summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76879-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-09-15 14:22:01 -0700
committerpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-09-15 14:22:01 -0700
commit3384963dcbb7d4fbb5c7ef01c92fa6bca8b2e9f1 (patch)
tree9d96716802ca3bf8b1b0d026600fc6aa9c46c103 /76879-0.txt
Update for 76879HEADmain
Diffstat (limited to '76879-0.txt')
-rw-r--r--76879-0.txt8094
1 files changed, 8094 insertions, 0 deletions
diff --git a/76879-0.txt b/76879-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5ab34b3
--- /dev/null
+++ b/76879-0.txt
@@ -0,0 +1,8094 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76879 ***
+
+
+
+
+
+ DE ERFENIS EENER MOEDER
+
+ VAN
+
+ P. J. ANDRIESSEN
+
+ Geïllustreerd door E. S. WITKAMP Jr.
+
+ DERDE DRUK
+
+
+ AMSTERDAM
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Afwisseling van spijs doet eten. Het werkje, hetwelk ik hier aan ons
+jeugdig publiek aanbied, is noch op historisch, noch op geographisch of
+letterkundig gebied; het is op dat der phantasie. En waarom mag, in
+onzen practischen tijd, ook niet de phantasie van tijd tot tijd eens
+tot haar recht komen? Phantastisch is het daarom niet; ’t is een
+eenvoudige familiegeschiedenis, waarin groote sprongen noch vreeselijke
+gebeurtenissen voorvallen; maar waarin de erfenis eener gestorvene
+moeder een groote rol speelt, een rol, die zeker wel in staat is, om
+den leeslust van lezeressen en lezers te prikkelen. Want ik schreef het
+boekje zoo voor meisjes als voor jongens.
+
+Ik twijfel niet, of ook dit werkje zal eene goede ontvangst genieten en
+vele lezeressen en lezers vinden. Dat er een algemeen zedelijke
+strekking in is, behoef ik niet te verzekeren. Te schrijven alleen om
+te vermaken, is mijn gewoonte niet. Ik zou mij den tijd, daaraan
+besteed, zeker beklagen; nuttig voor de Nederlandsche jeugd te zijn is
+steeds mijn hoogste doel.
+
+Met aanbeveling van mijn arbeid aan allen, wien de opvoeding en ’t
+onderwijs der Nederlandsche jeugd zijn toevertrouwd, zend ik deze
+„Erfenis eener Moeder” de wereld in.
+
+Amsterdam, 1877.
+
+ P. J. ANDRIESSEN.
+
+
+
+
+
+
+BERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
+
+Dat de schrijver zijn hoogste doel, nuttig voor de Nederlandsche jeugd
+te zijn, geheel bereikt heeft, wie zal ’t betwijfelen?
+
+Duizende exemplaren toch, worden jaarlijks van zijn verschillende
+boeken nog voor die jeugd gekocht, ter belooning van—en ter opwekking
+tot het goede.
+
+Amsterdam, 1893.
+
+ DE UITGEVER.
+
+
+
+
+
+BERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.
+
+„Duizende exemplaren worden nog jaarlijks van Andriessen’s boeken
+verkocht”—zoo vermeldde het „Bericht voor den Tweeden Druk”. Het noodig
+zijn van een Derden Druk bewijst wel, dat Andriessen nog steeds
+onvergetelijk blijft voor de Nederlandsche jeugd.
+
+Amsterdam, 1902.
+
+ DE UITGEVER.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAG NAAR BUITEN.
+
+
+„Ik vind het laf van je, dat je niet meedoet, Ernst. Wat moeten de
+andere jongens er van denken?”
+
+„Laat ze er van denken wat ze willen. Wat gaat mij dat aan!” antwoordde
+Ernst. „Ik kan ’t nu eenmaal niet betalen, en daarmee basta!”
+
+„Maar ik wil je ’t geld leenen, Ernst. Dat heb ik je nu al driemaal
+gezegd, en ’t komt er volstrekt niet op aan, wanneer ik het terugkrijg.
+Je weet het, pa is rijk; ik heb maar te spreken of er over te
+schrijven, en hij zendt me een postwissel voor ’t geen ik hem vraag.”
+
+„Juist Rudolf,” antwoordde Ernst. „Jouw vader is rijk, schatrijk
+misschien, en daarom heb je volkomen gelijk, dat je royaal meedoet.
+Maar de mijne is arm en ’t kost hem al opoffering genoeg, om mij hier
+te laten, en mij ’t weinige zakgeld te geven, dat hij mij zendt. Als ik
+dus die vijf gulden van je leende, zou ik ze je niet kunnen teruggeven,
+of....”
+
+„Wat het teruggeven aangaat; daarover behoef je je niet eens te
+bekommeren,” viel Rudolf hem gul in de rede. „Al is dat over een
+halfjaar, over een jaar—ja, al is ’t ook nooit: ’t komt er niet op
+aan.”
+
+„Zoo, zoo!” riep Ernst. „Gelukkig, Rudolf, dat we elkander kennen.
+Wanneer ’t een ander was die me dit zei, zou ik heel beleedigd zijn.
+Iets te leenen, waarvan je al vooraf weet, dat je ’t niet kan
+teruggeven, is in mijn oog net zoo goed als diefstal. Daarenboven, pa
+heeft mij altijd ingeprent om, wat er ook gebeurt, nooit van iemand
+geld te leenen. Als je geld leent, zegt hij altijd, is het, alsof je
+tweemaal betaalt: want je beschouwt het geleende als je eigendom en
+betaalt er mee wat je er voor hebben wilt; later moet je ’t geld
+weeromgeven, en dan is ’t je alsof je het voor de tweede maal uitgeeft.
+Daarenboven zegt ’t Fransche spreekwoord niet te vergeefs: qui donne à
+crédit, perd son bien et son ami; want de meeste menschen zijn erg
+boos, wanneer iemand, die hun iets geleend heeft, het geleende
+terugvraagt.”
+
+„Maar als ik ’t je nu present wil doen....”
+
+„Geen woord meer, als je wilt, dat we vrienden blijven,” hernam Ernst
+op min of meer trotschen toon. „Dat pa arm is, kan ik niet helpen en
+daar schaam ik mij ook niet over, maar als ik weldaden aannam, al was
+’t ook van jou, zou ik reden hebben me over me zelf te schamen, en ik
+zou den eerlijken naam van mijn braven vader bevlekken, die ’t mij
+nooit zou vergeven, dat ik mij zoo laag had aangesteld.”
+
+„In vredesnaam dan, Ernst,” antwoordde Rudolf, eenigszins knorrig en
+teleurgesteld. „Intusschen kun je er op rekenen, dat je door je
+weigering me de helft van mijn pleizier ontrooft—ja.... ik heb in de
+heele zaak nu geen pret meer, nu jij niet van de partij zult zijn.”
+
+„Dwaasheid, kerel,” hervatte Ernst lachend. „Als je eenmaal in de pret
+bent, zul je mij wel vergeten. Maar toch,” vervolgde hij op hartelijken
+toon, „dank voor je aanbod. Wanneer ik ’t niet al wist, zou ik er uit
+leeren, dat je een waar vriend bent. Ik ben trotsch op zulk een
+edelmoedigen, onbaatzuchtigen vriend!”
+
+Hoe knorrig Rudolf ook op den onverzettelijken knaap was, deze laatste
+woorden ontwapenden geheel en al zijn toorn: hij nam de hem aangeboden
+hand aan, drukte die hartelijk en zei:
+
+„Je bent een kopstuk, Ernst. Maar ’t zij zoo. Ik moet je principes
+eerbiedigen.”
+
+Mijn lezeressen en lezers zullen waarschijnlijk belang genoeg in onze
+beide jongens stellen, om iets meer van hen te vernemen. En ik wil aan
+hun nieuwsgierigheid voldoen en hun terstond wat van de twee sprekenden
+mededeelen.
+
+Rudolf Nederhorst was de oudste zoon van een rijk koopman in Amsterdam.
+Ofschoon van zijn jeugd af aan in rijkdom en weelde grootgebracht, had
+hij echter zijn studiën niet verzuimd, en was vrij ver in alles wat men
+op zijn jaren—hij was in zijn zestiende—kennen moet. Hij was dan ook,
+ofschoon hij de oogappel van zijn vader was, niet verwend, en dat had
+hij vooral te danken aan zijn verstandige moeder, die hem wist te
+leiden en hem steeds voor oogen had gehouden, dat geld alleen niet
+genoeg is, om iemand geacht en bemind te maken; maar dat slechts een
+braaf karakter en een ontwikkeld verstand den man van geld den eerbied
+van anderen doen verwerven. Gelukkig had Rudolf een helder verstand,
+een vlug begrip en een allergelukkigsten aanleg; daarbij liefde tot de
+wetenschap en een gepaste eerzucht, die er hem steeds naar deed
+streven, om anderen vooruit te komen. Vier jaar geleden, toen hij elf
+jaren oud was, had zijn vader hem, op aandrang van zijn moeder, naar
+een der beste kostscholen van ’t land gestuurd; want mevrouw Nederhorst
+was bevreesd, dat haar man, zonder dat hij ’t wilde, den knaap zou
+bederven, en daarom had ze ’t noodig geoordeeld hem onder de leiding
+van een vreemde te geven, die beter de gebreken van haar Rudolf zou
+zien en bestrijden dan de vader, die geen kwaad in zijn jongen kon zien
+en blind was voor ’t geen er verkeerds in ’t karakter van zijn zoon
+was.
+
+Ofschoon Rudolf Nederhorst met al de jongens op de school perfect kon
+omgaan, daar de meesten den vroolijken, levenslustigen knaap graag
+mochten, die, hoe vlug hij ook leerde en hoe hij hun daarin dikwijls de
+loef afstak, bij spel en pret, ja bij ’t kattenkwaad dat zij soms
+uitvoerden, steeds een trouwe en ferme makker was—had hij zich toch
+bijzonder gehecht aan Ernst van Hogenberghe, den zoon van den kapitein
+der infanterie van dien naam. Daar kapitein Van Hogenberghe, ofschoon
+van ouden adel, geen fortuin van zich noch van de zijde zijner vrouw en
+daarbij verscheidene kinderen had, kostte ’t hem vrij wat moeite, om in
+zijn stand fatsoenlijk rond te komen, en was ’t hem, zooals zijn zoon
+zelf zeide, opoffering genoeg, om zijn Ernst op zulk een deftige en
+dure kostschool te laten gaan. Zooals we reeds zagen, bezat Ernst van
+Hogenberghe al heel weinig adeltrots, maar fierheid van karakter
+genoeg, om zich niet over de bekrompen omstandigheden van van zijn
+vader te schamen, en al hinderde ’t hem wel eens, dat hij niet zooals
+de anderen met alles kon meedoen—hij was er te zeer van overtuigd,
+hoeveel ’t zijn vader kostte, om hem een goede opvoeding te geven, dan
+dat hij zich niet met alle macht op ’t verkrijgen van kennis zou hebben
+toegelegd. Hij vond er dan ook weinig of geen zelfoverwinning in, om
+openhartig te bekennen dat „het hem te duur was” en „dat zijn middelen
+hem niet veroorloofden, deze of gene verteringen te maken.” Verre, dat
+zijn kameraden hem daarom minder achtten, hielden ze allen veel van den
+knaap, die ook ferm met hen kon meedoen, en zochten velen zijn
+toegenegenheid, omdat hij van adel was, vooral zij, wier ouders geen
+adellijk blazoen in hun wapenschild voerden; terwijl de adellijke
+jongeheeren van de kostschool hem volstrekt niet minder achtten, omdat
+hij, zooals hij ’t geliefde te noemen, arm was; ofschoon dit woord veel
+te hard klonk voor een toestand, die slechts bekrompenheid van middelen
+mocht heeten.
+
+De zaak, waarvoor ’t geld benoodigd was, bestond in een roeitocht,
+welken de scholieren vóor ’t begin van de vacantie met elkander zouden
+maken. Onder toezicht van twee der secondanten zouden ze dan naar den
+„Borrelenden Roompot” roeien, een allerliefst gelegen uitspanning, waar
+ze zich den geheelen dag amuseeren konden. De kosten van ’t huren der
+schuitjes, van déjeuner en diner zouden bestreden worden uit de
+bijeengebrachte gelden der deelnemers, die vijf gulden per hoofd
+bedroegen, wel zoo’n groote som niet op zichzelf, maar een heel
+kapitaal voor een kostschooljongen. De meesten, misschien allen, hadden
+dat onmogelijk uit hun zakgeld kunnen fourneeren, naar huis geschreven
+en vandaar een extra toelage per postwissel of door tusschenkomst van
+meneer Voornvisser, den directeur der kostschool, gekregen. Zooals we
+zagen had Ernst niet bijgedragen. Hij was echter de eenige niet; nog
+een viertal anderen deelden in zijn lot: éen; omdat zijn vader kort
+geleden gestorven was, een tweede, omdat de zijne boos op hem was dat
+hij niet was bevorderd, en de twee anderen, omdat hun moeder er
+volstrekt tegen was, daar ze vreesde, dat er met zulke wilde jongens,
+die op zoo’n vrijen dag uitgelaten moesten zijn, ondanks de
+tegenwoordigheid der twee secondanten, veel gevaar voor ongelukken
+bestond.
+
+Hoezeer de jongens gaarne hadden, dat allen deelnamen aan zoo’n pretje,
+want ook bij hen gold het spreekwoord: „hoe meer zieltjes, hoe meer
+vreugd,” speet het hun van die vier toch niet. De reden van den eersten
+moesten ze respecteeren; No. 2 was een luiaard, en luiaards konden ze
+niet uitstaan, en No. 3 en 4 werden, hoe onschuldig zij er ook aan
+waren, voor moedersjongetjes gescholden. Dat gaat meer zoo; want in
+zulke gevallen zijn jongens, hoe anders ook op recht gesteld, vrij
+onrechtvaardig. Wat Ernst aangaat, van hem speet het den meesten, zoo
+niet allen, en zelfs had de commissie tot de feestviering, bestaande
+uit drie jongens, van wie Gerrit Zalmvoort als penningmeester
+fungeerde, hem uit naam van allen, die tot de partij behoorden,
+aangeboden, om zonder te betalen mee te gaan, daar men hem er zoo graag
+bij had; maar Ernst had dit met een hoogen blos op de wangen verworpen.
+Hij wist, dat het uit hun goed hart voortkwam en kon er zich dus niet
+door beleedigd achten, en toch was er iets in hem, wat zich zoo sterk
+tegen dat aanbod verzette, als voelde hij er zich door gekrenkt. Hij
+had hun dat echter niet laten merken, alleen gezegd, dat hij, hoe
+getroffen hij over hun aanbod was, er echter geen gebruik van maken,
+maar eenvoudig even als de vier anderen thuisblijven zou; ja, zoover
+wist hij zich zelf te verloochenen, dat hij niet, zooals deze, zich
+pruilend in de school opsloot, maar aan den waterkant stond, om de
+vroolijke makkers te zien afvaren en hun van harte een pleizierigen dag
+te wenschen. Ieder der jongens was dan ook ten volle overtuigd, dat
+Ernst van Hogenberghe een ferme jongen was, en menigeen, waaronder ook
+Rudolf Nederhorst, gevoelde, dat hij zelf daartoe niet in staat zou
+zijn.
+
+Vroolijk zingend voeren de jongens af. In ieder schuitje zaten vier
+roeiers, van wie er twee de riemen hanteerden en twee hun makkers
+aflosten, een stuurman en een passagier, die op den boeg zat en een van
+de kleinere knapen was welke nog te zwak waren om te roeien en geen
+verstand hadden van sturen. In ’t eerste en ’t laatste schuitje was een
+der beide secondanten stuurman. Elk bootje had een vlag op den boeg, en
+’t was een aardig gezicht, die schuitjes met hun vroolijke bemanning in
+een lange rij achter elkander te zien voortstevenen; terwijl het
+prachtige zomerweer niet weinig bijbracht, om het een prettig uitstapje
+te maken.
+
+’t Was een heele tocht, eer men aan de uitspanning „De Borrelende
+Roompot” kwam, welke voor dien dag afgehuurd was, en waar men onze
+jongens met een stevig ontbijt wachtte, waarop ze dan ook, nadat ze hun
+schuitjes aan den wal vastgemaakt en in statigen optocht
+binnengetrokken waren, als hongerige wolven aanvielen. De kastelein had
+er op gerekend, dat er jonge magen zouden komen, die in de frissche
+morgenlucht geroeid hadden, en voor een stevig ontbijt gezorgd, waar
+geen gebrek aan brood, vleesch en kaas was.
+
+Na ’t ontbijt gingen onze jongens in den grooten tuin, waar schommel,
+wip, benevens allerlei gymnastische werktuigen waren, welke ik u zeker
+niet behoef te beschrijven, en waar ze zich vermaakten, totdat het tijd
+was om koffie te drinken, en ieder een glas frissche melk en een
+broodje met vleesch voor zich zag gereed staan. Meer kreeg niemand, om
+zijn maag niet voor het middagmaal te bederven. Volgens het reeds dagen
+te voren vastgestelde plan ging men nu weer in de schuitjes, en roeide
+naar ’t een half uur van daar gelegen dorp Boomoord, waar men aanlegde
+en in optocht zingende het dorp doortrok, ’t geen natuurlijk de
+bewoners aan de deuren en vensters lokte, die recht schik in ’t
+vroolijke troepje hadden, terwijl, om den tocht op te luisteren, de
+stuurman van ieder schuitje de vlag had medegenomen, waarmee hij op de
+maat van ’t gezang zwaaide. Zoo in optocht trok men de uitspanning van
+Boomoord binnen, waar iedere jongen een glas limonade met een
+beschuitje kreeg. Lang zitten konden ze echter niet, en terwijl
+sommigen wat in den tuin speelden, anderen een eind het dorp
+opwandelden, weer anderen een sigaar voor den dag haalden en opstaken,
+(’t geen op school contrabande was, maar nu, evenals op de wandelingen,
+oogluikend werd toegelaten), werd het langzamerhand drie uur, de tot
+vertrekken bepaalde tijd. Allen hadden er voor gezorgd, in den tuin te
+zijn, en nadat Gerrit Zalmvoort den kastelein de vertering betaald had,
+trok men in dezelfde orde van straks weder het dorp door tot aan de
+plaats, waar de schuitjes lagen.
+
+Men kwam nog vroeg genoeg aan „de Borrelende Roompot”; want het diner
+was tegen half vijf besteld, en de tijd die er over was, werd op
+verschillende manieren besteed, want hoe ordelijk alles ook ging, ten
+aanzien van de uitspanningen welke hij koos, was ieder volkomen vrij.
+
+Dat diner was wel niet fijn, maar zooals ’t voor jongens diende te
+wezen, stevig en overvloedig, en een lekker glas schuimend Hollandsch
+bier, waarvan in overvloed gedronken werd, daar de jongens dorst
+gekregen hadden, scheen den eetlust nog te vermeerderen. Toen de
+maaltijd afgeloopen was, hadden ze geen lust meer in gymnastische
+oefeningen en andere spelen die lichaamsinspanning vereischten. Ze
+zetten zich neer in ’t gras, en een der secondanten begon een prachtig
+sprookje te vertellen. Toen dit uit was, wist de andere een
+alleraardigst verhaal, vervolgens vertelde men elkander anecdotes, gaf
+raadsels op en was verwonderd, toen de voorzitter, op zijn horloge
+ziende, zei dat het tijd was om zich tot het vertrek gereed te maken.
+Menigeen keek sip, omdat de pret hem te gauw om was, doch er was niets
+aan te doen: meneer Voornvisser had bepaalde orders gegeven, en
+gelukkig, dat de jongens zelf die opvolgden en er niet door de
+secondanten aan behoefden herinnerd te worden. Daardoor bleven ze
+volkomen vrij en gevoelden volstrekt niet, dat een hoogere macht
+surveillance over hen hield. Wanneer alle knapen en meisjes zoo in alle
+zaken handelden en steeds in alles hun plicht deden en gehoorzaam waren
+aan de bevelen van hen, die over hen gesteld zijn—ze zouden een vrij
+wat pleizieriger en vrijer leven hebben, dan als ze er telkens aan
+herinnerd moeten worden, dat ze onder bedwang staan.
+
+Met het verhalen van al de pret, welke onze jongens gehad hadden,
+zouden we bijna geheel en al onzen Rudolf vergeten hebben. Misschien is
+’t ook maar beter dat ik hem u niet herinnerd heb; want menigeen van u
+denkt wellicht, dat, wie er pleizier had, Rudolf zeker niet, en dat hem
+onophoudelijk zijn vriend Ernst voor de oogen gestaan zal hebben. En
+zoo dan al niet onophoudelijk—’t geen misschien wat veel gevergd is—ten
+minste van tijd tot tijd. Misschien zou ’t u zoo gegaan zijn; doch als
+ge ’t van Rudolf denkt, dan hebt ge u leelijk vergist. Rudolf was wel
+geen ongevoelige jongen; integendeel, hij had veel voor anderen over,
+zooals we reeds gezien hebben. Maar hij was zeer onstandvastig van
+karakter, en, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd, onnadenkend.
+Daarom had hij zich evengoed vermaakt als de anderen en geen oogenblik
+om zijn vriend gedacht, die door omstandigheden geheel onafhankelijk
+van hem, dat genoegen had moeten ontberen.
+
+Wat Ernst van Hogenberghe aangaat, meneer Voornvisser en zijn vrouw
+hadden getracht hem en zijn vier lotgenooten den dag zoo aangenaam
+mogelijk te maken, en hun te doen vergeten, dat ze het genoegen hunner
+makkers moesten missen, en werkelijk waren zij er in geslaagd. Al
+hadden onze vijf knapen niet zooveel pleizier gehad als hun
+kameraden—ze hadden toch in ’t geheel geen vervelenden, onaangenamen
+dag doorgebracht en waren vrij welgemoed, toen de anderen, vervuld van
+de pret die zij gehad hadden, thuis kwamen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DANSPARTIJ.
+
+
+„Ma, zou Rika ons vergeten?” vroeg Helène, „’t Wordt tijd om ons aan te
+kleeden. Anders wordt het wezenlijk te laat.”
+
+„Geen nood Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Rika zal je niet vergeten.
+’t Goeie mensch is druk bezig, om kant in je jurken te naaien. Je moet
+nog wat geduld hebben. ’t Is nog zoo laat niet. Zie maar op mijn
+horloge.”
+
+Mevrouw Nederhorst haalde een prachtig met diamanten omzet horloge uit
+haar ceintuur en liet haar oudste dochter, de bijna zestienjarige
+Helène, zien, dat ze gelijk had.
+
+„’t Is waar, mama,” antwoordde Helène. „Maar ik verlang zoo dat het
+maar tijd was. Hoe kan Leonie daar zoo kalm zitten te lezen, alsof er
+van avond geen danspartij was! Ik begrijp het niet!”
+
+„Dat komt, omdat Leonie, al is ze twee jaren jonger dan jij, veel
+verstandiger is en dat de tijd met al je ongeduld toch niet gauwer
+gaat.”
+
+„Nu, ik kan dan zoo verstandig niet zijn, en ’t zou me ook weinig
+helpen, al probeerde ik het. Lezen, terwijl er zoo’n pret in ’t
+verschiet is! ’t Is verschrikkelijk.”
+
+Inderdaad was het dan ook verschrikkelijk, dat een meisje, niet veel
+ouder dan dertien jaren, dat op een danspartij moest, daar zoo rustig
+kon zitten lezen. Ze zouden dien avond—’t was de avond voor
+Kerstmis—naar hun oom Walburg gaan, wiens oudste dochter Louise van
+daag haar vijftienden verjaardag vierde. ’t Zou een groote partij zijn:
+er waren niet minder dan zeventig jongens en meisjes genoodigd, en het
+trof zoo heerlijk, dat de Kerstvacantie al was begonnen, want nu zou
+haar broer Rudolf er ook gebruik van maken. Rudolf was echter niet zoo
+ongeduldig als zijn zuster Helène, en zelfs na den eten (want men had
+heden middag wat vroeg gedineerd) nog even uitgegaan, om een balboekje
+te koopen. Hij hoopte het er van avond van te nemen en eens ferm te
+dansen; want even goed als hij zich onder de jongens roeren kon, wist
+hij zich ook tegenover meisjes te gedragen. Geen dans zou hij
+overslaan; daar kon men zeker van zijn.
+
+„Zoo meisjes!” zei hij, toen hij beneden kwam. „Nog niet naar boven?
+Als je zoo talmt, dan heb je kans, dat de kapper te vroeg komt en hij
+je zonder je te kappen verlaat; want hij heeft van avond meer te doen
+dan jullie te helpen: hij zal ’t wel heel druk hebben.”
+
+„’t Is mijn schuld niet,” zei Helène knorrig. „Als ’t aan mij stond,
+waren we al boven. Maar Rika teut zoo.”
+
+„Zeg dat niet, Helène,” zei haar moeder. „Er is vrij wat aan je jurk te
+veranderen, en dat heb je zelf gewenscht.”
+
+„Leonie; niet ik,” antwoordde Helène. „Ik ben zoo coquet niet op mijn
+kleeding.”
+
+„Maar je bent toch ook graag netjes, Helène,” zei Leonie, die niet zoo
+attent las, of ze hoorde de opmerking van haar zuster.
+
+„Netjes, ja. Maar om zooveel opschik geef ik niet.”
+
+„En ik zeg, dat de dochters van meneer Nederhorst voor den dag moeten
+komen, zooals ’t aan haar stand past,” zei Leonie trotsch. „Wat zegt u
+er van, ma?”
+
+„Ik zal je eerst de jurken moeten zien aanhebben, voor ik er over
+oordeelen kan,” zei mevrouw Nederhorst. „Waar is je koopje nu, Rudolf?”
+zei ze tot dezen, om ’t gesprek een andere wending te geven. Rudolf
+liet het gekochte balboekje kijken.
+
+„Nu, dat ziet er élegant genoeg uit. Vin’ je niet, Helène?” vroeg ze
+aan deze, die er bij was komen staan.
+
+„Al te élegant voor een jongen,” zei Leonie, die er ook bij kwam. „Geef
+’t mij, dan kun jij ’t mijne krijgen.”
+
+„Ik zou je bedanken,” antwoordde Rudolf. „Tot zoo iets kan ik alle
+dagen komen.”
+
+„Nu, daarin heeft Rudolf gelijk,” zei Helène.
+
+„Juffrouw Helène, zoudt u boven willen komen?” vroeg de kamenier,
+terwijl ze om den hoek der deur keek.
+
+„Dadelijk,” antwoordde Helène. „Ik dacht, dat je ons vergat, Rika.”
+
+„’t Was zoo’n werk, om dat nieuwe garneersel op uw japonnen te maken,”
+antwoordde de kamenier. „Komt u ook gauw boven, juffrouw Leonie?”
+
+„Ja, Rika,” antwoordde Leonie. „Ik kom dadelijk, dan kan ik meteen
+zien, of je de jurken naar mijn zin gegarneerd hebt.”
+
+„En ik ga ook naar mijn kamer,” zei Rudolf. „Als de kapper komt, stuur
+hem maar ’t eerst bij mij, ma, dan hoeft hij niet op de dames te
+wachten.”
+
+Terwijl onze drie jongelieden achtereenvolgens de kamer verlaten,
+willen we u even bij mevrouw Nederhorst inleiden.
+
+Zooals ge haar daar op de sofa ziet zitten, vindt ge haar zeker een
+schoone vrouw, en dat is ze ook, maar tevens oordeelt ge, dat ze er
+zwak en lijdend uitziet. Ook daarin hebt ge niet misgetast; want ze is
+werkelijk zwak en lijdend. Dat was ze vroeger niet; doch toen ze nu
+drie jaren geleden in éen week aan ’t roodvonk twee kinderen, een
+jongetje van zeven en een meisje van acht jaren verloor, was haar
+zenuwgestel zoo geschokt, dat men voor haar leven vreesde. Alles werd
+aangewend om haar te behouden, consulten met professoren en een
+badreis. Mocht dus de wetenschap er zich op beroemen, haar in ’t leven
+te hebben behouden, haar een volkomen herstelling te geven was niet
+mogelijk geweest: haar gezondheid was geknakt en ze voelde ’t zelf, dat
+haar krachten langzamerhand verminderden. Ze verborg dit echter zooveel
+ze kon voor haar man en haar kinderen, overspande zich meermalen om
+niet te laten merken hoe alles haar vermoeide, en veinsde dikwerf lust
+in dingen die haar te vermoeiend waren. Zoodra nu allen het vertrek
+verlaten hadden, strekte ze zich gemakkelijk op de sofa uit en men kon
+’t haar aanzien, hoe mat ze zich voelde.
+
+Intusschen was Leonie haar zuster spoedig naar boven gevolgd. Terwijl
+Helène zich waschte, bekeek de jongere zuster de japonnen, die haar
+volle goedkeuring schenen weg te dragen en dan ook inderdaad met veel
+smaak door de kamenier waren opgemaakt.
+
+„U mag u wel gaan wasschen, juffrouw Leonie,” zei Rika. „Anders is uw
+ondertoilet niet in orde, wanneer de kapper komt, en hij met uw zuster
+klaar is.”
+
+„Dan moet hij maar wachten; dat is ’t eenige wat er opzit,” zei Leonie
+trotsch. „Hij wordt er immers voor betaald, en ’t is beter dat hij op
+mij wacht, dan dat ik ’t op hem doe.”
+
+„Maar je weet, dat hij het druk heeft, Leonie,” zei Helène, „en dan zou
+hij immers anderen laten wachten. Wat de japonnen aangaat, die zul je
+nog gelegenheid genoeg hebben, om te bekijken.”
+
+„Nu, cathecheseer-juffrouw,” hernam Leonie. „Ik zal me dadelijk gaan
+wasschen.”
+
+Inderdaad deed ze wat ze zei, en juist was ze er mee gereed en zou Rika
+aan haar ondertoilet beginnen, toen de kapper aan de deur tikte en op
+het „Binnen!” van Helène de kamer intrad.
+
+Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waarnaar hij
+zijn kapsel moest inrichten, begon hij zijn kunst aan haar lokken uit
+te oefenen, en, gelukkig voor hem, behoefde hij niet te wachten, want
+juist toen Helène’s kapsel klaar was, was ook Leonie gereed.
+
+Beide meisjes zagen er inderdaad uit om te stelen in haar élegant
+toilet, en met welgevallen beschouwde mevrouw Nederhorst haar beide
+dochters, en wist bij zich zelf niet te bepalen, wie van beide de
+schoonste was: Helène met haar tenger en fijn figuurtje en haar
+vriendelijk gezicht, of Leonie, die, voor haar leeftijd meer
+ontwikkeld, ’t in ronding van vormen van haar zuster won en wier
+trotsche trekken en levendige oogen haar zoo verleidelijk goed stonden.
+
+„Is Rudolf nog niet beneden, ma?” vroeg zij. „Nu, die heeft ook lang
+werk aan zijn toilet.”
+
+„Hij zal hebben moeten wachten tot meneer Courtier hem onder handen kon
+nemen, Leonie,” zei mevrouw Nederhorst.
+
+„O, neen, ma, die kwam juist van hem vandaan, toen hij ons kwam
+kappen,” zei Helène. „Maar daar komt hij zingend de trap af.”
+
+Inderdaad ging een oogenblik later de kamer open en daar trad Rudolf
+binnen, geheel in gala gekleed. Hij zag er keurig uit en mevrouw
+Nederhorst kon niet nalaten, een blik van welgevallen op haar oudsten
+zoon te slaan, zooals hij daar stond in zijn nieuw pak, met zijn helder
+linnen, zijn keurige witte glacé handschoenen, ’t gefriseerde haar, en
+de vroolijke oogen, die van genoegen schitterden. Inderdaad zag hij er
+alleraardigst uit en mevrouw mocht met recht wel eenigszins grootsch op
+haar zoon zijn.
+
+„Is ’t rijtuig nog niet voor, ma?” vroeg hij. „’t Wordt zoo laat.”
+
+„Mij dunkt, dat je reden hebt, om blij te zijn, dat het er nog niet
+is,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „anders kwam je zeker te laat.”
+
+„O, o! Dan had het maar wat op mij moeten wachten,” zei Rudolf. „Maar
+ik hoop, dat het gauw komt. Louise heeft gevraagd, of we wat vroeger
+komen. U weet, ma, ik zal een van de ceremoniemeesters zijn, om de
+dames te ontvangen.”
+
+„O, heb je daarom dien strik op je borst,” zei Leonie. „Ik dacht eerst,
+dat je ridder geworden was of voor een paard van den koning wou
+spelen.”
+
+„Die hebben in alle gevallen de strikken aan hun kop,” zei Rudolf.
+
+„De ridders of de paarden van den koning?” vroeg Leonie.
+
+„Daar is ’t rijtuig!” riep Helène uit, die vol ongeduld aan een der
+ramen stond.
+
+Mama werd nu goeden dag gekust; door Rika geholpen, stapten ze in de
+vigilante en reden met een vroolijk hart naar ’t huis van oom Walburg,
+voor wiens deur ze weldra stilhielden.
+
+’t Was een prachtige, rijk verlichte zaal, waarin de danspartij zou
+plaats hebben.
+
+Toen Rudolf met zijn beide zusters kwam, was er echter niemand in de
+zaal dan meneer en mevrouw Walburg en hun drie kinderen, van welke
+Louise vrij wat in leeftijd verschilde met haar twee zusjes, waarvan de
+oudste eerst acht jaren oud was. Natuurlijk werd eerst Louise geluk
+gewenscht en met een cadeautje verrast; daarna maakte men zijn
+compliment voor oom en tante.
+
+„’t Speet me, dat ma er tegen had, om Dora en Alfred mee te sturen,”
+zei mevrouw Walburg tegen Helène.
+
+„Ma vond ze nog te klein, om naar zulk een groote partij te gaan,
+tante,” antwoordde Helène. „Alfred is nog maar acht en Dora zeven jaar.
+Ze zouden u maar tot last zijn, en daarenboven misschien onder den voet
+raken.”
+
+„En dan Anne en Emmy?” vroeg mevrouw Walburg. „Anne is ook pas acht
+jaren en Emmy nog maar zes.”
+
+„O, tante, dat maakt een groot verschil,” antwoordde Helène. „Die zijn
+hier thuis en zullen wel, als het wat vol wordt, bij u blijven zitten.
+Daarenboven, als ze slaap krijgen, kunnen ze naar bed gebracht worden;
+terwijl Dora en Alfred zouden moeten wachten, tot ze, al was ’t dan ook
+vroeger dan wij, werden gehaald.”
+
+„’t Is waar,” hernam mevrouw Walburg. „Je ma heeft groot gelijk, en ik
+zou in haar geval evenzoo gehandeld hebben. Maar dat ze zelf niet
+meegekomen is, heeft me zeer teleurgesteld. Vroeger hield ze er wel
+van, zulke partijen te zien.”
+
+„Ma zei, dat ze te zwak was, om zich in zulk een gewoel te wagen,”
+antwoordde Helène. „Ze vond het voor haar verstandiger om maar stil
+thuis te blijven.”
+
+„Wel, Rudolf,” zei oom Walburg tegen zijn neef, „je ziet er kranig
+genoeg uit. Al de meisjes zullen zin in je krijgen en met je willen
+dansen.”
+
+„’t Is niet te hopen, oom!” antwoordde Rudolf. „Als dat het geval was,
+dan mocht ik wel tien lichamen hebben meegebracht, om met elk van haar
+een dans te kunnen doen. Maar zoo’n vaart zal ’t niet loopen, denk ik.”
+
+„Nu, dat is maar goed ook,” hernam meneer Walburg. „Want anders vrees
+ik, dat je hier niet heelhuids van daan zou komen, daar men je stuk zou
+trekken. Je bent gisteren met vacantie thuisgekomen, niet waar?”
+
+„Ja, oom! Gisteren na den middag.”
+
+„En gaat het altijd nog goed op school?”
+
+„O, ja, oom, heel goed. Ik kan met de meesters goed overweg, en met de
+jongens ook.”
+
+„Dat doet me pleizier,” antwoordde meneer Walburg. „Je papa krijgt dan
+ook telkens van meneer Voornvisser de gunstigste getuigenissen. Ga zoo
+maar voort, Rudolf, en je zult er plezier van hebben. Een mensch die
+wat weet, kan vooruitkomen in de wereld—een botterik en een weetniet
+wordt door iedereen geschuwd.”
+
+„O, wat zijn je jurken allerliefst gegarneerd!” zei Louise tot haar
+nichtjes. „Dat heeft Rika zeker gedaan.”
+
+„Natuurlijk,” antwoordde Leonie. „Maar ik heb haar eerst de les moeten
+lezen. ’t Is of die soort van menschen uit zichzelf geen smaak hebben.
+Je had eens moeten zien, hoe stijf ze ’t eerst gedaan had. Gelukkig dat
+ik nog juist bij tijds boven kwam om ze eens te zien, anders hadden we
+er uitgezien als een paar vrouwen uit een hofje.”
+
+„Dat zou zoo’n vaart niet geloopen hebben,” meende Louise.
+
+„Maar nu zie je er allebei uit om te stelen; dat moet ik zeggen.”
+
+„Maak Leonie maar niet hoogmoediger dan ze al is,” zei Helène lachend.
+„Wat mij aangaat, ik ben dankbaar dat ik zoo’n ingénieus zusje heb,
+maar ik pas er wel op, haar in haar gezicht te prijzen; want dan zou ze
+nog trotscher worden dan ze al is.”
+
+Ze werden in haar gesprek gestoord door ’t binnentreden van een tweeden
+ceremoniemeester met zijn zuster, die Louise aansprak en haar
+gelukwenschte met haar verjaardag. Rudolf en zijn ambtgenoot begaven
+zich nu naar ’t voorhuis, om hun plichten als ceremoniemeester jegens
+de dames te vervullen, en weldra werd hun getal nog met twee
+vermeerderd. Ze hadden ’t alle vier braaf druk met de dames te
+ontvangen, binnen te leiden en aan de gastvrouw voor te stellen, en ik
+moet zeggen, dat ze den hun opgedragen post eer aan deden.
+
+Langzamerhand vulde zich de zaal met keurig gekleede dametjes en
+jongeheeren, en ’t was een aardig gezicht, die bonte menigte door
+elkander te zien woelen. Nadat de thee gepresenteerd was, verscheen de
+dansmeester met zijn muzikanten, en nu repten de jonge voetjes zich tot
+den dans. Toen de pauze begon, verzocht de dansmeester, dat de jongelui
+zich twee aan twee zouden opstellen en maakte men een marsch door de
+zaal. Niemand begreep, wat dat eigenlijk te beduiden had, tot eensklaps
+de vleugeldeuren geopend werden en een zee van licht onzen jeugdigen
+gasten uit de aangrenzende zaal tegenstroomde. Daar toch stond een
+kolossale kerstboom, die tot aan de tamelijk hooge zoldering reikte,
+met ontelbare lichtjes versierd en met tal van cadeaux behangen was.
+Onder toezicht nu van Rudolf en een anderen ceremoniemeester werd er
+een tombola gehouden, terwijl de beide andere ceremoniemeesters, met
+haken gewapend, de getrokken prijzen uit den rijk voorzienen boom
+haalden. Er was natuurlijk veel plezier wanneer een jongen een
+werkmandje, of een meisje een sabel of een geweer trok. Door minnelijke
+wisseling echter kwamen al de getrokken prijzen in de rechte handen en
+keerden allen hoogst tevreden en vergenoegd naar de groote zaal terug,
+waar weldra het dansen op nieuw begon, en de massa limonade en ijs,
+welke er gebruikt werd, wel aantoonde, dat de jonge kelen droog van het
+dansen en het stof werden.
+
+Toen onze jongelui thuiskwamen, alle drie met kleuren als rozen,
+gezichten gloeiend van de warmte en oogen flikkerend van de pret,
+vonden ze hun ouders nog op. Mevrouw Nederhorst had niet naar bed
+willen gaan, eer de kinderen thuis waren, hoe dikwijls haar man haar
+daartoe ook aangezet had.
+
+„Plezier gehad?” vroeg ze, toen de drie jongelui binnenkwamen.
+
+„O, ma! Dol veel!” riep Helène uit. „Ik heb geen enkelen dans
+overgeslagen. En we hebben een tombola gehad en nog een cadeautje op
+den koop toe gekregen. ’t Is maar jammer, dat zoo’n avond zoo gauw om
+is!”
+
+„Ja, kindlief! Er is een eind aan alle dingen, ook aan de pret. En
+daaraan schijnt gauwer een eind te komen dan aan ’t verdriet; want als
+we plezier hebben, dan vliegen de uren om. En jij, Leonie?”
+
+„O, zeker, ma,” antwoordde Leonie. „Wie zou zich niet amuseeren op een
+danspartij?”
+
+„En heeft Rudolf zijn rol van ceremoniemeester goed vervuld?” vroeg
+meneer.
+
+„Nu, dat zou ik zeggen!” antwoordde Helène. „Hij heeft de honneurs goed
+waargenomen. ’t Is hem wél toevertrouwd.”
+
+„Maar ’t is hoog tijd, om naar bed te gaan,” zei haar vader. „Kom,
+kinderen! zeg nu ma en mij goeden nacht en zoek dan de slaapkoets op!
+Ma moest eigenlijk al lang te bed liggen. Het deugt voor haar in ’t
+geheel niet, om zoolang op te blijven.”
+
+„En waarom is u niet naar bed gegaan, ma?” vroeg Helène.
+
+„Omdat ik je zoo graag van een partij zie thuiskomen. En nu, goeden
+nacht!”
+
+„Nacht, ma!” zei Helène. „O, dat zulke dagen zoo zelden voorkomen! Ik
+zou wel driemaal in de week zulk een partij willen bijwonen.”
+
+Nadat ze pa en ma goeden nacht gezegd hadden, gingen de drie
+jongelieden de kamer uit om naar bed te gaan, en schelde mevrouw
+Nederhorst haar kamenier.
+
+„Wat een verschil tusschen die twee meisjes!” zei meneer Nederhorst tot
+zijn vrouw. „Helène alles maar voor de pret; terwijl Leonie in stilte
+geniet.”
+
+„Je oordeelt oppervlakkig, Leo,” antwoordde zijn vrouw. „Leonie is
+misschien even dol op plezier als Helène, maar ze weet zich te
+bedwingen en uit zich niet, terwijl de andere veel levendiger en minder
+gesloten is. Heusch, het karakter van Helène, hoe oppervlakkig ’t ook
+schijnt, is dieper en inniger dan dat van Leonie. ’t Komt er door, dat
+de een fijner voelt dan de ander.”
+
+„’t Is best mogelijk, Marie,” antwoordde meneer Nederhorst. „Maar daar
+is Rika. Kom, nu gauw naar bed! Het is niet goed voor je, om zoo laat
+op te blijven. Dokter Manders heeft het je volstrekt verboden.”
+
+„Ik zal den verloren tijd trachten in te halen,” zei mevrouw
+Nederhorst, „en me vlug uitkleeden. Tot straks, Leo!”
+
+Ons drietal was spoedig in bed. Leonie en Rudolf sliepen weldra in.
+Maar Helène kon den slaap niet vatten. ’t Was of haar onophoudelijk de
+dansmuziek in de ooren klonk en of ’t licht der balzaal nog in haar
+oogen schitterde. Onrustig draaide zij zich van de eene zij op de
+andere en poogde een andere wending aan haar gedachten te geven. Doch
+te vergeefs: de vroolijke polka’s en mazurka’s kwamen telkens weer
+boven en dreven den slaap uit haar oogen. Eindelijk, ’t zal zoowat vier
+uur in den morgen geweest zijn, sluimerde ze in; doch ze genoot geen
+gerusten slaap: want ze werd door de bontste en grilligste droomen
+gekweld, die haar erg vermoeiden. Toen men haar ’s morgens kwam roepen,
+had ze lust om nog wat te blijven liggen; want ze had geduchte
+hoofdpijn. Ze hoopte echter dat, wanneer ze opstond en in beweging was,
+die hoofdpijn wel beter zou worden, stapte het bed uit en kleedde zich
+aan.
+
+„Kindlief!” zei haar vader, toen hij merkte hoe bleek en betrokken zij
+er uitzag, „hoeveel je ook van uitgaan mag houden, je schijnt er niet
+best tegen te kunnen.”
+
+„Ik kon in den voornacht niet in slaap komen, pa,” zei ze. „En toen ik
+eindelijk in slaap viel, heb ik zoo zwaar gedroomd, dat ik met
+hoofdpijn ben opgestaan.”
+
+„Gelukkig, dat het Kerstdag is en er geen lessen zijn,” zei mevrouw
+Nederhorst. „’t Zou er anders slecht mee staan, Helène.”
+
+„Dat denk ik ook, ma,” antwoordde Helène. „Neen, dank u; ik zal niets
+gebruiken; ik heb geen trek in eten.”
+
+„Ik zal zeggen dat Rika je bed weer opmaakt,” zei mevrouw Nederhorst.
+„’t Best is, dat je dadelijk maar weer gaat liggen; misschien lukt het
+je te slapen, en dan zal de hoofdpijn waarschijnlijk wel overgaan.”
+
+Helène deed, wat haar moeder zei. ’t Was wel geen prettig besluit van
+de heerlijke danspartij; maar wat zou zij er aan doen? Weldra was ze in
+een gerusten slaap en ’t was al half twee, toen ze geheel verkwikt en
+zonder hoofdpijn ontwaakte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+LOTWISSELING.
+
+
+De kerstvacantie was voorbij en Rudolf reeds sedert eenige dagen naar
+de kostschool teruggekeerd. In ’t huisgezin van de familie Nederhorst
+was alles weer op den ouden voet; ’t scheen echter, dat meneer zelf
+niet erg op zijn gemak was. Wat hem deerde, kon niemand te weten komen;
+zelfs zijn vrouw niet. Ofschoon hij nooit heel veel sprak, was hij nu
+toch bijzonder stil en ingetrokken, at bijna niet en zag er somber en
+verdrietig uit.
+
+„Wat scheelt pa toch?” vroeg Helène op zekeren Zondag aan haar moeder.
+„Hij spreekt geen woord, en als je hem iets vraagt, geeft hij zulk een
+onvriendelijk antwoord, dat je ’t best doet om ook maar te zwijgen.”
+
+„Ik weet het niet, Helène,” antwoordde haar mama. „Ik heb pa al
+gevraagd, of hij zich soms onlekker voelde en dokter Manders al over
+hem willen raadplegen. Maar hij heeft mij geantwoord, dat ik dit wel
+laten kon en dat geen dokter hem kan genezen.”
+
+„Wat zou die arme pa dan hebben?” vroeg Helène op medelijdende toon.
+
+„Ik denk, dat hij onaangename dingen aan ’t hoofd heeft, die hij me
+niet zeggen wil, omdat ze me hinderen zouden,” hernam mevrouw
+Nederhorst. „Kooplieden hebben dikwijls bij ’t begin en ’t einde van ’t
+jaar allerlei beslommeringen, waarvan wij toch geen verstand hebben, en
+daarom zullen wij er ons hoofd maar bij neerleggen.”
+
+Helène zweeg en hield zich, als hadden de woorden harer moeder haar
+gerustgesteld; maar noch zij, noch mevrouw Nederhorst waren ’t
+inderdaad. Leonie bekommerde er zich weinig om—trouwens ze was twee
+jaren jonger dan haar zuster, en op dien leeftijd, waarop men zich
+zulke zaken nog weinig aantrekt.
+
+Een paar dagen later kwamen Helène en Leonie van school en vonden mama
+in tranen op de sofa liggen. Beiden liepen terstond naar haar toe, en
+vroegen, wat haar scheelde.
+
+„O, Helène, o, Leonie! Hoe zal ik het je meedeelen!” riep mevrouw
+Nederhorst, terwijl ze de handen wrong. „O, als ik maar bedaarder was!
+Maar mijn zenuwgestel is zoo geschokt!”
+
+„Heeft u den dokter niet laten roepen, ma?” vroeg Helène.
+
+„De dokter kan mij niet helpen, kindlief,” zei mevrouw Nederhorst, die
+’t goed scheen te doen, dat ze haar beide kinderen bij zich had. „Je
+arme vader! Je arme vader!”
+
+„Is pa wat overkomen?” vroeg Helène angstig.
+
+„Bijna ’t ergste wat hem treffen kon,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
+„O, kinderen! hoe zal ik ’t je zeggen! Papa heeft zijn geheele vermogen
+verloren!”
+
+„Dus zijn we arm, ma?” vroeg Leonie.
+
+„Doodarm misschien,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
+
+„Doodarm?” herhaalde Helène.
+
+„Ja, kind, doodarm. Ons mooie huis, onze fraaie meubelen, kortom—alles
+zal moeten verkocht worden, om de schulden te voldoen. Want pa wil tot
+den laatsten cent betalen.”
+
+„Maar dat is vreeselijk, ma!” zei Leonie.
+
+„Ja, wel vreeselijk, Leonie,” herhaalde mevrouw Nederhorst.
+
+„Nu, ma! Als we elkander maar blijven liefhebben, zal de armoe zoo erg
+niet zijn,” zei Helène.
+
+„Je weet niet wat armoe is, kind,” hernam mevrouw Nederhorst. „Je bent
+het altijd zoo onbekrompen gewoon, dat het je dubbel hard zal vallen,
+wanneer je zult moeten missen, wat je als natuurlijke zaken beschouwt,
+dingen zult moeten ontberen, welke je nooit gemeend hadt, dat ontbeerd
+konden worden.”
+
+Helène en Leonie stonden versteld. Dat zoo iets zou kunnen gebeuren,
+hadden ze nooit gedacht.
+
+„Ga je goed af doen en kom dan hier,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar
+tegen niemand een woord er over, hoor! ze zullen ’t spoedig genoeg
+hooren, doch niet van jullie. Ook niet aan Alfred en Dora; die hebben
+er nog geen begrip van.”
+
+De beide meisjes begaven zich naar boven, om zich van haar goed te
+ontdoen.
+
+„O, Leonie! Wat ben ik geschrikt van ma,” zei Helène. „Ik heb haar
+nooit zoo vreeselijk zenuwachtig gezien.”
+
+„’t Is dan ook een tijding, die ze ons medegedeeld heeft,” antwoordde
+Leonie. „Hoe is ’t mogelijk! Als ma ’t ons zelf niet verteld had, zou
+ik ’t niet gelooven.”
+
+Leonie bleef nog wat boven, doch Helène keerde spoedig naar de
+huiskamer terug. Ze vond haar moeder veel bedaarder dan straks. Het
+denkbeeld om de tijding aan haar kinderen mee te deelen had haar
+geschokt. En toch wilde ze niet, dat ze die ’t eerst van vreemden
+zouden hooren.
+
+„Ma,” zei ze, terwijl ze voor de sofa knielde en de hand harer moeder
+greep, „u moet niet zoo bedroefd zijn. Dat doet u kwaad.”
+
+„Ik zal trachten bedaarder te zijn, Helène,” antwoordde haar moeder.
+„En ik ben veel kalmer dan straks. ’t Heeft me goed gedaan, dat ik het
+je meegedeeld heb. Ik zag er zoo tegen op.”
+
+„En hoe is pa er onder?”
+
+„Bijna wanhopig. Dit was dus de reden van zijn somberheid in de laatste
+dagen. Ik vreesde wel, dat er wat boven ons hoofd hing.”
+
+„U moet u maar bedaard houden, ma. Misschien loopen de zaken nog beter
+uit dan we denken.”
+
+„Ik mag ’t hopen; doch na de mededeelingen, die je vader me deed,
+geloof ik, dat het ergste te wachten staat. ’t Zal je afvallen, Helène.
+Daar zal nu wel van geen partijen meer inkomen.”
+
+„Wel, ma! als ’t anders niet is, zal ik er mij in trachten te
+schikken.”
+
+Op dit oogenblik trad haar vader binnen. Helène zag om. Ze schrikte van
+zijn gelaat, zoo somber stond het.
+
+„Ga heen en laat Leonie ook boven blijven,” fluisterde mevrouw
+Nederhorst. „Pa wil me zeker spreken.”
+
+Helène begaf zich naar haar kamer en waarschuwde Leonie, met wie ze
+over de aanstaande verandering sprak.
+
+’t Waren recht treurige dagen in ’t huis van meneer Nederhorst, welke
+nu volgden. Mevrouws gezondheid leed er sterk onder. Wat haar vooral
+aandeed, was dat haar oude vrienden en kennissen, die anders er zoo op
+uit waren om visites te maken, haar nu geheel en al schenen te
+vergeten. Gelukkig, dat ze haar broer Walburg had, die haar trouw
+bezocht en haar man in alles broederlijk bijstond, om van de schipbreuk
+van zijn fortuin nog te redden wat hij kon. Ook haar schoonzuster,
+mevrouw Walburg, was haar tot veel troost en opbeuring.
+
+Er werd bepaald, dat de familie Nederhorst Amsterdam zou verlaten,
+omdat noch meneer noch mevrouw in de stad wenschte te blijven, waar ze
+zich zoozeer verminderen moesten en reeds nu met den nek werden
+aangezien; verder, dat Rudolf nog een jaar op de kostschool bij meneer
+Voornvisser zou blijven, om zijn studiën te voltooien en dat oom
+Walburg Leonie bij zich in huis zou nemen, waar ze een welkom
+gezelschap voor zijn dochter Louise zou zijn en tevens haar opvoeding
+zou kunnen voltooien.
+
+Ofschoon meneer Nederhorst elke geldelijke hulp van zijn zwager zou
+hebben afgeslagen, vond hij er niets in, dit voorstel aan te nemen en
+ook mevrouw stemde er gereedelijk in toe ter wille van Leonie, wier
+opvoeding nog voltooiing behoefde, ofschoon ’t haar wel leed
+veroorzaakte, dat de toestand der beide zusters zoozeer zou verschillen
+en de een in ontbering, de andere in weelde zou worden grootgebracht.
+Wat Helène aangaat, zij koesterde geen jaloezie ten aanzien van haar
+zuster, ja, oprecht gesproken was zij blij: dat zij de uitverkorene
+niet was. Niet, dat zij zich niet beter in den toestand van Leonie had
+kunnen voegen dan in dien, welken ze nu te gemoet ging—maar ze gevoelde
+’t zoo, dat ze beter steun was voor haar moeder, dan de jongere Leonie;
+ze wist het, dat haar moeder zou moeten lijden en verduren en ze
+begreep ten volle, dat dat lijden nog smartelijker zou zijn, wanneer
+zij, de oudste dochter, haar verliet; kortom ze was ’t zich zelf
+bewust, dat ze haar moeder tot troost en opbeuring zou strekken.
+Mevrouw Nederhorst had wel terecht tegen haar man gezegd, dat Helène
+dieper en inniger gevoelde dan Leonie; ze zou toonen, dat hoe gaarne ze
+ook partijen bezocht, ze nog wat anders kon doen dan voor haar plezier
+leven.
+
+’t Was een treurige taak, welke mevrouw Nederhorst op de schouders
+gelegd was en die ze haar man beloofd had, te vervullen: den
+dienstboden aan te kondigen, dat ze over zes weken konden vertrekken.
+Wie echter tegen Februari een dienst kon krijgen, had volkomen verlof
+om eerder te gaan. Ze liet ze alle bij zich in de kamer komen en deelde
+hun de droevige maar wel verwachte tijding mede. Allen verlieten de
+kamer, onder betuiging van leedwezen; slechts een had geen woord
+gesproken, de oude Trui, de keukenmeid, die reeds van mevrouws trouwen
+bij haar gewoond had. Toen echter de anderen de kamer verlieten, was ze
+gebleven, deed de deur achter haar kameraads toe en ging voor mevrouw
+staan.
