diff options
Diffstat (limited to '76912-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76912-0.txt | 6874 |
1 files changed, 6874 insertions, 0 deletions
diff --git a/76912-0.txt b/76912-0.txt new file mode 100644 index 0000000..890bfb7 --- /dev/null +++ b/76912-0.txt @@ -0,0 +1,6874 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76912 *** + + + + +KONING RICHARD DE DERDE. + + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Edward de Vierde. + Edward, prins van Wales, } + Richard, hertog van York, } zijn zonen. + George, hertog van Clarence, } + Richard, hertog van Gloster, } broeders des konings. + Een jonge Zoon van Clarence. + Hendrik, graaf van Richmond, later koning Hendrik de Zevende. + Kardinaal Bourchier, aartsbisschop van Canterbury. + Thomas Rotherham, aartsbisschop van York. + John Morton, bisschop van Ely. + De hertog van Buckingham. + De hertog van Norfolk. + De graaf van Surrey, zijn zoon. + Graaf Rivers, broeder van koningin Elizabeth. + De markies van Dorset, } + Lord Grey, } haar zonen. + De graaf van Oxford. + Lord Hastings. + Lord Stanley, ook graaf Derby genoemd. + Lord Lovel. + Sir Thomas Vaughan. + Sir Richard Ratcliff. + Sir William Catesby. + Sir James Tyrrel. + Sir James Blount. + Sir Walter Herbert. + Sir Robert Brakenbury, commandant van den Tower. + Christopher Urswick, een priester.—Een ander Priester. + Tressel en Berkeley, edellieden van lady Anna. + De Lord-Mayor van Londen.—De Sheriff van Wiltshire. + + Elizabeth, gemalin van koning Edward den Vierden. + Margaretha, weduwe van koning Hendrik den Zesden. + De hertogin van York, moeder van koning Edward den Vierden, van + Clarence en van Gloster. + Lady Anna, weduwe van Edward, prins van Wales, den zoon van koning + Hendrik den Zesden, later gemalin van Richard. + Een jonge Dochter van Clarence. + + Lords. Gevolg. Een Heraut. Een Griffier. Een Gevangenbewaarder. + Burgers. Moordenaars. Boden. Geesten. Krijgslieden enz. + + +Het tooneel is in Engeland. + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Londen. Een straat. + +Gloster komt op. + +GLOSTER. Nu werd de winter onzer wreev’le stemming +Tot blijden zomer door de zon van York; +De zware wolken, die ons huis bedreigden, +Verzwolg de diepe schoot des oceaans. +Nu drukken zegekransen ons de slapen; +Ons butsig wapentuig siert thans den wand; +Het slaggedruisch vervangen vreugdegalmen, +De felle marschen zoete dansmuziek; +De krijg ontfronste ’t norsch gerimpeld voorhoofd, +Bestijgt niet meer ’t geharnast ros, en wekt +Geen angst in ’t hart van schrikb’re tegenstanders, +Maar huppelt, bij een eed’le gastvrouw, luchtig +Naar ’t wulpsche welgevallen van een luit. +Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen, +Of om verliefden spiegels ’t hof te maken, 15 +Die, ruw gestempeld, de’ adel mis van gang, +Die ’t oog bekoort van dart’le, luchte nimfen, +Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan, +Valsch door Natuur van evenmaat verstoken, +Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg de wereld, +Die ademt, ingezonden, nauwelijks half +Voltooid en wel zoo lam, zoo vreemd van vorm, +Dat honden bassen, als ik langs hen hink,— +Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien, +Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf, +Dan ’t staren op mijn schaduw in de zon +En ’t heeklen van mijn eigen wangestalte; +En daarom—wijl ik niet voor minnaar deug +Om dezen welbespraakten tijd te korten— +Is mijn besluit genomen: ’k word een booswicht +En zweer des tijds nietswaardig beuz’len haat. +Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid +Door dronken profetieën, briefjes, droomen, +Om bij mijn broeder Clarence en den koning +Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken; +En is de koning even waar en trouw, +Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar, +Dan wordt nog heden Clarence ingerekend, +Ter wille van een profetie,—dat G +Aan Edwards erven dood bereidt en wee.— +Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt. + +(Clarence komt op, vergezeld van Bewakers, alsmede van Brakenbury.) + +Mijn broeder, goeden dag! Waartoe die wacht +Bij uw genade? + +CLARENCE. Zijne majesteit +Heeft, voor mijn veiligheid bezorgd, bevolen, +Dat ik aldus ten Tower wierd geleid. + +GLOSTER. En dat waarom? + +CLARENCE. Omdat ik George heet. + +GLOSTER. Ach, dit mylord, is uwe schuld toch niet; +Daarvoor moest hij uw peten laten boeten. +O, moog’lijk is zijn majesteit van plan, +U in den Tow’r opnieuw te laten doopen. +Maar Clarence, wat is de oorzaak? mag ik ’t weten? + +CLARENCE. Ja, Richard, als ìk ’t weet; doch ik verklaar, +Tot nog toe weet ik ’t niet. Maar, zoo ik hoor, +Hecht hij aan profetieën en aan droomen, +En schrapt de letter G van ’t ABC; +Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G +Zijn kroost onterving brengen zou en wee; +Nu, mijn naam, George, o ramp! begint met G, +Dus, ìk bedreig zijn kroost en stoor zijn vreê. +Dit, zoo ik hoor, en zulke grillen meer +Zijn oorzaak, dat zijn hoogheid mij deed vatten. + +GLOSTER. Zoo gaat het, doet een man, wat vrouwen willen! +U zendt de koning, neen, niet naar den Tower; +Mylady Grey, zijn vrouw, die is het, Clarence, +Die hem tot zulk een uiterste verleidt. +Was ’t niet door haar en dien hoogeed’len vriend, +Antonius Woodville, Rivers thans, haar broeder, +Dat hij lord Hastings naar den Tower zond, +Waar hij eerst heden uit ontslagen werd? +Wij zijn niet veilig, Clarence, zijn niet veilig. + +CLARENCE. Bij God! geen mensch is veilig, dan verwanten +Der koningin, en ook die nachtherauten, +Des konings en mejuffer Shore’s loopers. +Hebt gij vernomen, hoe als need’rig smeek’ling +Lord Hastings haar om zijn bevrijding bad? + +GLOSTER. Deemoedig jamm’rend bij haar godd’lijkheid, +Erlangde de eed’le kamerheer zijn vrijheid. +Ik zeg: naar ìk denk, is het voor ons zaak,— +Zoo wij des konings gunst behouden willen,— +Als hare dienaars haar livrei te dragen. +Sinds onze broeder haar, en die jaloersche, +Versleten weeuw tot edelvrouwen sloeg, +Stelt haar gesnap in ’t koninkrijk de wet. + +BRAKENBURY. ’k Bid uw’ genaden beiden om vergiff’nis, +Doch zijne majesteit beval mij streng, +Dat niemand, van wat stand hij ook mocht zijn, +Vertrouw’lijk met zijn broeder spreken zou. + +GLOSTER. Zeer wel; en als ’t uw edelheid behaagt, +Vrij moogt gij alles hooren, wat wij zeggen. +’t Is, man, geen hoogverraad; ’t is, dat de koning +Vroed is en vroom, zijn eed’le koningin +Van rijpen leeftijd, schoon en niet jaloersch;— +Alsook, dat Shore’s vrouw een mooien voet heeft, +Een kersenmond, schoone oogen, zoete tong; +En dat der koningin geslacht voornaam werd. +Wat zegt gij, heer, kunt gij dit alles looch’nen? + +BRAKENBURY. ’k Heb met dit alles niets te doen, mylord. 97 + +GLOSTER. Met juffer Shore niets te doen? Wel, man, +Wie iets met haar wil doen, één uitgezonderd, +Die doe het liefst in diep geheim, alleen. + +BRAKENBURY. Wie is die een, mylord? + +GLOSTER. Haar man, gij schelm; zoudt gij mij willen vangen? + +BRAKENBURY. Vergeef mij, uw genade, maar ik bid u, +Niet meer te spreken met den eed’len hertog. + +CLARENCE. Wij kennen uwen last en willen volgen. + +GLOSTER. Wij, koninginneslaven, moeten volgen. +Vaar, broeder, wel; ik spoed mij tot den koning +En wat gij mij gelast voor u te doen, +Zelfs koning Edwards weeuw als zuster groeten, +Ik zal het doen, zoo ’t u bevrijden kan. +Want inderdaad, die diepe smaad eens broeders +Treft mij veel dieper dan gij denken kunt. + +CLARENCE. Ik weet, die smaad behaagt nòch u nòch mij. + +GLOSTER. Kom, lang zal uw gevangenschap niet duren; +Ik maak u vrij, of raak voor u in hecht’nis; +Heb midd’lerwijl geduld. + +CLARENCE. Dit moet; vaarwel! + + (Clarence, Brakenbury en de Wacht af.) + +GLOSTER. Ga vrij dien weg, waarlangs gij nimmer keert, +Onnooz’le Clarence! Zoo bemin ik u, +Dat ik welras uw ziel ten hemel zend, +Zoo die uit onze hand de gift aanvaardt. +Doch wie komt daar? de pas bevrijde Hastings? + +(Hastings komt op.) + +HASTINGS. ’k Wensch mijn doorluchten heer een blijden morgen. + +GLOSTER. Ik insgelijks mijn waarden kamerheer; +Gij zijt recht welkom in de vrije lucht. +Hoe hebt gij uw gevangenschap gedragen? + +HASTINGS. Geduldig, heer, zooals gevang’nen ’t moeten. +Maar toch, ik hoop eens hun mijn dank te brengen, +Die de oorzaak waren der gevangenschap. + +GLOSTER. Vertrouw dit, ja, en dit zal Clarence ook; +Die u vijandig waren, zijn het hem, +En zijn nu hem, als vroeger u, te sterk. + +HASTINGS. Een jammertijd, die de’ aadlaar op doet sluiten, +En gier en havik rooven laat naar lust! + +GLOSTER. Wat is er in de wereld wel voor nieuws? + +HASTINGS. Geen nieuws zoo slecht van buiten, als te huis:— +De koning voelt zich krank, is zwak, zwaarmoedig; +Zijn artsen zijn om hem in groote zorg 137 + +GLOSTER. Nu, bij Sint Paul, dit nieuws is waarlijk slecht. +O, maar zijn leefwijs was sinds lang verkeerd; +De koning heeft zijn krachten uitgeput; +’t Is zeer bedroevend, als men hieraan denkt. +Spreek, houdt hij ’t bed? + +HASTINGS. Ja zeker. + +GLOSTER. Ga, bid ik, voor; ik zal u daad’lijk volgen. + + (Hastings af.) + +’t Loopt, hoop ik, af; maar sterven mag hij niet, +Eer George in postgalop ten hemel voer. +’k Ga tot hem; ’k wil zijn haat op Clarence hitsen, +Door leugens, wel gestaald met zware reed’nen; +En zoo mijn diepe toeleg niet mislukt, +Heeft Clarence nu geen tweeden dag te leven; +Dan haal’ God koning Edward in zijn hemel, +En late de aard aan mij om daar te woelen. +Dan zal ik Warwick’s jongste dochter huwen; +Maar hoe! ik doodde haar gemaal, haar vader! +De beste schaad’loosstelling voor de deerne, +Zoo ìk nu haar gemaal en vader word; +Dit wil ik doen, niet juist zoozeer uit liefde, +Als om een ander diep verholen doel, +Dat ik door haar te huwen moet bereiken. +Doch ik wil koopen, vóór er iets te koop is; +Nog ademt Clarence; koning Edward leeft; +Zijn zìj weg, dan bereek’nen, wat het geeft! + + (Gloster af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Een andere straat in Londen. + +Het lijk van Koning Hendrik den Zesden wordt in een open kist ten +tooneele gedragen, begeleid door Edellieden met hellebaarden, gevolgd +door Lady Anna als rouwdraagster. + +ANNA. Zet neer, zet neer uw eerbiedwaarden last,— +Zoo eere door een lijkwâ kan omhuld zijn,— +Opdat mijn rouwbeklag een wijl betreure +Des eed’len Lancaster’s ontijdig eind.— +Ach, ijskoud wezen van een heil’gen koning! +Des vorstenhuizes Lancaster bleek stof! +Gij, bloedloos overschot van koningsbloed! +Vergun mij, uwen geest hier op te roepen, +Dat die de weeklacht hoor’ van Anna, de arme, +De vrouw van Edward, uw vermoorden zoon, +Dien hìj doorstak, wiens hand u wonden sloeg! +Zie, in de poorten, waar u ’t leven uitvloot, +Vloeit, ach vergeefs! de balsem mijner oogen! +Vervloekt de hand, die zulke scheuren reet! +Vervloekt het hart, dat tot dit doen het hart had! +Vervloekt het bloed, dat dit bloed stroomen deed! +Meer gruwb’re ellende treff’ dien onverlaat, +Die ons verlaten maakte door uw dood, +Dan ik aan adders, spinnen, padden wensch, +Of eenig kruipend, giftig tuig, dat leeft! 20 +Heeft hij een kind ooit, ’t zij een misgeboorte, +Een monster, vóór zijn tijd aan ’t licht gebracht, +Dat door zijn leelijk en gedrocht’lijk wezen +Der moeder hoopvol oog verstijv’ van schrik; +En dit zij zijner boosheid erfgenaam! +En heeft hij ooit een vrouw, dan worde zij +Onzaal’ger nog door zijnen dood, dan ik +Het door mijn jonge gade werd en u!— +Komt, thans naar Chertsey met uw heil’gen last, +Dien we uit Sint Paul ter plechtige uitvaart haalden; +Rust vrij, als gij vermoeid zijt, telkens uit; +Ik weeklaag dan bij koning Hendriks lijk. + +(De Dragers nemen het lijk op en gaan voort.) + +(Gloster treedt op.) + +GLOSTER. Niet verder, gij, die ’t lijk draagt, zet het neder! + +ANNA. Wat zwarte toov’naar roept dien duivel op, +Tot storing van een vroom en christ’lijk werk? + +GLOSTER. Zet neêr het lijk, gij schurken! Bij Sint Paul, +Ik maak tot lijk een elk, die zich verzet! + +EERSTE EDELMAN. Terug, mylord, en laat de baar voorbij. + +GLOSTER. Schaamt’looze hond, blijf staan, als ik ’t beveel; +Uw hellebaard omhoog, niet voor mijn borst, +Of, bij Sint Paul, ik sla u voor den grond, +En ik vertreed u, beedlaar, om uw stoutheid. + +(De Dragers zetten de baar neder.) + +ANNA. Hoe! Siddert gij? gij allen zijt bevreesd? +Helaas, ik wraak u niet, want gij zijt sterflijk, +En ’t sterflijk oog verdraagt den duivel niet.— +Verdwijn, gij gruwzame afgezant der hel! +Gij hadt slechts op zijn sterflijk lichaam macht; +Zijn ziel erlangt gij niet; daarom van hier! + +GLOSTER. Wees christ’lijk, lieve heil’ge; vloek niet zoo. + +ANNA. Bij God, weg, booze duivel! stoor ons niet; +Gij, die de schoone wereld tot uw hel, +Vol vloekgehuil en jammer hebt gemaakt! +Als de aanblik uwer gruw’len u vermaakt, +Zie dan dit staaltje van uw slachtersdaden.— +Ziet, mannen, ziet, des dooden Hendriks wonden +Ontsluiten haar verstijfden mond; zij bloeden!— +Bloos, bloos, gij klomp van snoode afzicht’lijkheid! +Want uw nabijheid dringt dit koude bloed +Uit ledige aad’ren, waar geen bloed meer woont; +Uw ondaad, ja, onmenschlijk, onnatuurlijk, +Verwekt dien stortvloed, even onnatuurlijk. +O God, gij schiept dit bloed, o wreek zijn dood! +Gij aard, gij drinkt dit bloed, o wreek zijn dood! +Gij hemel, dood den moord’naar met uw bliksem, +Of gaap, gij aarde, wijd, verslind hem levend, +Zooals gij ’t bloed verzwelgt diens goeden konings, +Door de’ arm van dezen helleknecht geslacht! + +GLOSTER. Prinses, gij kent de leer der liefde niet, +Die kwaad met goed vergeldt en vloek met zegen. + +ANNA. Gij schurk, gij kent geen wet, van God noch mensch; +Het wildste beest kent eenig medelijden. 71 + +GLOSTER. Dit ken ik niet en ben alzoo geen beest. + +ANNA. O wondervreemd, ook duivels spreken waar! + +GLOSTER. Nog vreemder, zulk een gramschap bij een engel! +Sta toe, o godd’lijk toonbeeld eener vrouw, +Dat ik van die vermeende booze dingen +Uitvoerig uwe vrijspraak mij verwerv’. + +ANNA. Sta toe, gij helsch gedrocht’lijk beeld eens mans, +Dat ik voor die bewezen booze dingen +Uitvoerig u, vervloekte, nogmaals vloek. + +GLOSTER. Gij, schooner dan ooit tong het uit kan drukken, +Geef mij geduldig tijd, dat ik me ontschuldig. + +ANNA. Gij, snooder dan ooit hart vermoeden kan, +Ontschuldigd zult gij zijn, als ge u verhangt. + +GLOSTER. Door die vertwijfling zou ik schuld erkennen. + +ANNA. Door die vertwijfling delgt gijzelf uw schuld, +Daar gij verdiende wraak neemt op uzelf, +Die onverdienden moord op and’ren pleegdet. + +GLOSTER. Doch zoo ’k hen niet versloeg? + +ANNA. Dan waren zij niet dood; +Doch dood, zij zijn ’t, en, helleslaaf, door u. + +GLOSTER. Ik doodde uw gade niet. + +ANNA. Dan leeft hij nog. + +GLOSTER. Neen, hij is dood, doch viel door Edwards hand. + +ANNA. Boos liegt uw tong, want koningin Marg’retha +Zag zelf uw moordstaal rooken van zijn bloed; +Gij hebt het ook op hare borst gericht, +Doch uwe broeders sloegen ’t ras ter zijde. + +GLOSTER. Ik werd geprikkeld door haar lastertong, +Die hun schuld valsch op mijne schoud’ren laadde. + +ANNA. Gij werdt geprikkeld door uw moord’naarsziel, +Die nooit van iets dan bloedvergieten droomt. +Hebt gij deez’ koning niet gedood? + +GLOSTER. ’k Stem toe. + +ANNA. Toe stemt gij ’t, egel? Dan stemm’ God mij toe, +Dat gij vervloekt zijt om die booze daad! +O, hij was deugdzaam, zacht en liefderijk. + +GLOSTER. Te beter voor den hemel, die hem heeft. + +ANNA. Daar is hij, ja; gìj zult er nimmer komen. + +GLOSTER. Dan dank’ hij mij, die hem er henen zond; +Hij zal er beter thuis zijn dan op aarde. 108 + +ANNA. En gij kunt enkel thuis zijn in de hel. + +GLOSTER. O, nog op ééne plaats; mag ik die noemen? + +ANNA. Een kerkerkrocht. + +GLOSTER. Uw slaapvertrek. + +ANNA. De rust ontvliê de kamer, waar gij ligt! + +GLOSTER. Zoo is ’t, tot ik bij ù lig, eed’le vrouw. + +ANNA. Ik hoop het. + +GLOSTER. Ik weet het.—Maar, lieve lady Anna,— +Om uit dit scherp, spitsvondig woordschermuts’len +Te komen tot bedaarder onderhoud,— +Spreek, is, die de oorzaak was des vroegen doods +Der twee Plantagenets, Hendrik en Edward, +Niet even laakbaar, als die ’t feit volbracht? + +ANNA. Gijzelf waart de oorzaak en gevloekte werking. + +GLOSTER. En uwe schoonheid de oorzaak dezer werking, +Uw schoonheid, die mij in den slaap bezocht, +Om der geheele wereld dood te wagen +Voor één uur levens aan uw zoete borst. + +ANNA. Als ik dit dacht, ik zeg u, menschenmoorder, +Mijn nagels reten uit mijn wang dat schoon. + +GLOSTER. Mijn oog verdroeg ’t vergaan dier schoonheid niet; +Stond ik er bij, gij zoudt haar nimmer deren; +Gelijk heel de aard zich aan de zon verkwikt, +Zoo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven! + +ANNA. Nacht overhuive uw dag, en dood uw leven! + +GLOSTER. Schoone engel, vloek uzelf niet; gij zijt beide. + +ANNA. Ja, ware ik dit, om mij op u te wreken! + +GLOSTER. O, zulk een vijandschap is onnatuurlijk, +U wreken op den man, die u bemint! + +ANNA. Die vijandschap is goed, naar recht en rede; +Mij wreken op den moord’naar mijns gemaals! + +GLOSTER. Die u van uw gemaal beroofde, deed het, +Om, lady, u een beet’ren te verschaffen. + +ANNA. Een betere ademt er op aarde niet. + +GLOSTER. Eén wijdt u beet’re liefde nog dan hij. + +ANNA. Wie is ’t? + +GLOSTER. Plantagenet. + +ANNA. Dat was hijzelf. + +GLOSTER. Dezelfde naam, ja, doch een beter man. + +ANNA. Waar is hij? + +GLOSTER. Hier. + +(Zij spuwt naar hem.) + + Wat spuwt gij zoo naar mij? + +ANNA. Ik wenschte, ’t ware een dood’lijk gif voor u! 146 + +GLOSTER. Nooit kwam vergif van zulk een zoete plaats. + +ANNA. En nooit kleefde er vergif aan snooder pad. +Uit mijn gezicht! want gij verzengt mijn oogen. + +GLOSTER. Uw oogen hebben mij in vlam gezet. + +ANNA. O, waren ’t basilisken, bliksems schietend! + +GLOSTER. Ik wenschte ’t ook, dan ware ik dood op eens; +Thans geven zij me een dood, die ’t leven laat. +Uw oog heeft zilte tranen mij ontperst, +Mijn oogen smaad gebracht door kindsche droppen, +Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden, +Noch toen mijn vader York en Edward weenden +Om Rutland’s jammerkreet, toen over hem +Clifford met donk’ren blik het zwaard verhief, +Noch toen uw dapp’re vader, als een kind, +Het droef verhaal deed van mijns vaders dood, +En tienmaal op moest houden, snikte en weende, +Dat elk, die ’t hoorde, vochte wangen had, +Als boomen in den regen; in dien rouwtijd +Weerhield mijn mann’lijk oog een laffen traan; +En wat die smart het nooit heeft afgeperst, +Deed uwe schoonheid, maakte ’t blind van weenen. +Nooit smeekte ik iets aan vriend of vijand af; +Nooit leerde mijne tong een vleiend woord; +Doch nu mij uwe schoonheid wenkt als loon, +Smeekt mijn trotsch hart en leert mijn tong te spreken. + +(Zij ziet hem met een hoonenden blik aan.) + +Leer uwen lippen zulk een hoon niet, lady, +Zij zijn ten kus geschapen, niet tot hoon. +Als uw wraakgierig hart niet kan vergeven, +Zie, ’k leen u hier dit scherpgepunte zwaard; +Gij, berg het vrij in deze trouwe borst, +En drijf de ziel er uit, die u vergoodt. +Zie, ik ontbloot haar, dat gij dood’lijk toestoot, +En bid, deemoedig knielend, om mijn dood. + +(Hij ontbloot de borst; zij richt er het zwaard op.) + +Neen, weifel niet: ik doodde koning Hendrik; +Maar ’t was uw schoonheid, die er mij toe drong. +Stoot toe; ja, ik doorstak den jongen Edward;— +Maar ’t was uw hemelsch aanschijn, dat mij dreef. + +(Zij laat het zwaard vallen.) + +Neem op het zwaard, of mij in uwe gunst. + +ANNA. Rijs, huich’laar op, hoezeer uw dood mijn wensch zij, +Ik wil ’t niet zijn, die met den zwaarde u recht. + +GLOSTER. Zeg mij dan mij te dooden, en ik doe het. + +ANNA. Dit deed ik reeds. + +GLOSTER. Gij deedt het in uw toorn; +Zeg ’t nu nog eens; terstond zal deze hand, +Die, om uw liefde, uw liefde heeft gedood, +Veel trouwer liefde om uwe liefde dooden; +Aan beider dood zult gij meeplichtig zijn. + +ANNA. O, kende ik slechts uw hart! + +GLOSTER. Ik draag het op de tong. + +ANNA. Wellicht zijn beide valsch. 195 + +GLOSTER. Nooit sprak dan iemand waar. + +ANNA. Nu dan, steek op uw zwaard. + +GLOSTER. Zeg dan: wij zijn verzoend. + +ANNA. Dit blijke u door ’t vervolg. + +GLOSTER. Dus, leef ik nog in hoop? + +ANNA. Dit, hoop ik, doet een elk. + +GLOSTER. Draag dezen ring van mij. + +ANNA. Die aanneemt, geeft nog niet. + +(Zij laat zich den ring aan den vinger steken.) + +GLOSTER. Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit; +Zoo houdt uw borst mij ’t arme hart omsloten, +Draag gij die beide, beide zijn zij u. +En als uw arme, trouw verknochte dienaar +Nog ééne gunst van uw genâ mag smeeken. +Dan grondt gij hem voor eeuwig zijn geluk. + +ANNA. Wat is het? + +GLOSTER. Dat gij den rouwdienst hem wilt overlaten, +Die meerder oorzaak heeft om rouw te dragen, +En u van hier naar Crosbyhof begeeft. +Daar kom ik, nadat ik deze’ eed’len koning +In ’t klooster Chertsey plechtig heb begraven, +En tranen vol berouw op ’t graf geplengd, +Met allen spoed eerbiedig u bezoeken; +Om veel geheime reed’nen smeek ik u: +Sta deze gunst mij toe. + +ANNA. Van ganscher harte; zeer verheugt het mij, +Te zien, dat gij boetvaardig zijt geworden.— +Komt, Berkeley en Tressel, begeleidt mij. + +GLOSTER. Zeg mij vaarwel. + +ANNA. ’t Is meer dan gij verdient; +Doch daar gij mij geleerd hebt, u te vleien, +Zoo denk, dat ik u reeds vaarwelgezegd heb. + + (Lady Anna met twee Edellieden af.) + +GLOSTER. Gij, neemt het lijk weer op. + +EEN EDELMAN. Naar Chertsey, uwe hoogheid? + +GLOSTER. Neen, naar de Karmelieten; wacht mij daar. + + (Al de overigen met het lijk af.) + +Werd ooit in zulk een luim een vrouw gevrijd? +Werd ooit in zulk een luim een vrouw gewonnen? +Ik wil haar hebben, niet haar lang behouden. +Wat! ik, de moord’naar van haar man en vader, +Ik vang haar in haars harten diepsten haat, +Met vloeken op haar tong, het oog vol tranen, +Bij ’t bloedend lijk, getuige van haar haat; +God, haar geweten, alles tegen mij; +Ik, zonder vrienden, die mijn aanzoek steunen, +Dan huich’laarsblikken, en den baren duivel; +En toch zij mijn!—de wereld tegen niets! +Ha! Heeft zij dien wakk’ren prins alreeds vergeten, +Edward, haar gade, dien ik voor drie maanden +Te Tewksbury doorstak in arren moede? 242 +Een edelman, zoo goed en minnenswaard,— +Zoo kwistig door natuur bedeeld met gaven, +Jong, dapper, wijs, echt koninklijk voorwaar,— +Is in de wijde wereld niet te vinden; +En toch vernedert zij haar blik tot mij, +Die ’t gouden bloeisel afsneed van dien prins +En haar tot weduw maakte op bange sponde! +Mij, wiens geheel geen halven Edward opweegt! +Tot mij, die hink en zoo wanstaltig ben! +Mijn hertogdom, ja, tegen éénen duit, +Dat ik aldoor mijzelven heb miskend; +Mijn kop af, dat zij mij, wat ìk niet vind, +Voor een verbazend knappen jonkman houdt. +Ik moet mij, wat het koste, een spiegel koopen, +En schaf een paar dozijnen snijders aan, +Om drachten uit te denken, die mij goed staan. +Nu ’k bij mijzelf in gunst gekomen ben, +Leg ik er ook een weinig aan te kost. +Doch eerst help ik dien kerel in zijn graf, +En kom dan jamm’rend bij mijn liefste weer.— +Schijn helder, zon, tot ik een spiegel heb, +Opdat ik in mijn schaduw vreugde schepp’! + + (Gloster af.) + + + + + +DERDE TOONEEL. + +Aldaar. Een kamer in het paleis. + +Koningin Elizabeth, lord Rivers en lord Grey komen op. + +RIVERS. Houd moed, vorstin; geen twijfel, of zijn hoogheid +Is binnen korten tijd geheel hersteld. + +GREY. Zijt gij er om bedrukt, dit maakt hem erger; +Blijf dus om Gods wil immer welgemoed, +En beur hem op door luchtig, vroolijk praten. + +KONINGIN ELIZABETH. Als hij eens stierf, wat leed zou dan mij treffen! + +GREY. ’t Verlies van zulk een gâ, geen verder leed. + +KONINGIN ELIZABETH. Zulk een verlies sluit al wat leed is in. + +GREY. God heeft u met een wakk’ren zoon gezegend, +Die u na zijnen dood tot troost zal zijn. + +KONINGIN ELIZABETH. Ach, hij is jong; en zijne jeugd wordt dan +Aan Richard Gloster’s hoede toevertrouwd, +Een man, die mij, noch een van u, mag lijden. + +RIVERS. Is dit bepaald, moet hij protector worden? + +KONINGIN ELIZABETH. Besloten is ’t, ofschoon nog niet bepaald; +Maar ’t moet, indien de koning komt te vallen. + +(Buckingham en Stanley treden op.) + +GREY. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley. + +BUCKINGHAM. Uw koninklijke hoogheid alle heil! + +STANLEY. God geve uw majesteit weer vreugd als vroeger! 19 + +KONINGIN ELIZABETH. Gravinne Richmond, waarde lord van Stanley, +Zegt wis geen amen op uw goeden wensch. +Doch, beste Stanley, schoon ze uw gade zij +En mij niet lijden moog’, geloof me, ik koester +Voor u geen haat om haar laatdunkendheid. + +STANLEY. Ik bid u, schenk dien boozen lastertongen +Van die haar valsch betichten geen gehoor; +Of, wat men haar terecht ten laste legt, +Beschouw dit als een zwakheid, die veeleer +Uit kranke luim, dan boozen zin ontspruit. + +KONINGIN ELIZABETH. Zaagt gij vandaag den koning reeds, lord Stanley? + +STANLEY. Wij hebben, hertog Buckingham, en ik, +Zoo even zijne majesteit bezocht. + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe vindt gij ’t uitzicht op zijn beterschap? + +BUCKINGHAM. Heb moed, vorstin; hij spreekt recht opgeruimd. + +KONINGIN ELIZABETH. God sterk’ hem! Sprak hij met u over zaken? + +BUCKINGHAM. O ja, vorstin; het is zijn wensch, uw broeders +Met hertog Gloster duurzaam te verzoenen, +Alsmede met den opperkamerheer; +Hij liet hen naar zijn kamer opontbieden. + +KONINGIN ELIZABETH. Ware alles goed!—Doch dit zal nimmer zijn; +Ik vrees, ons heil staat op zijn middaghoogte. + +(Gloster, Hastings en Dorset komen op.) + +GLOSTER. Zij doen mij onrecht, en ik wil ’t niet dulden.— +Wie zijn zij, die steeds klagen bij den koning, +Dat ik, ik, wrok, voor hen recht liefd’loos ben? +Zij, bij Sint Paul, zijn voor den koning liefd’loos, +Die zoo zijn oor met twistgeruchten vullen. +Wijl ik niet vleien kan, niet mooi kan praten, +Toelachen, streelen, foppen en bedriegen, +Strijkages op zijn Fransch, recht aap’rig, maken, +Moet ik volstrekt een wrokkend vijand zijn. +Kan geen eenvoudig man meer vreedzaam leven, +Dat niet zijn eerlijk hart belasterd wordt, +Door fulpen, sluw, indringend vleigeboefte? + +GREY. Tot wien in dezen kring spreekt uw genade? + +GLOSTER. Tot u, die zonder deugd zijt en genade. +Spreek, wanneer krenkte ik u, of kwetste ik u?— +Of u?—Of u?—of iemand van uw bent? +Hale u de pest! De koning, onze heer,— +Wien God behoede, beter dan gij ’t wenscht!— +Heeft nauwlijks voor een ademhaling rust, +Dat gij hem niet met lage klachten kwelt. 61 + +KONINGIN ELIZABETH. Verkeerd neemt gij de zaak op, broeder Gloster. +De koning, door zichzelf alleen gedreven, +En niet door and’re klagers aangezet, +Maar lettend, moog’lijk, op uws boezems wrok, +Die zich uitwendig in uw doen verraadt, +Wrok tegen mij, mijn broeders en mijn kind’ren, +Deed u ontbieden, opdat hij den wortel +Van uwen haat ontdekken, rooien moog’. + +GLOSTER. Ik weet niet;—al te slecht is thans de wereld: +’t Kleinjantje rooft, waar de aad’laar zich niet waagt; +Sinds elke schooier edelman hier werd, +Werd menig edelman een kale schooier. + +KONINGIN ELIZABETH. O duid’lijk is uw meening, broeder Gloster; +Mijn, mijner vrienden opkomst wekt uw nijd. +God geve, dat wij nimmer u behoeven! + +GLOSTER. God geeft inmiddels, dat wij u behoeven. +Mijn broeder is gekerkerd door uw toedoen, +Ikzelf in ongenade, heel onze adel +Geminacht; en de hoogste posten vallen +Met gravenkronen daag’lijks hun ten deel, +Wier rijkdom, gist’ren nog, geen zilvren kroon was. + +KONINGIN ELIZABETH. Bij Hem, die uit mijn need’rig, stil geluk +Tot deze bange hoogte mij verhief, +Nooit deed ik iets om tegen hertog Clarence +Den koning op te zetten; veeleer was ik +Zijn voorspraak en volijv’rig pleitbezorger. +Mylord, gij doet mij smaadlijk onrecht aan, +Door zulk een valsche smet op mij te werpen. + +GLOSTER. Gij kunt ook looch’nen, dat niet uw bedrijf +Lord Hastings in den Tower heeft gebracht. + +RIVERS. Zij kan ’t, mylord; want— + +GLOSTER. Zij kan ’t, lord Rivers,—wel, wie weet het niet?— +Zij kan, mijn heer, nog meer doen, dan dit looch’nen; +Zij kan—aan meen’gen vetten post u helpen, +En later looch’nen, dat ze er iets voor deed, +En zeggen, dat gij ’t uw verdiensten dankt. +Wat kan zij niet? Zij kan,—ja trouwens, kan— + +RIVERS. Wat trouwens kan zij? + +GLOSTER. Wat trouwens kan zij? met een koning trouwen, +Een jonkman, ja, een knappen vrijgezel. +Uws vaders moeder deed een minder keus. 102 + +KONINGIN ELIZABETH. Mylord van Gloster, al te lang verdroeg ik +Uw plompen smaad en uwen bitt’ren spot; +Bij God, ik meld nu aan zijn majesteit +Den groven hoon, dien ik zoo vaak moest lijden. +Veel liever ware ik dienstmaagd op het land +Dan groote koningin met dit beding, +Van zulk een schimp en hoon en smaad te dulden; +Klein is mijn vreugd als Eng’lands koningin. + +(Koningin Margaretha verschijnt op den achtergrond.) + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Dat kleine word’ nog minder, bid ik +God! +Mij komt uw rang en staat en zetel toe. + +GLOSTER. Wat! dreigt gij met een aanklacht bij den koning? +Goed, spaar mij niet; zie, wat ik heb gezegd, +Dit zal ik voor den koning staande houden. +Al wachtte mij de Tower, ’k zou het wagen. +’t Is sprekenstijd, mijn diensten zijn vergeten. + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Gij duivel! Al te goed staan mij die +voor; +Mijn gade Hendrik dooddet gij in den Tower, +Edward, mijn armen zoon, te Tewksbury. + +GLOSTER. Eer gij, ja eer nog uw gemaal gekroond was, +Was ik het pakpaard van zijn hooge wenschen, +Verdelger van zijn trotsche weerpartijders +En mild belooner van zijn medestanders; +Ik schonk hem koningsbloed door ’t mijn te spillen. + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, èn veel beter bloed dan ’t zijne +of ’t uwe. + +GLOSTER. En al dien tijd trokt gij, en Grey, uw gade, +Partij steeds voor het huis van Lancaster; +En gij ook, Rivers,—Viel uw gade niet +Als Margaretha’s krijger bij Sint-Albaans? +Laat mij, zijt gij ’t vergeten, u herinn’ren, +Wat gij voor dezen waart en wat gij zijt, +Alsook, wat ik geweest ben en nu ben. + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Een lage moord’naar, en dit zijt gij +nog. + +GLOSTER. Die arme Clarence heeft zijn vader Warwick +Verzaakt, zijn eed van trouw aan hem verbroken;— +Vergeev’ hem Jezus! + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Straff’ hem God er voor! + +GLOSTER. Om, voor de kroon, aan Edwards zij te strijden; +En zie, tot loon zit de arme prins in hecht’nis. +Gaav’ God, ik had een steenen hart als Edward, +Of hij een zacht, meewarig hart als ik; +Ik ben te kindsch-goedhartig voor deze aarde. + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Zoo vaar ter helle uit schaamte en +wijk van de aarde; +Gij kakodæmon! dààr ligt uw gebied. + +RIVERS. Mylord van Gloster, in die heete dagen, +Waar gij op wijst, opdat wij vijand blijken, +Zijn we onzen heer en souverein gevolgd; +Wij zouden ’t u doen, zoo gij koning waart. + +GLOSTER. Als ik dat waar’!—Marskramer ware ik liever! +Zelfs de gedachte er aan, zij ver van mij! 150 + +KONINGIN ELIZABETH. Zoo luttel heils, mylord, als gij voor u +Van ’t koning-zijn verwacht in dezen lande, +Zoo luttel heils, geloof mij, smaak ikzelf, +Schoon ik de koningin zij van dat rijk. + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, luttel heils smaakt Eng’lands +koningin; +Want dit ben ik, en enkel tot mijn onheil. +Ik houd mijn gramschap thans niet langer in.— + +(Zij treedt naar voren.) + +Hoort mij, vrijbuiters, die krakeelt, die twist +Bij ’t deelen van uw buit, aan mij ontroofd! +Wie uwer, die mij aanblikt, siddert niet, +Zoo niet voor uw vorstin, als onderdaan, +Toch voor die gij onttroond hebt, als rebel?— +Gij, hooge schurk, wend uw gelaat niet af! + +GLOSTER. Boos, rimpl’ig tooverwijf, wat doet gij hier? + +KONINGIN MARGARETHA. Herhalen kom ik hier uw euveldaden; +Dit wil ik doen, aleer ik u laat gaan. + +GLOSTER. Zijt gij hier niet op straf des doods verbannen? + +KONINGIN MARGARETHA. Ja, doch ik lijd als balling dieper wee, +Dan, blijf ik hier, de dood mij brengen kan. +Gij zijt mij een gemaal en zoon verschuldigd,— +En gij, een koninkrijk,—gij allen, leenplicht; +U komt het lijden toe, dat ik verduur, +Mij al ’t geluk, dat gij hebt overmeesterd. + +GLOSTER. De vloek mijns eed’len vaders, toen gij hem +De heldenslapen kroondet met papier, +Zijn’ oogen stroomen afdwongt door uw hoon, +En toen om ze af te drogen hem een doek gaaft, +Gedoopt in ’s lieven Rutland’s schuldloos, bloed,— +Zijn vloeken, die zijn bitter hart u toen +Heeft toegeslingerd, zijn ’t, die op u vielen; +En God, niet wij, vergeldt uw bloedig doen. + +KONINGIN ELIZABETH. God is gerecht, hij wreekt onschuldig bloed. + +HASTINGS. O, ’t was de snoodste daad, dat kind te slachten, +De wreedste, die ooit menschenoor vernam. + +RIVERS. Tirannen zelfs, zij weenden bij het hooren. + +DORSET. Geen mensch, die daar geen wraak uit profiteerde. + +BUCKINGHAM. Northumberland, die ’t aanzag, stortte tranen. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat! blikketanddet ge allen, eer ik kwam, +Als zoudt ge elkander bij den gorgel pakken, +En keert gij al uw haat nu tegen mij? 190 +Bewoog York’s schrikb’re vloek den hemel zoo, +Dat Hendriks dood, mijns lieven Edwards dood, +’t Verlies der kroon, mijn bitt’re ballingschap, +Slechts boeten zijn voor dien halfwassen brasem? +Dringt zoo een vloek, de wolken door, ten hemel?— +Laat dan, grauw zwerk, mijn rassche vloeken, door!— +Door brassen, niet in de’ oorlog, sterve uw koning, +Gelijk door moord, om hem te kronen, de onze! +Edward, uw zoon, de nieuwe prins van Wales, +Voor Edward, mijn zoon, vroeger prins van Wales, +Sterv’ door geweld, ontijdig, jong, als hij! +Gij, koningin voor mij, die koningin was, +Gij, overleef, als ik, onzaal’ge, uw rijk! +Leef lang, om uwe kind’ren te bejamm’ren, +En zie eene and’re, zooals ik u zie, +Getooid, als gij ’t in mìjn recht zijt, in ’t uwe! +Lang voor uw dood zij uw gelukstijd dood; +En sterf, na menig eind’loos uur van wee, +Sterf, niet meer moeder, vrouw, noch koningin! +Rivers en Dorset, gij waart ooggetuigen, +Ook gij, lord Hastings, toen met purp’ren dolken +Mijn zoon doorstoken werd; ik smeek tot God: +Geen uwer leev’ natuurs gezetten tijd; +Een plots’ling onheil moge u nedermaaien! + +GLOSTER. Staak uw bezwering, booze, dorre heks! + +KONINGIN MARGARETHA. Met niets voor u? Blijf, hond, gij zult mij +hooren. +Wanneer de hemel nog een erger wee +In voorraad heeft, dan ik u wenschen kan, +Dan spaar’ hij ’t op, tot uwe zonden rijp zijn, +En stort’ dan al zijn grimmigheid op u, +U, vredestoorder in deze arme wereld! +Gewetensangst knaag’ als een worm uw ziel! +Verdenk uw vrienden immer van verraad, +Kies aartsverraders tot uw boezemvrienden! +Geen slaap luik’ ooit uw onheilbrengend oog, +Tenzij terwijl een mart’lend droomgezicht +U met een hel van woeste duivels pijnigt! +Behekst, wanstaltig wezen! wroetend zwijn! +Gij, van natuur in uw geboortestond +Als slaaf gebrandmerkt, als een zoon der hel! +Gij schande van uw moeders zwang’ren schoot! +Verfoeide wanvrucht van uws vaders lenden! +Gij vod in eere! diep verachte— + +GLOSTER. Margaretha! + +KONINGIN MARGARETHA. Richard! + +GLOSTER. He! + +KONINGIN MARGARETHA. Ik riep u niet. + +GLOSTER. Dan vraag ik u verschooning, want ik waande, +Mij riept gij al die bitt’re namen toe. + +KONINGIN MARGARETHA. Dit deed ik, maar een antwoord vroeg ik niet. +O, laat mij nu mijn vloek ten einde brengen! + +GLOSTER. Ik deed dit reeds; hij sluit met „Margaretha.” 239 + +KONINGIN ELIZABETH. Zoo keerde uw vloek nu tot uzelve weer. + +KONINGIN MARGARETHA. Arm vorstenbeeld, gij mijner grootheid +schijnglans? +Wat strooit ge op die gezwollen giftspin suiker, +Wier dood’lijk web in ’t rond u heeft omstrikt? +Gekkin, gij wet een mes, dat u zal dooden. +Eens komt de dag, dat gij mij naast u wenscht, +Om die gebulte giftpad mee te vloeken. + +HASTINGS. Gij leugenspelster, dat uw waanzin zwijg’! +Put ons geduld niet uit, het mocht u schaden. + +KONINGIN MARGARETHA. Schande op u allen! ’t mijne is uitgeput. + +RIVERS. Hij diende u goed, die uwen plicht u leerde. + +KONINGIN MARGARETHA. Mij goed te dienen, ware uw aller plicht; +Leert mij, dat ik hier heersch en gij gehoorzaamt. +O, dient mij goed en leert uzelf dien plicht. + +DORSET. Geen redetwist met haar, zij is waanzinnig. + +KONINGIN MARGARETHA. Stil, jonge markgraaf, gij zijt schaamtloos stout; +Nauw gangbaar is uw pasgemunte rang. +O, wist uw jeugdige adel, wat het zegt, +Zijn rang te derven, in ellend’ te leven! +Wie hoog staat, wordt door meen’ge vlaag geschud; +En als hij valt, wordt hij geheel verpletterd. + +GLOSTER. Een goede raad;—behartig hem, markies. + +DORSET. Hij past voor u, mylord, gelijk voor mij. + +GLOSTER. Veel meer nog; maar ik werd zoo hoog geboren. +In cedertoppen bouwt ons aad’laarsras, +En dartelt met den wind en trotst de zon. + +KONINGIN MARGARETHA. En maakt de zon tot nacht;—ach, ach! getuig’ dit, +Mijn zon, mijn zoon, in doodsnacht nu gehuld, +Wiens flonkerstralen uwer gramschap wolk +Met eeuw’ge duisternis omtogen heeft! +York’s broedsel, ’t bouwt in onzer jongen nest; +O God, gij ziet het; duld, o duld het niet; +Wat bloed deed winnen, ga door bloed verloren! + +BUCKINGHAM. Stil, dit is schande! ’t is onchrist’lijk doen. + +KONINGIN MARGARETHA. O spreek mij niet van christ’lijkheid of schande, +Gij allen waart onchrist’lijk jegens mij, +En schand’lijk hebt gij al mijn hoop geslacht. +Woede is mijn christ’lijkheid, mijn leven schande, +En in die schande leev’ de wrok der smart! + +BUCKINGHAM. Houd op, houd op! + +KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte Buckingham, ik kus uw hand; +280 +Dit zij u teeken van mijn vrede en vriendschap; +U en uw edel huis ga ’t immer wel! +Uw kleed’ren zijn niet met ons bloed bespat, +En gij niet in ’t bereik van mijnen vloek. + +BUCKINGHAM. En niemand hier, geen vloeken reiken verder +Dan tot de lippen, die hen lucht doen zijn. + +KONINGIN MARGARETHA. En ik geloof, dat zij ten hemel stijgen, +Gods vrede er wekken uit zijn zoeten slaap. +O Buckingham, o hoed u voor dien hond! +Zie, kwispelt hij, dan bijt hij; als hij bijt, +Dan woedt zijn gifttand tot den dood toe door. +Heb niets met hem te doen, wacht u voor hem! +Dood, hel en zonde hebben hem geteekend, +En al hun dienaars zijn in zijn gevolg. + +GLOSTER. Wat zegt zij u, mylord van Buckingham? + +BUCKINGHAM. Niets waar ik acht op sla, genadig heer. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat! hoont gij mij, die vriend’lijk raad, en hangt +gij +Den duivel, waar ik u voor waarschuw, aan? +O denk eens aan dit uur, als hij door wee +Uw hart vaneen zal rijten, en zeg dan: +„Die arme Margaretha was profetisch!”— +Zoo leeft dan, elk van u bij hem gehaat, +En hij bij u, en allen saam bij God! + + (Koningin Margaretha af.) + +HASTINGS. Mij rees het haar te berge bij haar vloeken. + +RIVERS. Mij ook; dat zij hier vrij blijft, is me een raadsel. + +GLOSTER. Valt haar niet hard; want bij Gods heil’ge moeder, +Veel onrecht moest zij lijden; mij berouwt +Het deel, dat ik er aan heb toegevoegd. + +KONINGIN ELIZABETH. Ik deed geen leed haar aan, zoover ik weet. + +GLOSTER. Toch pluktet gij de vruchten van haar leed. +Ik was vol vuur om iemand goed te doen, +Die nu te koel van al mijn diensten denkt. +Voorwaar, wat Clarence deed, wordt goed betaald! +Erkent’lijk wordt hij in een kot gemest;— +Vergeev’ God hun, die daar de schuld van zijn! + +RIVERS. Een vroom besluit, een christen waard, te bidden +Voor hen, die schade ons hebben toegevoegd! + +GLOSTER. Zoo doe ik steeds;—(Ter zijde.) en ’k heb er reden toe, +Want vloekte ik nu, ik had mijzelf vervloekt. + +(Catesby komt op.) + +CATESBY. De koning, eed’le vrouw, wenscht u te zien,— +En uwe hoogheid ook, en u, mylords. 321 + +KONINGIN ELIZABETH. Wij komen, Catesby.—Gaat gij mede, lords? + +RIVERS. Wij volgen uwe hoogheid. + + (Allen af, behalve Gloster.) + +GLOSTER. Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak. +Het onheil, dat ik heim’lijk heb gesticht, +Leg ik als zwaren last op vreemde schouders. +Ikzelf wierp Clarence in dat donker kot, +En nu beween ik hem bij stikziende uilen, +Zooals bij Stanley, Hastings, Buckingham; +En zeg, de koningin, zij en haar aanhang, +Die hitsen tegen hem den koning op. +En zij gelooven ’t; ja, zij wetten mij, +Dat ik op Rivers, Vaughan, Grey mij wreek; +Dan zucht ik, zeg hun met een bijbelspreuk, +Dat God gebiedt, voor ’t kwade goed te doen; +En zoo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid +Met dwaze vodden, uit de Schrift gekaapt, +En schijn een heil’ge, als ik echt duivelsch ben. + +(Twee Moordenaars komen op.) + +Maar stil! het zijn mijn beulen, die daar komen.— +Gij wakk’re stoute, vastberaden mannen, +Zijt gij bereid, dat zaakjen af te doen? + +EERSTE MOORDENAAR. Ja, eed’le heer, wij komen om de volmacht, +Opdat wij toegang vinden, waar hij is. + +GLOSTER. Zeer goed bedacht; ik heb ze bij mij; hier! + +(Hij geeft hun de volmacht.) + +En komt, is ’t werk gedaan, naar Crosbyhof. +Maar mannen, brengt met spoed uw taak ten eind; +Weest onverbidd’lijk; laat hem niet aan ’t woord; +Want Clarence weet te praten, en wellicht +Vermurwde hij uw hart, als gij gingt luist’ren. + +EERSTE MOORDENAAR. Gerust, mylord; wij maken daar geen praats; +Wie babbelt, leutert meest; wees gij verzekert, +Wij roeren onze handen, niet de tong. + +GLOSTER. Een dwaas ween’ tranen, gij eer molensteenen; +Gij lijkt mij flinke kerels;—komt, aan ’t werk, +Gaat, gaat, en snel! + +EERSTE MOORDENAAR. Dat zullen wij, uw hoogheid. + + (Allen af). + + + + + +VIERDE TOONEEL. + +Londen. Een vertrek in den Tower. + +Clarence en een Stokbewaarder komen op. + +STOKBEWAARDER. Hoe ziet uw hoogheid heden zoo bedrukt? + +CLARENCE. O, ’k heb een nacht doorleefd van diepe ellend, +Vol bange droomen, schrikk’lijke gezichten; +Zoowaar ik een geloovig christen ben, +Nog eens een nacht als deze door te staan, +Ik deed het voor geen wereld blijde dagen; +Zoo vol van naamlooze’ angst was mij die tijd! + +STOKBEWAARDER. Wat was uw droom, mylord? ik bid u, meld dit. + +CLARENCE. Mij dacht, dat ik ontsnapt was uit den Tower, +En dat een schip mij voerde naar Bourgondië; +Mijn broeder Gloster was mijn reisgezel; +Hij lokte me uit mijn hut op ’t dek; wij deden +Daar saam een wand’ling, blikten uit naar England, +En spraken van die duizend zware tijden +Uit de’ oorlog tusschen York en Lancaster, +Die ons getroffen hadden. Bij die wand’ling +Op ’t glibb’rig dek, kwam het op eens mij voor, +Dat Gloster struikelde en bij ’t vallen mij, +Die trachtte hem te houden, overboord +En in ’t gewoel der woeste baren stiet. +O God, hoe smartlijk scheen ’t mij, te verdrinken! +Wat vreeslijk waterklotsen in mijn oor! +Wat beelden van den gruwb’ren dood in ’t oog, +Mij dacht, ik zag een duizend schrikb’re wrakken, +Een duizend menschen, waaraan visschen knaagden, +Goudklompen, reuzige ankers, hoopen paarlen, +Onschatb’re steenen, tal van prachtjuweelen, +Op heel den bodem van de zee verspreid; +In schedels lagen enkele; in de holten, +Waar oogen eens in huisden, zaten nu, +Als schimpten zij op oogen, flonkersteenen, +Het glibb’rig slijk der diepte tegenlonkend, +En spottend met het doodsgebeente in ’t rond. + +STOKBEWAARDER. Hadt gij in ’t oogenblik des doods den tijd +Om zoo der zee geheimen te bespieden? + +CLARENCE. Zoo kwam ’t mij voor, en menigmaal beproefde ik +Den geest te geven, doch de zee hield wreev’lig +Mijn ziel steeds vast en liet haar niet ontglippen +Om de open, ruime, vrije lucht te zoeken; +Zij deed haar stikken in mijn hijgend lichaam, +Dat bijna barstte om haar in zee te loozen. + +STOKBEWAARDER. Werdt gij niet wakker in dien zwaren doodsstrijd? + +CLARENCE. Neen, neen, mijn droom ging nog na ’t leven door; 43 +O toen begon de storm voor mijne ziel! +Haar bracht, zoo scheen ’t mij, over ’t somb’re water +De norsche veerman, van wien dichters spreken, +Naar ’t koninkrijk der nacht, die nimmer eindt. +En de eerste, die mijn vreemd’lingziel daar groette, +Was mijner vrouw roemruchte vader Warwick, +Die luide riep: „Wat gees’ling voor verraad +Bereidt dit duist’re rijk den valschen Clarence?” +En zoo verdween hij. Daarna zweefde een schim +Gelijk een engel nader, ’t lichte haar 53 +Met bloed bevlekt; met luider stemme kreet hij: +„Clarence is daar, die eedvergeten Clarence, +Die mij bij Tewksbury op ’t veld doorstak;— +Grijpt, grijpt hem, Furiën; sleept hem weg ter martling!” +En, docht mij, een legioen van booze geesten +Omringde mij en huilde mij in ’t oor, +Zoo schrikverwekkend, dat ik door ’t gebrul +Ontwaakte en rilde en nog geruimen tijd +Niet anders dacht dan in de hel te zijn; +Zoo diep was in mijn ziel de droom gegrift. + +STOKBEWAARDER. Geen wonder, dat hij u ontzette, heer; +Want van ’t verhaal alleen ben ik ontsteld. + +CLARENCE. O stokbewaarder! O, ik deed dat alles, +Dat tegen mijne ziele nu getuigt, +Om Edwards wil; en zie, hoe hij ’t mij loont!— +O God, verzoent geen innig smeeken u, +Maar eischt gij wrake voor wat ik misdeed, +O, boet uw grimmigheid alleen op mij, +Spaar mijn onnooz’le vrouw, mijn arme kinders!— +Bewaker, ’k bid u, blijf een wijle hier, +Want mijne ziel is bang, ik wensch te slapen. + +STOKBEWAARDER. Dit zal ik, heer; God geve uw hoogheid rust. + +(Clarence slaapt in.) + +(Brakenbury komt op.) + +BRAKENBURY. Het leed verstoort èn wakenstijd èn rustuur, +En maakt de nacht tot morgen, dag tot nacht. +Der vorsten een’ge heerlijkheid zijn titels, +Uitwendig schitt’ren voor inwendig slaven; +Voor ongenoten hersenschimmen voelen +Ze een wereld vaak van rustelooze zorg; +Zoodat van lagen stand een hooge naam +In niets verschilt dan in den roep der faam. + +(De twee Moordenaars komen op.) + +EERSTE MOORDENAAR. Hé, wie is daar? + +BRAKENBURY. Wat wilt gij kerel? en hoe komt gij hier? + +EERSTE MOORDENAAR. ’k Moet Clarence spreken, en ik kwam te voet +hierheen. + +BRAKENBURY. Wat! zoo kortaf? + +TWEEDE MOORDENAAR. ’t Is beter dan langwijlig, heer.— +Laat hem de volmacht zien, en praat niet verder. + +(De eerste Moordenaar overhandigt aan Brakenbury een papier.) + +BRAKENBURY (na lezing). ’t Is een bevelschrift om in uwe handen +Den eed’len hertog Clarence uit te leev’ren; +Ik wil niet vragen, wat hiermee bedoeld is, +Want aan dit doel wil ik onschuldig zijn. +Daar slaapt de hertog en hier zijn de sleutels. +Ik ga terstond den koning kennis geven, +Dat ik aldus mijn ambt u overdroeg. 99 + +EERSTE MOORDENAAR. Zoo kunt ge doen, heer; ’t is een wijze keus. +Vaarwel. + + (Brakenbury af, met den Stokbewaarder). + +TWEEDE MOORDENAAR. Hoe is het, zullen wij hem in den slaap doorsteken? + +EERSTE MOORDENAAR. Neen, hij zou bij het wakker worden zeggen, dat het +een laffe daad was. + +TWEEDE MOORDENAAR. Wel, hij zal niet wakker worden voor den grooten +oordeelsdag. + +EERSTE MOORDENAAR. Nu, dàn zal hij zeggen, dat wij hem in den slaap +doorstoken hebben. + +TWEEDE MOORDENAAR. Het noemen van dat woord „oordeelsdag” heeft een +soort van gewetensangst bij mij gaande gemaakt. + +EERSTE MOORDENAAR. Wat! zijt gij bang? + +TWEEDE MOORDENAAR. Niet om hem te dooden, want daartoe heb ik een +volmacht, maar voor de verdoemenis, als ik hem dood; want waartegen kan +geen volmacht mij iets helpen. + +EERSTE MOORDENAAR. Ik dacht, dat gij vastbesloten waart geweest. + +TWEEDE MOORDENAAR. Dat ben ik, om hem te laten leven. + +EERSTE MOORDENAAR. Ik ga naar den hertog van Gloster terug en vertel +het hem. + +TWEEDE MOORDENAAR. Neen, ik bid u, wacht nog een oogenblik; ik hoop, +dat die vlaag van gevoeligheid wel zal overwaaien; zij hield meestal +slechts een twintig tellens aan. + +EERSTE MOORDENAAR. Hoe voelt gij u nu? + +TWEEDE MOORDENAAR. Er zit nog een klein bezinksel van geweten bij mij. + +EERSTE MOORDENAAR. Denk aan onze belooning, als de daad gedaan is. + +TWEEDE MOORDENAAR. Alle duivels, hij sterft; ik was de belooning +vergeten. + +EERSTE MOORDENAAR. Waar is uw geweten nu? + +TWEEDE MOORDENAAR. O, in de beurs van den hertog van Gloster. + +EERSTE MOORDENAAR. Als hij zijn beurs opent om ons te beloonen, vliegt +uw geweten er uit. + +TWEEDE MOORDENAAR. Het doet er niet toe, laat het zijn gang gaan; er +zijn er weinig of geen, die er huisvesting aan zullen verleenen. + +EERSTE MOORDENAAR. Maar, als het eens bij uzelven terugkomt? +136 + +TWEEDE MOORDENAAR. Dan laat ik mij er niet mee in, het maakt een man +tot een lafaard; men kan niet stelen, of het klaagt aan; men kan niet +vloeken, of het valt in de rede; men kan niet bij zijns buurmans vrouw +liggen, of het speelt voor verrader; het is een bloode, schaamrood +wordende geest, die in het hart oproer stookt; het stopt een man geheel +vol zwarigheden; het heeft mij eens een beurs met goud terug doen +geven, die ik bij toeval gevonden had: het maakt ieder, die het er op +nahoudt, tot een bedelaar; het wordt als een gevaarlijk ding alle +steden en vlekken uitgejaagd; en ieder, die een goed leven wil hebben, +verlaat zich liefst op zichzelf en tracht zonder dat ding te leven. + +EERSTE MOORDENAAR. Waarachtig, het trekt mij daar juist bij de mouw en +vermaant mij, den hertog niet om te brengen. + +TWEEDE MOORDENAAR. Neem u voor den duivel in acht en geloof hem niet; +hij wil zich alleen bij u indringen, om u aan het zuchten te brengen. + +EERSTE MOORDENAAR. Ik ben sterk van natuur; hij krijgt mij niet onder. + +TWEEDE MOORDENAAR. Dat is gesproken als een flinke kerel, die zijn naam +in eere houdt. Kom, willen wij aan ’t werk gaan? + +EERSTE MOORDENAAR. Sla hem met het gevest van uw degen den kop in, en +smijt hem dan in ’t malvezijvat in de kamer hiernaast. + +TWEEDE MOORDENAAR. O, heerlijk uitgedacht! wij maken een sopje van hem. + +EERSTE MOORDENAAR. Stil, hij wordt wakker. + +TWEEDE MOORDENAAR. Sla toe! + +EERSTE MOORDENAAR. Neen, we willen een praatje met hem maken. + +CLARENCE (ontwakend). Waar zijt gij, wachter? geef me een roemer wijns. + +EERSTE MOORDENAAR. Zoo daad’lijk, heer, bekomt gij wijn genoeg. + +CLARENCE. In Gods naam, wie zijt gij? + +EERSTE MOORDENAAR. Een mensch, als gij zijt. + +CLARENCE. Doch niet, als ik, een koningszoon. + +EERSTE MOORDENAAR. Noch gij, als wij, trouw dienaar van den troon. + +CLARENCE. Uw taal is donder, maar uw blik is schuw. + +EERSTE MOORDENAAR. Mijn taal is koningstaal, mijn blik de mijne. + +CLARENCE. Hoe duister en hoe dood’lijk zijn uw woorden! +Uw oogen dreigen; waarom ziet gij bleek? +Wie heeft u hier gezonden? waarvoor komt gij? + +BEIDE MOORDENAARS. Om, om, om— + +CLARENCE. Mij te vermoorden? + +BEIDE MOORDENAARS. Juist. + +CLARENCE. Gij hebt het hart niet eens, mij dit te zeggen, +En kunt dus ’t hart niet hebben, zoo te doen. +Waarmee, mijn vrienden, heb ik u beleedigd? + +EERSTE MOORDENAAR. Niet ons hebt gij beleedigd, maar den koning. +183 + +CLARENCE. Eerlang ben ik gewis met hem verzoend. + +TWEEDE MOORDENAAR. Neen, nimmer, heer; bereid u dus ter dood. + +CLARENCE. Werdt ge uit millioenen door het lot verkoren +Om de onschuld te vermoorden? Wat misdreef ik? +Waar is ’t getuignis, dat mij schuldig noemt? +Waar de gezwoor’nen, die den grammen rechter +Hun uitspraak overreikten? ’t Bitter vonnis +Tot dood van de’ armen Clarence, wie, wie streek het? +Aleer de loop van ’t recht mij schuldig vindt, +Is ’t dreigen met den dood een schand’lijk onrecht. +Zoo waar gij op vergeving hoopt van schuld +Door Christus’ kost’lijk bloed, voor ons vergoten, +Zeg ik, gaat heen en slaat geen hand aan mij; +Verdoemlijk is uw voorgenomen daad. + +EERSTE MOORDENAAR. Die voorgenomen daad geschiedt op last. + +TWEEDE MOORDENAAR. En die haar heeft gelast, is onze koning. + +CLARENCE. Verdwaasde knechten! aller vorstenkoning, +Gaf in zijn wet der taaf’len dezen last: +„Gij zult niet doodslaan!” Wilt gij Zijn gebod +Vertreden en eens menschen last volbrengen? +Ziet toe! hij heeft de wraak in Zijne hand +En slingert ze op der wetsveracht’ren hoofd. + +TWEEDE MOORDENAAR. En de eigen wrake slingert hij op u, +Voor valschen meineed en nog valscher moord; +Ge ontvingt het sacrament, dat ge in den strijd +Zoudt vechten voor het huis van Lancaster. + +EERSTE MOORDENAAR. En als verrader aan den name Gods +Braakt gij dien eed en scheurde uw trouwloos staal +Den boezem open van uws vorsten zoon. + +TWEEDE MOORDENAAR. Wien gij, naar de’ eed, beminnen zoudt en hoeden. + +EERSTE MOORDENAAR. Hoe houdt gij ons Gods hoog gebod voor oogen, +Gij, die het zelf zoo zwaar geschonden hebt? + +CLARENCE. Helaas! voor wien deed ik die snoode daad? +Voor Edward, voor mijn broeder, hem tot nut; +Hij zendt u niet, om daarvoor mij te moorden, +Want in die schuld steekt hij zoo diep als ik. +Zoo God die daad door wrake wil vergelden, +O weet, dan doet Hij ’t ook ’t openbaar; +Neemt gij de straf niet uit Zijn sterke hand; +Geen krommen weg, geen wetloos doen behoeft Hij, +Om wie hem heeft beleedigd uit te roeien. + +EERSTE MOORDENAAR. Wie heeft u toen tot bloedgezant gemaakt, +226 +Toen ge in zijn lentebloei Plantagenet, +Dien wakk’ren vorstentelg, hebt neergestooten? + +CLARENCE. Mijn broedermin, de duivel en mijn toorn. + +EERSTE MOORDENAAR. Uw broeder, onze plicht en uw vergrijpen +Die zenden ons nu hier, dat we u verslaan. + +CLARENCE. O haat,—hebt gij mijn broeder lief,—niet mij; +Ik ben zijn broeder en ik heb hem lief. +Zijt gij voor loon gehuurd, zoo gaat terug, +Wendt namens mij u tot mijn broeder Gloster, +Die beter u zal loonen voor mijn leven, +Dan Edward ooit voor ’t melden van mijn dood. + +TWEEDE MOORDENAAR. Voorwaar, gij dwaalt; uw broeder Gloster haat u. + +CLARENCE. Neen, neen; hij heeft mij lief, ik ben hem dierbaar. +Gaat slechts van mij tot hem. + +BEIDE MOORDENAARS. Wij zullen ’t doen. + +CLARENCE. Zegt hem, dat, toen onze eed’le vader York +Ons drieën met zijn heldenhand gezegend, +Bezworen heeft elkander lief te hebben, +Hij luttel zulk een vriendschapsbreuk voorzag; +Herinnert Gloster dit, en hij zal weenen. + +EERSTE MOORDENAAR. Ja, molensteenen, naar zijn les aan ons. + +CLARENCE. O, spreek van hem geen kwaad, want hij is goed. + +EERSTE MOORDENAAR. Als sneeuw in de’ oogst-tijd.—Waarlijk, gij bedriegt +u; +Hij is het, die ons zendt om u te dooden. + +CLARENCE. Het kan niet zijn; hij weende om wat mij trof, +En klemde mij aan ’t hart, en zwoer al snikkend, +Dat hij mijn vrijheid dra bewerken zou. + +EERSTE MOORDENAAR. Welnu, dit doet hij, want hij maakt u vrij +Van aardsche slavernij, voor hemelvreugd. + +TWEEDE MOORDENAAR. Verzoen u, heer, met God, want gij moet sterven. + +CLARENCE. Hebt ge in uw zielen zooveel vroom gevoel, +Dat gij mij raadt, met God mij te verzoenen. +En zijt gij voor uw eigen ziel zoo blind, +Dat gij, door mij te moorden God wilt tergen? +Bedenkt het wel: die u heeft aangezet +De daad te doen, zal om de daad u haten. + +TWEEDE MOORDENAAR. Wat nu te doen? + +CLARENCE. Wordt week, en redt uw zielen. + +EERSTE MOORDENAAR. Week worden! neen, ’t is laf, ’t is vrouwenaard. + +CLARENCE. Niet week te worden, dierlijk, woest en duivelsch. +Spreekt, wie van u, als hij een vorstenzoon was +En van zijn vrijheid was beroofd als ik, +Zou, door twee moord’naars zooals gij bedreigd, +Niet om zijn leven smeeken? +Mijn vriend, uw blik verraadt mij een’ge deernis; +O kom, indien uw oog geen vleier is, +Aan mijne zijde, en smeek voor mij, zooals +Gijzelf, waart gij in mijnen nood, zoudt smeeken! +Wat beed’laar schenkt een prins, die bidt, geen deernis? + +TWEEDE MOORDENAAR. Zie achter u, mylord. + +EERSTE MOORDENAAR (Clarence doorstekend). +Neem dit,—en dat;—is dit nog niet genoeg, +Dan smoor ik u in ’t malvezijvat ginds. + + (De eerste Moordenaar met het lijk af.) + +TWEEDE MOORDENAAR. Een bloedig stuk, gewetenloos volvoerd! +Hoe gaarne wiesch ik als Pilatus eens, +Mijn handen rein van dezen gruwelmoord! + +(De eerste Moordenaar komt weder op.) + +EERSTE MOORDENAAR. Hoe is ’t met u, dat gij niet helpt? de hertog +Verneemt het, man, ik zweer ’t, hoe laf gij waart! + +TWEEDE MOORDENAAR. Vernam hij eer, dat ik zijn broeder redde! +Neem gij het loon en meld hem, wat ik zeg, +Want mij berouwt het, dat de hertog dood is. + + (Tweede Moordenaar af.) + +EERSTE MOORDENAAR. Mij rouwt het niet; ga, lafaard, die gij zijt! +’k Verstop het lijk in de’ een of andren schuilhoek, +Totdat de hertog last geeft ter begraafnis; +En heb ik ’t loon, dan weet ik, wie ontvliedt; +Want dit komt uit, en dan zij ik hier niet. + + (Eerste Moordenaar af.) + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Een vertrek in het paleis. + +Koning Edward wordt krank binnengeleid, Koningin Elizabeth, Dorset, +Rivers, Hastings, Buckingham, Grey en anderen komen op. + +KONING EDWARD. Nu,—’k heb een schoone dagtaak afgedaan.— +Gij, pairs, houdt vast aan de eendracht, nu gesticht; +Ik wacht van dag tot dag van mijn Verlosser +Een afgezant, die mij van hier verlost; +En meer in vrede stijgt mijn ziel ten hemel, +Nu ik mijn vrienden vrede schonk op aard. +Rivers en Hastings, reikt elkaâr de hand. +Voedt geen geheimen haat, bezweert uw vriendschap. + +RIVERS. Ik zweer, mijn ziel is rein van haat en wrok; +Mijns harten vriendschap zegelt deze hand. + +HASTINGS. Mij zeeg’ne God, zoo waar ik ’tzelfde zweer! + +KONING EDWARD. Ziet toe, dat gij geen spel drijft voor uw vorst, +Opdat niet aller vorsten Opperheer +Uw valschheid, hoe verkapt, te schande maak’, +En elk van u ’t verderf doe zijn des and’ren. + +HASTINGS. Zoo bloei’ mijn huis, zoo waar ik vriendschap zweer! 16 + +RIVERS. En ’t mijn’, zoo waar mij Hastings dierbaar is! + +KONING EDWARD. Ook gij, vorstin, zijt hier niet uitgezonderd,— +Nòch gij, zoon Dorset;—Buckingham, nòch gij;— +Gij waart in tweedracht met elkaâr; reik, vrouw, +Lord Hastings, als uw vriend, de hand ten kus; +En wat gij doet, zij ongeveinsd gedaan. + +KONINGIN ELIZABETH. Hier, Hastings;—onzen vroeg’ren haat begraaf ik; +Zoo waar ga ’t mij en al den mijnen wel! + +KONING EDWARD. Dorset, omarm hem;—Hastings, heb hem lief. + +DORSET. Ik zweer, dat deze vriendschapsruiling steeds +Van mijnen kant onschendbaar wezen zal. + +HASTINGS. Dit zweer ook ik, mylord. + +(Omarming.) + +KONING EDWARD. Bezegel, eed’le Buckingham, den vrede; +Omarm de bloedverwanten mijner vrouw; +En schenkt mij door uw eendracht blij geluk! + +BUCKINGHAM (tot de Koningin). Zoo Buckingham ooit tegen uwe hoogheid +Zijn wrevel keert en niet voor u en de uwen +Oprechte liefde voedt, dan straff’ mij God +Door haat bij hen, wier liefde ik meest verwachtte! +Wanneer ik meest de hulp eens vriends behoef, +En mij het zekerst waan van zijne trouw, +Dan moog’ hij valsch, vol list, bedrog, verraad, +Mijn onheil zijn! Dit smeek ik van den Hemel, +Verkilt mijn hart voor u of de uwen ooit! + +KONING EDWARD. De zoetste laaf’nis, eed’le Buckingham, 41 +Is die gelofte voor mijn lijdend hart. +Slechts onzen broeder Gloster mis ik nog +Om op dit vreêverbond de kroon te zetten. + +BUCKINGHAM. En, als geroepen, komt daar de eed’le hertog. + +(Gloster komt op.) + +GLOSTER. ’k Wensch ’t hooge vorstenpaar een goeden morgen, +En, eed’le pairs, u allen alle heil! + +KONING EDWARD. Ja, wel tot heil werd deze dag besteed.— +Wij deden, Gloster, hier een christ’lijk werk; +Wij schiepen vrede uit krijg en liefde uit haat +Bij deze felle, boos ontvlamde pairs. + +GLOSTER. Een rijk gezegend werk, verheven vorst.— +Zoo een uit deze hooge schare mij +Door valsch gerucht of ongegronden argwaan +Zijn vijand acht; +Zoo ik onwetend of in woeste drift +Iets heb begaan, dat krenkend wezen mocht +Voor één uit dezen kring, dan wensch ik mij +Tot vrede en vriendschap met hem te verzoenen; +In vijandschap te leven is mij dood; +Ik haat het, wensch mij aller braven liefde. +Eerst, hooge vrouwe, smeek ik u om vrede, +’k Wil dien mij koopen door mijn trouwen dienst; +Dan u, mijn eed’len neef van Buckingham, +Zoo tusschen ons ooit een’ge veete woonde; +Dan u, en u, lord Rivers en lord Dorset, +Die elk mij toornig aanzaagt zonder grond; +[En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u;] +Hertogen, graven, lords,—kortom, u allen. +Geen Engelschman, die leeft, is mij bekend, +Met wien mijn ziel een haartje meer verschil heeft, +Dan ’t wicht, dat deze nacht geboren werd; +En ’k zeg voor mijnen ootmoed Gode dank. + +KONINGIN ELIZABETH. Voortaan zij deze dag een heil’ge feestdag;— +Gaav’ God, dat ied’re twist ten einde waar’!— +Mijn heer en vorst, thans smeek ik van uw hoogheid: +Schenk onzen broeder Clarence weer uw gunst! + +GLOSTER. Wat, hooge vrouw, bood ik u daartoe vriendschap, +Om zoo voor ’s konings troon bespot te worden? +Wie weet dan niet, dat de eed’le hertog dood is? + +(Allen deinzen terug.) + +Het is hem onrecht doen, zijn lijk te hoonen. + +KONING EDWARD. Wie weet niet, dat hij dood is! Spreek, wie weet het? + +KONINGIN ELIZABETH. Alziende God, wat wereld is dit hier! + +BUCKINGHAM. Zie ik zoo bleek, lord Dorset, als die and’ren? + +DORSET. Ja, beste lord; geen mensch in dezen kring, +Of alle rood is zijn gelaat ontweken. + +KONING EDWARD. Is Clarence dood? herroepen werd de last. 86 + +GLOSTER. Doch de arme stierf door uwen eersten last; +En dien bracht een gevleugelde Mercurius; +Een trage kreup’le bracht den tegenlast +En kwam te laat, om voor zijn graf te zorgen. +God geev’, dat menigeen, min trouw en edel, +Door ’t bloed niet, maar door lust naar bloed u nader, +Niet erger lot verdien’ dan de arme Clarence, +Al loopt hij thans nog van verdenking vrij! + +(Stanley komt op.) + +STANLEY. Mijn vorst, een gunst, als dank voor mijne diensten! + +KONING EDWARD. O, ’k bid u, zwijg; vol kommer is mijn ziel. + +STANLEY. Ik rijs niet op, aleer mijn vorst mij hoort. + +KONING EDWARD. Zoo zeg in ’t kort, wat uw verlangen is. + +STANLEY. ’t Verbeurde leven van mijn dienaar, heer; +Hij sloeg vandaag een woesten jonker dood, +Voormaals een edelknaap van hertog Norfolk. + +KONING EDWARD. Heb ik een tong, die mijnen broeder doodt, +En moet die tong een knecht het leven schenken? +Mijn broeder deed geen doodslag; in gedachte +Bestond zijn schuld; toch leed hij bitt’ren dood. +Wie bad voor hem? wie knielde voor mijn toorn +En smeekte, dat ik wikken zou en wegen? +Wie sprak van broederzin? wie sprak van liefde? +Wie wees er op, hoe de arme de’ afval waagde +Van grooten Warwick, om voor mij te strijden? +Wie wees er op, dat hij bij Tewksbury, +Toen Oxford mij reeds onder had, mij redde, +En riep: „Leef, dierb’re broeder, wees gij koning!” +Wie wees er op, hoe, toen wij, saam op ’t veld +Gelegerd, schier bevroren, hij mij hulde +In zijne kleed’ren, en ontkleed, ja naakt, +Zich bloot gaf aan de bitterkoude nacht? +Dit alles reet een zondig, dierlijk wrokken +Mij uit de ziel, en niemand uwer was +Zoo christ’lijk, dat hij ’t mij te binnenbracht. +Doch als uw voerliên of uw dienstvazallen +Een dronken moord begaan en ’t kost’lijk beeld +Des lieven Heilands schenden, daad’lijk ligt +Gij op de knieën om genâ, genade! +En ik moet, schoon het onrecht zij, die schenken. +Doch voor mijn broeder wilde niemand spreken. +En ik, ook ik, was hard, sprak hem niet voor, +Hem, de arme ziel!—Elk uwer, ook de fierste, +Had veel aan hem te danken bij zijn leven; +Doch geen, geen uwer pleitte ooit voor zijn leven;— +O God! ik vrees, uw oordeel zal ’t verhalen +Op mij, op u, op de uwen, op de mijnen! 132 +Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek. +Ach, arme Clarence! + + (Allen af, behalve Gloster, Buckingham en Stanley.) + +GLOSTER. Ziedaar de vrucht van woeste haast!—Gij zaagt wel +Hoe, wis door schuld, der koningin verwanten +Verbleekten bij ’t bericht, dat Clarence stierf? +O, daag’lijks hitsen zij den koning op! +God zal het wreken. Komt, mylords, wie volgt mij, +Om door ons bijzijn Edward troost te bieden? + +BUCKINGHAM. Wij staan ten dienste, uw hoogheid. + + (Allen af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Londen. Een ander vertrek in het paleis. + +De hertogin van York komt op, met een Zoon en een Dochter van den +hertog van Clarence. + +ZOON. Grootmoeder, zeg, is onze vader dood? + +HERTOGIN. Neen, kind. + +DOCHTER. Wat weent gij dan zoo vaak en slaat uw borst, +En roept:—„O Clarence, mijn rampzaal’ge zoon!” + +ZOON. En waarom ziet ge ons aan en schudt het hoofd, +En noemt ons arme bloeden en verstoot’nen +En weezen, zoo onze eed’le vader leeft? + +HERTOGIN. Dit is verkeerd begrepen, lieve kind’ren; +Ik ween om ’s konings ziekte, ik ben beangst +Voor zijn verlies, niet om uws vaders dood. +Verloren klacht waar’ smart om een verloor’ne! + +ZOON. Gij denkt dan toch, grootmoeder, dat hij dood is? +Mijn oom, de koning, is er schuldig aan; +En God zal ’t wreken! Hem wil ik bestormen +Met bede op bede, en alle tot dit doel. + +DOCHTER. Dit wil ik ook. + +HERTOGIN. Stil, kind’ren, stil! de koning heeft u lief; +Onnooz’le schaapjes, neen, gij kunt niet gissen, +Wie de oorzaak van uws vaders sterven is. + +ZOON. Toch wel; mijn goede oom Gloster zeide mij: +De koning, door de koningin gedreven, +Verzon een aanklacht om hem in te kerk’ren; +En toen hij ’t mij vertelde, weende oom Gloster, +Beklaagde mij en kuste teêr mijn wang; +’k Moest hem vertrouwen, sprak hij, als mijn vader; +’k Zou hem zoo lief zijn als zijn eigen kind. + +HERTOGIN. Ach, dat bedrog zoo zachte trekken steelt, +En diepe boosheid dekt met deugdzaam mom! +Hij is mijn zoon, ja, en mijn schande er door, +Maar zoog aan mijne borst die arglist niet. + +ZOON. Grootmoeder, denkt gij, dat mijn oom zou huich’len? + +HERTOGIN. Ja, kind. 32 + +ZOON. Ik kan ’t niet denken. Hoor, welk een gedruisch! + +(Koningin Elizabeth komt op, geheel ontdaan, gevolgd door Rivers en +Dorset.) + +KONINGIN ELIZABETH. Ach, wie wil ’t keeren, dat ik ween en jammer, +Mijn noodlot boos noem en mijzelve kwel? +Ik wil, met zware wanhoop in verbond, +Een vijand worden van mijn eigen ziel. + +HERTOGIN. Wat wil hier dit tooneel van felle woestheid? + +KONINGIN ELIZABETH. Ach, een bedrijf zijn van een schokkend treurspel;— +Edward, mijn gade, uw zoon, de koning, stierf!— +Wat groeien takken, als de stam verging? +Wat dort het loof niet, dat zijn sappen derft? +Wilt gij nog leven? weeklaag!