diff options
| author | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-09-15 14:22:01 -0700 |
|---|---|---|
| committer | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-09-15 14:22:01 -0700 |
| commit | 3384963dcbb7d4fbb5c7ef01c92fa6bca8b2e9f1 (patch) | |
| tree | 9d96716802ca3bf8b1b0d026600fc6aa9c46c103 /76879-0.txt | |
Diffstat (limited to '76879-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76879-0.txt | 8094 |
1 files changed, 8094 insertions, 0 deletions
diff --git a/76879-0.txt b/76879-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5ab34b3 --- /dev/null +++ b/76879-0.txt @@ -0,0 +1,8094 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76879 *** + + + + + + DE ERFENIS EENER MOEDER + + VAN + + P. J. ANDRIESSEN + + Geïllustreerd door E. S. WITKAMP Jr. + + DERDE DRUK + + + AMSTERDAM + H. J. W. BECHT + + + + + + + + +VOORBERICHT. + + +Afwisseling van spijs doet eten. Het werkje, hetwelk ik hier aan ons +jeugdig publiek aanbied, is noch op historisch, noch op geographisch of +letterkundig gebied; het is op dat der phantasie. En waarom mag, in +onzen practischen tijd, ook niet de phantasie van tijd tot tijd eens +tot haar recht komen? Phantastisch is het daarom niet; ’t is een +eenvoudige familiegeschiedenis, waarin groote sprongen noch vreeselijke +gebeurtenissen voorvallen; maar waarin de erfenis eener gestorvene +moeder een groote rol speelt, een rol, die zeker wel in staat is, om +den leeslust van lezeressen en lezers te prikkelen. Want ik schreef het +boekje zoo voor meisjes als voor jongens. + +Ik twijfel niet, of ook dit werkje zal eene goede ontvangst genieten en +vele lezeressen en lezers vinden. Dat er een algemeen zedelijke +strekking in is, behoef ik niet te verzekeren. Te schrijven alleen om +te vermaken, is mijn gewoonte niet. Ik zou mij den tijd, daaraan +besteed, zeker beklagen; nuttig voor de Nederlandsche jeugd te zijn is +steeds mijn hoogste doel. + +Met aanbeveling van mijn arbeid aan allen, wien de opvoeding en ’t +onderwijs der Nederlandsche jeugd zijn toevertrouwd, zend ik deze +„Erfenis eener Moeder” de wereld in. + +Amsterdam, 1877. + + P. J. ANDRIESSEN. + + + + + + +BERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK. + +Dat de schrijver zijn hoogste doel, nuttig voor de Nederlandsche jeugd +te zijn, geheel bereikt heeft, wie zal ’t betwijfelen? + +Duizende exemplaren toch, worden jaarlijks van zijn verschillende +boeken nog voor die jeugd gekocht, ter belooning van—en ter opwekking +tot het goede. + +Amsterdam, 1893. + + DE UITGEVER. + + + + + +BERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK. + +„Duizende exemplaren worden nog jaarlijks van Andriessen’s boeken +verkocht”—zoo vermeldde het „Bericht voor den Tweeden Druk”. Het noodig +zijn van een Derden Druk bewijst wel, dat Andriessen nog steeds +onvergetelijk blijft voor de Nederlandsche jeugd. + +Amsterdam, 1902. + + DE UITGEVER. + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN DAG NAAR BUITEN. + + +„Ik vind het laf van je, dat je niet meedoet, Ernst. Wat moeten de +andere jongens er van denken?” + +„Laat ze er van denken wat ze willen. Wat gaat mij dat aan!” antwoordde +Ernst. „Ik kan ’t nu eenmaal niet betalen, en daarmee basta!” + +„Maar ik wil je ’t geld leenen, Ernst. Dat heb ik je nu al driemaal +gezegd, en ’t komt er volstrekt niet op aan, wanneer ik het terugkrijg. +Je weet het, pa is rijk; ik heb maar te spreken of er over te +schrijven, en hij zendt me een postwissel voor ’t geen ik hem vraag.” + +„Juist Rudolf,” antwoordde Ernst. „Jouw vader is rijk, schatrijk +misschien, en daarom heb je volkomen gelijk, dat je royaal meedoet. +Maar de mijne is arm en ’t kost hem al opoffering genoeg, om mij hier +te laten, en mij ’t weinige zakgeld te geven, dat hij mij zendt. Als ik +dus die vijf gulden van je leende, zou ik ze je niet kunnen teruggeven, +of....” + +„Wat het teruggeven aangaat; daarover behoef je je niet eens te +bekommeren,” viel Rudolf hem gul in de rede. „Al is dat over een +halfjaar, over een jaar—ja, al is ’t ook nooit: ’t komt er niet op +aan.” + +„Zoo, zoo!” riep Ernst. „Gelukkig, Rudolf, dat we elkander kennen. +Wanneer ’t een ander was die me dit zei, zou ik heel beleedigd zijn. +Iets te leenen, waarvan je al vooraf weet, dat je ’t niet kan +teruggeven, is in mijn oog net zoo goed als diefstal. Daarenboven, pa +heeft mij altijd ingeprent om, wat er ook gebeurt, nooit van iemand +geld te leenen. Als je geld leent, zegt hij altijd, is het, alsof je +tweemaal betaalt: want je beschouwt het geleende als je eigendom en +betaalt er mee wat je er voor hebben wilt; later moet je ’t geld +weeromgeven, en dan is ’t je alsof je het voor de tweede maal uitgeeft. +Daarenboven zegt ’t Fransche spreekwoord niet te vergeefs: qui donne à +crédit, perd son bien et son ami; want de meeste menschen zijn erg +boos, wanneer iemand, die hun iets geleend heeft, het geleende +terugvraagt.” + +„Maar als ik ’t je nu present wil doen....” + +„Geen woord meer, als je wilt, dat we vrienden blijven,” hernam Ernst +op min of meer trotschen toon. „Dat pa arm is, kan ik niet helpen en +daar schaam ik mij ook niet over, maar als ik weldaden aannam, al was +’t ook van jou, zou ik reden hebben me over me zelf te schamen, en ik +zou den eerlijken naam van mijn braven vader bevlekken, die ’t mij +nooit zou vergeven, dat ik mij zoo laag had aangesteld.” + +„In vredesnaam dan, Ernst,” antwoordde Rudolf, eenigszins knorrig en +teleurgesteld. „Intusschen kun je er op rekenen, dat je door je +weigering me de helft van mijn pleizier ontrooft—ja.... ik heb in de +heele zaak nu geen pret meer, nu jij niet van de partij zult zijn.” + +„Dwaasheid, kerel,” hervatte Ernst lachend. „Als je eenmaal in de pret +bent, zul je mij wel vergeten. Maar toch,” vervolgde hij op hartelijken +toon, „dank voor je aanbod. Wanneer ik ’t niet al wist, zou ik er uit +leeren, dat je een waar vriend bent. Ik ben trotsch op zulk een +edelmoedigen, onbaatzuchtigen vriend!” + +Hoe knorrig Rudolf ook op den onverzettelijken knaap was, deze laatste +woorden ontwapenden geheel en al zijn toorn: hij nam de hem aangeboden +hand aan, drukte die hartelijk en zei: + +„Je bent een kopstuk, Ernst. Maar ’t zij zoo. Ik moet je principes +eerbiedigen.” + +Mijn lezeressen en lezers zullen waarschijnlijk belang genoeg in onze +beide jongens stellen, om iets meer van hen te vernemen. En ik wil aan +hun nieuwsgierigheid voldoen en hun terstond wat van de twee sprekenden +mededeelen. + +Rudolf Nederhorst was de oudste zoon van een rijk koopman in Amsterdam. +Ofschoon van zijn jeugd af aan in rijkdom en weelde grootgebracht, had +hij echter zijn studiën niet verzuimd, en was vrij ver in alles wat men +op zijn jaren—hij was in zijn zestiende—kennen moet. Hij was dan ook, +ofschoon hij de oogappel van zijn vader was, niet verwend, en dat had +hij vooral te danken aan zijn verstandige moeder, die hem wist te +leiden en hem steeds voor oogen had gehouden, dat geld alleen niet +genoeg is, om iemand geacht en bemind te maken; maar dat slechts een +braaf karakter en een ontwikkeld verstand den man van geld den eerbied +van anderen doen verwerven. Gelukkig had Rudolf een helder verstand, +een vlug begrip en een allergelukkigsten aanleg; daarbij liefde tot de +wetenschap en een gepaste eerzucht, die er hem steeds naar deed +streven, om anderen vooruit te komen. Vier jaar geleden, toen hij elf +jaren oud was, had zijn vader hem, op aandrang van zijn moeder, naar +een der beste kostscholen van ’t land gestuurd; want mevrouw Nederhorst +was bevreesd, dat haar man, zonder dat hij ’t wilde, den knaap zou +bederven, en daarom had ze ’t noodig geoordeeld hem onder de leiding +van een vreemde te geven, die beter de gebreken van haar Rudolf zou +zien en bestrijden dan de vader, die geen kwaad in zijn jongen kon zien +en blind was voor ’t geen er verkeerds in ’t karakter van zijn zoon +was. + +Ofschoon Rudolf Nederhorst met al de jongens op de school perfect kon +omgaan, daar de meesten den vroolijken, levenslustigen knaap graag +mochten, die, hoe vlug hij ook leerde en hoe hij hun daarin dikwijls de +loef afstak, bij spel en pret, ja bij ’t kattenkwaad dat zij soms +uitvoerden, steeds een trouwe en ferme makker was—had hij zich toch +bijzonder gehecht aan Ernst van Hogenberghe, den zoon van den kapitein +der infanterie van dien naam. Daar kapitein Van Hogenberghe, ofschoon +van ouden adel, geen fortuin van zich noch van de zijde zijner vrouw en +daarbij verscheidene kinderen had, kostte ’t hem vrij wat moeite, om in +zijn stand fatsoenlijk rond te komen, en was ’t hem, zooals zijn zoon +zelf zeide, opoffering genoeg, om zijn Ernst op zulk een deftige en +dure kostschool te laten gaan. Zooals we reeds zagen, bezat Ernst van +Hogenberghe al heel weinig adeltrots, maar fierheid van karakter +genoeg, om zich niet over de bekrompen omstandigheden van van zijn +vader te schamen, en al hinderde ’t hem wel eens, dat hij niet zooals +de anderen met alles kon meedoen—hij was er te zeer van overtuigd, +hoeveel ’t zijn vader kostte, om hem een goede opvoeding te geven, dan +dat hij zich niet met alle macht op ’t verkrijgen van kennis zou hebben +toegelegd. Hij vond er dan ook weinig of geen zelfoverwinning in, om +openhartig te bekennen dat „het hem te duur was” en „dat zijn middelen +hem niet veroorloofden, deze of gene verteringen te maken.” Verre, dat +zijn kameraden hem daarom minder achtten, hielden ze allen veel van den +knaap, die ook ferm met hen kon meedoen, en zochten velen zijn +toegenegenheid, omdat hij van adel was, vooral zij, wier ouders geen +adellijk blazoen in hun wapenschild voerden; terwijl de adellijke +jongeheeren van de kostschool hem volstrekt niet minder achtten, omdat +hij, zooals hij ’t geliefde te noemen, arm was; ofschoon dit woord veel +te hard klonk voor een toestand, die slechts bekrompenheid van middelen +mocht heeten. + +De zaak, waarvoor ’t geld benoodigd was, bestond in een roeitocht, +welken de scholieren vóor ’t begin van de vacantie met elkander zouden +maken. Onder toezicht van twee der secondanten zouden ze dan naar den +„Borrelenden Roompot” roeien, een allerliefst gelegen uitspanning, waar +ze zich den geheelen dag amuseeren konden. De kosten van ’t huren der +schuitjes, van déjeuner en diner zouden bestreden worden uit de +bijeengebrachte gelden der deelnemers, die vijf gulden per hoofd +bedroegen, wel zoo’n groote som niet op zichzelf, maar een heel +kapitaal voor een kostschooljongen. De meesten, misschien allen, hadden +dat onmogelijk uit hun zakgeld kunnen fourneeren, naar huis geschreven +en vandaar een extra toelage per postwissel of door tusschenkomst van +meneer Voornvisser, den directeur der kostschool, gekregen. Zooals we +zagen had Ernst niet bijgedragen. Hij was echter de eenige niet; nog +een viertal anderen deelden in zijn lot: éen; omdat zijn vader kort +geleden gestorven was, een tweede, omdat de zijne boos op hem was dat +hij niet was bevorderd, en de twee anderen, omdat hun moeder er +volstrekt tegen was, daar ze vreesde, dat er met zulke wilde jongens, +die op zoo’n vrijen dag uitgelaten moesten zijn, ondanks de +tegenwoordigheid der twee secondanten, veel gevaar voor ongelukken +bestond. + +Hoezeer de jongens gaarne hadden, dat allen deelnamen aan zoo’n pretje, +want ook bij hen gold het spreekwoord: „hoe meer zieltjes, hoe meer +vreugd,” speet het hun van die vier toch niet. De reden van den eersten +moesten ze respecteeren; No. 2 was een luiaard, en luiaards konden ze +niet uitstaan, en No. 3 en 4 werden, hoe onschuldig zij er ook aan +waren, voor moedersjongetjes gescholden. Dat gaat meer zoo; want in +zulke gevallen zijn jongens, hoe anders ook op recht gesteld, vrij +onrechtvaardig. Wat Ernst aangaat, van hem speet het den meesten, zoo +niet allen, en zelfs had de commissie tot de feestviering, bestaande +uit drie jongens, van wie Gerrit Zalmvoort als penningmeester +fungeerde, hem uit naam van allen, die tot de partij behoorden, +aangeboden, om zonder te betalen mee te gaan, daar men hem er zoo graag +bij had; maar Ernst had dit met een hoogen blos op de wangen verworpen. +Hij wist, dat het uit hun goed hart voortkwam en kon er zich dus niet +door beleedigd achten, en toch was er iets in hem, wat zich zoo sterk +tegen dat aanbod verzette, als voelde hij er zich door gekrenkt. Hij +had hun dat echter niet laten merken, alleen gezegd, dat hij, hoe +getroffen hij over hun aanbod was, er echter geen gebruik van maken, +maar eenvoudig even als de vier anderen thuisblijven zou; ja, zoover +wist hij zich zelf te verloochenen, dat hij niet, zooals deze, zich +pruilend in de school opsloot, maar aan den waterkant stond, om de +vroolijke makkers te zien afvaren en hun van harte een pleizierigen dag +te wenschen. Ieder der jongens was dan ook ten volle overtuigd, dat +Ernst van Hogenberghe een ferme jongen was, en menigeen, waaronder ook +Rudolf Nederhorst, gevoelde, dat hij zelf daartoe niet in staat zou +zijn. + +Vroolijk zingend voeren de jongens af. In ieder schuitje zaten vier +roeiers, van wie er twee de riemen hanteerden en twee hun makkers +aflosten, een stuurman en een passagier, die op den boeg zat en een van +de kleinere knapen was welke nog te zwak waren om te roeien en geen +verstand hadden van sturen. In ’t eerste en ’t laatste schuitje was een +der beide secondanten stuurman. Elk bootje had een vlag op den boeg, en +’t was een aardig gezicht, die schuitjes met hun vroolijke bemanning in +een lange rij achter elkander te zien voortstevenen; terwijl het +prachtige zomerweer niet weinig bijbracht, om het een prettig uitstapje +te maken. + +’t Was een heele tocht, eer men aan de uitspanning „De Borrelende +Roompot” kwam, welke voor dien dag afgehuurd was, en waar men onze +jongens met een stevig ontbijt wachtte, waarop ze dan ook, nadat ze hun +schuitjes aan den wal vastgemaakt en in statigen optocht +binnengetrokken waren, als hongerige wolven aanvielen. De kastelein had +er op gerekend, dat er jonge magen zouden komen, die in de frissche +morgenlucht geroeid hadden, en voor een stevig ontbijt gezorgd, waar +geen gebrek aan brood, vleesch en kaas was. + +Na ’t ontbijt gingen onze jongens in den grooten tuin, waar schommel, +wip, benevens allerlei gymnastische werktuigen waren, welke ik u zeker +niet behoef te beschrijven, en waar ze zich vermaakten, totdat het tijd +was om koffie te drinken, en ieder een glas frissche melk en een +broodje met vleesch voor zich zag gereed staan. Meer kreeg niemand, om +zijn maag niet voor het middagmaal te bederven. Volgens het reeds dagen +te voren vastgestelde plan ging men nu weer in de schuitjes, en roeide +naar ’t een half uur van daar gelegen dorp Boomoord, waar men aanlegde +en in optocht zingende het dorp doortrok, ’t geen natuurlijk de +bewoners aan de deuren en vensters lokte, die recht schik in ’t +vroolijke troepje hadden, terwijl, om den tocht op te luisteren, de +stuurman van ieder schuitje de vlag had medegenomen, waarmee hij op de +maat van ’t gezang zwaaide. Zoo in optocht trok men de uitspanning van +Boomoord binnen, waar iedere jongen een glas limonade met een +beschuitje kreeg. Lang zitten konden ze echter niet, en terwijl +sommigen wat in den tuin speelden, anderen een eind het dorp +opwandelden, weer anderen een sigaar voor den dag haalden en opstaken, +(’t geen op school contrabande was, maar nu, evenals op de wandelingen, +oogluikend werd toegelaten), werd het langzamerhand drie uur, de tot +vertrekken bepaalde tijd. Allen hadden er voor gezorgd, in den tuin te +zijn, en nadat Gerrit Zalmvoort den kastelein de vertering betaald had, +trok men in dezelfde orde van straks weder het dorp door tot aan de +plaats, waar de schuitjes lagen. + +Men kwam nog vroeg genoeg aan „de Borrelende Roompot”; want het diner +was tegen half vijf besteld, en de tijd die er over was, werd op +verschillende manieren besteed, want hoe ordelijk alles ook ging, ten +aanzien van de uitspanningen welke hij koos, was ieder volkomen vrij. + +Dat diner was wel niet fijn, maar zooals ’t voor jongens diende te +wezen, stevig en overvloedig, en een lekker glas schuimend Hollandsch +bier, waarvan in overvloed gedronken werd, daar de jongens dorst +gekregen hadden, scheen den eetlust nog te vermeerderen. Toen de +maaltijd afgeloopen was, hadden ze geen lust meer in gymnastische +oefeningen en andere spelen die lichaamsinspanning vereischten. Ze +zetten zich neer in ’t gras, en een der secondanten begon een prachtig +sprookje te vertellen. Toen dit uit was, wist de andere een +alleraardigst verhaal, vervolgens vertelde men elkander anecdotes, gaf +raadsels op en was verwonderd, toen de voorzitter, op zijn horloge +ziende, zei dat het tijd was om zich tot het vertrek gereed te maken. +Menigeen keek sip, omdat de pret hem te gauw om was, doch er was niets +aan te doen: meneer Voornvisser had bepaalde orders gegeven, en +gelukkig, dat de jongens zelf die opvolgden en er niet door de +secondanten aan behoefden herinnerd te worden. Daardoor bleven ze +volkomen vrij en gevoelden volstrekt niet, dat een hoogere macht +surveillance over hen hield. Wanneer alle knapen en meisjes zoo in alle +zaken handelden en steeds in alles hun plicht deden en gehoorzaam waren +aan de bevelen van hen, die over hen gesteld zijn—ze zouden een vrij +wat pleizieriger en vrijer leven hebben, dan als ze er telkens aan +herinnerd moeten worden, dat ze onder bedwang staan. + +Met het verhalen van al de pret, welke onze jongens gehad hadden, +zouden we bijna geheel en al onzen Rudolf vergeten hebben. Misschien is +’t ook maar beter dat ik hem u niet herinnerd heb; want menigeen van u +denkt wellicht, dat, wie er pleizier had, Rudolf zeker niet, en dat hem +onophoudelijk zijn vriend Ernst voor de oogen gestaan zal hebben. En +zoo dan al niet onophoudelijk—’t geen misschien wat veel gevergd is—ten +minste van tijd tot tijd. Misschien zou ’t u zoo gegaan zijn; doch als +ge ’t van Rudolf denkt, dan hebt ge u leelijk vergist. Rudolf was wel +geen ongevoelige jongen; integendeel, hij had veel voor anderen over, +zooals we reeds gezien hebben. Maar hij was zeer onstandvastig van +karakter, en, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd, onnadenkend. +Daarom had hij zich evengoed vermaakt als de anderen en geen oogenblik +om zijn vriend gedacht, die door omstandigheden geheel onafhankelijk +van hem, dat genoegen had moeten ontberen. + +Wat Ernst van Hogenberghe aangaat, meneer Voornvisser en zijn vrouw +hadden getracht hem en zijn vier lotgenooten den dag zoo aangenaam +mogelijk te maken, en hun te doen vergeten, dat ze het genoegen hunner +makkers moesten missen, en werkelijk waren zij er in geslaagd. Al +hadden onze vijf knapen niet zooveel pleizier gehad als hun +kameraden—ze hadden toch in ’t geheel geen vervelenden, onaangenamen +dag doorgebracht en waren vrij welgemoed, toen de anderen, vervuld van +de pret die zij gehad hadden, thuis kwamen. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN DANSPARTIJ. + + +„Ma, zou Rika ons vergeten?” vroeg Helène, „’t Wordt tijd om ons aan te +kleeden. Anders wordt het wezenlijk te laat.” + +„Geen nood Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Rika zal je niet vergeten. +’t Goeie mensch is druk bezig, om kant in je jurken te naaien. Je moet +nog wat geduld hebben. ’t Is nog zoo laat niet. Zie maar op mijn +horloge.” + +Mevrouw Nederhorst haalde een prachtig met diamanten omzet horloge uit +haar ceintuur en liet haar oudste dochter, de bijna zestienjarige +Helène, zien, dat ze gelijk had. + +„’t Is waar, mama,” antwoordde Helène. „Maar ik verlang zoo dat het +maar tijd was. Hoe kan Leonie daar zoo kalm zitten te lezen, alsof er +van avond geen danspartij was! Ik begrijp het niet!” + +„Dat komt, omdat Leonie, al is ze twee jaren jonger dan jij, veel +verstandiger is en dat de tijd met al je ongeduld toch niet gauwer +gaat.” + +„Nu, ik kan dan zoo verstandig niet zijn, en ’t zou me ook weinig +helpen, al probeerde ik het. Lezen, terwijl er zoo’n pret in ’t +verschiet is! ’t Is verschrikkelijk.” + +Inderdaad was het dan ook verschrikkelijk, dat een meisje, niet veel +ouder dan dertien jaren, dat op een danspartij moest, daar zoo rustig +kon zitten lezen. Ze zouden dien avond—’t was de avond voor +Kerstmis—naar hun oom Walburg gaan, wiens oudste dochter Louise van +daag haar vijftienden verjaardag vierde. ’t Zou een groote partij zijn: +er waren niet minder dan zeventig jongens en meisjes genoodigd, en het +trof zoo heerlijk, dat de Kerstvacantie al was begonnen, want nu zou +haar broer Rudolf er ook gebruik van maken. Rudolf was echter niet zoo +ongeduldig als zijn zuster Helène, en zelfs na den eten (want men had +heden middag wat vroeg gedineerd) nog even uitgegaan, om een balboekje +te koopen. Hij hoopte het er van avond van te nemen en eens ferm te +dansen; want even goed als hij zich onder de jongens roeren kon, wist +hij zich ook tegenover meisjes te gedragen. Geen dans zou hij +overslaan; daar kon men zeker van zijn. + +„Zoo meisjes!” zei hij, toen hij beneden kwam. „Nog niet naar boven? +Als je zoo talmt, dan heb je kans, dat de kapper te vroeg komt en hij +je zonder je te kappen verlaat; want hij heeft van avond meer te doen +dan jullie te helpen: hij zal ’t wel heel druk hebben.” + +„’t Is mijn schuld niet,” zei Helène knorrig. „Als ’t aan mij stond, +waren we al boven. Maar Rika teut zoo.” + +„Zeg dat niet, Helène,” zei haar moeder. „Er is vrij wat aan je jurk te +veranderen, en dat heb je zelf gewenscht.” + +„Leonie; niet ik,” antwoordde Helène. „Ik ben zoo coquet niet op mijn +kleeding.” + +„Maar je bent toch ook graag netjes, Helène,” zei Leonie, die niet zoo +attent las, of ze hoorde de opmerking van haar zuster. + +„Netjes, ja. Maar om zooveel opschik geef ik niet.” + +„En ik zeg, dat de dochters van meneer Nederhorst voor den dag moeten +komen, zooals ’t aan haar stand past,” zei Leonie trotsch. „Wat zegt u +er van, ma?” + +„Ik zal je eerst de jurken moeten zien aanhebben, voor ik er over +oordeelen kan,” zei mevrouw Nederhorst. „Waar is je koopje nu, Rudolf?” +zei ze tot dezen, om ’t gesprek een andere wending te geven. Rudolf +liet het gekochte balboekje kijken. + +„Nu, dat ziet er élegant genoeg uit. Vin’ je niet, Helène?” vroeg ze +aan deze, die er bij was komen staan. + +„Al te élegant voor een jongen,” zei Leonie, die er ook bij kwam. „Geef +’t mij, dan kun jij ’t mijne krijgen.” + +„Ik zou je bedanken,” antwoordde Rudolf. „Tot zoo iets kan ik alle +dagen komen.” + +„Nu, daarin heeft Rudolf gelijk,” zei Helène. + +„Juffrouw Helène, zoudt u boven willen komen?” vroeg de kamenier, +terwijl ze om den hoek der deur keek. + +„Dadelijk,” antwoordde Helène. „Ik dacht, dat je ons vergat, Rika.” + +„’t Was zoo’n werk, om dat nieuwe garneersel op uw japonnen te maken,” +antwoordde de kamenier. „Komt u ook gauw boven, juffrouw Leonie?” + +„Ja, Rika,” antwoordde Leonie. „Ik kom dadelijk, dan kan ik meteen +zien, of je de jurken naar mijn zin gegarneerd hebt.” + +„En ik ga ook naar mijn kamer,” zei Rudolf. „Als de kapper komt, stuur +hem maar ’t eerst bij mij, ma, dan hoeft hij niet op de dames te +wachten.” + +Terwijl onze drie jongelieden achtereenvolgens de kamer verlaten, +willen we u even bij mevrouw Nederhorst inleiden. + +Zooals ge haar daar op de sofa ziet zitten, vindt ge haar zeker een +schoone vrouw, en dat is ze ook, maar tevens oordeelt ge, dat ze er +zwak en lijdend uitziet. Ook daarin hebt ge niet misgetast; want ze is +werkelijk zwak en lijdend. Dat was ze vroeger niet; doch toen ze nu +drie jaren geleden in éen week aan ’t roodvonk twee kinderen, een +jongetje van zeven en een meisje van acht jaren verloor, was haar +zenuwgestel zoo geschokt, dat men voor haar leven vreesde. Alles werd +aangewend om haar te behouden, consulten met professoren en een +badreis. Mocht dus de wetenschap er zich op beroemen, haar in ’t leven +te hebben behouden, haar een volkomen herstelling te geven was niet +mogelijk geweest: haar gezondheid was geknakt en ze voelde ’t zelf, dat +haar krachten langzamerhand verminderden. Ze verborg dit echter zooveel +ze kon voor haar man en haar kinderen, overspande zich meermalen om +niet te laten merken hoe alles haar vermoeide, en veinsde dikwerf lust +in dingen die haar te vermoeiend waren. Zoodra nu allen het vertrek +verlaten hadden, strekte ze zich gemakkelijk op de sofa uit en men kon +’t haar aanzien, hoe mat ze zich voelde. + +Intusschen was Leonie haar zuster spoedig naar boven gevolgd. Terwijl +Helène zich waschte, bekeek de jongere zuster de japonnen, die haar +volle goedkeuring schenen weg te dragen en dan ook inderdaad met veel +smaak door de kamenier waren opgemaakt. + +„U mag u wel gaan wasschen, juffrouw Leonie,” zei Rika. „Anders is uw +ondertoilet niet in orde, wanneer de kapper komt, en hij met uw zuster +klaar is.” + +„Dan moet hij maar wachten; dat is ’t eenige wat er opzit,” zei Leonie +trotsch. „Hij wordt er immers voor betaald, en ’t is beter dat hij op +mij wacht, dan dat ik ’t op hem doe.” + +„Maar je weet, dat hij het druk heeft, Leonie,” zei Helène, „en dan zou +hij immers anderen laten wachten. Wat de japonnen aangaat, die zul je +nog gelegenheid genoeg hebben, om te bekijken.” + +„Nu, cathecheseer-juffrouw,” hernam Leonie. „Ik zal me dadelijk gaan +wasschen.” + +Inderdaad deed ze wat ze zei, en juist was ze er mee gereed en zou Rika +aan haar ondertoilet beginnen, toen de kapper aan de deur tikte en op +het „Binnen!” van Helène de kamer intrad. + +Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waarnaar hij +zijn kapsel moest inrichten, begon hij zijn kunst aan haar lokken uit +te oefenen, en, gelukkig voor hem, behoefde hij niet te wachten, want +juist toen Helène’s kapsel klaar was, was ook Leonie gereed. + +Beide meisjes zagen er inderdaad uit om te stelen in haar élegant +toilet, en met welgevallen beschouwde mevrouw Nederhorst haar beide +dochters, en wist bij zich zelf niet te bepalen, wie van beide de +schoonste was: Helène met haar tenger en fijn figuurtje en haar +vriendelijk gezicht, of Leonie, die, voor haar leeftijd meer +ontwikkeld, ’t in ronding van vormen van haar zuster won en wier +trotsche trekken en levendige oogen haar zoo verleidelijk goed stonden. + +„Is Rudolf nog niet beneden, ma?” vroeg zij. „Nu, die heeft ook lang +werk aan zijn toilet.” + +„Hij zal hebben moeten wachten tot meneer Courtier hem onder handen kon +nemen, Leonie,” zei mevrouw Nederhorst. + +„O, neen, ma, die kwam juist van hem vandaan, toen hij ons kwam +kappen,” zei Helène. „Maar daar komt hij zingend de trap af.” + +Inderdaad ging een oogenblik later de kamer open en daar trad Rudolf +binnen, geheel in gala gekleed. Hij zag er keurig uit en mevrouw +Nederhorst kon niet nalaten, een blik van welgevallen op haar oudsten +zoon te slaan, zooals hij daar stond in zijn nieuw pak, met zijn helder +linnen, zijn keurige witte glacé handschoenen, ’t gefriseerde haar, en +de vroolijke oogen, die van genoegen schitterden. Inderdaad zag hij er +alleraardigst uit en mevrouw mocht met recht wel eenigszins grootsch op +haar zoon zijn. + +„Is ’t rijtuig nog niet voor, ma?” vroeg hij. „’t Wordt zoo laat.” + +„Mij dunkt, dat je reden hebt, om blij te zijn, dat het er nog niet +is,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „anders kwam je zeker te laat.” + +„O, o! Dan had het maar wat op mij moeten wachten,” zei Rudolf. „Maar +ik hoop, dat het gauw komt. Louise heeft gevraagd, of we wat vroeger +komen. U weet, ma, ik zal een van de ceremoniemeesters zijn, om de +dames te ontvangen.” + +„O, heb je daarom dien strik op je borst,” zei Leonie. „Ik dacht eerst, +dat je ridder geworden was of voor een paard van den koning wou +spelen.” + +„Die hebben in alle gevallen de strikken aan hun kop,” zei Rudolf. + +„De ridders of de paarden van den koning?” vroeg Leonie. + +„Daar is ’t rijtuig!” riep Helène uit, die vol ongeduld aan een der +ramen stond. + +Mama werd nu goeden dag gekust; door Rika geholpen, stapten ze in de +vigilante en reden met een vroolijk hart naar ’t huis van oom Walburg, +voor wiens deur ze weldra stilhielden. + +’t Was een prachtige, rijk verlichte zaal, waarin de danspartij zou +plaats hebben. + +Toen Rudolf met zijn beide zusters kwam, was er echter niemand in de +zaal dan meneer en mevrouw Walburg en hun drie kinderen, van welke +Louise vrij wat in leeftijd verschilde met haar twee zusjes, waarvan de +oudste eerst acht jaren oud was. Natuurlijk werd eerst Louise geluk +gewenscht en met een cadeautje verrast; daarna maakte men zijn +compliment voor oom en tante. + +„’t Speet me, dat ma er tegen had, om Dora en Alfred mee te sturen,” +zei mevrouw Walburg tegen Helène. + +„Ma vond ze nog te klein, om naar zulk een groote partij te gaan, +tante,” antwoordde Helène. „Alfred is nog maar acht en Dora zeven jaar. +Ze zouden u maar tot last zijn, en daarenboven misschien onder den voet +raken.” + +„En dan Anne en Emmy?” vroeg mevrouw Walburg. „Anne is ook pas acht +jaren en Emmy nog maar zes.” + +„O, tante, dat maakt een groot verschil,” antwoordde Helène. „Die zijn +hier thuis en zullen wel, als het wat vol wordt, bij u blijven zitten. +Daarenboven, als ze slaap krijgen, kunnen ze naar bed gebracht worden; +terwijl Dora en Alfred zouden moeten wachten, tot ze, al was ’t dan ook +vroeger dan wij, werden gehaald.” + +„’t Is waar,” hernam mevrouw Walburg. „Je ma heeft groot gelijk, en ik +zou in haar geval evenzoo gehandeld hebben. Maar dat ze zelf niet +meegekomen is, heeft me zeer teleurgesteld. Vroeger hield ze er wel +van, zulke partijen te zien.” + +„Ma zei, dat ze te zwak was, om zich in zulk een gewoel te wagen,” +antwoordde Helène. „Ze vond het voor haar verstandiger om maar stil +thuis te blijven.” + +„Wel, Rudolf,” zei oom Walburg tegen zijn neef, „je ziet er kranig +genoeg uit. Al de meisjes zullen zin in je krijgen en met je willen +dansen.” + +„’t Is niet te hopen, oom!” antwoordde Rudolf. „Als dat het geval was, +dan mocht ik wel tien lichamen hebben meegebracht, om met elk van haar +een dans te kunnen doen. Maar zoo’n vaart zal ’t niet loopen, denk ik.” + +„Nu, dat is maar goed ook,” hernam meneer Walburg. „Want anders vrees +ik, dat je hier niet heelhuids van daan zou komen, daar men je stuk zou +trekken. Je bent gisteren met vacantie thuisgekomen, niet waar?” + +„Ja, oom! Gisteren na den middag.” + +„En gaat het altijd nog goed op school?” + +„O, ja, oom, heel goed. Ik kan met de meesters goed overweg, en met de +jongens ook.” + +„Dat doet me pleizier,” antwoordde meneer Walburg. „Je papa krijgt dan +ook telkens van meneer Voornvisser de gunstigste getuigenissen. Ga zoo +maar voort, Rudolf, en je zult er plezier van hebben. Een mensch die +wat weet, kan vooruitkomen in de wereld—een botterik en een weetniet +wordt door iedereen geschuwd.” + +„O, wat zijn je jurken allerliefst gegarneerd!” zei Louise tot haar +nichtjes. „Dat heeft Rika zeker gedaan.” + +„Natuurlijk,” antwoordde Leonie. „Maar ik heb haar eerst de les moeten +lezen. ’t Is of die soort van menschen uit zichzelf geen smaak hebben. +Je had eens moeten zien, hoe stijf ze ’t eerst gedaan had. Gelukkig dat +ik nog juist bij tijds boven kwam om ze eens te zien, anders hadden we +er uitgezien als een paar vrouwen uit een hofje.” + +„Dat zou zoo’n vaart niet geloopen hebben,” meende Louise. + +„Maar nu zie je er allebei uit om te stelen; dat moet ik zeggen.” + +„Maak Leonie maar niet hoogmoediger dan ze al is,” zei Helène lachend. +„Wat mij aangaat, ik ben dankbaar dat ik zoo’n ingénieus zusje heb, +maar ik pas er wel op, haar in haar gezicht te prijzen; want dan zou ze +nog trotscher worden dan ze al is.” + +Ze werden in haar gesprek gestoord door ’t binnentreden van een tweeden +ceremoniemeester met zijn zuster, die Louise aansprak en haar +gelukwenschte met haar verjaardag. Rudolf en zijn ambtgenoot begaven +zich nu naar ’t voorhuis, om hun plichten als ceremoniemeester jegens +de dames te vervullen, en weldra werd hun getal nog met twee +vermeerderd. Ze hadden ’t alle vier braaf druk met de dames te +ontvangen, binnen te leiden en aan de gastvrouw voor te stellen, en ik +moet zeggen, dat ze den hun opgedragen post eer aan deden. + +Langzamerhand vulde zich de zaal met keurig gekleede dametjes en +jongeheeren, en ’t was een aardig gezicht, die bonte menigte door +elkander te zien woelen. Nadat de thee gepresenteerd was, verscheen de +dansmeester met zijn muzikanten, en nu repten de jonge voetjes zich tot +den dans. Toen de pauze begon, verzocht de dansmeester, dat de jongelui +zich twee aan twee zouden opstellen en maakte men een marsch door de +zaal. Niemand begreep, wat dat eigenlijk te beduiden had, tot eensklaps +de vleugeldeuren geopend werden en een zee van licht onzen jeugdigen +gasten uit de aangrenzende zaal tegenstroomde. Daar toch stond een +kolossale kerstboom, die tot aan de tamelijk hooge zoldering reikte, +met ontelbare lichtjes versierd en met tal van cadeaux behangen was. +Onder toezicht nu van Rudolf en een anderen ceremoniemeester werd er +een tombola gehouden, terwijl de beide andere ceremoniemeesters, met +haken gewapend, de getrokken prijzen uit den rijk voorzienen boom +haalden. Er was natuurlijk veel plezier wanneer een jongen een +werkmandje, of een meisje een sabel of een geweer trok. Door minnelijke +wisseling echter kwamen al de getrokken prijzen in de rechte handen en +keerden allen hoogst tevreden en vergenoegd naar de groote zaal terug, +waar weldra het dansen op nieuw begon, en de massa limonade en ijs, +welke er gebruikt werd, wel aantoonde, dat de jonge kelen droog van het +dansen en het stof werden. + +Toen onze jongelui thuiskwamen, alle drie met kleuren als rozen, +gezichten gloeiend van de warmte en oogen flikkerend van de pret, +vonden ze hun ouders nog op. Mevrouw Nederhorst had niet naar bed +willen gaan, eer de kinderen thuis waren, hoe dikwijls haar man haar +daartoe ook aangezet had. + +„Plezier gehad?” vroeg ze, toen de drie jongelui binnenkwamen. + +„O, ma! Dol veel!” riep Helène uit. „Ik heb geen enkelen dans +overgeslagen. En we hebben een tombola gehad en nog een cadeautje op +den koop toe gekregen. ’t Is maar jammer, dat zoo’n avond zoo gauw om +is!” + +„Ja, kindlief! Er is een eind aan alle dingen, ook aan de pret. En +daaraan schijnt gauwer een eind te komen dan aan ’t verdriet; want als +we plezier hebben, dan vliegen de uren om. En jij, Leonie?” + +„O, zeker, ma,” antwoordde Leonie. „Wie zou zich niet amuseeren op een +danspartij?” + +„En heeft Rudolf zijn rol van ceremoniemeester goed vervuld?” vroeg +meneer. + +„Nu, dat zou ik zeggen!” antwoordde Helène. „Hij heeft de honneurs goed +waargenomen. ’t Is hem wél toevertrouwd.” + +„Maar ’t is hoog tijd, om naar bed te gaan,” zei haar vader. „Kom, +kinderen! zeg nu ma en mij goeden nacht en zoek dan de slaapkoets op! +Ma moest eigenlijk al lang te bed liggen. Het deugt voor haar in ’t +geheel niet, om zoolang op te blijven.” + +„En waarom is u niet naar bed gegaan, ma?” vroeg Helène. + +„Omdat ik je zoo graag van een partij zie thuiskomen. En nu, goeden +nacht!” + +„Nacht, ma!” zei Helène. „O, dat zulke dagen zoo zelden voorkomen! Ik +zou wel driemaal in de week zulk een partij willen bijwonen.” + +Nadat ze pa en ma goeden nacht gezegd hadden, gingen de drie +jongelieden de kamer uit om naar bed te gaan, en schelde mevrouw +Nederhorst haar kamenier. + +„Wat een verschil tusschen die twee meisjes!” zei meneer Nederhorst tot +zijn vrouw. „Helène alles maar voor de pret; terwijl Leonie in stilte +geniet.” + +„Je oordeelt oppervlakkig, Leo,” antwoordde zijn vrouw. „Leonie is +misschien even dol op plezier als Helène, maar ze weet zich te +bedwingen en uit zich niet, terwijl de andere veel levendiger en minder +gesloten is. Heusch, het karakter van Helène, hoe oppervlakkig ’t ook +schijnt, is dieper en inniger dan dat van Leonie. ’t Komt er door, dat +de een fijner voelt dan de ander.” + +„’t Is best mogelijk, Marie,” antwoordde meneer Nederhorst. „Maar daar +is Rika. Kom, nu gauw naar bed! Het is niet goed voor je, om zoo laat +op te blijven. Dokter Manders heeft het je volstrekt verboden.” + +„Ik zal den verloren tijd trachten in te halen,” zei mevrouw +Nederhorst, „en me vlug uitkleeden. Tot straks, Leo!” + +Ons drietal was spoedig in bed. Leonie en Rudolf sliepen weldra in. +Maar Helène kon den slaap niet vatten. ’t Was of haar onophoudelijk de +dansmuziek in de ooren klonk en of ’t licht der balzaal nog in haar +oogen schitterde. Onrustig draaide zij zich van de eene zij op de +andere en poogde een andere wending aan haar gedachten te geven. Doch +te vergeefs: de vroolijke polka’s en mazurka’s kwamen telkens weer +boven en dreven den slaap uit haar oogen. Eindelijk, ’t zal zoowat vier +uur in den morgen geweest zijn, sluimerde ze in; doch ze genoot geen +gerusten slaap: want ze werd door de bontste en grilligste droomen +gekweld, die haar erg vermoeiden. Toen men haar ’s morgens kwam roepen, +had ze lust om nog wat te blijven liggen; want ze had geduchte +hoofdpijn. Ze hoopte echter dat, wanneer ze opstond en in beweging was, +die hoofdpijn wel beter zou worden, stapte het bed uit en kleedde zich +aan. + +„Kindlief!” zei haar vader, toen hij merkte hoe bleek en betrokken zij +er uitzag, „hoeveel je ook van uitgaan mag houden, je schijnt er niet +best tegen te kunnen.” + +„Ik kon in den voornacht niet in slaap komen, pa,” zei ze. „En toen ik +eindelijk in slaap viel, heb ik zoo zwaar gedroomd, dat ik met +hoofdpijn ben opgestaan.” + +„Gelukkig, dat het Kerstdag is en er geen lessen zijn,” zei mevrouw +Nederhorst. „’t Zou er anders slecht mee staan, Helène.” + +„Dat denk ik ook, ma,” antwoordde Helène. „Neen, dank u; ik zal niets +gebruiken; ik heb geen trek in eten.” + +„Ik zal zeggen dat Rika je bed weer opmaakt,” zei mevrouw Nederhorst. +„’t Best is, dat je dadelijk maar weer gaat liggen; misschien lukt het +je te slapen, en dan zal de hoofdpijn waarschijnlijk wel overgaan.” + +Helène deed, wat haar moeder zei. ’t Was wel geen prettig besluit van +de heerlijke danspartij; maar wat zou zij er aan doen? Weldra was ze in +een gerusten slaap en ’t was al half twee, toen ze geheel verkwikt en +zonder hoofdpijn ontwaakte. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +LOTWISSELING. + + +De kerstvacantie was voorbij en Rudolf reeds sedert eenige dagen naar +de kostschool teruggekeerd. In ’t huisgezin van de familie Nederhorst +was alles weer op den ouden voet; ’t scheen echter, dat meneer zelf +niet erg op zijn gemak was. Wat hem deerde, kon niemand te weten komen; +zelfs zijn vrouw niet. Ofschoon hij nooit heel veel sprak, was hij nu +toch bijzonder stil en ingetrokken, at bijna niet en zag er somber en +verdrietig uit. + +„Wat scheelt pa toch?” vroeg Helène op zekeren Zondag aan haar moeder. +„Hij spreekt geen woord, en als je hem iets vraagt, geeft hij zulk een +onvriendelijk antwoord, dat je ’t best doet om ook maar te zwijgen.” + +„Ik weet het niet, Helène,” antwoordde haar mama. „Ik heb pa al +gevraagd, of hij zich soms onlekker voelde en dokter Manders al over +hem willen raadplegen. Maar hij heeft mij geantwoord, dat ik dit wel +laten kon en dat geen dokter hem kan genezen.” + +„Wat zou die arme pa dan hebben?” vroeg Helène op medelijdende toon. + +„Ik denk, dat hij onaangename dingen aan ’t hoofd heeft, die hij me +niet zeggen wil, omdat ze me hinderen zouden,” hernam mevrouw +Nederhorst. „Kooplieden hebben dikwijls bij ’t begin en ’t einde van ’t +jaar allerlei beslommeringen, waarvan wij toch geen verstand hebben, en +daarom zullen wij er ons hoofd maar bij neerleggen.” + +Helène zweeg en hield zich, als hadden de woorden harer moeder haar +gerustgesteld; maar noch zij, noch mevrouw Nederhorst waren ’t +inderdaad. Leonie bekommerde er zich weinig om—trouwens ze was twee +jaren jonger dan haar zuster, en op dien leeftijd, waarop men zich +zulke zaken nog weinig aantrekt. + +Een paar dagen later kwamen Helène en Leonie van school en vonden mama +in tranen op de sofa liggen. Beiden liepen terstond naar haar toe, en +vroegen, wat haar scheelde. + +„O, Helène, o, Leonie! Hoe zal ik het je meedeelen!” riep mevrouw +Nederhorst, terwijl ze de handen wrong. „O, als ik maar bedaarder was! +Maar mijn zenuwgestel is zoo geschokt!” + +„Heeft u den dokter niet laten roepen, ma?” vroeg Helène. + +„De dokter kan mij niet helpen, kindlief,” zei mevrouw Nederhorst, die +’t goed scheen te doen, dat ze haar beide kinderen bij zich had. „Je +arme vader! Je arme vader!” + +„Is pa wat overkomen?” vroeg Helène angstig. + +„Bijna ’t ergste wat hem treffen kon,” antwoordde mevrouw Nederhorst. +„O, kinderen! hoe zal ik ’t je zeggen! Papa heeft zijn geheele vermogen +verloren!” + +„Dus zijn we arm, ma?” vroeg Leonie. + +„Doodarm misschien,” antwoordde mevrouw Nederhorst. + +„Doodarm?” herhaalde Helène. + +„Ja, kind, doodarm. Ons mooie huis, onze fraaie meubelen, kortom—alles +zal moeten verkocht worden, om de schulden te voldoen. Want pa wil tot +den laatsten cent betalen.” + +„Maar dat is vreeselijk, ma!” zei Leonie. + +„Ja, wel vreeselijk, Leonie,” herhaalde mevrouw Nederhorst. + +„Nu, ma! Als we elkander maar blijven liefhebben, zal de armoe zoo erg +niet zijn,” zei Helène. + +„Je weet niet wat armoe is, kind,” hernam mevrouw Nederhorst. „Je bent +het altijd zoo onbekrompen gewoon, dat het je dubbel hard zal vallen, +wanneer je zult moeten missen, wat je als natuurlijke zaken beschouwt, +dingen zult moeten ontberen, welke je nooit gemeend hadt, dat ontbeerd +konden worden.” + +Helène en Leonie stonden versteld. Dat zoo iets zou kunnen gebeuren, +hadden ze nooit gedacht. + +„Ga je goed af doen en kom dan hier,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar +tegen niemand een woord er over, hoor! ze zullen ’t spoedig genoeg +hooren, doch niet van jullie. Ook niet aan Alfred en Dora; die hebben +er nog geen begrip van.” + +De beide meisjes begaven zich naar boven, om zich van haar goed te +ontdoen. + +„O, Leonie! Wat ben ik geschrikt van ma,” zei Helène. „Ik heb haar +nooit zoo vreeselijk zenuwachtig gezien.” + +„’t Is dan ook een tijding, die ze ons medegedeeld heeft,” antwoordde +Leonie. „Hoe is ’t mogelijk! Als ma ’t ons zelf niet verteld had, zou +ik ’t niet gelooven.” + +Leonie bleef nog wat boven, doch Helène keerde spoedig naar de +huiskamer terug. Ze vond haar moeder veel bedaarder dan straks. Het +denkbeeld om de tijding aan haar kinderen mee te deelen had haar +geschokt. En toch wilde ze niet, dat ze die ’t eerst van vreemden +zouden hooren. + +„Ma,” zei ze, terwijl ze voor de sofa knielde en de hand harer moeder +greep, „u moet niet zoo bedroefd zijn. Dat doet u kwaad.” + +„Ik zal trachten bedaarder te zijn, Helène,” antwoordde haar moeder. +„En ik ben veel kalmer dan straks. ’t Heeft me goed gedaan, dat ik het +je meegedeeld heb. Ik zag er zoo tegen op.” + +„En hoe is pa er onder?” + +„Bijna wanhopig. Dit was dus de reden van zijn somberheid in de laatste +dagen. Ik vreesde wel, dat er wat boven ons hoofd hing.” + +„U moet u maar bedaard houden, ma. Misschien loopen de zaken nog beter +uit dan we denken.” + +„Ik mag ’t hopen; doch na de mededeelingen, die je vader me deed, +geloof ik, dat het ergste te wachten staat. ’t Zal je afvallen, Helène. +Daar zal nu wel van geen partijen meer inkomen.” + +„Wel, ma! als ’t anders niet is, zal ik er mij in trachten te +schikken.” + +Op dit oogenblik trad haar vader binnen. Helène zag om. Ze schrikte van +zijn gelaat, zoo somber stond het. + +„Ga heen en laat Leonie ook boven blijven,” fluisterde mevrouw +Nederhorst. „Pa wil me zeker spreken.” + +Helène begaf zich naar haar kamer en waarschuwde Leonie, met wie ze +over de aanstaande verandering sprak. + +’t Waren recht treurige dagen in ’t huis van meneer Nederhorst, welke +nu volgden. Mevrouws gezondheid leed er sterk onder. Wat haar vooral +aandeed, was dat haar oude vrienden en kennissen, die anders er zoo op +uit waren om visites te maken, haar nu geheel en al schenen te +vergeten. Gelukkig, dat ze haar broer Walburg had, die haar trouw +bezocht en haar man in alles broederlijk bijstond, om van de schipbreuk +van zijn fortuin nog te redden wat hij kon. Ook haar schoonzuster, +mevrouw Walburg, was haar tot veel troost en opbeuring. + +Er werd bepaald, dat de familie Nederhorst Amsterdam zou verlaten, +omdat noch meneer noch mevrouw in de stad wenschte te blijven, waar ze +zich zoozeer verminderen moesten en reeds nu met den nek werden +aangezien; verder, dat Rudolf nog een jaar op de kostschool bij meneer +Voornvisser zou blijven, om zijn studiën te voltooien en dat oom +Walburg Leonie bij zich in huis zou nemen, waar ze een welkom +gezelschap voor zijn dochter Louise zou zijn en tevens haar opvoeding +zou kunnen voltooien. + +Ofschoon meneer Nederhorst elke geldelijke hulp van zijn zwager zou +hebben afgeslagen, vond hij er niets in, dit voorstel aan te nemen en +ook mevrouw stemde er gereedelijk in toe ter wille van Leonie, wier +opvoeding nog voltooiing behoefde, ofschoon ’t haar wel leed +veroorzaakte, dat de toestand der beide zusters zoozeer zou verschillen +en de een in ontbering, de andere in weelde zou worden grootgebracht. +Wat Helène aangaat, zij koesterde geen jaloezie ten aanzien van haar +zuster, ja, oprecht gesproken was zij blij: dat zij de uitverkorene +niet was. Niet, dat zij zich niet beter in den toestand van Leonie had +kunnen voegen dan in dien, welken ze nu te gemoet ging—maar ze gevoelde +’t zoo, dat ze beter steun was voor haar moeder, dan de jongere Leonie; +ze wist het, dat haar moeder zou moeten lijden en verduren en ze +begreep ten volle, dat dat lijden nog smartelijker zou zijn, wanneer +zij, de oudste dochter, haar verliet; kortom ze was ’t zich zelf +bewust, dat ze haar moeder tot troost en opbeuring zou strekken. +Mevrouw Nederhorst had wel terecht tegen haar man gezegd, dat Helène +dieper en inniger gevoelde dan Leonie; ze zou toonen, dat hoe gaarne ze +ook partijen bezocht, ze nog wat anders kon doen dan voor haar plezier +leven. + +’t Was een treurige taak, welke mevrouw Nederhorst op de schouders +gelegd was en die ze haar man beloofd had, te vervullen: den +dienstboden aan te kondigen, dat ze over zes weken konden vertrekken. +Wie echter tegen Februari een dienst kon krijgen, had volkomen verlof +om eerder te gaan. Ze liet ze alle bij zich in de kamer komen en deelde +hun de droevige maar wel verwachte tijding mede. Allen verlieten de +kamer, onder betuiging van leedwezen; slechts een had geen woord +gesproken, de oude Trui, de keukenmeid, die reeds van mevrouws trouwen +bij haar gewoond had. Toen echter de anderen de kamer verlieten, was ze +gebleven, deed de deur achter haar kameraads toe en ging voor mevrouw +staan. + +„Mevrouw!” zei ze, „U zult toch zeker wel één dienstboo houden.” + +„Dat zal wel dienen, Trui,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik zelf kan +slecht den pot koken en den boel aan kant houden, en mijn dochter +evenmin. Maar waarom vraag je dat zoo, Trui?” + +„Wel, lieve mevrouw,” antwoordde Trui, „’t wordt met de rep zeventien +jaren, dat ik uw brood heb gegeten. Al uw kinderen heb ik zien geboren +worden en ik heb het hier altijd goed gehad ook. Niemand uwer +dienstboden kan ’t hart voor u hebben, dat ik heb, en nu zou ik u op +mijn ouden dag moeten verlaten en u misschien door een meid worden +bediend, die u niet liefheeft zooals ik. Hoor eens, mevrouw! Dat u de +anderen weg doet, is natuurlijk. Maar als u mij weg deedt, dan zou u er +spijt van hebben, dat zou u. En daarom, ik bid het u, laat mij bij u +blijven.” + +„Maar, beste Trui,” zei mevrouw Nederhorst, „dat zal je nooit bevallen. +Zeventien jaren heb je hier in overvloed geleefd; je hebt nooit iets +behoeven te ontzien, en nu zul je een burgerpot moeten koken en ’t +zuinig moeten aanleggen.” + +„Ik begrijp u, mevrouw,” antwoordde Trui. „U wilt zeggen: een meid, die +’t altijd zoo royaal gewend is, zal niet zuinig kunnen zijn. En mevrouw +zou gelijk hebben, als Trui ’t niet deed, omdat ze haar niet verlaten +kan. U zult eens zien, hoe zuinig ik zal huishouden. Dus mag ik +blijven, niet waar mevrouw?” + +„Ik weet het niet, beste Trui, of we een meid zullen kunnen +bekostigen,” antwoordde mevrouw Nederhorst. + +„Wat bekostigen?” zei Trui op dien toon, welken oude dienstboden zoo +gemakkelijk aannemen, als hun meesters of meesteressen iets doen, wat +in hun oog onrechtvaardig is. „Dat moet dan maar bekostigd worden. Wat +drommel! U kan toch met uw teere handjes geen vaten wasschen, kamers +stoffen en trappen schuren. Wat weet u van pot koken? Daar zou wat van +terecht komen! Aangebrand en niet gaar zou schering en inslag zijn! En +dan met uw zwakke gestel bij de hitte van zoo’n kookkachel! Als u dat +doet, dan moest u maar tegelijk uw doodkist ook bestellen.” + +Mevrouw Nederhorst moest ondanks haar droefheid om de ruwe maar +overtuigende manier lachen, waarop Trui sprak. + +„Je hebt gelijk, Trui,” antwoordde ze. „Ik weet echter niet of onze +middelen ons zullen toelaten een volle meid te houden, dan of we ons +met een dagmeisje zullen moeten behelpen.” + +„Met zoo’n tulle muts!” riep Trui verontwaardigd uit. „Dat ’s ook al +geen voordeel, mevrouw. Die eten voor twee volle en doen ’t werk nog +voor geen halve. Dan is uw verdriet niet te overzien; want zulke tulle +mutsen hebben altijd nog een stuk vrijer en blijven twee uren weg voor +een boodschap van een kwartier. Dan is uw verdriet niet te overzien! En +werken kunnen ze niet; alles wordt schroeibroei gedaan, en u moest eens +in de hoeken kijken. Daarom, mevrouw, ik blijf er bij: houd mij. Ik ken +u sedert meer dan zestien jaren en weet beter dan iemand wat u noodig +heeft. Ik zal u zooveel niet kosten, beste mevrouw! Niets dan kost en +inwoning, en die moet u een andere dienstmeid toch ook geven. Daarbij +moet die nog huur hebben.” + +„Dat laatste zul je toch ook moeten hebben, Trui, en zeker....” + +„Maar hoe heb ik het nu? Dacht mevrouw, dat ik zooveel woorden vuil +maakte, om mijn loon te behouden! Dan kent mevrouw Trui al heel slecht. +Zestien jaren heb ik u gediend en verscheidene malen is mijn loon door +u verhoogd. Daarbij was u of meneer niet sikkeneurig en hebt u me nog +al eens een buitenkansje bezorgd. In ’t eerst heb ik me nog al van +ondergoed voorzien, en toen ik goed onderlegd was, heb ik mijn duitjes +in de spaarbank gezet, en dat bedraagt al een heel sommetje. Wanneer u +me dus maar kost en inwoning geeft, dan kan ik met de renten best +toekomen.” + +„Maar, beste Trui! op die conditie kan ik immers geen meid aannemen. +Meneer zou daar niet in toestemmen.” + +„Niet in toestemmen!” riep Trui uit. „Dat zal hij wel doen, als hij van +zijn vrouw houdt. Want, mevrouw, of u ’t weten wilt of niet, u steekt +in geen best vel, en dit geval heeft u geen goed gedaan. Ik hoop, dat u +nog lang zal leven; maar ’t kon toch gebeuren, dat onze lieve Heer u +opriep, en wie zou er dan voor uw arme kinderen zorgen? Wie houdt +zooveel van hen, als Trui, die ze heeft zien geboren worden, ze op haar +schoot gewiegd, op haar arm gedragen heeft? Zeker niet zoo’n +nieuwbakken madam, die te veel voor haar eigen toilet te zorgen heeft.” + +„Genoeg, Trui,” hernam mevrouw Nederhorst, die door ’t laatste argument +geheel en al overwonnen was. „Op welke voorwaarden dan ook—je blijft, +en geloof, dat ik in jou voortaan meer een vriendin dan een +ondergeschikte zal zien.” + +„Dat doet de deur toe!” zei Trui gevat. „Een vriendin betaalt men geen +loon, wel een dienstbode!” + +Door tranen heen, die van haar aandoening uit de oogen gesprongen +waren, moest mevrouw Nederhorst toch om deze bijdehandte aanmerking van +de goede vrouw lachen. Ze reikte Trui de hand, welke deze hartelijk +kuste. + +Nauwelijks had de goede oude meid het gedaan, of Helène, die op haar +moeders verzoek binnen gebleven was, opdat deze niet zoo geheel alleen +tegenover haar bedienden zou staan, en natuurlijk geen enkel woord +gesproken had, ging naar Trui toe, greep haar beide ruwe, vereelte +handen en zei: + +„Hoor eens, Trui. Ik zal je helpen, zooveel ik kan.” + +„Maar, jonge juffrouw, u!” riep Trui uit. + +„Waarom niet. Daar zijn zooveel dingen, die ik je uit de hand kan +nemen: kamers stoffen, bedden maken, ’t aan- en uitkleeden der +kinderen. Als ik dat van je afneem, dan overwerk je je niet. Want wat +zou ’t zijn, als je eens te veel op je horens nam en ziek werdt. Je +bent ook geen vijf-en-twintig jaar meer. En denk niet, dat het mij een +opoffering zal zijn; ik zal het met plezier doen, hoor!” + +„Wie zou ’t nu nog een opoffering noemen, om te blijven!” riep Trui +uit, „als zoo’n lieve jonge juffrouw presenteert om te helpen. Och, +mevrouw, ’t is wel ongelukkig als men zijn geld en goed moet verliezen. +Maar als men zoo’n dochter heeft, dan wordt er veel vergoed.” + +Trui verliet opgeruimd de kamer. + +„Kom eens hier, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst. + +Helène knielde bij de sofa neer. Haar moeder sloeg den arm om haar hals +en zag haar vriendelijk aan. + +„Meen je, wat je daar zei, lieve?” vroeg zij. + +„Zeker, ma,” antwoordde Helène. „Al ben ik nog jong—ik begrijp zeer +goed, hoe onze toestand voortaan zijn zal. En u bent te zwak, om iets +te doen. Aan wie is dus de taak, om voor u te arbeiden, indien niet aan +mij?” + +„Maar ’t zal je zwaarder vallen, dan je meent, lieve Helène,” zei +mevrouw Nederhorst. „Jij, die aan weelde en gemak gewoon bent, je bezig +houden met zulk een arbeid. Jouw handen, die nooit anders dan borduur- +of tapisseriewerk gemaakt, niet anders dan potlood of teekenpen gevoerd +hebben, zullen nu zich bezig houden met....” + +„Met dingen, die noodzakelijk zijn, ma!” antwoordde Helène moedig, „en +ik zal de voldoening hebben, u ’t verdriet te verlichten.” + +„Ja, dat doe je al, mijn engel!” zei mevrouw Nederhorst; terwijl haar +de tranen in de oogen sprongen en ze haar aan heur hart drukte. +„Helène! Je bent me een troost en een verlichting in ’t verdriet.” + +Eenigen tijd zaten moeder en dochter zoo en spraken geen woord. +Eindelijk zei Helène: + +„Heeft pa al bepaald, dat we Amsterdam zullen verlaten?” + +„Ja, Helène! Pa is te hooghartig, om zich zoo te verminderen en hier te +blijven, waar iedereen ons in onze grootheid gekend heeft. We zullen +echter niet ver van hier gaan wonen; omdat pa hier nog zaken zal +blijven doen. Wij hopen nog zooveel uit de ruïne van ons fortuin te +redden, dat we ten minste kunnen leven. Alles zal afhangen van den +verkoop van huis en meubelen.” + +„Ik ben blij, dat we ergens anders gaan wonen, ma,” zei Helène. „Waar +niemand ons kent, zal ’t ons gemakkelijker vallen, onze armoede te +verbergen, dan hier, waar onze kennissen ons misschien met den vinger +zullen nawijzen.” + +Het duurde niet lang, of groote gedrukte biljetten, op houten borden +geplakt en aan ’t huis aangeslagen, kondigden „den willigen verkoop van +een kapitaal koopmanshuis en erve,” aan. Op de bepaalde dagen kwamen er +kijkers in overvloed. ’t Huis werd in de „Brakke Grond” voor een +aanzienlijke som verkocht. Intusschen had meneer Nederhorst eens +rondgekeken, en te Weesp, even buiten de stad, een ferm huis voor +weinig geld gehuurd. ’t Was wel een treffen, dat door sterfgeval dit +huis leegstond en dus dadelijk te betrekken was. Nu moest nog ’t +meubilair verkocht worden, en meneer Nederhorst drong er op aan, dat +zijn vrouw met Helène, Dora en Alfred intusschen naar Weesp zouden +trekken. Wel bood haar broer Walburg aan, de geheele familie zoo lang +te logeeren, tot het huis in Weesp schoongemaakt en gemeubeld zou zijn, +maar zijn zwager oordeelde het beter, dat de familie zoo lang te Weesp +kamers in een logement zou betrekken. Dan kon Trui terwijl ’t huis +schoonmaken en zijn vrouw de meubels, welke hij door zijn makelaar zou +laten inkoopen, ontvangen en schikken, en dan was de overgang meer +geleidelijk. + +Hij bracht dus zijn familie naar haar nieuwe woonplaats, maakte +conditiën met den logementhouder, en keerde naar Amsterdam terug, waar +hij zoolang zijn intrek bij zwager Walburg nam. Al de dienstboden waren +intusschen vertrokken, behalve Trui, die haar meesteres naar Weesp +vergezelde en reeds den volgenden dag van top tot teen met het noodige +schoonmaakgerei gewapend naar ’t nieuwe huis ging, waarheen mevrouw met +haar kinderen des middags wandelden, om het te bezien. Want den vorigen +dag was ze te vermoeid van de reis geweest, en had haar man het aan +Helène en Trui gewezen. + +Trui deed hun de deur open en verwelkomde hen in de nieuwe woning. +Ofschoon die natuurlijk vreeselijk afviel bij de oude, moest mevrouw +Nederhorst toch bekennen, dat ze haar werkelijk meeviel. Helène vond de +kamers, bij de meerdere beknoptheid, zeer logeabel; de beide kinderen +waren in enthousiasme over ’t nieuwe van de zaak: want al wat nieuw is, +blijft de illusie van het kind. Terwijl de kinderen wat in het kleine +tuintje rondliepen, gaven mevrouw en Helène de bestemming aan de +verschillende vertrekken, werd er voor mama een lieve, tamelijk ruime +slaapkamer en voor papa een allerliefst bovenvertrek gekozen, uit wier +ramen hij een riant uitzicht had. Hierop keerde men naar ’t logement +terug, waar Trui ’s middags kwam eten en ’s nachts slapen. Intusschen +verrichtte Helène de functiën van kamenier bij mama en van bonne bij de +kinderen, en dat ging haar vrij goed af, vooral wanneer men rekent, hoe +vreemd het haar was. Dagelijks bezocht zij met Dora en Alfred de +omstreken der stad, en bracht ze met hen een visite bij Trui, die ferm +vorderde met het schoonmaken van ’t huis, dat voor één vrouw alleen een +heele karrewei was. + +Een paar malen kwam meneer Nederhorst over, om te zien, hoe de familie +’t maakte. + +„Je moet hier een school voor Alfred en Dora zoeken, manlief,” zei +mevrouw eens tot hem: „’t zou Helène en mij zooveel rust geven, als ze +weer school gingen.” + +„Dat is goed,” antwoordde haar man. „Maar hoe een keus te doen? Ik ben +hier ten volle onbekend.” + +„Indien we den logementhouder eens vroegen,” zei mevrouw. „Zulke +menschen weten toch natuurlijk, wat er al zoo merkwaardigs in de stad +is.” + +Dit werd goedgevonden en, op aanwijzing van den eigenaar van ’t hôtel, +begaf meneer Nederhorst zich naar den onderwijzer, wiens school hem als +de beste genoemd werd. Hij stond er op, dat zijn vrouw hem zou +vergezellen, daar zij beter over de kinderen wist te spreken dan hij. +’t Schoolgeld was oneindig minder dan te Amsterdam, hetgeen zeer +meeviel. Toen haalde hij zijn vrouw over, om met hem naar ’t nieuwe +huis te wandelen, opdat hij de gemaakte schikking mocht zien. Ze wilde +’t hem niet weigeren, ofschoon ’t wel wat vermoeiend voor haar was. In +’t huis vonden ze Helène met de kinderen, aan welke laatste mama +vertelde, dat ze morgen reeds naar school zouden gaan. + +„O, dat is heerlijk!” fluisterde Helène haar moeder in’t oor. „Dat zal +u rust geven.” + +Na langzaam en bedaard terug gewandeld, en gedineerd te hebben, vertrok +meneer Nederhorst weder naar Amsterdam, terwijl Helène hem met de +kinderen naar ’t station bracht. Toen ze thuiskwam, stuurde ze Dora en +Alfred wat in den tuin van ’t hôtel, omdat ze wel begreep, dat haar +moeder rust zou noodig hebben. Toen ging ze naar boven, waar ze deze op +de sofa vond liggen, met den zakdoek voor de oogen en zenuwachtig +snikkende. + +Ze knielde bij haar neder, nam haar hand en vroeg op meewarigen toon: + +„Wat scheelt er aan lieve ma?” + +„Ik ben wat oververmoeid van de wandeling en heb zware hoofdpijn,” +antwoordde mevrouw Nederhorst nog steeds snikkende. + +„Geen wonder,” zei Helène; „u hebt u ook wel wat overspannen. Schrei nu +maar ferm uit; dat zal u goed doen.” + +Daarop ging ze naar de kleine huisapotheek, haalde er een fleschje met +glazen stop uit, waarop een etiquette met „tinctuur van barnsteen” +geplakt was, goot wat water in een glas, deed wat barnsteen daarbij, en +bracht het haar moeder. + +„Hier ma! Neem wat tinctuur van barnsteen,” zeide zij. „Dat zal uw +zenuwgestel tot bedaren brengen.” + +Mevrouw Nederhorst nam het drankje. + +„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze. + +„Wel, ma! Ik wist heel goed, dat u niet zonder deze en andere +medicijnen kunt, en daarom heb ik al de potjes en fleschjes ingepakt, +die u van dienst kunnen zijn.” + +„O, hoe attent!” zeide haar moeder. „Waar niemand om denkt, zorg jij +voor.” + +„En nu zal ik u slapen met wat vlugzout wrijven,” ging zij voort, +terwijl ze van een ander fleschje den glazen stop deed, haar duim met +het vocht nat maakte en zoo ’t geneesmiddel op haar moeders slapen +wreef. + +„Bedaart het nu wat?” vroeg ze. + +„Ja, Helène,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik denk, dat ik nu wel +wat zou kunnen slapen.” + +„Ik zal ’t avondeten voor Dora en Alfred op de slaapkamer klaarzetten; +als ze dat gebruikt hebben en ik ze uitgekleed heb, zal ik ze bij u +brengen, om u goeden nacht te zeggen.” + +„Laat Trui ze maar uitkleeden,” zei mevrouw Nederhorst. „Ze komt toch +straks terug en heeft niets meer te doen.” + +„Heel goed,” antwoordde Helène, „ik zal ’t haar vragen. En nu maar +rustig liggen en tracht wat te slapen; dat zal u goed doen.” + +Maar mevrouw Nederhorst kon niet slapen. Toen Helène terugkwam, vond ze +haar nog wakker. + +„U moest naar bed gaan, ma,” zeide zij. „Daar zult u beter rusten en +misschien wel in slaap vallen.” + +„Ik geloof, dat je gelijk hebt, Helène,” antwoordde zij, en liet zich +door haar dochter naar de andere kamer brengen. Deze hielp haar +uitkleeden, deed heur haar los en vervulde al de bezigheden van Rika +met zulk een vlugheid, dat haar moeder haar kamenier niet miste. Juist +toen mevrouw Nederhorst te bed lag, hoorde men de kleintjes naar boven +komen; ze kwamen met een tamelijk geweld aan, en Helène ging op ’t +portaal en waarschuwde hun, dat zij stil moesten zijn, want dat ma met +zware hoofdpijn te bed lag. Daarop haalde ze hun avondeten, hetwelk ze +gauw ophadden, en kleedde ze met behulp van Trui uit, waarna ze hen te +bed bracht. Bij ondervinding wist ze, dat ze nu niets beters kon doen +dan haar moeder alleen te laten; daarom legde ze de zieke wat goed, en +begaf ze zich naar beneden, om in den grooten tuin van ’t logement een +luchtje te scheppen en zich aan haar treurige gedachten over te geven. +Daar ’t niet koud was, had ze zich op de bank van ’t prieëel neergezet, +en zat ze met de hand voor de oogen en haar elleboog op de tafel +leunende, toen ze eensklaps opschrikte door een vriendelijke stem, die +tot haar zeide: + +„Hoe zoo bedroefd, kindlief?” + +Helène nam haar hand van de oogen en keek met haar betraande oogen den +spreker aan. ’t Was een eerwaardig, oud heer, van in de zestig jaren, +en Helène vond terstond, dat zijn gelaat iets bijzonder innemends had, +iets dat haar onwillekeurig tot hem trok. Ze antwoordde echter niet. + +„Uw jurk gescheurd, ’t een of ander gebroken, of ongenoegen met uw +vriendinnetjes gehad?” vroeg de oude heer. + +„Neen, neen!” riep Helène uit. „Dat zou de moeite niet waard zijn om +hier te zitten schreien. ’t Is vrij wat erger.” + +„Erger dan dat?” hernam de oude heer vriendelijk. + +„Ja, veel erger,” bevestigde Helène snikkend. + +De oude heer ging naast haar zitten, nam haar beide handen in de zijne +en keek haar vriendelijk aan. + +„Vertrouw mij je verdriet toe, kind,” zei hij op zachten, meewarigen +toon. „Misschien kan ik je helpen.” + +„Neen, dat kunt u niet, meneer,” antwoordde Helène. + +„Kindlief,” hernam de vreemde heer, „’t spreekwoord zegt niet vergeefs: +„il n’y a que les malheureux qui puissent se consoler.” Vertel mij dus +gerust, wat u zoo bedroefd maakt. Ik had eens een lieve vrouw en een +dochter van uw leeftijd. Beiden zijn mij door den dood ontnomen. En nu +sta ik geheel alleen op de wereld, zonder vrouw, zonder kind, ja, +zonder broeder of zuster, die in mijn smart kunnen deelen en mij over +de verliezen, welke ik leed, kunnen troosten.” + +„O, dan bent u wel te beklagen, meneer,” zei Helène medelijdend. + +„Niet waar? Niemand weet, wat het zegt, zoo alleen door ’t leven te +gaan.” + +Helène keek hem treurig aan. + +„Vertrouw mij je leed toe,” hernam hij. „Ik zal je geheim niet +verraden, en misschien geeft het je troost, als je ’t mij meedeelt.” + +De toon, waarop hij dit zei, was zoo goedhartig, zoo oprecht, dat +Helène niet kon nalaten, vertrouwen in hem te stellen. + +„Ach!” zeide zij. „Ik schrei niet om mijn eigen ongeluk, maar om dat +van mijn ouders.” + +„’t Is te koud om hier lang te zitten,” zeide de oude heer. „Laat ons +samen wat opwandelen. Mijn woning is hier dicht bij. Daar kun je mij, +als je wilt, je verdriet meedeelen. Ik wandelde eens om en zag je daar +zitten.” + +Helène ging werktuigelijk met den vriendelijken man mede. Weldra +stonden ze voor een bevallige villa. Hij bracht haar in een keurig +gemeubileerde kamer, waar een helder vuurtje in den haard brandde. De +weldadige warmte deed Helène goed, want ze was koud geworden. + +„Welnu,” zei de oude heer. „Deel mij nu de oorzaak van je tranen mee. +Misschien kan ik je helpen, in alle gevallen je troosten en goeden raad +geven. Denk niet dat het onbescheiden nieuwsgierigheid is. Je lijkt +sprekend op mijn lieve Helène; die was even oud als jij toen ze +stierf.” + +Helène aarzelde nog een oogenblik. ’t Stiet haar tegen de borst, een +vreemde deelgenoot te maken van haar omstandigheden. Maar ’t geheele +uiterlijk van den ouden heer boezemde haar zooveel vertrouwen in, dat +het haar was, als sprak ze tot haar eigen vader, en van lieverlede +maakte zij hem deelgenoot van haar leed. + +„Arm kind!” zei de vreemde heer. „Je leert al vroeg de keerzijde van +het leven kennen. Moed gehouden, en als ik je soms met raad en daad kan +bijstaan—je weet nu waar je mij vinden kunt. Ik woon dicht genoeg bij +’t logement zooals je ziet, en ik zal morgen de vrijheid nemen, om ook +je mama eens een bezoek te brengen. Ik was vroeger practiseerend +dokter; welnu, dan informeer ik te gelijk eens naar mama’s gezondheid. +Groet haar van mij en zeg haar dat ik innig deelneem in haar treurige +omstandigheden.” + +Helène nam een hartelijk afscheid van den ouden heer, in wien ze zulk +een onbepaald vertrouwen stelde en die haar zoo zeer voor zich had +ingenomen. Toen ze in ’t logement en op de slaapkamer kwam, vond ze +haar moeder juist ontwaakt. Deze vroeg aan haar waar ze geweest was. +Het meisje vertelde haar, hoe ze schreiende in den tuin van ’t logement +zittende, een nieuwen vriend gevonden had en hoeveel deel deze in hun +ongeluk nam. + +„Maar, Helène!” zei haar moeder. „Hoe kan je zoo onbescheiden wezen, om +een vreemdeling bekend te maken met onze familie-omstandigheden?” + +„Ach ma! als u hem zag, dien ouden heer, dan zou u hem ook uw geheele +verdriet toevertrouwd hebben. U weet niet, wat een allerliefst man hij +is. Morgen komt hij u eens een bezoek brengen, ten minste als u hem +ontvangen wilt!” + +„’t Is nu gebeurd, en ik hoop, dat hij er geen misbruik van zal maken. +Maar wees voortaan geheimer met zaken, die anderen niet aangaan.” + +Meer zei haar moeder niet; maar Helène gevoelde ’t verkeerde harer +handelwijs, en toch kon ze de gedachte niet van zich werpen, dat ze in +dit geval niet verkeerd gedaan had, den ouden heer te vertrouwen, wiens +naam ze niet eens gevraagd had. + +Ze had het den volgenden dag heel druk; want haar moeder voelde zich +niet wel genoeg om op te staan. Ze bracht haar dus haar thee op ’t bed, +kleedde de kinderen aan en bracht ze naar school. + +„Braaf oppassen Alfred, goed leeren Dora!” zei ze, terwijl ze elk een +kus gaf, „om twaalf uur kom ik jullie halen.” + +Daarop spoedde ze zich naar’t logement, waar ze haar moeder in een +gerusten slaap vond. Ze redderde den boel wat op en dat alles zoo stil, +dat ze de slapende niet wakker maakte. Tegen elf uur werd mevrouw +Nederhorst wakker en gaf haar verlangen te kennen, om op te staan. +Helène deed heur haar, kleedde haar in een gemakkelijk négligé en dat +met een vlugheid en een tact, die Rika haar niet zou verbeterd hebben. + +„Nu, ga ik even de kinderen van school halen,” zeide zij. „Dan laat ik +de koffie boven brengen en zullen we heel genoeglijk bij elkander +zitten, niet waar, ma?” + +„Zeker Helène,” antwoordde haar moeder, die ’t lieve meisje met een +tevreden en dankbaren blik nakeek. Tegen twee uur bracht Helène Alfred +en Dora weer naar school. + +„Ze zullen wel gauw den weg zelf leeren kennen, dan kunnen ze best +alleen gaan,” zei mevrouw Nederhorst, toen Helène terug was. + +„Welzeker, ma,” antwoordde Helène. „En daar ’t hier niet zoo druk is +als in Amsterdam, kunnen we ze gerust vertrouwen.” + +Op dit oogenblik werd er op de kamerdeur getikt. + +„Binnen!” riep mevrouw Nederhorst, en het dienstmeisje van ’t logement +verscheen in de deur. „Mevrouw,” zeide zij, „daar is een heer, die +verlangt te weten, of hij u geen belet aandoet; hier is zijn kaartje.” + +Mevrouw Nederhorst nam het kaartje aan en las: + + + Dr. Faminga. + + +„De titel van Doctor geeft hem volkomen recht op een beleefde +behandeling van onzen kant,” zei mevrouw Nederhorst. „Zeg hem dus, dat +ik hem met genoegen verwacht.” + +Sientje vertrok. + +„Hij is dokter,” zei Helène. „Misschien kunt u hem wel tot uw dokter +nemen.” + +„Vooreerst is het te bewijzen, dat hij doctor in de medicijnen is,” +hernam mevrouw Nederhorst. „Hij kan even goed dokter in de +godgeleerdheid, in de philosophie, in de rechten of in de letteren +wezen. Daarenboven zal ’t van pa afhangen, of hij hem tot zijn dokter +verlangt.” + +Eenige oogenblikken later kwam Dr. Faminga binnen. + +„Mevrouw,” zei hij met een beleefde buiging. „Ik ben zoo ingenomen met +uw lieve dochter, dat ik verlangend was, de eer te hebben haar mama te +leeren kennen, en ik hoop, dat dit door u volstrekt niet aan de +begeerte zal worden toegeschreven, om mij bij u in te dringen.” + +„Ik dank u hartelijk voor de belangstelling in mijn dochter, meneer,” +antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik vrees echter, dat zij u met de +mededeeling van onze aangelegenheden zeer zal verveeld hebben.” + +„Ik moet tot verontschuldiging van mijn vriendinnetje in het midden +brengen,” antwoordde dokter Faminga, „dat ik het was, die haar naar de +oorzaak van haar verdriet vroeg. Vergeef mij die onbescheidenheid. ’t +Was niet uit een ijdele nieuwsgierigheid, maar uit zuivere +belangstelling. Ik heb zooveel rampspoeden en verdrietelijkheden in ’t +leven ondervonden, dat ik anderen niet kan zien lijden, zonder er +belang in te stellen. Toen ik uw dochter zag schreien, dacht ik: +misschien heeft ze geen vrienden, en kan ik mij haar lot aantrekken. ’t +Was wel een dwaas denkbeeld; maar ik sta zoo geheel alleen op de wijde +wereld; daarbij, menschen die zoo alles, wat zij rondom zich lief +hadden, verloren hebben, houden zich dikwerf aan een stroohalm vast.” + +Deze laatste woorden sprak hij met zulk een bewogen stem, dat mevrouw +Nederhorst er door getroffen was. Aan de oprechtheid zijner betuiging +behoefde zij niet te twijfelen, en daarom antwoordde zij: + +„Welnu, zoolang we hier in ’t logement vertoeven, zal ik Helène verlof +geven, u van tijd tot tijd te komen bezoeken. Ik weet, dat zij dit +gaarne doen zal. Ook als wij ons gevestigd hebben, kan ze die bezoeken +wel eens hervatten; ten minste wanneer haar vader het goedvindt.” + +„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde Dr. Faminga. „Zooals u wel +van haar zult weten, woon ik hier dicht bij. Toen ik al wat ik bezat +verloor, was ik troosteloos en somber, en waarschijnlijk zou dit in +krankzinnigheid geëindigd zijn, wanneer niet mijn vriend en ambtgenoot, +dokter Van Esch, mij had overgehaald, om hier te komen wonen. Hier ben +ik tot rust gekomen. Intusschen hoop ik, dat het mij door uw man zal +worden toegestaan, ook u van tijd tot tijd een bezoek te brengen.” + +„’t Zal mij heel aangenaam zijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst op +eenigszins verlegen toon, daar zij aan de veranderde omstandigheden +dacht, waarin zij zich bevinden zou. + +„Ge hebt een huis buiten de stad gehuurd, naar ik vernomen heb. Bevalt +het u nog al?” + +„Vrij goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Beter dan ik bij +mogelijkheid had kunnen verwachten.” + +„Dat is gelukkig. Ik twijfel niet, of u zult het in ’t vriendelijke +Weesp wel kunnen vinden. De stilte van ’t stadje en de kalme rust, die +er heerschen, zullen u in uw toestand zeker goeddoen. Maar nu zal ik u +niet langer vermoeien. Ik heb misschien al te lang misbruik van uw +goedheid gemaakt. Ik heb de eer, u goeden dag te zeggen.” + +„Wel ma, hoe vindt u dokter Faminga nu?” vroeg Helène, toen de dokter +het vertrek verlaten had. „Vindt u hem geen aardig mensch?” + +„Hoe zou ik na een enkele ontmoeting daarover kunnen oordeelen?” vroeg +mevrouw Nederhorst. „De man schijnt veel verdriet te hebben gehad in +zijn leven en ik ben er zeker van, dat hij goed en vriendelijk is. ’t +Is een allerliefst man; van wien ik, dunkt mij, als ik hem nader leer +kennen, veel zal gaan houden.” + +Den volgenden dag kwam er een briefje van den dokter, waarin hij Helène +uitnoodigde, om thee bij hem te komen drinken. Ofschoon Helène ongaarne +haar moeder met de kinderen alleen liet, stond mevrouw Nederhorst er +op, dat zij de uitnoodiging zou aannemen. Helène ging dus naar hem toe +en bracht een paar gelukkige uurtjes op de villa door. Hij sprak veel +over haar moeder en ’t scheen hem niet te vervelen, wat Helène ook van +haar vertelde. Onder zijn ameublement trok vooral een uurwerk haar +bijzondere aandacht. Het was een bronzen beeld, dat met uitgestrekten +arm op een wijzerplaat wees; onder dezen arm draaide de wijzerplaat +geregeld om en zoo gaf het beeld de uren aan. + +Helène nam afscheid van haar vriend en ging naar ’t logement terug. Ze +had vrij wat te vertellen van al ’t geen ze bij Dr. Faminga gezien had; +maar ’t uitvoerigst was zij in de beschrijving van het uurwerk en ze +kon maar niet begrijpen, hoe de inrichting er van was. + +De volgende dag was haar zestiende verjaardag; wel een treurige +verjaardag, en ze wenschte wel, dien te hebben kunnen vergeten; want +het was zoo’n verschil bij vorige jaren. Haar moeder had er echter voor +gezorgd, dat er een lekkere tulband was en ook een frisschen ruiker +voor haar laten koopen. Op de ontbijttafel stond een houten kistje met +een stevig touw er om, waarop, met een haar vreemde hand geschreven, +haar naam en adres stonden. + +„Zou dat kistje van pa komen?” zeide zij, terwijl een hoogrood haar +wangen kleurde, en haar hart sneller klopte. + +Mevrouw Nederhorst antwoordde niet, ze hoopte, om Helène’s wil, dat het +waar mocht zijn. + +Spoedig was het kistje open, en wat zag ze daar netjes ingepakt liggen? +Niets meer of niets minder dan het wonderlijke uurwerk van dokter +Faminga. + +„O, dat is een prachtig geschenk!” riep zij uit. „Ik had het gisteren +zoo bewonderd, maar nooit gedacht, dat hij ’t mij als verjaarcadeau zou +geven!” + +„Hoe wist hij dat je jarig bent, lieve?” + +„Zoo in den loop van ’t gesprek is ’t mij ontvallen; en zeker heeft hij +begrepen, dat ons geen cadeau van meer nut zou zijn dan juist een +uurwerk.” + +Later op den dag kreeg ze een cadeau van oom en tante en een brief van +pa. + +Gedurende den korten tijd, dien de familie Nederhorst in ’t logement +doorbracht, werd de kennismaking met dokter Faminga een werkelijke +vriendschap, en weldra was hij ook de vriend der kinderen. Hij hield +ontzaglijk veel van kinderen en ’t was zijn grootste genoegen om des +namiddags met de beide kleinsten een wandelingetje te doen, ’t geen +mevrouw Nederhorst een paar rustige uurtjes bezorgde. Ook vond zij ’t +zeer plezierig, wanneer hij een kopje thee bij haar kwam drinken; want +hij was een man die veel ondervonden en gelezen had, en dus goed praten +kon. + +Zoo gingen eenige dagen gelukkig voorbij, toen er een brief van meneer +Nederhorst kwam, waarin hij melde, dat de verkoop der meubelen niet +minder goed geslaagd was dan die van het huis; zoodat hem, na volkomen +afbetaling van al zijn schuldeischers, nog een som overbleef, voldoende +om van de intrest zuinig te leven. Doch dat zou ook hoogst zuinig +moeten zijn en ’t zou een groot verschil opleveren met hun vroegere +levenswijze. Ook meldde hij dat morgen de weder ingekochte meubels +kwamen; hij hoopte, dat zijn vrouw het oppertoezicht over de plaatsing +zou kunnen houden en ’t haar niet te zeer vermoeien mocht. Wat hem +aanging—hij moest nog eenige dagen in Amsterdam blijven, om zijn zaken +geheel te regelen. + +„Mevrouw,” zei dokter Faminga, toen hij haar een bezoek bracht en ze +hem verteld had, dat ze nu spoedig haar nieuwe huis zou betrekken, „de +ontvangst der meubelen en de schikking daarvan is voor uw krachten te +zwaar. Zoudt ge ’t aan mij willen overlaten, om voor ’t vervoer en de +plaatsing te zorgen? Helène kan mij daarbij helpen.” + +„Ik ben zeer gevoelig voor uw aanbod, meneer Faminga,” antwoordde +mevrouw Nederhorst, „en ik mag ’t niet afslaan. Als u het goedvindt, +zal Helène straks met u naar ’t nieuwe huis wandelen en u de door ons +gemaakte verdeeling wijzen. Daar ik echter niet weet, welke meubelen er +komen zullen, zal ik de plaatsing maar aan u en haar overlaten. Zij +weet wel hoe het naar mijn zin is.” + +„Wel zeker, ma!” zei Helène. „En als dan morgenmiddag alles klaar is, +komen wij u halen en dan verandert u nog, wat u wilt.” + +„Dat is goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En dan reken ik +tegelijkertijd in het logement af en betrekken we onze nieuwe woning.” + +Terstond ging Helène met den dokter en de beide kinderen derwaarts. ’t +Nieuwe huis was nu van boven tot beneden schoongemaakt en zag er frisch +en helder uit. + +„Nu, dat valt me niet tegen,” zei dokter Faminga. „Inderdaad, bevallig +en een goed voorkomen.” + +„Vindt u niet, dokter?” zei Helène. „’t Is maar jammer, dat het zoo ver +van uw villa ligt.” + +„En zegt dat een Amsterdamsche? Voor Amsterdam zou men het dichtbij +noemen.” + +Helène stak den sleutel in ’t slot en deed de deur open. Trui was er +den vorigen dag klaargekomen en natuurlijk naar ’t logement +teruggekeerd. Ze had echter dien morgen overal de ramen opengezet, +opdat het goed luchten zou. ’t Huis zag er beter uit, dan toen mevrouw +Nederhorst het met haar man bezichtigd had: ’t was nu schoon en +vriendelijk. + +„Nu, de ruimte valt mij mee,” zei de dokter. „Naar wat je mama er over +zei, dacht ik dat het een krot was.” + +„Ma is ook gewoon aan zulk een kolossaal huis met zulke hooge, ruime +vertrekken,” zei Helène. „Zie, dit is onze huiskamer, die met +openslaande deuren in ons tuintje uitkomt. Vindt u die niet lief?” + +„Alleraardigst; maar ’s winters zult ge niet veel uitzicht hebben,” zei +de dokter. „Ten minste nu is ’t al vrij bar. Ik zou er liever de +voorkamer voor genomen hebben; dan hadt je een ruim gezicht over de +weilanden.” + +„Die kamer zouden we aan kant houden,” zei Helène. + +„’t Zal hier in voor- en najaar nog al vochtig zijn ook, en dat is niet +goed voor de gezondheid van je mama. We zullen haar voorstellen om het +te veranderen. Daarom kan ze er zomers toch best in zitten.” + +„Dat is pa’s kamer,” vervolgde Helène, toen ze boven op een +allerliefste kamer kwamen, die een riant uitzicht had. „We zullen haar +zoo gemakkelijk mogelijk inrichten.” + +„Nu, dat is niet de minste van ’t huis,” zei dokter Faminga. „Maar dat +behoort ook zoo.” + +Nadat ze ’t geheele huis bekeken hadden, keerden ze naar ’t logement +terug. + +„Welnu, dokter, hoe bevalt u onze nieuwe woning?” vroeg mevrouw +Nederhorst. „Vreeselijk klein, niet waar?” + +„Dat is al naar men ’t neemt, lieve mevrouw,” zei de dokter. „Uw vorig +huis op de Keizersgracht was er zeker een paleis bij; maar ik denk, dat +het u, als u er eenmaal in woont, wel bevallen zal. Beknoptheid van +woning heeft altijd iets geriefelijks.” + +Daarop begon hij over de verandering van huiskamer te spreken, en wel +zóó overtuigend, dat mevrouw Nederhorst er in toestemde. + +„Ik hoop, dat mijn man er genoegen mee zal nemen,” zeide zij. + +„Waarom niet?” vroeg de dokter. „Natuurlijk moet u ’t laten voorkomen, +alsof het uit u zelf kwam. U brengt er immers uw dag in door en niet +hij. Daarenboven hebt u er een paar ferme kasten in—een heel gemak in +een huiskamer.” + +„Wilt u wel gelooven, dat ik smachtend verlang om weer in mijn eigen +huis te zijn, dokter?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Het verblijf in zoo’n +logement is niet alles.” + +„Ik geloof het best,” antwoordde de dokter. „Eigen haard is goud waard, +zegt het spreekwoord.” + +„Daarenboven is ’t nog al kostbaar ook,” hervatte mevrouw Nederhorst. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +BROEDER EN ZUSTER. + + +Eenige dagen later kwam meneer Nederhorst te Weesp. Hij was alles +behalve vroolijk gestemd en zei Helène en de andere kinderen nauwelijks +goeden dag. Daar mevrouw Nederhorst, opdat haar echtgenoot zoo min +mogelijk de verandering zou gevoelen, den tijd van ’t middagmaal op +dien, welken zij in Amsterdam gewoon waren, gesteld had, ging men +spoedig na zijn komst aan ’t diner. Nadat de maaltijd afgeloopen was, +waarvan de eenvoud meneer Nederhorst erg gehinderd had, zei Helène: + +„Pa! Nu wilt u zeker graag naar uw kamer gaan. Ik zal er u +heenbrengen.” + +Meneer Nederhorst volgde zijn dochter. + +„Nu zal pa zeker wel opgetogen zijn!” dacht ze; want ze had alles zoo +keurig mogelijk ingericht. En inderdaad, het kamertje (dat was ’t in +vergelijking van die, welke hij in Amsterdam gebruikte), was lief +gemeubeld. Papa’s schrijftafel, ofschoon wel wat groot voor ’t +vertrekje, stond toch heel goed tegen den eenen muur, en daarboven had +ze de fotografische groep gehangen, welke de geheele familie +voorstelde. Papa’s gemakkelijke stoel stond bij den haard, waarin een +turfvuurtje brandde, en op de tafel stond een lamp, die een vriendelijk +licht verspreidde. De overgordijnen waren toegeschoven, en boven op een +kleine boekenkast, waarin de boeken, welke hij van zijn groote +bibliotheek gehouden had, keurig netjes geschikt waren, stonden een +paar pleisterkoppen; terwijl de schoorsteenmantel alleen met het +keurige uurwerk versierd was, dat Helène van dokter Faminga ten +geschenke gekregen had. Ze had zeker gedacht, dat haar papa, al mocht +hij dan niet opgetogen wezen, ten minste zeer tevreden zou zijn over ’t +gezellig kamertje; maar meneer Nederhorst trad binnen, zonder iets te +zeggen. + +„Nu, pa! hoe bevalt het u?” vroeg zij. + +„’t Gaat nog al,” zei hij, terwijl hij in den stoel voor ’t vuur ging +zitten. „Laat mij nu alleen, ik wil hier wat blijven.” + +Teleurgesteld ging ze naar beneden; toen ze bij haar moeder kwam, zag +deze tranen in haar oogen. Mevrouw Nederhorst begreep er de reden van; +doch ze wilde er liefst niets van zeggen of haar naar de oorzaak der +droefheid vragen. Maar ’t was nog het ergste niet geweest. Tegen het +theedrinken kwam meneer Nederhorst binnen, zijn gelaat stond geheel +ontstemd. + +„Hoe ben je aan dat uurwerk gekomen, dat op mijn schoorsteenmantel +staat?” vroeg hij. + +„Dat heeft Helène voor haar verjaardag cadeau gekregen van iemand, dien +we hier gevonden en van wien we zeer veel vriendschap genoten hebben, +van een zekeren dokter Faminga, die sedert eenige jaren te Weesp +woont,” antwoordde mevrouw Nederhorst. + +„Dokter Faminga? Wat is dat voor een man?” vroeg meneer Nederhorst, +wiens gelaat nog meer betrok. + +„Een oud heer, die mij allerlei diensten bewezen heeft,” antwoordde +zijn vrouw. „Zoo heeft hij met Helène er voor gezorgd, dat de meubelen +goed hier in huis en op hun plaats kwamen. Ook was hij heel lief voor +de kinderen, met wie hij meermalen is gaan wandelen.” + +„Zoo, en wat weet je nog meer van zijn hem?” + +„Dat hij een hoogst fatsoenlijk en goedhartig man is, die veel in zijn +leven ondervonden en de praktijk neergelegd heeft, om hier te komen +wonen.” + +„Dat heb je natuurlijk alleen uit zijn eigen mond gehoord.” + +„Maar ik heb het onvoorwaardelijk geloofd. Een man als hij en....” + +„En ik verbied allen verderen omgang met dien man,” zei meneer +Nederhorst streng. „Waarschijnlijk de een of andere avonturier, die +zich van de eenvoudigheid eener onergdenkende vrouw bedient, om zich +bij ons in te dringen. We hebben geen nieuwe vrienden noodig. Als onze +oude ons niet meer willen kennen, omdat wij arm geworden zijn, waartoe +zullen we dan nieuwe vriendschapsbetrekkingen aanknoopen? Inderdaad! ik +begrijp niet, hoe je met onze armoede zoo te koop hebt kunnen loopen.” + +„Je oordeelt geheel verkeerd, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. +„Meneer Faminga is een door en door braaf man, die volstrekt geen +waarde aan geld of positie in de maatschappij hecht, en leeft als hij +iemand een dienst kan doen. Zie hem, vóor je oordeelt.” + +„Daar zal ik wel op passen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik zal hem +schrijven en hem eens ferm laten gevoelen, wat ik van de manier denk, +waarop hij zich zonder mijn toestemming hier in huis heeft ingedrongen. +En wat het cadeau van Helène aangaat, dat zal ik hem terugzenden.” + +„Dat zal je niet doen, Leonard!” zei mevrouw Nederhorst op smeekenden +toon. „Je weet niet, hoeveel verplichting ik aan den belangeloozen man +heb. Je doet er mij en de kinderen verdriet mee.” + +„Ik zal het doen,” antwoordde meneer Nederhorst, „en wel terstond.” + +„Je zult toch eerst thee drinken?” vroeg mevrouw Nederhorst. + +„Een kop thee wil ik wel nemen, maar de zaak heeft haast; anders komt +die meneer soms nog hier.” + +Mevrouw zei geen woord meer, en Helène ging de kamer uit naar de +keuken, waar ze in tranen losbarstte. + +„Wat scheelt er aan, jongejuffrouw?” vroeg de goede Trui. + +Schreiende vertelde Helène haar ’t voorgevallene. + +„Nu, dat is mooi!” riep de oude meid uit. „Zoo’n lief man! En dan nadat +hij alles gedaan heeft wat hij kon, om ’t uw mama gemakkelijk te maken. +Wat heeft de man niet gesjouwd, om hier den boel in orde te brengen! ’t +Is schande! En die dokter Faminga is nog al zoo’n fatsoenlijk man!” + +„Pa meent dat die goede dokter een gelukzoeker is, die er redenen voor +heeft om zich bij ons in te dringen. Als hij hem maar eens wilde zien, +dan zou hij misschien wel anders over hem denken.” + +„Nu, droog uw tranen maar af,” hernam Trui, „en ga maar weer naar uw +mama, die ook wel bedroefd zal zijn over de behandeling die den dokter +wordt aangedaan. Ik hoor uw pa al naar boven gaan; hij heeft zijn thee +gauw op.” + +Wat Trui na Helène’s vertrek in zich zelf prevelde van „groote” +menschen, die nog even „groot” bleven, al waren zij arm, en van andere +zaken, die ze niet graag hardop zou gezegd hebben, willen we u maar +niet mededeelen; liever volgen we Helène naar de huiskamer, waar ze +zich naast haar moeder op de sofa zette. + +„O, vindt u ’t niet verschrikkelijk van pa?” vroeg zij. „Is ’t geen +schande, om een man, die zoo lief en zoo goed voor ons geweest is, zoo +te behandelen.” + +„Stil, lieve,” antwoordde haar moeder. „’t Past je niet, om de daden +van je vader te berispen. Hij doet, zooals hij recht oordeelt, en ik +had verstandiger moeten handelen en de vriendschap van den dokter niet +moeten aannemen. Ik heb mij laten verleiden door ’t vertrouwen, dat +zijn gelaat en gedrag mij inboezemden; ook kon ik, nadat ik wist, dat +je hem onze familie-aangelegenheden hadt medegedeeld, in hem niets +anders zien dan een belangeloozen vriend. Dat kan je vader niet; want +hij weet niet, dat de dokter met onze omstandigheden bekend was, en dat +mag hij niet weten; want dan zou je ’t voor altijd bij hem verbruid +hebben.” + +Helène gevoelde, dat haar moeder gelijk had, en in haar oog was ’t +gedrag van haar vader nu niet meer zoo hard, als ze ’t straks +beschouwde. + +„Maar die goede dokter,” zeide zij. „Wat zal hij wel van ons denken, +als hij pa’s brief krijgt.” + +„Hij is verstandig genoeg, om de zaak te begrijpen. Maar daarenboven +zal ik hem tegelijk een briefje sturen, waarin ik hem alles bloot leg +en hem onzen dank betuig voor al ’t geen hij voor ons gedaan heeft. +Geef me dadelijk pen en inkt, dan kan Trui mijn schrijven te gelijk met +dat van pa overhandigen en dan zal de goede man zich niet gekrenkt +voelen.” + +Helène haastte zich, hieraan te voldoen, en juist toen Trui op meneers +kamer gescheld werd, sloot mevrouw ’t briefje, dat ze het dienstmeisje +meegaf, om dat tegelijk met het uurwerk en het briefje van meneer aan +dokter Faminga te overhandigen. Trui was nog niet lang terug, toen een +dienstmeisje een briefje voor mevrouw bracht, waarin de dokter zijn +leedwezen betuigde over ’t gebeurde, verklaarde dat hij zich de +handelwijs van meneer Nederhorst best kon verklaren, en haar +verzekerde, dat het hem een groot genoegen zou zijn, haar genegenheid +en die van haar dochter te behouden. Misschien zou in ’t vervolg van +tijd de tegenzin van meneer Nederhorst om met anderen te converseeren +wel slijten en dan zou alles wel weer terecht komen. + +„O, hoe lief van hem, om zoo te antwoorden!” riep Helène uit. + +„Allerliefst,” bevestigde mevrouw Nederhorst. „Maar ik verwachtte niets +anders van hem. We willen even onbaatzuchtig zijn als hij, en, nu we +ons niet meer over hem te bedroeven hebben, geduldig ons gemis dragen.” + +Intusschen naderde de Paaschvacantie en zou Rudolf voor de eerste maal +in de nieuwe ouderlijke woning komen logeeren. Helène had er voor +gezorgd, zijn kamertje in orde te maken, een klein aardig hokje, maar +dat ze zoo had op weten te sieren, dat het er wezenlijk lief uitzag. + +Daar ook de kinderen vacantie gekregen hadden, wandelde zij met hen +naar ’t station, om haar broer af te halen. Hij kwam tegen etenstijd; +want daar hij Amsterdam door moest, had hij bij oom en tante Walburg +koffie gedronken. + +Verlangend naar den broer, van wien ze zooveel hield, stond Helène met +Dora en Alfred op het perron te wachten. Daar hoorde ze den trein van +Amsterdam fluiten, en weldra was de dampende en snuivende locomotief in +’t gezicht—eenige seconden later stond zij stil. Met zoekend oog sloeg +Helène al de passagiers gade, die te Weesp uitstapten, en spoedig vond +ze er Rudolf uit, die haar ook zag en haar een hartelijken kus gaf. + +„Hoe gaat het, Helène?” vroeg hij. „En hoe maken ’t pa en ma? Dag Dora, +dag Alfred! Wel! ben je me mee komen afhalen? Nu, dat is goed, dat is +aardig van je.” + +„Ma is heel verlangend naar je, Rudolf,” antwoordde Helène. „Laat ons +dus maar terstond opstappen.” + +„’t Was me vreemd, dat ik, te Amsterdam gekomen, nog niet thuis was, +maar verder op moest,” zeide Rudolf, terwijl hij met Helène en de +kinderen den weg van ’t station naar de stad opwandelde. + +„Je hebt toch bij oom en tante koffie gedronken, niet waar?” vroeg +Helène. + +„Wel zeker, en ik heb ’t er volgens gewoonte zeer goed gehad ook. De +hartelijke groeten van oom en tante, en ook van Louise en Leonie.” + +„Hoe maakt Leonie het? ze schijnt het erg druk te hebben; want ze is +heel lui in ’t schrijven.” + +„Hoe ze ’t maakt? Wel perfect. Ze kan zich best in ’t royale leven daar +schikken. Waarom ben jij er niet heengegaan, Helène? ’t Kwam jou toch +toe: jij bent de oudste.” + +„Oom en tante hebben mij niet gevraagd, Rudolf. Maar, al hadden ze ’t +gedaan, dan had ik toch bedankt. Ik ben de oudste, en moet ma +ondersteunen. Leonie is twee jaren jonger dan ik en zou het met den +besten wil ter wereld niet kunnen doen.” + +Toen ’t ongeval met hun vader gebeurd was, had Helène hem wel een brief +geschreven, waarin ze hem meedeelde, dat ze Amsterdam zouden verlaten +en te Weesp gaan wonen, maar er hem de reden niet van medegedeeld. Ze +wist, dat jongens op zijn jaren hun eigen leed niet kunnen zwijgen en +wenschte niet, dat er ruchtbaarheid aan de zaak gegeven werd. Toen hij +kort daarop een brief van zijn vader kreeg, waarbij deze hem meldde, +dat hij voortaan met vrij wat minder zakgeld toe moest, had de knaap er +nog niets van begrepen; slechts toen hij te Amsterdam bij oom Walburg +kwam, had Leonie hem ’t een en ander van de zaak verteld; hij dacht +echter, dat ze overdreef en meende op een prachtig buiten te zullen +komen. + +„Maar wat moet je dan doen?” vroeg Rudolf. + +„Heeft Leonie je dan niet verteld, dat ma al de bedienden hun congé +heeft gegeven en dat we alleen onze oude Trui behouden hebben?” vroeg +Helène. „Daaruit volgt natuurlijk, dat Trui, die voor ’t schoonhouden +van ’t huis en ’t eten moet zorgen, die tegelijk keuken- en werkmeid +is, niet nog den post van kamenier, linnenmeid en bonne er bij kan +vervullen. Welnu, die drie laatste posten vervul ik.” + +„Jij!” riep Rudolf verwonderd uit. „Hoe is ’t mogelijk, dat jij, die +vroeger....” + +„Hoe ik, aan weelde gewend, zulke ondergeschikte betrekkingen kan +waarnemen, wil je vragen; niet waar?” + +„Juist, hoe je je kunt vernederen tot zulk laag werk, zoo weinig +overeenkomende met den stand waarin je opgevoed bent?” + +„Dat zou ik vroeger ook nooit gedacht hebben,” antwoordde Helène. „Maar +als ik het niet doe, zou ma ’t moeten doen, en je weet heel goed, hoe +zij is. Zij zou er onder bezwijken, ’t zou misschien haar dood zijn en +dan was ’t nog erger.” + +„’t Is waar,” hernam Rudolf, na een oogenblik nagedacht te hebben, „en +weet je wel, dat ik het heel braaf van je vind en er je des te liever +om heb. Maar waarom is Leonie te Amsterdam gebleven? Die leidt daar een +damesleven; terwijl jij voor asschepoester speelt. Dat is toch niet +rechtvaardig.” + +„Luister eens, Rudolf,” zei Helène. „Vooreerst is Leonie tot gezelschap +van Louise en komt ze in leeftijd en aard beter met deze overeen. Ten +tweede is ze twee jaar jonger dan ik en is haar opvoeding nog niet +voltooid, en ten derde.... al was ’t mij gepresenteerd, dan had ik het +toch niet aangenomen.” + +„Niet aangenomen?” vroeg Rudolf verwonderd. + +„Neen, niet aangenomen,” herhaalde Helène. „O, je weet niet, hoe zwak +ma is! ’t Gebeurde heeft haar gestel vreeselijk geknakt. Leonie zou, +bij den besten wil, niet in staat geweest zijn, haar genoegzaam te +verlichten. Ik had bij oom geen oogenblik rust gehad, wanneer ik wist, +dat ma zich overspande. Doch hier zijn we thuis.” + +Ze stonden voor hun woning. Rudolf keek verbaasd. + +„O, wat een klein, onaanzienlijk huis!” riep hij uit. „Wonen we daar? +Ik dacht ten minste een villa te vinden.” + +„’t Scheelt zeker vrij wat bij ons vroeger huis op de Keizersgracht,” +antwoordde Helène, terwijl ze aanschelde. „Maar ’t is een heel lief +huis en tamelijk ruim voor den geringen huurprijs, dien pa er voor +betaalt.” + +„’t Valt me niet mee, dat moet ik royaal zeggen. Hoe kun je hier +wonen?” + +„’t Zal je wel meevallen, als je er eerst maar een paar dagen in bent.” + +Juist deed Trui open. + +„Dag, jongeheer Rudolf!” riep de trouwe ziel uit. „Wel hoe maakt u ’t? +Wat bent u gegroeid! Ik zou u niet gekend hebben, als ik u alleen was +tegengekomen.” + +„Je ziet, dat ik gezond en frisch ben,” antwoordde Rudolf. „En jij bent +ook nog de oude gebleven, Trui, en ik ben hartelijk verheugd, dat ik je +terugzie, waar al de anderen vertrokken zijn!” + +Dit zeggende drukte hij haar van ’t werken ruwe rechterhand, en Trui +was dol gelukkig, dat haar jongeheer zoo weinig „grootsch” was. + +Helène deed de deur der woonkamer open, waar mevrouw Nederhorst op de +sofa zat. Zoodra deze haar Rudolf zag binnenkomen, stond ze op, en +weldra rustte de zoon in de armen zijner moeder. Met welgevallen zag ze +den knappen jongen aan, die, net als Trui zei, al weer gegroeid was en +die haar met zijn heldere, oprechte oogen zoo ferm aankeek. + +„Ma,” zei hij, „u ziet er niet goed uit. U is toch niet ziek hoop ik!” + +„’t Is maar wat hoofdpijn, Rudolf,” antwoordde mevrouw Nederhorst, +terwijl ze weer ging zitten. „Kom, neem eens hier naast mij plaats, en +vertel me veel van je; dan gaat de hoofdpijn van zelf over.” + +Rudolf ging naast zijn moeder zitten, die met veel belangstelling naar +hem luisterde en hem van tijd tot tijd eenige vragen deed, die hij +beantwoordde. + +Intusschen verrichtte Helène haar gewone bezigheden, en daar ’t +langzamerhand etenstijd werd, dekte ze de tafel. Nu kwam ook meneer +beneden, die Rudolf verwelkomde, doch met zulk een stroef gezicht, dat +de knaap een groot verschil tusschen de ontvangst van hem en die van +zijn moeder opmerkte. + +Men zette zich aan tafel en Trui bracht het eten op. Rudolf keek raar +op over den eenvoudigen pot en was op het punt om er iets van te +zeggen. Zijn moeder bemerkte het en gaf hem een wenk om te zwijgen. + +Hij was de eenige, die aan tafel sprak. Hij wist niet, dat er sedert +hun ongeluk genoegzaam geen woord aan tafel gesproken werd; daar het +somber en streng gezicht van meneer Nederhorst langzamerhand elk +gesprek had doen verstommen. Hij had zooveel te vragen en te vertellen, +en de anderen hadden hem zooveel te antwoorden, dat het gesprek aan +tafel dien middag vrij levendig was. Meneer Nederhorst mengde er zich +echter niet in. Toen de maaltijd geëindigd was, bracht Trui een lekkere +zandtaart binnen, welke zij ter eere van Rudolf gebakken had. + +„Nu, daar heb je eer van, Trui,” zei hij, toen de meid weer binnenkwam, +om ’t een en ander af te nemen. „Je schijnt in ’t bakken niet +achteruitgegaan te zijn, al is je keuken vrij wat kleiner. Apropos, +Papa! Ik had haast Ernst van Hogenberghe meegebracht. Ik ben echter +blij, dat ik ’t niet gedaan heb; want in zulk een klein huisje als dit +zou ik hem niet hebben durven brengen.” + +’t Gelaat van meneer Nederhorst betrok nog meer. Helène stootte Rudolf +onder de tafel aan; maar hij scheen den wenk niet te begrijpen. + +„Ik hoop echter, pa,” vervolgde hij, „dat u niet van plan bent, hier +lang te blijven; dan breng ik hem met de zomervacantie mee.” + +„Ik heb je raad of voorlichting niet noodig, Rudolf,” zei meneer +Nederhorst streng, „en ben in ’t geheel niet van plan, jou daarover te +raadplegen.” + +Rudolf zweeg, en was blij, dat pa naar boven trok en hij weer zonder +omwegen met ma en Helène kon praten. + +„Helène,” zei hij den volgenden dag tegen zijn zuster, toen hij met +haar alleen was, „zou ’t waar zijn, dat pa al zijn geld verloren heeft? +Of zou hij zich maar zoo arm houden?” + +„Hoe kom je daaraan, Rudolf? pa zal toch niet voor zijn pleizier ons +groote huis op de Keizersgracht en onze prachtige meubelen verkocht +hebben.” + +„Maar hoe is pa dan al zijn geld zoo op eens kwijt geraakt?” + +„Dat weet ik niet. Ik heb alleen hooren zeggen, dat pa gespeculeerd +heeft en dat de speculatie tegengevallen is. Als ’t anders was +geloopen, dan zou hij schatrijk zijn geweest. Maar spreek er in +vredesnaam geen woord van tegen ma. Ze lijdt er genoeg onder en ’t +verdriet hoeft haar niet zwaarder gemaakt te worden dan ’t al is.” + +„Ik zal er met ma niet over spreken; maar toch vind ik het onaangenaam, +dat pa mijn weekgeld zoo verminderd heeft. Op de school van meneer +Voornvisser gaan allemaal jongelui van rijke ouders, die overvloed van +zakgeld krijgen. Ze hebben er al aanmerking op gemaakt, dat ik sedert +een paar maanden zoo schraal bij kas ben. Vroeger had ik overvloed van +geld en kon aan alles meedoen.” + +„’t Is zeker onaangenaam voor je—ik wil ’t niet tegenspreken,” hernam +Helène. „Maar bedenk eens, hoeveel erger ’t voor ma moet zijn, die al +op alles bezuinigt en toch telkens door pa wordt aangezet om nog minder +uit te geven; zoodat ze zelfs geen glas port kan krijgen, wat ze toch +zoo tot versterking noodig heeft.” + +„’t Is dwaas van ma, om zich daaraan te storen,” zei Rudolf bitter. „Pa +houdt zich stellig armer dan hij is, en als ik ma was, dan zou ik er +niet om geven, maar koopen wat goed voor mij was.” + +„Je spreekt naar dat je verstand hebt, Rudolf,” hernam Helène. „Geloof +maar vrij, dat pa, als hij ’t missen kan, er de man niet naar is, om op +bezuiniging aan te dringen.