+
+„Mevrouw!” zei ze, „U zult toch zeker wel één dienstboo houden.”
+
+„Dat zal wel dienen, Trui,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik zelf kan
+slecht den pot koken en den boel aan kant houden, en mijn dochter
+evenmin. Maar waarom vraag je dat zoo, Trui?”
+
+„Wel, lieve mevrouw,” antwoordde Trui, „’t wordt met de rep zeventien
+jaren, dat ik uw brood heb gegeten. Al uw kinderen heb ik zien geboren
+worden en ik heb het hier altijd goed gehad ook. Niemand uwer
+dienstboden kan ’t hart voor u hebben, dat ik heb, en nu zou ik u op
+mijn ouden dag moeten verlaten en u misschien door een meid worden
+bediend, die u niet liefheeft zooals ik. Hoor eens, mevrouw! Dat u de
+anderen weg doet, is natuurlijk. Maar als u mij weg deedt, dan zou u er
+spijt van hebben, dat zou u. En daarom, ik bid het u, laat mij bij u
+blijven.”
+
+„Maar, beste Trui,” zei mevrouw Nederhorst, „dat zal je nooit bevallen.
+Zeventien jaren heb je hier in overvloed geleefd; je hebt nooit iets
+behoeven te ontzien, en nu zul je een burgerpot moeten koken en ’t
+zuinig moeten aanleggen.”
+
+„Ik begrijp u, mevrouw,” antwoordde Trui. „U wilt zeggen: een meid, die
+’t altijd zoo royaal gewend is, zal niet zuinig kunnen zijn. En mevrouw
+zou gelijk hebben, als Trui ’t niet deed, omdat ze haar niet verlaten
+kan. U zult eens zien, hoe zuinig ik zal huishouden. Dus mag ik
+blijven, niet waar mevrouw?”
+
+„Ik weet het niet, beste Trui, of we een meid zullen kunnen
+bekostigen,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
+
+„Wat bekostigen?” zei Trui op dien toon, welken oude dienstboden zoo
+gemakkelijk aannemen, als hun meesters of meesteressen iets doen, wat
+in hun oog onrechtvaardig is. „Dat moet dan maar bekostigd worden. Wat
+drommel! U kan toch met uw teere handjes geen vaten wasschen, kamers
+stoffen en trappen schuren. Wat weet u van pot koken? Daar zou wat van
+terecht komen! Aangebrand en niet gaar zou schering en inslag zijn! En
+dan met uw zwakke gestel bij de hitte van zoo’n kookkachel! Als u dat
+doet, dan moest u maar tegelijk uw doodkist ook bestellen.”
+
+Mevrouw Nederhorst moest ondanks haar droefheid om de ruwe maar
+overtuigende manier lachen, waarop Trui sprak.
+
+„Je hebt gelijk, Trui,” antwoordde ze. „Ik weet echter niet of onze
+middelen ons zullen toelaten een volle meid te houden, dan of we ons
+met een dagmeisje zullen moeten behelpen.”
+
+„Met zoo’n tulle muts!” riep Trui verontwaardigd uit. „Dat ’s ook al
+geen voordeel, mevrouw. Die eten voor twee volle en doen ’t werk nog
+voor geen halve. Dan is uw verdriet niet te overzien; want zulke tulle
+mutsen hebben altijd nog een stuk vrijer en blijven twee uren weg voor
+een boodschap van een kwartier. Dan is uw verdriet niet te overzien! En
+werken kunnen ze niet; alles wordt schroeibroei gedaan, en u moest eens
+in de hoeken kijken. Daarom, mevrouw, ik blijf er bij: houd mij. Ik ken
+u sedert meer dan zestien jaren en weet beter dan iemand wat u noodig
+heeft. Ik zal u zooveel niet kosten, beste mevrouw! Niets dan kost en
+inwoning, en die moet u een andere dienstmeid toch ook geven. Daarbij
+moet die nog huur hebben.”
+
+„Dat laatste zul je toch ook moeten hebben, Trui, en zeker....”
+
+„Maar hoe heb ik het nu? Dacht mevrouw, dat ik zooveel woorden vuil
+maakte, om mijn loon te behouden! Dan kent mevrouw Trui al heel slecht.
+Zestien jaren heb ik u gediend en verscheidene malen is mijn loon door
+u verhoogd. Daarbij was u of meneer niet sikkeneurig en hebt u me nog
+al eens een buitenkansje bezorgd. In ’t eerst heb ik me nog al van
+ondergoed voorzien, en toen ik goed onderlegd was, heb ik mijn duitjes
+in de spaarbank gezet, en dat bedraagt al een heel sommetje. Wanneer u
+me dus maar kost en inwoning geeft, dan kan ik met de renten best
+toekomen.”
+
+„Maar, beste Trui! op die conditie kan ik immers geen meid aannemen.
+Meneer zou daar niet in toestemmen.”
+
+„Niet in toestemmen!” riep Trui uit. „Dat zal hij wel doen, als hij van
+zijn vrouw houdt. Want, mevrouw, of u ’t weten wilt of niet, u steekt
+in geen best vel, en dit geval heeft u geen goed gedaan. Ik hoop, dat u
+nog lang zal leven; maar ’t kon toch gebeuren, dat onze lieve Heer u
+opriep, en wie zou er dan voor uw arme kinderen zorgen? Wie houdt
+zooveel van hen, als Trui, die ze heeft zien geboren worden, ze op haar
+schoot gewiegd, op haar arm gedragen heeft? Zeker niet zoo’n
+nieuwbakken madam, die te veel voor haar eigen toilet te zorgen heeft.”
+
+„Genoeg, Trui,” hernam mevrouw Nederhorst, die door ’t laatste argument
+geheel en al overwonnen was. „Op welke voorwaarden dan ook—je blijft,
+en geloof, dat ik in jou voortaan meer een vriendin dan een
+ondergeschikte zal zien.”
+
+„Dat doet de deur toe!” zei Trui gevat. „Een vriendin betaalt men geen
+loon, wel een dienstbode!”
+
+Door tranen heen, die van haar aandoening uit de oogen gesprongen
+waren, moest mevrouw Nederhorst toch om deze bijdehandte aanmerking van
+de goede vrouw lachen. Ze reikte Trui de hand, welke deze hartelijk
+kuste.
+
+Nauwelijks had de goede oude meid het gedaan, of Helène, die op haar
+moeders verzoek binnen gebleven was, opdat deze niet zoo geheel alleen
+tegenover haar bedienden zou staan, en natuurlijk geen enkel woord
+gesproken had, ging naar Trui toe, greep haar beide ruwe, vereelte
+handen en zei:
+
+„Hoor eens, Trui. Ik zal je helpen, zooveel ik kan.”
+
+„Maar, jonge juffrouw, u!” riep Trui uit.
+
+„Waarom niet. Daar zijn zooveel dingen, die ik je uit de hand kan
+nemen: kamers stoffen, bedden maken, ’t aan- en uitkleeden der
+kinderen. Als ik dat van je afneem, dan overwerk je je niet. Want wat
+zou ’t zijn, als je eens te veel op je horens nam en ziek werdt. Je
+bent ook geen vijf-en-twintig jaar meer. En denk niet, dat het mij een
+opoffering zal zijn; ik zal het met plezier doen, hoor!”
+
+„Wie zou ’t nu nog een opoffering noemen, om te blijven!” riep Trui
+uit, „als zoo’n lieve jonge juffrouw presenteert om te helpen. Och,
+mevrouw, ’t is wel ongelukkig als men zijn geld en goed moet verliezen.
+Maar als men zoo’n dochter heeft, dan wordt er veel vergoed.”
+
+Trui verliet opgeruimd de kamer.
+
+„Kom eens hier, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst.
+
+Helène knielde bij de sofa neer. Haar moeder sloeg den arm om haar hals
+en zag haar vriendelijk aan.
+
+„Meen je, wat je daar zei, lieve?” vroeg zij.
+
+„Zeker, ma,” antwoordde Helène. „Al ben ik nog jong—ik begrijp zeer
+goed, hoe onze toestand voortaan zijn zal. En u bent te zwak, om iets
+te doen. Aan wie is dus de taak, om voor u te arbeiden, indien niet aan
+mij?”
+
+„Maar ’t zal je zwaarder vallen, dan je meent, lieve Helène,” zei
+mevrouw Nederhorst. „Jij, die aan weelde en gemak gewoon bent, je bezig
+houden met zulk een arbeid. Jouw handen, die nooit anders dan borduur-
+of tapisseriewerk gemaakt, niet anders dan potlood of teekenpen gevoerd
+hebben, zullen nu zich bezig houden met....”
+
+„Met dingen, die noodzakelijk zijn, ma!” antwoordde Helène moedig, „en
+ik zal de voldoening hebben, u ’t verdriet te verlichten.”
+
+„Ja, dat doe je al, mijn engel!” zei mevrouw Nederhorst; terwijl haar
+de tranen in de oogen sprongen en ze haar aan heur hart drukte.
+„Helène! Je bent me een troost en een verlichting in ’t verdriet.”
+
+Eenigen tijd zaten moeder en dochter zoo en spraken geen woord.
+Eindelijk zei Helène:
+
+„Heeft pa al bepaald, dat we Amsterdam zullen verlaten?”
+
+„Ja, Helène! Pa is te hooghartig, om zich zoo te verminderen en hier te
+blijven, waar iedereen ons in onze grootheid gekend heeft. We zullen
+echter niet ver van hier gaan wonen; omdat pa hier nog zaken zal
+blijven doen. Wij hopen nog zooveel uit de ruïne van ons fortuin te
+redden, dat we ten minste kunnen leven. Alles zal afhangen van den
+verkoop van huis en meubelen.”
+
+„Ik ben blij, dat we ergens anders gaan wonen, ma,” zei Helène. „Waar
+niemand ons kent, zal ’t ons gemakkelijker vallen, onze armoede te
+verbergen, dan hier, waar onze kennissen ons misschien met den vinger
+zullen nawijzen.”
+
+Het duurde niet lang, of groote gedrukte biljetten, op houten borden
+geplakt en aan ’t huis aangeslagen, kondigden „den willigen verkoop van
+een kapitaal koopmanshuis en erve,” aan. Op de bepaalde dagen kwamen er
+kijkers in overvloed. ’t Huis werd in de „Brakke Grond” voor een
+aanzienlijke som verkocht. Intusschen had meneer Nederhorst eens
+rondgekeken, en te Weesp, even buiten de stad, een ferm huis voor
+weinig geld gehuurd. ’t Was wel een treffen, dat door sterfgeval dit
+huis leegstond en dus dadelijk te betrekken was. Nu moest nog ’t
+meubilair verkocht worden, en meneer Nederhorst drong er op aan, dat
+zijn vrouw met Helène, Dora en Alfred intusschen naar Weesp zouden
+trekken. Wel bood haar broer Walburg aan, de geheele familie zoo lang
+te logeeren, tot het huis in Weesp schoongemaakt en gemeubeld zou zijn,
+maar zijn zwager oordeelde het beter, dat de familie zoo lang te Weesp
+kamers in een logement zou betrekken. Dan kon Trui terwijl ’t huis
+schoonmaken en zijn vrouw de meubels, welke hij door zijn makelaar zou
+laten inkoopen, ontvangen en schikken, en dan was de overgang meer
+geleidelijk.
+
+Hij bracht dus zijn familie naar haar nieuwe woonplaats, maakte
+conditiën met den logementhouder, en keerde naar Amsterdam terug, waar
+hij zoolang zijn intrek bij zwager Walburg nam. Al de dienstboden waren
+intusschen vertrokken, behalve Trui, die haar meesteres naar Weesp
+vergezelde en reeds den volgenden dag van top tot teen met het noodige
+schoonmaakgerei gewapend naar ’t nieuwe huis ging, waarheen mevrouw met
+haar kinderen des middags wandelden, om het te bezien. Want den vorigen
+dag was ze te vermoeid van de reis geweest, en had haar man het aan
+Helène en Trui gewezen.
+
+Trui deed hun de deur open en verwelkomde hen in de nieuwe woning.
+Ofschoon die natuurlijk vreeselijk afviel bij de oude, moest mevrouw
+Nederhorst toch bekennen, dat ze haar werkelijk meeviel. Helène vond de
+kamers, bij de meerdere beknoptheid, zeer logeabel; de beide kinderen
+waren in enthousiasme over ’t nieuwe van de zaak: want al wat nieuw is,
+blijft de illusie van het kind. Terwijl de kinderen wat in het kleine
+tuintje rondliepen, gaven mevrouw en Helène de bestemming aan de
+verschillende vertrekken, werd er voor mama een lieve, tamelijk ruime
+slaapkamer en voor papa een allerliefst bovenvertrek gekozen, uit wier
+ramen hij een riant uitzicht had. Hierop keerde men naar ’t logement
+terug, waar Trui ’s middags kwam eten en ’s nachts slapen. Intusschen
+verrichtte Helène de functiën van kamenier bij mama en van bonne bij de
+kinderen, en dat ging haar vrij goed af, vooral wanneer men rekent, hoe
+vreemd het haar was. Dagelijks bezocht zij met Dora en Alfred de
+omstreken der stad, en bracht ze met hen een visite bij Trui, die ferm
+vorderde met het schoonmaken van ’t huis, dat voor één vrouw alleen een
+heele karrewei was.
+
+Een paar malen kwam meneer Nederhorst over, om te zien, hoe de familie
+’t maakte.
+
+„Je moet hier een school voor Alfred en Dora zoeken, manlief,” zei
+mevrouw eens tot hem: „’t zou Helène en mij zooveel rust geven, als ze
+weer school gingen.”
+
+„Dat is goed,” antwoordde haar man. „Maar hoe een keus te doen? Ik ben
+hier ten volle onbekend.”
+
+„Indien we den logementhouder eens vroegen,” zei mevrouw. „Zulke
+menschen weten toch natuurlijk, wat er al zoo merkwaardigs in de stad
+is.”
+
+Dit werd goedgevonden en, op aanwijzing van den eigenaar van ’t hôtel,
+begaf meneer Nederhorst zich naar den onderwijzer, wiens school hem als
+de beste genoemd werd. Hij stond er op, dat zijn vrouw hem zou
+vergezellen, daar zij beter over de kinderen wist te spreken dan hij.
+’t Schoolgeld was oneindig minder dan te Amsterdam, hetgeen zeer
+meeviel. Toen haalde hij zijn vrouw over, om met hem naar ’t nieuwe
+huis te wandelen, opdat hij de gemaakte schikking mocht zien. Ze wilde
+’t hem niet weigeren, ofschoon ’t wel wat vermoeiend voor haar was. In
+’t huis vonden ze Helène met de kinderen, aan welke laatste mama
+vertelde, dat ze morgen reeds naar school zouden gaan.
+
+„O, dat is heerlijk!” fluisterde Helène haar moeder in’t oor. „Dat zal
+u rust geven.”
+
+Na langzaam en bedaard terug gewandeld, en gedineerd te hebben, vertrok
+meneer Nederhorst weder naar Amsterdam, terwijl Helène hem met de
+kinderen naar ’t station bracht. Toen ze thuiskwam, stuurde ze Dora en
+Alfred wat in den tuin van ’t hôtel, omdat ze wel begreep, dat haar
+moeder rust zou noodig hebben. Toen ging ze naar boven, waar ze deze op
+de sofa vond liggen, met den zakdoek voor de oogen en zenuwachtig
+snikkende.
+
+Ze knielde bij haar neder, nam haar hand en vroeg op meewarigen toon:
+
+„Wat scheelt er aan lieve ma?”
+
+„Ik ben wat oververmoeid van de wandeling en heb zware hoofdpijn,”
+antwoordde mevrouw Nederhorst nog steeds snikkende.
+
+„Geen wonder,” zei Helène; „u hebt u ook wel wat overspannen. Schrei nu
+maar ferm uit; dat zal u goed doen.”
+
+Daarop ging ze naar de kleine huisapotheek, haalde er een fleschje met
+glazen stop uit, waarop een etiquette met „tinctuur van barnsteen”
+geplakt was, goot wat water in een glas, deed wat barnsteen daarbij, en
+bracht het haar moeder.
+
+„Hier ma! Neem wat tinctuur van barnsteen,” zeide zij. „Dat zal uw
+zenuwgestel tot bedaren brengen.”
+
+Mevrouw Nederhorst nam het drankje.
+
+„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze.
+
+„Wel, ma! Ik wist heel goed, dat u niet zonder deze en andere
+medicijnen kunt, en daarom heb ik al de potjes en fleschjes ingepakt,
+die u van dienst kunnen zijn.”
+
+„O, hoe attent!” zeide haar moeder. „Waar niemand om denkt, zorg jij
+voor.”
+
+„En nu zal ik u slapen met wat vlugzout wrijven,” ging zij voort,
+terwijl ze van een ander fleschje den glazen stop deed, haar duim met
+het vocht nat maakte en zoo ’t geneesmiddel op haar moeders slapen
+wreef.
+
+„Bedaart het nu wat?” vroeg ze.
+
+„Ja, Helène,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik denk, dat ik nu wel
+wat zou kunnen slapen.”
+
+„Ik zal ’t avondeten voor Dora en Alfred op de slaapkamer klaarzetten;
+als ze dat gebruikt hebben en ik ze uitgekleed heb, zal ik ze bij u
+brengen, om u goeden nacht te zeggen.”
+
+„Laat Trui ze maar uitkleeden,” zei mevrouw Nederhorst. „Ze komt toch
+straks terug en heeft niets meer te doen.”
+
+„Heel goed,” antwoordde Helène, „ik zal ’t haar vragen. En nu maar
+rustig liggen en tracht wat te slapen; dat zal u goed doen.”
+
+Maar mevrouw Nederhorst kon niet slapen. Toen Helène terugkwam, vond ze
+haar nog wakker.
+
+„U moest naar bed gaan, ma,” zeide zij. „Daar zult u beter rusten en
+misschien wel in slaap vallen.”
+
+„Ik geloof, dat je gelijk hebt, Helène,” antwoordde zij, en liet zich
+door haar dochter naar de andere kamer brengen. Deze hielp haar
+uitkleeden, deed heur haar los en vervulde al de bezigheden van Rika
+met zulk een vlugheid, dat haar moeder haar kamenier niet miste. Juist
+toen mevrouw Nederhorst te bed lag, hoorde men de kleintjes naar boven
+komen; ze kwamen met een tamelijk geweld aan, en Helène ging op ’t
+portaal en waarschuwde hun, dat zij stil moesten zijn, want dat ma met
+zware hoofdpijn te bed lag. Daarop haalde ze hun avondeten, hetwelk ze
+gauw ophadden, en kleedde ze met behulp van Trui uit, waarna ze hen te
+bed bracht. Bij ondervinding wist ze, dat ze nu niets beters kon doen
+dan haar moeder alleen te laten; daarom legde ze de zieke wat goed, en
+begaf ze zich naar beneden, om in den grooten tuin van ’t logement een
+luchtje te scheppen en zich aan haar treurige gedachten over te geven.
+Daar ’t niet koud was, had ze zich op de bank van ’t prieëel neergezet,
+en zat ze met de hand voor de oogen en haar elleboog op de tafel
+leunende, toen ze eensklaps opschrikte door een vriendelijke stem, die
+tot haar zeide:
+
+„Hoe zoo bedroefd, kindlief?”
+
+Helène nam haar hand van de oogen en keek met haar betraande oogen den
+spreker aan. ’t Was een eerwaardig, oud heer, van in de zestig jaren,
+en Helène vond terstond, dat zijn gelaat iets bijzonder innemends had,
+iets dat haar onwillekeurig tot hem trok. Ze antwoordde echter niet.
+
+„Uw jurk gescheurd, ’t een of ander gebroken, of ongenoegen met uw
+vriendinnetjes gehad?” vroeg de oude heer.
+
+„Neen, neen!” riep Helène uit. „Dat zou de moeite niet waard zijn om
+hier te zitten schreien. ’t Is vrij wat erger.”
+
+„Erger dan dat?” hernam de oude heer vriendelijk.
+
+„Ja, veel erger,” bevestigde Helène snikkend.
+
+De oude heer ging naast haar zitten, nam haar beide handen in de zijne
+en keek haar vriendelijk aan.
+
+„Vertrouw mij je verdriet toe, kind,” zei hij op zachten, meewarigen
+toon. „Misschien kan ik je helpen.”
+
+„Neen, dat kunt u niet, meneer,” antwoordde Helène.
+
+„Kindlief,” hernam de vreemde heer, „’t spreekwoord zegt niet vergeefs:
+„il n’y a que les malheureux qui puissent se consoler.” Vertel mij dus
+gerust, wat u zoo bedroefd maakt. Ik had eens een lieve vrouw en een
+dochter van uw leeftijd. Beiden zijn mij door den dood ontnomen. En nu
+sta ik geheel alleen op de wereld, zonder vrouw, zonder kind, ja,
+zonder broeder of zuster, die in mijn smart kunnen deelen en mij over
+de verliezen, welke ik leed, kunnen troosten.”
+
+„O, dan bent u wel te beklagen, meneer,” zei Helène medelijdend.
+
+„Niet waar? Niemand weet, wat het zegt, zoo alleen door ’t leven te
+gaan.”
+
+Helène keek hem treurig aan.
+
+„Vertrouw mij je leed toe,” hernam hij. „Ik zal je geheim niet
+verraden, en misschien geeft het je troost, als je ’t mij meedeelt.”
+
+De toon, waarop hij dit zei, was zoo goedhartig, zoo oprecht, dat
+Helène niet kon nalaten, vertrouwen in hem te stellen.
+
+„Ach!” zeide zij. „Ik schrei niet om mijn eigen ongeluk, maar om dat
+van mijn ouders.”
+
+„’t Is te koud om hier lang te zitten,” zeide de oude heer. „Laat ons
+samen wat opwandelen. Mijn woning is hier dicht bij. Daar kun je mij,
+als je wilt, je verdriet meedeelen. Ik wandelde eens om en zag je daar
+zitten.”
+
+Helène ging werktuigelijk met den vriendelijken man mede. Weldra
+stonden ze voor een bevallige villa. Hij bracht haar in een keurig
+gemeubileerde kamer, waar een helder vuurtje in den haard brandde. De
+weldadige warmte deed Helène goed, want ze was koud geworden.
+
+„Welnu,” zei de oude heer. „Deel mij nu de oorzaak van je tranen mee.
+Misschien kan ik je helpen, in alle gevallen je troosten en goeden raad
+geven. Denk niet dat het onbescheiden nieuwsgierigheid is. Je lijkt
+sprekend op mijn lieve Helène; die was even oud als jij toen ze
+stierf.”
+
+Helène aarzelde nog een oogenblik. ’t Stiet haar tegen de borst, een
+vreemde deelgenoot te maken van haar omstandigheden. Maar ’t geheele
+uiterlijk van den ouden heer boezemde haar zooveel vertrouwen in, dat
+het haar was, als sprak ze tot haar eigen vader, en van lieverlede
+maakte zij hem deelgenoot van haar leed.
+
+„Arm kind!” zei de vreemde heer. „Je leert al vroeg de keerzijde van
+het leven kennen. Moed gehouden, en als ik je soms met raad en daad kan
+bijstaan—je weet nu waar je mij vinden kunt. Ik woon dicht genoeg bij
+’t logement zooals je ziet, en ik zal morgen de vrijheid nemen, om ook
+je mama eens een bezoek te brengen. Ik was vroeger practiseerend
+dokter; welnu, dan informeer ik te gelijk eens naar mama’s gezondheid.
+Groet haar van mij en zeg haar dat ik innig deelneem in haar treurige
+omstandigheden.”
+
+Helène nam een hartelijk afscheid van den ouden heer, in wien ze zulk
+een onbepaald vertrouwen stelde en die haar zoo zeer voor zich had
+ingenomen. Toen ze in ’t logement en op de slaapkamer kwam, vond ze
+haar moeder juist ontwaakt. Deze vroeg aan haar waar ze geweest was.
+Het meisje vertelde haar, hoe ze schreiende in den tuin van ’t logement
+zittende, een nieuwen vriend gevonden had en hoeveel deel deze in hun
+ongeluk nam.
+
+„Maar, Helène!” zei haar moeder. „Hoe kan je zoo onbescheiden wezen, om
+een vreemdeling bekend te maken met onze familie-omstandigheden?”
+
+„Ach ma! als u hem zag, dien ouden heer, dan zou u hem ook uw geheele
+verdriet toevertrouwd hebben. U weet niet, wat een allerliefst man hij
+is. Morgen komt hij u eens een bezoek brengen, ten minste als u hem
+ontvangen wilt!”
+
+„’t Is nu gebeurd, en ik hoop, dat hij er geen misbruik van zal maken.
+Maar wees voortaan geheimer met zaken, die anderen niet aangaan.”
+
+Meer zei haar moeder niet; maar Helène gevoelde ’t verkeerde harer
+handelwijs, en toch kon ze de gedachte niet van zich werpen, dat ze in
+dit geval niet verkeerd gedaan had, den ouden heer te vertrouwen, wiens
+naam ze niet eens gevraagd had.
+
+Ze had het den volgenden dag heel druk; want haar moeder voelde zich
+niet wel genoeg om op te staan. Ze bracht haar dus haar thee op ’t bed,
+kleedde de kinderen aan en bracht ze naar school.
+
+„Braaf oppassen Alfred, goed leeren Dora!” zei ze, terwijl ze elk een
+kus gaf, „om twaalf uur kom ik jullie halen.”
+
+Daarop spoedde ze zich naar’t logement, waar ze haar moeder in een
+gerusten slaap vond. Ze redderde den boel wat op en dat alles zoo stil,
+dat ze de slapende niet wakker maakte. Tegen elf uur werd mevrouw
+Nederhorst wakker en gaf haar verlangen te kennen, om op te staan.
+Helène deed heur haar, kleedde haar in een gemakkelijk négligé en dat
+met een vlugheid en een tact, die Rika haar niet zou verbeterd hebben.
+
+„Nu, ga ik even de kinderen van school halen,” zeide zij. „Dan laat ik
+de koffie boven brengen en zullen we heel genoeglijk bij elkander
+zitten, niet waar, ma?”
+
+„Zeker Helène,” antwoordde haar moeder, die ’t lieve meisje met een
+tevreden en dankbaren blik nakeek. Tegen twee uur bracht Helène Alfred
+en Dora weer naar school.
+
+„Ze zullen wel gauw den weg zelf leeren kennen, dan kunnen ze best
+alleen gaan,” zei mevrouw Nederhorst, toen Helène terug was.
+
+„Welzeker, ma,” antwoordde Helène. „En daar ’t hier niet zoo druk is
+als in Amsterdam, kunnen we ze gerust vertrouwen.”
+
+Op dit oogenblik werd er op de kamerdeur getikt.
+
+„Binnen!” riep mevrouw Nederhorst, en het dienstmeisje van ’t logement
+verscheen in de deur. „Mevrouw,” zeide zij, „daar is een heer, die
+verlangt te weten, of hij u geen belet aandoet; hier is zijn kaartje.”
+
+Mevrouw Nederhorst nam het kaartje aan en las:
+
+
+ Dr. Faminga.
+
+
+„De titel van Doctor geeft hem volkomen recht op een beleefde
+behandeling van onzen kant,” zei mevrouw Nederhorst. „Zeg hem dus, dat
+ik hem met genoegen verwacht.”
+
+Sientje vertrok.
+
+„Hij is dokter,” zei Helène. „Misschien kunt u hem wel tot uw dokter
+nemen.”
+
+„Vooreerst is het te bewijzen, dat hij doctor in de medicijnen is,”
+hernam mevrouw Nederhorst. „Hij kan even goed dokter in de
+godgeleerdheid, in de philosophie, in de rechten of in de letteren
+wezen. Daarenboven zal ’t van pa afhangen, of hij hem tot zijn dokter
+verlangt.”
+
+Eenige oogenblikken later kwam Dr. Faminga binnen.
+
+„Mevrouw,” zei hij met een beleefde buiging. „Ik ben zoo ingenomen met
+uw lieve dochter, dat ik verlangend was, de eer te hebben haar mama te
+leeren kennen, en ik hoop, dat dit door u volstrekt niet aan de
+begeerte zal worden toegeschreven, om mij bij u in te dringen.”
+
+„Ik dank u hartelijk voor de belangstelling in mijn dochter, meneer,”
+antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik vrees echter, dat zij u met de
+mededeeling van onze aangelegenheden zeer zal verveeld hebben.”
+
+„Ik moet tot verontschuldiging van mijn vriendinnetje in het midden
+brengen,” antwoordde dokter Faminga, „dat ik het was, die haar naar de
+oorzaak van haar verdriet vroeg. Vergeef mij die onbescheidenheid. ’t
+Was niet uit een ijdele nieuwsgierigheid, maar uit zuivere
+belangstelling. Ik heb zooveel rampspoeden en verdrietelijkheden in ’t
+leven ondervonden, dat ik anderen niet kan zien lijden, zonder er
+belang in te stellen. Toen ik uw dochter zag schreien, dacht ik:
+misschien heeft ze geen vrienden, en kan ik mij haar lot aantrekken. ’t
+Was wel een dwaas denkbeeld; maar ik sta zoo geheel alleen op de wijde
+wereld; daarbij, menschen die zoo alles, wat zij rondom zich lief
+hadden, verloren hebben, houden zich dikwerf aan een stroohalm vast.”
+
+Deze laatste woorden sprak hij met zulk een bewogen stem, dat mevrouw
+Nederhorst er door getroffen was. Aan de oprechtheid zijner betuiging
+behoefde zij niet te twijfelen, en daarom antwoordde zij:
+
+„Welnu, zoolang we hier in ’t logement vertoeven, zal ik Helène verlof
+geven, u van tijd tot tijd te komen bezoeken. Ik weet, dat zij dit
+gaarne doen zal. Ook als wij ons gevestigd hebben, kan ze die bezoeken
+wel eens hervatten; ten minste wanneer haar vader het goedvindt.”
+
+„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde Dr. Faminga. „Zooals u wel
+van haar zult weten, woon ik hier dicht bij. Toen ik al wat ik bezat
+verloor, was ik troosteloos en somber, en waarschijnlijk zou dit in
+krankzinnigheid geëindigd zijn, wanneer niet mijn vriend en ambtgenoot,
+dokter Van Esch, mij had overgehaald, om hier te komen wonen. Hier ben
+ik tot rust gekomen. Intusschen hoop ik, dat het mij door uw man zal
+worden toegestaan, ook u van tijd tot tijd een bezoek te brengen.”
+
+„’t Zal mij heel aangenaam zijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst op
+eenigszins verlegen toon, daar zij aan de veranderde omstandigheden
+dacht, waarin zij zich bevinden zou.
+
+„Ge hebt een huis buiten de stad gehuurd, naar ik vernomen heb. Bevalt
+het u nog al?”
+
+„Vrij goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Beter dan ik bij
+mogelijkheid had kunnen verwachten.”
+
+„Dat is gelukkig. Ik twijfel niet, of u zult het in ’t vriendelijke
+Weesp wel kunnen vinden. De stilte van ’t stadje en de kalme rust, die
+er heerschen, zullen u in uw toestand zeker goeddoen. Maar nu zal ik u
+niet langer vermoeien. Ik heb misschien al te lang misbruik van uw
+goedheid gemaakt. Ik heb de eer, u goeden dag te zeggen.”
+
+„Wel ma, hoe vindt u dokter Faminga nu?” vroeg Helène, toen de dokter
+het vertrek verlaten had. „Vindt u hem geen aardig mensch?”
+
+„Hoe zou ik na een enkele ontmoeting daarover kunnen oordeelen?” vroeg
+mevrouw Nederhorst. „De man schijnt veel verdriet te hebben gehad in
+zijn leven en ik ben er zeker van, dat hij goed en vriendelijk is. ’t
+Is een allerliefst man; van wien ik, dunkt mij, als ik hem nader leer
+kennen, veel zal gaan houden.”
+
+Den volgenden dag kwam er een briefje van den dokter, waarin hij Helène
+uitnoodigde, om thee bij hem te komen drinken. Ofschoon Helène ongaarne
+haar moeder met de kinderen alleen liet, stond mevrouw Nederhorst er
+op, dat zij de uitnoodiging zou aannemen. Helène ging dus naar hem toe
+en bracht een paar gelukkige uurtjes op de villa door. Hij sprak veel
+over haar moeder en ’t scheen hem niet te vervelen, wat Helène ook van
+haar vertelde. Onder zijn ameublement trok vooral een uurwerk haar
+bijzondere aandacht. Het was een bronzen beeld, dat met uitgestrekten
+arm op een wijzerplaat wees; onder dezen arm draaide de wijzerplaat
+geregeld om en zoo gaf het beeld de uren aan.
+
+Helène nam afscheid van haar vriend en ging naar ’t logement terug. Ze
+had vrij wat te vertellen van al ’t geen ze bij Dr. Faminga gezien had;
+maar ’t uitvoerigst was zij in de beschrijving van het uurwerk en ze
+kon maar niet begrijpen, hoe de inrichting er van was.
+
+De volgende dag was haar zestiende verjaardag; wel een treurige
+verjaardag, en ze wenschte wel, dien te hebben kunnen vergeten; want
+het was zoo’n verschil bij vorige jaren. Haar moeder had er echter voor
+gezorgd, dat er een lekkere tulband was en ook een frisschen ruiker
+voor haar laten koopen. Op de ontbijttafel stond een houten kistje met
+een stevig touw er om, waarop, met een haar vreemde hand geschreven,
+haar naam en adres stonden.
+
+„Zou dat kistje van pa komen?” zeide zij, terwijl een hoogrood haar
+wangen kleurde, en haar hart sneller klopte.
+
+Mevrouw Nederhorst antwoordde niet, ze hoopte, om Helène’s wil, dat het
+waar mocht zijn.
+
+Spoedig was het kistje open, en wat zag ze daar netjes ingepakt liggen?
+Niets meer of niets minder dan het wonderlijke uurwerk van dokter
+Faminga.
+
+„O, dat is een prachtig geschenk!” riep zij uit. „Ik had het gisteren
+zoo bewonderd, maar nooit gedacht, dat hij ’t mij als verjaarcadeau zou
+geven!”
+
+„Hoe wist hij dat je jarig bent, lieve?”
+
+„Zoo in den loop van ’t gesprek is ’t mij ontvallen; en zeker heeft hij
+begrepen, dat ons geen cadeau van meer nut zou zijn dan juist een
+uurwerk.”
+
+Later op den dag kreeg ze een cadeau van oom en tante en een brief van
+pa.
+
+Gedurende den korten tijd, dien de familie Nederhorst in ’t logement
+doorbracht, werd de kennismaking met dokter Faminga een werkelijke
+vriendschap, en weldra was hij ook de vriend der kinderen. Hij hield
+ontzaglijk veel van kinderen en ’t was zijn grootste genoegen om des
+namiddags met de beide kleinsten een wandelingetje te doen, ’t geen
+mevrouw Nederhorst een paar rustige uurtjes bezorgde. Ook vond zij ’t
+zeer plezierig, wanneer hij een kopje thee bij haar kwam drinken; want
+hij was een man die veel ondervonden en gelezen had, en dus goed praten
+kon.
+
+Zoo gingen eenige dagen gelukkig voorbij, toen er een brief van meneer
+Nederhorst kwam, waarin hij melde, dat de verkoop der meubelen niet
+minder goed geslaagd was dan die van het huis; zoodat hem, na volkomen
+afbetaling van al zijn schuldeischers, nog een som overbleef, voldoende
+om van de intrest zuinig te leven. Doch dat zou ook hoogst zuinig
+moeten zijn en ’t zou een groot verschil opleveren met hun vroegere
+levenswijze. Ook meldde hij dat morgen de weder ingekochte meubels
+kwamen; hij hoopte, dat zijn vrouw het oppertoezicht over de plaatsing
+zou kunnen houden en ’t haar niet te zeer vermoeien mocht. Wat hem
+aanging—hij moest nog eenige dagen in Amsterdam blijven, om zijn zaken
+geheel te regelen.
+
+„Mevrouw,” zei dokter Faminga, toen hij haar een bezoek bracht en ze
+hem verteld had, dat ze nu spoedig haar nieuwe huis zou betrekken, „de
+ontvangst der meubelen en de schikking daarvan is voor uw krachten te
+zwaar. Zoudt ge ’t aan mij willen overlaten, om voor ’t vervoer en de
+plaatsing te zorgen? Helène kan mij daarbij helpen.”
+
+„Ik ben zeer gevoelig voor uw aanbod, meneer Faminga,” antwoordde
+mevrouw Nederhorst, „en ik mag ’t niet afslaan. Als u het goedvindt,
+zal Helène straks met u naar ’t nieuwe huis wandelen en u de door ons
+gemaakte verdeeling wijzen. Daar ik echter niet weet, welke meubelen er
+komen zullen, zal ik de plaatsing maar aan u en haar overlaten. Zij
+weet wel hoe het naar mijn zin is.”
+
+„Wel zeker, ma!” zei Helène. „En als dan morgenmiddag alles klaar is,
+komen wij u halen en dan verandert u nog, wat u wilt.”
+
+„Dat is goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En dan reken ik
+tegelijkertijd in het logement af en betrekken we onze nieuwe woning.”
+
+Terstond ging Helène met den dokter en de beide kinderen derwaarts. ’t
+Nieuwe huis was nu van boven tot beneden schoongemaakt en zag er frisch
+en helder uit.
+
+„Nu, dat valt me niet tegen,” zei dokter Faminga. „Inderdaad, bevallig
+en een goed voorkomen.”
+
+„Vindt u niet, dokter?” zei Helène. „’t Is maar jammer, dat het zoo ver
+van uw villa ligt.”
+
+„En zegt dat een Amsterdamsche? Voor Amsterdam zou men het dichtbij
+noemen.”
+
+Helène stak den sleutel in ’t slot en deed de deur open. Trui was er
+den vorigen dag klaargekomen en natuurlijk naar ’t logement
+teruggekeerd. Ze had echter dien morgen overal de ramen opengezet,
+opdat het goed luchten zou. ’t Huis zag er beter uit, dan toen mevrouw
+Nederhorst het met haar man bezichtigd had: ’t was nu schoon en
+vriendelijk.
+
+„Nu, de ruimte valt mij mee,” zei de dokter. „Naar wat je mama er over
+zei, dacht ik dat het een krot was.”
+
+„Ma is ook gewoon aan zulk een kolossaal huis met zulke hooge, ruime
+vertrekken,” zei Helène. „Zie, dit is onze huiskamer, die met
+openslaande deuren in ons tuintje uitkomt. Vindt u die niet lief?”
+
+„Alleraardigst; maar ’s winters zult ge niet veel uitzicht hebben,” zei
+de dokter. „Ten minste nu is ’t al vrij bar. Ik zou er liever de
+voorkamer voor genomen hebben; dan hadt je een ruim gezicht over de
+weilanden.”
+
+„Die kamer zouden we aan kant houden,” zei Helène.
+
+„’t Zal hier in voor- en najaar nog al vochtig zijn ook, en dat is niet
+goed voor de gezondheid van je mama. We zullen haar voorstellen om het
+te veranderen. Daarom kan ze er zomers toch best in zitten.”
+
+„Dat is pa’s kamer,” vervolgde Helène, toen ze boven op een
+allerliefste kamer kwamen, die een riant uitzicht had. „We zullen haar
+zoo gemakkelijk mogelijk inrichten.”
+
+„Nu, dat is niet de minste van ’t huis,” zei dokter Faminga. „Maar dat
+behoort ook zoo.”
+
+Nadat ze ’t geheele huis bekeken hadden, keerden ze naar ’t logement
+terug.
+
+„Welnu, dokter, hoe bevalt u onze nieuwe woning?” vroeg mevrouw
+Nederhorst. „Vreeselijk klein, niet waar?”
+
+„Dat is al naar men ’t neemt, lieve mevrouw,” zei de dokter. „Uw vorig
+huis op de Keizersgracht was er zeker een paleis bij; maar ik denk, dat
+het u, als u er eenmaal in woont, wel bevallen zal. Beknoptheid van
+woning heeft altijd iets geriefelijks.”
+
+Daarop begon hij over de verandering van huiskamer te spreken, en wel
+zóó overtuigend, dat mevrouw Nederhorst er in toestemde.
+
+„Ik hoop, dat mijn man er genoegen mee zal nemen,” zeide zij.
+
+„Waarom niet?” vroeg de dokter. „Natuurlijk moet u ’t laten voorkomen,
+alsof het uit u zelf kwam. U brengt er immers uw dag in door en niet
+hij. Daarenboven hebt u er een paar ferme kasten in—een heel gemak in
+een huiskamer.”
+
+„Wilt u wel gelooven, dat ik smachtend verlang om weer in mijn eigen
+huis te zijn, dokter?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Het verblijf in zoo’n
+logement is niet alles.”
+
+„Ik geloof het best,” antwoordde de dokter. „Eigen haard is goud waard,
+zegt het spreekwoord.”
+
+„Daarenboven is ’t nog al kostbaar ook,” hervatte mevrouw Nederhorst.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+BROEDER EN ZUSTER.
+
+
+Eenige dagen later kwam meneer Nederhorst te Weesp. Hij was alles
+behalve vroolijk gestemd en zei Helène en de andere kinderen nauwelijks
+goeden dag. Daar mevrouw Nederhorst, opdat haar echtgenoot zoo min
+mogelijk de verandering zou gevoelen, den tijd van ’t middagmaal op
+dien, welken zij in Amsterdam gewoon waren, gesteld had, ging men
+spoedig na zijn komst aan ’t diner. Nadat de maaltijd afgeloopen was,
+waarvan de eenvoud meneer Nederhorst erg gehinderd had, zei Helène:
+
+„Pa! Nu wilt u zeker graag naar uw kamer gaan. Ik zal er u
+heenbrengen.”
+
+Meneer Nederhorst volgde zijn dochter.
+
+„Nu zal pa zeker wel opgetogen zijn!” dacht ze; want ze had alles zoo
+keurig mogelijk ingericht. En inderdaad, het kamertje (dat was ’t in
+vergelijking van die, welke hij in Amsterdam gebruikte), was lief
+gemeubeld. Papa’s schrijftafel, ofschoon wel wat groot voor ’t
+vertrekje, stond toch heel goed tegen den eenen muur, en daarboven had
+ze de fotografische groep gehangen, welke de geheele familie
+voorstelde. Papa’s gemakkelijke stoel stond bij den haard, waarin een
+turfvuurtje brandde, en op de tafel stond een lamp, die een vriendelijk
+licht verspreidde. De overgordijnen waren toegeschoven, en boven op een
+kleine boekenkast, waarin de boeken, welke hij van zijn groote
+bibliotheek gehouden had, keurig netjes geschikt waren, stonden een
+paar pleisterkoppen; terwijl de schoorsteenmantel alleen met het
+keurige uurwerk versierd was, dat Helène van dokter Faminga ten
+geschenke gekregen had. Ze had zeker gedacht, dat haar papa, al mocht
+hij dan niet opgetogen wezen, ten minste zeer tevreden zou zijn over ’t
+gezellig kamertje; maar meneer Nederhorst trad binnen, zonder iets te
+zeggen.
+
+„Nu, pa! hoe bevalt het u?” vroeg zij.
+
+„’t Gaat nog al,” zei hij, terwijl hij in den stoel voor ’t vuur ging
+zitten. „Laat mij nu alleen, ik wil hier wat blijven.”
+
+Teleurgesteld ging ze naar beneden; toen ze bij haar moeder kwam, zag
+deze tranen in haar oogen. Mevrouw Nederhorst begreep er de reden van;
+doch ze wilde er liefst niets van zeggen of haar naar de oorzaak der
+droefheid vragen. Maar ’t was nog het ergste niet geweest. Tegen het
+theedrinken kwam meneer Nederhorst binnen, zijn gelaat stond geheel
+ontstemd.
+
+„Hoe ben je aan dat uurwerk gekomen, dat op mijn schoorsteenmantel
+staat?” vroeg hij.
+
+„Dat heeft Helène voor haar verjaardag cadeau gekregen van iemand, dien
+we hier gevonden en van wien we zeer veel vriendschap genoten hebben,
+van een zekeren dokter Faminga, die sedert eenige jaren te Weesp
+woont,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
+
+„Dokter Faminga? Wat is dat voor een man?” vroeg meneer Nederhorst,
+wiens gelaat nog meer betrok.
+
+„Een oud heer, die mij allerlei diensten bewezen heeft,” antwoordde
+zijn vrouw. „Zoo heeft hij met Helène er voor gezorgd, dat de meubelen
+goed hier in huis en op hun plaats kwamen. Ook was hij heel lief voor
+de kinderen, met wie hij meermalen is gaan wandelen.”
+
+„Zoo, en wat weet je nog meer van zijn hem?”
+
+„Dat hij een hoogst fatsoenlijk en goedhartig man is, die veel in zijn
+leven ondervonden en de praktijk neergelegd heeft, om hier te komen
+wonen.”
+
+„Dat heb je natuurlijk alleen uit zijn eigen mond gehoord.”
+
+„Maar ik heb het onvoorwaardelijk geloofd. Een man als hij en....”
+
+„En ik verbied allen verderen omgang met dien man,” zei meneer
+Nederhorst streng. „Waarschijnlijk de een of andere avonturier, die
+zich van de eenvoudigheid eener onergdenkende vrouw bedient, om zich
+bij ons in te dringen. We hebben geen nieuwe vrienden noodig. Als onze
+oude ons niet meer willen kennen, omdat wij arm geworden zijn, waartoe
+zullen we dan nieuwe vriendschapsbetrekkingen aanknoopen? Inderdaad! ik
+begrijp niet, hoe je met onze armoede zoo te koop hebt kunnen loopen.”
+
+„Je oordeelt geheel verkeerd, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
+„Meneer Faminga is een door en door braaf man, die volstrekt geen
+waarde aan geld of positie in de maatschappij hecht, en leeft als hij
+iemand een dienst kan doen. Zie hem, vóor je oordeelt.”
+
+„Daar zal ik wel op passen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik zal hem
+schrijven en hem eens ferm laten gevoelen, wat ik van de manier denk,
+waarop hij zich zonder mijn toestemming hier in huis heeft ingedrongen.
+En wat het cadeau van Helène aangaat, dat zal ik hem terugzenden.”
+
+„Dat zal je niet doen, Leonard!” zei mevrouw Nederhorst op smeekenden
+toon. „Je weet niet, hoeveel verplichting ik aan den belangeloozen man
+heb. Je doet er mij en de kinderen verdriet mee.”
+
+„Ik zal het doen,” antwoordde meneer Nederhorst, „en wel terstond.”
+
+„Je zult toch eerst thee drinken?” vroeg mevrouw Nederhorst.
+
+„Een kop thee wil ik wel nemen, maar de zaak heeft haast; anders komt
+die meneer soms nog hier.”
+
+Mevrouw zei geen woord meer, en Helène ging de kamer uit naar de
+keuken, waar ze in tranen losbarstte.
+
+„Wat scheelt er aan, jongejuffrouw?” vroeg de goede Trui.
+
+Schreiende vertelde Helène haar ’t voorgevallene.
+
+„Nu, dat is mooi!” riep de oude meid uit. „Zoo’n lief man! En dan nadat
+hij alles gedaan heeft wat hij kon, om ’t uw mama gemakkelijk te maken.
+Wat heeft de man niet gesjouwd, om hier den boel in orde te brengen! ’t
+Is schande! En die dokter Faminga is nog al zoo’n fatsoenlijk man!”
+
+„Pa meent dat die goede dokter een gelukzoeker is, die er redenen voor
+heeft om zich bij ons in te dringen. Als hij hem maar eens wilde zien,
+dan zou hij misschien wel anders over hem denken.”
+
+„Nu, droog uw tranen maar af,” hernam Trui, „en ga maar weer naar uw
+mama, die ook wel bedroefd zal zijn over de behandeling die den dokter
+wordt aangedaan. Ik hoor uw pa al naar boven gaan; hij heeft zijn thee
+gauw op.”
+
+Wat Trui na Helène’s vertrek in zich zelf prevelde van „groote”
+menschen, die nog even „groot” bleven, al waren zij arm, en van andere
+zaken, die ze niet graag hardop zou gezegd hebben, willen we u maar
+niet mededeelen; liever volgen we Helène naar de huiskamer, waar ze
+zich naast haar moeder op de sofa zette.
+
+„O, vindt u ’t niet verschrikkelijk van pa?” vroeg zij. „Is ’t geen
+schande, om een man, die zoo lief en zoo goed voor ons geweest is, zoo
+te behandelen.”
+
+„Stil, lieve,” antwoordde haar moeder. „’t Past je niet, om de daden
+van je vader te berispen. Hij doet, zooals hij recht oordeelt, en ik
+had verstandiger moeten handelen en de vriendschap van den dokter niet
+moeten aannemen. Ik heb mij laten verleiden door ’t vertrouwen, dat
+zijn gelaat en gedrag mij inboezemden; ook kon ik, nadat ik wist, dat
+je hem onze familie-aangelegenheden hadt medegedeeld, in hem niets
+anders zien dan een belangeloozen vriend. Dat kan je vader niet; want
+hij weet niet, dat de dokter met onze omstandigheden bekend was, en dat
+mag hij niet weten; want dan zou je ’t voor altijd bij hem verbruid
+hebben.”
+
+Helène gevoelde, dat haar moeder gelijk had, en in haar oog was ’t
+gedrag van haar vader nu niet meer zoo hard, als ze ’t straks
+beschouwde.
+
+„Maar die goede dokter,” zeide zij. „Wat zal hij wel van ons denken,
+als hij pa’s brief krijgt.”
+
+„Hij is verstandig genoeg, om de zaak te begrijpen. Maar daarenboven
+zal ik hem tegelijk een briefje sturen, waarin ik hem alles bloot leg
+en hem onzen dank betuig voor al ’t geen hij voor ons gedaan heeft.
+Geef me dadelijk pen en inkt, dan kan Trui mijn schrijven te gelijk met
+dat van pa overhandigen en dan zal de goede man zich niet gekrenkt
+voelen.”
+
+Helène haastte zich, hieraan te voldoen, en juist toen Trui op meneers
+kamer gescheld werd, sloot mevrouw ’t briefje, dat ze het dienstmeisje
+meegaf, om dat tegelijk met het uurwerk en het briefje van meneer aan
+dokter Faminga te overhandigen. Trui was nog niet lang terug, toen een
+dienstmeisje een briefje voor mevrouw bracht, waarin de dokter zijn
+leedwezen betuigde over ’t gebeurde, verklaarde dat hij zich de
+handelwijs van meneer Nederhorst best kon verklaren, en haar
+verzekerde, dat het hem een groot genoegen zou zijn, haar genegenheid
+en die van haar dochter te behouden. Misschien zou in ’t vervolg van
+tijd de tegenzin van meneer Nederhorst om met anderen te converseeren
+wel slijten en dan zou alles wel weer terecht komen.
+
+„O, hoe lief van hem, om zoo te antwoorden!” riep Helène uit.
+
+„Allerliefst,” bevestigde mevrouw Nederhorst. „Maar ik verwachtte niets
+anders van hem. We willen even onbaatzuchtig zijn als hij, en, nu we
+ons niet meer over hem te bedroeven hebben, geduldig ons gemis dragen.”
+
+Intusschen naderde de Paaschvacantie en zou Rudolf voor de eerste maal
+in de nieuwe ouderlijke woning komen logeeren. Helène had er voor
+gezorgd, zijn kamertje in orde te maken, een klein aardig hokje, maar
+dat ze zoo had op weten te sieren, dat het er wezenlijk lief uitzag.
+
+Daar ook de kinderen vacantie gekregen hadden, wandelde zij met hen
+naar ’t station, om haar broer af te halen. Hij kwam tegen etenstijd;
+want daar hij Amsterdam door moest, had hij bij oom en tante Walburg
+koffie gedronken.
+
+Verlangend naar den broer, van wien ze zooveel hield, stond Helène met
+Dora en Alfred op het perron te wachten. Daar hoorde ze den trein van
+Amsterdam fluiten, en weldra was de dampende en snuivende locomotief in
+’t gezicht—eenige seconden later stond zij stil. Met zoekend oog sloeg
+Helène al de passagiers gade, die te Weesp uitstapten, en spoedig vond
+ze er Rudolf uit, die haar ook zag en haar een hartelijken kus gaf.
+
+„Hoe gaat het, Helène?” vroeg hij. „En hoe maken ’t pa en ma? Dag Dora,
+dag Alfred! Wel! ben je me mee komen afhalen? Nu, dat is goed, dat is
+aardig van je.”
+
+„Ma is heel verlangend naar je, Rudolf,” antwoordde Helène. „Laat ons
+dus maar terstond opstappen.”
+
+„’t Was me vreemd, dat ik, te Amsterdam gekomen, nog niet thuis was,
+maar verder op moest,” zeide Rudolf, terwijl hij met Helène en de
+kinderen den weg van ’t station naar de stad opwandelde.
+
+„Je hebt toch bij oom en tante koffie gedronken, niet waar?” vroeg
+Helène.
+
+„Wel zeker, en ik heb ’t er volgens gewoonte zeer goed gehad ook. De
+hartelijke groeten van oom en tante, en ook van Louise en Leonie.”
+
+„Hoe maakt Leonie het? ze schijnt het erg druk te hebben; want ze is
+heel lui in ’t schrijven.”
+
+„Hoe ze ’t maakt? Wel perfect. Ze kan zich best in ’t royale leven daar
+schikken. Waarom ben jij er niet heengegaan, Helène? ’t Kwam jou toch
+toe: jij bent de oudste.”
+
+„Oom en tante hebben mij niet gevraagd, Rudolf. Maar, al hadden ze ’t
+gedaan, dan had ik toch bedankt. Ik ben de oudste, en moet ma
+ondersteunen. Leonie is twee jaren jonger dan ik en zou het met den
+besten wil ter wereld niet kunnen doen.”
+
+Toen ’t ongeval met hun vader gebeurd was, had Helène hem wel een brief
+geschreven, waarin ze hem meedeelde, dat ze Amsterdam zouden verlaten
+en te Weesp gaan wonen, maar er hem de reden niet van medegedeeld. Ze
+wist, dat jongens op zijn jaren hun eigen leed niet kunnen zwijgen en
+wenschte niet, dat er ruchtbaarheid aan de zaak gegeven werd. Toen hij
+kort daarop een brief van zijn vader kreeg, waarbij deze hem meldde,
+dat hij voortaan met vrij wat minder zakgeld toe moest, had de knaap er
+nog niets van begrepen; slechts toen hij te Amsterdam bij oom Walburg
+kwam, had Leonie hem ’t een en ander van de zaak verteld; hij dacht
+echter, dat ze overdreef en meende op een prachtig buiten te zullen
+komen.
+
+„Maar wat moet je dan doen?” vroeg Rudolf.
+
+„Heeft Leonie je dan niet verteld, dat ma al de bedienden hun congé
+heeft gegeven en dat we alleen onze oude Trui behouden hebben?” vroeg
+Helène. „Daaruit volgt natuurlijk, dat Trui, die voor ’t schoonhouden
+van ’t huis en ’t eten moet zorgen, die tegelijk keuken- en werkmeid
+is, niet nog den post van kamenier, linnenmeid en bonne er bij kan
+vervullen. Welnu, die drie laatste posten vervul ik.”
+
+„Jij!” riep Rudolf verwonderd uit. „Hoe is ’t mogelijk, dat jij, die
+vroeger....”