—sterven, haast u, +Opdat de snelbewiekte ziel hem inhaal’, +Of als gehoorzaam onderdaan hem volg’ +Naar ’t rijk der eeuw’ge nacht, zijn nieuw gebied! + +HERTOGIN. Ach, zooveel deel heb ik in uwen rouw, +Als ik op uwen eed’len gade recht had. +Ik heb eens dierb’ren gaden dood beweend, +En leefde in de’ aanblik van zijn evenbeelden; +Nu zijn twee spiegels van zijn vorst’lijk aanschijn +Vergruisd tot scherven door den boozen dood, +En rest slechts één, één valsch glas mij tot troost, +Waarin ik steeds mijn eigen schande ontwaar. +Weeuw zijt gij, ja, maar moeder zijt gij nog; +U is de troost gebleven van uw kind’ren; +Mij reet de dood mijn echtgenoot uit de armen, +En nu twee krukken uit de zwakke handen, +Clarence en Edward. O, wat grond heb ik,— +Want uw leed is een deel slechts van het mijn;— +Om uw gekrijt door mijne klacht te smoren! + +ZOON. Moei, onzen vader hebt gij niet beschreid; +Hoe kunnen wij u thans met tranen helpen? + +DOCHTER. Bleef onze weezenkommer onbeklaagd, +Zoo blijve uw weduwsmart ook onbeweend! + +KONINGIN ELIZABETH. O, ik behoef uw hulp niet bij mijn jamm’ren; +’k Ben niet onvruchtbaar, neen, ga groot van klachten. +Mijn’ oogen vlieten alle bronnen toe; +Als door de maan, die vloeden wekt, beheerscht, +Kon ik heel de aard in tranen doen verdrinken! +O mijn gemaal, mijn heer, mijn dierbare Edward! + +DE KINDEREN. O onze vader, dierb’re vader Clarence! + +HERTOGIN. O gij, mijn beide zoons, Edward en Clarence! + +KONINGIN ELIZABETH. Wie was mijn steun dan Edward? en hij stierf! + +DE KINDEREN. Wie onze steun dan Clarence? en hij stierf. 75 + +HERTOGIN. Wie was mijn steun dan zij? en beiden stierven. + +KONINGIN ELIZABETH. Nooit leed een weduw zulk een zwaar verlies! + +DE KINDEREN. Nooit leden weezen zulk een zwaar verlies! + +HERTOGIN. Nooit leed een moeder zulk een zwaar verlies! +Wee mij, ik ben de moeder dezer smarten; +Hun leed is stukwerk, mijn leed is ’t geheel. +Zij weent om eenen Edward, en ik ook; +Ik ween om eenen Clarence, en zij niet; +Die kleinen om hun Clarence, en ik ook; +En ik om eenen Edward, en zij niet;— +Gij drieën, stort op mij, driewerf verslaag’ne, +Uw tranen uit; ik, voedster van uw leed, +Zal ’t rijk’lijk laven met mijn weegeklag. + +DORSET. Kalm, lieve moeder! God wordt zeer verstoord, +Neemt gij met ondank aan, wat hij beschikt. +Ondankbaar heet het steeds in ’s werelds doen +Met tragen onwil gelden weer te geven, +Met milde hand welwillend ons geleend; +Veel meer dan, zoo te twisten met den hemel, +Wijl die zijn vorst’lijk leengoed weder eischt. + +RIVERS. Denk, eed’le vrouw, nu, als een trouwe moeder, +Aan uwen jongen prins; zend fluks om hem; +Hij zij gekroond; in hem leeft thans uw troost +Berg ’t naamloos wee in ’s dooden Edwards graf, +En plant uw heil bij ’s jongen Edwards troon. + +(Gloster, Buckingham, Stanley, Hastings, Ratcliff en Anderen komen op.) + +GLOSTER. Wees, zuster, kalm; wij allen hebben grond +Om ’t dooven onzer flonkerster te klagen; +Doch niemand heelt zijn smart door weegeklag.— +Mijn eed’le moeder, ’k vraag u om vergiff’nis; +Ik zag uw hoogheid niet.—Deemoedig smeek ik +U knielend om uw zegen. + +HERTOGIN. God zegene u en make uw hart zachtmoedig, +Gehoorzaam, liefd’rijk, christ’lijk, waar en trouw! + +GLOSTER. Amen;—(Ter zijde.) en late als goed oud man mij sterven! +Want dit is ’t eind steeds van een moederzegen; +Dat haar genade dit vergat, bevreemdt mij. + +BUCKINGHAM. Bedroefde vorsten, diepgebogen pairs, +Die allen dezen zwaren rouwlast draagt, +Beurt met elkanders liefde elkander op; +Zij de oogst van dezen koning nu verteerd, +Thans moge de oogst van zijnen zoon ons rijpen. +De tweespalt uwer hooggezwollen harten, +Zoo kortlings eerst gezet, gespalkt, verbonden, +Vereischt een teed’re zorg, verpleging, hoede. +Mij dunkt het goed, dat fluks een klein gevolg +Den jongen prins van Ludlow halen ga, +Opdat hij hier als koning zij gekroond. 122 + +RIVERS. Waarom een klein gevolg, mylord van Buckingham? + +BUCKINGHAM. Opdat, mylord, niet door een grooten stoet +De pas geheelde wond des haats zich oop’ne; +Wat des te meer gevaarlijk wezen zou, +Daar alles groen is en nog leiding mist. +Als ieder ros den teugel in zijn macht heeft, +En zelf zijn weg naar welgevallen kiest, +Dan worde, dunkt mij, ook de vrees voor onheil, +En niet het onheil zelf alleen, verhoed. + +GLOSTER. Verzoend heeft ons de koning, hoop ik, allen; +Vast en onschendbaar is ’t verdrag voor mij. + +RIVERS. En ook voor mij, en voor ons allen, denk ik; +Doch, wijl het jong is, stelle men het niet +Aan ’t moog’lijk dreigen van een breuke bloot, +Die door een grooten stoet licht kon ontstaan. +Daarom zeg ik met de’ eed’len Buckingham: +Klein zij ’t geleide van den prins hierheen. + +HASTINGS. Dit zeg ik ook. + +GLOSTER. Zoo zij het dan; en laat ons nu bepalen, +Wie onverwijld naar Ludlow zullen gaan. +Komt, bid ik, eed’le moeder, en gij, zuster, +En meldt, wat hieromtrent uw meening is. + + (Allen af, behalve Buckingham en Gloster.) + +BUCKINGHAM. Mylord, wie naar den prins ook reizen moog’, +Bij God, laat niet ons tweeën achterblijven; +’k Vind, als begin van ’t afgesproken plan, +Wel midd’len onderweg om ’t trotsch geslacht +Der koningin te scheiden van den prins. + +GLOSTER. Mijn ander ik, mijn raadsvergadering, +Mijn godspraak, mijn profeet!—Mijn waarde neef, +’k Vertrouw mij, als een kind, aan uwe leiding. +Naar Ludlow dus, wij blijven niet te huis. + + (Beiden af.) + + + + + +DERDE TOONEEL. + +Aldaar. Een straat. + +Twee Burgers ontmoeten elkander. + +EERSTE BURGER. Zoo, buurman, goeden dag; waarheen zoo haastig? + +TWEEDE BURGER. Ja, dit, geloof mij, weet ik nauwlijks zelf. +En weet gij ’t nieuws? + +EERSTE BURGER. Ja, dat de koning dood is. + +TWEEDE BURGER. Slecht nieuws, ja; zelden baart de toekomst rozen. +Ik vrees, ik vrees, er komt een tijd van storm. + +(Een ander Burger komt op.) + +DERDE BURGER. Gods zegen, buren! + +EERSTE BURGER. ’k Wensch u goeden morgen. + +DERDE BURGER. Is ’t waar, de goede koning Edward dood? + +TWEEDE BURGER. Ja, ja, maar al te waar; sta God ons bij! + +DERDE BURGER. Dan, mannen, kunt ge een tijd van storm verwachten. + +EERSTE BURGER. Neen, neen; als God wil, wordt zijn zoon nu koning. +10 + +DERDE BURGER. Wee, wee den lande, door een kind bestuurd! + +TWEEDE BURGER. Neen toch, bij hem valt op bestuur te hopen; +Zoolang hij klein is, denkt de raad voor hem, +En in zijn rijp’re jaren heerscht hijzelf; +Geloof mij, voor en na wordt goed bestuurd. + +EERSTE BURGER. ’t Stond evenzoo, toen negen maanden oud, +De zesde Hendrik te Parijs gekroond werd. + +DERDE BURGER. ’t Stond evenzoo? Neen, vrienden, neen, God weet het; +Toen mocht het land zich op een schat verheffen +Van welberaden staatsmanskunst; toen had +De koning deugdrijke ooms tot steun en hoede. + +EERSTE BURGER. Deze ook, van vaders- en van moederszijde. + +DERDE BURGER. Veel beter stond het, als zij allen waren +Van vaderszijde, of geen van vaderszijde; +Want nu treedt ijverzucht, wie ’t naast hem zijn zal, +Ons allen al te na, zoo God niet helpt. +O, vol gevaren is de hertog Gloster, +Der koningin verwanten driest en trotsch; +Ja, wilden zij beheerscht zijn en niet heerschen, +Dan had dit kranke land wellicht weer rust. + +EERSTE BURGER. Kom, kom, te zwaar getild! het zal wel gaan. + +DERDE BURGER. Betrekt de lucht, dan slaan we een mantel om; +Verliest het woud zijn loof, dan komt de winter; +Wien meldt het ondergaan der zon geen nacht? +Na hagelslag en storm wacht elk een duurte. +’t Kan goed gaan; maar, als God het zoo beschikt, +Is ’t meer, dan ik verwacht, of wij verdienen. + +TWEEDE BURGER. ’t Is waar, een ieders hart is vol van vrees; +Met wien ge ook spreekt, gij vondt bijna geen mensch, +Die niet bezorgd er uitziet en vol angst. + +DERDE BURGER. Zoo is het altijd, voor verand’ring komt; +Door hoog’ren aandrang ducht des menschen geest +Gevaar, dat naakt; zoo zien wij immers ook +De waat’ren zwellen voor een wilden storm. +Doch Gode zij ’t vertrouwd! Waar gaat gij heen? + +TWEEDE BURGER. Wij werden voor de rechtbank opgeroepen. + +DERDE BURGER. Ik eveneens; zoo laat ons samen gaan. + + (Allen af.) + + + + + +VIERDE TOONEEL. + +Aldaar. Een vertrek in het paleis. + +De aartsbisschop van York, de jonge hertog van York, koningin Elizabeth +en de hertogin van York komen op. + +AARTSBISSCHOP. Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford, +En in Northampton rusten zij van nacht, +Zij zijn dus morgen hier of overmorgen. + +HERTOGIN. ’k Verlang van ganscher hart den prins te zien, +Ik hoop hem sterk gegroeid, sinds ik hem zag. + +KONINGIN ELIZABETH. Men zegt van neen; ’k hoor, dat mijn zoon van York +Hem in zijn groei bijkans heeft ingehaald. + +YORK. Ja, moeder; maar ik had dit liever niet. + +HERTOGIN. Waarom, mijn jongen? ’t Is toch goed te groeien. + +YORK. Grootmoeder, bij het avondmaal vertelde +Oom Rivers eens, dat ik veel sneller groeide, +Dan Edward doet. „Ja,” zeide oom Gloster toen, +„Een klein gewas is eêl, onkruid groeit veel.” +En sedert wenschte ik minder sterken groei; +Eêl kruid komt laat, en onkruid snel in bloei. + +HERTOGIN. Voorwaar, voorwaar, dit zeggen ging bij hem, +Die u dit voor de voeten wierp, niet door; +Hij was als kind een nietig onderblijfsel, +Zoo laat en traag in ’t groeien, dat hij, was +Zijn regel waar, een edel kruid zou zijn. + +AARTSBISSCHOP. En zonder twijfel is hij ’t, eed’le vrouwe. + +HERTOGIN. Ik hoop het, maar een moeder moge twijf’len. + +YORK. Doch hoor eens, ware ’t mij toen ingevallen, +Ik had mijn eed’len oom een zet gegeven, +Wat groeien aangaat, erger dan hij mij. + +HERTOGIN. Hoe dan, mijn kleine York? vertel het eens. + +YORK. Wel dit: men zegt, oom Gloster groeide zoo, +Dat hij, twee uur pas oud, aan korstjes knaagde; +Twee jaar was ik, aleer ik tanden kreeg. +Grootmoeder, zou die zet niet raak geweest zijn? + +HERTOGIN. Maar, beste York, wie heeft u dit verteld? + +YORK. Zijn min, grootmoeder. + +HERTOGIN. Zijn min! die was lang dood bij uw geboorte. 33 + +YORK. Als zij ’t niet deed, dan weet ik niet meer wie. + +KONINGIN ELIZABETH. Een sluwe knaap! Loop heen, gij praat te vrij. + +AARTSBISSCHOP. Doorluchte vrouw, wees op het kind niet boos. + +KONINGIN ELIZABETH. Ook kleine kruikjes hebben ooren. + +(Een Bode komt op.) + +AARTSBISSCHOP. Daar komt een bode.—Wat voor nieuws? + +BODE. Nieuws, heer, waarvan het brengen mij bedroeft. + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe vaart de prins? + +BODE. Gezond en wel, uw hoogheid. + +HERTOGIN. Wat brengt gij dan voor nieuws? + +BODE. Lord Rivers en lord Grey, zij zijn naar Pomfret, +En ook sir Thomas Vaughan, als gevang’nen. + +HERTOGIN. En wie nam hen gevangen? + +BODE. Hertog Gloster, +Met hertog Buckingham. + +AARTSBISSCHOP. Om welk vergrijp? + +BODE. Ik heb gemeld al wat ik melden kan. +Waarom, waarvoor die eed’len zijn gevat, +Is mij volkomen onbekend, mylord. + +KONINGIN ELIZABETH. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. +Nu heeft de tijger ’t slanke ree gepakt, +En dra vergrijpt verwaten tyrannie +Zich aan de’ onnooz’len, eerbiedloozen troon. +Welkom, verdelging, bloedvergieten, slachting! +Ik zie, als op een kaart, het eindmerk reeds! + +HERTOGIN. Gevloekte en onrustvolle tweedrachtsdagen, +Hoe velen uwer heeft mijn oog aanschouwd! +Mijn gade viel bij ’t streven naar de kroon; +En op en neder ging het met mijn zoons, +Zoodat ik juichte en weende om zege en neêrlaag; +En nu zij veilig zeet’len, nu de storm +Van twist voorbij is, voeren zij, die wonnen, +Krijg met elkander, broeder tegen broeder. +Bloed tegen bloed, zelf met zichzelf.—O waanzin, +O dolheid, laat van ’t helsche wrokken af; +Of doe mij sterven, niets op aard meer zien! + +KONINGIN ELIZABETH. Kom, kom, mijn knaap, ras naar de heil’ge +vrijplaats!— +Vaar, eed’le vrouwe, wel. + +HERTOGIN. Wacht, ik wil mede. + +KONINGIN ELIZABETH. ’t Is u niet noodig. + +AARTSBISSCHOP (tot de Koningin.) Eed’le vrouwe, ga; +En berg er ook uw schatten en uw goed’ren. +Voor mij, ik geef het mij vertrouwde zegel +Uw hoogheid af; en moge ’t zoo mij gaan, +Als ik voor u en voor al de uwen zorg! +Ga, ik geleid u zelf naar ’t heiligdom. + + (Allen af.) + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Londen. Een straat. + +Trompetgeschal. De Prins van Wales, Gloster, Buckingham, Bourchier en +Anderen komen op. + +BUCKINGHAM. Wees welkom, Prins, in Londen, in uw kamer! + +GLOSTER. Welkom, mijn lieve neef, mijns harten koning! +De lange weg heeft droevig u gestemd. + +PRINS. Neen, oom; maar wat mij op mijn weg weervoer, +Heeft dien mij lang, bedroevend, zwaar gemaakt; +Ik wenschte meerdere ooms hier tot ontvangst. + +GLOSTER. De schuld’looze eenvoud uwer jaren, prins, +Dook in der wereld arglist nog niet neer +En niets kunt gij nog aan een man erkennen +Dan wat hij toont en schijnt; en dit, God weet het, +Strookt nooit of zelden met des menschen hart. +Die ooms, die gij u hier wenscht, zijn gevaarlijk; +Gij gaaft slechts op hun suikerwoorden acht, +Doch hadt geen oog voor hunner harten gif. +Voor zulke valsche vrienden hoede u God! + +PRINS. Voor valsche vrienden, ja; maar zij zijn ’t niet. 16 + +GLOSTER. Daar komt de mayor van Londen u begroeten. + +(De Lord-Mayor komt op, met Gevolg.) + +LORD-MAYOR. God schenke uw Hoogheid heil en blijde dagen! + +PRINS. Ik dank u, waarde lord, ik dank u allen. + +(De Lord-Mayor en Gevolg treden terug.) + +’k Had van mijn moeder en mijn broeder York +Reeds eerder op mijn weg een groet verwacht; +Foei, welk een slak is Hastings, dat hij ons +Niet meldt, of zij in aantocht zijn of niet! + +(Hastings komt op.) + +BUCKINGHAM. Daar komt de lord juist aan, in ’t zweet zijns aanschijns. + +PRINS. Welkom, mylord! Spreek! zal mijn moeder komen? + +HASTINGS. Om welke reed’nen, dit weet God, niet ik, +maar met uw broeder York week uwe moeder +Ter heil’ge vrijplaats heen; recht gaarne had +De jonge prins met mij u hier begroet, +Doch met geweld hield hem zijn moeder ginds. + +BUCKINGHAM. Foei, hoe verkeerd en valsch van haar gedaan!— 31 +Lord kardinaal, kan uw genade niet +De koningin bewegen, hertog York +Terstond te zenden naar den prins, zijn broeder? +En weigert zij, ga mee, lord Hastings, scheur +Hem uit haar achterdochtige armen weg. + +KARDINAAL. Mylord, indien mijn zwakke redekunst +Den hertog van zijn moeder kan verwerven, +Zoo wacht hem daad’lijk hier. Maar blijft zij doof +Voor zachte beden, dan verhoede God, +Dat wij het godd’lijk recht der heil’ge vrijplaats +Geweld aandoen! Voor heel dit rijk wilde ik +Niet aan zoo groote zonde schuldig zijn. + +BUCKINGHAM. Gij klemt, Mylord, u te kleingeestig vast +Aan vormen, aan wat de oudheid heilig noemde; +En ’t is geen heiligschennis hem te grijpen. +De weldaad van een vrijplaats wordt verleend +Aan wie er door zijn hand’len recht op heeft, +En wijs genoeg is, haar voor zich te vord’ren. +De prins begeert haar niet en heeft geen aanspraak, +En moet daarom, dunkt mij, haar niet erlangen; +En dus, wie hem, die daar niet is, er weghaalt, +Die schendt geen enkel recht of voorrecht daar. +Ja, ’k hoorde vaak van mannen in een vrijplaats, +Van kind’ren in een vrijplaats, nooit voor nu! + +KARDINAAL. Mylord, voor ditmaal geef ik mij gewonnen.— +Kom dus, lord Hastings, wilt gij met mij gaan? + +HASTINGS. ’k Ben tot uw dienst, mylord. + +PRINS. Mijn beste lords, maakt haast, zooveel gij kunt. + + (De Kardinaal en Hastings af.) + +Zeg nu, oom Gloster, als mijn broeder komt, +Waar zullen wij dan huizen tot de kroning? + +GLOSTER. Waar uwe koninklijke hoogheid zelf verkiest. +Maar mag ik u eens raden, neem dan eerst +Een dag of twee uw rust hier in den Tower, +En kies daarna ’t verblijf, dat u het best +Tot uw gezondheid en vermaken dient. + +PRINS. Geen plaats staat meer mij tegen dan de Tower.— +(Tot Buckingham.) Heeft Julius Cæsar hem gebouwd, mylord? 69 + +BUCKINGHAM. Hij heeft, genadig heer, het slot gesticht, +Maar later tijden hebben ’t sinds herbouwd. + +PRINS. Is ’t overleev’ring slechts, van mond tot mond, +Of staat het opgeteekend, dat hij ’t bouwde? + +BUCKINGHAM. ’t Is opgeteekend, wis, genadig heer. + +PRINS. Maar neem eens aan, het ware niet geboekt, +De waarheid, dunkt mij, moest onsterflijk leven, +Als ’t ware naverteld aan ’t verste nakroost, +Zelfs tot den dag, die heel de wereld endt. + +GLOSTER (ter zijde). Zoo jong in ’t denken stout, wordt nimmer oud. + +PRINS. Wat zegt gij, oom? + +GLOSTER. ’k Zeg, roem wordt, ongeboekt, toch immer oud. +(Ter zijde). Ik spreek, als Boosheid in mysterie-spelen, +Één woord gebruikend, tweederlei moraal. + +PRINS. Die Julius Cæsar was een eenig man, +Want wat zijn moed voor zijnen geest verwierf, +Dat schreef zijn geest, zoodat zijn moed bleef leven. +Dood kan op dien veroov’raar niets veroov’ren; +Steeds voort leeft hij in roem, na ’s levens eind.— +Neef Buckingham, wil ik u eens iets zeggen? + +BUCKINGHAM. Wat dan, genadig heer? + +PRINS. Wanneer ik leven blijf, tot ik een man ben, +Dan win ik ons oud recht in Frankrijk weer, +Of sterf als held, gelijk ik leefde als vorst. + +GLOSTER (ter zijde). Vroeg wordt na vroege lent de groei geschorst. + +(Hastings en de Kardinaal komen weder op, met York.) + +BUCKINGHAM. Daar komt te goeder uur de Hertog York. + +PRINS. Richard van York? hoe vaart onze eed’le broeder? + +YORK. Goed, mijn gebieder! zoo toch heet gij thans. + +PRINS. Ja, broeder, mij, gelijk ook u, tot smart; +Te vroeg stierf hij, die recht had op dien titel, +Waaraan zijn dood veel majesteit ontnam. + +GLOSTER. Hoe gaat het onzen eed’len neef van York? + +YORK. Ik dank u, vriend’lijke oom. O! zie, mylord, +Gij hebt gezegd, dat onkruid welig wast; +De prins, mijn broeder, wies mij boven ’t hoofd. + +GLOSTER. ’t Is zoo, mylord. + +YORK. Telt gij hem nu voor onkruid? + +GLOSTER. O, beste neef, zoo iets mag ik niet zeggen. 106 + +YORK. Dan is hij meer in tel bij u dan ik. + +GLOSTER. Hij heeft mij te gebieden als mijn vorst, +Maar gij hebt recht en macht op mij als neef. + +YORK. Ik bid u, oom, geef mij dien dolk. + +GLOSTER. Dien dolk, mijn kleine neef? van ganscher harte. + +PRINS. Gij beed’laar, broeder? + +YORK. Ja, bij mijn lieven oom, die gaarne geeft, +En om een speeltuig, waar men licht van scheidt. + +GLOSTER. Ik zoude u gaarne een grooter gave schenken. + +YORK. Een grooter gaaf? dat zoude uw zwaard dan zijn. + +GLOSTER. Ja, neeflief, maar dat ware veel te zwaar. + +YORK. O, dus is ’t lichte waar slechts, die gij schenkt? +Bij iets gewichtigs zegt gij: „beedlaar, neen!” + +GLOSTER. ’t Is u te zwaar, gij kunt het nog niet dragen. + +YORK. Al ware ’t zwaarder, wichtig vond ik ’t niet. + +GLOSTER. Dus gij verlangt mijn zwaard, mijn kleine prins? + +YORK. Ja, en mijn dank zij zoo, als gij mij noemt. + +GLOSTER. Hoe dan? + +YORK. Slechts klein. + +PRINS. Mijn broeder York is altijd boud in ’t praten.— +Gij weet het met geduld te dragen, oom. + +YORK. Niet het te dragen, mij te dragen, meent gij;— +Mijn broeder, oom, bespot èn u èn mij; +Hij denkt, omdat ik klein ben als een aapje, +Dat gij mij op uw schouders dragen moest. + +BUCKINGHAM. Hoe rijk aan scherp vernuft is wat hij zegt! +Om ’t spotten met zijn oom wat te verzachten, +Steekt hij behendig met zichzelf den draak. +Zoo slim en nog zoo jong, is wonderbaar! + +GLOSTER. Mylord, behaagt het u, thans voort te gaan? +Ik en mijn goede neef van Buckingham +Gaan naar uw moeder om haar te overreden, +Dat ze in den Tower u opzoeke en begroet’. + +YORK. Wat! naar den Tower? verkiest gij dit, mylord? + +PRINS. Mylord Protector dringt er zeer op aan. + +YORK. Ik zal niet rustig slapen in den Tower. + +GLOSTER. Waarom, wat zoudt gij duchten? + +YORK. Nu, den verstoorden geest mijns ooms, van Clarence; +Grootmoeder zegt, dat hij er werd vermoord. + +PRINS. Ik heb geen vrees voor ooms, die dood zijn. + +GLOSTER. En ook voor geen, die leven, hoop ik. + +PRINS. ’k Heb, zoo zij leven, niets te vreezen, hoop ik. +Maar kom, mylord, en met bezwaard gemoed, +Aan hen steeds denkend, ga ik naar den Tower. + +(Trompetgeschal. De prins, York, Hastings, de Kardinaal, en Gevolg +verwijderen zich, daarna de Lord-Mayor met Gevolg.) + +BUCKINGHAM. Denkt gij, mylord, niet, dat die York, die snapper, +Werd opgestookt door zijn geslepen moeder, +Om u zoo stout te tarten en te hoonen? + +GLOSTER. Ja wis, gewis. O, ’t is een slimme gast, +Vroegwijs, gevat, vernuftig, vlug en stout, +Geheel zijn moeder, ja, van top tot teen. + +BUCKINGHAM. Nu, laat hen.—Catesby, kom gij hier; gij zwoert +Een duren eed: te doen wat wij ontwerpen +En streng te zwijgen, wat we u toevertrouwen. +We ontvouwden onderweg u onze gronden;— +Wat dunkt u, zou het een’ge moeite baren, +William lord Hastings voor ons plan te winnen, +Dat dezen eed’len hertog op den troon +Van ons roemruchtig eiland plaatsen wil? + +CATESBY. Hij heeft den prins om ’s vaders wil zoo lief, +Dat hij tot niets de hand leent tegen hem. + +BUCKINGHAM. Wat denkt gij dan van Stanley? zou hij willen? + +CATESBY. Hij zal in alles zooals Hastings doen. + +BUCKINGHAM. Nu dan, genoeg hiervan. Ga, beste Catesby, +En pols, als ware ’t in ’t verschiet, lord Hastings, +Hoe hij omtrent ons plan gezind zou zijn; +En noodig hem op morgen naar den Tower +Ter raadsvergaad’ring voor de zaak der kroning. +Bespeurt gij, dat hij naar ons luist’ren wil, +Zoo wek hem op en zeg hem onze gronden, +Maar is hij koud, als ijs, en traag, als lood, +Wees gij ’t dan ook en houd uw woorden in, +En deel ons mede, hoe zijn stemming is. +Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad, +Waarbij uw dienst van hoog belang zal zijn. + +GLOSTER. Groet ook van mij lord William; zeg hem, Catesby, +Dat morgen ’t rot van zijn gezworen haters +Een aderlating wacht in ’t slot van Pomfret; +En zeg mijn vriend, dat hij om deze tijding +Uit vreugd vrouw Shore een kusjen extra geev’. + +BUCKINGHAM. Ga, Catesby, ga; volbreng dit met beleid. + +CATESBY. Ja, zoo behoedzaam, waarde lords, als moog’lijk. 187 + +GLOSTER. Wij hooren nog voor slapenstijd van u? + +CATESBY. Gewis, mylord. + +GLOSTER. In Crosbyhof zult gij ons beiden vinden. + + (Catesby af.) + +BUCKINGHAM. En wat, mylord, wat doen wij, als we ontwaren, +Dat Hastings niet in onze plannen treedt? + +GLOSTER. Den kop hem af,—wij zullen overleggen;— +En hoor, ben ik eens koning, vorder dan +Het graafschap Hereford met de tilb’re have, +Eens ’t eigendom des konings, mijnen broeder. + +BUCKINGHAM. Ik zal me op uwer hoogheid woord beroepen. + +GLOSTER. Dat ik, geloof mij, vriend’lijk houden zal. +Kom, tijdig nu aan ’t avondmaal, om dan +Aan onze ontwerpen een’gen vorm te geven. + + (Beiden af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Voor lord Hastings’ huis. + +Een Bode komt op en klopt aan de deur. + +BODE. Mylord! mylord! + +HASTINGS (binnen). Wie daar? + +BODE. Een bode van lord Stanley. + +HASTINGS (binnen). Hoe laat is ’t al? + +BODE. Op slag van vieren heer. + +(Hastings komt op.) + +HASTINGS. Uw meester slaapt deez’ trage nachten niet? + +BODE. Dit schijnt wel zoo, naar wat ik heb te zeggen. +Vooreerst zendt hij uw edelheid zijn groet. + +HASTINGS. En verder? + +BODE. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had, +Dat de ever hem den helm had afgestooten; +Ook, zegt hij, wordt een dubb’le raad gehouden; +En licht wordt in den eenen iets beslist, +Wat u en hem in de’ and’ren grieven kan. +Dies vraagt hij, wat uw edelheid besluit,— +Of gij terstond met hem te paard wilt stijgen, +En naar het noorden jagen zonder rust, +Om zoo ’t gevaar, dat hij bevroedt te ontgaan. + +HASTINGS. Ga, knaap, en keer tot uwen heer terug; +Zeg hem, dat hij dien dubb’len raad niet duchte; +Zijn edelheid en ik zijn bij den eenen, +En bij den and’ren Catesby, mijn vertrouw’ling, +Waar niets geschieden kan wat ons betreft, +Of ik ontvang terstond bericht er van. +Ja, zeg, zijn vrees is ijdel, zonder grond; +En droomt hij,—wel, ik dacht hem te verstandig, +Om ’t guichelspel van slechten slaap te tellen; +Voor de’ ever vluchten, eer ons de ever aanvalt, +Dit waar’, den ever tot vervolging prikk’len, +Tot jagen, als hijzelf er niet aan denkt. +Ga, vraag uw heer na ’t opstaan hier te komen; +Dan gaan wij samen rustig naar den Tower, +Waar hij zal zien, hoe vriend’lijk de ever is. + +BODE. Ik zal mylord, hem melden wat gij zegt. + + (Bode af.) + +(Catesby komt op.) + +CATESBY. Veel morgengroeten aan mijn eed’len lord! 35 + +HASTINGS. Goên morgen, Catesby; gij zijt vroeg er bij. +Wat nieuws, wat nieuws in onze’ onzeek’ren staat? + +CATESBY. ’t Is waar, mylord, het is een dwarrelwereld; +Zij komt, geloof ik, niet tot vasten stand, +Eer Richard met den krans van ’t rijk gesierd is. + +HASTINGS. Gesierd is met den krans! meent gij de kroon? + +CATESBY. Ja, beste lord. + +HASTINGS (op zijn hoofd wijzend). Men moog’ die kroon mij van de +schouders slaan, +Eer ik de kroon arglistig zie ontvreemd. +Kunt gij vermoeden, dat hij er naar streeft! + +CATESBY. Zoo waar ik leef, hij doet het; en hij hoopt, +Dat gij met kracht hem die zult helpen winnen; +En daarom zendt hij u het heuch’lijk nieuws, +Dat die uw haters waren, de verwanten +Der koningin, vandaag in Pomfret sterven. + +HASTINGS. Voorwaar, dit nieuws perst mij geen tranen af; +Zij waren altijddoor mijn tegenstanders; +Maar dat ik ooit mijn stem aan Richard geef, +En de echte spruiten van mijn meester uitsluit, +God weet, dit doe ik niet, al waar’ ’t mijn dood. + +CATESBY. God sterke uw lordschap in dit vroom besluit! + +HASTINGS. Maar wis, een jaar en langer zal ik lachen, +Nu ik ’t beleef, van ’t rot, dat bij mijn meester +In haat mij bracht, het treurspel aan te zien. +Nu, Catesby, eer ik veertien dagen meer tel, +Ruim ik nog enk’len op, die ’t nu niet denken. + +CATESBY. ’t Is iets verschriklijks, edel heer, te sterven, +Geheel onvoorbereid en onverwacht. + +HASTINGS. O gruw’lijk, gruw’lijk! en zoo is nu ’t lot +Van Rivers, Vaughan, Grey;—en zoo zal ’t gaan +Met meerd’ren, die zich even veilig reek’nen +Als gij en ik, die den doorluchten Richard +En Buckingham, gij weet het, dierbaar zijn. + +CATESBY. Gij zijt bij beide vorsten hoog gezien; +(Ter zijde.) Zij zien zijn hoofd, als ’t waar’, reeds op de slotpoort. + +HASTINGS. Ik weet het, en ik heb ’t aan hen verdiend. + +(Stanley komt op.) + +Wel zoo, wel zoo, waar is uw zwijnsspriet, man? +Gij, die den ever ducht, gij wapenloos? 75 + +STANLEY. Mylord, goên morgen,—goeden morgen, Catesby.— +Nu, spot maar toe, maar, bij het heilig kruis, +Ik houd van dien gesplitsten raad niet, ik. + +HASTINGS. Mylord, mijn hoofd is mij zoo lief als u, +En nooit, in heel mijn leven, dit verklaar ik, +Heb ik het zoo op prijs gesteld als nu. +Denkt gij, dat, als ik mij niet veilig achtte, +Ik zoo zou triumfeeren als ik doe? + +STANLEY. De lords in Pomfret reden opgeruimd +Uit Londen weg en waanden zich recht veilig, +En hadden inderdaad geen grond tot argwaan; +En toch, hoe snel was niet de dag bewolkt! +De snelle dolkstoot van dien wrok verschrikt mij; +Geev’ God, dat ik mij nood’loos lafaard toon’!— +Nu, wilt gij naar den Tower? Het wordt hoog tijd. + +HASTINGS. Kom, kom, gerust!—Weet gij ’t, mylord? De lords, +Waarvan gij spreekt, verliezen heden ’t hoofd. + +STANLEY. Als trouw besliste, stond het hoofd hun vaster, +Dan menigeen, die hen verklaagt, de hoed. +Maar kom nu, laat ons gaan. + +(Een Herautsdienaar komt op.) + +HASTINGS. Ga voor; ’k heb dezen vriend nog iets te zeggen. + + (Stanley en Catesby af.) + +Wel man, hoe gaat het u? + +HERAUTSDIENAAR. Zoo veel te beter, +Nu ’t uwe lordschap zoo genadig vraagt. + +HASTINGS. Ik zeg u, man, mij vrij wat beter dan +Toen gij de laatste maal mij hier ontmoet hebt; +Toen ging ik als gevang’ne naar den Tower, +Wijl de aanhang van de koningin dit dreef; +Maar nu, zeg ik u, gaan,—doch houdt dit voor u!— +Vandaag, die mij vervolgden, zelf ter dood, +En ik heb meer gezag dan ooit voordezen. + +HERAUTSDIENAAR. Dat God dit, naar uw wensch, bij u bestendig! + +HASTINGS. Dank, knaap.—Daar, neem, en drink dit op mijn heil. + +(Hij werpt hem zijn beurs toe.) + +HERAUTSDIENAAR. Ik dank uw edelheid. + + (Herautsdienaar af.) + +(Een Priester komt op.) + +PRIESTER. Gij daar, mylord? ’t Verheugt mij u te zien. + +HASTINGS. Heer John, ik dank u en van ganscher harte. +’k Ben voor den laatsten kerkdienst in uw schuld; +Kom de’ eersten sabbat, en ik maak het goed. + +(Buckingham komt op.) + +BUCKINGHAM. Lord kamerheer, wat, in gesprek met priesters! 114 +De priester koom’ uw vrienden ginds in Pomfret +Te stade; uw lordschap heeft nog niet te biechten. + +HASTINGS. Voorwaar, toen ik dien heil’gen man hier zag, +Toen stonden zij, van wie gij spreekt, mij voor. +Zeg, gaat gij naar den Tower? + +BUCKINGHAM. Ja zeker, maar ik kan niet lang er blijven, +En ga er vóór uw edelheid vandaan. + +HASTINGS. Licht moog’lijk, want ik blijf er middagmalen. + +BUCKINGHAM (ter zijde). En avondeten ook, al denkt gij ’t niet.— +Kom gaat gij mee? + +HASTINGS. Ten dienste van uw lordschap. + + (Allen af.) + + + + + +DERDE TOONEEL. + +Pomfret. Voor het slot. + +Ratcliff komt op met een Wacht, die Rivers, Grey en Vaughan ter +terechtstelling geleidt. + +RIVERS. Sir Richard Ratcliff, laat mij dit u zeggen;— +Op heden zult ge een onderdaan zien sterven +Voor eer en trouw en kreukloos plichtbetoon. + +GREY. Bescherme God den prins voor uw gebroedsel! +Gij zijt een vloekgespuis, dat dorst naar bloed. + +VAUGHAN. Gij leeft, doch zult hier eenmaal wee om roepen! + +RATCLIFF. Voort, voort! de tijd uws levens is voorbij. + +RIVERS. O Pomfret, Pomfret! bloedig kerkerkot, +Voor eed’le pairs noodlottig, onheilspellend! +In ’t zondvol perk van uwe wallen werd +Richard de tweede hier ter dood gehouwen; +En thans, uw gruwelplek tot nieuwen smaad, +Ontvangt gij ons onschuldig bloed te drinken. + +GREY. Nu valt Marg’retha’s vloek ons op het hoofd, +Die kreet, voor Hastings, u en mij geslaakt, +Bijstanders bij den moord haars zoons door Richard! + +RIVERS. Toen trof haar vloek ook Buckingham, ook Richard, +Trof Hastings ook.—O God, wees dit indachtig, +Hoor haar gebed voor hen, als nu voor ons! +Doch voor mijn zuster en haar koningstelgen +Zij U, mijn God, ons eerlijk bloed genoeg, +Gij weet het, onrechtvaardig hier geplengd! + +RATCLIFF. Maakt spoed, uw sterfuur is alreeds voleind. + +RIVERS. Kom Grey, kom, Vaughan, hier elkaar omarmd,— +Vaartwel, hierboven zien we elkander weer! + + (Allen af.) + + + + + +VIERDE TOONEEL. + +Londen. Een zaal in den Tower. + +Buckingham, Stanley, Hastings, de Bisschop van Ely, Ratcliff, Lovel en +Anderen, aan een tafel gezeten; Dienaren van den raad op den +achtergrond. + +HASTINGS. Nu, eed’le pairs, wat ons hier samenriep, +Is ’t reeg’len van de kroning; in Gods naam, +Spreek, wanneer is die koninklijke dag? + +BUCKINGHAM. Is alles voor het hooge feest gereed? + +STANLEY. Alleen ’t bepalen van den dag blijft over. + +ELY. Dan acht ik morgen wel een goede dag. + +BUCKINGHAM. Wie meldt ons, wat de Lord Protector wenscht? +Wie is van de’ eedlen hertog de vertrouwde? + +ELY. Dit zal waarschijnlijk uw genade zijn. + +BUCKINGHAM. Wij kennen van gelaat elkaar; —maar ’t hart,— +Hij kent het mijn’ niet beter dan ik ’t uwe, +En ik zoo min het zijne als gij het mijne. +Lord Hastings, gij en hij zijt zeer bevriend. + +HASTINGS. Ja, dank den vorst, ik ben zijn vriend, dit weet ik; +Doch wat zijn plan betreft omtrent de kroning, +Heb ik hem niet gepolst, noch heeft hijzelf +Mij meegedeeld, wat zijn believen is. +Maar wilt gij, eed’le lords, den dag bepalen, +Dan zal ik stemmen in des hertogs naam, +Wat hij mij, denk ik, wel ten goede houdt. + +(Gloster komt op.) + +ELY. Daar komt, te rechter tijd, de hertog zelf. + +GLOSTER. Mijn waarde lords en neven, goeden morgen! +Ik heb recht lang geslapen; doch ik hoop, +Niets van belang bleef door mijn afzijn rusten, +Wat door mijn hierzijn voortgang hadd’ gehad. + +BUCKINGHAM. Waart ge op uw wachtwoord niet gekomen, prins, +Dan had lord Hastings uwe rol gesproken, +Uw stem doen hooren, wat de kroning aangaat. + +GLOSTER. Wie stout moog’ zijn, lord Hastings meer dan allen; +Zijn lordschap kent mij goed en heeft mij lief. +Mylord van Ely, ik heb laatst in Holbron +Aardbeien, prachtige, in uw tuin gezien, +Ik bid u, laat mij eens een proefje komen. + +ELY. Volgaarne, heer; ’t is mij een waar genoegen. + + (De Bisschop af.) + +GLOSTER. Mijn neef van Buckingham, een woord met u. 37 + +(Hij neemt Buckingham ter zijde.) + +Catesby heeft Hastings over ’t plan gepolst, +En vindt dat stugge heerschap zoo vol vuur, +Dat hij zijn hoofd verliezen wil, eer ’t kind +Zijns meesters, zooals hij eerbiedig spreekt, +’t Bezit van Eng’lands troon verliezen zal. + +BUCKINGHAM. Ga even uit de zaal, heer; ik kom na. + + (Gloster af, gevolgd door Buckingham.) + +STANLEY. Wij hebben ’t hooge feest nog niet bepaald. +Op morgen is wat al te spoedig, dunkt mij; +Want ik ben zelf nog zoo niet toegerust, +Als ik zou zijn, wanneer ’t verschoven werd. + +(De Bisschop van Ely komt terug.) + +ELY. Waar is mylord, de hertog Gloster? +Ik zond om ’t aardbeiproefjen iemand heen. + +HASTINGS. De hertog ziet van morgen opgeruimd; +Een streelend denkbeeld zweeft hem voor den geest, +Als hij zoo vroolijk goeden morgen wenscht. +Ik acht, dat niemand in de christenheid +Zijn liefde en haat zoo slecht verbergt als hij; +Wat hij op ’t hart heeft, leest ge op zijn gelaat. + +STANLEY. Wat leest gij van zijn hart dan op ’t gelaat +Door ’t een of ander teeken, dat hij toonde? + +HASTINGS. Wel, dat hij tegen niemand hier iets heeft; +Zijn trekken hadden anders ’t wis verraden. + +(Gloster en Buckingham komen terug.) + +GLOSTER. Ik bid u allen, zegt, wat zij verdienen, +Die mij naar ’t leven staan door duivelsplannen +Van vloek’bre hekserij, en reeds mijn lijf +Door helsche tooverkunst aan ’t kwijnen brachten? + +HASTINGS. Mijn vuur’ge liefde tot u dringt mij, heer, +Dat ik vóór allen in deez’ eed’len kring, +Wie schuldig zijn, veroordeel; wie ze ook zijn, +Den dood, heer, zeg ik, hebben zij verdiend. + +GLOSTER. Ziet dan met eigen oogen ’t schendig stuk. +Aanschouw, hoe ik behekst ben; ziet, mijn arm +Is als een loot, die wegkwijnt, ingeschrompeld; +’t Is ’t werk van Edwards vrouw, die booze heks, +Verbonden met die veile snol, vrouw Shore; +Die merkten door haar hekserij mij zoo. + +HASTINGS. Als zij door zulk een doen, mijn eed’le vorst,— + +GLOSTER. „Als!” gij beschermer van die vloekb’re snol, +Spreekt gij van „Als?”