diff options
| author | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-09-16 12:22:01 -0700 |
|---|---|---|
| committer | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-09-16 12:22:01 -0700 |
| commit | 39da0d43d37bb526f3ab757a87f1262ee9adbd9f (patch) | |
| tree | 396032aa960f74150a21d490accb17b14e4c1678 /76890-0.txt | |
Diffstat (limited to '76890-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76890-0.txt | 5352 |
1 files changed, 5352 insertions, 0 deletions
diff --git a/76890-0.txt b/76890-0.txt new file mode 100644 index 0000000..645b12f --- /dev/null +++ b/76890-0.txt @@ -0,0 +1,5352 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 *** + + + + + + PUCK + + DOOR + MARIE OVINK-SOER + SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES” + MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN + JOHANNA COSTER + + TWEEDE DRUK + + GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN + + + + + + + + +I EEN SLECHT BEGREPEN KIND. + + +Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, +en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze +misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw +was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken +uitgejaagd, verbeeld je! + +Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij +verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst +gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide +meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel +gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen +kon, binnen kwam. + +„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos. + +„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je +schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen +bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek +afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte +oogen keken elkaar woedend aan, + +„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je krijgt er een +om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op +eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net +bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen. + +„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, +dat....” + +„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je +nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt +niet te pas van een m....” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den +arm, en schudde de rest van haar woorden weg. + +„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.... Vort, mijn keuken uit, en +heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.” + +Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al +van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. +Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er +haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op +Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven +noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer +verdragen van de dienstboden hier. + +„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken +bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” +voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt, +om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien +weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het +zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op +de beslagen ruiten. + +Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke +begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,” +beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde +niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen +onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak +even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater. + +Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, +omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide. + +„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, +kruidje-roer-mij-niet?” + +Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord. + +„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel. + +„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil +jij vast de eieren pellen?” + +Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend +toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer +uit. + +„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” +zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.” + +„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op +school. Die kinderen stoken haar van alles op.” + +„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits. + +„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor +me met hun drieën.... ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die +houden ook van poppen en zoo.... Daar trekken Ellen en Grace haar neus +voor op.” + +„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” +meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en +’t Bosch.... Zou jij terug willen, Nel?” + +„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt +me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.” + +Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui +scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel +nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch +vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t +gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren. + +Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart. + +Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat +dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar +nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar +Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden +opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, +had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, +verwende ding snoepte, jokte en was verbazend koppig. Snoepen deed +Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel +in haar voordeel veranderd. + +Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep +niemand. + +Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij +ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren +aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder +plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits +willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde, +dat iedereen haar als een klein kind behandelde. + +Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t +meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds +moeilijker. + +Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel +bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar +gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen. + +„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog +altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs +meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen. + +„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en +Grace zeggen ’t ook.” + +„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee +al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.” + +„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie... Kom, +vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien +bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen +en in de keuken.” + +„Mijn paatje”... begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel +ernstig aan. + +„Kijk me eens in de oogen Puck... geloof je, dat je vadertje zou +meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis +hebt?... Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat +alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je +hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. +Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en +voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook +gelukkig... Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen +doen.” + +Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf +dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee +mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen +en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb +nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.” + +Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele +poos over haar moeilijkheden na te denken. + +’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan +vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles +was er heerlijk en veel beter dan in dat nare Holland, waar ’t bijna +aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar +af te snauwen als die nare Bet deed... Tante was wel lief en de anderen +ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding... +Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? +Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier +moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet. +Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen +vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een +enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen +ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n +regenbuitje dreef van zelf voorbij...” + +Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet +mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je +toch zoo ongehoorzaam zijn?” + +Ze zou flink straf krijgen, van oom ook... Die Lientien was toch zoo’n +flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze +iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo +flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar +dooie dingen,” zei ze. + +Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met +haar zijn. + +Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen +geld willen bekennen, omdat ze erg rijk waren. Mevrouw Van Bergen had +een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois +mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie +Canneheuvel dan ook nooit. + + + + + + + + +II POFFERTJES. + + +Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie +Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om +verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten +naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon, +Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar +Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche +Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn. +Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te +sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t +veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis +hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer +gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de +verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er +verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten +oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten +ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren. +Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang +(waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun +weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t +oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren, +zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich, +dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen +bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn +geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en +gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de +kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en +een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog +geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was +tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in +het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s +leiding, een flinke huishoudster te worden. + +Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie +cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te +kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar +in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits +kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en +studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een +uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub. + +Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan +Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al +negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor +een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes +zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten +reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon +lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even +snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar +en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei +Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel +niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht +niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan +erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog +te krijgen. + +Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor +den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden +kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend, +want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits +gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje +en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op +zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich +voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter +slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je +op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en +Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen +kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om +van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen, +had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck +was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt +geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk +onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de +andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem +mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende +maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits +voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam, +maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best +begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield. + +Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde +van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje +hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar +vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en +bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich +door Puck veel wijsmaken. + +Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander +over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch +tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,” +of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd +voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe +kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten +wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de +rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie, +ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak, +had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t +moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje +wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen, +meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van +tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de +oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg, +tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer +in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want +tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als +twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school +kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen +middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor +tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen, +want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de +wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar +voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo +heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze +nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige +bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel +dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en +tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje +lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is +toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.” + +Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante. +Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar +schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar +poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen, +waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit +moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd. + +„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje +haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch +hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit, +want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien +vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje. + +„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie, +hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net +als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek. + +Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en +knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude +en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege. + +Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor +Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar +„stad”. + +Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t +groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook +van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou +Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen +(voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze +poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop +had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend. + +Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien +en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi +vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging. + +Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld +volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste +gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den +stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou +Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van +inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij +den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,” +dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van +postzegels hebben moest.” + +Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude +juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde. +Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen. + +Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met +eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met +een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij +een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits +gelukkig aan. + +Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en +kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van +de lijn los maakte. + +„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren +bestellen, en dan... de verrassing.” + +Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den +anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg +ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee +bordjes, dol hé?” + +„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?” + +„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt +ook een poffer, maar zonder boter en suiker.” + +„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien. + +’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes +binnen kwam. + +Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart +verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want +hij was ook dol op poffertjes. + +Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi +wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits, +die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed +ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde +luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame +en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof. + +„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun +mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen +haar opsprong. + +„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig. + +Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette +onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel. + +Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen +hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde, +doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet. + +In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten +bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een +tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw +bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die +„vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos +naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps +op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe. + +Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij +bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van +Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op. + +„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij +verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck +even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons +uit.” + +„Ooo...” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil... Ellen +en Grace vonden ’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en...” + +„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’ +woedende blikken met woeker terug gaf. + +Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes, +verwaardigde de nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug. +Wat kon hij anders doen? ’t Ging toch niet aan, om Puck mee te sleuren. + +Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t +tafeltje van de anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en +presenteerde Lientien heel edelmoedig een derde portie. Maar zusje +bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met moeite haar +bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem +was. Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk +mislukt. Lientien vond ’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t +weggaan, in ’t geheel geen notitie meer nam van Puck en die „Van +Bergens”. + +Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel +bezwaard over Puck en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet +ze nou alleen naar huis? Mevrouw Van Bergen woont een heel anderen kant +uit...” + +„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten +tegelijk, dat nare wurm!...” + +Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en +omkijken... Geen spoor van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen, +wilden ze op etenstijd thuis zijn. + +Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at +heel laat, en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel +vergeten. Erg verschrikt, toen ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze +zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar opendeed, met een vaart +voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was al bezig àf +te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet. + +„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al zoo laat? Ik dacht...” + +„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op +je. Ik moet zeggen, jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t +geen van allen in ons hoofd krijgen over etenstijd thuis te komen.” + +Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al +heelemaal klaar,” pruttelde ze, „waarom?...” + +„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn +kreeg en naar bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust +hadden op jou te blijven wachten... je vindt dan ook den hond in den +pot, meisje.” + +„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar +zooveel poffertjes opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van +had. En toen dat gejacht en gevlieg! Ze was aan ’t huilen toe van +overspanning en zenuwachtigheid. + +Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar +gedrag streng afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was +kwaad op haar. + +Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij +wou, maar haar werd alles kwalijk genomen. + +Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien +avond nog van oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten +schreide. Te meer omdat oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht, +haar den verderen omgang met Ellen en Grace te verbieden. Die meisjes +schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit te oefenen, en dat +mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje mee +te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien +en Nel zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet +heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen +avond, geen ziel keek naar haar om. + +Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had +om iedereen te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog +lang te brommen en te foeteren. Ze had een hekel aan alle menschen en +aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want ze had er veel te veel van +gegeten en nu bezwaarden ze haar. + + + + + + + + +III 1 APRIL. + + +Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en +Lientien. Dan had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de +schoolzorgen nog ver weg. + +Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t +schoolwerk worden afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze +had nog steeds groot ontzag voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat +te wenschen over, en Lientien moest altijd wéér vragen en zeuren: „hè +Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, teuterd.” + +Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien +opruimde, was ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd +grappige spelletjes bedenken, en had telkens nieuwe invallen. + +Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een +grooten bezem door de lucht te vegen. + +„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd. + +„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een +hoek gejaagd. Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks +van stilzitten. Daarom kijken ze ook zoo donker, maar zich verroeren +durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn bezem.” + +Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze +even later, „dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil +weg...” + +Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe +was, zeilde het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een +groote zette het achterna, doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te +zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, al dunner en dunner werd, en +eindelijk geheel scheen opgelost. + +„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is +de regen voor vandaag al vast naar huis gestuurd.” + +Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,” +verzocht ze. + +„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze +niet aan met den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die +worden alleen door hun moeder uitgestuurd als ’t thuis niet meer met +hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen de deur uit, en dan +krijgen we lekker weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren +achtereen hooren brommen en grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo +lang de zakken met regen blijven dragen tot ze zijn uitgeraasd. En +telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of de zakken nog +wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”. +Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t +pijpestelen soms uren en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet +meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, en die mag ze naar huis +terugdrijven.” + +„Waar wonen ze, Puck?” + +„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,... en nog veel verder. In +reuzengroote holen, en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t +midden met „den wind” naast zich. Die is haar trouwe knecht, en die +doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er niet, en kon de wolken +dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, dat ik +ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de +wind. De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door +maar te blijven hangen in plaats van voort te maken... Maar kijk de +hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de wolken zijn stellig thuis bij +moeder in de reuzengrot en moeten slapen... Zeg Lientien, zullen we nu +eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?” + +„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig. + +„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde +Puck. „De beste zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen +niks goeds meer krijgen. Mijnheer en juffrouw Snater, die aldoor maar +pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, en konden +daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe, +slimme spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer, +van hem was. Voor veel geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de +familie Snater verhuurd, en die heeft er dadelijk een nestje in +gemaakt.” + +„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan +geld?” + +„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten +mijnheer „Geelsnuit” onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of +’t niet waar is.” Puck wees den weg naar ’t balcon van de logeerkamer. +Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig naderbij, en bogen zich +over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde Geelsnuit +vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en +moeder Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun +kinderen. Maar vast twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet +brokje voor hun begeerige open snaveltjes weg, en stopte dit in zijn +eigen steeds hongerige maag. + +„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk. + +„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O Puck, hoe heb je dat +ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?” + +„Om dezen tijd ten minste...” + +„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs +ook zien.” + +Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk, +dat de jonge muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden +zijn. + +„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren +van het huis,” lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?” + +„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval +te pas kwam, „dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of +Snater, hoe heet ze ook? Tegen den zijmuur bij de regenton is nog een +leege bloempot: je reinste musschenhuis.” + +„Wat een geluk!” riepen de meisjes. + +Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig +haalde hij ’t nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl +de piepende ouders op den dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf +ze een kwartiertje later ook in hun schik waren, en dien leelijken +Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn muggen- en +wurmenpasteitjes zorgen. + +„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei +Lientien tegen Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit +hadden vroolijk gemaakt, „jij weet altijd weer wat nieuws.” + +„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als +ik verbazend beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan, +hoor!” + +„Maar dan willen wij misschien niks meer met jou te maken hebben, +nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. „Wat +een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog +klimmen willen...” + +„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam, +want Frits had dit juist gesloten. + +„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte +Lientien; „dat leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.” + +„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?” + +„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits +weer „nest” tegen je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er +in?” dan kijkt hij vast op zijn neus.” + +„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde: +„Iedereen kan ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van +Vorden.” + +Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl +„Meester” tegen Lientien zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te +vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje opruimen, hoor!” + +Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar +drift zou hebben te schamen, eer de avond gevallen was. + +Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust +weerstaan met Puck den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór +haar half leeg gehaald speelgoedkastje met al de schatten om zich heen +verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet eens een flinke +opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken, +toen Puck de kamer binnenstoof. + +„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van +tante, en of je vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk +aantrekken en je mooie hoed maar op, want zoo dadelijk komt ’t rijtuig, +en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” theedrinken... Ik +moet me ook gauw verkleeden...” + +„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou +moet ik mijn haar ook nog over doen en...” + +„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,” +vond Puck. + +Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was nu nog uit +rijden te gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien. +Argeloos liep ze in de val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit +juffertje liep weg, quasie om haar jurk uit de kast op den overloop te +halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat terug te komen. Zij +haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost +de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee +te drinken, en keek zeer verbaasd, toen ze Lientien daar op eens in +groot toilet zag verschijnen. + +„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen? +Waar wou je heen, poes?” + +Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat +papoes...” + +Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen +van pleizier over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog +stemmetje zong: „Eén April, één April, mag je foppen wie je wil. +Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!” + +Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij +smeekend, van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien +op. Nel, papoes, Frits, zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten +Lientien alleen met haar verdriet en teleurstelling. En daartusschen +klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien werd hoog rood, +ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende +stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen, +en gaf haar een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug +ontving. + +„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend +tweetal in een oogenblik uiteen. + +Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn +schouder. Doch vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben +je echt een klein, stout schootkindje. Maar Lienepien, hoe kan je een +onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je houdt zelf zooveel +van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.” + +„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, „en toen dat gejacht en +gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, dat was nog ’t ergste.” + +„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien, +je bent toch een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud +is en vroeg donker ook, uit rijden zouden gaan.” + +„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van +’t speelgoed,” zuchtte Lientien. + +„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche +jurk aantrekken, Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie +wandelen, en brengen we wat lekkers mee voor bij ’t tweede kopje thee.” + +Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder. + +In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast +nog echter dan uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen +van vroeger, uit zijn eigen kinderjaren. Je kon dan onder ’t +toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te worden. Dit keer +vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, en +daar veel ergernis en verdriet door had gehad. + +„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien. + +„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,” +lachte vader. „Want ik was op kostschool en dat is nog wat anders dan +thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat ’t een jongen +toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool, +dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste +menschen, dien ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood. +Wij, jongens, zouden voor hem door ’t vuur zijn geloopen, want we +wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig was. + +„De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en, +behalve geniepige, gemeene streken, zag hij bijna alles door de +vingers. Wanneer hij een jongen met zijn groote, doordringende oogen +aanzag, moest je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar, +had je eerlijk bekend, en vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als +een vader voor je, en bij je zelf dacht je: „Ellendig toch, dat ik den +baas verdriet heb aangedaan.” + +„Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en +tegen een vechtpartijtje zag hij ook niet op. Vechten was op school +verboden, en de baas had me al eens een paar keer gewaarschuwd: „Carel, +daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven niet kunt laten; +vecht je weer, dan krijg je een pak.” + +„En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen +was, en heb ook menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige, +vriendelijke woorden van den baas, na afloop van de straf, mij veel +meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand onder te +krijgen, dan de klappen.” + +„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil +doen,” sprak Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.” + +„Door „Meester”,” spotte Puck. + +„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk +naar „Meester” te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een +lekkeren banketbakkerswinkel. Wat zullen we nu eens voor thuis +meebrengen?” + +Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden +natuurlijk zelven de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar +open deed. Waartoe vader onmiddellijk overging; hij wist nu eenmaal: +„als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje zien.” + +Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was +zooveel, dat iedereen volop smullen kon. + +Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht, +wat een rommel er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar +alles keurig opgeruimd. + +Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar +hart, hoe lief dat van haar was. + +Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve +ouders, die nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en +liefde te werk gingen. + +En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht +Lientien, terwijl ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een +goed kind te zijn. + + + + + + + + +IV „MAMA!” + + +Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij +eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt, +dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo +goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama +meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit +wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig +ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht +mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor +Snellen te raadplegen. + +En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had +best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven +ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den +divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet +aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen. + +„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte +stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want +daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?” + +„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem +te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet +zijn, en U voor alles in acht moet nemen, omdat U anders... omdat Uw +andere oog anders...” + +Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit, +terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte. + +Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen. +„Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind... Hoe kan ik met je praten, +als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles +voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat +nou zoo erg?” + +Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje. + +„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?” +verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t +U belieft maar niet op.” + +„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel... Wel kind, professor was ’t in +hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in. +Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met +mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij, +ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel +klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig +trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten... Als U +zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang +behouden als anders ’t geval geweest zou zijn...” Zie je wel, Nel, dat +’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden menschen, die +maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen, +handwerken en zoo.” + +„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd. + +„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in +wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.” + +„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn +allebei even helder en... Kunnen die geleerde heeren zich niet +vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets...” + +„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik +zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat +moeder eens ernstig met je overleggen, kind. + +„Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed +als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe +alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet +meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn... Maar ’k +zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken +laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.” + +„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in. + +„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we +de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t +vele goede, dat overblijft, niet voorbij te zien. ’k Behoef niet +hulpbehoevend te worden, Nel, als... ik heel voorzichtig ben.” + +Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd +zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen... + +„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte +Nel. + +„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te +zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige +dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap +houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga +weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n +beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in +huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren +dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.” + +Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw +Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk +overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa +vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er +in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.” + +„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord +had, met nadruk in. + +Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen. + +„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg +Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof +gezegd?” + +„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar +jongen in de breede vensterbank naast zich. + +Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij +zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te +luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel. + +Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op +beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te +toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij +gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,” +verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere +houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden +moeten gelooven.” + +Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden +stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats +vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar +ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in +huis moest komen, en...” + +Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van +een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel +dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd +aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke +meid was Nel toch.” + +En wat mamp wel bij zich zelf dacht?... + +„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij +eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat +in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel +anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te +geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de +huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor +menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa +en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd +over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?” + +„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader +zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.” + +„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, +en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de +meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, +dat Nel er niet aan mee wil doen.” + +„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen +te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens +over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve +kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden, +terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je +jongemeisjespleziertjes aanhouden en...” + +„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of +uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U +zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag +zetten wat lekker is...” + +„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet +ik ’t niet... + +„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t +kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den +huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t +niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een +kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó +ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders +rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t +noodig is. + +„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante +Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij +zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al +niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t +aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te +worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor +tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden +te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles +zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik +zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.” + +„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” +merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden +uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?” + +„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa +opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.” + +„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei +Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we +de anderen mopperen, hé?” + +„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog +leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en +zóó,” vond Frits noodig op te merken. + +„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet +mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.” + +„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, +„dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had +uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad +te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich +hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding. + +„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen +onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.” + +Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t +ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het +droeg. + +„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,” +verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor +ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.” + +„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al +was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we +haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de +nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.” + +„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, +dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe +langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt +leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan +mamp, dàt waarschuw ik vooruit.” + +„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij +geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de +gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates +en Waldi naar hartelust bedrillen.” + +„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. +„Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog +drie kwart tot de kinderkamer.” + +„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar +eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van +twintig.” + +„Eén en twintig, als je belieft.” + +„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de +winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.” + +„Zóó, ouwe heer.” + +„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, +en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....” + +Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich +dus niets aan van zijn laatste woorden. + +Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles +goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te +groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden +als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere +kinderen onderling. + +Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk +gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen +hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje +van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en +schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind +was. + +Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t +geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van +die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee +van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog +de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes, +dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De +meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van +zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn +behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je +weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat +heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je +niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.” + +„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel. + +Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan +mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou +willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar +nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga +mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch +mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen +maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl +er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.” + +„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit +verwaandheid zegt.” + +„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen +ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd +hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat +ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook +niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar +altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter +Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens +antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.” + +„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.” + +„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft +niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo +prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te +worden.” + +„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.” + +„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij +zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. +Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer” +heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.” + + + + + + + + +V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS. + + +’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht +gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden +maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en +Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm +onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote +baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend +nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van +alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk +weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar +beurt afwachten en niet vragen.” + +„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn +jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde, +of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel +mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht? + +„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t +toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol. + +„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten +merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante +wegreden.” + +„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?” + +„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen, +die mogen per sé nooit wat