summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76890-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-09-16 12:22:01 -0700
committerpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-09-16 12:22:01 -0700
commit39da0d43d37bb526f3ab757a87f1262ee9adbd9f (patch)
tree396032aa960f74150a21d490accb17b14e4c1678 /76890-0.txt
Update for 76890HEADmain
Diffstat (limited to '76890-0.txt')
-rw-r--r--76890-0.txt5352
1 files changed, 5352 insertions, 0 deletions
diff --git a/76890-0.txt b/76890-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..645b12f
--- /dev/null
+++ b/76890-0.txt
@@ -0,0 +1,5352 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***
+
+
+
+
+
+ PUCK
+
+ DOOR
+ MARIE OVINK-SOER
+ SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES”
+ MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN
+ JOHANNA COSTER
+
+ TWEEDE DRUK
+
+ GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
+
+
+
+
+
+
+
+
+I EEN SLECHT BEGREPEN KIND.
+
+
+Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer,
+en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze
+misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw
+was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken
+uitgejaagd, verbeeld je!
+
+Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij
+verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst
+gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide
+meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel
+gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen
+kon, binnen kwam.
+
+„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos.
+
+„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je
+schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen
+bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek
+afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte
+oogen keken elkaar woedend aan,
+
+„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je krijgt er een
+om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op
+eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net
+bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen.
+
+„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck,
+dat....”
+
+„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je
+nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt
+niet te pas van een m....” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den
+arm, en schudde de rest van haar woorden weg.
+
+„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.... Vort, mijn keuken uit, en
+heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.”
+
+Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al
+van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop.
+Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er
+haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op
+Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven
+noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer
+verdragen van de dienstboden hier.
+
+„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken
+bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,”
+voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt,
+om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien
+weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het
+zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op
+de beslagen ruiten.
+
+Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke
+begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,”
+beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde
+niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen
+onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak
+even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater.
+
+Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok,
+omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide.
+
+„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes,
+kruidje-roer-mij-niet?”
+
+Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord.
+
+„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel.
+
+„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil
+jij vast de eieren pellen?”
+
+Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend
+toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer
+uit.
+
+„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,”
+zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.”
+
+„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op
+school. Die kinderen stoken haar van alles op.”
+
+„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits.
+
+„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor
+me met hun drieën.... ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die
+houden ook van poppen en zoo.... Daar trekken Ellen en Grace haar neus
+voor op.”
+
+„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,”
+meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en
+’t Bosch.... Zou jij terug willen, Nel?”
+
+„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt
+me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.”
+
+Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui
+scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel
+nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch
+vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t
+gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren.
+
+Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart.
+
+Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat
+dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar
+nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar
+Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden
+opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was,
+had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine,
+verwende ding snoepte, jokte en was verbazend koppig. Snoepen deed
+Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel
+in haar voordeel veranderd.
+
+Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep
+niemand.
+
+Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij
+ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren
+aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder
+plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits
+willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde,
+dat iedereen haar als een klein kind behandelde.
+
+Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t
+meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds
+moeilijker.
+
+Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel
+bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar
+gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen.
+
+„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog
+altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs
+meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen.
+
+„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en
+Grace zeggen ’t ook.”
+
+„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee
+al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.”
+
+„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie... Kom,
+vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien
+bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen
+en in de keuken.”
+
+„Mijn paatje”... begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel
+ernstig aan.
+
+„Kijk me eens in de oogen Puck... geloof je, dat je vadertje zou
+meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis
+hebt?... Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat
+alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je
+hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf.
+Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en
+voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook
+gelukkig... Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen
+doen.”
+
+Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf
+dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee
+mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen
+en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb
+nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.”
+
+Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele
+poos over haar moeilijkheden na te denken.
+
+’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan
+vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles
+was er heerlijk en veel beter dan in dat nare Holland, waar ’t bijna
+aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar
+af te snauwen als die nare Bet deed... Tante was wel lief en de anderen
+ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding...
+Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen?
+Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier
+moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet.
+Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen
+vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een
+enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen
+ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n
+regenbuitje dreef van zelf voorbij...”
+
+Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet
+mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je
+toch zoo ongehoorzaam zijn?”
+
+Ze zou flink straf krijgen, van oom ook... Die Lientien was toch zoo’n
+flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze
+iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo
+flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar
+dooie dingen,” zei ze.
+
+Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met
+haar zijn.
+
+Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen
+geld willen bekennen, omdat ze erg rijk waren. Mevrouw Van Bergen had
+een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois
+mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie
+Canneheuvel dan ook nooit.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II POFFERTJES.
+
+
+Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie
+Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om
+verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten
+naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon,
+Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar
+Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche
+Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn.
+Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te
+sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t
+veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis
+hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer
+gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de
+verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er
+verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten
+oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten
+ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren.
+Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang
+(waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun
+weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t
+oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren,
+zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich,
+dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen
+bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn
+geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en
+gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de
+kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en
+een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog
+geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was
+tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in
+het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s
+leiding, een flinke huishoudster te worden.
+
+Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie
+cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te
+kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar
+in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits
+kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en
+studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een
+uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub.
+
+Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan
+Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al
+negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor
+een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes
+zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten
+reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon
+lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even
+snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar
+en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei
+Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel
+niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht
+niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan
+erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog
+te krijgen.
+
+Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor
+den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden
+kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend,
+want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits
+gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje
+en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op
+zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich
+voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter
+slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je
+op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en
+Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen
+kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om
+van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen,
+had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck
+was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt
+geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk
+onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de
+andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem
+mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende
+maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits
+voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam,
+maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best
+begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield.
+
+Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde
+van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje
+hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar
+vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en
+bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich
+door Puck veel wijsmaken.
+
+Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander
+over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch
+tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,”
+of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd
+voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe
+kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten
+wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de
+rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie,
+ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak,
+had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t
+moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje
+wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen,
+meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van
+tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de
+oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg,
+tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer
+in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want
+tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als
+twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school
+kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen
+middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor
+tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen,
+want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de
+wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar
+voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo
+heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze
+nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige
+bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel
+dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en
+tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje
+lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is
+toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.”
+
+Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante.
+Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar
+schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar
+poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen,
+waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit
+moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd.
+
+„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje
+haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch
+hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit,
+want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien
+vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje.
+
+„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie,
+hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net
+als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek.
+
+Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en
+knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude
+en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege.
+
+Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor
+Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar
+„stad”.
+
+Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t
+groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook
+van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou
+Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen
+(voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze
+poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop
+had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend.
+
+Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien
+en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi
+vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging.
+
+Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld
+volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste
+gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den
+stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou
+Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van
+inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij
+den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,”
+dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van
+postzegels hebben moest.”
+
+Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude
+juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde.
+Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen.
+
+Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met
+eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met
+een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij
+een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits
+gelukkig aan.
+
+Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en
+kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van
+de lijn los maakte.
+
+„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren
+bestellen, en dan... de verrassing.”
+
+Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den
+anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg
+ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee
+bordjes, dol hé?”
+
+„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?”
+
+„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt
+ook een poffer, maar zonder boter en suiker.”
+
+„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien.
+
+’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes
+binnen kwam.
+
+Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart
+verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want
+hij was ook dol op poffertjes.
+
+Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi
+wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits,
+die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed
+ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde
+luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame
+en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof.
+
+„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun
+mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen
+haar opsprong.
+
+„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig.
+
+Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette
+onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel.
+
+Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen
+hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde,
+doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet.
+
+In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten
+bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een
+tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw
+bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die
+„vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos
+naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps
+op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe.
+
+Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij
+bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van
+Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op.
+
+„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij
+verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck
+even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons
+uit.”
+
+„Ooo...” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil... Ellen
+en Grace vonden ’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en...”
+
+„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’
+woedende blikken met woeker terug gaf.
+
+Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes,
+verwaardigde de nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug.
+Wat kon hij anders doen? ’t Ging toch niet aan, om Puck mee te sleuren.
+
+Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t
+tafeltje van de anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en
+presenteerde Lientien heel edelmoedig een derde portie. Maar zusje
+bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met moeite haar
+bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem
+was. Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk
+mislukt. Lientien vond ’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t
+weggaan, in ’t geheel geen notitie meer nam van Puck en die „Van
+Bergens”.
+
+Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel
+bezwaard over Puck en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet
+ze nou alleen naar huis? Mevrouw Van Bergen woont een heel anderen kant
+uit...”
+
+„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten
+tegelijk, dat nare wurm!...”
+
+Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en
+omkijken... Geen spoor van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen,
+wilden ze op etenstijd thuis zijn.
+
+Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at
+heel laat, en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel
+vergeten. Erg verschrikt, toen ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze
+zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar opendeed, met een vaart
+voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was al bezig àf
+te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet.
+
+„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al zoo laat? Ik dacht...”
+
+„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op
+je. Ik moet zeggen, jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t
+geen van allen in ons hoofd krijgen over etenstijd thuis te komen.”
+
+Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al
+heelemaal klaar,” pruttelde ze, „waarom?...”
+
+„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn
+kreeg en naar bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust
+hadden op jou te blijven wachten... je vindt dan ook den hond in den
+pot, meisje.”
+
+„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar
+zooveel poffertjes opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van
+had. En toen dat gejacht en gevlieg! Ze was aan ’t huilen toe van
+overspanning en zenuwachtigheid.
+
+Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar
+gedrag streng afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was
+kwaad op haar.
+
+Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij
+wou, maar haar werd alles kwalijk genomen.
+
+Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien
+avond nog van oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten
+schreide. Te meer omdat oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht,
+haar den verderen omgang met Ellen en Grace te verbieden. Die meisjes
+schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit te oefenen, en dat
+mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje mee
+te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien
+en Nel zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet
+heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen
+avond, geen ziel keek naar haar om.
+
+Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had
+om iedereen te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog
+lang te brommen en te foeteren. Ze had een hekel aan alle menschen en
+aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want ze had er veel te veel van
+gegeten en nu bezwaarden ze haar.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III 1 APRIL.
+
+
+Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en
+Lientien. Dan had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de
+schoolzorgen nog ver weg.
+
+Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t
+schoolwerk worden afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze
+had nog steeds groot ontzag voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat
+te wenschen over, en Lientien moest altijd wéér vragen en zeuren: „hè
+Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, teuterd.”
+
+Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien
+opruimde, was ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd
+grappige spelletjes bedenken, en had telkens nieuwe invallen.
+
+Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een
+grooten bezem door de lucht te vegen.
+
+„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd.
+
+„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een
+hoek gejaagd. Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks
+van stilzitten. Daarom kijken ze ook zoo donker, maar zich verroeren
+durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn bezem.”
+
+Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze
+even later, „dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil
+weg...”
+
+Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe
+was, zeilde het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een
+groote zette het achterna, doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te
+zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, al dunner en dunner werd, en
+eindelijk geheel scheen opgelost.
+
+„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is
+de regen voor vandaag al vast naar huis gestuurd.”
+
+Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,”
+verzocht ze.