—’t Is waarlijk nog gelukkig, dat hij +zooveel heeft overgehouden, om hier te kunnen leven, zooals wij doen. +Er had wel eens niets kunnen overblijven; en wat hadden we dan moeten +beginnen?” + +„Maar waarom is pa dan niet in Amsterdam gebleven?” vroeg Rudolf. „Daar +had hij in alle gevallen geld kunnen verdienen.” + +„’t Zou pa’s dood zijn geweest, als hij zich in Amsterdam, waar hij +zulk een staat voerde, zoodanig had moeten verminderen. Daarenboven is +’t hier veel goedkooper leven dan in de hoofdstad, wat huur, belasting +en schoolgeld aangaat en waar ook niemand ons kent en we dus zoo +eenvoudig kunnen leven als we willen.” + +„Nu, ’t is er dan ook leven na,” zei Rudolf. „Niet wat mij aangaat; ik +zou ’t hier best kunnen stellen; maar voor ma en voor jou, die altijd +gewoon bent geweest om alles te genieten, wat er te genieten was. +Leonie is maar wat gelukkig, dat ze bij oom en tante in huis is.” + +„Wat ma aangaat,” hernam Helène, „zij zou er vrij wat minder onder +lijden, als pa er zich beter in kon schikken. Maar ’t grieft haar, dat +pa er zoo onder gebukt gaat.” + +„En jij Helène. ’t Is voor jou toch ook een heele verandering.” + +„Dat is het, en ik wil niet ontkennen, dat het mij in den beginne hard +viel. Maar als je denkt, dat ik er onder zou lijden, heb je ’t geheel +en al mis. Ik ben gelukkiger, dan ik ooit geweest ben: want thans +gevoel ik, dat ik nuttig ben.” + +„Nu, zusje! Wordt er maar niet boos om,” zei Rudolf, terwijl hij haar +in zijn armen sloot en hartelijk kuste. „Ik ben er van overtuigd, dat +jij de beste, de braafste, de liefste van ons allen bent, en daarom +kwam ik eigenlijk hier, om je een vriendelijk verzoek te doen.” + +„Wel, wat is dat?” vroeg Helène. + +„Dat zal ik je zeggen,” hernam Rudolf. „We zijn op de kostschool met +elkander overeengekomen, om gedurende de vacantie een model van een +boot te maken, en meneer Voornvisser, die dat gehoord heeft, was daar +zoo mee ingenomen, dat hij een prijs heeft uitgeloofd voor de beste, +die dan zijn eigendom blijft, en in de zijkamer onder een glazen stolp +zal worden geplaatst. Ik heb er veel hoop op dien prijs te zullen +behalen, en, al is dat het geval niet, dan zou ik toch niet graag +zonder model komen. Om echter zoo’n boot te maken, heb ik gereedschap, +hout en andere dingen noodig. Natuurlijk kost dat geld. En geld heb ik +niet. Ik durf pa niet vragen; hij kijkt zoo knorrig. Zou jij ’t niet +voor mij willen doen?” + +„Ik?” vroeg Helène. „Hoe komt je dat in de gedachten? Ik durf ’t niet, +want ik geloof werkelijk dat pa ’t niet kan missen.” + +„Nonsens, niet kunnen missen!” riep Rudolf uit. „Ik zal hoogstens een +gulden of zes, acht noodig hebben!” + +„Dat is veel, Rudolf,” antwoordde Helène, haar hoofd schuddend. „Ik +durf zooveel niet vragen.” + +„Je bent toch eigenlijk een bange meid,” zei Rudolf. „Als ik mijn +vroeger weekgeld kreeg, behoefde ik het niet te vragen. Maar ik heb zoo +goed als geen geld meer op zak. Je moet begrijpen, dat de reis mij meer +gekost heeft dan anders. En wat is zes, acht gulden voor pa?” + +„Tegenwoordig meer dan je wel denkt,” antwoordde Helène. „En dan vooral +voor zulk een doel.” + +„Ik kan ’t niet helpen,” hervatte Rudolf. „Maar zonder geld kan ik geen +boot maken. En wat zullen de jongens wel zeggen, als ik er geen heb, +omdat mijn vader er mij ’t noodige geld niet voor kon geven? Wanneer ik +als de zoon van een bedelaar op de kostschool moet komen, dan blijf ik +liever thuis.” + +„Dat zou fraai zijn,” zei Helène. „Weet je dan niet, dat pa met groote +opoffering meneer Voornvisser een jaar kostgeld vooruit betaald heeft, +opdat je nog zoolang diens onderwijs zoudt kunnen genieten? Ik heb hem +tegen ma hooren zeggen, dat je schoolgeld hem een derde van zijn +inkomen kost. Dát maakt, dat hij op andere dingen zuinig moet zijn.” + +„Allemaal mooi en wel,” zei Rudolf. „Maar ’t helpt mij wat, als pa mij +naar een der eerste scholen zendt, waar jongens van de rijkste familiën +gaan, als ik niet met hen kan meedoen. Ik weet zeker dat hij mij ’t +geld niet weigeren zal als hij maar weet, waarvoor ’t is. ’t Is immers +een uitgaaf, om mijn fatsoen op te houden.” + +„Ik wou liever, dat je ’t zelf vroeg,” hervatte Helène, wie ’t leed +veroorzaakte, dat ze haar broer zijn verzoek moest weigeren. + +Rudolf bemerkte, dat zijn zuster al wankelde, en met de +onbedachtzaamheid van een jongen maakte hij er gebruik van. + +„Kom, Helène! Doe het maar! Je bent altijd mijn liefste zuster geweest +en ik zou niet graag kwade vrienden met je worden, ’t zouden aardige +vacantiedagen zijn, wanneer we geen goede maatjes met elkander waren.” + +„Nu ik zal dan gaan, Rudolf,” antwoordde zij met weerzin, en zij ging +werkelijk naar haars vaders kamer, waar ze aan de deur klopte. + +„Binnen!” riep meneer Nederhorst. + +„Wat moet jij hier doen?” vroeg hij haar op barschen toon, toen hij +haar zag binnentreden. + +„Pa,” antwoordde Helène bedeesd, „ik kom uit naam van Rudolf, die graag +had, dat u hem wat geld gaf om een boot te maken.” En hierop legde ze +hem de zaak uit, zooals haar broer haar die had meegedeeld. + +„Je weet zelf, Helène, hoe slecht ik geld kan missen,” antwoordde hij, +„en kan niet begrijpen, hoe je ’t me kunt komen vragen. Daar is twee +gulden; meer kan ik niet geven; dus behoef je niet terug te komen.” + +Helène wou juist zeggen, hoeveel zij er tegen had gehad, om ’t hem te +vragen; doch ze durfde niet; want pa keek haar zoo boos aan. Ze nam dus +de twee gulden op en verliet de kamer. + +„Daar, Rudolf,” zeide zij. „Meer heb ik niet kunnen krijgen, en +daarvoor heb ik pa boos op mij gemaakt.” + +„Twee gulden!” riep Rudolf met een lang gezicht uit. „Dat helpt me +zooveel als niets. Daar kan ik toch geen boot voor maken.” + +„Hoor eens, Rudolf,” zei Helène. „Ik heb nog wat in mijn spaarpot, en +daar wil ik je de overige drie of vier gulden wel van leenen. Maar je +moet ze me zoo gauw als je je weekgeld ontvangt terugzenden.” + +„Ja, jij zult je geld zelf wel noodig hebben,” hernam Rudolf, „je hadt +niet eens handschoenen aan, toen je me van ’t station kwam halen. +Waarvoor wou je dan dat geld besteden?” + +„Ik heb meer gehad dan ik nog over heb,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t +alles besteed aan port voor ma, die Trui in ’t geheim voor mij haalt; +en als ik nu ’t geld niet van je terug krijg, dan....” + +„Dan zou ma haar port moeten missen!” riep Rudolf uit. „Hier, Helène! +leg die twee gulden bij jou geld, dan kan je nog langer port voor ma +koopen.” + +„En dan kom jij zonder boot op school.” + +„Beter ik zonder boot dan ma zonder port,” zei Rudolf hartelijk en +Helène viel hem om den hals en kuste hem. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE ERFENIS EENER MOEDER. + + +’t Was den dag na dit gesprek met Rudolf dat Helène, nadat ze ’t een en +ander had opgeredderd, als naar gewoonte bij haar moeder kwam, om haar +aan te kleeden. + +„Doe mij mijn morgenjapon maar aan,” zei deze. „Ik heb geen lust om mij +aan te kleeden en beneden koffie te drinken. Ik hoop dat ik tegen het +eten wat zal opknappen.” + +„Bent u dan niet wel, ma?” vroeg Helène bezorgd. + +„Ik voel mij slechts wat lusteloos, en heb behoefte aan rust,” +antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik heb van nacht slecht geslapen en dat +zal er de oorzaak van zijn.” + +„Ik hoop, dat u de rust goed zal doen, ma!” + +„Ik hoop ’t ook. Maak je nu maar niet ongerust en ga aan je werk.” + +Toen Helène een uur later bovenkwam, vond ze haar mama in slaap. Ze +sloop op haar teenen weg, om haar niet wakker te maken, en keerde niet +terug vóor het koffieuurtje had geslagen, om haar een kop koffie en een +broodje te brengen. + +„Ik zal probeeren om het te eten,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar ik heb +geen trek.” + +„Doe het dan, om mij pleizier te doen,” zei Helène. „Wanneer u niet +eet, wordt u nog zwakker.” + +„Nu, ik zal ’t probeeren.” + +Helène verliet haar mama, om de koffie boven op pa’s kamer te brengen, +zooals ze gewoon was; want meneer Nederhorst dronk geen koffie beneden. +Ze vond hem altijd druk bezig in de boeken, en dan sprak hij geen enkel +woord. Ze dronk dus vandaag alleen koffie met Rudolf. Na dat +koffiedrinken ging ze weer naar boven, om ’t kopje en ’t bordje van +haar moeder te halen. + +„Zoodra ik den boel afgewasschen heb, kom ik wat bij u zitten, ma!” + +„Dat is goed,” antwoordde deze, „want ik verlang eens met je te +spreken.” + +Helène haastte zich om klaar te komen, en spoedde zich toen naar boven. + +„Ga nu eens kalm bij mij zitten,” zei mevrouw Nederhorst. + +Helène deed het. + +„Kindlief! Ik heb in den laatsten tijd veel, zeer veel hulp en troost +aan je gehad,” begon mevrouw Nederhorst. + +„O, lieve ma! Het maakt mij zoo gelukkig, dat uit uw mond te hooren. Ik +wou zoo graag, dat ik nog maar meer kon doen.” + +„Mij dunkt, dat je wel alles doet, wat je kunt,” antwoordde mevrouw +Nederhorst. „Ofschoon je er zeker meer pleizier in zoudt gehad hebben, +om je met lezen of andere dingen te vermaken, heb je al je tijd +besteed, om mij op te passen, allerlei huiselijke zaken te doen, je +broertje en zusje bezig te houden, kortom—’t me zoo gemakkelijk te +maken als maar mogelijk was, door me alles uit de handen te nemen. Dat +was braaf van je, en je weet niet, hoe mij je liefde in ons ongeluk +vertroost heeft.” + +„Maar, lieve ma! Hoe had ik anders kunnen handelen?” vroeg Helène. + +„In alle gevallen, je hebt het gedaan, en ’t heeft mij in mijn verdriet +getroost. En thans wil ik je zeggen, wat ik je al lang had willen +mededeelen. Ik heb het al uitgesteld en uitgesteld en had het toch +vroeger moeten doen. Je zoudt me zeker missen, als ik je eens voor een +langen tijd verliet, niet waar?” + +„U missen? Lieve ma! Hoe zou ik het zonder u kunnen stellen?” + +„Indien je wist, dat het tot mijn best was, zou je toch de scheiding +wel kunnen verduren, niet waar?” + +„Als het hielp om u beter te maken, dan zou ik om uwentwil heel blij +zijn, maar zonder u te leven, zou mij diep ongelukkig maken. Zouden we +dan niet samen kunnen gaan?” + +„Neen, lieve! Dat is onmogelijk,” hernam mevrouw Nederhorst. „Wie zou +dan voor pa zorgen, als ik hier niet was? Tracht bij hem mijn plaats te +vervullen, Helène, en bedenk hoeveel verdriet hij heeft gehad en nog +heeft. Je moet alles doen wat je kunt, om hem ons huis aangenaam en +vroolijk te maken. Dat wil je toch wel doen, niet waar?” + +„Maar, ma! Ik zal uw plaats nimmer kunnen vervullen,” zei Helène. „Ik +wou liever, dat u niet hoefde te gaan, of dat ik u kon vergezellen.” + +„Dat kan niet, lieve. Wel hoop ik, dat ge allen eens bij mij zult +komen. Begrijp je dan niet, dat ik van mijn heen gaan spreek voor +altijd, naar den Hemel, waar Gods liefde mij roept?” + +Helène barstte in tranen uit—ze kon geen enkel woord spreken. Eindelijk +stamelde zij: + +„Maar voelt u je dan zooveel erger, ma?” + +„Ik word van dag tot dag minder, kind. Dagelijks voel ik mijn krachten +afnemen. Dat verwondert me niet. Dokter Manders voorspelde ’t me al, +toen we nog in Amsterdam waren, en schreef me voor, om een jaar lang +naar ’t zuiden van Frankrijk te gaan; kort daarop kwam ’t ongeluk van +je pa, en ik sprak er niet over. Daarenboven wist ik toch dat het mij +niet helpen zou, en schrikte ik terug voor het denkbeeld, om een geheel +jaar van je allen gescheiden te zullen zijn.” + +„O, ma! Ik zal ’t nooit zonder u kunnen doen,” zei Helène schreiend, +terwijl ze haar armen om den hals harer moeder sloeg. + +„Bedaard, kind!” zei haar moeder. „Houd je kalm om mijnentwil, en droog +die tranen.” + +„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet!” snikte Helène. + +„Je kunt wel, als je God slechts om bijstand smeekt. Ik zal rustig +heengaan, omdat ik weet, dat jij mijn plaats vervullen en een troost en +hulp zijn zult voor hen, die ik achterlaat. Beloof je me dat?” + +„Dat beloof ik u,” antwoordde Helène. + +„Welnu, huil dan ook niet meer. Zoo spoedig denk ik je niet te +verlaten. Zeg er echter niets van aan je vader; ’t zou hem nog maar +ongelukkiger maken, dan hij al is. Maar neem nu voortaan, onder mijn +toezicht, alle huiselijke bezigheden op je; dan ben je er aan gewoon, +wanneer God mij van je roept. En ga nu heen—ik heb mij wat overspannen +en ook jij hebt rust en eenzaamheid noodig.” + +Een uur later kwam Helène bij haar moeder terug. Ze was nu vrij kalm, +en in staat, om de beschikkingen aangaande het huishoudgeld en andere +zaken te hooren, welke zij nu voortaan, altoos onder het toezicht harer +moeder zou besturen. Dit gedeelte van de opdracht harer moeder vond ze +heel pleizierig; want zoo kon ze haar vrij wat moeite en last van de +schouders nemen. Wat haar echter treuriger stemde, toen haar moeder de +rekening van ontvangsten en uitgaven voor legde, was, dat er niets +overschoot, hoe zuinig ze ’t ook aanlegde, om haar, de zwakke vrouw, +dat te verschaffen, wat ze tot versterking noodig had. Ze maakte daar +aanmerking op. + +„Pa kan niet meer geven,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „’t Huishouden +kost toch al geld genoeg.” + +Helène zweeg, maar besloot, haar vader er bij de eerste de beste +gelegenheid over te spreken. Die gelegenheid kwam dienzelfden middag, +toen ze aan tafel zaten. Mevrouw Nederhorst had zich te zwak gevoeld, +om beneden te komen. Toen nu haar vader binnenkwam en zich op zijn +plaats aan tafel had neergezet, bemerkte hij eerst, dat zijn vrouw er +niet was. + +„Komt ma van daag niet meeëten?” vroeg hij aan Helène. + +„Ma voelde zich te zwak, pa,” antwoordde zij. + +„Te zwak, om aan tafel te komen? Dat moet dan wel een plotselinge +verzwakking zijn.” + +„Misschien hebt u het niet opgemerkt,” hernam Helène. „Mama is al +sedert lang zwakker en zwakker geworden. Ze heeft volstrekt geen trek +in eten, en ’t eenige wat haar nog smaakt, is een kippensoepje, of zoo +iets. Maar dat alles kost zooveel geld, en ma ontbeert het liever, dan +u om meer huishoudgeld te vragen. Er zijn zooveel dingen, die haar +versterken zouden, doch die voor ons te duur zijn.” + +„Ik kan ma op dit oogenblik niet meer geven,” zei meneer Nederhorst +treurig. „Ik had haar juist willen vragen, of ze zich niet met minder +kon behelpen.” + +„O, pa!” zei Helène. „U weet niet, hoe naar zij is.” + +„Ik moet met haar spreken,” zei meneer Nederhorst meer tot zich zelf +dan tot Helène. „De uitgaven moeten hier of daar op verminderd worden. +Wij kunnen ’t in alle gevallen met eenvoudiger middageten doen, zeg dat +aan Trui.” + +Zwijgend werd de maaltijd genoten; terwijl Rudolf zijn vader boos +aankeek en slechts met moeite door Helène weerhouden werd, om iets te +zeggen. Nauwelijks echter was meneer Nederhorst de kamer uit, of de +knaap riep uit: + +„Hoe schandelijk! Ma niet eens te gunnen, wat zij noodig heeft!” + +„Maar Rudolf, je hoort immers zelf, dat pa ’t niet missen kan!” + +„’t Is verschrikkelijk! Als ik een vrouw had, die ziek was, zou ik +liever honger lijden, dan dat het haar aan iets ontbrak!” + +„Foei, Rudolf! Oordeel toch zoo niet over pa! ’t Doet hem leed genoeg, +daar kun je op aan. Je behoeft zijn gezicht maar te zien. De goede man +gaat er onder gebogen!” + +Intusschen was meneer Nederhorst, toen hij van tafel opstond, +regelrecht naar de kamer zijner vrouw gegaan. Hij vond haar in een +lichte sluimering. Hij knielde naast de sofa neder en beschouwde met +aandacht dat uitgeteerde gelaat. + +Hoe was ’t mogelijk, dat hem dit niet eerder opgevallen was! Wat was ze +vermagerd en hoe slecht zag ze er uit! Op dit oogenblik werd ze wakker +en glimlachte vriendelijk, toen ze haar man bij zich zag. + +„Hoe is ’t, Marie?” vroeg hij op vriendelijken, angstigen toon. + +„Ik heb geen pijn; maar ik voel mij zoo zwak,” antwoordde ze. + +„Helène zei, dat je veel erger was. Is dat waar?” + +Ze zag hem vriendelijk aan, zonder een woord te spreken. Hoe kon zij, +door hem de waarheid te zeggen, zijn verdriet nog vermeerderen? + +Haar stilzwijgen verontrustte hem. + +„Zeg mij, Marie,” zeide hij, „of je denkt, dat je toestand gevaarlijk +is?” + +Thans moest de waarheid er uit, hoe hard het haar ook mocht vallen, die +te openbaren. + +„Ik heb ’t al maanden lang geweten, dat er voor mij geen hoop op +herstel was,” antwoordde zij. + +„Dwaasheid, Marie!” antwoordde hij. „’t Is alleen de werking van je +zenuwgestel, de verbeelding, die je zwakte je geeft. ’t Is niets, dan +de verandering in onze maatschappelijke positie, ’t verdriet over die +verandering en de onaangenaamheden, die je te verduren hebt gehad. De +ellendige armoede heeft gemaakt, dat je verwaarloosd bent en niet de +noodige geneeskundige hulp gehad hebt. Morgen ga ik toch naar Amsterdam +en zal dokter Manders bij je halen, en dan ben je spoedig weer +dezelfde.” + +„Neen, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Denk niet, dat ik +verwaarloosd ben geworden. Helène heeft mij met alle liefde en +zorgvuldigheid opgepast. Ook zijn het onze veranderde omstandigheden +niet, die mijn toestand verergerd hebben. Reeds vóor de slag kwam wist +ik, dat ik nooit beter zou worden. Ik ben niet zwakker geworden, omdat +ik meer te doen had; Helène heeft mij dat alles uit de handen genomen. +Ze heeft nu ’t huishouden ook voor haar rekening. Je weet niet, wat dat +kind voor mij is.” + +„Het doet mij genoegen, dat te hooren,” antwoordde meneer Nederhorst. +„Toch kan ik ’t niet dulden, dat je je aan zulke inbeeldingen +overgeeft. ’t Is volstrekt noodig, dat je de zaken uit een lichter +oogpunt inziet; is het dan niet om jouwentwil, dan om mij.” + +„Heusch, Leonard! Ik zou er jou en mij zelf maar door misleiden. Ik kan +niet lang meer leven; en die gedachte maakt mij niet ongelukkig, dan +alleen, omdat ik jou dan zou moeten verlaten.” + +„Geen woord meer daarover, Marie. Dokter Manders komt morgen of +overmorgen en dan zal je ’t wel anders inzien. Rust nu maar wat; ik heb +nog wat te schrijven en moet je nu alleen laten.” + +Toen hij de kamer verlaten had, kwam hij Helène op ’t portaal tegen. + +„Ik heb van ma gehoord, dat je tegenwoordig huishoudster bent. Zeg aan +Trui, dat zij alles voor haar klaar maakt, waar ze maar trek in heeft +en kom slechts bij mij om geld. Zuinig echter in ’t huishouden uit, wat +je kunt. Je moeder moet aan niets gebrek hebben.” + +„Dat zal ik doen, pa!” zei Helène. + +„En tracht haar zooveel mogelijk op te vroolijken,” hernam hij. „Ze +heeft opbeuring noodig. Laat haar daarom zoo weinig alleen, als +volstrekt noodig is, hoor!” + +Helène was recht in haar schik over deze woorden van haar vader. Zoo +had ze hem in lang niet tegen haar hooren spreken; ze kwam dus met een +opgeruimd gelaat de kamer van haar moeder binnen. Ze vond haar in +tranen. + +„O, ma! U moet niet zoo verdrietig zijn,” zeide zij. „Pa kan ’t vast +wat beter doen, want hij heeft mij daar juist gezegd, dat ik, als ik +extra geld voor u noodig had, maar bij hem moest komen, en hij was +vriendelijk tegen mij. Vindt u dat niet heerlijk, ma!” + +„Pa is zoo goed, Helène, al toont hij dat uiterlijk niet,” zei mevrouw +Nederhorst, haar tranen drogende. „O, Helène, het bedroeft mij zoo dat +pa maar niet gelooven wil in welk een gevaarlijken toestand ik mij +bevind. Als ik eens stierf, zou hij ’t zooveel te zwaarder voelen!” + +Op dit oogenblik werd de deur der kamer met groot geweld opengedaan en +kwam Rudolf, doodsbleek en verschrikt aanloopen. ’t Bloed liep +tappelings uit zijn hand, waarin hij zich een diepe snee tusschen duim +en vinger had toegebracht. + +„Wat heb je uitgevoerd, Rudolf?” vroeg de verschrikte moeder, die van +de sofa opstond en geweldig aan de schel trok. + +„Ik heb mij zoo vreeselijk gesneden!” zei Rudolf. + +„Trui! Loop eens terstond naar den eersten dokter den beste. Zie eens, +hoe Rudolf zich gesneden heeft.” + +Trui liep terstond heen, en kwam spoedig met een dokter terug. ’t Was +niemand anders dan dokter Faminga, dien ze toevallig dicht bij ’t huis +ontmoet en te hulp geroepen had. De goede man, wien ze in een paar +woorden ’t voorgevallene had medegedeeld, had geen oogenblik geaarzeld, +om aan ’t verzoek der oude dienstmaagd te voldoen en was haar ’t huis +in en den trap op gevolgd. + +Terstond liet hij zich ’t noodige linnen geven en verbond hij de hand +van Rudolf; maar mevrouw Nederhorst zag niet zoodra dat haar zoon hulp +had, of haar geestkracht ontzonk haar, en overspannen als ze geweest +was, viel ze bezwijmd op de kanapé neer. + +Nadat dokter Faminga de hand van den knaap verbonden had, begaf hij +zich naar de bezwijmde moeder, en ’t gelukte hem, haar door de +aanwending van eenig vlugzout, dat hij toevallig bij zich had, tot +bewustzijn terug te brengen. In dien tusschentijd was meneer +Nederhorst, door Trui gewaarschuwd, die hem eenige bijzonderheden +aangaande ’t bevinden van den dokter had meegedeeld, op de kamer +gekomen. Toen nu zijn vrouw weer bij bewustzijn was, wendde hij zich +tot den dokter. + +„Wat ben ik u schuldig, meneer?” vroeg hij. + +„Ik neem geen geld voor visites, mijnheer,” antwoordde dokter Faminga. +„Ik ben geen practiseerend geneesheer meer.” + +„Dat is mij hetzelfde. Ik verlang u te betalen.” + +„Ik kan geen geld aannemen, meneer! en ik zou ’t niet mogen doen ook; +daar ik geen patent meer heb. Vergun mij morgen eens terug te komen en +naar de beide patiënten te zien. Hier is mijn kaartje.” + +Dit zeggende reikte hij meneer Nederhorst zijn kaartje over. + +„In ’t geheel niet,” antwoordde deze trotsch. „Ik verlang geen +aalmoezen aan te nemen, en ’t allerminst van iemand, die vast schijnt +voorgenomen te hebben zich in mijn huis te dringen.” + +„Ik ben niet in uw huis gedrongen, meneer Nederhorst,” zei dokter +Faminga op een toon die aantoonde, hoe zeer hij zich beleedigd achtte +over den onbeleefden uitval van meneer Nederhorst. „De wond van uw zoon +heeft verdere hulp noodig, indien u niet wilt, dat hand of duim stijf +worden. Gevaarlijker echter is de toestand uwer vrouw. Ze heeft +onmiddellijk geneeskundige hulp noodig.” + +„Daar zal ik wel voor zorgen,” antwoordde meneer Nederhorst, die nu +begon te denken dat het dokter Faminga was, die ’t hoofd van zijn vrouw +met al die inbeeldingen van sterven had vervuld. + +Den volgenden morgen vertrok meneer Nederhorst voor zijn zaken naar +Amsterdam, en verzocht dokter Manders met hem mee te gaan, om zijn +vrouw eens te komen zien. + +„Wat is uw oordeel?” vroeg hij, toen dokter Manders haar gezien had en +zij op meneers kamer waren. + +„De zaak is uiterst kritiek,” antwoordde de dokter. „Ik mag u met geen +valsche hoop vleien. Herstelling is onmogelijk, er kan zelfs +onmiddellijk alle gevaar bij komen. Ik had het reeds te Amsterdam +voorspeld. Een badkuur had haar misschien toen kunnen redden; doch ’t +is nu onmogelijk.” + +„Overdrijving, dokter, niets dan overdrijving!” riep meneer Nederhorst +uit. „Mijn vrouw heeft zich hier door iemand, die zich den titel van +dokter geeft, laten wijsmaken, dat ze een doodelijke kwaal heeft, +waarvan geen herstel mogelijk is, en nu is haar zwakke zenuwgestel +daardoor aangetast. Lastige en gevaarlijke menschen, die zich indringen +in iemands huis en dan zulke adviezen geven.” + +„Welnu, meneer! Als u dan op mijn oordeel niet vertrouwt,” zei dokter +Manders, „laat ons dan consult houden met een der hier wonende +doctoren. Dan hebt u tevens een practiseerend geneesheer; want u weet, +welk een drukke praktijk ik heb, en dat het mij bijna onmogelijk is, +zelfs een enkele maal over te komen.” + +Meneer Nederhorst voelde waarschijnlijk wel, dat dokter Manders hem +niet op zulke ontzaglijke kosten wilde jagen als een dagelijksche +overkomst uit Amsterdam natuurlijk na zich zou sleepen; tevens begreep +hij, dat hij zijn toevlucht zou moeten nemen tot een der Weesper +geneesheeren die dan met dokter Manders correspondentie kon houden. +„Waarschijnlijk weet u wel, dokter, wie hier voor den knapsten dokter +gehouden wordt,” zei meneer Nederhorst. + +„Dokter Van Esch wordt zeer geroemd,” antwoordde dokter Manders. + +Meneer Nederhorst zond Trui naar dokter Van Esch, met verzoek of hij +terstond bij hem wilde komen. Weldra verscheen dokter Van Esch en werd +door den Amsterdamschen geneesheer op de hoogte gebracht van den +toestand der zieke. Daarna bezochten zij gezamelijk de zieke, en +beloofde hij haar te zullen behandelen en zijn Amsterdamschen collega +op de hoogte te houden, die dan van tijd tot tijd eens zou over komen. +Eenige weken waren verloopen en ’t scheen, dat mevrouw Nederhorst, +onder de dagelijksche geneeskundige behandeling en de zorgvuldige +oppassing harer dochter begon op te knappen. Dokter Manders kwam +geregeld elken Zondag om de veertien dagen over en toonde zich zeer +tevreden over den voortgang der ziekte; doch, wanneer meneer Nederhorst +hem bij ’t heengaan vroeg, hoe hij de patiënt vond, schudde hij steeds +het hoofd. + +„Altijd in een hoogstgevaarlijken toestand,” zeide hij. „Laat u door +die schijnbare beterschap niet misleiden. Ik ken die gestellen: +eensklaps komt er, zonder dat men er de oorzaak van kan vermoeden, een +verandering en ze ontvallen ons, eer we ’t vermoeden. Vlei u daarom nog +niet; wat de zomer kan uitwerken, is een zaak, die ik niet kan +bepalen.—Op dit oogenblik verkeert uw vrouw nog steeds in een toestand, +waarop in ’t geheel niet te bouwen is.” + +„Zwaarhoofd!” zei meneer Nederhorst dan als hij den dokter had +uitgelaten. „’t Komt omdat hij haar niet alle dagen ziet. Dokter Van +Esch, die toch ook een knap man is, geeft mij alle hoop, zoo niet op +geheel herstel, dan toch op behoud.” + +Wie kan ’t den armen man kwalijk nemen, dat hij, ziende hoe zijn vrouw +opknapte, meer vertrouwen in den Weesper geneesheer stelde, die hem +hoop op een voor hem reeds zichtbare beterschap gaf, dan in den +Amsterdamschen, dien hij oordeelde, dat door een te donkere bril zag. + +Mevrouw Nederhorst echter bleef haar positie slechts al te goed +gevoelen; want ofschoon ze zich beter gevoelde en geen pijn meer leed, +bleef haar toch, ondanks de schijnbare toeneming harer krachten en +hoewel ze er beter uitzag, steeds dat gevoel van zwakte bij, dat haar +voortdurend belette, iets te doen, ja, zich zelf te helpen. Ze zei er +echter niemand iets van, zelf niet aan Helène, die even als haar vader, +aan de stellige beterschap der zieke geloof sloeg. + +„Zeg aan Trui, dat ze schoon linnengoed in mijn reistasch doet,” zei +meneer Nederhorst op zekeren dag tegen Helène, toen hij van tafel +opstond. „Ik ga morgen ochtend vroeg op reis.” + +„Wel, pa, dat zal ik zelf wel doen,” antwoordde Helène. „U blijft toch +niet lang weg, hoop ik.” + +„Langer dan anders; stellig een dag of drie,” antwoordde meneer +Nederhorst, op vriendelijken toon. „En op mijn terugreis ga ik bij oom +Walburg aan en denk Leonie mee te brengen. Ze is hier al een heelen +tijd niet geweest, en daarenboven, je hebt het tegenwoordig zoo druk, +dat ze wel eens een paar weken mag komen helpen.” + +Na afscheid van zijn vrouw genomen te hebben, die hij met een gerust +hart verliet, kuste hij Helène goeden dag. + +„Zorg goed voor ma, Helène,” zeide hij. „Ze is je volkomen +toevertrouwd.” + +Met deze woorden verliet hij ’t huis. + +Toen ze, na haar broertje en zusje te bed gebracht te hebben, bij haar +moeder binnenkwam om haar volgens gewoonte den geheelen avond +gezelschap te houden en haar wat voor te lezen, zei mevrouw Nederhorst: + +„Laat het boek vooreerst maar toe; ik wenschte eens met je te spreken.” + +Helène dacht, dat dit het een of ander over huiselijke zaken zou zijn, +en zette zich neder, om oplettend te luisteren. + +„Hoor eens, Helène, pa denkt, dat ik buiten gevaar ben, omdat ik geen +pijn meer heb en er beter uitzie, en dokter Van Esch schijnt dit ook te +gelooven; maar dokter Manders weet het wel beter. En als hij ’t niet +beter wist, dan zou ik het wel beter gevoelen. Ik zal niet lang meer +bij je zijn.” + +„Maar, lieve ma! Hoe kunt u zoo iets denken. Zie u zelf maar in den +spiegel, en dan zult u bemerken, dat u er veel beter uitziet dan u +gedaan hebt. En wat hebt u rustige nachten; en in ’t geheel geen pijn +meer...” + +„Dat alles is volkomen waar,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik kan +er God niet dankbaar genoeg voor zijn, dat Hij mij zulke kalme, +pijnlooze dagen schenkt. Maar ik voel, dat ik er wel eens plotseling +uit kon zijn. En daarom, lieve, wil ik er je op voorbereiden; opdat de +slag je niet te onverwachts moge treffen.” + +„Nu, ik hoop dat dokter Van Esch de waarheid spreekt, en u weer geheel +beter wordt,” zeide Helène. + +„We willen ’t hopen, kind,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Doch hopen +is nog geen gelooven. Geloof mij, vertrouw niet te veel op een +beterschap, die bedriegelijk is. In alle gevallen wil ik gebruik maken +van den tijd, dien ik nog bij je ben.” + +Een oogenblik zwegen beiden, zooals ’t wel meer gaat, wanneer men +elkander niet kan overtuigen. Daarop hervatte mevrouw Nederhorst: + +„Geef mij mijn juweelkistje eens aan, lieve!” + +Helène gaf het haar. + +„Daar is weinig van overgebleven,” hernam haar mama, „’t meeste heb ik +opgeofferd, om onze zaken te redderen. Doch dat weinige wil ik onder +mijn kinderen verdeelen. Als ik kom te sterven, zal jij voor de +uitvoering daarvan zorgen, niet waar?” + +„Maar, lieve ma!” riep Helène uit, terwijl haar de tranen in de oogen +sprongen. „’t Is, alsof u op het punt bent van te sterven.” + +„We zijn alle dagen in doodsgevaar, kindlief,” antwoordde mevrouw +Nederhorst ernstig. „En ’t is beter, dat ik het nu doe, dan dat ik het +uitstel tot dat ik op mijn sterfbed lig. Krijg nu even wat papier, pen +en inkt”. + +Hierop pakte haar ma een paar juweelen oorbellen in, en wou er iets op +schrijven; doch haar hand beefde te veel. + +„Schrijf jij ’t Helène, maar verzegel ’t eerst met mijn cachet.” + +Nadat dit gedaan was, zeide zij: + +„Schrijf: Voor Leonie, ter gedachtenis aan haar liefhebbende moeder. +Haar te overhandigen, wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft.” + +Toen Helène dit gedaan had, werd het pakketje weer in ’t juweelkistje +gelegd. Een ander pakje werd gemaakt van een juweelen ring en daarop de +naam van Dora geschreven; toen een juweelen speld voor Rudolf, een +gouden ketting voor Alfred, en een keurig bijbeltje, dat ze dagelijks +gebruikt had, met een paar andere boeken voor haar man. + +„En nu, Helène, is ’t jou beurt,” hervatte mevrouw Nederhorst. „Dit, +met diamanten omzette horloge met gouden ketting is voor jou. Ik kreeg +het eens, in onze gelukkige dagen, van je vader, toen je geboren werdt. +Het komt je dus toe. Bewaar het trouw en zorg er voor als voor de +dierbare erfenis van je overleden moeder. Maar ik weet, dat je dit doen +zult.” + +Met tranen in de oogen beloofde Helène dat zij er de grootst mogelijke +zorg voor zou dragen en het boven alles zou waardeeren; maar dat zij +hoopte, ’t nog in geen jaren in bezit te zullen krijgen. + +„Ga nu aan ’t lezen, kindlief!” zei haar moeder; terwijl ze vermoeid +van die inspanning in de kussens, die op haar sofa gelegd waren, +terugzonk. Helène las een hoofdstuk uit het boek waaraan zij bezig was. +’t Was een godsdienstig werk; waarin veel over de vreugde in den Hemel +kwam. Toen ze ’t hoofdstuk uit had, zei mevrouw Nederhorst: + +„Roep Trui, dan kun je me samen naar bed brengen. Ik ben moe.” + +Helène voldeed aan den wensch harer moeder, en riep Trui. Met haar +beiden brachten ze de zieke te bed, die van avond zoo zwak was, dat ze +haar bijna in ’t bed moesten dragen. + +„U bent erger, ma! Laat Trui naar den dokter gaan!” zei Helène. + +„Volstrekt niet. Ik ben wat erg zenuwachtig. Geef mij wat van mijn +druppels.” + +Helène gehoorzaamde en gaf haar mama in. + +„Dat doet me goed,” zei mevrouw Nederhorst. „Ziezoo, nu bedaart het al +wat.” + +„Maar wezenlijk, ma; laat Trui naar den dokter gaan,” smeekte Helène. +„Is het dan niet om u, laat het dan voor mij zijn. Daarenboven, als u +eens iets overkwam, zou ik ’t voor pa niet kunnen verantwoorden.” + +„Nu, ’t is goed,” zei mevrouw Nederhorst, „Trui, loop even naar den +dokter en vraag hem, of hij vóor den nacht nog eens aankomt.” + +„Ik zal dadelijk gaan, mevrouw,” zei Trui. „En u doet goed, dat u hem +laat komen. ’t Is altijd een gerustheid voor den nacht.” + +Trui vertrok. + +„Hoe voelt u je nu?” vroeg Helène. + +„Veel beter dan straks. De druppeltjes hebben mij goed gedaan. +Eigenlijk is de visite van de dokter overtollig.” + +„’t Is voor onze gerustheid, ma!” antwoordde Helène. „U was daar straks +zoo naar. Als de dokter er geweest is zal ik mijn bed hier op de kamer +laten brengen; want ik laat u niet alleen.” + +„Dat is goed”, antwoordde mevrouw Nederhorst. „Als ik dan wat noodig +heb, kan ik je roepen.” + +Spoedig kwam Trui met dokter Van Esch terug. Hij voelde den pols der +zieke. + +„U hebt u erg zenuwachtig gemaakt, mevrouw,” zei hij, „en moet alle +overspanning vermijden. Hebt ge al van de druppels gebruikt, die ik u +voorgeschreven heb?” + +„Mijn dochter heeft ze mij daar straks ingegeven,” antwoordde zij. + +„Welnu, vóor den nacht nog eenmaal; dan zult ge zeker een goeden slaap +hebben en u morgen wel beter gevoelen. Ik kom mijn eerste visite bij u +maken.” + +Helène liet den dokter uit. + +„Vindt u ma werkelijk niet erger?” vroeg zij. + +„Wees niet al te bezorgd, kindlief,” zei hij; „doch bespaar ma alle +mogelijke aandoening. Is er ook reden voor, dat ze zich zoo zenuwachtig +heeft gemaakt?” + +„Ze sprak van avond over haar aanstaande heengaan en heeft eenige +beschikkingen gemaakt bij geval zij kwam te overlijden,” zei Helène. + +„Alles verkeerd,” zei de dokter. „Praat maar zoo weinig mogelijk met +haar en zie haar iets voor te lezen, dat haar afleiding geeft. Ze moet +om andere dingen denken, of slapen. ’t Is een ongelukkig verschijnsel +van haar ziekte, dat de patiënt zich steeds opwindt.” + +Toen Helène weer in de kamer van haar moeder terug kwam, was Trui reeds +bezig, om het beddengoed in het vertrek te brengen. Helène hielp haar, +en weldra was haar bed gespreid. Haar mama had echter een gerusten +nacht en sliep veel. Slechts tweemalen had ze Helène gewekt. + +Toen de dokter den volgenden dag kwam, vond hij zijn patiënt erg mat. +Hij beval dus, dat ze maar even zou opzitten en verder den geheelen dag +te bed zou blijven. + +„Is ’t ook noodig, om pa te telegrapheeren?” vroeg Helène. + +„Volstrekt niet,” zei de dokter. „Waartoe zou dat dienen? ’t Is een +tijdelijke achteruitgang, die zich spoedig zal herstellen. Ik kom van +avond tijdig terug; is het dan noodig, welnu, dan is het tijd genoeg.” + +Mevrouw Nederhorst scheen dien dag vrij wat op te knappen. Ook de +dokter vond haar dien avond wat beter. Doch dokter Manders had de zaak +beter ingezien. + +Toen Helène dien avond naar bed zou gaan, en ze haar moeder goeden +nacht kuste, zei deze: + +„Morgen komt pa met Leonie, niet waar?” + +„Hoe dat, ma? Voelt ge u dan weer minder?” + +„Neen, dat niet; maar ik zal toch blij zijn, als pa weer thuis is. Nu, +goeden nacht, Helène. Als ik wat noodig heb, zal ik je roepen.” + +Helène legde zich niet zonder ongerustheid op haar kermisbed neder. +Tweemalen stond ze nog op, en bevond, dat haar moeder gerust sliep. +Door den slaap overmand was zij weldra in diepe rust verzonken. Reeds +vroeg in den morgen werd ze wakker, sprong op en snelde naar ’t bed der +zieke. Geen ademhaling liet zich hooren. Eerst meende Helène, dat haar +moeder gerust sliep en wilde ze een kus op ’t bleeke voorhoofd drukken. +Doch met een gil deinsde ze terug: dat ijskoude voorhoofd gaf haar te +kennen, dat die lieve moeder dezen nacht tot de eeuwige rust was +ingesluimerd. + +„O, mijn God!” riep zij. „En ik heb geslapen! Misschien heeft ze mij +nog geroepen. Misschien is ze benauwd geweest!” + +Doch een blik op dat stil en rustig gelaat met dien vriendelijken +glimlach om den mond, bewees maar al te zeer, dat de zieke van den +slaap in den dood was overgegaan! + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +ZWARE LAST OP ZWAKKE SCHOUDERS. + + +Op den gil van Helène was Trui verschrikt komen toeschieten. ’t Was aan +haar trouwe borst, dat het arme kind zich wierp en in tranen +uitbarstte. De goede dienstmeid zag terstond wat er gebeurd was en +poogde haar te troosten. + +„O, Trui! Wie had dat gedacht!” snikte ze. „En gisterenavond vond de +dokter haar nog al redelijk.” + +„Ik heb het wel gevreesd, jongejuffrouw,” zeide Trui. „Die erge zwakte +beviel mij niet. Men ziet het wel eens meer met zulke zwakke menschen, +dat ze ons ontvallen, voor men er op verdacht is. Dokter Manders had er +al van den beginne een zwaar hoofd in. Laatst, toen hij hier was, +hoorde ik hem tot uw papa zeggen: Reken niet te veel op die beterschap, +meneer! zulke patiënten ontvallen ons dikwerf plotseling.” + +„Loop terstond naar den dokter en vraag hem, of hij dadelijk hier komt. +Het kon wel eens een flauwte zijn, die veel op den dood geleek.” + +„’t Kan zijn,” zeide Trui in zichzelf, „ofschoon ik er aan twijfel.” + +Een oogenblik later was Trui de deur uit en naar dokter Van Esch, die +weldra met haar meekwam, en bevestigde, dat mevrouw Nederhorst +werkelijk gestorven was. + +„’t Is mij onverklaarbaar,” zei hij. „Is er gisteren nadat ik weg was, +ook iets met mama gebeurd?” + +„Volstrekt niets,” antwoordde Helène. „Alleen scheen ze zich doodzwak +te gevoelen. Wel vroeg ze, wanneer pa en mijn zuster Leonie +terugkwamen.” + +„Zonderling!” hernam de dokter. „Ik had zoo gehoopt, dat we die zwakte +zouden overwinnen. Dokter Manders heeft het mij wel voorspeld; trouwens +hij kende haar gestel beter dan ik, omdat hij jaren lang over haar +gepractiseerd heeft. Papa is nog uit de stad, niet waar?” + +„We verwachten hem vandaag thuis,” antwoordde Helène. „O, ’t zal een +slag voor hem zijn!” + +„Er is geen twijfel aan, of mevrouw is dood,” zei de dokter tot Trui, +toen deze hem uitliet. „Tracht de jongejuffrouw uit de sterfkamer te +verwijderen.” + +Trui deed wat haar bevolen was, en overreedde Helène om haar broertje +en zusje te gaan kleeden. Dan kon zij met hen terugkomen, om hun de +gestorven moeder te laten zien. Helène deed werktuigelijk wat Trui +zeide, en in dien tusschentijd verrichtte Trui de gewone plichten aan +de afgestorvene; „want,” zeide ze, „geen vreemde hand zal mijn lieve +mevrouw aanraken.” + +Toen Helène met de beide kinderen binnentrad, lag haar moeder met +gevouwen handen, als bad ze in haar slaap. Dora en Alfred hadden niet +het minste begrip van dood en vroegen of ma nu niet wakker zou worden. + +„Neen, lieve Dora,” antwoordde Helène. „Ma slaapt, om te ontwaken bij +onzen lieven Heer.” + +„Maar ik wou liever dat ma wakker werd,” zei Alfred. + +„En dat ze bij ons bleef,” voegde Dora er bij. + +„Dat kan niet,” antwoordde Helène; terwijl ze met de kinderen de kamer +verliet. + +„Moeten we niet naar school, Helène?” vroeg Dora, nadat ze ontbeten +hadden. + +„Vandaag niet,” antwoordde Helène. „Ga nu maar zoet wat samen spelen, +hoor.” + +„We zullen heel stil zijn, om ma niet wakker te maken,” zei Alfred. + +„Dat is heel goed,” antwoordde Helène treurig. + +Met den middagtrein kwam meneer Nederhorst terug. Op raad van den +dokter had Helène geen luiken gesloten. Daar hij niet juist den trein +had bepaald, waarmee hij zou thuiskomen, was hij er niet verwonderd +over, dat Helène hem niet van ’t station kwam halen—daarenboven +oordeelde hij ’t beter, dat ze bij haar moeder bleef. Helène keek door +de vensters, en toen ze hem den weg zag afkomen met Leonie naast hem, +klopte haar hart geweldig. Toch vond ze kracht genoeg, om naar beneden +te snellen en hem open te doen. + +„Hoe is ’t....?” doch eensklaps zweeg hij, toen hij haar beschreid +gelaat zag. „Is er wat met ma?” vroeg hij angstig. + +„O, pa! Iets verschrikkelijks!” snikte Helène. Meneer Nederhorst +wachtte geen verdere verklaring af, maar snelde zonder een enkel woord +te spreken naar de kamer zijner vrouw. Helène liep hem na; doch toen ze +aan de geopende kamerdeur kwam, was ze er juist bijtijds, om haar +ongelukkigen vader als levenloos op den grond te zien storten. Een +oogenblik later was Trui bij haar. + +„Jongejuffrouw,” zei deze. „Ik kan uw papa onmogelijk verlaten, en toch +heeft hij een dokter noodig. Als u eens naar dokter Van Esch wilde +loopen. Terwijl zal ik mijn best doen, om uw papa bij te brengen.” + +„Ik zal terstond gaan, Trui,” antwoordde Helène, die bleek zag van den +schrik, en ze snelde naar haar kamer om zich aan te kleeden. Toen ze +juist de deur wilde uitgaan, hoorde ze de stem van Leonie die haar +riep. + +„Wat is er toch gebeurd?” vroeg deze. „Dora en Alfred vertellen mij, +dat ma slaapt. Is dat een thuiskomst! Was ik maar in Amsterdam +gebleven!” + +„Wat er gebeurd is, Leonie!” riep Helène uit. „Heb je het niet +begrepen? Ma is van nacht gestorven!” + +„Ma dood!” riep Leonie uit. „En waarom mij dat niet dadelijk gezegd? O, +moest ik daarvoor hier komen!” + +Helène liet haar een oogenblik uitschreien. + +„Zet je hoed op, en ga met mij mee om den dokter te halen. Pa heeft een +flauwte gekregen.” + +„Ik mee de straat op! Dat kun je begrijpen,” antwoordde Leonie. „Laat +mij maar uithuilen; want die tijding is verschrikkelijk.” + +Helène antwoordde niets meer, maar snelde alleen het huis uit, den weg +op naar dokter Van Esch. + +Hij was gelukkig thuis, en hij ging terstond met haar mede. Hij vond +meneer Nederhorst nog bewusteloos, bracht hem met behulp van Trui naar +zijn kamer, waar ze hem uitkleedden en te bed legden. + +„Er zal vannacht bij hem gewaakt moeten worden,” zei de dokter. „Hoe +zult u dat doen?” + +„O,” zeide Helène. „Ik zal wel in den voornacht waken: dan kan Trui ’t +in den nanacht doen.” + +„Heel goed; maar dat kunt u niet lang uithouden,” zei de dokter. „Hebt +u geen familie, die u kan helpen?” + +„Mijn oom Walburg, de eigen broer van ma, woont in Amsterdam,” zei +Helène. „Ik zal hem van avond schrijven; dan kan hij maatregelen +nemen.” + +„Dat is goed,” antwoordde de dokter. „Maar uw vader heeft volstrekt +stilte noodig. Hoe zult ge ’t met die twee kleinen maken, die toch, +zoolang uw moeder boven aarde staat, niet naar school kunnen gaan. Dan, +zooals u me vertelde, is daar nog uw zuster Leonie, wier handen +natuurlijk verkeerd staan en die de drukte maar vermeerdert!” + +„Leonie zal misschien wel naar Amsterdam terug willen,” zei Helène. „’t +Ergst is, dat zij daar ’s avonds zal aankomen.” + +Dokter Van Esch dacht een oogenblik na. + +„Ik heb er een middel op gevonden,” zei hij, en schreef op een +receptenpapier het volgende telegram: + + + „Walburg, Keizersgracht, Amsterdam. + + Uw zuster erger. Uw zwager ziek. Kom zoodra mogelijk. Leonie komt + trein 7.5 uur terug. + + Van Esch.” + + +„Laat Leonie nu in der haast wat gebruiken, dan neem ik haar mee naar +’t station en verzend eerst het telegram. Verder zal ik met mijn vrouw +afspreken, om voorloopig voor van nacht en morgen de kinderen bij ons +te houden. Dan hebt ge in zooverre rust. Uw oom krijgt dan eerst het +telegram; daarna door Leonie de doodtijding.” + +„Ik hoop, dat Leonie er niet tegen heeft,” zei Helène. „Misschien +wenscht ze te blijven.” + +„Des te beter; dan kan ze u behulpzaam zijn.” + +„Ik zal ’t haar gaan vragen,” hervatte Helène; die zich naar haar +zuster begaf, en haar vertelde, wat de dokter voornemens was te doen. + +„O, ja!” zei Leonie. „Laat mij liever naar Amsterdam terugkeeren; want +hier is het alles zoo somber en zoo akelig.” + +„Dan zal ik voor wat eten zorgen en kunnen de kinderen tegelijk mee +eten; want die gaan van nacht naar dokter Van Esch logeeren.” + +Spoedig had zij het eten opgedischt, en gebruikten Leonie, Dora en +Alfred het middagmaal. Zij zelf kon niets binnen krijgen; ze was er te +vol toe. Intusschen had dokter Van Esch het telegram weggebracht. Toen +hij weerom kwam, was de maaltijd afgeloopen, en nadat hij nog eens naar +den zieke gekeken en Leonie het lijk harer moeder gezien had, begaf hij +zich met Leonie naar ’t station, waar hij haar op den trein van 7 uur 5 +minuten plaatste en daarop naar huis ging, om met zijn vrouw over ’t +ontvangen der beide jongste kinderen te spreken, welke weldra door zijn +dienstbode gehaald en naar zijn huis gebracht werden. + +Den volgenden morgen reeds met den eersten trein kwam oom Walburg in ’t +sterfhuis aan. Hij vond Helène nog aan ’t bed van haar vader. Ze viel +hem snikkend om den hals. + +„O, hoe goed van u, dat u zoo dadelijk gekomen bent!” riep ze uit, toen +de eerste droefheid wat bedaard was. + +„En hoe slecht van jou, om den heelen nacht te waken!” zeide hij. „Je +zult zelf ook nog ziek