weten.” + +„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt +tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen +geleerd.” + +„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck +wijs. + +„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat +begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.” + +De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige +rooden beuk. + +Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en +maakten daar grappige geheimpjes van. + +De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den +geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd +„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet +heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn +moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij +vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan +op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die +al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed +aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er +naast: „de schitterende edelknaap”. + +De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand +begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de +vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op +springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige +licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de +kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de +twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je +poppen dan ook in ’t gras liggen?” + +Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt +aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen. + +Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid +moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk +die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen +stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale +drukte.” + +„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd, +„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.” + +„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.” + +Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan +bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een +uit. + +Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze +’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch +papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze +moesten nu niet hinderen. + +Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje +rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw +„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust +vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid +beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer +naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster +bleef staan, kon ze elk woord verstaan. + + + +Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net +hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...” + +Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck +binnen. + +„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam +gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de +professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd +doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd +van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck +nog harder begon te huilen. + +„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon +toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien +dat vreeselijke gelooven. + +Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij +papa opzoeken. + +Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en +streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug. + +Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo +bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje, +zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong, +en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals. + +„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig +weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd: +„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o! +wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo +heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden. + +’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als +Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders +hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama +niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend +laten merken, dat ze zich ontzien moest. + +„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er +Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten +wezen.” + +„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd +naar boven te gaan.” + +Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met +een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.” + +„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute +meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt +àl ongehoorzamer en...” + +Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te +kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en +kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet +vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte. +Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak +verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze +toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien, +wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.— + +Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama +had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa, +want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had, +was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging, +toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje +veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik +kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo +vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou +dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...” + +„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je +zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het +àf.”— + +’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te +houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had +uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.— + + + + + + + + +VI „GEERTJE”. + + +De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de +advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig +vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere +Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen +zij zich kwam aanmelden. + +Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden +van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar +innam. + +„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een +weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik +moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, +niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen spijt van +hebben, ikke kan werken als een paardje.”— + +De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en +Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind +droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel” +genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een +properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend +had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij +gunstige getuigen. + +Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een +ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze +nou precies paste in een deftigen dienst?.... Maar eerlijk en werkzaam, +dat was zij, en eten kon ze voor tien. + +Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen +Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar +huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over +uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek +wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten +naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.” + +De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen +Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de +aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had. + +Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje toe, was een +kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar +niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had +zich te..... (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch +met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog +als ik ’t had opgestapeld.” + +Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet +onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de +kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens +volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte. + +Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds +alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. +(Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je +’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat +werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar +„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. +De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag +een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete +koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met +haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en +de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine +teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging +veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong ze ook +vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de +vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de +inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt, +want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest +Bet daar niets van hebben. + +Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat +viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor +iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens +spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig. + +Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met +Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg +poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover +deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw +toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op +voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze +in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, +doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze +ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t +stomme beest niet aan wennen,” meende zij. + +Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen +manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je +geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” +informeerde ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de +verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet. + +Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet +staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo +heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook +geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de +paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee +hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd. + +Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich +maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen +tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck +en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar +kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid. +(Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.) +Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te +zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo +bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder +bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der +complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.— + +Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met +Geertje te doen, toen zij (op een morgen thuis geroepen, omdat moeder +zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was. + +’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes +thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was +altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!.... + +In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week +of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader +wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen, +want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n +puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom. + +Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze +hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom. + +„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en +eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan +ze immers niet?” + +„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel. + +„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets +voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al +vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over +is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan +anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.” + +„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte +Lientien tevreden op. Ze zweeg een poosje, en vervolgde toen: „Wat +hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is +toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en +zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat +er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan +doen.” + +„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat +mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen +menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen +met ons meelij aankomen, maar echt helpen.” + +Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze +centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? +Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over; +dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!! +Misschien doe jij ook wel mee, Nel?” + +„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer +zakgeld heb!” + +„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak +flink moest worden aangepakt. + +„Secuur,” besliste Nel. + +„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld +ook; ’t geef er maar twee.” + +„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk. + +Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante +Heintje gekomen om te helpen. Tante Heintje was weduwvrouw, en had zelf +geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens +stellig geen baas zou blijven. + +Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. +Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar +werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes. + +„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen +maand dood,” zeiden de kleintjes. + +Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t +uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, +al toonde zij dit niet naar buiten. + +„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t +Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte +visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar +reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit +alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje +aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen +even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden +tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles +behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen +tegen de zoldering hingen. + +„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar +daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. +Och, Jongeheer, wij menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons +weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t +hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”— + +Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was +heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen +moeten overgeven. + + + +Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor +Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de +Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje +met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje +werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste +uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de +verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren. + +De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. +Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de +beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op +(welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie +voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op +spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen. + +Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal +kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde +niets. Frits wou ook wat doen, en had twee vuurroode papieren rozen +tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem, +niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan. + +Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze +schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor +zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo +prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.— + +Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven +slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar +vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde +tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf +inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, +die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van +Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was +geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,” +zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.” + +Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier +bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de +„heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor +tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef +alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren +bedje toe. + +En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde maar eens in de +week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.... op één na. Dàt was ’t +poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, +maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je +je spiegelen kon,” zei Lientien. + + + + + + + + +VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN. + + +De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest +tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, +maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al +moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde +flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling +voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er +gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden, +en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet +veel beter. + +Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette +Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, +met heldere blauwe oogen, en een fijn besneden gezicht. Mevrouw +Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans, +ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven +jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich +uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven. + +Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders +dubbel ontzien. + +Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat +de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog +meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck +haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op, +want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en +daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden +in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en +mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en +Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam +niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter +wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de +allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel +te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits +genoten. + +Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en +niemand nam ’t hem kwalijk, als hij op zijn kalme, bescheiden manier op +gemaakte fouten wees. + +Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een +ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover +waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op +vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou +optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de +menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen. + +Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet +zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of +hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever +ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol +stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.... Al had Frans aanleg +als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg +zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. +Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door +heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens +toe. + +Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t +allemaal valsche bescheidenheid was van Frans. + +„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die +niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn +stemmetje zong zij ouderwetsche liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger +van tante Sjarlotje leerde. + +„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, +kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je +tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.” + +Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor +haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van +Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al +veel te groot voor! + +Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze +voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar +hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck +op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een +tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou +mogen oefenen en broddelen. + +„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op +den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt +iedereen.” + +„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, +goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, +begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en +bonkt er me veel te hard op.” + +Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar bij zich zelf +dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf, +dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.” + +Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij +dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want +wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben. + +Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd +geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast +herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar +piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man +had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over +zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat +op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer +Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een +van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij +zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te +pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte, +kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten. + +Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, +kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan +Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s +spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed. + +„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen +kan.” + +Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed +dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en +zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte. + + + +Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar +hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht +spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den +sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van +de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten” +allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer +afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat +’t haar verboden was, op den vleugel spelen. + +Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur. + +„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd. + +„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van +een marsch in. + +„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, +„je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.” + +„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck. + +Lientien werd echt driftig. „Nare treiter,” viel ze uit, „als je me +weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want +iedereen zegt, dat je daarop lijkt en....” + +Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. +„Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien +zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat +kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag +vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien, +heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, +achterbleef. + + + +Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den +heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck +stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante +eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel. +Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze +heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante +Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen +opknappen.” + +„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er +lust in?” smaalde Puck. + +„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als +jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat +jij moet missen. In elk geval wil ik je nu niet langer zoo ontevreden +en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat +je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous...” + +Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die +ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat +er vast een standje voor haar op. + +Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en +was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde +wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk +lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of +dat geweld haast gedaan was. + +„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den +hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, +op ander kattekwaad bedacht. + +Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner” +nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien +bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. +Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens +poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek. +Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden +raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen +oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar +oudste dochter Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje +wel een vuurroode roos zetten?.... ’t Lijkt me erg opzichtig.” + +„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s +hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de +roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de +hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?” + +„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden +strik, Lienepien?” + +„Ook te schel... vindt u niet?” + +„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net +appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.” + +„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de +commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes +aanwijzing, de lintendoos te zoeken. + +„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik +een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar +mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het +appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes +weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan +tante ’t eigenlijk wel missen?” + +„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. +„Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer +aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is +al erg oud, ’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar +verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.” + +„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol +was op verhalen uit de jeugd van groote menschen. + +„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een +vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”. +Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze +vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven +we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit +rose lint van haar voor mijn haar. + +„Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, +jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden +tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en.... +elkander toch zoo spoedig vergaten.” + +„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?” + +„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. +Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch +niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.” + +„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen +blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp +heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè, +zalig!.... Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch +zoo dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet +tegen haar.” + +„Maar Lientien....” + +„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. +Enkel „ja” en „nee”.” + +„Hoe komt dat dan, snoezepoes?” + +„We hebben elkaar uitgescholden omdat.... maar dat kan ik niet allemaal +vertellen, want ik wil haar niet verklikken.” + +„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.” + +„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits +trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” +ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo +graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik +wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat +zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk +en kleine Koo een paar sokjes....” + +„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig. + +„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me +al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou +voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante +Puck!”.... + +Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog +voor wat heel anders hebben uitgemaakt dan voor een ijdeltuit. Want dit +slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve +Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t +tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. +Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen +binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal +niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen. +En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie +Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op +haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en +Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was +juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in +tantes schortje gestopt. + +Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar +den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde +Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte +tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg. + +„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet +vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij +je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?” + +Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed +bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen +houden.) Ze was meer verbaasd dan verschrikt, verdacht Puck geen +oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine +deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben, +maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t +wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog +te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen +plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde +moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun +best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel +juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de +misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk +gehavend. Maar nu, alle vier.... Puck deed quasi met zoeken mee, doch +dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,” +dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé? +Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar +keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel +niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer +van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak. + +Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich +eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de +stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te +dwars. + +Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck ze noemde. Er was +een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft +langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen +hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” +vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de +toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de +toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet +zijn.” + +Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de +heer Canneheuvel. + +„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is +er een muis in den vleugel....” + +„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, +keek naar binnen.... + +„Wat is dat?.... Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. +Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.... Ja, ik +geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam, +Lientiens poppen in den vleugel gestopt?” + +’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t +punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en +zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer +minzaam had voorgesteld liever heen te gaan. + +Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den +heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar +verloren schapen terug had, liep er dadelijk mee naar boven. De +stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek +van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink +standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!” + +Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog +niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit +niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama +vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste. + +„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama +hierop. + +En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein +gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp +van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan +het heldere licht gebracht. + +„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een +beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar +ik zelf den sleutel.” + +„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders +ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde.” Frits wilde Puck gaan +halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had. +Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan. +Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen. + +Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui +er nog waren. + +Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop +ze naar bed. + +Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen +(die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen +kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch +hebben. + +Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven +waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante +Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal +geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet +zien kan!” + +„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten +dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem +komen. En dan nog al met mijn zieke been!” + +Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de +aangeslagen noten op en neer walsen. + +Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en +springen was geweest. + +Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was +de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor +„zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.— + +Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t +knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, Puckie,” berispte +Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had +gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar +eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald +plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En +dat wil ik ook volstrekt niet hebben.” + +„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en +Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is +alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan +ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.” + +Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje +achterwege. + +En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei +Frits naderhand tegen Nel. + + + + + + + + +VIII NEL ALS HUISMOEDER. + + +Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou +overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en +kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al +lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman. + +Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse +minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S. + +Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als +zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t +bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote +vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante +minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar. +Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg +gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor +de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee +moest. + +„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante +heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van +gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na). + +„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij +hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den +gulden werd niet meer gerept. + +’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat +durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door +al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de +vacantiedagen. + +Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck +zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te +vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen. + +„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit +zoo’n zeurkous meer bijgewoond.” + +„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en +oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne +„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in +bed, want ’t is mijn beurt.” + +„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal +wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog +eerst onze kas opmaken.” + +„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór +Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!” + +Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens +vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel +geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en +gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de +vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, +en dan bij die saaie tante, ajakkes! + +Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster +Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de +familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij +vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer +gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en +had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel +blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante +Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen +verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan +dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg +gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en +droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante +gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en +Wimpie. + +Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de +tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten +liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld. + +Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, +„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te +druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat +Puck de kamer uitging. + +Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit +nachtjaponnetje binnenkwam. + +„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd. + +„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. +„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er +nou nog bij, anders klopt ’t niet.” + +Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat +er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat. + +Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later +vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten +ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo +iets! + +In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t +hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk +een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk +centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s +krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en +Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat +snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan +’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes. +Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje +zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar +den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje +doen?” + +„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is +afgesproken.” + +(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld +bovendien.) + +Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder +aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de +vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en +gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden +lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus +veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet +mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien. + +De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te +bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde +Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich +hebben. + +Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd +de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over +het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke +deze vacantie ruimschoots beloofde. + +„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis +zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp +daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben. + +„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet +prettig vind...” + +„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet +(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik +immers twee weken naar Haarlem gaan?” + +Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem +bijzette, gaf mama zich gewonnen. + +Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook +maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw +Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook +die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen +mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is +de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan +denkt.” + +Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man +en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar +bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in +te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er +iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een +of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef +tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar +jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde. + +Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een +eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen +„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. +Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou +niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond. + +Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te +bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens +liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over. + +„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, +want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, +ook niet weg.” + +Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder +Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er +heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een +uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden +Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond +het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of +wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd +aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen +geval sprake van, dat zij had kunnen gaan. + +Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en +Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en +stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan +Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over +hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze +gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet +zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd +door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel +vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie, +nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret +beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die +verbood en vitte van den ochtend tot den avond. + +’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef +natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens +gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig, +als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik +uit het oog te verliezen. + +Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen +dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam +dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en +neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen. + +Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, +dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht. + +Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden +gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder +genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet +veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten, +maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk +bewaren. + +Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te +maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet +schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er +heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de +bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit +„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t +knoeien waren. + +Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was +altijd veel te gauw om naar hun zin. + +Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren +bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half +uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om +dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te +wezen. + +Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te +beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en +kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de +hand. + +Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten +worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken. + +Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond +een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest +was, dit sloeg ze nooit over. + +Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren +geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had +die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t +wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen +briefkaart meer van hem, sinds dagen al. + +Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich +toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar. + +Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar +’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder +de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar +was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en +wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als +’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor +houden. + +„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij +gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je +er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te +schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de +pret maar half, dat begrijp je.” + +„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de +heele hand.... + +„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.” + +„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft, +heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie, +Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen +theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.” +Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde +zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over +beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden +te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij +zijn.” + +„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met +vier treden tegelijk op. + +Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar +kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig +bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren +er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar +beneden meegenomen worden. + +Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem +heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar +Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was +Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te +halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t +daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog +al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de +glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje +een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee, +of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje, +als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring, +en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie +verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot +(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en +begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien +eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven. + +Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of +daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet +dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor +Bet!” beloofde ze gul. + +„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten, +Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,” +vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan +’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid +nemen van de gastvrouw. + +Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer +aantrekken. + +Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank +gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog +vertelde, was tante al heerlijk ingedut. + +„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.” + +’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en +Frits innig genoegelijk na te babbelen. + +En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast +had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch +wel erg saai was alleen achter te blijven. + +„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans +gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij +niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een +wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een +genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe +langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven. + +„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en +had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor +dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van +plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?” + +„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de +kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je +uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.” + +„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan +Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. +En nou echt goeienacht, huismoeder.” + +Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, +„Frits, luister eens....” + +Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. +„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.” + + + + + + + + +IX OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”. + + +Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de +huiskamer, op een groot laken, dat Nel over ’t tapijt had laten +uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een tabouret en een bankje. + +Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet, +Geertje, Wimpie, Puck, Lientien en Annie. + +’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast +niet klaar, had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij +(op de tabouret), en keek toe, of alles wel naar den aard gebeurde. +Waldi liep overal tusschen door als een agent van politie, en was braaf +lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde. Truus en Nellie +mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op het +bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de +anderen bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen +afhalen? Ze waren heusch groot genoeg om zich niet te bezeeren. + +„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den +slag te gaan, „en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken, +anders eten we van ’t winter boontjes met haren.” + +Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat aan kon hebben, en +om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje +bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met +voorlezen terecht. Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat +niemand ’t mooier kon dan zij), en dus bleef zij maar aan de beurt. +Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou snijden of bezeeren met +het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier. + +De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al +gauw een volle mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg. + +Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder +vond het verhaaltje prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute +kinderen in voor, volgens Bet, en Geertje dacht bij zich zelf: „Dat +bennen nou net goeie kameraden voor Puck.” + +Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute +krakelingen mee voor de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg” +zouden zijn geworden van al dat groen. + +„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in. + +De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte! +Waldi bedelde zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had +gewerkt, slokte een heelen krakeling gulzig naar binnen, en keek dan, +of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch bedelen aan tafel. +Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op. + +Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien: +„hè Frits, speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan +kan Puck meteen een beetje op adem komen van ’t voorlezen.” + +„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken, +terwijl allen de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee +zongen. Zelfs Geertje galmde: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi +in de maat met de anderen. Daar ging tante Sjarlotje’s schel, en Kee +vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw had haar +gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek +mee genieten. + +Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half +één liet Nel met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de +gang, om de van ’t lange zitten stijve beenen weer lenig te maken. + +Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi +in de armen duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even +verontwaardigd waren, terwijl ze niet wisten, hoe gauw ze van elkaar af +zouden komen. + +Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al +de verorberde krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over. +Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, want een versche boterham met +gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor het +„twaalf-uurtje”. + +Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde, +voor ’t laatst. En zoo had ze nu ook weer zulk een heerlijken reep +gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. Puck keek er +naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang +opgesmikkeld. + +„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens +mollepootje, „zou je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige +reepje van jou te geven?” + +Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had +wel iets van een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt. +Iedereen keek Lientien aan. Wat zou ze doen? + +„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door +Annie krachtig bijgestaan. + +„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar +Lientien....” + +Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die +zijn hoofd schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.... legde +het op Pucks bord. „Daar dan, maar je moet dat kunstje nou niet aldoor +uithalen, hoor!” voegde ze er bij. + +„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard +brokje dadelijk in haar mond verdwijnen. + +„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!” +„Was juf maar hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!” + +„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel. +„Bij Lientien is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag +wat weg, hé poes?” + +„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was +nou toch al op geweest.” + +Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest +naar de keuken, Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven, +en Waldi ging er met Frits op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien, +Puck en de twee logéetjes over. Socrates maakte ook al gauw, dat hij +weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, en nog +een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn +gulzigheid zat te betreuren. + +Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze +sneed zich ook niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had. +Toen Bet weer een mand met afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat +’t nou genoeg was. De rest zou ze van avond met Geertje wel doen. +Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van ’t winter +dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”! + +„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw +Sjarlotje heeft zoowaar ook nog mee gedaan.” + +De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig +afgehaalde boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes +voor haar zelf,” dacht Lientien, want tante at niet veel. + + + +„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, Nel,” vertelde +Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze +morgenmiddag hier. ’k Heb ze gevraagd.” + +„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde +Puck bijdehand. + +„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik uw toestemming soms gevraagd?” spotte +Frits. + +„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij, +„wat zijn dat nou eigenlijk voor jongens, Frits?” + +„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..” + +„Onder de Vors....?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog +bijtijds in. + +„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,” +fluisterde ze toen. + +Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.... gehoord te hebben. + +„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield +Nel aan, terwijl ze een waardig moedergezicht poogde te zetten. + +„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan, +en morgen sturen we ze uit wandelen.” + +„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine +meisjes in koor. + +Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij +begon nu uitvoerig van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij, +met Waldi naast zich, op een bank zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi +gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit ’t groen naast de bank +opdoken. + +Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug +geaaid. + +„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop +gevraagd. + +Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord: +„Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo....” +Nou, toen waren ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens +evengoed als Frits. + +„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de +grootste, op zijn mager kameraadje wijzend. „Zijn vader is dan vijf en +twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, aan de +Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren +en... wat nog meer, Daan?” + +„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan +gane we een auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.” + +„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits. + +„Nee, hè mijnheer?.... ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht +nemen,” vervolgde Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.” + +„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel +missen, mijnheer, want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder +verloren, en ik heb de mijne nog.” + +En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je niet veel meer... +Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een +besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet +U, van bij ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en +twintig, maar ik zeg maar: een zuster is toch geen moeder, bij lange +niet.” + +„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie +moeder!” + +De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe +aardiger. + +„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij. + +„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.” + +„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens +wat van de wereld.” + +„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze +kunst voor ’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer +van lezen.” + +„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel +tijd om te lezen.” + +„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de +week uit de schoolbibliotheek, dat heb ik dikwijls in één dag al uit.” + +„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half +drie met je beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke +boeken voor jullie klaarleggen, goed?” + +„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden +beleefd de pet afgenomen, toen Frits opstond en er met Waldi van door +ging. + +Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t +Lijken mij aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs +verzinnen, als ze morgen komen. Hoe laat zei je ook weer?” + +„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.” + +’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen +achtereen in deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een +keurig gedekt tafeltje met de witte tuinstoelen er gezellig omheen +geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde als robijn en +goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond +verleidelijk in ’t midden. + +Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht +ze naar den tuin. + +De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte +broeken. + +Nel trad hen dadelijk tegemoet. + +„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken +te komen halen; mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.” + +Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei +prettige jongensgezichten en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet +vrijpostig was. + +„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel +een glaasje limonade?” + +De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een +beetje verlegen met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak +te zetten. + +„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine +meisjes knikkend. „Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij +wees op Lientien. + +„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind, +„die twee zijn maar logéetjes.” + +„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de +koek al weer op.” + +Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag. + +„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later. + +Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat +de jongens nette, bescheiden manieren hadden. + +Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond. + +„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug +brengt, kan je weer een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij. + +„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren, +dan kunnen jullie ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.” + +„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt, +ben je er van zelf netjes op.” + +Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den +indruk achter van een paar leuke, aardige, jongens. + + + +’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen +met reuzepitten er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck, +omdat je mij je lekkere „reep” hebt gegeven. ’k Heb de grootste +pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. Dag, of liever: +goeie nacht.” + +Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend +veel van pitmoppen en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien +vertelde ’t nog even aan Francine, die bij haar mocht slapen dien +nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante Puck had aan te +merken. + + + +Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien +dagen hun boeken ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier, +waarmee zij ze gelezen hadden. + +Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school, +en moest een ambacht gaan leeren. + +Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen. + +Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief en bovendien +een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had +uitgesneden. + +Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang. + + + + + + + + +X „SCHATTEBOUTJES”. + + +Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen +missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook +even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin +geworden. + +’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te +stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van +Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een +opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven, +dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in +Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in +Amsterdam had gevestigd. + +De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu +alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen +wonen, waar haar Bet was. + +Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan +toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord, +en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit +„geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte +zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.” + +„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk. + +„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den +tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander +gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van +een mensch, die zal me veel vergoeden. + +„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen. +Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader +georven. + +„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder +verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je +geschreven.” + +„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al +gauw uit.” + + + +’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te +gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat +Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat +dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd, +doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel +deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje +gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een +autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s +avonds vóór negenen weer thuis. + +Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet +kon hebben. Maar Lientien was er ook nog. + +Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop +Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan. + +„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, +als ’t mocht.” + +„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo +graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, +en als jij dan meeging....” + +„Dat kan in geen geval, lieverd.” + +„Neen hè?” zuchtte Lientien. + +„Maar we konden Frits vragen, of hij....” + +„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te +halen. + +Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde. + +Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was. + +„Wil je wel, Frits?” vroeg ze. + +„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een +Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al +bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, +die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.” + +„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om +beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend. + +„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar +moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker... + +„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we +met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. +Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, +en daarom, zie je....” + +„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar +Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?” + +’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een +bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te +vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits +en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond. + +Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best +amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje. + +Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een +courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, +die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of +Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg +zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder +uitbundige luidruchtigheid. + +In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes +opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en +aangehaald. + +’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, +en hield zich den heelen nacht muisstil. + +Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder +lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem +had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter +plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.— + +Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij +verwachtte. + +Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en +Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een +meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij +hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,” +had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk +een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien +jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net +of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij +ophoepelen.” + +Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch +zéér. + +’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook +volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, +waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had +Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de +buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter +haar dichtklepte. Maar toch.... + +Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle +woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht +haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden. + +Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit +Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende. + +Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits +hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige +vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen, +maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht. + +Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en +eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante +heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed +vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg.... + +O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat +zijn.... + + + +Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en +zouden al heel gauw thuis zijn.... + +„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck +bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet +zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je +Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam +ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.” + +Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek. + +„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma +mij meevraagt.” + +’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na +drie dagen thuis zou komen. + +Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en +nam haar mee naar de bioscoop. + +’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel +voorlezen. + +En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap +kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een +stevig dutje beet had.) + +Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en +gezellig. + +Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist +hebben, vooral Lientien. + + + +„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is +nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar +opzoeken.” + +Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar +verlangde, dat lieve schatteboutje te zien. + +„Erg graag Bet; mag Puck ook?” + +„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er +bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.” + +Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten. + +’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en +stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een +étage woonde. + +Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de +Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders +dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder. +Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan +straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond +je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover +was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een +spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand +vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die +veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een +reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan. + +Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen +niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn +bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd +gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede +waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar +leven voor zoo’n arm beest, vond moeder. + +„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien. + +„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in +de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie +kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn +oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren. + +De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood +kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi +uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog +knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast, +en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De +jongejuffrouw moest maar flink toetasten. + +„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en +dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.” + +Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal. + +Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien +en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook +wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo +echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig, +zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen, +reken maar. + +Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld, +als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te +verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen +auto. + +Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar +mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog +gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....? + +Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier +uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen +en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen +moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan. + +Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat +was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk +goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor +voor niets had zitten wachten. + +Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen +over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd. + +„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken, +Bet....” + +„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven. + +(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.) + +„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk. + +Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid. +Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar +omhelsde met een zoen. + +Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof +ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed, +nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld +hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken. + +Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven, +Bet?” + +„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen +nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit +zou gaan....” + +Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien +wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat +anders. + +„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt, +hoor!” + +Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit +deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal +in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als +Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil. + +De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen, +terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de +geschiedenis van wilden weten. + +Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die +korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw +kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar +om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor +en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap +uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat +haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden: +sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een +mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden, +en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen. + +Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en +Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen, +en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te +luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou +niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?” + +Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en, +terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed +Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel +meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar +zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te +grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die +neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu +sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud +den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de +familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan. + +Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen, +en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de +hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange +zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard +gezicht.) + +Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met +de allergrootste verbazing. + +Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen: +„Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere +heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze +willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....” + +Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand +nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot! + +Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat +brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je +moeder is een engel.” + +„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand. + +Maar naderhand zei ze tegen Lientien: + +„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die +hield den vrede.” + + + + + + + + +XI JAN WEER THUIS. + + +Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan +meegebracht. + +Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n +heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis +vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet +vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn +lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze +was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van +gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie +dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest +kreeg ’s Zaterdags ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en +opgewreven tot ’t blonk als zilver. + +Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op +vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en +Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te +koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad, +bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor +Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje +patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht, +daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in. + +Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.... Lientien +ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel +wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep +Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze, +op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret +over de namen van de patiencespelletjes. + +De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de +tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de +„schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar +bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op. + +’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij +alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten +missen,” zei Jan, „en wil er dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” +De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader” +noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij +even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest. + +Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door +den haren. + +„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.” + +„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?” + +„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje +naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan +naaien. + +„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed +gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.” + +„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan +zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.... +Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop +er tegen in, Jaromir.” + +„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu +zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik +voortdurend prijsjes.” + +„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde +Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.... Ons +eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige +oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven +vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt +heeft. Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo +goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen +wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de +kinderen Canneheuvel om u heen hebben.” + +„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama +bewogen.— + +Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een +echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij +haar plaagde. + +Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en +Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat +ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe. + +„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig +zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig +met haar neus in de boeken.” + +„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, +want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.” + +„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn +verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn +geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn +mond wel houden. + +Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend +las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat +den vrede zou kunnen verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis +was. + +Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te +verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol +boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste +bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch +er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd +aan Jan vereerd had. + +Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, +hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij +zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine +wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan. + +Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu +voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor +den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept. + +Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke +lessen overhoorde en de sommen nakeek. + +Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t +werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar +hielp geen lieve moederen aan. + +’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen +heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen. + +Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd +staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind +Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen, +want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme +antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten. + +Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, +dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te +lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren +als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht +komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij +klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in +gezelschap was. + +Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes +niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de +klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die +zich bepaald aan Leonore opdrongen. + +’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze +haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles +behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon +ze ’t niet helpen, dat ze ’t was. + +Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat +jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, +maar dat je dat onnoozele schaap van een Leonore nou zoo achterna +loopt, dat vind ik bespottelijk.” + +„Zoo!... vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan +jij, want ze is een barones.” + +„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen +steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is....” + +„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de +juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal....” + +„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” +schreeuwde Ellen. + +„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van +verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin +zijn met zulke bespottelijke mallooten.” + +„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want...” + +De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen +vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld. + +Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze +lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net +precies als Frits voorspeld had. + +Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan +Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd +te zwijgen, en op Lientien kon je aan. + +Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat +waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten. + +’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te +warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de +vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had +kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in +plaats van in de warme school. + +Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te +hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.” + +Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal +zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van +bij haar sommen, of de aardrijkskundige les. + + + +Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven. + +Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme +Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in +bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar +hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van +alle kanten werden toegestopt. + +„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, +„anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net +als Lientien.” + +Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig +denkbeeld. + +„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een +dag of wat heerlijk vacantie nemen om.... volop te lezen?” + +Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar +nooit iemand kwam, of je stoorde... + +Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar +plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen +de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets +prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar +verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al +een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid. + +Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als +ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” +En Puck huiverde, verbazend natuurlijk. + +„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in +’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde. + + + + + + + + +XII PUCK SPIJBELT. + + +Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch, +in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte +Bison” meegenomen. + +Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de +Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de +„Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer. + +„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht, +bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds +vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t +tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met +volle teugen smaakte. + +Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester” +luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat +Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet +langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen. + +Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk +gebeuren kon, was dit al geschied. + +Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op +school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden. + +Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had +hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd, +bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee +komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was. + +Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven +van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke +jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?” + +„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien +bedoel U immers?” + +’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze +had haast, knikte maar, en liep vlug weg. + +Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet +vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen. + +Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar +zwaarwichtige manier vertelde. + +Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af: +„Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?” + +„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t +jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig. + +„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte +’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren +Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig +meedeelde. + +Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als +kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald. + +„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld, +beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine +meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.” + +„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet +gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.” + +Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk +durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest +komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid. + +Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd. + +„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht, +goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór +te gaan.... + +„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel +alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van +allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als +kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl. + +„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te +wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een +of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen +gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf +altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.” + +Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en +heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan +door de laatste woorden. + +Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O +tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo +slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo +bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.” + +„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw +Canneheuvel treurig. + +Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug. + +Intusschen liep Jan de kamer op en neer. + +„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij, +zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die +boeken niet in verzoeking moeten brengen.” + +Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden. + +„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...” + +„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t +natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik +je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe, +en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal +geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf +verdient, dan is daar niets aan te doen. + +„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in +’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake +van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal +mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.” + +„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur, +en tante smeekend aanziende. + +„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht +wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je +gehandeld hebt....” + +„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?” + +„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk +veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld +hebt....” + +Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en +vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe. + +Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe +ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien +huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t +kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide +wangen. + +„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven. +Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou +komen?”.... + +„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?” + +„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen.... +hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om +mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe. + +„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik +die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd. + +„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als +jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel +gezegd: pas er mee op.” + +„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik +mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat +verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht, +bedriegelijk kind.” + +Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te +roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel +geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een +portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel +dit voor stoute Puck op zij gezet. + + + +Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van +Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde. + +Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van +afscheidnemen was dáár. + +Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden +Jan thuis „goedendag”. + +Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te +houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel, +terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu +op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t +aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet +minder eer zult inleggen dan met Dolf.” + + + + + + + + +XIII HET FEEST. + + +Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit +alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de +familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het +vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en +kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en +kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en +vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer +Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed, +want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst +recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden +komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck. + +Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te +hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel +kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits +dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven +had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf. + +Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam +niets meer in. + +’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en +daarmee uit. + +’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck. + +Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch +evenwel erg bang geweest. + +Zou ze mogen? Zou tante...? + +Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie +dus ook maar aannemen?” + +Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze +nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken. +Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog +tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed +is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.” + +’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze +Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck +’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”. + +Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste +dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De +grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er +tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd +door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat +Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als +„Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans +uit te voeren in „Het feest der Elfen”. + +Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in +den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg. + +’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen +jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al +de vriendinnetjes gingen ook, dus... + +’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds +op het tapijt was. + +Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij +aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau +doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van +den dag. + + + +Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken +precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar +zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte +margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar +en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de +ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend +tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene +linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar +Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag. + +Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden +spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd. + +Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze +prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar +rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje +een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden +slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje. + +Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond +Puck. + +Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t +eerst een „smoking” aan. + +Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor +den dag komen. + +Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was +Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou +vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk +blijven in de voorgeschreven houding? + +Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes, +werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan +voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer +Hendriks zei dikwijls: + +„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze +nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen +besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen +vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en, +in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of +vroegen onnoozele dingen. + +Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit +om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met +zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef. + +De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar, +daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet. + +Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een +groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de +maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren. +Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck +toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn, +en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen. + +Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had. +Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn +dieren te vertellen. + +Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden +er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t +groote erf te Soerabaia. + +Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de +dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit +zag als een echt chic salonjonkertje. + +Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste, +redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm +van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere +kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou +maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had +op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren. + +In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik +stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd. + +Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het +rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange +rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de +beurt kwamen om uit te stappen. + +Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed +om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met +’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand +te leggen aan de toiletjes en kapsels. + +Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend +of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende +zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net +zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes +naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes +waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat +’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit. + +Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze +moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al +gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een +troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden +ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet +konden vinden in de menigte. + +’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde +plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid +en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.” + +Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm +wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een +echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden +behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de +wanden van kippengaas. + +Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht +kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een +„volière”. + +„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er +boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet +langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid +hergeven.” + +En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht +treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere +tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd. +Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun +plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als +kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook +een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk. +Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd +aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had +een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden +was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t +zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak +van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend +waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die +ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten. + +„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee +mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan +natuurlijk uitstekend vond. + +Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had +Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan +toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck +begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds +donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag +Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende +zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of +die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je +niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen +rond.” + +„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld. + +„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie +aankomen.” + +En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen. + +Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van +Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar +leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck +voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde +verlegen den anderen kant op. + +Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst +spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch +Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen. + +„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik +niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten +ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?” + +„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel +fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er +wat gebeurd is, toe dan Puck....” + +Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte +plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht +hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u +te doen?” + +Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als +ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm. +Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten +meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof. + +„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze +hem overdankbaar aankeek. + +„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,” +sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien +hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie. + +„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij +afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n +prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n +jongen niet tegen op.” + +„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,” +„vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang +met die malle nuf.” + +Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was +met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen. + +Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen +was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de +„heerigste” van alle jongens in de zaal. + +Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en +plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij, +achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende, +waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die +drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had +een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand, +dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje +verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn +groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t +feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor +Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte. + +Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in +grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de +buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó +diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had +meegetrokken. + +De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee. +Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester +Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze +verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste +aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien +voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en +mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte +een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel. + +Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger. + +Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje +even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het +haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging +voor de koningin had ingestudeerd. + +De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie +bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe +beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje +ijdeltuit! + +Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in +geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd +voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door +gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden +op de gulzige kinderen. + +En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden, +voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd +tusschen de dansen door. + +Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar +Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor +den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een +partij, die klonk als een klok! + +Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er +haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een +beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld +op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had. + +„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met +jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?” + +En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”. + +Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet +houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus, +want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had +ook haar gevoel van eigenwaarde. + +Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar +verongelijkt had. + +Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de +kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien +met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het +kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met +de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de +schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen +brengen, bij het afscheidnemen. + + + + + + + + +XIV „DE SCHOENTJES”. + + +Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze +voor ’t bal nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles, +waren twee groote zwarte vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de +drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. „Bedenk liever, hoe je +ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes waren toen +aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles +had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes +vragen; in ’t begin van den winter had ze al een paar verloren. Die +waren haar „ontstolen”, verzekerde Puck. + +Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid. + +Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe gekregen, +en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest +wezen. Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te +komen. En nu deze ramp! + +Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan, +in de hoop, dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan +keek iedereen naar haar voeten. Puck meende de kinderen spottend te +hooren fluisteren. + +„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?” + +Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn +vuile schoenen droeg,” zei Puck. + +De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij +zich. Nee, ze kon die schoenen niet meer dragen. + +Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop” +was. In de étalage stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein, +zeer laag geprijsd, en daaronder, bepaald spotgoedkoop, een paar +snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents. + +Puck ging eens informeeren. + +„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze +passen bijna niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.” + +„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck. + +„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.” + +De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes. + +„Neemt U ze?” vroeg de bediende. + +„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel +uitging. + +Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden +ze pas echt naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit +jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen! + +’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was +vijftig cent, en dat geld had ze hard noodig voor +Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar vast een gulden willen +leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld. + +Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook +wel, als ze ze kon missen. + +Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet +gebruiken, met ’t oog op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog +altijd twee centen af voor de „Bommen”. + +Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het +busje leende? + +Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook +heel wat centjes van haar zelf bij. + +Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor +’t „Bommenbusje”. Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had, +zou ze eerlijk opbiechten, dat ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de +familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze niet op had kunnen rekenen, +en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou zijn. + +Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed +te praten. Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens +vroeg waarvoor, en Nel ook, al hield die er een preekje bij, was Puck +al vast besloten den nog ontbrekenden gulden uit ’t „Bommenbusje” te +leenen. + +’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het +achter slot te bergen. Puck leende dus den gulden, kocht de schoentjes, +en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en Nel haar aan ’t geld er +voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor zwaar +in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen. + +„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich. + + + +Begin December vond Lientien, dat nu de tijd gekomen was om het +„Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen... Zij maakte er +een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij +tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden +en ieder centje bijgeschreven had. + +„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat +nu?” + +Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in +het busje gedaan, maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven. + +Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t +Rammelde, of ’t aardig vol was. Even deftig nam Nel het busje in +ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit. + +Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden +er uit. Alles werd op hoopjes gelegd. + +Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen. + +„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits. + +„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe +kan dat nou?” + +„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien +verbaasd. + +„Natuurlijk snoes.... nog eens overtellen.... nee hoor, kinders, er +blijft een gulden te kort.” + +„Ik begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel +goed opgeteld, Frits?” + +„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan +heeft. Achter elke gave staat de naam van den gever bovendien.” + +Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich. + +Zou Geertje?.... Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat +je niemand anders verdenken wilde of kon? + +Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak, +Nel voelde, dat ze ’t geval niet mocht verzwijgen. + +’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over +spreken. + +Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de +zaak onderzocht worden, en de waarheid aan ’t licht komen. + +„Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend +misschien, en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van +Puck naar Lientien kijkend. + +Een oogenblik weifelde Puck.... Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel +verdriet zou haar bespaard zijn gebleven. + +Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze +haar zoo straks vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het +hoofd te schudden. + +Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan. + +En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk +niet, mamp,” kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze +sprak als Lientien: „Heusch niet, tante.” + + + +De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk +zat Geertje met Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee, +toen de schel in de huiskamer haar boven riep. + +„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar +bedachtzame oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep. + +„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk in de heldere +oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier. +Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen +er al naar gevraagd, en wil nou ook van jou weten...” + +Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat ik ’t er uit +heb genomen?” + +„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me +verzekert...” + +Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan, +dat elke achterdocht bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje +nog sprak. + +„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend +eerlijk, „’k weet van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees, +gerus niet. + +„Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt +altijd: „Al benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje +gerus, mevrouw; ik ben der niet an gewees.” + +„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw +Canneheuvel bewogen. „En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat +ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig verdacht heb, Geertje.” + +’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de +keuken, om ’t geval te vertellen. Den geheelen avond werd daar over +niets anders gepraat, en werden allerlei gerijmde en ongerijmde +vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje. + +Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen +geld afwisten. „Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig +liet zij de zaak, zooals zij was, sprak met niemand over haar stil +vermoeden, en verzocht den huisgenooten het onderwerp verder te laten +rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade. + +Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen +omgegaan, en in hun hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist +omdat ze het kind zoo liefhad (met zijn feilen en gebreken), bleef zijn +ware natuur voor haar geen raadsel. + +Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij. + +Mevrouw Canneheuvel „voelde”, dat haar pleegdochtertje de schuldige +was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af en toe, nu ’t kind bleef +ontkennen. Kon Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben? +Ze wenschte bovendien zoo innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer +kwam. Dus wachtte zij.... + +’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn +drukke feestelijkheid, was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe +ze eigenlijk handelen moest. + +Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk, +zij voelde, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene +oogenblik nam ze zich ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t +laatst deinsde ze daar toch voor terug. + +Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van was, dat +Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten. + +Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze +blijven zwijgen tot ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets +voor zich zelf koopen, eer ze zoover was. + +Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen.... + +De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een +gulden bijgepast, en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun +huisje afgegeven den 5den December. Geertje prakkizeerde nog steeds, +hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud zoo juist van pas kwam in +het huishouden. + +Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje +krijgen. + +Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang. +„Meester” was er in ’t geheel niet mee tevreden. + +Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de +wangen, en bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen. + +Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante. +Tante keek haar zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van +ontroerde. „’k Wil je helpen, ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt, +kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. Ze had moeite haar tranen +te bedwingen. + +Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar +ze geheel ongestoord met haar spreken kon. + +Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante +trok ’t zwak tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met +zachten dwang haar gezichtje op. + +Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij +’t geld hebt genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze +veel meer medelijden had met Puck dan dat ze boos op haar was. + +Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár, +niet wáár,” hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet +wáár is?” + +„Je durft niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer +je er mee wacht, des te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te +komen. Maar pas als een kind kwaad bekend heeft, krijgt het een gerust +geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.... Fluister nu maar +„ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.” + +Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze +gesnoept had, riep zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het +plafond gericht), dat ze ’t niet had gedaan. Waarom beschuldigde tante +juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? En Puck begon zoo +onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde. + +„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.... Maak je +niet zoo overstuur, Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie +bidden.” + +Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel de kleine +meisjes voorbidden bij het naar bed gaan. + +Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en +sloop weg, àl huilend en snikkend. + +Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar +pleegdochtertje terug zou komen.... + +Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje +keek om het hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op +dezelfde plek zag zitten, vloog ze in één ren naar haar toe, knielde +voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar schoot. + +„Tante, ik kan straks niet bidden... Ik heb ’t tòch gedaan... tante, +ach tante ...” + +Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan. + +„Waarom deed je het, Puck? ... Kind, hoe kon je het doen?” + +„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de +dansles, en toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en....” + +„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele +waarheid.” + +Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte +met de woorden: „Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen, +en toen het uitkwam, hoopte ik, dat u zou denken, dat Geertje... maar +als u Geertje had willen wegsturen, zou ik heusch en eerlijk gezegd +hebben, dat ik...” + +„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen in haar +oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien, +veel erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet +begrijpen, dat je zoo iets verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je +dit bijna niet vergeven.... + +„Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?” + +„Maar tante....” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de +oogen. En dit keer las mevrouw Canneheuvel waarheid in de droeve, +donkere kijkertjes, „tante, u moet mij gelooven. Later zou ik u alles +eerlijk hebben opgebiecht.... als ik ’t geld weer bij elkaar had. + +„’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch +zoo vreeselijk noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen. + +„Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld +kwijt gescholden, weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar +vijftig cent. Nou schiet ik toch al zoo prachtig op met dien gulden +voor de Bommen en... en... ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje +weg had gemoeten.” + +„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden +weg is moeilijk, maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf...” + +Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.... Geloofde tante haar +toch niet? + +„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar +hand bedarend op Puck’s hoofd legde. „Ik wil gelooven, dat ’t je ernst +is met het terug geven van het geld, en ook, dat je Geertje, in ’t +uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat je +door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er +over schaamde, en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten +slotte toch de waarheid zoudt zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik +zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte.... + +„Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in +toom te houden, luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu +zelf, hoe ver een kind kan afdwalen en van kwaad tot erger komen, door +er niet naar te hooren.” + +Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als +een ziek, ongelukkig kind, dat bescherming zoekt. + +„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t +zelf niet.” + +„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat +je altijd ’t eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen +voordeel staan steeds vooraan, daarvoor moet al ’t andere wijken. Als +klein kind had je die leelijke fout in nog hooger mate. ’k Hoop zoo, +dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je al veel geleerd +zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.... tante zuchtte bedroefd. + +„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven...?” + +„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste +tegenover Geertje?” + +„Ja, ja tante, en ik zal...” + +„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je +me toch zoo verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij +zelf: „’k Wou, dat ik maar niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er +lang zooveel leed niet van hebben, dat ze mij telkens weer +teleurstelt.”” + +Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening. + +„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?” + +„Veel meer dan je weet, Puckie... Heb je oprecht berouw? Wil je met +hart en ziel je best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om +hulp bij mij komen, als je bang bent voor de verzoeking te bezwijken? +Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd helpen, kind...” + +„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij +helpt...” ’t Verdere werd onhoorbaar gefluisterd. + +Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien +slaapt zeker al, ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar +oor sprak tante nu berouwvolle, vergeving vragende woorden en beloften +van beterschap, die Puck haar nafluisterde. + +Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte, +en deze in tante’s hartelijken nachtzoen voelde. + +Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd van hart +ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap. + + + + + + + + +XV BIJ TANTE JOHANNA. + + +Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk +eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer +zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t +niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje +bij zich te hebben. + +Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante +Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten +teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met +ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te +gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt +niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan +tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van +huis zou wezen. + +Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn +tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar +schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen +in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had, +en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich +ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.” + +Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in +de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar +neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”. + +Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck +verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t +Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen. + +Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te +vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de +aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is +heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat +je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal +gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich +heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.” + +„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt +me niks aardig; zoo stijf en stug!” + +„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die +zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.” + +„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige +vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...” + +„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. +„Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de +weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje +eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals +je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.” + +„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich +zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!” + + + +Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom +haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk +met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf +was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij +zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de +waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze +haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar +voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar +goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar +liefderijk geduld en trouwe moederzorg. + +Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes +villa’tje, eer Puck er op verdacht was. + +Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid +genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen +Lientien was. + +Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl +ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar +was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid. +Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck +tegelijkertijd.... + +„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes +dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes +voeten nog even af, ze zitten vol modder.” + +„’k Zie der niks an,” beweerde Puck. + +„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.” + +Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” +maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het +kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe +uitnoodigde. + +„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt +wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien +lachen, als ik ’t haar vertel.” + +Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de +voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat. + +„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek +wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je +nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de +voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar +is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je +de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind, +neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast +boven....” + +Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat +tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich +hier vervelen! + +Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te +regenen, dus van uitgaan was geen sprake. + +Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden +langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te +vertellen uit de kinderjaren van haar vader. + +Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en +zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: +„Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk +vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste +belangstelling toe. + +’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op +niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze +haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck +niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in. +’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte +lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch +smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders. + +Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat +mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en +smakte en morste als een kind zonder manieren. + +Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek. + +„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje. + +„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad. + +„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar +eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in +dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.” + +Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend +klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes +dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De +ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze +had zoo’n slaap. + +„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd. + +„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje +„gelukkig” slikte ze nog bijtijds in. + +’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze +niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen +inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd +antwoord. Tante werd boos. + +„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga +dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.” + +„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck +verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.” + +„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je +heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, +Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!” + +„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit +anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag +zoo genoemd word.” + +„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, +en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” +naar boven. + +In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu +brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig +verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, +of ze al weken weg was in plaats van één dag. + +Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien +en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een +matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn +straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter +op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood.... + +O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn +geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde +tusschen hem en de bewoonde wereld. + +Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe +zou ze ’t hier uithouden! + +En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs +de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep. + +’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te +gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen. + +Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek +haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind. + +Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele +omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit. + +Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam. + +Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t +Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen. + +Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts +stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante +Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij +was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet +minder dol op hem. + +Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om +opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al +gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht +terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis. + +Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck +niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen +huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder. + +’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had +dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar +boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje +uit de boekenkast te hebben gezocht. + +Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog +uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te +hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te +geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen. + +In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t +boek, en wilde met Tom gaan spelen. + +Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever +niet te dicht bij zijn mand moest komen. + +Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom +lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, +want anders ging de lieverd nooit te keer. + +„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat +leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.” + +Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat +onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, +dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en +vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.” + +„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen +beest.” + +„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je +kijken, madam.” + +Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af +naar de keuken. + +„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck. + +Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele +voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de +wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke +wijsje „Verdreven van huis.” + +Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat +zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze +met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet +uit!... + +Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier +met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat +’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, +ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis +verlangde, en verging van heimwee. + +Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar +Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen +met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje.... + +Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze +Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen. + +De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige +wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te +strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje. +Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t +spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en +onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever +mee uit te scheiden.... + +Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke +kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven? + +’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje +aan heimwee leed. + +Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot +het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of +tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen. + +Ze kon ’t niet langer uithouden. + + + + + + + + +XVI NAAR HUIS TERUG. + + +’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen +nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich +aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna +hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had +achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t +volgend briefje. + + + „Lieve tante Johanna, + + ’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. + Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik + heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst. + + Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw + liefhebbend nichtje Puck.” + + +Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in +’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl +ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles +goed overlegd. + +Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer +bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, +dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop +voort, of de vijand haar op de hielen zat. + +Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze +niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op +haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van +„Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de +Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist +ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen. + +Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, +naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn +in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), +voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had +de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis +uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje +had ze nu niet door de keel kunnen krijgen. + +Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog +grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en +niet slapen. + +Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu +op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de +koude wind meedogenloos op haar aanviel. + +’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar +kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte +krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong +kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland +op. + +’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en +verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder.... +Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog +’t ergste.... + +De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t +wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, +maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel +aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd +neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje +flapperde de zakdoek in haar nek. + +Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte +rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al +gauw drijfnat werden. + +Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had +gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel +onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had +’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die +mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?” + +De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en +behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel +vervoermiddel gezien. + +Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t +gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een +wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed. + +Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op +den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in. +En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was +ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de +manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman. + +„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer +alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!” + +„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, +de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je +thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon +te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien. + +„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de +koetsier. „Waar moet uwes wezen?” + +„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden +klapperden tegen elkaar. + +„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die +buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit +Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een +vluggen stap in zette. + +Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een +poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in +haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar +vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit +hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze +zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van +den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den +koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis. +’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een +waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg +verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte +toeloopen: „Tante”. + +Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en +zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen +en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude +wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat +verwarmd aanvoelde en wist niets meer. + + + +Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar +ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, +dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien +geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, +liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, +waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo +nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de +crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel +langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, +lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, +zwak en moede voelde. + +Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van +vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, +waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand +op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek, +zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel +niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar +heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze +angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar +kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens. + +Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze +bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster +was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij +het verbedden te helpen. + +Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had. + +Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en +voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot +onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want +Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite +had niet te gaan schreien. + +Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. +Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor +innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat +dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet +anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die +telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t +„schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan +longontsteking er bij.... + +Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden. + +Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.” + +En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had +fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. +Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet +loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd. + +’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje +natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. +Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel +geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond +gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door +de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de +angstige zorg om het meisje te behouden. + +Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t +lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak +viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, +dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde. + +Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag +gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk +beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze +deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek +streng verboden. + +„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon +schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over +geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om +het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan, +spelletjes gespeeld en....” + +„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,” +troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van +heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg +vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze +bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een +volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij +maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.” + +Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t +in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar +tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t +vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van +dorst. + +Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s +dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de +oude dame ook al weer niet helpen. + +„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde +Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u +intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God +zij dank, geen kwestie meer van gevaar.” + +Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en +vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom. + +Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest +gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè +lieverd?” + + + + + + + + +XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”. + + +Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig +geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig +gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm, +met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien +binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar +schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat +had ze mampie beloofd. + +Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer +eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was. + +Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder +hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet +alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven +werd gebracht. + +Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits +stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe. + +„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!” + +„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?” + +„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens +met mij uit.” + +’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar +boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde +wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong +meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe +’t Puck te moede moest zijn geweest. + +Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest +gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn +liefkoozingen. + +Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te +hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje +naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere +zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en +Socrates spon, dat ’t een aard had. + +Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien +ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk +gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude +plaatsje. Heerlijk hè?” + +Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. +„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo +alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me +geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.” + +„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,” +lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit +wandelen te gaan!” + +„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind. + +Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast +Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte +moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar +erg naar verlangt.” + +Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, +terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte. + +„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker +wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen +je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, +om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten; +tante Johanna heeft ’t je ook vergeven.... + +„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig +blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.” + +„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor +me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles +aan u vertellen?” + +„Natuurlijk, kindje.” + +„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een +smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t +meisje bedarend over het voorhoofd streek. + +„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe +radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk +naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van +heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en +den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei +tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in +’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een +mes gestoken werd... + +„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel +en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn +best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou +altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.” + +„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk +je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, +en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij +niet na aan ’t hart lag?” + +„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck..... + +Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar +aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen +toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik +nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn, +tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje +zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en +Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe +„tante,” en dan „Vader” tegen oom?” + +Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel +toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield. + +Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze +Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!” + +„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers +van Effen. + +„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, +hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. +Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te +hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden +papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en +Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.” + +„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe +zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en +Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen. + +„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: +Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...” + +„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw +Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over +spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste, +innigste wensch is, maar...” + +„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet +neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik +er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden, +ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief +dood gegaan....” + +„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante. + +„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens. +Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag +ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het +hoort?” + +En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We +zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, +maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje +waart.” + +„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste +kind uit het heele land.” + + + +Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende +Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke +gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn: +Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder. + +„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien +hartelijk. + +„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat +zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.” + +„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” +beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even +pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en +wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote +belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t +vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien +niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart. + + + +Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al +gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die +Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar +ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een +ongeluk wezen.” + +Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar +had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de +binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters +geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.” + +’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar +ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou. + +Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje” +mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had. + +En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart +en ziel. + + + + + + + + +INHOUD. + + + Hoofdst. Bladz. + + I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5 + II. POFFERTJES 12 + III. 1 APRIL 24 + IV. „MAMA!” 35 + V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47 + VI. „GEERTJE” 53 + VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63 + VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81 + IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95 + X. „SCHATTEBOUTJES” 106 + XI. JAN WEER THUIS 119 + XII. PUCK SPIJBELT 128 + XIII. HET FEEST 134 + XIV. „DE SCHOENTJES” 147 + XV. BIJ TANTE JOHANNA 161 + XVI. NAAR HUIS TERUG 173 + XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183 + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 *** |