+
+„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze
+niet aan met den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die
+worden alleen door hun moeder uitgestuurd als ’t thuis niet meer met
+hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen de deur uit, en dan
+krijgen we lekker weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren
+achtereen hooren brommen en grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo
+lang de zakken met regen blijven dragen tot ze zijn uitgeraasd. En
+telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of de zakken nog
+wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”.
+Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t
+pijpestelen soms uren en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet
+meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, en die mag ze naar huis
+terugdrijven.”
+
+„Waar wonen ze, Puck?”
+
+„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,... en nog veel verder. In
+reuzengroote holen, en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t
+midden met „den wind” naast zich. Die is haar trouwe knecht, en die
+doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er niet, en kon de wolken
+dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, dat ik
+ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de
+wind. De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door
+maar te blijven hangen in plaats van voort te maken... Maar kijk de
+hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de wolken zijn stellig thuis bij
+moeder in de reuzengrot en moeten slapen... Zeg Lientien, zullen we nu
+eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?”
+
+„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig.
+
+„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde
+Puck. „De beste zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen
+niks goeds meer krijgen. Mijnheer en juffrouw Snater, die aldoor maar
+pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, en konden
+daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe,
+slimme spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer,
+van hem was. Voor veel geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de
+familie Snater verhuurd, en die heeft er dadelijk een nestje in
+gemaakt.”
+
+„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan
+geld?”
+
+„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten
+mijnheer „Geelsnuit” onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of
+’t niet waar is.” Puck wees den weg naar ’t balcon van de logeerkamer.
+Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig naderbij, en bogen zich
+over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde Geelsnuit
+vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en
+moeder Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun
+kinderen. Maar vast twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet
+brokje voor hun begeerige open snaveltjes weg, en stopte dit in zijn
+eigen steeds hongerige maag.
+
+„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk.
+
+„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O Puck, hoe heb je dat
+ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?”
+
+„Om dezen tijd ten minste...”
+
+„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs
+ook zien.”
+
+Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk,
+dat de jonge muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden
+zijn.
+
+„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren
+van het huis,” lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?”
+
+„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval
+te pas kwam, „dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of
+Snater, hoe heet ze ook? Tegen den zijmuur bij de regenton is nog een
+leege bloempot: je reinste musschenhuis.”
+
+„Wat een geluk!” riepen de meisjes.
+
+Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig
+haalde hij ’t nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl
+de piepende ouders op den dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf
+ze een kwartiertje later ook in hun schik waren, en dien leelijken
+Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn muggen- en
+wurmenpasteitjes zorgen.
+
+„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei
+Lientien tegen Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit
+hadden vroolijk gemaakt, „jij weet altijd weer wat nieuws.”
+
+„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als
+ik verbazend beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan,
+hoor!”
+
+„Maar dan willen wij misschien niks meer met jou te maken hebben,
+nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. „Wat
+een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog
+klimmen willen...”
+
+„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam,
+want Frits had dit juist gesloten.
+
+„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte
+Lientien; „dat leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.”
+
+„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?”
+
+„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits
+weer „nest” tegen je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er
+in?” dan kijkt hij vast op zijn neus.”
+
+„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde:
+„Iedereen kan ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van
+Vorden.”
+
+Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl
+„Meester” tegen Lientien zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te
+vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje opruimen, hoor!”
+
+Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar
+drift zou hebben te schamen, eer de avond gevallen was.
+
+Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust
+weerstaan met Puck den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór
+haar half leeg gehaald speelgoedkastje met al de schatten om zich heen
+verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet eens een flinke
+opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken,
+toen Puck de kamer binnenstoof.
+
+„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van
+tante, en of je vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk
+aantrekken en je mooie hoed maar op, want zoo dadelijk komt ’t rijtuig,
+en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” theedrinken... Ik
+moet me ook gauw verkleeden...”
+
+„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou
+moet ik mijn haar ook nog over doen en...”
+
+„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,”
+vond Puck.
+
+Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was nu nog uit
+rijden te gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien.
+Argeloos liep ze in de val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit
+juffertje liep weg, quasie om haar jurk uit de kast op den overloop te
+halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat terug te komen. Zij
+haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost
+de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee
+te drinken, en keek zeer verbaasd, toen ze Lientien daar op eens in
+groot toilet zag verschijnen.
+
+„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen?
+Waar wou je heen, poes?”
+
+Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat
+papoes...”
+
+Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen
+van pleizier over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog
+stemmetje zong: „Eén April, één April, mag je foppen wie je wil.
+Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!”
+
+Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij
+smeekend, van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien
+op. Nel, papoes, Frits, zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten
+Lientien alleen met haar verdriet en teleurstelling. En daartusschen
+klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien werd hoog rood,
+ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende
+stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen,
+en gaf haar een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug
+ontving.
+
+„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend
+tweetal in een oogenblik uiteen.
+
+Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn
+schouder. Doch vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben
+je echt een klein, stout schootkindje. Maar Lienepien, hoe kan je een
+onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je houdt zelf zooveel
+van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.”
+
+„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, „en toen dat gejacht en
+gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, dat was nog ’t ergste.”
+
+„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien,
+je bent toch een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud
+is en vroeg donker ook, uit rijden zouden gaan.”
+
+„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van
+’t speelgoed,” zuchtte Lientien.
+
+„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche
+jurk aantrekken, Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie
+wandelen, en brengen we wat lekkers mee voor bij ’t tweede kopje thee.”
+
+Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder.
+
+In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast
+nog echter dan uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen
+van vroeger, uit zijn eigen kinderjaren. Je kon dan onder ’t
+toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te worden. Dit keer
+vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, en
+daar veel ergernis en verdriet door had gehad.
+
+„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien.
+
+„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,”
+lachte vader. „Want ik was op kostschool en dat is nog wat anders dan
+thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat ’t een jongen
+toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool,
+dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste
+menschen, dien ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood.
+Wij, jongens, zouden voor hem door ’t vuur zijn geloopen, want we
+wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig was.
+
+„De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en,
+behalve geniepige, gemeene streken, zag hij bijna alles door de
+vingers. Wanneer hij een jongen met zijn groote, doordringende oogen
+aanzag, moest je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar,
+had je eerlijk bekend, en vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als
+een vader voor je, en bij je zelf dacht je: „Ellendig toch, dat ik den
+baas verdriet heb aangedaan.”
+
+„Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en
+tegen een vechtpartijtje zag hij ook niet op. Vechten was op school
+verboden, en de baas had me al eens een paar keer gewaarschuwd: „Carel,
+daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven niet kunt laten;
+vecht je weer, dan krijg je een pak.”
+
+„En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen
+was, en heb ook menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige,
+vriendelijke woorden van den baas, na afloop van de straf, mij veel
+meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand onder te
+krijgen, dan de klappen.”
+
+„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil
+doen,” sprak Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.”
+
+„Door „Meester”,” spotte Puck.
+
+„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk
+naar „Meester” te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een
+lekkeren banketbakkerswinkel. Wat zullen we nu eens voor thuis
+meebrengen?”
+
+Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden
+natuurlijk zelven de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar
+open deed. Waartoe vader onmiddellijk overging; hij wist nu eenmaal:
+„als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje zien.”
+
+Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was
+zooveel, dat iedereen volop smullen kon.
+
+Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht,
+wat een rommel er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar
+alles keurig opgeruimd.
+
+Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar
+hart, hoe lief dat van haar was.
+
+Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve
+ouders, die nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en
+liefde te werk gingen.
+
+En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht
+Lientien, terwijl ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een
+goed kind te zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV „MAMA!”
+
+
+Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij
+eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt,
+dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo
+goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama
+meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit
+wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig
+ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht
+mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor
+Snellen te raadplegen.
+
+En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had
+best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven
+ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den
+divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet
+aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen.
+
+„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte
+stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want
+daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?”
+
+„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem
+te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet
+zijn, en U voor alles in acht moet nemen, omdat U anders... omdat Uw
+andere oog anders...”
+
+Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit,
+terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte.
+
+Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen.
+„Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind... Hoe kan ik met je praten,
+als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles
+voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat
+nou zoo erg?”
+
+Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje.
+
+„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?”
+verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t
+U belieft maar niet op.”
+
+„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel... Wel kind, professor was ’t in
+hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in.
+Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met
+mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij,
+ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel
+klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig
+trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten... Als U
+zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang
+behouden als anders ’t geval geweest zou zijn...” Zie je wel, Nel, dat
+’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden menschen, die
+maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen,
+handwerken en zoo.”
+
+„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd.
+
+„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in
+wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.”
+
+„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn
+allebei even helder en... Kunnen die geleerde heeren zich niet
+vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets...”
+
+„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik
+zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat
+moeder eens ernstig met je overleggen, kind.
+
+„Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed
+als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe
+alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet
+meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn... Maar ’k
+zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken
+laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.”
+
+„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in.
+
+„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we
+de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t
+vele goede, dat overblijft, niet voorbij te zien. ’k Behoef niet
+hulpbehoevend te worden, Nel, als... ik heel voorzichtig ben.”
+
+Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd
+zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen...
+
+„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte
+Nel.
+
+„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te
+zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige
+dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap
+houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga
+weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n
+beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in
+huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren
+dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.”
+
+Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw
+Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk
+overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa
+vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er
+in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”
+
+„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord
+had, met nadruk in.
+
+Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen.
+
+„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg
+Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof
+gezegd?”
+
+„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar
+jongen in de breede vensterbank naast zich.
+
+Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij
+zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te
+luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel.
+
+Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op
+beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te
+toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij
+gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,”
+verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere
+houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden
+moeten gelooven.”
+
+Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden
+stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats
+vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar
+ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in
+huis moest komen, en...”
+
+Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van
+een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel
+dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd
+aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke
+meid was Nel toch.”
+
+En wat mamp wel bij zich zelf dacht?...
+
+„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij
+eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat
+in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel
+anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te
+geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de
+huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor
+menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa
+en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd
+over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?”
+
+„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader
+zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”
+
+„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama,
+en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de
+meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij,
+dat Nel er niet aan mee wil doen.”
+
+„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen
+te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens
+over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve
+kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden,
+terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je
+jongemeisjespleziertjes aanhouden en...”
+
+„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of
+uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U
+zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag
+zetten wat lekker is...”
+
+„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet
+ik ’t niet...
+
+„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t
+kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den
+huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t
+niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een
+kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó
+ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders
+rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t
+noodig is.
+
+„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante
+Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij
+zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al
+niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t
+aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te
+worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor
+tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden
+te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles
+zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik
+zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.”
+
+„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,”
+merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden
+uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?”
+
+„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa
+opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”
+
+„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei
+Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we
+de anderen mopperen, hé?”
+
+„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog
+leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en
+zóó,” vond Frits noodig op te merken.
+
+„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet
+mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”
+
+„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama,
+„dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had
+uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad
+te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich
+hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.
+
+„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen
+onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”
+
+Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t
+ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het
+droeg.
+
+„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,”
+verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor
+ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”
+
+„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al
+was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we
+haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de
+nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”
+
+„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij,
+dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe
+langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt
+leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan
+mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”
+
+„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij
+geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de
+gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates
+en Waldi naar hartelust bedrillen.”