+
+„Hoe ik, aan weelde gewend, zulke ondergeschikte betrekkingen kan
+waarnemen, wil je vragen; niet waar?”
+
+„Juist, hoe je je kunt vernederen tot zulk laag werk, zoo weinig
+overeenkomende met den stand waarin je opgevoed bent?”
+
+„Dat zou ik vroeger ook nooit gedacht hebben,” antwoordde Helène. „Maar
+als ik het niet doe, zou ma ’t moeten doen, en je weet heel goed, hoe
+zij is. Zij zou er onder bezwijken, ’t zou misschien haar dood zijn en
+dan was ’t nog erger.”
+
+„’t Is waar,” hernam Rudolf, na een oogenblik nagedacht te hebben, „en
+weet je wel, dat ik het heel braaf van je vind en er je des te liever
+om heb. Maar waarom is Leonie te Amsterdam gebleven? Die leidt daar een
+damesleven; terwijl jij voor asschepoester speelt. Dat is toch niet
+rechtvaardig.”
+
+„Luister eens, Rudolf,” zei Helène. „Vooreerst is Leonie tot gezelschap
+van Louise en komt ze in leeftijd en aard beter met deze overeen. Ten
+tweede is ze twee jaar jonger dan ik en is haar opvoeding nog niet
+voltooid, en ten derde.... al was ’t mij gepresenteerd, dan had ik het
+toch niet aangenomen.”
+
+„Niet aangenomen?” vroeg Rudolf verwonderd.
+
+„Neen, niet aangenomen,” herhaalde Helène. „O, je weet niet, hoe zwak
+ma is! ’t Gebeurde heeft haar gestel vreeselijk geknakt. Leonie zou,
+bij den besten wil, niet in staat geweest zijn, haar genoegzaam te
+verlichten. Ik had bij oom geen oogenblik rust gehad, wanneer ik wist,
+dat ma zich overspande. Doch hier zijn we thuis.”
+
+Ze stonden voor hun woning. Rudolf keek verbaasd.
+
+„O, wat een klein, onaanzienlijk huis!” riep hij uit. „Wonen we daar?
+Ik dacht ten minste een villa te vinden.”
+
+„’t Scheelt zeker vrij wat bij ons vroeger huis op de Keizersgracht,”
+antwoordde Helène, terwijl ze aanschelde. „Maar ’t is een heel lief
+huis en tamelijk ruim voor den geringen huurprijs, dien pa er voor
+betaalt.”
+
+„’t Valt me niet mee, dat moet ik royaal zeggen. Hoe kun je hier
+wonen?”
+
+„’t Zal je wel meevallen, als je er eerst maar een paar dagen in bent.”
+
+Juist deed Trui open.
+
+„Dag, jongeheer Rudolf!” riep de trouwe ziel uit. „Wel hoe maakt u ’t?
+Wat bent u gegroeid! Ik zou u niet gekend hebben, als ik u alleen was
+tegengekomen.”
+
+„Je ziet, dat ik gezond en frisch ben,” antwoordde Rudolf. „En jij bent
+ook nog de oude gebleven, Trui, en ik ben hartelijk verheugd, dat ik je
+terugzie, waar al de anderen vertrokken zijn!”
+
+Dit zeggende drukte hij haar van ’t werken ruwe rechterhand, en Trui
+was dol gelukkig, dat haar jongeheer zoo weinig „grootsch” was.
+
+Helène deed de deur der woonkamer open, waar mevrouw Nederhorst op de
+sofa zat. Zoodra deze haar Rudolf zag binnenkomen, stond ze op, en
+weldra rustte de zoon in de armen zijner moeder. Met welgevallen zag ze
+den knappen jongen aan, die, net als Trui zei, al weer gegroeid was en
+die haar met zijn heldere, oprechte oogen zoo ferm aankeek.
+
+„Ma,” zei hij, „u ziet er niet goed uit. U is toch niet ziek hoop ik!”
+
+„’t Is maar wat hoofdpijn, Rudolf,” antwoordde mevrouw Nederhorst,
+terwijl ze weer ging zitten. „Kom, neem eens hier naast mij plaats, en
+vertel me veel van je; dan gaat de hoofdpijn van zelf over.”
+
+Rudolf ging naast zijn moeder zitten, die met veel belangstelling naar
+hem luisterde en hem van tijd tot tijd eenige vragen deed, die hij
+beantwoordde.
+
+Intusschen verrichtte Helène haar gewone bezigheden, en daar ’t
+langzamerhand etenstijd werd, dekte ze de tafel. Nu kwam ook meneer
+beneden, die Rudolf verwelkomde, doch met zulk een stroef gezicht, dat
+de knaap een groot verschil tusschen de ontvangst van hem en die van
+zijn moeder opmerkte.
+
+Men zette zich aan tafel en Trui bracht het eten op. Rudolf keek raar
+op over den eenvoudigen pot en was op het punt om er iets van te
+zeggen. Zijn moeder bemerkte het en gaf hem een wenk om te zwijgen.
+
+Hij was de eenige, die aan tafel sprak. Hij wist niet, dat er sedert
+hun ongeluk genoegzaam geen woord aan tafel gesproken werd; daar het
+somber en streng gezicht van meneer Nederhorst langzamerhand elk
+gesprek had doen verstommen. Hij had zooveel te vragen en te vertellen,
+en de anderen hadden hem zooveel te antwoorden, dat het gesprek aan
+tafel dien middag vrij levendig was. Meneer Nederhorst mengde er zich
+echter niet in. Toen de maaltijd geëindigd was, bracht Trui een lekkere
+zandtaart binnen, welke zij ter eere van Rudolf gebakken had.
+
+„Nu, daar heb je eer van, Trui,” zei hij, toen de meid weer binnenkwam,
+om ’t een en ander af te nemen. „Je schijnt in ’t bakken niet
+achteruitgegaan te zijn, al is je keuken vrij wat kleiner. Apropos,
+Papa! Ik had haast Ernst van Hogenberghe meegebracht. Ik ben echter
+blij, dat ik ’t niet gedaan heb; want in zulk een klein huisje als dit
+zou ik hem niet hebben durven brengen.”
+
+’t Gelaat van meneer Nederhorst betrok nog meer. Helène stootte Rudolf
+onder de tafel aan; maar hij scheen den wenk niet te begrijpen.
+
+„Ik hoop echter, pa,” vervolgde hij, „dat u niet van plan bent, hier
+lang te blijven; dan breng ik hem met de zomervacantie mee.”
+
+„Ik heb je raad of voorlichting niet noodig, Rudolf,” zei meneer
+Nederhorst streng, „en ben in ’t geheel niet van plan, jou daarover te
+raadplegen.”
+
+Rudolf zweeg, en was blij, dat pa naar boven trok en hij weer zonder
+omwegen met ma en Helène kon praten.
+
+„Helène,” zei hij den volgenden dag tegen zijn zuster, toen hij met
+haar alleen was, „zou ’t waar zijn, dat pa al zijn geld verloren heeft?
+Of zou hij zich maar zoo arm houden?”
+
+„Hoe kom je daaraan, Rudolf? pa zal toch niet voor zijn pleizier ons
+groote huis op de Keizersgracht en onze prachtige meubelen verkocht
+hebben.”
+
+„Maar hoe is pa dan al zijn geld zoo op eens kwijt geraakt?”
+
+„Dat weet ik niet. Ik heb alleen hooren zeggen, dat pa gespeculeerd
+heeft en dat de speculatie tegengevallen is. Als ’t anders was
+geloopen, dan zou hij schatrijk zijn geweest. Maar spreek er in
+vredesnaam geen woord van tegen ma. Ze lijdt er genoeg onder en ’t
+verdriet hoeft haar niet zwaarder gemaakt te worden dan ’t al is.”
+
+„Ik zal er met ma niet over spreken; maar toch vind ik het onaangenaam,
+dat pa mijn weekgeld zoo verminderd heeft. Op de school van meneer
+Voornvisser gaan allemaal jongelui van rijke ouders, die overvloed van
+zakgeld krijgen. Ze hebben er al aanmerking op gemaakt, dat ik sedert
+een paar maanden zoo schraal bij kas ben. Vroeger had ik overvloed van
+geld en kon aan alles meedoen.”
+
+„’t Is zeker onaangenaam voor je—ik wil ’t niet tegenspreken,” hernam
+Helène. „Maar bedenk eens, hoeveel erger ’t voor ma moet zijn, die al
+op alles bezuinigt en toch telkens door pa wordt aangezet om nog minder
+uit te geven; zoodat ze zelfs geen glas port kan krijgen, wat ze toch
+zoo tot versterking noodig heeft.”
+
+„’t Is dwaas van ma, om zich daaraan te storen,” zei Rudolf bitter. „Pa
+houdt zich stellig armer dan hij is, en als ik ma was, dan zou ik er
+niet om geven, maar koopen wat goed voor mij was.”
+
+„Je spreekt naar dat je verstand hebt, Rudolf,” hernam Helène. „Geloof
+maar vrij, dat pa, als hij ’t missen kan, er de man niet naar is, om op
+bezuiniging aan te dringen.—’t Is waarlijk nog gelukkig, dat hij
+zooveel heeft overgehouden, om hier te kunnen leven, zooals wij doen.
+Er had wel eens niets kunnen overblijven; en wat hadden we dan moeten
+beginnen?”
+
+„Maar waarom is pa dan niet in Amsterdam gebleven?” vroeg Rudolf. „Daar
+had hij in alle gevallen geld kunnen verdienen.”
+
+„’t Zou pa’s dood zijn geweest, als hij zich in Amsterdam, waar hij
+zulk een staat voerde, zoodanig had moeten verminderen. Daarenboven is
+’t hier veel goedkooper leven dan in de hoofdstad, wat huur, belasting
+en schoolgeld aangaat en waar ook niemand ons kent en we dus zoo
+eenvoudig kunnen leven als we willen.”
+
+„Nu, ’t is er dan ook leven na,” zei Rudolf. „Niet wat mij aangaat; ik
+zou ’t hier best kunnen stellen; maar voor ma en voor jou, die altijd
+gewoon bent geweest om alles te genieten, wat er te genieten was.
+Leonie is maar wat gelukkig, dat ze bij oom en tante in huis is.”
+
+„Wat ma aangaat,” hernam Helène, „zij zou er vrij wat minder onder
+lijden, als pa er zich beter in kon schikken. Maar ’t grieft haar, dat
+pa er zoo onder gebukt gaat.”
+
+„En jij Helène. ’t Is voor jou toch ook een heele verandering.”
+
+„Dat is het, en ik wil niet ontkennen, dat het mij in den beginne hard
+viel. Maar als je denkt, dat ik er onder zou lijden, heb je ’t geheel
+en al mis. Ik ben gelukkiger, dan ik ooit geweest ben: want thans
+gevoel ik, dat ik nuttig ben.”
+
+„Nu, zusje! Wordt er maar niet boos om,” zei Rudolf, terwijl hij haar
+in zijn armen sloot en hartelijk kuste. „Ik ben er van overtuigd, dat
+jij de beste, de braafste, de liefste van ons allen bent, en daarom
+kwam ik eigenlijk hier, om je een vriendelijk verzoek te doen.”
+
+„Wel, wat is dat?” vroeg Helène.
+
+„Dat zal ik je zeggen,” hernam Rudolf. „We zijn op de kostschool met
+elkander overeengekomen, om gedurende de vacantie een model van een
+boot te maken, en meneer Voornvisser, die dat gehoord heeft, was daar
+zoo mee ingenomen, dat hij een prijs heeft uitgeloofd voor de beste,
+die dan zijn eigendom blijft, en in de zijkamer onder een glazen stolp
+zal worden geplaatst. Ik heb er veel hoop op dien prijs te zullen
+behalen, en, al is dat het geval niet, dan zou ik toch niet graag
+zonder model komen. Om echter zoo’n boot te maken, heb ik gereedschap,
+hout en andere dingen noodig. Natuurlijk kost dat geld. En geld heb ik
+niet. Ik durf pa niet vragen; hij kijkt zoo knorrig. Zou jij ’t niet
+voor mij willen doen?”
+
+„Ik?” vroeg Helène. „Hoe komt je dat in de gedachten? Ik durf ’t niet,
+want ik geloof werkelijk dat pa ’t niet kan missen.”
+
+„Nonsens, niet kunnen missen!” riep Rudolf uit. „Ik zal hoogstens een
+gulden of zes, acht noodig hebben!”
+
+„Dat is veel, Rudolf,” antwoordde Helène, haar hoofd schuddend. „Ik
+durf zooveel niet vragen.”
+
+„Je bent toch eigenlijk een bange meid,” zei Rudolf. „Als ik mijn
+vroeger weekgeld kreeg, behoefde ik het niet te vragen. Maar ik heb zoo
+goed als geen geld meer op zak. Je moet begrijpen, dat de reis mij meer
+gekost heeft dan anders. En wat is zes, acht gulden voor pa?”
+
+„Tegenwoordig meer dan je wel denkt,” antwoordde Helène. „En dan vooral
+voor zulk een doel.”
+
+„Ik kan ’t niet helpen,” hervatte Rudolf. „Maar zonder geld kan ik geen
+boot maken. En wat zullen de jongens wel zeggen, als ik er geen heb,
+omdat mijn vader er mij ’t noodige geld niet voor kon geven? Wanneer ik
+als de zoon van een bedelaar op de kostschool moet komen, dan blijf ik
+liever thuis.”
+
+„Dat zou fraai zijn,” zei Helène. „Weet je dan niet, dat pa met groote
+opoffering meneer Voornvisser een jaar kostgeld vooruit betaald heeft,
+opdat je nog zoolang diens onderwijs zoudt kunnen genieten? Ik heb hem
+tegen ma hooren zeggen, dat je schoolgeld hem een derde van zijn
+inkomen kost. Dát maakt, dat hij op andere dingen zuinig moet zijn.”
+
+„Allemaal mooi en wel,” zei Rudolf. „Maar ’t helpt mij wat, als pa mij
+naar een der eerste scholen zendt, waar jongens van de rijkste familiën
+gaan, als ik niet met hen kan meedoen. Ik weet zeker dat hij mij ’t
+geld niet weigeren zal als hij maar weet, waarvoor ’t is. ’t Is immers
+een uitgaaf, om mijn fatsoen op te houden.”
+
+„Ik wou liever, dat je ’t zelf vroeg,” hervatte Helène, wie ’t leed
+veroorzaakte, dat ze haar broer zijn verzoek moest weigeren.
+
+Rudolf bemerkte, dat zijn zuster al wankelde, en met de
+onbedachtzaamheid van een jongen maakte hij er gebruik van.
+
+„Kom, Helène! Doe het maar! Je bent altijd mijn liefste zuster geweest
+en ik zou niet graag kwade vrienden met je worden, ’t zouden aardige
+vacantiedagen zijn, wanneer we geen goede maatjes met elkander waren.”
+
+„Nu ik zal dan gaan, Rudolf,” antwoordde zij met weerzin, en zij ging
+werkelijk naar haars vaders kamer, waar ze aan de deur klopte.
+
+„Binnen!” riep meneer Nederhorst.
+
+„Wat moet jij hier doen?” vroeg hij haar op barschen toon, toen hij
+haar zag binnentreden.
+
+„Pa,” antwoordde Helène bedeesd, „ik kom uit naam van Rudolf, die graag
+had, dat u hem wat geld gaf om een boot te maken.” En hierop legde ze
+hem de zaak uit, zooals haar broer haar die had meegedeeld.
+
+„Je weet zelf, Helène, hoe slecht ik geld kan missen,” antwoordde hij,
+„en kan niet begrijpen, hoe je ’t me kunt komen vragen. Daar is twee
+gulden; meer kan ik niet geven; dus behoef je niet terug te komen.”
+
+Helène wou juist zeggen, hoeveel zij er tegen had gehad, om ’t hem te
+vragen; doch ze durfde niet; want pa keek haar zoo boos aan. Ze nam dus
+de twee gulden op en verliet de kamer.
+
+„Daar, Rudolf,” zeide zij. „Meer heb ik niet kunnen krijgen, en
+daarvoor heb ik pa boos op mij gemaakt.”
+
+„Twee gulden!” riep Rudolf met een lang gezicht uit. „Dat helpt me
+zooveel als niets. Daar kan ik toch geen boot voor maken.”
+
+„Hoor eens, Rudolf,” zei Helène. „Ik heb nog wat in mijn spaarpot, en
+daar wil ik je de overige drie of vier gulden wel van leenen. Maar je
+moet ze me zoo gauw als je je weekgeld ontvangt terugzenden.”
+
+„Ja, jij zult je geld zelf wel noodig hebben,” hernam Rudolf, „je hadt
+niet eens handschoenen aan, toen je me van ’t station kwam halen.
+Waarvoor wou je dan dat geld besteden?”
+
+„Ik heb meer gehad dan ik nog over heb,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t
+alles besteed aan port voor ma, die Trui in ’t geheim voor mij haalt;
+en als ik nu ’t geld niet van je terug krijg, dan....”
+
+„Dan zou ma haar port moeten missen!” riep Rudolf uit. „Hier, Helène!
+leg die twee gulden bij jou geld, dan kan je nog langer port voor ma
+koopen.”
+
+„En dan kom jij zonder boot op school.”
+
+„Beter ik zonder boot dan ma zonder port,” zei Rudolf hartelijk en
+Helène viel hem om den hals en kuste hem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE ERFENIS EENER MOEDER.
+
+
+’t Was den dag na dit gesprek met Rudolf dat Helène, nadat ze ’t een en
+ander had opgeredderd, als naar gewoonte bij haar moeder kwam, om haar
+aan te kleeden.
+
+„Doe mij mijn morgenjapon maar aan,” zei deze. „Ik heb geen lust om mij
+aan te kleeden en beneden koffie te drinken. Ik hoop dat ik tegen het
+eten wat zal opknappen.”
+
+„Bent u dan niet wel, ma?” vroeg Helène bezorgd.
+
+„Ik voel mij slechts wat lusteloos, en heb behoefte aan rust,”
+antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik heb van nacht slecht geslapen en dat
+zal er de oorzaak van zijn.”
+
+„Ik hoop, dat u de rust goed zal doen, ma!”
+
+„Ik hoop ’t ook. Maak je nu maar niet ongerust en ga aan je werk.”
+
+Toen Helène een uur later bovenkwam, vond ze haar mama in slaap. Ze
+sloop op haar teenen weg, om haar niet wakker te maken, en keerde niet
+terug vóor het koffieuurtje had geslagen, om haar een kop koffie en een
+broodje te brengen.
+
+„Ik zal probeeren om het te eten,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar ik heb
+geen trek.”
+
+„Doe het dan, om mij pleizier te doen,” zei Helène. „Wanneer u niet
+eet, wordt u nog zwakker.”
+
+„Nu, ik zal ’t probeeren.”
+
+Helène verliet haar mama, om de koffie boven op pa’s kamer te brengen,
+zooals ze gewoon was; want meneer Nederhorst dronk geen koffie beneden.
+Ze vond hem altijd druk bezig in de boeken, en dan sprak hij geen enkel
+woord. Ze dronk dus vandaag alleen koffie met Rudolf. Na dat
+koffiedrinken ging ze weer naar boven, om ’t kopje en ’t bordje van
+haar moeder te halen.
+
+„Zoodra ik den boel afgewasschen heb, kom ik wat bij u zitten, ma!”
+
+„Dat is goed,” antwoordde deze, „want ik verlang eens met je te
+spreken.”
+
+Helène haastte zich om klaar te komen, en spoedde zich toen naar boven.
+
+„Ga nu eens kalm bij mij zitten,” zei mevrouw Nederhorst.
+
+Helène deed het.
+
+„Kindlief! Ik heb in den laatsten tijd veel, zeer veel hulp en troost
+aan je gehad,” begon mevrouw Nederhorst.
+
+„O, lieve ma! Het maakt mij zoo gelukkig, dat uit uw mond te hooren. Ik
+wou zoo graag, dat ik nog maar meer kon doen.”
+
+„Mij dunkt, dat je wel alles doet, wat je kunt,” antwoordde mevrouw
+Nederhorst. „Ofschoon je er zeker meer pleizier in zoudt gehad hebben,
+om je met lezen of andere dingen te vermaken, heb je al je tijd
+besteed, om mij op te passen, allerlei huiselijke zaken te doen, je
+broertje en zusje bezig te houden, kortom—’t me zoo gemakkelijk te
+maken als maar mogelijk was, door me alles uit de handen te nemen. Dat
+was braaf van je, en je weet niet, hoe mij je liefde in ons ongeluk
+vertroost heeft.”
+
+„Maar, lieve ma! Hoe had ik anders kunnen handelen?” vroeg Helène.
+
+„In alle gevallen, je hebt het gedaan, en ’t heeft mij in mijn verdriet
+getroost. En thans wil ik je zeggen, wat ik je al lang had willen
+mededeelen. Ik heb het al uitgesteld en uitgesteld en had het toch
+vroeger moeten doen. Je zoudt me zeker missen, als ik je eens voor een
+langen tijd verliet, niet waar?”
+
+„U missen? Lieve ma! Hoe zou ik het zonder u kunnen stellen?”
+
+„Indien je wist, dat het tot mijn best was, zou je toch de scheiding
+wel kunnen verduren, niet waar?”
+
+„Als het hielp om u beter te maken, dan zou ik om uwentwil heel blij
+zijn, maar zonder u te leven, zou mij diep ongelukkig maken. Zouden we
+dan niet samen kunnen gaan?”
+
+„Neen, lieve! Dat is onmogelijk,” hernam mevrouw Nederhorst. „Wie zou
+dan voor pa zorgen, als ik hier niet was? Tracht bij hem mijn plaats te
+vervullen, Helène, en bedenk hoeveel verdriet hij heeft gehad en nog
+heeft. Je moet alles doen wat je kunt, om hem ons huis aangenaam en
+vroolijk te maken. Dat wil je toch wel doen, niet waar?”
+
+„Maar, ma! Ik zal uw plaats nimmer kunnen vervullen,” zei Helène. „Ik
+wou liever, dat u niet hoefde te gaan, of dat ik u kon vergezellen.”
+
+„Dat kan niet, lieve. Wel hoop ik, dat ge allen eens bij mij zult
+komen. Begrijp je dan niet, dat ik van mijn heen gaan spreek voor
+altijd, naar den Hemel, waar Gods liefde mij roept?”
+
+Helène barstte in tranen uit—ze kon geen enkel woord spreken. Eindelijk
+stamelde zij:
+
+„Maar voelt u je dan zooveel erger, ma?”
+
+„Ik word van dag tot dag minder, kind. Dagelijks voel ik mijn krachten
+afnemen. Dat verwondert me niet. Dokter Manders voorspelde ’t me al,
+toen we nog in Amsterdam waren, en schreef me voor, om een jaar lang
+naar ’t zuiden van Frankrijk te gaan; kort daarop kwam ’t ongeluk van
+je pa, en ik sprak er niet over. Daarenboven wist ik toch dat het mij
+niet helpen zou, en schrikte ik terug voor het denkbeeld, om een geheel
+jaar van je allen gescheiden te zullen zijn.”
+
+„O, ma! Ik zal ’t nooit zonder u kunnen doen,” zei Helène schreiend,
+terwijl ze haar armen om den hals harer moeder sloeg.
+
+„Bedaard, kind!” zei haar moeder. „Houd je kalm om mijnentwil, en droog
+die tranen.”
+
+„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet!” snikte Helène.
+
+„Je kunt wel, als je God slechts om bijstand smeekt. Ik zal rustig
+heengaan, omdat ik weet, dat jij mijn plaats vervullen en een troost en
+hulp zijn zult voor hen, die ik achterlaat. Beloof je me dat?”
+
+„Dat beloof ik u,” antwoordde Helène.
+
+„Welnu, huil dan ook niet meer. Zoo spoedig denk ik je niet te
+verlaten. Zeg er echter niets van aan je vader; ’t zou hem nog maar
+ongelukkiger maken, dan hij al is. Maar neem nu voortaan, onder mijn
+toezicht, alle huiselijke bezigheden op je; dan ben je er aan gewoon,
+wanneer God mij van je roept. En ga nu heen—ik heb mij wat overspannen
+en ook jij hebt rust en eenzaamheid noodig.”
+
+Een uur later kwam Helène bij haar moeder terug. Ze was nu vrij kalm,
+en in staat, om de beschikkingen aangaande het huishoudgeld en andere
+zaken te hooren, welke zij nu voortaan, altoos onder het toezicht harer
+moeder zou besturen. Dit gedeelte van de opdracht harer moeder vond ze
+heel pleizierig; want zoo kon ze haar vrij wat moeite en last van de
+schouders nemen. Wat haar echter treuriger stemde, toen haar moeder de
+rekening van ontvangsten en uitgaven voor legde, was, dat er niets
+overschoot, hoe zuinig ze ’t ook aanlegde, om haar, de zwakke vrouw,
+dat te verschaffen, wat ze tot versterking noodig had. Ze maakte daar
+aanmerking op.
+
+„Pa kan niet meer geven,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „’t Huishouden
+kost toch al geld genoeg.”
+
+Helène zweeg, maar besloot, haar vader er bij de eerste de beste
+gelegenheid over te spreken. Die gelegenheid kwam dienzelfden middag,
+toen ze aan tafel zaten. Mevrouw Nederhorst had zich te zwak gevoeld,
+om beneden te komen. Toen nu haar vader binnenkwam en zich op zijn
+plaats aan tafel had neergezet, bemerkte hij eerst, dat zijn vrouw er
+niet was.
+
+„Komt ma van daag niet meeëten?” vroeg hij aan Helène.
+
+„Ma voelde zich te zwak, pa,” antwoordde zij.
+
+„Te zwak, om aan tafel te komen? Dat moet dan wel een plotselinge
+verzwakking zijn.”
+
+„Misschien hebt u het niet opgemerkt,” hernam Helène. „Mama is al
+sedert lang zwakker en zwakker geworden. Ze heeft volstrekt geen trek
+in eten, en ’t eenige wat haar nog smaakt, is een kippensoepje, of zoo
+iets. Maar dat alles kost zooveel geld, en ma ontbeert het liever, dan
+u om meer huishoudgeld te vragen. Er zijn zooveel dingen, die haar
+versterken zouden, doch die voor ons te duur zijn.”
+
+„Ik kan ma op dit oogenblik niet meer geven,” zei meneer Nederhorst
+treurig. „Ik had haar juist willen vragen, of ze zich niet met minder
+kon behelpen.”
+
+„O, pa!” zei Helène. „U weet niet, hoe naar zij is.”
+
+„Ik moet met haar spreken,” zei meneer Nederhorst meer tot zich zelf
+dan tot Helène. „De uitgaven moeten hier of daar op verminderd worden.
+Wij kunnen ’t in alle gevallen met eenvoudiger middageten doen, zeg dat
+aan Trui.”
+
+Zwijgend werd de maaltijd genoten; terwijl Rudolf zijn vader boos
+aankeek en slechts met moeite door Helène weerhouden werd, om iets te
+zeggen. Nauwelijks echter was meneer Nederhorst de kamer uit, of de
+knaap riep uit:
+
+„Hoe schandelijk! Ma niet eens te gunnen, wat zij noodig heeft!”
+
+„Maar Rudolf, je hoort immers zelf, dat pa ’t niet missen kan!”
+
+„’t Is verschrikkelijk! Als ik een vrouw had, die ziek was, zou ik
+liever honger lijden, dan dat het haar aan iets ontbrak!”
+
+„Foei, Rudolf! Oordeel toch zoo niet over pa! ’t Doet hem leed genoeg,
+daar kun je op aan. Je behoeft zijn gezicht maar te zien. De goede man
+gaat er onder gebogen!”
+
+Intusschen was meneer Nederhorst, toen hij van tafel opstond,
+regelrecht naar de kamer zijner vrouw gegaan. Hij vond haar in een
+lichte sluimering. Hij knielde naast de sofa neder en beschouwde met
+aandacht dat uitgeteerde gelaat.
+
+Hoe was ’t mogelijk, dat hem dit niet eerder opgevallen was! Wat was ze
+vermagerd en hoe slecht zag ze er uit! Op dit oogenblik werd ze wakker
+en glimlachte vriendelijk, toen ze haar man bij zich zag.
+
+„Hoe is ’t, Marie?” vroeg hij op vriendelijken, angstigen toon.
+
+„Ik heb geen pijn; maar ik voel mij zoo zwak,” antwoordde ze.
+
+„Helène zei, dat je veel erger was. Is dat waar?”
+
+Ze zag hem vriendelijk aan, zonder een woord te spreken. Hoe kon zij,
+door hem de waarheid te zeggen, zijn verdriet nog vermeerderen?
+
+Haar stilzwijgen verontrustte hem.
+
+„Zeg mij, Marie,” zeide hij, „of je denkt, dat je toestand gevaarlijk
+is?”
+
+Thans moest de waarheid er uit, hoe hard het haar ook mocht vallen, die
+te openbaren.
+
+„Ik heb ’t al maanden lang geweten, dat er voor mij geen hoop op
+herstel was,” antwoordde zij.
+
+„Dwaasheid, Marie!” antwoordde hij. „’t Is alleen de werking van je
+zenuwgestel, de verbeelding, die je zwakte je geeft. ’t Is niets, dan
+de verandering in onze maatschappelijke positie, ’t verdriet over die
+verandering en de onaangenaamheden, die je te verduren hebt gehad. De
+ellendige armoede heeft gemaakt, dat je verwaarloosd bent en niet de
+noodige geneeskundige hulp gehad hebt. Morgen ga ik toch naar Amsterdam
+en zal dokter Manders bij je halen, en dan ben je spoedig weer
+dezelfde.”
+
+„Neen, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Denk niet, dat ik
+verwaarloosd ben geworden. Helène heeft mij met alle liefde en
+zorgvuldigheid opgepast. Ook zijn het onze veranderde omstandigheden
+niet, die mijn toestand verergerd hebben. Reeds vóor de slag kwam wist
+ik, dat ik nooit beter zou worden. Ik ben niet zwakker geworden, omdat
+ik meer te doen had; Helène heeft mij dat alles uit de handen genomen.
+Ze heeft nu ’t huishouden ook voor haar rekening. Je weet niet, wat dat
+kind voor mij is.”
+
+„Het doet mij genoegen, dat te hooren,” antwoordde meneer Nederhorst.
+„Toch kan ik ’t niet dulden, dat je je aan zulke inbeeldingen
+overgeeft. ’t Is volstrekt noodig, dat je de zaken uit een lichter
+oogpunt inziet; is het dan niet om jouwentwil, dan om mij.”
+
+„Heusch, Leonard! Ik zou er jou en mij zelf maar door misleiden. Ik kan
+niet lang meer leven; en die gedachte maakt mij niet ongelukkig, dan
+alleen, omdat ik jou dan zou moeten verlaten.”
+
+„Geen woord meer daarover, Marie. Dokter Manders komt morgen of
+overmorgen en dan zal je ’t wel anders inzien. Rust nu maar wat; ik heb
+nog wat te schrijven en moet je nu alleen laten.”
+
+Toen hij de kamer verlaten had, kwam hij Helène op ’t portaal tegen.
+
+„Ik heb van ma gehoord, dat je tegenwoordig huishoudster bent. Zeg aan
+Trui, dat zij alles voor haar klaar maakt, waar ze maar trek in heeft
+en kom slechts bij mij om geld. Zuinig echter in ’t huishouden uit, wat
+je kunt. Je moeder moet aan niets gebrek hebben.”
+
+„Dat zal ik doen, pa!” zei Helène.
+
+„En tracht haar zooveel mogelijk op te vroolijken,” hernam hij. „Ze
+heeft opbeuring noodig. Laat haar daarom zoo weinig alleen, als
+volstrekt noodig is, hoor!”
+
+Helène was recht in haar schik over deze woorden van haar vader. Zoo
+had ze hem in lang niet tegen haar hooren spreken; ze kwam dus met een
+opgeruimd gelaat de kamer van haar moeder binnen. Ze vond haar in
+tranen.
+
+„O, ma! U moet niet zoo verdrietig zijn,” zeide zij. „Pa kan ’t vast
+wat beter doen, want hij heeft mij daar juist gezegd, dat ik, als ik
+extra geld voor u noodig had, maar bij hem moest komen, en hij was
+vriendelijk tegen mij. Vindt u dat niet heerlijk, ma!”
+
+„Pa is zoo goed, Helène, al toont hij dat uiterlijk niet,” zei mevrouw
+Nederhorst, haar tranen drogende. „O, Helène, het bedroeft mij zoo dat
+pa maar niet gelooven wil in welk een gevaarlijken toestand ik mij
+bevind. Als ik eens stierf, zou hij ’t zooveel te zwaarder voelen!”
+
+Op dit oogenblik werd de deur der kamer met groot geweld opengedaan en
+kwam Rudolf, doodsbleek en verschrikt aanloopen. ’t Bloed liep
+tappelings uit zijn hand, waarin hij zich een diepe snee tusschen duim
+en vinger had toegebracht.
+
+„Wat heb je uitgevoerd, Rudolf?” vroeg de verschrikte moeder, die van
+de sofa opstond en geweldig aan de schel trok.
+
+„Ik heb mij zoo vreeselijk gesneden!” zei Rudolf.
+
+„Trui! Loop eens terstond naar den eersten dokter den beste. Zie eens,
+hoe Rudolf zich gesneden heeft.”
+
+Trui liep terstond heen, en kwam spoedig met een dokter terug. ’t Was
+niemand anders dan dokter Faminga, dien ze toevallig dicht bij ’t huis
+ontmoet en te hulp geroepen had. De goede man, wien ze in een paar
+woorden ’t voorgevallene had medegedeeld, had geen oogenblik geaarzeld,
+om aan ’t verzoek der oude dienstmaagd te voldoen en was haar ’t huis
+in en den trap op gevolgd.
+
+Terstond liet hij zich ’t noodige linnen geven en verbond hij de hand
+van Rudolf; maar mevrouw Nederhorst zag niet zoodra dat haar zoon hulp
+had, of haar geestkracht ontzonk haar, en overspannen als ze geweest
+was, viel ze bezwijmd op de kanapé neer.
+
+Nadat dokter Faminga de hand van den knaap verbonden had, begaf hij
+zich naar de bezwijmde moeder, en ’t gelukte hem, haar door de
+aanwending van eenig vlugzout, dat hij toevallig bij zich had, tot
+bewustzijn terug te brengen. In dien tusschentijd was meneer
+Nederhorst, door Trui gewaarschuwd, die hem eenige bijzonderheden
+aangaande ’t bevinden van den dokter had meegedeeld, op de kamer
+gekomen. Toen nu zijn vrouw weer bij bewustzijn was, wendde hij zich
+tot den dokter.
+
+„Wat ben ik u schuldig, meneer?” vroeg hij.
+
+„Ik neem geen geld voor visites, mijnheer,” antwoordde dokter Faminga.
+„Ik ben geen practiseerend geneesheer meer.”
+
+„Dat is mij hetzelfde. Ik verlang u te betalen.”
+
+„Ik kan geen geld aannemen, meneer! en ik zou ’t niet mogen doen ook;
+daar ik geen patent meer heb. Vergun mij morgen eens terug te komen en
+naar de beide patiënten te zien. Hier is mijn kaartje.”
+
+Dit zeggende reikte hij meneer Nederhorst zijn kaartje over.
+
+„In ’t geheel niet,” antwoordde deze trotsch. „Ik verlang geen
+aalmoezen aan te nemen, en ’t allerminst van iemand, die vast schijnt
+voorgenomen te hebben zich in mijn huis te dringen.”
+
+„Ik ben niet in uw huis gedrongen, meneer Nederhorst,” zei dokter
+Faminga op een toon die aantoonde, hoe zeer hij zich beleedigd achtte
+over den onbeleefden uitval van meneer Nederhorst. „De wond van uw zoon
+heeft verdere hulp noodig, indien u niet wilt, dat hand of duim stijf
+worden. Gevaarlijker echter is de toestand uwer vrouw. Ze heeft
+onmiddellijk geneeskundige hulp noodig.”
+
+„Daar zal ik wel voor zorgen,” antwoordde meneer Nederhorst, die nu
+begon te denken dat het dokter Faminga was, die ’t hoofd van zijn vrouw
+met al die inbeeldingen van sterven had vervuld.
+
+Den volgenden morgen vertrok meneer Nederhorst voor zijn zaken naar
+Amsterdam, en verzocht dokter Manders met hem mee te gaan, om zijn
+vrouw eens te komen zien.
+
+„Wat is uw oordeel?” vroeg hij, toen dokter Manders haar gezien had en
+zij op meneers kamer waren.
+
+„De zaak is uiterst kritiek,” antwoordde de dokter. „Ik mag u met geen
+valsche hoop vleien. Herstelling is onmogelijk, er kan zelfs
+onmiddellijk alle gevaar bij komen. Ik had het reeds te Amsterdam
+voorspeld. Een badkuur had haar misschien toen kunnen redden; doch ’t
+is nu onmogelijk.”
+
+„Overdrijving, dokter, niets dan overdrijving!” riep meneer Nederhorst
+uit. „Mijn vrouw heeft zich hier door iemand, die zich den titel van
+dokter geeft, laten wijsmaken, dat ze een doodelijke kwaal heeft,
+waarvan geen herstel mogelijk is, en nu is haar zwakke zenuwgestel
+daardoor aangetast. Lastige en gevaarlijke menschen, die zich indringen
+in iemands huis en dan zulke adviezen geven.”
+
+„Welnu, meneer! Als u dan op mijn oordeel niet vertrouwt,” zei dokter
+Manders, „laat ons dan consult houden met een der hier wonende
+doctoren. Dan hebt u tevens een practiseerend geneesheer; want u weet,
+welk een drukke praktijk ik heb, en dat het mij bijna onmogelijk is,
+zelfs een enkele maal over te komen.”
+
+Meneer Nederhorst voelde waarschijnlijk wel, dat dokter Manders hem
+niet op zulke ontzaglijke kosten wilde jagen als een dagelijksche
+overkomst uit Amsterdam natuurlijk na zich zou sleepen; tevens begreep
+hij, dat hij zijn toevlucht zou moeten nemen tot een der Weesper
+geneesheeren die dan met dokter Manders correspondentie kon houden.
+„Waarschijnlijk weet u wel, dokter, wie hier voor den knapsten dokter
+gehouden wordt,” zei meneer Nederhorst.
+
+„Dokter Van Esch wordt zeer geroemd,” antwoordde dokter Manders.
+
+Meneer Nederhorst zond Trui naar dokter Van Esch, met verzoek of hij
+terstond bij hem wilde komen. Weldra verscheen dokter Van Esch en werd
+door den Amsterdamschen geneesheer op de hoogte gebracht van den
+toestand der zieke. Daarna bezochten zij gezamelijk de zieke, en
+beloofde hij haar te zullen behandelen en zijn Amsterdamschen collega
+op de hoogte te houden, die dan van tijd tot tijd eens zou over komen.
+Eenige weken waren verloopen en ’t scheen, dat mevrouw Nederhorst,
+onder de dagelijksche geneeskundige behandeling en de zorgvuldige
+oppassing harer dochter begon op te knappen. Dokter Manders kwam
+geregeld elken Zondag om de veertien dagen over en toonde zich zeer
+tevreden over den voortgang der ziekte; doch, wanneer meneer Nederhorst
+hem bij ’t heengaan vroeg, hoe hij de patiënt vond, schudde hij steeds
+het hoofd.
+
+„Altijd in een hoogstgevaarlijken toestand,” zeide hij. „Laat u door
+die schijnbare beterschap niet misleiden. Ik ken die gestellen:
+eensklaps komt er, zonder dat men er de oorzaak van kan vermoeden, een
+verandering en ze ontvallen ons, eer we ’t vermoeden. Vlei u daarom nog
+niet; wat de zomer kan uitwerken, is een zaak, die ik niet kan
+bepalen.—Op dit oogenblik verkeert uw vrouw nog steeds in een toestand,
+waarop in ’t geheel niet te bouwen is.”
+
+„Zwaarhoofd!” zei meneer Nederhorst dan als hij den dokter had
+uitgelaten. „’t Komt omdat hij haar niet alle dagen ziet. Dokter Van
+Esch, die toch ook een knap man is, geeft mij alle hoop, zoo niet op
+geheel herstel, dan toch op behoud.”
+
+Wie kan ’t den armen man kwalijk nemen, dat hij, ziende hoe zijn vrouw
+opknapte, meer vertrouwen in den Weesper geneesheer stelde, die hem
+hoop op een voor hem reeds zichtbare beterschap gaf, dan in den
+Amsterdamschen, dien hij oordeelde, dat door een te donkere bril zag.
+
+Mevrouw Nederhorst echter bleef haar positie slechts al te goed
+gevoelen; want ofschoon ze zich beter gevoelde en geen pijn meer leed,
+bleef haar toch, ondanks de schijnbare toeneming harer krachten en
+hoewel ze er beter uitzag, steeds dat gevoel van zwakte bij, dat haar
+voortdurend belette, iets te doen, ja, zich zelf te helpen. Ze zei er
+echter niemand iets van, zelf niet aan Helène, die even als haar vader,
+aan de stellige beterschap der zieke geloof sloeg.
+
+„Zeg aan Trui, dat ze schoon linnengoed in mijn reistasch doet,” zei
+meneer Nederhorst op zekeren dag tegen Helène, toen hij van tafel
+opstond. „Ik ga morgen ochtend vroeg op reis.”
+
+„Wel, pa, dat zal ik zelf wel doen,” antwoordde Helène. „U blijft toch
+niet lang weg, hoop ik.”
+
+„Langer dan anders; stellig een dag of drie,” antwoordde meneer
+Nederhorst, op vriendelijken toon. „En op mijn terugreis ga ik bij oom
+Walburg aan en denk Leonie mee te brengen. Ze is hier al een heelen
+tijd niet geweest, en daarenboven, je hebt het tegenwoordig zoo druk,
+dat ze wel eens een paar weken mag komen helpen.”
+
+Na afscheid van zijn vrouw genomen te hebben, die hij met een gerust
+hart verliet, kuste hij Helène goeden dag.
+
+„Zorg goed voor ma, Helène,” zeide hij. „Ze is je volkomen
+toevertrouwd.”
+
+Met deze woorden verliet hij ’t huis.
+
+Toen ze, na haar broertje en zusje te bed gebracht te hebben, bij haar
+moeder binnenkwam om haar volgens gewoonte den geheelen avond
+gezelschap te houden en haar wat voor te lezen, zei mevrouw Nederhorst:
+
+„Laat het boek vooreerst maar toe; ik wenschte eens met je te spreken.”
+
+Helène dacht, dat dit het een of ander over huiselijke zaken zou zijn,
+en zette zich neder, om oplettend te luisteren.
+
+„Hoor eens, Helène, pa denkt, dat ik buiten gevaar ben, omdat ik geen
+pijn meer heb en er beter uitzie, en dokter Van Esch schijnt dit ook te
+gelooven; maar dokter Manders weet het wel beter. En als hij ’t niet
+beter wist, dan zou ik het wel beter gevoelen. Ik zal niet lang meer
+bij je zijn.”
+
+„Maar, lieve ma! Hoe kunt u zoo iets denken. Zie u zelf maar in den
+spiegel, en dan zult u bemerken, dat u er veel beter uitziet dan u
+gedaan hebt. En wat hebt u rustige nachten; en in ’t geheel geen pijn
+meer...”
+
+„Dat alles is volkomen waar,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik kan
+er God niet dankbaar genoeg voor zijn, dat Hij mij zulke kalme,
+pijnlooze dagen schenkt. Maar ik voel, dat ik er wel eens plotseling
+uit kon zijn. En daarom, lieve, wil ik er je op voorbereiden; opdat de
+slag je niet te onverwachts moge treffen.”
+
+„Nu, ik hoop dat dokter Van Esch de waarheid spreekt, en u weer geheel
+beter wordt,” zeide Helène.
+
+„We willen ’t hopen, kind,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Doch hopen
+is nog geen gelooven. Geloof mij, vertrouw niet te veel op een
+beterschap, die bedriegelijk is. In alle gevallen wil ik gebruik maken
+van den tijd, dien ik nog bij je ben.”
+
+Een oogenblik zwegen beiden, zooals ’t wel meer gaat, wanneer men
+elkander niet kan overtuigen. Daarop hervatte mevrouw Nederhorst:
+
+„Geef mij mijn juweelkistje eens aan, lieve!”
+
+Helène gaf het haar.
+
+„Daar is weinig van overgebleven,” hernam haar mama, „’t meeste heb ik
+opgeofferd, om onze zaken te redderen. Doch dat weinige wil ik onder
+mijn kinderen verdeelen. Als ik kom te sterven, zal jij voor de
+uitvoering daarvan zorgen, niet waar?”
+
+„Maar, lieve ma!” riep Helène uit, terwijl haar de tranen in de oogen
+sprongen. „’t Is, alsof u op het punt bent van te sterven.”
+
+„We zijn alle dagen in doodsgevaar, kindlief,” antwoordde mevrouw
+Nederhorst ernstig. „En ’t is beter, dat ik het nu doe, dan dat ik het
+uitstel tot dat ik op mijn sterfbed lig. Krijg nu even wat papier, pen
+en inkt”.
+
+Hierop pakte haar ma een paar juweelen oorbellen in, en wou er iets op
+schrijven; doch haar hand beefde te veel.
+
+„Schrijf jij ’t Helène, maar verzegel ’t eerst met mijn cachet.”
+
+Nadat dit gedaan was, zeide zij:
+
+„Schrijf: Voor Leonie, ter gedachtenis aan haar liefhebbende moeder.
+Haar te overhandigen, wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft.”
+
+Toen Helène dit gedaan had, werd het pakketje weer in ’t juweelkistje
+gelegd. Een ander pakje werd gemaakt van een juweelen ring en daarop de
+naam van Dora geschreven; toen een juweelen speld voor Rudolf, een
+gouden ketting voor Alfred, en een keurig bijbeltje, dat ze dagelijks
+gebruikt had, met een paar andere boeken voor haar man.
+
+„En nu, Helène, is ’t jou beurt,” hervatte mevrouw Nederhorst. „Dit,
+met diamanten omzette horloge met gouden ketting is voor jou. Ik kreeg
+het eens, in onze gelukkige dagen, van je vader, toen je geboren werdt.
+Het komt je dus toe. Bewaar het trouw en zorg er voor als voor de
+dierbare erfenis van je overleden moeder. Maar ik weet, dat je dit doen
+zult.”
+
+Met tranen in de oogen beloofde Helène dat zij er de grootst mogelijke
+zorg voor zou dragen en het boven alles zou waardeeren; maar dat zij
+hoopte, ’t nog in geen jaren in bezit te zullen krijgen.
+
+„Ga nu aan ’t lezen, kindlief!” zei haar moeder; terwijl ze vermoeid
+van die inspanning in de kussens, die op haar sofa gelegd waren,
+terugzonk. Helène las een hoofdstuk uit het boek waaraan zij bezig was.
+’t Was een godsdienstig werk; waarin veel over de vreugde in den Hemel
+kwam. Toen ze ’t hoofdstuk uit had, zei mevrouw Nederhorst:
+
+„Roep Trui, dan kun je me samen naar bed brengen. Ik ben moe.”
+
+Helène voldeed aan den wensch harer moeder, en riep Trui. Met haar
+beiden brachten ze de zieke te bed, die van avond zoo zwak was, dat ze
+haar bijna in ’t bed moesten dragen.
+
+„U bent erger, ma! Laat Trui naar den dokter gaan!” zei Helène.
+
+„Volstrekt niet. Ik ben wat erg zenuwachtig. Geef mij wat van mijn
+druppels.”
+
+Helène gehoorzaamde en gaf haar mama in.
+
+„Dat doet me goed,” zei mevrouw Nederhorst. „Ziezoo, nu bedaart het al
+wat.”
+
+„Maar wezenlijk, ma; laat Trui naar den dokter gaan,” smeekte Helène.
+„Is het dan niet om u, laat het dan voor mij zijn. Daarenboven, als u
+eens iets overkwam, zou ik ’t voor pa niet kunnen verantwoorden.”
+
+„Nu, ’t is goed,” zei mevrouw Nederhorst, „Trui, loop even naar den
+dokter en vraag hem, of hij vóor den nacht nog eens aankomt.”
+
+„Ik zal dadelijk gaan, mevrouw,” zei Trui. „En u doet goed, dat u hem
+laat komen. ’t Is altijd een gerustheid voor den nacht.”
+
+Trui vertrok.
+
+„Hoe voelt u je nu?” vroeg Helène.
+
+„Veel beter dan straks. De druppeltjes hebben mij goed gedaan.
+Eigenlijk is de visite van de dokter overtollig.”
+
+„’t Is voor onze gerustheid, ma!” antwoordde Helène. „U was daar straks
+zoo naar. Als de dokter er geweest is zal ik mijn bed hier op de kamer
+laten brengen; want ik laat u niet alleen.”
+
+„Dat is goed”, antwoordde mevrouw Nederhorst. „Als ik dan wat noodig
+heb, kan ik je roepen.”
+
+Spoedig kwam Trui met dokter Van Esch terug. Hij voelde den pols der
+zieke.
+
+„U hebt u erg zenuwachtig gemaakt, mevrouw,” zei hij, „en moet alle
+overspanning vermijden. Hebt ge al van de druppels gebruikt, die ik u
+voorgeschreven heb?”
+
+„Mijn dochter heeft ze mij daar straks ingegeven,” antwoordde zij.
+
+„Welnu, vóor den nacht nog eenmaal; dan zult ge zeker een goeden slaap
+hebben en u morgen wel beter gevoelen. Ik kom mijn eerste visite bij u
+maken.”
+
+Helène liet den dokter uit.
+
+„Vindt u ma werkelijk niet erger?” vroeg zij.
+
+„Wees niet al te bezorgd, kindlief,” zei hij; „doch bespaar ma alle
+mogelijke aandoening. Is er ook reden voor, dat ze zich zoo zenuwachtig
+heeft gemaakt?”
+
+„Ze sprak van avond over haar aanstaande heengaan en heeft eenige
+beschikkingen gemaakt bij geval zij kwam te overlijden,” zei Helène.
+
+„Alles verkeerd,” zei de dokter. „Praat maar zoo weinig mogelijk met
+haar en zie haar iets voor te lezen, dat haar afleiding geeft. Ze moet
+om andere dingen denken, of slapen. ’t Is een ongelukkig verschijnsel
+van haar ziekte, dat de patiënt zich steeds opwindt.”
+
+Toen Helène weer in de kamer van haar moeder terug kwam, was Trui reeds
+bezig, om het beddengoed in het vertrek te brengen. Helène hielp haar,
+en weldra was haar bed gespreid. Haar mama had echter een gerusten
+nacht en sliep veel. Slechts tweemalen had ze Helène gewekt.
+
+Toen de dokter den volgenden dag kwam, vond hij zijn patiënt erg mat.
+Hij beval dus, dat ze maar even zou opzitten en verder den geheelen dag
+te bed zou blijven.
+
+„Is ’t ook noodig, om pa te telegrapheeren?” vroeg Helène.
+
+„Volstrekt niet,” zei de dokter. „Waartoe zou dat dienen? ’t Is een
+tijdelijke achteruitgang, die zich spoedig zal herstellen. Ik kom van
+avond tijdig terug; is het dan noodig, welnu, dan is het tijd genoeg.”
+
+Mevrouw Nederhorst scheen dien dag vrij wat op te knappen. Ook de
+dokter vond haar dien avond wat beter. Doch dokter Manders had de zaak
+beter ingezien.
+
+Toen Helène dien avond naar bed zou gaan, en ze haar moeder goeden
+nacht kuste, zei deze:
+
+„Morgen komt pa met Leonie, niet waar?”
+
+„Hoe dat, ma? Voelt ge u dan weer minder?”
+
+„Neen, dat niet; maar ik zal toch blij zijn, als pa weer thuis is. Nu,
+goeden nacht, Helène. Als ik wat noodig heb, zal ik je roepen.”
+
+Helène legde zich niet zonder ongerustheid op haar kermisbed neder.
+Tweemalen stond ze nog op, en bevond, dat haar moeder gerust sliep.
+Door den slaap overmand was zij weldra in diepe rust verzonken. Reeds
+vroeg in den morgen werd ze wakker, sprong op en snelde naar ’t bed der
+zieke. Geen ademhaling liet zich hooren. Eerst meende Helène, dat haar
+moeder gerust sliep en wilde ze een kus op ’t bleeke voorhoofd drukken.
+Doch met een gil deinsde ze terug: dat ijskoude voorhoofd gaf haar te
+kennen, dat die lieve moeder dezen nacht tot de eeuwige rust was
+ingesluimerd.
+
+„O, mijn God!” riep zij. „En ik heb geslapen! Misschien heeft ze mij
+nog geroepen. Misschien is ze benauwd geweest!”
+
+Doch een blik op dat stil en rustig gelaat met dien vriendelijken
+glimlach om den mond, bewees maar al te zeer, dat de zieke van den
+slaap in den dood was overgegaan!
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ZWARE LAST OP ZWAKKE SCHOUDERS.
+
+
+Op den gil van Helène was Trui verschrikt komen toeschieten. ’t Was aan
+haar trouwe borst, dat het arme kind zich wierp en in tranen
+uitbarstte. De goede dienstmeid zag terstond wat er gebeurd was en
+poogde haar te troosten.
+
+„O, Trui! Wie had dat gedacht!” snikte ze. „En gisterenavond vond de
+dokter haar nog al redelijk.”
+
+„Ik heb het wel gevreesd, jongejuffrouw,” zeide Trui. „Die erge zwakte
+beviel mij niet. Men ziet het wel eens meer met zulke zwakke menschen,
+dat ze ons ontvallen, voor men er op verdacht is. Dokter Manders had er
+al van den beginne een zwaar hoofd in. Laatst, toen hij hier was,
+hoorde ik hem tot uw papa zeggen: Reken niet te veel op die beterschap,
+meneer! zulke patiënten ontvallen ons dikwerf plotseling.”
+
+„Loop terstond naar den dokter en vraag hem, of hij dadelijk hier komt.
+Het kon wel eens een flauwte zijn, die veel op den dood geleek.”
+
+„’t Kan zijn,” zeide Trui in zichzelf, „ofschoon ik er aan twijfel.”
+
+Een oogenblik later was Trui de deur uit en naar dokter Van Esch, die
+weldra met haar meekwam, en bevestigde, dat mevrouw Nederhorst
+werkelijk gestorven was.
+
+„’t Is mij onverklaarbaar,” zei hij. „Is er gisteren nadat ik weg was,
+ook iets met mama gebeurd?”
+
+„Volstrekt niets,” antwoordde Helène. „Alleen scheen ze zich doodzwak
+te gevoelen. Wel vroeg ze, wanneer pa en mijn zuster Leonie
+terugkwamen.”
+
+„Zonderling!” hernam de dokter. „Ik had zoo gehoopt, dat we die zwakte
+zouden overwinnen. Dokter Manders heeft het mij wel voorspeld; trouwens
+hij kende haar gestel beter dan ik, omdat hij jaren lang over haar
+gepractiseerd heeft. Papa is nog uit de stad, niet waar?”
+
+„We verwachten hem vandaag thuis,” antwoordde Helène. „O, ’t zal een
+slag voor hem zijn!”
+
+„Er is geen twijfel aan, of mevrouw is dood,” zei de dokter tot Trui,
+toen deze hem uitliet. „Tracht de jongejuffrouw uit de sterfkamer te
+verwijderen.”
