Daar komt te goeder uur de Hertog York.
+
+PRINS. Richard van York? hoe vaart onze eed’le broeder?
+
+YORK. Goed, mijn gebieder! zoo toch heet gij thans.
+
+PRINS. Ja, broeder, mij, gelijk ook u, tot smart;
+Te vroeg stierf hij, die recht had op dien titel,
+Waaraan zijn dood veel majesteit ontnam.
+
+GLOSTER. Hoe gaat het onzen eed’len neef van York?
+
+YORK. Ik dank u, vriend’lijke oom. O! zie, mylord,
+Gij hebt gezegd, dat onkruid welig wast;
+De prins, mijn broeder, wies mij boven ’t hoofd.
+
+GLOSTER. ’t Is zoo, mylord.
+
+YORK. Telt gij hem nu voor onkruid?
+
+GLOSTER. O, beste neef, zoo iets mag ik niet zeggen. 106
+
+YORK. Dan is hij meer in tel bij u dan ik.
+
+GLOSTER. Hij heeft mij te gebieden als mijn vorst,
+Maar gij hebt recht en macht op mij als neef.
+
+YORK. Ik bid u, oom, geef mij dien dolk.
+
+GLOSTER. Dien dolk, mijn kleine neef? van ganscher harte.
+
+PRINS. Gij beed’laar, broeder?
+
+YORK. Ja, bij mijn lieven oom, die gaarne geeft,
+En om een speeltuig, waar men licht van scheidt.
+
+GLOSTER. Ik zoude u gaarne een grooter gave schenken.
+
+YORK. Een grooter gaaf? dat zoude uw zwaard dan zijn.
+
+GLOSTER. Ja, neeflief, maar dat ware veel te zwaar.
+
+YORK. O, dus is ’t lichte waar slechts, die gij schenkt?
+Bij iets gewichtigs zegt gij: „beedlaar, neen!”
+
+GLOSTER. ’t Is u te zwaar, gij kunt het nog niet dragen.
+
+YORK. Al ware ’t zwaarder, wichtig vond ik ’t niet.
+
+GLOSTER. Dus gij verlangt mijn zwaard, mijn kleine prins?
+
+YORK. Ja, en mijn dank zij zoo, als gij mij noemt.
+
+GLOSTER. Hoe dan?
+
+YORK. Slechts klein.
+
+PRINS. Mijn broeder York is altijd boud in ’t praten.—
+Gij weet het met geduld te dragen, oom.
+
+YORK. Niet het te dragen, mij te dragen, meent gij;—
+Mijn broeder, oom, bespot èn u èn mij;
+Hij denkt, omdat ik klein ben als een aapje,
+Dat gij mij op uw schouders dragen moest.
+
+BUCKINGHAM. Hoe rijk aan scherp vernuft is wat hij zegt!
+Om ’t spotten met zijn oom wat te verzachten,
+Steekt hij behendig met zichzelf den draak.
+Zoo slim en nog zoo jong, is wonderbaar!
+
+GLOSTER. Mylord, behaagt het u, thans voort te gaan?
+Ik en mijn goede neef van Buckingham
+Gaan naar uw moeder om haar te overreden,
+Dat ze in den Tower u opzoeke en begroet’.
+
+YORK. Wat! naar den Tower? verkiest gij dit, mylord?
+
+PRINS. Mylord Protector dringt er zeer op aan.
+
+YORK. Ik zal niet rustig slapen in den Tower.
+
+GLOSTER. Waarom, wat zoudt gij duchten?
+
+YORK. Nu, den verstoorden geest mijns ooms, van Clarence;
+Grootmoeder zegt, dat hij er werd vermoord.
+
+PRINS. Ik heb geen vrees voor ooms, die dood zijn.
+
+GLOSTER. En ook voor geen, die leven, hoop ik.
+
+PRINS. ’k Heb, zoo zij leven, niets te vreezen, hoop ik.
+Maar kom, mylord, en met bezwaard gemoed,
+Aan hen steeds denkend, ga ik naar den Tower.
+
+(Trompetgeschal. De prins, York, Hastings, de Kardinaal, en Gevolg
+verwijderen zich, daarna de Lord-Mayor met Gevolg.)
+
+BUCKINGHAM. Denkt gij, mylord, niet, dat die York, die snapper,
+Werd opgestookt door zijn geslepen moeder,
+Om u zoo stout te tarten en te hoonen?
+
+GLOSTER. Ja wis, gewis. O, ’t is een slimme gast,
+Vroegwijs, gevat, vernuftig, vlug en stout,
+Geheel zijn moeder, ja, van top tot teen.
+
+BUCKINGHAM. Nu, laat hen.—Catesby, kom gij hier; gij zwoert
+Een duren eed: te doen wat wij ontwerpen
+En streng te zwijgen, wat we u toevertrouwen.
+We ontvouwden onderweg u onze gronden;—
+Wat dunkt u, zou het een’ge moeite baren,
+William lord Hastings voor ons plan te winnen,
+Dat dezen eed’len hertog op den troon
+Van ons roemruchtig eiland plaatsen wil?
+
+CATESBY. Hij heeft den prins om ’s vaders wil zoo lief,
+Dat hij tot niets de hand leent tegen hem.
+
+BUCKINGHAM. Wat denkt gij dan van Stanley? zou hij willen?
+
+CATESBY. Hij zal in alles zooals Hastings doen.
+
+BUCKINGHAM. Nu dan, genoeg hiervan. Ga, beste Catesby,
+En pols, als ware ’t in ’t verschiet, lord Hastings,
+Hoe hij omtrent ons plan gezind zou zijn;
+En noodig hem op morgen naar den Tower
+Ter raadsvergaad’ring voor de zaak der kroning.
+Bespeurt gij, dat hij naar ons luist’ren wil,
+Zoo wek hem op en zeg hem onze gronden,
+Maar is hij koud, als ijs, en traag, als lood,
+Wees gij ’t dan ook en houd uw woorden in,
+En deel ons mede, hoe zijn stemming is.
+Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad,
+Waarbij uw dienst van hoog belang zal zijn.
+
+GLOSTER. Groet ook van mij lord William; zeg hem, Catesby,
+Dat morgen ’t rot van zijn gezworen haters
+Een aderlating wacht in ’t slot van Pomfret;
+En zeg mijn vriend, dat hij om deze tijding
+Uit vreugd vrouw Shore een kusjen extra geev’.
+
+BUCKINGHAM. Ga, Catesby, ga; volbreng dit met beleid.
+
+CATESBY. Ja, zoo behoedzaam, waarde lords, als moog’lijk. 187
+
+GLOSTER. Wij hooren nog voor slapenstijd van u?
+
+CATESBY. Gewis, mylord.
+
+GLOSTER. In Crosbyhof zult gij ons beiden vinden.
+
+ (Catesby af.)
+
+BUCKINGHAM. En wat, mylord, wat doen wij, als we ontwaren,
+Dat Hastings niet in onze plannen treedt?
+
+GLOSTER. Den kop hem af,—wij zullen overleggen;—
+En hoor, ben ik eens koning, vorder dan
+Het graafschap Hereford met de tilb’re have,
+Eens ’t eigendom des konings, mijnen broeder.
+
+BUCKINGHAM. Ik zal me op uwer hoogheid woord beroepen.
+
+GLOSTER. Dat ik, geloof mij, vriend’lijk houden zal.
+Kom, tijdig nu aan ’t avondmaal, om dan
+Aan onze ontwerpen een’gen vorm te geven.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Voor lord Hastings’ huis.
+
+Een Bode komt op en klopt aan de deur.
+
+BODE. Mylord! mylord!
+
+HASTINGS (binnen). Wie daar?
+
+BODE. Een bode van lord Stanley.
+
+HASTINGS (binnen). Hoe laat is ’t al?
+
+BODE. Op slag van vieren heer.
+
+(Hastings komt op.)
+
+HASTINGS. Uw meester slaapt deez’ trage nachten niet?
+
+BODE. Dit schijnt wel zoo, naar wat ik heb te zeggen.
+Vooreerst zendt hij uw edelheid zijn groet.
+
+HASTINGS. En verder?
+
+BODE. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had,
+Dat de ever hem den helm had afgestooten;
+Ook, zegt hij, wordt een dubb’le raad gehouden;
+En licht wordt in den eenen iets beslist,
+Wat u en hem in de’ and’ren grieven kan.
+Dies vraagt hij, wat uw edelheid besluit,—
+Of gij terstond met hem te paard wilt stijgen,
+En naar het noorden jagen zonder rust,
+Om zoo ’t gevaar, dat hij bevroedt te ontgaan.
+
+HASTINGS. Ga, knaap, en keer tot uwen heer terug;
+Zeg hem, dat hij dien dubb’len raad niet duchte;
+Zijn edelheid en ik zijn bij den eenen,
+En bij den and’ren Catesby, mijn vertrouw’ling,
+Waar niets geschieden kan wat ons betreft,
+Of ik ontvang terstond bericht er van.
+Ja, zeg, zijn vrees is ijdel, zonder grond;
+En droomt hij,—wel, ik dacht hem te verstandig,
+Om ’t guichelspel van slechten slaap te tellen;
+Voor de’ ever vluchten, eer ons de ever aanvalt,
+Dit waar’, den ever tot vervolging prikk’len,
+Tot jagen, als hijzelf er niet aan denkt.
+Ga, vraag uw heer na ’t opstaan hier te komen;
+Dan gaan wij samen rustig naar den Tower,
+Waar hij zal zien, hoe vriend’lijk de ever is.
+
+BODE. Ik zal mylord, hem melden wat gij zegt.
+
+ (Bode af.)
+
+(Catesby komt op.)
+
+CATESBY. Veel morgengroeten aan mijn eed’len lord! 35
+
+HASTINGS. Goên morgen, Catesby; gij zijt vroeg er bij.
+Wat nieuws, wat nieuws in onze’ onzeek’ren staat?
+
+CATESBY. ’t Is waar, mylord, het is een dwarrelwereld;
+Zij komt, geloof ik, niet tot vasten stand,
+Eer Richard met den krans van ’t rijk gesierd is.
+
+HASTINGS. Gesierd is met den krans! meent gij de kroon?
+
+CATESBY. Ja, beste lord.
+
+HASTINGS (op zijn hoofd wijzend). Men moog’ die kroon mij van de
+schouders slaan,
+Eer ik de kroon arglistig zie ontvreemd.
+Kunt gij vermoeden, dat hij er naar streeft!
+
+CATESBY. Zoo waar ik leef, hij doet het; en hij hoopt,
+Dat gij met kracht hem die zult helpen winnen;
+En daarom zendt hij u het heuch’lijk nieuws,
+Dat die uw haters waren, de verwanten
+Der koningin, vandaag in Pomfret sterven.
+
+HASTINGS. Voorwaar, dit nieuws perst mij geen tranen af;
+Zij waren altijddoor mijn tegenstanders;
+Maar dat ik ooit mijn stem aan Richard geef,
+En de echte spruiten van mijn meester uitsluit,
+God weet, dit doe ik niet, al waar’ ’t mijn dood.
+
+CATESBY. God sterke uw lordschap in dit vroom besluit!
+
+HASTINGS. Maar wis, een jaar en langer zal ik lachen,
+Nu ik ’t beleef, van ’t rot, dat bij mijn meester
+In haat mij bracht, het treurspel aan te zien.
+Nu, Catesby, eer ik veertien dagen meer tel,
+Ruim ik nog enk’len op, die ’t nu niet denken.
+
+CATESBY. ’t Is iets verschriklijks, edel heer, te sterven,
+Geheel onvoorbereid en onverwacht.
+
+HASTINGS. O gruw’lijk, gruw’lijk! en zoo is nu ’t lot
+Van Rivers, Vaughan, Grey;—en zoo zal ’t gaan
+Met meerd’ren, die zich even veilig reek’nen
+Als gij en ik, die den doorluchten Richard
+En Buckingham, gij weet het, dierbaar zijn.
+
+CATESBY. Gij zijt bij beide vorsten hoog gezien;
+(Ter zijde.) Zij zien zijn hoofd, als ’t waar’, reeds op de slotpoort.
+
+HASTINGS. Ik weet het, en ik heb ’t aan hen verdiend.
+
+(Stanley komt op.)
+
+Wel zoo, wel zoo, waar is uw zwijnsspriet, man?
+Gij, die den ever ducht, gij wapenloos? 75
+
+STANLEY. Mylord, goên morgen,—goeden morgen, Catesby.—
+Nu, spot maar toe, maar, bij het heilig kruis,
+Ik houd van dien gesplitsten raad niet, ik.
+
+HASTINGS. Mylord, mijn hoofd is mij zoo lief als u,
+En nooit, in heel mijn leven, dit verklaar ik,
+Heb ik het zoo op prijs gesteld als nu.
+Denkt gij, dat, als ik mij niet veilig achtte,
+Ik zoo zou triumfeeren als ik doe?
+
+STANLEY. De lords in Pomfret reden opgeruimd
+Uit Londen weg en waanden zich recht veilig,
+En hadden inderdaad geen grond tot argwaan;
+En toch, hoe snel was niet de dag bewolkt!
+De snelle dolkstoot van dien wrok verschrikt mij;
+Geev’ God, dat ik mij nood’loos lafaard toon’!—
+Nu, wilt gij naar den Tower? Het wordt hoog tijd.
+
+HASTINGS. Kom, kom, gerust!—Weet gij ’t, mylord? De lords,
+Waarvan gij spreekt, verliezen heden ’t hoofd.
+
+STANLEY. Als trouw besliste, stond het hoofd hun vaster,
+Dan menigeen, die hen verklaagt, de hoed.
+Maar kom nu, laat ons gaan.
+
+(Een Herautsdienaar komt op.)
+
+HASTINGS. Ga voor; ’k heb dezen vriend nog iets te zeggen.
+
+ (Stanley en Catesby af.)
+
+Wel man, hoe gaat het u?
+
+HERAUTSDIENAAR. Zoo veel te beter,
+Nu ’t uwe lordschap zoo genadig vraagt.
+
+HASTINGS. Ik zeg u, man, mij vrij wat beter dan
+Toen gij de laatste maal mij hier ontmoet hebt;
+Toen ging ik als gevang’ne naar den Tower,
+Wijl de aanhang van de koningin dit dreef;
+Maar nu, zeg ik u, gaan,—doch houdt dit voor u!—
+Vandaag, die mij vervolgden, zelf ter dood,
+En ik heb meer gezag dan ooit voordezen.
+
+HERAUTSDIENAAR. Dat God dit, naar uw wensch, bij u bestendig!
+
+HASTINGS. Dank, knaap.—Daar, neem, en drink dit op mijn heil.
+
+(Hij werpt hem zijn beurs toe.)
+
+HERAUTSDIENAAR. Ik dank uw edelheid.
+
+ (Herautsdienaar af.)
+
+(Een Priester komt op.)
+
+PRIESTER. Gij daar, mylord? ’t Verheugt mij u te zien.
+
+HASTINGS. Heer John, ik dank u en van ganscher harte.
+’k Ben voor den laatsten kerkdienst in uw schuld;
+Kom de’ eersten sabbat, en ik maak het goed.
+
+(Buckingham komt op.)
+
+BUCKINGHAM. Lord kamerheer, wat, in gesprek met priesters! 114
+De priester koom’ uw vrienden ginds in Pomfret
+Te stade; uw lordschap heeft nog niet te biechten.
+
+HASTINGS. Voorwaar, toen ik dien heil’gen man hier zag,
+Toen stonden zij, van wie gij spreekt, mij voor.
+Zeg, gaat gij naar den Tower?
+
+BUCKINGHAM. Ja zeker, maar ik kan niet lang er blijven,
+En ga er vóór uw edelheid vandaan.
+
+HASTINGS. Licht moog’lijk, want ik blijf er middagmalen.
+
+BUCKINGHAM (ter zijde). En avondeten ook, al denkt gij ’t niet.—
+Kom gaat gij mee?
+
+HASTINGS. Ten dienste van uw lordschap.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+Pomfret. Voor het slot.
+
+Ratcliff komt op met een Wacht, die Rivers, Grey en Vaughan ter
+terechtstelling geleidt.
+
+RIVERS. Sir Richard Ratcliff, laat mij dit u zeggen;—
+Op heden zult ge een onderdaan zien sterven
+Voor eer en trouw en kreukloos plichtbetoon.
+
+GREY. Bescherme God den prins voor uw gebroedsel!
+Gij zijt een vloekgespuis, dat dorst naar bloed.
+
+VAUGHAN. Gij leeft, doch zult hier eenmaal wee om roepen!
+
+RATCLIFF. Voort, voort! de tijd uws levens is voorbij.
+
+RIVERS. O Pomfret, Pomfret! bloedig kerkerkot,
+Voor eed’le pairs noodlottig, onheilspellend!
+In ’t zondvol perk van uwe wallen werd
+Richard de tweede hier ter dood gehouwen;
+En thans, uw gruwelplek tot nieuwen smaad,
+Ontvangt gij ons onschuldig bloed te drinken.
+
+GREY. Nu valt Marg’retha’s vloek ons op het hoofd,
+Die kreet, voor Hastings, u en mij geslaakt,
+Bijstanders bij den moord haars zoons door Richard!
+
+RIVERS. Toen trof haar vloek ook Buckingham, ook Richard,
+Trof Hastings ook.—O God, wees dit indachtig,
+Hoor haar gebed voor hen, als nu voor ons!
+Doch voor mijn zuster en haar koningstelgen
+Zij U, mijn God, ons eerlijk bloed genoeg,
+Gij weet het, onrechtvaardig hier geplengd!
+
+RATCLIFF. Maakt spoed, uw sterfuur is alreeds voleind.
+
+RIVERS. Kom Grey, kom, Vaughan, hier elkaar omarmd,—
+Vaartwel, hierboven zien we elkander weer!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+Londen. Een zaal in den Tower.
+
+Buckingham, Stanley, Hastings, de Bisschop van Ely, Ratcliff, Lovel en
+Anderen, aan een tafel gezeten; Dienaren van den raad op den
+achtergrond.
+
+HASTINGS. Nu, eed’le pairs, wat ons hier samenriep,
+Is ’t reeg’len van de kroning; in Gods naam,
+Spreek, wanneer is die koninklijke dag?
+
+BUCKINGHAM. Is alles voor het hooge feest gereed?
+
+STANLEY. Alleen ’t bepalen van den dag blijft over.
+
+ELY. Dan acht ik morgen wel een goede dag.
+
+BUCKINGHAM. Wie meldt ons, wat de Lord Protector wenscht?
+Wie is van de’ eedlen hertog de vertrouwde?
+
+ELY. Dit zal waarschijnlijk uw genade zijn.
+
+BUCKINGHAM. Wij kennen van gelaat elkaar; —maar ’t hart,—
+Hij kent het mijn’ niet beter dan ik ’t uwe,
+En ik zoo min het zijne als gij het mijne.
+Lord Hastings, gij en hij zijt zeer bevriend.
+
+HASTINGS. Ja, dank den vorst, ik ben zijn vriend, dit weet ik;
+Doch wat zijn plan betreft omtrent de kroning,
+Heb ik hem niet gepolst, noch heeft hijzelf
+Mij meegedeeld, wat zijn believen is.
+Maar wilt gij, eed’le lords, den dag bepalen,
+Dan zal ik stemmen in des hertogs naam,
+Wat hij mij, denk ik, wel ten goede houdt.
+
+(Gloster komt op.)
+
+ELY. Daar komt, te rechter tijd, de hertog zelf.
+
+GLOSTER. Mijn waarde lords en neven, goeden morgen!
+Ik heb recht lang geslapen; doch ik hoop,
+Niets van belang bleef door mijn afzijn rusten,
+Wat door mijn hierzijn voortgang hadd’ gehad.
+
+BUCKINGHAM. Waart ge op uw wachtwoord niet gekomen, prins,
+Dan had lord Hastings uwe rol gesproken,
+Uw stem doen hooren, wat de kroning aangaat.
+
+GLOSTER. Wie stout moog’ zijn, lord Hastings meer dan allen;
+Zijn lordschap kent mij goed en heeft mij lief.
+Mylord van Ely, ik heb laatst in Holbron
+Aardbeien, prachtige, in uw tuin gezien,
+Ik bid u, laat mij eens een proefje komen.
+
+ELY. Volgaarne, heer; ’t is mij een waar genoegen.
+
+ (De Bisschop af.)
+
+GLOSTER. Mijn neef van Buckingham, een woord met u. 37
+
+(Hij neemt Buckingham ter zijde.)
+
+Catesby heeft Hastings over ’t plan gepolst,
+En vindt dat stugge heerschap zoo vol vuur,
+Dat hij zijn hoofd verliezen wil, eer ’t kind
+Zijns meesters, zooals hij eerbiedig spreekt,
+’t Bezit van Eng’lands troon verliezen zal.
+
+BUCKINGHAM. Ga even uit de zaal, heer; ik kom na.
+
+ (Gloster af, gevolgd door Buckingham.)
+
+STANLEY. Wij hebben ’t hooge feest nog niet bepaald.
+Op morgen is wat al te spoedig, dunkt mij;
+Want ik ben zelf nog zoo niet toegerust,
+Als ik zou zijn, wanneer ’t verschoven werd.
+
+(De Bisschop van Ely komt terug.)
+
+ELY. Waar is mylord, de hertog Gloster?
+Ik zond om ’t aardbeiproefjen iemand heen.
+
+HASTINGS. De hertog ziet van morgen opgeruimd;
+Een streelend denkbeeld zweeft hem voor den geest,
+Als hij zoo vroolijk goeden morgen wenscht.
+Ik acht, dat niemand in de christenheid
+Zijn liefde en haat zoo slecht verbergt als hij;
+Wat hij op ’t hart heeft, leest ge op zijn gelaat.
+
+STANLEY. Wat leest gij van zijn hart dan op ’t gelaat
+Door ’t een of ander teeken, dat hij toonde?
+
+HASTINGS. Wel, dat hij tegen niemand hier iets heeft;
+Zijn trekken hadden anders ’t wis verraden.
+
+(Gloster en Buckingham komen terug.)
+
+GLOSTER. Ik bid u allen, zegt, wat zij verdienen,
+Die mij naar ’t leven staan door duivelsplannen
+Van vloek’bre hekserij, en reeds mijn lijf
+Door helsche tooverkunst aan ’t kwijnen brachten?
+
+HASTINGS. Mijn vuur’ge liefde tot u dringt mij, heer,
+Dat ik vóór allen in deez’ eed’len kring,
+Wie schuldig zijn, veroordeel; wie ze ook zijn,
+Den dood, heer, zeg ik, hebben zij verdiend.
+
+GLOSTER. Ziet dan met eigen oogen ’t schendig stuk.
+Aanschouw, hoe ik behekst ben; ziet, mijn arm
+Is als een loot, die wegkwijnt, ingeschrompeld;
+’t Is ’t werk van Edwards vrouw, die booze heks,
+Verbonden met die veile snol, vrouw Shore;
+Die merkten door haar hekserij mij zoo.
+
+HASTINGS. Als zij door zulk een doen, mijn eed’le vorst,—
+
+GLOSTER. „Als!” gij beschermer van die vloekb’re snol,
+Spreekt gij van „Als?”—Gij zijt een aartsverrader;—
+Het hoofd hem af!—ja, bij Sint Paul, ik zweer,
+Ik roer geen spijs aan, vóór ik dit aanschouw.—
+Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede;—
+En wie mij liefheeft, sta nu op en volg’ mij.
+
+ (Gloster en Buckingham, met den Staatsraad af; alleen Hastings, Lovel
+ en Ratcliff blijven.)
+
+HASTINGS. Wee, wee, om Eng’land! geenszins, neen, om mij! 82
+Want ik, verdwaasde, had dit kunnen keeren.
+Wat Stanley droomde van des evers stoot,
+Heb ik bespot en ’k heb de vlucht versmaad.
+Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld,
+En ’t ging aan ’t steig’ren bij het zien des Towers,
+Als schuwde ’t, mij te dragen naar het slachthuis.
+Nu is de priester, dien ik sprak, mij noodig;
+En nu berouwt mij, dat ik dien heraut,
+Te triumfeerend, zeide, dat mijn haters
+In Pomfret heden bloedig sterven moesten,
+En ik mij veilig voelde in gunst en eer.
+O Margaretha, Margaretha! zwaar
+Treft thans uw vloek des armen Hastings’ hoofd.
+
+RATCLIFF. Kom aan, maak voort; de hertog wil aan tafel,
+Biecht dus wat kort, hij wacht reeds op uw hoofd.
+
+HASTINGS. O vluchtig gunstbetoon van stervelingen,
+Meer dan de gunst van God door ons bejaagd!
+Wie hoop bouwt op den adem van uw glimlach,
+Leeft als een dronken zeeman op een ra,
+Dien ied’re schomm’ling neer te sling’ren dreigt
+In de opgesperde kaken van het diep.
+
+LOVEL. Kom, kom, maak voort; geen jamm’ren helpt u hier.
+
+HASTINGS. O Richard, man des bloeds!—Rampzalig Eng’land!
+De jammervolste tijden spel ik u,
+Die deze gruwelwereld ooit aanschouwde.
+Komt, mij naar ’t blok, en hem mijn hoofd gebracht;
+Wie spot, zie toe! hij volgt mij, eer hij ’t wacht.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+Binnen de muren van den Tower.
+
+Gloster en Buckingham komen op, in oude harnassen en zeer slordig
+gewaad.
+
+GLOSTER. Komaan, neef, kunt gij sidd’ren en verbleeken,
+Uw adem smoren midden in een woord,
+En dan op nieuw gaan spreken, weer verstommen,
+Als waart gij schier waanzinnig, dol van schrik?
+
+BUCKINGHAM. Gerust! den besten speler boots ik na,
+Zie om bij ’t spreken, gluur naar elken kant,
+Ik beef en staar, wanneer een stroohalm trilt,
+En teeken diepen argwaan; holle blikken
+Staan mij ten dienst en ook gedwongen lachjes,
+En beide steeds gereed en op hun post,
+Om aan mijn listen luister bij te zetten.
+Maar Catesby is gegaan, niet waar?
+
+GLOSTER. Ja zeker;
+En, zie, ook weer terug, en met den mayor.
+
+(De Lord-Mayor en Catesby komen op.)
+
+BUCKINGHAM. Lord-Mayor,—
+
+GLOSTER. Gij daar, let op de slotbrug! 15
+
+BUCKINGHAM. Hoor, een trom!
+
+GLOSTER. Snel, Catesby, naar den muur, zie uit!
+
+BUCKINGHAM. Lord-Mayor, de reden, dat wij zonden,—
+
+GLOSTER. Zie om, verweer u, hoor, de vijand komt!
+
+BUCKINGHAM. God, en onze onschuld, zie het en verweer’ ons!
+
+(Lovel en Ratcliff komen op, met Hastings hoofd.)
+
+GLOSTER. Geen onraad! vrienden zijn ’t: Ratcliff en Lovel.
+
+LOVEL. Hier is het hoofd des snooden aartsverraders,
+Van Hastings, vol gevaar, en nooit verdacht.
+
+GLOSTER. Zoo lief was mij de man, dat ik moet weenen.
+Ik hield hem voor ’t eenvoudigst goedig schepsel,
+Dat adem had op aarde als christenmensch;
+’k Had hem tot boek gekozen, waar mijn ziel
+’t Geheimste, dat zij dacht, in nederschreef;
+Zoo glad vernis van deugd gaf hij zijn ondeugd,
+Dat, zijn bekende zonde niet gerekend,—
+Zijn omgang, meen ik, met de vrouw van Shore,—
+Hij ied’re smet van de’ argwaan bleef ontgaan.
+
+BUCKINGHAM. En toch, hij was de gluip’rigste verrader,
+Die ooit geleefd heeft.
+(Tot den Lord-Mayor.) Spreek, hadt gij ’t kunnen denken of gelooven,—
+Als wij niet door bijzond’re redding leefden
+En ’t u getuigden,—dat die aartsverrader
+Beraamd had, heden in de raadzaal mij
+En onzen goeden hertog te vermoorden?