+
+„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd.
+„Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog
+drie kwart tot de kinderkamer.”
+
+„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar
+eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van
+twintig.”
+
+„Eén en twintig, als je belieft.”
+
+„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de
+winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”
+
+„Zóó, ouwe heer.”
+
+„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan,
+en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....”
+
+Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich
+dus niets aan van zijn laatste woorden.
+
+Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles
+goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te
+groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden
+als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere
+kinderen onderling.
+
+Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk
+gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen
+hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje
+van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en
+schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind
+was.
+
+Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t
+geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van
+die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee
+van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog
+de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes,
+dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De
+meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van
+zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn
+behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je
+weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat
+heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je
+niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.”
+
+„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.
+
+Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan
+mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou
+willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar
+nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga
+mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch
+mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen
+maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl
+er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.”
+
+„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit
+verwaandheid zegt.”
+
+„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen
+ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd
+hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat
+ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook
+niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar
+altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter
+Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens
+antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.”
+
+„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”
+
+„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft
+niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo
+prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te
+worden.”
+
+„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”
+
+„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij
+zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet.
+Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer”
+heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.
+
+
+’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht
+gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden
+maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en
+Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm
+onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote
+baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend
+nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van
+alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk
+weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar
+beurt afwachten en niet vragen.”
+
+„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn
+jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde,
+of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel
+mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?
+
+„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t
+toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.
+
+„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten
+merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante
+wegreden.”
+
+„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”
+
+„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen,
+die mogen per sé nooit wat weten.”
+
+„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt
+tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen
+geleerd.”
+
+„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck
+wijs.
+
+„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat
+begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.”
+
+De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige
+rooden beuk.
+
+Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en
+maakten daar grappige geheimpjes van.
+
+De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den
+geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd
+„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet
+heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn
+moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij
+vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan
+op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die
+al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed
+aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er
+naast: „de schitterende edelknaap”.
+
+De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand
+begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de
+vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op
+springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige
+licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de
+kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de
+twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je
+poppen dan ook in ’t gras liggen?”
+
+Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt
+aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen.
+
+Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid
+moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk
+die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen
+stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale
+drukte.”
+
+„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd,
+„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.”
+
+„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”
+
+Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan
+bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een
+uit.
+
+Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze
+’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch
+papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze
+moesten nu niet hinderen.
+
+Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje
+rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw
+„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust
+vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid
+beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer
+naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster
+bleef staan, kon ze elk woord verstaan.
+
+
+
+Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net
+hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...”
+
+Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck
+binnen.
+
+„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam
+gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de
+professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd
+doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd
+van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck
+nog harder begon te huilen.
+
+„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon
+toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien
+dat vreeselijke gelooven.
+
+Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij
+papa opzoeken.
+
+Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en
+streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.
+
+Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo
+bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje,
+zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong,
+en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals.
+
+„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig
+weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd:
+„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o!
+wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo
+heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.
+
+’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als
+Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders
+hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama
+niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend
+laten merken, dat ze zich ontzien moest.
+
+„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er
+Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten
+wezen.”
+
+„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd
+naar boven te gaan.”
+
+Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met
+een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”
+
+„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute
+meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt
+àl ongehoorzamer en...”
+
+Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te
+kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en
+kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet
+vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte.
+Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak
+verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze
+toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien,
+wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.—
+
+Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama
+had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa,
+want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had,
+was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging,
+toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje
+veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik
+kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo
+vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou
+dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...”
+
+„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je
+zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het
+àf.”—
+
+’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te
+houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had
+uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.—
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI „GEERTJE”.
+
+
+De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de
+advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig
+vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere
+Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen
+zij zich kwam aanmelden.
+
+Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden
+van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar
+innam.
+
+„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een
+weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik
+moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten,
+niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen spijt van
+hebben, ikke kan werken als een paardje.”—
+
+De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en
+Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind
+droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel”
+genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een
+properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend
+had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij
+gunstige getuigen.
+
+Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een
+ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze
+nou precies paste in een deftigen dienst?.... Maar eerlijk en werkzaam,
+dat was zij, en eten kon ze voor tien.
+
+Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen
+Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar
+huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over
+uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek
+wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten
+naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.”
+
+De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen
+Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de
+aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had.
+
+Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje toe, was een
+kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar
+niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had
+zich te..... (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch
+met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog
+als ik ’t had opgestapeld.”
+
+Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet
+onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de
+kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens
+volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte.
+
+Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds
+alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen.
+(Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je
+’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat
+werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar
+„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen.
+De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag
+een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete
+koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met
+haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en
+de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine
+teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging
+veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong ze ook
+vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de
+vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de
+inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt,
+want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest
+Bet daar niets van hebben.
+
+Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat
+viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor
+iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens
+spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig.
+
+Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met
+Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg
+poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover
+deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw
+toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op
+voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze
+in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen,
+doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze
+ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t
+stomme beest niet aan wennen,” meende zij.
+
+Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen
+manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je
+geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?”
+informeerde ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de
+verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet.
+
+Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet
+staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo
+heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook
+geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de
+paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee
+hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd.
+
+Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich
+maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen
+tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck
+en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar
+kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid.
+(Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.)
+Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te
+zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo
+bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder
+bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der
+complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.—
+
+Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met
+Geertje te doen, toen zij (op een morgen thuis geroepen, omdat moeder
+zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was.
+
+’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes
+thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was
+altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!....
+
+In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week
+of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader
+wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen,
+want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n
+puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom.
+
+Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze
+hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom.
+
+„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en
+eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan
+ze immers niet?”
+
+„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel.
+
+„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets
+voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al
+vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over
+is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan
+anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.”
+
+„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte
+Lientien tevreden op. Ze zweeg een poosje, en vervolgde toen: „Wat
+hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is
+toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en
+zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat
+er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan
+doen.”
+
+„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat
+mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen
+menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen
+met ons meelij aankomen, maar echt helpen.”
+
+Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze
+centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck?
+Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over;
+dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!!
+Misschien doe jij ook wel mee, Nel?”
+
+„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer
+zakgeld heb!”
+
+„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak
+flink moest worden aangepakt.
+
+„Secuur,” besliste Nel.
+
+„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld
+ook; ’t geef er maar twee.”
+
+„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk.
+
+Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante
+Heintje gekomen om te helpen. Tante Heintje was weduwvrouw, en had zelf
+geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens
+stellig geen baas zou blijven.
+
+Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok.
+Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar
+werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes.
+
+„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen
+maand dood,” zeiden de kleintjes.
+
+Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t
+uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd,
+al toonde zij dit niet naar buiten.
+
+„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t
+Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte
+visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar
+reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit
+alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje
+aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen
+even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden
+tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles
+behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen
+tegen de zoldering hingen.
+
+„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar
+daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen.
+Och, Jongeheer, wij menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons
+weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t
+hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”—
+
+Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was
+heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen
+moeten overgeven.
+
+
+
+Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor
+Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de
+Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje
+met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje
+werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste
+uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de
+verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren.
+
+De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden.
+Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de
+beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op
+(welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie
+voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op
+spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen.
+
+Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal
+kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde
+niets. Frits wou ook wat doen, en had twee vuurroode papieren rozen
+tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem,
+niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan.
+
+Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze
+schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor
+zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo
+prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.—
+
+Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven
+slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar
+vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde
+tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf
+inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei,
+die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van
+Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was
+geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,”
+zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.”
+
+Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier
+bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de
+„heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor
+tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef
+alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren
+bedje toe.
+
+En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde maar eens in de
+week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.... op één na. Dàt was ’t
+poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde,
+maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je
+je spiegelen kon,” zei Lientien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.
+
+
+De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest
+tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven,
+maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al
+moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde
+flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling
+voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er
+gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden,
+en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet
+veel beter.
+
+Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette
+Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar,
+met heldere blauwe oogen, en een fijn besneden gezicht. Mevrouw
+Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans,
+ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven
+jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich
+uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven.
+
+Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders
+dubbel ontzien.
+
+Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat
+de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog
+meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck
+haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op,
+want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en
+daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden
+in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en
+mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en
+Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam
+niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter
+wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de
+allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel
+te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits
+genoten.
+
+Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en
+niemand nam ’t hem kwalijk, als hij op zijn kalme, bescheiden manier op
+gemaakte fouten wees.
+
+Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een
+ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover
+waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op
+vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou
+optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de
+menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen.
+
+Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet
+zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of
+hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever
+ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol
+stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.... Al had Frans aanleg
+als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg
+zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin.
+Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door
+heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens
+toe.
+
+Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t
+allemaal valsche bescheidenheid was van Frans.
+
+„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die
+niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn
+stemmetje zong zij ouderwetsche liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger
+van tante Sjarlotje leerde.
+
+„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees,
+kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je
+tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.”
+
+Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor
+haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van
+Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al
+veel te groot voor!
+
+Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze
+voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar
+hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck
+op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een
+tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou
+mogen oefenen en broddelen.
+
+„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op
+den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt
+iedereen.”
+
+„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt,
+goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af,
+begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en
+bonkt er me veel te hard op.”
+
+Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar bij zich zelf
+dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf,
+dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.”
+
+Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij
+dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want
+wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben.
+
+Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd
+geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast
+herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar
+piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man
+had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over
+zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat
+op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer
+Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een
+van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij
+zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te
+pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte,
+kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten.
+
+Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen,
+kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan
+Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s
+spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed.
+
+„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen
+kan.”
+
+Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed
+dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en
+zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte.
+
+
+
+Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar
+hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht
+spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den
+sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van
+de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten”
+allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer
+afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat
+’t haar verboden was, op den vleugel spelen.
+
+Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur.
+
+„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd.
+
+„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van
+een marsch in.
+
+„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien,
+„je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.”
+
+„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck.
+
+Lientien werd echt driftig. „Nare treiter,” viel ze uit, „als je me
+weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want
+iedereen zegt, dat je daarop lijkt en....”
+
+Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen.
+„Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien
+zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat
+kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag
+vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien,
+heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging,
+achterbleef.
+
+
+
+Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den
+heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck
+stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante
+eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel.
+Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze
+heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante
+Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen
+opknappen.”
+
+„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er
+lust in?” smaalde Puck.
+
+„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als
+jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat
+jij moet missen. In elk geval wil ik je nu niet langer zoo ontevreden
+en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat
+je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous...”
+
+Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die
+ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat
+er vast een standje voor haar op.
+
+Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en
+was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde
+wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk
+lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of
+dat geweld haast gedaan was.
+
+„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den
+hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven,
+op ander kattekwaad bedacht.
+
+Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner”
+nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien
+bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje.
+Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens
+poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek.
+Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden
+raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen
+oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar
+oudste dochter Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje
+wel een vuurroode roos zetten?.... ’t Lijkt me erg opzichtig.”
+
+„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s
+hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de
+roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de
+hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?”
+
+„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden
+strik, Lienepien?”