worden. Waarom heb je Trui niet geroepen?” + +„Omdat het goede mensch den heelen dag voort moet en ik straks naar bed +kan gaan, oom,” antwoordde zij. + +„Waarom dan Leonie niet hier gehouden? Die had je ten minste kunnen +aflossen.” + +„Haar wil is wel goed, oom, maar ze zou ’t niet kunnen doen.” + +„Hoe gaat het nu met je vader?” vroeg meneer Walburg. + +„Nog steeds bewusteloos,” antwoordde Helène. „Van nacht scheen hij even +bij kennis te komen; maar ’t was gauw over. Dokter Van Esch komt zeker +wel dadelijk.” + +„Laat Trui je even bij pa aflossen, Helène. Dan kun je mij bij ma +brengen; daarna wenschte ik je te spreken.” + +Helène ging Trui roepen; daarna vergezelde zij haar oom naar ’t lijk +zijner zuster. + +„Ze rust nu van haar lijden,” zeide hij; „en jij, lief kind! hebt haar +laatste levensdagen verhelderd. Met een kalm oog kan je de lieve +gestorvene nastaren, die zeker met een blik van welgevallen uit den +Hemel op je nederziet. Uit de brieven van je lieve moeder weet ik, wat +je voor haar geweest bent, sedert het ongeluk je vader getroffen heeft. +Blijf dat voor je vader, lieve! En vindt je niet altijd bij hem den +dank en de erkentelijkheid, die de gestorvene je bewees—denk dan +slechts aan haar, die hem zoo innig liefhad; denk er aan, hoe diep +ongelukkig hij is, nu er dit verlies is bijgekomen.” + +„Ik heb ’t ma beloofd, oom!” zei Helène schreiende, „en ik beloof ’t u +ook. Ik zal voor pa zijn, wat ik voor hem wezen kan.” + +Helène was er erg verguld mee, toen haar oom met haar in de huiskamer +ging, en daar met haar raadpleegde alsof zij de vrouw des huizes was. +Trouwens, hoe jong ook, was ze dit op het oogenblik; daarbij was ze in +de laatste maanden in haar handelen en denken vrij wat ouder en wijzer +geworden, en had van haar moeder verscheiden inzichten in zaken +gekregen, welke men van een zestienjarig meisje niet zou verwachten. +Zoo bepaalden zij, dat oom, die zoo onverwachts zijn huis had verlaten, +na de behoorlijke maatregelen tot de begrafenis vastgesteld te hebben, +na ’t koffiedrinken zou vertrekken en de beide kleintjes met zich zou +nemen; dat Helène voor de bezorging van hun goed zou zorgen en dat op +den trein laten brengen, en dat ze dien avond Rudolf zou schrijven en +hem geld zenden, om onverwijld over te komen. Wat den rouw aanging, +daar zou tante wel voor zorgen; als Helène hem maar een maatjapon +meegaf, welke ze best in den koffer, waarin ’t goed van de kleintjes +gezonden zou worden, kon sluiten. Tante wist zulke zaken ’t best, en +daarenboven zou ’t voor Helène een veel te drukke bemoeiing zijn. Hij +repte er daarbij geen woord van, dat hij den geheelen rouw voor zijn +rekening nam; ’t geen hij des te beter doen kon, nu zijn zwager buiten +staat was, om er iets van te vernemen; daar deze ’t anders geweigerd +zou hebben. Helène, die de zaak zeer goed begreep, vond er niets +vernederends in, dat de eigen broer van haar moeder er op gesteld was, +dat haar kinderen in den rouw zouden gaan, en dat hij, de rijke man, +die onkosten op zich wilde nemen. Van ieder ander zou zij ’t geweigerd +hebben; niet van hem. Oom gaf haar wat geld, om in de noodige uitgaven +te voorzien, beloofde pogingen aan te wenden, om uit de ziekeverpleging +te Amsterdam een ziekezuster mee te brengen, dokter Manders te +verzoeken, met dokter Van Esch een consult te houden over haar vader, +en den volgenden middag terug te komen, om tot na de begrafenis te +blijven. Opdat Helène echter den avond niet weer zou waken, wilde hij +den dokter verzoeken, voor dien nacht een goede waakster te bezorgen. +Voor alle dingen moest ze echter een paar uren op de kanapé gaan +liggen—zoolang zou hij wel bij haar vader blijven en daar de noodige +schikkingen voor de begrafenis en andere dingen maken. + +Den volgenden namiddag kwam oom Walburg terug en bracht Rudolf mede, +wien hij in Amsterdam een rouwpak had laten aanmeten, en een +pleegzuster, die terstond reeds dien eersten nacht bij den zieke zou +waken, die nu wel niet meer bewusteloos was, maar toch in ijlende +koortsen lag. Dokter Manders zou den volgenden dag, Zondag, overkomen +om een consult te houden; want dokter Van Esch vreesde dat het een +langdurige ziekte zou worden. + +Rudolf was diep getroffen over den dood zijner lieve moeder, van wie +hij inderdaad veel gehouden had, en gedurende den tijd, dien hij thuis +vertoefde, loste hij Helène geregeld aan ’t ziekbed van zijn vader af. +En zoo kwam de dag der begrafenis aan. Niemand zou het lijk +vergezellen, dan oom Walburg, dokter Van Esch en Rudolf. Helène had +echter, met verlof van haar oom, zich een halfuur te voren naar het +kerkhof begeven, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en te weten, +waar ze haar lieve moeder zouden leggen. Ze had den doodgraver eenig +geld ter hand gesteld, om daarvoor een paar mooie rozenpotten te +koopen, die op het graf te planten en ze te onderhouden. Daar stond ze +snikkend en met een doodsbleek gelaat aan den kuil, waarin ’t liefst, +wat ze op aarde had, nederzonk, en daar bleef ze nog staan, steeds op +die lijkkist starende toen de anderen reeds vertrokken waren. + +Eensklaps werd er een hand zacht op haar schouder gelegd en sprak een +vriendelijke meewarige stem achter haar: + +„Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven: want ze rusten van hun +arbeid en hun werken volgen hen!” + +Helène keek op, in ’t volgende oogenblik lag ze in de armen van haar +lieven vriend, den goeden dokter Faminga. + +„Lieve Helène! Arm kind!” zeide hij meewarig. „Zoo jong nog, en al zoo +onder ’t verdriet gebogen!” + +„Ze was zoo goed, zoo engelachtig goed, dokter!” riep Helène snikkend +uit. „O, u hebt haar maar korten tijd gekend!” + +„Lang genoeg, om te weten, wat je in haar verloren hebt,” antwoordde de +dokter. „Doch ga even met mij mee naar huis; dan zal ik je iets +kalmeerends geven.” + +Helène ging met hem mee. + +„Ach, pa is ook zoo ziek!” zei Helène. „Wanneer ook hij ons maar niet +ontvalt!” + +„Ik weet alles,” antwoordde dokter Faminga; „want dokter Van Esch is +mijn vriend en houdt mij op de hoogte van ’t geen er bij u aan huis +voorvalt, hij zou mij gaarne in consult nemen, indien de onverklaarbare +tegenzin, welke uw vader tegen mij koestert, dat niet onbepaald +verhinderde.” + +„O, dokter! Ik heb er zooveel verdriet van, dat pa zoo tegen u is, en +’t heeft ma ook heel wat leed veroorzaakt. Ze had vrij wat liever, dat +u haar behandeld hadt dan dokter Van Esch, ofschoon ze hem volkomen +vertrouwde en hij een allerliefst, hartelijk man is.” + +En ze vertelde hem, hoe hij uit zichzelf haar broertje en zusje bij +zich had genomen om haar te verlichten. + +Zoo sprekende, waren ze aan de villa van den dokter gekomen, en +verzocht deze Helène om plaats te nemen, waarop hij naar een klein +kastje ging, waarin zich een apotheek bevond, iets in een kopje schonk +en ’t Helène gaf. + +„Hier lieve,” zei hij. „Drink dit leeg, dat zal u zeker kalmeeren; want +je bent geducht overspannen, wat trouwens geen wonder is na al ’t geen +je in de laatste dagen hebt ondervonden. Vertel me iets van de laatste +levensdagen van je moeder!” Helène deed dit. „U vondt het toch niet +verkeerd, dokter,” eindigde zij, „dat ik op het kerkhof was? Oom had +het goedgevonden!” + +„In ’t geheel niet, kindlief!” antwoordde de dokter. „Ik vond het +integendeel zeer natuurlijk, en als uw lieve mama ’t wist, zou ’t haar +zeker genoegen gedaan hebben, dat haar lieve Helène aan haar graf +stond, om haar ’t laatst vaarwel te zeggen.” + +„Ik heb den doodgraver last gegeven, om twee mooie rozenpotjes op haar +graf te plaatsen en die te onderhouden.” + +„Dat is lief van je. Hadt je er aan gedacht, dat ik hier zoo dicht bij +woonde, dan hadt je de zorg wel aan mij kunnen overlaten. Ik hield +zooveel van uw moeder. Ach, ze leek zoo sprekend op mijn brave +gestorven vrouw, evenals jij op mijn dochtertje lijkt, dat op jou +leeftijd door een hevig roodvonk uit mijn armen werd gerukt. Ach, toen +mijn Helène—ze heette toevallig even als jij—stierf, kon mijn arme +vrouw niet langer leven... Ze volgde haar kind maar al te spoedig in ’t +graf en liet mij alleen op de wereld!” + +De goede dokter wischte een traan af, die zijns ondanks in zijn oogen +sprong. Daarop zei hij: + +„Je moogt nu wel gauw naar huis gaan; anders zal je oom ongerust over +je worden. Ik zal je zelf naar huis brengen.” + +Toen ze aan ’t huis van meneer Nederhorst gekomen waren, gaf de dokter +haar de hand: + +„God schenke je kracht, om de zwaarte van ’t leed en van je taak te +dragen, lieve!” zeide hij. „En mocht het je soms te bang worden en je +kunt een oogenblik uitbreken—kom dan bij mij: je weet, waar ik woon.” + +Dienzelfden namiddag vertrokken oom Walburg en Rudolf, en Helène bleef +alleen. + +Er was bepaald, dat Dora en Alfred eerst zouden terugkomen, wanneer hun +vader wat beter was, en, ofschoon Helène er in moest toestemmen, daar +’t haar vrij wat meer tijd gaf, om zich over dag aan haar zieken vader +te wijden, miste ze toch ’t gezellig bijzijn der twee lieve kinderen, +die zoo aan haar gehecht waren. O, wat was ’t haar nu eenzaam in huis, +sedert haar moeder haar verlaten had, aan wier borst ze al haar leed, +al wat haar hinderde, kon uitstorten! Treurig zat ze aan ’t ziekbed +haars vaders, die nog steeds in ijlende koortsen lag. En toen deze hem +verlieten en zijn bewustzijn terugkeerde, was het, of haar +tegenwoordigheid hem hinderde als was zij de schuld van den dood harer +moeder. Misschien verbond zijn zwak denkvermogen dat overlijden wel met +haar, die hem ’t eerst die treurmare mededeelde. Hoe ’t zij, wat ze ook +deed en hoe ze ook voor hem zorgde, hoe ze hem zelfs de smakelijkste +kostjes bracht, om zijn ontwakenden eetlust te prikkelen—geen enkel +woord, geen enkele blik beloonde haar voor al haar bemoeiingen. ’t Werd +haar tusschenbeiden bang op die ziekekamer, en ’t was haar daarom een +weldaad, toen haar tante haar jongste broertje en zusje kwam +terugbrengen, en ze bij dezen de hartelijke liefde vond, welke ze bij +den zieke miste, toen ze door hen meer van de ziekekamer afwezig moest +zijn, waar haar hart zoo zeer op de pijnbank werd gelegd. Daarbij +kwamen de zorgen voor de huishouding; want het geld, dat haar oom haar +had gegeven, was reeds lang op. Daar ze haar vader niet om huishoudgeld +kon vragen, moest ze rekening maken bij de leveranciers, die dat niet +gewoon waren en haar dus reeds verscheidene malen om betaling +aangemaand hadden. Eindelijk trok ze de stoute schoenen aan en legde +haar vader de verschillende rekeningen met het bedrag daarvan op een +lijstje voor. + +„Pa, zoudt u mij geen geld daarvoor kunnen geven?” vroeg zij. „De +menschen worden ongeduldig.” + +„Welke menschen?” vroeg haar vader. + +„Onze leveranciers,” antwoordde Helène. „Daar ik u in uw ziekte niet om +huishoudgeld heb kunnen vragen, heb ik alles maar laten opschrijven.” + +Meneer Nederhorst keek de rekeningen in, zijn gelaat betrok. + +„Dat is een heele som!” zei hij. „Je moet verschrikkelijk verkwistend +zijn geweest! En dat bij al de andere uitgaven! En wat een rekening bij +den poelier!” + +„Maar pa!” riep Helène schreiende uit: „hoe zou ik u kippensoep en +gebraden hoentjes hebben kunnen geven, als ik ze niet van den poelier +gehad had. En dan, in hoeveel tijd heb ik geen cent voor huishoudgeld +van u gehad!” + +’t Scheen, dat meneer Nederhorst de juistheid van haar opmerking moest +toestemmen, erkennen deed hij ’t echter niet. Zwijgend betaalde hij +haar ’t bedrag der rekeningen, gaf haar daarenboven eenig huishoudgeld, +en zeide alleen: „Ik verwacht, dat je voortaan wat spaarzamer zult +zijn.” + +Met een tot barstens toe vol gemoed nam Helène het geld op. O, als haar +vader eens wist, met hoe weinig Trui en zij zich en al dien tijd +vergenoegd hadden! Maar haar komst had nog een reden. Ze had de boeken +harer moeder meegebracht, welke deze haar den avond voor haar sterven +ter hand gesteld had. Ze vermande zich dus en zei zoo kalm mogelijk: +„Den avond van uw vertrek beval ma mij, u, wanneer zij gestorven was, +deze boeken ter hand te stellen. ’t Was de beste erfenis, die zij u kon +nalaten, zeide ze. Tevens verdeelde zij haar weinige overgeblevene +kostbaarheden onder haar kinderen. Ze pakte ze zelf in papier en beval +mij, ze te verzegelen en er de namen op te schrijven, daar zij te veel +beefde. Aan Leonie vermaakte zij haar juweelen oorringen, aan Dora haar +juweelen ring, aan Rudolf haar juweelen speld, aan Alfred haar gouden +ketting, haar horloge aan mij, en haar bijbeltje, dat ze dagelijks +gebruikt had, met deze boeken aan u. Ze stelde alles onder mijn +bewaring, opdat ik ’t hun ter hand zou stellen, wanneer ze zestien jaar +zijn. Vindt u dat goed, of zal ik ze u in bewaring geven?” + +„Bewaar ze maar,” zei meneer Nederhorst afgetrokken; terwijl hij ’t +bijbeltje zijner vrouw in handen nam en in een zwijgende +afgetrokkenheid verviel. + +’t Bleef een treurige verhouding tusschen meneer Nederhorst en zijn +dochter, en die verhouding deed haar des te meer haar moeder missen. +Intusschen was ’t voor haar een groote verlichting, dat Dora en Alfred +weer thuis kwamen, bij wie zij een hartelijke gehechtheid vond, +ofschoon zij haar taak vrij wat bemoeilijkten. Van Leonie hoorde of zag +zij niets, en Rudolf was ook geen ijverige briefschrijver. Toch hoopte +ze, dat haar vader, wanneer zijn oudste zoon thuis kwam, wel wat +opgewekter zou worden. Den eenigen troost zocht en vond ze bij haar +vriend, den dokter, dien ze van tijd tot tijd des avonds, als de +kinderen te bed waren, eens opzocht en bij wien ze haar hart +uitstortte. Met hem kon ze zoo vol vuur over haar lieve moeder spreken +en haar bezwaren mededeelen. Geen wonder dat, onder ’t spreken, ook +haar financiëele moeilijkheden voor den dag kwamen. + +„Ik wou maar, dat ik wat geld verdienen kon, om in de huishouding te +gemoet te komen,” zei ze eens. + +De dokter keek haar glimlachend aan. + +„En wat zou mijn klein huishoudstertje dan wel willen doen?” vroeg hij. +„Heeft ze ’t nog niet druk genoeg?” + +„Ja, wat zou ik kunnen doen?” vroeg zij. „Er zijn dingen genoeg; b. v. +les geven aan kinderen, naaien, borduren of fantasiewerkjes maken. Maar +pa zou daar nooit zijn toestemming toe geven.” + +„Ik geloof ook, dat die zaken je niet veel zouden opbrengen, en dat er +je de tijd toe zou ontbreken. Daarenboven zou je zeker tegenwerking bij +je vader vinden. Hij is te hooghartig, om het toe te staan.” + +„Juist daar ben ik bang voor, dokter. En toch zou ’t zoo noodig zijn.” + +„Luister eens, Helène, je schrijft zeker een goede, duidelijke hand?” + +„Ik hoop van ja,” antwoordde ze bescheiden. + +„Welnu, ik heb een vriend, die voor de pers werkt. Hij heeft het +ongeluk van heel onduidelijk te schrijven en daardoor nog al last op de +drukkerij. Hij zond mij deze week een zijner copieën, met verzoek, om +iemand te vinden, die ze voor hem wil overschrijven. Als jij dat eens +wilde doen. Ik weet zeker, dat hij er goed voor zal betalen; want het +is hem veel waard, om alles juist en net overgeschreven te hebben. Naar +ik merk, is ’t geen onaangename copie ook: ’t zijn verhaaltjes voor +kinderen. Daarenboven hoef je er je niet mee te haasten en je dus niet +te overwerken. Wacht, ik zal ’t manuscript eens halen, dan kun je zien, +of je ’t ontcijferen kunt.” + +’t Was inderdaad een raar handje, maar Helène begreep toch, dat ze er +met een weinig studie gemakkelijk uit zou komen en dat slechts ’t begin +wat moeilijk zou zijn. Zij nam dus ’t voorstel aan en de belooning was +zoo, dat zij, als ze ’s morgens wat vroeger opstond en ’s avonds, als +ze toch alleen was, haar tijd aan ’t overschrijven besteedde, er vrij +wat mee verdienen kon, wat haar ’t besturen der huishouding zeer veel +verlichten zou. Met opgeruimder gemoed dan ze gekomen was, verliet ze +dokter Faminga, weinig vermoedende, dat deze zelf de schrijver was van +die lieve verhaaltjes voor kinderen en dat zijn verontschuldiging ten +aanzien van de drukkerij niets anders dan een voorwendsel was, om haar +op een fatsoenlijke manier door eigen arbeid eenig geld te laten +verdienen. + +Wat een genoegen was ’t haar, toen ze de overgeschreven copie +terugbracht en de dokter haar uit naam van den haar nog onbekenden +schrijver het geld ter hand stelde. ’t Was een heele aardigheid, dat +zelf verdiende geld in haar portemonnaie te doen en het denkbeeld te +koesteren, nu wat beter rond te komen. + +Jammer, dat de troost, dien haar de bezoeken bij den dokter schonken, +slechts al spoedig moest ophouden. Op zekeren avond toch, dat hij haar +na een bezoek thuisbracht, ontmoetten zij meneer Nederhorst, die een +avondluchtje ging scheppen. De dokter, die meende dat haar vader wel +bekend was met haar bezoeken, nam die gelegenheid waar, om hem geluk te +wenschen met zijn herstel. Hij trad dus op hem toe, stak de hand uit en +zeide: + +„Het doet mij genoegen, meneer Nederhorst, u weer in zooverre hersteld +te zien. Met veel belangstelling en deelneming heb ik uw onherstelbaar +verlies en uw ziekte vernomen!” + +„Dokter Faminga, naar ik meen,” antwoordde meneer Nederhorst. „De +onbeschaamste indringer dien ik ken, en dat in gezelschap mijner +dochter!” + +„Die mij bezocht heeft en die ik naar huis breng,” zei dokter Faminga +met onverstoorbare kalmte; terwijl hij zich ter wille van Helène +bedwong. + +„En die u niet meer bezoeken zal,” hernam meneer Nederhorst +beleedigend. „Ik denk toch wel dat ik baas ben over mijn eigen kinderen +en ’t aan mij zal staan om te veroorloven met wie ze al dan niet zullen +omgaan?” + +„Niemand betwist u die macht,” hernam de dokter schouderophalend. „Zij +zal mij niet weer bezoeken, meneer! Ik wist wel, dat uw huis mij +verboden was, doch kon daarin geen reden zien, waarom uw dochter niet +bij mij zou mogen komen.” + +Dit zeggende, keerde de dokter zich om, ten einde alle verdere +wederspraak te vermijden, welke anders op een hevigen twist had kunnen +uitloopen, die de kloof nog wijder zou gemaakt hebben dan ze nu al was. +Bitter bedroefd ging Helène het huis in, en ze schreide lang, eer ze +den slaap kon vatten. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +WAT EEN GOUD HORLOGE AL NIET UITRICHT. + + +Was ’t verbod om dokter Faminga’s woning niet meer te mogen bezoeken, +voor Helène reeds een groot verdriet—spoedig ondervond zij, dat het +ophouden van werk haar niet minder onaangenaam zou zijn. Want het geld, +dat ze had meegebracht, raakte langzamerhand op, en hoe zou ze ’t +voortaan zonder deze bron van inkomen stellen? Gelukkig echter werd er +een week later een pakket aan haar adres bezorgd, en toen zij ’t +openbrak, vond zij er een nieuwe copie in van de hand desgenen, die de +eerste copie geschreven had en vergezeld van ’t volgende briefje: + + + „Mejuffrouw. + + „Dokter Faminga heeft mij gezegd, dat het hem onmogelijk is, u + langer eigenhandig mijn werk ter hand te stellen. Slechts onder + couvert wil hij ’t u bezorgen en voor mij ontvangen. Zonder de + reden te kunnen gissen, welke hem daartoe beweegt, moet ik zijn wil + eerbiedigen. Ik hoop u geregeld mijn copiëerwerk toe te zenden en + zal er telkens het bedongen honorarium bijvoegen. Wees dus zoo + goed, de overgeschreven copie onder couvert bij dokter Faminga te + doen bezorgen, dan stuurt hij ze mij terug. + + „Hoogachtend heb ik de eer te zijn: + „U dw. dienaar + „A. D. Radinus.” + + +Tegen deze kiesche manier van handelen kon zij niets inbrengen. +Onergdenkend als ze was, begreep ze niet, dat meneer Radinus niemand +anders was dan de dokter zelf, die op deze manier voor haar de bron van +inkomsten deed voortduren, zonder dat ze zich tot ongehoorzaamheid aan +haar vader behoefde te laten verleiden. + +Maar met al dat copiëeren van goede verhaaltjes kwam in haar het +denkbeeld op, of ze niet zelf eens een verhaaltje zou kunnen +samenstellen. Ze schreef daarover bij de terugzending aan haar +onbekenden beschermer, meneer Radinus, en deze antwoordde haar, dat ze +’t maar eens moest beproeven, ’t geen juist thans des te beter zou +gaan, daar hij op ’t oogenblik geen werk voor haar had en ’t +waarschijnlijk wel een week of wat zou aanloopen, voordat het verhaal, +waaraan hij nu bezig was, zou voltooid zijn en hij ’t haar zenden kon. +Indien ze werkelijk een goed verhaaltje schreef, zou hij het in zijn +tijdschrift voor de jeugd plaatsen en zou zij er een aardig honorarium +voor ontvangen. + +Helène ging aan ’t werk, om een plannetje voor een verhaaltje op touw +te zetten, en zoo peinsde zij er over, dat ze midden in haar gepeins in +slaap viel, en ’t reeds laat was toen ze wakker werd en zich snel +uitkleedde, om naar bed te gaan. Ze was spoedig in slaap en droomde den +ganschen nacht van haar plan. ’s Morgens wakker wordende, stond haar +alles nog zoo juist voor den geest, dat ze zich nederzette, om, wat +haar verbeelding er in een nacht bijgevoegd had, te veranderen of er +bij te zetten, tot ze, doodelijk verschrikt, haar vader naar haar kamer +hoorde komen. Snel raapte ze al haar papieren bij elkander, en had nog +juist tijd genoeg, om ze achter de gordijnen van het ledikant te +bergen, toen meneer Nederhorst met een geopenden brief in de hand de +kamer binnentrad. Zijn gelaat toonde aan, dat hij geen blijde tijding +ontvangen had. + +„Ik krijg daar juist een brief van meneer Voornvisser, dat Rudolf ziek +is. De dokter oordeelt hem nog vervoerbaar; ik ga hem dus halen. Zorg, +dat mijn ontbijt terstond gereed is; ik wil met den eerstvolgenden +trein vertrekken.” + +„Ik zal er voor zorgen, pa,” antwoordde ze. + +„Hoe komt het, dat je nog niet gekleed bent?” vroeg hij. + +„’t Is nog vroeg, pa,” antwoordde ze. + +Terstond zorgde ze, dat het ontbijt klaar was, haar vader gebruikte er +wat van, stond toen op en zei: + +„Maak dat alles klaar is voor de ontvangst van Rudolf. Goeden dag!” + +„Dag pa! Ik hoop dat u hem beter zult vinden dan u denkt,” zeide +Helène, wie haar vader niet eens met een afscheidskus verwaardigde. + +„Alweer nieuwe drukte voor u, juffrouw Helène,” zei Trui toen Helène +haar mededeelde, waarom haar vader onverwachts vertrokken was. „’t Is +of ’t hier in huis nooit ophoudt met zieken.” + +„Wat zal men er tegen doen, Trui!” zei Helène. „Een geluk dat ik jou +heb, die mij zoo trouw bijstaat.” + +„Ja, hoe u ’t anders ook doen zou, zou ik waarlijk niet weten,” zei +Trui. „We zullen nu maar gauw ’t kamertje van den jongenheer in orde +maken, dat is het beste.” + +„Neen, Trui! dat kamertje deugt volstrekt niet voor een zieke. Weet je, +wat ik gedacht had? Ik moest hem mijn kamertje afstaan, dan ga ik +zoolang op ’t zijne logeeren.” + +„Ofschoon ’t voor u niet pleizierig is, is dat toch het best,” zei +Trui. „Laat ons dus maar gauw beginnen.” + +Spoedig hadden ze met hun beiden alles gereed. + +„Hoor eens, juffrouw Helène,” zei Trui. „Eén ding! Ge moet u niet +overspannen. Als er soms (men kan het niet weten) gewaakt moet worden, +dan mag je ’t niet doen. Ik zal ’t meneer wel zeggen, dat hij een +waakster moet nemen.” + +„We zullen zien,” antwoordde Helène. „Misschien zal ’t niet noodig +zijn.” + +Reeds tegen den middag kwam meneer Nederhorst met Rudolf terug. +Terstond hielp Helène den zieke, die zich erg onplezierig gevoelde en +daarenboven van de reis vermoeid was, naar bed. Trui was al naar den +dokter geloopen, die weldra kwam. + +„De arme jongen is hard ziek,” zei dokter Van Esch. „We zullen hopen, +dat het nog met een sisser zal afloopen; ’t is echter maar goed, dat +hij thuis is. Er is niets angstigers, dan wanneer een der onzen bij +vreemden ziek ligt.” + +Toen meneer Nederhorst den dokter uitliet, zei deze tot hem: „Als er +soms gewaakt moet worden, mag uw dochter dat niet doen. Ze zou zich +overspannen en dan had u twee zieken in plaats van een. Ze ziet er +tamelijk slecht uit.” + +„Vindt u dat dokter? Ja, ik heb het nog niet opgemerkt. ’t Zal +waarschijnlijk de angst over haar broer zijn.” + +De woorden van dokter Van Esch hadden meneer Nederhorst toch +eenigermate tot nadenken gebracht, en, ofschoon hij in de verste verte +niet begreep, wat Helène voor hem opofferde, oordeelde hij het toch +noodig, haar krachten te sparen, en toen de dokter een paar dagen later +zei dat er voorloopig bij den zieke, die in ijlende koortsen viel, +gewaakt moest worden, verzocht hij dezen, voor een waakster te zorgen; +over dag echter wijdde Helène al haar tijd aan Rudolf. Zoolang hij ziek +bleef, was dit voor haar geen zware post; want zijn ijlen geleek niet +in de verte op dat van haar vader: meestal was hij bezig met de jongens +op de kostschool—vooral had hij nog al eens ruzie met een zekeren +Gerrit, dien hij naar ’t scheen niet best kon uitstaan, of maakte hij +plannen met zijn vriend Ernst. Dan weer leerde hij zijn lessen, werkte +sommen uit, maakte vertalingen, zei brokstukken van verzen op—kortom, +zijn ijlen was vermoeiender voor hem zelf, dan voor de omstanders. Doch +toen hij aan de betere hand kwam, werd hij lastig van humeur: nooit was +er iets goed, wat Helène deed. Ook dit droeg zij met geduld, overtuigd +dat (zooals dokter zeide) knorrige zieken niet gevaarlijk zijn. Toen +volgde er een tijdperk van zwakte, en dat was voor haar ’t +genoegelijkste. Want nu was hij zoo volgzaam als een kind, en ’t was +gedurende dien tijd, dat ze al de liefde leerde kennen, welke de knaap +voor haar gevoelde. + +Gelukkig, dat het grootste gedeelte van Rudolf’s ziekte in de +zomer-vacantie viel; want daardoor verzuimde hij niet zooveel en mocht +hij ook spoediger na zijn herstel in de lucht. ’t Was aardig, den nog +zwakken en bleeken knaap te zien voortstrompelen aan den arm van dat in +diepen rouw gekleede meisje met haar ernstig gezichtje, en wie op hen +gelet hadden, zouden gemerkt hebben, dat ze hun wandelingen alle dagen +iets verder uitstrekten. Toen Rudolf nu sterk genoeg was, wandelde +Helène met hem naar ’t kerkhof, waar ’t graf hunner lieve moeder was, +en dat door een vriendelijke hand (welke Helène heel goed raadde) +geheel met bloeiende maandrozen bezet was; terwijl diezelfde hand er +een houten bank bij had laten zetten, welke den herstellende een +welkome rustplaats aanbood. + +Daar sprak zij met hem over de lieve moeder, die onder de bloemen +rustte en herinnerde haar broer zooveel van haar, die zulk een +liefderijke moeder voor hen allen geweest was. En Rudolf luisterde +gretig naar haar; want ook hij had veel van zijn moeder gehouden. ’t +Was natuurlijk, dat dit niet bij die eene wandeling bleef; want niet +alleen was de weg naar ’t kerkhof een allerliefste, maar de plaats zelf +was zoo belommerd, dat die allergeschiktst was was voor een +herstellende. + +Eens toen ze weer op ’t kerkhof kwamen, zagen ze op de bank een deftig +oud heer zitten, die echter, zoodra hij hen bemerkte, opstond en zonder +een woord te spreken, hen met een vriendelijken groet voorbij ging. + +„Wie is die vriendelijke heer?” vroeg Rudolf die zag, dat Helène toen +ze hem groette, tot achter de ooren bloosde. + +„Een kennis van ma,” antwoordde Helène eenigszins verward. + +„Waarom krijg je zoo’n kleur, Helène!” vroeg hij. „En waarom spreek je +hem dan niet aan?” + +„Omdat.... omdat hij geen vriend van pa is, of liever.... omdat pa geen +vriend van hem is.” + +„Pa geen vriend van hem, en hij ziet er toch zoo goedig uit,” zei +Rudolf. „Waarom is pa geen vriend van hem?” + +„Ach, ik weet het niet,” antwoordde Helène. „Pa heeft daar geen reden +voor gegeven en ik heb er hem ook niet naar gevraagd. Dit weet ik +alleen dat pa niet verkiest, dat ik met dien heer spreek.” + +„Wel, dat is wonderlijk!” riep Rudolf uit. „En hoe heet die heer?” + +„Laat mij zijn naam verzwijgen, Rudolf,” antwoordde Helène, die niet +kon jokken. „Je mocht hem eens in tegenwoordigheid van pa noemen, en +dan zou je hem boos maken.” + +Maar nu Rudolf’s nieuwsgierigheid eenmaal was opgewekt, hield hij niet +op, haar te plagen, om hem den naam te zeggen; want het ging ook hier +als altijd: meisjes zijn nieuwsgierig, maar jongens weten graag alles. +Helène die nu begreep, dat hier „een leugentje om bestwil geen zonde +was,” antwoordde zonder dat zij ’t wist, met een halve waarheid, en +zei: + +„Op je woord, dat je er geen syllabe tegen pa van zult spreken, zal ik +je dan in vertrouwen zijn naam zeggen: hij heet meneer Radinus.” + +„Hoe! Is dat meneer Radinus? A. D. Radinus?” + +„Ik geloof, dat hij A. D. Radinus heet. Maar hoe ken je hem?” + +„Wel, hij is redacteur van dat mooie „tijdschrift voor jongelieden,” +waarvan we op school elke maand een aflevering krijgen en waarvan we +zooveel houden, dat we er half om vechten, wie ’t eerst zal lezen.” + +„Is hij een kinderschrijver?” riep Helène uit. „Dat wist ik niet.” Ze +vond het nu wel wat dwaas, dat ze den naam van meneer Radinus aan +dokter Faminga had gegeven, en om haar verlegenheid te verbergen, deed +ze dien uitroep. + +In alle gevallen was ze nu maar blij, dat er geen gevaar van was om er +haar vader in te mengen, want dat Rudolf niet zwijgen zou, dat stond +bij haar vast. + +En ze had goed geoordeeld. + +„Pa,” zei hij dien middag aan tafel. „Ik wist niet, dat de geliefde +schrijver voor de jeugd, A. D. Radinus, hier in Weesp woonde.” + +„Zoo,” antwoordde meneer Nederhorst. „Dat wist ik ook niet.” + +„En u is kwade vrienden met hem,” vervolgde Rudolf. + +„Ik kwade vrienden met meneer Radinus!” riep meneer Nederhorst uit. +„Wie heeft je dat in ’t hoofd gebracht?” + +„Helène,” antwoordde Rudolf. „Ik kende meneer Radinus alleen uit zijn +geschriften en had hem nooit gezien. Toen we van morgen naar ’t kerkhof +wandelden, om ’t graf van ma te bezoeken, zat hij daar op de bank, die +u aan dat graf hebt laten maken en groette ons, vooral Helène, zeer +vriendelijk, zonder ons echter aan te spreken.” + +Gelukkig was meneer Nederhorst door ’t noemen van ’t graf zijner vrouw +op eens in zulk een diep gepeins verzonken dat hij niet verder op +Rudolf lette, en Helène nam die gelegenheid waar, om haar broeder te +wenken, dat hij niet verder zou vragen, waardoor deze onweersbui +stilletjes en zonder gevaar afdreef. Zoodra dan ook de maaltijd +geëindigd was, ging meneer Nederhorst zwijgend naar boven. + +„’t Staat je alles behalve mooi, Rudolf,” zei ze, „om toch tegen pa +over meneer Radinus te spreken. Je hadt me nog al beloofd, te zullen +zwijgen. Nu zie je, wat er ’t gevolg van is. Pa is geheel uit zijn +humeur naar boven gegaan.” + +„Zou dat over meneer Radinus wezen?” vroeg Rudolf die de ware oorzaak +van pa’s somberheid niet begreep. „Ik had je raad moeten volgen, zusje. +’t Spijt me intusschen, dat ik niet wist wie hij was; anders had ik hem +stellig eens aangesproken en hem mijn compliment gemaakt over de +prachtige verhaaltjes, die hij schrijft. Jongens! dan zou ik er bij de +vrienden op bluffen.” + +Helène had moeite om zich goed te houden, ze geraakte echter wel wat in +verlegenheid, toen haar broer vervolgde: + +„Maar als we hem weer tegenkomen, spreek ik hem stellig aan. Al is pa +kwade vrienden met hem, ik ben een zijner groote vrienden en +bewonderaars, en pa heeft er niets mee te maken, dat ik eens een +praatje met hem houd.” + +„Nu, jij moet weten, wat je doet,” hernam Helène. „Maar als pa er +achter komt, ben je voor altijd uit zijn gunst, hoor!” + +Helène besloot niet meer den weg naar ’t kerkhof te gaan, uit vrees van +dokter Faminga te ontmoeten en een mal figuur te maken. Ze begreep wel, +dat dit alles ’t gevolg van haar noodleugentje was, en toch was ze +blij, dat ze hem den waren naam des dokters niet genoemd had, want dan +had er zeker een uitbarsting van toorn plaats gevonden. + +Erger voor haar was een andere gril van Rudolf, een gril die haar vrij +wat angst en tranen, vrij wat zelfopoffering en zelfoverwinning kostte. +Rudolf was wel niet baatzuchtig, hij was een goede jongen, die veel +voor een ander over had; maar op sommige punten had hij zoo zijn eigen +wil en als hij zijn zinnen ergens op gezet had, wist hij de zaken door +te drijven met een onverzettelijkheid, dikwerf een betere zaak waardig. + +Gedurende zijn ziekte en toen hij herstellende was, had Helène om hem +op zijn tijd zijn drankjes te kunnen ingeven ’t horloge, dat ze van +haar mama gekregen had, van haar kamer gebracht en in de ziekekamer +opgehangen. Zoolang hij bewusteloos was had hij er natuurlijk geen erg +in gehad; doch toen hij langzamerhand beter werd, had het zijn +oplettendheid getrokken; hij had er Helène al eens naar gevraagd, hoe +ze aan dat lieve horlogetje kwam, en ze had hem geantwoord, dat ze het +als een gedachtenis van ma had gekregen, zonder hem evenwel te zeggen, +dat ze ook voor hem een souvenir bewaarde, daar haar moeder haar +uitdrukkelijk bevolen had, hem die niet voor zijn zestienden jaar te +geven, en hij zeker wanneer ze ’t hem verteld had, niet zou hebben +opgehouden, vóor hij ’t in handen had. + +Hij had toen op Helène’s antwoord geen verder acht geslagen. Doch toen +hij nu daar van tijd tot tijd alleen op het kamertje zat en ’t horloge +er natuurlijk niet meer hing, sloeg hij op zekeren dag, kort vóor hij +weer naar de kostschool zou vertrekken, zijn oog naar de plek, waar ’t +horloge gehangen had. + +„’t Was toch een aardig horloge!” zei hij bij zichzelf, „en ’t zou net +goed voor mij zijn. Pa heeft mij vroeger een gouden horloge beloofd, +wanneer ik vijftien jaar zou zijn. Maar mijn verjaardag viel juist in +dien ongelukkigen tijd, toen we alles verloren, en ’t horloge schoot er +bij in. Al de jongens op de kostschool hebben horloges, behalve Ernst, +wiens papa niet rijk genoeg is, om hem er een te koopen. Daar heb je +zoo’n Gerrit Zalmvoort, de zoon van den rijk geworden komenijsman—die +heeft een horloge om te stelen, en ik, die toch van vrij wat +fatsoenlijker afkomst ben dan hij, heb er geen. Helène kan gemakkelijk +zeggen, dat ma haar ’t horloge gegeven heeft; misschien heeft ze zich +dat maar verbeeld. In alle gevallen had ma ’t zeker aan mij geschonken, +wanneer ik destijds thuis geweest was; want een jongen heeft veel meer +behoefte aan een horloge dan een meisje. Ik zal het eenvoudig aan Pa +vragen; die heeft over de erfenis van ma te zeggen, en, als ik hem zijn +vroegere belofte herinner, kan ’t niet anders, of hij geeft het mij. +Als oudsten zoon komt het mij toe en niemand anders!” + +Misschien vindt ge die redeneering en dat besluit van Rudolf +allesbehalve broederlijk, vooral na al ’t geen hij aan Helène te danken +had; we moeten ’t echter uit zijn oogpunt beschouwen, en daarbij niet +vergeten, dat hem reeds beloofd was, dat hij op zijn vijftienden +verjaardag een gouden horloge zou krijgen. Daar dit nu door de treurige +omstandigheden, waarin zijn ouders toen en daarna verkeerden, geen +plaats had kunnen hebben, was ’t immers natuurlijk, dat, nu er een +horloge te vergeven was, hij begreep dat dit aan niemand anders dan aan +hem toekwam. Ook kon hij natuurlijk niet bevroeden, dat Helène, die +toch nooit uitging, er zooveel waarde aan zou hechten; daar ze er +eigenlijk toch niets aan had. + +„Helène,” zei hij toen ze, nadat hij die overdenkingen door zijn hoofd +had laten gaan, weer bij hem in de kamer kwam. „Waarom hang je dat +horloge van ma niet meer op?” + +„Wel, eenvoudig omdat we ’t gelukkig niet meer noodig hebben; daar je +geen medicijnen meer behoeft te slikken.” + +„Dan zou ik er haast spijt over hebben, dat dit niet meer noodig is,” +hernam hij. „Ik had er zooveel genoegen in, het te zien. Weet je, wat +ik van plan ben? Ik zal pa vragen, of hij ’t mij wil geven.” + +„Pa heeft er geen geven over, Rudolf,” antwoordde Helène. „Ma schonk ’t +mij zelf kort vóór zij ’s nachts stierf.” + +„Dat heb je je verbeeld, Helène,” hernam hij. „Ma wist heel goed, dat +mij op mijn vijftienden verjaardag een horloge beloofd was, dat ik niet +gekregen heb, omdat pa ’t geld niet kon missen; dus zou ze ’t immers +natuurlijk aan mij gegeven hebben. Ik ben de oudste zoon en heb er meer +recht op dan jij. Een ring of oorbellen—dat is wat anders; maar een +horloge komt aan een jongen toe, die heeft er nog wat aan. Wat doet een +meisje er mee? ’t Is voor haar maar sieraad—anders niet.” + +„Maar wezenlijk, Rudolf! Ma heeft het mij gegeven,” zei Helène. + +„Toevallig, omdat jij bij haar was,” zei Rudolf. „Als ik thuis geweest +was, had ze ’t natuurlijk aan mij gegeven. Ik heb het terstond, toen je +mij vertelde, dat het van ma was, als mijn eigendom beschouwd, en ik +zou er niet eens zoo op staan, als ’t me niet verveelde, dat de jongens +er telkens aanmerking op maken, dat ik geen horloge heb.” + +„Ik vind dat zeker heel onaangenaam voor je,” hernam Helène. „Doch ik +zie daarin nog geen reden, waarom ik afstand zou doen van mijn goed +recht.” + +„Onaangenaam?” herhaalde Rudolf. „’t Is hard, vreeselijk hard voor me, +om te moeten denken, dat jij daar thuis op je slaapkamer een horloge +hebt hangen, waar je niet het geringste nut van hebt; terwijl ik het +kon gebruiken. En dat zou mij nog niet kunnen schelen, als ik ’t maar +had, zoolang ik nog op school ben. Ma heeft het nu eenmaal aan jou +gegeven, en daar is niets aan te doen. Maar doe me éen plezier, en leen +’t mij voor die maand of wat, dat ik nog op school ben.” + +„Ach! Rudolf! Ik zou ’t niet graag aan iemand leenen! Ma stelde er zulk +een prijs op. Zorg er voor als voor de erfenis van je moeder,” zei ze. +„En nu zou ik ’t uit mijn handen geven.” + +„Wanneer ’t aan een vreemde was, zou ik je volkomen gelijk geven,” +hervatte Rudolf. „Maar als ma nog leefde, zou ze ’t zeker goedkeuren. +Zij zou ’t mij zeker niet geweigerd hebben, als ik ’t haar voor eenige +maanden terleen gevraagd had. Als je veel van me hield, zou je ’t me +niet weigeren; vooral, daar je weet, dat pa als ik ’t hem vroeg, +waartoe ik inderdaad veel lust zou hebben, ’t mij zeker zou toestaan.” + +Met deze woorden ging hij de kamer uit en liet Helène aan haar +gedachten over. De heele zaak was haar als een donderslag op ’t hart +gevallen. ’t Was haar een verschrikkelijk denkbeeld, haar broer van +haar te vervreemden, haar broer, die nog de eenige persoon was met wien +ze vertrouwelijk kon spreken; want van dokter Faminga was ze voor +altijd verwijderd. Daarbij kon ze het denkbeeld niet verdragen, dat +Rudolf aan haar liefde voor hem zou twijfelen. Maar ’t ergste van alles +was, als hij eens werkelijk hun vader in den arm nam. Dan kon ze er +zeker van zijn, dat deze niet alleen er in zou toestemmen, dat Rudolf +het horloge mee naar de kostschool nam; maar er was zelfs alle kans, +dat hij het hem voor goed zou schenken, daar hij meester was om er over +te beschikken en ze geen ander bewijs voor haar eigendomsrecht had dan +haar woord—en dat behoefde hij immers niet te gelooven. Nu de zaken zóó +stonden, begreep ze, dat de wijste partij was, hem maar zijn zin te +geven en ’t kostbaar kleinood voor die weinige maanden in zijn bezit te +laten, hoe hard het haar ook vallen mocht. Toen hij kort daarop weer +binnenkwam, zei ze: + +„Hoor eens, Rudolf. Beloof je me heilig, dat je de grootste zorg voor +’t horloge zult dragen!” + +„Dat beloof ik je,” antwoordde hij. + +„Welnu, dan mag je ’t mee naar school nemen. Maar pas er op en doe ’t +af, als je speelt; want er mocht eens iets aan komen.” + +Dit was dan zoo afgesproken, en, toen Rudolf eenige dagen daarna weer +naar school zou vertrekken stelde ze hem ’t horloge ter hand. + +„Nu, de zorg zij je aanbevolen, Rudolf,” zei ze. „Denk er aan, dat ik +je ’t liefste meegeef, wat ik heb, en zorg er voor.” + +„Daar kun je op rekenen, Helène, maar zou ’t niet goed zijn, dat ik pa +om permissie vroeg om ’t mee te nemen?” + +„Waartoe zou dat noodig zijn?” vroeg ze. „’t Is immers mijn wettig +eigendom. Ma gaf ’t mij voor mijn eigen gebruik en pa weet het. +Daarenboven bemoeit hij zich met niets wat mij aangaat, en zou hij +zeggen, als je hem vertelde, dat ik je ’t horloge geleend heb: „Zoo, is +’t anders niet?” en daarmee was de zaak afgedaan.” + +„Nu, ik voor mij ben er juist niet rouwig om, dat ik er hem niets van +behoef te zeggen,” hernam Rudolf. „Ik vind het alles behalve plezierig, +om hem over ’t een of ander te spreken; hij is altijd zoo knorrig.” + +’t Viel Helène wat af, toen Rudolf weg was. Vooral den laatsten tijd +had ze zooveel aan hem gehad: een metgezel op haar wandelingen, iemand +met wien ze aan tafel praten kon, gezelschap in haar eenzame +avonden.... thans zou weer alles zoo stil en saai worden als ’t voor +zijn komst was. Met de oude Trui of met de kinderen kon ze toch slecht +zoo vertrouwelijk praten als met hem. + +„Ik zal blij zijn, als je voor goed thuis komt, Rudolf,” zei ze den +laatsten morgen tegen hem. + +„Nu, dat zal zoolang niet meer duren,” antwoordde hij. „De groote vraag +is echter of pa mij hier zal houden, dan of hij mij misschien op ’t een +of ander kantoor te Amsterdam zal zien te plaatsen. Is dat het geval, +dan zullen we weinig aan elkander hebben.” + +„Misschien kom je dan de zondagen wel thuis en dat zal een troost en +afleiding voor mij zijn,” zei Helène, en ze dacht aan de lange +vervelende zondagen, die voor haar aanstaande waren. + +Met Dora en Alfred bracht ze hem naar den trein en keerde nog vroeg +genoeg vandaar terug, dat de beide kinderen tijdig op school waren. En +zoo ging zij treurig naar huis, naar het huis, dat haar nu zoo eenzaam +en verlaten voorkwam. Dien avond haalde ze ’t plan van ’t verhaaltje, +waaraan zij begonnen was, voor den dag en—toen dacht ze aan eenzaamheid +noch verveling meer. + +Rudolf zou dien dag bij zijn oom doorbrengen en eerst na den middag +naar de kostschool vertrekken. Van ’t station wandelde hij dus deftig +naar de Keizersgracht, waar hij de familie in welstand aantrof. Daar +hem de zaak met het horloge toch niet erg in den haak scheen en hij dus +niet gaarne zou gezien hebben, dat het opgemerkt werd, had hij ’t met +ketting en al in den zak van zijn buis laten glijden; zoodat niemand er +iets van bespeurde. Hoeveel vroolijker en prettiger Leonie ook was dan +Helène—’t was toch of de stille, ingetrokkene zuster hem meer aantrok +dan de levendige en vroolijke. Geen wonder: waar Helène geheel en al +zelfopoffering was, en voor anderen leefde—kende Leonie geen ander +genot dan dat, hetwelk zij zelf smaakte, geen ander genoegen dan dat, +hetwelk haar werd aangedaan. Dat stond bij hem vast, dat Leonie met het +horloge, als ’t van haar geweest was, niet zou hebben gehandeld, als +Helène gedaan had. Na bij oom en tante gedineerd te hebben, brachten +Leonie en Louise hem naar ’t station, waar hij in den trein stapte, en +weldra aan de kostschool aankwam. + +„Zoo, Rudolf. Ben je weer beter! Kom dat is goed! Dat is patent!” met +deze verschillende uitroepen van blijdschap werd hij op de kostschool +ontvangen; want hij was bij al de jongens bemind en ze hadden er allen +veel van geweten, toen hij ziek de kostschool verlaten had; n.l. +zooveel als een schooljongen er van weet als een van zijn kameraads +ziek naar huis gaat. Dan zijn ze ’t eerste uur stil en akelig, beginnen +vervolgens te praten, of hij nu al thuis zou zijn, zijn ze ’t er +eindelijk over eens, dat hij thuis is, nu dan zijn ze gerust en gaat de +pret zijn ouden gang. Alleen dan, als ze ’t een of ander spelen, waar +hij een baas in was, hoort men nog wel eens de opmerking: „Hoe zou hij +’t wel maken!” „Zou hij gauw terugkomen?” En dat is zoo onnatuurlijk +niet. Jongens op dien leeftijd houden zichzelf en hun kameraden voor +onsterfelijk. ’t Komt dus bij hen niet op, dat hun makker aan die +ziekte zou kunnen sterven, en ’t staat dus bij hen als een paal boven +water, dat hij beter moet worden. Vandaar dan ook de algemeene +verslagenheid, als een hunner door den dood wordt weggenomen; dat +trekken ze zich aan, doch ook slechts kortstondig. + +Maar de blijdschap, dat Rudolf weer beter was, had vooral haar +oorsprong in de oprechte toegenegenheid, welke zij hem toedroegen. +Rudolf toch was zoo’n ferme jongen op de speelplaats, Rudolf liet zich +zijn kaas niet van zijn brood eten en kon als ’t noodig was, zijn +knuisten laten voelen, maar hij was ook klaar om die knuisten voor +anderen te gebruiken, wanneer grootere of sterkere hen wilden +onderdrukken. Daarbij leerde hij goed en had er nooit iets tegen, den +een of ander zijner makkers voort te helpen. Allen hielden veel van +hem, behalve een stuk of twee, drie, die trouwens met geen der +kostschooljongens overweg konden. + +Al de jongens kwamen om hem heen staan, om hem op hun hartelijke, +ronde, echte jongensmanier te bekijken, de hand te drukken en welkom te +heeten. ’t Kon dus niet anders, of de gouden horlogeketting moest hun +in ’t oog vallen. + +„Sakkerloot, Rudolf!” riep een van hen uit. „Je snijdt de kaas met +hompen!” + +„Zeker een lotje uit de loterij getrokken!” zeide een tweede. + +„Nu, je pa heeft in de bus geblazen!” riep een derde uit. + +„Laat het ons eens zien! ’t Is vast een mooi horloge.” + +„Toe laat het ons eens zien, Rudolf,” riepen drie of vier jongens te +gelijk. + +Nu, dat behoefde geen tweemaal gezegd te worden. Terstond had hij het +horloge uit den zak, en deed het de ronde in verscheidene handen; +ofschoon ’t met den haak der ketting aan zijn vestje bleef vastzitten. + +„O, wat een prachtstuk!” riep er een. + +„Zijn ’t echte diamanten?” vroeg een ander. + +„Natuurlijk,” antwoordde Rudolf. „Wie zal valsche steenen op een goud +horloge zetten!” + +„Weet je wel, dat het een dames-horloge is?” vroeg een der jongens. + +„Welzeker,” antwoordde Rudolf met zekeren trots. „’t Is ’t horloge van +mijn overleden mama.” + +De jongens zwegen; met een gestorven vader of moeder zal geen ferme +knaap den spot drijven: hij vindt het natuurlijk, dat men met eerbied +daarvan spreekt. En niemand zou ’t ook gewaagd hebben er een enkele +aanmerking op te maken: want, al waren Rudolfs krachten nog niet geheel +teruggekomen, in zulk een geval had zijn drift hem onoverwinnelijk +gemaakt. Daarenboven iedereen zou ’t laag gevonden hebben, daar +aanmerkingen op te maken. + +„Dus van je mama!” zei Ernst van Hogenberghe. + +„Dat kun je toch ook wel begrijpen, Ernst,” zei Gerrit Zalmvoort op +verachtelijken toon. „Waar zou zijn vader ’t geld vandaan halen, om hem +zoo’n horloge te koopen? Ik heb bij een oom in Amsterdam gelogeerd en +daar gehoord, dat meneer Nederhorst bankroet heeft geslagen, en zijn +huis, ja zelfs zijn meubels door zijn crediteuren heeft zien verkoopen. +Dat heeft hij mooi verborgen gehouden! Jammer dat ik juist in Amsterdam +moest logeeren, anders had hij hier nog langer den banjer uitgehangen!” + +Rudolf stond als van den donder getroffen. Een donkere gloed van +schaamte rees op zijn gelaat, zijn oogen flikkerden van inwendige +woede. Zoo iets te moeten aanhooren en te weten dat men ’t geen liegen +kan heeten—’t is verschrikkelijk! + +De jongens stonden een oogenblik sprakeloos en keken elkander aan, in +de blijkbare verwachting dat Rudolf zulk een beleedigende uitdaging zou +tegenspreken. Maar dat gebeurde niet. + +„Maak hem tot een leugenaar, Rudolf!” riep er een uit.—„Laat hem ’t +bewijzen!” schreeuwde een ander.