+
+MAYOR. Wat, deed hij dit?
+
+GLOSTER. Wel, denkt gij, dat wij Turken zijn of heid’nen,
+En, tegen alle rechtsvorm in, zoo ijlings
+De doodstraf aan dien schurk voltrokken hadden,
+Zoo niet de hachlijkheid van ’t oogenblik
+En Eng’lands vrede en onze veiligheid
+Ons had genoopt zoo snel te werk te gaan?
+
+MAYOR. Nu, heil zij u! hij heeft zijn dood verdiend;
+En beiden deedt gij wel, mylords, verraders
+Van dergelijke plannen af te schrikken.
+
+BUCKINGHAM. Ik had niets beters meer van hem verwacht,
+Sinds hij zich eens verslingerde op vrouw Shore.
+
+GLOSTER. Doch ’t was ons plan niet, dat hij sterven zou,
+Eer gij, mylord, getuige er van kondt zijn,
+Wat dezer vrienden welgemeende spoed,
+Iets vuur’ger dan wij wenschten, heeft verhinderd.
+Ik had gewild, heer, dat gij dien verrader
+Hadt hooren spreken en van schrik en angst
+Het plan en doel van zijn verraad belijden,
+Opdat gij hiervan aan de burgerij 59
+Verslag kondt doen, die nu wellicht om hem
+Ons zal miskennen en zijn dood betreuren.
+
+MAYOR. Maar, beste heer, uw woord volstaat geheel,
+Als had ik hem gezien en hooren spreken,
+En twijfelt niet, ik deel, doorluchte prinsen,
+Den trouwen burgers mee, hoe gij hierin
+Geheel naar de’ eisch van ’t recht gehandeld hebt.
+
+GLOSTER. Juist hierom wenschten wij uw lordschap hier,
+Om elk verwijt te ontgaan der booze wereld.
+
+BUCKINGHAM. Doch kwaamt ge ook voor ons doel hier iets te laat,
+Getuig toch, wat gij hoort, dat wij bedoelden.
+En nu, Lord-Mayor, mijn waarde heer, vaarwel!
+
+ (De Lord-Mayor af.)
+
+GLOSTER. Ga, volg, volg op den voet, neef Buckingham.
+Naar Guildhall gaat de mayor in alle haast;
+Toon daar, zooveel de tijd u gunstig schijnt,
+De onechtheid aan van Edwards kroost; vertel hun,
+Hoe Edward eens een burger hangen liet,
+Die had gezegd, dat zijn zoon erfgenaam
+Der kroon zou zijn; hij had zijn huis bedoeld,
+Dat naar het gevelteeken zoo genoemd werd.
+Dan, schilder hun zijn boozen, wulpschen lust,
+Zijn dierlijk jagen naar gestâge wiss’ling,
+Dienstmaagden, dochters, vrouwen hun belagend,
+Wààr ook zijn vlammend oog, zijn roofziek hart,
+In toomloos blaken zich een prooi verkoos.
+Ja, tref desnoods in zoo ver ook mijzelf:
+Zeg hun, dat, toen mijn moeder van dien woest’ling,
+Van Edward, groot ging, de doorluchte York,
+Mijn hooge vader, oorlog voerde in Frankrijk,
+En door nauwkeur’ge tijdsbereek’ning vond,
+Dat dit kind niet een spruit van hem kon zijn,
+Wat ook door al zijn trekken zich verried,
+Die geenszins naar mijn eed’len vader zweemden.
+Doch roer dit met verschooning aan, van verre,
+Omdat, zooals gij weet, mijn moeder leeft.
+
+BUCKINGHAM. Ducht niets, mylord, ik zal voor reed’naar spelen,
+Als ware ’t gulden loon, waar ik voor pleit,
+Voor mij bestemd. En nu, mylord, vaarwel.
+
+GLOSTER. En breng hen, zoo gij slaagt, naar Baynard’s slot; 98
+Daar treft gij mij in goed, eerwaard gezelschap:
+Bisschoppen, wijs, geleerd, en vrome vaders.
+
+BUCKINGHAM. Ik ga; en tegen drie, misschien vier uur,
+Verneemt gij ’t nieuws, dat Guildhall u verschaft.
+
+ (Buckingham af.)
+
+GLOSTER. Ga, Lovel, spoed u ras naar doctor Shaw,—
+En gij (Tot Catesby.) naar broeder Penker;—beiden wensch ik
+In Baynard’s slot te spreken, binnen ’t uur.
+
+ (Lovel, Catesby en Ratcliff af.)
+
+In de eerste plaats geef ik nu heim’lijk last,
+’t Gebroed van Clarence uit het oog te voeren,
+En streng bevel, dat niemand, wie ook, ooit
+Wordt toegelaten tot de beide prinsen.
+
+ (Gloster af.)
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+Een straat in Londen.
+
+Een Kanselarijschrijver komt op.
+
+KANSELARIJSCHRIJVER. Hier heb ik de aanklacht van den goeden Hastings,
+In ’t net geschreven met een staande hand,
+Dat elk ze heden in Sint Paul kan lezen.
+En zie, hoe alles fraai te zamen hangt:
+Elf uren kostte mij het overschrijven,
+Want Catesby zond het stuk mij gist’renavond;
+Het stellen duurde wis geen kort’ren tijd;
+En toch, vijf uur geleden leefde Hastings,
+Nog onbeschuldigd, onverhoord, vrank, vrij.
+Een schoone wereld thans!—Wie is zoo stomp,
+Dat hij ’t bedrog, zoo tastbaar, niet doorziet,
+En wie zoo stout te zeggen, wat hij ziet?
+Boos is de wereld; alles gaat te grond,
+Sluit vrees bij zulk een boosheid elk den mond.
+
+ (Schrijver af.)
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+Londen. Het binnenhof van Baynard’s slot.
+
+Gloster komt van de eene zijde op, Buckingham van de andere.
+
+GLOSTER. Hoe is ’t, hoe is ’t, wat zegt de burgerij?
+
+BUCKINGHAM. Nu, bij de heil’ge moeder onzes Heeren,
+De burgerij is stom, zij zegt geen woord.
+
+GLOSTER. En spraakt gij van de onechtheid van de prinsen?
+
+BUCKINGHAM. Ja, en van ’t echtverdrag met lady Lucy,
+En zijn verloving in Parijs bij volmacht,
+En van zijn booze lusten, nooit verzaad,
+Het dwingen tot zijn wil van burgervrouwen,
+Zijn woeden om een niets, van zijn onechtheid,
+Daar hij verwekt moet zijn, terwijl zijn vader
+In Frankrijk was, alsook van zijn gelaat,
+Dat geen gelijk’nis met den hertog toonde;
+En toen maakte ik gewag van uwe trekken,
+En schetste u als uws vaders evenbeeld
+Door vorm zoowel als adel van gemoed,
+En sprak van al uw Schotsche zegepralen,
+Uw krijgsbeleid, uw wijsheid in den vrede,
+Uw goedheid, deugd en vrome need’righeid;
+Niets inderdaad, wat tot uw doel kon leiden,
+Werd niet vermeld, of vluchtig slechts genoemd;
+En ’k riep, toen ik aan ’t eind was mijner rede,
+Een elk, die Eng’land liefhad, op, te juichen:
+„God zegen’ Richard, Eng’lands heer en koning.”
+
+GLOSTER. En deden zij ’t? 23
+
+BUCKINGHAM. Neen, help’ mij God! zij spraken zelfs geen woord;
+Als stomme beelden, ademende steenen,
+Zoo staarden zij, doodsbleek, elkander aan.
+Dit ziende, gispte ik hen en vroeg den mayor,
+Wat dit halsstarrig zwijgen moest beteek’nen.
+Die zeide, ’t volk was niet gewoon, dat iemand
+Hen toesprak, dan de man, wiens ambt het was.
+Die moest nu, wat ik had gezegd, herhalen:
+„Zoo zegt de hertog, zoo beweert de hertog,”
+Maar sprak geen enkel woord om ’t zelf te staven.
+Hij zweeg; toen wierpen enk’len mijner lieden,
+Aan ’t eind der zaal, de muts omhoog; en tien,
+Twaalf stemmen riepen: „Leve koning Richard!”
+Fluks deed ik met die wein’gen nu mijn voordeel
+En sprak: „Dank, lieve vrienden, wakk’re burgers;
+Die algemeene en blijde bijvalskreet
+Toont, dat gij wijs zijt en u Richard lief is.”
+En snel brak ik toen af en ging van daar.
+
+GLOSTER. Wat stomme blokken! wilden zij niet spreken?
+
+BUCKINGHAM. ’k Verzeker u, geen woord, mylord.
+
+GLOSTER. En wil de mayor niet komen met de zijnen?
+
+BUCKINGHAM. De mayor is reeds nabij. Toon u bezorgd;
+Wees niet te spreken dan op sterken aandrang;
+En, hoor, neem een gebedenboek ter hand,
+En neem aan elke zijde een geest’lijk heer,
+Want op dien grond vertrouw ik, hen te stichten.
+Geef ook aan hun verzoek niet snel gehoor,
+Maar speel een meisjesrol: zeg „neen,” en grijp het.
+
+GLOSTER. Ik ga; doet gij voor hen uw woord zoo goed,
+Als ik voor mij u antwoord geef met neen,
+Dan kunnen we op een heuchlijk slagen reek’nen.
+
+BUCKINGHAM. Ga, ga, ’t balkon op! de lord-mayor klopt aan.
+
+ (Gloster af).
+
+(De Lord-Mayor komt op, met Aldermans en andere Burgers.)
+
+Mylord, wees welkom; ja, ik schilder hier;
+Licht moog’lijk is de hertog niet te spreken.
+
+(Catesby komt uit het slot.)
+
+Nu, Catesby, geeft de hertog mij gehoor?
+
+CATESBY. Hij vraagt, dat uw genade, waarde lord,
+Op morgen hem bezoeke, of overmorgen.
+Hij is in ’t slot met twee eerwaarde vaders
+In geest’lijke overpeinzing gansch verdiept;
+Hij wil niet, dat een wereldsch doel hem dringt,
+Nu van die heilige oef’ning af te zien. 64
+
+BUCKINGHAM. Vriend Catesby, ga nog eens tot de’ eed’len hertog;
+Zeg hem, dat ik, de mayor en aldermans
+Met ernstig doel, om zaken van gewicht,
+Niets minder dan ons aller welzijn rakend,
+Een onderhoud met zijn genade wenschen.
+
+CATESBY. Ik wil ’t hem daad’lijk melden, edel heer.
+
+ (Catesby af.)
+
+BUCKINGHAM. Nu, deze prins, mylord, is niet een Edward,
+Niet op een weeld’rig rustbed uitgestrekt,
+Neen, neergeknield in heilige overpeinzing;
+Niet met een paar boelinnen dartel schertsend,
+Neen, peinzend met een paar geleerde priesters;
+Niet slapend om het trage lijf te mesten,
+Neen, biddend om zijn wakk’re ziel te sterken;
+Gelukkig Eng’land, zoo de vrome vorst
+Het koningschap des lands aanvaarden wilde!
+Edoch, ik vrees, ons smeeken is vergeefsch.
+
+MAYOR. Verhoede God, dat zijn genade neen zegt!
+
+BUCKINGHAM. Ik vrees, dit doet hij. Daar is Catesby weer.
+
+(Catesby komt weder op.)
+
+Nu, Catesby, wat is ’t antwoord van zijn hoogheid?
+
+CATESBY. Hij staat verbaasd, waarom gij zulk een macht
+Van burgers voor zijn slot verzameld hebt;
+En daar dit niet vooraf hem werd gemeld,
+Zoo ducht hij, dat gij weinig goeds bedoelt.
+
+BUCKINGHAM. Het doet mij leed, dat mijn doorluchte neef
+Vermoedt, dat ik iets kwaads bedoelen kan.
+Bij God, de reinste liefde voert ons hier!
+Ga dus nog eens en zeg dit zijn genade.
+
+ (Catesby af).
+
+Zijn vrome lieden aan hun rozenkrans,
+Dan valt het zwaar, hen daarvan af te lokken;
+Zoo zoet voor ’t hart is ijv’rig overpeinzen.
+
+(Gloster verschijnt boven, op een balkon, tusschen twee bisschoppen.
+Catesby komt terug.)
+
+MAYOR. Zie, zijn genade met twee heil’ge mannen!
+
+BUCKINGHAM. Twee deugdpilaren voor een christenvorst,
+Beletsels, dat hem ijdelheid ten val brengt!
+En in zijn hand, zie, een gebedenboek,
+Echt sieraad, om een vromen man te kennen.
+Plantagenet, roemruchtig, waardig vorst,
+Verleen een gunstig oor aan ons verzoek,
+En duid het storen van uw vromen ijver
+En christ’lijke overdenking ons niet euvel.
+
+GLOSTER. Geen verontschuldiging, mylord, is noodig;
+Ik vraag u, dat gij ’t mij niet euvel duidt,
+Dat ik, verzonken in den dienst mijns Gods,
+Gedraald heb met de ontvangst van mijne vrienden.
+Maar nu, wat is ’t, dat uw genade wenscht?
+
+BUCKINGHAM. Iets, wat aan God en alle braven, hoop ik, 109
+In dezen onbeheerden staat, behaagt.
+
+GLOSTER. Ik heb vermoeden, dat ik iets beging,
+Wat in der burg’ren oogen onrecht is,
+En dat gij mijn onachtzaamheid komt laken.
+
+BUCKINGHAM. Zoo is ’t, mylord; en mocht het u behagen,
+Op onze beê ’t verzuim weer goed te maken!
+
+GLOSTER. Leef ik niet daarvoor in een christenland?
+
+BUCKINGHAM. Zoo weet dan, dit is uw verzuim: gij laat
+Den hoogen stoel, den troon der majesteit,
+De sceptervoering van uw voorgeslacht,
+Uw rang door ’t lot, uw aanspraak door geboorte,
+Den erfroem van uw koninklijken stam,
+Aan de’ uitwas over van een valschen tak.
+De zachtheid van uw domm’lige gedachten,
+Die wij tot welzijn van het land hier wekken,
+Berooft dit edel eiland van zijn leden;
+Misvormd is zijn gelaat door schandemerken,
+Zijn vorstenstam geënt met wilde rijzen,
+Schier neergestort in de’ opgesperden afgrond
+Der diepste en donkerste vergetelheid.
+Om dit verderf te keeren, smeeken wij,
+Dat uw genade zelf den last aanvaarde
+En ’t koninklijk bewind in dit uw land,
+Niet als protector, ruwaard, plaatsvervanger,
+Als slaafsch bewerker van eens anders winst,
+Neen, als ’t van lid tot lid aan u gekomen
+Geboorterecht, uw eigen erf en rijk.
+Dies kom ik, mij vereenend met de burgers,
+Uw vrienden, die u eeren en beminnen,
+En op hun vuur’gen drang, om uw genade
+Voor ons en onze goede zaak te stemmen.
+
+GLOSTER. Ik weet niet, of stilzwijgend heen te gaan,
+Of u met scherpe reed’nen te bestraffen,
+Met mijnen rang en uwen staat best strookt;
+Antwoord ik niet, misschien zoudt gij vermoeden,
+Dat schuilende eerzucht, stom, bereid zich toont
+Om ’t gulden juk van ’t koningschap te dragen,
+Waar gij mij dwaaslijk mee beladen wilt;
+En doe ik u verwijten voor uw bede,
+Die uwe trouwe liefde zoo mij kruidt,
+Dan stoot ik mijne vrienden voor het hoofd.
+Ik spreek dus, en ontga zoo de eerste klip;
+Maar wil bij ’t spreken ook de tweede ontwijken;
+En daarom zij mijn stellig antwoord dit:
+Uw liefde is wis mijn dank waard; doch mijn waarde,
+Verdienst’loos is ze, en schuwt uw hoog verlangen.
+Vooreerst, ware ied’re hindernis gekapt
+En heel de weg mij naar de kroon geëffend,—
+Als waar’ gerijpt, wat mijn geboort’ mij schonk,—
+Dan blijft mijns geestes armoê toch zoo groot,
+En wat me ontbreekt zoo machtig en zoo veel,
+Dat ik veel liever wegschuil voor mijn grootheid,—
+Een boot mij wetend, die geen zee kan bouwen,—
+Dan dat ik in mijn grootheid schuilen wil
+En stikken in den nevel van mijn glorie. 164
+Doch, Gode dank! gij hebt mij niet van noode;
+En ’k ware in nood, hadt gij voor hulp mij noodig;—
+De koningsboom liet koningsvrucht ons na,
+Die, door den stillen gang des tijds gerijpt,
+Der majesteit gestoelte eens sieren zal,
+En wis door zijn bewind ons heil verzeek’ren.
+Hem leg ik op, wat gij op mij wilt leggen,
+Het recht en erfdeel van zijn goed gesternte;
+En God verhoede, dat ik ’t hem ontrukk’!
+
+BUCKINGHAM. Mylord, dit toont een nauwgezet gemoed;
+Doch uw bezwaren zijn gezocht en nietig,
+Wanneer gij alles grondig overweegt,
+Gij zeidet: Edward is uws broeders zoon;
+Wij zeggen ’t ook,—maar niet van Edwards vrouw;
+Want eerst was hij verloofd met lady Lucy,—
+Uw moeder, die nog leeft, kan dit getuigen;—
+En later werd hij ondertrouwd bij volmacht
+Met Bona, zuster van den Franschen koning.
+Die beiden schoof hij ras ter zij; er kwam
+Een arme smeekelinge, een neergebogen,
+Berooide moeder van verscheiden zoons;
+En die bedrukte, half verlepte weduw,
+Den middag van haar goeden tijd voorbij,
+Verraste, boeide en won zijn dartel oog,
+En bracht het hoogste streven van zijn geest
+Tot diepen val en boozen dubbelecht.
+Bij haar, in dat onwettig bed, verwekte
+Hij Edward, uit beleefdheid prins genoemd.
+Nog snijdender kon ik uw recht u toonen,
+Doch uit ontzag voor enk’len, die nog leven,
+Perk ik mijn tong verschoonend grenzen af.
+Neem dus, mylord, thans voor uw vorstlijk hoofd
+De waardigheid, die wij u bieden, aan,
+Zoo niet om ons en heel het land te zeeg’nen.
+Ten minste om de’ eed’len stam, waaruit gij sproot,
+Die door ’t bedrog des tijds verbast’ren zou,
+Zijn echten, rechten wasdom weer te geven.
+
+MAYOR. Stem toe, mylord; uw burgers bidden ’t u.
+
+BUCKINGHAM. Wijs, hooge vorst, niet af, wat liefde u biedt.
+
+CATESBY. Maak hen verheugd; verhoor hun wettig smeeken.
+
+GLOSTER. Ach, waarom dringt gij deze zorg mij op?
+Ik deug niet voor vertoon en majesteit;—
+Ik bid u, neemt het mij niet euvel af,
+Ik kan en wil uw wenschen niet verhooren.
+
+BUCKINGHAM. Als gij niet wilt,—als uwe liefde huivert, 208
+Dat kind, uws broeders zoon, de kroon te ontnemen,
+Gelijk uws harten zachtheid ons bekend is,
+Uw teed’re, weeke, vrouw’lijk zachte denkwijs,
+Die gij voor uw verwanten,—’t bleek ons,—voedt,
+Ja eveneens, voorwaar, voor alle standen,—
+Zoo weet: of ge onzen wensch verhoort of niet,
+Uws broeders zoon heerscht nimmer hier als vorst;
+Wij planten iemand anders op den troon,
+Tot smaad en ondergang van heel uw huis;
+Met dit besluit verlaten wij u thans.
+Komt, burgers, komt; bij God, ik smeek niet meer!
+
+GLOSTER. O vloek toch niet, mylord van Buckingham!
+
+(Buckingham en de Lord-Mayor gaan heen, de Burgers volgen.)
+
+CATESBY. Roep hen terug, geliefde prins, verhoor hen;
+Wijst gij hen af, geheel het land zal boeten.
+
+GLOSTER. Wat dwingt gij mij een wereld op van zorgen?
+Roep hen terug; ik heb geen hart van steen,
+Maar ben door vriendensmeeking te vermurwen,
+
+(Catesby houdt de reeds vertrekkende burgers terug en gaat heen.)
+
+Al zegg’ mijn ziel en mijn geweten neen.—
+
+(Buckingham, de Lord-Mayor en de overigen komen terug, met Catesby.)
+
+Mijn neef van Buckingham, en acht’bre mannen,
+Wijl gij ’t geluk mij op de schouders gespt,
+Om, of ik wil of niet, zijn last te dragen,
+Moet ik me er onder buigen, met geduld;
+Maar als nu zwarte laster, bitt’re smaad,
+Ooit in ’t vervolg verschijnen van uw dwang,
+Dan spreke uw noodzaak, die mij bukken deed,
+Mij vrij van elke blaam en elke smet;
+’t Is God bekend, en deels ziet gij het zelf,
+Hoe ver van mij begeerte en eerzucht is.
+
+MAYOR. God loon ’t u, heer! wij zien ’t, en zullen ’t zeggen.
+
+GLOSTER. En als gij ’t zegt, is ’t waarheid, wat gij zegt.
+
+BUCKINGHAM. Zoo groet ik thans u met uw koningsnaam:
+Lang leve Richard, Eng’lands waardig koning!
+
+ALLEN. Amen!
+
+BUCKINGHAM. Behaagt het u, dat morgen ’t kronen volge?
+
+GLOSTER. Als ’t u behaagt: gij zijt het, die het wilt.
+
+BUCKINGHAM. Op morgen dus verzellen wij uw hoogheid;
+En nemen afscheid met blijmoedig hart.
+
+GLOSTER (tot de Bisschoppen.) Komt, gaan wij weder aan ons heilig
+werk.—
+Vaarwel, mijn neef;—vaartwel, mijn lieve vrienden!
+
+ (Allen af).
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Voor den Tower.
+
+Van de eene zijde komen op: Koningin Elizabeth, de Hertogin van York en
+de Markies van Dorset; van de andere zijde: Anna, hertogin van Gloster,
+met Clarence’s kleine dochter Margaretha Plantagenet, aan de hand.
+
+HERTOGIN. Wie zie ik daar? Plantagenet, mijn kleinkind,
+En door moei Gloster bij de hand geleid!
+Zoo waar ik leef, recht hart’lijk gaat zij daar
+De jonge prinsen in den Tower bezoeken.—
+Welkom, mijn dochter!
+
+ANNA. God verleene u beiden
+Een morgen, die geluk en vreugde u breng’!
+
+KONINGIN ELIZABETH. U, goede zuster, ook! Waar gaat gij heen?
+
+ANNA. Niet verder dan den Tower; en, naar ik gis,
+Heeft uwe bedevaart hetzelfde doel:
+Den lieven prinsen daar een groet te brengen.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dank, lieve zuster; allen gaan wij saam. 11
+
+(Brakenbury komt op.)
+
+En juist van pas komt daar de commandant.—
+Heer commandant, met uw verlof, ik bid u,
+Hoe maakt de prins het en mijn kleine York?
+
+BRAKENBURY. Zeer goed, vorstin; maar, wil het mij vergeven.
+Ik mag niet toestaan, dat gij hen bezoekt;
+De koning heeft uitdrukk’lijk dit verboden.
+
+KONINGIN ELIZABETH. De koning! wie?
+
+BRAKENBURY. Ik meen den Lord Protector.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Behoede God hem voor dien koningstitel!
+Plaatst hij zich tusschen hunne liefde en mij?
+Ik ben hun moeder; wie verspert hen mij?
+
+HERTOGIN. Ik ben huns vaders moeder; ’k wil hen zien.
+
+ANNA. En ik hun moei, in liefde hun een moeder;
+Laat mij dus binnen; ’k neem uw schuld op mij;
+Ik schors u,—en ’t gevaar voor mijne reek’ning.
+
+BRAKENBURY. Neen, eed’le vrouw, ik neem geen schorsing aan;
+Ik deed een eed er voor; vergeef mij dus.
+
+ (Brakenbury af.)
+
+(Stanley komt op.)
+
+STANLEY. Waar’ dit uur reeds verstreken, eed’le vrouwen,
+Dan groette ik uw genâ van York als moeder
+En leidsvrouw van twee schoone koninginnen.—
+(Tot Anna.) Kom, eed’le vrouwe, haast u naar Westminster;
+U wacht de kroon als Richards koningin. 33
+
+KONINGIN ELIZABETH. O, snijd mijn keurslijf los;
+Mijn hart, beklemd, wil ruimte voor zijn kloppen,
+Of ik bezwijm bij zulk een moordend nieuws!
+
+ANNA. O booze tijding! O onwelkom nieuws!
+
+DORSET. O kalmte!—moeder, spreek, hoe gaat het u?
+
+KONINGIN ELIZABETH. O Dorset, spreek niet tot mij, spoed u heen;
+Dood en verderf vervolgt u op de hiel;
+Uw moeders naam is kind’ren tot een voorspook.
+Wilt gij den dood ontgaan, vlucht over zee,
+En ga tot Richmond, uit den greep der hel.
+Ga, haast u, haast u, uit dit slachthuis voort,
+Of gij vermeêrt het aantal hier der dooden,
+En ’k sterf geboeid door Margaretha’s vloek:
+„Geen moeder, vrouw, noch Eng’lands koningin!”
+
+STANLEY. Vol wijze zorg is deze uw raad, vorstin.—
+(Tot Dorset.) Gebruik het vluchtig voordeel van elk uur;
+Ik schrijf aan mijnen zoon om uwentwil,
+Zoodat hij onderweg u tegenkomt:
+Laat u niet vangen door onzinnig toeven.
+
+HERTOGIN. O onheilzaaiend stormweer van ellende!—
+O mijn gevloekte schoot, gij bed des doods;
+Der wereld hebt ge een basilisk gebroed,
+Wiens onontwijkbare oogstraal moordend is!
+
+STANLEY. Kom nu, vorstin; men zond vol haast mij uit.
+
+ANNA. En ik zal gaan, het hart vol tegenzin.—
+O, gave God mij, dat de koningswrong
+Van goud, die mij het hoofd omspannen moet,
+Roodgloeiend ijzer ware en ’t brein mij zengde!
+De zalf zij dood’lijk gif, opdat ik sterv’,
+Eer iemand roepe: „Leev’ de koningin!”
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ga, arme ziel; uw glans benijd ik niet;
+Wensch niet, tot troost voor mij, uzelve leed.
+
+ANNA. Waarom? geen leed?—Toen hij, mijn gade thans,
+Op mij, die ’t lijk van Hendrik volgde, toetrad,
+Toen ’t bloed nauw van zijn handen was gewischt,
+Het bloed diens engels, van mijn and’ren gade,
+En van den heil’ge, dien ik weenend volgde,—
+O, toen ik op ’t gelaat van Richard staarde,
+Was dit mijn wensch: „Wees gij vervloekt, die mij,
+Zoo jong, tot zulk een oude weduw maakt!
+En zoo gij huwt, omware leed uw bed, 74
+En zij uw vrouw,—is één ooit zoo verdwaasd,
+Rampzaal’ger door uw leven, dan gij mij
+Gemaakt hebt door den dood mijns dierb’ren gaden!”
+En zie, eer ik den vloek herhalen kon,
+In korter tijd nog, werd mijn vrouwehart
+Plompweg gevangen door zijn honigwoorden,
+Werd zelf het doelwit van mijn eigen vloek,
+Die sinds mijn oogen alle rust ontroofde;
+Want nooit, geen enkel uur, werd in zijn bed
+De gulden dauw des zoeten slaaps mijn deel,
+Of ik werd wakker door zijn bange droomen.
+Daarbij, hij haat mij om mijn vader Warwick
+En zal wis dra van mij ontslagen zijn.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Vaarwel, arm hart, uw klagen treft mij diep.
+
+ANNA. Niet dieper, dan mijn ziel uw leed betreurt.
+
+DORSET. Vaarwel gij, die met smart uw glans begroet!