+
+„Ook te schel... vindt u niet?”
+
+„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net
+appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.”
+
+„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de
+commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes
+aanwijzing, de lintendoos te zoeken.
+
+„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik
+een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar
+mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het
+appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes
+weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan
+tante ’t eigenlijk wel missen?”
+
+„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder.
+„Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer
+aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is
+al erg oud, ’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar
+verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.”
+
+„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol
+was op verhalen uit de jeugd van groote menschen.
+
+„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een
+vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”.
+Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze
+vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven
+we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit
+rose lint van haar voor mijn haar.
+
+„Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei,
+jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden
+tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en....
+elkander toch zoo spoedig vergaten.”
+
+„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?”
+
+„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar.
+Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch
+niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.”
+
+„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen
+blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp
+heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè,
+zalig!.... Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch
+zoo dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet
+tegen haar.”
+
+„Maar Lientien....”
+
+„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang.
+Enkel „ja” en „nee”.”
+
+„Hoe komt dat dan, snoezepoes?”
+
+„We hebben elkaar uitgescholden omdat.... maar dat kan ik niet allemaal
+vertellen, want ik wil haar niet verklikken.”
+
+„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.”
+
+„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits
+trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,”
+ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo
+graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik
+wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat
+zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk
+en kleine Koo een paar sokjes....”
+
+„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig.
+
+„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me
+al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou
+voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante
+Puck!”....
+
+Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog
+voor wat heel anders hebben uitgemaakt dan voor een ijdeltuit. Want dit
+slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve
+Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t
+tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien.
+Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen
+binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal
+niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen.
+En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie
+Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op
+haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en
+Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was
+juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in
+tantes schortje gestopt.
+
+Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar
+den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde
+Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte
+tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg.
+
+„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet
+vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij
+je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?”
+
+Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed
+bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen
+houden.) Ze was meer verbaasd dan verschrikt, verdacht Puck geen
+oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine
+deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben,
+maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t
+wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog
+te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen
+plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde
+moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun
+best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel
+juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de
+misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk
+gehavend. Maar nu, alle vier.... Puck deed quasi met zoeken mee, doch
+dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,”
+dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé?
+Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar
+keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel
+niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer
+van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak.
+
+Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich
+eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de
+stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te
+dwars.
+
+Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck ze noemde. Er was
+een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft
+langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen
+hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?”
+vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de
+toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de
+toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet
+zijn.”
+
+Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de
+heer Canneheuvel.
+
+„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is
+er een muis in den vleugel....”
+
+„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open,
+keek naar binnen....
+
+„Wat is dat?.... Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op.
+Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.... Ja, ik
+geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam,
+Lientiens poppen in den vleugel gestopt?”
+
+’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t
+punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en
+zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer
+minzaam had voorgesteld liever heen te gaan.
+
+Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den
+heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar
+verloren schapen terug had, liep er dadelijk mee naar boven. De
+stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek
+van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink
+standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!”
+
+Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog
+niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit
+niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama
+vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste.
+
+„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama
+hierop.
+
+En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein
+gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp
+van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan
+het heldere licht gebracht.
+
+„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een
+beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar
+ik zelf den sleutel.”
+
+„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders
+ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde.” Frits wilde Puck gaan
+halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had.
+Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan.
+Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen.
+
+Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui
+er nog waren.
+
+Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop
+ze naar bed.
+
+Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen
+(die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen
+kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch
+hebben.
+
+Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven
+waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante
+Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal
+geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet
+zien kan!”
+
+„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten
+dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem
+komen. En dan nog al met mijn zieke been!”
+
+Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de
+aangeslagen noten op en neer walsen.
+
+Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en
+springen was geweest.
+
+Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was
+de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor
+„zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.—
+
+Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t
+knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, Puckie,” berispte
+Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had
+gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar
+eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald
+plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En
+dat wil ik ook volstrekt niet hebben.”
+
+„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en
+Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is
+alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan
+ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.”
+
+Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje
+achterwege.
+
+En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei
+Frits naderhand tegen Nel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII NEL ALS HUISMOEDER.
+
+
+Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou
+overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en
+kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al
+lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.
+
+Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse
+minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S.
+
+Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als
+zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t
+bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote
+vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante
+minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar.
+Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg
+gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor
+de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee
+moest.
+
+„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante
+heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van
+gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).
+
+„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij
+hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den
+gulden werd niet meer gerept.
+
+’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat
+durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door
+al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de
+vacantiedagen.
+
+Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck
+zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te
+vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.
+
+„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit
+zoo’n zeurkous meer bijgewoond.”
+
+„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en
+oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne
+„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in
+bed, want ’t is mijn beurt.”
+
+„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal
+wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog
+eerst onze kas opmaken.”
+
+„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór
+Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”
+
+Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens
+vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel
+geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en
+gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de
+vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker,
+en dan bij die saaie tante, ajakkes!
+
+Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster
+Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de
+familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij
+vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer
+gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en
+had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel
+blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante
+Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen
+verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan
+dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg
+gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en
+droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante
+gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en
+Wimpie.
+
+Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de
+tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten
+liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.
+
+Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze,
+„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te
+druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat
+Puck de kamer uitging.
+
+Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit
+nachtjaponnetje binnenkwam.
+
+„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.
+
+„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck.
+„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er
+nou nog bij, anders klopt ’t niet.”
+
+Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat
+er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.
+
+Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later
+vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten
+ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo
+iets!
+
+In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t
+hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk
+een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk
+centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s
+krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en
+Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat
+snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan
+’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes.
+Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje
+zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar
+den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje
+doen?”
+
+„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is
+afgesproken.”
+
+(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld
+bovendien.)
+
+Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder
+aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de
+vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en
+gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden
+lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus
+veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet
+mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.
+
+De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te
+bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde
+Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich
+hebben.
+
+Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd
+de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over
+het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke
+deze vacantie ruimschoots beloofde.
+
+„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis
+zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp
+daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.
+
+„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet
+prettig vind...”
+
+„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet
+(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik
+immers twee weken naar Haarlem gaan?”
+
+Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem
+bijzette, gaf mama zich gewonnen.
+
+Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook
+maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw
+Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook
+die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen
+mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is
+de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan
+denkt.”
+
+Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man
+en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar
+bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in
+te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er
+iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een
+of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef
+tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar
+jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.
+
+Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een
+eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen
+„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren.
+Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou
+niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.
+
+Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te
+bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens
+liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over.
+
+„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft,
+want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft,
+ook niet weg.”
+
+Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder
+Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er
+heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een
+uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden
+Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond
+het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of
+wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd
+aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen
+geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.
+
+Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en
+Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en
+stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan
+Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over
+hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze
+gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet
+zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd
+door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel
+vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie,
+nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret
+beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die
+verbood en vitte van den ochtend tot den avond.
+
+’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef
+natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens
+gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig,
+als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik
+uit het oog te verliezen.
+
+Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen
+dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam
+dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en
+neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.
+
+Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar,
+dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.
+
+Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden
+gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder
+genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet
+veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten,
+maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk
+bewaren.
+
+Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te
+maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet
+schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er
+heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de
+bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit
+„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t
+knoeien waren.
+
+Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was
+altijd veel te gauw om naar hun zin.
+
+Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren
+bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half
+uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om
+dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te
+wezen.
+
+Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te
+beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en
+kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de
+hand.
+
+Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten
+worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken.
+
+Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond
+een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest
+was, dit sloeg ze nooit over.
+
+Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren
+geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had
+die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t
+wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen
+briefkaart meer van hem, sinds dagen al.
+
+Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich
+toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.
+
+Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar
+’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder
+de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar
+was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en
+wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als
+’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor
+houden.
+
+„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij
+gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je
+er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te
+schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de
+pret maar half, dat begrijp je.”
+
+„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de
+heele hand....
+
+„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”
+
+„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft,
+heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie,
+Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen
+theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.”
+Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde
+zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over
+beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden
+te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij
+zijn.”
+
+„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met
+vier treden tegelijk op.
+
+Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar
+kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig
+bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren
+er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar
+beneden meegenomen worden.
+
+Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem
+heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar
+Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was
+Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te
+halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t
+daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog
+al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de
+glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje
+een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee,
+of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje,
+als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring,
+en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie
+verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot
+(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en
+begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien
+eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.
+
+Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of
+daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet
+dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor
+Bet!” beloofde ze gul.
+
+„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten,
+Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,”
+vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan
+’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid
+nemen van de gastvrouw.
+
+Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer
+aantrekken.
+
+Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank
+gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog
+vertelde, was tante al heerlijk ingedut.
+
+„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”
+
+’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en
+Frits innig genoegelijk na te babbelen.
+
+En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast
+had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch
+wel erg saai was alleen achter te blijven.
+
+„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans
+gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij
+niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een
+wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een
+genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe
+langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.
+
+„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en
+had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor
+dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van
+plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”
+
+„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de
+kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je
+uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”
+
+„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan
+Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven.
+En nou echt goeienacht, huismoeder.”
+
+Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden,
+„Frits, luister eens....”
+
+Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe.
+„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”.
+
+
+Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de
+huiskamer, op een groot laken, dat Nel over ’t tapijt had laten
+uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een tabouret en een bankje.
+
+Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet,
+Geertje, Wimpie, Puck, Lientien en Annie.
+
+’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast
+niet klaar, had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij
+(op de tabouret), en keek toe, of alles wel naar den aard gebeurde.
+Waldi liep overal tusschen door als een agent van politie, en was braaf
+lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde. Truus en Nellie
+mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op het
+bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de
+anderen bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen
+afhalen? Ze waren heusch groot genoeg om zich niet te bezeeren.
+
+„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den
+slag te gaan, „en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken,
+anders eten we van ’t winter boontjes met haren.”
+
+Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat aan kon hebben, en
+om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje
+bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met
+voorlezen terecht. Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat
+niemand ’t mooier kon dan zij), en dus bleef zij maar aan de beurt.
+Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou snijden of bezeeren met
+het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier.
+
+De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al
+gauw een volle mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg.
+
+Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder
+vond het verhaaltje prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute
+kinderen in voor, volgens Bet, en Geertje dacht bij zich zelf: „Dat
+bennen nou net goeie kameraden voor Puck.”
+
+Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute
+krakelingen mee voor de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg”
+zouden zijn geworden van al dat groen.
+
+„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in.
+
+De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte!
+Waldi bedelde zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had
+gewerkt, slokte een heelen krakeling gulzig naar binnen, en keek dan,
+of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch bedelen aan tafel.
+Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op.
+
+Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien:
+„hè Frits, speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan
+kan Puck meteen een beetje op adem komen van ’t voorlezen.”
+
+„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken,
+terwijl allen de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee
+zongen. Zelfs Geertje galmde: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi
+in de maat met de anderen. Daar ging tante Sjarlotje’s schel, en Kee
+vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw had haar
+gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek
+mee genieten.
+
+Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half
+één liet Nel met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de
+gang, om de van ’t lange zitten stijve beenen weer lenig te maken.