+
+Trui deed wat haar bevolen was, en overreedde Helène om haar broertje
+en zusje te gaan kleeden. Dan kon zij met hen terugkomen, om hun de
+gestorven moeder te laten zien. Helène deed werktuigelijk wat Trui
+zeide, en in dien tusschentijd verrichtte Trui de gewone plichten aan
+de afgestorvene; „want,” zeide ze, „geen vreemde hand zal mijn lieve
+mevrouw aanraken.”
+
+Toen Helène met de beide kinderen binnentrad, lag haar moeder met
+gevouwen handen, als bad ze in haar slaap. Dora en Alfred hadden niet
+het minste begrip van dood en vroegen of ma nu niet wakker zou worden.
+
+„Neen, lieve Dora,” antwoordde Helène. „Ma slaapt, om te ontwaken bij
+onzen lieven Heer.”
+
+„Maar ik wou liever dat ma wakker werd,” zei Alfred.
+
+„En dat ze bij ons bleef,” voegde Dora er bij.
+
+„Dat kan niet,” antwoordde Helène; terwijl ze met de kinderen de kamer
+verliet.
+
+„Moeten we niet naar school, Helène?” vroeg Dora, nadat ze ontbeten
+hadden.
+
+„Vandaag niet,” antwoordde Helène. „Ga nu maar zoet wat samen spelen,
+hoor.”
+
+„We zullen heel stil zijn, om ma niet wakker te maken,” zei Alfred.
+
+„Dat is heel goed,” antwoordde Helène treurig.
+
+Met den middagtrein kwam meneer Nederhorst terug. Op raad van den
+dokter had Helène geen luiken gesloten. Daar hij niet juist den trein
+had bepaald, waarmee hij zou thuiskomen, was hij er niet verwonderd
+over, dat Helène hem niet van ’t station kwam halen—daarenboven
+oordeelde hij ’t beter, dat ze bij haar moeder bleef. Helène keek door
+de vensters, en toen ze hem den weg zag afkomen met Leonie naast hem,
+klopte haar hart geweldig. Toch vond ze kracht genoeg, om naar beneden
+te snellen en hem open te doen.
+
+„Hoe is ’t....?” doch eensklaps zweeg hij, toen hij haar beschreid
+gelaat zag. „Is er wat met ma?” vroeg hij angstig.
+
+„O, pa! Iets verschrikkelijks!” snikte Helène. Meneer Nederhorst
+wachtte geen verdere verklaring af, maar snelde zonder een enkel woord
+te spreken naar de kamer zijner vrouw. Helène liep hem na; doch toen ze
+aan de geopende kamerdeur kwam, was ze er juist bijtijds, om haar
+ongelukkigen vader als levenloos op den grond te zien storten. Een
+oogenblik later was Trui bij haar.
+
+„Jongejuffrouw,” zei deze. „Ik kan uw papa onmogelijk verlaten, en toch
+heeft hij een dokter noodig. Als u eens naar dokter Van Esch wilde
+loopen. Terwijl zal ik mijn best doen, om uw papa bij te brengen.”
+
+„Ik zal terstond gaan, Trui,” antwoordde Helène, die bleek zag van den
+schrik, en ze snelde naar haar kamer om zich aan te kleeden. Toen ze
+juist de deur wilde uitgaan, hoorde ze de stem van Leonie die haar
+riep.
+
+„Wat is er toch gebeurd?” vroeg deze. „Dora en Alfred vertellen mij,
+dat ma slaapt. Is dat een thuiskomst! Was ik maar in Amsterdam
+gebleven!”
+
+„Wat er gebeurd is, Leonie!” riep Helène uit. „Heb je het niet
+begrepen? Ma is van nacht gestorven!”
+
+„Ma dood!” riep Leonie uit. „En waarom mij dat niet dadelijk gezegd? O,
+moest ik daarvoor hier komen!”
+
+Helène liet haar een oogenblik uitschreien.
+
+„Zet je hoed op, en ga met mij mee om den dokter te halen. Pa heeft een
+flauwte gekregen.”
+
+„Ik mee de straat op! Dat kun je begrijpen,” antwoordde Leonie. „Laat
+mij maar uithuilen; want die tijding is verschrikkelijk.”
+
+Helène antwoordde niets meer, maar snelde alleen het huis uit, den weg
+op naar dokter Van Esch.
+
+Hij was gelukkig thuis, en hij ging terstond met haar mede. Hij vond
+meneer Nederhorst nog bewusteloos, bracht hem met behulp van Trui naar
+zijn kamer, waar ze hem uitkleedden en te bed legden.
+
+„Er zal vannacht bij hem gewaakt moeten worden,” zei de dokter. „Hoe
+zult u dat doen?”
+
+„O,” zeide Helène. „Ik zal wel in den voornacht waken: dan kan Trui ’t
+in den nanacht doen.”
+
+„Heel goed; maar dat kunt u niet lang uithouden,” zei de dokter. „Hebt
+u geen familie, die u kan helpen?”
+
+„Mijn oom Walburg, de eigen broer van ma, woont in Amsterdam,” zei
+Helène. „Ik zal hem van avond schrijven; dan kan hij maatregelen
+nemen.”
+
+„Dat is goed,” antwoordde de dokter. „Maar uw vader heeft volstrekt
+stilte noodig. Hoe zult ge ’t met die twee kleinen maken, die toch,
+zoolang uw moeder boven aarde staat, niet naar school kunnen gaan. Dan,
+zooals u me vertelde, is daar nog uw zuster Leonie, wier handen
+natuurlijk verkeerd staan en die de drukte maar vermeerdert!”
+
+„Leonie zal misschien wel naar Amsterdam terug willen,” zei Helène. „’t
+Ergst is, dat zij daar ’s avonds zal aankomen.”
+
+Dokter Van Esch dacht een oogenblik na.
+
+„Ik heb er een middel op gevonden,” zei hij, en schreef op een
+receptenpapier het volgende telegram:
+
+
+ „Walburg, Keizersgracht, Amsterdam.
+
+ Uw zuster erger. Uw zwager ziek. Kom zoodra mogelijk. Leonie komt
+ trein 7.5 uur terug.
+
+ Van Esch.”
+
+
+„Laat Leonie nu in der haast wat gebruiken, dan neem ik haar mee naar
+’t station en verzend eerst het telegram. Verder zal ik met mijn vrouw
+afspreken, om voorloopig voor van nacht en morgen de kinderen bij ons
+te houden. Dan hebt ge in zooverre rust. Uw oom krijgt dan eerst het
+telegram; daarna door Leonie de doodtijding.”
+
+„Ik hoop, dat Leonie er niet tegen heeft,” zei Helène. „Misschien
+wenscht ze te blijven.”
+
+„Des te beter; dan kan ze u behulpzaam zijn.”
+
+„Ik zal ’t haar gaan vragen,” hervatte Helène; die zich naar haar
+zuster begaf, en haar vertelde, wat de dokter voornemens was te doen.
+
+„O, ja!” zei Leonie. „Laat mij liever naar Amsterdam terugkeeren; want
+hier is het alles zoo somber en zoo akelig.”
+
+„Dan zal ik voor wat eten zorgen en kunnen de kinderen tegelijk mee
+eten; want die gaan van nacht naar dokter Van Esch logeeren.”
+
+Spoedig had zij het eten opgedischt, en gebruikten Leonie, Dora en
+Alfred het middagmaal. Zij zelf kon niets binnen krijgen; ze was er te
+vol toe. Intusschen had dokter Van Esch het telegram weggebracht. Toen
+hij weerom kwam, was de maaltijd afgeloopen, en nadat hij nog eens naar
+den zieke gekeken en Leonie het lijk harer moeder gezien had, begaf hij
+zich met Leonie naar ’t station, waar hij haar op den trein van 7 uur 5
+minuten plaatste en daarop naar huis ging, om met zijn vrouw over ’t
+ontvangen der beide jongste kinderen te spreken, welke weldra door zijn
+dienstbode gehaald en naar zijn huis gebracht werden.
+
+Den volgenden morgen reeds met den eersten trein kwam oom Walburg in ’t
+sterfhuis aan. Hij vond Helène nog aan ’t bed van haar vader. Ze viel
+hem snikkend om den hals.
+
+„O, hoe goed van u, dat u zoo dadelijk gekomen bent!” riep ze uit, toen
+de eerste droefheid wat bedaard was.
+
+„En hoe slecht van jou, om den heelen nacht te waken!” zeide hij. „Je
+zult zelf ook nog ziek worden. Waarom heb je Trui niet geroepen?”
+
+„Omdat het goede mensch den heelen dag voort moet en ik straks naar bed
+kan gaan, oom,” antwoordde zij.
+
+„Waarom dan Leonie niet hier gehouden? Die had je ten minste kunnen
+aflossen.”
+
+„Haar wil is wel goed, oom, maar ze zou ’t niet kunnen doen.”
+
+„Hoe gaat het nu met je vader?” vroeg meneer Walburg.
+
+„Nog steeds bewusteloos,” antwoordde Helène. „Van nacht scheen hij even
+bij kennis te komen; maar ’t was gauw over. Dokter Van Esch komt zeker
+wel dadelijk.”
+
+„Laat Trui je even bij pa aflossen, Helène. Dan kun je mij bij ma
+brengen; daarna wenschte ik je te spreken.”
+
+Helène ging Trui roepen; daarna vergezelde zij haar oom naar ’t lijk
+zijner zuster.
+
+„Ze rust nu van haar lijden,” zeide hij; „en jij, lief kind! hebt haar
+laatste levensdagen verhelderd. Met een kalm oog kan je de lieve
+gestorvene nastaren, die zeker met een blik van welgevallen uit den
+Hemel op je nederziet. Uit de brieven van je lieve moeder weet ik, wat
+je voor haar geweest bent, sedert het ongeluk je vader getroffen heeft.
+Blijf dat voor je vader, lieve! En vindt je niet altijd bij hem den
+dank en de erkentelijkheid, die de gestorvene je bewees—denk dan
+slechts aan haar, die hem zoo innig liefhad; denk er aan, hoe diep
+ongelukkig hij is, nu er dit verlies is bijgekomen.”
+
+„Ik heb ’t ma beloofd, oom!” zei Helène schreiende, „en ik beloof ’t u
+ook. Ik zal voor pa zijn, wat ik voor hem wezen kan.”
+
+Helène was er erg verguld mee, toen haar oom met haar in de huiskamer
+ging, en daar met haar raadpleegde alsof zij de vrouw des huizes was.
+Trouwens, hoe jong ook, was ze dit op het oogenblik; daarbij was ze in
+de laatste maanden in haar handelen en denken vrij wat ouder en wijzer
+geworden, en had van haar moeder verscheiden inzichten in zaken
+gekregen, welke men van een zestienjarig meisje niet zou verwachten.
+Zoo bepaalden zij, dat oom, die zoo onverwachts zijn huis had verlaten,
+na de behoorlijke maatregelen tot de begrafenis vastgesteld te hebben,
+na ’t koffiedrinken zou vertrekken en de beide kleintjes met zich zou
+nemen; dat Helène voor de bezorging van hun goed zou zorgen en dat op
+den trein laten brengen, en dat ze dien avond Rudolf zou schrijven en
+hem geld zenden, om onverwijld over te komen. Wat den rouw aanging,
+daar zou tante wel voor zorgen; als Helène hem maar een maatjapon
+meegaf, welke ze best in den koffer, waarin ’t goed van de kleintjes
+gezonden zou worden, kon sluiten. Tante wist zulke zaken ’t best, en
+daarenboven zou ’t voor Helène een veel te drukke bemoeiing zijn. Hij
+repte er daarbij geen woord van, dat hij den geheelen rouw voor zijn
+rekening nam; ’t geen hij des te beter doen kon, nu zijn zwager buiten
+staat was, om er iets van te vernemen; daar deze ’t anders geweigerd
+zou hebben. Helène, die de zaak zeer goed begreep, vond er niets
+vernederends in, dat de eigen broer van haar moeder er op gesteld was,
+dat haar kinderen in den rouw zouden gaan, en dat hij, de rijke man,
+die onkosten op zich wilde nemen. Van ieder ander zou zij ’t geweigerd
+hebben; niet van hem. Oom gaf haar wat geld, om in de noodige uitgaven
+te voorzien, beloofde pogingen aan te wenden, om uit de ziekeverpleging
+te Amsterdam een ziekezuster mee te brengen, dokter Manders te
+verzoeken, met dokter Van Esch een consult te houden over haar vader,
+en den volgenden middag terug te komen, om tot na de begrafenis te
+blijven. Opdat Helène echter den avond niet weer zou waken, wilde hij
+den dokter verzoeken, voor dien nacht een goede waakster te bezorgen.
+Voor alle dingen moest ze echter een paar uren op de kanapé gaan
+liggen—zoolang zou hij wel bij haar vader blijven en daar de noodige
+schikkingen voor de begrafenis en andere dingen maken.
+
+Den volgenden namiddag kwam oom Walburg terug en bracht Rudolf mede,
+wien hij in Amsterdam een rouwpak had laten aanmeten, en een
+pleegzuster, die terstond reeds dien eersten nacht bij den zieke zou
+waken, die nu wel niet meer bewusteloos was, maar toch in ijlende
+koortsen lag. Dokter Manders zou den volgenden dag, Zondag, overkomen
+om een consult te houden; want dokter Van Esch vreesde dat het een
+langdurige ziekte zou worden.
+
+Rudolf was diep getroffen over den dood zijner lieve moeder, van wie
+hij inderdaad veel gehouden had, en gedurende den tijd, dien hij thuis
+vertoefde, loste hij Helène geregeld aan ’t ziekbed van zijn vader af.
+En zoo kwam de dag der begrafenis aan. Niemand zou het lijk
+vergezellen, dan oom Walburg, dokter Van Esch en Rudolf. Helène had
+echter, met verlof van haar oom, zich een halfuur te voren naar het
+kerkhof begeven, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en te weten,
+waar ze haar lieve moeder zouden leggen. Ze had den doodgraver eenig
+geld ter hand gesteld, om daarvoor een paar mooie rozenpotten te
+koopen, die op het graf te planten en ze te onderhouden. Daar stond ze
+snikkend en met een doodsbleek gelaat aan den kuil, waarin ’t liefst,
+wat ze op aarde had, nederzonk, en daar bleef ze nog staan, steeds op
+die lijkkist starende toen de anderen reeds vertrokken waren.
+
+Eensklaps werd er een hand zacht op haar schouder gelegd en sprak een
+vriendelijke meewarige stem achter haar:
+
+„Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven: want ze rusten van hun
+arbeid en hun werken volgen hen!”
+
+Helène keek op, in ’t volgende oogenblik lag ze in de armen van haar
+lieven vriend, den goeden dokter Faminga.
+
+„Lieve Helène! Arm kind!” zeide hij meewarig. „Zoo jong nog, en al zoo
+onder ’t verdriet gebogen!”
+
+„Ze was zoo goed, zoo engelachtig goed, dokter!” riep Helène snikkend
+uit. „O, u hebt haar maar korten tijd gekend!”
+
+„Lang genoeg, om te weten, wat je in haar verloren hebt,” antwoordde de
+dokter. „Doch ga even met mij mee naar huis; dan zal ik je iets
+kalmeerends geven.”
+
+Helène ging met hem mee.
+
+„Ach, pa is ook zoo ziek!” zei Helène. „Wanneer ook hij ons maar niet
+ontvalt!”
+
+„Ik weet alles,” antwoordde dokter Faminga; „want dokter Van Esch is
+mijn vriend en houdt mij op de hoogte van ’t geen er bij u aan huis
+voorvalt, hij zou mij gaarne in consult nemen, indien de onverklaarbare
+tegenzin, welke uw vader tegen mij koestert, dat niet onbepaald
+verhinderde.”
+
+„O, dokter! Ik heb er zooveel verdriet van, dat pa zoo tegen u is, en
+’t heeft ma ook heel wat leed veroorzaakt. Ze had vrij wat liever, dat
+u haar behandeld hadt dan dokter Van Esch, ofschoon ze hem volkomen
+vertrouwde en hij een allerliefst, hartelijk man is.”
+
+En ze vertelde hem, hoe hij uit zichzelf haar broertje en zusje bij
+zich had genomen om haar te verlichten.
+
+Zoo sprekende, waren ze aan de villa van den dokter gekomen, en
+verzocht deze Helène om plaats te nemen, waarop hij naar een klein
+kastje ging, waarin zich een apotheek bevond, iets in een kopje schonk
+en ’t Helène gaf.
+
+„Hier lieve,” zei hij. „Drink dit leeg, dat zal u zeker kalmeeren; want
+je bent geducht overspannen, wat trouwens geen wonder is na al ’t geen
+je in de laatste dagen hebt ondervonden. Vertel me iets van de laatste
+levensdagen van je moeder!” Helène deed dit. „U vondt het toch niet
+verkeerd, dokter,” eindigde zij, „dat ik op het kerkhof was? Oom had
+het goedgevonden!”
+
+„In ’t geheel niet, kindlief!” antwoordde de dokter. „Ik vond het
+integendeel zeer natuurlijk, en als uw lieve mama ’t wist, zou ’t haar
+zeker genoegen gedaan hebben, dat haar lieve Helène aan haar graf
+stond, om haar ’t laatst vaarwel te zeggen.”
+
+„Ik heb den doodgraver last gegeven, om twee mooie rozenpotjes op haar
+graf te plaatsen en die te onderhouden.”
+
+„Dat is lief van je. Hadt je er aan gedacht, dat ik hier zoo dicht bij
+woonde, dan hadt je de zorg wel aan mij kunnen overlaten. Ik hield
+zooveel van uw moeder. Ach, ze leek zoo sprekend op mijn brave
+gestorven vrouw, evenals jij op mijn dochtertje lijkt, dat op jou
+leeftijd door een hevig roodvonk uit mijn armen werd gerukt. Ach, toen
+mijn Helène—ze heette toevallig even als jij—stierf, kon mijn arme
+vrouw niet langer leven... Ze volgde haar kind maar al te spoedig in ’t
+graf en liet mij alleen op de wereld!”
+
+De goede dokter wischte een traan af, die zijns ondanks in zijn oogen
+sprong. Daarop zei hij:
+
+„Je moogt nu wel gauw naar huis gaan; anders zal je oom ongerust over
+je worden. Ik zal je zelf naar huis brengen.”
+
+Toen ze aan ’t huis van meneer Nederhorst gekomen waren, gaf de dokter
+haar de hand:
+
+„God schenke je kracht, om de zwaarte van ’t leed en van je taak te
+dragen, lieve!” zeide hij. „En mocht het je soms te bang worden en je
+kunt een oogenblik uitbreken—kom dan bij mij: je weet, waar ik woon.”
+
+Dienzelfden namiddag vertrokken oom Walburg en Rudolf, en Helène bleef
+alleen.
+
+Er was bepaald, dat Dora en Alfred eerst zouden terugkomen, wanneer hun
+vader wat beter was, en, ofschoon Helène er in moest toestemmen, daar
+’t haar vrij wat meer tijd gaf, om zich over dag aan haar zieken vader
+te wijden, miste ze toch ’t gezellig bijzijn der twee lieve kinderen,
+die zoo aan haar gehecht waren. O, wat was ’t haar nu eenzaam in huis,
+sedert haar moeder haar verlaten had, aan wier borst ze al haar leed,
+al wat haar hinderde, kon uitstorten! Treurig zat ze aan ’t ziekbed
+haars vaders, die nog steeds in ijlende koortsen lag. En toen deze hem
+verlieten en zijn bewustzijn terugkeerde, was het, of haar
+tegenwoordigheid hem hinderde als was zij de schuld van den dood harer
+moeder. Misschien verbond zijn zwak denkvermogen dat overlijden wel met
+haar, die hem ’t eerst die treurmare mededeelde. Hoe ’t zij, wat ze ook
+deed en hoe ze ook voor hem zorgde, hoe ze hem zelfs de smakelijkste
+kostjes bracht, om zijn ontwakenden eetlust te prikkelen—geen enkel
+woord, geen enkele blik beloonde haar voor al haar bemoeiingen. ’t Werd
+haar tusschenbeiden bang op die ziekekamer, en ’t was haar daarom een
+weldaad, toen haar tante haar jongste broertje en zusje kwam
+terugbrengen, en ze bij dezen de hartelijke liefde vond, welke ze bij
+den zieke miste, toen ze door hen meer van de ziekekamer afwezig moest
+zijn, waar haar hart zoo zeer op de pijnbank werd gelegd. Daarbij
+kwamen de zorgen voor de huishouding; want het geld, dat haar oom haar
+had gegeven, was reeds lang op. Daar ze haar vader niet om huishoudgeld
+kon vragen, moest ze rekening maken bij de leveranciers, die dat niet
+gewoon waren en haar dus reeds verscheidene malen om betaling
+aangemaand hadden. Eindelijk trok ze de stoute schoenen aan en legde
+haar vader de verschillende rekeningen met het bedrag daarvan op een
+lijstje voor.
+
+„Pa, zoudt u mij geen geld daarvoor kunnen geven?” vroeg zij. „De
+menschen worden ongeduldig.”
+
+„Welke menschen?” vroeg haar vader.
+
+„Onze leveranciers,” antwoordde Helène. „Daar ik u in uw ziekte niet om
+huishoudgeld heb kunnen vragen, heb ik alles maar laten opschrijven.”
+
+Meneer Nederhorst keek de rekeningen in, zijn gelaat betrok.
+
+„Dat is een heele som!” zei hij. „Je moet verschrikkelijk verkwistend
+zijn geweest! En dat bij al de andere uitgaven! En wat een rekening bij
+den poelier!”
+
+„Maar pa!” riep Helène schreiende uit: „hoe zou ik u kippensoep en
+gebraden hoentjes hebben kunnen geven, als ik ze niet van den poelier
+gehad had. En dan, in hoeveel tijd heb ik geen cent voor huishoudgeld
+van u gehad!”
+
+’t Scheen, dat meneer Nederhorst de juistheid van haar opmerking moest
+toestemmen, erkennen deed hij ’t echter niet. Zwijgend betaalde hij
+haar ’t bedrag der rekeningen, gaf haar daarenboven eenig huishoudgeld,
+en zeide alleen: „Ik verwacht, dat je voortaan wat spaarzamer zult
+zijn.”
+
+Met een tot barstens toe vol gemoed nam Helène het geld op. O, als haar
+vader eens wist, met hoe weinig Trui en zij zich en al dien tijd
+vergenoegd hadden! Maar haar komst had nog een reden. Ze had de boeken
+harer moeder meegebracht, welke deze haar den avond voor haar sterven
+ter hand gesteld had. Ze vermande zich dus en zei zoo kalm mogelijk:
+„Den avond van uw vertrek beval ma mij, u, wanneer zij gestorven was,
+deze boeken ter hand te stellen. ’t Was de beste erfenis, die zij u kon
+nalaten, zeide ze. Tevens verdeelde zij haar weinige overgeblevene
+kostbaarheden onder haar kinderen. Ze pakte ze zelf in papier en beval
+mij, ze te verzegelen en er de namen op te schrijven, daar zij te veel
+beefde. Aan Leonie vermaakte zij haar juweelen oorringen, aan Dora haar
+juweelen ring, aan Rudolf haar juweelen speld, aan Alfred haar gouden
+ketting, haar horloge aan mij, en haar bijbeltje, dat ze dagelijks
+gebruikt had, met deze boeken aan u. Ze stelde alles onder mijn
+bewaring, opdat ik ’t hun ter hand zou stellen, wanneer ze zestien jaar
+zijn. Vindt u dat goed, of zal ik ze u in bewaring geven?”
+
+„Bewaar ze maar,” zei meneer Nederhorst afgetrokken; terwijl hij ’t
+bijbeltje zijner vrouw in handen nam en in een zwijgende
+afgetrokkenheid verviel.
+
+’t Bleef een treurige verhouding tusschen meneer Nederhorst en zijn
+dochter, en die verhouding deed haar des te meer haar moeder missen.
+Intusschen was ’t voor haar een groote verlichting, dat Dora en Alfred
+weer thuis kwamen, bij wie zij een hartelijke gehechtheid vond,
+ofschoon zij haar taak vrij wat bemoeilijkten. Van Leonie hoorde of zag
+zij niets, en Rudolf was ook geen ijverige briefschrijver. Toch hoopte
+ze, dat haar vader, wanneer zijn oudste zoon thuis kwam, wel wat
+opgewekter zou worden. Den eenigen troost zocht en vond ze bij haar
+vriend, den dokter, dien ze van tijd tot tijd des avonds, als de
+kinderen te bed waren, eens opzocht en bij wien ze haar hart
+uitstortte. Met hem kon ze zoo vol vuur over haar lieve moeder spreken
+en haar bezwaren mededeelen. Geen wonder dat, onder ’t spreken, ook
+haar financiëele moeilijkheden voor den dag kwamen.
+
+„Ik wou maar, dat ik wat geld verdienen kon, om in de huishouding te
+gemoet te komen,” zei ze eens.
+
+De dokter keek haar glimlachend aan.
+
+„En wat zou mijn klein huishoudstertje dan wel willen doen?” vroeg hij.
+„Heeft ze ’t nog niet druk genoeg?”
+
+„Ja, wat zou ik kunnen doen?” vroeg zij. „Er zijn dingen genoeg; b. v.
+les geven aan kinderen, naaien, borduren of fantasiewerkjes maken. Maar
+pa zou daar nooit zijn toestemming toe geven.”
+
+„Ik geloof ook, dat die zaken je niet veel zouden opbrengen, en dat er
+je de tijd toe zou ontbreken. Daarenboven zou je zeker tegenwerking bij
+je vader vinden. Hij is te hooghartig, om het toe te staan.”
+
+„Juist daar ben ik bang voor, dokter. En toch zou ’t zoo noodig zijn.”
+
+„Luister eens, Helène, je schrijft zeker een goede, duidelijke hand?”
+
+„Ik hoop van ja,” antwoordde ze bescheiden.
+
+„Welnu, ik heb een vriend, die voor de pers werkt. Hij heeft het
+ongeluk van heel onduidelijk te schrijven en daardoor nog al last op de
+drukkerij. Hij zond mij deze week een zijner copieën, met verzoek, om
+iemand te vinden, die ze voor hem wil overschrijven. Als jij dat eens
+wilde doen. Ik weet zeker, dat hij er goed voor zal betalen; want het
+is hem veel waard, om alles juist en net overgeschreven te hebben. Naar
+ik merk, is ’t geen onaangename copie ook: ’t zijn verhaaltjes voor
+kinderen. Daarenboven hoef je er je niet mee te haasten en je dus niet
+te overwerken. Wacht, ik zal ’t manuscript eens halen, dan kun je zien,
+of je ’t ontcijferen kunt.”
+
+’t Was inderdaad een raar handje, maar Helène begreep toch, dat ze er
+met een weinig studie gemakkelijk uit zou komen en dat slechts ’t begin
+wat moeilijk zou zijn. Zij nam dus ’t voorstel aan en de belooning was
+zoo, dat zij, als ze ’s morgens wat vroeger opstond en ’s avonds, als
+ze toch alleen was, haar tijd aan ’t overschrijven besteedde, er vrij
+wat mee verdienen kon, wat haar ’t besturen der huishouding zeer veel
+verlichten zou. Met opgeruimder gemoed dan ze gekomen was, verliet ze
+dokter Faminga, weinig vermoedende, dat deze zelf de schrijver was van
+die lieve verhaaltjes voor kinderen en dat zijn verontschuldiging ten
+aanzien van de drukkerij niets anders dan een voorwendsel was, om haar
+op een fatsoenlijke manier door eigen arbeid eenig geld te laten
+verdienen.
+
+Wat een genoegen was ’t haar, toen ze de overgeschreven copie
+terugbracht en de dokter haar uit naam van den haar nog onbekenden
+schrijver het geld ter hand stelde. ’t Was een heele aardigheid, dat
+zelf verdiende geld in haar portemonnaie te doen en het denkbeeld te
+koesteren, nu wat beter rond te komen.
+
+Jammer, dat de troost, dien haar de bezoeken bij den dokter schonken,
+slechts al spoedig moest ophouden. Op zekeren avond toch, dat hij haar
+na een bezoek thuisbracht, ontmoetten zij meneer Nederhorst, die een
+avondluchtje ging scheppen. De dokter, die meende dat haar vader wel
+bekend was met haar bezoeken, nam die gelegenheid waar, om hem geluk te
+wenschen met zijn herstel. Hij trad dus op hem toe, stak de hand uit en
+zeide:
+
+„Het doet mij genoegen, meneer Nederhorst, u weer in zooverre hersteld
+te zien. Met veel belangstelling en deelneming heb ik uw onherstelbaar
+verlies en uw ziekte vernomen!”
+
+„Dokter Faminga, naar ik meen,” antwoordde meneer Nederhorst. „De
+onbeschaamste indringer dien ik ken, en dat in gezelschap mijner
+dochter!”
+
+„Die mij bezocht heeft en die ik naar huis breng,” zei dokter Faminga
+met onverstoorbare kalmte; terwijl hij zich ter wille van Helène
+bedwong.
+
+„En die u niet meer bezoeken zal,” hernam meneer Nederhorst
+beleedigend. „Ik denk toch wel dat ik baas ben over mijn eigen kinderen
+en ’t aan mij zal staan om te veroorloven met wie ze al dan niet zullen
+omgaan?”
+
+„Niemand betwist u die macht,” hernam de dokter schouderophalend. „Zij
+zal mij niet weer bezoeken, meneer! Ik wist wel, dat uw huis mij
+verboden was, doch kon daarin geen reden zien, waarom uw dochter niet
+bij mij zou mogen komen.”
+
+Dit zeggende, keerde de dokter zich om, ten einde alle verdere
+wederspraak te vermijden, welke anders op een hevigen twist had kunnen
+uitloopen, die de kloof nog wijder zou gemaakt hebben dan ze nu al was.
+Bitter bedroefd ging Helène het huis in, en ze schreide lang, eer ze
+den slaap kon vatten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+WAT EEN GOUD HORLOGE AL NIET UITRICHT.
+
+
+Was ’t verbod om dokter Faminga’s woning niet meer te mogen bezoeken,
+voor Helène reeds een groot verdriet—spoedig ondervond zij, dat het
+ophouden van werk haar niet minder onaangenaam zou zijn. Want het geld,
+dat ze had meegebracht, raakte langzamerhand op, en hoe zou ze ’t
+voortaan zonder deze bron van inkomen stellen? Gelukkig echter werd er
+een week later een pakket aan haar adres bezorgd, en toen zij ’t
+openbrak, vond zij er een nieuwe copie in van de hand desgenen, die de
+eerste copie geschreven had en vergezeld van ’t volgende briefje:
+
+
+ „Mejuffrouw.
+
+ „Dokter Faminga heeft mij gezegd, dat het hem onmogelijk is, u
+ langer eigenhandig mijn werk ter hand te stellen. Slechts onder
+ couvert wil hij ’t u bezorgen en voor mij ontvangen. Zonder de
+ reden te kunnen gissen, welke hem daartoe beweegt, moet ik zijn wil
+ eerbiedigen. Ik hoop u geregeld mijn copiëerwerk toe te zenden en
+ zal er telkens het bedongen honorarium bijvoegen. Wees dus zoo
+ goed, de overgeschreven copie onder couvert bij dokter Faminga te
+ doen bezorgen, dan stuurt hij ze mij terug.
+
+ „Hoogachtend heb ik de eer te zijn:
+ „U dw. dienaar
+ „A. D. Radinus.”
+
+
+Tegen deze kiesche manier van handelen kon zij niets inbrengen.
+Onergdenkend als ze was, begreep ze niet, dat meneer Radinus niemand
+anders was dan de dokter zelf, die op deze manier voor haar de bron van
+inkomsten deed voortduren, zonder dat ze zich tot ongehoorzaamheid aan
+haar vader behoefde te laten verleiden.
+
+Maar met al dat copiëeren van goede verhaaltjes kwam in haar het
+denkbeeld op, of ze niet zelf eens een verhaaltje zou kunnen
+samenstellen. Ze schreef daarover bij de terugzending aan haar
+onbekenden beschermer, meneer Radinus, en deze antwoordde haar, dat ze
+’t maar eens moest beproeven, ’t geen juist thans des te beter zou
+gaan, daar hij op ’t oogenblik geen werk voor haar had en ’t
+waarschijnlijk wel een week of wat zou aanloopen, voordat het verhaal,
+waaraan hij nu bezig was, zou voltooid zijn en hij ’t haar zenden kon.
+Indien ze werkelijk een goed verhaaltje schreef, zou hij het in zijn
+tijdschrift voor de jeugd plaatsen en zou zij er een aardig honorarium
+voor ontvangen.
+
+Helène ging aan ’t werk, om een plannetje voor een verhaaltje op touw
+te zetten, en zoo peinsde zij er over, dat ze midden in haar gepeins in
+slaap viel, en ’t reeds laat was toen ze wakker werd en zich snel
+uitkleedde, om naar bed te gaan. Ze was spoedig in slaap en droomde den
+ganschen nacht van haar plan. ’s Morgens wakker wordende, stond haar
+alles nog zoo juist voor den geest, dat ze zich nederzette, om, wat
+haar verbeelding er in een nacht bijgevoegd had, te veranderen of er
+bij te zetten, tot ze, doodelijk verschrikt, haar vader naar haar kamer
+hoorde komen. Snel raapte ze al haar papieren bij elkander, en had nog
+juist tijd genoeg, om ze achter de gordijnen van het ledikant te
+bergen, toen meneer Nederhorst met een geopenden brief in de hand de
+kamer binnentrad. Zijn gelaat toonde aan, dat hij geen blijde tijding
+ontvangen had.
+
+„Ik krijg daar juist een brief van meneer Voornvisser, dat Rudolf ziek
+is. De dokter oordeelt hem nog vervoerbaar; ik ga hem dus halen. Zorg,
+dat mijn ontbijt terstond gereed is; ik wil met den eerstvolgenden
+trein vertrekken.”
+
+„Ik zal er voor zorgen, pa,” antwoordde ze.
+
+„Hoe komt het, dat je nog niet gekleed bent?” vroeg hij.
+
+„’t Is nog vroeg, pa,” antwoordde ze.
+
+Terstond zorgde ze, dat het ontbijt klaar was, haar vader gebruikte er
+wat van, stond toen op en zei:
+
+„Maak dat alles klaar is voor de ontvangst van Rudolf. Goeden dag!”
+
+„Dag pa! Ik hoop dat u hem beter zult vinden dan u denkt,” zeide
+Helène, wie haar vader niet eens met een afscheidskus verwaardigde.
+
+„Alweer nieuwe drukte voor u, juffrouw Helène,” zei Trui toen Helène
+haar mededeelde, waarom haar vader onverwachts vertrokken was. „’t Is
+of ’t hier in huis nooit ophoudt met zieken.”
+
+„Wat zal men er tegen doen, Trui!” zei Helène. „Een geluk dat ik jou
+heb, die mij zoo trouw bijstaat.”
+
+„Ja, hoe u ’t anders ook doen zou, zou ik waarlijk niet weten,” zei
+Trui. „We zullen nu maar gauw ’t kamertje van den jongenheer in orde
+maken, dat is het beste.”
+
+„Neen, Trui! dat kamertje deugt volstrekt niet voor een zieke. Weet je,
+wat ik gedacht had? Ik moest hem mijn kamertje afstaan, dan ga ik
+zoolang op ’t zijne logeeren.”
+
+„Ofschoon ’t voor u niet pleizierig is, is dat toch het best,” zei
+Trui. „Laat ons dus maar gauw beginnen.”
+
+Spoedig hadden ze met hun beiden alles gereed.
+
+„Hoor eens, juffrouw Helène,” zei Trui. „Eén ding! Ge moet u niet
+overspannen. Als er soms (men kan het niet weten) gewaakt moet worden,
+dan mag je ’t niet doen. Ik zal ’t meneer wel zeggen, dat hij een
+waakster moet nemen.”
+
+„We zullen zien,” antwoordde Helène. „Misschien zal ’t niet noodig
+zijn.”
+
+Reeds tegen den middag kwam meneer Nederhorst met Rudolf terug.
+Terstond hielp Helène den zieke, die zich erg onplezierig gevoelde en
+daarenboven van de reis vermoeid was, naar bed. Trui was al naar den
+dokter geloopen, die weldra kwam.
+
+„De arme jongen is hard ziek,” zei dokter Van Esch. „We zullen hopen,
+dat het nog met een sisser zal afloopen; ’t is echter maar goed, dat
+hij thuis is. Er is niets angstigers, dan wanneer een der onzen bij
+vreemden ziek ligt.”
+
+Toen meneer Nederhorst den dokter uitliet, zei deze tot hem: „Als er
+soms gewaakt moet worden, mag uw dochter dat niet doen. Ze zou zich
+overspannen en dan had u twee zieken in plaats van een. Ze ziet er
+tamelijk slecht uit.”
+
+„Vindt u dat dokter? Ja, ik heb het nog niet opgemerkt. ’t Zal
+waarschijnlijk de angst over haar broer zijn.”
+
+De woorden van dokter Van Esch hadden meneer Nederhorst toch
+eenigermate tot nadenken gebracht, en, ofschoon hij in de verste verte
+niet begreep, wat Helène voor hem opofferde, oordeelde hij het toch
+noodig, haar krachten te sparen, en toen de dokter een paar dagen later
+zei dat er voorloopig bij den zieke, die in ijlende koortsen viel,
+gewaakt moest worden, verzocht hij dezen, voor een waakster te zorgen;
+over dag echter wijdde Helène al haar tijd aan Rudolf. Zoolang hij ziek
+bleef, was dit voor haar geen zware post; want zijn ijlen geleek niet
+in de verte op dat van haar vader: meestal was hij bezig met de jongens
+op de kostschool—vooral had hij nog al eens ruzie met een zekeren
+Gerrit, dien hij naar ’t scheen niet best kon uitstaan, of maakte hij
+plannen met zijn vriend Ernst. Dan weer leerde hij zijn lessen, werkte
+sommen uit, maakte vertalingen, zei brokstukken van verzen op—kortom,
+zijn ijlen was vermoeiender voor hem zelf, dan voor de omstanders. Doch
+toen hij aan de betere hand kwam, werd hij lastig van humeur: nooit was
+er iets goed, wat Helène deed. Ook dit droeg zij met geduld, overtuigd
+dat (zooals dokter zeide) knorrige zieken niet gevaarlijk zijn. Toen
+volgde er een tijdperk van zwakte, en dat was voor haar ’t
+genoegelijkste. Want nu was hij zoo volgzaam als een kind, en ’t was
+gedurende dien tijd, dat ze al de liefde leerde kennen, welke de knaap
+voor haar gevoelde.
+
+Gelukkig, dat het grootste gedeelte van Rudolf’s ziekte in de
+zomer-vacantie viel; want daardoor verzuimde hij niet zooveel en mocht
+hij ook spoediger na zijn herstel in de lucht. ’t Was aardig, den nog
+zwakken en bleeken knaap te zien voortstrompelen aan den arm van dat in
+diepen rouw gekleede meisje met haar ernstig gezichtje, en wie op hen
+gelet hadden, zouden gemerkt hebben, dat ze hun wandelingen alle dagen
+iets verder uitstrekten. Toen Rudolf nu sterk genoeg was, wandelde
+Helène met hem naar ’t kerkhof, waar ’t graf hunner lieve moeder was,
+en dat door een vriendelijke hand (welke Helène heel goed raadde)
+geheel met bloeiende maandrozen bezet was; terwijl diezelfde hand er
+een houten bank bij had laten zetten, welke den herstellende een
+welkome rustplaats aanbood.
+
+Daar sprak zij met hem over de lieve moeder, die onder de bloemen
+rustte en herinnerde haar broer zooveel van haar, die zulk een
+liefderijke moeder voor hen allen geweest was. En Rudolf luisterde
+gretig naar haar; want ook hij had veel van zijn moeder gehouden. ’t
+Was natuurlijk, dat dit niet bij die eene wandeling bleef; want niet
+alleen was de weg naar ’t kerkhof een allerliefste, maar de plaats zelf
+was zoo belommerd, dat die allergeschiktst was was voor een
+herstellende.
+
+Eens toen ze weer op ’t kerkhof kwamen, zagen ze op de bank een deftig
+oud heer zitten, die echter, zoodra hij hen bemerkte, opstond en zonder
+een woord te spreken, hen met een vriendelijken groet voorbij ging.
+
+„Wie is die vriendelijke heer?” vroeg Rudolf die zag, dat Helène toen
+ze hem groette, tot achter de ooren bloosde.
+
+„Een kennis van ma,” antwoordde Helène eenigszins verward.
+
+„Waarom krijg je zoo’n kleur, Helène!” vroeg hij. „En waarom spreek je
+hem dan niet aan?”
+
+„Omdat.... omdat hij geen vriend van pa is, of liever.... omdat pa geen
+vriend van hem is.”
+
+„Pa geen vriend van hem, en hij ziet er toch zoo goedig uit,” zei
+Rudolf. „Waarom is pa geen vriend van hem?”
+
+„Ach, ik weet het niet,” antwoordde Helène. „Pa heeft daar geen reden
+voor gegeven en ik heb er hem ook niet naar gevraagd. Dit weet ik
+alleen dat pa niet verkiest, dat ik met dien heer spreek.”
+
+„Wel, dat is wonderlijk!” riep Rudolf uit. „En hoe heet die heer?”
+
+„Laat mij zijn naam verzwijgen, Rudolf,” antwoordde Helène, die niet
+kon jokken. „Je mocht hem eens in tegenwoordigheid van pa noemen, en
+dan zou je hem boos maken.”
+
+Maar nu Rudolf’s nieuwsgierigheid eenmaal was opgewekt, hield hij niet
+op, haar te plagen, om hem den naam te zeggen; want het ging ook hier
+als altijd: meisjes zijn nieuwsgierig, maar jongens weten graag alles.
+Helène die nu begreep, dat hier „een leugentje om bestwil geen zonde
+was,” antwoordde zonder dat zij ’t wist, met een halve waarheid, en
+zei:
+
+„Op je woord, dat je er geen syllabe tegen pa van zult spreken, zal ik
+je dan in vertrouwen zijn naam zeggen: hij heet meneer Radinus.”
+
+„Hoe! Is dat meneer Radinus? A. D. Radinus?”
+
+„Ik geloof, dat hij A. D. Radinus heet. Maar hoe ken je hem?”
+
+„Wel, hij is redacteur van dat mooie „tijdschrift voor jongelieden,”
+waarvan we op school elke maand een aflevering krijgen en waarvan we
+zooveel houden, dat we er half om vechten, wie ’t eerst zal lezen.”
+
+„Is hij een kinderschrijver?” riep Helène uit. „Dat wist ik niet.” Ze
+vond het nu wel wat dwaas, dat ze den naam van meneer Radinus aan
+dokter Faminga had gegeven, en om haar verlegenheid te verbergen, deed
+ze dien uitroep.
+
+In alle gevallen was ze nu maar blij, dat er geen gevaar van was om er
+haar vader in te mengen, want dat Rudolf niet zwijgen zou, dat stond
+bij haar vast.
+
+En ze had goed geoordeeld.
+
+„Pa,” zei hij dien middag aan tafel. „Ik wist niet, dat de geliefde
+schrijver voor de jeugd, A. D. Radinus, hier in Weesp woonde.”
+
+„Zoo,” antwoordde meneer Nederhorst. „Dat wist ik ook niet.”
+
+„En u is kwade vrienden met hem,” vervolgde Rudolf.
+
+„Ik kwade vrienden met meneer Radinus!” riep meneer Nederhorst uit.
+„Wie heeft je dat in ’t hoofd gebracht?”
+
+„Helène,” antwoordde Rudolf. „Ik kende meneer Radinus alleen uit zijn
+geschriften en had hem nooit gezien. Toen we van morgen naar ’t kerkhof
+wandelden, om ’t graf van ma te bezoeken, zat hij daar op de bank, die
+u aan dat graf hebt laten maken en groette ons, vooral Helène, zeer
+vriendelijk, zonder ons echter aan te spreken.”
+
+Gelukkig was meneer Nederhorst door ’t noemen van ’t graf zijner vrouw
+op eens in zulk een diep gepeins verzonken dat hij niet verder op
+Rudolf lette, en Helène nam die gelegenheid waar, om haar broeder te
+wenken, dat hij niet verder zou vragen, waardoor deze onweersbui
+stilletjes en zonder gevaar afdreef. Zoodra dan ook de maaltijd
+geëindigd was, ging meneer Nederhorst zwijgend naar boven.
+
+„’t Staat je alles behalve mooi, Rudolf,” zei ze, „om toch tegen pa
+over meneer Radinus te spreken. Je hadt me nog al beloofd, te zullen
+zwijgen. Nu zie je, wat er ’t gevolg van is. Pa is geheel uit zijn
+humeur naar boven gegaan.”
+
+„Zou dat over meneer Radinus wezen?” vroeg Rudolf die de ware oorzaak
+van pa’s somberheid niet begreep. „Ik had je raad moeten volgen, zusje.
+’t Spijt me intusschen, dat ik niet wist wie hij was; anders had ik hem
+stellig eens aangesproken en hem mijn compliment gemaakt over de
+prachtige verhaaltjes, die hij schrijft. Jongens! dan zou ik er bij de
+vrienden op bluffen.”
+
+Helène had moeite om zich goed te houden, ze geraakte echter wel wat in
+verlegenheid, toen haar broer vervolgde:
+
+„Maar als we hem weer tegenkomen, spreek ik hem stellig aan. Al is pa
+kwade vrienden met hem, ik ben een zijner groote vrienden en
+bewonderaars, en pa heeft er niets mee te maken, dat ik eens een
+praatje met hem houd.”
+
+„Nu, jij moet weten, wat je doet,” hernam Helène. „Maar als pa er
+achter komt, ben je voor altijd uit zijn gunst, hoor!”
+
+Helène besloot niet meer den weg naar ’t kerkhof te gaan, uit vrees van
+dokter Faminga te ontmoeten en een mal figuur te maken. Ze begreep wel,
+dat dit alles ’t gevolg van haar noodleugentje was, en toch was ze
+blij, dat ze hem den waren naam des dokters niet genoemd had, want dan
+had er zeker een uitbarsting van toorn plaats gevonden.
+
+Erger voor haar was een andere gril van Rudolf, een gril die haar vrij
+wat angst en tranen, vrij wat zelfopoffering en zelfoverwinning kostte.
+Rudolf was wel niet baatzuchtig, hij was een goede jongen, die veel
+voor een ander over had; maar op sommige punten had hij zoo zijn eigen
+wil en als hij zijn zinnen ergens op gezet had, wist hij de zaken door
+te drijven met een onverzettelijkheid, dikwerf een betere zaak waardig.
+
+Gedurende zijn ziekte en toen hij herstellende was, had Helène om hem
+op zijn tijd zijn drankjes te kunnen ingeven ’t horloge, dat ze van
+haar mama gekregen had, van haar kamer gebracht en in de ziekekamer
+opgehangen. Zoolang hij bewusteloos was had hij er natuurlijk geen erg
+in gehad; doch toen hij langzamerhand beter werd, had het zijn
+oplettendheid getrokken; hij had er Helène al eens naar gevraagd, hoe
+ze aan dat lieve horlogetje kwam, en ze had hem geantwoord, dat ze het
+als een gedachtenis van ma had gekregen, zonder hem evenwel te zeggen,
+dat ze ook voor hem een souvenir bewaarde, daar haar moeder haar
+uitdrukkelijk bevolen had, hem die niet voor zijn zestienden jaar te
+geven, en hij zeker wanneer ze ’t hem verteld had, niet zou hebben
+opgehouden, vóor hij ’t in handen had.
+
+Hij had toen op Helène’s antwoord geen verder acht geslagen. Doch toen
+hij nu daar van tijd tot tijd alleen op het kamertje zat en ’t horloge
+er natuurlijk niet meer hing, sloeg hij op zekeren dag, kort vóor hij
+weer naar de kostschool zou vertrekken, zijn oog naar de plek, waar ’t
+horloge gehangen had.
+
+„’t Was toch een aardig horloge!” zei hij bij zichzelf, „en ’t zou net
+goed voor mij zijn. Pa heeft mij vroeger een gouden horloge beloofd,
+wanneer ik vijftien jaar zou zijn. Maar mijn verjaardag viel juist in
+dien ongelukkigen tijd, toen we alles verloren, en ’t horloge schoot er
+bij in. Al de jongens op de kostschool hebben horloges, behalve Ernst,
+wiens papa niet rijk genoeg is, om hem er een te koopen. Daar heb je
+zoo’n Gerrit Zalmvoort, de zoon van den rijk geworden komenijsman—die
+heeft een horloge om te stelen, en ik, die toch van vrij wat
+fatsoenlijker afkomst ben dan hij, heb er geen. Helène kan gemakkelijk
+zeggen, dat ma haar ’t horloge gegeven heeft; misschien heeft ze zich
+dat maar verbeeld. In alle gevallen had ma ’t zeker aan mij geschonken,
+wanneer ik destijds thuis geweest was; want een jongen heeft veel meer
+behoefte aan een horloge dan een meisje. Ik zal het eenvoudig aan Pa
+vragen; die heeft over de erfenis van ma te zeggen, en, als ik hem zijn
+vroegere belofte herinner, kan ’t niet anders, of hij geeft het mij.
+Als oudsten zoon komt het mij toe en niemand anders!”
+
+Misschien vindt ge die redeneering en dat besluit van Rudolf
+allesbehalve broederlijk, vooral na al ’t geen hij aan Helène te danken
+had; we moeten ’t echter uit zijn oogpunt beschouwen, en daarbij niet
+vergeten, dat hem reeds beloofd was, dat hij op zijn vijftienden
+verjaardag een gouden horloge zou krijgen. Daar dit nu door de treurige
+omstandigheden, waarin zijn ouders toen en daarna verkeerden, geen
+plaats had kunnen hebben, was ’t immers natuurlijk, dat, nu er een
+horloge te vergeven was, hij begreep dat dit aan niemand anders dan aan
+hem toekwam. Ook kon hij natuurlijk niet bevroeden, dat Helène, die
+toch nooit uitging, er zooveel waarde aan zou hechten; daar ze er
+eigenlijk toch niets aan had.
+
+„Helène,” zei hij toen ze, nadat hij die overdenkingen door zijn hoofd
+had laten gaan, weer bij hem in de kamer kwam. „Waarom hang je dat
+horloge van ma niet meer op?”
+
+„Wel, eenvoudig omdat we ’t gelukkig niet meer noodig hebben; daar je
+geen medicijnen meer behoeft te slikken.”
+
+„Dan zou ik er haast spijt over hebben, dat dit niet meer noodig is,”
+hernam hij. „Ik had er zooveel genoegen in, het te zien. Weet je, wat
+ik van plan ben? Ik zal pa vragen, of hij ’t mij wil geven.”
+
+„Pa heeft er geen geven over, Rudolf,” antwoordde Helène. „Ma schonk ’t
+mij zelf kort vóór zij ’s nachts stierf.”
+
+„Dat heb je je verbeeld, Helène,” hernam hij. „Ma wist heel goed, dat
+mij op mijn vijftienden verjaardag een horloge beloofd was, dat ik niet
+gekregen heb, omdat pa ’t geld niet kon missen; dus zou ze ’t immers
+natuurlijk aan mij gegeven hebben. Ik ben de oudste zoon en heb er meer
+recht op dan jij. Een ring of oorbellen—dat is wat anders; maar een
+horloge komt aan een jongen toe, die heeft er nog wat aan. Wat doet een
+meisje er mee? ’t Is voor haar maar sieraad—anders niet.”
+
+„Maar wezenlijk, Rudolf! Ma heeft het mij gegeven,” zei Helène.
+
+„Toevallig, omdat jij bij haar was,” zei Rudolf. „Als ik thuis geweest
+was, had ze ’t natuurlijk aan mij gegeven. Ik heb het terstond, toen je
+mij vertelde, dat het van ma was, als mijn eigendom beschouwd, en ik
+zou er niet eens zoo op staan, als ’t me niet verveelde, dat de jongens
+er telkens aanmerking op maken, dat ik geen horloge heb.”
+
+„Ik vind dat zeker heel onaangenaam voor je,” hernam Helène. „Doch ik
+zie daarin nog geen reden, waarom ik afstand zou doen van mijn goed
+recht.”
+
+„Onaangenaam?” herhaalde Rudolf. „’t Is hard, vreeselijk hard voor me,
+om te moeten denken, dat jij daar thuis op je slaapkamer een horloge
+hebt hangen, waar je niet het geringste nut van hebt; terwijl ik het
+kon gebruiken. En dat zou mij nog niet kunnen schelen, als ik ’t maar
+had, zoolang ik nog op school ben. Ma heeft het nu eenmaal aan jou
+gegeven, en daar is niets aan te doen. Maar doe me éen plezier, en leen
+’t mij voor die maand of wat, dat ik nog op school ben.”
+
+„Ach! Rudolf! Ik zou ’t niet graag aan iemand leenen! Ma stelde er zulk
+een prijs op. Zorg er voor als voor de erfenis van je moeder,” zei ze.
+„En nu zou ik ’t uit mijn handen geven.”
+
+„Wanneer ’t aan een vreemde was, zou ik je volkomen gelijk geven,”
+hervatte Rudolf. „Maar als ma nog leefde, zou ze ’t zeker goedkeuren.
+Zij zou ’t mij zeker niet geweigerd hebben, als ik ’t haar voor eenige
+maanden terleen gevraagd had. Als je veel van me hield, zou je ’t me
+niet weigeren; vooral, daar je weet, dat pa als ik ’t hem vroeg,
+waartoe ik inderdaad veel lust zou hebben, ’t mij zeker zou toestaan.”
+
+Met deze woorden ging hij de kamer uit en liet Helène aan haar
+gedachten over. De heele zaak was haar als een donderslag op ’t hart
+gevallen. ’t Was haar een verschrikkelijk denkbeeld, haar broer van
+haar te vervreemden, haar broer, die nog de eenige persoon was met wien
+ze vertrouwelijk kon spreken; want van dokter Faminga was ze voor
+altijd verwijderd. Daarbij kon ze het denkbeeld niet verdragen, dat
+Rudolf aan haar liefde voor hem zou twijfelen. Maar ’t ergste van alles
+was, als hij eens werkelijk hun vader in den arm nam. Dan kon ze er
+zeker van zijn, dat deze niet alleen er in zou toestemmen, dat Rudolf
+het horloge mee naar de kostschool nam; maar er was zelfs alle kans,
+dat hij het hem voor goed zou schenken, daar hij meester was om er over
+te beschikken en ze geen ander bewijs voor haar eigendomsrecht had dan
+haar woord—en dat behoefde hij immers niet te gelooven. Nu de zaken zóó
+stonden, begreep ze, dat de wijste partij was, hem maar zijn zin te
+geven en ’t kostbaar kleinood voor die weinige maanden in zijn bezit te
+laten, hoe hard het haar ook vallen mocht. Toen hij kort daarop weer
+binnenkwam, zei ze:
+
+„Hoor eens, Rudolf. Beloof je me heilig, dat je de grootste zorg voor
+’t horloge zult dragen!”
+
+„Dat beloof ik je,” antwoordde hij.
+
+„Welnu, dan mag je ’t mee naar school nemen. Maar pas er op en doe ’t
+af, als je speelt; want er mocht eens iets aan komen.”
+
+Dit was dan zoo afgesproken, en, toen Rudolf eenige dagen daarna weer
+naar school zou vertrekken stelde ze hem ’t horloge ter hand.
+
+„Nu, de zorg zij je aanbevolen, Rudolf,” zei ze. „Denk er aan, dat ik
+je ’t liefste meegeef, wat ik heb, en zorg er voor.”