+
+ANNA. Vaar, arme, wel, die afscheid er van neemt!
+
+HERTOGIN (tot Dorset.) Ga gij naar Richmond, goed geluk geleide u!—
+(Tot Anna.) Ga gij naar Richard, eng’lengoedheid hoede u!
+(Tot Koningin Elizabeth.) Ga naar uw vrijplaats, goede troost vervulle
+u!
+Ik naar mijn graf, waar ik in vrede ruste;
+’k Heb tachtig jaren leed en zorg gekend;
+Elk uur van lust bracht weken van ellend!
+
+KONINGIN ELIZABETH. Toef nog, zie met mij om en groet den Tower.—
+Heb deernis, oud gebouw, met die twee kind’ren,
+Die boosheid in uwe muren heeft geprangd!
+Gij, ruwe wieg voor zulke lieve knapen!
+Rotsharde voedster, somb’re speelgenoot
+Voor teed’re prinsen, zorg voor mijne kleenen!
+Zoo smeekt mijn dwaze smart tot uwe steenen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Een staatsiezaal in het paleis.
+
+Trompetgeschal. Richard, gekroond, Buckingham, Catesby, een Page, en
+Anderen komen op.
+
+KONING RICHARD. Gij allen, gaat ter zij.—Neef Buckingham,—
+
+BUCKINGHAM. Mijn heer en vorst!
+
+KONING RICHARD. Reik mij de hand. (Richard beklimt den troon.) Door
+uwen raad, uw bijstand,
+Is koning Richard nu zoo hoog gezeteld;
+Maar zal nu deze glans ons slechts een dag,
+Of zal hij ons door duurzaamheid verheugen?
+
+BUCKINGHAM. Hij leve steeds en blijve u immer bij.
+
+KONING RICHARD. O Buckingham, nu speel ik eens voor toetssteen,
+En zie of gij van goud zijt, louter goud.—
+Prins Edward leeft.—Raad, wat ik zeggen wil.
+
+BUCKINGHAM. Spreek verder, beste heer.
+
+KONING RICHARD. Nu, Buckingham, ik meen, ’k wil koning zijn.
+
+BUCKINGHAM. Dat zijt gij ook, mijn hooggeprezen heer.
+
+KONING RICHARD. Zoo, ben ik koning? Ja,—maar Edward leeft. 14
+
+BUCKINGHAM. Ja, edel vorst.
+
+KONING RICHARD. O bitter boos vervolg,
+Dat: „Jeugdige Edward leeft.”—„Ja, edel vorst.”—
+Neef, vroeger waart gij zoo stompzinnig niet;—
+Moet ik het zeggen?—’k Wensch de bastaards dood;
+En ik zou willen, dat het ras gedaan wierd.
+Wat zegt gij nu? Spreek daad’lijk, zeg het kort.
+
+BUCKINGHAM. Uw hoogheid kan zijn welgevallen doen.
+
+KONING RICHARD. Hoe is ’t? gij zijt één ijs; uw vuur is koud.
+Spreek, heb ik uw belofte, dat zij sterven?
+
+BUCKINGHAM. Geef mij een oogwenk lucht en rust, mijn vorst,
+Aleer ik mij verklaar in deze zaak;
+Ik zal u spoedig mijn besluit doen kennen.
+
+ (Buckingham af.)
+
+CATESBY (ter zijde). De vorst is boos; hij bijt zich op de lip.
+
+KONING RICHARD (komt van zijn troon af.) ’k Wil narren om mij heen met
+ijz’ren brein,
+En onbedachte knapen; niemand past mij,
+Die met behoedzaam oog mijn hart doorvorscht.
+Die Buckingham, die ’t hooge zoekt, wordt lastig.
+Knaap!
+
+PAGE. Mijn vorst?
+
+KONING RICHARD. Weet gij niet iemand, wien verleid’lijk goud
+Zou koopen voor een heim’lijk werk des doods?
+
+PAGE. Ik ken een ontevreden edelman,
+Wiens armoê met zijn hoogmoed kwalijk strookt;
+Geen twintig reed’naars roerden zoo zijn hart
+Als goud, om hem tot alles te verlokken.
+
+KONING RICHARD. Hoe is zijn naam?
+
+PAGE. Zijn naam, mylord, is Tyrrel.
+
+KONING RICHARD. Ik weet van hem. Ga, knaap, en haal hem hier.
+
+ (De Page af.)
+
+De sluwe, diepe peinzer Buckingham
+Zal niet meer bij mijn raadslag naast mij staan;
+Bleef hij zoo lang mij onvermoeid ter zijde,
+En hijgt hij nu naar adem?—Nu, het zij!—
+
+(Stanley komt op.)
+
+Gij daar, lord Stanley? wat voor nieuws? 45
+
+STANLEY. Mijn genadig vorst,
+De markgraaf Dorset, hoor ik, is gevlucht,
+Tot Richmond, in de streken waar hij toeft.
+
+KONING RICHARD. Catesby, een woord. (Stanley treedt terug.)—Strooi uit
+bij ’t volk, dat Anna,
+Mijn vrouw, gevaarlijk, zeer gevaarlijk, ziek is;
+Ik zorg wel, dat zij buiten toegang blijft.
+En spoor me een kalen jonker op, wien ik
+Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven;—
+De knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.—
+Hoe is het droomt gij?—’k Zeg nog eens verbreid,
+Dat Anna ziek is, en wel sterven zal;
+Aan ’t werk! want ik moet zorgen, ied’re hoop,
+Die door haar groei mij schaden kon, te rooien!—
+
+ (Catesby af.)
+
+Mijns broeders dochter moet ik huwen, anders
+Staat heel mijn koningschap op dun, broos glas.—
+De zoons vermoorden, dan de dochter huwen?
+Onzeek’re kans, ja; maar ik waadde in bloed
+Zoo ver, dat zonde zonde baren moet.
+Geen schreiend meêlij woont er in dit oog.—
+
+(De Page komt terug met Tyrrel.)
+
+Uw naam is Tyrrel?
+
+TYRREL. James Tyrrel, uw gehoorzaamste onderdaan.
+
+KONING RICHARD. Zijt gij dit waarlijk?
+
+TYRREL. Toets mij, groote vorst.
+
+KONING RICHARD. Sloegt gij wel een van mijne vrienden dood?
+
+TYRREL. Als ’t u behaagt; twee vijanden nog liever.
+
+KONING RICHARD. Dat hebt gij juist getroffen. ’k Heb er twee,
+Aartsvijanden, die slaap en rust mij rooven,
+Die ’k wenschte, dat gij onder handen naamt;
+Tyrrel, ik meen de bastaards in den Tower.
+
+TYRREL. De toegang sta mij open, en weldra
+Zijt gij van alle vrees voor hen bevrijd.
+
+KONING RICHARD. Dit klinkt mij als muziek. Kom nader, Tyrrel;
+Ga, met dit teeken.—Sta nu op, en luister;
+
+(Hij fluistert.)
+
+Dat is ’t, niets meer;—bericht mij: ’t is gedaan,
+En reken op mijn gunst en op bevord’ring.
+
+TYRREL. Ik ga terstond aan ’t werk.
+
+ (Tyrrel af.)
+
+(Buckingham komt op.)
+
+BUCKINGHAM. Mylord, ik heb die zaak eens overwogen,
+Die vraag, waar gij mij over hebt gepolst.
+
+KONING RICHARD. Nu, laat dat.—Dorset is gevlucht naar Richmond.
+
+BUCKINGHAM. Dit hoor ik ook, mylord.
+
+KONING RICHARD. Stanley, hij is uw stiefzoon, geef wel acht.
+90
+
+BUCKINGHAM. Mijn vorst, ik bid nu om het mij beloofde,
+Waarvoor gij woord en eere hebt verpand,
+Het graafschap Hereford en de tilb’re have,
+Waarvan gij mij ’t bezit verzekerd hebt.
+
+KONING RICHARD. Let, Stanley, op uw vrouw; verzendt zij brieven
+Aan Richmond, gij zijt er aanspraak’lijk voor.
+
+BUCKINGHAM. Wat zegt uw hoogheid op mijn billijk vragen?
+
+KONING RICHARD. Het staat mij voor,—Hendrik de Zesde heeft
+Voorspeld, dat Richmond koning worden zou,
+Toen Richmond nog een nietig knaapje was.
+Koning!—wellicht—
+
+BUCKINGHAM. Mijn vorst,—
+
+KONING RICHARD. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon,
+Dat ik, die bij hem stond, hem dooden zou?
+
+BUCKINGHAM. Mijn vorst, het mij beloofde graafschap—
+
+KONING RICHARD. Richmond!—Ik was onlangs in Exeter;
+Daar liet de burgemeester ’t slot mij zien,
+En noemde ’t Rougemont; bij dien naam rilde ik,
+Omdat een Iersche bard mij eens voorspelde,
+Dat ik na ’t zien van Richmond veeg zou zijn.
+
+BUCKINGHAM. Mijn vorst,—
+
+KONING RICHARD. Nu ja, hoe laat is ’t?
+
+BUCKINGHAM. Ik waag het, uwe hoogheid te herinn’ren
+Aan wat mij werd beloofd.
+
+KONING RICHARD. Nu goed; maar zeg, hoe laat?
+
+BUCKINGHAM. Op slag van tienen.
+
+KONING RICHARD. Goed, laat het slaan.
+
+BUCKINGHAM. Waarom dit: „Laat het slaan?”
+
+KONING RICHARD. Wijl tusschen mijn gedachten en uw beed’len
+Uw slag steeds komt, als van een klokkeventje,
+Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag.
+
+BUCKINGHAM. Zoo? Dan—verklaar mij, of gij wilt, of niet.
+
+KONING RICHARD. Gij hindert mij, ik heb geen milde bui.
+
+ (Koning Richard en Gevolg af.)
+
+BUCKINGHAM. Zoo, staat het zoo? betaalt hij al mijn diensten
+Met zulk een hoon? maakte ik hem daarvoor koning?
+Ik spiegel mij aan Hastings; en ik snel,
+Reeds veeg, naar Brecknock, eer de bijl mij vell’.
+
+ (Buckingham af.)
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+Aldaar.
+
+Tyrrel komt op.
+
+TYRREL. Het bloedig stuk, de gruwel is gepleegd,
+De zwartste daad van deerniswaarden moord,
+Waar ooit dit land de schuld van op zich laadde.
+Dighton en Forrest, die ik had gehuurd
+Voor dit meedoogenlooze slachterswerk,—
+Ofschoon aartsschurken, honden heet naar bloed,
+Zij smolten weg in teederheid en meêlij,
+Als kind’ren, bij ’t verhaal huns droeven doods.
+„O, zoo,” sprak Dighton, „lag het lieve paar,”
+„Zoo, zoo,” sprak Forrest, „beide’ elkaâr omstreng’lend
+Met hunne schuldelooze albasten armen,
+De lippen als vier rozen ééner plant,
+Die in haar zomerpracht elkander kusten;
+’t Gebedenboek lag bij hen, op hun peluw;
+Wat,” zeide Forrest, „schier mijn ziel bekeerde,
+Maar, o, de duivel!”—plots’ling zweeg de schurk,
+En Dighton sprak toen verder:—„Wij versmoorden
+Het liefste meesterwerk, dat ooit natuur
+Sinds de’ eersten dag der schepping had gevormd.”
+Voort ijlden beiden vol gewetenswroeging;
+Zij konden niet meer spreken; ’k liet hen gaan,
+Om zelf den moord’naar-koning ’t nieuws te melden.
+
+(Koning Richard komt op.)
+
+Daar komt hij.—Alle heil, mijn heer en koning!
+
+KONING RICHARD. Vriend Tyrrel, maakt uw tijding mij gelukkig?
+
+TYRREL. Wanneer ’t gedaan zijn van ’t gegeven werk
+U, heer, gelukkig maakt, wees dan gelukkig;
+Het is gedaan.
+
+KONING RICHARD. Gij zaagt toch zelf hen dood?
+
+TYRREL. Ja, heer.
+
+KONING RICHARD. En ook begraven, beste Tyrrel?
+
+TYRREL. De kapelaan des Towers heeft hen begraven,
+En ’k weet, moet ik erkennen, zelf niet waar.
+
+KONING RICHARD. Kom tot mij, Tyrrel; spoedig, in de voornacht;
+Dan moet gij mij vertellen, hoe zij stierven.
+Bedenk ook, hoe ik u beloonen kan,
+En wees weldra bezitter van uw wensch.
+Vaarwel intusschen!
+
+TYRREL. Need’rig neem ik afscheid.
+
+ (Tyrrel af.)
+
+KONING RICHARD. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid;
+Zijn dochter uitgetrouwd in lagen stand; 37
+In Abrams schoot zijn Edwards zoons ter rust;
+En Anna zeî der wereld goede nacht.
+Nu, daar ik weet, dat de Bretagner, Richmond,
+Mijn jonge nicht Elizabeth wil eig’nen,
+En door dien echtknoop vlamoogt op de kroon,
+Ga ik tot haar, als flink, begeerlijk vrijer.
+
+(Catesby komt op.)
+
+CATESBY. Mijn vorst,—
+
+KONING RICHARD. Goed nieuws of slecht, dat gij zoo binnenstormt?
+
+CATESBY. Slecht nieuws heer: Ely is gevlucht naar Richmond;
+En Buckingham staat met de stoute knapen
+Van Wales in ’t veld, en daag’lijks groeit zijn macht.
+
+KONING RICHARD. Ely bij Richmond wekt mij grooter zorg,
+Dan Buckingham’s bijeengeraapte troep.
+Kom! Dit heb ik geleerd, dat angstig wikken
+De looden dienaar is van traag verzuim,
+Verzuim slaktrage, macht’looze armoe brengt.
+Daarom, wees gij mijn vleugel, vuur’ge spoed,
+Wees mijn Mercuur, mijn bode, vol van gloed!—
+Ga, monster volk; mijn schild zij kort beraad;
+Staat oproer schrap, dan brenge kloekheid baat!
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+Voor den Tower.
+
+Koningin Margaretha komt op.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zoo, nu toch wordt de voorspoed overrijp,
+En valt ras in den rotten muil des doods.
+Ik heb in deze streken sluw geloerd,
+Het tanen mijner vijanden bespied.
+Een gruw’lijk voorspel zie ik opgevoerd,
+En wil naar Frankrijk, hopend, dat, wat volgt,
+Niet minder bitter, zwart en tragisch blijk’!
+Ter zijde, onzaal’ge Margareet; wie komt daar?
+
+(Zij gaat ter zijde.)
+
+(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York komen op.)
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mijn arme prinsen! ach mijn teed’re knapen!
+O onontloken bloemen, geur’ge knoppen!
+Indien, door eeuw’ge kluisters niet bekneld,
+Uw lieve zielen door het luchtruim waren,
+Zoo zweeft nu op uw luchtwiek om mij heen,
+En hoort de weeklacht uwer moeder aan!
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde.) Omzweeft haar, zeggend: „Recht om
+recht”; dit bracht
+Uw jongen daag’raad dood en eeuw’ge nacht.
+
+HERTOGIN. Zoo meen’ge ellende brak alreeds mijn stem,
+Dat mijn van jammer moede tong verstomde;—
+Edward Plantagenet, waartoe uw dood? 19
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Plantagenet boet voor Plantagenet,
+Edward voor Edwards dood naar recht en wet.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wijkt gij, o God, van zulke teed’re lamm’ren,
+En werpt hen in de kaken van den wolf?
+Riep zulk een moord ooit vrucht’loos tot uw troon?
+
+KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Toen Hendrik stierf en mijn geliefde
+zoon.
+
+HERTOGIN. Dood leven, blind gezicht, gij schim, die leeft,
+Weeschouwspel, smaad der aard, aan ’t graf door ’t leven
+Onthouden, kort begrip van lange smart,
+Uw onrust ruste op Eng’lands trouwen grond,
+Trouwloos gedrenkt, verzaad van schuldloos bloed!
+
+(Zij zet zich neder.)
+
+KONINGIN ELIZABETH. O, wildet gij zoo ras me een graf verstrekken,
+Als gij me een weemoedvollen zetel biedt,
+’k Zou mijn gebeent’ hier bergen, niet doen rusten!
+O, wie heeft grond tot treuren, buiten ons?
+
+(Zij zet zich nevens haar.)
+
+KONINGIN MARGARETHA (te voorschijn tredend). Zoo ’t oudste leed het
+meest eerwaardig is,
+Zoo gunt aan ’t mijne ’t recht van de’ ouderdom,
+En aan mijn somb’re smart den eere zetel.
+
+(Zij zet zich tusschen haar.)
+
+Als leed gezelschap duldt, zoo tel op nieuw
+Uw weeën door ’t aanschouwen van de mijne:—
+Ik had een Edward, tot hem Richard doodde;
+Ik had een Hendrik, tot hem Richard doodde;
+Gij hadt een Edward, tot hem Richard doodde;
+Gij hadt een Richard, tot hem Richard doodde.
+
+HERTOGIN. Ik had een Richard ook, tot gij hem dooddet;
+Ik had een Rutland ook; gij hielpt hem dooden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij hadt een Clarence ook, dien Richard doodde.
+Aan de spelonk van uwen schoot ontwrong zich
+Een helhond, die ons allen jaagt, ten doode;
+Dien hond, die eer dan oogen tanden had
+Tot lamm’renmoord en ’t lepp’ren van hun bloed,—
+Dien boozen schender van Gods handenwerk,
+Der wereld stouten aartstyran, die troont
+In oogen, stuk gewreven, dof van ’t weenen,—
+Dien slaakte uw schoot, om ons naar ’t graf te drijven.—
+O, alvergelder, o rechtvaardig God,
+Hoe dank ik u, dat dit bloeddorstig ondier
+Op ’t lijflijk kroost nu van zijn moeder aast,
+Aan and’rer weeklacht hare klachten paart!
+
+HERTOGIN. O Hendriks gade, juich niet in mijn wee;
+Getuige ’t God, ik heb geweend om ’t uwe.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Vergeef het mij: mij hongert steeds naar wraak,
+En nu verzaad ik mij door ze aan te zien.
+Uw Edward stierf, die mijnen Edward doodde;
+Uw andere Edward stierf, voor mijnen Edward;
+De kleine York is toegift, wijl die twee
+Mijns dooden hooge waarde niet bereikten. 66
+Uw Clarence stierf, die mijnen Edward doodde;
+En zij, die dit dolzinnig werk aanschouwden,
+De echtbreker Hastings, Rivers, Vaughan, Grey,
+Zijn voor hun tijd versmoord in ’t donker graf.
+Slechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond,
+Gespaard, opdat hij haar als maak’laar zielen
+Inkoop’ en toezend’, maar welras, welras,
+Genaakt zijn eind, beklaag’lijk, onbeklaagd;
+De aard gaapt, de hel vlamt op, de duiv’len brullen,
+De heil’gen bidden: „Plots’ling vaar’ hij heen!”
+Verscheur zijn levensbrief, o God! dit smeek ik,
+Dat ik ’t beleve en zegg’: „De hond is dood!”
+
+KONINGIN ELIZABETH. Gij hebt voorspeld, ja, eenmaal wenschte ik nog
+U naast mij, om mij die gezwollen giftspin,
+Die booze bultpad mee te helpen vloeken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik noemde u ijd’len glans van mijne grootheid,
+Een vorstenbeeltnis, een armzaalge schim,
+Een flauwe spieg’ling van wat ik eens was,
+Het lokkend voorspel van een schrikvertooning,
+Een, hoog verheven voor een diepen val,
+Een moeder, met twee schoone zoons bedot,
+Een droom van wat gij waart, een bonte vlag,
+Om ’t doel te zijn van ieder dreigend schot,
+Een glanzend schild, een ademtocht, een zeepbel,
+Strookoningin, slechts om ’t tooneel te vullen.
+Waar is uw gade thans? waar zijn uw broeders?
+Waar uw twee zonen? waar thans uw geluk?
+Wie smeekt en knielt en zegt: „Heil, koningin”?
+Waar zijn uw vleiers, die gebogen pairs?
+Waar is die dichte stoet, die u omgaf?
+Houd dit u voor, en vraag: Wat ben ìk nu?
+Voor fiere gade,—diepgebogen weduw;
+Voor blijde moeder,—jamm’rend om dien naam;
+Voor toegesmeekte,—zelve need’rig smeekend;
+Voor koningin,—met ramp gekroonde schooister;
+Voor een, vol hoon voor mij,—door mij gehoond;
+Voor een, gevreesd van elk,—vol vrees voor één;
+Voor algebiedend,—door niet één gehoorzaamd.
+Zoo is de loop van ’t recht geheel gedraaid,
+En laat u aan den tijd geheel ten prooi;
+U bleef slechts de gedachte aan wat gij waart,
+Die dubbel kwelt, wijl gìj zijt wàt gij zijt.
+Mijn plaats naamt gij voor u;—en naamt gij niet
+’t Gerechte deel voor u van mijnen rouw?
+Half draagt uw trotsche nek alsnu mijn juk;
+Doch hier wring ik het moede hoofd er uit
+En laat zijn last in al zijn zwaarte op u.
+
+(Zij rijst op.)
+
+Vaarwel, York’s gade, koningin der smart;
+In Frankrijk laav’ dit Engelsch wee mijn hart!
+
+(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York rijzen op.)
+
+KONINGIN ELIZABETH. O gij, in ’t vloeken meesteres, o toef,
+En leer ook mij, mijn vijanden te vloeken! 117
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ontzeg u ’s nachts den slaap, en vast bij dag;
+Stel naast uw levend wee uw dood geluk;
+Denk uwe kinderen schooner dan zij waren,
+En die hen moordde, snooder dan hij is;
+Vergroot uw smaad, dit zal uw haat vermeêren,
+En ’t eeuwig wrokken zal u vloeken leeren.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mijn taal is stomp; o, dat haar de uwe scherpe!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Haar wette uw leed, tot ze als de mijne snerpe!
+
+ (Koningin Margaretha af.)
+
+HERTOGIN. Waarom moet jammer rijk in woorden zijn?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wind-pleitbezorgers van het leed, hun klager,
+Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd,
+Zucht-reed’naars zijn ’t van namelooze ellend!
+Maar geef hun lucht; al kunnen ze ook de smart
+Niet delgen, toch verlichten zij het hart.
+
+HERTOGIN. Is ’t zoo, dan geen bedwang; maar kom, ga mede
+En smoren we in een storm van bitt’re woorden
+Mijn vloekb’ren zoon, die uw twee kleinen smoorde!
+
+(Trompetgeschal achter het tooneel.)
+
+’t Is zijn trompet; kom, geef uw woede lucht!
+
+(Koning Richard komt op, met marcheerende troepen.)
+
+KONING RICHARD. Wie treedt mij te gemoet en stremt mijn tocht?
+
+HERTOGIN. Zij, die voor goed uw loop had kunnen stremmen,
+De slachtersdaden, schurk, die gij volbracht,
+Door u te worgen in haar onheilsschoot.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Omhult gij ’t voorhoofd met een gouden kroon,
+Waar, zoo recht recht was, ingebrand moest zijn
+De moord der prinsen, wien die kroon behoorde,
+En mijner zoons en broeders gruweldood?
+Spreek! zeg mij, lage slaaf, waar zijn mijn kind’ren?
+
+HERTOGIN. Gij pad, gij pad, waar is uw broeder Clarence,
+En Ned Plantagenet, zijn kleine zoon?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Waar is de wakk’re Rivers, Vaughan, Grey?
+
+HERTOGIN. Waar is de goede Hastings?
+
+KONING RICHARD. Trompetten, schalt, en trommen, slaat alarm!
+De hemel hoore ’t niet, hoe die klappeien
+Hier Gods gezalfde last’ren. Trommelt, zeg ik!—
+
+(Trompetgeschal, Tromgeroffel.)
+
+Weest kalm, gij beiden, spreekt mij vleiend toe,
+Of in het woeste krijgsrumoer versmoor ik
+Aldus de kreten van uw woeste drift. 153
+
+HERTOGIN. Zijt gij mij zoon?
+
+KONING RICHARD. Ja, dank zij Gode en u en mijnen vader.
+
+HERTOGIN. Zoo hoor mijn ongeduld geduldig aan.
+
+KONING RICHARD. Ik heb dien trek van uw geaardheid, moeder,
+Dat ik den toon van fel verwijt niet duld.
+
+HERTOGIN. O, laat mij spreken!
+
+KONING RICHARD. ’t Zij; ik hoor niet toe.
+
+HERTOGIN. ’k Wil in mijn woorden zacht en vriend’lijk zijn.
+
+KONING RICHARD. En, lieve moeder, kort, want ik heb haast.
+
+HERTOGIN. Gij zooveel haast? ik heb op u gewacht,
+Bij God, in mart’ling en in angst des doods.
+
+KONING RICHARD. En kwam ik niet in ’t eind om u te troosten?
+
+HERTOGIN. Neen, bij het heilig kruis, gij weet te wel,
+Sinds gij op aard zijt, werd mij de aard een hel.
+Zwaar, schier ondraaglijk was mij uw geboorte
+Uw kindsheid was weerbarstig en vol luim;
+Uw schooltijd wild en woest, verschrikkend, roekloos;
+Uw jong’lingschap vermetel, stout en waagziek;
+Uw rijper leeftijd trotsch, fijn, sluw, bloeddorstig,
+Min woest, maar boozer, zacht bij fellen haat.
+Kunt gij een enkel rustig uur mij noemen,
+Waarin uw bijzijn mij verkwikking bracht?
+
+KONING RICHARD. Geen, dan misschien dat morgenuur, dat eens
+U van mijn bijzijn afriep naar ’t ontbijt.
+Is u het zien van mij zoo onverkwikk’lijk,
+Dan trekke ik voort en geev’ geen ergernis.—
+Gij, roert de trommen!
+
+HERTOGIN. ’k Bid u, hoor mij spreken.
+
+KONING RICHARD. Te bitter spreekt gij.
+
+HERTOGIN. Hoor een enkel woord,
+Want nimmer zal ik weder tot u spreken.
+
+KONING RICHARD. Nu!
+
+HERTOGIN. Of gij zult sterven door Gods raadsbesluit,
+Eer ge als verwinnaar keert uit dezen krijg;
+Of ik bezwijk van smart en hoogen leeftijd,
+En nimmer zie ik uw gelaat terug.
+Neem daarom mijnen zwaarsten vloek met u;
+Hij drukke in de ure van ’t gevecht u meer
+Dan heel de wapenrusting, die gij draagt!
+Mijn beden strijden voor uw tegenstanders;
+En Edwards kind’ren, hunne zieltjes, fluist’ren,
+Uw vijand moed, vertrouwen in het hart,
+En zeggen hem geluk en zege toe.
+Bloed is uw lust, in ’t eind zij uw bloed uw straf;
+Volgt smaad u thans, hij volge u ook in ’t graf.
+
+ (De Hertogin af.)
+
+KONINGIN ELIZABETH. Veel meerder grond, doch minder kracht tot vloeken
+Viel mij ten deel; ’k zeg Amen op haar taal.
+
+(Zij wil heengaan.)
+
+KONING RICHARD. Toef, eed’le vrouw, ik heb met u te spreken. 198
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ik heb geen koningszoons ter slachting meer,
+En mijne dochters, Richard, zullen bidden
+Als nonnen, niet als koninginnen weenen;
+En daarom kies haar leven niet tot wit.
+
+KONING RICHARD. Een dochter hebt ge, Elizabeth bij name,
+Schoon, deugdrijk, waardig koningin te zijn.
+
+KONINGIN ELIZABETH. En brengt haar dit den dood? O, laat haar leven;
+’k Wil zelf haar deugden, al haar schoon verderven,
+Mijzelve, als Edwards bed ontrouw, belast’ren,
+Den sluier der onteering op haar werpen;
+’k Wil, zoo de moord haar leven slechts ontziet,
+Verklaren: Edwards bloed is ’t hare niet.
+
+KONING RICHARD. Ontzie haar bloed; zij is een koningskind.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dit wil ik looch’nen, red ik zoo haar leven.