+
+Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi
+in de armen duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even
+verontwaardigd waren, terwijl ze niet wisten, hoe gauw ze van elkaar af
+zouden komen.
+
+Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al
+de verorberde krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over.
+Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, want een versche boterham met
+gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor het
+„twaalf-uurtje”.
+
+Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde,
+voor ’t laatst. En zoo had ze nu ook weer zulk een heerlijken reep
+gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. Puck keek er
+naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang
+opgesmikkeld.
+
+„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens
+mollepootje, „zou je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige
+reepje van jou te geven?”
+
+Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had
+wel iets van een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt.
+Iedereen keek Lientien aan. Wat zou ze doen?
+
+„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door
+Annie krachtig bijgestaan.
+
+„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar
+Lientien....”
+
+Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die
+zijn hoofd schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.... legde
+het op Pucks bord. „Daar dan, maar je moet dat kunstje nou niet aldoor
+uithalen, hoor!” voegde ze er bij.
+
+„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard
+brokje dadelijk in haar mond verdwijnen.
+
+„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!”
+„Was juf maar hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!”
+
+„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel.
+„Bij Lientien is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag
+wat weg, hé poes?”
+
+„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was
+nou toch al op geweest.”
+
+Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest
+naar de keuken, Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven,
+en Waldi ging er met Frits op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien,
+Puck en de twee logéetjes over. Socrates maakte ook al gauw, dat hij
+weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, en nog
+een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn
+gulzigheid zat te betreuren.
+
+Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze
+sneed zich ook niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had.
+Toen Bet weer een mand met afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat
+’t nou genoeg was. De rest zou ze van avond met Geertje wel doen.
+Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van ’t winter
+dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”!
+
+„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw
+Sjarlotje heeft zoowaar ook nog mee gedaan.”
+
+De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig
+afgehaalde boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes
+voor haar zelf,” dacht Lientien, want tante at niet veel.
+
+
+
+„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, Nel,” vertelde
+Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze
+morgenmiddag hier. ’k Heb ze gevraagd.”
+
+„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde
+Puck bijdehand.
+
+„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik uw toestemming soms gevraagd?” spotte
+Frits.
+
+„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij,
+„wat zijn dat nou eigenlijk voor jongens, Frits?”
+
+„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..”
+
+„Onder de Vors....?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog
+bijtijds in.
+
+„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,”
+fluisterde ze toen.
+
+Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.... gehoord te hebben.
+
+„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield
+Nel aan, terwijl ze een waardig moedergezicht poogde te zetten.
+
+„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan,
+en morgen sturen we ze uit wandelen.”
+
+„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine
+meisjes in koor.
+
+Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij
+begon nu uitvoerig van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij,
+met Waldi naast zich, op een bank zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi
+gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit ’t groen naast de bank
+opdoken.
+
+Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug
+geaaid.
+
+„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop
+gevraagd.
+
+Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord:
+„Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo....”
+Nou, toen waren ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens
+evengoed als Frits.
+
+„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de
+grootste, op zijn mager kameraadje wijzend. „Zijn vader is dan vijf en
+twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, aan de
+Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren
+en... wat nog meer, Daan?”
+
+„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan
+gane we een auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.”
+
+„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits.
+
+„Nee, hè mijnheer?.... ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht
+nemen,” vervolgde Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.”
+
+„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel
+missen, mijnheer, want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder
+verloren, en ik heb de mijne nog.”
+
+En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je niet veel meer...
+Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een
+besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet
+U, van bij ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en
+twintig, maar ik zeg maar: een zuster is toch geen moeder, bij lange
+niet.”
+
+„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie
+moeder!”
+
+De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe
+aardiger.
+
+„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij.
+
+„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.”
+
+„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens
+wat van de wereld.”
+
+„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze
+kunst voor ’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer
+van lezen.”
+
+„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel
+tijd om te lezen.”
+
+„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de
+week uit de schoolbibliotheek, dat heb ik dikwijls in één dag al uit.”
+
+„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half
+drie met je beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke
+boeken voor jullie klaarleggen, goed?”
+
+„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden
+beleefd de pet afgenomen, toen Frits opstond en er met Waldi van door
+ging.
+
+Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t
+Lijken mij aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs
+verzinnen, als ze morgen komen. Hoe laat zei je ook weer?”
+
+„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.”
+
+’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen
+achtereen in deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een
+keurig gedekt tafeltje met de witte tuinstoelen er gezellig omheen
+geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde als robijn en
+goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond
+verleidelijk in ’t midden.
+
+Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht
+ze naar den tuin.
+
+De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte
+broeken.
+
+Nel trad hen dadelijk tegemoet.
+
+„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken
+te komen halen; mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.”
+
+Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei
+prettige jongensgezichten en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet
+vrijpostig was.
+
+„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel
+een glaasje limonade?”
+
+De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een
+beetje verlegen met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak
+te zetten.
+
+„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine
+meisjes knikkend. „Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij
+wees op Lientien.
+
+„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind,
+„die twee zijn maar logéetjes.”
+
+„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de
+koek al weer op.”
+
+Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag.
+
+„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later.
+
+Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat
+de jongens nette, bescheiden manieren hadden.
+
+Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond.
+
+„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug
+brengt, kan je weer een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij.
+
+„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren,
+dan kunnen jullie ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.”
+
+„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt,
+ben je er van zelf netjes op.”
+
+Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den
+indruk achter van een paar leuke, aardige, jongens.
+
+
+
+’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen
+met reuzepitten er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck,
+omdat je mij je lekkere „reep” hebt gegeven. ’k Heb de grootste
+pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. Dag, of liever:
+goeie nacht.”
+
+Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend
+veel van pitmoppen en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien
+vertelde ’t nog even aan Francine, die bij haar mocht slapen dien
+nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante Puck had aan te
+merken.
+
+
+
+Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien
+dagen hun boeken ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier,
+waarmee zij ze gelezen hadden.
+
+Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school,
+en moest een ambacht gaan leeren.
+
+Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen.
+
+Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief en bovendien
+een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had
+uitgesneden.
+
+Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang.
+
+
+
+
+
+
+
+
+X „SCHATTEBOUTJES”.
+
+
+Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen
+missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook
+even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin
+geworden.
+
+’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te
+stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van
+Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een
+opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven,
+dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in
+Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in
+Amsterdam had gevestigd.
+
+De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu
+alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen
+wonen, waar haar Bet was.
+
+Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan
+toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord,
+en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit
+„geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte
+zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.”
+
+„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk.
+
+„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den
+tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander
+gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van
+een mensch, die zal me veel vergoeden.
+
+„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen.
+Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader
+georven.
+
+„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder
+verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je
+geschreven.”
+
+„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al
+gauw uit.”
+
+
+
+’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te
+gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat
+Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat
+dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd,
+doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel
+deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje
+gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een
+autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s
+avonds vóór negenen weer thuis.
+
+Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet
+kon hebben. Maar Lientien was er ook nog.
+
+Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop
+Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan.
+
+„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden,
+als ’t mocht.”
+
+„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo
+graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen,
+en als jij dan meeging....”
+
+„Dat kan in geen geval, lieverd.”
+
+„Neen hè?” zuchtte Lientien.
+
+„Maar we konden Frits vragen, of hij....”
+
+„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te
+halen.
+
+Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.
+
+Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.
+
+„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.
+
+„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een
+Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al
+bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij,
+die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.”
+
+„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om
+beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.
+
+„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar
+moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker...
+
+„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we
+met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook.
+Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou,
+en daarom, zie je....”
+
+„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar
+Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?”
+
+’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een
+bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te
+vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits
+en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond.
+
+Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best
+amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje.
+
+Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een
+courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing,
+die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of
+Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg
+zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder
+uitbundige luidruchtigheid.
+
+In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes
+opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en
+aangehaald.
+
+’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed,
+en hield zich den heelen nacht muisstil.
+
+Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder
+lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem
+had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter
+plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.—
+
+Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij
+verwachtte.
+
+Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en
+Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een
+meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij
+hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,”
+had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk
+een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien
+jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net
+of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij
+ophoepelen.”
+
+Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch
+zéér.
+
+’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook
+volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal,
+waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had
+Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de
+buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter
+haar dichtklepte. Maar toch....
+
+Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle
+woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht
+haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden.
+
+Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit
+Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende.
+
+Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits
+hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige
+vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen,
+maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.
+
+Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en
+eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante
+heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed
+vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg....
+
+O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat
+zijn....
+
+
+
+Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en
+zouden al heel gauw thuis zijn....
+
+„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck
+bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet
+zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je
+Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam
+ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”
+
+Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.
+
+„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma
+mij meevraagt.”
+
+’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na
+drie dagen thuis zou komen.
+
+Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en
+nam haar mee naar de bioscoop.
+
+’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel
+voorlezen.
+
+En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap
+kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een
+stevig dutje beet had.)
+
+Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en
+gezellig.
+
+Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist
+hebben, vooral Lientien.
+
+
+
+„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is
+nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar
+opzoeken.”
+
+Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar
+verlangde, dat lieve schatteboutje te zien.
+
+„Erg graag Bet; mag Puck ook?”
+
+„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er
+bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.”
+
+Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten.
+
+’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en
+stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een
+étage woonde.
+
+Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de
+Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders
+dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder.
+Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan
+straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond
+je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover
+was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een
+spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand
+vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die
+veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een
+reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan.
+
+Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen
+niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn
+bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd
+gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede
+waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar
+leven voor zoo’n arm beest, vond moeder.
+
+„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien.
+
+„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in
+de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie
+kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn
+oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren.
+
+De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood
+kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi
+uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog
+knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast,
+en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De
+jongejuffrouw moest maar flink toetasten.
+
+„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en
+dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.”
+
+Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal.
+
+Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien
+en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook
+wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo
+echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig,
+zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen,
+reken maar.
+
+Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld,
+als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te
+verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen
+auto.
+
+Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar
+mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog
+gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....?
+
+Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier
+uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen
+en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen
+moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan.
+
+Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat
+was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk
+goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor
+voor niets had zitten wachten.
+
+Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen
+over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd.
+
+„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken,
+Bet....”
+
+„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven.
+
+(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.)
+
+„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk.
+
+Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid.
+Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar
+omhelsde met een zoen.
+
+Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof
+ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed,
+nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld
+hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken.
+
+Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven,
+Bet?”
+
+„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen
+nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit
+zou gaan....”
+
+Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien
+wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat
+anders.
+
+„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt,
+hoor!”
+
+Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit
+deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal
+in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als
+Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil.
+
+De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen,
+terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de
+geschiedenis van wilden weten.
+
+Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die
+korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw
+kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar
+om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor
+en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap
+uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat
+haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden:
+sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een
+mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden,
+en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen.
+
+Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en
+Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen,
+en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te
+luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou
+niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?”
+
+Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en,
+terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed
+Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel
+meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar
+zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te
+grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die
+neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu
+sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud
+den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de
+familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan.
+
+Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen,
+en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de
+hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange
+zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard
+gezicht.)
+
+Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met
+de allergrootste verbazing.
+
+Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen:
+„Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere
+heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze
+willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....”
+
+Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand
+nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot!
+
+Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat
+brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je
+moeder is een engel.”