—„Ik liet me zooiets niet zeggen!” +kreet een derde. + +„Ik kan het bewijzen!” riep Gerrit. „Toen ik bij mijn oom zoowat +opnoemde, wie er al hier op school waren, noemde ik Rudolf Nederhorst, +een fermen jongen, wien ik van tijd tot tijd vrij wat geld geleend had. +„Geld geleend!” riep mijn oom uit, „dat kun je gerust uitschrappen; +want daar zie je nooit een rooie cent van terug.” En toen vertelde hij +mij, dat meneer Nederhorst zulk een schandelijk bankroet geslagen +heeft.” + +„Dat is een fatale leugen!” riep Rudolf uit. „’t Is waar, dat pa +ongelukkig is geweest, ’t is waar dat hij zelfs alles verkocht heeft; +maar hij heeft zijn crediteuren tot den laatsten cent betaald en is dus +geen bankroetier, evenmin als hij een rijk geworden komenijsman is, +zooals jouw vader met wien hij, al heeft die ook nog zooveel geld, niet +zou willen ruilen, omdat hij nooit met een schortje aan achter de +toonbank zou hebben willen staan.” + +Nu was het de beurt van Gerrit Zalmvoort om een kleur te krijgen. Wat +hij altijd zoo zorgvuldig verborgen had gehouden, en de anderen slechts +aan zijn minder beschaafde uitspraak en manieren hadden gemerkt, dat +hij een jongen was, die volgens stand en opvoeding niet onder de +jongens van meneer Voornvissers school thuis behoorde, werd hem daar op +eens voor de voeten geworpen. Wat hielp ’t hem nu, of hij al de rijkste +jongen op de kostschool geweest was, die met zijn geld gebluft had? +Iedereen wist nu, dat zijn vader met een sloofje aan achter de toonbank +gestaan en rookvleesch, ham, kaas en worst gesneden had. + +’t Is wel ongelukkig, niet waar? dat men de menschen naar hunne +betrekking in de maatschappij acht; terwijl eigenlijk alleen deugd en +goed gedrag hun waarde moesten bepalen. Maar dat is nu eenmaal zoo, en +in de maatschappij is ’t een conventioneele toestand, dat er standen +zijn; ’t geen voor ’t behoud eener goede orde noodzakelijk is. Maar dat +dit verschil van standen kinderen moeten scheiden, is onnatuurlijk en +barbaarsch. Wat kon Rudolf het helpen, dat zijn vader ongelukkig +gespeculeerd had, wat zelfs had hij ’t kunnen doen, al had meneer +Nederhorst een frauduleus bankroet geslagen? En aan den anderen +kant—wat kon Gerrit Zalmvoort er aan doen, dat zijn vader zijn geld +eerlijk met ham en worst snijden verdiend had; wat had hij er zelfs +tegen kunnen doen, al had zijn vader zijn geld met schelmerij verdiend? +Inderdaad—er is niets dwazer, ongerijmder, lager en verachtelijker +zelfs, dan kinderen strafbaar te stellen voor ’t geen hun ouders +misdaan, ja, soms zelfs niet misdaan hebben! + +De meeste jongens, die van goeden huize waren, voelden zich bitter +gekrenkt, dat ze familjaar met den zoon van den komenijsman hadden +omgegaan, en Gerrit wist dat. Daarom maakte ’t verwijt van Rudolf, dat +ook hij niet kon tegenspreken, hem woedend. + +„Betaal je schulden, bankroetierszoon!” riep hij. + +„Dat zal ik doen, komenijsman!” antwoordde Rudolf. „Ik zal je alles +betalen wat ik je schuldig ben, met nog een pak slaag op den koop toe.” + +De jongens maakten ruimte in afwachting dat ze nu aan ’t plukharen +zouden gaan; want zoo’n vechtpartijtje was alles voor hen. + +Daar ging op eens een stem uit het midden van den troep op: ’t was die +van Ernst van Hogenberghe. + +„Jongens!” riep hij. „Als er gevochten moet worden, laat het dan +tusschen twee posturen zijn. Gerrit is gezond en sterk als een leeuw; +Rudolf nog verzwakt van de koorts. Dat zijn geen posturen!” + +„Neen, dat zijn ze niet en we zullen ’t niet toelaten, dat er gevochten +wordt!” riepen al de jongens uit. + +Toen nam Ernst zijn vriend onder den arm en voerde hem, half met +geweld, vandaar weg. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN ONGELUKKIG REDMIDDEL. + + +„Is ’t waar, Rudolf, wat Gerrit daar zei?” vroeg Ernst van Hogenberghe +hem, toen zij alleen waren. + +„De zaak van mijn vader?” vroeg Rudolf. + +„Neen, die meen ik niet. Ze is ongelukkig genoeg, maar kan je nooit tot +schande strekken, en een laag karakter, die den zoon verwijt wat zijn +ouders gedaan hebben.” + +„En dan nog op zoo’n gemeene, lage manier,” zei Rudolf. „Alsof pa een +bankroetier was!” + +„’t Stond jou evenmin mooi, hem te verwijten, dat zijn vader een rijk +geworden komenijsman is. Je hebt hem daardoor in de oogen van al de +jongens vernederd.” + +„’t Viel mij in mijn drift uit den mond,” zei Rudolf. „Als jij of een +ander mij verweet, wat hij durfde doen, zou ik ’t misschien geduldig +verdragen; maar uit den mond van zoo’n jongen....” + +„Juist tegenover zoo’n jongen moest je gezwegen hebben, vooral omdat je +verplichtingen jegens hem hebt, ten minste als het waarheid is, wat +Gerrit daar zei: en dat was het, wat ik je zooeven vroeg. Heb jij, die +wist in welke omstandigheden je vader zich bevond, geld geleend, en dat +nog wel van zoo’n jongen!” + +„Helaas! ja, Ernst,” antwoordde Rudolf. + +„En is ’t veel?” + +„Ik vrees van ja. Om je de waarheid te zeggen, heb ik er geen rekening +van gehouden.” + +„Nog dwazer—Gerrit kan je nu voorleggen wat hij wil en je kunt hem het +tegendeel niet bewijzen. Ik wou, dat ik je helpen kon, dan verloste ik +je terstond uit zijn klauwen. Maar je weet zelf, hoe schriel ik ’t moet +aanleggen om rond te komen. Niet dat ik er mij over schaam—dat heb ik +nooit gedaan; maar ik heb ook nooit een cent van iemand geleend, hoe +hartelijk ’t mij ook door verscheidene is aangeboden.” + +„Dat weet ik, en ik had evenzoo moeten doen,” hernam Rudolf. „Maar +valsche schaamte weerhield me. Ik, die vroeger altijd zoo ruim van +zakgeld voorzien was, bekennen, dat ik nu niet meer mee kon doen! Dan +had ik tevens de treurige geldelijke omstandigheden van pa moeten +meedeelen...” + +„Die nu toch aan ’t licht gekomen zijn, en wel op een vrij wat +onaangenamer manier dan toen ’t geval zou zijn geweest,” hernam Ernst. +„Je hadt eenvoudig kunnen zeggen: pa houdt me tegenwoordig kort; dus +kan ik er niet aan meedoen. Doch ’t is nu te laat, en je moet ’t nemen +zoo als ’t is. Kun je ’t geld niet van den een of ander te leen +krijgen?” + +„Van wien zou ik dat te leen krijgen!” zuchtte Rudolf. „Pa kan ’t mij +niet geven, mijn zuster heeft het ook niet, en bij mijn oom Walburg, +ofschoon hij rijk is, zou ik er niet mee durven aankomen.” + +„En toch zou ik ’t royaalweg aan mijn vader schrijven,” zei Ernst. „’t +Zal hem voor dien eenen keer een kleine opoffering en jou natuurlijk +een duchtig verwijt kosten (dat je trouwens dubbel en dwars verdiend +hebt), maar je tevens verlossen uit de handen van een jongen, die zoo +gemeen is, dat ik hem tot alles in staat reken.” + +„Je hebt gelijk, en ik zal het doen,” antwoordde Rudolf. + +Maar daar kwam weder die ongelukkige valsche schaamte in den weg. In +plaats van royaal aan zijn vader te schrijven schreef hij den volgenden +brief aan Helène. + + + „Lieve Helène. Aan pa schrijvende, sluit ik hier een lettertje aan + jou in. Zooals je uit pa’s brief wel zult vernomen hebben, ben ik + goed en wel hier aangekomen, en neem ik deze gelegenheid waar, om + je nogmaals te bedanken voor al de zorgen, die je aan mij gedurende + mijn ziekte en mijn herstel besteed hebt. Hoeveel ik altijd van je + gehouden heb—ik houd nu nog meer van je, en dat voel ik eerst + recht, nu ik hier weer onder vreemden ben, die hoe goed ze ook voor + mij zijn, toch jou niet vervangen kunnen. + + „’t Zal je ook wel stil zijn, nu ik weg ben. Maar jij hebt altijd + Dora en Alfred nog, die je den tijd verdrijven. Niet dat ik mij + hier verveel, o, neen! De jongens zijn allen even goed en + vriendelijk voor me. Ze waren heel blij dat ik terug was. Hoe goed + ze echter zijn, er gaat niets boven een zuster, ten minste niet + voor + + „je liefhebbenden broer + Rudolf.” + + + „PS. Heb je meneer Radinus nog wel eens gezien, sedert ik weg ben? + Ik kan ’t nog maar niet opkrijgen, dat pa hem zoo vijandig is. Je + moet er toch eens zien achter te komen, wat er de reden van is.” + + „PS. PS. Ik heb geld noodig. Zou je niet een twintig, + vijf-en-twintig gulden voor mij van pa kunnen krijgen? Ik wil ’t + later wel van mijn weekgeld inhalen. Misschien heb je ’t nog wel in + je spaarpot, of van ’t huishoudgeld een spaarpotje gemaakt. ’t + Liefst had ik dat je ’t mij kon voorschieten—dan had pa er niets + mee te maken.” + + +Uit dezen brief kunt ge den heelen Rudolf proeven. Inplaats van rond +voor de zaak uit te komen en te zeggen dat hij geld geleend had, liep +hij er luchtig over heen en haalde ’t los in ’t voorbijgaan in een +postscriptum aan. Was het dus wel wonder, dat hij een brief kreeg van +den volgenden inhoud: + + + „Lieve Rudolf. Je brief deed me veel genoegen, ofschoon ik niet + begrijp, hoe het komt, dat jij, die toch weer naar de kostschool + verlangde, je niet volkomen gelukkig gevoelt onder je kameraads. + Waarschijnlijk een gevolg van de overgebleven zwakte. Dat zal wel + spoedig beter worden. Ontzie echter vooreerst je krachten en doe + niets boven je macht—’t zou zeer nadeelig voor je gezondheid kunnen + zijn. Wat aangaat je vraag om geld, beste jongen, ’t spijt me, dat + ik daaraan niet voldoen kan. Ik heb gedurende de ziekten van ma, pa + en jou alles wat ik had voor bijzondere uitgaven moeten gebruiken + en nog ander geld daarbij. En op het huishoudgeld kan ik geen cent + besparen: ’t is toch al moeielijk genoeg, om daarmee rond te komen. + Wat pa aangaat, dien zou ik ’t niet durven vragen. Hij gaat gebukt + onder de groote uitgaven, welke hem drie zoo kort op elkander + gevolgde ziekten veroorzaakt hebben. Je zult je voor ditmaal dus ’t + genoegen moeten ontzeggen, van met de andere jongens mee te doen, + ’t geen je des te beter kunt, wanneer je je nog zwakke gezondheid + in rekening brengt, waarbij je gerust kunt aanvoeren, dat dokter + van Esch je uitdrukkelijk verboden heeft, om in den eersten tijd + aan overspannende lichaamsoefeningen deel te nemen. + + „De hartelijke complimenten van Dora en Alfred. Ik ben als altijd + + je liefhebbende + Helène. + + +Wanhopig wierp Rudolf dien brief neer, en bromde op zusters, die niets +voor haar broers over hadden. Gedurende zijn herstel toch had hij wel +bemerkt, dat ze een afzonderlijk potje had; want ze had dikwerf voor +hem versnaperingen laten halen, welke ze uit een andere beurs dan die +van ’t huishoudgeld bekostigd had. Had de knaap geweten, dat dit geld +kwam van ’t zuur verdiende copieloon, dat met de buitengewone uitgaven +geheel en al was opgeraakt, zonder dat zijn edelmoedige zuster er voor +zichzelf ’t noodwendigste afgenomen had—hij zou zich geschaamd hebben, +haar om iets te vragen; nog meer beschaamd, dat hij „en grand seigneur” +geleefd had; terwijl zijn arme zuster zich na haar drukken, huiselijken +arbeid, ’s avonds had ingespannen, om eenig geld te verdienen. Doch +Rudolf wist dit niet, daar Helène het zorgvuldig voor hem verborgen +gehouden had. Daardoor kon hij dan ook niet weten, dat ze in den +laatsten tijd, juist door zijn ziekte, geen geld had kunnen verdienen. + +Ofschoon de handen van Rudolf jeukten, om Gerrit Zalmvoort eens een +ferm pak slaag te geven—begreep hij dit tot een gelegener tijd te +moeten uitstellen en wel, tot zijn krachten zouden bijgekomen zijn. En +nog dan was ’t niet voorzichtig geweest; want, als hij soms door zijn +meerdere vlugheid Gerrit een nederlaag had toegebracht, zou deze nog +meer gebruik gemaakt hebben van ’t zedelijk overwicht dat hij op zijn +schuldenaar had, door ’t geld dat deze hem schuldig was. Schier +dagelijks maande Gerrit hem om betaling, ja, dreigde hem, de zaak aan +meneer Voornvisser aantegeven, en de nood dreef Rudolf eindelijk, om +aan een deur te kloppen, waar hij ’t wel allerminst graag deed, +ofschoon zeker niemand beter in staat was, om hem te helpen: hij +schreef aan oom Walburg. + +Den dag nadat hij dien brief verzonden had, waarop Rudolf, al mocht +zijn oom ook een beetje knorrig zijn, stellig een gunstig antwoord +wachtte, vond Gerrit Zalmvoort hem alleen en sprak hem aan. + +„Hoor eens, Rudolf,” begon hij. „Mijn geduld loopt ten einde. Vijf en +twintig gulden veertig is geen kleinigheid. Gelukkig, dat de +komenijsjongen een rijken vader heeft, anders zou hij er mooi mee +zitten. Maar ondanks dat, laat de komenijsjongen zich door den kalen +Amsterdamschen heer niet van ’t hem eerlijk toekomend geld berooven. +Aan bedelaars van jouw soort kan men alle dagen zijn geld kwijt raken. +Ik verlang dus mijn geld of een gedeelte er van, anders ga ik naar +meneer Voornvisser, en dan moet je maar afwachten, wat er van komt.” + +Rudolf keek hem met een blik vol verachting aan. + +„Wees maar niet bang voor je geld,” zei hij. + +„Dat zeggen ze meer,” hervatte Gerrit. „En ’t is heel gemakkelijk +iemand met zulke machtspreuken af te schepen. Ik vraag echter een +klinkend antwoord. Ik heb je nu lang genoeg krediet gegeven en verkies +je niet langer te borgen. Ik ben wel dom geweest, dat ik mij zoo heb +laten afzetten.” + +Ofschoon Rudolf zich van toorn op de lippen beet en een kleur van +gramschap kreeg, bedwong hij zich echter en zei tamelijk kalm: + +„Binnen een paar dagen verwacht ik de toezending van een bankje van ƒ +25; dan zal ik je voluit betalen.” + +„Ei, ei! Zoo, zoo! En waar zul je dat van daan halen? Heeft je pa ’t +misschien in een oude kous voor je gespaard?” + +„Dat kan jou niet schelen.” + +„Maar wel, dat ik mijn duiten krijg. Ik heb mijn geld zelf noodig en +bedank er voor, om langer te wachten. Wat dat verwachten van geld +aangaat, daarvan geloof ik geen enkel woord, voor ik den brief zie, +waarin je de zekerheid wordt gegeven, dat het komen zal.” + +„Welzeker!” riep Rudolf, die dit natuurlijk niet kon doen, hooghartig +uit, „je nog mijn particuliere brieven op den koop toe laten zien. En +dat voor een bagatel van vijf en twintig gulden!” + +„Als het dan zoo’n bagatel is, betaal het dan maar.” + +„Zoodra ik ’t geld krijg.” + +„Dat ik je heet liegen, zoolang ik den brief niet gezien heb, waarin ’t +staat.” + +„Mijn woord moet je genoeg zijn.” + +„Jouw woord?” riep Gerrit schaterend van lachen uit. „’t Woord van een +afzetter, die geld van iemand leende, toen hij wist dat hij ’t nooit +zou kunnen terug betalen. Van iemand, die door jou zoo bedrogen is als +ik, zul je toch wel geen onvoorwaardelijk geloof kunnen verwachten.” + +’t Was vreeselijk voor Rudolf zich zoo diep te moeten zien vernederen +door een knaap, dien hij zoo zeer verachtte. Wel werd aan hem de spreuk +bewaarheid: Die zich onder de varkens mengt, moet draf eten. Geduldig +moest hij al die vernederingen verdragen. ’t Minste wat hij er tegen in +zeide, zou zijn schuldeischer geducht op hem wreken. Hij zweeg dus op +die beleedigende woorden en zei alleen: + +„Heb dan geduld, tot het geld komt.” + +„Ik heb al zoolang geduld gehad en verkies meerdere zekerheid, of ik ga +terstond naar meneer Voornvisser. Ik heb ’t geld zelf noodig.” + +„Maar ik kan het toch niet van mijn lijf snijden,” hernam Rudolf.” + +„Je kunt het in alle gevallen leenen.” + +„Ik leenen? Wie zal mij geld leenen?” + +„O, een boel menschen, mits je hun een onderpand geeft.” + +„Ik heb geen onderpand,” antwoordde Rudolf. + +„Wat? Heb jij geen onderpand? Heb je daar geen mooi gouden horloge; +daar zul je ten minste wel vijf en twintig gulden op krijgen; dan kun +je mij betalen en ’t horloge later lossen. Acht stuivers zul je toch +wel in je zak hebben. Ik geef je een uur tijd om er over na te denken. +Als je over een uur niet tot het besluit gekomen bent, om het te doen, +dan klaag ik je terstond bij meneer Voornvisser aan.” + +„Ellendige, inhalige vrek!” mompelde Rudolf, weinig bedenkende, dat +Gerrit in zijn volle recht was, en dat hij in diens geval zeker niet +anders zou gehandeld hebben, vooral na de beleediging, welke hij hem +had aangedaan door hem openlijk als den zoon van een komenijsman bekend +te maken. Daarenboven was ’t immers geleend geld, en nog wel geleend op +een tijd, waarop hij wist, dat hij ’t niet terug zou kunnen geven. Dat +Gerrit dus op betaling aandrong, was natuurlijk, en dat hij dreigde de +zaak aan meneer Voornvisser aan te geven, was niet minder natuurlijk. +En wat gaf hij er om welke waarde ’t horloge voor Rudolf kon hebben—als +hij zijn geld maar had. Daarenboven—Rudolf behoefde ’t immers niet te +verkoopen, slechts te verpanden. Tot zooverre dus was Gerrit in zijn +recht. Had hij nu Rudolf naar een door de wet erkende lombard of bank +van leening verwezen—er ware niets op zijn gedrag te zeggen geweest.... +dat hij den onergdenkenden jongeling echter met een woekeraar in +aanraking bracht, was onvergeeflijk—was misdadig. + +„Ellendige, inhalige vrek!” riep Rudolf uit, toen Gerrit hem verlaten +had. „Wat ben ik toch een dwaas geweest, om mij zoo in zijn klauwen te +werpen! Was Ernst maar hier! Dan kon ik hem raadplegen!” + +Maar Ernst had ongelukkig sedert eenige dagen de kostschool verlaten. +De plotselinge dood zijns vaders, die kort voor ’t einde van ’t +kwartaal had plaats gevonden, had mevrouw van Hogenberghe, wier +weduwepensioen te gering was om het kostgeld voor hem te betalen, aan +den heer Voornvisser doen verzoeken, haar met het einde van ’t kwartaal +van haar verplichtingen te ontslaan, hetgeen deze gedaan had. En zoo +had zijn beste en oprechtste vriend hem verlaten en kon hij hem niet om +raad vragen; zeker een ongeluk in den toestand, waarin hij zich bevond. +Aan geen der andere jongens had hij zich zoo aangesloten, geen van hen +deelde zoo in zijn vertrouwen. Hij stond dus alleen, en waar Ernst hem +bepaald zou hebben aangeraden, om liever meneer Voornvisser in de zaak +te betrekken, in welk geval alles zeker beter zou zijn afgeloopen, +begon hij al spoedig tot het voorstel van Gerrit over te hellen. + +„’t Is inderdaad het best wat ik doen kan,” zei hij bij zichzelf. „’t +Is toch maar voor een dag of wat; want oom zal mij de vijfentwintig +gulden zeker wel zenden. Had ik er maar een paar dagen vroeger om +geschreven, dan had ik ’t nu al gehad. De dreigementen van dien jongen +vervelen mij. Alles liever, dan langer onder hem te moeten zitten.” + +„Maar,” sprak een inwendige stem, „je hebt Helène plechtig beloofd, +alle zorg voor ’t horloge te dragen.” + +„Mijn hemel! Ik verkoop het niet; ik geef het maar voor een korten tijd +aan een ander in bewaring.” + +„Maar Helène zou ’t niet willen hebben, dat je het deedt,” hervatte +zijn beter ik. + +„Wat komt er dat op aan! Meisjes zijn altijd zoo bang en vreesachtig. +Ik zal er echter wel voor zorgen, dat ze er niets van verneemt.” + +„Welnu,” vroeg Rudolf, toen Gerrit terugkwam. „Bij wien kan ik nu geld +te leen krijgen op ’t horloge?” + +„Ha! Heb je toch eieren voor je geld gekozen!” zei Gerrit. + +„Ik vraag je, waar ik geld kan krijgen op dit horloge?” + +„In Amsterdam, bij Mozes Zadok. Een goede kerel, dien je vertrouwen +kunt.” + +„Zoo. Maar hoe zal ik bij hem komen?” + +„Dat hoeft niet. Ik zal dat zaakje wel voor je behandelen.” + +„In ’t geheel niet. Zulke zaken doe ik ’t liefst zelf,” hervatte +Rudolf. „Maar ik had liever dat de kerel hier op het dorp woonde; dat +was handiger.” + +„’t Is morgen Zondag. Als je nu aan meneer Voornvisser vertelt, dat je +papa graag had, dat je morgen voor den middag in Amsterdam kwam, dan +zal hij er zeker niets tegen hebben, dat je daarheen gaat. Ja, als je +’t graag hebt, wil ik wel meegaan. Zadok is een kennis van me en als ik +er bij ben, behandelt hij je zeker civieler.” + +„Ik bedank om ’t voor jou te vragen. Dat zou achterdocht verwekken.” + +„Mij goed; doe ’t dan niet. Maar je zult er spijt van hebben—dat +verzeker ik je.” + +Hierop gaf hij hem een volledige beschrijving van ’t een en ander. +Daarop ging Rudolf naar meneer Voornvisser. ’t Kostte hem, die gewoon +was altijd de ronde waarheid te zeggen, moeite om zijn onderwijzer zoo +goedsmoeds wat voor te liegen, en hij besloot, dat hij, als hij uit de +netelige zaak gered was, zich nooit weer in zulk een wespennest zou +begeven. Hij kreeg ’t gevraagde verlof, en, na van Gerrit geld te +hebben geleend voor de reis, waardoor de schuld alweer vermeerderde, +ging hij den volgenden dag met een retour naar Amsterdam. Wie hem daar +had zien komen, zou ’t er zeker voor gehouden hebben, dat zijn geweten +niet zuiver was, en, om u de waarheid te zeggen, klopte zijn hart van +angst, dat hij soms zijn oom of tante of een zijner kennissen mocht +tegenkomen; waardoor hij stellig verraden zou zijn geworden. Hij volgde +dan ook niet den koninklijken weg, maar sloop door zij- en +achterstraten naar de straat, waar Mozes Zadok woonde. + +’t Was een ruime winkel met slechts éen breed raam, maar als men er +voor stond kon men duidelijk bespeuren, dat Mozes in alle zaken +handelde; want wat daar al niet in bonte wanorde door elkander voor de +glazen lag, is schier niet te gelooven. Rudolf zag daar onder andere +ook eenige zilveren en gouden horloges liggen. Met een kloppend hart +stapte hij den stoep op, deed de onderdeur, waarvan de bovendeur wijd +aan stond, open en trad, terwijl een veerschel een vreeselijk gelui +aanhief, het met blauwe tegels bevloerde voorhuis binnen. Van de +helder-lichte straat zoo op eens in het betrekkelijk donkere voorhuis +komende, kon hij geen hand voor de oogen zien, toen een schelle stem, +die van achter de toonbank scheen te komen, hem, zoodra de voorschel +had opgehouden te luiden, tamelijk onbeleefd toeriep: + +„Wat mot je? Verkoopen of beleenen?” + +„Beleenen,” antwoordde Rudolf, die nu eerst een mageren, tamelijk +haveloozen jongen van een jaar of zestien achter de toonbank zag +zitten. + +„Ga dan het trapje maar op, die dubbele deur door; daar is de patroon,” +antwoordde de knaap, op een knop drukkende, waardoor een schel op de +opkamer werd gehoord. De porte-brisée was voor de helft van kleine +ruiten voorzien, die met groen gaas bespannen waren, zoodat men er +doorheen kon zien. Nauwelijks stond hij op de bovenste trede, of de +deur werd van binnen opengetrokken en hij bevond zich in een donker, +smerig vertrek, van een groot raam voorzien. Aan de wanden waren kasten +en laden. Vóor het raam zat aan een lessenaar de eigenaar van den +winkel, Mozes Zadok, een man van in de zestig jaar, met grijze lokken, +een paar listige oogen en een sluwen glimlach om den mond. Zijn magere +gestalte was in een soort van tabbaard of kamerjapon gehuld en op ’t +hoofd had hij een zwartfluweelen kalotje. + +„Waarschijnlijk de jongeheer, die van wege meneer Zalmvoort komt,” zei +Mozes sluw en nederig. „Kom nader, jongmensch.” + +„Ik kom in ’t geheel niet van wege Gerrit Zalmvoort,” antwoordde Rudolf +trotsch. „Ik kom voor mijn eigen zaken.” + +„Nu, ja, zoo meende ik ’t ook niet,” antwoordde Mozes. „Ik meende, de +jongeheer, die door meneer Zalmvoort aan me gerecommandeerd is.” + +„Niemand behoefde mij aan u te recommandeeren,” hervatte Rudolf. „’t +Schijnt echter, dat Gerrit Zalmvoort bijzondere connectiën met u +onderhoudt, daar hij u vooraf van mijn komst onderricht heeft.” + +„Alles in mijn voordeel, beste jongeheer,” antwoordde Mozes. „Wij arme +lieden zijn zoo dikwijls de dupes van ’t bedrog van vreemden, dat we +blij zijn, als iemand ons een fatsoenlijk mensch recommandeert, die ons +niet bedriegt, zooals met die vreemden dikwerf het geval is.” + +Rudolf, hoe onbekend hij ook met de wereld was, begreep zeer goed, dat +Mozes Zadok er de man niet naar was, om zich te laten beetnemen en wist +niet, wat hij er van maken moest dat Gerrit aan Mozes vooraf van zijn +komst bericht had gegeven. Hij bleef daar echter niet lang over denken, +maar haalde zijn horloge voor den dag en zeide: + +„Ik wou op dit horloge dertig gulden te leen hebben. ’t Zal +waarschijnlijk slechts voor weinige dagen zijn, dat ik het geld noodig +heb.” + +Zadok nam ’t horloge aan, bekeek het, woog het op de hand en zeide +minachtend: + +„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard—uit de mode.” + +„’t Heeft pa toch geld genoeg gekost,” zei Rudolf. + +„Wel mogelijk. Een twintig, dertig jaren geleden misschien.” + +„En rekent u de juweelen dan niet waarmee ’t bezet is?” + +„Als die er niet op waren gaf ik er geen drie gulden op pand voor,” +antwoordde Zadok. + +„En dan de gouden ketting?” vroeg Rudolf. + +„Nu, weet je wat: omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd ben, +zal ik er je dertig gulden op voorschieten—anders kreeg je er niet meer +dan twintig, zoowaar ik Mozes Zadok heet. Hier is ’t geld. Je naam +is...” + +„Rudolf Nederhorst.” + +„Nu meneer Nederhorst,” ging Zadok voort. „Teeken nu dat kleine +papiertje, waarbij je bekent, dat je me dertig gulden schuldig bent. Je +kunt het aan kleine payementen af doen, als je wilt. Hier heb je van +mij het bewijs, dat je me een gouden horloge verpand hebt.” + +Rudolf teekende het briefje en ontving het bewijs. Met een verruimd +hart ging hij de deur uit, nam weder den weg, waar hij de minste kans +had van door bekenden gezien te worden en kwam zoo aan ’t station, waar +hij nog eenigen tijd op ’t vertrek van den trein moest wachten. + +Wie dien morgen in de wachtkamer derde klasse had gekeken zou daar een +in rouw gekleeden, ongeveer zestienjarigen knaap hebben zien zitten, op +wiens bleek gelaat de sporen van angst te lezen waren en die zijn oogen +meestal strak op den grond gevestigd hield. Hij zou misschien +medelijden met hem gekoesterd en gemeend hebben, dat hij voor zijn +vervolgers vluchtte. Maar wie in de ziel van dien knaap had kunnen +lezen, zou daarin reeds de eerste zaden van innig berouw hebben +gevonden over een daad, wier afschuwelijkheid hij, nu ze bedreven was, +eerst in al haar laagheid zag. ’t Had weinig gescheeld, of diezelfde +knaap had zich naar de Keizersgracht begeven, had daar aan ’t huis van +den rijken meneer Walburg gescheld, was zijn oom te voeten gevallen, +had hem alles bekend en gesmeekt, met hem naar Mozes Zadok te gaan om +’t horloge van meneer Walburgs overleden zuster voor ’t ontvangen geld +terug te eischen. O, had hij ’t gedaan—hij zou zich zelf en zijn brave +zuster vrij wat verdriet bespaard hebben. Maar valsche schaamte deed +hem daar in de wachtkamer toeven, valsche schaamte deed hem ’t eenige +redmiddel verwerpen—daar ging de bel... Rudolf spoedde zich in den +trein, de conducteur knipte ’t retourkaartje, sloeg ’t portier toe... +daar klonk nog even de bel, de fluitjes der conducteurs lieten zich +hooren, en met hijgend geluid voerde de locomotief hem weg van de +plaats, waar hij ’t verraad aan zijn zuster gepleegd had. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +LENTEKNOPPEN. + + +Het wordt tijd, dat we naar die zuster terugkeeren, welke we ’t laatst +ontmoetten, toen ze den draad van het voor Rudolfs ziekte begonnen +verhaaltje weder opvatte. Maar ’t wou niet lukken. Ze was het vroeger +door haar geweven verband kwijtgeraakt, en zag er geen kans op de los +daar neder geschreven, schetsachtige aanteekeningen weer zoo juist bij +elkander te brengen. Ze begreep, dat het een mislukte arbeid zou +worden, nam een kort en moedig besluit en scheurde al wat ze geschreven +had aan stukken. Nu zette ze een nieuw plannetje op het touw, veel +eenvoudiger in verbinding en ontwikkeling, schreef haar schets op, +verdeelde haar hoofdstukken en begon te schrijven. Zoo wonder wel +gelukte haar dit, dat ze menigen avond een uurtje langer opbleef, om +een of ander hoofdstuk af te werken, en ’t was dan ook spoedig gereed. +Nu schreef zij een brief aan meneer Radinus, pakte het in en schreef +het adres van den redacteur van het Tijdschrift nogmaals op ’t pakket. + +„Breng dat even naar dokter Faminga, Trui,” zei ze. + +„Heel goed, juffrouw,” antwoordde de meid. „U hebt al lang geen pakjes +naar den goeden dokter gestuurd. Hij zal wel gedacht hebben dat u dood +was.” + +„Die pakjes zijn niet voor hem, Trui,” antwoordde Helène. „Ik zou niet +graag een pakje voor hem sturen; want pa mocht er eens achterkomen. Hij +bezorgt ze slechts aan hun adres.” + +„Zoo,” zei Trui droog, en ze snelde heen, om het pakje te bezorgen. Het +duurde niet lang, of Helène kreeg een antwoord van meneer Radinus, een +antwoord, dat menig ander voor goed uit het veld geslagen zou hebben, +doch haar juist aanspoorde, om andermaal haar krachten te beproeven. +Dat antwoord, hetwelk met de terugzending van haar copie vergezeld +ging, luidde aldus: + + + „Mejuffrouw. Met veel genoegen ontving ik van u een oorspronkelijk + verhaaltje, en ik heb mij de moeite gegeven, het geheel te + doorlezen en van aanmerkingen te voorzien. + + Het geheel toont, dat ge wel aanleg hebt. Lees nu mijn aanmerkingen + oplettend na, neem ze niet aan, voor u begrepen hebt waarom ik + gelijk heb, en werk dan ’t zelfde idée nog eens geheel om; + misschien is het dan de plaatsing in mijn tijdschrift waard. In dat + geval kunt ge daarop, als ook op een behoorlijk honorarium rekenen; + want het is mij van hoog belang, van tijd tot tijd nieuwe, frissche + krachten onder mijne medewerkers op te nemen. Wat ik u vooral moet + aanraden: werk niet met overhaasting. Aankomende talenten moeten + langzaam en bedaard arbeiden en er wel over denken, eer ze een zin + neerschrijven. Daarna leest ge ’t geheel nog eens over, besnoeit + hier het overtollige en zet daar het ontbrekende bij. Eindelijk + schrijft ge alles nog eens over. ’t Is zeker een lange en + omslachtige weg, dien ik u voorschrijf—’t is de eenige, die tot het + doel kan leiden. + + Geloof mij, Mejuffrouw, + + uw toegenegen vriend + A. D. Radinus.” + + +’t Was inderdaad een lange weg, dien meneer Radinus haar voorschreef. +Maar ze was niet zoo verwaand, om den raad in den wind te slaan van een +man, die zeker beter dan iemand op ’t punt van lektuur voor de jeugd +beoordeelaar en raadsman tegelijk was. Ze volgde dus zijn raad en +hoopte nu, dat haar verhaaltje zou worden geplaatst. Wel eenigszins +ontmoedigend mocht het heeten, dat ze het terug kreeg, nu met +aanmerkingen over stijl en constructie. „Thans,” schreef hij, „hebt ge +’t alleen oplettend te corrigeeren en dan nog eens in ’t geheel over te +schrijven; want bij ’t overschrijven zult ge steeds nog iets te +veranderen vinden, als ge ten minste geen bloote copiïst zijt.” + +Ten derde male zond onze geduldige schrijfster haar werk in, en nu +volgde het antwoord, dat het verhaaltje weldra geplaatst en dat haar +bij ’t afdrukken ’t honorarium ter hand gesteld zou worden. Had ze eens +geweten, dat meneer Radinus daar ginds op de villa aan den weg woonde, +en dat hij het was, die zich een moeite gaf, welke niemand voor haar +zou over gehad hebben! Welke redacteur toch zou zich de moeite hebben +getroost, om zoo het werk eener aankomende schrijfster na te zien en +nogmaals te herzien? Wie zou het ontluikende talent, dat nog in de +windselen lag, zoo aangemoedigd hebben, als ’t niet iemand was, die in +de jeugdige auteur belang stelde als in een dochter? Zeker waren haar +dan de aanmerkingen van den pseudoniem Radinus des te aangenamer en nog +meer waard geweest. + +En toch was ’t vreemd, ofschoon wel begrijpelijk, dat ze zich meneer +Radinus onder de gedaante van dokter Faminga voorstelde. Vooreerst in +de brieven die zij van meneer Radinus ontving, dezelfde hartelijkheid +als in de gesprekken van den dokter, en ten tweede had haar dwaze +naamverandering, toen Rudolf haar vroeg, wie die heer was, dokter +Faminga en meneer Radinus in haar idée langzamerhand tot éen en +denzelfden persoon vervormd. Ondanks dat schreef ze toch aan den +redacteur van het Tijdschrift anders dan ze zou gedaan hebben, wanneer +ze geweten had, dat hij dokter Faminga in eigen persoon was. + +Eén ding echter was er dat Helène gedurig bij haar werk hinderde en dat +haar bijna ’t vroeger copieerwerk boven het tegenwoordige „stellen” zou +hebben doen verkiezen: ze miste namelijk dat lieve, gouden horlogetje, +dat als zoo’n prettige verdeeler en wijziger van haar tijd vroeger zoo +gezellig naast haar lag. Doch ze troostte zich met de gedachte, dat ze +’t over weinige maanden weer in haar bezit zou hebben—gelukkig +inderdaad, dat ze er onbewust van was, hoe de erfenis harer moeder +onder allerlei prullen in ’t kantoor van een Amsterdamschen woekeraar +lag! + +’t Was op dit tijdstip, dat haar papa op zekeren middag aan tafel tegen +haar zei: + +„Helène! Overmorgen komt oom Walburg met Louise en Leonie hier voor een +paar dagen logeeren. Zorg vooral dat oom een goede kamer heeft.” + +Helène keek haar vader min of meer verlegen aan. + +„Welke kamer zal ik oom geven?” vroeg zij. „Er is er maar éen: die +waarin Rudolf geslapen heeft en de kinderkamer.” + +Een wolk trok over ’t gelaat van meneer Nederhorst. Gewoon over tal van +kamers te beschikken, had hij er niet aan gedacht, dat hij zoo klein +behuisd was, en drie logé’s tegelijk verzocht. + +„Laat oom mijn kamer dan maar betrekken,” zei hij, na eenige +oogenblikken nagedacht te hebben; „dan kunnen Louise en Leonie die van +Rudolf krijgen. Maak dan mijn bed maar op de kinderkamer.” + +„Neen, pa,” antwoordde zij. „Dan weet ik beter. U zult op mijn kamer +slapen; die is beter voor u.” + +„Ook al goed,” antwoordde meneer Nederhorst onverschillig. + +Hoe aangenaam ook voor Helène de afwisseling moest zijn, die drie +logé’s haar zouden verschaffen, leverde hun verblijf voor haar een +groote, geldelijke zorg op. ’t Waren toch weer nieuwe en voor haar +verbazende onkosten. Met haar gewone huishoudgeld kon ze natuurlijk +niet toekomen, haar vader om meer vragen, durfde ze niet; ’t honorarium +voor haar verhaaltje had ze nog niet ontvangen;—wat bleef haar dus +over, dan schulden te maken? Want ze moest haar gasten goed ontvangen; +te meer daar deze aan allerlei gemakken gewoon waren. + +„Ze zullen hier van middag dineeren,” zei haar vader. „Zorg ook, dat er +op de logeerkamers vuur aanligt.” + +„Ja, pa!” antwoordde Helène, maar in haar binnenste klonk de +jammerkreet; „O, wat kost dat weer een kolen!” + +De gasten kwamen op hun tijd aan, en ’t scheen, dat meneer Nederhorst +geheel en al opleefde. Sedert haar moeders dood had Helène hem zoo +opgeruimd niet gezien. Hij kuste Leonie hartelijk en riep er over, dat +ze zoo gegroeid was en er zoo goed uitzag. ’t Hinderde Helène wel +eenigszins haar zuster, die niets voor haar vader deed, zoo met +liefkozingen overladen te zien, terwijl er voor haar, die zoo zorgde en +zwoegde, ter nauwernood een goed woord overschoot. Meneer Nederhorst +was grootsch op zijn tweede dochter, die in haar sierlijk toilet hem de +dagen van vroeger herinnerde en er inderdaad keurig uitzag; terwijl +zijn oudste in haar eenvoudig gewaad en met haar treurig, somber gelaat +hem dagelijks deed zien, tot welk een laagte hij gedaald was. Leonie, +de jonge, levenslustige, dartele dame der wereld, met haar lachend +gelaat, haar fladderende krullen, haar levendige oogen, vormde een +schreeuwend contrast met haar, het sombere, nadenkende meisje, dat oud +vóor haar jaren, daar in haar eenvoudige rouwjurk stond met groote +holle oogen, en haar eenvoudig opgemaakt, glad weggestreken en in een +bos krullen eindigend haar. + +Hoe smartelijk Helène die onverdiende voorkeur van haar vader ook +aandeed, ze liet er haar niets van bemerken en kuste haar even +hartelijk welkom. Leonie beantwoordde dien welkomstgroet; doch toen, +haar zuster aandachtig bekijkende, zeide zij: + +„Ben je ongesteld geweest, Helène?” + +„Hoe dat?” vroeg deze. + +„Je ziet er alles behalve goed uit,” antwoordde Leonie. + +„Je oogen staan hol en groot,” voegde Louise er bij. + +„Je zult het je verbeelden,” zei Helène. „Ik heb ’t met de zieken, die +er hier in huis geweest zijn, nog al druk gehad.” + +Ofschoon ’t zonder erg gezegd was, voelde Leonie toch ’t verwijt, dat +er in die woorden gelegen was. Noch tijdens de ziekte van haar vader, +noch gedurende die van Rudolf had ze een enkele poging aangewend om +Helène in ’t oppassen der zieken te ondersteunen. Ze wendde het dus +terstond op een ander onderwerp. + +„’t Zal wel tijd zijn,” zei ze, „om je voor het diner te gaan kleeden, +Helène.” + +„Ik ben al gekleed,” antwoordde Helène. + +„Maar Helène!” riep Louise uit. „Is dat een japon om aan het diner te +verschijnen?” + +„Waarom niet?” vroeg Helène. „Je weet evengoed als ik, dat ik geen geld +heb, om veel aan mijn toilet te besteden.” + +„Vergeef me, dat ik het zei,” hernam Louise. „Ik wist niet, dat je zoo +arm was. Jij wist dat, Leonie, en ’t had je mooier gestaan, dat je, in +plaats van al je geld aan beuzelingen te besteden, een paar cadeaux +voor je zuster had meegebracht.” + +„Volstrekt niet; daar zou je me toch geen pleizier mee hebben gedaan,” +zeide Helène blozende. „Ik ben heel tevreden met mijn eenvoudige jurk. +Wat zou ik aan al die linten en strikken hebben?” + +Een bittere glimlach trok over haar gelaat: ze bekeek Leonie van ’t +hoofd tot de voeten en dacht, hoe ’t zou staan, als zoo’n dame de +kinderen aan- en uitkleedde, kamers deed, bedden opmaakte, ja soms wel +in de keuken hielp. + +Sedert mevrouw Nederhorst gestorven was, was de piano schier niet open +geweest. Een enkele maal had Helène er op gespeeld; maar ’t waren alle +treurige en sombere stukken, welke zij koos en die, hoewel +overeenkomende met haar gemoedsstemming, weinig geschikt waren om haar +op te wekken. Zoodra ze vernomen had, dat haar zuster en haar nicht +zouden komen, had ze den pianostemmer ontboden en hem ’t instrument in +orde laten brengen. Toen nu ’t diner was afgeloopen, werd de +medegebrachte muziek voor den dag gehaald, en speelden Louise en Leonie +een paar quatremains; daarna zongen ze een paar vroolijke duetten, en +’t was of meneer Nederhorst geheel en al opleefde bij ’t hooren van die +voor hem zoo vreemd geworden tonen. + +„Wel, Leonie!” zei hij met blijkbaar welgevallen. „Wat ben je +gevorderd. Kom, speel nog eens wat!” + +Helène gevoelde wel eenige jaloezie. Haar had vader nog nooit opgewekt +om voor hem iets op de piano te spelen, en al had hij ’t gedaan, ze zou +’t nooit gewaagd hebben, voor hem een vroolijk stuk te kiezen. Toch +deed het haar genoegen, haar vader in zulk een opgewekte stemming te +zien—sedert hun het ongeluk trof, had zijn gezicht zoo vroolijk niet +gestaan. + +Leonie was dien avond al geest en opgewektheid, wat er aan was. Ze +zong, ze danste, ze schertste, kortom ze vloeide over van vernuft en, +zonder het te weten of te willen, stelde ze de sombere, stroeve Helène +zoodanig in de schaduw, dat deze er zich verdrietig over gevoelde, ’t +geen er toe strekte, om haar zuster nog meer op den voorgrond te doen +komen. Steeds onder menschen verkeerende, had zij al de vrijheid van +manieren, welk daar ’t gevolg van is, had ze de geestigste invallen, +gaf haar vader de vleiendste namen en wist hem zóó in te nemen, dat hij +geheel en al vergat, hoe hij zich meermalen over haar beklaagd had, dat +ze zoo onverschillig was en zoo weinig schreef. + +Toen de jongelui de kamer verlaten hadden, bleven de beide zwagers nog +onder een glas wijn zitten, en begon meneer Walburg over de eigenlijke +reden te spreken, die hem hierheen gevoerd had, namelijk over de +toekomst van Rudolf. + +„Met de aanstaande kerstvacantie komt hij voor goed van school,” zeide +meneer Nederhorst. „En ik geloof, ofschoon ’t mij een groote opoffering +geweest is, dat ik mij geluk mag wenschen, hem nog een jaar te hebben +school gelaten. Al de berichten, welke ik van zijn onderwijzer krijg, +luiden gunstig. Hij heeft zijn tijd goed besteed, en is, van nature +vlug zijnde, zeer voldoende in alle zaken gevorderd.” + +„En wat ben je nu voornemens, met hem te doen?” vroeg meneer Walburg. + +„Dat is juist de zwarigheid, en ’t was daarom, dat ik je raad en +voorlichting wenschte. Ik heb gedaan, wat ik kon; meer doen kan ik +niet, daar mijn middelen ’t mij niet veroorloven. Helaas! ik had zulke +schitterende plannen met hem; hij zal zijn toekomst nu zelf moeten +banen.” + +„In ’t geheel zoo kwaad niet,” hervatte meneer Walburg. „Veel beter +voor jonge menschen, dat ze zich een toekomst moeten maken, dan wanneer +ze haar als gesneden koek voor zich vinden.” + +„Dat is zeker waar,” zei meneer Nederhorst. „Maar ik ben sterfelijk, en +kan mijn kinderen nagenoeg niets nalaten. Als broeder zou dan de zorg +voor zijn zusters en jongeren broer op hem rusten.” + +„Ho, ho, wat!” zei meneer Walburg. „Leonie is bij mij, Helène zal zelf +haar toekomst wel banen; dan blijven Dora en Alfred nog over, en wij +zijn er ook nog. In alle gevallen trek je je ’t ongeluk te zeer aan. Je +hebt je goeden naam aan de beurs behouden en je schulden tot den +laatsten cent betaald. Zelfs je ergste vijand zou niet anders van je +kunnen zeggen, dan dat je een eerlijk man bent.” + +„Eerlijk, maar ten koste van mijn vermogen, Walburg,” antwoordde meneer +Nederhorst. „Niemand weet het, hoe geldelijke zorgen mij steeds +drukken.” + +„Ik heb je een voorstel te doen, Nederhorst,” hervatte de andere: „Aan +de Bank, waarvan ik directeur ben, komt met Januari een betrekking +vacant. ’t Is natuurlijk een zeer inferieure, doch ze zal genoeg +opbrengen om er in Amsterdam zuinig van te leven. Indien Rudolf goed +oppast, zal hij, wanneer hij zich spoedig op de hoogte der zaken stelt, +weldra verhoogd worden. Rudolf is een ferme jongen en ik twijfel er +niet aan, of hij zal zijn best doen. Nu heb ik u ’t volgende plan +gevormd. Ik heb, helaas! geen zoon. Welnu, als Rudolf goed oppast en +zorgt, dat hij vooruit komt, dan neem ik zijn toekomst op mij en zal +hem ’t noodige kapitaal verschaffen, om mij door den tijd als directeur +van onze Bank op te volgen. Natuurlijk zal dat nog jaren duren; maar +dan is ook zijn fortuin gemaakt.” + +„Voor mij zelf zou ik niets willen aannemen,” zei meneer Nederhorst. +„Voor mijn zoon alles. Ik ben je dankbaar voor je voorstel, en +accepteer het met beide handen. Je ontlast me van een mijner meest +drukkende zorgen!” + +„Doch ik stel een voorwaarde. Rudolf mag van mijn plannen niets weten. +Hij zelf moet er voor zorgen, om vooruit te komen, ook zonder ’t +uitzicht van eenig kapitaal te zullen bezitten.” + +„Natuurlijk, en ik zal mij wel wachten, er hem ook de mogelijkheid van +te laten doorschemeren. ’t Zou zijn toekomst bederven, als hij wist, +dat hem de weg al gebaand is.” + +Met een opgeruimd hart wees meneer Nederhorst zijn zwager de voor hem +bestemde kamer, en begaf hij zich naar de kamer van Helène. Hij kwam +haar op den drempel tegen; want ze had nog ’t een en ander voor hem in +orde gebracht. + +„Hoe, nog niet naar bed?” vroeg hij. + +„Ik had het een en ander te doen,” antwoordde zij. + +„Hoor eens, Helène. Het diner was vandaag alles behalve in orde. Zorg, +dat er morgen meer op tafel is. Als Trui ’t alleen niet af kan, geef +haar dan iemand, die haar helpen kan. Wat zou je oom wel van ons +denken?” + +„Ik heb gedaan, wat ik kon, pa,” zei Helène, terwijl haar de tranen in +de oogen schoten. „U weet zelf, hoe onze geldelijke middelen staan, en +daar we maar één meid hebben.... Hij zal het ook wel begrijpen....” + +„Wat je oom begrijpt, kan mij niet schelen. ’t Moet morgen beter zijn, +ik wil het.” + +„Hier is uw kamer, pa,” zei ze, de deur opendoende. „Ik hoop dat ze +naar uw zin is.” + +„Heel goed,” zei haar vader, terwijl hij met een tevreden blik de kamer +rond keek. „Rust wel!” + +De arme Trui had het den volgenden dag geducht druk met koken en braden +en ofschoon ’t wel tegen den vorm streed, kwam Helène dien morgen niet +voor den dag, daar ze de meid in de keuken hielp. Ze verontschuldigde +zich, toen haar oom haar uitnoodigde, een rijtoertje mee naar Hilversum +te doen en wist hem over te halen, Dora en Alfred in haar plaats mee te +nemen, ’t geen een heele uitgang voor de beide kinderen was, wien zoo +iets natuurlijk nooit ten deel viel. Het diner was dan ook dien dag +rijkelijker voorzien dan den vorigen, maar ten koste van nieuwe +schulden en een afmattenden arbeid van Helène. Hoe aangenaam haar ’t +bezoek ook was, ze was toch blij, dat de gasten den volgenden morgen +weer vertrekken zouden. Dien avond kwam Leonie bij haar op de kamer. + +„Hoor eens, Helène,” zei ze. „Hoe staat het toch met pa’s zaken? Je +schijnt hier nog maar altijd in dit kleine huis te blijven wonen. Zou +er geen uitzicht zijn, spoedig een betere woning te betrekken?” + +„Ik vrees van neen,” antwoordde Helène. „’t Valt mij al moeilijk +genoeg, om van hem geld voor de noodzakelijkste dingen te krijgen.” + +„’t Is miserabel,” zei Leonie. „Ik had nog al gedacht, spoedig weer +thuis te komen.” + +„Jij thuis komen!” riep Helène verbaasd uit. „En je hebt het zoo goed +bij tante.” + +„Nu ja, zooals de zaken thans staan, zou ik ’t ook niet verlangen. Ik +zou op den duur in dit enge huis en zoo bekrompen niet kunnen leven. +Maar dat neemt niet weg, dat ik, als de zaken anders waren, toch liever +thuis was. ’t Is niet plezierig, als men voor alles zoo geheel +afhankelijk is van anderen. Als ik geld wil hebben, moet ik er oom om +vragen, en hij heeft het mij al een paar malen geweigerd. Je begrijpt +wel, dat me dit hard viel. Als pa ’t gedaan had, dan was ’t wat anders +geweest.” + +„Maar als ik jou was, zou ik nooit om geld vragen,” zei Helène. „Oom +geeft je toch zeker je vaste weekgeld.” + +„Nu ja; maar men heeft wel eens niet genoeg daaraan. Ik krijg ook +zooveel zakgeld niet, niet eens het vierde part van Louise.” + +„Die is ook ouder dan jij, en daarenboven hun eigen dochter.” + +„Juist dat laatste kan ik zoo aan alles merken,” hernam Leonie. „’t +Hindert me, dat ze onderscheid tusschen ons maken. En dat doen ze; al +merken ze ’t misschien zelf niet op—ik voel het zeer goed.” + +„Je bent onredelijk, Leonie,” zei Helène. „Oom en tante zijn waarlijk +veel te goed voor je, om hen van zoo iets te beschuldigen. Dat Louise +hun eigen kind blijft en dus de eerste en oudste brieven heeft, kun je +hun toch niet ten kwade duiden. Daarom zou ik mij, als ik jou was, maar +tevreden stellen met hetgeen ik had. Waarlijk, jij, aan zulk een leven +gewend, zou je hier onmogelijk meer thuis voelen. We hebben, en dat wil +ik je wel in vertrouwen meedeelen, gedurende je verblijf hier een +weelde tentoongespreid, waaraan we niet meer gewoon zijn. Voortdurend +is hier schraalhans keukenmeester, en hangt ons leven van ontberingen +aan elkander. Blijf dus stil waar je bent, en tracht zooveel te leeren, +dat je eens, als ’t noodig is, je zelf een onafhankelijk bestaan kunt +verschaffen.” + +„In alle gevallen,” hernam Leonie hooghartig, „keer ik niet terug, +zoolang de omstandigheden hier blijven, zooals ze tegenwoordig zijn. Ik +zou er voor bedanken, mij af te sloven, zooals jij doet, en mijn jeugd +in zulk een omgeving door te brengen. Ik weet niet, hoe je ’t +uithoudt.” + +Helène zuchtte, doch antwoordde niet. + +„Als ik er maar wat meer dank voor inoogste,” lag haar op de lippen; +doch ze uitte de woorden niet, en zei alleen: + +„’t Is tijd, om naar bed te gaan, Leonie. Maar eer we elkander goeden +nacht zeggen, moet ik je dezen zusterlijken raad geven: houdt wat je +hebt, en klaag niet over kleinigheden, die slechts in je verbeelding +bestaan. Bedenk, dat je geheel en al afhankelijk bent van oom en tantes +goedheid en tracht je dit waardig te maken.” + +Leonie zei haar zuster goeden nacht. „Op stuk van zaken,” mompelde ze, +terwijl ze naar haar kamer ging, „is zij gelukkiger dan ik; want ze +behoeft niemand naar de oogen te zien.” + +Den volgenden morgen vertrokken de gasten en drukte oom Walburg Helène +twee gouden tientjes in de hand, haar toefluisterende: „Voor je toilet, +lieve!” Natuurlijk was ’t cadeau van haar oom Helène aangenaam. „Dank, +oom!” zei ze. „Ik zal ’t er voor gebruiken.” + +Doch in plaats dat ze dit deed, haastte ze zich er de gemaakte schulden +van af te doen, en niemand vernam van de zaak iets. + +Trui werd voor al haar moeite ruimschoots schadeloos gesteld door een +rijke fooi, en ze zei tegen Helène, dat ze op dien koop nog wel eens +zoo’n drukte wilde hebben. + +’s Middags, nadat het nu weer dood eenvoudige diner was afgeloopen en +de kinderen weg waren, bleef haar papa tegen zijn gewoonte nog een +oogenblik zitten. Hij was blijkbaar opgeruimder dan hij in maanden +geweest was. + +„Helène,” zei hij, „dat bezoek heeft mij goed gedaan.” + +„Dat doet me pleizier, pa,” antwoordde zij. + +„Oom heeft mij beloofd, voor de toekomst van Rudolf te zullen zorgen.” + +„O, dat is heerlijk, pa!” riep ze met onverholen vreugd uit. + +„’t Is een uitkomst, waarin ik in de verste verte niet van gedroomd +had!” vervolgde hij. + +„O, wat zal Rudolf gelukkig zijn, als hij ’t hoort!” + +„Maar hij mag ’t niet weten; dat heb ik oom moeten beloven. Je moogt er +hem dus niets van zeggen.” + +„Ik beloof u, pa, dat ik zwijgen zal.” + +„Vindt je niet dat Leonie in haar voordeel veranderd is?” vroeg meneer +Nederhorst. „Ze is een aardige, prettige meid geworden.” + +„Ik geloof, dat ze bij oom en tante goed op haar plaats is, en zich +slecht weer hier zou kunnen voegen,” antwoordde Helène. „Daarom is ’t +ook maar gelukkig, dat ze er blijft.” + +Meneer Nederhorst gevoelde de waarheid, welke er in Helène’s woorden +lag, en toch hinderde die waarheid hem. Dat antwoord miskennende, keek +hij haar aan en zei eenigszins scherp: + +„Je bent zeker jaloersch op haar! Trouwens,” voegde hij er overtuigend +bij. „Er is ook nog al wat onderscheid in je beider positie, en ’t is +je niet kwalijk te nemen; want voor een jong meisje is je leven hier +vrij eentonig