—Gij zijt een aartsverrader;— +Het hoofd hem af!—ja, bij Sint Paul, ik zweer, +Ik roer geen spijs aan, vóór ik dit aanschouw.— +Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede;— +En wie mij liefheeft, sta nu op en volg’ mij. + + (Gloster en Buckingham, met den Staatsraad af; alleen Hastings, Lovel + en Ratcliff blijven.) + +HASTINGS. Wee, wee, om Eng’land! geenszins, neen, om mij! 82 +Want ik, verdwaasde, had dit kunnen keeren. +Wat Stanley droomde van des evers stoot, +Heb ik bespot en ’k heb de vlucht versmaad. +Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld, +En ’t ging aan ’t steig’ren bij het zien des Towers, +Als schuwde ’t, mij te dragen naar het slachthuis. +Nu is de priester, dien ik sprak, mij noodig; +En nu berouwt mij, dat ik dien heraut, +Te triumfeerend, zeide, dat mijn haters +In Pomfret heden bloedig sterven moesten, +En ik mij veilig voelde in gunst en eer. +O Margaretha, Margaretha! zwaar +Treft thans uw vloek des armen Hastings’ hoofd. + +RATCLIFF. Kom aan, maak voort; de hertog wil aan tafel, +Biecht dus wat kort, hij wacht reeds op uw hoofd. + +HASTINGS. O vluchtig gunstbetoon van stervelingen, +Meer dan de gunst van God door ons bejaagd! +Wie hoop bouwt op den adem van uw glimlach, +Leeft als een dronken zeeman op een ra, +Dien ied’re schomm’ling neer te sling’ren dreigt +In de opgesperde kaken van het diep. + +LOVEL. Kom, kom, maak voort; geen jamm’ren helpt u hier. + +HASTINGS. O Richard, man des bloeds!—Rampzalig Eng’land! +De jammervolste tijden spel ik u, +Die deze gruwelwereld ooit aanschouwde. +Komt, mij naar ’t blok, en hem mijn hoofd gebracht; +Wie spot, zie toe! hij volgt mij, eer hij ’t wacht. + + (Allen af.) + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + +Binnen de muren van den Tower. + +Gloster en Buckingham komen op, in oude harnassen en zeer slordig +gewaad. + +GLOSTER. Komaan, neef, kunt gij sidd’ren en verbleeken, +Uw adem smoren midden in een woord, +En dan op nieuw gaan spreken, weer verstommen, +Als waart gij schier waanzinnig, dol van schrik? + +BUCKINGHAM. Gerust! den besten speler boots ik na, +Zie om bij ’t spreken, gluur naar elken kant, +Ik beef en staar, wanneer een stroohalm trilt, +En teeken diepen argwaan; holle blikken +Staan mij ten dienst en ook gedwongen lachjes, +En beide steeds gereed en op hun post, +Om aan mijn listen luister bij te zetten. +Maar Catesby is gegaan, niet waar? + +GLOSTER. Ja zeker; +En, zie, ook weer terug, en met den mayor. + +(De Lord-Mayor en Catesby komen op.) + +BUCKINGHAM. Lord-Mayor,— + +GLOSTER. Gij daar, let op de slotbrug! 15 + +BUCKINGHAM. Hoor, een trom! + +GLOSTER. Snel, Catesby, naar den muur, zie uit! + +BUCKINGHAM. Lord-Mayor, de reden, dat wij zonden,— + +GLOSTER. Zie om, verweer u, hoor, de vijand komt! + +BUCKINGHAM. God, en onze onschuld, zie het en verweer’ ons! + +(Lovel en Ratcliff komen op, met Hastings hoofd.) + +GLOSTER. Geen onraad! vrienden zijn ’t: Ratcliff en Lovel. + +LOVEL. Hier is het hoofd des snooden aartsverraders, +Van Hastings, vol gevaar, en nooit verdacht. + +GLOSTER. Zoo lief was mij de man, dat ik moet weenen. +Ik hield hem voor ’t eenvoudigst goedig schepsel, +Dat adem had op aarde als christenmensch; +’k Had hem tot boek gekozen, waar mijn ziel +’t Geheimste, dat zij dacht, in nederschreef; +Zoo glad vernis van deugd gaf hij zijn ondeugd, +Dat, zijn bekende zonde niet gerekend,— +Zijn omgang, meen ik, met de vrouw van Shore,— +Hij ied’re smet van de’ argwaan bleef ontgaan. + +BUCKINGHAM. En toch, hij was de gluip’rigste verrader, +Die ooit geleefd heeft. +(Tot den Lord-Mayor.) Spreek, hadt gij ’t kunnen denken of gelooven,— +Als wij niet door bijzond’re redding leefden +En ’t u getuigden,—dat die aartsverrader +Beraamd had, heden in de raadzaal mij +En onzen goeden hertog te vermoorden? + +MAYOR. Wat, deed hij dit? + +GLOSTER. Wel, denkt gij, dat wij Turken zijn of heid’nen, +En, tegen alle rechtsvorm in, zoo ijlings +De doodstraf aan dien schurk voltrokken hadden, +Zoo niet de hachlijkheid van ’t oogenblik +En Eng’lands vrede en onze veiligheid +Ons had genoopt zoo snel te werk te gaan? + +MAYOR. Nu, heil zij u! hij heeft zijn dood verdiend; +En beiden deedt gij wel, mylords, verraders +Van dergelijke plannen af te schrikken. + +BUCKINGHAM. Ik had niets beters meer van hem verwacht, +Sinds hij zich eens verslingerde op vrouw Shore. + +GLOSTER. Doch ’t was ons plan niet, dat hij sterven zou, +Eer gij, mylord, getuige er van kondt zijn, +Wat dezer vrienden welgemeende spoed, +Iets vuur’ger dan wij wenschten, heeft verhinderd. +Ik had gewild, heer, dat gij dien verrader +Hadt hooren spreken en van schrik en angst +Het plan en doel van zijn verraad belijden, +Opdat gij hiervan aan de burgerij 59 +Verslag kondt doen, die nu wellicht om hem +Ons zal miskennen en zijn dood betreuren. + +MAYOR. Maar, beste heer, uw woord volstaat geheel, +Als had ik hem gezien en hooren spreken, +En twijfelt niet, ik deel, doorluchte prinsen, +Den trouwen burgers mee, hoe gij hierin +Geheel naar de’ eisch van ’t recht gehandeld hebt. + +GLOSTER. Juist hierom wenschten wij uw lordschap hier, +Om elk verwijt te ontgaan der booze wereld. + +BUCKINGHAM. Doch kwaamt ge ook voor ons doel hier iets te laat, +Getuig toch, wat gij hoort, dat wij bedoelden. +En nu, Lord-Mayor, mijn waarde heer, vaarwel! + + (De Lord-Mayor af.) + +GLOSTER. Ga, volg, volg op den voet, neef Buckingham. +Naar Guildhall gaat de mayor in alle haast; +Toon daar, zooveel de tijd u gunstig schijnt, +De onechtheid aan van Edwards kroost; vertel hun, +Hoe Edward eens een burger hangen liet, +Die had gezegd, dat zijn zoon erfgenaam +Der kroon zou zijn; hij had zijn huis bedoeld, +Dat naar het gevelteeken zoo genoemd werd. +Dan, schilder hun zijn boozen, wulpschen lust, +Zijn dierlijk jagen naar gestâge wiss’ling, +Dienstmaagden, dochters, vrouwen hun belagend, +Wààr ook zijn vlammend oog, zijn roofziek hart, +In toomloos blaken zich een prooi verkoos. +Ja, tref desnoods in zoo ver ook mijzelf: +Zeg hun, dat, toen mijn moeder van dien woest’ling, +Van Edward, groot ging, de doorluchte York, +Mijn hooge vader, oorlog voerde in Frankrijk, +En door nauwkeur’ge tijdsbereek’ning vond, +Dat dit kind niet een spruit van hem kon zijn, +Wat ook door al zijn trekken zich verried, +Die geenszins naar mijn eed’len vader zweemden. +Doch roer dit met verschooning aan, van verre, +Omdat, zooals gij weet, mijn moeder leeft. + +BUCKINGHAM. Ducht niets, mylord, ik zal voor reed’naar spelen, +Als ware ’t gulden loon, waar ik voor pleit, +Voor mij bestemd. En nu, mylord, vaarwel. + +GLOSTER. En breng hen, zoo gij slaagt, naar Baynard’s slot; 98 +Daar treft gij mij in goed, eerwaard gezelschap: +Bisschoppen, wijs, geleerd, en vrome vaders. + +BUCKINGHAM. Ik ga; en tegen drie, misschien vier uur, +Verneemt gij ’t nieuws, dat Guildhall u verschaft. + + (Buckingham af.) + +GLOSTER. Ga, Lovel, spoed u ras naar doctor Shaw,— +En gij (Tot Catesby.) naar broeder Penker;—beiden wensch ik +In Baynard’s slot te spreken, binnen ’t uur. + + (Lovel, Catesby en Ratcliff af.) + +In de eerste plaats geef ik nu heim’lijk last, +’t Gebroed van Clarence uit het oog te voeren, +En streng bevel, dat niemand, wie ook, ooit +Wordt toegelaten tot de beide prinsen. + + (Gloster af.) + + + + + +ZESDE TOONEEL. + +Een straat in Londen. + +Een Kanselarijschrijver komt op. + +KANSELARIJSCHRIJVER. Hier heb ik de aanklacht van den goeden Hastings, +In ’t net geschreven met een staande hand, +Dat elk ze heden in Sint Paul kan lezen. +En zie, hoe alles fraai te zamen hangt: +Elf uren kostte mij het overschrijven, +Want Catesby zond het stuk mij gist’renavond; +Het stellen duurde wis geen kort’ren tijd; +En toch, vijf uur geleden leefde Hastings, +Nog onbeschuldigd, onverhoord, vrank, vrij. +Een schoone wereld thans!—Wie is zoo stomp, +Dat hij ’t bedrog, zoo tastbaar, niet doorziet, +En wie zoo stout te zeggen, wat hij ziet? +Boos is de wereld; alles gaat te grond, +Sluit vrees bij zulk een boosheid elk den mond. + + (Schrijver af.) + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + +Londen. Het binnenhof van Baynard’s slot. + +Gloster komt van de eene zijde op, Buckingham van de andere. + +GLOSTER. Hoe is ’t, hoe is ’t, wat zegt de burgerij? + +BUCKINGHAM. Nu, bij de heil’ge moeder onzes Heeren, +De burgerij is stom, zij zegt geen woord. + +GLOSTER. En spraakt gij van de onechtheid van de prinsen? + +BUCKINGHAM. Ja, en van ’t echtverdrag met lady Lucy, +En zijn verloving in Parijs bij volmacht, +En van zijn booze lusten, nooit verzaad, +Het dwingen tot zijn wil van burgervrouwen, +Zijn woeden om een niets, van zijn onechtheid, +Daar hij verwekt moet zijn, terwijl zijn vader +In Frankrijk was, alsook van zijn gelaat, +Dat geen gelijk’nis met den hertog toonde; +En toen maakte ik gewag van uwe trekken, +En schetste u als uws vaders evenbeeld +Door vorm zoowel als adel van gemoed, +En sprak van al uw Schotsche zegepralen, +Uw krijgsbeleid, uw wijsheid in den vrede, +Uw goedheid, deugd en vrome need’righeid; +Niets inderdaad, wat tot uw doel kon leiden, +Werd niet vermeld, of vluchtig slechts genoemd; +En ’k riep, toen ik aan ’t eind was mijner rede, +Een elk, die Eng’land liefhad, op, te juichen: +„God zegen’ Richard, Eng’lands heer en koning.” + +GLOSTER. En deden zij ’t? 23 + +BUCKINGHAM. Neen, help’ mij God! zij spraken zelfs geen woord; +Als stomme beelden, ademende steenen, +Zoo staarden zij, doodsbleek, elkander aan. +Dit ziende, gispte ik hen en vroeg den mayor, +Wat dit halsstarrig zwijgen moest beteek’nen. +Die zeide, ’t volk was niet gewoon, dat iemand +Hen toesprak, dan de man, wiens ambt het was. +Die moest nu, wat ik had gezegd, herhalen: +„Zoo zegt de hertog, zoo beweert de hertog,” +Maar sprak geen enkel woord om ’t zelf te staven. +Hij zweeg; toen wierpen enk’len mijner lieden, +Aan ’t eind der zaal, de muts omhoog; en tien, +Twaalf stemmen riepen: „Leve koning Richard!” +Fluks deed ik met die wein’gen nu mijn voordeel +En sprak: „Dank, lieve vrienden, wakk’re burgers; +Die algemeene en blijde bijvalskreet +Toont, dat gij wijs zijt en u Richard lief is.” +En snel brak ik toen af en ging van daar. + +GLOSTER. Wat stomme blokken! wilden zij niet spreken? + +BUCKINGHAM. ’k Verzeker u, geen woord, mylord. + +GLOSTER. En wil de mayor niet komen met de zijnen? + +BUCKINGHAM. De mayor is reeds nabij. Toon u bezorgd; +Wees niet te spreken dan op sterken aandrang; +En, hoor, neem een gebedenboek ter hand, +En neem aan elke zijde een geest’lijk heer, +Want op dien grond vertrouw ik, hen te stichten. +Geef ook aan hun verzoek niet snel gehoor, +Maar speel een meisjesrol: zeg „neen,” en grijp het. + +GLOSTER. Ik ga; doet gij voor hen uw woord zoo goed, +Als ik voor mij u antwoord geef met neen, +Dan kunnen we op een heuchlijk slagen reek’nen. + +BUCKINGHAM. Ga, ga, ’t balkon op! de lord-mayor klopt aan. + + (Gloster af). + +(De Lord-Mayor komt op, met Aldermans en andere Burgers.) + +Mylord, wees welkom; ja, ik schilder hier; +Licht moog’lijk is de hertog niet te spreken. + +(Catesby komt uit het slot.) + +Nu, Catesby, geeft de hertog mij gehoor? + +CATESBY. Hij vraagt, dat uw genade, waarde lord, +Op morgen hem bezoeke, of overmorgen. +Hij is in ’t slot met twee eerwaarde vaders +In geest’lijke overpeinzing gansch verdiept; +Hij wil niet, dat een wereldsch doel hem dringt, +Nu van die heilige oef’ning af te zien. 64 + +BUCKINGHAM. Vriend Catesby, ga nog eens tot de’ eed’len hertog; +Zeg hem, dat ik, de mayor en aldermans +Met ernstig doel, om zaken van gewicht, +Niets minder dan ons aller welzijn rakend, +Een onderhoud met zijn genade wenschen. + +CATESBY. Ik wil ’t hem daad’lijk melden, edel heer. + + (Catesby af.) + +BUCKINGHAM. Nu, deze prins, mylord, is niet een Edward, +Niet op een weeld’rig rustbed uitgestrekt, +Neen, neergeknield in heilige overpeinzing; +Niet met een paar boelinnen dartel schertsend, +Neen, peinzend met een paar geleerde priesters; +Niet slapend om het trage lijf te mesten, +Neen, biddend om zijn wakk’re ziel te sterken; +Gelukkig Eng’land, zoo de vrome vorst +Het koningschap des lands aanvaarden wilde! +Edoch, ik vrees, ons smeeken is vergeefsch. + +MAYOR. Verhoede God, dat zijn genade neen zegt! + +BUCKINGHAM. Ik vrees, dit doet hij. Daar is Catesby weer. + +(Catesby komt weder op.) + +Nu, Catesby, wat is ’t antwoord van zijn hoogheid? + +CATESBY. Hij staat verbaasd, waarom gij zulk een macht +Van burgers voor zijn slot verzameld hebt; +En daar dit niet vooraf hem werd gemeld, +Zoo ducht hij, dat gij weinig goeds bedoelt. + +BUCKINGHAM. Het doet mij leed, dat mijn doorluchte neef +Vermoedt, dat ik iets kwaads bedoelen kan. +Bij God, de reinste liefde voert ons hier! +Ga dus nog eens en zeg dit zijn genade. + + (Catesby af). + +Zijn vrome lieden aan hun rozenkrans, +Dan valt het zwaar, hen daarvan af te lokken; +Zoo zoet voor ’t hart is ijv’rig overpeinzen. + +(Gloster verschijnt boven, op een balkon, tusschen twee bisschoppen. +Catesby komt terug.) + +MAYOR. Zie, zijn genade met twee heil’ge mannen! + +BUCKINGHAM. Twee deugdpilaren voor een christenvorst, +Beletsels, dat hem ijdelheid ten val brengt! +En in zijn hand, zie, een gebedenboek, +Echt sieraad, om een vromen man te kennen. +Plantagenet, roemruchtig, waardig vorst, +Verleen een gunstig oor aan ons verzoek, +En duid het storen van uw vromen ijver +En christ’lijke overdenking ons niet euvel. + +GLOSTER. Geen verontschuldiging, mylord, is noodig; +Ik vraag u, dat gij ’t mij niet euvel duidt, +Dat ik, verzonken in den dienst mijns Gods, +Gedraald heb met de ontvangst van mijne vrienden. +Maar nu, wat is ’t, dat uw genade wenscht? + +BUCKINGHAM. Iets, wat aan God en alle braven, hoop ik, 109 +In dezen onbeheerden staat, behaagt. + +GLOSTER. Ik heb vermoeden, dat ik iets beging, +Wat in der burg’ren oogen onrecht is, +En dat gij mijn onachtzaamheid komt laken. + +BUCKINGHAM. Zoo is ’t, mylord; en mocht het u behagen, +Op onze beê ’t verzuim weer goed te maken! + +GLOSTER. Leef ik niet daarvoor in een christenland? + +BUCKINGHAM. Zoo weet dan, dit is uw verzuim: gij laat +Den hoogen stoel, den troon der majesteit, +De sceptervoering van uw voorgeslacht, +Uw rang door ’t lot, uw aanspraak door geboorte, +Den erfroem van uw koninklijken stam, +Aan de’ uitwas over van een valschen tak. +De zachtheid van uw domm’lige gedachten, +Die wij tot welzijn van het land hier wekken, +Berooft dit edel eiland van zijn leden; +Misvormd is zijn gelaat door schandemerken, +Zijn vorstenstam geënt met wilde rijzen, +Schier neergestort in de’ opgesperden afgrond +Der diepste en donkerste vergetelheid. +Om dit verderf te keeren, smeeken wij, +Dat uw genade zelf den last aanvaarde +En ’t koninklijk bewind in dit uw land, +Niet als protector, ruwaard, plaatsvervanger, +Als slaafsch bewerker van eens anders winst, +Neen, als ’t van lid tot lid aan u gekomen +Geboorterecht, uw eigen erf en rijk. +Dies kom ik, mij vereenend met de burgers, +Uw vrienden, die u eeren en beminnen, +En op hun vuur’gen drang, om uw genade +Voor ons en onze goede zaak te stemmen. + +GLOSTER. Ik weet niet, of stilzwijgend heen te gaan, +Of u met scherpe reed’nen te bestraffen, +Met mijnen rang en uwen staat best strookt; +Antwoord ik niet, misschien zoudt gij vermoeden, +Dat schuilende eerzucht, stom, bereid zich toont +Om ’t gulden juk van ’t koningschap te dragen, +Waar gij mij dwaaslijk mee beladen wilt; +En doe ik u verwijten voor uw bede, +Die uwe trouwe liefde zoo mij kruidt, +Dan stoot ik mijne vrienden voor het hoofd. +Ik spreek dus, en ontga zoo de eerste klip; +Maar wil bij ’t spreken ook de tweede ontwijken; +En daarom zij mijn stellig antwoord dit: +Uw liefde is wis mijn dank waard; doch mijn waarde, +Verdienst’loos is ze, en schuwt uw hoog verlangen. +Vooreerst, ware ied’re hindernis gekapt +En heel de weg mij naar de kroon geëffend,— +Als waar’ gerijpt, wat mijn geboort’ mij schonk,— +Dan blijft mijns geestes armoê toch zoo groot, +En wat me ontbreekt zoo machtig en zoo veel, +Dat ik veel liever wegschuil voor mijn grootheid,— +Een boot mij wetend, die geen zee kan bouwen,— +Dan dat ik in mijn grootheid schuilen wil +En stikken in den nevel van mijn glorie. 164 +Doch, Gode dank! gij hebt mij niet van noode; +En ’k ware in nood, hadt gij voor hulp mij noodig;— +De koningsboom liet koningsvrucht ons na, +Die, door den stillen gang des tijds gerijpt, +Der majesteit gestoelte eens sieren zal, +En wis door zijn bewind ons heil verzeek’ren. +Hem leg ik op, wat gij op mij wilt leggen, +Het recht en erfdeel van zijn goed gesternte; +En God verhoede, dat ik ’t hem ontrukk’! + +BUCKINGHAM. Mylord, dit toont een nauwgezet gemoed; +Doch uw bezwaren zijn gezocht en nietig, +Wanneer gij alles grondig overweegt, +Gij zeidet: Edward is uws broeders zoon; +Wij zeggen ’t ook,—maar niet van Edwards vrouw; +Want eerst was hij verloofd met lady Lucy,— +Uw moeder, die nog leeft, kan dit getuigen;— +En later werd hij ondertrouwd bij volmacht +Met Bona, zuster van den Franschen koning. +Die beiden schoof hij ras ter zij; er kwam +Een arme smeekelinge, een neergebogen, +Berooide moeder van verscheiden zoons; +En die bedrukte, half verlepte weduw, +Den middag van haar goeden tijd voorbij, +Verraste, boeide en won zijn dartel oog, +En bracht het hoogste streven van zijn geest +Tot diepen val en boozen dubbelecht. +Bij haar, in dat onwettig bed, verwekte +Hij Edward, uit beleefdheid prins genoemd. +Nog snijdender kon ik uw recht u toonen, +Doch uit ontzag voor enk’len, die nog leven, +Perk ik mijn tong verschoonend grenzen af. +Neem dus, mylord, thans voor uw vorstlijk hoofd +De waardigheid, die wij u bieden, aan, +Zoo niet om ons en heel het land te zeeg’nen. +Ten minste om de’ eed’len stam, waaruit gij sproot, +Die door ’t bedrog des tijds verbast’ren zou, +Zijn echten, rechten wasdom weer te geven. + +MAYOR. Stem toe, mylord; uw burgers bidden ’t u. + +BUCKINGHAM. Wijs, hooge vorst, niet af, wat liefde u biedt. + +CATESBY. Maak hen verheugd; verhoor hun wettig smeeken. + +GLOSTER. Ach, waarom dringt gij deze zorg mij op? +Ik deug niet voor vertoon en majesteit;— +Ik bid u, neemt het mij niet euvel af, +Ik kan en wil uw wenschen niet verhooren. + +BUCKINGHAM. Als gij niet wilt,—als uwe liefde huivert, 208 +Dat kind, uws broeders zoon, de kroon te ontnemen, +Gelijk uws harten zachtheid ons bekend is, +Uw teed’re, weeke, vrouw’lijk zachte denkwijs, +Die gij voor uw verwanten,—’t bleek ons,—voedt, +Ja eveneens, voorwaar, voor alle standen,— +Zoo weet: of ge onzen wensch verhoort of niet, +Uws broeders zoon heerscht nimmer hier als vorst; +Wij planten iemand anders op den troon, +Tot smaad en ondergang van heel uw huis; +Met dit besluit verlaten wij u thans. +Komt, burgers, komt; bij God, ik smeek niet meer! + +GLOSTER. O vloek toch niet, mylord van Buckingham! + +(Buckingham en de Lord-Mayor gaan heen, de Burgers volgen.) + +CATESBY. Roep hen terug, geliefde prins, verhoor hen; +Wijst gij hen af, geheel het land zal boeten. + +GLOSTER. Wat dwingt gij mij een wereld op van zorgen? +Roep hen terug; ik heb geen hart van steen, +Maar ben door vriendensmeeking te vermurwen, + +(Catesby houdt de reeds vertrekkende burgers terug en gaat heen.) + +Al zegg’ mijn ziel en mijn geweten neen.— + +(Buckingham, de Lord-Mayor en de overigen komen terug, met Catesby.) + +Mijn neef van Buckingham, en acht’bre mannen, +Wijl gij ’t geluk mij op de schouders gespt, +Om, of ik wil of niet, zijn last te dragen, +Moet ik me er onder buigen, met geduld; +Maar als nu zwarte laster, bitt’re smaad, +Ooit in ’t vervolg verschijnen van uw dwang, +Dan spreke uw noodzaak, die mij bukken deed, +Mij vrij van elke blaam en elke smet; +’t Is God bekend, en deels ziet gij het zelf, +Hoe ver van mij begeerte en eerzucht is. + +MAYOR. God loon ’t u, heer! wij zien ’t, en zullen ’t zeggen. + +GLOSTER. En als gij ’t zegt, is ’t waarheid, wat gij zegt. + +BUCKINGHAM. Zoo groet ik thans u met uw koningsnaam: +Lang leve Richard, Eng’lands waardig koning! + +ALLEN. Amen! + +BUCKINGHAM. Behaagt het u, dat morgen ’t kronen volge? + +GLOSTER. Als ’t u behaagt: gij zijt het, die het wilt. + +BUCKINGHAM. Op morgen dus verzellen wij uw hoogheid; +En nemen afscheid met blijmoedig hart. + +GLOSTER (tot de Bisschoppen.) Komt, gaan wij weder aan ons heilig +werk.— +Vaarwel, mijn neef;—vaartwel, mijn lieve vrienden! + + (Allen af). + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Voor den Tower. + +Van de eene zijde komen op: Koningin Elizabeth, de Hertogin van York en +de Markies van Dorset; van de andere zijde: Anna, hertogin van Gloster, +met Clarence’s kleine dochter Margaretha Plantagenet, aan de hand. + +HERTOGIN. Wie zie ik daar? Plantagenet, mijn kleinkind, +En door moei Gloster bij de hand geleid! +Zoo waar ik leef, recht hart’lijk gaat zij daar +De jonge prinsen in den Tower bezoeken.— +Welkom, mijn dochter! + +ANNA. God verleene u beiden +Een morgen, die geluk en vreugde u breng’! + +KONINGIN ELIZABETH. U, goede zuster, ook! Waar gaat gij heen? + +ANNA. Niet verder dan den Tower; en, naar ik gis, +Heeft uwe bedevaart hetzelfde doel: +Den lieven prinsen daar een groet te brengen. + +KONINGIN ELIZABETH. Dank, lieve zuster; allen gaan wij saam. 11 + +(Brakenbury komt op.) + +En juist van pas komt daar de commandant.— +Heer commandant, met uw verlof, ik bid u, +Hoe maakt de prins het en mijn kleine York? + +BRAKENBURY. Zeer goed, vorstin; maar, wil het mij vergeven. +Ik mag niet toestaan, dat gij hen bezoekt; +De koning heeft uitdrukk’lijk dit verboden. + +KONINGIN ELIZABETH. De koning! wie? + +BRAKENBURY. Ik meen den Lord Protector. + +KONINGIN ELIZABETH. Behoede God hem voor dien koningstitel! +Plaatst hij zich tusschen hunne liefde en mij? +Ik ben hun moeder; wie verspert hen mij? + +HERTOGIN. Ik ben huns vaders moeder; ’k wil hen zien. + +ANNA. En ik hun moei, in liefde hun een moeder; +Laat mij dus binnen; ’k neem uw schuld op mij; +Ik schors u,—en ’t gevaar voor mijne reek’ning. + +BRAKENBURY. Neen, eed’le vrouw, ik neem geen schorsing aan; +Ik deed een eed er voor; vergeef mij dus. + + (Brakenbury af.) + +(Stanley komt op.) + +STANLEY. Waar’ dit uur reeds verstreken, eed’le vrouwen, +Dan groette ik uw genâ van York als moeder +En leidsvrouw van twee schoone koninginnen.— +(Tot Anna.) Kom, eed’le vrouwe, haast u naar Westminster; +U wacht de kroon als Richards koningin. 33 + +KONINGIN ELIZABETH. O, snijd mijn keurslijf los; +Mijn hart, beklemd, wil ruimte voor zijn kloppen, +Of ik bezwijm bij zulk een moordend nieuws! + +ANNA. O booze tijding! O onwelkom nieuws! + +DORSET. O kalmte!—moeder, spreek, hoe gaat het u? + +KONINGIN ELIZABETH. O Dorset, spreek niet tot mij, spoed u heen; +Dood en verderf vervolgt u op de hiel; +Uw moeders naam is kind’ren tot een voorspook. +Wilt gij den dood ontgaan, vlucht over zee, +En ga tot Richmond, uit den greep der hel. +Ga, haast u, haast u, uit dit slachthuis voort, +Of gij vermeêrt het aantal hier der dooden, +En ’k sterf geboeid door Margaretha’s vloek: +„Geen moeder, vrouw, noch Eng’lands koningin!” + +STANLEY. Vol wijze zorg is deze uw raad, vorstin.— +(Tot Dorset.) Gebruik het vluchtig voordeel van elk uur; +Ik schrijf aan mijnen zoon om uwentwil, +Zoodat hij onderweg u tegenkomt: +Laat u niet vangen door onzinnig toeven. + +HERTOGIN. O onheilzaaiend stormweer van ellende!— +O mijn gevloekte schoot, gij bed des doods; +Der wereld hebt ge een basilisk gebroed, +Wiens onontwijkbare oogstraal moordend is! + +STANLEY. Kom nu, vorstin; men zond vol haast mij uit. + +ANNA. En ik zal gaan, het hart vol tegenzin.— +O, gave God mij, dat de koningswrong +Van goud, die mij het hoofd omspannen moet, +Roodgloeiend ijzer ware en ’t brein mij zengde! +De zalf zij dood’lijk gif, opdat ik sterv’, +Eer iemand roepe: „Leev’ de koningin!” + +KONINGIN ELIZABETH. Ga, arme ziel; uw glans benijd ik niet; +Wensch niet, tot troost voor mij, uzelve leed. + +ANNA. Waarom? geen leed?—Toen hij, mijn gade thans, +Op mij, die ’t lijk van Hendrik volgde, toetrad, +Toen ’t bloed nauw van zijn handen was gewischt, +Het bloed diens engels, van mijn and’ren gade, +En van den heil’ge, dien ik weenend volgde,— +O, toen ik op ’t gelaat van Richard staarde, +Was dit mijn wensch: „Wees gij vervloekt, die mij, +Zoo jong, tot zulk een oude weduw maakt! +En zoo gij huwt, omware leed uw bed, 74 +En zij uw vrouw,—is één ooit zoo verdwaasd, +Rampzaal’ger door uw leven, dan gij mij +Gemaakt hebt door den dood mijns dierb’ren gaden!” +En zie, eer ik den vloek herhalen kon, +In korter tijd nog, werd mijn vrouwehart +Plompweg gevangen door zijn honigwoorden, +Werd zelf het doelwit van mijn eigen vloek, +Die sinds mijn oogen alle rust ontroofde; +Want nooit, geen enkel uur, werd in zijn bed +De gulden dauw des zoeten slaaps mijn deel, +Of ik werd wakker door zijn bange droomen. +Daarbij, hij haat mij om mijn vader Warwick +En zal wis dra van mij ontslagen zijn. + +KONINGIN ELIZABETH. Vaarwel, arm hart, uw klagen treft mij diep. + +ANNA. Niet dieper, dan mijn ziel uw leed betreurt. + +DORSET. Vaarwel gij, die met smart uw glans begroet! + +ANNA. Vaar, arme, wel, die afscheid er van neemt! + +HERTOGIN (tot Dorset.) Ga gij naar Richmond, goed geluk geleide u!— +(Tot Anna.) Ga gij naar Richard, eng’lengoedheid hoede u! +(Tot Koningin Elizabeth.) Ga naar uw vrijplaats, goede troost vervulle +u! +Ik naar mijn graf, waar ik in vrede ruste; +’k Heb tachtig jaren leed en zorg gekend; +Elk uur van lust bracht weken van ellend! + +KONINGIN ELIZABETH. Toef nog, zie met mij om en groet den Tower.— +Heb deernis, oud gebouw, met die twee kind’ren, +Die boosheid in uwe muren heeft geprangd! +Gij, ruwe wieg voor zulke lieve knapen! +Rotsharde voedster, somb’re speelgenoot +Voor teed’re prinsen, zorg voor mijne kleenen! +Zoo smeekt mijn dwaze smart tot uwe steenen. + + (Allen af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Een staatsiezaal in het paleis. + +Trompetgeschal. Richard, gekroond, Buckingham, Catesby, een Page, en +Anderen komen op. + +KONING RICHARD. Gij allen, gaat ter zij.—Neef Buckingham,— + +BUCKINGHAM. Mijn heer en vorst! + +KONING RICHARD. Reik mij de hand. (Richard beklimt den troon.) Door +uwen raad, uw bijstand, +Is koning Richard nu zoo hoog gezeteld; +Maar zal nu deze glans ons slechts een dag, +Of zal hij ons door duurzaamheid verheugen? + +BUCKINGHAM. Hij leve steeds en blijve u immer bij. + +KONING RICHARD. O Buckingham, nu speel ik eens voor toetssteen, +En zie of gij van goud zijt, louter goud.— +Prins Edward leeft.—Raad, wat ik zeggen wil. + +BUCKINGHAM. Spreek verder, beste heer. + +KONING RICHARD. Nu, Buckingham, ik meen, ’k wil koning zijn. + +BUCKINGHAM. Dat zijt gij ook, mijn hooggeprezen heer. + +KONING RICHARD. Zoo, ben ik koning? Ja,—maar Edward leeft. 14 + +BUCKINGHAM. Ja, edel vorst. + +KONING RICHARD. O bitter boos vervolg, +Dat: „Jeugdige Edward leeft.”—„Ja, edel vorst.”— +Neef, vroeger waart gij zoo stompzinnig niet;— +Moet ik het zeggen?—’k Wensch de bastaards dood; +En ik zou willen, dat het ras gedaan wierd. +Wat zegt gij nu? Spreek daad’lijk, zeg het kort. + +BUCKINGHAM. Uw hoogheid kan zijn welgevallen doen. + +KONING RICHARD. Hoe is ’t? gij zijt één ijs; uw vuur is koud. +Spreek, heb ik uw belofte, dat zij sterven? + +BUCKINGHAM. Geef mij een oogwenk lucht en rust, mijn vorst, +Aleer ik mij verklaar in deze zaak; +Ik zal u spoedig mijn besluit doen kennen. + + (Buckingham af.) + +CATESBY (ter zijde). De vorst is boos; hij bijt zich op de lip. + +KONING RICHARD (komt van zijn troon af.) ’k Wil narren om mij heen met +ijz’ren brein, +En onbedachte knapen; niemand past mij, +Die met behoedzaam oog mijn hart doorvorscht. +Die Buckingham, die ’t hooge zoekt, wordt lastig. +Knaap! + +PAGE. Mijn vorst? + +KONING RICHARD. Weet gij niet iemand, wien verleid’lijk goud +Zou koopen voor een heim’lijk werk des doods? + +PAGE. Ik ken een ontevreden edelman, +Wiens armoê met zijn hoogmoed kwalijk strookt; +Geen twintig reed’naars roerden zoo zijn hart +Als goud, om hem tot alles te verlokken. + +KONING RICHARD. Hoe is zijn naam? + +PAGE. Zijn naam, mylord, is Tyrrel. + +KONING RICHARD. Ik weet van hem. Ga, knaap, en haal hem hier. + + (De Page af.) + +De sluwe, diepe peinzer Buckingham +Zal niet meer bij mijn raadslag naast mij staan; +Bleef hij zoo lang mij onvermoeid ter zijde, +En hijgt hij nu naar adem?—Nu, het zij!— + +(Stanley komt op.) + +Gij daar, lord Stanley? wat voor nieuws? 45 + +STANLEY. Mijn genadig vorst, +De markgraaf Dorset, hoor ik, is gevlucht, +Tot Richmond, in de streken waar hij toeft. + +KONING RICHARD. Catesby, een woord. (Stanley treedt terug.)—Strooi uit +bij ’t volk, dat Anna, +Mijn vrouw, gevaarlijk, zeer gevaarlijk, ziek is; +Ik zorg wel, dat zij buiten toegang blijft. +En spoor me een kalen jonker op, wien ik +Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven;— +De knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.— +Hoe is het droomt gij?—’k Zeg nog eens verbreid, +Dat Anna ziek is, en wel sterven zal; +Aan ’t werk! want ik moet zorgen, ied’re hoop, +Die door haar groei mij schaden kon, te rooien!— + + (Catesby af.) + +Mijns broeders dochter moet ik huwen, anders +Staat heel mijn koningschap op dun, broos glas.— +De zoons vermoorden, dan de dochter huwen? +Onzeek’re kans, ja; maar ik waadde in bloed +Zoo ver, dat zonde zonde baren moet. +Geen schreiend meêlij woont er in dit oog.— + +(De Page komt terug met Tyrrel.) + +Uw naam is Tyrrel? + +TYRREL. James Tyrrel, uw gehoorzaamste onderdaan. + +KONING RICHARD. Zijt gij dit waarlijk? + +TYRREL. Toets mij, groote vorst. + +KONING RICHARD. Sloegt gij wel een van mijne vrienden dood? + +TYRREL. Als ’t u behaagt; twee vijanden nog liever. + +KONING RICHARD. Dat hebt gij juist getroffen. ’k Heb er twee, +Aartsvijanden, die slaap en rust mij rooven, +Die ’k wenschte, dat gij onder handen naamt; +Tyrrel, ik meen de bastaards in den Tower. + +TYRREL. De toegang sta mij open, en weldra +Zijt gij van alle vrees voor hen bevrijd. + +KONING RICHARD. Dit klinkt mij als muziek. Kom nader, Tyrrel; +Ga, met dit teeken.—Sta nu op, en luister; + +(Hij fluistert.) + +Dat is ’t, niets meer;—bericht mij: ’t is gedaan, +En reken op mijn gunst en op bevord’ring. + +TYRREL. Ik ga terstond aan ’t werk. + + (Tyrrel af.) + +(Buckingham komt op.) + +BUCKINGHAM. Mylord, ik heb die zaak eens overwogen, +Die vraag, waar gij mij over hebt gepolst. + +KONING RICHARD. Nu, laat dat.—Dorset is gevlucht naar Richmond. + +BUCKINGHAM. Dit hoor ik ook, mylord. + +KONING RICHARD. Stanley, hij is uw stiefzoon, geef wel acht. +90 + +BUCKINGHAM. Mijn vorst, ik bid nu om het mij beloofde, +Waarvoor gij woord en eere hebt verpand, +Het graafschap Hereford en de tilb’re have, +Waarvan gij mij ’t bezit verzekerd hebt. + +KONING RICHARD. Let, Stanley, op uw vrouw; verzendt zij brieven +Aan Richmond, gij zijt er aanspraak’lijk voor. + +BUCKINGHAM. Wat zegt uw hoogheid op mijn billijk vragen? + +KONING RICHARD. Het staat mij voor,—Hendrik de Zesde heeft +Voorspeld, dat Richmond koning worden zou, +Toen Richmond nog een nietig knaapje was. +Koning!—wellicht— + +BUCKINGHAM. Mijn vorst,— + +KONING RICHARD. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, +Dat ik, die bij hem stond, hem dooden zou? + +BUCKINGHAM. Mijn vorst, het mij beloofde graafschap— + +KONING RICHARD. Richmond!