+
+„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand.
+
+Maar naderhand zei ze tegen Lientien:
+
+„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die
+hield den vrede.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI JAN WEER THUIS.
+
+
+Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan
+meegebracht.
+
+Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n
+heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis
+vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet
+vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn
+lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze
+was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van
+gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie
+dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest
+kreeg ’s Zaterdags ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en
+opgewreven tot ’t blonk als zilver.
+
+Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op
+vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en
+Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te
+koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad,
+bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor
+Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje
+patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht,
+daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in.
+
+Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.... Lientien
+ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel
+wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep
+Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze,
+op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret
+over de namen van de patiencespelletjes.
+
+De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de
+tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de
+„schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar
+bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op.
+
+’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij
+alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten
+missen,” zei Jan, „en wil er dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.”
+De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader”
+noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij
+even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest.
+
+Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door
+den haren.
+
+„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.”
+
+„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?”
+
+„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje
+naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan
+naaien.
+
+„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed
+gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.”
+
+„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan
+zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes....
+Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop
+er tegen in, Jaromir.”
+
+„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu
+zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik
+voortdurend prijsjes.”
+
+„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde
+Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.... Ons
+eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige
+oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven
+vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt
+heeft. Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo
+goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen
+wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de
+kinderen Canneheuvel om u heen hebben.”
+
+„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama
+bewogen.—
+
+Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een
+echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij
+haar plaagde.
+
+Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en
+Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat
+ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe.
+
+„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig
+zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig
+met haar neus in de boeken.”
+
+„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel,
+want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.”
+
+„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn
+verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn
+geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn
+mond wel houden.
+
+Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend
+las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat
+den vrede zou kunnen verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis
+was.
+
+Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te
+verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol
+boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste
+bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch
+er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd
+aan Jan vereerd had.
+
+Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet,
+hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij
+zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine
+wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan.
+
+Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu
+voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor
+den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept.
+
+Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke
+lessen overhoorde en de sommen nakeek.
+
+Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t
+werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar
+hielp geen lieve moederen aan.
+
+’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen
+heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen.
+
+Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd
+staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind
+Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen,
+want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme
+antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten.
+
+Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes,
+dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te
+lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren
+als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht
+komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij
+klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in
+gezelschap was.
+
+Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes
+niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de
+klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die
+zich bepaald aan Leonore opdrongen.
+
+’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze
+haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles
+behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon
+ze ’t niet helpen, dat ze ’t was.
+
+Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat
+jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen,
+maar dat je dat onnoozele schaap van een Leonore nou zoo achterna
+loopt, dat vind ik bespottelijk.”
+
+„Zoo!... vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan
+jij, want ze is een barones.”
+
+„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen
+steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is....”
+
+„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de
+juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal....”
+
+„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,”
+schreeuwde Ellen.
+
+„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van
+verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin
+zijn met zulke bespottelijke mallooten.”
+
+„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want...”
+
+De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen
+vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld.
+
+Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze
+lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net
+precies als Frits voorspeld had.
+
+Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan
+Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd
+te zwijgen, en op Lientien kon je aan.
+
+Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat
+waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten.
+
+’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te
+warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de
+vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had
+kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in
+plaats van in de warme school.
+
+Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te
+hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.”
+
+Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal
+zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van
+bij haar sommen, of de aardrijkskundige les.
+
+
+
+Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven.
+
+Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme
+Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in
+bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar
+hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van
+alle kanten werden toegestopt.
+
+„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante,
+„anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net
+als Lientien.”
+
+Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig
+denkbeeld.
+
+„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een
+dag of wat heerlijk vacantie nemen om.... volop te lezen?”
+
+Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar
+nooit iemand kwam, of je stoorde...
+
+Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar
+plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen
+de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets
+prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar
+verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al
+een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid.
+
+Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als
+ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.”
+En Puck huiverde, verbazend natuurlijk.
+
+„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in
+’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XII PUCK SPIJBELT.
+
+
+Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch,
+in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte
+Bison” meegenomen.
+
+Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de
+Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de
+„Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer.
+
+„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht,
+bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds
+vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t
+tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met
+volle teugen smaakte.
+
+Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester”
+luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat
+Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet
+langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen.
+
+Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk
+gebeuren kon, was dit al geschied.
+
+Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op
+school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden.
+
+Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had
+hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd,
+bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee
+komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was.
+
+Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven
+van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke
+jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?”
+
+„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien
+bedoel U immers?”
+
+’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze
+had haast, knikte maar, en liep vlug weg.
+
+Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet
+vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen.
+
+Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar
+zwaarwichtige manier vertelde.
+
+Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af:
+„Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?”
+
+„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t
+jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig.
+
+„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte
+’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren
+Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig
+meedeelde.
+
+Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als
+kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald.
+
+„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld,
+beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine
+meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.”
+
+„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet
+gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.”
+
+Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk
+durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest
+komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid.
+
+Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd.
+
+„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht,
+goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór
+te gaan....
+
+„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel
+alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van
+allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als
+kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl.
+
+„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te
+wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een
+of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen
+gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf
+altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.”
+
+Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en
+heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan
+door de laatste woorden.
+
+Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O
+tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo
+slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo
+bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.”
+
+„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw
+Canneheuvel treurig.
+
+Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug.
+
+Intusschen liep Jan de kamer op en neer.
+
+„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij,
+zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die
+boeken niet in verzoeking moeten brengen.”
+
+Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden.
+
+„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...”
+
+„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t
+natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik
+je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe,
+en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal
+geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf
+verdient, dan is daar niets aan te doen.
+
+„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in
+’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake
+van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal
+mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.”
+
+„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur,
+en tante smeekend aanziende.
+
+„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht
+wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je
+gehandeld hebt....”
+
+„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?”
+
+„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk
+veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld
+hebt....”
+
+Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en
+vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe.
+
+Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe
+ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien
+huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t
+kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide
+wangen.
+
+„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven.
+Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou
+komen?”....
+
+„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?”
+
+„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen....
+hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om
+mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe.
+
+„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik
+die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd.
+
+„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als
+jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel
+gezegd: pas er mee op.”
+
+„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik
+mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat
+verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht,
+bedriegelijk kind.”
+
+Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te
+roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel
+geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een
+portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel
+dit voor stoute Puck op zij gezet.
+
+
+
+Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van
+Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde.
+
+Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van
+afscheidnemen was dáár.
+
+Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden
+Jan thuis „goedendag”.
+
+Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te
+houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel,
+terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu
+op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t
+aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet
+minder eer zult inleggen dan met Dolf.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIII HET FEEST.
+
+
+Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit
+alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de
+familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het
+vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en
+kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en
+kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en
+vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer
+Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed,
+want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst
+recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden
+komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck.
+
+Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te
+hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel
+kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits
+dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven
+had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf.
+
+Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam
+niets meer in.
+
+’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en
+daarmee uit.
+
+’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck.
+
+Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch
+evenwel erg bang geweest.
+
+Zou ze mogen? Zou tante...?
+
+Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie
+dus ook maar aannemen?”
+
+Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze
+nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken.
+Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog
+tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed
+is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.”
+
+’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze
+Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck
+’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”.
+
+Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste
+dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De
+grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er
+tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd
+door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat
+Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als
+„Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans
+uit te voeren in „Het feest der Elfen”.
+
+Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in
+den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg.
+
+’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen
+jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al
+de vriendinnetjes gingen ook, dus...
+
+’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds
+op het tapijt was.
+
+Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij
+aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau
+doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van
+den dag.
+
+
+
+Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken
+precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar
+zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte
+margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar
+en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de
+ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend
+tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene
+linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar
+Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag.
+
+Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden
+spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd.
+
+Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze
+prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar
+rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje
+een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden
+slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje.
+
+Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond
+Puck.
+
+Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t
+eerst een „smoking” aan.
+
+Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor
+den dag komen.
+
+Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was
+Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou
+vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk
+blijven in de voorgeschreven houding?
+
+Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes,
+werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan
+voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer
+Hendriks zei dikwijls:
+
+„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze
+nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen
+besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen
+vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en,
+in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of
+vroegen onnoozele dingen.
+
+Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit
+om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met
+zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef.
+
+De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar,
+daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet.
+
+Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een
+groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de
+maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren.
+Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck
+toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn,
+en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen.
+
+Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had.
+Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn
+dieren te vertellen.
+
+Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden
+er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t
+groote erf te Soerabaia.
+
+Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de
+dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit
+zag als een echt chic salonjonkertje.
+
+Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste,
+redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm
+van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere
+kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou
+maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had
+op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren.
+
+In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik
+stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd.
+
+Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het
+rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange
+rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de
+beurt kwamen om uit te stappen.
+
+Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed
+om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met
+’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand
+te leggen aan de toiletjes en kapsels.
+
+Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend
+of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende
+zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net
+zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes
+naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes
+waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat
+’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit.
+
+Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze
+moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al
+gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een
+troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden
+ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet
+konden vinden in de menigte.
+
+’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde
+plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid
+en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.”
+
+Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm
+wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een
+echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden
+behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de
+wanden van kippengaas.
+
+Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht
+kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een
+„volière”.
+
+„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er
+boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet
+langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid
+hergeven.”
+
+En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht
+treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere
+tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd.
+Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun
+plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als
+kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook
+een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk.
+Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd
+aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had
+een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden
+was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t
+zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak
+van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend
+waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die
+ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten.
+
+„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee
+mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan
+natuurlijk uitstekend vond.
+
+Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had
+Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan
+toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck
+begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds
+donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag
+Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende
+zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of
+die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je
+niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen
+rond.”
+
+„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld.
+
+„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie
+aankomen.”
+
+En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen.
+
+Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van
+Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar
+leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck
+voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde
+verlegen den anderen kant op.
+
+Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst
+spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch
+Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen.
+
+„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik
+niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten
+ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”
+
+„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel
+fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er
+wat gebeurd is, toe dan Puck....”
+
+Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte
+plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht
+hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u
+te doen?”
+
+Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als
+ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm.
+Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten
+meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof.
+
+„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze
+hem overdankbaar aankeek.
+
+„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,”
+sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien
+hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie.
+
+„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij
+afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n
+prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n
+jongen niet tegen op.”
+
+„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,”
+„vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang
+met die malle nuf.”
+
+Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was
+met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen.
+
+Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen
+was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de
+„heerigste” van alle jongens in de zaal.
+
+Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en
+plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij,
+achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende,
+waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die
+drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had
+een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand,
+dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje
+verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn
+groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t
+feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor
+Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte.
+
+Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in
+grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de
+buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó
+diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had
+meegetrokken.
+
+De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee.
+Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester
+Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze
+verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste
+aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien
+voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en
+mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte
+een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel.
+
+Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger.
+
+Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje
+even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het
+haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging
+voor de koningin had ingestudeerd.
+
+De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie
+bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe
+beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje
+ijdeltuit!
+
+Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in
+geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd
+voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door
+gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden
+op de gulzige kinderen.