+
+KONING RICHARD. Haar bloed is ’t, wat het best haar leven hoedt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Die hoede was ’t, waarom haar broeders stierven.
+
+KONING RICHARD. Een booze ster beheerschte hun geboorte.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hun leven, neen, beheerschten booze vrienden.
+
+KONING RICHARD. Niet af te wenden is de wil van ’t lot.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zoo ’t lot berust bij wie van God zich wendden.
+Een schooner dood waar’ mijn kind’ren lot,
+Had God met schooner leven u gezegend.
+
+KONING RICHARD. ’t Is, alsof ik uw schapen ’t leven nam.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ja, herder, gij ontnaamt dien lamm’ren alles,
+Geluk en kroon, verwanten, vrijheid, leven.
+Wiens hand hun teed’re harten hebb’ gespietst,
+Uw hoofd gaf in ’t geheim de richting aan.
+Voorzeker, ’t moordend mes was bot en stomp,
+Totdat het, op uw kiezelhart gewet,
+In de ingewanden van mijn lamm’ren woelde.
+Wierd door gewoonte wilde smart niet mak,
+Ik zou mijn knaapjes voor uw oor niet noemen,
+Dan met mijn nagels ank’rend in uw oogen,
+En zoo, in zulk een baai van wissen dood,
+Gelijk een boot, beroofd van zeil en want,
+Mij op de rots verplett’rend van uw borst.
+
+KONING RICHARD. Zoo waarlijk, vrouwe, krone mij ’t geluk 235
+Bij ’t bloedig wapenspel van dezen krijgstocht,
+Als ik aan u en de uwen goed wil doen,
+Meer dan ik u en de uwen leed deed lijden!
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wat goed, door ’s hemels aangezicht bedekt,
+Is nog te ontdekken, dat mij goed kan doen?
+
+KONING RICHARD. Verhooging van uw kind’ren, eed’le vrouwe.
+
+KONINGIN ELIZABETH. O, op ’t schavot, om ’t hoofd er te verliezen?
+
+KONING RICHARD. Neen, tot den hoogsten trap van rang en eer,
+Het hooge heerschersmerk van aardsche grootheid.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zoo meld het mij en vlei aldus mijn smart;
+En zeg, wat rang, wat eer, wat waardigheid
+Kunt gij aan een van mijne kind’ren schenken?
+
+KONING RICHARD. Al wat het mijne is, ja mijzelven, alles;
+Dit zij mijn gave aan een van uwe kind’ren,
+Zoo ge in de Lethe van uw toornend hart
+De droevige overpeinzing wilt verdrinken
+Van ’t leed, dat ik naar uwen waan u bracht.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wees kort, opdat de ontvouwing van uw weldaad
+Niet langer dure dan uw weldoen zelf.
+
+KONING RICHARD. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mijn dochters moeder denkt: tot stervens toe.
+
+KONING RICHARD. Wat denkt gij dan?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dat gij tot stervens toe mijn dochter mint;
+Zoo mindet gij tot stervens toe haar broeders,
+En hiervoor dank ik u tot stervens toe.
+
+KONING RICHARD. Misduid mijn meening niet door uwe drift;
+Ik meen: tot stervens toe min ik uw dochter,
+En wil haar koningin doen zijn van Eng’land.
+
+KONINGIN ELIZABETH. En wie dan, wilt gij, zal haar koning zijn?
+
+KONING RICHARD. Die haar tot koningin verheft, wie anders?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wat, gij?
+
+KONING RICHARD. Ikzelf, en wat denkt gij er van?
+
+KONINGIN ELIZABETH. En hoe wilt gij haar winnen?
+
+KONING RICHARD. Hiertoe vraag ik
+Van u thans raad: gij kent het best haar aard.
+
+KONINGIN ELIZABETH. En dus, gij wenscht mijn raad?
+
+KONING RICHARD. Van harte gaarne. 270
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zend haar door hem, die eens haar broeders doodde,
+Twee jonge harten, bloedend; grif daarop
+„Edward” en „York”: moog’lijk weent zij dan;
+Schenk daarom haar,—zooals eens Margaretha
+’t Aan uwen vader deed met Rutland’s bloed,—
+Een doek, die—meld haar dit,—het purpersap
+Uit harer lieve broeders wonden zoog,
+En zeg, dat zij daarmee haar oogen wissche.
+Zoo die verlokking nog haar hart niet wint,
+Zend dan een lijst van al uw eed’le daden:
+Meld, hoe gij van haar ooms, van Clarence, Rivers,
+U hebt ontslagen, ja, om harentwil,
+Anna, haar goede moei, van kant geholpen.
+
+KONING RICHARD. Nu spot gij, vrouwe; dit is niet de weg
+Om haar te winnen.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dit is de een’ge weg;
+Tenzij ge een ander wezen aan kunt doen,
+Een ander zijn dan Richard, die dit deed.
+
+KONING RICHARD. En zoo ik alles deed uit min tot haar?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dan is haar eenig antwoord, u te haten,
+Die liefde koopt met zulk een schat van bloed.
+
+KONING RICHARD. Zie, ’t eens gedane is niet meer te herdoen;
+De mensch gaat somtijds overijld te werk,
+Zoodat zijn doen in later uur hem rouwt;
+Heb ik uw zoons het koningschap ontroofd,
+Ik wil ten zoen het aan uw dochter geven.
+Heb ik het kroost van uwen schoot gedood,
+’k Wil, ter vermeerd’ring uws geslachts, mij kroost
+Uit uw bloed bij uw dochter mij verwekken.
+Grootmoeder heeten is schier even zoet
+Als de betoov’ring van den moedernaam;
+De kind’ren zijn slechts ééne trede lager,
+Maar van uw eigen merg, uw eigen bloed;
+Gelijk in zorg,—slechts in die weenacht niet,
+Die zìj doorstaat, voor wie gij ’t zelfde leedt.
+Uw kind’ren waren uwer jeugd een plaag,
+De mijne worden uwer grijsheid troost.
+Verloort gij ook een zoon, die koning was,
+Thans wordt daarvoor uw dochter koningin.
+Ik kan u niet hergeven wat ik wilde,
+Aanvaard dus, wat mijn goedheid bieden kan.
+Dorset, uw zoon, die met beangst gemoed
+Misnoegde schreden zet op vreemden grond,
+Wordt door dit schoon verbond welras naar huis,
+Tot hoogen rang en groote gunst geroepen;
+De koning, die uw lieflijk kind zijn „vrouw” noemt,
+Noemt dan vertrouw’lijk uwen Dorset „broeder”;
+Gijzelf wordt weder moeder van een koning,
+En elke schâ der bange tijden wordt
+Vergoed door dubb’le schatten van geluk.
+O, wij beleven nog wel goede dagen! 320
+De held’re droppen, die gij hebt geschreid,
+Zij komen weer, vervormd tot blanke parels,
+Den inzet u vergoedend door de rente
+Van tienmaal dubbele aanwinst in geluk.
+Ga dus, mijn moeder, ga tot uwe dochter;
+Sterk door uw rijp’ren geest haar schucht’re jeugd;
+Bereid haar ooren voor eens minnaars kout;
+Stort in haar teeder hart den stouten gloed
+Naar gulden oppermacht; spreek tot uw kind
+Van ’t huwlijksheil in zoete, heimlijke uren;
+En als mijn arm dien kleinen oproerling,
+Dien dolkop Buckingham, getuchtigd heeft,
+Dan kom ik, met het zegeloof bekranst,
+En voer uw kind naar ’t bed eens overwinnaars’.
+Haar bied ik dan mijn krijgsbuit; zij alleen
+Zal overwinnares zijn, Cæsar’s Cæsar.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe druk ik best mij uit? Haars vaders broeder
+Wil haar gemaal zijn? Of is ’t beter: oom?
+Of wel, de moordenaar van haar ooms en broeders?
+Met welken titel doe ik voor u aanzoek,
+Dien God, de wet, mijn eer en hare liefde
+Aanlokk’lijk maken voor haar teed’re jeugd?
+
+KONING RICHARD. Wijs haar op Eng’lands vreê door dezen echt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Een vreê, dien zij met eeuw’gen oorlog koopt.
+
+KONING RICHARD. Zeg haar, de koning, die kon eischen, smeekt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Wat aller vorsten opperkoning wraakt.
+
+KONING RICHARD. Zeg, zij wordt groot en machtig, koningin.
+
+KONINGIN ELIZABETH. En schreit dra om dien titel, als haar moeder.
+
+KONING RICHARD. Zeg, dat ik haar mijn eeuw’ge liefde wijd.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zeg mij, hoe lang die eeuwigheid zal duren.
+
+KONING RICHARD. Zoolang haar lieflijk bloeiend leven duurt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Maar hoe lang zal haar bloei en leven duren?
+
+KONING RICHARD. Zoolang natuur en hemel het geheugt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Zoolang het Richard en de hel behaagt.
+
+KONING RICHARD. Zeg: ik, haar heer, ik word haar onderdaan.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Die heerschappij is de onderdane een gruwel.
+
+KONING RICHARD. Bepleit welsprekend mijne zaak bij haar.
+
+KONINGIN ELIZABETH. ’t Eenvoudigst woord wint best een goede zaak.
+
+KONING RICHARD. Spreek dan tot haar eenvoudig van mijn liefde.
+359
+
+KONINGIN ELIZABETH. Eenvoudig en niet goed klinkt al te ruw.
+
+KONING RICHARD. Uw reed’nen zijn niet grondig, zonder kalmte.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Kalm, grondig zijn mijn reed’nen, dood en diep;—
+Ja; dood en diep, in ’t graf, mijn arme kind’ren.
+
+KONING RICHARD. Roer die snaar niet meer aan, dat is voorbij.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ik roer die aan, tot hartesnaren springen.
+
+KONING RICHARD. Bij mijn Sint George, kouseband en kroon—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ontwijd, onteerd, de derde vuig geroofd.
+
+KONING RICHARD. Zweer ik,—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Bij niets,—ja, want dit is geen eed.
+Uw George, ontwijd, verloor zijn heilige eer,
+Uw kouseband, bevlekt, zijn ridderdeugd,
+Uw kroon, geroofd, haar koninklijken glans.
+Wilt gij een eed doen, die geloof verwerft,
+Zoo zweer bij iets, nog niet door u gekrenkt.
+
+KONING RICHARD. Dan, bij mijzelf,—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Geschandvlekt door uzelf;
+
+KONING RICHARD. Welnu, bij de aard,—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Vervuld van uwe gruw’len;
+
+KONING RICHARD. Mijns vaders dood,—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Bezoedeld door uw leven;
+
+KONING RICHARD. Nu dan, bij God,—
+
+KONINGIN ELIZABETH. Gods krenking is de zwaarste.
+Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,
+Die eendracht, die de vorst, uw broeder, stichtte,
+Ware onverstoord, mijn broeder leefde nog.
+Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,
+Het koningsgoud, dat thans uw hoofd omspant
+Het sierde nu mijn kind de teed’re slapen;
+En beide prinsen waren aad’mend hier,
+Die nu, in ’t stof twee teed’re bedgenooten,
+Der wormen buit door uwe trouwbreuk zijn.
+Waar kunt gij nog bij zweren?
+
+KONING RICHARD. Bij de toekomst.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Die hebt gij in ’t verleden reeds gekrenkt.
+In tranen moet ik zelf de toekomst wasschen,
+Om dat voor u zoo diep gekrenkt verleden.
+Hoe menig kind, wier ouders gij vermoorddet,
+Leeft zonder tucht, en zal dit, oud, bejamm’ren!
+Hoe menig ouder, die zijn kroost zag slachten,
+Als dorre stam, en zal dit, oud, bejamm’ren!
+Zweer bij de toekomst niet; zij is ontwijd
+Door uw verleden, boos besteden tijd. 396
+
+KONING RICHARD. Zoo waar ’t mij rouwt en ik geluk begeer,
+Zoo waarlijk slage ik in het hach’lijk spel
+Des feilen krijgs!—Verderve ikzelf mijzelven!
+Geen blijde stond gunn’ God mij of ’t geluk!
+Onthoud mij, dag, uw licht, gij, nacht, uw rust!
+Bestrijdt, gij heilgesternten, al mijn doen,
+Indien ik niet, met echte trouw des harten,
+Met vlekk’looze’ eerbied, heilige gedachten,
+Naar uwe schoone vorstendochter ding!
+Op haar berust heel mijn en uw geluk,—
+En zonder haar volgt voor mijzelf en u,
+Voor haar, dit land en meen’ge christenziel,
+Dood, ondergang, verderf, vernietiging.
+Het is niet af te wenden, enkel zoo;
+Het wordt niet afgewend dan enkel zoo.
+Dus, lieve moeder,—zoo moet ik u noemen,—
+Wees zaakverzorgster mijner liefde. Stel
+Haar voor, wat ik zijn wil, niet wat ik was,
+Niet wat ik heb verdiend, maar zal verdienen;
+Leg nadruk op den stand en eisch des tijds,
+En wees bij groote plannen niet kleingeestig.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe! mag de duivel mij aldus verzoeken?
+
+KONING RICHARD. Ja, zoo de duivel u verzoekt ten goede.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mag ik mijzelf en wie ik ben vergeten?
+
+KONING RICHARD. Ja, zoo het denken aan uzelf u schaadt.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Maar toch,—gij bracht mijn kind’ren om.
+
+KONING RICHARD. In uwer dochter schoot begraaf ik hen;
+Daar, in dat feniksnest, verwekken zij
+Op nieuw zichzelf, tot nieuwen troost voor u.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Moet ik mijn dochter voor uw wensch gaan winnen?
+
+KONING RICHARD. En door dat doen weer blijde moeder zijn.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe,
+En ìk meld u, hoe zij er over denkt.
+
+KONING RICHARD. Breng haar mijn kus vol liefde, en nu vaarwel!
+
+ (Hij kust haar. Koningin Elizabeth af.)
+
+Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!
+
+(Ratcliff komt op, gevolgd door Catesby.)
+
+Wat nu? wat meldt gij?
+
+RATCLIFF. Grootmachtig heer en vorst, een sterke vloot
+Kruist op de westkust; naar het zeestrand vloeien,
+Ja, vrienden, maar holhartig, onbetrouwbaar,
+En wapenloos, tot afslaan niet besloten.
+Er wordt vermoed, dat Richmond vlootvoogd is;
+Zij dobb’ren daar en wachten slechts de hulp
+Van Buckingham om voet aan wal te zetten.
+
+KONING RICHARD. Een wakk’re vriend ijl’ vlug tot hertog Norfolk;—
+440
+Gij Ratcliff,—ja, of Catesby; waar is Catesby?
+
+CATESBY. Hier, beste Heer.
+
+KONING RICHARD. Vlieg naar den hertog, Catesby.
+
+CATESBY. Terstond, mijn vorst, met allen denkb’ren spoed.
+
+KONING RICHARD. Ratcliff, kom hier; gij jaagt naar Salisbury;
+Als gij daar aankomt,—(Tot Catesby.) Domme, trage vlegel,
+Wat toeft gij hier en ijlt niet tot den hertog?
+
+CATESBY. Doorluchtig heer, gelief mij eerst te melden,
+Wat last ik van uw hoogheid brengen moet.
+
+KONING RICHARD. ’t Is waar, mijn goede Catesby;—daad’lijk breng’ hij
+De grootste macht te zamen, die hij kan,
+En koom’ terstond tot mij naar Salisbury.
+
+CATESBY. Ik ga.
+
+ (Catesby af.)
+
+RATCLIFF. En wat doe ik in Salisbury, mijn vorst?
+
+KONING RICHARD. Wel, wat zoudt gij er doen, voor ik er ben?
+
+RATCLIFF. Ik moest, mijn vorst, er vóór u heen, met spoed.
+
+(Stanley komt op.)
+
+KONING RICHARD. ’k Heb mij bedacht.—Gij, Stanley, spreek, wat meldt
+gij?
+
+STANLEY. ’t Is heer, zoo goed niet, dat gij ’t gaarne hoort,
+Maar ook zoo slecht niet of het is te melden.
+
+KONING RICHARD. Zie eens, een raadsel! ’t is nòch goed nòch slecht?
+Wat loopt gij zooveel mijlen om en rond,
+En gaat niet recht naar ’t doel en meldt uw nieuws?
+Nog eens, wat is er?
+
+STANLEY. Richmond is op zee.
+
+KONING RICHARD. Dat hij er zinke en hem de zee bedekke!
+Die laffe vagebond, wat doet hij daar?
+
+STANLEY. Ik weet het niet, mijn vorst, en kan slechts gissen.
+
+KONING RICHARD. Wat gist gij dan?
+
+STANLEY. Gestijfd door Dorset, Buckingham en Ely,
+Komt hij naar Eng’land en verlangt de kroon.
+
+KONING RICHARD. Is dan de troon ontruimd? het zwaard gebroken?
+470
+De koning dood? het koninkrijk verweesd?
+Wie anders is York’s erfgenaam, dan ik?
+Wie anders koning, dan York’s erfgenaam?
+Spreek, zeg mij nu, waartoe is hij op zee?
+
+STANLEY. Is ’t hierom niet, mijn vorst, dan weet ik ’t niet.
+
+KONING RICHARD. Is ’t hierom niet, dat hij uw koning worde,
+Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt.
+Uw plan is vlucht tot hem, is afval, vrees ik.
+
+STANLEY. Neen, beste vorst; daarom; mistrouw mij niet.
+
+KONING RICHARD. Waar is uw volk dan, om hem af te slaan?
+Waar zijn uw onderhoor’gen, uw vazallen?
+Niet waar, zij zijn in ’t westen, op de kust,
+En dekken daar de ontscheping der rebellen?
+
+STANLEY. Neen, beste vorst, mijn vrienden staan in ’t noorden.
+
+KONING RICHARD. Uw vrienden, koud voor mij! wat doen ze in ’t noorden,
+Terwijl hun vorst in ’t westen hen behoeft?
+
+STANLEY. Zij werden niet ontboden, machtig koning.
+Gelieft uw hoogheid oorlof mij te geven,
+Dan monster ik mijn volk en kom tot u,
+Zoodra en waar uw hoogheid het verlangt.
+
+KONING RICHARD. Ja, ja, weg wilt ge, en u bij Richmond voegen;
+Maar ik vertrouw u niet.
+
+STANLEY. Grootmachtig vorst,
+Gij hebt geen grond om aan mijn trouw te twijf’len.
+Nooit was ik valsch, en zal het nimmer zijn.
+
+KONING RICHARD. Ga dan en monster volk; maar laat uw zoon,
+Uw George, hier; zorg, dat uw hart niet wanke,
+Want anders staat zijn hoofd niet al te vast.
+
+STANLEY. Behandel hem, zooals mijn trouw u blijkt.
+
+ (Stanley af.)
+
+(Een bode komt op.)
+
+BODE. Genadig heer en vorst, in Devonshire
+Staan, naar ik zeker van mijn vrienden hoor,
+Sir Edward Courtney en de trotsche kerkvoogd,
+Bisschop van Exeter, zijn oudste broeder,
+Met vele bondgenooten, in het veld.
+
+(Een tweede Bode komt op.)
+
+TWEEDE BODE. In Kent, heer, staan de Guildfords in de waap’nen;
+En dien rebellen stroomen uur op uur
+Meer medehelpers toe; hun macht wordt sterk.
+
+(Een derde Bode komt op.)
+
+DERDE BODE. Het groote leger, heer, van Buckingham—
+
+KONING RICHARD. Van hier, gij uilen! niets dan doodsgekras?
+
+(Hij geeft den Bode een slag.)
+
+Neem dit, tot gij mij beet’re tijding brengt.
+
+DERDE BODE. De tijding, die ik aan uwe hoogheid meld,
+Is, dat door watervloed en zware regens
+Het heer van Buckingham verspreid, verstrooid is,
+En dat hijzelf, alleen, een wijkplaats zocht,
+Waarheen, weet niemand.
+
+KONING RICHARD. O, vergeef mijn drift;
+Daar is mijn beurs tot heeling van uw slag.
+Heeft niet een kloeke vriend een goede som
+Voor ’t vangen des verraders uitgeloofd?
+
+DERDE BODE. Die is onmidd’lijk uitgeloofd, mijn vorst.
+
+(Een vierde Bode komt op.)
+
+VIERDE BODE. Sir Thomas Lovel en lord Dorset staan
+Te velde in Yorkshire, zegt men, edel vorst;
+Doch dezen goeden troost breng ik uw hoogheid:
+De storm heeft de Bretagner vloot verstrooid;
+In Dorsetshire liet Richmond door een boot
+De lieden, die het strand bezetten, vragen,
+Of zij hem helpen zouden, ja of neen.
+Zij kwamen, was ’t bescheid, van Buckingham,
+En tot zijn bijstand; doch, hen niet vertrouwend,
+Heesch hij de zeilen, naar Bretagne steev’nend.
+
+KONING RICHARD. Op, voortgerukt! wij zijn geheel gereed;
+Gelde ook de strijd geen buitenlandschen vijand,
+Gefnuikt zij iedere opstand binnenslands.
+
+(Catesby komt op.)
+
+CATESBY. Gevangen, heer, is hertog Buckingham;
+Dit is de beste tijding. Dat graaf Richmond
+Met groote macht te Milford is geland,
+Klinkt minder goed, doch ’t melden is mij plicht.
+
+KONING RICHARD. Op dan, naar Salisbury! terwijl wij praten,
+Waar’ de uitkomst van een koningsslag beslist.—
+Een uwer zorg’ voor Buckingham’s vervoer
+Naar Salisbury; gij and’ren trekt met mij.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+Een vertrek in lord Stanley’s huis.
+
+Lord Stanley en broeder Christopher Urswick komen op.
+
+STANLEY. Vriend Christopher, zeg Richmond dit van mij:—
+In ’t kot van dien bloedgier’gen ever is
+Mijn zoon, mijn George, in hecht’nis, ingesperd;
+En val ik af, dan valt ook George’s hoofd.
+Die vrees alleen vertraagt alsnog mijn bijstand.
+Maar ga thans, breng uw heer mijn groet, en tevens
+’t Besluit der koningin, die gaarne toestemt,
+Dat hij Elizabeth, haar dochter, huwt.
+Doch zeg mij, waar is de eed’le Richmond thans?
+
+CHRISTOPHER. Te Pembroke, of te Harford-West, in Wales.
+
+STANLEY. En welke mannen van gewicht zijn bij hem?
+
+CHRISTOPHER. Sir Walter Herbert, groot van naam als krijger,
+Sir Gilbert Talbot en Sir William Stanley,
+Oxford, geduchte Pembroke, Sir James Blunt,
+En Rice ap Thomas, met een kloeke schaar,
+En velen nog van grooten roep en waarde;
+Naar Londen richten zij hun legermacht,
+Zoo ’t niet reeds onderweg tot strijden komt.
+
+STANLEY. Nu, spoed u naar uw heer; ik kus zijn hand;
+Mijn schrijven geeft hem blijk van mijn gezindheid.
+Vaarwel.
+
+ (Hij geeft hem brieven.—Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Salisbury. Een plein.
+
+Een Sheriff en een Wacht komen op, met Buckingham, die ter
+gerechtsplaats geleid wordt.
+
+BUCKINGHAM. Ontzegt mij koning Richard een gesprek?
+
+SHERIFF. Ja, beste heer; dus schik u in uw lot.
+
+BUCKINGHAM. Hastings, en Edwards kind’ren, Rivers, Grey,
+Gij, heil’ge Hendrik, met uw schoonen Edward,
+Vaughan, en allen, die als offers vielt
+Van snoode, heim’lijke ongerechtigheid,
+Zoo uw verstoorde, onvergenoegde zielen,
+Hier blikken door de wolken van dit uur,
+Zoo neemt thans wraak en spot om mijn verderf!—
+’t Is heden Allerzielendag, niet waar?
+
+SHERIFF. Ja, heer.
+
+BUCKINGHAM. Alzielendag is dan mijns lijfs gerichtsdag. 12
+Dien dag wenschte ik in koning Edwards tijd
+Mij op mijn hoofd, indien ik voor zijn kind’ren
+Of zijner gade magen trouwloos bleek;
+Die dag is ’t, dien ik inriep voor mijn val
+Door diens mans ontrouw, dien ik ’t meest vertrouwde.
+Deze Allerzielendag is ’t eind en perk
+Der euveldaden voor mijn bange ziel.
+De hooge Alziende, dien ik spelend tartte,
+Brengt mij op ’t hoofd mijn huichelbede thuis,
+En geeft in ernst, wat ik in scherts hem smeekte.
+Zoo keert hij van der boozen zwaard de spits,
+Dat die des meesters eigen borst doorboor’!
+Zoo treft nu Margaretha’s vloek mijn hoofd:
+„Rijt hij,” zoo sprak ze, „uw hart door wee vaneen,
+„Herdenk dan: Margaretha was profetisch!”—
+Komt, leidt mij naar het schandblok, mannen; ’t loon
+Voor onrecht-doen zij onrecht, hoon voor hoon.
+
+ (Buckingham en de Overigen af.)
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Een vlakte bij Tamworth.
+
+Met trommen en vaandels komen op: Richmond, Oxford, Sir James Blunt,
+Sir Walter Herbert, en Anderen, met troepen, op marsch.
+
+RICHMOND. Gij wapenbroeders en getrouwe vrienden,
+Gedrukt, gekneusd door ’t juk der tyrannie,
+Zoo verre zijn we tot in ’t hart des lands
+Nu doorgedrongen zonder wederstand;
+En hier zendt onze vader Stanley ons
+Een troostrijk schrijven, dat den moed verhoogt.
+De booze, bloedige en roofgierige ever,
+Die uwe velden omwroet en uw wijngaards,
+Uw bloed als spoeling slurpt en zich een trog
+Van uw ontweide rompen uitholt, heeft
+Zijn leger nu in ’t midden van dit eiland,
+Niet verre, naar ons werd gemeld, van Leicester;
+Van Tamworth is het slechts een dagmarsch af.
+In Gods naam, op, vol moed, manhafte vrienden,
+Opdat we als oogst een hechten vrede winnen
+Door ’t bloed, in éénen scherpen strijd gewaagd!
+
+OXFORD. Elk man is duizend man, daar ieder weet, 17
+Dat hij dien schurk, die waadde in bloed, bestrijdt.
+
+HERBERT. Geen twijfel, of zijn vrienden loopen over.
+
+BLUNT. Hij heeft geen vrienden, dan die ’t zijn uit vrees
+En hem in de’ ergsten nood verlaten zullen.
+
+RICHMOND. Ten onzen bate. Komt, vooruit, met God!
+De hoop is snel; haar vlucht op zwaluwschachten
+Geeft vorsten goden-, slaven vorstenkrachten.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+Het veld bij Bosworth.
+
+Koning Richard komt op, met troepen, de Hertog van Norfolk, de Graaf
+van Surrey, en Anderen.
+
+KONING RICHARD. Slaat hier mijn tenten op, in ’t veld van Bosworth.—
+Mylord van Surrey, waarom blikt gij somber?
+
+SURREY. Mijn hart is tienmaal lichter dan mijn blik.
+
+KONING RICHARD. Mylord van Norfolk,—
+
+NORFOLK. Hier, genadig vorst.
+
+KONING RICHARD. Norfolk, hier vallen slagen; ja, niet waar?
+
+NORFOLK. Men geeft en men ontvangt die, beste vorst.
+
+KONING RICHARD. Mijn tent gezet! hier rust ik heden nacht;
+Doch waar op morgen?—Nu, het is om ’t even.—
+Wie heeft verkend, hoe sterk de muiters zijn?
+
+NORFOLK. Zes-, zevenduizend is hun gansch getal. 10
+
+KONING RICHARD. Nu, onze monst’ring wijst het drievoud uit;
+En ’s konings naam is ons een sterke toren,
+Die hun van de and’re zij geheel ontbreekt.—
+Vlug, slaat mijn tent op!—Komt nu, eed’le heeren,
+Zien wij, hoe ’t veld ons voordeel brengen kan.—
+Roept een’ge welervaren krijgers saam;
+Een deeg’lijk plan beraamd en ras gehandeld,
+Want morgen, heeren, wordt een heete dag.