—Ik was onlangs in Exeter; +Daar liet de burgemeester ’t slot mij zien, +En noemde ’t Rougemont; bij dien naam rilde ik, +Omdat een Iersche bard mij eens voorspelde, +Dat ik na ’t zien van Richmond veeg zou zijn. + +BUCKINGHAM. Mijn vorst,— + +KONING RICHARD. Nu ja, hoe laat is ’t? + +BUCKINGHAM. Ik waag het, uwe hoogheid te herinn’ren +Aan wat mij werd beloofd. + +KONING RICHARD. Nu goed; maar zeg, hoe laat? + +BUCKINGHAM. Op slag van tienen. + +KONING RICHARD. Goed, laat het slaan. + +BUCKINGHAM. Waarom dit: „Laat het slaan?” + +KONING RICHARD. Wijl tusschen mijn gedachten en uw beed’len +Uw slag steeds komt, als van een klokkeventje, +Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag. + +BUCKINGHAM. Zoo? Dan—verklaar mij, of gij wilt, of niet. + +KONING RICHARD. Gij hindert mij, ik heb geen milde bui. + + (Koning Richard en Gevolg af.) + +BUCKINGHAM. Zoo, staat het zoo? betaalt hij al mijn diensten +Met zulk een hoon? maakte ik hem daarvoor koning? +Ik spiegel mij aan Hastings; en ik snel, +Reeds veeg, naar Brecknock, eer de bijl mij vell’. + + (Buckingham af.) + + + + + +DERDE TOONEEL. + +Aldaar. + +Tyrrel komt op. + +TYRREL. Het bloedig stuk, de gruwel is gepleegd, +De zwartste daad van deerniswaarden moord, +Waar ooit dit land de schuld van op zich laadde. +Dighton en Forrest, die ik had gehuurd +Voor dit meedoogenlooze slachterswerk,— +Ofschoon aartsschurken, honden heet naar bloed, +Zij smolten weg in teederheid en meêlij, +Als kind’ren, bij ’t verhaal huns droeven doods. +„O, zoo,” sprak Dighton, „lag het lieve paar,” +„Zoo, zoo,” sprak Forrest, „beide’ elkaâr omstreng’lend +Met hunne schuldelooze albasten armen, +De lippen als vier rozen ééner plant, +Die in haar zomerpracht elkander kusten; +’t Gebedenboek lag bij hen, op hun peluw; +Wat,” zeide Forrest, „schier mijn ziel bekeerde, +Maar, o, de duivel!”—plots’ling zweeg de schurk, +En Dighton sprak toen verder:—„Wij versmoorden +Het liefste meesterwerk, dat ooit natuur +Sinds de’ eersten dag der schepping had gevormd.” +Voort ijlden beiden vol gewetenswroeging; +Zij konden niet meer spreken; ’k liet hen gaan, +Om zelf den moord’naar-koning ’t nieuws te melden. + +(Koning Richard komt op.) + +Daar komt hij.—Alle heil, mijn heer en koning! + +KONING RICHARD. Vriend Tyrrel, maakt uw tijding mij gelukkig? + +TYRREL. Wanneer ’t gedaan zijn van ’t gegeven werk +U, heer, gelukkig maakt, wees dan gelukkig; +Het is gedaan. + +KONING RICHARD. Gij zaagt toch zelf hen dood? + +TYRREL. Ja, heer. + +KONING RICHARD. En ook begraven, beste Tyrrel? + +TYRREL. De kapelaan des Towers heeft hen begraven, +En ’k weet, moet ik erkennen, zelf niet waar. + +KONING RICHARD. Kom tot mij, Tyrrel; spoedig, in de voornacht; +Dan moet gij mij vertellen, hoe zij stierven. +Bedenk ook, hoe ik u beloonen kan, +En wees weldra bezitter van uw wensch. +Vaarwel intusschen! + +TYRREL. Need’rig neem ik afscheid. + + (Tyrrel af.) + +KONING RICHARD. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid; +Zijn dochter uitgetrouwd in lagen stand; 37 +In Abrams schoot zijn Edwards zoons ter rust; +En Anna zeî der wereld goede nacht. +Nu, daar ik weet, dat de Bretagner, Richmond, +Mijn jonge nicht Elizabeth wil eig’nen, +En door dien echtknoop vlamoogt op de kroon, +Ga ik tot haar, als flink, begeerlijk vrijer. + +(Catesby komt op.) + +CATESBY. Mijn vorst,— + +KONING RICHARD. Goed nieuws of slecht, dat gij zoo binnenstormt? + +CATESBY. Slecht nieuws heer: Ely is gevlucht naar Richmond; +En Buckingham staat met de stoute knapen +Van Wales in ’t veld, en daag’lijks groeit zijn macht. + +KONING RICHARD. Ely bij Richmond wekt mij grooter zorg, +Dan Buckingham’s bijeengeraapte troep. +Kom! Dit heb ik geleerd, dat angstig wikken +De looden dienaar is van traag verzuim, +Verzuim slaktrage, macht’looze armoe brengt. +Daarom, wees gij mijn vleugel, vuur’ge spoed, +Wees mijn Mercuur, mijn bode, vol van gloed!— +Ga, monster volk; mijn schild zij kort beraad; +Staat oproer schrap, dan brenge kloekheid baat! + + (Beiden af.) + + + + + +VIERDE TOONEEL. + +Voor den Tower. + +Koningin Margaretha komt op. + +KONINGIN MARGARETHA. Zoo, nu toch wordt de voorspoed overrijp, +En valt ras in den rotten muil des doods. +Ik heb in deze streken sluw geloerd, +Het tanen mijner vijanden bespied. +Een gruw’lijk voorspel zie ik opgevoerd, +En wil naar Frankrijk, hopend, dat, wat volgt, +Niet minder bitter, zwart en tragisch blijk’! +Ter zijde, onzaal’ge Margareet; wie komt daar? + +(Zij gaat ter zijde.) + +(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York komen op.) + +KONINGIN ELIZABETH. Mijn arme prinsen! ach mijn teed’re knapen! +O onontloken bloemen, geur’ge knoppen! +Indien, door eeuw’ge kluisters niet bekneld, +Uw lieve zielen door het luchtruim waren, +Zoo zweeft nu op uw luchtwiek om mij heen, +En hoort de weeklacht uwer moeder aan! + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde.) Omzweeft haar, zeggend: „Recht om +recht”; dit bracht +Uw jongen daag’raad dood en eeuw’ge nacht. + +HERTOGIN. Zoo meen’ge ellende brak alreeds mijn stem, +Dat mijn van jammer moede tong verstomde;— +Edward Plantagenet, waartoe uw dood? 19 + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Plantagenet boet voor Plantagenet, +Edward voor Edwards dood naar recht en wet. + +KONINGIN ELIZABETH. Wijkt gij, o God, van zulke teed’re lamm’ren, +En werpt hen in de kaken van den wolf? +Riep zulk een moord ooit vrucht’loos tot uw troon? + +KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Toen Hendrik stierf en mijn geliefde +zoon. + +HERTOGIN. Dood leven, blind gezicht, gij schim, die leeft, +Weeschouwspel, smaad der aard, aan ’t graf door ’t leven +Onthouden, kort begrip van lange smart, +Uw onrust ruste op Eng’lands trouwen grond, +Trouwloos gedrenkt, verzaad van schuldloos bloed! + +(Zij zet zich neder.) + +KONINGIN ELIZABETH. O, wildet gij zoo ras me een graf verstrekken, +Als gij me een weemoedvollen zetel biedt, +’k Zou mijn gebeent’ hier bergen, niet doen rusten! +O, wie heeft grond tot treuren, buiten ons? + +(Zij zet zich nevens haar.) + +KONINGIN MARGARETHA (te voorschijn tredend). Zoo ’t oudste leed het +meest eerwaardig is, +Zoo gunt aan ’t mijne ’t recht van de’ ouderdom, +En aan mijn somb’re smart den eere zetel. + +(Zij zet zich tusschen haar.) + +Als leed gezelschap duldt, zoo tel op nieuw +Uw weeën door ’t aanschouwen van de mijne:— +Ik had een Edward, tot hem Richard doodde; +Ik had een Hendrik, tot hem Richard doodde; +Gij hadt een Edward, tot hem Richard doodde; +Gij hadt een Richard, tot hem Richard doodde. + +HERTOGIN. Ik had een Richard ook, tot gij hem dooddet; +Ik had een Rutland ook; gij hielpt hem dooden. + +KONINGIN MARGARETHA. Gij hadt een Clarence ook, dien Richard doodde. +Aan de spelonk van uwen schoot ontwrong zich +Een helhond, die ons allen jaagt, ten doode; +Dien hond, die eer dan oogen tanden had +Tot lamm’renmoord en ’t lepp’ren van hun bloed,— +Dien boozen schender van Gods handenwerk, +Der wereld stouten aartstyran, die troont +In oogen, stuk gewreven, dof van ’t weenen,— +Dien slaakte uw schoot, om ons naar ’t graf te drijven.— +O, alvergelder, o rechtvaardig God, +Hoe dank ik u, dat dit bloeddorstig ondier +Op ’t lijflijk kroost nu van zijn moeder aast, +Aan and’rer weeklacht hare klachten paart! + +HERTOGIN. O Hendriks gade, juich niet in mijn wee; +Getuige ’t God, ik heb geweend om ’t uwe. + +KONINGIN MARGARETHA. Vergeef het mij: mij hongert steeds naar wraak, +En nu verzaad ik mij door ze aan te zien. +Uw Edward stierf, die mijnen Edward doodde; +Uw andere Edward stierf, voor mijnen Edward; +De kleine York is toegift, wijl die twee +Mijns dooden hooge waarde niet bereikten. 66 +Uw Clarence stierf, die mijnen Edward doodde; +En zij, die dit dolzinnig werk aanschouwden, +De echtbreker Hastings, Rivers, Vaughan, Grey, +Zijn voor hun tijd versmoord in ’t donker graf. +Slechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond, +Gespaard, opdat hij haar als maak’laar zielen +Inkoop’ en toezend’, maar welras, welras, +Genaakt zijn eind, beklaag’lijk, onbeklaagd; +De aard gaapt, de hel vlamt op, de duiv’len brullen, +De heil’gen bidden: „Plots’ling vaar’ hij heen!” +Verscheur zijn levensbrief, o God! dit smeek ik, +Dat ik ’t beleve en zegg’: „De hond is dood!” + +KONINGIN ELIZABETH. Gij hebt voorspeld, ja, eenmaal wenschte ik nog +U naast mij, om mij die gezwollen giftspin, +Die booze bultpad mee te helpen vloeken. + +KONINGIN MARGARETHA. Ik noemde u ijd’len glans van mijne grootheid, +Een vorstenbeeltnis, een armzaalge schim, +Een flauwe spieg’ling van wat ik eens was, +Het lokkend voorspel van een schrikvertooning, +Een, hoog verheven voor een diepen val, +Een moeder, met twee schoone zoons bedot, +Een droom van wat gij waart, een bonte vlag, +Om ’t doel te zijn van ieder dreigend schot, +Een glanzend schild, een ademtocht, een zeepbel, +Strookoningin, slechts om ’t tooneel te vullen. +Waar is uw gade thans? waar zijn uw broeders? +Waar uw twee zonen? waar thans uw geluk? +Wie smeekt en knielt en zegt: „Heil, koningin”? +Waar zijn uw vleiers, die gebogen pairs? +Waar is die dichte stoet, die u omgaf? +Houd dit u voor, en vraag: Wat ben ìk nu? +Voor fiere gade,—diepgebogen weduw; +Voor blijde moeder,—jamm’rend om dien naam; +Voor toegesmeekte,—zelve need’rig smeekend; +Voor koningin,—met ramp gekroonde schooister; +Voor een, vol hoon voor mij,—door mij gehoond; +Voor een, gevreesd van elk,—vol vrees voor één; +Voor algebiedend,—door niet één gehoorzaamd. +Zoo is de loop van ’t recht geheel gedraaid, +En laat u aan den tijd geheel ten prooi; +U bleef slechts de gedachte aan wat gij waart, +Die dubbel kwelt, wijl gìj zijt wàt gij zijt. +Mijn plaats naamt gij voor u;—en naamt gij niet +’t Gerechte deel voor u van mijnen rouw? +Half draagt uw trotsche nek alsnu mijn juk; +Doch hier wring ik het moede hoofd er uit +En laat zijn last in al zijn zwaarte op u. + +(Zij rijst op.) + +Vaarwel, York’s gade, koningin der smart; +In Frankrijk laav’ dit Engelsch wee mijn hart! + +(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York rijzen op.) + +KONINGIN ELIZABETH. O gij, in ’t vloeken meesteres, o toef, +En leer ook mij, mijn vijanden te vloeken! 117 + +KONINGIN MARGARETHA. Ontzeg u ’s nachts den slaap, en vast bij dag; +Stel naast uw levend wee uw dood geluk; +Denk uwe kinderen schooner dan zij waren, +En die hen moordde, snooder dan hij is; +Vergroot uw smaad, dit zal uw haat vermeêren, +En ’t eeuwig wrokken zal u vloeken leeren. + +KONINGIN ELIZABETH. Mijn taal is stomp; o, dat haar de uwe scherpe! + +KONINGIN MARGARETHA. Haar wette uw leed, tot ze als de mijne snerpe! + + (Koningin Margaretha af.) + +HERTOGIN. Waarom moet jammer rijk in woorden zijn? + +KONINGIN ELIZABETH. Wind-pleitbezorgers van het leed, hun klager, +Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd, +Zucht-reed’naars zijn ’t van namelooze ellend! +Maar geef hun lucht; al kunnen ze ook de smart +Niet delgen, toch verlichten zij het hart. + +HERTOGIN. Is ’t zoo, dan geen bedwang; maar kom, ga mede +En smoren we in een storm van bitt’re woorden +Mijn vloekb’ren zoon, die uw twee kleinen smoorde! + +(Trompetgeschal achter het tooneel.) + +’t Is zijn trompet; kom, geef uw woede lucht! + +(Koning Richard komt op, met marcheerende troepen.) + +KONING RICHARD. Wie treedt mij te gemoet en stremt mijn tocht? + +HERTOGIN. Zij, die voor goed uw loop had kunnen stremmen, +De slachtersdaden, schurk, die gij volbracht, +Door u te worgen in haar onheilsschoot. + +KONINGIN ELIZABETH. Omhult gij ’t voorhoofd met een gouden kroon, +Waar, zoo recht recht was, ingebrand moest zijn +De moord der prinsen, wien die kroon behoorde, +En mijner zoons en broeders gruweldood? +Spreek! zeg mij, lage slaaf, waar zijn mijn kind’ren? + +HERTOGIN. Gij pad, gij pad, waar is uw broeder Clarence, +En Ned Plantagenet, zijn kleine zoon? + +KONINGIN ELIZABETH. Waar is de wakk’re Rivers, Vaughan, Grey? + +HERTOGIN. Waar is de goede Hastings? + +KONING RICHARD. Trompetten, schalt, en trommen, slaat alarm! +De hemel hoore ’t niet, hoe die klappeien +Hier Gods gezalfde last’ren. Trommelt, zeg ik!— + +(Trompetgeschal, Tromgeroffel.) + +Weest kalm, gij beiden, spreekt mij vleiend toe, +Of in het woeste krijgsrumoer versmoor ik +Aldus de kreten van uw woeste drift. 153 + +HERTOGIN. Zijt gij mij zoon? + +KONING RICHARD. Ja, dank zij Gode en u en mijnen vader. + +HERTOGIN. Zoo hoor mijn ongeduld geduldig aan. + +KONING RICHARD. Ik heb dien trek van uw geaardheid, moeder, +Dat ik den toon van fel verwijt niet duld. + +HERTOGIN. O, laat mij spreken! + +KONING RICHARD. ’t Zij; ik hoor niet toe. + +HERTOGIN. ’k Wil in mijn woorden zacht en vriend’lijk zijn. + +KONING RICHARD. En, lieve moeder, kort, want ik heb haast. + +HERTOGIN. Gij zooveel haast? ik heb op u gewacht, +Bij God, in mart’ling en in angst des doods. + +KONING RICHARD. En kwam ik niet in ’t eind om u te troosten? + +HERTOGIN. Neen, bij het heilig kruis, gij weet te wel, +Sinds gij op aard zijt, werd mij de aard een hel. +Zwaar, schier ondraaglijk was mij uw geboorte +Uw kindsheid was weerbarstig en vol luim; +Uw schooltijd wild en woest, verschrikkend, roekloos; +Uw jong’lingschap vermetel, stout en waagziek; +Uw rijper leeftijd trotsch, fijn, sluw, bloeddorstig, +Min woest, maar boozer, zacht bij fellen haat. +Kunt gij een enkel rustig uur mij noemen, +Waarin uw bijzijn mij verkwikking bracht? + +KONING RICHARD. Geen, dan misschien dat morgenuur, dat eens +U van mijn bijzijn afriep naar ’t ontbijt. +Is u het zien van mij zoo onverkwikk’lijk, +Dan trekke ik voort en geev’ geen ergernis.— +Gij, roert de trommen! + +HERTOGIN. ’k Bid u, hoor mij spreken. + +KONING RICHARD. Te bitter spreekt gij. + +HERTOGIN. Hoor een enkel woord, +Want nimmer zal ik weder tot u spreken. + +KONING RICHARD. Nu! + +HERTOGIN. Of gij zult sterven door Gods raadsbesluit, +Eer ge als verwinnaar keert uit dezen krijg; +Of ik bezwijk van smart en hoogen leeftijd, +En nimmer zie ik uw gelaat terug. +Neem daarom mijnen zwaarsten vloek met u; +Hij drukke in de ure van ’t gevecht u meer +Dan heel de wapenrusting, die gij draagt! +Mijn beden strijden voor uw tegenstanders; +En Edwards kind’ren, hunne zieltjes, fluist’ren, +Uw vijand moed, vertrouwen in het hart, +En zeggen hem geluk en zege toe. +Bloed is uw lust, in ’t eind zij uw bloed uw straf; +Volgt smaad u thans, hij volge u ook in ’t graf. + + (De Hertogin af.) + +KONINGIN ELIZABETH. Veel meerder grond, doch minder kracht tot vloeken +Viel mij ten deel; ’k zeg Amen op haar taal. + +(Zij wil heengaan.) + +KONING RICHARD. Toef, eed’le vrouw, ik heb met u te spreken. 198 + +KONINGIN ELIZABETH. Ik heb geen koningszoons ter slachting meer, +En mijne dochters, Richard, zullen bidden +Als nonnen, niet als koninginnen weenen; +En daarom kies haar leven niet tot wit. + +KONING RICHARD. Een dochter hebt ge, Elizabeth bij name, +Schoon, deugdrijk, waardig koningin te zijn. + +KONINGIN ELIZABETH. En brengt haar dit den dood? O, laat haar leven; +’k Wil zelf haar deugden, al haar schoon verderven, +Mijzelve, als Edwards bed ontrouw, belast’ren, +Den sluier der onteering op haar werpen; +’k Wil, zoo de moord haar leven slechts ontziet, +Verklaren: Edwards bloed is ’t hare niet. + +KONING RICHARD. Ontzie haar bloed; zij is een koningskind. + +KONINGIN ELIZABETH. Dit wil ik looch’nen, red ik zoo haar leven. + +KONING RICHARD. Haar bloed is ’t, wat het best haar leven hoedt. + +KONINGIN ELIZABETH. Die hoede was ’t, waarom haar broeders stierven. + +KONING RICHARD. Een booze ster beheerschte hun geboorte. + +KONINGIN ELIZABETH. Hun leven, neen, beheerschten booze vrienden. + +KONING RICHARD. Niet af te wenden is de wil van ’t lot. + +KONINGIN ELIZABETH. Zoo ’t lot berust bij wie van God zich wendden. +Een schooner dood waar’ mijn kind’ren lot, +Had God met schooner leven u gezegend. + +KONING RICHARD. ’t Is, alsof ik uw schapen ’t leven nam. + +KONINGIN ELIZABETH. Ja, herder, gij ontnaamt dien lamm’ren alles, +Geluk en kroon, verwanten, vrijheid, leven. +Wiens hand hun teed’re harten hebb’ gespietst, +Uw hoofd gaf in ’t geheim de richting aan. +Voorzeker, ’t moordend mes was bot en stomp, +Totdat het, op uw kiezelhart gewet, +In de ingewanden van mijn lamm’ren woelde. +Wierd door gewoonte wilde smart niet mak, +Ik zou mijn knaapjes voor uw oor niet noemen, +Dan met mijn nagels ank’rend in uw oogen, +En zoo, in zulk een baai van wissen dood, +Gelijk een boot, beroofd van zeil en want, +Mij op de rots verplett’rend van uw borst. + +KONING RICHARD. Zoo waarlijk, vrouwe, krone mij ’t geluk 235 +Bij ’t bloedig wapenspel van dezen krijgstocht, +Als ik aan u en de uwen goed wil doen, +Meer dan ik u en de uwen leed deed lijden! + +KONINGIN ELIZABETH. Wat goed, door ’s hemels aangezicht bedekt, +Is nog te ontdekken, dat mij goed kan doen? + +KONING RICHARD. Verhooging van uw kind’ren, eed’le vrouwe. + +KONINGIN ELIZABETH. O, op ’t schavot, om ’t hoofd er te verliezen? + +KONING RICHARD. Neen, tot den hoogsten trap van rang en eer, +Het hooge heerschersmerk van aardsche grootheid. + +KONINGIN ELIZABETH. Zoo meld het mij en vlei aldus mijn smart; +En zeg, wat rang, wat eer, wat waardigheid +Kunt gij aan een van mijne kind’ren schenken? + +KONING RICHARD. Al wat het mijne is, ja mijzelven, alles; +Dit zij mijn gave aan een van uwe kind’ren, +Zoo ge in de Lethe van uw toornend hart +De droevige overpeinzing wilt verdrinken +Van ’t leed, dat ik naar uwen waan u bracht. + +KONINGIN ELIZABETH. Wees kort, opdat de ontvouwing van uw weldaad +Niet langer dure dan uw weldoen zelf. + +KONING RICHARD. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. + +KONINGIN ELIZABETH. Mijn dochters moeder denkt: tot stervens toe. + +KONING RICHARD. Wat denkt gij dan? + +KONINGIN ELIZABETH. Dat gij tot stervens toe mijn dochter mint; +Zoo mindet gij tot stervens toe haar broeders, +En hiervoor dank ik u tot stervens toe. + +KONING RICHARD. Misduid mijn meening niet door uwe drift; +Ik meen: tot stervens toe min ik uw dochter, +En wil haar koningin doen zijn van Eng’land. + +KONINGIN ELIZABETH. En wie dan, wilt gij, zal haar koning zijn? + +KONING RICHARD. Die haar tot koningin verheft, wie anders? + +KONINGIN ELIZABETH. Wat, gij? + +KONING RICHARD. Ikzelf, en wat denkt gij er van? + +KONINGIN ELIZABETH. En hoe wilt gij haar winnen? + +KONING RICHARD. Hiertoe vraag ik +Van u thans raad: gij kent het best haar aard. + +KONINGIN ELIZABETH. En dus, gij wenscht mijn raad? + +KONING RICHARD. Van harte gaarne. 270 + +KONINGIN ELIZABETH. Zend haar door hem, die eens haar broeders doodde, +Twee jonge harten, bloedend; grif daarop +„Edward” en „York”: moog’lijk weent zij dan; +Schenk daarom haar,—zooals eens Margaretha +’t Aan uwen vader deed met Rutland’s bloed,— +Een doek, die—meld haar dit,—het purpersap +Uit harer lieve broeders wonden zoog, +En zeg, dat zij daarmee haar oogen wissche. +Zoo die verlokking nog haar hart niet wint, +Zend dan een lijst van al uw eed’le daden: +Meld, hoe gij van haar ooms, van Clarence, Rivers, +U hebt ontslagen, ja, om harentwil, +Anna, haar goede moei, van kant geholpen. + +KONING RICHARD. Nu spot gij, vrouwe; dit is niet de weg +Om haar te winnen. + +KONINGIN ELIZABETH. Dit is de een’ge weg; +Tenzij ge een ander wezen aan kunt doen, +Een ander zijn dan Richard, die dit deed. + +KONING RICHARD. En zoo ik alles deed uit min tot haar? + +KONINGIN ELIZABETH. Dan is haar eenig antwoord, u te haten, +Die liefde koopt met zulk een schat van bloed. + +KONING RICHARD. Zie, ’t eens gedane is niet meer te herdoen; +De mensch gaat somtijds overijld te werk, +Zoodat zijn doen in later uur hem rouwt; +Heb ik uw zoons het koningschap ontroofd, +Ik wil ten zoen het aan uw dochter geven. +Heb ik het kroost van uwen schoot gedood, +’k Wil, ter vermeerd’ring uws geslachts, mij kroost +Uit uw bloed bij uw dochter mij verwekken. +Grootmoeder heeten is schier even zoet +Als de betoov’ring van den moedernaam; +De kind’ren zijn slechts ééne trede lager, +Maar van uw eigen merg, uw eigen bloed; +Gelijk in zorg,—slechts in die weenacht niet, +Die zìj doorstaat, voor wie gij ’t zelfde leedt. +Uw kind’ren waren uwer jeugd een plaag, +De mijne worden uwer grijsheid troost. +Verloort gij ook een zoon, die koning was, +Thans wordt daarvoor uw dochter koningin. +Ik kan u niet hergeven wat ik wilde, +Aanvaard dus, wat mijn goedheid bieden kan. +Dorset, uw zoon, die met beangst gemoed +Misnoegde schreden zet op vreemden grond, +Wordt door dit schoon verbond welras naar huis, +Tot hoogen rang en groote gunst geroepen; +De koning, die uw lieflijk kind zijn „vrouw” noemt, +Noemt dan vertrouw’lijk uwen Dorset „broeder”; +Gijzelf wordt weder moeder van een koning, +En elke schâ der bange tijden wordt +Vergoed door dubb’le schatten van geluk. +O, wij beleven nog wel goede dagen! 320 +De held’re droppen, die gij hebt geschreid, +Zij komen weer, vervormd tot blanke parels, +Den inzet u vergoedend door de rente +Van tienmaal dubbele aanwinst in geluk. +Ga dus, mijn moeder, ga tot uwe dochter; +Sterk door uw rijp’ren geest haar schucht’re jeugd; +Bereid haar ooren voor eens minnaars kout; +Stort in haar teeder hart den stouten gloed +Naar gulden oppermacht; spreek tot uw kind +Van ’t huwlijksheil in zoete, heimlijke uren; +En als mijn arm dien kleinen oproerling, +Dien dolkop Buckingham, getuchtigd heeft, +Dan kom ik, met het zegeloof bekranst, +En voer uw kind naar ’t bed eens overwinnaars’. +Haar bied ik dan mijn krijgsbuit; zij alleen +Zal overwinnares zijn, Cæsar’s Cæsar. + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe druk ik best mij uit? Haars vaders broeder +Wil haar gemaal zijn? Of is ’t beter: oom? +Of wel, de moordenaar van haar ooms en broeders? +Met welken titel doe ik voor u aanzoek, +Dien God, de wet, mijn eer en hare liefde +Aanlokk’lijk maken voor haar teed’re jeugd? + +KONING RICHARD. Wijs haar op Eng’lands vreê door dezen echt. + +KONINGIN ELIZABETH. Een vreê, dien zij met eeuw’gen oorlog koopt. + +KONING RICHARD. Zeg haar, de koning, die kon eischen, smeekt. + +KONINGIN ELIZABETH. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. + +KONING RICHARD. Zeg, zij wordt groot en machtig, koningin. + +KONINGIN ELIZABETH. En schreit dra om dien titel, als haar moeder. + +KONING RICHARD. Zeg, dat ik haar mijn eeuw’ge liefde wijd. + +KONINGIN ELIZABETH. Zeg mij, hoe lang die eeuwigheid zal duren. + +KONING RICHARD. Zoolang haar lieflijk bloeiend leven duurt. + +KONINGIN ELIZABETH. Maar hoe lang zal haar bloei en leven duren? + +KONING RICHARD. Zoolang natuur en hemel het geheugt. + +KONINGIN ELIZABETH. Zoolang het Richard en de hel behaagt. + +KONING RICHARD. Zeg: ik, haar heer, ik word haar onderdaan. + +KONINGIN ELIZABETH. Die heerschappij is de onderdane een gruwel. + +KONING RICHARD. Bepleit welsprekend mijne zaak bij haar. + +KONINGIN ELIZABETH. ’t Eenvoudigst woord wint best een goede zaak. + +KONING RICHARD. Spreek dan tot haar eenvoudig van mijn liefde. +359 + +KONINGIN ELIZABETH. Eenvoudig en niet goed klinkt al te ruw. + +KONING RICHARD. Uw reed’nen zijn niet grondig, zonder kalmte. + +KONINGIN ELIZABETH. Kalm, grondig zijn mijn reed’nen, dood en diep;— +Ja; dood en diep, in ’t graf, mijn arme kind’ren. + +KONING RICHARD. Roer die snaar niet meer aan, dat is voorbij. + +KONINGIN ELIZABETH. Ik roer die aan, tot hartesnaren springen. + +KONING RICHARD. Bij mijn Sint George, kouseband en kroon— + +KONINGIN ELIZABETH. Ontwijd, onteerd, de derde vuig geroofd. + +KONING RICHARD. Zweer ik,— + +KONINGIN ELIZABETH. Bij niets,—ja, want dit is geen eed. +Uw George, ontwijd, verloor zijn heilige eer, +Uw kouseband, bevlekt, zijn ridderdeugd, +Uw kroon, geroofd, haar koninklijken glans. +Wilt gij een eed doen, die geloof verwerft, +Zoo zweer bij iets, nog niet door u gekrenkt. + +KONING RICHARD. Dan, bij mijzelf,— + +KONINGIN ELIZABETH. Geschandvlekt door uzelf; + +KONING RICHARD. Welnu, bij de aard,— + +KONINGIN ELIZABETH. Vervuld van uwe gruw’len; + +KONING RICHARD. Mijns vaders dood,— + +KONINGIN ELIZABETH. Bezoedeld door uw leven; + +KONING RICHARD. Nu dan, bij God,— + +KONINGIN ELIZABETH. Gods krenking is de zwaarste. +Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken, +Die eendracht, die de vorst, uw broeder, stichtte, +Ware onverstoord, mijn broeder leefde nog. +Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken, +Het koningsgoud, dat thans uw hoofd omspant +Het sierde nu mijn kind de teed’re slapen; +En beide prinsen waren aad’mend hier, +Die nu, in ’t stof twee teed’re bedgenooten, +Der wormen buit door uwe trouwbreuk zijn. +Waar kunt gij nog bij zweren? + +KONING RICHARD. Bij de toekomst. + +KONINGIN ELIZABETH. Die hebt gij in ’t verleden reeds gekrenkt. +In tranen moet ik zelf de toekomst wasschen, +Om dat voor u zoo diep gekrenkt verleden. +Hoe menig kind, wier ouders gij vermoorddet, +Leeft zonder tucht, en zal dit, oud, bejamm’ren! +Hoe menig ouder, die zijn kroost zag slachten, +Als dorre stam, en zal dit, oud, bejamm’ren! +Zweer bij de toekomst niet; zij is ontwijd +Door uw verleden, boos besteden tijd. 396 + +KONING RICHARD. Zoo waar ’t mij rouwt en ik geluk begeer, +Zoo waarlijk slage ik in het hach’lijk spel +Des feilen krijgs!—Verderve ikzelf mijzelven! +Geen blijde stond gunn’ God mij of ’t geluk! +Onthoud mij, dag, uw licht, gij, nacht, uw rust! +Bestrijdt, gij heilgesternten, al mijn doen, +Indien ik niet, met echte trouw des harten, +Met vlekk’looze’ eerbied, heilige gedachten, +Naar uwe schoone vorstendochter ding! +Op haar berust heel mijn en uw geluk,— +En zonder haar volgt voor mijzelf en u, +Voor haar, dit land en meen’ge christenziel, +Dood, ondergang, verderf, vernietiging. +Het is niet af te wenden, enkel zoo; +Het wordt niet afgewend dan enkel zoo. +Dus, lieve moeder,—zoo moet ik u noemen,— +Wees zaakverzorgster mijner liefde. Stel +Haar voor, wat ik zijn wil, niet wat ik was, +Niet wat ik heb verdiend, maar zal verdienen; +Leg nadruk op den stand en eisch des tijds, +En wees bij groote plannen niet kleingeestig. + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe! mag de duivel mij aldus verzoeken? + +KONING RICHARD. Ja, zoo de duivel u verzoekt ten goede. + +KONINGIN ELIZABETH. Mag ik mijzelf en wie ik ben vergeten? + +KONING RICHARD. Ja, zoo het denken aan uzelf u schaadt. + +KONINGIN ELIZABETH. Maar toch,—gij bracht mijn kind’ren om. + +KONING RICHARD. In uwer dochter schoot begraaf ik hen; +Daar, in dat feniksnest, verwekken zij +Op nieuw zichzelf, tot nieuwen troost voor u. + +KONINGIN ELIZABETH. Moet ik mijn dochter voor uw wensch gaan winnen? + +KONING RICHARD. En door dat doen weer blijde moeder zijn. + +KONINGIN ELIZABETH. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, +En ìk meld u, hoe zij er over denkt. + +KONING RICHARD. Breng haar mijn kus vol liefde, en nu vaarwel! + + (Hij kust haar. Koningin Elizabeth af.) + +Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw! + +(Ratcliff komt op, gevolgd door Catesby.) + +Wat nu? wat meldt gij? + +RATCLIFF. Grootmachtig heer en vorst, een sterke vloot +Kruist op de westkust; naar het zeestrand vloeien, +Ja, vrienden, maar holhartig, onbetrouwbaar, +En wapenloos, tot afslaan niet besloten. +Er wordt vermoed, dat Richmond vlootvoogd is; +Zij dobb’ren daar en wachten slechts de hulp +Van Buckingham om voet aan wal te zetten. + +KONING RICHARD. Een wakk’re vriend ijl’ vlug tot hertog Norfolk;— +440 +Gij Ratcliff,—ja, of Catesby; waar is Catesby? + +CATESBY. Hier, beste Heer. + +KONING RICHARD. Vlieg naar den hertog, Catesby. + +CATESBY. Terstond, mijn vorst, met allen denkb’ren spoed. + +KONING RICHARD. Ratcliff, kom hier; gij jaagt naar Salisbury; +Als gij daar aankomt,—(Tot Catesby.) Domme, trage vlegel, +Wat toeft gij hier en ijlt niet tot den hertog? + +CATESBY. Doorluchtig heer, gelief mij eerst te melden, +Wat last ik van uw hoogheid brengen moet. + +KONING RICHARD. ’t Is waar, mijn goede Catesby;—daad’lijk breng’ hij +De grootste macht te zamen, die hij kan, +En koom’ terstond tot mij naar Salisbury. + +CATESBY. Ik ga. + + (Catesby af.) + +RATCLIFF. En wat doe ik in Salisbury, mijn vorst? + +KONING RICHARD. Wel, wat zoudt gij er doen, voor ik er ben? + +RATCLIFF. Ik moest, mijn vorst, er vóór u heen, met spoed. + +(Stanley komt op.) + +KONING RICHARD. ’k Heb mij bedacht.—Gij, Stanley, spreek, wat meldt +gij? + +STANLEY. ’t Is heer, zoo goed niet, dat gij ’t gaarne hoort, +Maar ook zoo slecht niet of het is te melden. + +KONING RICHARD. Zie eens, een raadsel! ’t is nòch goed nòch slecht? +Wat loopt gij zooveel mijlen om en rond, +En gaat niet recht naar ’t doel en meldt uw nieuws? +Nog eens, wat is er? + +STANLEY. Richmond is op zee. + +KONING RICHARD. Dat hij er zinke en hem de zee bedekke! +Die laffe vagebond, wat doet hij daar? + +STANLEY. Ik weet het niet, mijn vorst, en kan slechts gissen. + +KONING RICHARD. Wat gist gij dan? + +STANLEY. Gestijfd door Dorset, Buckingham en Ely, +Komt hij naar Eng’land en verlangt de kroon. + +KONING RICHARD. Is dan de troon ontruimd? het zwaard gebroken? +470 +De koning dood? het koninkrijk verweesd? +Wie anders is York’s erfgenaam, dan ik? +Wie anders koning, dan York’s erfgenaam? +Spreek, zeg mij nu, waartoe is hij op zee? + +STANLEY. Is ’t hierom niet, mijn vorst, dan weet ik ’t niet. + +KONING RICHARD. Is ’t hierom niet, dat hij uw koning worde, +Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. +Uw plan is vlucht tot hem, is afval, vrees ik. + +STANLEY. Neen, beste vorst; daarom; mistrouw mij niet. + +KONING RICHARD. Waar is uw volk dan, om hem af te slaan? +Waar zijn uw onderhoor’gen, uw vazallen? +Niet waar, zij zijn in ’t westen, op de kust, +En dekken daar de ontscheping der rebellen? + +STANLEY. Neen, beste vorst, mijn vrienden staan in ’t noorden. + +KONING RICHARD. Uw vrienden, koud voor mij! wat doen ze in ’t noorden, +Terwijl hun vorst in ’t westen hen behoeft? + +STANLEY. Zij werden niet ontboden, machtig koning. +Gelieft uw hoogheid oorlof mij te geven, +Dan monster ik mijn volk en kom tot u, +Zoodra en waar uw hoogheid het verlangt. + +KONING RICHARD. Ja, ja, weg wilt ge, en u bij Richmond voegen; +Maar ik vertrouw u niet. + +STANLEY. Grootmachtig vorst, +Gij hebt geen grond om aan mijn trouw te twijf’len. +Nooit was ik valsch, en zal het nimmer zijn. + +KONING RICHARD. Ga dan en monster volk; maar laat uw zoon, +Uw George, hier; zorg, dat uw hart niet wanke, +Want anders staat zijn hoofd niet al te vast. + +STANLEY. Behandel hem, zooals mijn trouw u blijkt. + + (Stanley af.) + +(Een bode komt op.) + +BODE. Genadig heer en vorst, in Devonshire +Staan, naar ik zeker van mijn vrienden hoor, +Sir Edward Courtney en de trotsche kerkvoogd, +Bisschop van Exeter, zijn oudste broeder, +Met vele bondgenooten, in het veld. + +(Een tweede Bode komt op.) + +TWEEDE BODE. In Kent, heer, staan de Guildfords in de waap’nen; +En dien rebellen stroomen uur op uur +Meer medehelpers toe; hun macht wordt sterk. + +(Een derde Bode komt op.) + +DERDE BODE. Het groote leger, heer, van Buckingham— + +KONING RICHARD. Van hier, gij uilen! niets dan doodsgekras? + +(Hij geeft den Bode een slag.) + +Neem dit, tot gij mij beet’re tijding brengt. + +DERDE BODE. De tijding, die ik aan uwe hoogheid meld, +Is, dat door watervloed en zware regens +Het heer van Buckingham verspreid, verstrooid is, +En dat hijzelf, alleen, een wijkplaats zocht, +Waarheen, weet niemand. + +KONING RICHARD. O, vergeef mijn drift; +Daar is mijn beurs tot heeling van uw slag. +Heeft niet een kloeke vriend een goede som +Voor ’t vangen des verraders uitgeloofd? + +DERDE BODE. Die is onmidd’lijk uitgeloofd, mijn vorst. + +(Een vierde Bode komt op.) + +VIERDE BODE. Sir Thomas Lovel en lord Dorset staan +Te velde in Yorkshire, zegt men, edel vorst; +Doch dezen goeden troost breng ik uw hoogheid: +De storm heeft de Bretagner vloot verstrooid; +In Dorsetshire liet Richmond door een boot +De lieden, die het strand bezetten, vragen, +Of zij hem helpen zouden, ja of neen. +Zij kwamen, was ’t bescheid, van Buckingham, +En tot zijn bijstand; doch, hen niet vertrouwend, +Heesch hij de zeilen, naar Bretagne steev’nend. + +KONING RICHARD. Op, voortgerukt! wij zijn geheel gereed; +Gelde ook de strijd geen buitenlandschen vijand, +Gefnuikt zij iedere opstand binnenslands. + +(Catesby komt op.) + +CATESBY. Gevangen, heer, is hertog Buckingham; +Dit is de beste tijding. Dat graaf Richmond +Met groote macht te Milford is geland, +Klinkt minder goed, doch ’t melden is mij plicht. + +KONING RICHARD. Op dan, naar Salisbury! terwijl wij praten, +Waar’ de uitkomst van een koningsslag beslist.— +Een uwer zorg’ voor Buckingham’s vervoer +Naar Salisbury; gij and’ren trekt met mij. + + (Allen af.) + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + +Een vertrek in lord Stanley’s huis. + +Lord Stanley en broeder Christopher Urswick komen op. + +STANLEY. Vriend Christopher, zeg Richmond dit van mij:— +In ’t kot van dien bloedgier’gen ever is +Mijn zoon, mijn George, in hecht’nis, ingesperd; +En val ik af, dan valt ook George’s hoofd. +Die vrees alleen vertraagt alsnog mijn bijstand. +Maar ga thans, breng uw heer mijn groet, en tevens +’t Besluit der koningin, die gaarne toestemt, +Dat hij Elizabeth, haar dochter, huwt. +Doch zeg mij, waar is de eed’le Richmond thans? + +CHRISTOPHER. Te Pembroke, of te Harford-West, in Wales. + +STANLEY. En welke mannen van gewicht zijn bij hem? + +CHRISTOPHER. Sir Walter Herbert, groot van naam als krijger, +Sir Gilbert Talbot en Sir William Stanley, +Oxford, geduchte Pembroke, Sir James Blunt, +En Rice ap Thomas, met een kloeke schaar, +En velen nog van grooten roep en waarde; +Naar Londen richten zij hun legermacht, +Zoo ’t niet reeds onderweg tot strijden komt. + +STANLEY. Nu, spoed u naar uw heer; ik kus zijn hand; +Mijn schrijven geeft hem blijk van mijn gezindheid. +Vaarwel. + + (Hij geeft hem brieven.