+
+„Daar kun je op rekenen, Helène, maar zou ’t niet goed zijn, dat ik pa
+om permissie vroeg om ’t mee te nemen?”
+
+„Waartoe zou dat noodig zijn?” vroeg ze. „’t Is immers mijn wettig
+eigendom. Ma gaf ’t mij voor mijn eigen gebruik en pa weet het.
+Daarenboven bemoeit hij zich met niets wat mij aangaat, en zou hij
+zeggen, als je hem vertelde, dat ik je ’t horloge geleend heb: „Zoo, is
+’t anders niet?” en daarmee was de zaak afgedaan.”
+
+„Nu, ik voor mij ben er juist niet rouwig om, dat ik er hem niets van
+behoef te zeggen,” hernam Rudolf. „Ik vind het alles behalve plezierig,
+om hem over ’t een of ander te spreken; hij is altijd zoo knorrig.”
+
+’t Viel Helène wat af, toen Rudolf weg was. Vooral den laatsten tijd
+had ze zooveel aan hem gehad: een metgezel op haar wandelingen, iemand
+met wien ze aan tafel praten kon, gezelschap in haar eenzame
+avonden.... thans zou weer alles zoo stil en saai worden als ’t voor
+zijn komst was. Met de oude Trui of met de kinderen kon ze toch slecht
+zoo vertrouwelijk praten als met hem.
+
+„Ik zal blij zijn, als je voor goed thuis komt, Rudolf,” zei ze den
+laatsten morgen tegen hem.
+
+„Nu, dat zal zoolang niet meer duren,” antwoordde hij. „De groote vraag
+is echter of pa mij hier zal houden, dan of hij mij misschien op ’t een
+of ander kantoor te Amsterdam zal zien te plaatsen. Is dat het geval,
+dan zullen we weinig aan elkander hebben.”
+
+„Misschien kom je dan de zondagen wel thuis en dat zal een troost en
+afleiding voor mij zijn,” zei Helène, en ze dacht aan de lange
+vervelende zondagen, die voor haar aanstaande waren.
+
+Met Dora en Alfred bracht ze hem naar den trein en keerde nog vroeg
+genoeg vandaar terug, dat de beide kinderen tijdig op school waren. En
+zoo ging zij treurig naar huis, naar het huis, dat haar nu zoo eenzaam
+en verlaten voorkwam. Dien avond haalde ze ’t plan van ’t verhaaltje,
+waaraan zij begonnen was, voor den dag en—toen dacht ze aan eenzaamheid
+noch verveling meer.
+
+Rudolf zou dien dag bij zijn oom doorbrengen en eerst na den middag
+naar de kostschool vertrekken. Van ’t station wandelde hij dus deftig
+naar de Keizersgracht, waar hij de familie in welstand aantrof. Daar
+hem de zaak met het horloge toch niet erg in den haak scheen en hij dus
+niet gaarne zou gezien hebben, dat het opgemerkt werd, had hij ’t met
+ketting en al in den zak van zijn buis laten glijden; zoodat niemand er
+iets van bespeurde. Hoeveel vroolijker en prettiger Leonie ook was dan
+Helène—’t was toch of de stille, ingetrokkene zuster hem meer aantrok
+dan de levendige en vroolijke. Geen wonder: waar Helène geheel en al
+zelfopoffering was, en voor anderen leefde—kende Leonie geen ander
+genot dan dat, hetwelk zij zelf smaakte, geen ander genoegen dan dat,
+hetwelk haar werd aangedaan. Dat stond bij hem vast, dat Leonie met het
+horloge, als ’t van haar geweest was, niet zou hebben gehandeld, als
+Helène gedaan had. Na bij oom en tante gedineerd te hebben, brachten
+Leonie en Louise hem naar ’t station, waar hij in den trein stapte, en
+weldra aan de kostschool aankwam.
+
+„Zoo, Rudolf. Ben je weer beter! Kom dat is goed! Dat is patent!” met
+deze verschillende uitroepen van blijdschap werd hij op de kostschool
+ontvangen; want hij was bij al de jongens bemind en ze hadden er allen
+veel van geweten, toen hij ziek de kostschool verlaten had; n.l.
+zooveel als een schooljongen er van weet als een van zijn kameraads
+ziek naar huis gaat. Dan zijn ze ’t eerste uur stil en akelig, beginnen
+vervolgens te praten, of hij nu al thuis zou zijn, zijn ze ’t er
+eindelijk over eens, dat hij thuis is, nu dan zijn ze gerust en gaat de
+pret zijn ouden gang. Alleen dan, als ze ’t een of ander spelen, waar
+hij een baas in was, hoort men nog wel eens de opmerking: „Hoe zou hij
+’t wel maken!” „Zou hij gauw terugkomen?” En dat is zoo onnatuurlijk
+niet. Jongens op dien leeftijd houden zichzelf en hun kameraden voor
+onsterfelijk. ’t Komt dus bij hen niet op, dat hun makker aan die
+ziekte zou kunnen sterven, en ’t staat dus bij hen als een paal boven
+water, dat hij beter moet worden. Vandaar dan ook de algemeene
+verslagenheid, als een hunner door den dood wordt weggenomen; dat
+trekken ze zich aan, doch ook slechts kortstondig.
+
+Maar de blijdschap, dat Rudolf weer beter was, had vooral haar
+oorsprong in de oprechte toegenegenheid, welke zij hem toedroegen.
+Rudolf toch was zoo’n ferme jongen op de speelplaats, Rudolf liet zich
+zijn kaas niet van zijn brood eten en kon als ’t noodig was, zijn
+knuisten laten voelen, maar hij was ook klaar om die knuisten voor
+anderen te gebruiken, wanneer grootere of sterkere hen wilden
+onderdrukken. Daarbij leerde hij goed en had er nooit iets tegen, den
+een of ander zijner makkers voort te helpen. Allen hielden veel van
+hem, behalve een stuk of twee, drie, die trouwens met geen der
+kostschooljongens overweg konden.
+
+Al de jongens kwamen om hem heen staan, om hem op hun hartelijke,
+ronde, echte jongensmanier te bekijken, de hand te drukken en welkom te
+heeten. ’t Kon dus niet anders, of de gouden horlogeketting moest hun
+in ’t oog vallen.
+
+„Sakkerloot, Rudolf!” riep een van hen uit. „Je snijdt de kaas met
+hompen!”
+
+„Zeker een lotje uit de loterij getrokken!” zeide een tweede.
+
+„Nu, je pa heeft in de bus geblazen!” riep een derde uit.
+
+„Laat het ons eens zien! ’t Is vast een mooi horloge.”
+
+„Toe laat het ons eens zien, Rudolf,” riepen drie of vier jongens te
+gelijk.
+
+Nu, dat behoefde geen tweemaal gezegd te worden. Terstond had hij het
+horloge uit den zak, en deed het de ronde in verscheidene handen;
+ofschoon ’t met den haak der ketting aan zijn vestje bleef vastzitten.
+
+„O, wat een prachtstuk!” riep er een.
+
+„Zijn ’t echte diamanten?” vroeg een ander.
+
+„Natuurlijk,” antwoordde Rudolf. „Wie zal valsche steenen op een goud
+horloge zetten!”
+
+„Weet je wel, dat het een dames-horloge is?” vroeg een der jongens.
+
+„Welzeker,” antwoordde Rudolf met zekeren trots. „’t Is ’t horloge van
+mijn overleden mama.”
+
+De jongens zwegen; met een gestorven vader of moeder zal geen ferme
+knaap den spot drijven: hij vindt het natuurlijk, dat men met eerbied
+daarvan spreekt. En niemand zou ’t ook gewaagd hebben er een enkele
+aanmerking op te maken: want, al waren Rudolfs krachten nog niet geheel
+teruggekomen, in zulk een geval had zijn drift hem onoverwinnelijk
+gemaakt. Daarenboven iedereen zou ’t laag gevonden hebben, daar
+aanmerkingen op te maken.
+
+„Dus van je mama!” zei Ernst van Hogenberghe.
+
+„Dat kun je toch ook wel begrijpen, Ernst,” zei Gerrit Zalmvoort op
+verachtelijken toon. „Waar zou zijn vader ’t geld vandaan halen, om hem
+zoo’n horloge te koopen? Ik heb bij een oom in Amsterdam gelogeerd en
+daar gehoord, dat meneer Nederhorst bankroet heeft geslagen, en zijn
+huis, ja zelfs zijn meubels door zijn crediteuren heeft zien verkoopen.
+Dat heeft hij mooi verborgen gehouden! Jammer dat ik juist in Amsterdam
+moest logeeren, anders had hij hier nog langer den banjer uitgehangen!”
+
+Rudolf stond als van den donder getroffen. Een donkere gloed van
+schaamte rees op zijn gelaat, zijn oogen flikkerden van inwendige
+woede. Zoo iets te moeten aanhooren en te weten dat men ’t geen liegen
+kan heeten—’t is verschrikkelijk!
+
+De jongens stonden een oogenblik sprakeloos en keken elkander aan, in
+de blijkbare verwachting dat Rudolf zulk een beleedigende uitdaging zou
+tegenspreken. Maar dat gebeurde niet.
+
+„Maak hem tot een leugenaar, Rudolf!” riep er een uit.—„Laat hem ’t
+bewijzen!” schreeuwde een ander.—„Ik liet me zooiets niet zeggen!”
+kreet een derde.
+
+„Ik kan het bewijzen!” riep Gerrit. „Toen ik bij mijn oom zoowat
+opnoemde, wie er al hier op school waren, noemde ik Rudolf Nederhorst,
+een fermen jongen, wien ik van tijd tot tijd vrij wat geld geleend had.
+„Geld geleend!” riep mijn oom uit, „dat kun je gerust uitschrappen;
+want daar zie je nooit een rooie cent van terug.” En toen vertelde hij
+mij, dat meneer Nederhorst zulk een schandelijk bankroet geslagen
+heeft.”
+
+„Dat is een fatale leugen!” riep Rudolf uit. „’t Is waar, dat pa
+ongelukkig is geweest, ’t is waar dat hij zelfs alles verkocht heeft;
+maar hij heeft zijn crediteuren tot den laatsten cent betaald en is dus
+geen bankroetier, evenmin als hij een rijk geworden komenijsman is,
+zooals jouw vader met wien hij, al heeft die ook nog zooveel geld, niet
+zou willen ruilen, omdat hij nooit met een schortje aan achter de
+toonbank zou hebben willen staan.”
+
+Nu was het de beurt van Gerrit Zalmvoort om een kleur te krijgen. Wat
+hij altijd zoo zorgvuldig verborgen had gehouden, en de anderen slechts
+aan zijn minder beschaafde uitspraak en manieren hadden gemerkt, dat
+hij een jongen was, die volgens stand en opvoeding niet onder de
+jongens van meneer Voornvissers school thuis behoorde, werd hem daar op
+eens voor de voeten geworpen. Wat hielp ’t hem nu, of hij al de rijkste
+jongen op de kostschool geweest was, die met zijn geld gebluft had?
+Iedereen wist nu, dat zijn vader met een sloofje aan achter de toonbank
+gestaan en rookvleesch, ham, kaas en worst gesneden had.
+
+’t Is wel ongelukkig, niet waar? dat men de menschen naar hunne
+betrekking in de maatschappij acht; terwijl eigenlijk alleen deugd en
+goed gedrag hun waarde moesten bepalen. Maar dat is nu eenmaal zoo, en
+in de maatschappij is ’t een conventioneele toestand, dat er standen
+zijn; ’t geen voor ’t behoud eener goede orde noodzakelijk is. Maar dat
+dit verschil van standen kinderen moeten scheiden, is onnatuurlijk en
+barbaarsch. Wat kon Rudolf het helpen, dat zijn vader ongelukkig
+gespeculeerd had, wat zelfs had hij ’t kunnen doen, al had meneer
+Nederhorst een frauduleus bankroet geslagen? En aan den anderen
+kant—wat kon Gerrit Zalmvoort er aan doen, dat zijn vader zijn geld
+eerlijk met ham en worst snijden verdiend had; wat had hij er zelfs
+tegen kunnen doen, al had zijn vader zijn geld met schelmerij verdiend?
+Inderdaad—er is niets dwazer, ongerijmder, lager en verachtelijker
+zelfs, dan kinderen strafbaar te stellen voor ’t geen hun ouders
+misdaan, ja, soms zelfs niet misdaan hebben!
+
+De meeste jongens, die van goeden huize waren, voelden zich bitter
+gekrenkt, dat ze familjaar met den zoon van den komenijsman hadden
+omgegaan, en Gerrit wist dat. Daarom maakte ’t verwijt van Rudolf, dat
+ook hij niet kon tegenspreken, hem woedend.
+
+„Betaal je schulden, bankroetierszoon!” riep hij.
+
+„Dat zal ik doen, komenijsman!” antwoordde Rudolf. „Ik zal je alles
+betalen wat ik je schuldig ben, met nog een pak slaag op den koop toe.”
+
+De jongens maakten ruimte in afwachting dat ze nu aan ’t plukharen
+zouden gaan; want zoo’n vechtpartijtje was alles voor hen.
+
+Daar ging op eens een stem uit het midden van den troep op: ’t was die
+van Ernst van Hogenberghe.
+
+„Jongens!” riep hij. „Als er gevochten moet worden, laat het dan
+tusschen twee posturen zijn. Gerrit is gezond en sterk als een leeuw;
+Rudolf nog verzwakt van de koorts. Dat zijn geen posturen!”
+
+„Neen, dat zijn ze niet en we zullen ’t niet toelaten, dat er gevochten
+wordt!” riepen al de jongens uit.
+
+Toen nam Ernst zijn vriend onder den arm en voerde hem, half met
+geweld, vandaar weg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONGELUKKIG REDMIDDEL.
+
+
+„Is ’t waar, Rudolf, wat Gerrit daar zei?” vroeg Ernst van Hogenberghe
+hem, toen zij alleen waren.
+
+„De zaak van mijn vader?” vroeg Rudolf.
+
+„Neen, die meen ik niet. Ze is ongelukkig genoeg, maar kan je nooit tot
+schande strekken, en een laag karakter, die den zoon verwijt wat zijn
+ouders gedaan hebben.”
+
+„En dan nog op zoo’n gemeene, lage manier,” zei Rudolf. „Alsof pa een
+bankroetier was!”
+
+„’t Stond jou evenmin mooi, hem te verwijten, dat zijn vader een rijk
+geworden komenijsman is. Je hebt hem daardoor in de oogen van al de
+jongens vernederd.”
+
+„’t Viel mij in mijn drift uit den mond,” zei Rudolf. „Als jij of een
+ander mij verweet, wat hij durfde doen, zou ik ’t misschien geduldig
+verdragen; maar uit den mond van zoo’n jongen....”
+
+„Juist tegenover zoo’n jongen moest je gezwegen hebben, vooral omdat je
+verplichtingen jegens hem hebt, ten minste als het waarheid is, wat
+Gerrit daar zei: en dat was het, wat ik je zooeven vroeg. Heb jij, die
+wist in welke omstandigheden je vader zich bevond, geld geleend, en dat
+nog wel van zoo’n jongen!”
+
+„Helaas! ja, Ernst,” antwoordde Rudolf.
+
+„En is ’t veel?”
+
+„Ik vrees van ja. Om je de waarheid te zeggen, heb ik er geen rekening
+van gehouden.”
+
+„Nog dwazer—Gerrit kan je nu voorleggen wat hij wil en je kunt hem het
+tegendeel niet bewijzen. Ik wou, dat ik je helpen kon, dan verloste ik
+je terstond uit zijn klauwen. Maar je weet zelf, hoe schriel ik ’t moet
+aanleggen om rond te komen. Niet dat ik er mij over schaam—dat heb ik
+nooit gedaan; maar ik heb ook nooit een cent van iemand geleend, hoe
+hartelijk ’t mij ook door verscheidene is aangeboden.”
+
+„Dat weet ik, en ik had evenzoo moeten doen,” hernam Rudolf. „Maar
+valsche schaamte weerhield me. Ik, die vroeger altijd zoo ruim van
+zakgeld voorzien was, bekennen, dat ik nu niet meer mee kon doen! Dan
+had ik tevens de treurige geldelijke omstandigheden van pa moeten
+meedeelen...”
+
+„Die nu toch aan ’t licht gekomen zijn, en wel op een vrij wat
+onaangenamer manier dan toen ’t geval zou zijn geweest,” hernam Ernst.
+„Je hadt eenvoudig kunnen zeggen: pa houdt me tegenwoordig kort; dus
+kan ik er niet aan meedoen. Doch ’t is nu te laat, en je moet ’t nemen
+zoo als ’t is. Kun je ’t geld niet van den een of ander te leen
+krijgen?”
+
+„Van wien zou ik dat te leen krijgen!” zuchtte Rudolf. „Pa kan ’t mij
+niet geven, mijn zuster heeft het ook niet, en bij mijn oom Walburg,
+ofschoon hij rijk is, zou ik er niet mee durven aankomen.”
+
+„En toch zou ik ’t royaalweg aan mijn vader schrijven,” zei Ernst. „’t
+Zal hem voor dien eenen keer een kleine opoffering en jou natuurlijk
+een duchtig verwijt kosten (dat je trouwens dubbel en dwars verdiend
+hebt), maar je tevens verlossen uit de handen van een jongen, die zoo
+gemeen is, dat ik hem tot alles in staat reken.”
+
+„Je hebt gelijk, en ik zal het doen,” antwoordde Rudolf.
+
+Maar daar kwam weder die ongelukkige valsche schaamte in den weg. In
+plaats van royaal aan zijn vader te schrijven schreef hij den volgenden
+brief aan Helène.
+
+
+ „Lieve Helène. Aan pa schrijvende, sluit ik hier een lettertje aan
+ jou in. Zooals je uit pa’s brief wel zult vernomen hebben, ben ik
+ goed en wel hier aangekomen, en neem ik deze gelegenheid waar, om
+ je nogmaals te bedanken voor al de zorgen, die je aan mij gedurende
+ mijn ziekte en mijn herstel besteed hebt. Hoeveel ik altijd van je
+ gehouden heb—ik houd nu nog meer van je, en dat voel ik eerst
+ recht, nu ik hier weer onder vreemden ben, die hoe goed ze ook voor
+ mij zijn, toch jou niet vervangen kunnen.
+
+ „’t Zal je ook wel stil zijn, nu ik weg ben. Maar jij hebt altijd
+ Dora en Alfred nog, die je den tijd verdrijven. Niet dat ik mij
+ hier verveel, o, neen! De jongens zijn allen even goed en
+ vriendelijk voor me. Ze waren heel blij dat ik terug was. Hoe goed
+ ze echter zijn, er gaat niets boven een zuster, ten minste niet
+ voor
+
+ „je liefhebbenden broer
+ Rudolf.”
+
+
+ „PS. Heb je meneer Radinus nog wel eens gezien, sedert ik weg ben?
+ Ik kan ’t nog maar niet opkrijgen, dat pa hem zoo vijandig is. Je
+ moet er toch eens zien achter te komen, wat er de reden van is.”
+
+ „PS. PS. Ik heb geld noodig. Zou je niet een twintig,
+ vijf-en-twintig gulden voor mij van pa kunnen krijgen? Ik wil ’t
+ later wel van mijn weekgeld inhalen. Misschien heb je ’t nog wel in
+ je spaarpot, of van ’t huishoudgeld een spaarpotje gemaakt. ’t
+ Liefst had ik dat je ’t mij kon voorschieten—dan had pa er niets
+ mee te maken.”
+
+
+Uit dezen brief kunt ge den heelen Rudolf proeven. Inplaats van rond
+voor de zaak uit te komen en te zeggen dat hij geld geleend had, liep
+hij er luchtig over heen en haalde ’t los in ’t voorbijgaan in een
+postscriptum aan. Was het dus wel wonder, dat hij een brief kreeg van
+den volgenden inhoud:
+
+
+ „Lieve Rudolf. Je brief deed me veel genoegen, ofschoon ik niet
+ begrijp, hoe het komt, dat jij, die toch weer naar de kostschool
+ verlangde, je niet volkomen gelukkig gevoelt onder je kameraads.
+ Waarschijnlijk een gevolg van de overgebleven zwakte. Dat zal wel
+ spoedig beter worden. Ontzie echter vooreerst je krachten en doe
+ niets boven je macht—’t zou zeer nadeelig voor je gezondheid kunnen
+ zijn. Wat aangaat je vraag om geld, beste jongen, ’t spijt me, dat
+ ik daaraan niet voldoen kan. Ik heb gedurende de ziekten van ma, pa
+ en jou alles wat ik had voor bijzondere uitgaven moeten gebruiken
+ en nog ander geld daarbij. En op het huishoudgeld kan ik geen cent
+ besparen: ’t is toch al moeielijk genoeg, om daarmee rond te komen.
+ Wat pa aangaat, dien zou ik ’t niet durven vragen. Hij gaat gebukt
+ onder de groote uitgaven, welke hem drie zoo kort op elkander
+ gevolgde ziekten veroorzaakt hebben. Je zult je voor ditmaal dus ’t
+ genoegen moeten ontzeggen, van met de andere jongens mee te doen,
+ ’t geen je des te beter kunt, wanneer je je nog zwakke gezondheid
+ in rekening brengt, waarbij je gerust kunt aanvoeren, dat dokter
+ van Esch je uitdrukkelijk verboden heeft, om in den eersten tijd
+ aan overspannende lichaamsoefeningen deel te nemen.
+
+ „De hartelijke complimenten van Dora en Alfred. Ik ben als altijd
+
+ je liefhebbende
+ Helène.
+
+
+Wanhopig wierp Rudolf dien brief neer, en bromde op zusters, die niets
+voor haar broers over hadden. Gedurende zijn herstel toch had hij wel
+bemerkt, dat ze een afzonderlijk potje had; want ze had dikwerf voor
+hem versnaperingen laten halen, welke ze uit een andere beurs dan die
+van ’t huishoudgeld bekostigd had. Had de knaap geweten, dat dit geld
+kwam van ’t zuur verdiende copieloon, dat met de buitengewone uitgaven
+geheel en al was opgeraakt, zonder dat zijn edelmoedige zuster er voor
+zichzelf ’t noodwendigste afgenomen had—hij zou zich geschaamd hebben,
+haar om iets te vragen; nog meer beschaamd, dat hij „en grand seigneur”
+geleefd had; terwijl zijn arme zuster zich na haar drukken, huiselijken
+arbeid, ’s avonds had ingespannen, om eenig geld te verdienen. Doch
+Rudolf wist dit niet, daar Helène het zorgvuldig voor hem verborgen
+gehouden had. Daardoor kon hij dan ook niet weten, dat ze in den
+laatsten tijd, juist door zijn ziekte, geen geld had kunnen verdienen.
+
+Ofschoon de handen van Rudolf jeukten, om Gerrit Zalmvoort eens een
+ferm pak slaag te geven—begreep hij dit tot een gelegener tijd te
+moeten uitstellen en wel, tot zijn krachten zouden bijgekomen zijn. En
+nog dan was ’t niet voorzichtig geweest; want, als hij soms door zijn
+meerdere vlugheid Gerrit een nederlaag had toegebracht, zou deze nog
+meer gebruik gemaakt hebben van ’t zedelijk overwicht dat hij op zijn
+schuldenaar had, door ’t geld dat deze hem schuldig was. Schier
+dagelijks maande Gerrit hem om betaling, ja, dreigde hem, de zaak aan
+meneer Voornvisser aantegeven, en de nood dreef Rudolf eindelijk, om
+aan een deur te kloppen, waar hij ’t wel allerminst graag deed,
+ofschoon zeker niemand beter in staat was, om hem te helpen: hij
+schreef aan oom Walburg.
+
+Den dag nadat hij dien brief verzonden had, waarop Rudolf, al mocht
+zijn oom ook een beetje knorrig zijn, stellig een gunstig antwoord
+wachtte, vond Gerrit Zalmvoort hem alleen en sprak hem aan.
+
+„Hoor eens, Rudolf,” begon hij. „Mijn geduld loopt ten einde. Vijf en
+twintig gulden veertig is geen kleinigheid. Gelukkig, dat de
+komenijsjongen een rijken vader heeft, anders zou hij er mooi mee
+zitten. Maar ondanks dat, laat de komenijsjongen zich door den kalen
+Amsterdamschen heer niet van ’t hem eerlijk toekomend geld berooven.
+Aan bedelaars van jouw soort kan men alle dagen zijn geld kwijt raken.
+Ik verlang dus mijn geld of een gedeelte er van, anders ga ik naar
+meneer Voornvisser, en dan moet je maar afwachten, wat er van komt.”
+
+Rudolf keek hem met een blik vol verachting aan.
+
+„Wees maar niet bang voor je geld,” zei hij.
+
+„Dat zeggen ze meer,” hervatte Gerrit. „En ’t is heel gemakkelijk
+iemand met zulke machtspreuken af te schepen. Ik vraag echter een
+klinkend antwoord. Ik heb je nu lang genoeg krediet gegeven en verkies
+je niet langer te borgen. Ik ben wel dom geweest, dat ik mij zoo heb
+laten afzetten.”
+
+Ofschoon Rudolf zich van toorn op de lippen beet en een kleur van
+gramschap kreeg, bedwong hij zich echter en zei tamelijk kalm:
+
+„Binnen een paar dagen verwacht ik de toezending van een bankje van ƒ
+25; dan zal ik je voluit betalen.”
+
+„Ei, ei! Zoo, zoo! En waar zul je dat van daan halen? Heeft je pa ’t
+misschien in een oude kous voor je gespaard?”
+
+„Dat kan jou niet schelen.”
+
+„Maar wel, dat ik mijn duiten krijg. Ik heb mijn geld zelf noodig en
+bedank er voor, om langer te wachten. Wat dat verwachten van geld
+aangaat, daarvan geloof ik geen enkel woord, voor ik den brief zie,
+waarin je de zekerheid wordt gegeven, dat het komen zal.”
+
+„Welzeker!” riep Rudolf, die dit natuurlijk niet kon doen, hooghartig
+uit, „je nog mijn particuliere brieven op den koop toe laten zien. En
+dat voor een bagatel van vijf en twintig gulden!”
+
+„Als het dan zoo’n bagatel is, betaal het dan maar.”
+
+„Zoodra ik ’t geld krijg.”
+
+„Dat ik je heet liegen, zoolang ik den brief niet gezien heb, waarin ’t
+staat.”
+
+„Mijn woord moet je genoeg zijn.”
+
+„Jouw woord?” riep Gerrit schaterend van lachen uit. „’t Woord van een
+afzetter, die geld van iemand leende, toen hij wist dat hij ’t nooit
+zou kunnen terug betalen. Van iemand, die door jou zoo bedrogen is als
+ik, zul je toch wel geen onvoorwaardelijk geloof kunnen verwachten.”
+
+’t Was vreeselijk voor Rudolf zich zoo diep te moeten zien vernederen
+door een knaap, dien hij zoo zeer verachtte. Wel werd aan hem de spreuk
+bewaarheid: Die zich onder de varkens mengt, moet draf eten. Geduldig
+moest hij al die vernederingen verdragen. ’t Minste wat hij er tegen in
+zeide, zou zijn schuldeischer geducht op hem wreken. Hij zweeg dus op
+die beleedigende woorden en zei alleen:
+
+„Heb dan geduld, tot het geld komt.”
+
+„Ik heb al zoolang geduld gehad en verkies meerdere zekerheid, of ik ga
+terstond naar meneer Voornvisser. Ik heb ’t geld zelf noodig.”
+
+„Maar ik kan het toch niet van mijn lijf snijden,” hernam Rudolf.”
+
+„Je kunt het in alle gevallen leenen.”
+
+„Ik leenen? Wie zal mij geld leenen?”
+
+„O, een boel menschen, mits je hun een onderpand geeft.”
+
+„Ik heb geen onderpand,” antwoordde Rudolf.
+
+„Wat? Heb jij geen onderpand? Heb je daar geen mooi gouden horloge;
+daar zul je ten minste wel vijf en twintig gulden op krijgen; dan kun
+je mij betalen en ’t horloge later lossen. Acht stuivers zul je toch
+wel in je zak hebben. Ik geef je een uur tijd om er over na te denken.
+Als je over een uur niet tot het besluit gekomen bent, om het te doen,
+dan klaag ik je terstond bij meneer Voornvisser aan.”
+
+„Ellendige, inhalige vrek!” mompelde Rudolf, weinig bedenkende, dat
+Gerrit in zijn volle recht was, en dat hij in diens geval zeker niet
+anders zou gehandeld hebben, vooral na de beleediging, welke hij hem
+had aangedaan door hem openlijk als den zoon van een komenijsman bekend
+te maken. Daarenboven was ’t immers geleend geld, en nog wel geleend op
+een tijd, waarop hij wist, dat hij ’t niet terug zou kunnen geven. Dat
+Gerrit dus op betaling aandrong, was natuurlijk, en dat hij dreigde de
+zaak aan meneer Voornvisser aan te geven, was niet minder natuurlijk.
+En wat gaf hij er om welke waarde ’t horloge voor Rudolf kon hebben—als
+hij zijn geld maar had. Daarenboven—Rudolf behoefde ’t immers niet te
+verkoopen, slechts te verpanden. Tot zooverre dus was Gerrit in zijn
+recht. Had hij nu Rudolf naar een door de wet erkende lombard of bank
+van leening verwezen—er ware niets op zijn gedrag te zeggen geweest....
+dat hij den onergdenkenden jongeling echter met een woekeraar in
+aanraking bracht, was onvergeeflijk—was misdadig.
+
+„Ellendige, inhalige vrek!” riep Rudolf uit, toen Gerrit hem verlaten
+had. „Wat ben ik toch een dwaas geweest, om mij zoo in zijn klauwen te
+werpen! Was Ernst maar hier! Dan kon ik hem raadplegen!”
+
+Maar Ernst had ongelukkig sedert eenige dagen de kostschool verlaten.
+De plotselinge dood zijns vaders, die kort voor ’t einde van ’t
+kwartaal had plaats gevonden, had mevrouw van Hogenberghe, wier
+weduwepensioen te gering was om het kostgeld voor hem te betalen, aan
+den heer Voornvisser doen verzoeken, haar met het einde van ’t kwartaal
+van haar verplichtingen te ontslaan, hetgeen deze gedaan had. En zoo
+had zijn beste en oprechtste vriend hem verlaten en kon hij hem niet om
+raad vragen; zeker een ongeluk in den toestand, waarin hij zich bevond.
+Aan geen der andere jongens had hij zich zoo aangesloten, geen van hen
+deelde zoo in zijn vertrouwen. Hij stond dus alleen, en waar Ernst hem
+bepaald zou hebben aangeraden, om liever meneer Voornvisser in de zaak
+te betrekken, in welk geval alles zeker beter zou zijn afgeloopen,
+begon hij al spoedig tot het voorstel van Gerrit over te hellen.
+
+„’t Is inderdaad het best wat ik doen kan,” zei hij bij zichzelf. „’t
+Is toch maar voor een dag of wat; want oom zal mij de vijfentwintig
+gulden zeker wel zenden. Had ik er maar een paar dagen vroeger om
+geschreven, dan had ik ’t nu al gehad. De dreigementen van dien jongen
+vervelen mij. Alles liever, dan langer onder hem te moeten zitten.”
+
+„Maar,” sprak een inwendige stem, „je hebt Helène plechtig beloofd,
+alle zorg voor ’t horloge te dragen.”
+
+„Mijn hemel! Ik verkoop het niet; ik geef het maar voor een korten tijd
+aan een ander in bewaring.”
+
+„Maar Helène zou ’t niet willen hebben, dat je het deedt,” hervatte
+zijn beter ik.
+
+„Wat komt er dat op aan! Meisjes zijn altijd zoo bang en vreesachtig.
+Ik zal er echter wel voor zorgen, dat ze er niets van verneemt.”
+
+„Welnu,” vroeg Rudolf, toen Gerrit terugkwam. „Bij wien kan ik nu geld
+te leen krijgen op ’t horloge?”
+
+„Ha! Heb je toch eieren voor je geld gekozen!” zei Gerrit.
+
+„Ik vraag je, waar ik geld kan krijgen op dit horloge?”
+
+„In Amsterdam, bij Mozes Zadok. Een goede kerel, dien je vertrouwen
+kunt.”
+
+„Zoo. Maar hoe zal ik bij hem komen?”
+
+„Dat hoeft niet. Ik zal dat zaakje wel voor je behandelen.”
+
+„In ’t geheel niet. Zulke zaken doe ik ’t liefst zelf,” hervatte
+Rudolf. „Maar ik had liever dat de kerel hier op het dorp woonde; dat
+was handiger.”
+
+„’t Is morgen Zondag. Als je nu aan meneer Voornvisser vertelt, dat je
+papa graag had, dat je morgen voor den middag in Amsterdam kwam, dan
+zal hij er zeker niets tegen hebben, dat je daarheen gaat. Ja, als je
+’t graag hebt, wil ik wel meegaan. Zadok is een kennis van me en als ik
+er bij ben, behandelt hij je zeker civieler.”
+
+„Ik bedank om ’t voor jou te vragen. Dat zou achterdocht verwekken.”
+
+„Mij goed; doe ’t dan niet. Maar je zult er spijt van hebben—dat
+verzeker ik je.”
+
+Hierop gaf hij hem een volledige beschrijving van ’t een en ander.
+Daarop ging Rudolf naar meneer Voornvisser. ’t Kostte hem, die gewoon
+was altijd de ronde waarheid te zeggen, moeite om zijn onderwijzer zoo
+goedsmoeds wat voor te liegen, en hij besloot, dat hij, als hij uit de
+netelige zaak gered was, zich nooit weer in zulk een wespennest zou
+begeven. Hij kreeg ’t gevraagde verlof, en, na van Gerrit geld te
+hebben geleend voor de reis, waardoor de schuld alweer vermeerderde,
+ging hij den volgenden dag met een retour naar Amsterdam. Wie hem daar
+had zien komen, zou ’t er zeker voor gehouden hebben, dat zijn geweten
+niet zuiver was, en, om u de waarheid te zeggen, klopte zijn hart van
+angst, dat hij soms zijn oom of tante of een zijner kennissen mocht
+tegenkomen; waardoor hij stellig verraden zou zijn geworden. Hij volgde
+dan ook niet den koninklijken weg, maar sloop door zij- en
+achterstraten naar de straat, waar Mozes Zadok woonde.
+
+’t Was een ruime winkel met slechts éen breed raam, maar als men er
+voor stond kon men duidelijk bespeuren, dat Mozes in alle zaken
+handelde; want wat daar al niet in bonte wanorde door elkander voor de
+glazen lag, is schier niet te gelooven. Rudolf zag daar onder andere
+ook eenige zilveren en gouden horloges liggen. Met een kloppend hart
+stapte hij den stoep op, deed de onderdeur, waarvan de bovendeur wijd
+aan stond, open en trad, terwijl een veerschel een vreeselijk gelui
+aanhief, het met blauwe tegels bevloerde voorhuis binnen. Van de
+helder-lichte straat zoo op eens in het betrekkelijk donkere voorhuis
+komende, kon hij geen hand voor de oogen zien, toen een schelle stem,
+die van achter de toonbank scheen te komen, hem, zoodra de voorschel
+had opgehouden te luiden, tamelijk onbeleefd toeriep:
+
+„Wat mot je? Verkoopen of beleenen?”
+
+„Beleenen,” antwoordde Rudolf, die nu eerst een mageren, tamelijk
+haveloozen jongen van een jaar of zestien achter de toonbank zag
+zitten.
+
+„Ga dan het trapje maar op, die dubbele deur door; daar is de patroon,”
+antwoordde de knaap, op een knop drukkende, waardoor een schel op de
+opkamer werd gehoord. De porte-brisée was voor de helft van kleine
+ruiten voorzien, die met groen gaas bespannen waren, zoodat men er
+doorheen kon zien. Nauwelijks stond hij op de bovenste trede, of de
+deur werd van binnen opengetrokken en hij bevond zich in een donker,
+smerig vertrek, van een groot raam voorzien. Aan de wanden waren kasten
+en laden. Vóor het raam zat aan een lessenaar de eigenaar van den
+winkel, Mozes Zadok, een man van in de zestig jaar, met grijze lokken,
+een paar listige oogen en een sluwen glimlach om den mond. Zijn magere
+gestalte was in een soort van tabbaard of kamerjapon gehuld en op ’t
+hoofd had hij een zwartfluweelen kalotje.
+
+„Waarschijnlijk de jongeheer, die van wege meneer Zalmvoort komt,” zei
+Mozes sluw en nederig. „Kom nader, jongmensch.”
+
+„Ik kom in ’t geheel niet van wege Gerrit Zalmvoort,” antwoordde Rudolf
+trotsch. „Ik kom voor mijn eigen zaken.”
+
+„Nu, ja, zoo meende ik ’t ook niet,” antwoordde Mozes. „Ik meende, de
+jongeheer, die door meneer Zalmvoort aan me gerecommandeerd is.”
+
+„Niemand behoefde mij aan u te recommandeeren,” hervatte Rudolf. „’t
+Schijnt echter, dat Gerrit Zalmvoort bijzondere connectiën met u
+onderhoudt, daar hij u vooraf van mijn komst onderricht heeft.”
+
+„Alles in mijn voordeel, beste jongeheer,” antwoordde Mozes. „Wij arme
+lieden zijn zoo dikwijls de dupes van ’t bedrog van vreemden, dat we
+blij zijn, als iemand ons een fatsoenlijk mensch recommandeert, die ons
+niet bedriegt, zooals met die vreemden dikwerf het geval is.”
+
+Rudolf, hoe onbekend hij ook met de wereld was, begreep zeer goed, dat
+Mozes Zadok er de man niet naar was, om zich te laten beetnemen en wist
+niet, wat hij er van maken moest dat Gerrit aan Mozes vooraf van zijn
+komst bericht had gegeven. Hij bleef daar echter niet lang over denken,
+maar haalde zijn horloge voor den dag en zeide:
+
+„Ik wou op dit horloge dertig gulden te leen hebben. ’t Zal
+waarschijnlijk slechts voor weinige dagen zijn, dat ik het geld noodig
+heb.”
+
+Zadok nam ’t horloge aan, bekeek het, woog het op de hand en zeide
+minachtend:
+
+„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard—uit de mode.”
+
+„’t Heeft pa toch geld genoeg gekost,” zei Rudolf.
+
+„Wel mogelijk. Een twintig, dertig jaren geleden misschien.”
+
+„En rekent u de juweelen dan niet waarmee ’t bezet is?”
+
+„Als die er niet op waren gaf ik er geen drie gulden op pand voor,”
+antwoordde Zadok.
+
+„En dan de gouden ketting?” vroeg Rudolf.
+
+„Nu, weet je wat: omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd ben,
+zal ik er je dertig gulden op voorschieten—anders kreeg je er niet meer
+dan twintig, zoowaar ik Mozes Zadok heet. Hier is ’t geld. Je naam
+is...”
+
+„Rudolf Nederhorst.”
+
+„Nu meneer Nederhorst,” ging Zadok voort. „Teeken nu dat kleine
+papiertje, waarbij je bekent, dat je me dertig gulden schuldig bent. Je
+kunt het aan kleine payementen af doen, als je wilt. Hier heb je van
+mij het bewijs, dat je me een gouden horloge verpand hebt.”
+
+Rudolf teekende het briefje en ontving het bewijs. Met een verruimd
+hart ging hij de deur uit, nam weder den weg, waar hij de minste kans
+had van door bekenden gezien te worden en kwam zoo aan ’t station, waar
+hij nog eenigen tijd op ’t vertrek van den trein moest wachten.
+
+Wie dien morgen in de wachtkamer derde klasse had gekeken zou daar een
+in rouw gekleeden, ongeveer zestienjarigen knaap hebben zien zitten, op
+wiens bleek gelaat de sporen van angst te lezen waren en die zijn oogen
+meestal strak op den grond gevestigd hield. Hij zou misschien
+medelijden met hem gekoesterd en gemeend hebben, dat hij voor zijn
+vervolgers vluchtte. Maar wie in de ziel van dien knaap had kunnen
+lezen, zou daarin reeds de eerste zaden van innig berouw hebben
+gevonden over een daad, wier afschuwelijkheid hij, nu ze bedreven was,
+eerst in al haar laagheid zag. ’t Had weinig gescheeld, of diezelfde
+knaap had zich naar de Keizersgracht begeven, had daar aan ’t huis van
+den rijken meneer Walburg gescheld, was zijn oom te voeten gevallen,
+had hem alles bekend en gesmeekt, met hem naar Mozes Zadok te gaan om
+’t horloge van meneer Walburgs overleden zuster voor ’t ontvangen geld
+terug te eischen. O, had hij ’t gedaan—hij zou zich zelf en zijn brave
+zuster vrij wat verdriet bespaard hebben. Maar valsche schaamte deed
+hem daar in de wachtkamer toeven, valsche schaamte deed hem ’t eenige
+redmiddel verwerpen—daar ging de bel... Rudolf spoedde zich in den
+trein, de conducteur knipte ’t retourkaartje, sloeg ’t portier toe...
+daar klonk nog even de bel, de fluitjes der conducteurs lieten zich
+hooren, en met hijgend geluid voerde de locomotief hem weg van de
+plaats, waar hij ’t verraad aan zijn zuster gepleegd had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+LENTEKNOPPEN.
+
+
+Het wordt tijd, dat we naar die zuster terugkeeren, welke we ’t laatst
+ontmoetten, toen ze den draad van het voor Rudolfs ziekte begonnen
+verhaaltje weder opvatte. Maar ’t wou niet lukken. Ze was het vroeger
+door haar geweven verband kwijtgeraakt, en zag er geen kans op de los
+daar neder geschreven, schetsachtige aanteekeningen weer zoo juist bij
+elkander te brengen. Ze begreep, dat het een mislukte arbeid zou
+worden, nam een kort en moedig besluit en scheurde al wat ze geschreven
+had aan stukken. Nu zette ze een nieuw plannetje op het touw, veel
+eenvoudiger in verbinding en ontwikkeling, schreef haar schets op,
+verdeelde haar hoofdstukken en begon te schrijven. Zoo wonder wel
+gelukte haar dit, dat ze menigen avond een uurtje langer opbleef, om
+een of ander hoofdstuk af te werken, en ’t was dan ook spoedig gereed.
+Nu schreef zij een brief aan meneer Radinus, pakte het in en schreef
+het adres van den redacteur van het Tijdschrift nogmaals op ’t pakket.
+
+„Breng dat even naar dokter Faminga, Trui,” zei ze.
+
+„Heel goed, juffrouw,” antwoordde de meid. „U hebt al lang geen pakjes
+naar den goeden dokter gestuurd. Hij zal wel gedacht hebben dat u dood
+was.”
+
+„Die pakjes zijn niet voor hem, Trui,” antwoordde Helène. „Ik zou niet
+graag een pakje voor hem sturen; want pa mocht er eens achterkomen. Hij
+bezorgt ze slechts aan hun adres.”
+
+„Zoo,” zei Trui droog, en ze snelde heen, om het pakje te bezorgen. Het
+duurde niet lang, of Helène kreeg een antwoord van meneer Radinus, een
+antwoord, dat menig ander voor goed uit het veld geslagen zou hebben,
+doch haar juist aanspoorde, om andermaal haar krachten te beproeven.
+Dat antwoord, hetwelk met de terugzending van haar copie vergezeld
+ging, luidde aldus:
+
+
+ „Mejuffrouw. Met veel genoegen ontving ik van u een oorspronkelijk
+ verhaaltje, en ik heb mij de moeite gegeven, het geheel te
+ doorlezen en van aanmerkingen te voorzien.
+
+ Het geheel toont, dat ge wel aanleg hebt. Lees nu mijn aanmerkingen
+ oplettend na, neem ze niet aan, voor u begrepen hebt waarom ik
+ gelijk heb, en werk dan ’t zelfde idée nog eens geheel om;
+ misschien is het dan de plaatsing in mijn tijdschrift waard. In dat
+ geval kunt ge daarop, als ook op een behoorlijk honorarium rekenen;
+ want het is mij van hoog belang, van tijd tot tijd nieuwe, frissche
+ krachten onder mijne medewerkers op te nemen. Wat ik u vooral moet
+ aanraden: werk niet met overhaasting. Aankomende talenten moeten
+ langzaam en bedaard arbeiden en er wel over denken, eer ze een zin
+ neerschrijven. Daarna leest ge ’t geheel nog eens over, besnoeit
+ hier het overtollige en zet daar het ontbrekende bij. Eindelijk
+ schrijft ge alles nog eens over. ’t Is zeker een lange en
+ omslachtige weg, dien ik u voorschrijf—’t is de eenige, die tot het
+ doel kan leiden.
+
+ Geloof mij, Mejuffrouw,
+
+ uw toegenegen vriend
+ A. D. Radinus.”
+
+
+’t Was inderdaad een lange weg, dien meneer Radinus haar voorschreef.
+Maar ze was niet zoo verwaand, om den raad in den wind te slaan van een
+man, die zeker beter dan iemand op ’t punt van lektuur voor de jeugd
+beoordeelaar en raadsman tegelijk was. Ze volgde dus zijn raad en
+hoopte nu, dat haar verhaaltje zou worden geplaatst. Wel eenigszins
+ontmoedigend mocht het heeten, dat ze het terug kreeg, nu met
+aanmerkingen over stijl en constructie. „Thans,” schreef hij, „hebt ge
+’t alleen oplettend te corrigeeren en dan nog eens in ’t geheel over te
+schrijven; want bij ’t overschrijven zult ge steeds nog iets te
+veranderen vinden, als ge ten minste geen bloote copiïst zijt.”
+
+Ten derde male zond onze geduldige schrijfster haar werk in, en nu
+volgde het antwoord, dat het verhaaltje weldra geplaatst en dat haar
+bij ’t afdrukken ’t honorarium ter hand gesteld zou worden. Had ze eens
+geweten, dat meneer Radinus daar ginds op de villa aan den weg woonde,
+en dat hij het was, die zich een moeite gaf, welke niemand voor haar
+zou over gehad hebben! Welke redacteur toch zou zich de moeite hebben
+getroost, om zoo het werk eener aankomende schrijfster na te zien en
+nogmaals te herzien? Wie zou het ontluikende talent, dat nog in de
+windselen lag, zoo aangemoedigd hebben, als ’t niet iemand was, die in
+de jeugdige auteur belang stelde als in een dochter? Zeker waren haar
+dan de aanmerkingen van den pseudoniem Radinus des te aangenamer en nog
+meer waard geweest.
+
+En toch was ’t vreemd, ofschoon wel begrijpelijk, dat ze zich meneer
+Radinus onder de gedaante van dokter Faminga voorstelde. Vooreerst in
+de brieven die zij van meneer Radinus ontving, dezelfde hartelijkheid
+als in de gesprekken van den dokter, en ten tweede had haar dwaze
+naamverandering, toen Rudolf haar vroeg, wie die heer was, dokter
+Faminga en meneer Radinus in haar idée langzamerhand tot éen en
+denzelfden persoon vervormd. Ondanks dat schreef ze toch aan den
+redacteur van het Tijdschrift anders dan ze zou gedaan hebben, wanneer
+ze geweten had, dat hij dokter Faminga in eigen persoon was.
+
+Eén ding echter was er dat Helène gedurig bij haar werk hinderde en dat
+haar bijna ’t vroeger copieerwerk boven het tegenwoordige „stellen” zou
+hebben doen verkiezen: ze miste namelijk dat lieve, gouden horlogetje,
+dat als zoo’n prettige verdeeler en wijziger van haar tijd vroeger zoo
+gezellig naast haar lag. Doch ze troostte zich met de gedachte, dat ze
+’t over weinige maanden weer in haar bezit zou hebben—gelukkig
+inderdaad, dat ze er onbewust van was, hoe de erfenis harer moeder
+onder allerlei prullen in ’t kantoor van een Amsterdamschen woekeraar
+lag!
+
+’t Was op dit tijdstip, dat haar papa op zekeren middag aan tafel tegen
+haar zei:
+
+„Helène! Overmorgen komt oom Walburg met Louise en Leonie hier voor een
+paar dagen logeeren. Zorg vooral dat oom een goede kamer heeft.”
+
+Helène keek haar vader min of meer verlegen aan.
+
+„Welke kamer zal ik oom geven?” vroeg zij. „Er is er maar éen: die
+waarin Rudolf geslapen heeft en de kinderkamer.”
+
+Een wolk trok over ’t gelaat van meneer Nederhorst. Gewoon over tal van
+kamers te beschikken, had hij er niet aan gedacht, dat hij zoo klein
+behuisd was, en drie logé’s tegelijk verzocht.
+
+„Laat oom mijn kamer dan maar betrekken,” zei hij, na eenige
+oogenblikken nagedacht te hebben; „dan kunnen Louise en Leonie die van
+Rudolf krijgen. Maak dan mijn bed maar op de kinderkamer.”
+
+„Neen, pa,” antwoordde zij. „Dan weet ik beter. U zult op mijn kamer
+slapen; die is beter voor u.”
+
+„Ook al goed,” antwoordde meneer Nederhorst onverschillig.
+
+Hoe aangenaam ook voor Helène de afwisseling moest zijn, die drie
+logé’s haar zouden verschaffen, leverde hun verblijf voor haar een
+groote, geldelijke zorg op. ’t Waren toch weer nieuwe en voor haar
+verbazende onkosten. Met haar gewone huishoudgeld kon ze natuurlijk
+niet toekomen, haar vader om meer vragen, durfde ze niet; ’t honorarium
+voor haar verhaaltje had ze nog niet ontvangen;—wat bleef haar dus
+over, dan schulden te maken? Want ze moest haar gasten goed ontvangen;
+te meer daar deze aan allerlei gemakken gewoon waren.
+
+„Ze zullen hier van middag dineeren,” zei haar vader. „Zorg ook, dat er
+op de logeerkamers vuur aanligt.”
+
+„Ja, pa!” antwoordde Helène, maar in haar binnenste klonk de
+jammerkreet; „O, wat kost dat weer een kolen!”
+
+De gasten kwamen op hun tijd aan, en ’t scheen, dat meneer Nederhorst
+geheel en al opleefde. Sedert haar moeders dood had Helène hem zoo
+opgeruimd niet gezien. Hij kuste Leonie hartelijk en riep er over, dat
+ze zoo gegroeid was en er zoo goed uitzag. ’t Hinderde Helène wel
+eenigszins haar zuster, die niets voor haar vader deed, zoo met
+liefkozingen overladen te zien, terwijl er voor haar, die zoo zorgde en
+zwoegde, ter nauwernood een goed woord overschoot. Meneer Nederhorst
+was grootsch op zijn tweede dochter, die in haar sierlijk toilet hem de
+dagen van vroeger herinnerde en er inderdaad keurig uitzag; terwijl
+zijn oudste in haar eenvoudig gewaad en met haar treurig, somber gelaat
+hem dagelijks deed zien, tot welk een laagte hij gedaald was. Leonie,
+de jonge, levenslustige, dartele dame der wereld, met haar lachend
+gelaat, haar fladderende krullen, haar levendige oogen, vormde een
+schreeuwend contrast met haar, het sombere, nadenkende meisje, dat oud
+vóor haar jaren, daar in haar eenvoudige rouwjurk stond met groote
+holle oogen, en haar eenvoudig opgemaakt, glad weggestreken en in een
+bos krullen eindigend haar.
+
+Hoe smartelijk Helène die onverdiende voorkeur van haar vader ook
+aandeed, ze liet er haar niets van bemerken en kuste haar even
+hartelijk welkom. Leonie beantwoordde dien welkomstgroet; doch toen,
+haar zuster aandachtig bekijkende, zeide zij:
+
+„Ben je ongesteld geweest, Helène?”
+
+„Hoe dat?” vroeg deze.
+
+„Je ziet er alles behalve goed uit,” antwoordde Leonie.
+
+„Je oogen staan hol en groot,” voegde Louise er bij.
+
+„Je zult het je verbeelden,” zei Helène. „Ik heb ’t met de zieken, die
+er hier in huis geweest zijn, nog al druk gehad.”
+
+Ofschoon ’t zonder erg gezegd was, voelde Leonie toch ’t verwijt, dat
+er in die woorden gelegen was. Noch tijdens de ziekte van haar vader,
+noch gedurende die van Rudolf had ze een enkele poging aangewend om
+Helène in ’t oppassen der zieken te ondersteunen. Ze wendde het dus
+terstond op een ander onderwerp.
+
+„’t Zal wel tijd zijn,” zei ze, „om je voor het diner te gaan kleeden,
+Helène.”
+
+„Ik ben al gekleed,” antwoordde Helène.
+
+„Maar Helène!” riep Louise uit. „Is dat een japon om aan het diner te
+verschijnen?”
+
+„Waarom niet?” vroeg Helène. „Je weet evengoed als ik, dat ik geen geld
+heb, om veel aan mijn toilet te besteden.”
+
+„Vergeef me, dat ik het zei,” hernam Louise. „Ik wist niet, dat je zoo
+arm was. Jij wist dat, Leonie, en ’t had je mooier gestaan, dat je, in
+plaats van al je geld aan beuzelingen te besteden, een paar cadeaux
+voor je zuster had meegebracht.”
+
+„Volstrekt niet; daar zou je me toch geen pleizier mee hebben gedaan,”
+zeide Helène blozende. „Ik ben heel tevreden met mijn eenvoudige jurk.
+Wat zou ik aan al die linten en strikken hebben?”
+
+Een bittere glimlach trok over haar gelaat: ze bekeek Leonie van ’t
+hoofd tot de voeten en dacht, hoe ’t zou staan, als zoo’n dame de
+kinderen aan- en uitkleedde, kamers deed, bedden opmaakte, ja soms wel
+in de keuken hielp.
+
+Sedert mevrouw Nederhorst gestorven was, was de piano schier niet open
+geweest. Een enkele maal had Helène er op gespeeld; maar ’t waren alle
+treurige en sombere stukken, welke zij koos en die, hoewel
+overeenkomende met haar gemoedsstemming, weinig geschikt waren om haar
+op te wekken. Zoodra ze vernomen had, dat haar zuster en haar nicht
+zouden komen, had ze den pianostemmer ontboden en hem ’t instrument in
+orde laten brengen. Toen nu ’t diner was afgeloopen, werd de
+medegebrachte muziek voor den dag gehaald, en speelden Louise en Leonie
+een paar quatremains; daarna zongen ze een paar vroolijke duetten, en
+’t was of meneer Nederhorst geheel en al opleefde bij ’t hooren van die
+voor hem zoo vreemd geworden tonen.
+
+„Wel, Leonie!” zei hij met blijkbaar welgevallen. „Wat ben je
+gevorderd. Kom, speel nog eens wat!”
+
+Helène gevoelde wel eenige jaloezie. Haar had vader nog nooit opgewekt
+om voor hem iets op de piano te spelen, en al had hij ’t gedaan, ze zou
+’t nooit gewaagd hebben, voor hem een vroolijk stuk te kiezen. Toch
+deed het haar genoegen, haar vader in zulk een opgewekte stemming te
+zien—sedert hun het ongeluk trof, had zijn gezicht zoo vroolijk niet
+gestaan.