+
+ (Allen af.)
+
+(Aan de andere zijde van het veld komen op: Richmond, Sir William
+Brandon, Oxford en andere Krijgsoversten. Eenige soldaten slaan
+Richmond’s tent op.)
+
+RICHMOND. De moede zon ging schuil met gouden gloed;
+En naar het lichte spoor zijns vlammenwagens
+Voorspelt hij morgen ons een schoonen dag.—
+Draag gij, Sir William Brandon, mijn banier.—
+Bezorg mij in mijn tent papier en inkt;
+Ik wil het plan ontwerpen van den slag,
+Elke’ overste zijn plaats en taak doen kennen,
+En onze kleine macht naar eisch verdeelen.—
+Mylord van Oxford,—gij, Sir William Brandon,—
+En gij, Sir Walter Herbert, blijft bij mij.
+De graaf van Pembroke leidt zijn eigen troep;
+Breng, goede hopman Blunt, mijn groet hem over
+En vraag den graaf, dat hij mij in mijn tent
+Omstreeks het tweede morgenuur bezoek’.—
+En, waarde hopman, doe nog dit voor mij:
+Gij weet toch, waar lord Stanley is gelegerd?
+
+BLUNT. Heb ik mij in zijn vanen niet vergist,—
+En zeker weet ik, dat ik dit niet deed,—
+Dan ligt zijn troep ten minste een halve mijl
+Ten zuiden van de hoofdmacht van den koning.
+
+RICHMOND. Is ’t niet te veel gewaagd, mijn goede Blunt, 39
+Spoor dan een middel op om hem te spreken;
+En breng hem dezen brief van hoog belang.
+
+BLUNT. Mijn woord en leven, heer, ik onderneem het.—
+En nu, verleene u God een goede nacht!
+
+RICHMOND. Goed’ nacht, mijn goede Blunt. En, heeren, komt;
+Thans eischt de zaak van morgen onze zorg;
+Gaat in mijn tent; de dauw is kil en koud.
+
+(Zij treden de tent binnen.)
+
+(Koning Richard komt op, met Norfolk, Ratcliff en Catesby, naar zijn
+tent gaande.)
+
+KONING RICHARD. Hoe laat is ’t?
+
+CATESBY. ’t Is negen, heer, de tijd van ’t avondmaal.
+
+KONING RICHARD. Ik zal niets eten.—Geef papier en inkt.—
+Spreek, past mijn stormhoed beter dan hij deed,
+En is mijn rusting in mijn tent gebracht?
+
+CATESBY. Ja, heer en vorst; en alles ligt gereed.
+
+KONING RICHARD. Mijn goede Norfolk, spoed u naar uw post;
+Houd strenge wacht, en kies vertrouwde schildwachts.
+
+NORFOLK. Ik ga, mijn vorst.
+
+KONING RICHARD. Wees met den leeuwrik wakker, beste Norfolk.
+
+NORFOLK. Ik sta u borg, mijn vorst.
+
+ (Norfolk af.)
+
+KONING RICHARD. Catesby!
+
+CATESBY. Mijn vorst!
+
+KONING RICHARD. Zend een heraut naar Stanley’s troep;
+Hij zorge voor zonsopgang met zijn macht
+Naar hier te komen, of zijn zoon, zijn George,
+Zinkt in de diepe krocht der eeuw’ge nacht.—
+
+ (Catesby af.)
+
+Lang mij een roemer wijns.—Geef mij een tijdkaars.—
+En zadel schimmel Surrey morgen vroeg.
+Zorg, dat mijn lansen sterk en niet te zwaar zijn.—
+Ratcliff!
+
+RATCLIFF. Mijn vorst?
+
+KONING RICHARD. Hebt gij deze’ avond
+Den wreev’len graaf Northumberland gezien?
+
+RATCLIFF. Hij is met Thomas, graaf van Surrey, straks,
+Omstreeks de scheem’ring ’t leger rondgegaan
+Van troep tot troep, en sprak den krijgers moed in.
+
+KONING RICHARD. Zoo; dat is goed.—Geef mij een roemer wijns.—
+Ik heb ditmaal den opgewekten geest,
+Den blijden moed niet, dien ik placht te hebben.—
+Goed, zet dat neer.—Er is papier en inkt?
+
+RATCLIFF. Ja, beste vorst. 76
+
+KONING RICHARD. Zeg, dat mijn wacht goed wakker blijv’.—Verlaat mij.—
+Ratcliff, kom tegen middernacht terug
+En help mij bij mijn waap’ning.—Gaat nu, allen.—
+
+ (Koning Richard gaat in zijn tent. Ratcliff af.)
+
+(Stanley komt op en slaat Richmond’s tent open, waarbij Richmond en
+zijn krijgsoversten zichtbaar worden.)
+
+STANLEY. Bekroon’ geluk en zegepraal uw helm!
+
+RICHMOND. Al ’t goede, dat de donk’re nacht kan schenken,
+Vall’, eed’le voedstervader, u ten deel!
+Zeg mij, hoe gaat het onze lieve moeder?
+
+STANLEY. Ik zegen u, bij volmacht, van uw moeder,
+Die dag en nacht voor Richmond’s welzijn bidt.
+Doch dit volsta.—Het uur van stilte wijkt;
+In strepen breekt het duister reeds in ’t oosten.
+Om kort te zijn, zooals de tijd gebiedt,
+Schaar morgen vroeg uw legermacht ten strijde;
+En zij uw lot beslist door ’t bloedig zwaard
+En fellen krijg, hoe dood’lijk die ook blikke.
+Zoo veel ik kan,—ik kan niet wat ik wenschte,—
+Tracht ik den tijd zijn gunsten af te stelen,
+En u in ’t hach’lijk worst’len bij te staan.
+Doch al te vurig ijv’ren is me ontzegd;
+Bij ’t zien toch wierd uw jonge broeder George,
+En voor zijns vaders oog, ter dood gebracht.
+Vaarwel. Mijn haast en deze bange tijd
+Verbieden ons de plechtige betuiging
+Van onze liefde en ’t zoet gedachtenwiss’len,
+Dat lang gescheiden vrienden welkom waar’;
+Schenk’ God dra tijd voor zulk een liefdesuiting!
+Nog eens, vaarwel! Wees dapper, heb geluk!
+
+RICHMOND. Leidt, waarde lords, hem naar zijn schare op weg.
+Ik tracht, verhit van hoofd, een wijl te sluim’ren,
+Opdat geen looden slaap mij morgen drukk’,
+Als ik op zegewieken stijgen moest.
+Nog eens, mijn waarde heeren, goede nacht.
+
+ (Allen, behalve Richmond, met Stanley af).
+
+O gij, wiens veldheer ik mij acht te zijn,
+Blik met genadig oog op mijne krijgers!
+Leg in hun hand de knotsen uwer wraak,
+Dat ze onzes vijands rechtloos drieste helmen
+Met zwaren val ter aard, te pletter slaan!
+Maak ons tot dienaars uwer tuchtiging,
+Opdat wij U in Uwe zege prijzen!
+Aan u beveel ik overwaakt mijn ziel,
+Eer ik de luiken mijner oogen sluit;
+Hetzij ik slape of waak’, behoed mij steeds!
+
+(Hij slaapt in.)
+
+(De Geest van Prins Edward, zoon van Hendrik den Zesden, verrijst
+tusschen de beide tenten.)
+
+GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken!
+118
+Denk hoe gij mij in ’s levens bloei doorstaakt
+Te Tewksbury. Gij, wanhoop dies, en sterf!
+(Tot Richmond.) Houd moed, o Richmond, der geslachte vorsten
+Gekrenkte zielen strijden aan uw zij;
+De spruit van koning Hendrik, Richmond, troost u!
+
+(De Geest van koning Hendrik den Zesden verrijst.)
+
+GEEST (tot koning Richard). Toen ik nog sterflijk was, doorpriemdet gij
+’t Gezalfde lichaam mij met tal van wonden;
+Denk aan den Tower en mij; wanhoop en sterf!
+Hendrik de Zesde roept: wanhoop en sterf!
+(Tot Richmond.) Gij vroom en deugdrijk held, wees gij verwinnaar!
+Hendrik, die eenmaal u de kroon voorspelde,
+Vertroost u in uw sluim’ring: leef en bloei!
+
+(De Geest van Clarence verrijst.)
+
+GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken!
+Ik, eenmaal doodgebaad in ’t walglijk wijnvat,
+Ik, arme Clarence, offer van uw arglist!
+Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij;
+Ontvalle u ’t stompe zwaard! Wanhoop en sterf!
+(Tot Richmond.) Afstamm’ling, gij, van ’t huis van Lancaster,
+York’s kroost, dat zwaar gekrenkt werd, bidt voor u;
+Schutseng’len strijden met u! Leef en bloei!
+
+(De Geesten van Rivers, Grey en Vaughan verrijzen.)
+
+GEEST VAN RIVERS (tot koning Richard).
+Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken!
+Ik, Rivers, Pomfret’s buit. Wanhoop en sterf!
+
+GEEST VAN GREY (tot koning Richard). Gij, denk aan Grey, en wanhoop
+schokk’ uw ziel!
+
+GEEST VAN VAUGHAN (tot koning Richard).
+Gij, denk aan Vaughan, en door schuldige angst
+Ontvall’ de speer uw hand! Wanhoop en sterf!
+
+ALLE DRIE (tot Richmond). Ontwaak, en denk: de schuld in Richards borst
+Verlamt zijn kracht. Ontwaak en zegepraal!
+
+(De Geest van Hastings verrijst.)
+
+GEEST (tot koning Richard). Gij man van bloed en schuld, ontwaak in
+schuld,
+En eindig op een dag van bloed uw leven!
+Denk aan lord Hastings! Wanhoop dus en sterf!
+(Tot Richmond.) Gij, kalme en effen ziel, ontwaak, ontwaak!
+Rijs, strijd, en zegepraal, red Eng’lands zaak!
+
+(De Geesten van de twee jonge Prinsen verrijzen.)
+
+GEESTEN (tot Koning Richard). Droom van uw in den Tower ontzielde
+neven; 151
+Laat ons als lood in uwe borst zijn, Richard,
+U in verderf en schande en dood doen zinken!
+Hoor uwer neven roep: wanhoop en sterf!
+(Tot Richmond.) Slaap, Richmond, kalm, en rijs met blijden moed;
+U schutten eng’len, hoe ook de ever woed’!
+Leef! uit u spruite een eed’le koningsstam!
+Edwards rampzaal’ge zonen roepen: heil!
+
+(De geest van koningin Anna verrijst.)
+
+GEEST (tot koning Richard). Richard, uw vrouw, uw vrouw, ellendige
+Anna,
+Die nooit bij u een rustige ure sliep,
+Vervult thans uwen slaap met haar verschrikking;
+Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij;
+Ontzinke u ’t stompe zwaard! wanhoop en sterf!—
+(Tot Richmond.) Gij, kalme ziel, slaap gij een kalmen slaap;
+En droomt gij, droom van heil en zege nu;
+Uws tegenstanders gade bidt voor u.
+
+(De Geest van Buckingham verrijst.)
+
+GEEST (tot koning Richard.) Die ’t eerst ten troon u heeft gevoerd, was
+ik;
+Die ’t laatst uw dwinglandij ervoer, was ik.
+Denk in ’t gewoel des strijds aan Buckingham,
+En sterf, verschrikt door al uw euveldaden;
+Droom voort, droom voort, en gruw van wat gij deedt;
+En zij uw laatste snik een wanhoopskreet!
+(Tot Richmond.) De hoop van u te helpen was mijn dood;
+Doch troost u, beter helpers heeft uw nood;
+God en zijn eng’len strijden aan uw zij,
+En Richard valt den val der hoovaardij.
+
+(De Geesten verdwijnen. Koning Richard ontwaakt uit zijn droomen.)
+
+KONING RICHARD. Geef mij een ander paard!—verbind mijn wonden!—
+Erbarmen, Jezus!—Stil, ’t was maar een droom!—
+Geweten, lafaard, wat beangst gij mij!—
+Het licht brandt blauw.—’t Is ’t holle van de nacht.
+Angstdropp’len staan mij, koud, op ’t rillend lijf.
+Wat! angstig voor mijzelf? Geen ander is hier;
+Richard mint Richard; ja, want ik ben ik.
+Is hier een moord’naar? Neen; ja, ik ben hier;
+Zoo vlucht,—wat, voor mijzelf? Zeer wijs! waarom?
+Licht name ik wraak.—Wie, wat! ik op mijzelf?
+Ach, ik bemin mijzelf. Om wat? iets goeds,
+Dat ik, ikzelf mijzelven heb gedaan?
+Ach, neen, helaas! ik haat veeleer mijzelf
+Om haat- en vloekbre daden, die ik deed.
+Ik ben een schurk. Neen; ’k lieg, ik ben het niet.
+Dwaas, spreek uzelven voor;—dwaas, vlei toch niet. 192
+O, mijn geweten heeft veel duizend tongen,
+En ied’re tong vertelt een ander stuk,
+En ieder stuk veroordeelt mij als schurk.
+Meineed, meineed, in de’ allerhoogsten graad;
+Moord, zwarte moord, in de’ allerergsten graad;
+Ja, elke zonde, in elken graad bedreven,
+Dringt naar de rol, en roept haar: „Schuldig, schuldig!”
+Ik word wanhopig.—Niets op aard bemint mij;
+En zoo ik sterf, geen ziel heeft leed er van;
+En waarom zouden ze ook? Ikzelf, ik vind
+Geen deernis met mijzelven in mijzelf.
+
+(Ratcliff komt op.)
+
+RATCLIFF. Mijn vorst!
+
+KONING RICHARD. Wie daar?
+
+RATCLIFF. Ratcliff, mijn vorst; ik ben ’t. De vroege dorpshaan
+Begroette de’ ochtend tweemaal reeds. Uw vrienden
+Zijn op en gorden hunne rusting aan.
+
+KONING RICHARD. O Ratcliff, ’k had een vreeselijken droom.—
+Wat denkt gij? kan ik vast op allen bouwen?
+
+RATCLIFF. Wis, heer.
+
+KONING RICHARD. O Ratcliff, ach, ik vrees, ik vrees,—
+Het was me, als kwamen allen, aller zielen,
+Die ’k moordde, in mijne tent; een ieg’lijk dreigde
+Met wraak op morgen tegen Richards hoofd.
+
+RATCLIFF. Mijn beste heer, voed toch geen vrees voor schimmen.
+
+KONING RICHARD. Bij den apostel Paulus, schimmen wekten
+Van nacht meer angst in Richards ziel, dan ooit
+Tienduizend tastb’re krijgers zouden wekken
+In ’t staal, met melkmuil Richmond aan hun hoofd.
+De daag’raad is nog ver. Kom, ga met mij;
+’k Wil luistervink gaan spelen aan de tenten,
+Of eenig strijder overloopen wil.
+
+ (Beiden af.)
+
+(Richmond ontwaakt. Oxford en Anderen treden zijn tent binnen.)
+
+OXFORD. Recht goeden morgen, Richmond.
+
+RICHMOND. O, ’k vraag verschooning, waakzame, eed’le heeren,
+Dat gij een tragen doeniet hier verrast.
+
+OXFORD. Hebt gij gerust geslapen, heer?
+
+RICHMOND. Den zoetsten slaap; en droomen had ik, vrienden,
+Sinds uw vertrek, zoo schoon en heilvoorspellend,
+Als ooit verrezen voor een domm’lig brein.
+De zielen, scheen ’t, wier lichaam Richard moordde,
+Verschenen in mijn tent, en riepen: „Zege!”
+Ik kan u zeggen, ’t harte juicht mij nog
+Bij ’t denken aan een droom, zoo schoon en zoet.—
+Hoe ver is ’t in den morgen reeds, mylords?
+
+OXFORD. Op slag van vieren, heer.
+
+RICHMOND. ’t Is tijd dan, ons te waap’nen, ’t heer te scharen.
+
+(Hij treedt naar de troepen.)
+
+De haast en drang van ’t oogenblik verbieden,
+Geliefde landgenooten, meer te ontvouwen
+Dan ik reeds zeide; doch herinnert u:—
+Aan onze zijde strijden God en ’t recht; 240
+Der heil’gen, der gekrenkte zielen beden
+Staan voor ons als een bolwerk, dat ons dekt.
+Op Richard na, zien zij, met wie wij strijden,
+Veel liever ons, dan hunnen veldheer winnen.
+Want, ja, wat is die veldheer? Waarlijk, vrienden,
+Een bloedig dwing’land en een moordenaar,
+Door bloed verrezen en in bloed gezeteld,
+Zich helpers wervend om aan ’t doel te komen,
+En doodend, wie hij eens als helpers koos;
+Een steen, niets waard, door de’ achtergrond des troons,
+Waar arglist hem in zette, kostlijk schijnend;
+Van den beginne steeds een vijand Gods.
+Welnu, bestrijdt gij, die Gods vijand is,
+Dan hoedt u God gewis als zijne krijgers;
+Bestrijdt ge in ’t zweet uws aanschijns zulk een dwing’land,
+Dan slaapt ge in vreê, wanneer die dwing’land valt;
+Bestrijdt gij, die uw land vijandig zijn,
+Dan zal het vette uws lands uw zwoegen loonen;
+Strijdt gij om uwe vrouwen te beschermen,
+Uw vrouwen halen na de zege u in;
+Behoedt gij uwe kind’ren voor het zwaard,
+Uw grijsheid loonen ’t uwer kind’ren kind’ren.
+Nu dan, met God en met dit heilig recht,
+Steekt op de vanen, trekt uw willig zwaard.
+Mijn boetegeld, zoo ’t waagstuk al te stout is,
+Zij mijn koud lijk op ’t koud gelaat der aard.
+Doch zoo ik slaag, de minste van u allen
+Heeft deel aan mijne winst. Trompetten, schalt!
+Klinkt, trommen, wijst aan moed den weg ter glorie;
+God en Sint George, Richmond en victorie!
+
+ (Allen af.)
+
+(Koning Richard en Ratcliff komen terug, met Gevolg en Troepen.)
+
+KONING RICHARD. Wat zeide lord Northumberland van Richmond?
+
+RATCLIFF. Dat hij een nieuw’ling is in de oorlogskunst.
+
+KONING RICHARD. En dit is waar; doch zeide Surrey niets?
+
+RATCLIFF. Hij lachte en sprak: „Voor ons zooveel te beter.”
+
+KONING RICHARD. Hij had gelijk; zoo is het inderdaad.— (De klok slaat.)
+Stil, tel de klok.—Geef een kalender hier.
+Wie zag de zon vandaag?
+
+RATCLIFF. Ik niet, mijn vorst.
+
+KONING RICHARD. Dan weigert ze ons haar licht, want, naar het boek,
+Moest zij een uur reeds in het oosten prijken.
+Een zwarte dag zal dit voor iemand zijn.—
+Ratcliff!
+
+RATCLIFF. Mijn vorst?
+
+KONING RICHARD. De zon laat zich vandaag niet zien; 281
+Boos ziet de hemel op ons leger neer.
+Dien dauw van tranen wenschte ik van den grond.
+Vandaag niet schijnen? Nu, wat doet dit mij,
+Meer dan dien Richmond? Want dezelfde lucht,
+Die mij bedreigt, ziet hem ook donker aan.
+
+(Norfolk komt op.)
+
+NORFOLK. Te wapen, vorst! de vijand bralt in ’t veld.
+
+KONING RICHARD. Komt, haastig, haastig! Vlug mijn paard gezadeld!—
+Roep Stanley op; hij kome met zijn volk.
+Ik wil mijn krijgers in de vlakte leiden,
+En deze schikking kies ik voor ’t gevecht:
+De voortocht strekk’ zich uit in volle lengte,
+Gelijk uit paard- en voetvolk saamgesteld;
+De handboogschutters nemen ’t midden in;
+John hertog Norfolk, Thomas graaf van Surrey
+Zijn de oversten van ’t voetvolk en de ruiters.
+Zijn deze aldus op weg, dan volgen wij
+Met onze hoofdmacht, die aan wederzij
+De keur der ruiterij tot vleugel heeft.
+Zoo, en Sint George als hulp!—Wat dunkt u, Norfolk?
+
+NORFOLK. Een goede schikking, oorlogshafte vorst.—
+Dit vond ik hedenmorgen in mijn tent.
+
+(Hij geeft den Koning een stuk papier.)
+
+KONING RICHARD (leest).
+
+ „Hans Norfolk, tijdig heil gezocht!
+ „Uw meester Dick is verraden, verkocht.”
+
+Dit is een loos verzinsel van den vijand.—
+Gaat, heeren, ieder uwer op zijn post.
+Geen beuzelpraat van droomen breng’ ons angst;
+Geweten is een lafaardswoord, een vond,
+Die sterken, geeft men toe, in banden legt;
+De vuist zij ons geweten, ’t zwaard ons recht.
+Vooruit, grijpt aan, vooruit steeds, moedig, fel,
+Zoo niet ten hemel, dan te zaam ter hel!—
+(Tot de troepen.) Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed?
+Bedenkt, met wie gij u te meten hebt:
+Een troep landloopers, schooiers en schavuiten,
+Bretagner schuim en lage slaafsche boeren,
+Door ’t land, dat hunner zat is, uitgebraakt
+Tot doldriest woeden en een zeek’ren dood.
+Gij sliept in veiligheid, zij brengen onrust;
+Gij roemt op landerijen, schoone vrouwen,
+Die willen ze u betwisten, deze schenden.
+En dan, wie voert hen aan? een kale jonker,
+Die in Bretagne ’t brood at onzer moeder!
+Een melkmuil, die zijn leven lang zich nooit
+Tot boven de enkels in de sneeuw gewaagd heeft!
+Komt, dit gespuis weer over zee gezweept,
+Die drieste Fransche schooiers weggegeeseld,
+Dit hong’rig, levensmoede bedelvolk, 329
+Dat, had het van dit waagspel niet gedroomd,
+Uit nood, kaal rattenbroed! zich had verhangen.
+Neen, moeten we overwonnen zijn, dan zij ’t
+Door mannen, niet door die Bretagner bastaards,
+Door onze vaad’ren in hun eigen land
+Geklopt, gestriemd, gedorscht, aan bare schande
+Ter prooi gelaten! En die zouden ons
+Ons land ontnemen, onze vrouwen, dochters
+Onteeren, schenden?—(Trommen in de verte.) Luistert, ’k hoor hun
+trommen.
+Strijdt, Eng’lands ridderschap! strijdt, stoute burgers!
+Spant, schutters, uwen boog tot aan de wang!
+Spoort uwe fiere rossen, waadt door bloed,
+Verbaast het luchtruim met uw lansgesplinter!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+Wat zegt lord Stanley? komt hij met zijn volk?
+
+BODE. Mijn vorst, hij weigert hier te komen.
+
+KONING RICHARD. Dan George Stanley ’t hoofd af!
+
+NORFOLK. Mijn vorst, de vijand is ’t moeras reeds over;
+Dat George Stanley sterve na den slag.
+
+KONING RICHARD. Veel duizend harten zwellen in mijn borst.
+Vooruit de standaards! valt den vijand aan!
+Onze oude krijgsroep: „Voor Sint George en Eng’land!”
+Beziel’ ons met den haat van vuur’ge draken!
+Op onze helmen troont de zege; voort!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Krijgsgedruisch; heen en weer trekken van troepen. Norfolk komt op met
+troepen, Catesby gaat op hem toe.
+
+CATESBY. Ter hulp, mylord van Norfolk, op! ter hulp!
+’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet;
+Hij trotst op dood en leven ied’ren vijand.
+Zijn paard is dood; hij vecht te voet steeds voort,
+En zoekt naar Richmond in den muil des doods.
+Breng hulp, mylord, of alles is verloren.
+
+(Krijgsgedruisch. Koning Richard komt op.)
+
+KONING RICHARD. Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard!
+
+CATESBY. Wijk, wijk, mijn vorst; ik help u aan een paard.
+
+KONING RICHARD. Gij slaaf! ik zette op éénen worp mijn leven,
+En zet het waagspel tot het einde voort.
+Er zijn zes Richmonds in het veld, geloof ik;
+’k Versloeg er heden vijf in plaats van hem.—
+Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Krijgsgedruisch. Koning Richard en Richmond komen op en gaan vechtend
+heen.—Sein tot terugroeping en trompetgeschal. Dan komen op: Richmond,
+Stanley met de kroon, verscheiden andere Lords, en troepen.
+
+RICHMOND. Gode en uw zwaard zij dank, zeeghafte vrienden,
+Ons is het slagveld en de bloedhond dood.
+
+STANLEY. Schoon, dapp’re Richmond, hebt gij u gekweten!
+Zie hier, dit lang geroofde koningskleinood
+Heb ik aan ’t doode hoofd des snooden moord’naars
+Ontrukt, om u de slapen mee te sieren;
+Aanvaard het, draag het lang, hernieuw zijn glans!
+
+RICHMOND. Gij, God hierboven, zeg hier „Amen” toe;—
+Maar zeg mij, leeft de jonge George nog?
+
+STANLEY. Hij leeft, in veiligheid, in Leicester, heer,
+Waarheen, zoo ’t u behaagt, wij allen gaan.
+
+RICHMOND. Wie vielen er, van naam, aan beide zijden?
+
+STANLEY. Lord Walter Ferrers, hertog John van Norfolk,
+Sir Robert Brakenbury, Sir William Brandon.
+
+RICHMOND. Begraaft hen naar hun rang en hun geboorte.
+Verkondt genade aan elk voortvluchtig krijger,
+Die onderdanig tot ons wederkeert.
+Dan willen wij de roode en witte roos,
+Gelijk ik zwoer bij ’t sacrament, vereenen;—
+De Hemel lach’ het toe, dit schoon verbond,
+Die lang met donk’ren blik den krijg aanschouwde;— 21
+Wie pleegt verraad en zegt hierop geen amen?
+Lang sneed dolzinnig Eng’land zich in ’t vleesch;
+Blind stortte lang de broeder ’s broeders bloed;
+Woest werd de vader moord’naar van zijn zoon,
+De zoon, uit noodweer, slachter van zijn vader;
+’t Werd al verdeeld door York en Lancaster,
+Door gruwzame verdeeldheid zelf verdeeld.—
+O, mogen Richmond en Elizabeth,
+Van beide huizen de rechtmatige erven,
+Zich nu vereenen door Gods wijs bestel!
+En moog’ hun kroost,—zoo gij, o God, dit wilt,—
+De toekomst met een zoeten vrede zeeg’nen,
+Met dagen van geluk en rijken bloei!
+Verstomp, genadig God, het zwaard der boozen,
+Wier wensch is, zulke dagen te doen keeren,
+Waarin arm Eng’land weent met stroomen bloeds!
+Hij sterve en hebb’ geen deel aan Eng’lands zegen,
+Die aan den vrede zwart verraad wil plegen!
+De twist is dood, en vreê voegt allen samen;
+Lang leev’ die hier, en gij, o God, zeg Amen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+Shakespeare ontleende de stof voor zijn „Koning Richard III” aan de
+kronieken van Hall en Holinshed; deze beide,—en wel voornamelijk de
+eerste, want Holinshed heeft uit Hall geput,—gronden hun verhaal op Sir
+Thomas More’s Tragical History of Richard III. More’s bron waren
+mondelinge mededeelingen van John Morton, bisschop van Ely, die, zooals
+ook in Sh.’s stuk vermeld wordt, de zijde van den hertog van Richmond
+gekozen heeft. Dat het beeld, door More van Richard gegeven, zeer
+donker gekleurd is, kan dus niet bevreemden. Maar het moge in
+bijzonderheden onjuist, hier en daar verkeerd getint zijn, dat het in
+grondtrekken niet gelijkend is, kan men daarom geenszins beweren. Aan
+de gelijkenis van het door Hall geschetste beeld werd in Shakespeare’s
+tijd ten minste niet getwijfeld, en ook de geschiedvorschers van den
+lateren tijd erkennen, naar aanleiding van de karige berichten, die uit
+deze schrikkelijke tijden tot ons gekomen zijn, dat Richard een vorst
+was van grooten aanleg, doordrongen van eergierigheid en heerschzucht,
+die zijn plannen met onverzettelijke geestkracht wist uit te voeren,
+zonder zich door goddelijke of menschelijke wetten te laten weerhouden.