—Beiden af.) + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Salisbury. Een plein. + +Een Sheriff en een Wacht komen op, met Buckingham, die ter +gerechtsplaats geleid wordt. + +BUCKINGHAM. Ontzegt mij koning Richard een gesprek? + +SHERIFF. Ja, beste heer; dus schik u in uw lot. + +BUCKINGHAM. Hastings, en Edwards kind’ren, Rivers, Grey, +Gij, heil’ge Hendrik, met uw schoonen Edward, +Vaughan, en allen, die als offers vielt +Van snoode, heim’lijke ongerechtigheid, +Zoo uw verstoorde, onvergenoegde zielen, +Hier blikken door de wolken van dit uur, +Zoo neemt thans wraak en spot om mijn verderf!— +’t Is heden Allerzielendag, niet waar? + +SHERIFF. Ja, heer. + +BUCKINGHAM. Alzielendag is dan mijns lijfs gerichtsdag. 12 +Dien dag wenschte ik in koning Edwards tijd +Mij op mijn hoofd, indien ik voor zijn kind’ren +Of zijner gade magen trouwloos bleek; +Die dag is ’t, dien ik inriep voor mijn val +Door diens mans ontrouw, dien ik ’t meest vertrouwde. +Deze Allerzielendag is ’t eind en perk +Der euveldaden voor mijn bange ziel. +De hooge Alziende, dien ik spelend tartte, +Brengt mij op ’t hoofd mijn huichelbede thuis, +En geeft in ernst, wat ik in scherts hem smeekte. +Zoo keert hij van der boozen zwaard de spits, +Dat die des meesters eigen borst doorboor’! +Zoo treft nu Margaretha’s vloek mijn hoofd: +„Rijt hij,” zoo sprak ze, „uw hart door wee vaneen, +„Herdenk dan: Margaretha was profetisch!”— +Komt, leidt mij naar het schandblok, mannen; ’t loon +Voor onrecht-doen zij onrecht, hoon voor hoon. + + (Buckingham en de Overigen af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Een vlakte bij Tamworth. + +Met trommen en vaandels komen op: Richmond, Oxford, Sir James Blunt, +Sir Walter Herbert, en Anderen, met troepen, op marsch. + +RICHMOND. Gij wapenbroeders en getrouwe vrienden, +Gedrukt, gekneusd door ’t juk der tyrannie, +Zoo verre zijn we tot in ’t hart des lands +Nu doorgedrongen zonder wederstand; +En hier zendt onze vader Stanley ons +Een troostrijk schrijven, dat den moed verhoogt. +De booze, bloedige en roofgierige ever, +Die uwe velden omwroet en uw wijngaards, +Uw bloed als spoeling slurpt en zich een trog +Van uw ontweide rompen uitholt, heeft +Zijn leger nu in ’t midden van dit eiland, +Niet verre, naar ons werd gemeld, van Leicester; +Van Tamworth is het slechts een dagmarsch af. +In Gods naam, op, vol moed, manhafte vrienden, +Opdat we als oogst een hechten vrede winnen +Door ’t bloed, in éénen scherpen strijd gewaagd! + +OXFORD. Elk man is duizend man, daar ieder weet, 17 +Dat hij dien schurk, die waadde in bloed, bestrijdt. + +HERBERT. Geen twijfel, of zijn vrienden loopen over. + +BLUNT. Hij heeft geen vrienden, dan die ’t zijn uit vrees +En hem in de’ ergsten nood verlaten zullen. + +RICHMOND. Ten onzen bate. Komt, vooruit, met God! +De hoop is snel; haar vlucht op zwaluwschachten +Geeft vorsten goden-, slaven vorstenkrachten. + + (Allen af.) + + + + + +DERDE TOONEEL. + +Het veld bij Bosworth. + +Koning Richard komt op, met troepen, de Hertog van Norfolk, de Graaf +van Surrey, en Anderen. + +KONING RICHARD. Slaat hier mijn tenten op, in ’t veld van Bosworth.— +Mylord van Surrey, waarom blikt gij somber? + +SURREY. Mijn hart is tienmaal lichter dan mijn blik. + +KONING RICHARD. Mylord van Norfolk,— + +NORFOLK. Hier, genadig vorst. + +KONING RICHARD. Norfolk, hier vallen slagen; ja, niet waar? + +NORFOLK. Men geeft en men ontvangt die, beste vorst. + +KONING RICHARD. Mijn tent gezet! hier rust ik heden nacht; +Doch waar op morgen?—Nu, het is om ’t even.— +Wie heeft verkend, hoe sterk de muiters zijn? + +NORFOLK. Zes-, zevenduizend is hun gansch getal. 10 + +KONING RICHARD. Nu, onze monst’ring wijst het drievoud uit; +En ’s konings naam is ons een sterke toren, +Die hun van de and’re zij geheel ontbreekt.— +Vlug, slaat mijn tent op!—Komt nu, eed’le heeren, +Zien wij, hoe ’t veld ons voordeel brengen kan.— +Roept een’ge welervaren krijgers saam; +Een deeg’lijk plan beraamd en ras gehandeld, +Want morgen, heeren, wordt een heete dag. + + (Allen af.) + +(Aan de andere zijde van het veld komen op: Richmond, Sir William +Brandon, Oxford en andere Krijgsoversten. Eenige soldaten slaan +Richmond’s tent op.) + +RICHMOND. De moede zon ging schuil met gouden gloed; +En naar het lichte spoor zijns vlammenwagens +Voorspelt hij morgen ons een schoonen dag.— +Draag gij, Sir William Brandon, mijn banier.— +Bezorg mij in mijn tent papier en inkt; +Ik wil het plan ontwerpen van den slag, +Elke’ overste zijn plaats en taak doen kennen, +En onze kleine macht naar eisch verdeelen.— +Mylord van Oxford,—gij, Sir William Brandon,— +En gij, Sir Walter Herbert, blijft bij mij. +De graaf van Pembroke leidt zijn eigen troep; +Breng, goede hopman Blunt, mijn groet hem over +En vraag den graaf, dat hij mij in mijn tent +Omstreeks het tweede morgenuur bezoek’.— +En, waarde hopman, doe nog dit voor mij: +Gij weet toch, waar lord Stanley is gelegerd? + +BLUNT. Heb ik mij in zijn vanen niet vergist,— +En zeker weet ik, dat ik dit niet deed,— +Dan ligt zijn troep ten minste een halve mijl +Ten zuiden van de hoofdmacht van den koning. + +RICHMOND. Is ’t niet te veel gewaagd, mijn goede Blunt, 39 +Spoor dan een middel op om hem te spreken; +En breng hem dezen brief van hoog belang. + +BLUNT. Mijn woord en leven, heer, ik onderneem het.— +En nu, verleene u God een goede nacht! + +RICHMOND. Goed’ nacht, mijn goede Blunt. En, heeren, komt; +Thans eischt de zaak van morgen onze zorg; +Gaat in mijn tent; de dauw is kil en koud. + +(Zij treden de tent binnen.) + +(Koning Richard komt op, met Norfolk, Ratcliff en Catesby, naar zijn +tent gaande.) + +KONING RICHARD. Hoe laat is ’t? + +CATESBY. ’t Is negen, heer, de tijd van ’t avondmaal. + +KONING RICHARD. Ik zal niets eten.—Geef papier en inkt.— +Spreek, past mijn stormhoed beter dan hij deed, +En is mijn rusting in mijn tent gebracht? + +CATESBY. Ja, heer en vorst; en alles ligt gereed. + +KONING RICHARD. Mijn goede Norfolk, spoed u naar uw post; +Houd strenge wacht, en kies vertrouwde schildwachts. + +NORFOLK. Ik ga, mijn vorst. + +KONING RICHARD. Wees met den leeuwrik wakker, beste Norfolk. + +NORFOLK. Ik sta u borg, mijn vorst. + + (Norfolk af.) + +KONING RICHARD. Catesby! + +CATESBY. Mijn vorst! + +KONING RICHARD. Zend een heraut naar Stanley’s troep; +Hij zorge voor zonsopgang met zijn macht +Naar hier te komen, of zijn zoon, zijn George, +Zinkt in de diepe krocht der eeuw’ge nacht.— + + (Catesby af.) + +Lang mij een roemer wijns.—Geef mij een tijdkaars.— +En zadel schimmel Surrey morgen vroeg. +Zorg, dat mijn lansen sterk en niet te zwaar zijn.— +Ratcliff! + +RATCLIFF. Mijn vorst? + +KONING RICHARD. Hebt gij deze’ avond +Den wreev’len graaf Northumberland gezien? + +RATCLIFF. Hij is met Thomas, graaf van Surrey, straks, +Omstreeks de scheem’ring ’t leger rondgegaan +Van troep tot troep, en sprak den krijgers moed in. + +KONING RICHARD. Zoo; dat is goed.—Geef mij een roemer wijns.— +Ik heb ditmaal den opgewekten geest, +Den blijden moed niet, dien ik placht te hebben.— +Goed, zet dat neer.—Er is papier en inkt? + +RATCLIFF. Ja, beste vorst. 76 + +KONING RICHARD. Zeg, dat mijn wacht goed wakker blijv’.—Verlaat mij.— +Ratcliff, kom tegen middernacht terug +En help mij bij mijn waap’ning.—Gaat nu, allen.— + + (Koning Richard gaat in zijn tent. Ratcliff af.) + +(Stanley komt op en slaat Richmond’s tent open, waarbij Richmond en +zijn krijgsoversten zichtbaar worden.) + +STANLEY. Bekroon’ geluk en zegepraal uw helm! + +RICHMOND. Al ’t goede, dat de donk’re nacht kan schenken, +Vall’, eed’le voedstervader, u ten deel! +Zeg mij, hoe gaat het onze lieve moeder? + +STANLEY. Ik zegen u, bij volmacht, van uw moeder, +Die dag en nacht voor Richmond’s welzijn bidt. +Doch dit volsta.—Het uur van stilte wijkt; +In strepen breekt het duister reeds in ’t oosten. +Om kort te zijn, zooals de tijd gebiedt, +Schaar morgen vroeg uw legermacht ten strijde; +En zij uw lot beslist door ’t bloedig zwaard +En fellen krijg, hoe dood’lijk die ook blikke. +Zoo veel ik kan,—ik kan niet wat ik wenschte,— +Tracht ik den tijd zijn gunsten af te stelen, +En u in ’t hach’lijk worst’len bij te staan. +Doch al te vurig ijv’ren is me ontzegd; +Bij ’t zien toch wierd uw jonge broeder George, +En voor zijns vaders oog, ter dood gebracht. +Vaarwel. Mijn haast en deze bange tijd +Verbieden ons de plechtige betuiging +Van onze liefde en ’t zoet gedachtenwiss’len, +Dat lang gescheiden vrienden welkom waar’; +Schenk’ God dra tijd voor zulk een liefdesuiting! +Nog eens, vaarwel! Wees dapper, heb geluk! + +RICHMOND. Leidt, waarde lords, hem naar zijn schare op weg. +Ik tracht, verhit van hoofd, een wijl te sluim’ren, +Opdat geen looden slaap mij morgen drukk’, +Als ik op zegewieken stijgen moest. +Nog eens, mijn waarde heeren, goede nacht. + + (Allen, behalve Richmond, met Stanley af). + +O gij, wiens veldheer ik mij acht te zijn, +Blik met genadig oog op mijne krijgers! +Leg in hun hand de knotsen uwer wraak, +Dat ze onzes vijands rechtloos drieste helmen +Met zwaren val ter aard, te pletter slaan! +Maak ons tot dienaars uwer tuchtiging, +Opdat wij U in Uwe zege prijzen! +Aan u beveel ik overwaakt mijn ziel, +Eer ik de luiken mijner oogen sluit; +Hetzij ik slape of waak’, behoed mij steeds! + +(Hij slaapt in.) + +(De Geest van Prins Edward, zoon van Hendrik den Zesden, verrijst +tusschen de beide tenten.) + +GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! +118 +Denk hoe gij mij in ’s levens bloei doorstaakt +Te Tewksbury. Gij, wanhoop dies, en sterf! +(Tot Richmond.) Houd moed, o Richmond, der geslachte vorsten +Gekrenkte zielen strijden aan uw zij; +De spruit van koning Hendrik, Richmond, troost u! + +(De Geest van koning Hendrik den Zesden verrijst.) + +GEEST (tot koning Richard). Toen ik nog sterflijk was, doorpriemdet gij +’t Gezalfde lichaam mij met tal van wonden; +Denk aan den Tower en mij; wanhoop en sterf! +Hendrik de Zesde roept: wanhoop en sterf! +(Tot Richmond.) Gij vroom en deugdrijk held, wees gij verwinnaar! +Hendrik, die eenmaal u de kroon voorspelde, +Vertroost u in uw sluim’ring: leef en bloei! + +(De Geest van Clarence verrijst.) + +GEEST (tot koning Richard). Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! +Ik, eenmaal doodgebaad in ’t walglijk wijnvat, +Ik, arme Clarence, offer van uw arglist! +Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij; +Ontvalle u ’t stompe zwaard! Wanhoop en sterf! +(Tot Richmond.) Afstamm’ling, gij, van ’t huis van Lancaster, +York’s kroost, dat zwaar gekrenkt werd, bidt voor u; +Schutseng’len strijden met u! Leef en bloei! + +(De Geesten van Rivers, Grey en Vaughan verrijzen.) + +GEEST VAN RIVERS (tot koning Richard). +Zwaar wil ik morgen op uw ziele drukken! +Ik, Rivers, Pomfret’s buit. Wanhoop en sterf! + +GEEST VAN GREY (tot koning Richard). Gij, denk aan Grey, en wanhoop +schokk’ uw ziel! + +GEEST VAN VAUGHAN (tot koning Richard). +Gij, denk aan Vaughan, en door schuldige angst +Ontvall’ de speer uw hand! Wanhoop en sterf! + +ALLE DRIE (tot Richmond). Ontwaak, en denk: de schuld in Richards borst +Verlamt zijn kracht. Ontwaak en zegepraal! + +(De Geest van Hastings verrijst.) + +GEEST (tot koning Richard). Gij man van bloed en schuld, ontwaak in +schuld, +En eindig op een dag van bloed uw leven! +Denk aan lord Hastings! Wanhoop dus en sterf! +(Tot Richmond.) Gij, kalme en effen ziel, ontwaak, ontwaak! +Rijs, strijd, en zegepraal, red Eng’lands zaak! + +(De Geesten van de twee jonge Prinsen verrijzen.) + +GEESTEN (tot Koning Richard). Droom van uw in den Tower ontzielde +neven; 151 +Laat ons als lood in uwe borst zijn, Richard, +U in verderf en schande en dood doen zinken! +Hoor uwer neven roep: wanhoop en sterf! +(Tot Richmond.) Slaap, Richmond, kalm, en rijs met blijden moed; +U schutten eng’len, hoe ook de ever woed’! +Leef! uit u spruite een eed’le koningsstam! +Edwards rampzaal’ge zonen roepen: heil! + +(De geest van koningin Anna verrijst.) + +GEEST (tot koning Richard). Richard, uw vrouw, uw vrouw, ellendige +Anna, +Die nooit bij u een rustige ure sliep, +Vervult thans uwen slaap met haar verschrikking; +Denk morgen in ’t gewoel des strijds aan mij; +Ontzinke u ’t stompe zwaard! wanhoop en sterf!— +(Tot Richmond.) Gij, kalme ziel, slaap gij een kalmen slaap; +En droomt gij, droom van heil en zege nu; +Uws tegenstanders gade bidt voor u. + +(De Geest van Buckingham verrijst.) + +GEEST (tot koning Richard.) Die ’t eerst ten troon u heeft gevoerd, was +ik; +Die ’t laatst uw dwinglandij ervoer, was ik. +Denk in ’t gewoel des strijds aan Buckingham, +En sterf, verschrikt door al uw euveldaden; +Droom voort, droom voort, en gruw van wat gij deedt; +En zij uw laatste snik een wanhoopskreet! +(Tot Richmond.) De hoop van u te helpen was mijn dood; +Doch troost u, beter helpers heeft uw nood; +God en zijn eng’len strijden aan uw zij, +En Richard valt den val der hoovaardij. + +(De Geesten verdwijnen. Koning Richard ontwaakt uit zijn droomen.) + +KONING RICHARD. Geef mij een ander paard!—verbind mijn wonden!— +Erbarmen, Jezus!—Stil, ’t was maar een droom!— +Geweten, lafaard, wat beangst gij mij!— +Het licht brandt blauw.—’t Is ’t holle van de nacht. +Angstdropp’len staan mij, koud, op ’t rillend lijf. +Wat! angstig voor mijzelf? Geen ander is hier; +Richard mint Richard; ja, want ik ben ik. +Is hier een moord’naar? Neen; ja, ik ben hier; +Zoo vlucht,—wat, voor mijzelf? Zeer wijs! waarom? +Licht name ik wraak.—Wie, wat! ik op mijzelf? +Ach, ik bemin mijzelf. Om wat? iets goeds, +Dat ik, ikzelf mijzelven heb gedaan? +Ach, neen, helaas! ik haat veeleer mijzelf +Om haat- en vloekbre daden, die ik deed. +Ik ben een schurk. Neen; ’k lieg, ik ben het niet. +Dwaas, spreek uzelven voor;—dwaas, vlei toch niet. 192 +O, mijn geweten heeft veel duizend tongen, +En ied’re tong vertelt een ander stuk, +En ieder stuk veroordeelt mij als schurk. +Meineed, meineed, in de’ allerhoogsten graad; +Moord, zwarte moord, in de’ allerergsten graad; +Ja, elke zonde, in elken graad bedreven, +Dringt naar de rol, en roept haar: „Schuldig, schuldig!” +Ik word wanhopig.—Niets op aard bemint mij; +En zoo ik sterf, geen ziel heeft leed er van; +En waarom zouden ze ook? Ikzelf, ik vind +Geen deernis met mijzelven in mijzelf. + +(Ratcliff komt op.) + +RATCLIFF. Mijn vorst! + +KONING RICHARD. Wie daar? + +RATCLIFF. Ratcliff, mijn vorst; ik ben ’t. De vroege dorpshaan +Begroette de’ ochtend tweemaal reeds. Uw vrienden +Zijn op en gorden hunne rusting aan. + +KONING RICHARD. O Ratcliff, ’k had een vreeselijken droom.— +Wat denkt gij? kan ik vast op allen bouwen? + +RATCLIFF. Wis, heer. + +KONING RICHARD. O Ratcliff, ach, ik vrees, ik vrees,— +Het was me, als kwamen allen, aller zielen, +Die ’k moordde, in mijne tent; een ieg’lijk dreigde +Met wraak op morgen tegen Richards hoofd. + +RATCLIFF. Mijn beste heer, voed toch geen vrees voor schimmen. + +KONING RICHARD. Bij den apostel Paulus, schimmen wekten +Van nacht meer angst in Richards ziel, dan ooit +Tienduizend tastb’re krijgers zouden wekken +In ’t staal, met melkmuil Richmond aan hun hoofd. +De daag’raad is nog ver. Kom, ga met mij; +’k Wil luistervink gaan spelen aan de tenten, +Of eenig strijder overloopen wil. + + (Beiden af.) + +(Richmond ontwaakt. Oxford en Anderen treden zijn tent binnen.) + +OXFORD. Recht goeden morgen, Richmond. + +RICHMOND. O, ’k vraag verschooning, waakzame, eed’le heeren, +Dat gij een tragen doeniet hier verrast. + +OXFORD. Hebt gij gerust geslapen, heer? + +RICHMOND. Den zoetsten slaap; en droomen had ik, vrienden, +Sinds uw vertrek, zoo schoon en heilvoorspellend, +Als ooit verrezen voor een domm’lig brein. +De zielen, scheen ’t, wier lichaam Richard moordde, +Verschenen in mijn tent, en riepen: „Zege!” +Ik kan u zeggen, ’t harte juicht mij nog +Bij ’t denken aan een droom, zoo schoon en zoet.— +Hoe ver is ’t in den morgen reeds, mylords? + +OXFORD. Op slag van vieren, heer. + +RICHMOND. ’t Is tijd dan, ons te waap’nen, ’t heer te scharen. + +(Hij treedt naar de troepen.) + +De haast en drang van ’t oogenblik verbieden, +Geliefde landgenooten, meer te ontvouwen +Dan ik reeds zeide; doch herinnert u:— +Aan onze zijde strijden God en ’t recht; 240 +Der heil’gen, der gekrenkte zielen beden +Staan voor ons als een bolwerk, dat ons dekt. +Op Richard na, zien zij, met wie wij strijden, +Veel liever ons, dan hunnen veldheer winnen. +Want, ja, wat is die veldheer? Waarlijk, vrienden, +Een bloedig dwing’land en een moordenaar, +Door bloed verrezen en in bloed gezeteld, +Zich helpers wervend om aan ’t doel te komen, +En doodend, wie hij eens als helpers koos; +Een steen, niets waard, door de’ achtergrond des troons, +Waar arglist hem in zette, kostlijk schijnend; +Van den beginne steeds een vijand Gods. +Welnu, bestrijdt gij, die Gods vijand is, +Dan hoedt u God gewis als zijne krijgers; +Bestrijdt ge in ’t zweet uws aanschijns zulk een dwing’land, +Dan slaapt ge in vreê, wanneer die dwing’land valt; +Bestrijdt gij, die uw land vijandig zijn, +Dan zal het vette uws lands uw zwoegen loonen; +Strijdt gij om uwe vrouwen te beschermen, +Uw vrouwen halen na de zege u in; +Behoedt gij uwe kind’ren voor het zwaard, +Uw grijsheid loonen ’t uwer kind’ren kind’ren. +Nu dan, met God en met dit heilig recht, +Steekt op de vanen, trekt uw willig zwaard. +Mijn boetegeld, zoo ’t waagstuk al te stout is, +Zij mijn koud lijk op ’t koud gelaat der aard. +Doch zoo ik slaag, de minste van u allen +Heeft deel aan mijne winst. Trompetten, schalt! +Klinkt, trommen, wijst aan moed den weg ter glorie; +God en Sint George, Richmond en victorie! + + (Allen af.) + +(Koning Richard en Ratcliff komen terug, met Gevolg en Troepen.) + +KONING RICHARD. Wat zeide lord Northumberland van Richmond? + +RATCLIFF. Dat hij een nieuw’ling is in de oorlogskunst. + +KONING RICHARD. En dit is waar; doch zeide Surrey niets? + +RATCLIFF. Hij lachte en sprak: „Voor ons zooveel te beter.” + +KONING RICHARD. Hij had gelijk; zoo is het inderdaad.— (De klok slaat.) +Stil, tel de klok.—Geef een kalender hier. +Wie zag de zon vandaag? + +RATCLIFF. Ik niet, mijn vorst. + +KONING RICHARD. Dan weigert ze ons haar licht, want, naar het boek, +Moest zij een uur reeds in het oosten prijken. +Een zwarte dag zal dit voor iemand zijn.— +Ratcliff! + +RATCLIFF. Mijn vorst? + +KONING RICHARD. De zon laat zich vandaag niet zien; 281 +Boos ziet de hemel op ons leger neer. +Dien dauw van tranen wenschte ik van den grond. +Vandaag niet schijnen? Nu, wat doet dit mij, +Meer dan dien Richmond? Want dezelfde lucht, +Die mij bedreigt, ziet hem ook donker aan. + +(Norfolk komt op.) + +NORFOLK. Te wapen, vorst! de vijand bralt in ’t veld. + +KONING RICHARD. Komt, haastig, haastig! Vlug mijn paard gezadeld!— +Roep Stanley op; hij kome met zijn volk. +Ik wil mijn krijgers in de vlakte leiden, +En deze schikking kies ik voor ’t gevecht: +De voortocht strekk’ zich uit in volle lengte, +Gelijk uit paard- en voetvolk saamgesteld; +De handboogschutters nemen ’t midden in; +John hertog Norfolk, Thomas graaf van Surrey +Zijn de oversten van ’t voetvolk en de ruiters. +Zijn deze aldus op weg, dan volgen wij +Met onze hoofdmacht, die aan wederzij +De keur der ruiterij tot vleugel heeft. +Zoo, en Sint George als hulp!—Wat dunkt u, Norfolk? + +NORFOLK. Een goede schikking, oorlogshafte vorst.— +Dit vond ik hedenmorgen in mijn tent. + +(Hij geeft den Koning een stuk papier.) + +KONING RICHARD (leest). + + „Hans Norfolk, tijdig heil gezocht! + „Uw meester Dick is verraden, verkocht.” + +Dit is een loos verzinsel van den vijand.— +Gaat, heeren, ieder uwer op zijn post. +Geen beuzelpraat van droomen breng’ ons angst; +Geweten is een lafaardswoord, een vond, +Die sterken, geeft men toe, in banden legt; +De vuist zij ons geweten, ’t zwaard ons recht. +Vooruit, grijpt aan, vooruit steeds, moedig, fel, +Zoo niet ten hemel, dan te zaam ter hel!— +(Tot de troepen.) Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? +Bedenkt, met wie gij u te meten hebt: +Een troep landloopers, schooiers en schavuiten, +Bretagner schuim en lage slaafsche boeren, +Door ’t land, dat hunner zat is, uitgebraakt +Tot doldriest woeden en een zeek’ren dood. +Gij sliept in veiligheid, zij brengen onrust; +Gij roemt op landerijen, schoone vrouwen, +Die willen ze u betwisten, deze schenden. +En dan, wie voert hen aan? een kale jonker, +Die in Bretagne ’t brood at onzer moeder! +Een melkmuil, die zijn leven lang zich nooit +Tot boven de enkels in de sneeuw gewaagd heeft! +Komt, dit gespuis weer over zee gezweept, +Die drieste Fransche schooiers weggegeeseld, +Dit hong’rig, levensmoede bedelvolk, 329 +Dat, had het van dit waagspel niet gedroomd, +Uit nood, kaal rattenbroed! zich had verhangen. +Neen, moeten we overwonnen zijn, dan zij ’t +Door mannen, niet door die Bretagner bastaards, +Door onze vaad’ren in hun eigen land +Geklopt, gestriemd, gedorscht, aan bare schande +Ter prooi gelaten! En die zouden ons +Ons land ontnemen, onze vrouwen, dochters +Onteeren, schenden?—(Trommen in de verte.) Luistert, ’k hoor hun +trommen. +Strijdt, Eng’lands ridderschap! strijdt, stoute burgers! +Spant, schutters, uwen boog tot aan de wang! +Spoort uwe fiere rossen, waadt door bloed, +Verbaast het luchtruim met uw lansgesplinter! + +(Een Bode komt op.) + +Wat zegt lord Stanley? komt hij met zijn volk? + +BODE. Mijn vorst, hij weigert hier te komen. + +KONING RICHARD. Dan George Stanley ’t hoofd af! + +NORFOLK. Mijn vorst, de vijand is ’t moeras reeds over; +Dat George Stanley sterve na den slag. + +KONING RICHARD. Veel duizend harten zwellen in mijn borst. +Vooruit de standaards! valt den vijand aan! +Onze oude krijgsroep: „Voor Sint George en Eng’land!” +Beziel’ ons met den haat van vuur’ge draken! +Op onze helmen troont de zege; voort! + + (Allen af.) + + + + + +VIERDE TOONEEL. + +Een ander gedeelte van het veld. + +Krijgsgedruisch; heen en weer trekken van troepen. Norfolk komt op met +troepen, Catesby gaat op hem toe. + +CATESBY. Ter hulp, mylord van Norfolk, op! ter hulp! +’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet; +Hij trotst op dood en leven ied’ren vijand. +Zijn paard is dood; hij vecht te voet steeds voort, +En zoekt naar Richmond in den muil des doods. +Breng hulp, mylord, of alles is verloren. + +(Krijgsgedruisch. Koning Richard komt op.) + +KONING RICHARD. Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard! + +CATESBY. Wijk, wijk, mijn vorst; ik help u aan een paard. + +KONING RICHARD. Gij slaaf! ik zette op éénen worp mijn leven, +En zet het waagspel tot het einde voort. +Er zijn zes Richmonds in het veld, geloof ik; +’k Versloeg er heden vijf in plaats van hem.— +Een paard! een paard! gansch Eng’land voor een paard! + + (Allen af.) + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + +Een ander gedeelte van het veld. + +Krijgsgedruisch. Koning Richard en Richmond komen op en gaan vechtend +heen.—Sein tot terugroeping en trompetgeschal. Dan komen op: Richmond, +Stanley met de kroon, verscheiden andere Lords, en troepen. + +RICHMOND. Gode en uw zwaard zij dank, zeeghafte vrienden, +Ons is het slagveld en de bloedhond dood. + +STANLEY. Schoon, dapp’re Richmond, hebt gij u gekweten! +Zie hier, dit lang geroofde koningskleinood +Heb ik aan ’t doode hoofd des snooden moord’naars +Ontrukt, om u de slapen mee te sieren; +Aanvaard het, draag het lang, hernieuw zijn glans! + +RICHMOND. Gij, God hierboven, zeg hier „Amen” toe;— +Maar zeg mij, leeft de jonge George nog? + +STANLEY. Hij leeft, in veiligheid, in Leicester, heer, +Waarheen, zoo ’t u behaagt, wij allen gaan. + +RICHMOND. Wie vielen er, van naam, aan beide zijden? + +STANLEY. Lord Walter Ferrers, hertog John van Norfolk, +Sir Robert Brakenbury, Sir William Brandon. + +RICHMOND. Begraaft hen naar hun rang en hun geboorte. +Verkondt genade aan elk voortvluchtig krijger, +Die onderdanig tot ons wederkeert. +Dan willen wij de roode en witte roos, +Gelijk ik zwoer bij ’t sacrament, vereenen;— +De Hemel lach’ het toe, dit schoon verbond, +Die lang met donk’ren blik den krijg aanschouwde;— 21 +Wie pleegt verraad en zegt hierop geen amen? +Lang sneed dolzinnig Eng’land zich in ’t vleesch; +Blind stortte lang de broeder ’s broeders bloed; +Woest werd de vader moord’naar van zijn zoon, +De zoon, uit noodweer, slachter van zijn vader; +’t Werd al verdeeld door York en Lancaster, +Door gruwzame verdeeldheid zelf verdeeld.— +O, mogen Richmond en Elizabeth, +Van beide huizen de rechtmatige erven, +Zich nu vereenen door Gods wijs bestel! +En moog’ hun kroost,—zoo gij, o God, dit wilt,— +De toekomst met een zoeten vrede zeeg’nen, +Met dagen van geluk en rijken bloei! +Verstomp, genadig God, het zwaard der boozen, +Wier wensch is, zulke dagen te doen keeren, +Waarin arm Eng’land weent met stroomen bloeds! +Hij sterve en hebb’ geen deel aan Eng’lands zegen, +Die aan den vrede zwart verraad wil plegen! +De twist is dood, en vreê voegt allen samen; +Lang leev’ die hier, en gij, o God, zeg Amen! + + (Allen af.) + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + +Shakespeare ontleende de stof voor zijn „Koning Richard III” aan de +kronieken van Hall en Holinshed; deze beide,—en wel voornamelijk de +eerste, want Holinshed heeft uit Hall geput,—gronden hun verhaal op Sir +Thomas More’s Tragical History of Richard III. More’s bron waren +mondelinge mededeelingen van John Morton, bisschop van Ely, die, zooals +ook in Sh.’s stuk vermeld wordt, de zijde van den hertog van Richmond +gekozen heeft. Dat het beeld, door More van Richard gegeven, zeer +donker gekleurd is, kan dus niet bevreemden. Maar het moge in +bijzonderheden onjuist, hier en daar verkeerd getint zijn, dat het in +grondtrekken niet gelijkend is, kan men daarom geenszins beweren. Aan +de gelijkenis van het door Hall geschetste beeld werd in Shakespeare’s +tijd ten minste niet getwijfeld, en ook de geschiedvorschers van den +lateren tijd erkennen, naar aanleiding van de karige berichten, die uit +deze schrikkelijke tijden tot ons gekomen zijn, dat Richard een vorst +was van grooten aanleg, doordrongen van eergierigheid en heerschzucht, +die zijn plannen met onverzettelijke geestkracht wist uit te voeren, +zonder zich door goddelijke of menschelijke wetten te laten weerhouden. + +Dat Shakespeare bij de schepping van dit beeld des demonischen +dwingelands de aanwijzingen zijner kronieken over het algemeen getrouw +gevolgd heeft, zou door uitvoerige uittreksels kunnen blijken; +vooreerst zij het voldoende, het door een enkel voorbeeld te staven. + +In de kroniek van Hall vindt men de volgende karakterschets van Richard +III: + +„Richard, hertog van Gloster, was in geest en moed zijn’ broeders +Edward en George gelijk, maar stond in lichaamsschoon en trekken ver +bij beiden achter; want hij was klein van gestalte, slecht gevormd van +ledematen, krom van rug, zijn linkerschouder veel hooger dan de +rechter, met harde gelaatstrekken, wat men bij grooten een krijgshaftig +gelaat, en bij mindere personen een norsch gezicht noemt. Hij was +boosaardig, wraakzuchtig en afgunstig, en men verhaalt, dat zijn moeder +hem eerst na zwaren arbeid het leven geschonken had en dat hij met de +voeten vooruit ter wereld was gekomen, zooals de mensch uitgedragen +wordt, en zooals het gerucht loopt, niet zonder tanden. In hoeverre +zijn haters dit tegen de waarheid in hebben uitgestrooid, of wel de +natuur haar gang veranderd heeft bij den aanvang van hem, die in zijn +leven menige onnatuurlijke daad bedreef, laat ik aan Gods oordeel over. +Hij was geen slecht bevelhebber in den oorlog, waar zijn gezindheid +meer toe geneigd was dan tot den vrede. Verscheidene overwinningen had +hij en ettelijke nederlagen, maar deze nooit door de schuld van +hemzelf, wegens het ontbreken hetzij van moed hetzij van beleid. Ruim +was hij in zijn uitgaven en zelfs boven zijn vermogen mild; met groote +gaven verwierf hij onbestendige vriendschap, waartoe hij elders borgde, +plunderde of afperste, welk doen hem bestendigen haat verwierf. Hij was +gesloten en achterhoudend, een diep huichelaar, nederig in zijn +manieren, hoovaardig van harte, uitwendig vertrouwelijk als hij +inwendig haatte, nooit nalatend hem te kussen, dien hij van plan was te +dooden; onverzoenlijk en wreed, niet altijd uit boozen wil, maar vaak +uit eerzucht en om zijn doel te bereiken; vriend en vijand waren hem +onverschillig, wanneer zijn voordeel in het spel kwam; hij ontzag den +dood van geen mensch, wiens leven zijn plannen in den weg stond. Hij +versloeg in den Tower koning Hendrik VI, zeggende: „Nu is er geen +mannelijk erfgenaam van Edward III dan wij van het huis van York”, +welke moord begaan werd zonder toestemming van koning Edward die dit +slachterswerk eer aan een ander dan aan zijn eigen broeder zou hebben +opgedragen. Ettelijke wijze mannen gelooven, dat zijn drijven ook niet +ontbrak, om zijn eigen broeder Clarence den dood aan te doen, waar hij +zich naar allen schijn tegen verzette, hoewel hij er inwendig naar +streefde. En de grond hiervan was, zooals menschen, die zijn daden en +handelingen gadesloegen, opmerkten, dat hij reeds lang in koning +Edwards tijd er aan dacht, de kroon te erlangen, in geval de koning +zijn broeder, wiens leven, naar hij wachtte, door zijn losbandigheid +zou verkort worden, mocht komen te sterven, gelijk dan ook gebeurde, +terwijl zijn kinderen nog jong waren. En als dan de hertog van Clarence +nog leefde, zou zijn voorgenomen plan zeer gehinderd worden; want als +de hertog van Clarence trouw was gebleven aan zijn neef den jongen +koning, of zelf koning had willen worden, zou zoowel het een als het +ander een booze hinderpaal geweest zijn op den weg van den hertog van +Gloster; maar als hij zeker was, dat zijn broeder Clarence dood was, +wist hij, dat hij zonder zooveel te wagen aan het werk kon gaan. Maar +omtrent deze punten bestaat geen zekerheid, en wie raadt of gist, kan +evengoed te kort als te ver schieten; maar deze gissing kwam,—wat +zelden het geval is,—later uit, zooals gij in het vervolg vernemen +zult”. + +Men ziet, dat Shakespeare de persoonlijkheid van Richard inderdaad +gevormd heeft naar de aanwijzingen der kroniek en ook verdere +bijzonderheden aan deze ontleend heeft. Om een geheel te scheppen heeft +de dichter natuurlijk de gebeurtenissen, die door eenige jaren afstands +gescheiden zijn, moeten samendringen. Het was in 1471, dat Hendrik VI +in den Tower vermoord werd gevonden,—men vergelijke de aanteekeningen +op „Koning Hendrik VI” en ook de geslachtslijst—en eerst omtrent twee +jaren later huwde Richard met Anna Nevil, vroeger bruid van prins +Edward, den bij Tewksbury verslagen zoon van Hendrik VI. De bestorming +van Anna door Richard aan Hendriks lijkbaar is een dichterlijke +vond.—Zij en Isabella Nevil, de gemalin van Clarence, waren de eenige +kinderen van den machtigen graaf van Warwick, die groote bezittingen +had nagelaten. Clarence zag, schoon zijn vrouw hem haar aandeel aan +haars vaders nalatenschap had aangebracht, het huwelijk van Richard met +de rijke Anna met leede oogen aan, en oneenigheid tusschen de beide +broeders was er het gevolg van. Dat Richard daarom naar den dood van +Clarence zou gestreefd hebben, is echter volstrekt onbewezen. Clarence +gaf zelf, na den dood zijner gemalin in 1476, aan koning Edward +aanleiding, dat deze hem in 1477 van hoogverraad beschuldigde; hij werd +gerechtelijk ter dood veroordeeld en stierf in Febr. 1478 in den Tower, +op welke wijze is onbekend; onder het volk werd weldra verteld, dat hij +in een vat malvezijwijn verdronken was, en later werd zijn dood aan +Richard van Gloster ten laste gelegd. Koning Edward overleefde hem ruim +vijf jaren en stierf in April 1483, na in zijn laatste ziekte getracht +te hebben een verzoening tot stand te brengen tusschen beide partijen, +die aan zijn hof elkander vijandig tegenover stonden, de verwanten der +koningin en den ouden adel. Na den dood van Edward IV volgden de in dit +stuk ten tooneele gevoerde gebeurtenissen snel op elkander. Nog in Mei +werden Rivers en zijn medestanders gevangen genomen, Richard tot +Protector en Defensor des rijks en voogd van den jongen koning benoemd; +lord Hastings werd 13 Juni gevangen genomen en terechtgesteld, Richard +26 Juni gekroond. In hetzelfde jaar stond Buckingham op; hij werd 2 +Nov. 1483 onthoofd. In 1484 verloor Richard zijn eenigen wettigen +erfgenaam, zijn zoon Edward, prins van Wales, van wien door Shakespeare +geen gewag wordt gemaakt. In Maart 1485 stierf zijn vrouw Anna; op 1 +Aug. van dit jaar landde Hendrik Richmond in Milfordhaven bij Pembroke +en op 22 Aug. sneuvelde Richard na manmoedigen strijd op het slagveld +bij Bosworth. Wat de door Sh. gebezigde kronieken van al deze +gebeurtenissen verhalen, behoeft hier niet te worden medegedeeld; op +enkele bijzonderheden zal in het vervolg dezer aanteekeningen gewezen +worden; over het geheel week hij weinig van de kronieken af. + +Koning Richard III is zoozeer het onmiddellijk vervolg van de drie +deelen van Koning Hendrik VI, dat het stuk ongetwijfeld kort na deze +geschreven is; men mag vermoeden in 1593, misschien in 1594 of 1595. +Het stuk werd op 20 October 1597 in het register der boekhandelaars +ingeschreven en in dit jaar ook uitgegeven, onder den titel: The +Tragedy of King Richard the third. Containing, His treacherous Plots +against his brother Clarence: the pittiefull murther of his innocent +nephewes: his tyrannical usurpation: with the whole course of his +detested life, and most deserued death. As it hath beene lately Acted +by the Richt honourable the Lord Chamberlaine his Seruants. At London +Printed by Valentine Sims, for Andrew Wise, dwelling in Paulus +Churchyard, at the signe of the Angell. 