+
+Leonie was dien avond al geest en opgewektheid, wat er aan was. Ze
+zong, ze danste, ze schertste, kortom ze vloeide over van vernuft en,
+zonder het te weten of te willen, stelde ze de sombere, stroeve Helène
+zoodanig in de schaduw, dat deze er zich verdrietig over gevoelde, ’t
+geen er toe strekte, om haar zuster nog meer op den voorgrond te doen
+komen. Steeds onder menschen verkeerende, had zij al de vrijheid van
+manieren, welk daar ’t gevolg van is, had ze de geestigste invallen,
+gaf haar vader de vleiendste namen en wist hem zóó in te nemen, dat hij
+geheel en al vergat, hoe hij zich meermalen over haar beklaagd had, dat
+ze zoo onverschillig was en zoo weinig schreef.
+
+Toen de jongelui de kamer verlaten hadden, bleven de beide zwagers nog
+onder een glas wijn zitten, en begon meneer Walburg over de eigenlijke
+reden te spreken, die hem hierheen gevoerd had, namelijk over de
+toekomst van Rudolf.
+
+„Met de aanstaande kerstvacantie komt hij voor goed van school,” zeide
+meneer Nederhorst. „En ik geloof, ofschoon ’t mij een groote opoffering
+geweest is, dat ik mij geluk mag wenschen, hem nog een jaar te hebben
+school gelaten. Al de berichten, welke ik van zijn onderwijzer krijg,
+luiden gunstig. Hij heeft zijn tijd goed besteed, en is, van nature
+vlug zijnde, zeer voldoende in alle zaken gevorderd.”
+
+„En wat ben je nu voornemens, met hem te doen?” vroeg meneer Walburg.
+
+„Dat is juist de zwarigheid, en ’t was daarom, dat ik je raad en
+voorlichting wenschte. Ik heb gedaan, wat ik kon; meer doen kan ik
+niet, daar mijn middelen ’t mij niet veroorloven. Helaas! ik had zulke
+schitterende plannen met hem; hij zal zijn toekomst nu zelf moeten
+banen.”
+
+„In ’t geheel zoo kwaad niet,” hervatte meneer Walburg. „Veel beter
+voor jonge menschen, dat ze zich een toekomst moeten maken, dan wanneer
+ze haar als gesneden koek voor zich vinden.”
+
+„Dat is zeker waar,” zei meneer Nederhorst. „Maar ik ben sterfelijk, en
+kan mijn kinderen nagenoeg niets nalaten. Als broeder zou dan de zorg
+voor zijn zusters en jongeren broer op hem rusten.”
+
+„Ho, ho, wat!” zei meneer Walburg. „Leonie is bij mij, Helène zal zelf
+haar toekomst wel banen; dan blijven Dora en Alfred nog over, en wij
+zijn er ook nog. In alle gevallen trek je je ’t ongeluk te zeer aan. Je
+hebt je goeden naam aan de beurs behouden en je schulden tot den
+laatsten cent betaald. Zelfs je ergste vijand zou niet anders van je
+kunnen zeggen, dan dat je een eerlijk man bent.”
+
+„Eerlijk, maar ten koste van mijn vermogen, Walburg,” antwoordde meneer
+Nederhorst. „Niemand weet het, hoe geldelijke zorgen mij steeds
+drukken.”
+
+„Ik heb je een voorstel te doen, Nederhorst,” hervatte de andere: „Aan
+de Bank, waarvan ik directeur ben, komt met Januari een betrekking
+vacant. ’t Is natuurlijk een zeer inferieure, doch ze zal genoeg
+opbrengen om er in Amsterdam zuinig van te leven. Indien Rudolf goed
+oppast, zal hij, wanneer hij zich spoedig op de hoogte der zaken stelt,
+weldra verhoogd worden. Rudolf is een ferme jongen en ik twijfel er
+niet aan, of hij zal zijn best doen. Nu heb ik u ’t volgende plan
+gevormd. Ik heb, helaas! geen zoon. Welnu, als Rudolf goed oppast en
+zorgt, dat hij vooruit komt, dan neem ik zijn toekomst op mij en zal
+hem ’t noodige kapitaal verschaffen, om mij door den tijd als directeur
+van onze Bank op te volgen. Natuurlijk zal dat nog jaren duren; maar
+dan is ook zijn fortuin gemaakt.”
+
+„Voor mij zelf zou ik niets willen aannemen,” zei meneer Nederhorst.
+„Voor mijn zoon alles. Ik ben je dankbaar voor je voorstel, en
+accepteer het met beide handen. Je ontlast me van een mijner meest
+drukkende zorgen!”
+
+„Doch ik stel een voorwaarde. Rudolf mag van mijn plannen niets weten.
+Hij zelf moet er voor zorgen, om vooruit te komen, ook zonder ’t
+uitzicht van eenig kapitaal te zullen bezitten.”
+
+„Natuurlijk, en ik zal mij wel wachten, er hem ook de mogelijkheid van
+te laten doorschemeren. ’t Zou zijn toekomst bederven, als hij wist,
+dat hem de weg al gebaand is.”
+
+Met een opgeruimd hart wees meneer Nederhorst zijn zwager de voor hem
+bestemde kamer, en begaf hij zich naar de kamer van Helène. Hij kwam
+haar op den drempel tegen; want ze had nog ’t een en ander voor hem in
+orde gebracht.
+
+„Hoe, nog niet naar bed?” vroeg hij.
+
+„Ik had het een en ander te doen,” antwoordde zij.
+
+„Hoor eens, Helène. Het diner was vandaag alles behalve in orde. Zorg,
+dat er morgen meer op tafel is. Als Trui ’t alleen niet af kan, geef
+haar dan iemand, die haar helpen kan. Wat zou je oom wel van ons
+denken?”
+
+„Ik heb gedaan, wat ik kon, pa,” zei Helène, terwijl haar de tranen in
+de oogen schoten. „U weet zelf, hoe onze geldelijke middelen staan, en
+daar we maar één meid hebben.... Hij zal het ook wel begrijpen....”
+
+„Wat je oom begrijpt, kan mij niet schelen. ’t Moet morgen beter zijn,
+ik wil het.”
+
+„Hier is uw kamer, pa,” zei ze, de deur opendoende. „Ik hoop dat ze
+naar uw zin is.”
+
+„Heel goed,” zei haar vader, terwijl hij met een tevreden blik de kamer
+rond keek. „Rust wel!”
+
+De arme Trui had het den volgenden dag geducht druk met koken en braden
+en ofschoon ’t wel tegen den vorm streed, kwam Helène dien morgen niet
+voor den dag, daar ze de meid in de keuken hielp. Ze verontschuldigde
+zich, toen haar oom haar uitnoodigde, een rijtoertje mee naar Hilversum
+te doen en wist hem over te halen, Dora en Alfred in haar plaats mee te
+nemen, ’t geen een heele uitgang voor de beide kinderen was, wien zoo
+iets natuurlijk nooit ten deel viel. Het diner was dan ook dien dag
+rijkelijker voorzien dan den vorigen, maar ten koste van nieuwe
+schulden en een afmattenden arbeid van Helène. Hoe aangenaam haar ’t
+bezoek ook was, ze was toch blij, dat de gasten den volgenden morgen
+weer vertrekken zouden. Dien avond kwam Leonie bij haar op de kamer.
+
+„Hoor eens, Helène,” zei ze. „Hoe staat het toch met pa’s zaken? Je
+schijnt hier nog maar altijd in dit kleine huis te blijven wonen. Zou
+er geen uitzicht zijn, spoedig een betere woning te betrekken?”
+
+„Ik vrees van neen,” antwoordde Helène. „’t Valt mij al moeilijk
+genoeg, om van hem geld voor de noodzakelijkste dingen te krijgen.”
+
+„’t Is miserabel,” zei Leonie. „Ik had nog al gedacht, spoedig weer
+thuis te komen.”
+
+„Jij thuis komen!” riep Helène verbaasd uit. „En je hebt het zoo goed
+bij tante.”
+
+„Nu ja, zooals de zaken thans staan, zou ik ’t ook niet verlangen. Ik
+zou op den duur in dit enge huis en zoo bekrompen niet kunnen leven.
+Maar dat neemt niet weg, dat ik, als de zaken anders waren, toch liever
+thuis was. ’t Is niet plezierig, als men voor alles zoo geheel
+afhankelijk is van anderen. Als ik geld wil hebben, moet ik er oom om
+vragen, en hij heeft het mij al een paar malen geweigerd. Je begrijpt
+wel, dat me dit hard viel. Als pa ’t gedaan had, dan was ’t wat anders
+geweest.”
+
+„Maar als ik jou was, zou ik nooit om geld vragen,” zei Helène. „Oom
+geeft je toch zeker je vaste weekgeld.”
+
+„Nu ja; maar men heeft wel eens niet genoeg daaraan. Ik krijg ook
+zooveel zakgeld niet, niet eens het vierde part van Louise.”
+
+„Die is ook ouder dan jij, en daarenboven hun eigen dochter.”
+
+„Juist dat laatste kan ik zoo aan alles merken,” hernam Leonie. „’t
+Hindert me, dat ze onderscheid tusschen ons maken. En dat doen ze; al
+merken ze ’t misschien zelf niet op—ik voel het zeer goed.”
+
+„Je bent onredelijk, Leonie,” zei Helène. „Oom en tante zijn waarlijk
+veel te goed voor je, om hen van zoo iets te beschuldigen. Dat Louise
+hun eigen kind blijft en dus de eerste en oudste brieven heeft, kun je
+hun toch niet ten kwade duiden. Daarom zou ik mij, als ik jou was, maar
+tevreden stellen met hetgeen ik had. Waarlijk, jij, aan zulk een leven
+gewend, zou je hier onmogelijk meer thuis voelen. We hebben, en dat wil
+ik je wel in vertrouwen meedeelen, gedurende je verblijf hier een
+weelde tentoongespreid, waaraan we niet meer gewoon zijn. Voortdurend
+is hier schraalhans keukenmeester, en hangt ons leven van ontberingen
+aan elkander. Blijf dus stil waar je bent, en tracht zooveel te leeren,
+dat je eens, als ’t noodig is, je zelf een onafhankelijk bestaan kunt
+verschaffen.”
+
+„In alle gevallen,” hernam Leonie hooghartig, „keer ik niet terug,
+zoolang de omstandigheden hier blijven, zooals ze tegenwoordig zijn. Ik
+zou er voor bedanken, mij af te sloven, zooals jij doet, en mijn jeugd
+in zulk een omgeving door te brengen. Ik weet niet, hoe je ’t
+uithoudt.”
+
+Helène zuchtte, doch antwoordde niet.
+
+„Als ik er maar wat meer dank voor inoogste,” lag haar op de lippen;
+doch ze uitte de woorden niet, en zei alleen:
+
+„’t Is tijd, om naar bed te gaan, Leonie. Maar eer we elkander goeden
+nacht zeggen, moet ik je dezen zusterlijken raad geven: houdt wat je
+hebt, en klaag niet over kleinigheden, die slechts in je verbeelding
+bestaan. Bedenk, dat je geheel en al afhankelijk bent van oom en tantes
+goedheid en tracht je dit waardig te maken.”
+
+Leonie zei haar zuster goeden nacht. „Op stuk van zaken,” mompelde ze,
+terwijl ze naar haar kamer ging, „is zij gelukkiger dan ik; want ze
+behoeft niemand naar de oogen te zien.”
+
+Den volgenden morgen vertrokken de gasten en drukte oom Walburg Helène
+twee gouden tientjes in de hand, haar toefluisterende: „Voor je toilet,
+lieve!” Natuurlijk was ’t cadeau van haar oom Helène aangenaam. „Dank,
+oom!” zei ze. „Ik zal ’t er voor gebruiken.”
+
+Doch in plaats dat ze dit deed, haastte ze zich er de gemaakte schulden
+van af te doen, en niemand vernam van de zaak iets.
+
+Trui werd voor al haar moeite ruimschoots schadeloos gesteld door een
+rijke fooi, en ze zei tegen Helène, dat ze op dien koop nog wel eens
+zoo’n drukte wilde hebben.
+
+’s Middags, nadat het nu weer dood eenvoudige diner was afgeloopen en
+de kinderen weg waren, bleef haar papa tegen zijn gewoonte nog een
+oogenblik zitten. Hij was blijkbaar opgeruimder dan hij in maanden
+geweest was.
+
+„Helène,” zei hij, „dat bezoek heeft mij goed gedaan.”
+
+„Dat doet me pleizier, pa,” antwoordde zij.
+
+„Oom heeft mij beloofd, voor de toekomst van Rudolf te zullen zorgen.”
+
+„O, dat is heerlijk, pa!” riep ze met onverholen vreugd uit.
+
+„’t Is een uitkomst, waarin ik in de verste verte niet van gedroomd
+had!” vervolgde hij.
+
+„O, wat zal Rudolf gelukkig zijn, als hij ’t hoort!”
+
+„Maar hij mag ’t niet weten; dat heb ik oom moeten beloven. Je moogt er
+hem dus niets van zeggen.”
+
+„Ik beloof u, pa, dat ik zwijgen zal.”
+
+„Vindt je niet dat Leonie in haar voordeel veranderd is?” vroeg meneer
+Nederhorst. „Ze is een aardige, prettige meid geworden.”
+
+„Ik geloof, dat ze bij oom en tante goed op haar plaats is, en zich
+slecht weer hier zou kunnen voegen,” antwoordde Helène. „Daarom is ’t
+ook maar gelukkig, dat ze er blijft.”
+
+Meneer Nederhorst gevoelde de waarheid, welke er in Helène’s woorden
+lag, en toch hinderde die waarheid hem. Dat antwoord miskennende, keek
+hij haar aan en zei eenigszins scherp:
+
+„Je bent zeker jaloersch op haar! Trouwens,” voegde hij er overtuigend
+bij. „Er is ook nog al wat onderscheid in je beider positie, en ’t is
+je niet kwalijk te nemen; want voor een jong meisje is je leven hier
+vrij eentonig en verdrietig.”
+
+„Ik wil met Leonie niet ruilen, pa,” antwoordde Helène. „’t Gevoel van
+voor anderen werkzaam en nuttig te zijn, heeft ook zijn genoegens. En
+zeker is ’t voor mij geen kleine zelfvoldoening, als ik mag zeggen, dat
+ik ma’s laatste wensch vervul en u ’t leven zoo dragelijk mogelijk
+maak. Die zelfvoldoening kan Leonie in alle gevallen niet smaken.”
+
+Meneer Nederhorst was getroffen. ’t Was, als zag hij op dit oogenblik
+de grootheid van Helène’s zelfopoffering in, waarvan hij echter het
+tiendepart niet kende of waardeerde. Hij trok haar naar zich toe, kuste
+haar en zei met tranen in de oogen:
+
+„Je bent een goede, lieve, brave meid, Helène, weinigen die jou
+gelijken!”
+
+Toen stond hij diep bewogen op en ging naar zijn kamer, die Helène weer
+geheel en al voor hem in orde gemaakt had. Wat haar aangaat, die
+eenvoudige bekentenis van een vader, die zoo weinig haar verdiensten
+inzag, maakte haar voor ’t oogenblik gelukkiger dan ze geweest zou
+zijn, wanneer ze zich in Leonie’s plaats bevonden had, en deed allen
+schijn van jaloezie verdwijnen. En ofschoon ze zeer goed wist, dat haar
+vader ’t eenige dagen later wel weer vergeten zou zijn, wat hij haar
+uit de volheid van zijn gemoed betuigd had, schonk het haar toch
+zelfvoldoening, dat hij in het binnenste van zijn hart overtuigd was
+van haar waarde.
+
+Toen meneer Walburg thuiskwam, vond hij verscheiden brieven, onder
+andere ook dien van Rudolf. Hij brak hem open en keek raar op.
+
+„Neen, mannetje!” zei hij, „daar beginnen we niet aan. Dat zou juist
+zijn, om mijn plannen voor goed den bodem in te slaan.” Hierop stak hij
+den brief in zijn zak, en ’t was eerst eenige dagen later, dat hij er
+aan dacht om dien te beantwoorden en wel in dezer voege:
+
+
+ „Beste Rudolf. Ik ben zeer verbaasd geweest over je verzoek. Je
+ moet toekomen met het zakgeld, dat je vader je geeft en kun je dat
+ niet, dan moet je de tering maar naar de nering zetten. Ik zou
+ rekenen, heel verkeerd te doen, je een cent meer te geven. ’t Zou
+ je aanmoedigen op een weg, die je zeker ten verderve zou leiden.
+ Jonge menschen als jij, die in de wereld geen ander vooruitzicht
+ hebben dan ’t geen ze zelf door eigen vlijt zullen moeten
+ verdienen, moeten leeren zich zelf te bedruipen, en, daar ik
+ voornemens ben, je, wanneer je van de kostschool komt, een
+ betrekking te bezorgen, moet je je best doen, mij in dat opzicht te
+ voldoen. Ik ben
+
+ „je toegenegen oom Walburg.
+
+ „PS. Mijn besluit staat onveranderlijk vast.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+RUDOLF IS IN HANDEN VAN EEN WOEKERAAR GEVALLEN.
+
+
+’t Was Rudolf, toen hij dien brief van zijn oom kreeg, alsof er een
+donderslag boven zijn hoofd losbarstte. Hij had er al spijt van gehad,
+dat hij maar geen dertig gulden gevraagd had, dan had hij ’t horloge in
+eens kunnen aflossen; want van de dertig gulden, welke hij van Zadok
+ontvangen had, waren hem nog een paar overgebleven en die bewaarde hij
+zuinig, om bij die gelegenheid nog eens naar Amsterdam te kunnen
+reizen. En nu kwam daar die verpletterende brief en dat hatelijke
+postscriptum: „Mijn besluit staat onveranderlijk vast!” ’t Was
+verschrikkelijk! Helènes horloge was in vreemde handen, en dat, terwijl
+hij over weinige weken de school voor goed zou verlaten! Wat moest hij
+haar zeggen! O, welk een zelfverwijt vervulde zijn ziel, en hoe zeer
+begreep hij ’t verkeerde zijner handelwijs! Daarbij had hij niemand op
+de kostschool, dien hij in deze zaak vertrouwen kon en moest hij dus al
+zijn verdriet voor zich zelf houden. Wat zou hij beginnen! ’t Eenige
+wat hij doen kon, was aan zijn vader te schrijven om ’t achterstallige
+weekgeld. Dat kon hij dan al vast op afrekening aan Zadok geven en hem
+beloven ’t overige te zullen afdoen, zoodra hij weer thuis zou zijn.
+Hij hoopte, wanneer zijn oom zijn belofte gestand deed en hem een
+betrekking bezorgde, maandelijks zooveel te besparen, dat hij ’t
+horloge na eenigen tijd zou kunnen lossen.
+
+Hij schreef dus een brief aan zijn vader, waarin hij dezen dringend
+verzocht, hem ’t laatste kwartaal van zijn weekgeld te zenden en als ’t
+eenigszins kon, nog iets meer; daar hij bij ’t verlaten der kostschool
+nog enkele dingen te verrekenen had. Hoezeer was hij echter
+teleurgesteld, toen hij van huis, in plaats van de dertien gulden,
+welke hij per kwartaal ontving, niet meer dan ruim de helft kreeg. „Ik
+reken dat je een paar dagen vóór Kerstmis thuiskomt, dus heb je vijf
+weken lang geen weekgeld noodig; overleg het met het overige zoo, dat
+je er je reis uithaalt. Wat mij aangaat, ik kan op ’t oogenblik geen
+cent meer missen.”
+
+In alle gevallen wilde hij toch afdoen wat hij kon, maar meneer
+Voornvisser wilde hem geen verlof geven, om naar Amsterdam te gaan.
+Toen schreef hij Zadok, dat hij hem in de week voor Kerstmis wat zou
+komen afdoen en hij hem dus thuis hoopte te vinden; maar de woekeraar
+antwoordde hem niet. ’t Waren voor hem alles behalve aangename dagen,
+de laatste dagen welke hij op school doorbracht, en zijn kameraden
+konden maar niet begrijpen, hoe Rudolf, die altijd de vroolijkste en
+prettigste van hen allen geweest was, in den laatsten tijd zoo stil
+was. Sommigen schreven ’t er aan toe, dat het was, omdat men op school
+de verandering in zijns vaders fortuin wist; doch daar geen der jongens
+hem ooit getoond had, dat hij hem daarom minder achtte, verwierp men
+dat denkbeeld en, zooals ’t met jongens gaat, dacht men er niet meer
+over na, maar liet hem eenvoudig loopen.
+
+Intusschen naderde de kerstvacantie, en Rudolf, die niet zooals andere
+jongens die de school verlaten, aan zijn kameraden een klein
+afscheidspartijtje kon geven, had meneer Voornvisser verzocht, den dag
+vóór de vacantie te mogen vertrekken, voorgevende, dat hij dien dag in
+Amsterdam moest zijn, om door zijn oom aan zijn aanstaande patroons te
+worden voorgesteld. Meneer Voornvisser, die wel begreep, waar de schoen
+hem wrong en van meneer Nederhorst het verzoek had ontvangen, niet meer
+voor zijn zoon uit te schieten dan volstrekt noodzakelijk was, had
+daartoe gereedelijk verlof gegeven en Rudolf had naar huis geschreven,
+dat hij om de onkosten van een afscheidspartij uit te winnen, een dag
+vroeger zou thuiskomen. Hij was van plan om bij zijn oom aan te gaan,
+maar eerst Mozes Zadok te bezoeken en hem vijf gulden op afrekening te
+betalen. Dat liep hem tegen: want Helène had zijn komst te Amsterdam
+aan Leonie geschreven en nu stond deze met Louise hem aan ’t station af
+te wachten, en noodigden ze hem uit naam van oom en tante uit, om daar
+dien middag te blijven dineeren, waarna ze hem weder naar ’t station
+van den Oosterspoorweg zouden brengen. Daar kon hij niets tegen doen.
+Hij besloot dus maar „de faire bonne mine à mauvais jeu” en zich zoo
+opgeruimd en vroolijk mogelijk voor te doen, hetgeen hem niet moeielijk
+viel, daar hij spoedig in ’t gezelschap van zijn dartele zuster en zijn
+vroolijk nichtje vergat, wat hem zoo hinderde.
+
+’s Middags ging hij met oom Walburg naar de Bank, waar deze hem
+voorstelde aan den chef der afdeeling bij welke hij den tweeden Januari
+aanstaande zou komen. Deze deed hem eenige vragen, welke Rudolf zeer
+tot zijn genoegen en tot dat van zijn oom beantwoordde; daar hij door
+die beantwoording een mate van kennis tentoonspreidde, welke beiden
+zeer beviel. Daarop bracht zijn oom hem op de Tentoonstelling van
+schilderijen van levende meesters in Arti; toen ging men eten en na het
+diner was het spoedig tijd, om naar ’t station van den Oosterspoorweg
+te wandelen. En zoo reed hij naar Weesp, waar hij niemand aan ’t
+station vond, om de eenvoudige reden, dat men daar niet wist, met
+welken trein hij komen zou.
+
+Daar hij er tegen opzag, om Helène alleen te ontmoeten, wendde hij dien
+avond vermoeidheid en slaap voor en begaf zich vroeg naar bed. Dat
+hielp hem echter weinig: nauwelijks was hij op zijn kamertje, of Helène
+stond voor hem.
+
+„Rudolf,” zei ze. „Wat heb ik naar dezen dag verlangd. Ik heb ’t je nog
+niet kunnen vragen, anders had ik ’t al gedaan.—Je hebt nu mijn horloge
+niet langer noodig en je moest het mij dus maar terstond teruggeven. Ik
+ben zoo blij, dat ik het terugkrijg. O, ik heb het zoo gemist.”
+
+Rudolf kreeg een kleur tot over zijn ooren, en sprak geen enkel woord.
+
+„Nu! Hoe is het?” vroeg Helène. „Plaag mij niet en geef ’t mij.”
+
+„Ik heb ’t op de kostschool laten liggen,” antwoordde hij.
+
+„Op de kostschool laten liggen! Mijn horloge, waarvoor je me beloofd
+hadt alle mogelijke zorg te zullen dragen. Maar dat is onmogelijk!”
+
+„’t Is toch zoo.”
+
+„Maar dan moet er terstond naar de kostschool geschreven worden! Ik zal
+dadelijk aan meneer Voornvisser schrijven en hem verzoeken, het
+onmiddellijk op te zenden.”
+
+„Dat zou je weinig helpen,” hernam Rudolf, die wel begreep, dat de zaak
+dan zou uitkomen. „Ik heb het eigenlijk niet op de kostschool laten
+liggen en zal nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkomen. Met het
+opwinden heb ik de veer gebroken en het naar Amsterdam bij een
+horlogemaker gebracht. Ik had het stellig bij hem afgehaald; maar ik
+had geen geld genoeg om het te betalen, toen ik vandaag terugkeerde.”
+
+„O, Rudolf! Hoe leelijk van je om zoo te handelen!” zei Helène vol
+verontwaardiging. „Als je er dan al een ongeluk mee gehad hebt, dan
+hadt je ’t kunnen meebrengen, en dan zijn hier wel horlogemakers, die
+’t in orde kunnen brengen. Je wist, dat ik er zoo bang voor ben. Je
+moet het morgen gaan halen.”
+
+„Alles goed en wel; zoodra ik maar geld genoeg heb,” hernam Rudolf.
+„Eer kan ik ’t niet krijgen.”
+
+„O, had ik mijn honorarium maar!” riep Helène uit. „Ik had het je nooit
+moeten leenen!” vervolgde zij snikkend. „Als er wat mee gebeurd is, dan
+vergeef ik het je nooit! Je hebt je belofte niet gehouden. Nooit of
+nimmer vertrouw ik je weer.”
+
+Bitter schreiende en vol verontwaardiging verliet ze de kamer.
+
+Den eersten dag van Rudolfs verblijf te huis was de verhouding tusschen
+broeder en zuster zeer gespannen. Hoe vergevensgezind Helène ook
+was—haar verontwaardiging was te groot dan dat ze ’t hem kon vergeven,
+dat hij zoo nonchalant te werk gegaan was met iets, dat haar
+dierbaarder was dan eenig ding op aarde. En nog vermoedde ze de volle
+waarheid niet!
+
+Gelukkig was meneer Nederhorst zeer afgetrokken en bemerkte hij niet
+eens, dat zijn zoon en dochter iets met elkander schenen te
+hebben.—Toch oordeelde Helène dat het zoo niet kon blijven. Den
+volgenden dag na ’t ontbijt toen de kinderen naar school waren, zei ze
+tegen Rudolf:
+
+„Hoeveel geld heb je er voor noodig?”
+
+Rudolf durfde niet voor de waarheid uitkomen. „Indien ik hem eens de
+helft afdoe, zal hij ’t horloge wel meegeven,” dacht hij, en daar hij,
+de reiskosten er afgerekend, zelf nog wel vijf gulden had, zei hij
+onbeschaamd weg: „Tien gulden.”
+
+„Tien gulden! Goede Hemel, Rudolf, wat heb je er dan mee uitgevoerd!
+Tien gulden! Waar krijg ik die vandaan!”
+
+„Ik had het laten vallen en toen was de ronsel gebroken, zei de
+horlogemaker. Maar hij zou ’t goed maken.”
+
+„In alle gevallen, ik moet het terug hebben, wat het ook kost!” zei
+Helène. „Je moet er van daag naar toe, met den eersten den besten
+trein, dan ben je voor den middag terug en merkt pa er niets van. Ik
+zal je de tien gulden meegeven.”
+
+Hoe Helène aan die tien gulden kwam? Dat zal ik u zeggen. ’t Was van ’t
+huishoudgeld, hetwelk haar vader haar dien morgen gegeven had. Nu
+redeneerde zij dus: in ’t begin van Januari krijg ik ’t honorarium voor
+’t geleverde verhaaltje, tot zoolang laat ik sommige benoodigdheden
+opschrijven en dan betaal ik ze van dat geld. Daarbij had ze van den
+zoogenaamden meneer Radinus weer een stuk om te copiëeren ontvangen en
+als dat af was, had ze ook weer contanten.
+
+Rudolf vertrok met den eerstvolgenden trein naar Amsterdam en begaf
+zich terstond naar den winkel van Mozes Zadok.
+
+„Ha, jongeheer!” zei Mozes even vriendelijk als de vorig maal. „Ik had
+je al lang verwacht. Kom je eindelijk je horlogetje inlossen?”
+
+„Dat is te zeggen; ik kom u de helft op het voorgeschoten geld
+betalen,” antwoordde Rudolf; terwijl hij vijftien gulden nedertelde.
+„Nu zul je me plezier doen, me ’t horlogetje mee te geven; dan breng ik
+je de rest binnen korten tijd.”
+
+Mozes nam de vijftien gulden op, borg ze weg, schreef ze in zijn boek
+als betaald op, gaf Rudolf daarop een kwitantie.
+
+„Vijftien gulden afgedaan. Ziedaar ’t bewijs.”
+
+„En nu ’t horlogetje?” zei Rudolf.
+
+Mozes begon te lachen.
+
+„Maar, vriendlief! Dat je onnoozel was heb ik dadelijk gemerkt. Maar
+dat je zoo’n kalf van een jongen bent, had ik niet gedacht. Ik geef je
+dertig gulden op een horloge, en nu zou je willen dat ik je ’t horloge
+voor vijftien terug gaf. Dan moest ik immers half gek zijn en op die
+manier zou ik gauw in ’t armhuis komen!”
+
+„Maar ik ben een eerlijke jongen en je kunt er op rekenen, dat ik ’t je
+spoedig breng. Ik kom hier in de stad in betrekking en dan doe ik je
+alle maanden vijf gulden af.”
+
+„Dat zal me veel plezier doen; want ik ben ook tevreden met kleine
+payementen,” antwoordde Zadok. „Maar je kunt toch niet denken, dat ik
+mal genoeg ben, om ’t horloge terug te geven, voor de vijf en veertig
+gulden geheel afbetaald zijn.”
+
+„Dertig gulden, meent u,” zeide Rudolf. „Ik heb u immers vijftien terug
+gegeven.”
+
+„Nu juist,” zei Zadok. „Vijftien en dertig is vijf en veertig. Of dacht
+je, dat we je zoo maar voor pleizier ons geld leenden en er je goed op
+den koop toe voor bewaarden? Daarvoor heb je toch zeker te lang school
+gegaan. Dertig gulden heb ik u geleend, jonge heer! Vijftig percent
+interest is vijftien gulden—dat maakt vijf en veertig gulden. Je bent
+er nog goedkoop af, en dat komt omdat je door meneer Zalmvoort
+gerecommandeerd was; anders rekenen we voor zulke postjes vijf en
+zeventig percent, en er zijn er van ons slag van menschen, die zelfs
+honderd percent vragen. Menigeen is blij, als hij het tegen honderd kan
+krijgen.”
+
+Rudolf stond het huilen nader dan het lachen. Zoo was hij dan in handen
+van een woekeraar gevallen! O, dat hij zoo dwaas, zoo slecht gehandeld
+had! Zonder een enkel woord te spreken, verliet hij de kamer en den
+winkel van Mozes Zadok en spoedde zich naar ’t station van den
+Oosterspoorweg. ’t Was of hem de straatsteenen tegen ’t hoofd sprongen,
+terwijl hij voortliep. Zijn hoofd bonsde als een hamer en hij
+verwenschte Mozes, Gerrit, ja zich zelf, dat hij zich in zulk een strik
+had laten vangen. Eerst toen hij in den waggon zat en de trein stoomend
+voortrolde, kwam hij tot zich zelf.
+
+„’t Eenige wat ik doen kan, is, dat ik Helène de volle waarheid zeg,”
+besloot hij. „De zaak ligt er nu eenmaal toe, er is niets aan te
+veranderen.”
+
+Zoodra hij thuis kwam, zocht hij Helène op en bracht haar op zijn
+kamer.
+
+„Waar is ’t horloge?” vroeg zij.
+
+„In veilige bewaring,” antwoordde hij. „Maar ik heb ’t niet kunnen
+meekrijgen!”
+
+„Wat is er dan mee gebeurd?” vroeg zij.
+
+„Er is niets mee gebeurd,” antwoordde hij. „Doch ga zitten; dan zal ik
+je de volle waarheid meedeelen.”
+
+Ze ging zitten en hij zette zich tegenover haar.
+
+„Wanneer ik je alles zeg, zul je mij misschien voor minder slecht
+houden, dan je zou doen, indien je ’t niet wist. Luister daarom bedaard
+toe, en geloof dat ik geen woord zeg, of ’t is volkomen waar.”
+
+„Daar vertrouw ik op, Rudolf,” antwoordde Helène.
+
+„Welnu, vóór pa zijn geld verloor, was ik een der royaalste jongens op
+de kostschool; want ik had altijd zakgeld in overvloed. Ik wist nog
+niets van pa’s ondergang, maar kreeg de gewone toelage niet. Dat
+hinderde mij volstrekt niet; want ieder der jongens wou mij graag
+leenen, wat ik te kort kwam. Vooral één jongen, een zekere Gerrit
+Zalmvoort, de zoon van een rijkgeworden komenijsbaas, zooals ik later
+vernam, was een van hen, die altijd zijn beurs voor mij openstelde. Ik
+leende zonder schroom; doch toen mijn zakgeld te lang uit bleef,
+schreef ik pa, om ’t mij te zenden. En nu antwoordde pa mij, dat ik
+voortaan slechts op een gulden per week kon rekenen; want dat hij niet
+meer kon geven. Ik begreep die reden van bezuiniging niet; later vernam
+ik, wat er van de zaak was, en toch moest ik op de school de eer van pa
+ophouden.”
+
+„Door geld te leenen?” vroeg Helène.
+
+„Neen, door ’t geleende te betalen en mij toch royaal te toonen.
+Zoodoende ben ik langzamerhand de schuldenaar van Gerrit geworden, tot
+ik hem ruim vijf-en-twintig gulden schuldig was, tenminste zooals hij
+later beweerd heeft. Ik had er geen boek van gehouden en moest het dus
+maar op zijn woord gelooven. Toen werd ik ziek en moest eensklaps naar
+huis.”
+
+„Maar hoe staat dat alles in verband met mijn horloge?” vroeg Helène.
+
+„Luister,” hernam Rudolf. „Je weet, hoe ik je ’t horloge voor de
+maanden, die ik nog op school zou zijn, aftroggelde. Ach! hadt je ’t
+mij maar blijven weigeren; ik zou er beter aan toe geweest zijn. Want
+juist dat horloge was er de schuld van, dat de sluwe Gerrit, die zeker
+bang was, zijn geld niet terug te krijgen, daarin ’t middel zag om tot
+betaling van mijn schuld te geraken.”
+
+En nu vertelde hij haar zonder omwegen en uitgebreid alles wat we reeds
+weten. „Maar,” eindigde hij, „ik zal niet rusten, vóor ik dien ouden
+schurk de dertig gulden betaald en je ’t horloge teruggegeven heb.”
+
+Helène had hem geduldig tot den einde toe aangehoord en in haar hart
+klonk het woord: „vergiffenis.” Alles wel beschouwd, was Rudolf meer
+onbezonnen dan misdadig.
+
+„’t Is goed dat je nu de volle waarheid gezegd hebt,” zei ze met van
+ontroering bevende lippen. „Ik vergeef je van harte wat je gedaan hebt.
+De zaak ligt er nu eenmaal toe en met Gods hulp hopen we ’t horloge
+eenmaal terug te krijgen. Ik wil je in ’t geheim meedeelen, dat ik
+tegenwoordig van tijd tot tijd eenig geld verdien met copiëeren, ook
+met zelf voor de pers te schrijven. Van dat geld heb ik je de tien
+gulden voorgeschoten. Met wat ik nu verdien en wat jij kunt overhouden,
+zullen we zien, de dertig gulden gauw bij elkander te krijgen. En dan
+als ’t horloge terug is, zet je nooit weer een voet bij dien ellendigen
+Mozes Zadok.”
+
+„Daar zal ik wel voor oppassen,” antwoordde Rudolf. „Bij dien kerel zet
+ik nooit een voet weer in huis, zoodra ik van hem af ben.”
+
+En zoo was die zaak tusschen broeder en zuster geregeld en de vrede
+tusschen hen hersteld.
+
+’t Liep intusschen naar Nieuwjaar. Met het sluiten zijner boeken was
+meneer Nederhorst op de gedachte gekomen, dat er nog enkele
+kostbaarheden zijner vrouw moesten wezen, welke hem als echtgenoot en
+voogd zijner kinderen moesten zijn uitgeleverd en onder zijn beheer
+gesteld. Zoo herinnerde hij zich een paar juweelen bellen, een
+diamanten speld en ook haar horloge. Flauw stond het hem nog vóor, dat
+Helène hem daarvan iets had medegedeeld, als zou zijn vrouw die dingen
+aan haar kinderen vermaakt hebben; doch dat getuigenis deed weinig bij
+hem af. Van rechtswege behoorden ze hem toe, en waartoe zou hij die
+renteloos laten liggen wanneer hij ’t geld dat ze waard waren, best kon
+gebruiken? Alleen ’t horloge wou hij niet verkoopen; daaraan hechtte
+hij een bijzondere waarde, omdat het een geschenk was, dat hij zijn
+vrouw gegeven had, toen Helène, hun oudste dochter, geboren was.
+
+„Niemand kan mij omtrent een en ander beter inlichting geven dan Helène
+zelf,” zei hij, en begaf zich naar haar kamer, waar ze toevallig aan ’t
+opredderen van den boel was.
+
+„Helène,” zei hij. „Heb je me indertijd niet verteld, dat ma de haar
+toebehoorende kleinoodiën aan jou ter hand gesteld had, om die voor je
+broers en zusters te bewaren als ze oud genoeg waren?”
+
+„Ja, pa,” antwoordde zij. „Ma heeft dat den avond toen u vertrokken
+was, uitdrukkelijk bepaald.”
+
+„Zoo, laat ze mij eens zien,” ging hij voort.
+
+Helène haalde de juweeldoos met de door haar moeder verdeelde
+kleinoodiën voor den dag en zette die op de tafel.
+
+Meneer Nederhorst bekeek eerst de pakjes.
+
+„Dat is er door jou opgeschreven,” zei hij. „Waarom heeft ma er dat
+zelf niet opgezet?”
+
+„Omdat ze te zenuwachtig was; daarom verzocht ze mij, dat te doen,”
+antwoordde Helène, haar vader verwonderd aanziende.
+
+„Maar dat alles heeft voor mij niet de minste waarde,” zei hij.
+
+„Hoe meent u dat, pa?”
+
+„Hoe ik dat meen? Wel, dat ik niet behoef te gelooven, dat ma dat juist
+zoo bepaald heeft.”
+
+Helène bemerkte nu wel, waar haar vader heen wilde. Hij scheen haar te
+wantrouwen en dat denkbeeld joeg haar een blos op de wangen en de
+tranen in de oogen.
+
+„Dus zoudt u denken, dat ik dit maar zoo willekeurig bepaald had?” zei
+ze.
+
+„Dat denk ik niet en zeg het nog veel minder. Maar weet je wat je
+plicht geweest was? Je had mij terstond met deze schikkingen moeten
+bekend maken en de voorwerpen niet onder je gehouden hebben.”
+
+„Hoe kon ik dat, pa? Toen u zag, dat ma gestorven was, viel u in een
+bewusteloosheid, die dagen lang door ijlende koortsen gevolgd werd. En
+toen ik er u later over sprak, luisterde u in ’t geheel niet naar me.”
+
+„In alle gevallen is ’t nu tijd, om de fout te herstellen. Indien ik op
+dien noodlottigen avond thuis geweest was, zou je moeder mij die zaken
+hebben toevertrouwd en bij mijn afwezigheid stelde ze die jou ter hand,
+natuurlijk om ze mij over te geven. Ik ben de eenige, die daar recht op
+heeft, en ’t staat geheel aan mij, of ik de beschikkingen der
+overledene ten uitvoer wil brengen of niet.”
+
+„Ma heeft de pakjes zelf gemaakt en mij gedicteerd, wat ik er moest
+opschrijven,” zei Helène.
+
+Meneer Nederhorst nam nu eerst het pakje van Leonie, las het opschrift,
+deed het open en vond daarin de juweelen oorbellen. Hierop vouwde hij
+’t weer net zoo toe als ’t gezeten had, en deed zoo met al de andere
+pakjes. Daarop keek hij Helène aan.
+
+„Er is niets voor jou bij. Wat had ma je toegedacht?”
+
+„Haar horloge met gouden ketting.”
+
+„En waarom ligt dat hier niet bij?”
+
+„Omdat ma mij zei, dat ik het mocht dragen, daar ik zestien jaar oud
+was.”
+
+„En ik zie ’t je nu niet aanhebben? Laat het mij eens zien. ’t Horloge
+maakt geen uitzondering.”
+
+„Ik kan ’t u niet laten zien, pa,” antwoordde Helène; terwijl ze tot
+achter haar ooren bloosde.
+
+„Waarom niet? Ik zou wel eens willen weten, waarom niet,” hernam meneer
+Nederhorst, eenigszins ongeduldig.
+
+„Omdat ik het op ’t oogenblik niet hier heb,” antwoordde Helène
+bedeesd.
+
+„Waar is het dan?”
+
+Een oogenblik wilde Helène zich door een der leugens redden als Rudolf
+had willen doen; ze verwierp dit denkbeeld terstond, en zei:
+
+„In goede bewaring.”
+
+„Waar dan?”
+
+„Dat kan ik u niet zeggen, pa.”
+
+„Wat, kun je me dat niet zeggen?” riep hij uit. „Je hebt het gebroken
+en ’t is bij den horlogemaker!”
+
+„Ik heb ’t niet gebroken en ’t is dus niet bij den horlogemaker,”
+antwoordde ze vastberaden en kalm.
+
+„Dan heb je ’t verloren.”
+
+„Ook niet, pa.”
+
+„Of aan Leonie gegeven!”
+
+„Ook niet, pa,” antwoordde Helène, bitter schreiend, maar toch bedaard.
+
+„Waar drommel is dan ’t erfstuk van je moeder?” zei meneer Nederhorst.
+
+„Pa!” zei Helène, nu in snikken uitbarstende, „ik mag het u niet
+zeggen. ’t Is goed bewaard en ik zal het spoedig terugkrijgen.”
+
+Meneer Nederhorst stond op en verliet het vertrek. Bij ’t heengaan
+wierp hij een doorborenden blik op haar. En toch vond ze, dat ze niet
+anders had kunnen handelen. Als ze haar vader verteld had, dat het
+horloge bij een woekeraar was, zou hij naar Amsterdam getrokken zijn;
+hij zou zijn broeder in de zaak gehaald hebben—en Rudolfs geheele
+toekomst was verwoest geworden—want oom Walburg zou geen jongeling als
+zoon aannemen, die reeds als knaap zich in de handen van woekeraars had
+overgegeven.
+
+Toch aarzelde ze nog tusschen ’t leed, dat ze zichzelf op den hals
+haalde en dat wat haar vader zou treffen, als zoo op eenmaal al zijn
+goeden gedachten van Rudolf de bodem werd ingeslagen, toen ze ’t oog
+ophief naar ’t groote fotografisch portret harer moeder, waarvan elk
+der kinderen voor een paar jaren een exemplaar cadeau gekregen had, dat
+haar als ’t ware met haar vriendelijken glimlach toeriep:
+
+„Helène! Spaar je vader en Rudolf! Lijd om mijnentwil liever verdenking
+en verachting, hoe onverdiend ze ook mogen zijn. God zal alles te
+zijner tijd wel aan ’t licht brengen!”
+
+Rudolf was juist dien dag naar Amsterdam, om kennis te maken met de
+kantoorwerkzaamheden, welke hij te verrichten zou hebben en met behulp
+van den eersten klerk zijner afdeeling een fatsoenlijke, maar niet al
+te dure kamer te huren. Verder zou hij dien middag bij oom dineeren en
+eerst tegen den avond terugkomen. Meneer Nederhorst beval Trui, hem het
+eten op zijn kamer te brengen en dat zelf te doen. In den toestand,
+waarin hij zich bevond, kon hij Helène niet tegenover zich zien zitten.
+’t Was een treurige maaltijd voor ’t meisje, toen ze daar met haar
+broertje en zusje alleen aanzat en deze haar vroegen, waarom pa niet
+kwam en waarom haar oogen zoo rood zagen van ’t schreien.
+
+„Pa is niet heel goed in orde, en daarom blijft hij boven.”
+
+„Zou hij dan weer ziek worden, zooals verleden jaar?” vroeg Dora.
+
+„Toen we naar Amsterdam zijn gegaan en bij oom en tante gelogeerd
+hebben,” zei Alfred.
+
+„Dat zou prettig zijn!” zei Dora opgewekt.
+
+„Dat pa ziek werd?” vroeg Helène zacht en vriendelijk.
+
+„Neen, dat we weer eens bij oom en tante in Amsterdam gingen logeeren,”
+verbeterde Dora. „O, daar hebben ze zoo’n grooten tuin en Anne en Emmy
+hebben zulk mooi speelgoed.”
+
+„Een olifant, die in een kring rond rijdt en zijn snuit beweegt net als
+een levende olifant,” zei Alfred.
+
+„En een pop, die haar oogen verdraait en papa en mama zegt,” voegde
+Dora er bij.
+
+Helène liet de kinderen praten en voegde er slechts nu en dan een enkel
+woordje bij: ’t was haar een weldadige afleiding, dit ongekunstelde
+gesprek aan te hooren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ONWEERSWOLKEN.
+
+
+Rudolf kwam vroolijk en opgewekt thuis. Terstond ging hij naar zijn
+vader en deed hem van ’t een en ander verslag. Meneer Nederhorst werd
+er door uit zijn kwaden luim opgewekt.
+
+„Best, mijn jongen!” zei hij. „En dus ging dat alles goed? Ik twijfel
+er niet aan of je zult spoedig op de hoogte zijn. Doch vooral twee
+zaken, waarop men in Amsterdam op de groote kantoren zeer gesteld is:
+precies op tijd komen en accuratesse in zaken. Ik zal nog pleizier van
+je beleven en je zult mij troosten voor ’t verdriet, dat mijn andere
+kinderen me aandoen.”
+
+„Hoezoo, pa?” vroeg hij.
+
+„Dat doet er niet toe. Laat me nu alleen; ik heb nog dringende zaken,
+die van avond af moeten.”
+
+Rudolf vertrok.
+
+„’t Is goed, dat hij in andere handen geweest is,” dacht meneer
+Nederhorst. „Hoe gelukkig dat mijn vrouw er op aandrong, hem uit huis
+te doen. Wie weet, wat er van hem terecht zou zijn gekomen, zonder
+moederoog! O! Marie! waarom moest je me zoo vroeg ontnomen worden, of
+liever waarom zoo vroeg aan je kinderen ontrukt! Leonie—de
+onverschilligheid zelf: zij taalt niet naar ’t ouderlijk huis; maar dat
+is haar ook te klein en te gering.... en Helène, op wie ik al mijn
+vertrouwen stelde.... heeft mij bedrogen—schandelijk bedrogen!”
+
+Hij bleef eenigen tijd met de hand onder ’t hoofd zitten en gaf zich
+geheel en al aan zijn verdrietige gedachten over. En misschien was het
+goed, dat hij op die wijs nog eens op de zaak terug kwam; daar hij nu
+bedaarder kon denken.
+
+„Waar ’t horloge is!” zei hij in zich zelf. „Verloren kan ze ’t niet
+hebben; dat is onmogelijk: want ze droeg het nooit. Of ze moest het
+Leonie hebben meegegeven en die moest het verloren hebben—dat is
+mogelijk. Maar ze heeft me verzekerd, dat ze ’t haar niet heeft
+gegeven, dat het niet bij den horlogemaker is. Zou ze ’t dan soms in de
+Bank van leening gebracht hebben! O, God! Waartoe kan iemand komen! ’t
+Horloge van mijn vrouw—in de Bank van leening! In alle gevallen, dan is
+’t hier in de stad! Misschien heeft ze een vreemden naam opgegeven! Dat
+zou nog ’t verstandigst zijn. Zou ze ’t Trui hebben laten wegbrengen?
+Zeker wel! En dan op Trui’s naam. Daar is geen twijfel aan. Morgen ga
+ik naar de Bank van leening, en vraag, of er ook op dien naam een
+gouden dameshorloge met ketting is ingebracht.... Maar.... ik heb op ’t
+oogenblik geen geld genoeg om het te lossen; want wie weet, hoeveel er
+op gegeven is....”
+
+Meneer Nederhorst bleef voor eenigen tijd in diep gepeins verzonken
+zitten.
+
+„Veel geld!” hernam hij weer halfluid, den draad zijner gedachten
+hervattende. „Waartoe kan Helène veel geld noodig gehad hebben? Aan
+haar toilet besteedt ze ’t niet—Leonie zei me nog, toe ze er was, dat
+het schande was, zooals Helène er uitzag. Maar ze heeft kleeren voor
+Dora en Alfred gekocht en ze me niet in rekening gebracht. Toen Walburg
+hier met Leonie en Louise gelogeerd was, heb ik haar gezegd, dat ze
+geen kosten zou ontzien.... en heb ik haar geen cent meer huishoudgeld
+gegeven. O, zeker is ’t mijn schuld, eigenlijk de schuld mijner
+armoede, dat ze ’t gedaan heeft. ’t Zal haar vrij wat gekost hebben van
+het dierbaar kleinood harer moeder te scheiden, die ze als een heilige
+vereert! Arme Helène! Hoe heb ik je kunnen verdenken!... Nu zal ze
+zeker trachten, dat geld langzamerhand op te sparen en het dan te
+lossen! Dat zal lang duren en dan komt er de interest bij!... Maar
+waarom ’t mij niet royaal gezegd!... O, ik begrijp het: ze wilde niet,
+dat ik de schande zou gevoelen, dat mijn goed naar de lombard gebracht
+is! De slag, indien ik die zoo op eens uit haar mond gehoord had, zou
+mij doodelijk hebben kunnen zijn. Laat ons dus vooreerst de zaak op
+haar beloop laten en er over zwijgen. In alle gevallen—als Helène er
+niet eerst over spreekt, zwijg ik er van.”
+
+Terwijl meneer Nederhorst zoo in zich zelf zat te redeneeren en
+Helène’s schuld in zijn ziel vergoelijkte, zat de arme schuldelooze en
+zoo zwaar verdachte op haar kamer te schreien. Ze had het verhaaltje
+voor haar genomen, dat ze voor het Tijdschrift van meneer Radinus
+bestemd had; maar de denkbeelden wilden niet komen; ze was daartoe ook
+in geen gemoedsstemming. Toen had ze ’t weggeborgen en het copieerwerk
+ter hand genomen; maar haar tranen beletten haar te werken en de
+letters dansten haar voor de oogen. Daar werd gescheld. ’t Was Rudolf,
+dat hoorde ze aan zijn stem, en hij ging terstond naar pa.—O, als hij
+zich maar niet versprak; want pa zou hem zeker wel naar ’t horloge
+vragen. Als hij zich versprak, was ’t in alle gevallen beter voor haar.
+Haar vader zou misschien op ’t oogenblik driftiger worden, maar veel
+meer tot vergiffenis gezind zijn, als hij de zaak uit Rudolfs mond
+hoorde, dan wanneer de knaap door haar beticht was. Hij kon dan ook
+beter de redenen tot zijn verdediging aanbrengen, dan zij het doen kon.
+
+Het duurde niet lang, of Rudolf verliet zijn vader’s kamer en trad de
+hare binnen. Vroolijk en opgeruimd als hij was over zijn welbesteden
+dag en de ontvangst bij zijn vader, was hij verwonderd, Helène zoo in
+tranen te vinden.
+
+„Wat is er?” vroeg hij welwillend en hartelijk.
+
+„Heeft pa je niet naar ’t horloge gevraagd?” vroeg zij.
+
+„Naar ’t horloge? Hoe dat?”
+
+Helène verhaalde hem, wat er gebeurd was.
+
+„Dan ga ik ’t hem zelf vertellen,” zei Rudolf met edele
+verontwaardiging. „Ik wil niet, dat er door mijn schuld op jou eenige
+verdenking rust.”
+
+Helène hield hem tegen.
+
+„Laat dat,” zei ze. „Zooals de zaken nu staan, is ’t misschien beter,
+dat pa maar in zijn waan blijft. Ik geloof niet, dat hij op ’t
+oogenblik dertig gulden kan missen, om ’t horloge te lossen. En dat zou
+hij toch willen doen, als hij ’t wist. Dan had je kans, dat hij ’t bij
+oom Walburg leende, en,—je kent hem genoeg—in de eerste drift zou hij
+de geheele historie meedeelen. En welk een begin zou dat voor jou zijn
+aan de Bank? De zaak ligt er nu eenmaal toe, en in de helft, uiterlijk
+’t laatst van de maand hoop ik wel zooveel bij elkander te hebben, dat
+ik met wat jij overgespaard hebt, de dertig gulden heb om het in te
+lossen.”
+
+„Maar waarvan wil je dat bij elkander halen?” vroeg Rudolf.
+
+„Ik werk immers voor de pers,” antwoordde Helène. „Van hetgeen ik
+daarmede verdien, kleed ik Dora en Alfred, maak ik de bijzondere
+uitgaven goed, en hoop ik ook ma’s horloge terug te krijgen.”
+
+„Maar dan ben je een opofferende engel, Helène!” riep Rudolf uit. „O,
+God! en dan zoo verdacht te worden! Neen, ik vlieg naar pa en werp mij
+voor zijn voeten! Hij moet het weten, wie de schuldige is.”
+
+Helène stond op, vatte hem bij den arm en bracht hem naar ’t portret
+van hun moeder.
+
+„Kort voor haar sterven,” zei ze plechtig, „verzocht ze mij pa ’t lot
+zooveel mogelijk te verzachten. De arme man heeft al genoeg verdriet.
+Welnu, Rudolf, op dit oogenblik sta ik hier in de plaats van onze lieve
+moeder, en als door haar mond smeek ik je: maak pa niet ongelukkiger
+dan hij reeds is. Als hij me vraagt, waarom ik ’t horloge verpand heb,
+kan ik hem zeggen, dat Dora en Alfred kleeren moesten hebben, dat het
+logeeren van oom, Louise en Leonie bijzondere onkosten eischte; ik kan
+hem bewijzen, dat ik geen cent aan mijn toilet heb besteed, dat ik
+zelfs de twee gouden tientjes, die oom mij bij zijn vertrek in de hand
+stopte, geheel en al aan de huishouding en een paar warme en stevige
+winterlaarzen voor Dora en Alfred besteed heb—en hij zal beschaamd
+moeten zwijgen, al moge hij ’t middel niet goed keuren. Hij weet zelf
+maar al te goed, hoe ik om meer bij hem heb aangehouden, en zal dan
+tevens vernemen, hoe ik, al wat ik met copiëeren van slecht leesbaar
+schrift verdiend heb, in dien bodemloozen put—het huishouden heb
+geworpen. En dat alles heb ik gedaan ter liefde van ma, wier
+nagedachtenis mij is als die eener heilige. In den naam van die heilige
+nu vraag ik je, kan jij hem zulke gronden voor ’t verpanden van ’t
+horloge voorleggen?”
+
+„Neen,” antwoordde Rudolf met een gebroken hart.
+
+„Ik zei ’t niet, om je eenig verwijt te doen,” vervolgde ze. „Ik zei ’t
+alleen, om je te overtuigen, hoe pa, ’t ware van de zaak wetende, diep
+ongelukkig zou zijn, en hoe ’t slechts van mij afhangt, om, door de
+schuld op mij te nemen, hem zelf tot onwilligen medeplichtige van de
+daad te maken. Wanneer je daarentegen je zelf gaat aangeven, maak je
+hem diep ongelukkig. Dat kan die lieve moeder niet gewild hebben.”
+
+Rudolf viel haar om den hals.