+
+En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden,
+voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd
+tusschen de dansen door.
+
+Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar
+Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor
+den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een
+partij, die klonk als een klok!
+
+Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er
+haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een
+beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld
+op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had.
+
+„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met
+jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?”
+
+En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”.
+
+Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet
+houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus,
+want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had
+ook haar gevoel van eigenwaarde.
+
+Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar
+verongelijkt had.
+
+Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de
+kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien
+met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het
+kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met
+de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de
+schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen
+brengen, bij het afscheidnemen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIV „DE SCHOENTJES”.
+
+
+Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze
+voor ’t bal nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles,
+waren twee groote zwarte vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de
+drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. „Bedenk liever, hoe je
+ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes waren toen
+aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles
+had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes
+vragen; in ’t begin van den winter had ze al een paar verloren. Die
+waren haar „ontstolen”, verzekerde Puck.
+
+Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid.
+
+Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe gekregen,
+en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest
+wezen. Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te
+komen. En nu deze ramp!
+
+Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan,
+in de hoop, dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan
+keek iedereen naar haar voeten. Puck meende de kinderen spottend te
+hooren fluisteren.
+
+„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?”
+
+Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn
+vuile schoenen droeg,” zei Puck.
+
+De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij
+zich. Nee, ze kon die schoenen niet meer dragen.
+
+Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop”
+was. In de étalage stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein,
+zeer laag geprijsd, en daaronder, bepaald spotgoedkoop, een paar
+snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents.
+
+Puck ging eens informeeren.
+
+„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze
+passen bijna niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.”
+
+„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck.
+
+„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.”
+
+De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes.
+
+„Neemt U ze?” vroeg de bediende.
+
+„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel
+uitging.
+
+Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden
+ze pas echt naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit
+jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen!
+
+’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was
+vijftig cent, en dat geld had ze hard noodig voor
+Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar vast een gulden willen
+leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld.
+
+Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook
+wel, als ze ze kon missen.
+
+Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet
+gebruiken, met ’t oog op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog
+altijd twee centen af voor de „Bommen”.
+
+Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het
+busje leende?
+
+Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook
+heel wat centjes van haar zelf bij.
+
+Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor
+’t „Bommenbusje”. Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had,
+zou ze eerlijk opbiechten, dat ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de
+familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze niet op had kunnen rekenen,
+en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou zijn.
+
+Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed
+te praten. Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens
+vroeg waarvoor, en Nel ook, al hield die er een preekje bij, was Puck
+al vast besloten den nog ontbrekenden gulden uit ’t „Bommenbusje” te
+leenen.
+
+’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het
+achter slot te bergen. Puck leende dus den gulden, kocht de schoentjes,
+en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en Nel haar aan ’t geld er
+voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor zwaar
+in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen.
+
+„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich.
+
+
+
+Begin December vond Lientien, dat nu de tijd gekomen was om het
+„Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen... Zij maakte er
+een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij
+tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden
+en ieder centje bijgeschreven had.
+
+„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat
+nu?”
+
+Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in
+het busje gedaan, maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven.
+
+Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t
+Rammelde, of ’t aardig vol was. Even deftig nam Nel het busje in
+ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit.
+
+Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden
+er uit. Alles werd op hoopjes gelegd.
+
+Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen.
+
+„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits.
+
+„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe
+kan dat nou?”
+
+„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien
+verbaasd.
+
+„Natuurlijk snoes.... nog eens overtellen.... nee hoor, kinders, er
+blijft een gulden te kort.”
+
+„Ik begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel
+goed opgeteld, Frits?”
+
+„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan
+heeft. Achter elke gave staat de naam van den gever bovendien.”
+
+Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich.
+
+Zou Geertje?.... Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat
+je niemand anders verdenken wilde of kon?
+
+Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak,
+Nel voelde, dat ze ’t geval niet mocht verzwijgen.
+
+’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over
+spreken.
+
+Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de
+zaak onderzocht worden, en de waarheid aan ’t licht komen.
+
+„Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend
+misschien, en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van
+Puck naar Lientien kijkend.
+
+Een oogenblik weifelde Puck.... Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel
+verdriet zou haar bespaard zijn gebleven.
+
+Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze
+haar zoo straks vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het
+hoofd te schudden.
+
+Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan.
+
+En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk
+niet, mamp,” kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze
+sprak als Lientien: „Heusch niet, tante.”
+
+
+
+De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk
+zat Geertje met Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee,
+toen de schel in de huiskamer haar boven riep.
+
+„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar
+bedachtzame oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep.
+
+„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk in de heldere
+oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier.
+Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen
+er al naar gevraagd, en wil nou ook van jou weten...”
+
+Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat ik ’t er uit
+heb genomen?”
+
+„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me
+verzekert...”
+
+Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan,
+dat elke achterdocht bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje
+nog sprak.
+
+„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend
+eerlijk, „’k weet van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees,
+gerus niet.
+
+„Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt
+altijd: „Al benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje
+gerus, mevrouw; ik ben der niet an gewees.”
+
+„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw
+Canneheuvel bewogen. „En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat
+ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig verdacht heb, Geertje.”
+
+’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de
+keuken, om ’t geval te vertellen. Den geheelen avond werd daar over
+niets anders gepraat, en werden allerlei gerijmde en ongerijmde
+vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje.
+
+Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen
+geld afwisten. „Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig
+liet zij de zaak, zooals zij was, sprak met niemand over haar stil
+vermoeden, en verzocht den huisgenooten het onderwerp verder te laten
+rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade.
+
+Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen
+omgegaan, en in hun hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist
+omdat ze het kind zoo liefhad (met zijn feilen en gebreken), bleef zijn
+ware natuur voor haar geen raadsel.
+
+Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij.
+
+Mevrouw Canneheuvel „voelde”, dat haar pleegdochtertje de schuldige
+was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af en toe, nu ’t kind bleef
+ontkennen. Kon Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben?
+Ze wenschte bovendien zoo innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer
+kwam. Dus wachtte zij....
+
+’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn
+drukke feestelijkheid, was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe
+ze eigenlijk handelen moest.
+
+Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk,
+zij voelde, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene
+oogenblik nam ze zich ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t
+laatst deinsde ze daar toch voor terug.
+
+Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van was, dat
+Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten.
+
+Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze
+blijven zwijgen tot ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets
+voor zich zelf koopen, eer ze zoover was.
+
+Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen....
+
+De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een
+gulden bijgepast, en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun
+huisje afgegeven den 5den December. Geertje prakkizeerde nog steeds,
+hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud zoo juist van pas kwam in
+het huishouden.
+
+Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje
+krijgen.
+
+Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang.
+„Meester” was er in ’t geheel niet mee tevreden.
+
+Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de
+wangen, en bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen.
+
+Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante.
+Tante keek haar zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van
+ontroerde. „’k Wil je helpen, ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt,
+kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. Ze had moeite haar tranen
+te bedwingen.
+
+Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar
+ze geheel ongestoord met haar spreken kon.
+
+Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante
+trok ’t zwak tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met
+zachten dwang haar gezichtje op.
+
+Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij
+’t geld hebt genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze
+veel meer medelijden had met Puck dan dat ze boos op haar was.
+
+Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár,
+niet wáár,” hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet
+wáár is?”
+
+„Je durft niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer
+je er mee wacht, des te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te
+komen. Maar pas als een kind kwaad bekend heeft, krijgt het een gerust
+geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.... Fluister nu maar
+„ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.”
+
+Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze
+gesnoept had, riep zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het
+plafond gericht), dat ze ’t niet had gedaan. Waarom beschuldigde tante
+juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? En Puck begon zoo
+onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde.
+
+„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.... Maak je
+niet zoo overstuur, Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie
+bidden.”
+
+Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel de kleine
+meisjes voorbidden bij het naar bed gaan.
+
+Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en
+sloop weg, àl huilend en snikkend.
+
+Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar
+pleegdochtertje terug zou komen....
+
+Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje
+keek om het hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op
+dezelfde plek zag zitten, vloog ze in één ren naar haar toe, knielde
+voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar schoot.
+
+„Tante, ik kan straks niet bidden... Ik heb ’t tòch gedaan... tante,
+ach tante ...”
+
+Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan.
+
+„Waarom deed je het, Puck? ... Kind, hoe kon je het doen?”
+
+„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de
+dansles, en toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en....”
+
+„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele
+waarheid.”
+
+Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte
+met de woorden: „Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen,
+en toen het uitkwam, hoopte ik, dat u zou denken, dat Geertje... maar
+als u Geertje had willen wegsturen, zou ik heusch en eerlijk gezegd
+hebben, dat ik...”
+
+„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen in haar
+oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien,
+veel erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet
+begrijpen, dat je zoo iets verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je
+dit bijna niet vergeven....
+
+„Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?”
+
+„Maar tante....” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de
+oogen. En dit keer las mevrouw Canneheuvel waarheid in de droeve,
+donkere kijkertjes, „tante, u moet mij gelooven. Later zou ik u alles
+eerlijk hebben opgebiecht.... als ik ’t geld weer bij elkaar had.
+
+„’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch
+zoo vreeselijk noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen.
+
+„Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld
+kwijt gescholden, weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar
+vijftig cent. Nou schiet ik toch al zoo prachtig op met dien gulden
+voor de Bommen en... en... ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje
+weg had gemoeten.”
+
+„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden
+weg is moeilijk, maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf...”
+
+Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.... Geloofde tante haar
+toch niet?
+
+„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar
+hand bedarend op Puck’s hoofd legde. „Ik wil gelooven, dat ’t je ernst
+is met het terug geven van het geld, en ook, dat je Geertje, in ’t
+uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat je
+door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er
+over schaamde, en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten
+slotte toch de waarheid zoudt zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik
+zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte....
+
+„Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in
+toom te houden, luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu
+zelf, hoe ver een kind kan afdwalen en van kwaad tot erger komen, door
+er niet naar te hooren.”
+
+Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als
+een ziek, ongelukkig kind, dat bescherming zoekt.
+
+„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t
+zelf niet.”
+
+„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat
+je altijd ’t eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen
+voordeel staan steeds vooraan, daarvoor moet al ’t andere wijken. Als
+klein kind had je die leelijke fout in nog hooger mate. ’k Hoop zoo,
+dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je al veel geleerd
+zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.... tante zuchtte bedroefd.
+
+„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven...?”
+
+„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste
+tegenover Geertje?”
+
+„Ja, ja tante, en ik zal...”
+
+„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je
+me toch zoo verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij
+zelf: „’k Wou, dat ik maar niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er
+lang zooveel leed niet van hebben, dat ze mij telkens weer
+teleurstelt.””
+
+Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening.
+
+„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?”
+
+„Veel meer dan je weet, Puckie... Heb je oprecht berouw? Wil je met
+hart en ziel je best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om
+hulp bij mij komen, als je bang bent voor de verzoeking te bezwijken?
+Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd helpen, kind...”
+
+„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij
+helpt...” ’t Verdere werd onhoorbaar gefluisterd.
+
+Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien
+slaapt zeker al, ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar
+oor sprak tante nu berouwvolle, vergeving vragende woorden en beloften
+van beterschap, die Puck haar nafluisterde.
+
+Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte,
+en deze in tante’s hartelijken nachtzoen voelde.