+
+Dat Shakespeare bij de schepping van dit beeld des demonischen
+dwingelands de aanwijzingen zijner kronieken over het algemeen getrouw
+gevolgd heeft, zou door uitvoerige uittreksels kunnen blijken;
+vooreerst zij het voldoende, het door een enkel voorbeeld te staven.
+
+In de kroniek van Hall vindt men de volgende karakterschets van Richard
+III:
+
+„Richard, hertog van Gloster, was in geest en moed zijn’ broeders
+Edward en George gelijk, maar stond in lichaamsschoon en trekken ver
+bij beiden achter; want hij was klein van gestalte, slecht gevormd van
+ledematen, krom van rug, zijn linkerschouder veel hooger dan de
+rechter, met harde gelaatstrekken, wat men bij grooten een krijgshaftig
+gelaat, en bij mindere personen een norsch gezicht noemt. Hij was
+boosaardig, wraakzuchtig en afgunstig, en men verhaalt, dat zijn moeder
+hem eerst na zwaren arbeid het leven geschonken had en dat hij met de
+voeten vooruit ter wereld was gekomen, zooals de mensch uitgedragen
+wordt, en zooals het gerucht loopt, niet zonder tanden. In hoeverre
+zijn haters dit tegen de waarheid in hebben uitgestrooid, of wel de
+natuur haar gang veranderd heeft bij den aanvang van hem, die in zijn
+leven menige onnatuurlijke daad bedreef, laat ik aan Gods oordeel over.
+Hij was geen slecht bevelhebber in den oorlog, waar zijn gezindheid
+meer toe geneigd was dan tot den vrede. Verscheidene overwinningen had
+hij en ettelijke nederlagen, maar deze nooit door de schuld van
+hemzelf, wegens het ontbreken hetzij van moed hetzij van beleid. Ruim
+was hij in zijn uitgaven en zelfs boven zijn vermogen mild; met groote
+gaven verwierf hij onbestendige vriendschap, waartoe hij elders borgde,
+plunderde of afperste, welk doen hem bestendigen haat verwierf. Hij was
+gesloten en achterhoudend, een diep huichelaar, nederig in zijn
+manieren, hoovaardig van harte, uitwendig vertrouwelijk als hij
+inwendig haatte, nooit nalatend hem te kussen, dien hij van plan was te
+dooden; onverzoenlijk en wreed, niet altijd uit boozen wil, maar vaak
+uit eerzucht en om zijn doel te bereiken; vriend en vijand waren hem
+onverschillig, wanneer zijn voordeel in het spel kwam; hij ontzag den
+dood van geen mensch, wiens leven zijn plannen in den weg stond. Hij
+versloeg in den Tower koning Hendrik VI, zeggende: „Nu is er geen
+mannelijk erfgenaam van Edward III dan wij van het huis van York”,
+welke moord begaan werd zonder toestemming van koning Edward die dit
+slachterswerk eer aan een ander dan aan zijn eigen broeder zou hebben
+opgedragen. Ettelijke wijze mannen gelooven, dat zijn drijven ook niet
+ontbrak, om zijn eigen broeder Clarence den dood aan te doen, waar hij
+zich naar allen schijn tegen verzette, hoewel hij er inwendig naar
+streefde. En de grond hiervan was, zooals menschen, die zijn daden en
+handelingen gadesloegen, opmerkten, dat hij reeds lang in koning
+Edwards tijd er aan dacht, de kroon te erlangen, in geval de koning
+zijn broeder, wiens leven, naar hij wachtte, door zijn losbandigheid
+zou verkort worden, mocht komen te sterven, gelijk dan ook gebeurde,
+terwijl zijn kinderen nog jong waren. En als dan de hertog van Clarence
+nog leefde, zou zijn voorgenomen plan zeer gehinderd worden; want als
+de hertog van Clarence trouw was gebleven aan zijn neef den jongen
+koning, of zelf koning had willen worden, zou zoowel het een als het
+ander een booze hinderpaal geweest zijn op den weg van den hertog van
+Gloster; maar als hij zeker was, dat zijn broeder Clarence dood was,
+wist hij, dat hij zonder zooveel te wagen aan het werk kon gaan. Maar
+omtrent deze punten bestaat geen zekerheid, en wie raadt of gist, kan
+evengoed te kort als te ver schieten; maar deze gissing kwam,—wat
+zelden het geval is,—later uit, zooals gij in het vervolg vernemen
+zult”.
+
+Men ziet, dat Shakespeare de persoonlijkheid van Richard inderdaad
+gevormd heeft naar de aanwijzingen der kroniek en ook verdere
+bijzonderheden aan deze ontleend heeft. Om een geheel te scheppen heeft
+de dichter natuurlijk de gebeurtenissen, die door eenige jaren afstands
+gescheiden zijn, moeten samendringen. Het was in 1471, dat Hendrik VI
+in den Tower vermoord werd gevonden,—men vergelijke de aanteekeningen
+op „Koning Hendrik VI” en ook de geslachtslijst—en eerst omtrent twee
+jaren later huwde Richard met Anna Nevil, vroeger bruid van prins
+Edward, den bij Tewksbury verslagen zoon van Hendrik VI. De bestorming
+van Anna door Richard aan Hendriks lijkbaar is een dichterlijke
+vond.—Zij en Isabella Nevil, de gemalin van Clarence, waren de eenige
+kinderen van den machtigen graaf van Warwick, die groote bezittingen
+had nagelaten. Clarence zag, schoon zijn vrouw hem haar aandeel aan
+haars vaders nalatenschap had aangebracht, het huwelijk van Richard met
+de rijke Anna met leede oogen aan, en oneenigheid tusschen de beide
+broeders was er het gevolg van. Dat Richard daarom naar den dood van
+Clarence zou gestreefd hebben, is echter volstrekt onbewezen. Clarence
+gaf zelf, na den dood zijner gemalin in 1476, aan koning Edward
+aanleiding, dat deze hem in 1477 van hoogverraad beschuldigde; hij werd
+gerechtelijk ter dood veroordeeld en stierf in Febr. 1478 in den Tower,
+op welke wijze is onbekend; onder het volk werd weldra verteld, dat hij
+in een vat malvezijwijn verdronken was, en later werd zijn dood aan
+Richard van Gloster ten laste gelegd. Koning Edward overleefde hem ruim
+vijf jaren en stierf in April 1483, na in zijn laatste ziekte getracht
+te hebben een verzoening tot stand te brengen tusschen beide partijen,
+die aan zijn hof elkander vijandig tegenover stonden, de verwanten der
+koningin en den ouden adel. Na den dood van Edward IV volgden de in dit
+stuk ten tooneele gevoerde gebeurtenissen snel op elkander. Nog in Mei
+werden Rivers en zijn medestanders gevangen genomen, Richard tot
+Protector en Defensor des rijks en voogd van den jongen koning benoemd;
+lord Hastings werd 13 Juni gevangen genomen en terechtgesteld, Richard
+26 Juni gekroond. In hetzelfde jaar stond Buckingham op; hij werd 2
+Nov. 1483 onthoofd. In 1484 verloor Richard zijn eenigen wettigen
+erfgenaam, zijn zoon Edward, prins van Wales, van wien door Shakespeare
+geen gewag wordt gemaakt. In Maart 1485 stierf zijn vrouw Anna; op 1
+Aug. van dit jaar landde Hendrik Richmond in Milfordhaven bij Pembroke
+en op 22 Aug. sneuvelde Richard na manmoedigen strijd op het slagveld
+bij Bosworth. Wat de door Sh. gebezigde kronieken van al deze
+gebeurtenissen verhalen, behoeft hier niet te worden medegedeeld; op
+enkele bijzonderheden zal in het vervolg dezer aanteekeningen gewezen
+worden; over het geheel week hij weinig van de kronieken af.
+
+Koning Richard III is zoozeer het onmiddellijk vervolg van de drie
+deelen van Koning Hendrik VI, dat het stuk ongetwijfeld kort na deze
+geschreven is; men mag vermoeden in 1593, misschien in 1594 of 1595.
+Het stuk werd op 20 October 1597 in het register der boekhandelaars
+ingeschreven en in dit jaar ook uitgegeven, onder den titel: The
+Tragedy of King Richard the third. Containing, His treacherous Plots
+against his brother Clarence: the pittiefull murther of his innocent
+nephewes: his tyrannical usurpation: with the whole course of his
+detested life, and most deserued death. As it hath beene lately Acted
+by the Richt honourable the Lord Chamberlaine his Seruants. At London
+Printed by Valentine Sims, for Andrew Wise, dwelling in Paulus
+Churchyard, at the signe of the Angell. 1597.—Op deze eerste uitgave in
+quarto volgde in 1598 een tweede, die op den titel den schrijver noemt:
+By William Shake-speare, in 1602 een derde, die, evenals de volgende
+quarto-uitgaven, van 1605, 1615 enz. op den titel de woorden Newly
+augmented draagt; zij onderscheiden zich echter vooral door meer
+drukfouten en onbeteekenende afwijkingen van de eerste; slechts op
+enkele plaatsen zijn verbeteringen aangebracht. In de folio-uitgave van
+Shakespeare’s dramatische werken, van 1623, draagt het stuk den titel:
+The Tragedy of Richard the Third: with the Landing of Earle Richmond,
+and the Battell at Bosworth Field; terwijl het in de bovenschriften der
+bladzijden The Life and Death of Richard the Third genoemd wordt.
+
+De eerste quarto-uitgave van „K. Richard III” onderscheidt zich gunstig
+van de quarto-uitgaven der meeste andere stukken; de tekst is zeer
+leesbaar, een groot verschil b.v. met dien der quarto-uitgave van
+„Koning Lear,” waarover men de aanteekeningen op dit stuk nazie. Geen
+wonder, dat de beide uitgaven, de eerste quarto en de folio, met alle
+zorg vergeleken zijn, met name door Delius en Alexander Schmidt, zooals
+men in het Shakespeare-Jahrbuch van 1872 en van 1880 kan vinden. Het
+resultaat der onderzoekingen is het volgende: de echte tekst van
+„Koning Richard III” wordt gegeven door de folio-uitgave. Aan dezen lag
+een handschrift ten grondslag, dat wel niet het oorspronkelijke van
+Shakespeare zal geweest zijn, maar toch zeker door afschrijven er van
+gekregen was. Bij het afschrijven zijn ongetwijfeld fouten begaan, bij
+het drukken eveneens, zoo zelfs, dat er enkele regels zijn weggevallen
+maar het geheel is toch de eenig ware bron voor den tekst. De eerste
+quarto-uitgave daarentegen is, gelijk bepaald door Alex Schmidt werd
+aangetoond, ontstaan door het opschrijven van het stuk, als het
+gespeeld werd; de nauwkeurige vergelijking der beide teksten maakt dit
+hoogstwaarschijnlijk. Bij het verkort opschrijven bleven enkele woorden
+achterwege en werden later ingevuld, of een woord werd met een of een
+paar letters aangeduid en bij het overschrijven werd het door een
+ander, dat even goed of bijna even goed in den zin paste, vervangen, in
+plaats van een woord werd een ander verstaan, versregels werden door
+het invoegen of weglaten van een minder wezenlijk woord bedorven, de
+eene acteur werd voor den anderen aangezien, of er werd, als één acteur
+in twee rollen optrad, niet behoorlijk onderscheiden, wie door hem
+voorgesteld werd, een acteur sprak zijn rol niet geheel juist of voegde
+er iets in, kortom, de tekst der quarto’s vertoont vele afwijkingen,
+die alleen uit het haastig opteekenen van het gehoorde woord te
+verklaren zijn. De uitgever heeft zich inderdaad moeite gegeven om een
+draaglijken tekst te leveren en het in orde brengen van het handschrift
+aan iemand opgedragen, die vrijwel voor zijn taak berekend was en
+blijkbaar ook begrip van versbouw had, want men vindt verscheidene
+verzen beter ingedeeld dan in de folio-uitgave; maar als de
+snelschrijver woorden had uitgelaten of door andere vervangen, die de
+maat van het vers storen, bleven de regels natuurlijk gebrekkig, en
+zulke regels zijn er niet weinige; te meer op te merken, daar
+Shakespeare in den tijd, waarin hij den Richard III schreef, zich
+geenszins de vrijheden en onregelmatigheden in den versbouw
+veroorloofde, die men in zijn latere werken opmerkt.—Bij den derden
+druk wordt het stuk „opnieuw vermeerderd” genoemd; dit is eenvoudig
+niet waar; maar er zijn toch hier en daar veranderingen aangebracht;
+het blijkt, dat men, door nogmaals het spelen van het stuk bij te
+wonen, getracht heeft verbeteringen aan te brengen; van tijd tot tijd
+vindt men, voor de vroegere lezing der quarto’s, de echte der
+folio-uitgave terug.
+
+Is het als bewezen, ten minste als zeer waarschijnlijk te beschouwen,
+dat de tekst der quarto-uitgaven door opschrijven van het gesproken
+woord in den schouwburg ter sluiks verkregen is, dan kan zij ook niet
+als de echte beschouwd worden en mag zij niet voor een uitgave van den
+tekst ten grondslag worden gelegd, zooals dit geschied is door de
+bezorgers der groote Cambridge-uitgave en der Globe-editie van Sh.’s
+werken, Aldis en Wright, die aangaande het ontstaan van den tekst der
+quarto-uitgave andere denkbeelden koesterden, waarvan de onjuistheid
+uit de onderzoekingen van Delius en Alex. Schmidt voldingend gebleken
+is. Bij de vertaling is daarom niet de tekst der Globe-editie ten
+grondslag gelegd, maar een andere, welke zich aan die der folio-uitgave
+houdt, zooals die van Delius of Knight.
+
+Al is de tekst der quarto-editie op slinksche wijs verkregen en niet
+als gezaghebbend te beschouwen, toch is zij van groot nut voor het
+verkrijgen van een zuiveren tekst. De folio-uitgave munt niet door een
+zorgvuldige correctie uit en het gebeurt meermalen, dat de
+tooneelspelers blijken juist gesproken, de snelschrijvers juist
+geschreven te hebben, waar de zetter der folio-uitgave verkeerd las of
+spelde. In die gevallen doet de quarto-editie de ware lezing kennen.
+Bij den druk der folio-uitgave zijn zelfs enkele regels door de
+slordigheid van den zetter weggevallen, die uit de quarto’s weder
+ingevoegd moeten worden.—Maar wij hebben meer aan de quarto’s te
+danken: het begin van het derde bedrijf, namelijk reg. 1—166 van het
+eerste tooneel, en een aanzienlijk deel van het vijfde bedrijf,
+namelijk het geheele slot van het stuk van reg. 177, misschien reeds
+van reg. 69 van het derde tooneel af, is zeker niet naar het
+handschrift, maar,—een nauwkeurige vergelijking leert het,—naar de
+derde quarto-uitgave, die van 1602, afgedrukt, waarbij de zetter nog
+slordig genoeg was om twee en een halven regel, V. 3. 212—214 weg te
+laten. Waarschijnlijk was het handschrift, dat zeker bij de
+vertooningen veelvuldig dienst had gedaan, hier verminkt geraakt of
+onleesbaar geworden. Dit is te meer te bejammeren, omdat zoowel van de
+toespraak van Richmond tot zijn leger, V. 3 237, als van die van
+Richard, V. 3. 314, het begin schijnt te ontbreken; misschien werden
+zij bij het spelen door de acteurs ter bekorting,—niet altijd worden
+kappingen met beleid gedaan,—in dien verminkten vorm voorgedragen. Want
+de quarto-uitgave levert het stuk niet, zooals het geschreven, maar
+zooals het in 1597 gespeeld werd en blijkbaar werd het toen reeds
+bekort. De folio-uitgave bevat omtrent honderdentwintig regels meer;
+eens, in het lange onderhoud tusschen Richard en Koningin Elizabeth, in
+het vierde tooneel van het vierde bedrijf, ontbreken in de
+quarto-uitgave zelfs vijfentwintig achtereenvolgende regels. Opmerking
+verdient hierbij, dat verscheidene der ontbrekende regels, die ons
+alleen in de folio-uitgave bewaard gebleven zijn, dit stuk als een
+vervolg van „Koning Hendrik VI” kenschetsen en er mede verbinden. Men
+mag hieruit afleiden, dat het toen reeds meer gegeven werd dan de
+deelen van „K. Hendrik VI,” en daarom losgemaakt uit dit verband en als
+zelfstandig stuk gespeeld, waarbij de bedoelde regels konden vervallen.
+Maar dan was het zeker reeds eenigen tijd gespeeld; en dit bevestigt,
+wat boven gezegd is, dat het in 1593, uiterlijk in 1594 of 1595 zal
+geschreven zijn. Dat het langen tijd gaarne gezien werd, blijkt reeds
+uit de herhaalde quarto-drukken; bovendien vindt men aangeteekend, dat
+Henslowe, directeur van een tooneelgezelschap, in 1602 aan Ben Jonson
+de som van tien pond betaalde voor een door hem te schrijven stuk
+„Richard Bochelrug,”—Richard Croockback,—waardoor Henslowe zeker hoopte
+met Sh.’s troep te kunnen mededingen.—Reeds vóór Sh. viel het onderwerp
+in den smaak; in 1579 werd te Cambridge in St. Johns College een
+Latijnsch stuk van Dr. Legge, Richardus Tertius, gespeeld en vond veel
+bijval, en in 1594 verscheen: The True Tragedie of Richard the third:
+Wherein is showne the death of Edward the fourth, with the smothering
+of the two yoong Princes in the Tower: With a lamentable ende of Shores
+wife, an example for all wicked women. And lastly, the coniunctoin and
+ioyning of the two noble Houses, Lancaster and Yorke. As it was playd
+by the Queens Maiesties Players. London Printed by Thomas Creede, and
+are to be sold by William Barley etc 1594. Het zou kunnen zijn, dat dit
+oudere stuk werd uitgegeven, toen Sh.’s stuk reeds gespeeld en
+toegejuicht werd, in de hoop, dat velen deze ware tragedie voor het
+nieuwe stuk zouden aanzien en des te eerder het boek koopen.
+
+I. 1. 1. Nu werd de winter enz. De woorden: „zon van York” zinspelen op
+het wapen der familie York, een door de wolken brekende zon; zie „3
+Koning Hendrik VI” II. 2. 39.
+
+I. 1. 14. Doch ik, geenszins gevormd enz. Men vergelijke „3 Koning
+Hendrik VI”, V. 6. 78.
+
+I. 1. 17. Dart’le, luchte nimfen. In ’t Engelsch: a wanton ambling
+nymph. Ambling is het woord voor den telgang en beteekent hier
+eenvoudig een vluggen, luchten gang, going smoothly. Het wordt ook wel
+gebruikt voor een geaffecteerden gang, aangenomen om de aandacht te
+trekken, doch hier behoeft men er die beteekenis niet aan te hechten.
+
+I. 1. 56. Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G enz. Volgens
+Holinshed was aan koning Edward voorspeld, dat een man, wiens naam met
+G begon, voor zijn huis gevaarlijk zou worden, en meende hij, dat zijn
+broeder George van Clarence er mee bedoeld werd; Gloster behoorde ten
+tijde, dat Clarence gedood werd, tot de trouwste aanhangers des
+konings. Dat Gloster de hand heeft gehad in George’s dood, was een
+volksoverlevering, die door de geschiedenis niet gestaafd wordt.
+
+I. 1. 73. Mejuffer Shore. De vrouw van een Londensch burger, met name
+Shore, was langen tijd de bevoorrechte geliefde van koning Edward. Zij
+was zeer schoon, vroolijk, bevallig en goedhartig; zij had grooten
+invloed op den koning, maar bezigde dien enkel, om anderen te helpen,
+niet tot eigen voordeel of tot verheffing der haren. In dit opzicht
+verschilde zij zeer van de koningin, die dadelijk na haar huwelijk haar
+broeders, zusters en haar zonen uit haar eerste huwelijk in rang liet
+verhoogen en voordeelige huwelijken deed sluiten, wat den ouden adel
+zeer in de oogen stak en groot ongenoegen wekte. Van Shore’s vrouw
+spreken daarom de kronieken zonder bitterheid en beklagen haar zelfs,
+omdat zij, die na ’s konings dood de geliefde van Hastings geworden
+was, weldra, toen deze terechtgesteld was, openlijk boete moest doen en
+in armoede verviel. Als Gloster een oogenblik later zegt, dat de koning
+de versleten weeuw (zie „3 Koning Hendrik VI”, III. 2), zijn
+vrouw,—vandaar in reg. 109 ook koning Edwards weeuw genoemd,—tot
+edelvrouw sloeg, overdrijft hij, want koningin Elizabeth was van
+adellijke geboorte en weduwe van een ridder. Wat Shore’s vrouw betreft,
+deze werd nooit geadeld.
+
+I. 1. 115. Ik maak u vrij of raak voor u in hecht’nis. In ’t Engelsch:
+I will deliver you or else lie for you; of anders lig ikzelf voor u (in
+den kerker). Het Engelsche to lie beteekent zoowel liggen als liegen;
+meermalen maakt Sh. hiervan voor een woordspeling gebruik.
+
+I. 1. 158. Een ander diep verholen doel. Inderdaad huwde Gloster Anna
+ongetwijfeld om haar groote schatten; men vergelijke boven blz. 267,
+waar ook reeds vermeld is, dat Gloster eerst lang na Hendriks dood Anna
+huwde. Het volgend tooneel, het aanzoek aan Hendriks lijkbaar, is
+geheel verdicht; historisch is alleen, dat het lijk van Hendrik VI,
+nadat het in de Paulskerk ten toon had gelegen, eerst naar White
+Friars, een deel van Londen, ten zuiden van Fleetstreet en ten oosten
+van den Temple, gebracht werd en vervolgens naar het klooster Chertsey,
+op drie mijlen afstands van de hoofdstad, om begraven te worden. Dit
+tentoonleggen van gestorven vorsten in de kerken geschiedde in die
+woeste tijden niet zoozeer om den doode eer te bewijzen, als wel om
+iedereen van den dood zekerheid te geven en het optreden van
+pretendenten te voorkomen.
+
+I. 2. 5. Heil’gen koning. Hendrik VI was wegens zijn vroomheid bekend.
+Hendrik VII heeft zelfs bij den paus moeite gedaan om hem heilig te
+doen verklaren, maar de paus was van meening, dat zijn vroomheid nog
+overtroffen werd door de beperktheid zijner geestvermogens.
+
+I. 2. 28. Het door mijn jonge gade werd en u. Rampzalig door mijn
+jongen gade, die stierf.—door u, die hem dooddet.
+
+I. 2. 55. Des dooden Hendriks wonden....bloeden. Naar een overoud
+volksgeloof begonnen de wonden van een verslagene te bloeden, als de
+moordenaar het lijk naderde. Holinshed verhaalt, dat de wonden van
+koning Hendrik weder begonnen te bloeden, toen men hem in de Paulskerk
+tentoonlegde.
+
+I. 2. 96. Doch uwe broeders sloegen ’t ras terzijde. Vergelijk „3
+Koning Hendrik VI”, V 5 42.
+
+I. 2. 151. O waren ’t basilisken. Naar ’t oude volksgeloof doodde de
+blik van den basilisk.
+
+I. 2. 156. Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden. Deze en de
+volgende elf regels, die op „Koning Hendrik VI” terugwijzen, worden in
+de quarto-uitgaven gemist, ongetwijfeld wijl zij, toen „K. Richard III”
+meer als zelfstandig stuk gespeeld werd, bij de vertooning werden
+weggelaten; zie boven blz. 269.
+
+I. 2. 203. Die aanneemt, geeft nog niet. In ’t Engelsch: To take is not
+to give. In de folio-uitgave staat deze regel niet, die dus uit de
+quarto-editie in den tekst is opgenomen. Het kan zeer wel zijn, dat hij
+alleen door de slordigheid van den zetter ontbreekt, die juist hier nog
+een andere fout beging en voor de woorden Vouchsafe to wear this
+ring,—Draag deze ring van mij,—zeer ten onrechte de persoons-aanwijzing
+Rich. wegliet, alsof zij evenals de vorige door Anna gesproken werden.
+Het antwoord, dat zij, al nam zij Richards ring aan, hem er geen gaf en
+er zich dus niet met hem verloofde, was zeker in haar omstandigheden
+passend. Maar zij kon ook wel in haar verwarring geen woorden vinden en
+zich stilzwijgend den ring aan den vinger laten steken, waarop Gloster,
+haar hand nog vasthoudende, voortgaat: „Zie, hoe mijn ring om uwen
+vinger sluit.” Het stomme spel van Anna kon ruimschoots de woorden, die
+een laatste zwakke poging tot weerstand uitdrukken, vervangen. Het
+vermoeden, dat de woorden onecht zijn, wordt nog eenigszins versterkt
+door de bijzonderheid, dat in het voorafgaande al de gezegden, van Anna
+en van Gloster, halve alexandrijnen zijn en dat dan op vijf volledige
+regels een halve volgen zou. Deze bijzonderheid weegt ondertusschen
+niet zwaar, omdat men ook zeer wel na de woorden: „Steek op uw zwaard,”
+een pauze kan aannemen van een halven regel, zoodat met de woorden:
+„Zeg dan, wij zijn verzoend,” een nieuwe regel zou beginnen en de
+woordenwisseling met een volledigen alexandrijn sluiten. Het oordeel
+over de echtheid of onechtheid van den regel zal dus verschillen,
+naarmate men het zwijgen of spreken van Anna bij het aannemen van den
+ring beter en poëtischer vindt. Zijn de woorden onecht, dan zijn zij
+waarschijnlijk afkomstig van den tooneelspeler, die Anna
+voorstelde.—Voor de spel-aanwijzing: Zij laat zich den ring aan den
+vinger steken, vindt men in de Engelsche uitgaven: She puts on the
+ring. Dat zij den ring niet zelf aan den vinger moet steken, maar
+alleen kan dulden, dat Gloster het doet, zal ieder duidelijk zijn. De
+spel-aanwijzing heeft niet het minste gezag en is eerst door Johnson
+(1765) in den tekst gevoegd; zij moge dus voor de betere plaats maken,
+die door Oechelhäuser in zijn Essay over Richard III (1868), opgenomen
+in den derden band van het Shakespeare-Jahrbuch, aan de hand is gedaan.
+
+I. 2. 213. Naar Crosbyhof. In de folio-uitgave staat Crosby-house, in
+de quarto’s Crosby-place. Een prachtige woning in Londen, thans nog in
+wezen, gebouwd door Sir John Crosby, een aanzienlijk burger, die in
+1470 sheriff was. Dat Richard, die in de city veel aanhangers had, er
+tijdelijk gewoond heeft, wordt door de geschiedenis vermeld.
+
+I. 3. 17. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley. Hendrik
+Stafford, hertog van Buckingham, was van koninklijken bloede, zoowel
+van vaders- als van moederszijde, zie de geslachtslijst.—De edelman
+Stanley wordt in de eerste bedrijven van dit stuk Derby, in het vierde
+en vijfde bedrijf Stanley genoemd. In de meeste Engelsche uitgaven is,
+naar Theobalds voorgang, „Derby” in Stanley veranderd. Dat dit voor de
+duidelijkheid wenschelijk is, behoeft geen betoog, en in de vertaling
+moest daarom de naam Stanley alleen gebezigd worden, die bovendien
+juister is, want Stanley werd eerst bij de troonsbeklimming van Hendrik
+VII tot graaf van Derby verheven. Shakespeare koos den naam Derby
+waarschijnlijk, als in Engeland meer bekend.—Stanley was gehuwd met
+Margaretha, vroeger weduwe van Edmond Tudor, graaf van Richmond, die
+als zoon van Catharina van Frankrijk uit haar tweede huwelijk,
+halfbroeder was van koning Hendrik VI. Zijzelve was de dochter van
+Somerset, een kleinzoon van Jan van Gendt, en reeds daardoor jegens het
+huis van York minder welwillend gezind. Haar zoon uit het eerste
+huwelijk, Hendrik Richmond, had aanspraak op den troon, dien hij later
+onder den naam van Hendrik VII Tudor beklom. Zie de geslachtslijst.—Het
+bovenstaande verklaart het volgend zeggen van de koningin Elizabeth:
+„Gravinne Richmond, enz.”