en verdrietig.” + +„Ik wil met Leonie niet ruilen, pa,” antwoordde Helène. „’t Gevoel van +voor anderen werkzaam en nuttig te zijn, heeft ook zijn genoegens. En +zeker is ’t voor mij geen kleine zelfvoldoening, als ik mag zeggen, dat +ik ma’s laatste wensch vervul en u ’t leven zoo dragelijk mogelijk +maak. Die zelfvoldoening kan Leonie in alle gevallen niet smaken.” + +Meneer Nederhorst was getroffen. ’t Was, als zag hij op dit oogenblik +de grootheid van Helène’s zelfopoffering in, waarvan hij echter het +tiendepart niet kende of waardeerde. Hij trok haar naar zich toe, kuste +haar en zei met tranen in de oogen: + +„Je bent een goede, lieve, brave meid, Helène, weinigen die jou +gelijken!” + +Toen stond hij diep bewogen op en ging naar zijn kamer, die Helène weer +geheel en al voor hem in orde gemaakt had. Wat haar aangaat, die +eenvoudige bekentenis van een vader, die zoo weinig haar verdiensten +inzag, maakte haar voor ’t oogenblik gelukkiger dan ze geweest zou +zijn, wanneer ze zich in Leonie’s plaats bevonden had, en deed allen +schijn van jaloezie verdwijnen. En ofschoon ze zeer goed wist, dat haar +vader ’t eenige dagen later wel weer vergeten zou zijn, wat hij haar +uit de volheid van zijn gemoed betuigd had, schonk het haar toch +zelfvoldoening, dat hij in het binnenste van zijn hart overtuigd was +van haar waarde. + +Toen meneer Walburg thuiskwam, vond hij verscheiden brieven, onder +andere ook dien van Rudolf. Hij brak hem open en keek raar op. + +„Neen, mannetje!” zei hij, „daar beginnen we niet aan. Dat zou juist +zijn, om mijn plannen voor goed den bodem in te slaan.” Hierop stak hij +den brief in zijn zak, en ’t was eerst eenige dagen later, dat hij er +aan dacht om dien te beantwoorden en wel in dezer voege: + + + „Beste Rudolf. Ik ben zeer verbaasd geweest over je verzoek. Je + moet toekomen met het zakgeld, dat je vader je geeft en kun je dat + niet, dan moet je de tering maar naar de nering zetten. Ik zou + rekenen, heel verkeerd te doen, je een cent meer te geven. ’t Zou + je aanmoedigen op een weg, die je zeker ten verderve zou leiden. + Jonge menschen als jij, die in de wereld geen ander vooruitzicht + hebben dan ’t geen ze zelf door eigen vlijt zullen moeten + verdienen, moeten leeren zich zelf te bedruipen, en, daar ik + voornemens ben, je, wanneer je van de kostschool komt, een + betrekking te bezorgen, moet je je best doen, mij in dat opzicht te + voldoen. Ik ben + + „je toegenegen oom Walburg. + + „PS. Mijn besluit staat onveranderlijk vast.” + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +RUDOLF IS IN HANDEN VAN EEN WOEKERAAR GEVALLEN. + + +’t Was Rudolf, toen hij dien brief van zijn oom kreeg, alsof er een +donderslag boven zijn hoofd losbarstte. Hij had er al spijt van gehad, +dat hij maar geen dertig gulden gevraagd had, dan had hij ’t horloge in +eens kunnen aflossen; want van de dertig gulden, welke hij van Zadok +ontvangen had, waren hem nog een paar overgebleven en die bewaarde hij +zuinig, om bij die gelegenheid nog eens naar Amsterdam te kunnen +reizen. En nu kwam daar die verpletterende brief en dat hatelijke +postscriptum: „Mijn besluit staat onveranderlijk vast!” ’t Was +verschrikkelijk! Helènes horloge was in vreemde handen, en dat, terwijl +hij over weinige weken de school voor goed zou verlaten! Wat moest hij +haar zeggen! O, welk een zelfverwijt vervulde zijn ziel, en hoe zeer +begreep hij ’t verkeerde zijner handelwijs! Daarbij had hij niemand op +de kostschool, dien hij in deze zaak vertrouwen kon en moest hij dus al +zijn verdriet voor zich zelf houden. Wat zou hij beginnen! ’t Eenige +wat hij doen kon, was aan zijn vader te schrijven om ’t achterstallige +weekgeld. Dat kon hij dan al vast op afrekening aan Zadok geven en hem +beloven ’t overige te zullen afdoen, zoodra hij weer thuis zou zijn. +Hij hoopte, wanneer zijn oom zijn belofte gestand deed en hem een +betrekking bezorgde, maandelijks zooveel te besparen, dat hij ’t +horloge na eenigen tijd zou kunnen lossen. + +Hij schreef dus een brief aan zijn vader, waarin hij dezen dringend +verzocht, hem ’t laatste kwartaal van zijn weekgeld te zenden en als ’t +eenigszins kon, nog iets meer; daar hij bij ’t verlaten der kostschool +nog enkele dingen te verrekenen had. Hoezeer was hij echter +teleurgesteld, toen hij van huis, in plaats van de dertien gulden, +welke hij per kwartaal ontving, niet meer dan ruim de helft kreeg. „Ik +reken dat je een paar dagen vóór Kerstmis thuiskomt, dus heb je vijf +weken lang geen weekgeld noodig; overleg het met het overige zoo, dat +je er je reis uithaalt. Wat mij aangaat, ik kan op ’t oogenblik geen +cent meer missen.” + +In alle gevallen wilde hij toch afdoen wat hij kon, maar meneer +Voornvisser wilde hem geen verlof geven, om naar Amsterdam te gaan. +Toen schreef hij Zadok, dat hij hem in de week voor Kerstmis wat zou +komen afdoen en hij hem dus thuis hoopte te vinden; maar de woekeraar +antwoordde hem niet. ’t Waren voor hem alles behalve aangename dagen, +de laatste dagen welke hij op school doorbracht, en zijn kameraden +konden maar niet begrijpen, hoe Rudolf, die altijd de vroolijkste en +prettigste van hen allen geweest was, in den laatsten tijd zoo stil +was. Sommigen schreven ’t er aan toe, dat het was, omdat men op school +de verandering in zijns vaders fortuin wist; doch daar geen der jongens +hem ooit getoond had, dat hij hem daarom minder achtte, verwierp men +dat denkbeeld en, zooals ’t met jongens gaat, dacht men er niet meer +over na, maar liet hem eenvoudig loopen. + +Intusschen naderde de kerstvacantie, en Rudolf, die niet zooals andere +jongens die de school verlaten, aan zijn kameraden een klein +afscheidspartijtje kon geven, had meneer Voornvisser verzocht, den dag +vóór de vacantie te mogen vertrekken, voorgevende, dat hij dien dag in +Amsterdam moest zijn, om door zijn oom aan zijn aanstaande patroons te +worden voorgesteld. Meneer Voornvisser, die wel begreep, waar de schoen +hem wrong en van meneer Nederhorst het verzoek had ontvangen, niet meer +voor zijn zoon uit te schieten dan volstrekt noodzakelijk was, had +daartoe gereedelijk verlof gegeven en Rudolf had naar huis geschreven, +dat hij om de onkosten van een afscheidspartij uit te winnen, een dag +vroeger zou thuiskomen. Hij was van plan om bij zijn oom aan te gaan, +maar eerst Mozes Zadok te bezoeken en hem vijf gulden op afrekening te +betalen. Dat liep hem tegen: want Helène had zijn komst te Amsterdam +aan Leonie geschreven en nu stond deze met Louise hem aan ’t station af +te wachten, en noodigden ze hem uit naam van oom en tante uit, om daar +dien middag te blijven dineeren, waarna ze hem weder naar ’t station +van den Oosterspoorweg zouden brengen. Daar kon hij niets tegen doen. +Hij besloot dus maar „de faire bonne mine à mauvais jeu” en zich zoo +opgeruimd en vroolijk mogelijk voor te doen, hetgeen hem niet moeielijk +viel, daar hij spoedig in ’t gezelschap van zijn dartele zuster en zijn +vroolijk nichtje vergat, wat hem zoo hinderde. + +’s Middags ging hij met oom Walburg naar de Bank, waar deze hem +voorstelde aan den chef der afdeeling bij welke hij den tweeden Januari +aanstaande zou komen. Deze deed hem eenige vragen, welke Rudolf zeer +tot zijn genoegen en tot dat van zijn oom beantwoordde; daar hij door +die beantwoording een mate van kennis tentoonspreidde, welke beiden +zeer beviel. Daarop bracht zijn oom hem op de Tentoonstelling van +schilderijen van levende meesters in Arti; toen ging men eten en na het +diner was het spoedig tijd, om naar ’t station van den Oosterspoorweg +te wandelen. En zoo reed hij naar Weesp, waar hij niemand aan ’t +station vond, om de eenvoudige reden, dat men daar niet wist, met +welken trein hij komen zou. + +Daar hij er tegen opzag, om Helène alleen te ontmoeten, wendde hij dien +avond vermoeidheid en slaap voor en begaf zich vroeg naar bed. Dat +hielp hem echter weinig: nauwelijks was hij op zijn kamertje, of Helène +stond voor hem. + +„Rudolf,” zei ze. „Wat heb ik naar dezen dag verlangd. Ik heb ’t je nog +niet kunnen vragen, anders had ik ’t al gedaan.—Je hebt nu mijn horloge +niet langer noodig en je moest het mij dus maar terstond teruggeven. Ik +ben zoo blij, dat ik het terugkrijg. O, ik heb het zoo gemist.” + +Rudolf kreeg een kleur tot over zijn ooren, en sprak geen enkel woord. + +„Nu! Hoe is het?” vroeg Helène. „Plaag mij niet en geef ’t mij.” + +„Ik heb ’t op de kostschool laten liggen,” antwoordde hij. + +„Op de kostschool laten liggen! Mijn horloge, waarvoor je me beloofd +hadt alle mogelijke zorg te zullen dragen. Maar dat is onmogelijk!” + +„’t Is toch zoo.” + +„Maar dan moet er terstond naar de kostschool geschreven worden! Ik zal +dadelijk aan meneer Voornvisser schrijven en hem verzoeken, het +onmiddellijk op te zenden.” + +„Dat zou je weinig helpen,” hernam Rudolf, die wel begreep, dat de zaak +dan zou uitkomen. „Ik heb het eigenlijk niet op de kostschool laten +liggen en zal nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkomen. Met het +opwinden heb ik de veer gebroken en het naar Amsterdam bij een +horlogemaker gebracht. Ik had het stellig bij hem afgehaald; maar ik +had geen geld genoeg om het te betalen, toen ik vandaag terugkeerde.” + +„O, Rudolf! Hoe leelijk van je om zoo te handelen!” zei Helène vol +verontwaardiging. „Als je er dan al een ongeluk mee gehad hebt, dan +hadt je ’t kunnen meebrengen, en dan zijn hier wel horlogemakers, die +’t in orde kunnen brengen. Je wist, dat ik er zoo bang voor ben. Je +moet het morgen gaan halen.” + +„Alles goed en wel; zoodra ik maar geld genoeg heb,” hernam Rudolf. +„Eer kan ik ’t niet krijgen.” + +„O, had ik mijn honorarium maar!” riep Helène uit. „Ik had het je nooit +moeten leenen!” vervolgde zij snikkend. „Als er wat mee gebeurd is, dan +vergeef ik het je nooit! Je hebt je belofte niet gehouden. Nooit of +nimmer vertrouw ik je weer.” + +Bitter schreiende en vol verontwaardiging verliet ze de kamer. + +Den eersten dag van Rudolfs verblijf te huis was de verhouding tusschen +broeder en zuster zeer gespannen. Hoe vergevensgezind Helène ook +was—haar verontwaardiging was te groot dan dat ze ’t hem kon vergeven, +dat hij zoo nonchalant te werk gegaan was met iets, dat haar +dierbaarder was dan eenig ding op aarde. En nog vermoedde ze de volle +waarheid niet! + +Gelukkig was meneer Nederhorst zeer afgetrokken en bemerkte hij niet +eens, dat zijn zoon en dochter iets met elkander schenen te +hebben.—Toch oordeelde Helène dat het zoo niet kon blijven. Den +volgenden dag na ’t ontbijt toen de kinderen naar school waren, zei ze +tegen Rudolf: + +„Hoeveel geld heb je er voor noodig?” + +Rudolf durfde niet voor de waarheid uitkomen. „Indien ik hem eens de +helft afdoe, zal hij ’t horloge wel meegeven,” dacht hij, en daar hij, +de reiskosten er afgerekend, zelf nog wel vijf gulden had, zei hij +onbeschaamd weg: „Tien gulden.” + +„Tien gulden! Goede Hemel, Rudolf, wat heb je er dan mee uitgevoerd! +Tien gulden! Waar krijg ik die vandaan!” + +„Ik had het laten vallen en toen was de ronsel gebroken, zei de +horlogemaker. Maar hij zou ’t goed maken.” + +„In alle gevallen, ik moet het terug hebben, wat het ook kost!” zei +Helène. „Je moet er van daag naar toe, met den eersten den besten +trein, dan ben je voor den middag terug en merkt pa er niets van. Ik +zal je de tien gulden meegeven.” + +Hoe Helène aan die tien gulden kwam? Dat zal ik u zeggen. ’t Was van ’t +huishoudgeld, hetwelk haar vader haar dien morgen gegeven had. Nu +redeneerde zij dus: in ’t begin van Januari krijg ik ’t honorarium voor +’t geleverde verhaaltje, tot zoolang laat ik sommige benoodigdheden +opschrijven en dan betaal ik ze van dat geld. Daarbij had ze van den +zoogenaamden meneer Radinus weer een stuk om te copiëeren ontvangen en +als dat af was, had ze ook weer contanten. + +Rudolf vertrok met den eerstvolgenden trein naar Amsterdam en begaf +zich terstond naar den winkel van Mozes Zadok. + +„Ha, jongeheer!” zei Mozes even vriendelijk als de vorig maal. „Ik had +je al lang verwacht. Kom je eindelijk je horlogetje inlossen?” + +„Dat is te zeggen; ik kom u de helft op het voorgeschoten geld +betalen,” antwoordde Rudolf; terwijl hij vijftien gulden nedertelde. +„Nu zul je me plezier doen, me ’t horlogetje mee te geven; dan breng ik +je de rest binnen korten tijd.” + +Mozes nam de vijftien gulden op, borg ze weg, schreef ze in zijn boek +als betaald op, gaf Rudolf daarop een kwitantie. + +„Vijftien gulden afgedaan. Ziedaar ’t bewijs.” + +„En nu ’t horlogetje?” zei Rudolf. + +Mozes begon te lachen. + +„Maar, vriendlief! Dat je onnoozel was heb ik dadelijk gemerkt. Maar +dat je zoo’n kalf van een jongen bent, had ik niet gedacht. Ik geef je +dertig gulden op een horloge, en nu zou je willen dat ik je ’t horloge +voor vijftien terug gaf. Dan moest ik immers half gek zijn en op die +manier zou ik gauw in ’t armhuis komen!” + +„Maar ik ben een eerlijke jongen en je kunt er op rekenen, dat ik ’t je +spoedig breng. Ik kom hier in de stad in betrekking en dan doe ik je +alle maanden vijf gulden af.” + +„Dat zal me veel plezier doen; want ik ben ook tevreden met kleine +payementen,” antwoordde Zadok. „Maar je kunt toch niet denken, dat ik +mal genoeg ben, om ’t horloge terug te geven, voor de vijf en veertig +gulden geheel afbetaald zijn.” + +„Dertig gulden, meent u,” zeide Rudolf. „Ik heb u immers vijftien terug +gegeven.” + +„Nu juist,” zei Zadok. „Vijftien en dertig is vijf en veertig. Of dacht +je, dat we je zoo maar voor pleizier ons geld leenden en er je goed op +den koop toe voor bewaarden? Daarvoor heb je toch zeker te lang school +gegaan. Dertig gulden heb ik u geleend, jonge heer! Vijftig percent +interest is vijftien gulden—dat maakt vijf en veertig gulden. Je bent +er nog goedkoop af, en dat komt omdat je door meneer Zalmvoort +gerecommandeerd was; anders rekenen we voor zulke postjes vijf en +zeventig percent, en er zijn er van ons slag van menschen, die zelfs +honderd percent vragen. Menigeen is blij, als hij het tegen honderd kan +krijgen.” + +Rudolf stond het huilen nader dan het lachen. Zoo was hij dan in handen +van een woekeraar gevallen! O, dat hij zoo dwaas, zoo slecht gehandeld +had! Zonder een enkel woord te spreken, verliet hij de kamer en den +winkel van Mozes Zadok en spoedde zich naar ’t station van den +Oosterspoorweg. ’t Was of hem de straatsteenen tegen ’t hoofd sprongen, +terwijl hij voortliep. Zijn hoofd bonsde als een hamer en hij +verwenschte Mozes, Gerrit, ja zich zelf, dat hij zich in zulk een strik +had laten vangen. Eerst toen hij in den waggon zat en de trein stoomend +voortrolde, kwam hij tot zich zelf. + +„’t Eenige wat ik doen kan, is, dat ik Helène de volle waarheid zeg,” +besloot hij. „De zaak ligt er nu eenmaal toe, er is niets aan te +veranderen.” + +Zoodra hij thuis kwam, zocht hij Helène op en bracht haar op zijn +kamer. + +„Waar is ’t horloge?” vroeg zij. + +„In veilige bewaring,” antwoordde hij. „Maar ik heb ’t niet kunnen +meekrijgen!” + +„Wat is er dan mee gebeurd?” vroeg zij. + +„Er is niets mee gebeurd,” antwoordde hij. „Doch ga zitten; dan zal ik +je de volle waarheid meedeelen.” + +Ze ging zitten en hij zette zich tegenover haar. + +„Wanneer ik je alles zeg, zul je mij misschien voor minder slecht +houden, dan je zou doen, indien je ’t niet wist. Luister daarom bedaard +toe, en geloof dat ik geen woord zeg, of ’t is volkomen waar.” + +„Daar vertrouw ik op, Rudolf,” antwoordde Helène. + +„Welnu, vóór pa zijn geld verloor, was ik een der royaalste jongens op +de kostschool; want ik had altijd zakgeld in overvloed. Ik wist nog +niets van pa’s ondergang, maar kreeg de gewone toelage niet. Dat +hinderde mij volstrekt niet; want ieder der jongens wou mij graag +leenen, wat ik te kort kwam. Vooral één jongen, een zekere Gerrit +Zalmvoort, de zoon van een rijkgeworden komenijsbaas, zooals ik later +vernam, was een van hen, die altijd zijn beurs voor mij openstelde. Ik +leende zonder schroom; doch toen mijn zakgeld te lang uit bleef, +schreef ik pa, om ’t mij te zenden. En nu antwoordde pa mij, dat ik +voortaan slechts op een gulden per week kon rekenen; want dat hij niet +meer kon geven. Ik begreep die reden van bezuiniging niet; later vernam +ik, wat er van de zaak was, en toch moest ik op de school de eer van pa +ophouden.” + +„Door geld te leenen?” vroeg Helène. + +„Neen, door ’t geleende te betalen en mij toch royaal te toonen. +Zoodoende ben ik langzamerhand de schuldenaar van Gerrit geworden, tot +ik hem ruim vijf-en-twintig gulden schuldig was, tenminste zooals hij +later beweerd heeft. Ik had er geen boek van gehouden en moest het dus +maar op zijn woord gelooven. Toen werd ik ziek en moest eensklaps naar +huis.” + +„Maar hoe staat dat alles in verband met mijn horloge?” vroeg Helène. + +„Luister,” hernam Rudolf. „Je weet, hoe ik je ’t horloge voor de +maanden, die ik nog op school zou zijn, aftroggelde. Ach! hadt je ’t +mij maar blijven weigeren; ik zou er beter aan toe geweest zijn. Want +juist dat horloge was er de schuld van, dat de sluwe Gerrit, die zeker +bang was, zijn geld niet terug te krijgen, daarin ’t middel zag om tot +betaling van mijn schuld te geraken.” + +En nu vertelde hij haar zonder omwegen en uitgebreid alles wat we reeds +weten. „Maar,” eindigde hij, „ik zal niet rusten, vóor ik dien ouden +schurk de dertig gulden betaald en je ’t horloge teruggegeven heb.” + +Helène had hem geduldig tot den einde toe aangehoord en in haar hart +klonk het woord: „vergiffenis.” Alles wel beschouwd, was Rudolf meer +onbezonnen dan misdadig. + +„’t Is goed dat je nu de volle waarheid gezegd hebt,” zei ze met van +ontroering bevende lippen. „Ik vergeef je van harte wat je gedaan hebt. +De zaak ligt er nu eenmaal toe en met Gods hulp hopen we ’t horloge +eenmaal terug te krijgen. Ik wil je in ’t geheim meedeelen, dat ik +tegenwoordig van tijd tot tijd eenig geld verdien met copiëeren, ook +met zelf voor de pers te schrijven. Van dat geld heb ik je de tien +gulden voorgeschoten. Met wat ik nu verdien en wat jij kunt overhouden, +zullen we zien, de dertig gulden gauw bij elkander te krijgen. En dan +als ’t horloge terug is, zet je nooit weer een voet bij dien ellendigen +Mozes Zadok.” + +„Daar zal ik wel voor oppassen,” antwoordde Rudolf. „Bij dien kerel zet +ik nooit een voet weer in huis, zoodra ik van hem af ben.” + +En zoo was die zaak tusschen broeder en zuster geregeld en de vrede +tusschen hen hersteld. + +’t Liep intusschen naar Nieuwjaar. Met het sluiten zijner boeken was +meneer Nederhorst op de gedachte gekomen, dat er nog enkele +kostbaarheden zijner vrouw moesten wezen, welke hem als echtgenoot en +voogd zijner kinderen moesten zijn uitgeleverd en onder zijn beheer +gesteld. Zoo herinnerde hij zich een paar juweelen bellen, een +diamanten speld en ook haar horloge. Flauw stond het hem nog vóor, dat +Helène hem daarvan iets had medegedeeld, als zou zijn vrouw die dingen +aan haar kinderen vermaakt hebben; doch dat getuigenis deed weinig bij +hem af. Van rechtswege behoorden ze hem toe, en waartoe zou hij die +renteloos laten liggen wanneer hij ’t geld dat ze waard waren, best kon +gebruiken? Alleen ’t horloge wou hij niet verkoopen; daaraan hechtte +hij een bijzondere waarde, omdat het een geschenk was, dat hij zijn +vrouw gegeven had, toen Helène, hun oudste dochter, geboren was. + +„Niemand kan mij omtrent een en ander beter inlichting geven dan Helène +zelf,” zei hij, en begaf zich naar haar kamer, waar ze toevallig aan ’t +opredderen van den boel was. + +„Helène,” zei hij. „Heb je me indertijd niet verteld, dat ma de haar +toebehoorende kleinoodiën aan jou ter hand gesteld had, om die voor je +broers en zusters te bewaren als ze oud genoeg waren?” + +„Ja, pa,” antwoordde zij. „Ma heeft dat den avond toen u vertrokken +was, uitdrukkelijk bepaald.” + +„Zoo, laat ze mij eens zien,” ging hij voort. + +Helène haalde de juweeldoos met de door haar moeder verdeelde +kleinoodiën voor den dag en zette die op de tafel. + +Meneer Nederhorst bekeek eerst de pakjes. + +„Dat is er door jou opgeschreven,” zei hij. „Waarom heeft ma er dat +zelf niet opgezet?” + +„Omdat ze te zenuwachtig was; daarom verzocht ze mij, dat te doen,” +antwoordde Helène, haar vader verwonderd aanziende. + +„Maar dat alles heeft voor mij niet de minste waarde,” zei hij. + +„Hoe meent u dat, pa?” + +„Hoe ik dat meen? Wel, dat ik niet behoef te gelooven, dat ma dat juist +zoo bepaald heeft.” + +Helène bemerkte nu wel, waar haar vader heen wilde. Hij scheen haar te +wantrouwen en dat denkbeeld joeg haar een blos op de wangen en de +tranen in de oogen. + +„Dus zoudt u denken, dat ik dit maar zoo willekeurig bepaald had?” zei +ze. + +„Dat denk ik niet en zeg het nog veel minder. Maar weet je wat je +plicht geweest was? Je had mij terstond met deze schikkingen moeten +bekend maken en de voorwerpen niet onder je gehouden hebben.” + +„Hoe kon ik dat, pa? Toen u zag, dat ma gestorven was, viel u in een +bewusteloosheid, die dagen lang door ijlende koortsen gevolgd werd. En +toen ik er u later over sprak, luisterde u in ’t geheel niet naar me.” + +„In alle gevallen is ’t nu tijd, om de fout te herstellen. Indien ik op +dien noodlottigen avond thuis geweest was, zou je moeder mij die zaken +hebben toevertrouwd en bij mijn afwezigheid stelde ze die jou ter hand, +natuurlijk om ze mij over te geven. Ik ben de eenige, die daar recht op +heeft, en ’t staat geheel aan mij, of ik de beschikkingen der +overledene ten uitvoer wil brengen of niet.” + +„Ma heeft de pakjes zelf gemaakt en mij gedicteerd, wat ik er moest +opschrijven,” zei Helène. + +Meneer Nederhorst nam nu eerst het pakje van Leonie, las het opschrift, +deed het open en vond daarin de juweelen oorbellen. Hierop vouwde hij +’t weer net zoo toe als ’t gezeten had, en deed zoo met al de andere +pakjes. Daarop keek hij Helène aan. + +„Er is niets voor jou bij. Wat had ma je toegedacht?” + +„Haar horloge met gouden ketting.” + +„En waarom ligt dat hier niet bij?” + +„Omdat ma mij zei, dat ik het mocht dragen, daar ik zestien jaar oud +was.” + +„En ik zie ’t je nu niet aanhebben? Laat het mij eens zien. ’t Horloge +maakt geen uitzondering.” + +„Ik kan ’t u niet laten zien, pa,” antwoordde Helène; terwijl ze tot +achter haar ooren bloosde. + +„Waarom niet? Ik zou wel eens willen weten, waarom niet,” hernam meneer +Nederhorst, eenigszins ongeduldig. + +„Omdat ik het op ’t oogenblik niet hier heb,” antwoordde Helène +bedeesd. + +„Waar is het dan?” + +Een oogenblik wilde Helène zich door een der leugens redden als Rudolf +had willen doen; ze verwierp dit denkbeeld terstond, en zei: + +„In goede bewaring.” + +„Waar dan?” + +„Dat kan ik u niet zeggen, pa.” + +„Wat, kun je me dat niet zeggen?” riep hij uit. „Je hebt het gebroken +en ’t is bij den horlogemaker!” + +„Ik heb ’t niet gebroken en ’t is dus niet bij den horlogemaker,” +antwoordde ze vastberaden en kalm. + +„Dan heb je ’t verloren.” + +„Ook niet, pa.” + +„Of aan Leonie gegeven!” + +„Ook niet, pa,” antwoordde Helène, bitter schreiend, maar toch bedaard. + +„Waar drommel is dan ’t erfstuk van je moeder?” zei meneer Nederhorst. + +„Pa!” zei Helène, nu in snikken uitbarstende, „ik mag het u niet +zeggen. ’t Is goed bewaard en ik zal het spoedig terugkrijgen.” + +Meneer Nederhorst stond op en verliet het vertrek. Bij ’t heengaan +wierp hij een doorborenden blik op haar. En toch vond ze, dat ze niet +anders had kunnen handelen. Als ze haar vader verteld had, dat het +horloge bij een woekeraar was, zou hij naar Amsterdam getrokken zijn; +hij zou zijn broeder in de zaak gehaald hebben—en Rudolfs geheele +toekomst was verwoest geworden—want oom Walburg zou geen jongeling als +zoon aannemen, die reeds als knaap zich in de handen van woekeraars had +overgegeven. + +Toch aarzelde ze nog tusschen ’t leed, dat ze zichzelf op den hals +haalde en dat wat haar vader zou treffen, als zoo op eenmaal al zijn +goeden gedachten van Rudolf de bodem werd ingeslagen, toen ze ’t oog +ophief naar ’t groote fotografisch portret harer moeder, waarvan elk +der kinderen voor een paar jaren een exemplaar cadeau gekregen had, dat +haar als ’t ware met haar vriendelijken glimlach toeriep: + +„Helène! Spaar je vader en Rudolf! Lijd om mijnentwil liever verdenking +en verachting, hoe onverdiend ze ook mogen zijn. God zal alles te +zijner tijd wel aan ’t licht brengen!” + +Rudolf was juist dien dag naar Amsterdam, om kennis te maken met de +kantoorwerkzaamheden, welke hij te verrichten zou hebben en met behulp +van den eersten klerk zijner afdeeling een fatsoenlijke, maar niet al +te dure kamer te huren. Verder zou hij dien middag bij oom dineeren en +eerst tegen den avond terugkomen. Meneer Nederhorst beval Trui, hem het +eten op zijn kamer te brengen en dat zelf te doen. In den toestand, +waarin hij zich bevond, kon hij Helène niet tegenover zich zien zitten. +’t Was een treurige maaltijd voor ’t meisje, toen ze daar met haar +broertje en zusje alleen aanzat en deze haar vroegen, waarom pa niet +kwam en waarom haar oogen zoo rood zagen van ’t schreien. + +„Pa is niet heel goed in orde, en daarom blijft hij boven.” + +„Zou hij dan weer ziek worden, zooals verleden jaar?” vroeg Dora. + +„Toen we naar Amsterdam zijn gegaan en bij oom en tante gelogeerd +hebben,” zei Alfred. + +„Dat zou prettig zijn!” zei Dora opgewekt. + +„Dat pa ziek werd?” vroeg Helène zacht en vriendelijk. + +„Neen, dat we weer eens bij oom en tante in Amsterdam gingen logeeren,” +verbeterde Dora. „O, daar hebben ze zoo’n grooten tuin en Anne en Emmy +hebben zulk mooi speelgoed.” + +„Een olifant, die in een kring rond rijdt en zijn snuit beweegt net als +een levende olifant,” zei Alfred. + +„En een pop, die haar oogen verdraait en papa en mama zegt,” voegde +Dora er bij. + +Helène liet de kinderen praten en voegde er slechts nu en dan een enkel +woordje bij: ’t was haar een weldadige afleiding, dit ongekunstelde +gesprek aan te hooren. + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +ONWEERSWOLKEN. + + +Rudolf kwam vroolijk en opgewekt thuis. Terstond ging hij naar zijn +vader en deed hem van ’t een en ander verslag. Meneer Nederhorst werd +er door uit zijn kwaden luim opgewekt. + +„Best, mijn jongen!” zei hij. „En dus ging dat alles goed? Ik twijfel +er niet aan of je zult spoedig op de hoogte zijn. Doch vooral twee +zaken, waarop men in Amsterdam op de groote kantoren zeer gesteld is: +precies op tijd komen en accuratesse in zaken. Ik zal nog pleizier van +je beleven en je zult mij troosten voor ’t verdriet, dat mijn andere +kinderen me aandoen.” + +„Hoezoo, pa?” vroeg hij. + +„Dat doet er niet toe. Laat me nu alleen; ik heb nog dringende zaken, +die van avond af moeten.” + +Rudolf vertrok. + +„’t Is goed, dat hij in andere handen geweest is,” dacht meneer +Nederhorst. „Hoe gelukkig dat mijn vrouw er op aandrong, hem uit huis +te doen. Wie weet, wat er van hem terecht zou zijn gekomen, zonder +moederoog! O! Marie! waarom moest je me zoo vroeg ontnomen worden, of +liever waarom zoo vroeg aan je kinderen ontrukt! Leonie—de +onverschilligheid zelf: zij taalt niet naar ’t ouderlijk huis; maar dat +is haar ook te klein en te gering.... en Helène, op wie ik al mijn +vertrouwen stelde.... heeft mij bedrogen—schandelijk bedrogen!” + +Hij bleef eenigen tijd met de hand onder ’t hoofd zitten en gaf zich +geheel en al aan zijn verdrietige gedachten over. En misschien was het +goed, dat hij op die wijs nog eens op de zaak terug kwam; daar hij nu +bedaarder kon denken. + +„Waar ’t horloge is!” zei hij in zich zelf. „Verloren kan ze ’t niet +hebben; dat is onmogelijk: want ze droeg het nooit. Of ze moest het +Leonie hebben meegegeven en die moest het verloren hebben—dat is +mogelijk. Maar ze heeft me verzekerd, dat ze ’t haar niet heeft +gegeven, dat het niet bij den horlogemaker is. Zou ze ’t dan soms in de +Bank van leening gebracht hebben! O, God! Waartoe kan iemand komen! ’t +Horloge van mijn vrouw—in de Bank van leening! In alle gevallen, dan is +’t hier in de stad! Misschien heeft ze een vreemden naam opgegeven! Dat +zou nog ’t verstandigst zijn. Zou ze ’t Trui hebben laten wegbrengen? +Zeker wel! En dan op Trui’s naam. Daar is geen twijfel aan. Morgen ga +ik naar de Bank van leening, en vraag, of er ook op dien naam een +gouden dameshorloge met ketting is ingebracht.... Maar.... ik heb op ’t +oogenblik geen geld genoeg om het te lossen; want wie weet, hoeveel er +op gegeven is....” + +Meneer Nederhorst bleef voor eenigen tijd in diep gepeins verzonken +zitten. + +„Veel geld!” hernam hij weer halfluid, den draad zijner gedachten +hervattende. „Waartoe kan Helène veel geld noodig gehad hebben? Aan +haar toilet besteedt ze ’t niet—Leonie zei me nog, toe ze er was, dat +het schande was, zooals Helène er uitzag. Maar ze heeft kleeren voor +Dora en Alfred gekocht en ze me niet in rekening gebracht. Toen Walburg +hier met Leonie en Louise gelogeerd was, heb ik haar gezegd, dat ze +geen kosten zou ontzien.... en heb ik haar geen cent meer huishoudgeld +gegeven. O, zeker is ’t mijn schuld, eigenlijk de schuld mijner +armoede, dat ze ’t gedaan heeft. ’t Zal haar vrij wat gekost hebben van +het dierbaar kleinood harer moeder te scheiden, die ze als een heilige +vereert! Arme Helène! Hoe heb ik je kunnen verdenken!... Nu zal ze +zeker trachten, dat geld langzamerhand op te sparen en het dan te +lossen! Dat zal lang duren en dan komt er de interest bij!... Maar +waarom ’t mij niet royaal gezegd!... O, ik begrijp het: ze wilde niet, +dat ik de schande zou gevoelen, dat mijn goed naar de lombard gebracht +is! De slag, indien ik die zoo op eens uit haar mond gehoord had, zou +mij doodelijk hebben kunnen zijn. Laat ons dus vooreerst de zaak op +haar beloop laten en er over zwijgen. In alle gevallen—als Helène er +niet eerst over spreekt, zwijg ik er van.” + +Terwijl meneer Nederhorst zoo in zich zelf zat te redeneeren en +Helène’s schuld in zijn ziel vergoelijkte, zat de arme schuldelooze en +zoo zwaar verdachte op haar kamer te schreien. Ze had het verhaaltje +voor haar genomen, dat ze voor het Tijdschrift van meneer Radinus +bestemd had; maar de denkbeelden wilden niet komen; ze was daartoe ook +in geen gemoedsstemming. Toen had ze ’t weggeborgen en het copieerwerk +ter hand genomen; maar haar tranen beletten haar te werken en de +letters dansten haar voor de oogen. Daar werd gescheld. ’t Was Rudolf, +dat hoorde ze aan zijn stem, en hij ging terstond naar pa.—O, als hij +zich maar niet versprak; want pa zou hem zeker wel naar ’t horloge +vragen. Als hij zich versprak, was ’t in alle gevallen beter voor haar. +Haar vader zou misschien op ’t oogenblik driftiger worden, maar veel +meer tot vergiffenis gezind zijn, als hij de zaak uit Rudolfs mond +hoorde, dan wanneer de knaap door haar beticht was. Hij kon dan ook +beter de redenen tot zijn verdediging aanbrengen, dan zij het doen kon. + +Het duurde niet lang, of Rudolf verliet zijn vader’s kamer en trad de +hare binnen. Vroolijk en opgeruimd als hij was over zijn welbesteden +dag en de ontvangst bij zijn vader, was hij verwonderd, Helène zoo in +tranen te vinden. + +„Wat is er?” vroeg hij welwillend en hartelijk. + +„Heeft pa je niet naar ’t horloge gevraagd?” vroeg zij. + +„Naar ’t horloge? Hoe dat?” + +Helène verhaalde hem, wat er gebeurd was. + +„Dan ga ik ’t hem zelf vertellen,” zei Rudolf met edele +verontwaardiging. „Ik wil niet, dat er door mijn schuld op jou eenige +verdenking rust.” + +Helène hield hem tegen. + +„Laat dat,” zei ze. „Zooals de zaken nu staan, is ’t misschien beter, +dat pa maar in zijn waan blijft. Ik geloof niet, dat hij op ’t +oogenblik dertig gulden kan missen, om ’t horloge te lossen. En dat zou +hij toch willen doen, als hij ’t wist. Dan had je kans, dat hij ’t bij +oom Walburg leende, en,—je kent hem genoeg—in de eerste drift zou hij +de geheele historie meedeelen. En welk een begin zou dat voor jou zijn +aan de Bank? De zaak ligt er nu eenmaal toe, en in de helft, uiterlijk +’t laatst van de maand hoop ik wel zooveel bij elkander te hebben, dat +ik met wat jij overgespaard hebt, de dertig gulden heb om het in te +lossen.” + +„Maar waarvan wil je dat bij elkander halen?” vroeg Rudolf. + +„Ik werk immers voor de pers,” antwoordde Helène. „Van hetgeen ik +daarmede verdien, kleed ik Dora en Alfred, maak ik de bijzondere +uitgaven goed, en hoop ik ook ma’s horloge terug te krijgen.” + +„Maar dan ben je een opofferende engel, Helène!” riep Rudolf uit. „O, +God! en dan zoo verdacht te worden! Neen, ik vlieg naar pa en werp mij +voor zijn voeten! Hij moet het weten, wie de schuldige is.” + +Helène stond op, vatte hem bij den arm en bracht hem naar ’t portret +van hun moeder. + +„Kort voor haar sterven,” zei ze plechtig, „verzocht ze mij pa ’t lot +zooveel mogelijk te verzachten. De arme man heeft al genoeg verdriet. +Welnu, Rudolf, op dit oogenblik sta ik hier in de plaats van onze lieve +moeder, en als door haar mond smeek ik je: maak pa niet ongelukkiger +dan hij reeds is. Als hij me vraagt, waarom ik ’t horloge verpand heb, +kan ik hem zeggen, dat Dora en Alfred kleeren moesten hebben, dat het +logeeren van oom, Louise en Leonie bijzondere onkosten eischte; ik kan +hem bewijzen, dat ik geen cent aan mijn toilet heb besteed, dat ik +zelfs de twee gouden tientjes, die oom mij bij zijn vertrek in de hand +stopte, geheel en al aan de huishouding en een paar warme en stevige +winterlaarzen voor Dora en Alfred besteed heb—en hij zal beschaamd +moeten zwijgen, al moge hij ’t middel niet goed keuren. Hij weet zelf +maar al te goed, hoe ik om meer bij hem heb aangehouden, en zal dan +tevens vernemen, hoe ik, al wat ik met copiëeren van slecht leesbaar +schrift verdiend heb, in dien bodemloozen put—het huishouden heb +geworpen. En dat alles heb ik gedaan ter liefde van ma, wier +nagedachtenis mij is als die eener heilige. In den naam van die heilige +nu vraag ik je, kan jij hem zulke gronden voor ’t verpanden van ’t +horloge voorleggen?” + +„Neen,” antwoordde Rudolf met een gebroken hart. + +„Ik zei ’t niet, om je eenig verwijt te doen,” vervolgde ze. „Ik zei ’t +alleen, om je te overtuigen, hoe pa, ’t ware van de zaak wetende, diep +ongelukkig zou zijn, en hoe ’t slechts van mij afhangt, om, door de +schuld op mij te nemen, hem zelf tot onwilligen medeplichtige van de +daad te maken. Wanneer je daarentegen je zelf gaat aangeven, maak je +hem diep ongelukkig. Dat kan die lieve moeder niet gewild hebben.” + +Rudolf viel haar om den hals. + +„Helène!” riep hij uit. „Voortaan beschouw ik je als mijn moeder. Leid +mij ten goede, zooals zij zou gedaan hebben.” + +„O, als ik maar sterker was!” zuchtte Helène. „Je zult er dus niets van +aan pa zeggen?” voegde zij er kalmer bij. + +„Ik beloof ’t je.” + +„Ook aan niemand, dat ik voor de pers werk?” + +„Waarom niet?” + +„Omdat ik daar mijn bijzondere reden voor heb.” + +Vrij wat bedaard, borg ze haar werk op. + +„Kom, laat ons naar beneden gaan, voor het avondeten. Ik zal dat van pa +door Trui boven laten brengen, ze heeft het van middag zijn diner ook +moeten doen. ’t Is dan ook maar beter zoo. Ik kan zijn verachting beter +verdragen, wanneer ik niet bij hem ben, dan wanneer hij mij met die +doorborende blikken aanziet.” + +Helène was hoogst verwonderd, toen pa den volgenden morgen aan ’t +ontbijt verscheen en zijn gelaat minder stroef stond dan anders. Hij +praatte vooral met Rudolf over onverschillige dingen en roerde geen +enkele snaar aan, waardoor ’t gesprek op ’t horloge kon komen. De +laatste dagen van ’t jaar werden betrekkelijk genoegelijk doorgebracht, +terwijl de vacantiedagen der kinderen en ’t verblijf van Rudolf, aan +Helène weinig gelegenheid schonken, iets aan haar letterkundigen arbeid +te doen. Zoo kwam de eerste Januari aan, de dag waarop Rudolf naar +Amsterdam zou gaan, om zijn kamer te betrekken; ten einde den volgenden +morgen tijdig op het kantoor te kunnen zijn. Er was bepaald, dat hij +den eenen Zondag bij zijn oom, den anderen bij zijn vader te huis zou +doorbrengen. Helène had hem bepaald aanbevolen, naar den woekeraar te +gaan en dezen te zeggen, dat hij aan ’t eind van dezen of ’t begin van +de volgende maand de schuld zou afdoen, en Mozes Zadok had hem met een +grijnslach geantwoord, dat dit hem veel genoegen zou doen—zoodat van +deze kant de zaak geheel en al in orde was. + +Omtrent veertien dagen, nadat Rudolf aan de Bank werkzaam was, moest +meneer Nederhorst voor zaken in Amsterdam zijn. Natuurlijk zou hij bij +zijn zwager dineeren en ook eens zelf naar de Bank gaan, om te hooren +hoe Rudolf het maakte. Hij had echter vooraf nog eenige boodschappen te +doen en zijn weg voerde hem voorbij den winkel van Mozes Zadok. Juist +toen hij zich vlak voor dien winkel bevond, noodzaakte een opstopping +van rijtuigen hem op den stoep des woekeraars zijn toevlucht te zoeken +en wierp hij toevallig een blik in de van allerlei zaken voorziene +glazen kast; toen opeens zijn oog geboeid werd door eenige horloges, +welke te koop hingen, en waaronder een met juweelen bezet dameshorloge +met gouden ketting. Eerst ontgaf hij ’t zich; want hoe zou ’t horloge +dat op zulk een onverklaarbare wijs was weggeraakt, zich in Amsterdam +en dan nog wel in zulk een winkel bevinden? Hij bleef echter staan, +bekeek het horloge oplettender, en hoe langer hij ’t bekeek, hoe meer +hij tot de overtuiging kwam, dat het inderdaad het verloren schaap was. + +Hij trad den winkel binnen en vond er den knaap, dien we reeds ontmoet +hebben en die op zijn oude plaats achter de toonbank half zat te +dutten. Het toornige gelaat en de vlammende blik van den bezoeker +verschrikten dezen zoodanig dat hij slechts stamelend kon uitbrengen: + +„Wat is er van mijnheers dienst?” + +„Laat mij dat dameshorloge met gouden ketting eens zien; dat daar in de +kast hangt,” antwoordde meneer Nederhorst op bevelenden toon. + +„Wacht even, meneer,” antwoordde de knaap, „dan zal ik den meester +schellen. Die zal u terstond helpen.” + +Hij drukte op den knop eener andere schel dan de vorige maal, en een +oogenblik later kwam Mozes Zadok de trap af en stond hij diep buigende +en listig knipoogende achter de toonbank. + +„Wat is er van meneers dienst?” vroeg hij kruipend vriendelijk. + +„Laat mij dat gouden met diamanten bezet dameshorloge eens zien, dat +daar in de kast hangt.” + +Aan het driftige van den toon bemerkte de slimme Zadok wel, dat er wat +met dat horloge gebeurd moest zijn, dat niet in den haak was. Hij keek +in de kast en zei daarop: + +„Dat horloge hoort daar niet te hangen. ’t Is niet te koop. Mijn stomme +knecht heeft weer een onhandigheid begaan.” + +„Dus is ’t hier verpand?” zei meneer Nederhorst. + +„We houden hier geen pandjeshuis, meneer,” antwoordde Mozes. + +„Nu, dan hebt je er geld op geleend.” + +„Meneer, verschoon me van alle bijzonderheden; ik heb u gezegd, dat het +niet te koop was, en dat moet u, dunkt mij genoeg zijn.” + +„Dat zou nog te bezien staan,” hernam meneer Nederhorst; terwijl hij +Mozes scherp aankeek. „Stel eens, dat dit horloge mijn eigendom is, +waarvoor ik het houd, ofschoon ik niet kan begrijpen, hoe ’t hier komt. +Doch stel nu eens, dat het zoo is; dan ben ik bereid u de som terug te +betalen, welke u er op voorgeschoten hebt.” + +De slimme woekeraar begreep, dat hij hier zijn slag kon slaan en +bemerkte wel, dat die heer voor zijn toonbank veel waarde aan dat +horloge hechtte. Aan den anderen kant begreep hij ook, dat hij +voorzichtig met hem moest zijn: want dat er aan de geschiedenis van dat +horloge meer vast was, dan hij wel in den beginne gemeend had; en dus +haalde hij, schijnbaar tegen zijn wil, ’t horloge uit de kast en liet +het meneer Nederhorst zien, zonder ’t uit de handen te geven. + +„Doe de kast open,” gebood meneer Nederhorst. Mozes deed het, en nu zag +de andere daar duidelijk de dooreen gevlochten letters M. L. N. + +„Dit horloge is van mij en niemand heeft er het minste recht op,” zei +hij, terwijl zijn lippen van inwendige gramschap beefden. + +„’t Spijt mij meneer, dat ik met u in gevoelen verschillen moet,” +antwoordde Zadok. „Ten aanzien van mij, hebt u er geen het minste recht +op. ’t Werd mij toevertrouwd als zekerheid voor een aardige som gelds.” + +„Hoeveel?” vroeg meneer Nederhorst. + +„Zestig gulden,” antwoordde Zadok zonder een oogenblik te aarzelen. „’t +Was in alle gevallen een goede borg. De diamanten alleen...” + +„Genoeg,” zei meneer Nederhorst ongeduldig. „Ik heb er vrij wat meer +voor gegeven; dat kan ik u verzekeren. Bewaar het en beloof mij, ’t aan +niemand te laten zien. Binnen een uur of korter breng ik u de zestig +gulden.” + +„Domoor, die ik ben!” mompelde Mozes in zich zelf, „dat ik niet het +dubbele der som gevraagd heb! Maar ’t is mijn oude gebrek. Ik ben te +onbaatzuchtig! Misschien is ’t ook beter zoo: want de zaak met dat +horloge is niet zuiver. Als ik honderd-twintig gulden gevraagd had, zou +hij er misschien andere handen in gehaald hebben, en op de politie ben +ik nu juist niet gesteld.” + +Meneer Nederhorst begaf zich terstond naar de Bank, waar hij zijn broer +alleen in de directeurskamer vond. + +„Beste Walburg,” zei hij. „Ik heb daar een raar geval. ’t Horloge van +mijn vrouw, dat ze een paar dagen vóor haar sterven aan Helène heeft +geschonken, bevindt zich in handen van een man, die mij verdacht +voorkomt.” + +En hij vertelde hem ’t een en ander, wat er met Helène was +voorgevallen. + +„Ik begrijp er niets van,” zei meneer Walburg. „Helène is ’t horloge +kwijt; ze zegt, dat het in goede handen is, en jij vindt het bij een +soort van uitdrager terug, als onderpand van een leening van zestig +gulden. Heb je ’t bij je?” + +„Neen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik had het geld niet bij mij, en +kwam je vragen, ’t mij te leenen. Want ik wil dat horloge niet langer +dan noodig is in de handen van dien kerel laten.” + +„Wacht, dan laat ik een vigelante voorkomen en ga ik mee,” zei meneer +Walburg. „De zaak is mij interessant genoeg, om er bij tegenwoordig te +zijn.” + +„Hoe ’t horloge hier en in handen van dien kerel komt begrijp ik niet,” +zei meneer Nederhorst. „Helène heeft het in bezit gehad; en is sedert +den tijd, dat ze ’t kreeg, niet in Amsterdam geweest. Daarenboven, +waartoe zou zij zestig gulden noodig hebben gehad, gesteld, dat daar nu +eens een gulden of tien interest bij is; want zulk volk kan interest +berekenen, dat verzeker ik je. Aan haar toilet besteedt ze ’t niet. +Daarbij leven we zoo doodeenvoudig, dat ze aan den kant der huishouding +ook geen aanzienlijk te kort kan gehad hebben.” + +„Dan zou ze ’t je wel meegedeeld hebben,” hernam Walburg. + +„Er is slechts éen persoon, dien ik van de zaak verdenk,” hervatte +meneer Nederhorst. „Er woont te Weesp een zekere dokter Faminga, +tenminste daarvoor geeft hij zich uit, een man, die zich nog tijdens ’t +leven van mijn vrouw bij ons heeft willen indringen. Dien man vertrouw +ik niet.” + +„Maar dan deden we beter, even aan ’t commissariaat van politie aan te +gaan,” zei meneer Walburg. „Als die zoogenaamde dokter er de hand in +heeft gehad, dan worden ’t zaken voor de justitie.” + +„Ik zal er wel oppassen, om ’t hardop te zeggen,” hernam meneer +Nederhorst. „’t Zijn maar bloote vermoedens en ik zou er slecht +bewijzen voor kunnen vinden.” + +„Dan geloof ik, dat we ’t best doen, de zaak maar blauw blauw te +laten,” antwoordde meneer Walburg. „Kom, de vigilante is voor, laat ons +gaan.” + +Nadat hij zijn schoonbroer de zestig gulden ter hand gesteld had, +stapte meneer Walburg in ’t rijtuig en reden de beide heeren naar de +woning van Mozes Zadok, waar ze uitstapten. Een gansche bende van +straatjongens, leegloopers en nieuwsgierigen verzamelde zich op den +stoep van den handelaar en vormden twee rijen, waardoor de bezoekers +heen moesten om in hun rijtuig te komen, en allerlei gissingen werden +onder ’t volk gemaakt; waarvan niet de minst ongerijmde was, dat het de +heeren van politie waren en dat Mozes zeker ’t een of ander +politiereglement overtreden had. + +Intusschen waren de beide heeren ’t voorhuis in en voor de toonbank +getreden. Mozes die ’t standje voor de deur gewaar werd, verzocht den +heeren boven te willen komen. + +„Ze zijn ’t niet gewoon, heeren! dat de oude Mozes zulke aanzienlijke +klanten ontvangt,” zei hij; „daarom groepeeren ze zich om mijn raam als +een kudde jonge bokken. Maar we zullen hun niets te zien geven, zoo +waar ik Mozes Zadok heet.” + +Spoedig was nu ’t horloge betaald en geleverd. + +„Uw naam, meneer?” vroeg de koopman. + +„Mijn naam is niet noodig,” antwoordde meneer Nederhorst. „Als ’t soms +politiezaken mochten worden, zal ik maar zult u niet de aanklager zijn. +In dat geval zult u kennis met mijn naam maken.” + +„Ik kan toch niet helpen, dat degeen die geld bij mij geleend heeft, +dat horloge gestolen heeft,” zei Mozes. „Daarenboven heb ik er scha +genoeg bij; want het horloge staat hier al sedert drie maanden.” + +„Was het dan een jongeheer, die ’t hier gebracht heeft?” vroeg meneer +Walburg, die zich Rudolfs brief herinnerde. + +„Mijn God! Meneer! Aan jongeheeren zouden we immers geen geld op +dameshorloges leenen. Dan zouden we ’t gauw te kwaad met de justitie +krijgen.” + +„U zult toch niet weigeren den naam van den inbrenger voor ons op te +zoeken. Natuurlijk staat die als debiteur in uw boek.” + +„Om daardoor aan de politie ’t spoor in handen te geven,” zei Mozes. +„Neen, meneer. U hebt uw horloge terug en ik heb u op uw woord geloofd, +dat het het uwe was; ’t geen door uw overrompeling gekomen is, want wie +bewijst mij nog, dat u de eigenaar van ’t horloge bent en u niet door +een streek van mijn onnoozelheid gebruik gemaakt hebt om het ding +goedkooper in handen te krijgen?” + +„Kerel,” riep meneer Nederhorst driftig uit. „Als ik er mijn redenen +niet voor had, om geen opspraak te maken, dan gaf ik de zaak regelrecht +aan de politie aan.” + +„Bedaard, meneer!” zei Mozes, die toch liefst de zaak maar in de doos +deed en zich met ’t aardige winstje vergenoegde, liever dan het deksel +op zijn neus te krijgen door ’t onderste uit de kan te willen hebben. +„Al zeg ik den naam van den inbrenger niet, dat mag ik u toch wel +zeggen, dat het een vrij goed gekleed heer was van ongeveer dertig +jaren. Naar ’t mij voorkwam was ’t horloge van zijn vrouw.” + +De beide heeren vertrokken, tot leedwezen der toeschouwers doodbedaard +alleen. + +„Ik zal er Rudolf toch eens over spreken,” zei meneer Walburg, wien die +brief nog steeds voor de oogen speelde. „Want van die dertig jaren en +die vrouw geloof ik niets.” + +„Waartoe zou dat dienen?” vroeg meneer Nederhorst hem. „Drie maanden +geleden was hij nog goed en wel op de kostschool. Daarenboven is ’t +horloge niet uit Helène’s handen geweest.” + +„Nu, als je er op staat, wil ik er wel over zwijgen,” zei Walburg. + +„Zelfs tegen je vrouw,” hernam Nederhorst. „Ik heb er mijn bijzondere +redenen voor, om de zaak geheim te houden. Ik ben tevreden, dat het +horloge terecht is, en zal je in orde ’t mij voorgeschoten geld +rembourseeren.” + +„Wat dit laatste aangaat, dat zal wel terecht komen,” en beide heeren +stapten aan de Bank af, waar meneer Nederhorst een zeer voldoend +getuigenis over Rudolf’s ijver en bekwaamheid kreeg. + +Toen hij ’s avonds thuis kwam, sloot hij ’t horloge in zijn secretaire, +zonder Helène er iets van te zeggen. + +„Ze zal vreemd opzien, als hij, die ’t horloge voor haar verpand heeft, +het niet weervindt,” zei hij bij zich zelf. „Misschien zullen we dan +den draad in handen krijgen om hem te ontdekken, die ’t voor haar +gedaan heeft. Een heer van ongeveer dertig jaren. Dat kan die dokter +niet geweest zijn. Die is wel tweemaal zoo oud. Maar hij kan ook iemand +anders gebruikt hebben. Ik moet toch, als ik bij gelegenheid weer in +Amsterdam kom, nog eens bij dien Zadok achter den naam van den +verpander zien te komen.” + +Intusschen leefden Helène en Rudolf in de heilige overtuiging, dat het +erfstuk hunner moeder veilig was en weldra weer in hun bezit zou zijn. + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +UIT DEN DROOM ONTWAAKT. + + +Helène ontving in de helft van Januari ’t