+
+Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd van hart
+ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XV BIJ TANTE JOHANNA.
+
+
+Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk
+eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer
+zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t
+niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje
+bij zich te hebben.
+
+Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante
+Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten
+teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met
+ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te
+gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt
+niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan
+tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van
+huis zou wezen.
+
+Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn
+tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar
+schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen
+in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had,
+en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich
+ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.”
+
+Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in
+de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar
+neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.
+
+Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck
+verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t
+Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen.
+
+Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te
+vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de
+aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is
+heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat
+je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal
+gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich
+heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”
+
+„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt
+me niks aardig; zoo stijf en stug!”
+
+„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die
+zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.”
+
+„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige
+vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...”
+
+„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in.
+„Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de
+weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje
+eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals
+je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”
+
+„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich
+zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!”
+
+
+
+Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom
+haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk
+met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf
+was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij
+zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de
+waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze
+haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar
+voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar
+goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar
+liefderijk geduld en trouwe moederzorg.
+
+Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes
+villa’tje, eer Puck er op verdacht was.
+
+Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid
+genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen
+Lientien was.
+
+Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl
+ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar
+was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid.
+Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck
+tegelijkertijd....
+
+„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes
+dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes
+voeten nog even af, ze zitten vol modder.”
+
+„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.
+
+„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”
+
+Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,”
+maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het
+kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe
+uitnoodigde.
+
+„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt
+wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien
+lachen, als ik ’t haar vertel.”
+
+Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de
+voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat.
+
+„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek
+wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je
+nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de
+voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar
+is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je
+de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind,
+neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast
+boven....”
+
+Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat
+tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich
+hier vervelen!
+
+Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te
+regenen, dus van uitgaan was geen sprake.
+
+Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden
+langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te
+vertellen uit de kinderjaren van haar vader.
+
+Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en
+zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven:
+„Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk
+vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste
+belangstelling toe.
+
+’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op
+niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze
+haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck
+niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in.
+’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte
+lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch
+smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders.
+
+Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat
+mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en
+smakte en morste als een kind zonder manieren.
+
+Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.
+
+„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.
+
+„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.
+
+„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar
+eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in
+dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”
+
+Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend
+klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes
+dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De
+ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze
+had zoo’n slaap.
+
+„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.
+
+„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje
+„gelukkig” slikte ze nog bijtijds in.
+
+’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze
+niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen
+inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd
+antwoord. Tante werd boos.
+
+„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga
+dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.”
+
+„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck
+verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”
+
+„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je
+heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik,
+Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”
+
+„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit
+anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag
+zoo genoemd word.”
+
+„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe,
+en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel”
+naar boven.
+
+In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu
+brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig
+verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar,
+of ze al weken weg was in plaats van één dag.
+
+Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien
+en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een
+matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn
+straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter
+op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood....
+
+O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn
+geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde
+tusschen hem en de bewoonde wereld.
+
+Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe
+zou ze ’t hier uithouden!
+
+En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs
+de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.
+
+’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te
+gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.
+
+Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek
+haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.
+
+Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele
+omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.
+
+Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.
+
+Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t
+Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.
+
+Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts
+stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante
+Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij
+was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet
+minder dol op hem.
+
+Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om
+opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al
+gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht
+terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.
+
+Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck
+niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen
+huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.
+
+’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had
+dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar
+boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje
+uit de boekenkast te hebben gezocht.
+
+Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog
+uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te
+hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te
+geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.
+
+In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t
+boek, en wilde met Tom gaan spelen.
+
+Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever
+niet te dicht bij zijn mand moest komen.
+
+Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom
+lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was,
+want anders ging de lieverd nooit te keer.
+
+„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat
+leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”
+
+Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat
+onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig,
+dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en
+vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”
+
+„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen
+beest.”
+
+„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je
+kijken, madam.”
+
+Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af
+naar de keuken.
+
+„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.
+
+Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele
+voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de
+wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke
+wijsje „Verdreven van huis.”
+
+Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat
+zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze
+met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet
+uit!...
+
+Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier
+met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat
+’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest,
+ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis
+verlangde, en verging van heimwee.
+
+Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar
+Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen
+met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje....
+
+Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze
+Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.
+
+De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige
+wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te
+strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje.
+Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t
+spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en
+onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever
+mee uit te scheiden....
+
+Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke
+kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?
+
+’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje
+aan heimwee leed.
+
+Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot
+het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of
+tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.
+
+Ze kon ’t niet langer uithouden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVI NAAR HUIS TERUG.
+
+
+’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen
+nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich
+aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna
+hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had
+achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t
+volgend briefje.
+
+
+ „Lieve tante Johanna,
+
+ ’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven.
+ Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik
+ heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst.
+
+ Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw
+ liefhebbend nichtje Puck.”
+
+
+Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in
+’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl
+ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles
+goed overlegd.
+
+Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer
+bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op,
+dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop
+voort, of de vijand haar op de hielen zat.
+
+Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze
+niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op
+haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van
+„Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de
+Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist
+ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.
+
+Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af,
+naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn
+in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?),
+voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had
+de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis
+uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje
+had ze nu niet door de keel kunnen krijgen.
+
+Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog
+grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en
+niet slapen.
+
+Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu
+op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de
+koude wind meedogenloos op haar aanviel.
+
+’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar
+kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte
+krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong
+kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland
+op.
+
+’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en
+verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder....
+Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog
+’t ergste....
+
+De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t
+wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg,
+maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel
+aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd
+neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje
+flapperde de zakdoek in haar nek.
+
+Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte
+rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al
+gauw drijfnat werden.
+
+Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had
+gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel
+onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had
+’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die
+mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?”
+
+De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en
+behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel
+vervoermiddel gezien.
+
+Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t
+gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een
+wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed.
+
+Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op
+den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in.
+En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was
+ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de
+manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman.
+
+„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer
+alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!”
+
+„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier,
+de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je
+thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon
+te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien.
+
+„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de
+koetsier. „Waar moet uwes wezen?”
+
+„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden
+klapperden tegen elkaar.
+
+„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die
+buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit
+Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een
+vluggen stap in zette.
+
+Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een
+poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in
+haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar
+vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit
+hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze
+zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van
+den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den
+koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis.
+’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een
+waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg
+verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte
+toeloopen: „Tante”.
+
+Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en
+zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen
+en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude
+wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat
+verwarmd aanvoelde en wist niets meer.
+
+
+
+Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar
+ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig,
+dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien
+geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle,
+liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster,
+waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo
+nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de
+crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel
+langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg,
+lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk,
+zwak en moede voelde.
+
+Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van
+vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom,
+waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand
+op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek,
+zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel
+niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar
+heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze
+angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar
+kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens.
+
+Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze
+bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster
+was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij
+het verbedden te helpen.
+
+Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.
+
+Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en
+voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot
+onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want
+Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite
+had niet te gaan schreien.
+
+Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen.
+Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor
+innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat
+dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet
+anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die
+telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t
+„schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan
+longontsteking er bij....
+
+Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.
+
+Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”
+
+En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had
+fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht.
+Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet
+loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd.
+
+’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje
+natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht.
+Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel
+geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond
+gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door
+de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de
+angstige zorg om het meisje te behouden.
+
+Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t
+lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak
+viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag,
+dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde.
+
+Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag
+gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk
+beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze
+deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek
+streng verboden.
+
+„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon
+schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over
+geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om
+het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan,
+spelletjes gespeeld en....”
+
+„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,”
+troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van
+heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg
+vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze
+bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een
+volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij
+maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”
+
+Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t
+in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar
+tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t
+vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van
+dorst.
+
+Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s
+dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de
+oude dame ook al weer niet helpen.
+
+„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde
+Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u
+intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God
+zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”
+
+Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en
+vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom.
+
+Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest
+gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè
+lieverd?”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.
+
+
+Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig
+geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig
+gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm,
+met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien
+binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar
+schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat
+had ze mampie beloofd.
+
+Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer
+eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.
+
+Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder
+hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet
+alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven
+werd gebracht.
+
+Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits
+stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.
+
+„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”
+
+„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”
+
+„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens
+met mij uit.”
+
+’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar
+boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde
+wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong
+meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe
+’t Puck te moede moest zijn geweest.
+
+Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest
+gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn
+liefkoozingen.
+
+Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te
+hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje
+naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere
+zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en
+Socrates spon, dat ’t een aard had.
+
+Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien
+ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk
+gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude
+plaatsje. Heerlijk hè?”
+
+Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen.
+„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo
+alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me
+geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”
+
+„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,”
+lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit
+wandelen te gaan!”
+
+„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.
+
+Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast
+Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte
+moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar
+erg naar verlangt.”
+
+Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst,
+terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.
+
+„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker
+wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen
+je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden,
+om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten;
+tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....
+
+„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig
+blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”
+
+„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor
+me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles
+aan u vertellen?”
+
+„Natuurlijk, kindje.”
+
+„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een
+smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t
+meisje bedarend over het voorhoofd streek.
+
+„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe
+radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk
+naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van
+heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en
+den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei
+tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in
+’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een
+mes gestoken werd...
+
+„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel
+en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn
+best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou
+altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”
+
+„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk
+je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet,
+en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij
+niet na aan ’t hart lag?”
+
+„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....
+
+Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar
+aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen
+toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik
+nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn,
+tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje
+zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en
+Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe
+„tante,” en dan „Vader” tegen oom?”
+
+Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel
+toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.
+
+Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze
+Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”
+
+„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers
+van Effen.
+
+„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar,
+hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa.
+Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te
+hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden
+papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en
+Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”
+
+„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe
+zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en
+Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.
+
+„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan:
+Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”
+
+„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw
+Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over
+spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste,
+innigste wensch is, maar...”
+
+„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet
+neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik
+er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden,
+ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief
+dood gegaan....”
+
+„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.
+
+„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens.
+Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag
+ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het
+hoort?”
+
+En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We
+zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik,
+maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje
+waart.”
+
+„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste
+kind uit het heele land.”
+
+
+
+Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende
+Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke
+gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn:
+Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.
+
+„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien
+hartelijk.
+
+„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat
+zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”
+
+„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,”
+beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even
+pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en
+wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote
+belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t
+vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien
+niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.
+
+
+
+Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al
+gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die
+Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar
+ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een
+ongeluk wezen.”
+
+Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar
+had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de
+binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters
+geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”
+
+’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar
+ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.
+
+Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje”
+mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.
+
+En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart
+en ziel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdst. Bladz.
+
+ I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5
+ II. POFFERTJES 12
+ III. 1 APRIL 24
+ IV. „MAMA!” 35
+ V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47
+ VI. „GEERTJE” 53
+ VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63
+ VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81
+ IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95
+ X. „SCHATTEBOUTJES” 106
+ XI. JAN WEER THUIS 119
+ XII. PUCK SPIJBELT 128
+ XIII. HET FEEST 134
+ XIV. „DE SCHOENTJES” 147
+ XV. BIJ TANTE JOHANNA 161
+ XVI. NAAR HUIS TERUG 173
+ XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***