+
+I. 3. 68. Deed u ontbieden. In het oorspronkelijke staat hier, in de
+folio-uitgave, slechts één regel: Makes him to send, that he may learn
+the ground: doet hem nu zenden om den grond te weten; in de
+quarto-uitgave vindt men:
+
+ Makes him to send, that thereby he may gather
+ The ground of your ill-will, and so remove it.
+
+In beide is de zinbouw onnauwkeurig hetzij door toevallige
+onachtzaamheid van Sh., hetzij om de ontroering der koningin uit te
+drukken, die vergeet, dat zij den zin met de woorden „De koning”
+begonnen is.
+
+I. 3. 81. Met gravenkronen enz. In ’t Engelsch vindt men hier een
+woordspeling met ennoble, adelen, en noble, een rozenobel, een gouden
+munt.
+
+I. 3. 111. Dat kleine word’ nog minder. Deze verschijning van koningin
+Margaretha,—zij komt op en verdwijnt als een spook,—is een
+dichtersvond; na den slag bij Tewksbury werd zij een poos gevangen
+gehouden en door haar vader Reignier vrijgekocht; na dien tijd betrad
+zij Engelands grond niet weer. Zie blz. 208.
+
+I. 3. 128. Voor het huis van Lancaster. In het derde deel van „K.
+Hendrik VI”, III. 2. 8, beging Sh. de vergissing, den eersten man van
+koningin Elizabeth, Sir John (niet Richard, ook dit is er onjuist) Grey
+voor te stellen als aanhanger van het huis van York; hij streed voor
+het huis Lancaster. Ook Elizabeth behoorde van geboorte tot die partij;
+haar moeder was in eersten echt verbonden geweest met niemand minder
+dan den hertog van Bedford, den broeder van koning Hendrik V. Dat de
+verheffing harer familie tot hoogen rang de broeders van koning Edward
+en de hooge aanhangers van het huis van York zeer verbitterde, laat
+zich dus wel begrijpen, en Richard wist van die verbittering inderdaad
+voor zijn plannen behendig gebruik te maken.
+
+I. 3. 135. Zijn vader Warwick. Clarence’s afval van zijn schoonvader
+Warwick komt voor in het derde deel van „K. Hendrik VI”, V. 1. 81.
+
+I. 3. 228. Wroetend zwijn. Koningin Margaretha zinspeelt hier op den
+ever, dien Richard in zijn wapen en op zijn standaard voerde. Aan Sh.
+stond zeker het spotvers voor den geest: „De klacht van Collingbourne”,
+dat onder koning Richard aan Collingbourne, die het gemaakt had, het
+leven kostte, waarin de gewilligste aanhangers, of handlangers, van
+Richard, namelijk Catesby, Ratcliff en Lovel met dieren werden
+vergeleken. Het vers luidde:
+
+ The cat, the rat, and Lovell our dog
+ Do rule all England under a hog;
+ The crookback’d boar the way hath found
+ To root our roses from the ground.
+
+Men kan dit aldus vertalen:
+
+ De kat, de rat, en Lovel de hond,
+ Besturen ’t rijk, met een zwijn in verbond,
+ Daar de boch’lige ever ’t middel vond
+ De rozen te wroeten uit Englands grond.
+
+I. 4. 1. Hoe ziet uw hoogheid enz. In de folio-uitgave treedt, zooals
+hier in acht is genomen, een gevangenbewaarder op, met wien Clarence
+over zijn angsten spreekt; eerst later als Clarence slaapt komt de
+commandant van den Tower, Sir Robert Brakenbury, op.—De quarto’s
+vervangen den gevangenbewaarder dadelijk door Brakenbury. Men mag
+vermoeden, dat de folio bewaard heeft wat Shakespeare geschreven heeft,
+maar dat bij de opvoering meermalen de gevangenbewaarder door
+Brakenbury vervangen werd. Dan werd reg. 66, waar de folio Ah keeper,
+keeper heeft, gezegd O Brakenbury, zooals de quarto’s hebben; in reg.
+73 hebben ondertusschen de quarto’s het woord keeper behouden.—Doch hoe
+dit zij, de beschouwingen van Brakenbury, reg. 75—83, en dus ook de
+„ongevoelde hersenschimmen,” unfelt imaginations, van reg. 80,
+duidelijkheidshalve door „ongenoten hersenschimmen” teruggegeven,
+hebben zeker geen betrekking op den droom van Clarence, maar op het
+genot of bezit der vorsten, dat slechts in de verbeelding bestaat, dat
+zij niet zinnelijk kunnen waarnemen, op het denkbeeldig genot van hun
+vorstelijken rang.
+
+I. 4. 266. Spreekt, wie van u. Dit vers en een drietal volgende worden
+alleen in de folio-uitgave gevonden, maar staan er waarschijnlijk een
+paar regels te vroeg; zij worden gewoonlijk verschikt, zooals Tyrwhitt
+het eerst gedaan heeft en in de vertaling gevolgd is. Andere uitgevers
+houden zich aan de quarto’s en laten ze weg.
+
+II. 1. 7. Rivers en Hastings, reikt elkaar de hand. Holinshed verhaalt,
+naar den voorgang van More, uitvoerig, hoe koning Edward, die zich
+anders om de oneenigheden aan zijn hof weinig bekreund had, in zijn
+laatste ziekte eendracht zocht te stichten, de vijandige edelen tot
+zich riep en met name Dorset en Hastings overreedde elkander de hand te
+reiken. Uit deze aanwijzingen heeft de dichter het groote twist- en dit
+verzoeningstooneel (I. 3. en II. 1.) geschapen. Evenals het optreden
+van koningin Margaretha, die in 1482 stierf, is het verband, waarin
+Clarence’s dood hier voorkomt, een vinding des dichters.
+
+II. 1. 67. En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u. Deze regel
+komt in de quarto’s niet voor, wel in de folio; vele uitgevers, ook de
+Globe-edition, laten hem weg. Is de regel echt, dan heeft Shakespeare
+zich vergist, want Lord Rivers, Lord Woodville en Lord Scales zijn een
+en dezelfde broeder der koningin, die door koning Edward IV aan de
+rijke erfdochter van Lord Scales werd uitgehuwd en zoo den titel van
+Lord Scales verkreeg.
+
+II. 1. 95. Mijn vorst, een gunst enz. Schoon Clarence’s dood vijf jaren
+vroeger voorviel, 1578, putte Sh. hier toch weder uit de kronieken.
+Holinshed verhaalt, dat koning Edward later bitter berouw had over het
+dooden van Clarence en vaak, als iemand om genade voor een misdadiger
+smeekte, uitriep: „O ongelukkige broeder voor wiens leven niemand wilde
+smeeken!”
+
+II. 1. 133. Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek. Lord
+Hastings was opperkamerheer en wordt daarom tot dezen dienst geroepen.
+
+II. 2. 89. Kalm, lieve moeder enz. Deze regel en de elf volgende
+ontbreken in de quarto’s.
+
+II. 2. 121. Den jongen prins van Ludlow halen ga. Edward, de jonge
+prins van Wales, bij den dood zijns vaders dertien jaar oud, werd op
+het kasteel Ludlow in Wales opgevoed; men hoopte, dat zijn aanwezigheid
+aldaar gunstig zou werken en de woeste Wallisers in toom houden.—Toen
+Edward gestorven was, droeg de koningin-weduwe aan haar broeder op, den
+prins naar Londen te brengen. Gloster zette Hastings en Buckingham,
+beiden der koningin vijandig, aan, niet te dulden, dat de jonge koning
+onder de voogdij kwam zijner bloedverwanten van moederszijde en wist de
+koningin te overtuigen, dat het afhalen van den prins met een groote
+krijgsmacht wantrouwen zou verraden jegens de edellieden, die zich pas
+met de vrienden der koningin verzoend hadden, en hen verbitteren zou.
+Toen hieraan gehoor gegeven was, reden Gloster en Buckingham, met
+gewapenden, den prins te gemoet, namen Rivers, Grey en Vaughan gevangen
+en zonden hen naar Pontrefact (Pomfret) onder voorwendsel, dat zij de
+broeders van koning Edward naar het leven hadden gestaan; zij werden
+weldra ter dood gebracht. Zoo berichten de kronieken, die Sh.
+raadpleegde.—De regels 124—140 van dit tooneel, waarin een groot gevolg
+ontraden wordt, ontbreken in de quarto’s.
+
+II. 3. 42. Door hoog’ren aandrang enz. De gedachte van dezen zin en de
+vermelding van het zwellen der wateren voor een storm vond Sh. in de
+kroniek van Holinshed.—Daarin wordt de ongerustheid van edelen en
+burgers, die op de straten samenstroomden, geschilderd; lord Hastings,
+dien zij als vriend des vorigen konings kenden, wist hen gerust te
+stellen met de verzekering, dat de gevangen edelen verraad hadden
+beraamd en dat zij in hechtenis waren genomen, opdat hun zaak naar
+behooren zou kunnen onderzocht worden. Nog meer werden zij
+gerustgesteld, toen Edward V in Londen aankwam en zij zagen, hoe
+Gloster hem met allen eerbied behandelde. Iedereen prees Gloster en hij
+werd door den Staatsraad tot Lord Protector benoemd.
+
+II. 4. 1.
+
+ Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford,
+ En in Northampton rusten zij van nacht.
+
+Zoo staat in de folio-uitgave; de quarto’s hebben:
+
+ ’k Hoor, ze overnachtten gist’ren te Northampton,
+ En zullen nu te Stony-Stratford rusten.
+
+Van Northampton reist men over Stony-Stratford naar Londen, daar
+Stony-Stratford tusschen beide in ligt. De volgorde der quarto’s is dus
+de juiste. Toch geeft waarschijnlijk de lezing der folio terug, wat
+Shakespeare schreef; hij had het bericht der kroniek voor den geest, en
+volgde dit. Gloster en Buckingham ontmoetten namelijk den prins te
+Stony-Stratford en voerden hem terug naar Northampton, vanwaar zij
+Rivers en de andere gevangenen noordwaarts zonden; daarna werd de tocht
+naar Londen weder aanvaard. De aartsbisschop, die van de gebeurtenissen
+nog geen tijding had, moest dus eigenlijk Northampton als eerste
+rustplaats noemen. Dat Sh., hierop niet lettende, zelf de onjuistheid
+beging, wordt bevestigd door de maat der verzen, die in de folio goed
+is, in de quarto’s niet.
+
+II. 4. 49. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. Ook in de
+kroniek wordt de wanhoop der koningin bij het vernemen van het gebeurde
+zeer schoon geteekend; zij nam terstond met haar jongsten zoon en haar
+vijf dochters de wijk in de vrijplaats van Westminster, waar zij ook
+reeds vroeger een schuilplaats gevonden en haar oudsten zoon ter wereld
+gebracht had; de aartsbisschop van York trachtte tevergeefs haar te
+troosten.—Hij was rijkskanselier en hem was als zoodanig het rijkszegel
+toevertrouwd; hij gaf het aan haar te bewaren,—zie reg. 70,—doch vroeg
+het eenige dagen later terug, om het aan Gloster, die Protector was
+geworden, te overhandigen.
+
+III. 1. 1. Wees welkom, prins, in Londen, in uw kamer. Londen, namelijk
+de city, had den eeretitel van Camera Regia.
+
+III. 1. 48. De weldaad van een vrijplaats wordt verleend enz. De hier
+door Buckingham aangevoerde gronden werden in den raad inderdaad door
+hem aangevoerd, toen de Protector beide prinsen onder zijn hoede wilde
+nemen. De koningin, die aan de vertoogen van den kardinaal niet wilde
+toegeven, deed het eindelijk, toen de kardinaal vertrok en de overige
+edelen bleven; zij vreesde toen, dat er geweld zou gepleegd worden. De
+ontmoeting der broeders had in het bisschoppelijk paleis van St. Paul
+plaats; daarna werden zij in alle statie naar den Tower gebracht en er
+gehuisvest, om dezen niet weder te verlaten.
+
+III. 1. 131. Dat gij mij op uw schouders dragen moet. Hij zinspeelt op
+den kameel met een aap op den rug.
+
+III. 1. 179. Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad. Terwijl
+de aan den jongen koning gehechte lords in Baynard’s slot zetelden en
+er, op verzoek van den Protector, over de regeling van de aanstaande
+kroning raadpleegden, werden er in Crosbyhof samenkomsten gehouden van
+hen, die den Protector aanhingen en zijn wensch, om zelf koning te
+worden, wilden bevorderen. Wat hierbij verhandeld werd, bleef
+natuurlijk diep geheim.—Het zoo even vermelde slot van Baynard, naar
+den stichter zoo geheeten, lag aan den oever van den Theems en is sinds
+lang verdwenen; het was eens eigendom van Humphrey van Gloster en werd
+later door Hendrik VI aan Richards vader, den Hertog van York,
+toegekend.
+
+III. 1. 193. Den kop hem af. Gloster komt wat al te haastig met zijn
+eigen meening voor den dag en trekt zijn woorden eenigszins in, door er
+bij te voegen, dat hij met Buckingham de zaak wil overleggen.
+
+III. 2. 10. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had. De inhoud
+van dit tooneel: de boodschap van Stanley betreffende zijn droom, de
+gerustheid van Hastings, zijn bescheid aan Catesby, zijn spreken met
+een heraut en zijn vreugde over het lot der gevangenen in Pomfret, zijn
+gesprek met een geestelijke, het zeggen van Gloster’s bode, dat hij
+geen priester noodig heeft, het is alles overeenkomstig de kronieken.
+
+III. 2. 113. En ik maak het goed. Het antwoord van den priester in de
+folio-uitgave te vinden: „Ten dienste van uw lordschap,” is
+gelijkluidend met wat een oogenblik later Hastings tot Buckingham zegt,
+en is waarschijnlijk bij vergissing ook hier geplaatst. Het is daarom
+weggelaten, zooals ook door Delius is gedaan.
+
+III. 4. 24. Ik heb recht lang geslapen. Ook hier blijft Sh. zijn
+kronieken getrouw. Gloster verontschuldigde zich over zijn late komst,
+keuvelde een oogenblik met de leden van den raad, wenschte een schotel
+met aardbeziën van den bisschop van Ely, verwijderde zich voor een
+korte poos, kwam zeer verstoord terug, vroeg wat zij verdienden, die
+hem naar ’t leven stonden, waarop Hastings zijn advies gaf, toonde zijn
+ingeschrompelden arm, en liet Hastings, toen deze zijn antwoord met
+„Als” begon, als verrader grijpen en onmiddellijk terechtstellen.
+Alleen ging het volgens de kronieken nog ruwer toe: een der gewapenden
+had Stanley bijna den schedel gespleten, als deze niet onder een tafel
+gevallen was: toch liep hem het bloed nog om de ooren. De aartsbisschop
+van York, de bisschop van Ely, Stanley en eenige anderen werden in
+afzonderlijke vertrekken gebracht en bewaakt.
+
+III. 4. 80. Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede. Vele uitgevers
+hebben opgemerkt, dat Ratcliff nog niet van Pomfret in Yorkshire terug
+kon zijn, en hem hier door Catesby vervangen. Uit het volgend tooneel
+blijkt ondertusschen duidelijk, dat niet Catesby, maar Lovel en
+Ratcliff voor Hastings’ terechtstelling zorgden. Men moet het dus maar
+voor lief nemen, dat Sh. het niet noodig achtte zich met zulke
+nauwlettende berekeningen bezig te houden, als de aan elk bekende Lovel
+en Ratcliff juist de meest geschikte handlangers van Richard waren bij
+dit bloedig doen.
+
+III. 4. 86. Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld. Ook dit trekje
+is weder aan de kronieken ontleend.—Eveneens zijn deze voor het
+volgende trouw geraadpleegd; zij berichten, dat de Protector dadelijk
+na zijn middagmaal eenige burgers naar den Tower ontbood; bij hun
+aankomst troffen zij hem en Buckingham in oude wapenrustingen aan,
+alsof de nood tot groote haast gedwongen had; hun werd verhaald, hoe
+een moordaanslag van lord Hastings plotseling aan het licht was
+gekomen; de vrees, dat zijn mede-saamgezworenen hem zouden bevrijden,
+had zijn onmiddellijke terechtstelling noodig gemaakt. Dit werd ook
+medegedeeld in een proclamatie, die reeds twee uren na Hastings’ dood
+aan de St.-Paulskerk werd aangeslagen; zij was zoo keurig op perkament
+geschreven, dat een kind wel merken kon, dat zij vooruit gereed was
+gemaakt; hierop is het zesde tooneel van het derde bedrijf gegrond.
+
+III. 4. 52. Doch ’t was ons plan niet. Op het voorbeeld der
+Irving-editie zijn alleen de twee voorgaande regels aan Buckingham, de
+volgende niet zooals gewoonlijk aan dezen, maar aan Gloster toegekend.
+Dit is ontegenzeglijk beter.
+
+III. 5. 74. Toon daar..... de onechtheid aan van Edwards kroost. De
+Lord-Mayor van Londen, Edmund Shaw, benevens zijn broeder, Doctor John
+Shaw en de Augustijner Provinciaal Penker waren voor Richard gewonnen.
+Door hun hulp moest bij het volk de overtuiging gevestigd worden, dat
+Edwards huwelijk onwettig was geweest, zoowel omdat hij vroeger
+trouwbelofte had gegeven of verloofd was aan Lady Elisabeth Lucy [1],
+als omdat hij een weduwe gehuwd had. Het huwelijk met een weduwe werd
+Bigamie genoemd en was door een statuut van koning Edward I, in
+overeenstemming met een besluit van het Concilie te Lyon, voor zondig
+en onwettig verklaard. Zoo zegt ook de kroniek, dat men koning Edward
+IV, wegens zijn huwelijk met Lady Grey, loathed bigamy te laste heeft
+gelegd. Vergelijk het zevende tooneel van dit bedrijf, reg. 189, waar
+deze zelfde woorden gebezigd worden.
+
+Shaw en Penker waren bij het volk zeer beminde predikers; Shaw ondernam
+over de zaak in de kerk te prediken, maar slaagde niet en overlaadde
+zich met schande. Twee dagen later sprak Buckingham tot de burgerij in
+haar gildenhuis; geheel overeenkomstig de kronieken wordt zijn
+toespraak en de gansche loop der zaak in het stuk verhaald (III.
+7.)—Den volgenden dag begaven zich de Lord-Mayor, de Aldermans en de
+voornaamste burgers naar Baynard’s slot, om Richard de kroon aan te
+bieden; volgens de kronieken werd daar geheel hetzelfde spel gespeeld
+als in het stuk (III. 7).
+
+III. 5. 76. Hoe Edward eens een burger hangen liet. De kroniek vertelt,
+dat een zekere Burdet, een koopman in Cheapside, die gezegd had, dat
+hij zijn zoon erfgenaam der kroon (zijn huis droeg dien naam) zou
+maken, op last van Edward gevat en binnen vier uur terechtgesteld
+(onthoofd) werd. Shakespeare spreekt hier niet van „hangen” maar van
+„ter dood brengen.”
+
+III. 7. 43. ’k Verzeker u, geen woord, mylord. Dit antwoord van
+Buckingham wordt in de folio gemist en is aan de quarto’s ontleend.
+
+III. 7. 49. Want op dien grond vertrouw ik hen te stichten. In het
+Engelsch bevat de tekst een muzikale woordspeling: For on that ground
+I’ll make a holy descant. Ground beteekent zoowel „grond”, als
+grondtoon, bas; descant zoowel een „toelichting, breedvoerige
+uiteenzetting” als „hooge stem, discant”, of, zooals hier „harmonie”.
+
+III. 7. 220. O vloek toch niet. Ook deze regel is aan de quarto’s
+ontleend en wordt in de folio niet aangetroffen. Waarschijnlijk ten
+gevolge van een besluit van koning Jacobus I, waarbij het ijdel bezigen
+van Gods naam en het vloeken op het tooneel verboden was.
+
+IV. 1. 61. Roodgloeiend ijzer ware enz. Het opzetten van een gloeiende
+ijzeren kroon werd in die tijden wel eens als martelstraf gekozen, en
+b.v. in 1514 toegepast op het gevangen genomen opperhoofd van een
+troep oproerige Hongaarsche broederen; ook in de kroniek van Wyntown
+wordt zulk een bestraffing vermeld.
+
+IV. 2. 27. De vorst is boos; hij bijt zich op de lip. Dit was, zooals
+Hall zegt, Richards gewoonte, als hij toornig was. Ook had hij, volgens
+Polydore Virgil, de gewoonte, onder het gesprek met zijn dolk te
+spelen, die half uit de scheede te trekken en er weer in te stooten; op
+een der twee portretten, die van hem bekend zijn, heeft hij zijn dolk
+in de hand; zijn rustelooze geest openbaarde zich misschien in de
+onrust zijner vingers, want op het andere portret speelt hij met een
+ring aan den middelvinger der linkerhand.
+
+IV. 2. 40. Zijn naam, mylord, is Tyrrell. Nadat Richard, zegt de
+kroniek, zich en zijn gemalin Anna had laten kronen, deed hij een
+rondreis door Engeland. Uit Gloucester zond hij door een vertrouwde
+bode aan Brakenbury het bevel, de zoons van Edward uit den weg te
+ruimen. In Warwick ontving hij het weigerend antwoord van Brakenbury.
+Dienzelfden avond zeide hij tot zijn page: „Wien kan ik vertrouwen?
+zij, die ik verhoogd heb, laten mij in den steek.” De page antwoordde:
+„Daar buiten ligt er een op uwe matras, die alles ondernemen zou om u
+te dienen.” Het was Sir James Tyrrell, die reeds lang naar Richards
+gunst gestreefd had, maar door Catesby en Ratcliff, die ’s mans
+eerzucht vreesden, steeds ter zijde was geschoven. Tyrrell, aan ’s
+konings bed toegelaten, verklaarde zich bereid; met een brief aan
+Brakenbury begaf hij zich naar Londen. De brief bevatte het bevel, dat
+aan den brenger, voor één nacht, de sleutels van den Tower moesten ter
+hand gesteld worden, opdat hij ’s konings bevelen zou kunnen uitvoeren.
+Tyrrell had zekeren Miles Forest, die vroeger ook reeds moordwerk
+gedaan had, en een zijner stalbedienden, John Dighton, tot handlangers
+gekozen. De moord wordt door de kronieken evenals in dit stuk verhaald;
+hoe en wanneer de prinsen zijn omgebracht, is nooit duidelijk gebleken,
+maar er is eigenlijk geen reden om de waarheid van het oude verhaal te
+betwijfelen.—Tyrrell werd onder Hendrik VII van verraad beschuldigd en
+onthoofd.
+
+Na deze zwarte daad,—zoo heeft Richards kamerheer later verhaald,—had
+de koning geen rust meer: „en dit”, merkt de kroniek op, „is een groote
+marteling; want de getuigenis van een boos geweten is een vreeselijker
+straf, dan de hel met al haar duivelen in zich bevat.” Hij rekende zich
+nooit meer veilig; waar hij stond en ging, rolden zijn oogen onrustig
+rond, zijn lichaam heimelijk gepantserd, de hand steeds aan den dolk.
+’s Nachts lag hij wakker door bekommering en leed onder schrikkelijke
+droomen; vaak sprong hij van zijn bed op en liep in het vertrek rond.
+Zie V. 3. 160.
+
+IV. 2. 54. En spoor me een kalen jonker op, wien ik Clarence’s dochter
+ras tot vrouw kan geven; de knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.
+Den zoon van Clarence, reeds door Richard nauw bewaakt, werden door
+Hendrik VII wel de goederen en de titel zijns grootvaders, den graaf
+van Warwick, toegekend, maar hij werd toch in den Tower gehuisvest. Hij
+was zeer onwetend en stompzinnig, waaraan zijn lange gevangenschap
+zeker geen goed had gedaan. Hij knoopte in 1499 met Perkin Warbeck, die
+wegens hoogverraad in den Tower gevangen zat, betrekkingen aan en werd
+terechtgesteld.—Zijn zuster Margaretha werd door Richard aan een
+ridder, Sir Richard Pole, uitgehuwd, door Hendrik VIII tot gravin van
+Salisbury verheven, maar in 1541, op zeventigjarigen leeftijd, van
+deelneming aan een samenzwering beschuldigd en onthoofd. Zij was de
+laatste Plantagenet.—Aangaande koningin Anna meldt de kroniek, dat
+Richard, toen zij ziek was, het gerucht reeds liet verspreiden, dat zij
+gestorven was. Kort daarna stierf zij werkelijk, hetzij van verdriet,
+hetzij, wat waarschijnlijker is,—zoo zegt de kroniek,—door vergif.
+Overigens stierf Anna veel later: de dood der beide zoons van Edward,
+en Buckingham’s opstand vallen in 1483, Anna’s overlijden in Maart
+1485.
+
+IV. 2. 103. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, dat ik, die bij
+hem stond, hem dooden zou? Wanneer deze regels werkelijk van
+Shakespeare zijn en bovendien de woorden I being by niet bedorven zijn,
+blijkt hier weder,—er zijn meer voorbeelden van,—dat Shakespeare zich
+niet van de juistheid eener aanhaling uit een vroeger stuk overtuigde,
+want bij het bedoelde tooneel, 3 Koning Hendrik VI, IV. 6. 65 vgg. was
+Gloster niet tegenwoordig.—Dat aan Richard een spoedige dood voorspeld
+was, als hij Rougemont zag,—Rougemont en Richmond verschillen niet veel
+in uitspraak,—staat in de kroniek van Holinshed.—Het „klokkeventje,”
+waarvan in reg. 117 gewaagd wordt, a Jack, d.i. Jack o’ the clock, is
+een automatische figuur, die bij het eind van een uur of half uur, den
+arm opheft en slaat, zie „K. Richard II,” V. 5. 60.
+
+Boven werd twijfel geopperd, of al deze regels van Shakespeare zijn.
+Inderdaad worden niet minder dan 18 regels, 102—119, van: Mijn vorst!