+
+„Helène!” riep hij uit. „Voortaan beschouw ik je als mijn moeder. Leid
+mij ten goede, zooals zij zou gedaan hebben.”
+
+„O, als ik maar sterker was!” zuchtte Helène. „Je zult er dus niets van
+aan pa zeggen?” voegde zij er kalmer bij.
+
+„Ik beloof ’t je.”
+
+„Ook aan niemand, dat ik voor de pers werk?”
+
+„Waarom niet?”
+
+„Omdat ik daar mijn bijzondere reden voor heb.”
+
+Vrij wat bedaard, borg ze haar werk op.
+
+„Kom, laat ons naar beneden gaan, voor het avondeten. Ik zal dat van pa
+door Trui boven laten brengen, ze heeft het van middag zijn diner ook
+moeten doen. ’t Is dan ook maar beter zoo. Ik kan zijn verachting beter
+verdragen, wanneer ik niet bij hem ben, dan wanneer hij mij met die
+doorborende blikken aanziet.”
+
+Helène was hoogst verwonderd, toen pa den volgenden morgen aan ’t
+ontbijt verscheen en zijn gelaat minder stroef stond dan anders. Hij
+praatte vooral met Rudolf over onverschillige dingen en roerde geen
+enkele snaar aan, waardoor ’t gesprek op ’t horloge kon komen. De
+laatste dagen van ’t jaar werden betrekkelijk genoegelijk doorgebracht,
+terwijl de vacantiedagen der kinderen en ’t verblijf van Rudolf, aan
+Helène weinig gelegenheid schonken, iets aan haar letterkundigen arbeid
+te doen. Zoo kwam de eerste Januari aan, de dag waarop Rudolf naar
+Amsterdam zou gaan, om zijn kamer te betrekken; ten einde den volgenden
+morgen tijdig op het kantoor te kunnen zijn. Er was bepaald, dat hij
+den eenen Zondag bij zijn oom, den anderen bij zijn vader te huis zou
+doorbrengen. Helène had hem bepaald aanbevolen, naar den woekeraar te
+gaan en dezen te zeggen, dat hij aan ’t eind van dezen of ’t begin van
+de volgende maand de schuld zou afdoen, en Mozes Zadok had hem met een
+grijnslach geantwoord, dat dit hem veel genoegen zou doen—zoodat van
+deze kant de zaak geheel en al in orde was.
+
+Omtrent veertien dagen, nadat Rudolf aan de Bank werkzaam was, moest
+meneer Nederhorst voor zaken in Amsterdam zijn. Natuurlijk zou hij bij
+zijn zwager dineeren en ook eens zelf naar de Bank gaan, om te hooren
+hoe Rudolf het maakte. Hij had echter vooraf nog eenige boodschappen te
+doen en zijn weg voerde hem voorbij den winkel van Mozes Zadok. Juist
+toen hij zich vlak voor dien winkel bevond, noodzaakte een opstopping
+van rijtuigen hem op den stoep des woekeraars zijn toevlucht te zoeken
+en wierp hij toevallig een blik in de van allerlei zaken voorziene
+glazen kast; toen opeens zijn oog geboeid werd door eenige horloges,
+welke te koop hingen, en waaronder een met juweelen bezet dameshorloge
+met gouden ketting. Eerst ontgaf hij ’t zich; want hoe zou ’t horloge
+dat op zulk een onverklaarbare wijs was weggeraakt, zich in Amsterdam
+en dan nog wel in zulk een winkel bevinden? Hij bleef echter staan,
+bekeek het horloge oplettender, en hoe langer hij ’t bekeek, hoe meer
+hij tot de overtuiging kwam, dat het inderdaad het verloren schaap was.
+
+Hij trad den winkel binnen en vond er den knaap, dien we reeds ontmoet
+hebben en die op zijn oude plaats achter de toonbank half zat te
+dutten. Het toornige gelaat en de vlammende blik van den bezoeker
+verschrikten dezen zoodanig dat hij slechts stamelend kon uitbrengen:
+
+„Wat is er van mijnheers dienst?”
+
+„Laat mij dat dameshorloge met gouden ketting eens zien; dat daar in de
+kast hangt,” antwoordde meneer Nederhorst op bevelenden toon.
+
+„Wacht even, meneer,” antwoordde de knaap, „dan zal ik den meester
+schellen. Die zal u terstond helpen.”
+
+Hij drukte op den knop eener andere schel dan de vorige maal, en een
+oogenblik later kwam Mozes Zadok de trap af en stond hij diep buigende
+en listig knipoogende achter de toonbank.
+
+„Wat is er van meneers dienst?” vroeg hij kruipend vriendelijk.
+
+„Laat mij dat gouden met diamanten bezet dameshorloge eens zien, dat
+daar in de kast hangt.”
+
+Aan het driftige van den toon bemerkte de slimme Zadok wel, dat er wat
+met dat horloge gebeurd moest zijn, dat niet in den haak was. Hij keek
+in de kast en zei daarop:
+
+„Dat horloge hoort daar niet te hangen. ’t Is niet te koop. Mijn stomme
+knecht heeft weer een onhandigheid begaan.”
+
+„Dus is ’t hier verpand?” zei meneer Nederhorst.
+
+„We houden hier geen pandjeshuis, meneer,” antwoordde Mozes.
+
+„Nu, dan hebt je er geld op geleend.”
+
+„Meneer, verschoon me van alle bijzonderheden; ik heb u gezegd, dat het
+niet te koop was, en dat moet u, dunkt mij genoeg zijn.”
+
+„Dat zou nog te bezien staan,” hernam meneer Nederhorst; terwijl hij
+Mozes scherp aankeek. „Stel eens, dat dit horloge mijn eigendom is,
+waarvoor ik het houd, ofschoon ik niet kan begrijpen, hoe ’t hier komt.
+Doch stel nu eens, dat het zoo is; dan ben ik bereid u de som terug te
+betalen, welke u er op voorgeschoten hebt.”
+
+De slimme woekeraar begreep, dat hij hier zijn slag kon slaan en
+bemerkte wel, dat die heer voor zijn toonbank veel waarde aan dat
+horloge hechtte. Aan den anderen kant begreep hij ook, dat hij
+voorzichtig met hem moest zijn: want dat er aan de geschiedenis van dat
+horloge meer vast was, dan hij wel in den beginne gemeend had; en dus
+haalde hij, schijnbaar tegen zijn wil, ’t horloge uit de kast en liet
+het meneer Nederhorst zien, zonder ’t uit de handen te geven.
+
+„Doe de kast open,” gebood meneer Nederhorst. Mozes deed het, en nu zag
+de andere daar duidelijk de dooreen gevlochten letters M. L. N.
+
+„Dit horloge is van mij en niemand heeft er het minste recht op,” zei
+hij, terwijl zijn lippen van inwendige gramschap beefden.
+
+„’t Spijt mij meneer, dat ik met u in gevoelen verschillen moet,”
+antwoordde Zadok. „Ten aanzien van mij, hebt u er geen het minste recht
+op. ’t Werd mij toevertrouwd als zekerheid voor een aardige som gelds.”
+
+„Hoeveel?” vroeg meneer Nederhorst.
+
+„Zestig gulden,” antwoordde Zadok zonder een oogenblik te aarzelen. „’t
+Was in alle gevallen een goede borg. De diamanten alleen...”
+
+„Genoeg,” zei meneer Nederhorst ongeduldig. „Ik heb er vrij wat meer
+voor gegeven; dat kan ik u verzekeren. Bewaar het en beloof mij, ’t aan
+niemand te laten zien. Binnen een uur of korter breng ik u de zestig
+gulden.”
+
+„Domoor, die ik ben!” mompelde Mozes in zich zelf, „dat ik niet het
+dubbele der som gevraagd heb! Maar ’t is mijn oude gebrek. Ik ben te
+onbaatzuchtig! Misschien is ’t ook beter zoo: want de zaak met dat
+horloge is niet zuiver. Als ik honderd-twintig gulden gevraagd had, zou
+hij er misschien andere handen in gehaald hebben, en op de politie ben
+ik nu juist niet gesteld.”
+
+Meneer Nederhorst begaf zich terstond naar de Bank, waar hij zijn broer
+alleen in de directeurskamer vond.
+
+„Beste Walburg,” zei hij. „Ik heb daar een raar geval. ’t Horloge van
+mijn vrouw, dat ze een paar dagen vóor haar sterven aan Helène heeft
+geschonken, bevindt zich in handen van een man, die mij verdacht
+voorkomt.”
+
+En hij vertelde hem ’t een en ander, wat er met Helène was
+voorgevallen.
+
+„Ik begrijp er niets van,” zei meneer Walburg. „Helène is ’t horloge
+kwijt; ze zegt, dat het in goede handen is, en jij vindt het bij een
+soort van uitdrager terug, als onderpand van een leening van zestig
+gulden. Heb je ’t bij je?”
+
+„Neen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik had het geld niet bij mij, en
+kwam je vragen, ’t mij te leenen. Want ik wil dat horloge niet langer
+dan noodig is in de handen van dien kerel laten.”
+
+„Wacht, dan laat ik een vigelante voorkomen en ga ik mee,” zei meneer
+Walburg. „De zaak is mij interessant genoeg, om er bij tegenwoordig te
+zijn.”
+
+„Hoe ’t horloge hier en in handen van dien kerel komt begrijp ik niet,”
+zei meneer Nederhorst. „Helène heeft het in bezit gehad; en is sedert
+den tijd, dat ze ’t kreeg, niet in Amsterdam geweest. Daarenboven,
+waartoe zou zij zestig gulden noodig hebben gehad, gesteld, dat daar nu
+eens een gulden of tien interest bij is; want zulk volk kan interest
+berekenen, dat verzeker ik je. Aan haar toilet besteedt ze ’t niet.
+Daarbij leven we zoo doodeenvoudig, dat ze aan den kant der huishouding
+ook geen aanzienlijk te kort kan gehad hebben.”
+
+„Dan zou ze ’t je wel meegedeeld hebben,” hernam Walburg.
+
+„Er is slechts éen persoon, dien ik van de zaak verdenk,” hervatte
+meneer Nederhorst. „Er woont te Weesp een zekere dokter Faminga,
+tenminste daarvoor geeft hij zich uit, een man, die zich nog tijdens ’t
+leven van mijn vrouw bij ons heeft willen indringen. Dien man vertrouw
+ik niet.”
+
+„Maar dan deden we beter, even aan ’t commissariaat van politie aan te
+gaan,” zei meneer Walburg. „Als die zoogenaamde dokter er de hand in
+heeft gehad, dan worden ’t zaken voor de justitie.”
+
+„Ik zal er wel oppassen, om ’t hardop te zeggen,” hernam meneer
+Nederhorst. „’t Zijn maar bloote vermoedens en ik zou er slecht
+bewijzen voor kunnen vinden.”
+
+„Dan geloof ik, dat we ’t best doen, de zaak maar blauw blauw te
+laten,” antwoordde meneer Walburg. „Kom, de vigilante is voor, laat ons
+gaan.”
+
+Nadat hij zijn schoonbroer de zestig gulden ter hand gesteld had,
+stapte meneer Walburg in ’t rijtuig en reden de beide heeren naar de
+woning van Mozes Zadok, waar ze uitstapten. Een gansche bende van
+straatjongens, leegloopers en nieuwsgierigen verzamelde zich op den
+stoep van den handelaar en vormden twee rijen, waardoor de bezoekers
+heen moesten om in hun rijtuig te komen, en allerlei gissingen werden
+onder ’t volk gemaakt; waarvan niet de minst ongerijmde was, dat het de
+heeren van politie waren en dat Mozes zeker ’t een of ander
+politiereglement overtreden had.
+
+Intusschen waren de beide heeren ’t voorhuis in en voor de toonbank
+getreden. Mozes die ’t standje voor de deur gewaar werd, verzocht den
+heeren boven te willen komen.
+
+„Ze zijn ’t niet gewoon, heeren! dat de oude Mozes zulke aanzienlijke
+klanten ontvangt,” zei hij; „daarom groepeeren ze zich om mijn raam als
+een kudde jonge bokken. Maar we zullen hun niets te zien geven, zoo
+waar ik Mozes Zadok heet.”
+
+Spoedig was nu ’t horloge betaald en geleverd.
+
+„Uw naam, meneer?” vroeg de koopman.
+
+„Mijn naam is niet noodig,” antwoordde meneer Nederhorst. „Als ’t soms
+politiezaken mochten worden, zal ik maar zult u niet de aanklager zijn.
+In dat geval zult u kennis met mijn naam maken.”
+
+„Ik kan toch niet helpen, dat degeen die geld bij mij geleend heeft,
+dat horloge gestolen heeft,” zei Mozes. „Daarenboven heb ik er scha
+genoeg bij; want het horloge staat hier al sedert drie maanden.”
+
+„Was het dan een jongeheer, die ’t hier gebracht heeft?” vroeg meneer
+Walburg, die zich Rudolfs brief herinnerde.
+
+„Mijn God! Meneer! Aan jongeheeren zouden we immers geen geld op
+dameshorloges leenen. Dan zouden we ’t gauw te kwaad met de justitie
+krijgen.”
+
+„U zult toch niet weigeren den naam van den inbrenger voor ons op te
+zoeken. Natuurlijk staat die als debiteur in uw boek.”
+
+„Om daardoor aan de politie ’t spoor in handen te geven,” zei Mozes.
+„Neen, meneer. U hebt uw horloge terug en ik heb u op uw woord geloofd,
+dat het het uwe was; ’t geen door uw overrompeling gekomen is, want wie
+bewijst mij nog, dat u de eigenaar van ’t horloge bent en u niet door
+een streek van mijn onnoozelheid gebruik gemaakt hebt om het ding
+goedkooper in handen te krijgen?”
+
+„Kerel,” riep meneer Nederhorst driftig uit. „Als ik er mijn redenen
+niet voor had, om geen opspraak te maken, dan gaf ik de zaak regelrecht
+aan de politie aan.”
+
+„Bedaard, meneer!” zei Mozes, die toch liefst de zaak maar in de doos
+deed en zich met ’t aardige winstje vergenoegde, liever dan het deksel
+op zijn neus te krijgen door ’t onderste uit de kan te willen hebben.
+„Al zeg ik den naam van den inbrenger niet, dat mag ik u toch wel
+zeggen, dat het een vrij goed gekleed heer was van ongeveer dertig
+jaren. Naar ’t mij voorkwam was ’t horloge van zijn vrouw.”
+
+De beide heeren vertrokken, tot leedwezen der toeschouwers doodbedaard
+alleen.
+
+„Ik zal er Rudolf toch eens over spreken,” zei meneer Walburg, wien die
+brief nog steeds voor de oogen speelde. „Want van die dertig jaren en
+die vrouw geloof ik niets.”
+
+„Waartoe zou dat dienen?” vroeg meneer Nederhorst hem. „Drie maanden
+geleden was hij nog goed en wel op de kostschool. Daarenboven is ’t
+horloge niet uit Helène’s handen geweest.”
+
+„Nu, als je er op staat, wil ik er wel over zwijgen,” zei Walburg.
+
+„Zelfs tegen je vrouw,” hernam Nederhorst. „Ik heb er mijn bijzondere
+redenen voor, om de zaak geheim te houden. Ik ben tevreden, dat het
+horloge terecht is, en zal je in orde ’t mij voorgeschoten geld
+rembourseeren.”
+
+„Wat dit laatste aangaat, dat zal wel terecht komen,” en beide heeren
+stapten aan de Bank af, waar meneer Nederhorst een zeer voldoend
+getuigenis over Rudolf’s ijver en bekwaamheid kreeg.
+
+Toen hij ’s avonds thuis kwam, sloot hij ’t horloge in zijn secretaire,
+zonder Helène er iets van te zeggen.
+
+„Ze zal vreemd opzien, als hij, die ’t horloge voor haar verpand heeft,
+het niet weervindt,” zei hij bij zich zelf. „Misschien zullen we dan
+den draad in handen krijgen om hem te ontdekken, die ’t voor haar
+gedaan heeft. Een heer van ongeveer dertig jaren. Dat kan die dokter
+niet geweest zijn. Die is wel tweemaal zoo oud. Maar hij kan ook iemand
+anders gebruikt hebben. Ik moet toch, als ik bij gelegenheid weer in
+Amsterdam kom, nog eens bij dien Zadok achter den naam van den
+verpander zien te komen.”
+
+Intusschen leefden Helène en Rudolf in de heilige overtuiging, dat het
+erfstuk hunner moeder veilig was en weldra weer in hun bezit zou zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+UIT DEN DROOM ONTWAAKT.
+
+
+Helène ontving in de helft van Januari ’t honorarium voor haar
+verhaaltje. Ofschoon ’t goed betaald was, vooral aan een
+eerstbeginnende—’t was te klein van omvang om veel te geven. En dan
+moest er nog de tien gulden af, die zij zoolang van ’t huishoudgeld had
+afgenomen en waarvoor zij van enkele leveranciers op rekening genomen
+had. Gelukkig, dat ze de kopie af had en juist weer nieuwe kreeg,
+waardoor haar de andere betaald werd, zoodat zij twintig gulden
+bijeengescharreld had, hopende dat Rudolf nu voor de tien andere zou
+zorgen. Hij had het haar zoo stellig beloofd en zou zeker zijn belofte
+houden.
+
+Met ongeduld wachtte ze den zondag zijner komst af. ’t Was de tweede
+maal, dat hij overkwam.
+
+„Welnu,” zei ze. „Ik heb mijn belofte gehouden; hier zijn twintig
+gulden, heb jij er nu de andere tien bij?”
+
+„Overmorgen krijg ik mijn maandgeld en ziehier wat ik te betalen heb;
+je ziet, dat ik zuinig geweest ben en ruim twaalf gulden overhoud. Jij
+kunt er niet meer naar verlangen dan ik, om weer in ’t bezit van ’t
+horloge te zijn.”
+
+„Maar als je nu in ’t bezit bent,” zei ze, „hoe krijg ik het dan hier?”
+
+„Zou ’t niet het best zijn, dat we daarmede wachtten tot vandaag over
+veertien dagen? dan breng ik ’t zelf mee.”
+
+„Dat is zoo kwaad niet,” antwoordde ze. „Als je ’t maar goed bergt;
+want, nu ’t eens weg geweest is, ben ik er nog banger voor dan ik
+vroeger was.”
+
+„Nu, ik zal er wel voor zorgen,” zei Rudolf. „Daar kun je op rekenen.
+Maar heeft pa er nooit weer een woord tegen je over gesproken?”
+
+„Sedert dien eenen avond niet. Ik heb je toen al mijn verwondering
+betuigd, dat hij den volgenden morgen weer even als anders was, en zoo
+is hij gebleven. Laatst toen hij in Amsterdam geweest was, heeft hij
+mij alleen gevraagd, of ik dokter Faminga nog wel eens sprak.”
+
+„Dokter Faminga? Wie is dat?”
+
+„Och, dat was die heer, dien we verleden jaar, na je ziekte, op ’t
+kerkhof ontmoetten en dien ik toen uit scherts meneer Radinus noemde.”
+
+„Dus was dat Radinus niet?” vroeg Rudolf verbaasd.
+
+„Welneen. Ik zei ’t maar, omdat ik vreesde dat je den naam van den
+dokter in tegenwoordigheid van pa zoudt noemen, en pa kan dien man, de
+Hemel weet waarom, nu eenmaal niet velen.”
+
+„O, daarom keek hij zoo verwonderd, toen ik hem naar meneer Radinus
+vroeg, en begreep ik niet waarom jij me zoo wenkte. Maar wat is er dan
+met dien dokter Faminga?”
+
+Helène vertelde ’t hem en prees natuurlijk den dokter zeer.
+
+„Maar hoe breng je nu de vraag, of je dien dokter met zijn barbaarschen
+naam gesproken had, met het horloge in verband?”
+
+„Dat weet ik niet,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t er ook eigenlijk niet
+juist mee in verband gebracht; maar ik vond de vraag, omdat pa zoo even
+uit Amsterdam gekomen was, zonderling en vreemd!”
+
+„Waarschijnlijk heeft hij door den een of ander dien naam daar hooren
+noemen.”
+
+„Licht mogelijk,” antwoordde Helène en daarmee nam hun gesprek een
+einde.
+
+’s Avonds vertrok Rudolf met de twintig zuur verdiende guldens van
+Helène in zijn zak naar Amsterdam, en ’t was haar alsof ’t een
+eeuwigheid zou zijn, eer de veertien dagen om waren.
+
+„Schrijf ’t nu toch gauw, zoodra ’t horloge weer in je bezit is,”
+fluisterde zij hem toe, toen ze hem met de beide kinderen naar ’t
+station had gebracht en men op den trein van Naarden-Bussum wachtte.
+
+„Ik beloof ’t je,” antwoordde hij. „Zoodra ik ’t heb, schrijf ik je per
+briefkaart: „Alles in orde.” „Vindt je dat niet goed?”
+
+„Neen, die briefkaart kan pa in handen komen; schrijf liever een brief,
+hoe kort ook: ’t scheelt je maar twee centen.”
+
+De Dinsdag was gekomen, en hij had zijn eerste maand tractement
+ontvangen. Met welk een blik van welgevallen staarde hij op dat eerste
+door hem verdiende geld, en met welk een genot nam hij er tien gulden
+af, welke hij bij de twintig van Helène voegde.
+
+’t Was al tusschen licht en donker, toen hij naar den winkel van Mozes
+Zadok stapte. Op ’t kantoor van den woekeraar brandde al licht. Daniel
+de winkeljongen zat in den winkel te slapen, maar werd wakker van het
+luiden der veerschel. ’t Was zoo donker niet of hij herkende Rudolf.
+
+„Is uw patroon thuis?” vroeg deze aan den knaap.
+
+„Hij is op ’t oogenblik uit,” antwoordde Daniel.
+
+„Uit! En ik wou hem ’t geld afdoen op mijn horloge. Zeg hem dat.”
+
+„Op uw horloge?” vroeg Daniel nog half slapend. „Een paar weken geleden
+is hier een heer geweest en toen heeft de patroon hem ’t horloge voor
+een aardig sommetje verkocht. Ik heb ’t zelf gezien; ’t was bij toeval
+in de kast gekomen en toen zag een heer ’t, die voor de glazen stond.
+Later kwam hij met een anderen heer in een vigilante en toen hebben ze
+’t boven betaald.”
+
+„Dat is mijn horloge niet geweest,” hernam Rudolf.
+
+„’t Is mogelijk, jongeheer!” antwoordde Daniel. „Maar ik zou er toch
+hard aan twijfelen, of ’t niet waar was.”
+
+„En is Zadok werkelijk uit, of speld je me maar wat op de mouw?”
+
+„Hij is even een boodschap in de buurt gaan doen,” antwoordde Daniel.
+„Zooals je ziet, is ’t licht op zijn kantoor al op. ’t Is goed, dat je
+me wakker gemaakt hebt, anders zou er een potje te vuur gestaan hebben.
+Ik zal gauw ’t licht hier opsteken.”
+
+Rudolf kon maar niet gelooven dat de jongen de waarheid sprak. Toen dus
+’t licht in den winkel op was en hij Daniel zien kon, zei hij:
+
+„Nu ben je ten minste wakker. Zeg mij nu eens, of je gedroomd en me een
+droom verteld hebt, dan of je me wat op de mouw wilde spelden.”
+
+„Ik verzeker u, jongeheer! dat ik u de volle waarheid gezegd heb. De
+patroon heeft zestig gulden voor ’t horloge ontvangen, en ik geloof,
+dat hij er later spijt genoeg van heeft gehad, dat hij geen honderd
+gevraagd had.”
+
+„Maar dat is toch een gemeene streek!” riep Rudolf uit. „En als ik dit
+aangeef...”
+
+„Aangeven! Ach! jongeheer! laat dat maar uit uw gedachten... Doch daar
+is de patroon al terug. Zeg er niets van, dat ik ’t u verteld heb.”
+
+Inderdaad kwam Mozes Zadok thuis. Eerst wist hij niet, wie daar in den
+winkel met Daniel stond te praten; doch toen hij Rudolf herkende, zei
+hij:
+
+„Zoo, goeden avond, jongeheer! Altijd wel geweest? Ik had u al sedert
+lang verwacht. Komt u weer wat afdoen op de verschuldigde som?”
+
+„Ja,” antwoordde Rudolf, nog steeds in ’t vaste geloof, dat de
+woekeraar niet zoo slecht was, als diens bediende verteld had.
+
+„Heel goed! heel goed! kom dan maar boven!”
+
+En Mozes ging den knaap vóor naar de hem reeds bekende opkamer.
+
+„Ik kom u de geheele som afbetalen,” zeide Rudolf.
+
+„Wel, dat is goed. Ga zitten, jongeheer! Dan zal ik uw schuldbekentenis
+opzoeken.”
+
+„Ga uw gang en krijg dan meteen ’t horloge.”
+
+„Dat zal van avond slecht gaan; want het is zoo goed bewaard, dat ik ’t
+moeilijk met licht kan vinden. Kom ’t morgen even afhalen; u hebt toch
+nog altijd het bewijs in uw zak?”
+
+„Ik wil ’t nu hebben, anders betaal ik je niet,” zeide Rudolf kortaf.
+
+„Maar waarom ben je dan niet wat vroeger gekomen, jongeheer?” zei Mozes
+nog altijd vriendelijk.
+
+„Dat is mijn zaak,” antwoordde Rudolf. „Kom, kom! krijg ’t horloge voor
+den dag! Een man, die zooveel orde in zijn zaken houdt, kan een gouden
+horloge wel op den tast vinden. Of ’t zou waar moeten zijn, dat je ’t
+voor zestig gulden verkocht hebt?”
+
+„Hoe kom je daar aan, jongeheer?” vroeg de woekeraar, eenigszins van
+zijn stuk gebracht.
+
+„Je bediende heeft het mij verteld, en als je ’t me niet terstond
+geeft, dan geloof ik, dat het waar is en zal ik ’t er niet bij laten.”
+
+„Daar zal hij voor lusten!” riep Mozes uit, en snelde buiten zichzelf
+van gramschap naar den winkel, waar hij den armen Daniel een oorveeg
+gaf, die hem van zijn hoogen stoel deed rollen. Daarna kwam hij op ’t
+kantoor terug. ’t Gelaat van den woekeraar was nu geheel en al
+veranderd; hij keek Rudolf aan als wilde hij hem met huid en haar
+opeten. Maar deze was alles behalve bang.
+
+„Welnu, meneer Zadok,” zei hij. „Naar ik bemerk is de zaak waar.”
+
+„Dat is ze,” antwoordde Zadok met een onbeschaamd gelaat. „Ik heb ’t
+horloge wel niet meer, maar ’t ook niet verkocht: want de man aan wien
+ik ’t met een klein winstje heb overgedaan, was de eigenaar. En dus,
+jongeheer, hou je mond maar dicht; want als je den boel roert, dan
+stinkt ze. Als ik de zaak aangeef, dan kom je achter de tralies. Je was
+niet eerlijk aan ’t horloge gekomen.”
+
+„Wie durft dat zeggen?”
+
+„Niet ik, maar de heer, die beweerde en bewees, eigenaar er van te
+zijn.”
+
+„Dat heeft hij gelogen!” riep Rudolf uit. „Ik was er eigenaar van, of
+liever mijn zuster die ’t mij gegeven had om het te verpanden, daar ze
+geld noodig had. Hoe kon je zoo dom zijn, sluwe Zadok, om te denken,
+dat een heer eigenaar van een dameshorloge was? ’t Is niets dan logen,
+gemeene zwendelarij, en ’t eenige wat je doen kunt, is mij den naam en
+’t adres op te geven van den persoon, die zei er recht op te hebben.”
+
+„Dat weet ik zelf niet; want hij verkoos mij noch ’t een noch ’t ander
+te zeggen.”
+
+„Dan zal ik wel middelen vinden, om er u toe te noodzaken.”
+
+„Alles bedreigingen in den wind!” zei Mozes doodbedaard; want hij
+begreep dat hij op die wijs het best van den knaap kon afkomen.
+„Wanneer je de zaak aangeeft, zeg ik eenvoudig, dat de rechtmatige
+eigenaar gekomen is, wien ’t horloge ontstolen is. Als ik er een eed op
+doe, dan kom jij in de kast.”
+
+„Dat zou te bezien staan,” zei Rudolf, „wie van ons beiden er in zou
+komen: ik, die je ’t horloge tot pand geef en er op afbetaal of jij,
+die mijn eigendom aan een ander verkoopt?”
+
+„Stil wat, jongeheer! Eerst zoudt u moeten bewijzen, dat het uw
+eigendom was en dat is een punt, waaraan ik van den beginne af aan
+getwijfeld heb.”
+
+„Des te schurkachtiger van jou, om op gestolen goed geld te leenen,”
+zei Rudolf. „Ik kan voor de rechtbank bewijzen, dat het horloge op ’t
+oogenblik, dat ik ’t bij u beleende, mijn eigendom was; laat de man,
+wien ge ’t verkocht hebt, dat eens doen.”
+
+„Ik heb het niet verkocht; ik heb ’t hem teruggeven, en als je niet
+fatsoenlijk genoeg bent, om mij de dertig gulden te betalen, die ik er
+op voor geschoten heb, dan heb ik er een heele schâ aan.”
+
+„Ik jou nog geld toe betalen? Geef mij de vijftien gulden terug, die ik
+je betaald heb. Noem mij liever den persoon, die u er de zestig gulden
+voor ter hand heeft gesteld, dan ga ik naar hem toe en zal hem de zaak
+verklaren. Geef mij zijn adres.”
+
+„Hoor eens, knaap,” zei Mozes Zadok, wien al dat praten verveelde, „ik
+ben niet van zins, langer je onbeschaamde taal aan te hooren. Als je
+wat te reclameeren heb, klaag me dan bij de politie aan. Maar nu, mijn
+deur uit!”
+
+Dit zeggende, pakte hij Rudolf, die daar niet op verdacht was, bij den
+kraag van zijn buis, duwde hem de trap af, ’t voorhuis door en zoo de
+deur uit, welke hij op den grendel sloot. Schuimbekkend van woede was
+Rudolf juist op het punt, om tegen de deur te schoppen en te bonzen;
+hij begreep echter, dat hij alsdan burengerucht zou veroorzaken en dit
+verlangde hij juist niet. Hij keerde dus stil en in een alles behalve
+aangename stemming huiswaarts.
+
+Maar hij was er de jongen niet naar, om zich door een vergeefsche
+poging te laten afschrikken. Den volgenden avond ging hij andermaal
+naar den woekeraar, die hem evenwel nog onvriendelijker dan den vorige
+afscheepte en hem zelfs dreigde, de zaak te zullen aangeven, wanneer
+hij hem niet met rust liet. Tevens bood hij hem aan, hem op dezelfde
+manier de deur uit te smijten als gisteren. Rudolf, die nu wel bemerkte
+dat hij met den patroon niet verder zou komen, fluisterde Daniel toe,
+die achter de toonbank van daan kwam, om hem uit te laten.
+
+„Hoe laat kom je hier van daan?”
+
+„Om half tien.”
+
+„Kom dan op de Nieuwmarkt, bij de Vischmarkt.”
+
+„Goed.”
+
+En met die woorden deed hij de deur achter hem toe.
+
+„Wat zei de knaap?” vroeg Mozes aan zijn bediende.
+
+„Dat hij u wel vinden zou.”
+
+„En wat heb je hem geantwoord.”
+
+„Dat hij u al gevonden had.”
+
+„Ha! ha! ha!” lachte Mozes en voegde er bij: „Je bent geestiger dan ik
+dacht, Daniel.”
+
+„Misschien slimmer ook,” prevelde Daniel. „Ik zal tenminste probeeren,
+er nog een broodje aan te verdienen.”
+
+Rudolf stond reeds onder het afdak der groote vischmarkt te wachten,
+toen Daniel kwam aansukkelen.
+
+„Je komt laat, Daniel,” zei hij. „De klok van de Oudekerk heeft al lang
+halftien geslagen. ’t Is bij tienen.”
+
+„De oude heeft altijd zoolang werk, eer alles geborgen is, en dan is er
+nu nog ’t een, dan weer ’t ander te doen; zoodat het dikwijls tien uur
+op de Zuiderkerk slaat, eer ik wegkom.”
+
+„’t Is goed. Zeg eens, zou je me ook kunnen zeggen, wie de man was, die
+mijn horloge kocht; je zegt toch dat je de heele zaak heb bijgewoond.”
+
+„Hoe kan ik dat zeggen? Amsterdam is zoo groot en er zijn zooveel
+menschen, dat ik ze niet allemaal ken.”
+
+„Nu ja. Maar wat was ’t voor een man?” vroeg Rudolf.
+
+„’t Was een heer, en een fatsoenlijk heer ook,” antwoordde Daniel. „Hij
+zag er heel deftig uit en sprak op zoo’n fatsoenlijken toon.”
+
+„Zeg eens, zou je ook kans zien, zijn adres op te diepen?”
+
+„Om weer zulk een slag te krijgen, als Mozes mij gisteren gaf. Ik
+bedank u, jongeheer!”
+
+„Maar ik zal ’t Mozes niet vertellen, dat jij ’t me gezegd hebt.”
+
+„Alsof hij ’t niet begrijpen zal, wie ’t hem gedaan heeft.”
+
+„Maar ik wil niet hebben, dat je ’t voor niet doet. Zie, hier is een
+gulden; die is voor jou, als je me het adres opgeeft. Bij elke
+belangrijke tijding aangaande de zaak krijg je weer een gulden, en als
+ik ’t horloge terug heb, drie.”
+
+De oogen van den armen Daniel schitterden, toen Rudolf hem den gulden
+liet zien.
+
+„Ik zal zien, dat ik het te weten kom, jongeheer,” hernam hij. „Maar
+daar zullen wel een paar dagen over heengaan.”
+
+„Laat ons het dan bepalen op aanstaanden Vrijdag,” zei Rudolf.
+
+„Dat is goed,” antwoordde Daniel. „Dan hoop ik ’t u te kunnen zeggen.”
+
+„Hoe laat ga je ’s morgens naar den patroon?”
+
+„Om negen uur moet ik bij hem zijn.”
+
+„Wacht mij dan Vrijdagmorgen om negen uur op ’t Oude Kerksplein; daar
+is het op dien tijd stiller dan hier.”
+
+Mistroostig kwam Rudolf thuis. Hij had er nog mee gewacht, om de zaak
+aan Helène te schrijven: want hij begreep maar al te goed, hoe ze bij
+’t ontvangen van ’t bericht zou zijn. Doch thans kon hij niet langer
+wachten. Hij schreef haar dus de zaak in ’t uitgebreide; ook wat hij
+reeds gedaan had en voornemens was te doen en troostte haar met de
+valsche hoop, waarmee hij ook zich zelf in slaap poogde te wiegen, dat
+het horloge nog wel terecht zou komen; want dat degeen die het van
+Mozes had meegenomen een fatsoenlijk heer was, en dat de zaak dus op
+een bloote vergissing berustte.
+
+Vrijdags wachtte hij Daniel op ’t Oude Kerksplein.
+
+„Wel, heb je ’t adres?” vroeg hij.
+
+„Toen de oude uit was, ben ik aan ’t snuffelen in zijn boek gegaan;
+maar ik kon uit dat gekrabbel niet wijs worden.”
+
+„Zoodat je niets weet?”
+
+„Ik heb gezien, dat hij op dien dag zaken gedaan heeft met deze drie
+personen.” antwoordde Daniel. „Ik heb ze voor u op een papiertje
+geschreven. Hier zijn ze.”
+
+Rudolf las: Muller, Jansen en Bekker.
+
+„Nu, dat zijn namen, die men in Amsterdam bij de vleet kan vinden,” zei
+hij mistroostig. „En stond er geen beroep bij?”
+
+„Jawel, maar dat kon ik niet lezen. Alleen bij Jansen geloof ik, dat
+boekhandelaar stond, maar ’t kan ook boekhouder, of boekdrukker zijn
+geweest. De patroon schrijft zoo slecht, dat ik niet begrijp, hoe hij
+er uit wijs wordt.”
+
+„Maar een boekhandelaar zal toch niet bij Mozes Zadok komen?”
+
+„Ook niet om een horloge, dat hem ontstolen is, terug te krijgen?”
+
+„Je hebt gelijk,” antwoordde Rudolf, die nog steeds vasthield aan het
+denkbeeld van vergissing. „Daar is meer gelijk dan eigen, en ’t kon
+heel goed zijn, dat het juist zulk een heer was. Hier is je gulden.
+Alle morgens kun je me hier vinden; dus als je wat te vertellen hebt en
+’t is belangrijk genoeg—dan verdien je een gulden.”
+
+Rudolf trok zijn stoute schoenen aan en ging een bezoek bij den heer
+Jansen maken. Hij werd er vriendelijk ontvangen. ’t Kostte hem wel veel
+moeite, om te bekennen, dat hij ’t horloge zijner zuster verpand had,
+om geld te krijgen en hoe hij op raad van een zijner makkers bij den
+woekeraar Mozes Zadok te land gekomen was. De heer Jansen hoorde hem
+vriendelijk aan, beklaagde hem, betuigde, dat hij de persoon niet was,
+wien een horloge ontstolen was, en ried hem aan, om er maar geen werk
+van te maken; daar even goed Zadoks boek als de mededeelingen van
+Daniel wel valsche namen konden bevatten.
+
+’t Was wel ongelukkig voor onzen Rudolf, dat de zaak zoo in ’t begin
+van zijn kantoorloopbaan kwam. Door ’t wachten op Daniel kwam hij nu en
+dan te laat, hetgeen hem telkens een berisping van den chef op den hals
+haalde. En zoo vervuld was zijn ziel met de zaak van ’t horloge, dat
+hij niet bij zijn werk was en de grofste fouten maakte. Toen zijn chef
+bemerkte, dat zijn herhaalde vermaningen niet hielpen, klaagde hij er
+meneer Walburg over en deze ontbood Rudolf op de directiekamer.
+
+„Ik hoor allerlei klachten over je, Rudolf,” zei meneer Walburg.
+
+„Dat spijt mij, oom!” antwoordde Rudolf.
+
+„Je komt soms te laat en maakt fouten in je werk, hetgeen in den
+beginne ’t geval niet was. Hoe komt dat?”
+
+„Omdat dat altijd turen op cijfers een mensch in de war brengt,”
+antwoordde Rudolf.
+
+„Men moet daarmee beginnen; daar zal een tijd komen, dat je ander werk
+krijgt. Doe dus je best om goed te doen, wat je thans is opgelegd, en
+vergeet niet, dat je, wanneer je niet beter oppast, van ’t kantoor zult
+worden weggejaagd, waarmee je je zelf en mij schande zult aandoen. Denk
+er aan, dat ik de eenige directeur niet ben; en al was ik het—menschen,
+die hun plicht niet doen, kan ik niet gebruiken.”
+
+Beschaamd keerde Rudolf naar ’t kantoor terug. Hij gevoelde dat zijn
+oom volkomen gelijk had, en was die ongelukkige historie met dat
+horloge er niet tusschen in gekomen—hij zou zeker met den meesten ijver
+zijn taak vervuld hebben. Maar ’t scheen, dat het hem nu onmogelijk
+was, zich bij zijn arbeid te bepalen en ofschoon hij voortaan zorgde op
+zijn tijd te komen, daar hij Daniel maar weer ’s avonds besteld
+had—zijn werk was dikwerf van dien aard, dat hij ’t overschrijven
+moest. Toen nu Daniel hem weken lang niets kon meedeelen, gaf hij hem
+nog een gulden voor zijn moeite en zei hem, dat hij maar niet moest
+terugkomen.
+
+Een ander denkbeeld was hem in den zin gekomen. Hij zou een advertentie
+plaatsen. Te dien einde begaf hij zich naar den boekverkooper Jansen,
+om dezen raad te vragen en hem te verzoeken, de advertentie te stellen
+en te laten plaatsen.
+
+„Indien je er van overtuigd bent, mijn jonge vriend, dat het slechts
+een vergissing is van dengeen, die ’t horloge opgeëischt heeft en niet
+de een of ander schurkenstreek,” zei de boekverkooper, „dan is het
+goed; anders gooit ge uw geld in ’t water.”
+
+„Vooreerst schijnt het een fatsoenlijk man te zijn geweest,” zei
+Rudolf; „maar ten tweede, wat meer zegt, heeft die man zoo overtuigend
+gesproken, dat de sluwe Mozes Zadok, die anders van zessen klaar is,
+hem ’t horloge voor zestig gulden zoogenaamd voorschot gegeven heeft;
+ofschoon het door zijn diamanten zeker de dubbele waarde had.”
+
+„Wij kunnen ’t probeeren, ofschoon ik er niet veel heil van verwacht,”
+zei de boekverkooper, en stelde nu de volgende advertentie:
+
+
+„Gouden Dameshorloge met dito ketting vermist.
+
+„De persoon, die Donderdag den... Januari j.l. in den winkel van M. Z.
+alhier, een gouden dameshorloge met diamanten bezet en van gouden
+ketting voorzien, tegen zestig gulden heeft gelost, wordt verzocht,
+zich aan te melden onder Lett. A. N. bij den Boekhandelaar J. G. Jansen
+alhier.”
+
+
+Tevreden over de poging, en daarvan alles verwachtend, betaalde Rudolf
+den boekverkooper de onkosten der advertentie.
+
+„Kom nu over drie dagen maar eens hooren, of er een antwoord is,” zei
+de boekverkooper.
+
+„Zoo laat?” vroeg Rudolf.
+
+„Vroeger kan er geen antwoord zijn, tenzij de menschen de krant ’s
+avonds te voren krijgen. Eerst morgen avond komt het in de krant. En
+zulk een haast tot antwoorden heeft men in dergelijke gevallen niet.”
+
+Rudolf begreep, dat de boekhandelaar gelijk had en ging tamelijk gerust
+naar huis. Den volgenden dag was hij wel iets geduriger op ’t kantoor,
+maar gaf toch weer blijken van afgetrokkenheid.
+
+Den avond daarop zag Rudolf met hijgend verlangen uit naar ’t
+Handelsblad, dat in de directiekamer gebracht en beurtelings door een
+der jongste bedienden gehaald werd, die ’t aan zijn chef ter hand
+stelde. Deze keek het even in en liet het dan aan een der andere chefs
+brengen, tot het de ronde gedaan had, om in de directiekamer terug te
+keeren.
+
+’t Was of ’t van avond niet kwam. Eindelijk daar bracht de jongste
+klerk van een andere afdeeling het. Wat keek Rudolf er schuin naar;
+terwijl de chef het doorlas. ’t Was alsof hij ’t eens zoolang las als
+anders. Eindelijk klonk het:
+
+„Nederhorst!”
+
+„Tot uw dienst, meneer!”
+
+„Breng ’t Handelsblad maar hier naast.”
+
+Nauwelijks was Rudolf het vertrek uit en had hij de deur gesloten, of
+hij vouwde ’t blad open. Lang behoefde hij niet te zoeken: want daar
+stond zijn advertentie met een hoofd van zulke groote letters, dat ze
+ieder in ’t oog moesten vallen—zoo ten minste dacht Rudolf, wien ze,
+omdat hij haar zocht, terstond voor de oogen stond. Nu die advertentie
+er in stond was de zaak gezond en ’t horloge zoo goed als terecht. Daar
+was geen twijfelen aan. Terstond vouwde hij de krant toe, bracht haar
+naar ’t vertrek, waar zij wezen moest en keerde met een vergenoegd hart
+naar ’t zijne terug.
+
+Weinig dacht onze knaap, dat juist die advertentie van welke hij
+zooveel verwachting had, hem ten val zou zijn. Gaan we daarom een half
+uur vroeger naar de directiekamer, waar we den heer Walburg en nog een
+anderen directeur vinden zitten. Daar de laatste nog aan den arbeid is,
+heeft de eerste de krant opgenomen en den inhoud doorgekeken.
+
+Niet gewoon advertentiën te lezen, wil hij ’t blad juist aan zijn
+mededirecteur overgeven, toen zijn oog toevallig op het met groote
+letters gedrukt „Gouden dameshorloge met dito ketting vermist,” valt.
+Hij leest de advertentie.
+
+„Ha, daar brengt de rat zich zelf in den val!” zegt hij. „Nu zullen we
+zien, wie ’t horloge verpand heeft: Rudolf of zijn zuster, die ’t dan
+door middel van een ander heeft laten doen. We zullen de zaak echter
+slim en bedaard overleggen en de vesting bij verrassing innemen.”
+
+Terstond beval hij, een vigelante te laten voorkomen en liet zich naar
+den boekhandelaar Jansen brengen.
+
+„Meneer thuis?” vraagt hij aan den in den winkel staanden bediende.
+
+„Om u te dienen. Meneer is op ’t kantoor.”
+
+„Geen belet?”
+
+„Voor u niet. Mag ik u maar verzoeken, binnen te gaan.”
+
+Voor u niet! geen wonder. Door meneer Walburgs invloed had meneer
+Jansen al jaren een aardige rekening voor leverantie van druk en
+bindwerk aan de Bank. Zoodra dus meneer Walburg op ’t kantoor trad,
+vloog de man op, en bood hem met veel buigingen een stoel aan.
+
+„Meneer Jansen,” begon deze. „Naar ik zie hebt u de advertentie voor
+den klerk van ons bureau, den heer Nederhorst, geplaatst.”
+
+„Die van dat horloge, meent u,” antwoordde de boekverkooper.
+
+„Juist, van dat gouden horloge. Dat is een rare zaak. Ik heb er zoo
+iets van gehoord, maar dacht, dat het een sprookje was. Zou dan toch
+werkelijk die meneer Nederhorst dat horloge beleend en een ander het
+bij den pandhouder als zijn eigendom weggehaald hebben? Ik heb er
+natuurlijk niet naar willen vernemen, daar wij ons niet met de
+bijzondere zaken onzer klerken bemoeien; maar men hoort soms zoowat
+daarvan, en deze historie vond ik al bijzonder vreemd.”
+
+„Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden mededeelen,”
+antwoordde de boekverkooper, weinig vermoedende dat meneer Walburg de
+oom van Rudolf was, hetgeen hij wel zou geweten hebben, indien Rudolf
+hem niet verteld had, dat zijn familie te Weesp woonde, zonder te
+zeggen, dat ze vroeger op de Keizersgracht gewoond had. „Toevallig kan
+ik u de zaak in zijn bijzonderheden verhalen; want meneer Nederhorst
+kwam voor eenigen tijd bij mij, om te vragen of ik de persoon was, die
+’t horloge gemeend had voor mijn eigendom te herkennen en toen diende
+hij mij toch eenigszins met de historie bekend te maken, een zaak
+waarin hij ingeloopen is als een jonge muis in den val.”
+
+En meneer Jansen verhaalde aan meneer Walburg de zaak, zooals Rudolf
+hem die naar waarheid en met de meeste verschooning voor zich zelf
+medegedeeld had. De directeur der Bank scheen met de meeste
+onverschilligheid naar ’t verhaal van den boekverkooper te luisteren;
+daarop zei hij:
+
+„Met al die dwaasheid zou ik ’t werkelijke doel van mijn komst
+vergeten. Er zal eerstdaags een inschrijving van drukwerk aan de Bank
+plaats moeten hebben, en nu wenschte ik, dat u dit bestek eens inzag,
+en mij daarop morgen ochtend vóor negenen uw aanmerkingen maakte.”
+
+„En is meneer daarom expres bij mij gekomen!” riep de boekverkooper
+uit. „Meneer had mij immers op ieder uur van den dag bij zich kunnen
+laten ontbieden.”
+
+„Ik moest toch bij u voorbij en had die advertentie gelezen. Zulke
+beuzelingen gaan ons zoo licht door ’t hoofd, en daarom dacht ik: nu
+moet ik het ijzer smeden, terwijl het heet is. Maar nog iets: Ik ben
+bij u ingeteekend op het „Tijdschrift voor de jeugd.” Mijn beide
+jongste dochtertjes lezen dat graag en mijn vrouw ziet het ook wel eens
+in. Ge schijnt daar een goede medewerkster te hebben gekregen, een die
+onder den pseudoniem van Helène schrijft. Mijn vrouw roemde haar
+bijzonder, en daar de vrouwen zeer nieuwsgierig zijn, had ze mij
+opgedragen, wanneer ik u bij toeval eens sprak, te vragen, wie die
+Helène is?”
+
+„’t Spijt mij, dat ik u hierop geen antwoord kan geven,” antwoordde
+meneer Jansen, „’t schijnt een favorietje van den redacteur te zijn,
+en, naar ’t mij voorkomt, moet ze nog jong zijn ook. Bij gelegenheid
+echter zal ik ’t meneer Radinus wel eens vragen en dan zal ik ’t
+mevrouw melden.”
+
+„Nu ja, van zooveel belang is ’t niet, en ’t zal nog te bezien staan,
+of dat jeugdige talent zoo voortgaat. Vogeltjes die zoo vroeg zingen
+zijn wel eens voor de poes. Adieu! meneer Jansen!”
+
+Met veel buigingen en strijkages begeleidde de boekverkooper meneer den
+directeur tot op den stoep en deed het portier der vigilante open.
+„Naar de club!” zei meneer Walburg, stapte in en reed wel te vreden
+naar zijn sociëteit.
+
+„Ik had dan toch niet mis gezien,” zei hij met die vergenoegdheid,
+welke zich van ons meester maakt, wanneer we vinden, dat we eens
+buitengemeen scherpzinnig geweest zijn. Later echter was zijn
+alleenspraak minder opgewekt, toen hij zei: „’t Spijt me toch van mijn
+plannen, ofschoon de knaap mij tegengevallen is; en nog meer van dien
+armen Nederhorst. Maar ik moet door een zuren appel heen bijten: beter
+ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ha, daar zijn we aan de
+club!”
+
+Weinig dacht Rudolf, die dezen nacht zulke heerlijke droomen had,
+waarbij ’t horloge de hoofdrol speelde, dat zijn lot onherroepelijk
+beslist was.
+
+Opgeruimder dan sedert eenige dagen begaf Rudolf zich naar de Bank en
+ging hij aan den arbeid. Hij was er echter nog niet lang, of hij werd
+op de directiekamer geroepen. Daar gekomen, vond hij er zijn oom geheel
+alleen, wiens gelaat niet veel goeds voorspelde.
+
+„Rudolf,” zei hij, „het doet me leed, je te moeten zeggen, dat je me
+bent tegengevallen. Ik heb, helaas! tot mijn leedwezen bemerkt, dat ik
+me in je heb bedrogen. Ik had goede plannen met je; ik moet er echter
+bijtijds van afzien. ’t Spijt mij voor je—meer echter voor je braven
+vader, die al zijn hoop voor de toekomst op je gevestigd had. Op heden
+ben je uit je betrekking aan de Bank ontslagen. Hier is een cheque op
+den kassier, waarbij je ’t bedrag van de volle maand wordt uitbetaald.
+Pak terstond je goed, betaal je schulden en vertrek naar Weesp.”
+
+„Maar oom!” zei Rudolf. „Waarom zulk een plotseling ontslag! Wat zijn
+de redenen?”
+
+„Die zal ik je vader in een uitvoerigen brief bloot leggen en dan zal
+hij ze je wel meedeelen. Wellicht zal ’t je dan een les voor je leven
+zijn en zal je het later beter leeren waardeeren, wanneer men zich je
+lot aantrekt.”
+
+„Oom!” zei Rudolf smeekend. „Kunt u ’t dan niet nog voor ditmaal eens
+inzien; zeg me, wat me ontbreekt, en ik zal het trachten te
+verbeteren.”
+
+„Mijn besluit is onherroepelijk en ik verlang niet in bijzonderheden te
+treden. Doe wat ik je zeg. Vaarwel! God geve, dat je je verbetert.”
+
+Diep terneergeslagen en niet begrijpende, waaraan hij dit plotseling
+ontslag te danken had, nam Rudolf de cheque aan en ging met tranen in
+de oogen de directiekamer uit. Daarop wisselde hij de cheque bij den
+kassier in geld, betaalde zijn kamerhuur de maand uit, liet zijn goed
+op ’t spoor bezorgen, en vertrok zelf met een bezwaard hart en angst
+voor den toorn zijns vaders naar Weesp.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+PAPA KOMT VREEMDE DINGEN TE WETEN.
+
+
+’t Wordt tijd, dat we ook naar Weesp terugkeeren, maar een paar weken
+vroeger en wel op den tijd, dat Rudolfs brief aan Helène aldaar
+aankwam.
+
+’t Is moeilijk de ontsteltenis te beschrijven, welke die brief haar
+veroorzaakte. Ze was juist op haar kamer, bezig haar bed op te maken,
+toen Trui hem haar boven bracht. Met smachtend verlangen had ze de
+komst van dien brief te gemoet gezien en met zenuwachtige haast
+scheurde ze er ’t couvert af. Nauwelijks echter had ze de eerste regels
+gelezen, waarin Rudolf schreef: „’t Horloge is weg! Mozes Zadok heeft
+het aan iemand verkocht, die zei, dat hij de eigenaar was,” of alles
+begon voor haar oogen te draaien, ze moest zich aan de tafel
+vasthouden, de brief viel uit haar handen en ze zonk op een stoel
+neder. Hoelang ze in dien half bewusteloozen toestand verkeerd had,
+wist ze niet: eindelijk kwam ze bij, maar ’t was of ze versuft was.
+Daarop herinnerde ze zich den brief, zag dien aan haar voeten liggen,
+nam hem op, las nog eens den aanhef en vatte toen moed, om het overige
+te lezen. Toen ze dat gedaan had, viel ze luid snikkend met haar gelaat
+op ’t nog afgehaalde bed en riep toen op wanhopigen toon uit:
+
+„O, moeder! Waarom heb ik mij laten overhalen, uw erfenis uit handen
+te geven! Nu is zij verloren! voor altijd verloren! O, God! Welk een
+tijding!”
+
+Toen ze lang genoeg geschreid had, richtte zij zich op, wischte haar
+tranen af, sloot den brief weg, sloeg nog een langen, smartelijken blik
+op ’t portret harer moeder, en ging toen weder aan den arbeid. Maar ze
+werkte niet met den lust en ijver, welken ze vroeger aan den dag
+legde—al wat ze deed, verrichtte ze met een doffe gevoelloosheid, als
+droomende, en toen ze beneden kwam, was ’t met gebogen hoofd en treurig
+gelaat. Haar vader bemerkte dat in zijn verstrooidheid niet op; wel
+Trui, die haar herhaalde malen vroeg, wat haar scheelde?
+
+„Hoofdpijn, Trui,” antwoordde ze. „Ik denk, dat ik van nacht wat laag
+met mijn hoofd gelegen heb.”
+
+„Ge overwerkt u, juffrouw,” zei Trui. „’t Is te veel voor uw krachten,
+’t zal net zoolang duren, dat u ziek wordt. Ik zou ten minste maar naar
+mijn kamer gaan en wat stil gaan zitten.”
+
+„Maar er is nog zooveel goed te verstellen en er zijn zooveel kousen te
+mazen,” zei Helène.
+
+„Laat het goed zich zelf verstellen en de drommel de kousen mazen. Dat
+zit hier alle dagen te sjouwen en te ploeteren, als een dienstmeid;
+terwijl juffrouw Leonie daar in Amsterdam een leventje leidt als een
+prinses. Als ik in uw plaats was, dan zou ik tegen mijn papa zeggen,
+dat ik er voor bedankte, om hier alleen voor meid te spelen, en dat zij
+terug moest komen, om de helft van mijn werk over te nemen. En wat heb
+je er voor dank voor? Ternauwernood een goed woord. Neen, ik ben maar
+een dom mensch, maar zoo dom niet, of ik zeg, dat het hier alles
+behalve recht toegaat. Ik heb me wat geërgerd, toen juffrouw Leonie die
+paar dagen over was, en...”