honorarium voor haar +verhaaltje. Ofschoon ’t goed betaald was, vooral aan een +eerstbeginnende—’t was te klein van omvang om veel te geven. En dan +moest er nog de tien gulden af, die zij zoolang van ’t huishoudgeld had +afgenomen en waarvoor zij van enkele leveranciers op rekening genomen +had. Gelukkig, dat ze de kopie af had en juist weer nieuwe kreeg, +waardoor haar de andere betaald werd, zoodat zij twintig gulden +bijeengescharreld had, hopende dat Rudolf nu voor de tien andere zou +zorgen. Hij had het haar zoo stellig beloofd en zou zeker zijn belofte +houden. + +Met ongeduld wachtte ze den zondag zijner komst af. ’t Was de tweede +maal, dat hij overkwam. + +„Welnu,” zei ze. „Ik heb mijn belofte gehouden; hier zijn twintig +gulden, heb jij er nu de andere tien bij?” + +„Overmorgen krijg ik mijn maandgeld en ziehier wat ik te betalen heb; +je ziet, dat ik zuinig geweest ben en ruim twaalf gulden overhoud. Jij +kunt er niet meer naar verlangen dan ik, om weer in ’t bezit van ’t +horloge te zijn.” + +„Maar als je nu in ’t bezit bent,” zei ze, „hoe krijg ik het dan hier?” + +„Zou ’t niet het best zijn, dat we daarmede wachtten tot vandaag over +veertien dagen? dan breng ik ’t zelf mee.” + +„Dat is zoo kwaad niet,” antwoordde ze. „Als je ’t maar goed bergt; +want, nu ’t eens weg geweest is, ben ik er nog banger voor dan ik +vroeger was.” + +„Nu, ik zal er wel voor zorgen,” zei Rudolf. „Daar kun je op rekenen. +Maar heeft pa er nooit weer een woord tegen je over gesproken?” + +„Sedert dien eenen avond niet. Ik heb je toen al mijn verwondering +betuigd, dat hij den volgenden morgen weer even als anders was, en zoo +is hij gebleven. Laatst toen hij in Amsterdam geweest was, heeft hij +mij alleen gevraagd, of ik dokter Faminga nog wel eens sprak.” + +„Dokter Faminga? Wie is dat?” + +„Och, dat was die heer, dien we verleden jaar, na je ziekte, op ’t +kerkhof ontmoetten en dien ik toen uit scherts meneer Radinus noemde.” + +„Dus was dat Radinus niet?” vroeg Rudolf verbaasd. + +„Welneen. Ik zei ’t maar, omdat ik vreesde dat je den naam van den +dokter in tegenwoordigheid van pa zoudt noemen, en pa kan dien man, de +Hemel weet waarom, nu eenmaal niet velen.” + +„O, daarom keek hij zoo verwonderd, toen ik hem naar meneer Radinus +vroeg, en begreep ik niet waarom jij me zoo wenkte. Maar wat is er dan +met dien dokter Faminga?” + +Helène vertelde ’t hem en prees natuurlijk den dokter zeer. + +„Maar hoe breng je nu de vraag, of je dien dokter met zijn barbaarschen +naam gesproken had, met het horloge in verband?” + +„Dat weet ik niet,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t er ook eigenlijk niet +juist mee in verband gebracht; maar ik vond de vraag, omdat pa zoo even +uit Amsterdam gekomen was, zonderling en vreemd!” + +„Waarschijnlijk heeft hij door den een of ander dien naam daar hooren +noemen.” + +„Licht mogelijk,” antwoordde Helène en daarmee nam hun gesprek een +einde. + +’s Avonds vertrok Rudolf met de twintig zuur verdiende guldens van +Helène in zijn zak naar Amsterdam, en ’t was haar alsof ’t een +eeuwigheid zou zijn, eer de veertien dagen om waren. + +„Schrijf ’t nu toch gauw, zoodra ’t horloge weer in je bezit is,” +fluisterde zij hem toe, toen ze hem met de beide kinderen naar ’t +station had gebracht en men op den trein van Naarden-Bussum wachtte. + +„Ik beloof ’t je,” antwoordde hij. „Zoodra ik ’t heb, schrijf ik je per +briefkaart: „Alles in orde.” „Vindt je dat niet goed?” + +„Neen, die briefkaart kan pa in handen komen; schrijf liever een brief, +hoe kort ook: ’t scheelt je maar twee centen.” + +De Dinsdag was gekomen, en hij had zijn eerste maand tractement +ontvangen. Met welk een blik van welgevallen staarde hij op dat eerste +door hem verdiende geld, en met welk een genot nam hij er tien gulden +af, welke hij bij de twintig van Helène voegde. + +’t Was al tusschen licht en donker, toen hij naar den winkel van Mozes +Zadok stapte. Op ’t kantoor van den woekeraar brandde al licht. Daniel +de winkeljongen zat in den winkel te slapen, maar werd wakker van het +luiden der veerschel. ’t Was zoo donker niet of hij herkende Rudolf. + +„Is uw patroon thuis?” vroeg deze aan den knaap. + +„Hij is op ’t oogenblik uit,” antwoordde Daniel. + +„Uit! En ik wou hem ’t geld afdoen op mijn horloge. Zeg hem dat.” + +„Op uw horloge?” vroeg Daniel nog half slapend. „Een paar weken geleden +is hier een heer geweest en toen heeft de patroon hem ’t horloge voor +een aardig sommetje verkocht. Ik heb ’t zelf gezien; ’t was bij toeval +in de kast gekomen en toen zag een heer ’t, die voor de glazen stond. +Later kwam hij met een anderen heer in een vigilante en toen hebben ze +’t boven betaald.” + +„Dat is mijn horloge niet geweest,” hernam Rudolf. + +„’t Is mogelijk, jongeheer!” antwoordde Daniel. „Maar ik zou er toch +hard aan twijfelen, of ’t niet waar was.” + +„En is Zadok werkelijk uit, of speld je me maar wat op de mouw?” + +„Hij is even een boodschap in de buurt gaan doen,” antwoordde Daniel. +„Zooals je ziet, is ’t licht op zijn kantoor al op. ’t Is goed, dat je +me wakker gemaakt hebt, anders zou er een potje te vuur gestaan hebben. +Ik zal gauw ’t licht hier opsteken.” + +Rudolf kon maar niet gelooven dat de jongen de waarheid sprak. Toen dus +’t licht in den winkel op was en hij Daniel zien kon, zei hij: + +„Nu ben je ten minste wakker. Zeg mij nu eens, of je gedroomd en me een +droom verteld hebt, dan of je me wat op de mouw wilde spelden.” + +„Ik verzeker u, jongeheer! dat ik u de volle waarheid gezegd heb. De +patroon heeft zestig gulden voor ’t horloge ontvangen, en ik geloof, +dat hij er later spijt genoeg van heeft gehad, dat hij geen honderd +gevraagd had.” + +„Maar dat is toch een gemeene streek!” riep Rudolf uit. „En als ik dit +aangeef...” + +„Aangeven! Ach! jongeheer! laat dat maar uit uw gedachten... Doch daar +is de patroon al terug. Zeg er niets van, dat ik ’t u verteld heb.” + +Inderdaad kwam Mozes Zadok thuis. Eerst wist hij niet, wie daar in den +winkel met Daniel stond te praten; doch toen hij Rudolf herkende, zei +hij: + +„Zoo, goeden avond, jongeheer! Altijd wel geweest? Ik had u al sedert +lang verwacht. Komt u weer wat afdoen op de verschuldigde som?” + +„Ja,” antwoordde Rudolf, nog steeds in ’t vaste geloof, dat de +woekeraar niet zoo slecht was, als diens bediende verteld had. + +„Heel goed! heel goed! kom dan maar boven!” + +En Mozes ging den knaap vóor naar de hem reeds bekende opkamer. + +„Ik kom u de geheele som afbetalen,” zeide Rudolf. + +„Wel, dat is goed. Ga zitten, jongeheer! Dan zal ik uw schuldbekentenis +opzoeken.” + +„Ga uw gang en krijg dan meteen ’t horloge.” + +„Dat zal van avond slecht gaan; want het is zoo goed bewaard, dat ik ’t +moeilijk met licht kan vinden. Kom ’t morgen even afhalen; u hebt toch +nog altijd het bewijs in uw zak?” + +„Ik wil ’t nu hebben, anders betaal ik je niet,” zeide Rudolf kortaf. + +„Maar waarom ben je dan niet wat vroeger gekomen, jongeheer?” zei Mozes +nog altijd vriendelijk. + +„Dat is mijn zaak,” antwoordde Rudolf. „Kom, kom! krijg ’t horloge voor +den dag! Een man, die zooveel orde in zijn zaken houdt, kan een gouden +horloge wel op den tast vinden. Of ’t zou waar moeten zijn, dat je ’t +voor zestig gulden verkocht hebt?” + +„Hoe kom je daar aan, jongeheer?” vroeg de woekeraar, eenigszins van +zijn stuk gebracht. + +„Je bediende heeft het mij verteld, en als je ’t me niet terstond +geeft, dan geloof ik, dat het waar is en zal ik ’t er niet bij laten.” + +„Daar zal hij voor lusten!” riep Mozes uit, en snelde buiten zichzelf +van gramschap naar den winkel, waar hij den armen Daniel een oorveeg +gaf, die hem van zijn hoogen stoel deed rollen. Daarna kwam hij op ’t +kantoor terug. ’t Gelaat van den woekeraar was nu geheel en al +veranderd; hij keek Rudolf aan als wilde hij hem met huid en haar +opeten. Maar deze was alles behalve bang. + +„Welnu, meneer Zadok,” zei hij. „Naar ik bemerk is de zaak waar.” + +„Dat is ze,” antwoordde Zadok met een onbeschaamd gelaat. „Ik heb ’t +horloge wel niet meer, maar ’t ook niet verkocht: want de man aan wien +ik ’t met een klein winstje heb overgedaan, was de eigenaar. En dus, +jongeheer, hou je mond maar dicht; want als je den boel roert, dan +stinkt ze. Als ik de zaak aangeef, dan kom je achter de tralies. Je was +niet eerlijk aan ’t horloge gekomen.” + +„Wie durft dat zeggen?” + +„Niet ik, maar de heer, die beweerde en bewees, eigenaar er van te +zijn.” + +„Dat heeft hij gelogen!” riep Rudolf uit. „Ik was er eigenaar van, of +liever mijn zuster die ’t mij gegeven had om het te verpanden, daar ze +geld noodig had. Hoe kon je zoo dom zijn, sluwe Zadok, om te denken, +dat een heer eigenaar van een dameshorloge was? ’t Is niets dan logen, +gemeene zwendelarij, en ’t eenige wat je doen kunt, is mij den naam en +’t adres op te geven van den persoon, die zei er recht op te hebben.” + +„Dat weet ik zelf niet; want hij verkoos mij noch ’t een noch ’t ander +te zeggen.” + +„Dan zal ik wel middelen vinden, om er u toe te noodzaken.” + +„Alles bedreigingen in den wind!” zei Mozes doodbedaard; want hij +begreep dat hij op die wijs het best van den knaap kon afkomen. +„Wanneer je de zaak aangeeft, zeg ik eenvoudig, dat de rechtmatige +eigenaar gekomen is, wien ’t horloge ontstolen is. Als ik er een eed op +doe, dan kom jij in de kast.” + +„Dat zou te bezien staan,” zei Rudolf, „wie van ons beiden er in zou +komen: ik, die je ’t horloge tot pand geef en er op afbetaal of jij, +die mijn eigendom aan een ander verkoopt?” + +„Stil wat, jongeheer! Eerst zoudt u moeten bewijzen, dat het uw +eigendom was en dat is een punt, waaraan ik van den beginne af aan +getwijfeld heb.” + +„Des te schurkachtiger van jou, om op gestolen goed geld te leenen,” +zei Rudolf. „Ik kan voor de rechtbank bewijzen, dat het horloge op ’t +oogenblik, dat ik ’t bij u beleende, mijn eigendom was; laat de man, +wien ge ’t verkocht hebt, dat eens doen.” + +„Ik heb het niet verkocht; ik heb ’t hem teruggeven, en als je niet +fatsoenlijk genoeg bent, om mij de dertig gulden te betalen, die ik er +op voor geschoten heb, dan heb ik er een heele schâ aan.” + +„Ik jou nog geld toe betalen? Geef mij de vijftien gulden terug, die ik +je betaald heb. Noem mij liever den persoon, die u er de zestig gulden +voor ter hand heeft gesteld, dan ga ik naar hem toe en zal hem de zaak +verklaren. Geef mij zijn adres.” + +„Hoor eens, knaap,” zei Mozes Zadok, wien al dat praten verveelde, „ik +ben niet van zins, langer je onbeschaamde taal aan te hooren. Als je +wat te reclameeren heb, klaag me dan bij de politie aan. Maar nu, mijn +deur uit!” + +Dit zeggende, pakte hij Rudolf, die daar niet op verdacht was, bij den +kraag van zijn buis, duwde hem de trap af, ’t voorhuis door en zoo de +deur uit, welke hij op den grendel sloot. Schuimbekkend van woede was +Rudolf juist op het punt, om tegen de deur te schoppen en te bonzen; +hij begreep echter, dat hij alsdan burengerucht zou veroorzaken en dit +verlangde hij juist niet. Hij keerde dus stil en in een alles behalve +aangename stemming huiswaarts. + +Maar hij was er de jongen niet naar, om zich door een vergeefsche +poging te laten afschrikken. Den volgenden avond ging hij andermaal +naar den woekeraar, die hem evenwel nog onvriendelijker dan den vorige +afscheepte en hem zelfs dreigde, de zaak te zullen aangeven, wanneer +hij hem niet met rust liet. Tevens bood hij hem aan, hem op dezelfde +manier de deur uit te smijten als gisteren. Rudolf, die nu wel bemerkte +dat hij met den patroon niet verder zou komen, fluisterde Daniel toe, +die achter de toonbank van daan kwam, om hem uit te laten. + +„Hoe laat kom je hier van daan?” + +„Om half tien.” + +„Kom dan op de Nieuwmarkt, bij de Vischmarkt.” + +„Goed.” + +En met die woorden deed hij de deur achter hem toe. + +„Wat zei de knaap?” vroeg Mozes aan zijn bediende. + +„Dat hij u wel vinden zou.” + +„En wat heb je hem geantwoord.” + +„Dat hij u al gevonden had.” + +„Ha! ha! ha!” lachte Mozes en voegde er bij: „Je bent geestiger dan ik +dacht, Daniel.” + +„Misschien slimmer ook,” prevelde Daniel. „Ik zal tenminste probeeren, +er nog een broodje aan te verdienen.” + +Rudolf stond reeds onder het afdak der groote vischmarkt te wachten, +toen Daniel kwam aansukkelen. + +„Je komt laat, Daniel,” zei hij. „De klok van de Oudekerk heeft al lang +halftien geslagen. ’t Is bij tienen.” + +„De oude heeft altijd zoolang werk, eer alles geborgen is, en dan is er +nu nog ’t een, dan weer ’t ander te doen; zoodat het dikwijls tien uur +op de Zuiderkerk slaat, eer ik wegkom.” + +„’t Is goed. Zeg eens, zou je me ook kunnen zeggen, wie de man was, die +mijn horloge kocht; je zegt toch dat je de heele zaak heb bijgewoond.” + +„Hoe kan ik dat zeggen? Amsterdam is zoo groot en er zijn zooveel +menschen, dat ik ze niet allemaal ken.” + +„Nu ja. Maar wat was ’t voor een man?” vroeg Rudolf. + +„’t Was een heer, en een fatsoenlijk heer ook,” antwoordde Daniel. „Hij +zag er heel deftig uit en sprak op zoo’n fatsoenlijken toon.” + +„Zeg eens, zou je ook kans zien, zijn adres op te diepen?” + +„Om weer zulk een slag te krijgen, als Mozes mij gisteren gaf. Ik +bedank u, jongeheer!” + +„Maar ik zal ’t Mozes niet vertellen, dat jij ’t me gezegd hebt.” + +„Alsof hij ’t niet begrijpen zal, wie ’t hem gedaan heeft.” + +„Maar ik wil niet hebben, dat je ’t voor niet doet. Zie, hier is een +gulden; die is voor jou, als je me het adres opgeeft. Bij elke +belangrijke tijding aangaande de zaak krijg je weer een gulden, en als +ik ’t horloge terug heb, drie.” + +De oogen van den armen Daniel schitterden, toen Rudolf hem den gulden +liet zien. + +„Ik zal zien, dat ik het te weten kom, jongeheer,” hernam hij. „Maar +daar zullen wel een paar dagen over heengaan.” + +„Laat ons het dan bepalen op aanstaanden Vrijdag,” zei Rudolf. + +„Dat is goed,” antwoordde Daniel. „Dan hoop ik ’t u te kunnen zeggen.” + +„Hoe laat ga je ’s morgens naar den patroon?” + +„Om negen uur moet ik bij hem zijn.” + +„Wacht mij dan Vrijdagmorgen om negen uur op ’t Oude Kerksplein; daar +is het op dien tijd stiller dan hier.” + +Mistroostig kwam Rudolf thuis. Hij had er nog mee gewacht, om de zaak +aan Helène te schrijven: want hij begreep maar al te goed, hoe ze bij +’t ontvangen van ’t bericht zou zijn. Doch thans kon hij niet langer +wachten. Hij schreef haar dus de zaak in ’t uitgebreide; ook wat hij +reeds gedaan had en voornemens was te doen en troostte haar met de +valsche hoop, waarmee hij ook zich zelf in slaap poogde te wiegen, dat +het horloge nog wel terecht zou komen; want dat degeen die het van +Mozes had meegenomen een fatsoenlijk heer was, en dat de zaak dus op +een bloote vergissing berustte. + +Vrijdags wachtte hij Daniel op ’t Oude Kerksplein. + +„Wel, heb je ’t adres?” vroeg hij. + +„Toen de oude uit was, ben ik aan ’t snuffelen in zijn boek gegaan; +maar ik kon uit dat gekrabbel niet wijs worden.” + +„Zoodat je niets weet?” + +„Ik heb gezien, dat hij op dien dag zaken gedaan heeft met deze drie +personen.” antwoordde Daniel. „Ik heb ze voor u op een papiertje +geschreven. Hier zijn ze.” + +Rudolf las: Muller, Jansen en Bekker. + +„Nu, dat zijn namen, die men in Amsterdam bij de vleet kan vinden,” zei +hij mistroostig. „En stond er geen beroep bij?” + +„Jawel, maar dat kon ik niet lezen. Alleen bij Jansen geloof ik, dat +boekhandelaar stond, maar ’t kan ook boekhouder, of boekdrukker zijn +geweest. De patroon schrijft zoo slecht, dat ik niet begrijp, hoe hij +er uit wijs wordt.” + +„Maar een boekhandelaar zal toch niet bij Mozes Zadok komen?” + +„Ook niet om een horloge, dat hem ontstolen is, terug te krijgen?” + +„Je hebt gelijk,” antwoordde Rudolf, die nog steeds vasthield aan het +denkbeeld van vergissing. „Daar is meer gelijk dan eigen, en ’t kon +heel goed zijn, dat het juist zulk een heer was. Hier is je gulden. +Alle morgens kun je me hier vinden; dus als je wat te vertellen hebt en +’t is belangrijk genoeg—dan verdien je een gulden.” + +Rudolf trok zijn stoute schoenen aan en ging een bezoek bij den heer +Jansen maken. Hij werd er vriendelijk ontvangen. ’t Kostte hem wel veel +moeite, om te bekennen, dat hij ’t horloge zijner zuster verpand had, +om geld te krijgen en hoe hij op raad van een zijner makkers bij den +woekeraar Mozes Zadok te land gekomen was. De heer Jansen hoorde hem +vriendelijk aan, beklaagde hem, betuigde, dat hij de persoon niet was, +wien een horloge ontstolen was, en ried hem aan, om er maar geen werk +van te maken; daar even goed Zadoks boek als de mededeelingen van +Daniel wel valsche namen konden bevatten. + +’t Was wel ongelukkig voor onzen Rudolf, dat de zaak zoo in ’t begin +van zijn kantoorloopbaan kwam. Door ’t wachten op Daniel kwam hij nu en +dan te laat, hetgeen hem telkens een berisping van den chef op den hals +haalde. En zoo vervuld was zijn ziel met de zaak van ’t horloge, dat +hij niet bij zijn werk was en de grofste fouten maakte. Toen zijn chef +bemerkte, dat zijn herhaalde vermaningen niet hielpen, klaagde hij er +meneer Walburg over en deze ontbood Rudolf op de directiekamer. + +„Ik hoor allerlei klachten over je, Rudolf,” zei meneer Walburg. + +„Dat spijt mij, oom!” antwoordde Rudolf. + +„Je komt soms te laat en maakt fouten in je werk, hetgeen in den +beginne ’t geval niet was. Hoe komt dat?” + +„Omdat dat altijd turen op cijfers een mensch in de war brengt,” +antwoordde Rudolf. + +„Men moet daarmee beginnen; daar zal een tijd komen, dat je ander werk +krijgt. Doe dus je best om goed te doen, wat je thans is opgelegd, en +vergeet niet, dat je, wanneer je niet beter oppast, van ’t kantoor zult +worden weggejaagd, waarmee je je zelf en mij schande zult aandoen. Denk +er aan, dat ik de eenige directeur niet ben; en al was ik het—menschen, +die hun plicht niet doen, kan ik niet gebruiken.” + +Beschaamd keerde Rudolf naar ’t kantoor terug. Hij gevoelde dat zijn +oom volkomen gelijk had, en was die ongelukkige historie met dat +horloge er niet tusschen in gekomen—hij zou zeker met den meesten ijver +zijn taak vervuld hebben. Maar ’t scheen, dat het hem nu onmogelijk +was, zich bij zijn arbeid te bepalen en ofschoon hij voortaan zorgde op +zijn tijd te komen, daar hij Daniel maar weer ’s avonds besteld +had—zijn werk was dikwerf van dien aard, dat hij ’t overschrijven +moest. Toen nu Daniel hem weken lang niets kon meedeelen, gaf hij hem +nog een gulden voor zijn moeite en zei hem, dat hij maar niet moest +terugkomen. + +Een ander denkbeeld was hem in den zin gekomen. Hij zou een advertentie +plaatsen. Te dien einde begaf hij zich naar den boekverkooper Jansen, +om dezen raad te vragen en hem te verzoeken, de advertentie te stellen +en te laten plaatsen. + +„Indien je er van overtuigd bent, mijn jonge vriend, dat het slechts +een vergissing is van dengeen, die ’t horloge opgeëischt heeft en niet +de een of ander schurkenstreek,” zei de boekverkooper, „dan is het +goed; anders gooit ge uw geld in ’t water.” + +„Vooreerst schijnt het een fatsoenlijk man te zijn geweest,” zei +Rudolf; „maar ten tweede, wat meer zegt, heeft die man zoo overtuigend +gesproken, dat de sluwe Mozes Zadok, die anders van zessen klaar is, +hem ’t horloge voor zestig gulden zoogenaamd voorschot gegeven heeft; +ofschoon het door zijn diamanten zeker de dubbele waarde had.” + +„Wij kunnen ’t probeeren, ofschoon ik er niet veel heil van verwacht,” +zei de boekverkooper, en stelde nu de volgende advertentie: + + +„Gouden Dameshorloge met dito ketting vermist. + +„De persoon, die Donderdag den... Januari j.l. in den winkel van M. Z. +alhier, een gouden dameshorloge met diamanten bezet en van gouden +ketting voorzien, tegen zestig gulden heeft gelost, wordt verzocht, +zich aan te melden onder Lett. A. N. bij den Boekhandelaar J. G. Jansen +alhier.” + + +Tevreden over de poging, en daarvan alles verwachtend, betaalde Rudolf +den boekverkooper de onkosten der advertentie. + +„Kom nu over drie dagen maar eens hooren, of er een antwoord is,” zei +de boekverkooper. + +„Zoo laat?” vroeg Rudolf. + +„Vroeger kan er geen antwoord zijn, tenzij de menschen de krant ’s +avonds te voren krijgen. Eerst morgen avond komt het in de krant. En +zulk een haast tot antwoorden heeft men in dergelijke gevallen niet.” + +Rudolf begreep, dat de boekhandelaar gelijk had en ging tamelijk gerust +naar huis. Den volgenden dag was hij wel iets geduriger op ’t kantoor, +maar gaf toch weer blijken van afgetrokkenheid. + +Den avond daarop zag Rudolf met hijgend verlangen uit naar ’t +Handelsblad, dat in de directiekamer gebracht en beurtelings door een +der jongste bedienden gehaald werd, die ’t aan zijn chef ter hand +stelde. Deze keek het even in en liet het dan aan een der andere chefs +brengen, tot het de ronde gedaan had, om in de directiekamer terug te +keeren. + +’t Was of ’t van avond niet kwam. Eindelijk daar bracht de jongste +klerk van een andere afdeeling het. Wat keek Rudolf er schuin naar; +terwijl de chef het doorlas. ’t Was alsof hij ’t eens zoolang las als +anders. Eindelijk klonk het: + +„Nederhorst!” + +„Tot uw dienst, meneer!” + +„Breng ’t Handelsblad maar hier naast.” + +Nauwelijks was Rudolf het vertrek uit en had hij de deur gesloten, of +hij vouwde ’t blad open. Lang behoefde hij niet te zoeken: want daar +stond zijn advertentie met een hoofd van zulke groote letters, dat ze +ieder in ’t oog moesten vallen—zoo ten minste dacht Rudolf, wien ze, +omdat hij haar zocht, terstond voor de oogen stond. Nu die advertentie +er in stond was de zaak gezond en ’t horloge zoo goed als terecht. Daar +was geen twijfelen aan. Terstond vouwde hij de krant toe, bracht haar +naar ’t vertrek, waar zij wezen moest en keerde met een vergenoegd hart +naar ’t zijne terug. + +Weinig dacht onze knaap, dat juist die advertentie van welke hij +zooveel verwachting had, hem ten val zou zijn. Gaan we daarom een half +uur vroeger naar de directiekamer, waar we den heer Walburg en nog een +anderen directeur vinden zitten. Daar de laatste nog aan den arbeid is, +heeft de eerste de krant opgenomen en den inhoud doorgekeken. + +Niet gewoon advertentiën te lezen, wil hij ’t blad juist aan zijn +mededirecteur overgeven, toen zijn oog toevallig op het met groote +letters gedrukt „Gouden dameshorloge met dito ketting vermist,” valt. +Hij leest de advertentie. + +„Ha, daar brengt de rat zich zelf in den val!” zegt hij. „Nu zullen we +zien, wie ’t horloge verpand heeft: Rudolf of zijn zuster, die ’t dan +door middel van een ander heeft laten doen. We zullen de zaak echter +slim en bedaard overleggen en de vesting bij verrassing innemen.” + +Terstond beval hij, een vigelante te laten voorkomen en liet zich naar +den boekhandelaar Jansen brengen. + +„Meneer thuis?” vraagt hij aan den in den winkel staanden bediende. + +„Om u te dienen. Meneer is op ’t kantoor.” + +„Geen belet?” + +„Voor u niet. Mag ik u maar verzoeken, binnen te gaan.” + +Voor u niet! geen wonder. Door meneer Walburgs invloed had meneer +Jansen al jaren een aardige rekening voor leverantie van druk en +bindwerk aan de Bank. Zoodra dus meneer Walburg op ’t kantoor trad, +vloog de man op, en bood hem met veel buigingen een stoel aan. + +„Meneer Jansen,” begon deze. „Naar ik zie hebt u de advertentie voor +den klerk van ons bureau, den heer Nederhorst, geplaatst.” + +„Die van dat horloge, meent u,” antwoordde de boekverkooper. + +„Juist, van dat gouden horloge. Dat is een rare zaak. Ik heb er zoo +iets van gehoord, maar dacht, dat het een sprookje was. Zou dan toch +werkelijk die meneer Nederhorst dat horloge beleend en een ander het +bij den pandhouder als zijn eigendom weggehaald hebben? Ik heb er +natuurlijk niet naar willen vernemen, daar wij ons niet met de +bijzondere zaken onzer klerken bemoeien; maar men hoort soms zoowat +daarvan, en deze historie vond ik al bijzonder vreemd.” + +„Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden mededeelen,” +antwoordde de boekverkooper, weinig vermoedende dat meneer Walburg de +oom van Rudolf was, hetgeen hij wel zou geweten hebben, indien Rudolf +hem niet verteld had, dat zijn familie te Weesp woonde, zonder te +zeggen, dat ze vroeger op de Keizersgracht gewoond had. „Toevallig kan +ik u de zaak in zijn bijzonderheden verhalen; want meneer Nederhorst +kwam voor eenigen tijd bij mij, om te vragen of ik de persoon was, die +’t horloge gemeend had voor mijn eigendom te herkennen en toen diende +hij mij toch eenigszins met de historie bekend te maken, een zaak +waarin hij ingeloopen is als een jonge muis in den val.” + +En meneer Jansen verhaalde aan meneer Walburg de zaak, zooals Rudolf +hem die naar waarheid en met de meeste verschooning voor zich zelf +medegedeeld had. De directeur der Bank scheen met de meeste +onverschilligheid naar ’t verhaal van den boekverkooper te luisteren; +daarop zei hij: + +„Met al die dwaasheid zou ik ’t werkelijke doel van mijn komst +vergeten. Er zal eerstdaags een inschrijving van drukwerk aan de Bank +plaats moeten hebben, en nu wenschte ik, dat u dit bestek eens inzag, +en mij daarop morgen ochtend vóor negenen uw aanmerkingen maakte.” + +„En is meneer daarom expres bij mij gekomen!” riep de boekverkooper +uit. „Meneer had mij immers op ieder uur van den dag bij zich kunnen +laten ontbieden.” + +„Ik moest toch bij u voorbij en had die advertentie gelezen. Zulke +beuzelingen gaan ons zoo licht door ’t hoofd, en daarom dacht ik: nu +moet ik het ijzer smeden, terwijl het heet is. Maar nog iets: Ik ben +bij u ingeteekend op het „Tijdschrift voor de jeugd.” Mijn beide +jongste dochtertjes lezen dat graag en mijn vrouw ziet het ook wel eens +in. Ge schijnt daar een goede medewerkster te hebben gekregen, een die +onder den pseudoniem van Helène schrijft. Mijn vrouw roemde haar +bijzonder, en daar de vrouwen zeer nieuwsgierig zijn, had ze mij +opgedragen, wanneer ik u bij toeval eens sprak, te vragen, wie die +Helène is?” + +„’t Spijt mij, dat ik u hierop geen antwoord kan geven,” antwoordde +meneer Jansen, „’t schijnt een favorietje van den redacteur te zijn, +en, naar ’t mij voorkomt, moet ze nog jong zijn ook. Bij gelegenheid +echter zal ik ’t meneer Radinus wel eens vragen en dan zal ik ’t +mevrouw melden.” + +„Nu ja, van zooveel belang is ’t niet, en ’t zal nog te bezien staan, +of dat jeugdige talent zoo voortgaat. Vogeltjes die zoo vroeg zingen +zijn wel eens voor de poes. Adieu! meneer Jansen!” + +Met veel buigingen en strijkages begeleidde de boekverkooper meneer den +directeur tot op den stoep en deed het portier der vigilante open. +„Naar de club!” zei meneer Walburg, stapte in en reed wel te vreden +naar zijn sociëteit. + +„Ik had dan toch niet mis gezien,” zei hij met die vergenoegdheid, +welke zich van ons meester maakt, wanneer we vinden, dat we eens +buitengemeen scherpzinnig geweest zijn. Later echter was zijn +alleenspraak minder opgewekt, toen hij zei: „’t Spijt me toch van mijn +plannen, ofschoon de knaap mij tegengevallen is; en nog meer van dien +armen Nederhorst. Maar ik moet door een zuren appel heen bijten: beter +ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ha, daar zijn we aan de +club!” + +Weinig dacht Rudolf, die dezen nacht zulke heerlijke droomen had, +waarbij ’t horloge de hoofdrol speelde, dat zijn lot onherroepelijk +beslist was. + +Opgeruimder dan sedert eenige dagen begaf Rudolf zich naar de Bank en +ging hij aan den arbeid. Hij was er echter nog niet lang, of hij werd +op de directiekamer geroepen. Daar gekomen, vond hij er zijn oom geheel +alleen, wiens gelaat niet veel goeds voorspelde. + +„Rudolf,” zei hij, „het doet me leed, je te moeten zeggen, dat je me +bent tegengevallen. Ik heb, helaas! tot mijn leedwezen bemerkt, dat ik +me in je heb bedrogen. Ik had goede plannen met je; ik moet er echter +bijtijds van afzien. ’t Spijt mij voor je—meer echter voor je braven +vader, die al zijn hoop voor de toekomst op je gevestigd had. Op heden +ben je uit je betrekking aan de Bank ontslagen. Hier is een cheque op +den kassier, waarbij je ’t bedrag van de volle maand wordt uitbetaald. +Pak terstond je goed, betaal je schulden en vertrek naar Weesp.” + +„Maar oom!” zei Rudolf. „Waarom zulk een plotseling ontslag! Wat zijn +de redenen?” + +„Die zal ik je vader in een uitvoerigen brief bloot leggen en dan zal +hij ze je wel meedeelen. Wellicht zal ’t je dan een les voor je leven +zijn en zal je het later beter leeren waardeeren, wanneer men zich je +lot aantrekt.” + +„Oom!” zei Rudolf smeekend. „Kunt u ’t dan niet nog voor ditmaal eens +inzien; zeg me, wat me ontbreekt, en ik zal het trachten te +verbeteren.” + +„Mijn besluit is onherroepelijk en ik verlang niet in bijzonderheden te +treden. Doe wat ik je zeg. Vaarwel! God geve, dat je je verbetert.” + +Diep terneergeslagen en niet begrijpende, waaraan hij dit plotseling +ontslag te danken had, nam Rudolf de cheque aan en ging met tranen in +de oogen de directiekamer uit. Daarop wisselde hij de cheque bij den +kassier in geld, betaalde zijn kamerhuur de maand uit, liet zijn goed +op ’t spoor bezorgen, en vertrok zelf met een bezwaard hart en angst +voor den toorn zijns vaders naar Weesp. + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +PAPA KOMT VREEMDE DINGEN TE WETEN. + + +’t Wordt tijd, dat we ook naar Weesp terugkeeren, maar een paar weken +vroeger en wel op den tijd, dat Rudolfs brief aan Helène aldaar +aankwam. + +’t Is moeilijk de ontsteltenis te beschrijven, welke die brief haar +veroorzaakte. Ze was juist op haar kamer, bezig haar bed op te maken, +toen Trui hem haar boven bracht. Met smachtend verlangen had ze de +komst van dien brief te gemoet gezien en met zenuwachtige haast +scheurde ze er ’t couvert af. Nauwelijks echter had ze de eerste regels +gelezen, waarin Rudolf schreef: „’t Horloge is weg! Mozes Zadok heeft +het aan iemand verkocht, die zei, dat hij de eigenaar was,” of alles +begon voor haar oogen te draaien, ze moest zich aan de tafel +vasthouden, de brief viel uit haar handen en ze zonk op een stoel +neder. Hoelang ze in dien half bewusteloozen toestand verkeerd had, +wist ze niet: eindelijk kwam ze bij, maar ’t was of ze versuft was. +Daarop herinnerde ze zich den brief, zag dien aan haar voeten liggen, +nam hem op, las nog eens den aanhef en vatte toen moed, om het overige +te lezen. Toen ze dat gedaan had, viel ze luid snikkend met haar gelaat +op ’t nog afgehaalde bed en riep toen op wanhopigen toon uit: + +„O, moeder! Waarom heb ik mij laten overhalen, uw erfenis uit handen +te geven! Nu is zij verloren! voor altijd verloren! O, God! Welk een +tijding!” + +Toen ze lang genoeg geschreid had, richtte zij zich op, wischte haar +tranen af, sloot den brief weg, sloeg nog een langen, smartelijken blik +op ’t portret harer moeder, en ging toen weder aan den arbeid. Maar ze +werkte niet met den lust en ijver, welken ze vroeger aan den dag +legde—al wat ze deed, verrichtte ze met een doffe gevoelloosheid, als +droomende, en toen ze beneden kwam, was ’t met gebogen hoofd en treurig +gelaat. Haar vader bemerkte dat in zijn verstrooidheid niet op; wel +Trui, die haar herhaalde malen vroeg, wat haar scheelde? + +„Hoofdpijn, Trui,” antwoordde ze. „Ik denk, dat ik van nacht wat laag +met mijn hoofd gelegen heb.” + +„Ge overwerkt u, juffrouw,” zei Trui. „’t Is te veel voor uw krachten, +’t zal net zoolang duren, dat u ziek wordt. Ik zou ten minste maar naar +mijn kamer gaan en wat stil gaan zitten.” + +„Maar er is nog zooveel goed te verstellen en er zijn zooveel kousen te +mazen,” zei Helène. + +„Laat het goed zich zelf verstellen en de drommel de kousen mazen. Dat +zit hier alle dagen te sjouwen en te ploeteren, als een dienstmeid; +terwijl juffrouw Leonie daar in Amsterdam een leventje leidt als een +prinses. Als ik in uw plaats was, dan zou ik tegen mijn papa zeggen, +dat ik er voor bedankte, om hier alleen voor meid te spelen, en dat zij +terug moest komen, om de helft van mijn werk over te nemen. En wat heb +je er voor dank voor? Ternauwernood een goed woord. Neen, ik ben maar +een dom mensch, maar zoo dom niet, of ik zeg, dat het hier alles +behalve recht toegaat. Ik heb me wat geërgerd, toen juffrouw Leonie die +paar dagen over was, en...” + +„Laat je dat niet hinderen, beste Trui,” zei Helène glimlachend. +„Leonie is nog jong. Zachts dat ze op dien leeftijd even goed haar +genoegelijke dagen heeft als ik die gehad heb. Is ze zoo oud als ik +was, toen onze omstandigheden veranderden—welnu, dan is het tijds +genoeg om haar thuis te laten komen en haar aan ’t werk te zetten.” + +„Wat wel nooit zal gebeuren!” zei Trui. „Uw oom en tante zouden haar +niet laten gaan. En wat mij aangaat, ik ben er juist niet verlangend +naar, want toen ze hier voor een paar dagen was, werd ik door haar +gekommandeerd alsof ik zoo’n Oostinjesche slavin was. Ziet u, en dat +ben ik nooit gewoon geweest, zelfs niet van mijn goede mevrouw, toen +die nog leefde. Die was altijd de goedheid en vriendelijkheid zelf.” + +„Ja, dat was ze wel,” zei Helène zuchtend, „en daarom heeft mijn arme +vader zooveel aan haar verloren.” + +„Dat heeft hij, de man;” zei Trui, „en dat moet ik zeggen, ik heb nog +weinig twee menschen gezien, die zooveel van elkaar hielden. ’t Was +zeker de zwaarste slag die hem kon treffen, en daarom kan ik hem veel +van zijn raar humeur vergeven; ofschoon ik er weinig van te lijden heb +en hij voor mij heel goed is en me nooit een overtogen woord zal geven. +Maar ik zou zoodoende al mijn kostelijken tijd verbabbelen en ik moet +van daag dubbel pootaan spelen. Want, u zult nu niets doen, niet waar, +juffrouw?” + +„Neen, Trui,” antwoordde Helène; terwijl ze de trouwe meid de hand +reikte, en deze ’t vertrek verliet. + +’t Gesprek met Trui had haar een weldadige afleiding van haar verdriet +bezorgd. Daar waren zooveel andere gedachten door haar brein gegaan; +want ofschoon ze ’t niet voor zich zelf wou weten, was ze niet zonder +jaloezie op ’t lot van Leonie, en had de blijkbare voorkeur, welke haar +vader tijdens haar verblijf aan zijn jongere dochter schonk, haar +gehinderd. Trui’s voorliefde voor haar, ofschoon Trui maar een +dienstbode was, deed haar goed; daarbij stemde ’t goedhartige oordeel +over haar vader, dat zij zoo veel moeite had zichzelf op te dringen en +dat de eenvoudige meid zoo rond en onbewimpeld uitsprak, haar +vriendelijker, en ze herinnerde zich, hoe hij, schoon natuurlijk eerst +driftig over ’t verdwijnen van ’t horloge, haar den volgenden dag reeds +daarvan niets had laten merken. En zoo namen haar gedachten +langzamerhand een andere richting en gevoelde ze zich niet meer zoo +diep rampzalig als straks. + +„Wat scheelt er aan, Helène, dat je niet eet?” vroeg Dora ’s middags +aan tafel. + +„Je ziet zoo bleek,” voegde Alfred er bij. + +Meneer Nederhorst keek op. Met zijn gewone afgetrokkenheid had hij +niets gemerkt. Thans zag hij, dat zij er bleek en afgemat uit zag. + +„Scheelt er wat aan, Helène?” vroeg hij deelnemend. + +„Ik heb zware hoofdpijn, pa,” antwoordde zij. + +„Je werkt te hard, kindlief,” zei meneer Nederhorst. „Je moet straks +naar bed gaan, en als ’t morgen niet beter is, dan laat ik den dokter +komen.” + +„’t Zal morgen wel beter zijn,” verzekerde Helène. „Ik zal echter uw +raad opvolgen en dadelijk na de thee naar bed gaan.” + +„Dan kom ik bij je zitten en zal je wat voorlezen,” zei Dora. „Ik mag +immers wel, Helène?” + +„Neen, ik zal het doen,” zei Alfred. „Ik heb een heel mooi verhaaltje, +dat ik te leen heb gekregen van Karel. ’t Is gemaakt door een juffrouw, +die net zoo heet als jij, Helène.” + +„Dat is goed. Maar dan mag ik toch zoolang bij Helène opzitten, terwijl +jij leest. Niet waar, Helène! En als je dan wat noodig hebt, dan haal +ik het voor je.” + +„En we zullen ons van avond zelf wel uitkleeden,” zei Alfred. + +„En ons goed netjes opvouwen, precies alsof je er bij bent,” voegde +Dora er bij. + +„Maar moet je dan geen werk voor school maken!” zei Helène. + +„Dat zullen we netjes afmaken vóor het theedrinken,” antwoordde Alfred. +„We zullen ’t heel keurig doen. Je hoeft er niet naar te kijken.” + +’t Scheen, dat meneer Nederhorst getroffen was door de ongekunstelde +blijken van innige liefde en toegenegenheid, door zijn beide jongste +kinderen voor hun oudste zuster aan den dag gelegd. + +„Hoor eens, Helène,” zei hij. „Ik oordeel ’t noodig, dat je terstond na +den eten te bed gaat. Intusschen kunnen Dora en Alfred hun werk maken. +Trui zet het theegoed op je kamer. Dan schenkt Dora thee, Alfred leest +je voor en ik kom bij je theedrinken en naar ’t verhaaltje van die +juffrouw Helène luisteren.” + +„O, dat is lief van u, pa,” zei Helène, terwijl ze hem met een +dankbaren blik aanzag. + +Zoodra Trui kwam afnemen, gaf Helène de noodige bevelen. + +„U heeft wel gelijk, juffrouw,” zei Trui. „’t Is misschien zware +gevatte kou en die moet er door transporteeren uit.” + +„En jij zet thee, hoor; want Dora zal schenken,” vervolgde Helène. + +’t Deed haar werkelijk goed, toen ze te bed lag, ofschoon slechts voor +haar vermoeid lichaam; wat haar geest aangaat: de heden ontvangen +tijding woedde, nu ze alleen en ’t lichaam tot rust was, met dubbele +hevigheid door haar brein, zoodat er geen denken was aan slaap. Maar ’t +moede, pijnlijke hoofd rustte en dat was al een troost. Trui bracht het +theegoed, Dora, die al sedert een half uur met Alfred bij haar was, +zette zich heel deftig aan de theetafel; terwijl Alfred met de +aflevering van het Tijdschrift voor de jeugd, waarin Helène’s verhaal +stond, voor haar bed ging zitten. + +Pa kwam en ging terstond naar ’t bed. + +„Hoe is het, lieve?” vroeg hij. + +„’t Gaat nog al, pa,” antwoordde ze met een vergenoegden glimlach en +een dankbaren blik. + +’t Is nog iets anders zich zelf te lezen of zich door anderen te hooren +lezen en Helène zelf luisterde met aandacht naar haar eigen verhaal, +dat met een lieve, duidelijke en buigzame stem werd voorgedragen en +waarin zij schoonheden vond, welke zij zelf niet wist dat er zich in +bevonden. Het verhaaltje scheen haar vader ook te bevallen, tenminste +hij luisterde met alle oplettendheid. Betrekkelijk gevoelde ze zich +gelukkig; als daar achter maar niet die rampzalige tijding van dezen +morgen geweest was. In deze oogenblikken echter vergat ze al wat haar +de ziel bezwaarde en genoot de liefde, die haar bewezen werd. En toen +de thee afgeloopen en haar vader naar zijn kamer teruggekeerd was, toen +ook Dora en Alfred naar bed waren, toen daalde de engel der +vertroosting op haar neder in een balsemenden slaap en vertoonden bont +gevleugelde droomen haar een uitkomst zoo schoon, als zij slechts kon +wenschen. Wel verstoorde ’t ontwaken in den morgen die van goudstof +geweven beelden; maar de glimlach op haar lippen toonde, dat ziel en +lichaam ten minste eenige uren rust en verkwikking gesmaakt hadden. + +Haar hoofdpijn was beter; maar ze gevoelde toch een zwaarte in de leden +en een zekere matheid, die haar anders niet eigen was. Overtuigd, dat +dit nog de overblijfselen van den schrik van gisteren waren, stond zij +op, hielp de kinderen, zette het ontbijt gereed en wachtte haar vader +op, die met belangstelling naar haar gezondheid vroeg en wien ze +geruststelde met de verzekering, dat zij weer beter was. + +Ruim veertien dagen gingen op die wijs om en Helène gevoelde zich hoe +langer hoe matter. Doch in ’t midden harer bezigheden vergat ze haar +vermoeidheid en alleen de weinige opgewektheid, waarmede zij at, zou +anderen het vermoeden doen koesteren, dat ze niet goed was. Zelfs de +altijd zoo attente Trui scheen ’t niet op te merken; zij zag het dan +ook niet hoe het anders zoo werkzame meisje tusschenbeiden, als niemand +het zag, met de handen over elkander ging zitten, met het hoofd +achterover tegen den muur geleund, als iemand die zich doodzwak +gevoelt. + +’t Was dan op zekeren dag, dat Trui des morgens aan de kamer van meneer +Nederhorst klopte. + +„Binnen!” zei hij. „Wat is er, Trui?” vervolgde hij, „dat je zoo +bedrukt kijkt?” + +„Meneer, ik geloof niet dat juffrouw Helène goed is. Ze is wel +opgestaan, maar weer in elkander gezakt. ’t Was gelukkig, dat ik boven +kwam, om eens naar haar te zien; want ze lag bewusteloos op den grond. +Toen heb ik haar weer te bed gebracht.” + +Meneer Nederhorst sprong terstond op en snelde naar Helène’s kamer, +gevolgd door Trui. Ze vonden haar bij haar bewustzijn, maar met bleek +gelaat, witte lippen en holle in hun kassen gezonken oogen, waarmede ze +haar vader aanzag. + +„Je bent ziek, niet waar Helène?” + +„Ik ben ziek,” antwoordde zij met matte stem. „Ik heb ’t al eenige +dagen gevoeld.” + +„En waarom het dan niet gezegd, kind?” + +„Ik wilde u niet ongerust maken en dacht, dat het wel over zou gaan.” + +„Trui, loop naar den dokter en vraag, of hij terstond komt.” + +„Laat Trui eerst uw ontbijt klaar zetten, pa, en de kinderen helpen, +anders komen zij te laat op school.” + +„Dat is goed, dan loop ik zelf naar den dokter; dat is ook misschien +beter.” + +„Ze heeft zich al maanden lang overwerkt,” bromde Trui terwijl ze +achter haar meester de kamer verliet. „’t Was te zwaar voor zulke +jeugdige schouders als de hare.” + +Ofschoon ze deze woorden slechts in zich zelf gebromd had, waren ze +door meneer Nederhorst gehoord. Ze vielen hem als lood op de ziel. +Reeds sedert lang was er een onbestemd gevoel bij hem wakker geworden, +dat Helène te veel deed, meer dan haar krachten haar veroorloofden; dat +gevoel was versterkt, toen ze dien dag vroeg naar bed gegaan was, door +verschillende beslommeringen echter was ’t weer in zijn geest +verdrongen. Thans kwam ’t met verdubbelde zwaarte voor hem op. + +Hij spoedde zich naar dokter van Esch, dien hij nog thuis vond en die +terstond met hem mee ging. + +„We kunnen er nog niets van zeggen,” was zijn oordeel. „’t Kan een +ziekte in haar begin zijn; ’t kan echter ook slechts gevatte kou en +overspanning van zenuwen wezen. Uw dochter is geducht zenuwachtig en +hoe meer stilte ze heeft, hoe beter ’t is. Doch er moet iemand bij haar +zijn, opdat ze niet aan haar eigen gedachten overgelaten wordt. Als u +uw jongere dochter eens uit Amsterdam liet overkomen.” + +„Ik vrees,” zei meneer Nederhorst op eenigszins ontstemden toon, „dat +Leonie een zeer slechte ziekenoppaster is. Maar wie is daartoe nader +dan ik? Voorloopig laat ik mijn boeken naar de ziekekamer brengen; dan +heeft ze den geheelen dag gezelschap. Mocht het erger worden——dan +zullen we nader zien. Er behoeft toch niet gewaakt te worden?” + +„Als de meid haar nachtleger op den grond opsloeg, zou ’t niet kwaad +zijn. De spanning harer zenuwen is zóó groot, dat het beter is, haar +ook ’s nachts niet alleen te laten.” + +„U ziet er toch geen gevaar in, dokter!” + +„Oogenblikkelijk niet het minste. Ik kan er nog niets van zeggen, en we +moeten den loop der ziekte afwachten. Ik kom echter van avond nog eens +terug.” + +Dit gesprek had in meneers kamer plaats, en stelde den vader in +zooverre gerust, dat er geen oogenblikkelijk gevaar bij was. Toen de +dokter vertrokken was, riep hij Trui, deelde haar mede, dat de dokter +hoopte op een voorbijgaande ongesteldheid en vroeg haar, of ze zich +berekend gevoelde voor korten tijd de zorg voor ’t huishouden en de +kinderen op zich te nemen? Ze stemde terstond toe: + +„Als de juffrouw maar beter wordt, zou ik dag en nacht willen werken,” +antwoordde ze trouwhartig. „’t Zal wel veel moeite kosten, haar te +vervangen; maar meneer zal wel geduld met mij hebben en de kinderen +zijn door haar zoo aan orde en regel gewend, dat die met een stroohalm +te regeeren zijn. En als meneer over dag bij de juffrouw blijft, is dat +al veel uitgewonnen. Als ze uit de school komt, kan Dora meneer wel +eens aflossen; ’t is een lief, hartelijk kind en ze houdt zielsveel van +haar tweede mamaatje.” + +Den volgenden dag reeds schudde de dokter ’t hoofd. + +„Het wordt een ernstige ziekte, meneer, en ik zou u raden, om uw tweede +dochter te schrijven; want er moet bepaald bij haar gewaakt worden.” + +„Zoudt u een consult noodig oordeelen, dokter?” vroeg meneer +Nederhorst. „Dan zal ik Dr. Manders uit Amsterdam telegrafeeren.” + +„Vooreerst niet, meneer,” antwoordde de dokter. „Intusschen kom ik van +avond terug.” + +„Naar Leonie schrijven?” zei meneer Nederhorst. „Ik vrees, dat ze meer +drukte zal maken dan dat ze tot hulp is. Ik zal nog tot van avond +wachten. Dezen nacht waak ik—dan kan Trui eens goed uitslapen.” + +Toen dokter van Esch ’s avonds kwam, vond hij de zieke buiten +bewustzijn en schreef meneer Nederhorst om Leonie. Dien geheelen nacht +ijlde Helène sterk, meestal was ’t een onverstaanbaar gemompel. Van +tijd tot tijd echter hield ze geheele redeneeringen, waarop haar vader +soms door een enkel woord opmerkzaam werd gemaakt. Zoo was ’t onder +anderen eens: + +„Geef mij ’t horloge van ma, Rudolf. Hier is geld, geld dat ik zelf +verdiend heb. Waarom heb je ’t ook laten begraven? Wat lag het daar in +de kist en zonk in de zwarte aarde. De dokter zorgt voor versche rozen, +dokter Faminga, mijn beste vriend. Neen dokter, ik mag u niet spreken; +Mozes Zadok wil het niet hebben. Waar is nu al ’t geld, dat ik zelf +verdiend had? Mozes Zadok heeft den dokter verkocht, dien ik aan Rudolf +geleend had. Ik had je de bloemen niet moeten geven, Rudolf. Had ik ’t +pa maar gezegd, dat het Mozes Zadok was, die in de kist lag; maar ik +had dokter Faminga te lief, hij hield zooveel van ma. Als ik Mozes +Zadok maar spreken mocht, zou hij me den dokter wel bezorgen. Hij heeft +den dokter voor zijn glazen opgehangen, en nu zijn de bloemen weg. Pa +weet niet, dat ik den dokter aan Rudolf geleend had. Nu zal ik den +dokter nooit meer opwinden; want Mozes Zadok heeft hem verkocht voor +zestig gulden. Neen, pa! ik kan ’t u niet zeggen, waar ’t horloge van +ma is. Maar ik heb het begraven in ’t graf van ma, diep onder de rozen, +die Mozes Zadok er op heeft laten planten, omdat hij zooveel van ma en +mij hield. Dokter! Pa heeft het horloge in de kast gehangen en toen +heeft Mozes Zadok het van hem gekocht voor ’t geld, dat ik verdiend +had. O, dokter! ik heb u zoo lief, omdat u mij zoo lief hebt, en omdat +u zooveel van ma hield, dat u haar graf met horloges hebt beplant, die +’t heele jaar doorbloeien. Rudolf! Rudolf! Geef mij de roos terug, die +je geplukt hebt.” + +Met oplettendheid had meneer Nederhorst in ’t stille, nachtelijke uur +naar deze vreemde, onsamenhangende taal geluisterd, die hem eensdeels +in zijn vermoeden versterkte, dat die dokter Faminga in betrekking +stond tot het verdwijnen van ’t horloge, anderdeels van Rudolf sprak +als hebbende ’t horloge van haar geleend. + +„Ik begrijp er niets van,” zei hij; terwijl hij met de hand onder ’t +hoofd zat te peinzen. „En toch moet ik licht in die zaak hebben. +Misschien heeft ze briefwisseling met dien dokter gehouden en zal ik +daar licht in vinden.” + +Dit zeggende stond hij op en sloot Helène’s kastje open. In een der +laden vond hij werkelijk brieven, alsook haar huishoudboekje. Een en +ander nam hij met zich naar de tafel, om ze op zijn gemak te +doorsnuffelen. De brieven lagen naar rangorde van de ontvangst. De +eerste, welke hij opende, was van een zekeren meneer A. D. Radinus. Hij +luidde: + + + „Mejuffrouw, + + „Hiernevens het honorarium voor ’t overschrijven van de laatste + copie. Ik heb er op ’t oogenblik geen nieuwe gereed en geloof ook + wel, dat deze de laatste is, die ik u zenden zal. Een dame, die + zelf met zooveel talent schrijft, kan zich niet met copiëeren + bezighouden. Ik verwacht spoedig een nieuw verhaaltje voor ons + Tijdschrift van u; ik hoor algemeen dat uw eersteling met veel + ingenomenheid begroet en met genoegen gelezen wordt. + + Uw. Dw. Dienaar + A. D. Radinus.” + + +„Hoe! Geld verdiend met copiëeren en zelf schrijven. Zou dat stukje, +dat Alfred voorlas, van haar zijn! O, Helène! wie had gedacht, dat +jij... Ik moet toch zien, wat zij met dat geld gedaan heeft. Misschien +brengt mij dat op de hoogte.” + +Hij nam, alvorens verder te gaan met de correspondentie, haar +huishoudboekje. ’t Eerst viel hem de ontvangst in de oogen. Daar las +hij, onder ’t artikel „van pa ontvangen,” hier en daar: „voor +copiëeren,” ook eenmaal: „van oom gekregen voor mijn toilet,” en +eindelijk „honorarium voor mijn stukje in het Tijdschrift voor de +jeugd.” Nu sloeg hij de uitgaven op. Daar vond hij, behalve de gewone +huishoudelijke uitgaven, ook kleeding voor de kinderen; maar een post, +die hem groote oogen deed opzetten: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 10;” en +later: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 20.” + +„Dus had Rudolf haar geld geleend,” zei hij. „Maar waarvan kan hij ’t +gedaan hebben? En waartoe heeft zij dan ’t horloge voor zestig gulden +verpand. Van dien post vind ik niets. Ook vind ik niet, dat ze die +geleende dertig gulden geboekt heeft. Nu wordt de zaak mij hoe langer +hoe raadselachtiger! Wacht! Misschien heeft die zoogenaamde dokter geld +van haar geleend en heeft ze ’t maar niet geboekt, omdat het mij soms +onder de oogen mocht komen. Dertig en zestig is negentig en misschien +nog tien gulden uit haar spaarpot; dat is honderd gulden. Ja, zoo is +het! Ik moet morgen dien schurk van een dokter eens opzoeken. Ik had +het wel gedacht, dat die indringerij haar doel had. Schande! Gebruik te +maken van de onnoozelheid van een zestienjarig meisje! Maar ’t zal je +slecht bekomen, meneer de dokter!” + +Meenende, nu genoeg ingelicht te zijn ten aanzien van deze zaak, en +voornemens, die gerechtelijk te vervolgen, wilde meneer Nederhorst de +verdere brieven wegsluiten, toen zijn oog op den nu bovenop liggenden +brief viel en hij de hand van Rudolf herkende. + +„Wacht, deze werpt misschien nog meer licht over de zaak.” Hij vouwde +hem open en las: + + + „Lieve Helène. Ik ben wanhopend! Hoe gaarne ik het voor je zou + willen verzwijgen—ik mag je niet langer misleiden en kan het ook + niet; het hooge woord moet er uit: ma’s horloge is weg. Die schelm + van een Mozes Zadok heeft het aan een ander verkocht, die zei dat + het zijn eigendom was en wien hij er zestig gulden voor afgenomen + heeft. Ik vernam dat toevallig van zijn bediende. Begrijp eens, + zoo’n woekeraar! Dertig gulden ontving ik van hem te leen om mijn + schulden te betalen. Later hield hij mij vijftien gulden voor + interest af, en nu heeft hij er nog zestig gulden voor gemaakt. Als + ik niet bang was, om in de zaak te roeren, dan gaf ik het aan de + politie aan. Maar de kerel zou mij aanklagen als de dief van ’t + horloge, en wie zou, nu ’t weg is, bewijzen, dat ik het niet ben. + + „Ik heb lang geaarzeld, om je deze verpletterende tijding mee te + deelen! O, had je je maar taai gehouden en mij ’t horloge nooit + geleend. Had pa mij maar geld gezonden, of oom mij slechts + vijf-en-twintig gulden geleend, dan was ik er nooit toe gekomen, om + de erfenis van ma, ’t eenige wat ze je geschonken had, te + verpanden! O, Helène! Ik gevoel me zoo slecht! Ik ben zoo kapot. + Werken kan ik niet. Alles staat mij tegen! Had je ’t maar met + Kersttijd aan pa bekend, dat ik ’t horloge van je geleend en ’t bij + een woekeraar verpand had, dan had hij ’t wel gelost. Maar neen, je + moest mij sparen, mij, die jou zoo slecht behandeld had, en pa voor + ’t verdriet, om te weten hoe laag en gemeen zijn lieve Rudolf was. + O, had je het dokter Faminga maar gezegd, die zoo rijk is en + zooveel van je houdt, die had ’t wel voor je gelost, en je hadt hem + naderhand het geld van mijn bespaarde penningen kunnen teruggeven! + Maar je durfde niet naar dokter Faminga gaan, omdat pa je verboden + had, ooit weer dien braven man te spreken! O, was je maar voor + ditmaal ongehoorzaam geweest—de man, die zooveel achting en liefde + voor de nagedachtenis van ma heeft, dat hij de bloemen op haar graf + onderhoudt, zou niet geduld hebben, dat ma’s horloge langer in de + handen van dien woekeraar bleef! + + „Maar wie had dien Mozes Zadok ook voor zoo slecht gehouden! Wie + had niet gedacht, dat de schurk zich tevreden zou hebben gesteld + met vijftig percent interest voor drie maanden!