+Van waar, dat die profeet enz. tot: Ik ben in geen goedgeefsche luim
+vandaag, wel in de quarto’s, maar niet in de folio-uitgave,
+aangetroffen. Dat zij noodig zijn, zal men zeker niet beweren, als men
+dit tooneel in de folio leest en de uitbreiding niet kent; driemaal
+spreekt Buckingham den koning toe en driemaal luistert deze niet naar
+hem; dit is volmaakt genoeg; volgens de quarto’s gebeurt het tot
+zevenmaal toe. Alexander Schmidt acht zich dan ook gerechtigd
+(Shakespeare-Jahrbuch XV, p. 315) deze regels voor ingeschoven te
+verklaren. Zij zouden dan niet van Shakespeare zijn, maar door den
+tooneelspeler zijn ingelast, die dit tooneel zeer dankbaar vond en er
+de toejuiching van zijn gehoor mee inoogstte. Dat de inlassching met
+kennis van zaken geschiedde en in overeenstemming is met berichten in
+Holinshed’s kroniek, behoeft niet als bewijs voor de echtheid
+aangenomen te worden; want van de tooneelspelers waren eenige zeker wel
+in staat, zelf uit Holinshed te putten en hadden bovendien wellicht bij
+gesprekken met den dichter er veel van vernomen.—Terwijl er overigens
+slechts vier of vijf regels in de folio toevallig bij den druk
+uitgevallen zijn en uit de quarto’s moeten ingevoegd worden, zou het
+zeer vreemd zijn, dat een zoo groot stuk zou zijn overgeslagen en te
+minder is dit laatste waarschijnlijk, daar de eerste op de inlassching
+volgende regel, 120, in de quarto’s luidt: Why, then resolve me whether
+you will, or no; en in de folio, met minder teekenen van ongeduld,
+nederiger: May it please you to resolve me in my suit, ’t Behage u, mij
+uw antwoord te doen kennen. Men zal dus moeten aannemen, dat er een
+inlassching heeft plaats gevonden, die wel in de rol des spelers stond,
+maar niet in het oorspronkelijke manuscript is ingevoegd, of dat de
+dichter zelf het snoeimes heeft gebruikt om het aanvankelijk wat al te
+veel op het effect berekende gesprek te bekorten, zoodat in allen
+gevalle de folio ons de oorspronkelijke of beste lezing geeft. Men zou
+dus de aangewezen regels tusschen vierkante haakjes kunnen zetten en
+reg. 120 wijzigen, zooals hier eenige regels hooger is
+aangegeven.—Opmerking verdient ook nog, dat het antwoord van Richard in
+reg. 121 volgens de quarto’s met Tut, tut, begint, wat de uitgevers, om
+het vers Thou troublest me enz. niet te bederven, in een afzonderlijken
+regel zetten. De invoeging van zulke uitroepen komt in dit stuk
+meermalen voor, meer dan een dozijn keeren; dat deze uitroepen van de
+spelers, niet van den dichter afkomstig zijn, is buiten kijf; zij
+bevestigen, wat boven gezegd is, dat de quarto’s door opschrijving van
+het stuk bij de vertooning verkregen zijn.
+
+IV. 2. 126. Naar Brecknock. Een slot van Buckingham in Wales, waar het
+grootste deel zijner bezittingen gelegen was.
+
+IV. 3. 36. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid. Te Sheriff Hutton
+Castle in Yorkshire, van waar hem Hendrik VII, onmiddellijk na den slag
+van Bosworth naar den Tower liet voeren, waar hij in 1499 ter dood werd
+gebracht, zie de aanteekening op IV. 2. 54.—Hendrik Richmond wordt reg.
+40 een Bretagner genoemd, omdat hij na den slag bij Tewksbury naar het
+hof van Frans II, hertog van Bretagne, gevlucht was. De nicht
+Elizabeth, waarvan gesproken wordt, is de dochter van Edward IV en
+koningin Elizabeth.
+
+IV. 3. 46. Ely is gevlucht. Dr. Morton, bisschop van Ely; de folio
+noemt hem hier Morton, duidelijkheidshalve is hier de naam Ely
+verkozen, in overeenstemming met de lezing der quarto’s. Hij was aan de
+bewaking van den hertog van Buckingham toevertrouwd. Deze was, toen de
+koning hem het graafschap Hereford geweigerd had, naar zijn goederen op
+Wales gegaan. Daar trad hij met de aanhangers van den graaf van
+Richmond in onderhandeling, waartoe de bisschop van Ely hem niet weinig
+aanzette; deze won hem voor het plan om Richmond, die met Elizabeth van
+York dan zou huwen, tot koning te verheffen. De bisschop maakte van de
+nieuw verworven vriendschap gebruik en vluchtte naar het vasteland,
+vanwaar hij eerst onder Hendrik VII terugkeerde, die hem aartsbisschop
+van Canterbury en rijkskanselier maakte. Buckingham, door Richards
+argwaan in het nauw gedreven, kwam te vroeg in opstand en moest zich
+weldra verbergen bij een dienaar, die hem aan den sheriff Shropshire
+verried. Hij bekende terstond en trachtte een mondgesprek met Richard
+te hebben, zoo het heette om vergiffenis te erlangen, volgens sommigen
+om hem dan met een dolk neer te stooten. Het gesprek werd geweigerd en
+Buckingham werd, zonder vorm van rechtspleging, te Shrewsbury onthoofd.
+
+IV. 4. 128. Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd. Airy
+succeeders of intestate joys. Als de vreugden gestorven zijn en geen
+testament hebben nagelaten, dan komen de ijdele onmachtige woorden van
+den rouw en spreken over de nalatenschap, die niets is.
+
+IV. 4. 146. Ned Plantagenet. Ned is verkorting voor Edward.
+
+IV. 4. 175. Geen, dan misschien dat morgenuur. Er staat eigenlijk: „het
+uur van hertog Humphrey”. In de folio-uitgave staan de vraag der
+hertogin en Richards antwoord aldus gedrukt:
+
+ „What comfortable houre canst thou name,
+ That ever graced me with thy company?”
+ „Faith none, but Humfrey Hower,
+ That called your Grace
+ To Breakefast once, forth of my company?”
+
+Opmerkelijk zijn de spelling Hower, terwijl twee regels vroeger houre
+staat, en de cursief-druk der woorden Humfrey Hower. Malone zegt, dat
+schertsenderwijze Humphrey Hour eenvoudig voor hour staat, evenals Tom
+Troth wel voor truth gezegd wordt. De cursief-druk, alsof Hour of Hower
+een persoonsnaam was, strookt inderdaad wel met deze
+verklaring.—Anderen denken bij Richards zeggen aan de spreekwijs to
+dine with duke Humphrey, die voor „vasten,” „geen middagmaal hebben”
+gebezigd wordt, en vatten Humphrey-hour op als „etensuur”. Nares zegt
+hiervan: „The phrase of dining with duke Humphrey, which in still
+current, originated in the following manner. Humphrey duke of
+Gloucester, though really buried at St. Alban’s, was supposed to have a
+monument in old St. Paul’s, from which one part of the church was
+termed Duke Humphrey’s walk. In this, as the church was then a place of
+the most public resort, they who had no means of procuring a diner,
+frequently loitered about, probably in hopes of meeting with an
+invitation, but under pretence of looking at the monuments.”
+
+IV. 4. 221. ’t Is alsof ik uw schapen ’t leven nam. In ’t Engelsch
+noemt Richard de vermoorde knapen my cousins, waarop Elizabeth,
+spelende met het nagenoeg gelijkluidende woord to cozen, „foppen,
+bedriegen, bedrieglijk berooven”, antwoordt: Cousins, indeed; and by
+their oncle cozen’d of comfort, kingdom enz.—Deze regel en de dertien
+volgende ontbreken in de quarto’s.
+
+IV. 4. 255. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. In ’t
+Engelsch zegt Richard from my soul, „van ganscher ziel, uit of met mijn
+gansche ziel,” en Elizabeth vat dit op: „ver van de ziel, buiten de
+ziel” en noemt als tegenstelling with her soul, „met haar gansche
+ziel.” In ’t Nederlandsch moest dit op een andere wijze uitgedrukt
+worden.
+
+IV. 4. 228. En zoo ik alles deed uit min tot haar? Deze en de 54
+volgende regels, die een zeer belangrijk deel van het gesprek uitmaken,
+tot „haar teed’re jeugd,” ontbreken in de quarto’s.
+
+IV. 4. 346. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. Het huwelijk tusschen
+oom en nicht werd door het strenge kerkelijk recht gewraakt; ook de
+kronieken spreken vooral om de nauwe bloedverwantschap met afschuw van
+Richards plan.
+
+IV. 4. 366. Bij mijn Sint George. Richard droeg, als koning, het beeld
+van den heiligen George op de borst.
+
+IV. 4. 374. Dan, bij mijzelf. Bij deze en de volgende drie regels is de
+rangschikking der folio, die inderdaad beter te achten is dan die der
+quarto’s, behouden. De quarto’s hebben: „Welnu, bij de aard”.... „Mijns
+vaders dood” „Dan, bij mijzelf”.... „Nu dan, bij God”.... Daarentegen
+hebben de quarto’s in reg. 379 beter the king thy brother en reg. 380
+my brother, de folio daarentegen the king my husband en my brothers;
+men vergelijke, wat het meervoud my brothers betreft, de aanteekening
+bij II. 1. 67. Slechts één broeder, lord Rivers, komt in dit stuk voor.
+
+IV. 4. 424. Daar, in dat feniksnest. In ’t Engelsch staat: In dat
+specerijen-nest, in dat uit geurige specerijen gebouwde nest; R.
+zinspeelt daarmede op den feniks, die, nadat hij zich met zijn geurig
+nest verbrand heeft, uit zijn asch herleeft.
+
+IV. 4. 428. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ik meld u,
+hoe zij er over denkt. Aangaande de onderhandelingen tusschen Richard
+en koningin Elizabeth melden Sh. bronnen het volgende:
+
+De sluwe Stanley wist den argwaan des konings, die op hem als
+stiefvader van den graaf van Richmond rusten moest, zoo goed te
+ontgaan, dat deze hem alleen streng gebood, elk verkeer tusschen zijn
+vrouw en de partij van Richmond te beletten. De graaf van Richmond zelf
+wekte hem meer bezorgdheid. Tevergeefs had hij den hertog van Bretagne
+tot uitlevering van den pretendent trachten te bewegen; de markies van
+Dorset was uit de vrijplaats te Westminster tot hem gevlucht; het was
+geen geheim, dat het plan bestond van een huwelijk tusschen Richmond en
+de oudste dochter van Edward IV, waardoor ook de erfrechten van het
+huis York op Richmond zouden overgebracht zijn. Om dit gevaar te
+voorkomen, kwam Richard op de afschuwelijke gedachte, zooals de kroniek
+zegt, om zijns broeders weduwe, Elizabeth, door fraaie woorden en
+schoone beloften te verzoenen, aldus haar en haar dochter in zijn macht
+te krijgen en het huwelijk met Richmond te beletten. En als er geen
+ander middel om zijn troon te redden overbleef, wilde hij liever zelf,
+ingeval zijn gemalin Anna stierf, zijn nicht huwen. Hij zond hiertoe
+schrandere en welbespraakte mannen naar de vrijplaats tot de
+koninginweduwe, die hem tegen de beschuldiging van booze aanslagen
+moesten verdedigen en haar tallooze weldaden moesten beloven voor haar
+zelve, haar dochters en haar zoon Dorset, wanneer zij zich met Richard
+wilde verzoenen. En werkelijk begon de koningin toe te geven; zij
+vergat den moord harer onschuldige kinderen, de beschimping van haar
+gemaal, de smet, op haar huwelijk geworpen, de eeden, die zij aan graaf
+Richmond gedaan had; verblind door haar hebzuchtige teederheid voor
+haar dochters en haar zoon, gaf zij haar dochters in ’s konings hoede,
+als lammeren in die van den hongerigen wolf, en schreef aan haar zoon,
+dat hij naar Engeland, waar hem groote eerbetooningen wachtten, kon
+terugkeeren, dat alles vergeven en vergeten en de liefde des konings
+voor haar huis verzekerd was. „Waarlijk,” roept de kroniekschrijver
+uit, „de wankelmoedigheid dezer vrouw zou groote bevreemding wekken,
+indien alle vrouwen bestendig waren; maar de vrouwen zullen altijd haar
+aangeboren natuur volgen. Inderdaad was de verlokking groot; want daar
+de vrouwen meest naar grootheid streven en verhooging in rang haar het
+gemakkelijkst verleidt, is het minder te verwonderen, dat koning
+Richard haar zwakheid overwon. Ook is wel aan te nemen, dat zij het
+niet waagde zijn voorslagen af te wijzen, opdat hij zijn boosheid niet
+op haar, de hulpelooze, bot vierde.” Zijn bedoelingen met haar oudste
+dochter zeide hij haar niet; het leven zijner gemalin was nog een
+hindernis bij dit plan. Weldra stierf zij, waarschijnlijk door vergif,
+gist de kroniekschrijver. Toen echter bevond Richard, dat zijn nicht
+een huwelijk met hem te zeerste verafschuwde, zooals inderdaad iedereen
+deed, en besloot de zaak nog uit te stellen; trouwens, hij had andere
+zorgen: Richmond was geland en vele Engelsche edelen waren in het
+geheim op zijn hand.
+
+Naar aanleiding van deze mededeelingen der kroniek heeft Sh. het
+gesprek van Richard met koningin Elizabeth ontworpen, dat inderdaad een
+nauwkeurige studie vereischt, zoo men er den gang goed van wil
+begrijpen. Elizabeth is aanvankelijk buiten zichzelf over Richards
+ongehoorden voorslag en geeft, zonder eenige voorzichtigheid in acht te
+nemen, aan haar bitterheid jegens den moordenaar den vrijen loop, en
+haar hartstochtelijkheid uit zich te sterker, daar de sluwe koning elke
+dreiging vermijdt. Doch plotseling doet hij haar met een paar korte
+gezegden, reg. 407 en vlgg., gevoelen, dat zij aan den rand van een
+afgrond staat, waarin zijn hand haar en de haren ieder oogenblik kan
+neerstorten. Nu keert haar bezinning terug en daarmede de
+voorzichtigheid; daar Richard onmiddellijk weder tot zijn zachtmoedige
+wijs van spreken was teruggekeerd, was het haar mogelijk, schijnbaar
+toe te geven, en de koning, die op zijn huichelaarskunst vertrouwt en
+het menschdom veracht, meent een soortgelijken triomf als vroeger over
+Anna van Warwick behaald te hebben, zoodat hij geen oogenblik aan zijn
+overwinning twijfelt en na haar vertrek zijn vreugde lucht geeft met de
+woorden: „Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!” Wel oordeelt
+de kroniek evenals Richard over het toegeven der koningin, maar volgens
+deze gaf zij toe zonder iets te vermoeden van Richards huwelijksplan;
+en bovendien oordeelt ook de kroniek, dat zij wellicht hoopte, door
+haar handelwijze den dwingeland te ontwapenen. Dat zij inderdaad
+slechts schijnbaar toegeeft, kan men afleiden uit het volgende tooneel,
+waarin, namens haar, Stanley haar dochter gaarne aan Richmond
+toezegt.—Dat wij aldus den gang van dit gesprek kunnen verklaren is
+door Oechelhäuser, in zijn boven reeds vermeld stuk over „Koning
+Richard III,” in het licht gesteld.
+
+IV. 4. 477. Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. In ’t
+Engelsch staat: wherefore the Welshman comes, Richmond was de zoon van
+een Tudor en de Tudors waren uit Wales. De benaming Welshman drukt ook
+minachting uit, zooals het woord „Welsche” in het Hoogduitsch; om deze
+terug te geven is hier de vertaling „schooier” gekozen.—Dat Stanley
+zijn zoon George als gijzelaar moest achterlaten (reg. 497), vond Sh.
+in de kronieken; zoo ook, dat deze bij den aanvang van den slag bij
+Bosworth te nauwernood den dood ontging (V. 3. 344).
+
+V. 3. 63. Geef mij een tijdkaars. In ’t Engelsch: Give me a watch.
+Richard verlangt een kaars, zooals er in de zestiende eeuw in gebruik
+waren, die door merken was afgedeeld, om naar het afbranden den tijd te
+berekenen.—Dat Richard in de nacht voor den slag bij Bosworth door
+booze droomen gekweld werd, was een gerucht, dat door de kronieken
+vermeld wordt.—Op het tooneel van Shakespeare waren de tenten van
+Richard en Richmond zoo ingericht, dat de personen, die er in waren,
+voor het publiek zichtbaar waren.
+
+V. 3. 180. Het licht brandt blauw. Het was een volksgeloof, dat, als
+een geest in de nabijheid was, de lichten met een blauwe vlam brandden.
+
+V. 3. 304. Hans Norfolk, tijdig heil gezocht, enz. Dit rijmpje,
+waarmede men Norfolk, die aan Richard trouw bleef, hoewel hij zijn
+handelingen laakte, tot afval trachtte te bewegen, luidt in de kroniek:
+
+ Jocky of Norfolk, be not too bold,
+ For Dickon thy master is bought and sold.
+
+De folio heeft ten onrechte so in plaats van too; Jocky staat voor
+John, zooals Dickon voor Richard.
+
+V. 3. 314. Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Ongetwijfeld een
+vreemd begin van een toespraak; men moet er uit vermoeden, dat Richard
+reeds vroeger zijn troepen heeft toegesproken en dat wij in deze
+toespraak slechts een laatste aansporing hebben te zien, of wel, dat
+het begin verloren is gegaan (zie boven blz. 269). Dat beide veldheeren
+een aanspraak gehouden hebben tot hun leger, deelt de kroniek van
+Holinshed mede; van Richards toespraak weten wij, dat hij Richmond
+genoemd heeft „een Walliser, een onnoozele bloed zonder moed of zonder
+ervaring, die aan het hof van Bretagne als een gevangene geleefd heeft
+op kosten van mij en van mijn broeder.” Aan dit laatste heeft Sh. reg.
+324 ontleend: Long kept in Bretagne at our mother’s cost; „Die in
+Bretagne ’t brood at onzer moeder.” Shakespeare schreef mother, schoon
+het brother moest zijn; Richards broeder, koning Edward, had aan den
+hertog van Bretagne een jaargeld betaald op voorwaarde, dat hij aan
+Richmond alle ondernemingen tegen Engeland zou beletten. In den tweeden
+druk van Holinshed’s kroniek (van 1586) staat te dezer plaatse de
+drukfout mother in plaats van brother, en deze druk was het dus zeker,
+die door Shakespeare gebezigd werd.
+
+V. 4. 2. ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet. Inderdaad streed
+Richard met ontembare dapperheid, hij wilde overwinnen of als koning
+sterven. Zijn leger was veel grooter dan van zijn tegenstander, maar
+het verraad schuilde in zijn benden. Lord Thomas Stanley, Richmonds
+stiefvader, vereenigde zich onder het gevecht met Richmond. Richard
+stortte zich in glanzende wapenrusting, met de fonkelende kroon op den
+helm in het dichtste strijdgewoel, om zijn tegenstander te bereiken.
+Reeds had hij Sir William Brandon, Richmond’s banierdrager, met zijn
+lans geveld, een anderen sterken ridder ter aarde doen storten, hij
+bedreigde Richmond zelf, toen te rechter tijd Sir William Stanley, de
+broeder van Thomas, met drieduizend kloeke mannen Richmond ter hulpe
+kwam en Richards manschappen op de vlucht dreef. Richard zelf vond na
+manhaften strijd den dood. Lord Stanley nam zijn van zwaardslagen
+stukgehouwen kroon en zette haar den overwinnenden Richmond op het
+hoofd, die door het leger als koning Hendrik VII begroet werd.—Des
+avonds bracht een heraut van Richard, Blanc Sanglier, het naakte lijk
+van zijn geweldigen meester, als een geveld stuk wild voor hem op het
+paard hangende, de stad Leicester binnen, waar het in een klooster ter
+aarde besteld werd.
+
+V. 4. 7. Een paard! een paard! gansch England voor een paard! In ’t
+Engelsch: A horse! a horse! my kingdom for a horse! In het andere stuk,
+dat in 1594 werd uitgegeven (zie boven blz. 789) roept Richard
+eveneens: A horse! a horse! a fresh horse! Het zou kunnen zijn, dat
+deze uitroep Shakespeare heeft voorgezweefd, toen hij den diepen indruk
+makenden regel schreef.—Iets anders schijnt hij aan het oudere stuk
+niet ontleend te hebben.
+
+V. 5. 29. O, mogen Richmond en Elizabeth, van beide huizen de
+rechtmatige erven, enz. Ongetwijfeld was het aller wensch, dat de vrede
+verzekerd werd door het huwelijk van Richmond en Edwards dochter
+Elizabeth, waardoor de bloedige strijd der roode en der witte roos een
+einde zou nemen. En zeker kon de dichter niet beter zijn stuk
+besluiten, dan door dezen wensch den nieuwen koning in den mond te
+leggen. Doch koning Hendrik VII Tudor stond, zooals de geschiedenis
+leert, inderdaad zijn geheele leven de meening voor, dat hij krachtens
+zijn eigen recht heerschte, en zijn aanspraken door zijn verbinding met
+het huis van York niet versterkt waren, en verder dat zijn strijd met
+Richard een godsgericht was geweest, welks uitspraak zijn recht op den
+troon bezegeld had. Shakespeare veroorlooft zich dus hier een
+dichterlijke vrijheid.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EDWARD III (1312–1377.)
+
+Gemalin: Philippa van Henegouwen.
+
+ 1. Edward, prins van Wales, genaamd de zwarte Prins (1330-1376).
+ Gemalin: Johanna van Kent.
+ |
+ +- Richard II (1367-1400).
+
+ 2. (Jong gestorven, 1336).
+
+ 3. Lionel, hertog van Clarence (1338-1368).
+ |
+ +- Philippa. Gemaal: Edmond Mortimer, graaf van March, † 1382.
+ |
+ +- Roger Mortimer, graaf van March, aangewezen troonopvolger
+ | van Richard II, † 1398 in Ierland.
+ | |
+ | +- Anna Mortimer. Gemaal: Richard, graaf van Cambridge
+ | | (zie onder 5).
+ | |
+ | +- Edmond Mortimer, graaf van March (1392-1425).
+ |
+ +- Edmond Mortimer, schoonzoon van Owen Glendower.
+ |
+ +- Elizabeth, gemalin van Percy, bijgenaamd Heetspoor.
+
+ 4. Jan van Gent, graaf van Richmond, hertog van Lancaster
+ (1340-1399).
+
+ Eerste gemalin: Blanca van Lancaster.
+ |
+ +- Hendrik IV (1336-1413). Gemalin: Marie de Bohun.
+ |
+ +- Hendrik V (1387-1422). Gemalin: Catharina van
+ | Frankrijk.
+ | |
+ | +- Hendrik VI (1421-1471). Gemalin: Margaretha van
+ | Anjou.
+ | |
+ | +- Edward, prins van Wales (1453-1471). Gemalin: Anna
+ | Nevil, dochter van den graaf van Warwick.
+ |
+ +- Thomas, hertog van Clarence, † 1421.
+ |
+ +- John, hertog van Bedford, † 1435.
+ |
+ +- Humphrey, hertog van Gloster, † 1447.
+
+ Tweede gemalin: Constance van Castilië.
+
+ Catharina Swijnford, † 1403.
+ |
+ +- John Beaufort, graaf van Somerset, markies van Dorset,
+ | † 1410.
+ | |
+ | +- John, hertog van Somerset, † 1447.
+ | | |
+ | | +- Margaretha, † 1509, gehuwd met Edmond Tudor,
+ | | graaf van Richmond.
+ | | |
+ | | +- Hendrik VII, Tudor, graaf van Richmond
+ | | (1456-1509). Gemalin: Elizabeth van York, dochter
+ | | van Edward IV. (Zie onder 5).
+ | |
+ | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1455.
+ | | |
+ | | +- Hendrik, hertog van Somerset, † 1464.
+ | | |
+ | | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1471.
+ | | |
+ | | +- Margaretha, gehuwd met Humphrey, graaf van Stafford
+ | | (zie onder 7).
+ | | |
+ | | +- Hendrik Stafford, hertog van Buckingham, † 1483.
+ | |
+ | +- Johanna, gehuwd met Jacobus I, van Schotland.
+ |
+ +- Kardinaal Beaufort, † 1447.
+ |
+ +- Thomas Beaufort, hertog van Exeter, † 1444.
+ |
+ +- Johanna Beaufort, gehuwd met Ralf Nevil, graaf van
+ Westmoreland.
+
+ 5. Edmund van Langley, hertog van York (1342-1402). Gemalin: Isabella
+ de Padilla.
+ |
+ +- Edward, graaf van Rutland, hertog van Aumerle, later van
+ | York, † 1415 (bij Agincourt).
+ |
+ +- Richard, graaf van Cambridge, rebel tegen Hendrik V, † 1415.
+ Gemalin: Anna Mortimer, dochter van Roger Mortimer. (Zie
+ onder 3).
+ |
+ +- Richard Plantagenet, hertog van York, † 1460. Gemalin:
+ Cecilia Nevil, dochter van Ralf Nevil, graaf van
+ Westmoreland.
+ |
+ +- Edward IV (1442-1483). Gemalin: Elizabeth Woodville.
+ | |
+ | +- Elizabeth (1467-1503). Gemaal: Hendrik VII
+ | | Tudor.
+ | |
+ | +- Edward V (1470-1483).
+ | |
+ | +- Richard, hertog van York (1474-1483).
+ |
+ +- Edmond, graaf van Rutland (1443-1460).
+ |
+ +- Margaretha, in 1468 gehuwd met Karel de Stoute, hertog
+ | van Bourgondië.
+ |
+ +- George, hertog van Clarence (1448-1478), gehuwd met
+ | Isabella Nevil, dochter van den graaf van Warwick.
+ | |
+ | +- Edward, † 1499.
+ | |
+ | +- Margaretha, gehuwd met Sir Richard Pole, sinds 1513
+ | hertogin van Salisbury (1471-1541).
+ |
+ +- Richard III, eerst hertog van Gloster (1452-1485).
+ Gemalin: Anna Nevil, weduwe van Prins Edward (zie
+ onder 4).
+ |
+ +- Edward, prins van Wales (1473-1484).
+
+ 6. (Jong gestorven, 1348).
+
+ 7. Thomas van Woodstock, hertog van Gloster, gestorven te Calais, in
+ gevangenschap (1356-1397).
+ |
+ +- Humphrey, graaf van Buckingham, † 1460.
+ |
+ +- Humphrey, graaf van Stafford, † 1455 (zie onder 4).
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De koning had vroeger met deze dame vertrouwelijken omgang gehad;
+op aansporen van zijn verwanten, die zijn huwelijk met Lady Grey wilden
+beletten, kwam zij, op grond van ontvangen trouwbelofte, tegen dit
+huwelijk op. (Philippe de Comines, tijdgenoot van koning Edward,
+bericht, dat Edward met een Engelsche dame werkelijk getrouwd is
+geweest en dat het huwelijk door den bisschop van Bath gesloten was.
+Volgens de kroniek van Croyland, die hetzelfde bericht, zou deze dame
+Eleanor Butler, weduwe van Lord Butler van Sudley, en dochter van den
+graaf van Salisbury, geweest zijn.)
+
+Op dezen grond werden de kinderen van Edward voor onwettig verklaard
+bij parlementsbesluit, waarin echter Elisabeth Lucy niet genoemd wordt.
+
+Shakespeare volgt Holinshed, wiens bron Hall’s kroniek was, welke op
+haar beurt uit het bericht van Sir Thomas More geput heeft.
+
+[2] Zij was de dochter van Edmond van Woodstock, graaf van Kent. Zij
+was eerst gehuwd met graaf Holland; van haar zoons uit dit huwelijk
+zijn hier te noemen; Thomas, graaf van Kent, later hertog van Surrey,
+en John, graaf van Huntingdon, later hertog van Exeter.
+
+[3] Deze Edmond Mortimer is met zijn oom, Edmond Mortimer, broeder van
+Roger Mortimer, door Shakespeare tot één persoon versmolten.
+
+[4] Bij Shakespeare in K. Hendrik IV, door Heetspoor steeds Kate
+genoemd, in Holinshed’s kroniek Elianor.
+
+[5] Een zuster van Hendrik IV, Elizabeth, was gehuwd met John, hertog
+van Exeter, halfbroeder van Richard II.
+
+[6] Na Hendriks dood huwde Catharina met Owen Tudor, een edelman uit
+Wales.
+
+[7] Edmond Tudor was de zoon van Owen Tudor en Catharina van Frankrijk.
+Na Edmond Tudor’s dood (1456) huwde Margaretha met Lord Stanley, graaf
+van Derby.
+
+[8] Zijn zoon Edward, door Hendrik VII in zijn bezittingen hersteld, en
+onder Hendrik VIII groot-connetabel, werd in 1521 onthoofd. Diens zoon
+Hendrik voerde alleen den titel van Graaf van Stafford.
+
+[9] Haar zoon was: Richard Nevil, door huwelijk graaf van Salisbury,
+wiens zoon Richard door zijn huwelijk graaf van Warwick werd; haar
+dochter Cecilia huwde met Richard Plantagenet, zie onder 5.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76912 ***