1597.—Op deze eerste uitgave in +quarto volgde in 1598 een tweede, die op den titel den schrijver noemt: +By William Shake-speare, in 1602 een derde, die, evenals de volgende +quarto-uitgaven, van 1605, 1615 enz. op den titel de woorden Newly +augmented draagt; zij onderscheiden zich echter vooral door meer +drukfouten en onbeteekenende afwijkingen van de eerste; slechts op +enkele plaatsen zijn verbeteringen aangebracht. In de folio-uitgave van +Shakespeare’s dramatische werken, van 1623, draagt het stuk den titel: +The Tragedy of Richard the Third: with the Landing of Earle Richmond, +and the Battell at Bosworth Field; terwijl het in de bovenschriften der +bladzijden The Life and Death of Richard the Third genoemd wordt. + +De eerste quarto-uitgave van „K. Richard III” onderscheidt zich gunstig +van de quarto-uitgaven der meeste andere stukken; de tekst is zeer +leesbaar, een groot verschil b.v. met dien der quarto-uitgave van +„Koning Lear,” waarover men de aanteekeningen op dit stuk nazie. Geen +wonder, dat de beide uitgaven, de eerste quarto en de folio, met alle +zorg vergeleken zijn, met name door Delius en Alexander Schmidt, zooals +men in het Shakespeare-Jahrbuch van 1872 en van 1880 kan vinden. Het +resultaat der onderzoekingen is het volgende: de echte tekst van +„Koning Richard III” wordt gegeven door de folio-uitgave. Aan dezen lag +een handschrift ten grondslag, dat wel niet het oorspronkelijke van +Shakespeare zal geweest zijn, maar toch zeker door afschrijven er van +gekregen was. Bij het afschrijven zijn ongetwijfeld fouten begaan, bij +het drukken eveneens, zoo zelfs, dat er enkele regels zijn weggevallen +maar het geheel is toch de eenig ware bron voor den tekst. De eerste +quarto-uitgave daarentegen is, gelijk bepaald door Alex Schmidt werd +aangetoond, ontstaan door het opschrijven van het stuk, als het +gespeeld werd; de nauwkeurige vergelijking der beide teksten maakt dit +hoogstwaarschijnlijk. Bij het verkort opschrijven bleven enkele woorden +achterwege en werden later ingevuld, of een woord werd met een of een +paar letters aangeduid en bij het overschrijven werd het door een +ander, dat even goed of bijna even goed in den zin paste, vervangen, in +plaats van een woord werd een ander verstaan, versregels werden door +het invoegen of weglaten van een minder wezenlijk woord bedorven, de +eene acteur werd voor den anderen aangezien, of er werd, als één acteur +in twee rollen optrad, niet behoorlijk onderscheiden, wie door hem +voorgesteld werd, een acteur sprak zijn rol niet geheel juist of voegde +er iets in, kortom, de tekst der quarto’s vertoont vele afwijkingen, +die alleen uit het haastig opteekenen van het gehoorde woord te +verklaren zijn. De uitgever heeft zich inderdaad moeite gegeven om een +draaglijken tekst te leveren en het in orde brengen van het handschrift +aan iemand opgedragen, die vrijwel voor zijn taak berekend was en +blijkbaar ook begrip van versbouw had, want men vindt verscheidene +verzen beter ingedeeld dan in de folio-uitgave; maar als de +snelschrijver woorden had uitgelaten of door andere vervangen, die de +maat van het vers storen, bleven de regels natuurlijk gebrekkig, en +zulke regels zijn er niet weinige; te meer op te merken, daar +Shakespeare in den tijd, waarin hij den Richard III schreef, zich +geenszins de vrijheden en onregelmatigheden in den versbouw +veroorloofde, die men in zijn latere werken opmerkt.—Bij den derden +druk wordt het stuk „opnieuw vermeerderd” genoemd; dit is eenvoudig +niet waar; maar er zijn toch hier en daar veranderingen aangebracht; +het blijkt, dat men, door nogmaals het spelen van het stuk bij te +wonen, getracht heeft verbeteringen aan te brengen; van tijd tot tijd +vindt men, voor de vroegere lezing der quarto’s, de echte der +folio-uitgave terug. + +Is het als bewezen, ten minste als zeer waarschijnlijk te beschouwen, +dat de tekst der quarto-uitgaven door opschrijven van het gesproken +woord in den schouwburg ter sluiks verkregen is, dan kan zij ook niet +als de echte beschouwd worden en mag zij niet voor een uitgave van den +tekst ten grondslag worden gelegd, zooals dit geschied is door de +bezorgers der groote Cambridge-uitgave en der Globe-editie van Sh.’s +werken, Aldis en Wright, die aangaande het ontstaan van den tekst der +quarto-uitgave andere denkbeelden koesterden, waarvan de onjuistheid +uit de onderzoekingen van Delius en Alex. Schmidt voldingend gebleken +is. Bij de vertaling is daarom niet de tekst der Globe-editie ten +grondslag gelegd, maar een andere, welke zich aan die der folio-uitgave +houdt, zooals die van Delius of Knight. + +Al is de tekst der quarto-editie op slinksche wijs verkregen en niet +als gezaghebbend te beschouwen, toch is zij van groot nut voor het +verkrijgen van een zuiveren tekst. De folio-uitgave munt niet door een +zorgvuldige correctie uit en het gebeurt meermalen, dat de +tooneelspelers blijken juist gesproken, de snelschrijvers juist +geschreven te hebben, waar de zetter der folio-uitgave verkeerd las of +spelde. In die gevallen doet de quarto-editie de ware lezing kennen. +Bij den druk der folio-uitgave zijn zelfs enkele regels door de +slordigheid van den zetter weggevallen, die uit de quarto’s weder +ingevoegd moeten worden.—Maar wij hebben meer aan de quarto’s te +danken: het begin van het derde bedrijf, namelijk reg. 1—166 van het +eerste tooneel, en een aanzienlijk deel van het vijfde bedrijf, +namelijk het geheele slot van het stuk van reg. 177, misschien reeds +van reg. 69 van het derde tooneel af, is zeker niet naar het +handschrift, maar,—een nauwkeurige vergelijking leert het,—naar de +derde quarto-uitgave, die van 1602, afgedrukt, waarbij de zetter nog +slordig genoeg was om twee en een halven regel, V. 3. 212—214 weg te +laten. Waarschijnlijk was het handschrift, dat zeker bij de +vertooningen veelvuldig dienst had gedaan, hier verminkt geraakt of +onleesbaar geworden. Dit is te meer te bejammeren, omdat zoowel van de +toespraak van Richmond tot zijn leger, V. 3 237, als van die van +Richard, V. 3. 314, het begin schijnt te ontbreken; misschien werden +zij bij het spelen door de acteurs ter bekorting,—niet altijd worden +kappingen met beleid gedaan,—in dien verminkten vorm voorgedragen. Want +de quarto-uitgave levert het stuk niet, zooals het geschreven, maar +zooals het in 1597 gespeeld werd en blijkbaar werd het toen reeds +bekort. De folio-uitgave bevat omtrent honderdentwintig regels meer; +eens, in het lange onderhoud tusschen Richard en Koningin Elizabeth, in +het vierde tooneel van het vierde bedrijf, ontbreken in de +quarto-uitgave zelfs vijfentwintig achtereenvolgende regels. Opmerking +verdient hierbij, dat verscheidene der ontbrekende regels, die ons +alleen in de folio-uitgave bewaard gebleven zijn, dit stuk als een +vervolg van „Koning Hendrik VI” kenschetsen en er mede verbinden. Men +mag hieruit afleiden, dat het toen reeds meer gegeven werd dan de +deelen van „K. Hendrik VI,” en daarom losgemaakt uit dit verband en als +zelfstandig stuk gespeeld, waarbij de bedoelde regels konden vervallen. +Maar dan was het zeker reeds eenigen tijd gespeeld; en dit bevestigt, +wat boven gezegd is, dat het in 1593, uiterlijk in 1594 of 1595 zal +geschreven zijn. Dat het langen tijd gaarne gezien werd, blijkt reeds +uit de herhaalde quarto-drukken; bovendien vindt men aangeteekend, dat +Henslowe, directeur van een tooneelgezelschap, in 1602 aan Ben Jonson +de som van tien pond betaalde voor een door hem te schrijven stuk +„Richard Bochelrug,”—Richard Croockback,—waardoor Henslowe zeker hoopte +met Sh.’s troep te kunnen mededingen.—Reeds vóór Sh. viel het onderwerp +in den smaak; in 1579 werd te Cambridge in St. Johns College een +Latijnsch stuk van Dr. Legge, Richardus Tertius, gespeeld en vond veel +bijval, en in 1594 verscheen: The True Tragedie of Richard the third: +Wherein is showne the death of Edward the fourth, with the smothering +of the two yoong Princes in the Tower: With a lamentable ende of Shores +wife, an example for all wicked women. And lastly, the coniunctoin and +ioyning of the two noble Houses, Lancaster and Yorke. As it was playd +by the Queens Maiesties Players. London Printed by Thomas Creede, and +are to be sold by William Barley etc 1594. Het zou kunnen zijn, dat dit +oudere stuk werd uitgegeven, toen Sh.’s stuk reeds gespeeld en +toegejuicht werd, in de hoop, dat velen deze ware tragedie voor het +nieuwe stuk zouden aanzien en des te eerder het boek koopen. + +I. 1. 1. Nu werd de winter enz. De woorden: „zon van York” zinspelen op +het wapen der familie York, een door de wolken brekende zon; zie „3 +Koning Hendrik VI” II. 2. 39. + +I. 1. 14. Doch ik, geenszins gevormd enz. Men vergelijke „3 Koning +Hendrik VI”, V. 6. 78. + +I. 1. 17. Dart’le, luchte nimfen. In ’t Engelsch: a wanton ambling +nymph. Ambling is het woord voor den telgang en beteekent hier +eenvoudig een vluggen, luchten gang, going smoothly. Het wordt ook wel +gebruikt voor een geaffecteerden gang, aangenomen om de aandacht te +trekken, doch hier behoeft men er die beteekenis niet aan te hechten. + +I. 1. 56. Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G enz. Volgens +Holinshed was aan koning Edward voorspeld, dat een man, wiens naam met +G begon, voor zijn huis gevaarlijk zou worden, en meende hij, dat zijn +broeder George van Clarence er mee bedoeld werd; Gloster behoorde ten +tijde, dat Clarence gedood werd, tot de trouwste aanhangers des +konings. Dat Gloster de hand heeft gehad in George’s dood, was een +volksoverlevering, die door de geschiedenis niet gestaafd wordt. + +I. 1. 73. Mejuffer Shore. De vrouw van een Londensch burger, met name +Shore, was langen tijd de bevoorrechte geliefde van koning Edward. Zij +was zeer schoon, vroolijk, bevallig en goedhartig; zij had grooten +invloed op den koning, maar bezigde dien enkel, om anderen te helpen, +niet tot eigen voordeel of tot verheffing der haren. In dit opzicht +verschilde zij zeer van de koningin, die dadelijk na haar huwelijk haar +broeders, zusters en haar zonen uit haar eerste huwelijk in rang liet +verhoogen en voordeelige huwelijken deed sluiten, wat den ouden adel +zeer in de oogen stak en groot ongenoegen wekte. Van Shore’s vrouw +spreken daarom de kronieken zonder bitterheid en beklagen haar zelfs, +omdat zij, die na ’s konings dood de geliefde van Hastings geworden +was, weldra, toen deze terechtgesteld was, openlijk boete moest doen en +in armoede verviel. Als Gloster een oogenblik later zegt, dat de koning +de versleten weeuw (zie „3 Koning Hendrik VI”, III. 2), zijn +vrouw,—vandaar in reg. 109 ook koning Edwards weeuw genoemd,—tot +edelvrouw sloeg, overdrijft hij, want koningin Elizabeth was van +adellijke geboorte en weduwe van een ridder. Wat Shore’s vrouw betreft, +deze werd nooit geadeld. + +I. 1. 115. Ik maak u vrij of raak voor u in hecht’nis. In ’t Engelsch: +I will deliver you or else lie for you; of anders lig ikzelf voor u (in +den kerker). Het Engelsche to lie beteekent zoowel liggen als liegen; +meermalen maakt Sh. hiervan voor een woordspeling gebruik. + +I. 1. 158. Een ander diep verholen doel. Inderdaad huwde Gloster Anna +ongetwijfeld om haar groote schatten; men vergelijke boven blz. 267, +waar ook reeds vermeld is, dat Gloster eerst lang na Hendriks dood Anna +huwde. Het volgend tooneel, het aanzoek aan Hendriks lijkbaar, is +geheel verdicht; historisch is alleen, dat het lijk van Hendrik VI, +nadat het in de Paulskerk ten toon had gelegen, eerst naar White +Friars, een deel van Londen, ten zuiden van Fleetstreet en ten oosten +van den Temple, gebracht werd en vervolgens naar het klooster Chertsey, +op drie mijlen afstands van de hoofdstad, om begraven te worden. Dit +tentoonleggen van gestorven vorsten in de kerken geschiedde in die +woeste tijden niet zoozeer om den doode eer te bewijzen, als wel om +iedereen van den dood zekerheid te geven en het optreden van +pretendenten te voorkomen. + +I. 2. 5. Heil’gen koning. Hendrik VI was wegens zijn vroomheid bekend. +Hendrik VII heeft zelfs bij den paus moeite gedaan om hem heilig te +doen verklaren, maar de paus was van meening, dat zijn vroomheid nog +overtroffen werd door de beperktheid zijner geestvermogens. + +I. 2. 28. Het door mijn jonge gade werd en u. Rampzalig door mijn +jongen gade, die stierf.—door u, die hem dooddet. + +I. 2. 55. Des dooden Hendriks wonden....bloeden. Naar een overoud +volksgeloof begonnen de wonden van een verslagene te bloeden, als de +moordenaar het lijk naderde. Holinshed verhaalt, dat de wonden van +koning Hendrik weder begonnen te bloeden, toen men hem in de Paulskerk +tentoonlegde. + +I. 2. 96. Doch uwe broeders sloegen ’t ras terzijde. Vergelijk „3 +Koning Hendrik VI”, V 5 42. + +I. 2. 151. O waren ’t basilisken. Naar ’t oude volksgeloof doodde de +blik van den basilisk. + +I. 2. 156. Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden. Deze en de +volgende elf regels, die op „Koning Hendrik VI” terugwijzen, worden in +de quarto-uitgaven gemist, ongetwijfeld wijl zij, toen „K. Richard III” +meer als zelfstandig stuk gespeeld werd, bij de vertooning werden +weggelaten; zie boven blz. 269. + +I. 2. 203. Die aanneemt, geeft nog niet. In ’t Engelsch: To take is not +to give. In de folio-uitgave staat deze regel niet, die dus uit de +quarto-editie in den tekst is opgenomen. Het kan zeer wel zijn, dat hij +alleen door de slordigheid van den zetter ontbreekt, die juist hier nog +een andere fout beging en voor de woorden Vouchsafe to wear this +ring,—Draag deze ring van mij,—zeer ten onrechte de persoons-aanwijzing +Rich. wegliet, alsof zij evenals de vorige door Anna gesproken werden. +Het antwoord, dat zij, al nam zij Richards ring aan, hem er geen gaf en +er zich dus niet met hem verloofde, was zeker in haar omstandigheden +passend. Maar zij kon ook wel in haar verwarring geen woorden vinden en +zich stilzwijgend den ring aan den vinger laten steken, waarop Gloster, +haar hand nog vasthoudende, voortgaat: „Zie, hoe mijn ring om uwen +vinger sluit.” Het stomme spel van Anna kon ruimschoots de woorden, die +een laatste zwakke poging tot weerstand uitdrukken, vervangen. Het +vermoeden, dat de woorden onecht zijn, wordt nog eenigszins versterkt +door de bijzonderheid, dat in het voorafgaande al de gezegden, van Anna +en van Gloster, halve alexandrijnen zijn en dat dan op vijf volledige +regels een halve volgen zou. Deze bijzonderheid weegt ondertusschen +niet zwaar, omdat men ook zeer wel na de woorden: „Steek op uw zwaard,” +een pauze kan aannemen van een halven regel, zoodat met de woorden: +„Zeg dan, wij zijn verzoend,” een nieuwe regel zou beginnen en de +woordenwisseling met een volledigen alexandrijn sluiten. Het oordeel +over de echtheid of onechtheid van den regel zal dus verschillen, +naarmate men het zwijgen of spreken van Anna bij het aannemen van den +ring beter en poëtischer vindt. Zijn de woorden onecht, dan zijn zij +waarschijnlijk afkomstig van den tooneelspeler, die Anna +voorstelde.—Voor de spel-aanwijzing: Zij laat zich den ring aan den +vinger steken, vindt men in de Engelsche uitgaven: She puts on the +ring. Dat zij den ring niet zelf aan den vinger moet steken, maar +alleen kan dulden, dat Gloster het doet, zal ieder duidelijk zijn. De +spel-aanwijzing heeft niet het minste gezag en is eerst door Johnson +(1765) in den tekst gevoegd; zij moge dus voor de betere plaats maken, +die door Oechelhäuser in zijn Essay over Richard III (1868), opgenomen +in den derden band van het Shakespeare-Jahrbuch, aan de hand is gedaan. + +I. 2. 213. Naar Crosbyhof. In de folio-uitgave staat Crosby-house, in +de quarto’s Crosby-place. Een prachtige woning in Londen, thans nog in +wezen, gebouwd door Sir John Crosby, een aanzienlijk burger, die in +1470 sheriff was. Dat Richard, die in de city veel aanhangers had, er +tijdelijk gewoond heeft, wordt door de geschiedenis vermeld. + +I. 3. 17. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley. Hendrik +Stafford, hertog van Buckingham, was van koninklijken bloede, zoowel +van vaders- als van moederszijde, zie de geslachtslijst.—De edelman +Stanley wordt in de eerste bedrijven van dit stuk Derby, in het vierde +en vijfde bedrijf Stanley genoemd. In de meeste Engelsche uitgaven is, +naar Theobalds voorgang, „Derby” in Stanley veranderd. Dat dit voor de +duidelijkheid wenschelijk is, behoeft geen betoog, en in de vertaling +moest daarom de naam Stanley alleen gebezigd worden, die bovendien +juister is, want Stanley werd eerst bij de troonsbeklimming van Hendrik +VII tot graaf van Derby verheven. Shakespeare koos den naam Derby +waarschijnlijk, als in Engeland meer bekend.—Stanley was gehuwd met +Margaretha, vroeger weduwe van Edmond Tudor, graaf van Richmond, die +als zoon van Catharina van Frankrijk uit haar tweede huwelijk, +halfbroeder was van koning Hendrik VI. Zijzelve was de dochter van +Somerset, een kleinzoon van Jan van Gendt, en reeds daardoor jegens het +huis van York minder welwillend gezind. Haar zoon uit het eerste +huwelijk, Hendrik Richmond, had aanspraak op den troon, dien hij later +onder den naam van Hendrik VII Tudor beklom. Zie de geslachtslijst.—Het +bovenstaande verklaart het volgend zeggen van de koningin Elizabeth: +„Gravinne Richmond, enz.” + +I. 3. 68. Deed u ontbieden. In het oorspronkelijke staat hier, in de +folio-uitgave, slechts één regel: Makes him to send, that he may learn +the ground: doet hem nu zenden om den grond te weten; in de +quarto-uitgave vindt men: + + Makes him to send, that thereby he may gather + The ground of your ill-will, and so remove it. + +In beide is de zinbouw onnauwkeurig hetzij door toevallige +onachtzaamheid van Sh., hetzij om de ontroering der koningin uit te +drukken, die vergeet, dat zij den zin met de woorden „De koning” +begonnen is. + +I. 3. 81. Met gravenkronen enz. In ’t Engelsch vindt men hier een +woordspeling met ennoble, adelen, en noble, een rozenobel, een gouden +munt. + +I. 3. 111. Dat kleine word’ nog minder. Deze verschijning van koningin +Margaretha,—zij komt op en verdwijnt als een spook,—is een +dichtersvond; na den slag bij Tewksbury werd zij een poos gevangen +gehouden en door haar vader Reignier vrijgekocht; na dien tijd betrad +zij Engelands grond niet weer. Zie blz. 208. + +I. 3. 128. Voor het huis van Lancaster. In het derde deel van „K. +Hendrik VI”, III. 2. 8, beging Sh. de vergissing, den eersten man van +koningin Elizabeth, Sir John (niet Richard, ook dit is er onjuist) Grey +voor te stellen als aanhanger van het huis van York; hij streed voor +het huis Lancaster. Ook Elizabeth behoorde van geboorte tot die partij; +haar moeder was in eersten echt verbonden geweest met niemand minder +dan den hertog van Bedford, den broeder van koning Hendrik V. Dat de +verheffing harer familie tot hoogen rang de broeders van koning Edward +en de hooge aanhangers van het huis van York zeer verbitterde, laat +zich dus wel begrijpen, en Richard wist van die verbittering inderdaad +voor zijn plannen behendig gebruik te maken. + +I. 3. 135. Zijn vader Warwick. Clarence’s afval van zijn schoonvader +Warwick komt voor in het derde deel van „K. Hendrik VI”, V. 1. 81. + +I. 3. 228. Wroetend zwijn. Koningin Margaretha zinspeelt hier op den +ever, dien Richard in zijn wapen en op zijn standaard voerde. Aan Sh. +stond zeker het spotvers voor den geest: „De klacht van Collingbourne”, +dat onder koning Richard aan Collingbourne, die het gemaakt had, het +leven kostte, waarin de gewilligste aanhangers, of handlangers, van +Richard, namelijk Catesby, Ratcliff en Lovel met dieren werden +vergeleken. Het vers luidde: + + The cat, the rat, and Lovell our dog + Do rule all England under a hog; + The crookback’d boar the way hath found + To root our roses from the ground. + +Men kan dit aldus vertalen: + + De kat, de rat, en Lovel de hond, + Besturen ’t rijk, met een zwijn in verbond, + Daar de boch’lige ever ’t middel vond + De rozen te wroeten uit Englands grond. + +I. 4. 1. Hoe ziet uw hoogheid enz. In de folio-uitgave treedt, zooals +hier in acht is genomen, een gevangenbewaarder op, met wien Clarence +over zijn angsten spreekt; eerst later als Clarence slaapt komt de +commandant van den Tower, Sir Robert Brakenbury, op.—De quarto’s +vervangen den gevangenbewaarder dadelijk door Brakenbury. Men mag +vermoeden, dat de folio bewaard heeft wat Shakespeare geschreven heeft, +maar dat bij de opvoering meermalen de gevangenbewaarder door +Brakenbury vervangen werd. Dan werd reg. 66, waar de folio Ah keeper, +keeper heeft, gezegd O Brakenbury, zooals de quarto’s hebben; in reg. +73 hebben ondertusschen de quarto’s het woord keeper behouden.—Doch hoe +dit zij, de beschouwingen van Brakenbury, reg. 75—83, en dus ook de +„ongevoelde hersenschimmen,” unfelt imaginations, van reg. 80, +duidelijkheidshalve door „ongenoten hersenschimmen” teruggegeven, +hebben zeker geen betrekking op den droom van Clarence, maar op het +genot of bezit der vorsten, dat slechts in de verbeelding bestaat, dat +zij niet zinnelijk kunnen waarnemen, op het denkbeeldig genot van hun +vorstelijken rang. + +I. 4. 266. Spreekt, wie van u. Dit vers en een drietal volgende worden +alleen in de folio-uitgave gevonden, maar staan er waarschijnlijk een +paar regels te vroeg; zij worden gewoonlijk verschikt, zooals Tyrwhitt +het eerst gedaan heeft en in de vertaling gevolgd is. Andere uitgevers +houden zich aan de quarto’s en laten ze weg. + +II. 1. 7. Rivers en Hastings, reikt elkaar de hand. Holinshed verhaalt, +naar den voorgang van More, uitvoerig, hoe koning Edward, die zich +anders om de oneenigheden aan zijn hof weinig bekreund had, in zijn +laatste ziekte eendracht zocht te stichten, de vijandige edelen tot +zich riep en met name Dorset en Hastings overreedde elkander de hand te +reiken. Uit deze aanwijzingen heeft de dichter het groote twist- en dit +verzoeningstooneel (I. 3. en II. 1.) geschapen. Evenals het optreden +van koningin Margaretha, die in 1482 stierf, is het verband, waarin +Clarence’s dood hier voorkomt, een vinding des dichters. + +II. 1. 67. En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u. Deze regel +komt in de quarto’s niet voor, wel in de folio; vele uitgevers, ook de +Globe-edition, laten hem weg. Is de regel echt, dan heeft Shakespeare +zich vergist, want Lord Rivers, Lord Woodville en Lord Scales zijn een +en dezelfde broeder der koningin, die door koning Edward IV aan de +rijke erfdochter van Lord Scales werd uitgehuwd en zoo den titel van +Lord Scales verkreeg. + +II. 1. 95. Mijn vorst, een gunst enz. Schoon Clarence’s dood vijf jaren +vroeger voorviel, 1578, putte Sh. hier toch weder uit de kronieken. +Holinshed verhaalt, dat koning Edward later bitter berouw had over het +dooden van Clarence en vaak, als iemand om genade voor een misdadiger +smeekte, uitriep: „O ongelukkige broeder voor wiens leven niemand wilde +smeeken!” + +II. 1. 133. Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek. Lord +Hastings was opperkamerheer en wordt daarom tot dezen dienst geroepen. + +II. 2. 89. Kalm, lieve moeder enz. Deze regel en de elf volgende +ontbreken in de quarto’s. + +II. 2. 121. Den jongen prins van Ludlow halen ga. Edward, de jonge +prins van Wales, bij den dood zijns vaders dertien jaar oud, werd op +het kasteel Ludlow in Wales opgevoed; men hoopte, dat zijn aanwezigheid +aldaar gunstig zou werken en de woeste Wallisers in toom houden.—Toen +Edward gestorven was, droeg de koningin-weduwe aan haar broeder op, den +prins naar Londen te brengen. Gloster zette Hastings en Buckingham, +beiden der koningin vijandig, aan, niet te dulden, dat de jonge koning +onder de voogdij kwam zijner bloedverwanten van moederszijde en wist de +koningin te overtuigen, dat het afhalen van den prins met een groote +krijgsmacht wantrouwen zou verraden jegens de edellieden, die zich pas +met de vrienden der koningin verzoend hadden, en hen verbitteren zou. +Toen hieraan gehoor gegeven was, reden Gloster en Buckingham, met +gewapenden, den prins te gemoet, namen Rivers, Grey en Vaughan gevangen +en zonden hen naar Pontrefact (Pomfret) onder voorwendsel, dat zij de +broeders van koning Edward naar het leven hadden gestaan; zij werden +weldra ter dood gebracht. Zoo berichten de kronieken, die Sh. +raadpleegde.—De regels 124—140 van dit tooneel, waarin een groot gevolg +ontraden wordt, ontbreken in de quarto’s. + +II. 3. 42. Door hoog’ren aandrang enz. De gedachte van dezen zin en de +vermelding van het zwellen der wateren voor een storm vond Sh. in de +kroniek van Holinshed.—Daarin wordt de ongerustheid van edelen en +burgers, die op de straten samenstroomden, geschilderd; lord Hastings, +dien zij als vriend des vorigen konings kenden, wist hen gerust te +stellen met de verzekering, dat de gevangen edelen verraad hadden +beraamd en dat zij in hechtenis waren genomen, opdat hun zaak naar +behooren zou kunnen onderzocht worden. Nog meer werden zij +gerustgesteld, toen Edward V in Londen aankwam en zij zagen, hoe +Gloster hem met allen eerbied behandelde. Iedereen prees Gloster en hij +werd door den Staatsraad tot Lord Protector benoemd. + +II. 4. 1. + + Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford, + En in Northampton rusten zij van nacht. + +Zoo staat in de folio-uitgave; de quarto’s hebben: + + ’k Hoor, ze overnachtten gist’ren te Northampton, + En zullen nu te Stony-Stratford rusten. + +Van Northampton reist men over Stony-Stratford naar Londen, daar +Stony-Stratford tusschen beide in ligt. De volgorde der quarto’s is dus +de juiste. Toch geeft waarschijnlijk de lezing der folio terug, wat +Shakespeare schreef; hij had het bericht der kroniek voor den geest, en +volgde dit. Gloster en Buckingham ontmoetten namelijk den prins te +Stony-Stratford en voerden hem terug naar Northampton, vanwaar zij +Rivers en de andere gevangenen noordwaarts zonden; daarna werd de tocht +naar Londen weder aanvaard. De aartsbisschop, die van de gebeurtenissen +nog geen tijding had, moest dus eigenlijk Northampton als eerste +rustplaats noemen. Dat Sh., hierop niet lettende, zelf de onjuistheid +beging, wordt bevestigd door de maat der verzen, die in de folio goed +is, in de quarto’s niet. + +II. 4. 49. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. Ook in de +kroniek wordt de wanhoop der koningin bij het vernemen van het gebeurde +zeer schoon geteekend; zij nam terstond met haar jongsten zoon en haar +vijf dochters de wijk in de vrijplaats van Westminster, waar zij ook +reeds vroeger een schuilplaats gevonden en haar oudsten zoon ter wereld +gebracht had; de aartsbisschop van York trachtte tevergeefs haar te +troosten.—Hij was rijkskanselier en hem was als zoodanig het rijkszegel +toevertrouwd; hij gaf het aan haar te bewaren,—zie reg. 70,—doch vroeg +het eenige dagen later terug, om het aan Gloster, die Protector was +geworden, te overhandigen. + +III. 1. 1. Wees welkom, prins, in Londen, in uw kamer. Londen, namelijk +de city, had den eeretitel van Camera Regia. + +III. 1. 48. De weldaad van een vrijplaats wordt verleend enz. De hier +door Buckingham aangevoerde gronden werden in den raad inderdaad door +hem aangevoerd, toen de Protector beide prinsen onder zijn hoede wilde +nemen. De koningin, die aan de vertoogen van den kardinaal niet wilde +toegeven, deed het eindelijk, toen de kardinaal vertrok en de overige +edelen bleven; zij vreesde toen, dat er geweld zou gepleegd worden. De +ontmoeting der broeders had in het bisschoppelijk paleis van St. Paul +plaats; daarna werden zij in alle statie naar den Tower gebracht en er +gehuisvest, om dezen niet weder te verlaten. + +III. 1. 131. Dat gij mij op uw schouders dragen moet. Hij zinspeelt op +den kameel met een aap op den rug. + +III. 1. 179. Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad. Terwijl +de aan den jongen koning gehechte lords in Baynard’s slot zetelden en +er, op verzoek van den Protector, over de regeling van de aanstaande +kroning raadpleegden, werden er in Crosbyhof samenkomsten gehouden van +hen, die den Protector aanhingen en zijn wensch, om zelf koning te +worden, wilden bevorderen. Wat hierbij verhandeld werd, bleef +natuurlijk diep geheim.—Het zoo even vermelde slot van Baynard, naar +den stichter zoo geheeten, lag aan den oever van den Theems en is sinds +lang verdwenen; het was eens eigendom van Humphrey van Gloster en werd +later door Hendrik VI aan Richards vader, den Hertog van York, +toegekend. + +III. 1. 193. Den kop hem af. Gloster komt wat al te haastig met zijn +eigen meening voor den dag en trekt zijn woorden eenigszins in, door er +bij te voegen, dat hij met Buckingham de zaak wil overleggen. + +III. 2. 10. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had. De inhoud +van dit tooneel: de boodschap van Stanley betreffende zijn droom, de +gerustheid van Hastings, zijn bescheid aan Catesby, zijn spreken met +een heraut en zijn vreugde over het lot der gevangenen in Pomfret, zijn +gesprek met een geestelijke, het zeggen van Gloster’s bode, dat hij +geen priester noodig heeft, het is alles overeenkomstig de kronieken. + +III. 2. 113. En ik maak het goed. Het antwoord van den priester in de +folio-uitgave te vinden: „Ten dienste van uw lordschap,” is +gelijkluidend met wat een oogenblik later Hastings tot Buckingham zegt, +en is waarschijnlijk bij vergissing ook hier geplaatst. Het is daarom +weggelaten, zooals ook door Delius is gedaan. + +III. 4. 24. Ik heb recht lang geslapen. Ook hier blijft Sh. zijn +kronieken getrouw. Gloster verontschuldigde zich over zijn late komst, +keuvelde een oogenblik met de leden van den raad, wenschte een schotel +met aardbeziën van den bisschop van Ely, verwijderde zich voor een +korte poos, kwam zeer verstoord terug, vroeg wat zij verdienden, die +hem naar ’t leven stonden, waarop Hastings zijn advies gaf, toonde zijn +ingeschrompelden arm, en liet Hastings, toen deze zijn antwoord met +„Als” begon, als verrader grijpen en onmiddellijk terechtstellen. +Alleen ging het volgens de kronieken nog ruwer toe: een der gewapenden +had Stanley bijna den schedel gespleten, als deze niet onder een tafel +gevallen was: toch liep hem het bloed nog om de ooren. De aartsbisschop +van York, de bisschop van Ely, Stanley en eenige anderen werden in +afzonderlijke vertrekken gebracht en bewaakt. + +III. 4. 80. Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede. Vele uitgevers +hebben opgemerkt, dat Ratcliff nog niet van Pomfret in Yorkshire terug +kon zijn, en hem hier door Catesby vervangen. Uit het volgend tooneel +blijkt ondertusschen duidelijk, dat niet Catesby, maar Lovel en +Ratcliff voor Hastings’ terechtstelling zorgden. Men moet het dus maar +voor lief nemen, dat Sh. het niet noodig achtte zich met zulke +nauwlettende berekeningen bezig te houden, als de aan elk bekende Lovel +en Ratcliff juist de meest geschikte handlangers van Richard waren bij +dit bloedig doen. + +III. 4. 86. Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld. Ook dit trekje +is weder aan de kronieken ontleend.—Eveneens zijn deze voor het +volgende trouw geraadpleegd; zij berichten, dat de Protector dadelijk +na zijn middagmaal eenige burgers naar den Tower ontbood; bij hun +aankomst troffen zij hem en Buckingham in oude wapenrustingen aan, +alsof de nood tot groote haast gedwongen had; hun werd verhaald, hoe +een moordaanslag van lord Hastings plotseling aan het licht was +gekomen; de vrees, dat zijn mede-saamgezworenen hem zouden bevrijden, +had zijn onmiddellijke terechtstelling noodig gemaakt. Dit werd ook +medegedeeld in een proclamatie, die reeds twee uren na Hastings’ dood +aan de St.-Paulskerk werd aangeslagen; zij was zoo keurig op perkament +geschreven, dat een kind wel merken kon, dat zij vooruit gereed was +gemaakt; hierop is het zesde tooneel van het derde bedrijf gegrond. + +III. 4. 52. Doch ’t was ons plan niet. Op het voorbeeld der +Irving-editie zijn alleen de twee voorgaande regels aan Buckingham, de +volgende niet zooals gewoonlijk aan dezen, maar aan Gloster toegekend. +Dit is ontegenzeglijk beter. + +III. 5. 