—’t Ergst van alles + is, dat je er nu pa niets van zeggen kunt en de verdenking op jou + blijft rusten. Zeg ’t hem maar—ik durf ’t hem niet bekennen; ik + schaam mij te veel voor mijn slechte handelwijs. Jij alleen, lieve + Helène, jij, jij alleen hebt mij de daad reeds vergeven en zult de + gevolgen, die geheel buiten zijn schuld zijn zeker niet toerekenen + aan + + je berouwhebbenden broeder + Rudolf.” + + +Meneer Nederhorst liet den brief uit de handen vallen en zat als +versteend voor zich te staren. Wat straks Helène in haar waanzin +dooreen gemengd had, was hem duidelijk, en hoe weinig hij ook gestemd +tot lachen was, kon hij toch een glimlach niet onderdrukken over de +verdenking, die hij tegen dokter Faminga gekoesterd had. Wat was dat +dan toch voor een zonderling man? Een man, die zijn dochter eens een +geschenk had gegeven, een man, die ’t graf zijner Marie van bloemen +voorzag, een man, bij wien Helène troost en hulp wilde zoeken—hij zou +er morgen dokter van Esch eens naar vragen; die zou hem waarschijnlijk +wel kennen. Doch spoedig vestigden zijn gedachten zich op het hoofdpunt +van den brief, en doorzag hij al ’t groote van Helène’s edelmoedigheid. +Nog echter begreep hij de zaak niet in haar geheel, en meende hij, dat +Helène ’t horloge aan Rudolf had geleend om het te verpanden en +daarvoor zijn schulden te betalen; in welk geval ze toch eenigermate +aan de eer van de nagedachtenis harer moeder had tekort gedaan. +Nogmaals las hij den brief over; doch op dit punt kon hij maar geen +licht krijgen. + +Intusschen bleef Helène woelen en ijlen en telkens kwamen ’t horloge en +dokter Faminga in de hitte harer koortsverbeelding voor. En steeds +waren de bloemen op ’t graf harer moeder daarmee verbonden. + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN BRAAF MAN IN ZIJN EER HERSTELD. + + +Den volgenden dag kwam dokter van Esch reeds vroegtijdig. Hij vernam, +hoe de zieke ’t dien nacht had gemaakt, voelde haar de pols, zat +eenigen tijd te peinzen en zei toen: + +„De ziekte neemt zulk een ernstigen keer, dat ik gaarne een consult zou +hebben.” + +„Als u ’t noodig oordeelt, dan vind ik ’t goed. Doch wees zoo goed, mij +éen vraag te beantwoorden. Kent ge hier ook een zekeren dokter +Faminga?” + +„Wel zeker ken ik dien. Hij is mijn huisvriend. We hebben samen te +Leiden gestudeerd. Maar mijn lot is gelukkiger geweest dan ’t zijne. +Hij had een allerliefste vrouw en een dochter. De laatste ontviel hem +op ongeveer den leeftijd, dien uw oudste dochter thans heeft. Ze was +zestien jaren en zeer ontwikkeld; ze was de grootste vreugde, de trots, +de eenige liefde van vader en moeder. Door een hevigen roodvonk bezweek +ze in weinige dagen. Mevrouw Faminga, een vrouw van zwakke constitutie, +trok zich ’t verlies van haar eenig kind zoo aan, dat ze aan ’t kwijnen +raakte en weldra haar dochter volgde. Een tijdlang lag ook mijn vriend +op den rand van ’t graf, en vreesden we, toen hij beter werd, dat hij +zijn verder leven in een doffe krankzinnigheid zou doorbrengen. Toen +wist ik hem over te halen, tot herstel zijner gezondheid eenige maanden +bij mij te logeeren en bemerkte ik, hoe niet alleen zijn krachten +opleefden, maar ook zijn geestvermogens hun vroegere veerkracht +terugkregen. Daar hij rijk genoeg was, ried ik hem aan, de praktijk +neer te leggen en zich hier te vestigen. Kortom, hij verkocht zijn +huis, liet de overblijfselen van vrouw en kind herwaarts voeren en +begraven, kocht een stuk grond niet ver van ’t kerkhof en liet daar een +allerliefste villa bouwen. Alle dagen wandelt hij naar de graven zijner +lieven, die zoolang ’t seizoen het toelaat, met bloeiende heesters +bezet zijn, en leeft heel eenvoudig met zijn oude dienstbode, die hij +tot huishoudster bevorderd heeft, en éen meid. Zijn leven brengt hij +door met wèl te doen en, onder den naam van Radinus, voor de jeugd te +schrijven. Al wat hij daarmee verdient, is voor arme en noodlijdende +huisgezinnen, die hij zelf bezoekt. Praktijk oefent hij niet meer uit; +alleen wanneer ik het bij epidemieën te druk heb, dan neemt hij mijn +armenpraktijk over en ik heb wel eens gehoord, dat de behoeftigen hem +liever hebben dan mij.... natuurlijk; mijn middelen en de zorg voor ’t +onderhoud van mijn huisgezin veroorloven mij niet, om mijn patiënten +soep of gebraden kippetjes, soms ook kleeren en dekens te zenden. Ook +staat hij mij dikwijls in consult bij; want hij is zeer knap en heeft +veel ondervinding. Laat het u dus niet verwonderen meneer, dat ik +trotsch ben op mijn huisvriend, aan wien mijn kinderen met den ganschen +rijkdom hunner liefde hangen en die bij ons dan ook oom Albert genoemd +wordt.” + +„En zulk een man heb ik zoo grof beleedigd en voor ’t hoofd gestooten!” +zei meneer Nederhorst halfluid. „Dokter!” vervolgde hij luide tot den +geneesheer. „Zeg mij, zou dokter Faminga dat consult over mijn dochter +wel met u willen houden, of zou hij, gedachtig aan vroeger misverstand +van mijn zijde, daartoe niet kunnen besluiten?” + +„Ik begrijp u, meneer; want ik weet zeer goed, wat er tusschen u en +mijn vriend is voorgevallen. Ik weet, dat hij aangetrokken door de +gelijkenis van uw dochter met de zijne, haar heeft aangesproken en zoo +in kennis gekomen is met uw overleden echtgenoot, in wie hij zoo geheel +’t karakter zijner gestorven vrouw herkende. ’t Heeft hem innig leed +gedaan, driemaal op zulk een on...” + +„Zeg maar onbeschofte wijs, dokter, dat is ’t rechte woord.” + +„Onaardige wijs door u te zijn teruggestooten; maar hij heeft het u +vergeven, begrijpende, dat het ongeluk den mensch wrevelig maakt.” + +„’t Is waar, dokter! Ik was van rijk arm geworden en verbeeldde mij nu, +dat de man, door ijdele nieuwsgierigheid gedreven, zich bij mij in +wilde dringen; of dat hij, arm zijnde, meende voordeel van een vreemde +familie te trekken. Met niemand omgaande, heeft ook niemand mij beter +kunnen inlichten, en vrouw en dochter, die ’t wilden doen, waren in +mijn oog te blind bevooroordeeld. Doch ik heb evenzeer hem onrecht +gedaan als mijn dochter.” + +„Hij zal van middag met mij tot consult komen,” verzekerde de dokter. + +„Neen, dokter. Ik kan wel iemand beleedigen en krenken; maar dit niet +zwijgend voorbij laten gaan. Ik zal hem zelf schrijven—die +genoegdoening ben ik hem en mijzelf schuldig. Er is niets vernederends +in, den beleedigde vergiffenis te vragen en hem de hand der verzoening +aan te bieden;—’t is wel vernederend voor den beleediger, wanneer de +beleedigde dat zelf eerst komt doen. Die vernedering wenschte ik +mijzelf te besparen.” + +Zoodra de dokter weg was, begaf meneer Nederhorst zich naar de +ziekekamer terug en schreef een brief aan dokter Faminga, zeggende aan +Trui, die juist met een brief, door den besteller gebracht, binnenkwam, +dat ze maar iemand moest opschommelen om dien terstond te bezorgen. + +Meneer Nederhorst deed den ontvangen brief open; hij droeg ’t postmerk +Amsterdam, en was van zijn zwager. Hij verbleekte, toen hij dien las. + +„Moet dan alles op eens komen!” zei hij. „Goede God! houden de slagen +dan nooit op!” + +De brief was kort en luidde: + + + „Waarde zwager. Met mijn plannen ten aanzien van Rudolf is ’t uit. + Niet alleen is hij onoplettend bij zijn werk en schijnt dit, + ondanks herhaalde waarschuwingen, niet te kunnen of te willen + verbeteren; maar wat meer is, op vijftienjarigen leeftijd heeft hij + een daad gepleegd, die men nog van geen doorslepen, twintigjarigen + jongeling zou verwachten: hij was het, die ’t horloge zijner moeder + van Helène leende, om er bij zijn kameraads mee te pronken en het + toen, om zijn schulden te betalen, bij den zwendelaar Mozes Zadok + verpandde. Wie als kostschooljongen reeds zoo bedorven is—wat zal + die als volwassen mensch zijn. ’t Spijt mij om zijnentwil zoowel + als om den uwen, en ik hoop, dat de stap waartoe ik overga, geen de + minste verandering zal brengen in de vriendschappelijke en + broederlijke gezindheid, die er bestaat tusschen u en uw steeds + toegenegen zwager + + „Walburg.” + + „PS. Rudolf komt heden reeds terug.” + + +„Ik kan hem geen ongelijk geven en in zijn geval zou ik eveneens +gehandeld hebben,” zei meneer Nederhorst. „O, God! had ik ooit in de +verste verte vermoed, dat mijn zoon zoo slecht was! Marie! Je bent voor +veel verdriet gespaard! Als je nog leefde, zou dit je den dood hebben +aangedaan! En daar ligt zij neder, die onschuldig, al de schuld van +haar broer op zich nam. Zeer waarschijnlijk zijn de angst en de schrik +over dat horloge de voorname oorzaken van haar ziekte!” + +Trui kwam boven, om hem hier voor eenigen tijd af te lossen. + +„Speld de gordijnen goed toe en laat dan de deur en het raam tegen +elkander openstaan,” zei meneer Nederhorst. „De dokter heeft vooral op +frissche lucht aangedrongen.” + +„Dan zal ik meteen den boel wat opredderen,” zei Trui. + +„Dat is goed, Trui. Leg mijn boeken dan maar op een hoop op die tafel. +En wat ik zeggen wil, zorg dat er slaapplaatsen gereed zijn voor den +jongeheer Rudolf en de jongejuffrouw Leonie. Die komen beiden hier.” + +„Maar dat zal de drukte nog vermeerderen, meneer,” zeide Trui. + +„Mijn dochter komt in alle gevallen om je te helpen, en mijn zoon kan +ons voor een gedeelte in de oppassing bij de zieke vervangen.” + +„’t Zal wat helpen, die opgeprikte medam,” bromde Trui in zichzelf; +toen haar heer de kamer verlaten had. „Maar ze kan lang wachten, eer ik +haar bedien en als ze niet uitvoert wat ze moet, dan loopt voor mijn +part de boel maar in de war. En wat nu Rudolf hier komt doen, begrijp +ik waarlijk niet. Ik had hem maar stilletjes in Amsterdam gelaten. +Kwaad is hij anders niet—dat moet ik zeggen. Maar wat doet hij hier?” + +Na eenigen tijd kwam meneer Nederhorst terug. + +„Ga nu maar aan je werk, Trui. Ik blijf hier. Als mijn zoon of mijn +dochter komen, laat ze volstrekt niet boven; maar in de huiskamer. Ze +mogen zoo direct van straat niet bij de zieke komen; daarenboven moet +ik hen eerst spreken. Richt alles dus zoo in, dat je mij kunt +vervangen.” + +Rudolf en Leonie kwamen toevallig met denzelfden trein, ofschoon ze +elkander niet ontmoetten, dan op het perron te Weesp, daar ze in +verschillende klassen hadden gezeten. Ze waren nu verwonderd, elkander +te zien en deelden elkaar de reden hunner komst mede. Die van Rudolf +interesseerde Leonie al heel weinig; die van haar hem des te meer. + +„Is Helène erg?” vroeg hij. + +„Vast wel; anders zou pa niet om mij geschreven hebben.” + +„Hij zal jou haar taak willen opdragen, zoolang zij ziek is.” + +„Daar zou ik hem voor bedanken. Omdat Helène zoo mal is geweest, om +voor meid te spelen, behoef ik het daarom niet te doen. Je ziet nu, wat +er ’t gevolg van is. Ik heb haar verleden jaar wel gewaarschuwd, dat ze +’t niet zou kunnen uithouden; maar ’t hielp wat: ze ging toch haar +gang. Nu, van mij zullen ze geen nood hebben, dat ik mij overwerken +zal. Pa zou ’t ook niet willen hebben, al wilde ik het. En waarom ben +jij ontslagen?” + +„Dat weet ik niet; want oom wou me de reden niet zeggen: hij zou die +wel aan pa schrijven.” + +„Nu, ’t zal pa als koud water op ’t lijf vallen,” zei Leonie. „Als je +je plicht gedaan hadt, zouden ze je niet ontslagen hebben. ’t Ziet er +mooi uit. Wat moet je nu beginnen?” + +„Dat gaat jou in alle gevallen niet aan en daar behoef jij je niet +bezorgd over te maken,” zei Rudolf, wien de meesterachtige toon +hinderde van een meisje, dat in alle gevallen nog minder uitgevoerd had +dan hij. + +Beiden liepen nu naast elkander voort, en spraken geen woord meer, tot +ze voor de deur stonden en Rudolf aanschelde. + +„Een armoedig huis!” mompelde Leonie. „Ik mag lijden, dat Asschepoester +maar gauw beter is; dan ga ik er weer van door en trek naar Amsterdam.” + +Trui deed de deur open. + +„Dag, Trui! Hoe gaat het met mijn zuster?” + +„Slecht geloof ik, jongeheer.” + +„Waar is juffrouw Helène?” vroeg Leonie. + +„Met uw permissie, juffrouw,” zei Trui. „Uw papa heeft gezegd, dat ik u +beiden in de huiskamer zou laten, omdat het niet goed is, zoo terstond +van de straat bij een zieke te gaan en ook, omdat hij u eerst spreken +wou.” + +„Waar is pa?” + +„Bij de juffrouw, op haar kamer.” + +„Dan kan hij mij daar even goed spreken als in de huiskamer,” zei +Leonie trotsch. „Nu nog fraaier. Ik word hals over kop hier geroepen en +nu ik kom, laat men mij door de meid zeggen wat ik doen moet!” + +Rudolf was bedaard de huiskamer binnen gegaan, terwijl Leonie met +groote beweging de trap opvloog. Dicht bij de kamer van Helène gekomen, +werd de deur eensklaps behoedzaam open en toegedaan en stond ze voor +haar vader. + +„Naar beneden, Leonie. Naar de huiskamer. Heeft Trui ’t je niet +gezegd?” + +„Ja, pa! Maar ik dacht....” + +„Ik dacht, dat ik hier baas ben en niet jij,” antwoordde haar vader +streng. + +Zonder een enkel woord te antwoorden, wierp Leonie het hoofd in den nek +en begaf zich naar de huiskamer. Weldra kwam meneer Nederhorst bij +haar. + +„Met jou straks,” zei hij tot Rudolf, nadat hij zijn begroeting +beantwoord had. + +„Leonie,” zei hij. „Helène is gevaarlijk ziek en God weet, of we haar +behouden zullen. Mocht dat het geval zijn, dan zal ze in lang geen +huiselijke bezigheden mogen doen. Ik heb je daarom hier geroepen, en +verlang, dat jij haar plaats bekleedt, totdat ze zelf weer in staat is, +haar post te aanvaarden.” + +„Als u er maar aan denkt, dat ik geen kamers doe, geen kousen maas en +geen goed verstel. Voor ’t eerste kunt u een schoonmaakster, voor ’t +laatste een naaister nemen.” + +„Dat zijn zaken, waarmee ik mij niet bemoei; ik weet niet, hoe Helène +daarin handelde. Alleen moet ik je zeggen, dat het geld, dat ik je voor +de huishouding geef, je zal noodzaken je tot het noodigste te +bekrimpen. Aangaande ’t een en ander zal Trui je wel op de hoogte +brengen.” + +„Trui,” zei Leonie verachtelijk. „U zult toch niet willen, pa, dat ik +met de meid raadpleeg!” + +„Helène deed het wel. Trouwens, onze Trui is geen gewone dienstbode—ze +is door ’t geen ze met ons ondervonden heeft, een lid der familie. En +dan nog iets, je hebt zeker je koffer meegebracht?” + +„Ik denk, dat tante dien wel sturen zal.” + +„Anders moet je er om schrijven. Want je zult met zoo’n elegante japon +een slecht figuur in huis- en ziekenkamer maken. Ga je nu op je +kamertje verkleeden en dan naar de ziekenkamer, om Trui te vervangen, +die gedurende mijn afwezigheid bij Helène opgepast heeft.” + +In zich zelf brommend verliet Leonie de kamer en nu wendde meneer +Nederhorst zich tot Rudolf. We zullen u dat gesprek niet mededeelen, we +zouden in herhalingen vallen; zooveel is zeker, dat, waar meneer +Nederhorst in Leonie niets dan trots en zucht tot weerspannigheid +gevonden had, hij bij Rudolf niets vond dan diepen ootmoed en innig +berouw; en had hij het karakter zijner oudste dochter bezeten—zeker had +hij den verloren zoon in genade aangenomen. Doch eensdeels had hij ’t +zelfde weerbarstige karakter van Leonie, anderdeels had zijn vaderlijke +trots in den veelbelovenden zoon een zoo bittere nederlaag geleden, was +aan zijn uitzichten in de toekomst zoo wreed de bodem ingeslagen en +kwelde hem het zelfverwijt, dat hij door de schuld van Rudolf, zijn +onschuldige Helène verdacht had, hem zoozeer, dat zijn gemoed met +bitterheid ten aanzien van den knaap vervuld was. + +„Ga uit mijn oogen; deugniet!” zei hij. „Ik trek mijn handen van je af. +Als Helène sterft, ben jij de oorzaak van haar dood; want het is, +volgens getuigenis van den dokter, niets anders dan overspanning der +zenuwen, waardoor ze zich de ziekte op den hals heeft gehaald. Door je +slecht gedrag heb je haar vermoord en je eigen toekomst voor altijd +bedorven!” + +Rudolf verliet de kamer en ’t huis. Naar de ziekenkamer gaan kon hij +niet; want hij gevoelde de waarheid van zijns vaders harde woorden: hij +wist, wat Helène door ’t verlies van haar moeders erfenis geleden had. +De eenige plaats, waar hij rust kon vinden voor zijn geschokte ziel +was... ’t graf zijner moeder. + +„Zij zou mij niet zoo wreed veroordeeld hebben, als ze nog geleefd had, +evenmin als Helène het deed, toen ik haar mijn schuld bekende. O, God! +als ook zij, mijn liefste zuster, sterven moet, dan—dan wenschte ik ook +maar op ’t kerkhof te rusten!” + +Bitter schreiend zat hij daar aan ’t graf der geliefde moeder, toen +iemand hem op den schouder tikte, en met vriendelijke stem tot hem +zeide: + +„Rudolf! Wat deert u?” + +Rudolf keerde zich om en zag een deftig, oud heer voor zich staan. + +„Je kent me zeker niet,” zei de oude heer. „Ik ben de beste vriend van +uw zuster Helène, die vroeger toen ’t haar nog niet verboden was, +dikwerf haar hart bij mij kwam uitstorten.” + +„Dus dokter Faminga?” zei Rudolf. + +„Juist, dokter Faminga, die van middag met dokter van Esch een consult +over uw zuster zal hebben. Ga met mij mee naar mijn woning en vertel +mij uw verdriet; misschien kan ik u raad en hulp verschaffen.” + +Rudolf liet zich door den dokter mee naar diens villa voeren. Daar +vertelde hij hem de geheele waarheid; want de dokter had een +verwonderlijk overwicht op hem en ’t was alsof hij tot iemand sprak, +dien hij jaren lang gekend had. De dokter liet hem uitspreken; toen zei +hij: + +„Je hebt me nu niets verzwegen, nietwaar?” + +„Niets, dokter,” antwoordde Rudolf. + +„En je hebt innig berouw over ’t gebeurde?” + +„Ik vind mijzelf verachtelijk, dokter.” + +„En wilt voortaan beter oppassen?” + +„Dat beloof ik u, dokter!” + +„Welnu, reken dan op mij. Ik zal je de gelegenheid openen, om de liefde +van je vader en ’t vertrouwen van je oom terug te krijgen.” + +Met minder wanhoop in ’t hart en tamelijk bedaard keerde Rudolf naar +huis terug. Toen hij de ziekekamer bezocht, vond hij daar Leonie +zitten, bezig een roman te lezen. Van haar vernam hij, dat pa, die den +geheelen nacht gewaakt had, naar bed was gegaan en sliep. + +„’t Is goed, dat je komt,” zei ze. „Want nu kun je me voor een paar +uren aflossen; dan kan ik eens zien, of alles beneden goed gaat, en +loop ik er tevens eens uit; want het is niet alles, om hier zoo bij een +ziekbed geplakt te zitten.” + +Zoo verving haar Rudolf, wien ze de noodige inlichtingen gaf en wien op +dit oogenblik geen plaats meer overeenkomende met zijn stemming was dan +deze. Wat hij daar aan dat ziekbed vernam, heeft hij nimmer vergeten. +Met de grootste drukte begon Leonie haar bevelhebbersstaf te zwaaien en +Trui allerlei bevelen te geven. De oude meid was verstandig genoeg, om +haar niet tegen te spreken en lachte in haar vuistje over ’t weinigje +inzicht dat „de medam” in huishoudelijke zaken had; terwijl zij zich +voornam geheel haar eigen gang te gaan, zooals ze ’t vroeger bij +mevrouw en daarna bij Helène gewoon was. + +Tegen den eten stond meneer Nederhorst, die zich gekleed te bed +geworpen en Trui bevolen had hem te wekken, op. Zijn eerste gang was +naar de ziekekamer. Hij was zeer verwonderd, daar Rudolf te vinden. + +„Waar is Leonie?” vroeg hij. + +„Beschikkingen in ’t huishouden gaan maken, pa,” antwoordde hij, „en +zich tevens eens gaan verluchten.” + +„Is ze al lang weg?” + +„Ik denk anderhalf uur.” + +„En is er geen merkbare verandering met Helène?” + +„Ze heeft meestal stil gelegen, nu en dan wat onverstaanbaars +gepreveld, en tusschenbeiden gewoeld.” + +„Hoe laat heeft ze ’t laatst ingenomen?” + +Rudolf zei ’t hem. + +„Zeg aan Trui, dat ze mij wat eten boven brengt; ik zal van middag niet +beneden eten.” + +Na den middag kwam dokter Faminga. Meneer Nederhorst ging hem tegemoet. + +„Ik dank u, dat u komt,” zei hij, hem de hand drukkend. + +„Uw schrijven heeft alles goed gemaakt. Ieder onzer is somtijds de +speelbal van zijn vooroordeelen. Waar is de zieke?” + +Meneer Nederhorst bracht hem naar ’t bed. Dokter Faminga onderzocht +haar lang en nauwkeurig. + +„Is ze aldoor zoo stil geweest?” vroeg hij. + +„Den geheelen nacht vreeselijk woelig, vooral druk ijlend. +Tusschenbeiden zelfs rees ze in haar bed op en wilde er uit. Tegen den +morgen is zij rustiger geworden en zooals ze nu is, vond dokter van +Esch haar bij zijn eerste visite.” + +Andermaal onderzocht de dokter de zieke. + +„Wat denkt u van haar, dokter?” + +„Zoolang er leven is, is er hoop,” was ’t ontwijkend antwoord. + +Meneer Nederhorst begreep slechts al te goed het antwoord van den +dokter, dat bijna met een doodvonnis gelijk stond. + +Kort daarop kwam dokter van Esch en hielden de heeren consult. Dokter +Faminga sloeg een middel voor. + +„Maar dat eischt groote opmerkzaamheid,” zei dokter van Esch. + +„Ik weet het, doch ik heb er dikwerf de meest verrassende resultaten +van gezien. Natuurlijk behoort een geneeskundige de werking van ’t +medicament gade te slaan en naar bevind van zaken te behandelen.” + +„Juist daarom vind ik het zoo gevaarlijk. In handen van leeken toch, +zou een verkeerde applicatie doodelijk kunnen zijn.” + +„Ik zelf zal het haar toedienen; ten minste als meneer Nederhorst mij +wil veroorloven, van nacht bij de zieke te waken.” + +„Alsof er sprake van het tegendeel kon zijn, dokter!” zei meneer +Nederhorst. „Ik neem uw voorstel dankbaar aan.” + +„Dan ga ik even naar huis, om de noodige schikkingen te maken, en zal +tevens wel ’t recept bij den apotheker aanreiken. Mocht de drank er +zijn, vóor ik terugkom—geef er haar nog niet van in.” + +„Ik mag u toch van nacht wel gezelschap houden, dokter?” vroeg meneer +Nederhorst. + +„Ik begrijp zeer goed, dat ge onmogelijk naar bed kunt gaan, terwijl de +toestand uwer dochter zoo kritiek is—ik moet u echter waarschuwen, dat +ge veel zult moeten lijden.” + +„Liever er bij, dan op mijn bed en te weten, dat mijn kind in +doodsgevaar is,” zei meneer Nederhorst. + +Een uur later kwam dokter Faminga terug. + +„De koorts verheft zich weer,” zei hij. „Ik had het wel verwacht.” + +Inderdaad verhief de koorts zich weer en wel veel erger dan den vorigen +avond. Tegen het middel in, dat de dokter haar toediende, werd zij +steeds onrustiger, ja, moest meermalen worden vastgehouden, anders was +ze ’t ledikant uitgesprongen. De arme vader bracht vreeselijke uren +door; terwijl de dokter rustig aan het ziekbed zat en de verschillende +verschijnselen oplettend gadesloeg. ’t Was vier uur in den morgen, toen +de hevigheid der stuiptrekkingen allengs afnam. Met gespannen aandacht +beschouwde de dokter zijn patiënt, van tijd tot tijd haar pols nemende +en met het horloge in de hand de slagen tellende. Zijn eerwaardig, +anders zoo kalm gelaat stond angstig; maar hij sprak geen woord en +bleef geregeld de medicijnen ingeven—nu eens in grooter, dan in kleiner +hoeveelheid. Een uur lang zat hij zoo in spanning; toen legde hij haar +hoofd goed, dekte haar toe, deed de bedgordijnen dicht, stond op, +loosde een zwaren zucht en zeide zacht: + +„Ik feliciteer u, meneer Nederhorst. Zonder bijkomende omstandigheden +is uw kind behouden!” + +De arme vader barstte in tranen los, greep met beide handen die van den +dokter, en zei: + +„Dokter! U bent als God, die kwaad met goed vergeldt. Aan u heb ik +naast Hem het leven van mijn kind te danken.” + +„Ga nu gerust naar bed; doch zorg, dat niet het minste gedruisch haar +doet ontwaken. ’t Zou haar noodlottig kunnen zijn. We zullen nu ook dat +venster sluiten; want van buiten mocht het een of ander tot haar oor +doordringen.” + +„Ik blijf hier, dokter, en zal wel wat in mijn stoel slapen,” zei +meneer Nederhorst, nadat hij ’t venster gesloten had. „Roep mij, +wanneer ik in slaap mocht vallen, zoodra men in huis opstaat; dan zal +ik voor de noodige stilte zorgen.” + +Van tijd tot tijd sloeg de dokter haar gerusten slaap gade en knikte +hij tevreden, als meneer Nederhorst hem vragend aanzag. Toen dokter van +Esch zijn morgenvisite kwam maken, stond hij verbaasd over de +verandering, die er in de ziekte had plaats gehad. + +„Ik wensch u geluk, meneer Nederhorst,” zei hij. „Dit is een slaap ten +leven en niet tot den dood.” + +’t Was eerst tegen twaalf ure, dat Helène ontwaakte. Toen sloeg ze haar +oogen op en zag dokter Faminga en haar vader aan haar bed staan. ’t +Scheen dat dit geluk te groot voor haar was; met een flauwen glimlach +sloot zij de oogen weer. Toen fluisterde zij: „Droom ik, of ben ik +wakker?” + +„Je bent wakker, lieve,” zei meneer Nederhorst; terwijl hij een kus op +haar lippen drukte. „Dokter Faminga is eens naar je komen kijken.” + +„Dat is lief van u, dokter,”, fluisterde zij en stak hem een harer +vermagerde handen toe. + +„Stil, praat niet!” zei de dokter. „Neem even in en ga dan weer +slapen.” + +Helène gehoorzaamde; ze was ook te zwak om tegen te streven. + +„Thans ga ik u voor eenige uren verlaten,” zei dokter Faminga. „U +blijft zeker bij haar; wanneer ze weer wakker mocht worden geef haar +dan gerust een lepel van het drankje, doch niet binnen de twee uren. Ik +kom niet vóor van avond terug; want ik moet voor een noodwendige zaak +naar Amsterdam. Mocht ge soms een of ander, in uw oog minder goed +verschijnsel bespeuren, laat dan terstond dokter van Esch halen. +Overigens laat u haar slapen en wordt zij wakker, spreek zoo weinig +mogelijk met haar. Niemand mag bij haar worden toegelaten. Volstrekte +rust is thans haar geneesmiddel.” + +’s Avonds kwam de dokter terug. Hij ging echter niet ter stond naar +boven; maar verzocht Trui den jongeheer Rudolf te roepen. Deze kwam. + +„Rudolf,” zei de dokter. „Mijnheer Jansen wil u in zijn zaak nemen. Ik +had hem gisteren geschreven en heb hem heden opgezocht. Ge zult +voornamelijk voor de kantoorwerkzaamheden gebruikt worden. Ge zult weer +bij uw oude hospita verblijf houden; dat heb ik reeds in orde gemaakt. +Uw salaris zal echter vijf gulden per maand minder zijn dan aan de +Bank. Neemt ge ’t aan?” + +„Of ik ’t aanneem, dokter?” riep Rudolf uit. „U redt mij van ’t +verderf. Ik dank u, en u zult geen oneer hebben van uw aanbeveling.” + +„Dat hoop en verwacht ik. Morgen kan je al in functie treden. +Leegloopen deugt niet voor jongens.” + +„Ik dank u, dokter!” zei Rudolf, terwijl hij de hand van den dokter +drukte. „U hebt voor mijn vader twee kinderen gered, Helène en mij.” + +Toen de dokter boven kwam, vond hij Helène wakker en was zeer tevreden +over haar toestand. Hij fluisterde meneer Nederhorst wat in ’t oor en +deze verliet de kamer. Toen ging hij aan ’t bed zitten. + +„Helène,” zei hij. „Ik heb een goede tijding voor u. ’t Horloge, dat je +moeder je op haar sterfbed gaf, is terecht gekomen.” + +„Is het, dokter?” vroeg ze, en een glans van blijdschap vloog over haar +gelaat. + +„Ja, en wel op een heel bijzondere wijs.” + +„Is ’t hier, dokter?” + +„Ja, je vader was de heer, die ’t voor de glazen zag hangen en ’t van +Mozes Zadok kocht.” + +„O, dat is wonderlijk!” riep Helène uit. „Die tijding is heerlijk! Maar +zeg eens dokter! Hoe komt het, dat u hier bent? Pa....” + +„Heeft mij zelf verzocht om hier te komen en je dikwijls te bezoeken.” + +„O, hoe heerlijk! Wat is pa toch goed!” + +Op dit oogenblik trad haar vader de kamer binnen. De dokter gaf hem een +wenk, en hij ging aan ’t bed zitten. + +„Ma’s horloge is terecht, pa!” zei Helène. + +„Ja, hier is het, lieve,” antwoordde hij terwijl hij het haar +overreikte. + +Ze greep het met beide handen aan en kuste het. + +„Mag ik ’t nu houden, pa?” vroeg ze. + +„’t Is je rechtmatig eigendom,” antwoordde hij. „Maar je moet het +niemand meer te leen geven,” voegde hij er glimlachend bij. + +„U weet dus...” + +„Ik weet alles; ik weet dat mijn lieve Helène ’t evenbeeld harer zalige +moeder is, en dat ze nu moet zwijgen, anders zou het misschien te lang +duren, eer ik mijn lief huishoudstertje terug had.” + +Met haar bleek, uitgeteerd, maar van vreugde stralend gelaat keek ze +haar vader aan, strekte toen de magere armen uit, sloeg ze hem om den +hals en kuste hem, wien de tranen van aandoening uit de oogen sprongen. + +„Ik heb ’t wel altijd geweten, dat u een goede, lieve vader was,” zei +ze. + +„Kom, nu rustig, Helène!” zei de dokter met gemaakte knorrigheid. „Je +weet ’t wel, dat de dokter er bij is.” + +Glimlachend stak Helène hem de hand toe; toen nam ze haar horloge, ging +liggen en verheugde zich in het te bezien. + +Dien nacht zond dokter Faminga zijn huishoudster om bij haar te waken, +en kon dus meneer Nederhorst de hem zoo noodige rust genieten. Den +volgenden dag mocht ze achtereenvolgens haar broeders en zusters zien; +Rudolf kwam bij haar vóór hij naar Amsterdam vertrok. Van dag tot dag +nam zij in beterschap toe, en geen genoeglijker uur smaakte zij, dan +wanneer haar goede dokter haar bezocht, die altijd de een of andere +versnapering meebracht, en Trui toefluisterde, dat zijn huishoudster +wel voor haar diner zou zorgen. Zoodra ze sterk genoeg was, om het te +vernemen, vertelde haar vader haar, hoe hij in dien nacht aan haar +ziekbed achter de waarheid van de historie met het horloge gekomen was. + +„Die arme Rudolf, hij heeft er zoo onder geleden!” zei ze. + +„Spreek je nog van armen Rudolf?” vroeg haar vader. „Hij heeft al zijn +vooruitzichten den bodem ingeslagen. Klerk bij een boekverkooper of, +met zijn vooruitzichten, geattacheerd aan een Bank!” + +„U vergeeft het hem toch, pa!” + +„Om jouwentwil, ja. Ik hoor goede berichten van hem. ’t Is voor hem een +bijzonder geluk, dat de goede dokter Faminga zich zijn lot heeft +aangetrokken.” + +„Die edele man! O, ma hield zooveel van hem!” + + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +IN DE HUISKAMER. + + +’t Was in Juli van datzelfde jaar, dat op het groote Badhuis te +Scheveningen twee personen logeerden, die algemeen de aandacht der +andere badgasten trokken. ’t Was niet zoozeer, omdat er zooveel +bijzonders aan hen was, of dat het zonderlinge van hun kleeding hen van +anderen zou hebben onderscheiden, integendeel die laatste was hoogst +eenvoudig. ’t Was een oud, deftig heer en de dame was een jong, +aanvallig maar bleek meisje van ruim zeventien jaren, in den rouw +gekleed. Wat echter de bijzondere aandacht der badgasten trok, was de +bezorgdheid van den ouden heer voor ’t meisje, dat zijn dochter niet +was; want ze noemde hem steeds „dokter”, en scheen dus zijn patiënt te +wezen. In ’t vreemdelingenboek stonden ze aangeteekend als dokter +Faminga en juffrouw Nederhorst, en wij weten dus terstond, dat we hier +oude kennissen vinden. + +Na de geweldige crisis, waarvan wij getuigen waren, nam Helène wel +dagelijks in beterschap toe; maar een soort van kwijning, die niet veel +goeds voorspelde en in een zenuwtering dreigde te ontaarden, bracht en +meneer Nederhorst en dokter Faminga in de hoogste onrust. Ondanks alle +versterkende middelen bleef ze zwak, kwijnend, de maag was lusteloos en +haar gewone veerkracht scheen verlamd. Gelukkig, dat Leonie, op wie de +gevaarlijke toestand, waarin haar zuster verkeerd had, een weldadigen +invloed had geoefend en die daarenboven wel inzag, dat ze in de eerste +tijden niet weer naar Amsterdam terug kon keeren, zich min of meer in +haar lot geschikt had, en, ofschoon in de verte niet te vergelijken met +Helène, toch veel in haar voordeel veranderd was. Eén ding vooral +werkte daartoe mede: in ’t huis van haar oom was ze een afhankelijk +persoon; en we hoorden reeds hoe dit haar hinderde. Hier was ze thuis +en zelfs in den eersten tijd de hoofdpersoon. Toen nu Helène op de been +was, had deze wel weer de teugels van ’t huisbestuur op zich genomen; +maar haar voortdurende zwakte had haar belet, dit met haar vroegere +energie te doen en die tusschentijd was voor Leonie een wezenlijke +leerschool, waarin zij allerlei onderrichtingen en wenken kreeg, die ze +zich ten nutte kon maken. Meneer Nederhorst had het echter in zijn +beurs gevoeld, dat hij zijn zuinige huishoudster kwijt was; en geen +wonder—Helène had er zelf vrij wat bij ingebrokkeld en zich leeren +bekrimpen. Gelukkig echter waren er in den laatsten tijd eenige nog van +vroeger tijd uitstaande posten ingekomen, zoodat hij ’t iets beter met +zijn uitgaven stellen kon. + +Doch om tot Helène zelf terug te keeren. Op zekeren dag was dokter +Faminga bij meneer Nederhorst gekomen. + +„’t Gaat met Helène niet vooruit,” zei hij. „Ik had zoo gehoopt, dat de +lucht haar zou herstellen; en ik vrees voor haar, wanneer ’t najaar met +zijn gure buien in ’t land komt.” + +„’t Is een treurig vooruitzicht, dokter,” antwoordde meneer Nederhorst. +„Maar wat is er aan te doen?” + +„Luister, meneer, ik heb u een voorstel te doen. Ik heb voor mij zelf +groote behoefte aan verandering van lucht en wenschte een paar maanden +op Scheveningen door te brengen. Als ik alleen ga, verval ik weer tot +mijn vroegere somberheid en doet mij ’t verblijf op de badplaats meer +kwaad dan goed. Welnu, geef mij Helène voor dien tijd als gezelschap +mee, en ik ben bijna overtuigd, dat de zeelucht en de zeebaden haar +genezen zullen en dat ik u uw dochter geheel hersteld thuis breng. +Alleen zeebaden en de frissche zeelucht kunnen dat ondermijnde +zenuwgestel in zijn normalen toestand terug brengen; waartoe ook de +kalmte, welke er in ’t begin van ’t badseizoen te Scheveningen +heerscht, verbonden met de afwisseling, de levendigheid en een andere +omgeving het hunne zullen doen. Op die wijs hebben we niet de minste +verplichting aan elkander; uw dochter is mijn gezelschapsdame en ik ben +haar arts.” + +De kiesche manier, waarop de dokter zijn aanbod inrichtte kon meneer +Nederhorst niet beleedigen, en met dankbaarheid nam hij ’t aan. Hoe +gelukkig Helène was, toen haar dit plan werd medegedeeld, behoef ik u +niet te zeggen. Ofschoon het tijd was, om uit den rouw te gaan, werd er +besloten, dat ze nog dezen zomer in ’t zwarte kleed zouden blijven, en +Leonie, die zoo royaal in haar kleeren zat, dwong haar zuster een paar +élegante japonnen van haar aan te nemen. „Als de rouw over is, heb ik +er toch niets meer aan,” zei ze. „En zooveel dankbaarheid mag je toch +den goeden dokter wel toonen, dat hij te Scheveningen met je voor den +dag kan komen!” Helène nam dit aanbod met dankbaarheid aan. „Later, +wanneer ik voor de pers werk,” dacht zij, „zal ik ’t Leonie wel +vergoeden.” Doch dat zei ze niet, en begon de japonnen voor zich van +pas te maken, ’t geen niet moeilijk was, daar Leonie, ofschoon twee +jaren jonger dan zij, in lengte weinig met haar verschilde; ook +vereenvoudigde zij ze wat, waartegen haar zuster veel protesteerde. En +zoo was alles tijdig gereed, was de groote reis aanvaard, en bevonden +ze zich nu reeds een maand op Scheveningen. + +We vinden hen daar onder de veranda op het terras zitten ontbijten. + +„En dus bent u toch werkelijk die meneer Radinus!” zei ze, „en heb ik +uw werk gecopiëerd, en hebt u met zooveel geduld mijn werk gecorrigeerd +en geredigeerd. Dat dit nooit in mij is opgekomen! Wie toch zou zich +voor een onbeteekenend meisje zooveel moeite geven, als die vreemde +meneer Radinus deed!” + +„Ho wat, Helène!” antwoordde hij. „Wat ik voor jou gedaan heb, zou ik +voor ieder ontluikend talent doen.” + +„Maar, lieve dokter! Hoe kon u talent in mij vermoeden (gesteld +namelijk, dat ik ’t heb); daar u nooit iets van mijn hand gelezen hadt +en ik ook nooit iets had vervaardigd.” + +„Je fijngevoeligheid, de zuivere opvatting van de dingen om je, de +mannelijke moed, waarmee je je lijden droeg, deden mij vermoeden, dat +je opvatting meer dan een gewone zou zijn. ’t Was nu maar zaak, om je +te oefenen. Daartoe gaf ik je copiëerwerk. Mijn slecht schrift zou je +noodzaken, dat niet machinaal te doen; want je moest er op studeeren en +er goede, verstaanbare zinnen van vormen. En door ’t overnemen der +denkbeelden zou je zelf weldra tot het besef komen, dat er +scheppingskracht in je lag. Zoo niet—dan was er in alle geval éen doel +bereikt: je had de gelegenheid om afwisseling te hebben in je treurige +omstandigheden.” + +„En de gelegenheid om op een fatsoenlijke manier geld te verdienen. Op +kiescher manier kon u me zeker geen ondersteuning hebben aangeboden.” + +„Met je verlof, Helène, ’t was volstrekt geen ondersteuning. ’t Was +niets anders dan selfhelp.” + +„En op die wijs bleven we correspondentie houden, ik, zonder te weten, +dat ik tegen pa’s uitdrukkelijken wil zondigde,” hervatte Helène +lachend. + +Op dit oogenblik werden zij in hun gesprek gestoord door den bediende, +die hun op een presenteerblad twee brieven aanbood. De een was aan ’t +adres van den dokter, de andere aan dat van Helène. Daar ze ieder een +brief hadden, behoefden ze elkaar geen verlof te vragen om dien te +lezen, deden er dus ’t couvert af en begonnen hun lektuur. + +„O, dokter!” riep Helène eensklaps uit; terwijl haar oogen van +blijdschap schitterden. „Goede tijding! Pa is benoemd tot Directeur der +Overzeesche Stoombootmaatschappij, met een prachtige jaarwedde! Nu is +alle zorg en verdriet over.” + +„Hartelijk geluk!” zei de dokter. „Nu ga je natuurlijk weer in +Amsterdam wonen en laat mij, arme kluizenaar, te Weesp!” + +Een wolk betrok het gelaat van Helène. In haar vreugd had zij die zaak +vergeten. + +„Nu, laat dat maar geen schaduw op je vreugde werpen, lieve,” hernam de +dokter. „Mijn brief bevatte ook een goede tijding; maar even slecht +voor mij als de jouwe. Mijn goede vriend, dokter van Esch, heeft van +een tante zijner vrouw een groot kapitaal geërfd en ’t voornemen +opgevat, om tegen ’t najaar zijn praktijk te Weesp neer te leggen en +naar Amsterdam te verhuizen, waar hij meent beter in de opvoeding van +zijn kinderen te kunnen voorzien. Je ziet nu wel, dat ik ook naar de +hoofdstad zal moeten verhuizen, of ik wil of niet.” + +„O, die lieve tante van dokter van Esch!” riep Helène uit. „’t Is +jammer dat ze dood is; anders schreef ik haar stellig een brief om haar +te bedanken.” + +„Maar als ze nog leefde, kon van Esch zijn ton niet geërfd hebben, en +dan was hij stil in Weesp gebleven,” hernam de dokter lachende. + +„U hebt gelijk, dokter,” antwoordde Helène. „Wat ben ik toch een dom +gansje! Ben ik niet?” + +„Waren alle gansjes maar zoo dom als jij!” riep de dokter uit. „Er zou +vrij wat meer liefde en vrede op de wereld bestaan.” + +Ik zou hier kunnen eindigen; maar mijn lezeressen en lezers willen +zeker gaarne nog iets van onze lieve vrienden hooren. En om daaraan te +voldoen, gaan we naar een huis op de Keizersgracht te Amsterdam, op +welks deur „Nederhorst” geschilderd staat. + +We treden binnen en vinden daar in de tuinkamer met openslaande deuren, +een knappe jonge dame van twintig jaren zitten, met een aflevering van +het „Tijdschrift voor de jeugd” in de hand, waarin zij tegenwoordig een +der voornaamste medewerksters is en haar geestesprodukten ’t liefst van +alle gelezen worden. Een andere jonge dame, een paar jaren jonger dan +zij, speelt een simfonie van Beethoven op den prachtigen vleugel, die +in een der hoeken van ’t vertrek staat. Ge herkent de oudste, wier +toilet, hoe keurig ook, van een beminnelijken eenvoud getuigt, onze +Helène, die van de Scheveningsche badkuur genezen teruggekomen, daar in +den bloei der gezondheid voor u zit. Op uitdrukkelijke begeerte van +haar vader heeft ze ’t huisbestuur weder op zich genomen, om er nu ’t +zoet van te smaken, daar ze er vroeger ’t zure van had. Een gedeelte +van den dag kunt ge haar op haar net ingericht kamertje aan haar +schrijftafel zien zitten, waar ze zich met letterkundigen arbeid bezig +houdt. Want ook andere uitgevers hebben de reeds gevierde schrijfster +aangezocht, en, ofschoon ze veel afwijst, kan ze het toch alles niet +doen. Maar van nachtwerk is er geen sprake meer. Al wat ze schrijft, +wordt eerst aan de strenge kritiek van dokter Faminga onderworpen, die +niet ver van daar een prachtig bovenhuis bewoont, zijn vrijen tijd +tusschen de familiën van Esch en Nederhorst verdeelt en slechts over +één ding te klagen heeft: de moeite, die ’t hem kost om geen kwade +vrienden te raken met een der beide bevriende familiën, door de eene +boven de andere met zijn bezoeken te bevoorrechten. Ja, er waren zelfs +in den beginne door beiden pogingen in ’t werk gesteld, om hem geheel +als huisgenoot bij zich te krijgen; doch onze goede dokter is te veel +gesteld op zijn onafhankelijkheid. ’t Eenige echter, wat niemand hem +ooit ten kwade duidde, is zijn voorliefde voor Helène, met wie hij van +tijd tot tijd eens een uitstapje van eenige uren naar Weesp doet, om te +zien of de rozen op de twee graven wel goed in orde gehouden worden. + +In de andere jonge dame, wier schoon gelaat straalt van vreugde en +genot, herkent ge terstond aan haar éléganter toilet, Leonie, niet meer +de trotsche, onverschillige van vroeger; maar een goede, hartelijke +meid, die een gedeelte van de huiselijke zorgen met Helène deelt en +inderdaad het zonnetje in huis mag genoemd worden door haar +vroolijkheid en dartelheid, die zulk een contrast opleveren met den +ernst en de bezadigdheid harer zuster, en juist geschikt zijn, om die +te temperen en te verlevendigen. ’t Eenige wat men haar misschien ten +laste zou kunnen leggen, is, dat ze even als de rest braaf meedoet, om +Helène te bederven, die gelukkig een te vast karakter heeft om bedorven +te worden: want ze is de afgod van allen in huis en niet het minst van +papa, die ’t maar niet schijnt te kunnen vergeten, hoe hij eens de +parel, omdat ze geen glans van zich gaf, versmaad heeft; en van Rudolf, +die niet vergeten kan, haar eens van het dierbaarste, dat zij bezat, +het erfstuk harer moeder, beroofd te hebben en wat ze door zijn schuld +geleden heeft. + +Zie, daar komt hij juist de kamer binnen, de klerk van den +boekverkooper—neen, de beambte aan de Bank, waarvan oom Walburg +directeur is. Door Helène op de hoogte gebracht ten aanzien van de +zaken, heeft hij ingezien, dat Rudolf meer dwaas dan slecht gehandeld +heeft, dat de omstandigheden veel tot hetgeen hij deed, hebben +bijgedragen en—toen de jongeling een jaar lang bij meneer Jansen +voorbeeldig had opgepast, heeft hij hem weer op de Bank genomen en hem +dezelfde uitzichten als vroeger geopend. + +„Is de dokter er nog niet?” vraagt hij. + +„Welzeker, die is met Dora en Alfred in den tuin. Zeker zit hij met hen +in ’t prieeltje waar hij hun wat vertelt. Want als de kinderen thuis +zijn, vergeet hij mij,” antwoordde Helène, met voorgewende knorrigheid. +„Maar waarom vraag je zoo naar den dokter? Je hebt hem zeker een goede +tijding mee te deelen.” + +„Juist, en hem komt het toe, die ’t eerst uit mijn mond te hooren.” + +„Dan zullen we ’t alle vijf te gelijk hooren!” klinkt een stem uit den +tuin, en daar staat hij met den twaalfjarigen Alfred en de elfjarige +Dora aan de hand, vóor de geopende tuindeur. + +„Dokter! Ik ben alweer verhoogd!” roept Rudolf hem toe. „Ik ben blij, +dat ik u zie; want u moest de eerste zijn, aan wien ik ’t meedeelde.” + +„Geluk, mijn jongen!” zegt de dokter; terwijl hij hem hartelijk de hand +drukt. „Ga maar zoo voort; dan wordt je de vreugde van allen, die je +liefhebben.” + +Waarom de dokter die tijding ’t eerst vernemen moest? ’t Was later +uitgekomen, dat hij den heer Jansen een groot deel vergoedde van ’t +geen Rudolf bij hem verdiende; want een boekhandelaar zou een +nieuweling zulk een inkomen niet geven. Ook dat hij door zijn invloed +oom Walburg had overgehaald, den jongeling na den proeftijd weder op de +Bank te nemen. Vond de man ’t ook niet plezierig, dat zijn geheime +goede daden zoo aan ’t licht kwamen, en zou men hem beleedigd hebben +als men er over gesproken had—hij vond het toch wel heel aardig, dat +hij zoo bemind en geacht werd; ja, dat zelfs de oude Trui, die nu een +echte keukenprinses was en een tweede meid onder zich had, het aan geen +harer beide onderhoorigen toeliet, haar goeden dokter open te doen en +dan altijd een praatje met hem hield. + +Toen meneer Nederhorst, die niet meer dezelfde man was van vroeger, en +wel tien jaar jonger scheen geworden te zijn, thuis kwam, deelde Rudolf +hem de goede tijding mede. En ’t gelaat van den vader schitterde van +vreugde. En toen men ’s avonds gezellig bijeen zat en over verledene +dagen sprak, nam Helène haar horloge. + +„Zonder dat horloge,” zei ze, „zou Rudolf nooit zijn geworden wat hij +nu is, een jongeling die door een vroegeren misslag geleerd heeft op +zich zelf te passen, en tegen alle afdwalingen te waken; inderdaad het +was wel de zegen, die er rustte op: + + + „DE ERFENIS EENER MOEDER.” + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76879 *** |