74. Toon daar..... de onechtheid aan van Edwards kroost. De +Lord-Mayor van Londen, Edmund Shaw, benevens zijn broeder, Doctor John +Shaw en de Augustijner Provinciaal Penker waren voor Richard gewonnen. +Door hun hulp moest bij het volk de overtuiging gevestigd worden, dat +Edwards huwelijk onwettig was geweest, zoowel omdat hij vroeger +trouwbelofte had gegeven of verloofd was aan Lady Elisabeth Lucy [1], +als omdat hij een weduwe gehuwd had. Het huwelijk met een weduwe werd +Bigamie genoemd en was door een statuut van koning Edward I, in +overeenstemming met een besluit van het Concilie te Lyon, voor zondig +en onwettig verklaard. Zoo zegt ook de kroniek, dat men koning Edward +IV, wegens zijn huwelijk met Lady Grey, loathed bigamy te laste heeft +gelegd. Vergelijk het zevende tooneel van dit bedrijf, reg. 189, waar +deze zelfde woorden gebezigd worden. + +Shaw en Penker waren bij het volk zeer beminde predikers; Shaw ondernam +over de zaak in de kerk te prediken, maar slaagde niet en overlaadde +zich met schande. Twee dagen later sprak Buckingham tot de burgerij in +haar gildenhuis; geheel overeenkomstig de kronieken wordt zijn +toespraak en de gansche loop der zaak in het stuk verhaald (III. +7.)—Den volgenden dag begaven zich de Lord-Mayor, de Aldermans en de +voornaamste burgers naar Baynard’s slot, om Richard de kroon aan te +bieden; volgens de kronieken werd daar geheel hetzelfde spel gespeeld +als in het stuk (III. 7). + +III. 5. 76. Hoe Edward eens een burger hangen liet. De kroniek vertelt, +dat een zekere Burdet, een koopman in Cheapside, die gezegd had, dat +hij zijn zoon erfgenaam der kroon (zijn huis droeg dien naam) zou +maken, op last van Edward gevat en binnen vier uur terechtgesteld +(onthoofd) werd. Shakespeare spreekt hier niet van „hangen” maar van +„ter dood brengen.” + +III. 7. 43. ’k Verzeker u, geen woord, mylord. Dit antwoord van +Buckingham wordt in de folio gemist en is aan de quarto’s ontleend. + +III. 7. 49. Want op dien grond vertrouw ik hen te stichten. In het +Engelsch bevat de tekst een muzikale woordspeling: For on that ground +I’ll make a holy descant. Ground beteekent zoowel „grond”, als +grondtoon, bas; descant zoowel een „toelichting, breedvoerige +uiteenzetting” als „hooge stem, discant”, of, zooals hier „harmonie”. + +III. 7. 220. O vloek toch niet. Ook deze regel is aan de quarto’s +ontleend en wordt in de folio niet aangetroffen. Waarschijnlijk ten +gevolge van een besluit van koning Jacobus I, waarbij het ijdel bezigen +van Gods naam en het vloeken op het tooneel verboden was. + +IV. 1. 61. Roodgloeiend ijzer ware enz. Het opzetten van een gloeiende +ijzeren kroon werd in die tijden wel eens als martelstraf gekozen, en +b.v. in 1514 toegepast op het gevangen genomen opperhoofd van een +troep oproerige Hongaarsche broederen; ook in de kroniek van Wyntown +wordt zulk een bestraffing vermeld. + +IV. 2. 27. De vorst is boos; hij bijt zich op de lip. Dit was, zooals +Hall zegt, Richards gewoonte, als hij toornig was. Ook had hij, volgens +Polydore Virgil, de gewoonte, onder het gesprek met zijn dolk te +spelen, die half uit de scheede te trekken en er weer in te stooten; op +een der twee portretten, die van hem bekend zijn, heeft hij zijn dolk +in de hand; zijn rustelooze geest openbaarde zich misschien in de +onrust zijner vingers, want op het andere portret speelt hij met een +ring aan den middelvinger der linkerhand. + +IV. 2. 40. Zijn naam, mylord, is Tyrrell. Nadat Richard, zegt de +kroniek, zich en zijn gemalin Anna had laten kronen, deed hij een +rondreis door Engeland. Uit Gloucester zond hij door een vertrouwde +bode aan Brakenbury het bevel, de zoons van Edward uit den weg te +ruimen. In Warwick ontving hij het weigerend antwoord van Brakenbury. +Dienzelfden avond zeide hij tot zijn page: „Wien kan ik vertrouwen? +zij, die ik verhoogd heb, laten mij in den steek.” De page antwoordde: +„Daar buiten ligt er een op uwe matras, die alles ondernemen zou om u +te dienen.” Het was Sir James Tyrrell, die reeds lang naar Richards +gunst gestreefd had, maar door Catesby en Ratcliff, die ’s mans +eerzucht vreesden, steeds ter zijde was geschoven. Tyrrell, aan ’s +konings bed toegelaten, verklaarde zich bereid; met een brief aan +Brakenbury begaf hij zich naar Londen. De brief bevatte het bevel, dat +aan den brenger, voor één nacht, de sleutels van den Tower moesten ter +hand gesteld worden, opdat hij ’s konings bevelen zou kunnen uitvoeren. +Tyrrell had zekeren Miles Forest, die vroeger ook reeds moordwerk +gedaan had, en een zijner stalbedienden, John Dighton, tot handlangers +gekozen. De moord wordt door de kronieken evenals in dit stuk verhaald; +hoe en wanneer de prinsen zijn omgebracht, is nooit duidelijk gebleken, +maar er is eigenlijk geen reden om de waarheid van het oude verhaal te +betwijfelen.—Tyrrell werd onder Hendrik VII van verraad beschuldigd en +onthoofd. + +Na deze zwarte daad,—zoo heeft Richards kamerheer later verhaald,—had +de koning geen rust meer: „en dit”, merkt de kroniek op, „is een groote +marteling; want de getuigenis van een boos geweten is een vreeselijker +straf, dan de hel met al haar duivelen in zich bevat.” Hij rekende zich +nooit meer veilig; waar hij stond en ging, rolden zijn oogen onrustig +rond, zijn lichaam heimelijk gepantserd, de hand steeds aan den dolk. +’s Nachts lag hij wakker door bekommering en leed onder schrikkelijke +droomen; vaak sprong hij van zijn bed op en liep in het vertrek rond. +Zie V. 3. 160. + +IV. 2. 54. En spoor me een kalen jonker op, wien ik Clarence’s dochter +ras tot vrouw kan geven; de knaap beteekent niets, hem ducht ik niet. +Den zoon van Clarence, reeds door Richard nauw bewaakt, werden door +Hendrik VII wel de goederen en de titel zijns grootvaders, den graaf +van Warwick, toegekend, maar hij werd toch in den Tower gehuisvest. Hij +was zeer onwetend en stompzinnig, waaraan zijn lange gevangenschap +zeker geen goed had gedaan. Hij knoopte in 1499 met Perkin Warbeck, die +wegens hoogverraad in den Tower gevangen zat, betrekkingen aan en werd +terechtgesteld.—Zijn zuster Margaretha werd door Richard aan een +ridder, Sir Richard Pole, uitgehuwd, door Hendrik VIII tot gravin van +Salisbury verheven, maar in 1541, op zeventigjarigen leeftijd, van +deelneming aan een samenzwering beschuldigd en onthoofd. Zij was de +laatste Plantagenet.—Aangaande koningin Anna meldt de kroniek, dat +Richard, toen zij ziek was, het gerucht reeds liet verspreiden, dat zij +gestorven was. Kort daarna stierf zij werkelijk, hetzij van verdriet, +hetzij, wat waarschijnlijker is,—zoo zegt de kroniek,—door vergif. +Overigens stierf Anna veel later: de dood der beide zoons van Edward, +en Buckingham’s opstand vallen in 1483, Anna’s overlijden in Maart +1485. + +IV. 2. 103. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, dat ik, die bij +hem stond, hem dooden zou? Wanneer deze regels werkelijk van +Shakespeare zijn en bovendien de woorden I being by niet bedorven zijn, +blijkt hier weder,—er zijn meer voorbeelden van,—dat Shakespeare zich +niet van de juistheid eener aanhaling uit een vroeger stuk overtuigde, +want bij het bedoelde tooneel, 3 Koning Hendrik VI, IV. 6. 65 vgg. was +Gloster niet tegenwoordig.—Dat aan Richard een spoedige dood voorspeld +was, als hij Rougemont zag,—Rougemont en Richmond verschillen niet veel +in uitspraak,—staat in de kroniek van Holinshed.—Het „klokkeventje,” +waarvan in reg. 117 gewaagd wordt, a Jack, d.i. Jack o’ the clock, is +een automatische figuur, die bij het eind van een uur of half uur, den +arm opheft en slaat, zie „K. Richard II,” V. 5. 60. + +Boven werd twijfel geopperd, of al deze regels van Shakespeare zijn. +Inderdaad worden niet minder dan 18 regels, 102—119, van: Mijn vorst! +Van waar, dat die profeet enz. tot: Ik ben in geen goedgeefsche luim +vandaag, wel in de quarto’s, maar niet in de folio-uitgave, +aangetroffen. Dat zij noodig zijn, zal men zeker niet beweren, als men +dit tooneel in de folio leest en de uitbreiding niet kent; driemaal +spreekt Buckingham den koning toe en driemaal luistert deze niet naar +hem; dit is volmaakt genoeg; volgens de quarto’s gebeurt het tot +zevenmaal toe. Alexander Schmidt acht zich dan ook gerechtigd +(Shakespeare-Jahrbuch XV, p. 315) deze regels voor ingeschoven te +verklaren. Zij zouden dan niet van Shakespeare zijn, maar door den +tooneelspeler zijn ingelast, die dit tooneel zeer dankbaar vond en er +de toejuiching van zijn gehoor mee inoogstte. Dat de inlassching met +kennis van zaken geschiedde en in overeenstemming is met berichten in +Holinshed’s kroniek, behoeft niet als bewijs voor de echtheid +aangenomen te worden; want van de tooneelspelers waren eenige zeker wel +in staat, zelf uit Holinshed te putten en hadden bovendien wellicht bij +gesprekken met den dichter er veel van vernomen.—Terwijl er overigens +slechts vier of vijf regels in de folio toevallig bij den druk +uitgevallen zijn en uit de quarto’s moeten ingevoegd worden, zou het +zeer vreemd zijn, dat een zoo groot stuk zou zijn overgeslagen en te +minder is dit laatste waarschijnlijk, daar de eerste op de inlassching +volgende regel, 120, in de quarto’s luidt: Why, then resolve me whether +you will, or no; en in de folio, met minder teekenen van ongeduld, +nederiger: May it please you to resolve me in my suit, ’t Behage u, mij +uw antwoord te doen kennen. Men zal dus moeten aannemen, dat er een +inlassching heeft plaats gevonden, die wel in de rol des spelers stond, +maar niet in het oorspronkelijke manuscript is ingevoegd, of dat de +dichter zelf het snoeimes heeft gebruikt om het aanvankelijk wat al te +veel op het effect berekende gesprek te bekorten, zoodat in allen +gevalle de folio ons de oorspronkelijke of beste lezing geeft. Men zou +dus de aangewezen regels tusschen vierkante haakjes kunnen zetten en +reg. 120 wijzigen, zooals hier eenige regels hooger is +aangegeven.—Opmerking verdient ook nog, dat het antwoord van Richard in +reg. 121 volgens de quarto’s met Tut, tut, begint, wat de uitgevers, om +het vers Thou troublest me enz. niet te bederven, in een afzonderlijken +regel zetten. De invoeging van zulke uitroepen komt in dit stuk +meermalen voor, meer dan een dozijn keeren; dat deze uitroepen van de +spelers, niet van den dichter afkomstig zijn, is buiten kijf; zij +bevestigen, wat boven gezegd is, dat de quarto’s door opschrijving van +het stuk bij de vertooning verkregen zijn. + +IV. 2. 126. Naar Brecknock. Een slot van Buckingham in Wales, waar het +grootste deel zijner bezittingen gelegen was. + +IV. 3. 36. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid. Te Sheriff Hutton +Castle in Yorkshire, van waar hem Hendrik VII, onmiddellijk na den slag +van Bosworth naar den Tower liet voeren, waar hij in 1499 ter dood werd +gebracht, zie de aanteekening op IV. 2. 54.—Hendrik Richmond wordt reg. +40 een Bretagner genoemd, omdat hij na den slag bij Tewksbury naar het +hof van Frans II, hertog van Bretagne, gevlucht was. De nicht +Elizabeth, waarvan gesproken wordt, is de dochter van Edward IV en +koningin Elizabeth. + +IV. 3. 46. Ely is gevlucht. Dr. Morton, bisschop van Ely; de folio +noemt hem hier Morton, duidelijkheidshalve is hier de naam Ely +verkozen, in overeenstemming met de lezing der quarto’s. Hij was aan de +bewaking van den hertog van Buckingham toevertrouwd. Deze was, toen de +koning hem het graafschap Hereford geweigerd had, naar zijn goederen op +Wales gegaan. Daar trad hij met de aanhangers van den graaf van +Richmond in onderhandeling, waartoe de bisschop van Ely hem niet weinig +aanzette; deze won hem voor het plan om Richmond, die met Elizabeth van +York dan zou huwen, tot koning te verheffen. De bisschop maakte van de +nieuw verworven vriendschap gebruik en vluchtte naar het vasteland, +vanwaar hij eerst onder Hendrik VII terugkeerde, die hem aartsbisschop +van Canterbury en rijkskanselier maakte. Buckingham, door Richards +argwaan in het nauw gedreven, kwam te vroeg in opstand en moest zich +weldra verbergen bij een dienaar, die hem aan den sheriff Shropshire +verried. Hij bekende terstond en trachtte een mondgesprek met Richard +te hebben, zoo het heette om vergiffenis te erlangen, volgens sommigen +om hem dan met een dolk neer te stooten. Het gesprek werd geweigerd en +Buckingham werd, zonder vorm van rechtspleging, te Shrewsbury onthoofd. + +IV. 4. 128. Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd. Airy +succeeders of intestate joys. Als de vreugden gestorven zijn en geen +testament hebben nagelaten, dan komen de ijdele onmachtige woorden van +den rouw en spreken over de nalatenschap, die niets is. + +IV. 4. 146. Ned Plantagenet. Ned is verkorting voor Edward. + +IV. 4. 175. Geen, dan misschien dat morgenuur. Er staat eigenlijk: „het +uur van hertog Humphrey”. In de folio-uitgave staan de vraag der +hertogin en Richards antwoord aldus gedrukt: + + „What comfortable houre canst thou name, + That ever graced me with thy company?” + „Faith none, but Humfrey Hower, + That called your Grace + To Breakefast once, forth of my company?” + +Opmerkelijk zijn de spelling Hower, terwijl twee regels vroeger houre +staat, en de cursief-druk der woorden Humfrey Hower. Malone zegt, dat +schertsenderwijze Humphrey Hour eenvoudig voor hour staat, evenals Tom +Troth wel voor truth gezegd wordt. De cursief-druk, alsof Hour of Hower +een persoonsnaam was, strookt inderdaad wel met deze +verklaring.—Anderen denken bij Richards zeggen aan de spreekwijs to +dine with duke Humphrey, die voor „vasten,” „geen middagmaal hebben” +gebezigd wordt, en vatten Humphrey-hour op als „etensuur”. Nares zegt +hiervan: „The phrase of dining with duke Humphrey, which in still +current, originated in the following manner. Humphrey duke of +Gloucester, though really buried at St. Alban’s, was supposed to have a +monument in old St. Paul’s, from which one part of the church was +termed Duke Humphrey’s walk. In this, as the church was then a place of +the most public resort, they who had no means of procuring a diner, +frequently loitered about, probably in hopes of meeting with an +invitation, but under pretence of looking at the monuments.” + +IV. 4. 221. ’t Is alsof ik uw schapen ’t leven nam. In ’t Engelsch +noemt Richard de vermoorde knapen my cousins, waarop Elizabeth, +spelende met het nagenoeg gelijkluidende woord to cozen, „foppen, +bedriegen, bedrieglijk berooven”, antwoordt: Cousins, indeed; and by +their oncle cozen’d of comfort, kingdom enz.—Deze regel en de dertien +volgende ontbreken in de quarto’s. + +IV. 4. 255. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. In ’t +Engelsch zegt Richard from my soul, „van ganscher ziel, uit of met mijn +gansche ziel,” en Elizabeth vat dit op: „ver van de ziel, buiten de +ziel” en noemt als tegenstelling with her soul, „met haar gansche +ziel.” In ’t Nederlandsch moest dit op een andere wijze uitgedrukt +worden. + +IV. 4. 228. En zoo ik alles deed uit min tot haar? Deze en de 54 +volgende regels, die een zeer belangrijk deel van het gesprek uitmaken, +tot „haar teed’re jeugd,” ontbreken in de quarto’s. + +IV. 4. 346. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. Het huwelijk tusschen +oom en nicht werd door het strenge kerkelijk recht gewraakt; ook de +kronieken spreken vooral om de nauwe bloedverwantschap met afschuw van +Richards plan. + +IV. 4. 366. Bij mijn Sint George. Richard droeg, als koning, het beeld +van den heiligen George op de borst. + +IV. 4. 374. Dan, bij mijzelf. Bij deze en de volgende drie regels is de +rangschikking der folio, die inderdaad beter te achten is dan die der +quarto’s, behouden. De quarto’s hebben: „Welnu, bij de aard”.... „Mijns +vaders dood” „Dan, bij mijzelf”.... „Nu dan, bij God”.... Daarentegen +hebben de quarto’s in reg. 379 beter the king thy brother en reg. 380 +my brother, de folio daarentegen the king my husband en my brothers; +men vergelijke, wat het meervoud my brothers betreft, de aanteekening +bij II. 1. 67. Slechts één broeder, lord Rivers, komt in dit stuk voor. + +IV. 4. 424. Daar, in dat feniksnest. In ’t Engelsch staat: In dat +specerijen-nest, in dat uit geurige specerijen gebouwde nest; R. +zinspeelt daarmede op den feniks, die, nadat hij zich met zijn geurig +nest verbrand heeft, uit zijn asch herleeft. + +IV. 4. 428. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ik meld u, +hoe zij er over denkt. Aangaande de onderhandelingen tusschen Richard +en koningin Elizabeth melden Sh. bronnen het volgende: + +De sluwe Stanley wist den argwaan des konings, die op hem als +stiefvader van den graaf van Richmond rusten moest, zoo goed te +ontgaan, dat deze hem alleen streng gebood, elk verkeer tusschen zijn +vrouw en de partij van Richmond te beletten. De graaf van Richmond zelf +wekte hem meer bezorgdheid. Tevergeefs had hij den hertog van Bretagne +tot uitlevering van den pretendent trachten te bewegen; de markies van +Dorset was uit de vrijplaats te Westminster tot hem gevlucht; het was +geen geheim, dat het plan bestond van een huwelijk tusschen Richmond en +de oudste dochter van Edward IV, waardoor ook de erfrechten van het +huis York op Richmond zouden overgebracht zijn. Om dit gevaar te +voorkomen, kwam Richard op de afschuwelijke gedachte, zooals de kroniek +zegt, om zijns broeders weduwe, Elizabeth, door fraaie woorden en +schoone beloften te verzoenen, aldus haar en haar dochter in zijn macht +te krijgen en het huwelijk met Richmond te beletten. En als er geen +ander middel om zijn troon te redden overbleef, wilde hij liever zelf, +ingeval zijn gemalin Anna stierf, zijn nicht huwen. Hij zond hiertoe +schrandere en welbespraakte mannen naar de vrijplaats tot de +koninginweduwe, die hem tegen de beschuldiging van booze aanslagen +moesten verdedigen en haar tallooze weldaden moesten beloven voor haar +zelve, haar dochters en haar zoon Dorset, wanneer zij zich met Richard +wilde verzoenen. En werkelijk begon de koningin toe te geven; zij +vergat den moord harer onschuldige kinderen, de beschimping van haar +gemaal, de smet, op haar huwelijk geworpen, de eeden, die zij aan graaf +Richmond gedaan had; verblind door haar hebzuchtige teederheid voor +haar dochters en haar zoon, gaf zij haar dochters in ’s konings hoede, +als lammeren in die van den hongerigen wolf, en schreef aan haar zoon, +dat hij naar Engeland, waar hem groote eerbetooningen wachtten, kon +terugkeeren, dat alles vergeven en vergeten en de liefde des konings +voor haar huis verzekerd was. „Waarlijk,” roept de kroniekschrijver +uit, „de wankelmoedigheid dezer vrouw zou groote bevreemding wekken, +indien alle vrouwen bestendig waren; maar de vrouwen zullen altijd haar +aangeboren natuur volgen. Inderdaad was de verlokking groot; want daar +de vrouwen meest naar grootheid streven en verhooging in rang haar het +gemakkelijkst verleidt, is het minder te verwonderen, dat koning +Richard haar zwakheid overwon. Ook is wel aan te nemen, dat zij het +niet waagde zijn voorslagen af te wijzen, opdat hij zijn boosheid niet +op haar, de hulpelooze, bot vierde.” Zijn bedoelingen met haar oudste +dochter zeide hij haar niet; het leven zijner gemalin was nog een +hindernis bij dit plan. Weldra stierf zij, waarschijnlijk door vergif, +gist de kroniekschrijver. Toen echter bevond Richard, dat zijn nicht +een huwelijk met hem te zeerste verafschuwde, zooals inderdaad iedereen +deed, en besloot de zaak nog uit te stellen; trouwens, hij had andere +zorgen: Richmond was geland en vele Engelsche edelen waren in het +geheim op zijn hand. + +Naar aanleiding van deze mededeelingen der kroniek heeft Sh. het +gesprek van Richard met koningin Elizabeth ontworpen, dat inderdaad een +nauwkeurige studie vereischt, zoo men er den gang goed van wil +begrijpen. Elizabeth is aanvankelijk buiten zichzelf over Richards +ongehoorden voorslag en geeft, zonder eenige voorzichtigheid in acht te +nemen, aan haar bitterheid jegens den moordenaar den vrijen loop, en +haar hartstochtelijkheid uit zich te sterker, daar de sluwe koning elke +dreiging vermijdt. Doch plotseling doet hij haar met een paar korte +gezegden, reg. 407 en vlgg., gevoelen, dat zij aan den rand van een +afgrond staat, waarin zijn hand haar en de haren ieder oogenblik kan +neerstorten. Nu keert haar bezinning terug en daarmede de +voorzichtigheid; daar Richard onmiddellijk weder tot zijn zachtmoedige +wijs van spreken was teruggekeerd, was het haar mogelijk, schijnbaar +toe te geven, en de koning, die op zijn huichelaarskunst vertrouwt en +het menschdom veracht, meent een soortgelijken triomf als vroeger over +Anna van Warwick behaald te hebben, zoodat hij geen oogenblik aan zijn +overwinning twijfelt en na haar vertrek zijn vreugde lucht geeft met de +woorden: „Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!” Wel oordeelt +de kroniek evenals Richard over het toegeven der koningin, maar volgens +deze gaf zij toe zonder iets te vermoeden van Richards huwelijksplan; +en bovendien oordeelt ook de kroniek, dat zij wellicht hoopte, door +haar handelwijze den dwingeland te ontwapenen. Dat zij inderdaad +slechts schijnbaar toegeeft, kan men afleiden uit het volgende tooneel, +waarin, namens haar, Stanley haar dochter gaarne aan Richmond +toezegt.—Dat wij aldus den gang van dit gesprek kunnen verklaren is +door Oechelhäuser, in zijn boven reeds vermeld stuk over „Koning +Richard III,” in het licht gesteld. + +IV. 4. 477. Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. In ’t +Engelsch staat: wherefore the Welshman comes, Richmond was de zoon van +een Tudor en de Tudors waren uit Wales. De benaming Welshman drukt ook +minachting uit, zooals het woord „Welsche” in het Hoogduitsch; om deze +terug te geven is hier de vertaling „schooier” gekozen.—Dat Stanley +zijn zoon George als gijzelaar moest achterlaten (reg. 497), vond Sh. +in de kronieken; zoo ook, dat deze bij den aanvang van den slag bij +Bosworth te nauwernood den dood ontging (V. 3. 344). + +V. 3. 63. Geef mij een tijdkaars. In ’t Engelsch: Give me a watch. +Richard verlangt een kaars, zooals er in de zestiende eeuw in gebruik +waren, die door merken was afgedeeld, om naar het afbranden den tijd te +berekenen.—Dat Richard in de nacht voor den slag bij Bosworth door +booze droomen gekweld werd, was een gerucht, dat door de kronieken +vermeld wordt.—Op het tooneel van Shakespeare waren de tenten van +Richard en Richmond zoo ingericht, dat de personen, die er in waren, +voor het publiek zichtbaar waren. + +V. 3. 180. Het licht brandt blauw. Het was een volksgeloof, dat, als +een geest in de nabijheid was, de lichten met een blauwe vlam brandden. + +V. 3. 304. Hans Norfolk, tijdig heil gezocht, enz. Dit rijmpje, +waarmede men Norfolk, die aan Richard trouw bleef, hoewel hij zijn +handelingen laakte, tot afval trachtte te bewegen, luidt in de kroniek: + + Jocky of Norfolk, be not too bold, + For Dickon thy master is bought and sold. + +De folio heeft ten onrechte so in plaats van too; Jocky staat voor +John, zooals Dickon voor Richard. + +V. 3. 314. Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Ongetwijfeld een +vreemd begin van een toespraak; men moet er uit vermoeden, dat Richard +reeds vroeger zijn troepen heeft toegesproken en dat wij in deze +toespraak slechts een laatste aansporing hebben te zien, of wel, dat +het begin verloren is gegaan (zie boven blz. 269). Dat beide veldheeren +een aanspraak gehouden hebben tot hun leger, deelt de kroniek van +Holinshed mede; van Richards toespraak weten wij, dat hij Richmond +genoemd heeft „een Walliser, een onnoozele bloed zonder moed of zonder +ervaring, die aan het hof van Bretagne als een gevangene geleefd heeft +op kosten van mij en van mijn broeder.” Aan dit laatste heeft Sh. reg. +324 ontleend: Long kept in Bretagne at our mother’s cost; „Die in +Bretagne ’t brood at onzer moeder.” Shakespeare schreef mother, schoon +het brother moest zijn; Richards broeder, koning Edward, had aan den +hertog van Bretagne een jaargeld betaald op voorwaarde, dat hij aan +Richmond alle ondernemingen tegen Engeland zou beletten. In den tweeden +druk van Holinshed’s kroniek (van 1586) staat te dezer plaatse de +drukfout mother in plaats van brother, en deze druk was het dus zeker, +die door Shakespeare gebezigd werd. + +V. 4. 2. ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet. Inderdaad streed +Richard met ontembare dapperheid, hij wilde overwinnen of als koning +sterven. Zijn leger was veel grooter dan van zijn tegenstander, maar +het verraad schuilde in zijn benden. Lord Thomas Stanley, Richmonds +stiefvader, vereenigde zich onder het gevecht met Richmond. Richard +stortte zich in glanzende wapenrusting, met de fonkelende kroon op den +helm in het dichtste strijdgewoel, om zijn tegenstander te bereiken. +Reeds had hij Sir William Brandon, Richmond’s banierdrager, met zijn +lans geveld, een anderen sterken ridder ter aarde doen storten, hij +bedreigde Richmond zelf, toen te rechter tijd Sir William Stanley, de +broeder van Thomas, met drieduizend kloeke mannen Richmond ter hulpe +kwam en Richards manschappen op de vlucht dreef. Richard zelf vond na +manhaften strijd den dood. Lord Stanley nam zijn van zwaardslagen +stukgehouwen kroon en zette haar den overwinnenden Richmond op het +hoofd, die door het leger als koning Hendrik VII begroet werd.—Des +avonds bracht een heraut van Richard, Blanc Sanglier, het naakte lijk +van zijn geweldigen meester, als een geveld stuk wild voor hem op het +paard hangende, de stad Leicester binnen, waar het in een klooster ter +aarde besteld werd. + +V. 4. 7. Een paard! een paard! gansch England voor een paard! In ’t +Engelsch: A horse! a horse! my kingdom for a horse! In het andere stuk, +dat in 1594 werd uitgegeven (zie boven blz. 789) roept Richard +eveneens: A horse! a horse! a fresh horse! Het zou kunnen zijn, dat +deze uitroep Shakespeare heeft voorgezweefd, toen hij den diepen indruk +makenden regel schreef.—Iets anders schijnt hij aan het oudere stuk +niet ontleend te hebben. + +V. 5. 29. O, mogen Richmond en Elizabeth, van beide huizen de +rechtmatige erven, enz. Ongetwijfeld was het aller wensch, dat de vrede +verzekerd werd door het huwelijk van Richmond en Edwards dochter +Elizabeth, waardoor de bloedige strijd der roode en der witte roos een +einde zou nemen. En zeker kon de dichter niet beter zijn stuk +besluiten, dan door dezen wensch den nieuwen koning in den mond te +leggen. Doch koning Hendrik VII Tudor stond, zooals de geschiedenis +leert, inderdaad zijn geheele leven de meening voor, dat hij krachtens +zijn eigen recht heerschte, en zijn aanspraken door zijn verbinding met +het huis van York niet versterkt waren, en verder dat zijn strijd met +Richard een godsgericht was geweest, welks uitspraak zijn recht op den +troon bezegeld had. Shakespeare veroorlooft zich dus hier een +dichterlijke vrijheid. + + + + + + + + +EDWARD III (1312–1377.) + +Gemalin: Philippa van Henegouwen. + + 1. Edward, prins van Wales, genaamd de zwarte Prins (1330-1376). + Gemalin: Johanna van Kent. + | + +- Richard II (1367-1400). + + 2. (Jong gestorven, 1336). + + 3. Lionel, hertog van Clarence (1338-1368). + | + +- Philippa. Gemaal: Edmond Mortimer, graaf van March, † 1382. + | + +- Roger Mortimer, graaf van March, aangewezen troonopvolger + | van Richard II, † 1398 in Ierland. + | | + | +- Anna Mortimer. Gemaal: Richard, graaf van Cambridge + | | (zie onder 5). + | | + | +- Edmond Mortimer, graaf van March (1392-1425). + | + +- Edmond Mortimer, schoonzoon van Owen Glendower. + | + +- Elizabeth, gemalin van Percy, bijgenaamd Heetspoor. + + 4. Jan van Gent, graaf van Richmond, hertog van Lancaster + (1340-1399). + + Eerste gemalin: Blanca van Lancaster. + | + +- Hendrik IV (1336-1413). Gemalin: Marie de Bohun. + | + +- Hendrik V (1387-1422). Gemalin: Catharina van + | Frankrijk. + | | + | +- Hendrik VI (1421-1471). Gemalin: Margaretha van + | Anjou. + | | + | +- Edward, prins van Wales (1453-1471). Gemalin: Anna + | Nevil, dochter van den graaf van Warwick. + | + +- Thomas, hertog van Clarence, † 1421. + | + +- John, hertog van Bedford, † 1435. + | + +- Humphrey, hertog van Gloster, † 1447. + + Tweede gemalin: Constance van Castilië. + + Catharina Swijnford, † 1403. + | + +- John Beaufort, graaf van Somerset, markies van Dorset, + | † 1410. + | | + | +- John, hertog van Somerset, † 1447. + | | | + | | +- Margaretha, † 1509, gehuwd met Edmond Tudor, + | | graaf van Richmond. + | | | + | | +- Hendrik VII, Tudor, graaf van Richmond + | | (1456-1509). Gemalin: Elizabeth van York, dochter + | | van Edward IV. (Zie onder 5). + | | + | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1455. + | | | + | | +- Hendrik, hertog van Somerset, † 1464. + | | | + | | +- Edmond, hertog van Somerset, † 1471. + | | | + | | +- Margaretha, gehuwd met Humphrey, graaf van Stafford + | | (zie onder 7). + | | | + | | +- Hendrik Stafford, hertog van Buckingham, † 1483. + | | + | +- Johanna, gehuwd met Jacobus I, van Schotland. + | + +- Kardinaal Beaufort, † 1447. + | + +- Thomas Beaufort, hertog van Exeter, † 1444. + | + +- Johanna Beaufort, gehuwd met Ralf Nevil, graaf van + Westmoreland. + + 5. Edmund van Langley, hertog van York (1342-1402). Gemalin: Isabella + de Padilla. + | + +- Edward, graaf van Rutland, hertog van Aumerle, later van + | York, † 1415 (bij Agincourt). + | + +- Richard, graaf van Cambridge, rebel tegen Hendrik V, † 1415. + Gemalin: Anna Mortimer, dochter van Roger Mortimer. (Zie + onder 3). + | + +- Richard Plantagenet, hertog van York, † 1460. Gemalin: + Cecilia Nevil, dochter van Ralf Nevil, graaf van + Westmoreland. + | + +- Edward IV (1442-1483). Gemalin: Elizabeth Woodville. + | | + | +- Elizabeth (1467-1503). Gemaal: Hendrik VII + | | Tudor. + | | + | +- Edward V (1470-1483). + | | + | +- Richard, hertog van York (1474-1483). + | + +- Edmond, graaf van Rutland (1443-1460). + | + +- Margaretha, in 1468 gehuwd met Karel de Stoute, hertog + | van Bourgondië. + | + +- George, hertog van Clarence (1448-1478), gehuwd met + | Isabella Nevil, dochter van den graaf van Warwick. + | | + | +- Edward, † 1499. + | | + | +- Margaretha, gehuwd met Sir Richard Pole, sinds 1513 + | hertogin van Salisbury (1471-1541). + | + +- Richard III, eerst hertog van Gloster (1452-1485). + Gemalin: Anna Nevil, weduwe van Prins Edward (zie + onder 4). + | + +- Edward, prins van Wales (1473-1484). + + 6. (Jong gestorven, 1348). + + 7. Thomas van Woodstock, hertog van Gloster, gestorven te Calais, in + gevangenschap (1356-1397). + | + +- Humphrey, graaf van Buckingham, † 1460. + | + +- Humphrey, graaf van Stafford, † 1455 (zie onder 4). + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] De koning had vroeger met deze dame vertrouwelijken omgang gehad; +op aansporen van zijn verwanten, die zijn huwelijk met Lady Grey wilden +beletten, kwam zij, op grond van ontvangen trouwbelofte, tegen dit +huwelijk op. (Philippe de Comines, tijdgenoot van koning Edward, +bericht, dat Edward met een Engelsche dame werkelijk getrouwd is +geweest en dat het huwelijk door den bisschop van Bath gesloten was. +Volgens de kroniek van Croyland, die hetzelfde bericht, zou deze dame +Eleanor Butler, weduwe van Lord Butler van Sudley, en dochter van den +graaf van Salisbury, geweest zijn.) + +Op dezen grond werden de kinderen van Edward voor onwettig verklaard +bij parlementsbesluit, waarin echter Elisabeth Lucy niet genoemd wordt. + +Shakespeare volgt Holinshed, wiens bron Hall’s kroniek was, welke op +haar beurt uit het bericht van Sir Thomas More geput heeft. + +[2] Zij was de dochter van Edmond van Woodstock, graaf van Kent. Zij +was eerst gehuwd met graaf Holland; van haar zoons uit dit huwelijk +zijn hier te noemen; Thomas, graaf van Kent, later hertog van Surrey, +en John, graaf van Huntingdon, later hertog van Exeter. + +[3] Deze Edmond Mortimer is met zijn oom, Edmond Mortimer, broeder van +Roger Mortimer, door Shakespeare tot één persoon versmolten. + +[4] Bij Shakespeare in K. Hendrik IV, door Heetspoor steeds Kate +genoemd, in Holinshed’s kroniek Elianor. + +[5] Een zuster van Hendrik IV, Elizabeth, was gehuwd met John, hertog +van Exeter, halfbroeder van Richard II. + +[6] Na Hendriks dood huwde Catharina met Owen Tudor, een edelman uit +Wales. + +[7] Edmond Tudor was de zoon van Owen Tudor en Catharina van Frankrijk. +Na Edmond Tudor’s dood (1456) huwde Margaretha met Lord Stanley, graaf +van Derby. + +[8] Zijn zoon Edward, door Hendrik VII in zijn bezittingen hersteld, en +onder Hendrik VIII groot-connetabel, werd in 1521 onthoofd. Diens zoon +Hendrik voerde alleen den titel van Graaf van Stafford. + +[9] Haar zoon was: Richard Nevil, door huwelijk graaf van Salisbury, +wiens zoon Richard door zijn huwelijk graaf van Warwick werd; haar +dochter Cecilia huwde met Richard Plantagenet, zie onder 5. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76912 *** |