+
+„Laat je dat niet hinderen, beste Trui,” zei Helène glimlachend.
+„Leonie is nog jong. Zachts dat ze op dien leeftijd even goed haar
+genoegelijke dagen heeft als ik die gehad heb. Is ze zoo oud als ik
+was, toen onze omstandigheden veranderden—welnu, dan is het tijds
+genoeg om haar thuis te laten komen en haar aan ’t werk te zetten.”
+
+„Wat wel nooit zal gebeuren!” zei Trui. „Uw oom en tante zouden haar
+niet laten gaan. En wat mij aangaat, ik ben er juist niet verlangend
+naar, want toen ze hier voor een paar dagen was, werd ik door haar
+gekommandeerd alsof ik zoo’n Oostinjesche slavin was. Ziet u, en dat
+ben ik nooit gewoon geweest, zelfs niet van mijn goede mevrouw, toen
+die nog leefde. Die was altijd de goedheid en vriendelijkheid zelf.”
+
+„Ja, dat was ze wel,” zei Helène zuchtend, „en daarom heeft mijn arme
+vader zooveel aan haar verloren.”
+
+„Dat heeft hij, de man;” zei Trui, „en dat moet ik zeggen, ik heb nog
+weinig twee menschen gezien, die zooveel van elkaar hielden. ’t Was
+zeker de zwaarste slag die hem kon treffen, en daarom kan ik hem veel
+van zijn raar humeur vergeven; ofschoon ik er weinig van te lijden heb
+en hij voor mij heel goed is en me nooit een overtogen woord zal geven.
+Maar ik zou zoodoende al mijn kostelijken tijd verbabbelen en ik moet
+van daag dubbel pootaan spelen. Want, u zult nu niets doen, niet waar,
+juffrouw?”
+
+„Neen, Trui,” antwoordde Helène; terwijl ze de trouwe meid de hand
+reikte, en deze ’t vertrek verliet.
+
+’t Gesprek met Trui had haar een weldadige afleiding van haar verdriet
+bezorgd. Daar waren zooveel andere gedachten door haar brein gegaan;
+want ofschoon ze ’t niet voor zich zelf wou weten, was ze niet zonder
+jaloezie op ’t lot van Leonie, en had de blijkbare voorkeur, welke haar
+vader tijdens haar verblijf aan zijn jongere dochter schonk, haar
+gehinderd. Trui’s voorliefde voor haar, ofschoon Trui maar een
+dienstbode was, deed haar goed; daarbij stemde ’t goedhartige oordeel
+over haar vader, dat zij zoo veel moeite had zichzelf op te dringen en
+dat de eenvoudige meid zoo rond en onbewimpeld uitsprak, haar
+vriendelijker, en ze herinnerde zich, hoe hij, schoon natuurlijk eerst
+driftig over ’t verdwijnen van ’t horloge, haar den volgenden dag reeds
+daarvan niets had laten merken. En zoo namen haar gedachten
+langzamerhand een andere richting en gevoelde ze zich niet meer zoo
+diep rampzalig als straks.
+
+„Wat scheelt er aan, Helène, dat je niet eet?” vroeg Dora ’s middags
+aan tafel.
+
+„Je ziet zoo bleek,” voegde Alfred er bij.
+
+Meneer Nederhorst keek op. Met zijn gewone afgetrokkenheid had hij
+niets gemerkt. Thans zag hij, dat zij er bleek en afgemat uit zag.
+
+„Scheelt er wat aan, Helène?” vroeg hij deelnemend.
+
+„Ik heb zware hoofdpijn, pa,” antwoordde zij.
+
+„Je werkt te hard, kindlief,” zei meneer Nederhorst. „Je moet straks
+naar bed gaan, en als ’t morgen niet beter is, dan laat ik den dokter
+komen.”
+
+„’t Zal morgen wel beter zijn,” verzekerde Helène. „Ik zal echter uw
+raad opvolgen en dadelijk na de thee naar bed gaan.”
+
+„Dan kom ik bij je zitten en zal je wat voorlezen,” zei Dora. „Ik mag
+immers wel, Helène?”
+
+„Neen, ik zal het doen,” zei Alfred. „Ik heb een heel mooi verhaaltje,
+dat ik te leen heb gekregen van Karel. ’t Is gemaakt door een juffrouw,
+die net zoo heet als jij, Helène.”
+
+„Dat is goed. Maar dan mag ik toch zoolang bij Helène opzitten, terwijl
+jij leest. Niet waar, Helène! En als je dan wat noodig hebt, dan haal
+ik het voor je.”
+
+„En we zullen ons van avond zelf wel uitkleeden,” zei Alfred.
+
+„En ons goed netjes opvouwen, precies alsof je er bij bent,” voegde
+Dora er bij.
+
+„Maar moet je dan geen werk voor school maken!” zei Helène.
+
+„Dat zullen we netjes afmaken vóor het theedrinken,” antwoordde Alfred.
+„We zullen ’t heel keurig doen. Je hoeft er niet naar te kijken.”
+
+’t Scheen, dat meneer Nederhorst getroffen was door de ongekunstelde
+blijken van innige liefde en toegenegenheid, door zijn beide jongste
+kinderen voor hun oudste zuster aan den dag gelegd.
+
+„Hoor eens, Helène,” zei hij. „Ik oordeel ’t noodig, dat je terstond na
+den eten te bed gaat. Intusschen kunnen Dora en Alfred hun werk maken.
+Trui zet het theegoed op je kamer. Dan schenkt Dora thee, Alfred leest
+je voor en ik kom bij je theedrinken en naar ’t verhaaltje van die
+juffrouw Helène luisteren.”
+
+„O, dat is lief van u, pa,” zei Helène, terwijl ze hem met een
+dankbaren blik aanzag.
+
+Zoodra Trui kwam afnemen, gaf Helène de noodige bevelen.
+
+„U heeft wel gelijk, juffrouw,” zei Trui. „’t Is misschien zware
+gevatte kou en die moet er door transporteeren uit.”
+
+„En jij zet thee, hoor; want Dora zal schenken,” vervolgde Helène.
+
+’t Deed haar werkelijk goed, toen ze te bed lag, ofschoon slechts voor
+haar vermoeid lichaam; wat haar geest aangaat: de heden ontvangen
+tijding woedde, nu ze alleen en ’t lichaam tot rust was, met dubbele
+hevigheid door haar brein, zoodat er geen denken was aan slaap. Maar ’t
+moede, pijnlijke hoofd rustte en dat was al een troost. Trui bracht het
+theegoed, Dora, die al sedert een half uur met Alfred bij haar was,
+zette zich heel deftig aan de theetafel; terwijl Alfred met de
+aflevering van het Tijdschrift voor de jeugd, waarin Helène’s verhaal
+stond, voor haar bed ging zitten.
+
+Pa kwam en ging terstond naar ’t bed.
+
+„Hoe is het, lieve?” vroeg hij.
+
+„’t Gaat nog al, pa,” antwoordde ze met een vergenoegden glimlach en
+een dankbaren blik.
+
+’t Is nog iets anders zich zelf te lezen of zich door anderen te hooren
+lezen en Helène zelf luisterde met aandacht naar haar eigen verhaal,
+dat met een lieve, duidelijke en buigzame stem werd voorgedragen en
+waarin zij schoonheden vond, welke zij zelf niet wist dat er zich in
+bevonden. Het verhaaltje scheen haar vader ook te bevallen, tenminste
+hij luisterde met alle oplettendheid. Betrekkelijk gevoelde ze zich
+gelukkig; als daar achter maar niet die rampzalige tijding van dezen
+morgen geweest was. In deze oogenblikken echter vergat ze al wat haar
+de ziel bezwaarde en genoot de liefde, die haar bewezen werd. En toen
+de thee afgeloopen en haar vader naar zijn kamer teruggekeerd was, toen
+ook Dora en Alfred naar bed waren, toen daalde de engel der
+vertroosting op haar neder in een balsemenden slaap en vertoonden bont
+gevleugelde droomen haar een uitkomst zoo schoon, als zij slechts kon
+wenschen. Wel verstoorde ’t ontwaken in den morgen die van goudstof
+geweven beelden; maar de glimlach op haar lippen toonde, dat ziel en
+lichaam ten minste eenige uren rust en verkwikking gesmaakt hadden.
+
+Haar hoofdpijn was beter; maar ze gevoelde toch een zwaarte in de leden
+en een zekere matheid, die haar anders niet eigen was. Overtuigd, dat
+dit nog de overblijfselen van den schrik van gisteren waren, stond zij
+op, hielp de kinderen, zette het ontbijt gereed en wachtte haar vader
+op, die met belangstelling naar haar gezondheid vroeg en wien ze
+geruststelde met de verzekering, dat zij weer beter was.
+
+Ruim veertien dagen gingen op die wijs om en Helène gevoelde zich hoe
+langer hoe matter. Doch in ’t midden harer bezigheden vergat ze haar
+vermoeidheid en alleen de weinige opgewektheid, waarmede zij at, zou
+anderen het vermoeden doen koesteren, dat ze niet goed was. Zelfs de
+altijd zoo attente Trui scheen ’t niet op te merken; zij zag het dan
+ook niet hoe het anders zoo werkzame meisje tusschenbeiden, als niemand
+het zag, met de handen over elkander ging zitten, met het hoofd
+achterover tegen den muur geleund, als iemand die zich doodzwak
+gevoelt.
+
+’t Was dan op zekeren dag, dat Trui des morgens aan de kamer van meneer
+Nederhorst klopte.
+
+„Binnen!” zei hij. „Wat is er, Trui?” vervolgde hij, „dat je zoo
+bedrukt kijkt?”
+
+„Meneer, ik geloof niet dat juffrouw Helène goed is. Ze is wel
+opgestaan, maar weer in elkander gezakt. ’t Was gelukkig, dat ik boven
+kwam, om eens naar haar te zien; want ze lag bewusteloos op den grond.
+Toen heb ik haar weer te bed gebracht.”
+
+Meneer Nederhorst sprong terstond op en snelde naar Helène’s kamer,
+gevolgd door Trui. Ze vonden haar bij haar bewustzijn, maar met bleek
+gelaat, witte lippen en holle in hun kassen gezonken oogen, waarmede ze
+haar vader aanzag.
+
+„Je bent ziek, niet waar Helène?”
+
+„Ik ben ziek,” antwoordde zij met matte stem. „Ik heb ’t al eenige
+dagen gevoeld.”
+
+„En waarom het dan niet gezegd, kind?”
+
+„Ik wilde u niet ongerust maken en dacht, dat het wel over zou gaan.”
+
+„Trui, loop naar den dokter en vraag, of hij terstond komt.”
+
+„Laat Trui eerst uw ontbijt klaar zetten, pa, en de kinderen helpen,
+anders komen zij te laat op school.”
+
+„Dat is goed, dan loop ik zelf naar den dokter; dat is ook misschien
+beter.”
+
+„Ze heeft zich al maanden lang overwerkt,” bromde Trui terwijl ze
+achter haar meester de kamer verliet. „’t Was te zwaar voor zulke
+jeugdige schouders als de hare.”
+
+Ofschoon ze deze woorden slechts in zich zelf gebromd had, waren ze
+door meneer Nederhorst gehoord. Ze vielen hem als lood op de ziel.
+Reeds sedert lang was er een onbestemd gevoel bij hem wakker geworden,
+dat Helène te veel deed, meer dan haar krachten haar veroorloofden; dat
+gevoel was versterkt, toen ze dien dag vroeg naar bed gegaan was, door
+verschillende beslommeringen echter was ’t weer in zijn geest
+verdrongen. Thans kwam ’t met verdubbelde zwaarte voor hem op.
+
+Hij spoedde zich naar dokter van Esch, dien hij nog thuis vond en die
+terstond met hem mee ging.
+
+„We kunnen er nog niets van zeggen,” was zijn oordeel. „’t Kan een
+ziekte in haar begin zijn; ’t kan echter ook slechts gevatte kou en
+overspanning van zenuwen wezen. Uw dochter is geducht zenuwachtig en
+hoe meer stilte ze heeft, hoe beter ’t is. Doch er moet iemand bij haar
+zijn, opdat ze niet aan haar eigen gedachten overgelaten wordt. Als u
+uw jongere dochter eens uit Amsterdam liet overkomen.”
+
+„Ik vrees,” zei meneer Nederhorst op eenigszins ontstemden toon, „dat
+Leonie een zeer slechte ziekenoppaster is. Maar wie is daartoe nader
+dan ik? Voorloopig laat ik mijn boeken naar de ziekekamer brengen; dan
+heeft ze den geheelen dag gezelschap. Mocht het erger worden——dan
+zullen we nader zien. Er behoeft toch niet gewaakt te worden?”
+
+„Als de meid haar nachtleger op den grond opsloeg, zou ’t niet kwaad
+zijn. De spanning harer zenuwen is zóó groot, dat het beter is, haar
+ook ’s nachts niet alleen te laten.”
+
+„U ziet er toch geen gevaar in, dokter!”
+
+„Oogenblikkelijk niet het minste. Ik kan er nog niets van zeggen, en we
+moeten den loop der ziekte afwachten. Ik kom echter van avond nog eens
+terug.”
+
+Dit gesprek had in meneers kamer plaats, en stelde den vader in
+zooverre gerust, dat er geen oogenblikkelijk gevaar bij was. Toen de
+dokter vertrokken was, riep hij Trui, deelde haar mede, dat de dokter
+hoopte op een voorbijgaande ongesteldheid en vroeg haar, of ze zich
+berekend gevoelde voor korten tijd de zorg voor ’t huishouden en de
+kinderen op zich te nemen? Ze stemde terstond toe:
+
+„Als de juffrouw maar beter wordt, zou ik dag en nacht willen werken,”
+antwoordde ze trouwhartig. „’t Zal wel veel moeite kosten, haar te
+vervangen; maar meneer zal wel geduld met mij hebben en de kinderen
+zijn door haar zoo aan orde en regel gewend, dat die met een stroohalm
+te regeeren zijn. En als meneer over dag bij de juffrouw blijft, is dat
+al veel uitgewonnen. Als ze uit de school komt, kan Dora meneer wel
+eens aflossen; ’t is een lief, hartelijk kind en ze houdt zielsveel van
+haar tweede mamaatje.”
+
+Den volgenden dag reeds schudde de dokter ’t hoofd.
+
+„Het wordt een ernstige ziekte, meneer, en ik zou u raden, om uw tweede
+dochter te schrijven; want er moet bepaald bij haar gewaakt worden.”
+
+„Zoudt u een consult noodig oordeelen, dokter?” vroeg meneer
+Nederhorst. „Dan zal ik Dr. Manders uit Amsterdam telegrafeeren.”
+
+„Vooreerst niet, meneer,” antwoordde de dokter. „Intusschen kom ik van
+avond terug.”
+
+„Naar Leonie schrijven?” zei meneer Nederhorst. „Ik vrees, dat ze meer
+drukte zal maken dan dat ze tot hulp is. Ik zal nog tot van avond
+wachten. Dezen nacht waak ik—dan kan Trui eens goed uitslapen.”
+
+Toen dokter van Esch ’s avonds kwam, vond hij de zieke buiten
+bewustzijn en schreef meneer Nederhorst om Leonie. Dien geheelen nacht
+ijlde Helène sterk, meestal was ’t een onverstaanbaar gemompel. Van
+tijd tot tijd echter hield ze geheele redeneeringen, waarop haar vader
+soms door een enkel woord opmerkzaam werd gemaakt. Zoo was ’t onder
+anderen eens:
+
+„Geef mij ’t horloge van ma, Rudolf. Hier is geld, geld dat ik zelf
+verdiend heb. Waarom heb je ’t ook laten begraven? Wat lag het daar in
+de kist en zonk in de zwarte aarde. De dokter zorgt voor versche rozen,
+dokter Faminga, mijn beste vriend. Neen dokter, ik mag u niet spreken;
+Mozes Zadok wil het niet hebben. Waar is nu al ’t geld, dat ik zelf
+verdiend had? Mozes Zadok heeft den dokter verkocht, dien ik aan Rudolf
+geleend had. Ik had je de bloemen niet moeten geven, Rudolf. Had ik ’t
+pa maar gezegd, dat het Mozes Zadok was, die in de kist lag; maar ik
+had dokter Faminga te lief, hij hield zooveel van ma. Als ik Mozes
+Zadok maar spreken mocht, zou hij me den dokter wel bezorgen. Hij heeft
+den dokter voor zijn glazen opgehangen, en nu zijn de bloemen weg. Pa
+weet niet, dat ik den dokter aan Rudolf geleend had. Nu zal ik den
+dokter nooit meer opwinden; want Mozes Zadok heeft hem verkocht voor
+zestig gulden. Neen, pa! ik kan ’t u niet zeggen, waar ’t horloge van
+ma is. Maar ik heb het begraven in ’t graf van ma, diep onder de rozen,
+die Mozes Zadok er op heeft laten planten, omdat hij zooveel van ma en
+mij hield. Dokter! Pa heeft het horloge in de kast gehangen en toen
+heeft Mozes Zadok het van hem gekocht voor ’t geld, dat ik verdiend
+had. O, dokter! ik heb u zoo lief, omdat u mij zoo lief hebt, en omdat
+u zooveel van ma hield, dat u haar graf met horloges hebt beplant, die
+’t heele jaar doorbloeien. Rudolf! Rudolf! Geef mij de roos terug, die
+je geplukt hebt.”
+
+Met oplettendheid had meneer Nederhorst in ’t stille, nachtelijke uur
+naar deze vreemde, onsamenhangende taal geluisterd, die hem eensdeels
+in zijn vermoeden versterkte, dat die dokter Faminga in betrekking
+stond tot het verdwijnen van ’t horloge, anderdeels van Rudolf sprak
+als hebbende ’t horloge van haar geleend.
+
+„Ik begrijp er niets van,” zei hij; terwijl hij met de hand onder ’t
+hoofd zat te peinzen. „En toch moet ik licht in die zaak hebben.
+Misschien heeft ze briefwisseling met dien dokter gehouden en zal ik
+daar licht in vinden.”
+
+Dit zeggende stond hij op en sloot Helène’s kastje open. In een der
+laden vond hij werkelijk brieven, alsook haar huishoudboekje. Een en
+ander nam hij met zich naar de tafel, om ze op zijn gemak te
+doorsnuffelen. De brieven lagen naar rangorde van de ontvangst. De
+eerste, welke hij opende, was van een zekeren meneer A. D. Radinus. Hij
+luidde:
+
+
+ „Mejuffrouw,
+
+ „Hiernevens het honorarium voor ’t overschrijven van de laatste
+ copie. Ik heb er op ’t oogenblik geen nieuwe gereed en geloof ook
+ wel, dat deze de laatste is, die ik u zenden zal. Een dame, die
+ zelf met zooveel talent schrijft, kan zich niet met copiëeren
+ bezighouden. Ik verwacht spoedig een nieuw verhaaltje voor ons
+ Tijdschrift van u; ik hoor algemeen dat uw eersteling met veel
+ ingenomenheid begroet en met genoegen gelezen wordt.
+
+ Uw. Dw. Dienaar
+ A. D. Radinus.”
+
+
+„Hoe! Geld verdiend met copiëeren en zelf schrijven. Zou dat stukje,
+dat Alfred voorlas, van haar zijn! O, Helène! wie had gedacht, dat
+jij... Ik moet toch zien, wat zij met dat geld gedaan heeft. Misschien
+brengt mij dat op de hoogte.”
+
+Hij nam, alvorens verder te gaan met de correspondentie, haar
+huishoudboekje. ’t Eerst viel hem de ontvangst in de oogen. Daar las
+hij, onder ’t artikel „van pa ontvangen,” hier en daar: „voor
+copiëeren,” ook eenmaal: „van oom gekregen voor mijn toilet,” en
+eindelijk „honorarium voor mijn stukje in het Tijdschrift voor de
+jeugd.” Nu sloeg hij de uitgaven op. Daar vond hij, behalve de gewone
+huishoudelijke uitgaven, ook kleeding voor de kinderen; maar een post,
+die hem groote oogen deed opzetten: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 10;” en
+later: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 20.”
+
+„Dus had Rudolf haar geld geleend,” zei hij. „Maar waarvan kan hij ’t
+gedaan hebben? En waartoe heeft zij dan ’t horloge voor zestig gulden
+verpand. Van dien post vind ik niets. Ook vind ik niet, dat ze die
+geleende dertig gulden geboekt heeft. Nu wordt de zaak mij hoe langer
+hoe raadselachtiger! Wacht! Misschien heeft die zoogenaamde dokter geld
+van haar geleend en heeft ze ’t maar niet geboekt, omdat het mij soms
+onder de oogen mocht komen. Dertig en zestig is negentig en misschien
+nog tien gulden uit haar spaarpot; dat is honderd gulden. Ja, zoo is
+het! Ik moet morgen dien schurk van een dokter eens opzoeken. Ik had
+het wel gedacht, dat die indringerij haar doel had. Schande! Gebruik te
+maken van de onnoozelheid van een zestienjarig meisje! Maar ’t zal je
+slecht bekomen, meneer de dokter!”
+
+Meenende, nu genoeg ingelicht te zijn ten aanzien van deze zaak, en
+voornemens, die gerechtelijk te vervolgen, wilde meneer Nederhorst de
+verdere brieven wegsluiten, toen zijn oog op den nu bovenop liggenden
+brief viel en hij de hand van Rudolf herkende.
+
+„Wacht, deze werpt misschien nog meer licht over de zaak.” Hij vouwde
+hem open en las:
+
+
+ „Lieve Helène. Ik ben wanhopend! Hoe gaarne ik het voor je zou
+ willen verzwijgen—ik mag je niet langer misleiden en kan het ook
+ niet; het hooge woord moet er uit: ma’s horloge is weg. Die schelm
+ van een Mozes Zadok heeft het aan een ander verkocht, die zei dat
+ het zijn eigendom was en wien hij er zestig gulden voor afgenomen
+ heeft. Ik vernam dat toevallig van zijn bediende. Begrijp eens,
+ zoo’n woekeraar! Dertig gulden ontving ik van hem te leen om mijn
+ schulden te betalen. Later hield hij mij vijftien gulden voor
+ interest af, en nu heeft hij er nog zestig gulden voor gemaakt. Als
+ ik niet bang was, om in de zaak te roeren, dan gaf ik het aan de
+ politie aan. Maar de kerel zou mij aanklagen als de dief van ’t
+ horloge, en wie zou, nu ’t weg is, bewijzen, dat ik het niet ben.
+
+ „Ik heb lang geaarzeld, om je deze verpletterende tijding mee te
+ deelen! O, had je je maar taai gehouden en mij ’t horloge nooit
+ geleend. Had pa mij maar geld gezonden, of oom mij slechts
+ vijf-en-twintig gulden geleend, dan was ik er nooit toe gekomen, om
+ de erfenis van ma, ’t eenige wat ze je geschonken had, te
+ verpanden! O, Helène! Ik gevoel me zoo slecht! Ik ben zoo kapot.
+ Werken kan ik niet. Alles staat mij tegen! Had je ’t maar met
+ Kersttijd aan pa bekend, dat ik ’t horloge van je geleend en ’t bij
+ een woekeraar verpand had, dan had hij ’t wel gelost. Maar neen, je
+ moest mij sparen, mij, die jou zoo slecht behandeld had, en pa voor
+ ’t verdriet, om te weten hoe laag en gemeen zijn lieve Rudolf was.
+ O, had je het dokter Faminga maar gezegd, die zoo rijk is en
+ zooveel van je houdt, die had ’t wel voor je gelost, en je hadt hem
+ naderhand het geld van mijn bespaarde penningen kunnen teruggeven!
+ Maar je durfde niet naar dokter Faminga gaan, omdat pa je verboden
+ had, ooit weer dien braven man te spreken! O, was je maar voor
+ ditmaal ongehoorzaam geweest—de man, die zooveel achting en liefde
+ voor de nagedachtenis van ma heeft, dat hij de bloemen op haar graf
+ onderhoudt, zou niet geduld hebben, dat ma’s horloge langer in de
+ handen van dien woekeraar bleef!
+
+ „Maar wie had dien Mozes Zadok ook voor zoo slecht gehouden! Wie
+ had niet gedacht, dat de schurk zich tevreden zou hebben gesteld
+ met vijftig percent interest voor drie maanden!—’t Ergst van alles
+ is, dat je er nu pa niets van zeggen kunt en de verdenking op jou
+ blijft rusten. Zeg ’t hem maar—ik durf ’t hem niet bekennen; ik
+ schaam mij te veel voor mijn slechte handelwijs. Jij alleen, lieve
+ Helène, jij, jij alleen hebt mij de daad reeds vergeven en zult de
+ gevolgen, die geheel buiten zijn schuld zijn zeker niet toerekenen
+ aan
+
+ je berouwhebbenden broeder
+ Rudolf.”
+
+
+Meneer Nederhorst liet den brief uit de handen vallen en zat als
+versteend voor zich te staren. Wat straks Helène in haar waanzin
+dooreen gemengd had, was hem duidelijk, en hoe weinig hij ook gestemd
+tot lachen was, kon hij toch een glimlach niet onderdrukken over de
+verdenking, die hij tegen dokter Faminga gekoesterd had. Wat was dat
+dan toch voor een zonderling man? Een man, die zijn dochter eens een
+geschenk had gegeven, een man, die ’t graf zijner Marie van bloemen
+voorzag, een man, bij wien Helène troost en hulp wilde zoeken—hij zou
+er morgen dokter van Esch eens naar vragen; die zou hem waarschijnlijk
+wel kennen. Doch spoedig vestigden zijn gedachten zich op het hoofdpunt
+van den brief, en doorzag hij al ’t groote van Helène’s edelmoedigheid.
+Nog echter begreep hij de zaak niet in haar geheel, en meende hij, dat
+Helène ’t horloge aan Rudolf had geleend om het te verpanden en
+daarvoor zijn schulden te betalen; in welk geval ze toch eenigermate
+aan de eer van de nagedachtenis harer moeder had tekort gedaan.
+Nogmaals las hij den brief over; doch op dit punt kon hij maar geen
+licht krijgen.
+
+Intusschen bleef Helène woelen en ijlen en telkens kwamen ’t horloge en
+dokter Faminga in de hitte harer koortsverbeelding voor. En steeds
+waren de bloemen op ’t graf harer moeder daarmee verbonden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN BRAAF MAN IN ZIJN EER HERSTELD.
+
+
+Den volgenden dag kwam dokter van Esch reeds vroegtijdig. Hij vernam,
+hoe de zieke ’t dien nacht had gemaakt, voelde haar de pols, zat
+eenigen tijd te peinzen en zei toen:
+
+„De ziekte neemt zulk een ernstigen keer, dat ik gaarne een consult zou
+hebben.”
+
+„Als u ’t noodig oordeelt, dan vind ik ’t goed. Doch wees zoo goed, mij
+éen vraag te beantwoorden. Kent ge hier ook een zekeren dokter
+Faminga?”
+
+„Wel zeker ken ik dien. Hij is mijn huisvriend. We hebben samen te
+Leiden gestudeerd. Maar mijn lot is gelukkiger geweest dan ’t zijne.
+Hij had een allerliefste vrouw en een dochter. De laatste ontviel hem
+op ongeveer den leeftijd, dien uw oudste dochter thans heeft. Ze was
+zestien jaren en zeer ontwikkeld; ze was de grootste vreugde, de trots,
+de eenige liefde van vader en moeder. Door een hevigen roodvonk bezweek
+ze in weinige dagen. Mevrouw Faminga, een vrouw van zwakke constitutie,
+trok zich ’t verlies van haar eenig kind zoo aan, dat ze aan ’t kwijnen
+raakte en weldra haar dochter volgde. Een tijdlang lag ook mijn vriend
+op den rand van ’t graf, en vreesden we, toen hij beter werd, dat hij
+zijn verder leven in een doffe krankzinnigheid zou doorbrengen. Toen
+wist ik hem over te halen, tot herstel zijner gezondheid eenige maanden
+bij mij te logeeren en bemerkte ik, hoe niet alleen zijn krachten
+opleefden, maar ook zijn geestvermogens hun vroegere veerkracht
+terugkregen. Daar hij rijk genoeg was, ried ik hem aan, de praktijk
+neer te leggen en zich hier te vestigen. Kortom, hij verkocht zijn
+huis, liet de overblijfselen van vrouw en kind herwaarts voeren en
+begraven, kocht een stuk grond niet ver van ’t kerkhof en liet daar een
+allerliefste villa bouwen. Alle dagen wandelt hij naar de graven zijner
+lieven, die zoolang ’t seizoen het toelaat, met bloeiende heesters
+bezet zijn, en leeft heel eenvoudig met zijn oude dienstbode, die hij
+tot huishoudster bevorderd heeft, en éen meid. Zijn leven brengt hij
+door met wèl te doen en, onder den naam van Radinus, voor de jeugd te
+schrijven. Al wat hij daarmee verdient, is voor arme en noodlijdende
+huisgezinnen, die hij zelf bezoekt. Praktijk oefent hij niet meer uit;
+alleen wanneer ik het bij epidemieën te druk heb, dan neemt hij mijn
+armenpraktijk over en ik heb wel eens gehoord, dat de behoeftigen hem
+liever hebben dan mij.... natuurlijk; mijn middelen en de zorg voor ’t
+onderhoud van mijn huisgezin veroorloven mij niet, om mijn patiënten
+soep of gebraden kippetjes, soms ook kleeren en dekens te zenden. Ook
+staat hij mij dikwijls in consult bij; want hij is zeer knap en heeft
+veel ondervinding. Laat het u dus niet verwonderen meneer, dat ik
+trotsch ben op mijn huisvriend, aan wien mijn kinderen met den ganschen
+rijkdom hunner liefde hangen en die bij ons dan ook oom Albert genoemd
+wordt.”
+
+„En zulk een man heb ik zoo grof beleedigd en voor ’t hoofd gestooten!”
+zei meneer Nederhorst halfluid. „Dokter!” vervolgde hij luide tot den
+geneesheer. „Zeg mij, zou dokter Faminga dat consult over mijn dochter
+wel met u willen houden, of zou hij, gedachtig aan vroeger misverstand
+van mijn zijde, daartoe niet kunnen besluiten?”
+
+„Ik begrijp u, meneer; want ik weet zeer goed, wat er tusschen u en
+mijn vriend is voorgevallen. Ik weet, dat hij aangetrokken door de
+gelijkenis van uw dochter met de zijne, haar heeft aangesproken en zoo
+in kennis gekomen is met uw overleden echtgenoot, in wie hij zoo geheel
+’t karakter zijner gestorven vrouw herkende. ’t Heeft hem innig leed
+gedaan, driemaal op zulk een on...”
+
+„Zeg maar onbeschofte wijs, dokter, dat is ’t rechte woord.”
+
+„Onaardige wijs door u te zijn teruggestooten; maar hij heeft het u
+vergeven, begrijpende, dat het ongeluk den mensch wrevelig maakt.”
+
+„’t Is waar, dokter! Ik was van rijk arm geworden en verbeeldde mij nu,
+dat de man, door ijdele nieuwsgierigheid gedreven, zich bij mij in
+wilde dringen; of dat hij, arm zijnde, meende voordeel van een vreemde
+familie te trekken. Met niemand omgaande, heeft ook niemand mij beter
+kunnen inlichten, en vrouw en dochter, die ’t wilden doen, waren in
+mijn oog te blind bevooroordeeld. Doch ik heb evenzeer hem onrecht
+gedaan als mijn dochter.”
+
+„Hij zal van middag met mij tot consult komen,” verzekerde de dokter.
+
+„Neen, dokter. Ik kan wel iemand beleedigen en krenken; maar dit niet
+zwijgend voorbij laten gaan. Ik zal hem zelf schrijven—die
+genoegdoening ben ik hem en mijzelf schuldig. Er is niets vernederends
+in, den beleedigde vergiffenis te vragen en hem de hand der verzoening
+aan te bieden;—’t is wel vernederend voor den beleediger, wanneer de
+beleedigde dat zelf eerst komt doen. Die vernedering wenschte ik
+mijzelf te besparen.”
+
+Zoodra de dokter weg was, begaf meneer Nederhorst zich naar de
+ziekekamer terug en schreef een brief aan dokter Faminga, zeggende aan
+Trui, die juist met een brief, door den besteller gebracht, binnenkwam,
+dat ze maar iemand moest opschommelen om dien terstond te bezorgen.
+
+Meneer Nederhorst deed den ontvangen brief open; hij droeg ’t postmerk
+Amsterdam, en was van zijn zwager. Hij verbleekte, toen hij dien las.
+
+„Moet dan alles op eens komen!” zei hij. „Goede God! houden de slagen
+dan nooit op!”
+
+De brief was kort en luidde:
+
+
+ „Waarde zwager. Met mijn plannen ten aanzien van Rudolf is ’t uit.
+ Niet alleen is hij onoplettend bij zijn werk en schijnt dit,
+ ondanks herhaalde waarschuwingen, niet te kunnen of te willen
+ verbeteren; maar wat meer is, op vijftienjarigen leeftijd heeft hij
+ een daad gepleegd, die men nog van geen doorslepen, twintigjarigen
+ jongeling zou verwachten: hij was het, die ’t horloge zijner moeder
+ van Helène leende, om er bij zijn kameraads mee te pronken en het
+ toen, om zijn schulden te betalen, bij den zwendelaar Mozes Zadok
+ verpandde. Wie als kostschooljongen reeds zoo bedorven is—wat zal
+ die als volwassen mensch zijn. ’t Spijt mij om zijnentwil zoowel
+ als om den uwen, en ik hoop, dat de stap waartoe ik overga, geen de
+ minste verandering zal brengen in de vriendschappelijke en
+ broederlijke gezindheid, die er bestaat tusschen u en uw steeds
+ toegenegen zwager
+
+ „Walburg.”
+
+ „PS. Rudolf komt heden reeds terug.”
+
+
+„Ik kan hem geen ongelijk geven en in zijn geval zou ik eveneens
+gehandeld hebben,” zei meneer Nederhorst. „O, God! had ik ooit in de
+verste verte vermoed, dat mijn zoon zoo slecht was! Marie! Je bent voor
+veel verdriet gespaard! Als je nog leefde, zou dit je den dood hebben
+aangedaan! En daar ligt zij neder, die onschuldig, al de schuld van
+haar broer op zich nam. Zeer waarschijnlijk zijn de angst en de schrik
+over dat horloge de voorname oorzaken van haar ziekte!”
+
+Trui kwam boven, om hem hier voor eenigen tijd af te lossen.
+
+„Speld de gordijnen goed toe en laat dan de deur en het raam tegen
+elkander openstaan,” zei meneer Nederhorst. „De dokter heeft vooral op
+frissche lucht aangedrongen.”
+
+„Dan zal ik meteen den boel wat opredderen,” zei Trui.
+
+„Dat is goed, Trui. Leg mijn boeken dan maar op een hoop op die tafel.
+En wat ik zeggen wil, zorg dat er slaapplaatsen gereed zijn voor den
+jongeheer Rudolf en de jongejuffrouw Leonie. Die komen beiden hier.”
+
+„Maar dat zal de drukte nog vermeerderen, meneer,” zeide Trui.
+
+„Mijn dochter komt in alle gevallen om je te helpen, en mijn zoon kan
+ons voor een gedeelte in de oppassing bij de zieke vervangen.”
+
+„’t Zal wat helpen, die opgeprikte medam,” bromde Trui in zichzelf;
+toen haar heer de kamer verlaten had. „Maar ze kan lang wachten, eer ik
+haar bedien en als ze niet uitvoert wat ze moet, dan loopt voor mijn
+part de boel maar in de war. En wat nu Rudolf hier komt doen, begrijp
+ik waarlijk niet. Ik had hem maar stilletjes in Amsterdam gelaten.
+Kwaad is hij anders niet—dat moet ik zeggen. Maar wat doet hij hier?”
+
+Na eenigen tijd kwam meneer Nederhorst terug.
+
+„Ga nu maar aan je werk, Trui. Ik blijf hier. Als mijn zoon of mijn
+dochter komen, laat ze volstrekt niet boven; maar in de huiskamer. Ze
+mogen zoo direct van straat niet bij de zieke komen; daarenboven moet
+ik hen eerst spreken. Richt alles dus zoo in, dat je mij kunt
+vervangen.”
+
+Rudolf en Leonie kwamen toevallig met denzelfden trein, ofschoon ze
+elkander niet ontmoetten, dan op het perron te Weesp, daar ze in
+verschillende klassen hadden gezeten. Ze waren nu verwonderd, elkander
+te zien en deelden elkaar de reden hunner komst mede. Die van Rudolf
+interesseerde Leonie al heel weinig; die van haar hem des te meer.
+
+„Is Helène erg?” vroeg hij.
+
+„Vast wel; anders zou pa niet om mij geschreven hebben.”
+
+„Hij zal jou haar taak willen opdragen, zoolang zij ziek is.”
+
+„Daar zou ik hem voor bedanken. Omdat Helène zoo mal is geweest, om
+voor meid te spelen, behoef ik het daarom niet te doen. Je ziet nu, wat
+er ’t gevolg van is. Ik heb haar verleden jaar wel gewaarschuwd, dat ze
+’t niet zou kunnen uithouden; maar ’t hielp wat: ze ging toch haar
+gang. Nu, van mij zullen ze geen nood hebben, dat ik mij overwerken
+zal. Pa zou ’t ook niet willen hebben, al wilde ik het. En waarom ben
+jij ontslagen?”
+
+„Dat weet ik niet; want oom wou me de reden niet zeggen: hij zou die
+wel aan pa schrijven.”
+
+„Nu, ’t zal pa als koud water op ’t lijf vallen,” zei Leonie. „Als je
+je plicht gedaan hadt, zouden ze je niet ontslagen hebben. ’t Ziet er
+mooi uit. Wat moet je nu beginnen?”
+
+„Dat gaat jou in alle gevallen niet aan en daar behoef jij je niet
+bezorgd over te maken,” zei Rudolf, wien de meesterachtige toon
+hinderde van een meisje, dat in alle gevallen nog minder uitgevoerd had
+dan hij.
+
+Beiden liepen nu naast elkander voort, en spraken geen woord meer, tot
+ze voor de deur stonden en Rudolf aanschelde.
+
+„Een armoedig huis!” mompelde Leonie. „Ik mag lijden, dat Asschepoester
+maar gauw beter is; dan ga ik er weer van door en trek naar Amsterdam.”
+
+Trui deed de deur open.
+
+„Dag, Trui! Hoe gaat het met mijn zuster?”
+
+„Slecht geloof ik, jongeheer.”
+
+„Waar is juffrouw Helène?” vroeg Leonie.
+
+„Met uw permissie, juffrouw,” zei Trui. „Uw papa heeft gezegd, dat ik u
+beiden in de huiskamer zou laten, omdat het niet goed is, zoo terstond
+van de straat bij een zieke te gaan en ook, omdat hij u eerst spreken
+wou.”
+
+„Waar is pa?”
+
+„Bij de juffrouw, op haar kamer.”
+
+„Dan kan hij mij daar even goed spreken als in de huiskamer,” zei
+Leonie trotsch. „Nu nog fraaier. Ik word hals over kop hier geroepen en
+nu ik kom, laat men mij door de meid zeggen wat ik doen moet!”
+
+Rudolf was bedaard de huiskamer binnen gegaan, terwijl Leonie met
+groote beweging de trap opvloog. Dicht bij de kamer van Helène gekomen,
+werd de deur eensklaps behoedzaam open en toegedaan en stond ze voor
+haar vader.
+
+„Naar beneden, Leonie. Naar de huiskamer. Heeft Trui ’t je niet
+gezegd?”
+
+„Ja, pa! Maar ik dacht....”
+
+„Ik dacht, dat ik hier baas ben en niet jij,” antwoordde haar vader
+streng.
+
+Zonder een enkel woord te antwoorden, wierp Leonie het hoofd in den nek
+en begaf zich naar de huiskamer. Weldra kwam meneer Nederhorst bij
+haar.
+
+„Met jou straks,” zei hij tot Rudolf, nadat hij zijn begroeting
+beantwoord had.
+
+„Leonie,” zei hij. „Helène is gevaarlijk ziek en God weet, of we haar
+behouden zullen. Mocht dat het geval zijn, dan zal ze in lang geen
+huiselijke bezigheden mogen doen. Ik heb je daarom hier geroepen, en
+verlang, dat jij haar plaats bekleedt, totdat ze zelf weer in staat is,
+haar post te aanvaarden.”
+
+„Als u er maar aan denkt, dat ik geen kamers doe, geen kousen maas en
+geen goed verstel. Voor ’t eerste kunt u een schoonmaakster, voor ’t
+laatste een naaister nemen.”
+
+„Dat zijn zaken, waarmee ik mij niet bemoei; ik weet niet, hoe Helène
+daarin handelde. Alleen moet ik je zeggen, dat het geld, dat ik je voor
+de huishouding geef, je zal noodzaken je tot het noodigste te
+bekrimpen. Aangaande ’t een en ander zal Trui je wel op de hoogte
+brengen.”
+
+„Trui,” zei Leonie verachtelijk. „U zult toch niet willen, pa, dat ik
+met de meid raadpleeg!”
+
+„Helène deed het wel. Trouwens, onze Trui is geen gewone dienstbode—ze
+is door ’t geen ze met ons ondervonden heeft, een lid der familie. En
+dan nog iets, je hebt zeker je koffer meegebracht?”
+
+„Ik denk, dat tante dien wel sturen zal.”
+
+„Anders moet je er om schrijven. Want je zult met zoo’n elegante japon
+een slecht figuur in huis- en ziekenkamer maken. Ga je nu op je
+kamertje verkleeden en dan naar de ziekenkamer, om Trui te vervangen,
+die gedurende mijn afwezigheid bij Helène opgepast heeft.”
+
+In zich zelf brommend verliet Leonie de kamer en nu wendde meneer
+Nederhorst zich tot Rudolf. We zullen u dat gesprek niet mededeelen, we
+zouden in herhalingen vallen; zooveel is zeker, dat, waar meneer
+Nederhorst in Leonie niets dan trots en zucht tot weerspannigheid
+gevonden had, hij bij Rudolf niets vond dan diepen ootmoed en innig
+berouw; en had hij het karakter zijner oudste dochter bezeten—zeker had
+hij den verloren zoon in genade aangenomen. Doch eensdeels had hij ’t
+zelfde weerbarstige karakter van Leonie, anderdeels had zijn vaderlijke
+trots in den veelbelovenden zoon een zoo bittere nederlaag geleden, was
+aan zijn uitzichten in de toekomst zoo wreed de bodem ingeslagen en
+kwelde hem het zelfverwijt, dat hij door de schuld van Rudolf, zijn
+onschuldige Helène verdacht had, hem zoozeer, dat zijn gemoed met
+bitterheid ten aanzien van den knaap vervuld was.
+
+„Ga uit mijn oogen; deugniet!” zei hij. „Ik trek mijn handen van je af.
+Als Helène sterft, ben jij de oorzaak van haar dood; want het is,
+volgens getuigenis van den dokter, niets anders dan overspanning der
+zenuwen, waardoor ze zich de ziekte op den hals heeft gehaald. Door je
+slecht gedrag heb je haar vermoord en je eigen toekomst voor altijd
+bedorven!”
+
+Rudolf verliet de kamer en ’t huis. Naar de ziekenkamer gaan kon hij
+niet; want hij gevoelde de waarheid van zijns vaders harde woorden: hij
+wist, wat Helène door ’t verlies van haar moeders erfenis geleden had.
+De eenige plaats, waar hij rust kon vinden voor zijn geschokte ziel
+was... ’t graf zijner moeder.
+
+„Zij zou mij niet zoo wreed veroordeeld hebben, als ze nog geleefd had,
+evenmin als Helène het deed, toen ik haar mijn schuld bekende. O, God!
+als ook zij, mijn liefste zuster, sterven moet, dan—dan wenschte ik ook
+maar op ’t kerkhof te rusten!”
+
+Bitter schreiend zat hij daar aan ’t graf der geliefde moeder, toen
+iemand hem op den schouder tikte, en met vriendelijke stem tot hem
+zeide:
+
+„Rudolf! Wat deert u?”
+
+Rudolf keerde zich om en zag een deftig, oud heer voor zich staan.
+
+„Je kent me zeker niet,” zei de oude heer. „Ik ben de beste vriend van
+uw zuster Helène, die vroeger toen ’t haar nog niet verboden was,
+dikwerf haar hart bij mij kwam uitstorten.”
+
+„Dus dokter Faminga?” zei Rudolf.
+
+„Juist, dokter Faminga, die van middag met dokter van Esch een consult
+over uw zuster zal hebben. Ga met mij mee naar mijn woning en vertel
+mij uw verdriet; misschien kan ik u raad en hulp verschaffen.”
+
+Rudolf liet zich door den dokter mee naar diens villa voeren. Daar
+vertelde hij hem de geheele waarheid; want de dokter had een
+verwonderlijk overwicht op hem en ’t was alsof hij tot iemand sprak,
+dien hij jaren lang gekend had. De dokter liet hem uitspreken; toen zei
+hij:
+
+„Je hebt me nu niets verzwegen, nietwaar?”
+
+„Niets, dokter,” antwoordde Rudolf.
+
+„En je hebt innig berouw over ’t gebeurde?”
+
+„Ik vind mijzelf verachtelijk, dokter.”
+
+„En wilt voortaan beter oppassen?”
+
+„Dat beloof ik u, dokter!”
+
+„Welnu, reken dan op mij. Ik zal je de gelegenheid openen, om de liefde
+van je vader en ’t vertrouwen van je oom terug te krijgen.”
+
+Met minder wanhoop in ’t hart en tamelijk bedaard keerde Rudolf naar
+huis terug. Toen hij de ziekekamer bezocht, vond hij daar Leonie
+zitten, bezig een roman te lezen. Van haar vernam hij, dat pa, die den
+geheelen nacht gewaakt had, naar bed was gegaan en sliep.
+
+„’t Is goed, dat je komt,” zei ze. „Want nu kun je me voor een paar
+uren aflossen; dan kan ik eens zien, of alles beneden goed gaat, en
+loop ik er tevens eens uit; want het is niet alles, om hier zoo bij een
+ziekbed geplakt te zitten.”
+
+Zoo verving haar Rudolf, wien ze de noodige inlichtingen gaf en wien op
+dit oogenblik geen plaats meer overeenkomende met zijn stemming was dan
+deze. Wat hij daar aan dat ziekbed vernam, heeft hij nimmer vergeten.
+Met de grootste drukte begon Leonie haar bevelhebbersstaf te zwaaien en
+Trui allerlei bevelen te geven. De oude meid was verstandig genoeg, om
+haar niet tegen te spreken en lachte in haar vuistje over ’t weinigje
+inzicht dat „de medam” in huishoudelijke zaken had; terwijl zij zich
+voornam geheel haar eigen gang te gaan, zooals ze ’t vroeger bij
+mevrouw en daarna bij Helène gewoon was.
+
+Tegen den eten stond meneer Nederhorst, die zich gekleed te bed
+geworpen en Trui bevolen had hem te wekken, op. Zijn eerste gang was
+naar de ziekekamer. Hij was zeer verwonderd, daar Rudolf te vinden.
+
+„Waar is Leonie?” vroeg hij.
+
+„Beschikkingen in ’t huishouden gaan maken, pa,” antwoordde hij, „en
+zich tevens eens gaan verluchten.”
+
+„Is ze al lang weg?”
+
+„Ik denk anderhalf uur.”
+
+„En is er geen merkbare verandering met Helène?”
+
+„Ze heeft meestal stil gelegen, nu en dan wat onverstaanbaars
+gepreveld, en tusschenbeiden gewoeld.”
+
+„Hoe laat heeft ze ’t laatst ingenomen?”
+
+Rudolf zei ’t hem.
+
+„Zeg aan Trui, dat ze mij wat eten boven brengt; ik zal van middag niet
+beneden eten.”
+
+Na den middag kwam dokter Faminga. Meneer Nederhorst ging hem tegemoet.
+
+„Ik dank u, dat u komt,” zei hij, hem de hand drukkend.
+
+„Uw schrijven heeft alles goed gemaakt. Ieder onzer is somtijds de
+speelbal van zijn vooroordeelen. Waar is de zieke?”
+
+Meneer Nederhorst bracht hem naar ’t bed. Dokter Faminga onderzocht
+haar lang en nauwkeurig.
+
+„Is ze aldoor zoo stil geweest?” vroeg hij.
+
+„Den geheelen nacht vreeselijk woelig, vooral druk ijlend.
+Tusschenbeiden zelfs rees ze in haar bed op en wilde er uit. Tegen den
+morgen is zij rustiger geworden en zooals ze nu is, vond dokter van
+Esch haar bij zijn eerste visite.”
+
+Andermaal onderzocht de dokter de zieke.
+
+„Wat denkt u van haar, dokter?”
+
+„Zoolang er leven is, is er hoop,” was ’t ontwijkend antwoord.
+
+Meneer Nederhorst begreep slechts al te goed het antwoord van den
+dokter, dat bijna met een doodvonnis gelijk stond.
+
+Kort daarop kwam dokter van Esch en hielden de heeren consult. Dokter
+Faminga sloeg een middel voor.
+
+„Maar dat eischt groote opmerkzaamheid,” zei dokter van Esch.
+
+„Ik weet het, doch ik heb er dikwerf de meest verrassende resultaten
+van gezien. Natuurlijk behoort een geneeskundige de werking van ’t
+medicament gade te slaan en naar bevind van zaken te behandelen.”
+
+„Juist daarom vind ik het zoo gevaarlijk. In handen van leeken toch,
+zou een verkeerde applicatie doodelijk kunnen zijn.”
+
+„Ik zelf zal het haar toedienen; ten minste als meneer Nederhorst mij
+wil veroorloven, van nacht bij de zieke te waken.”
+
+„Alsof er sprake van het tegendeel kon zijn, dokter!” zei meneer
+Nederhorst. „Ik neem uw voorstel dankbaar aan.”
+
+„Dan ga ik even naar huis, om de noodige schikkingen te maken, en zal
+tevens wel ’t recept bij den apotheker aanreiken. Mocht de drank er
+zijn, vóor ik terugkom—geef er haar nog niet van in.”
+
+„Ik mag u toch van nacht wel gezelschap houden, dokter?” vroeg meneer
+Nederhorst.
+
+„Ik begrijp zeer goed, dat ge onmogelijk naar bed kunt gaan, terwijl de
+toestand uwer dochter zoo kritiek is—ik moet u echter waarschuwen, dat
+ge veel zult moeten lijden.”
+
+„Liever er bij, dan op mijn bed en te weten, dat mijn kind in
+doodsgevaar is,” zei meneer Nederhorst.
+
+Een uur later kwam dokter Faminga terug.
+
+„De koorts verheft zich weer,” zei hij. „Ik had het wel verwacht.”
+
+Inderdaad verhief de koorts zich weer en wel veel erger dan den vorigen
+avond. Tegen het middel in, dat de dokter haar toediende, werd zij
+steeds onrustiger, ja, moest meermalen worden vastgehouden, anders was
+ze ’t ledikant uitgesprongen. De arme vader bracht vreeselijke uren
+door; terwijl de dokter rustig aan het ziekbed zat en de verschillende
+verschijnselen oplettend gadesloeg. ’t Was vier uur in den morgen, toen
+de hevigheid der stuiptrekkingen allengs afnam. Met gespannen aandacht
+beschouwde de dokter zijn patiënt, van tijd tot tijd haar pols nemende
+en met het horloge in de hand de slagen tellende. Zijn eerwaardig,
+anders zoo kalm gelaat stond angstig; maar hij sprak geen woord en
+bleef geregeld de medicijnen ingeven—nu eens in grooter, dan in kleiner
+hoeveelheid. Een uur lang zat hij zoo in spanning; toen legde hij haar
+hoofd goed, dekte haar toe, deed de bedgordijnen dicht, stond op,
+loosde een zwaren zucht en zeide zacht:
+
+„Ik feliciteer u, meneer Nederhorst. Zonder bijkomende omstandigheden
+is uw kind behouden!”
+
+De arme vader barstte in tranen los, greep met beide handen die van den
+dokter, en zei:
+
+„Dokter! U bent als God, die kwaad met goed vergeldt. Aan u heb ik
+naast Hem het leven van mijn kind te danken.”
+
+„Ga nu gerust naar bed; doch zorg, dat niet het minste gedruisch haar
+doet ontwaken. ’t Zou haar noodlottig kunnen zijn. We zullen nu ook dat
+venster sluiten; want van buiten mocht het een of ander tot haar oor
+doordringen.”
+
+„Ik blijf hier, dokter, en zal wel wat in mijn stoel slapen,” zei
+meneer Nederhorst, nadat hij ’t venster gesloten had. „Roep mij,
+wanneer ik in slaap mocht vallen, zoodra men in huis opstaat; dan zal
+ik voor de noodige stilte zorgen.”
+
+Van tijd tot tijd sloeg de dokter haar gerusten slaap gade en knikte
+hij tevreden, als meneer Nederhorst hem vragend aanzag. Toen dokter van
+Esch zijn morgenvisite kwam maken, stond hij verbaasd over de
+verandering, die er in de ziekte had plaats gehad.
+
+„Ik wensch u geluk, meneer Nederhorst,” zei hij. „Dit is een slaap ten
+leven en niet tot den dood.”
+
+’t Was eerst tegen twaalf ure, dat Helène ontwaakte. Toen sloeg ze haar
+oogen op en zag dokter Faminga en haar vader aan haar bed staan. ’t
+Scheen dat dit geluk te groot voor haar was; met een flauwen glimlach
+sloot zij de oogen weer. Toen fluisterde zij: „Droom ik, of ben ik
+wakker?”
+
+„Je bent wakker, lieve,” zei meneer Nederhorst; terwijl hij een kus op
+haar lippen drukte. „Dokter Faminga is eens naar je komen kijken.”
+
+„Dat is lief van u, dokter,”, fluisterde zij en stak hem een harer
+vermagerde handen toe.
+
+„Stil, praat niet!” zei de dokter. „Neem even in en ga dan weer
+slapen.”
+
+Helène gehoorzaamde; ze was ook te zwak om tegen te streven.
+
+„Thans ga ik u voor eenige uren verlaten,” zei dokter Faminga. „U
+blijft zeker bij haar; wanneer ze weer wakker mocht worden geef haar
+dan gerust een lepel van het drankje, doch niet binnen de twee uren. Ik
+kom niet vóor van avond terug; want ik moet voor een noodwendige zaak
+naar Amsterdam. Mocht ge soms een of ander, in uw oog minder goed
+verschijnsel bespeuren, laat dan terstond dokter van Esch halen.
+Overigens laat u haar slapen en wordt zij wakker, spreek zoo weinig
+mogelijk met haar. Niemand mag bij haar worden toegelaten. Volstrekte
+rust is thans haar geneesmiddel.”
+
+’s Avonds kwam de dokter terug. Hij ging echter niet ter stond naar
+boven; maar verzocht Trui den jongeheer Rudolf te roepen. Deze kwam.
+
+„Rudolf,” zei de dokter. „Mijnheer Jansen wil u in zijn zaak nemen. Ik
+had hem gisteren geschreven en heb hem heden opgezocht. Ge zult
+voornamelijk voor de kantoorwerkzaamheden gebruikt worden. Ge zult weer
+bij uw oude hospita verblijf houden; dat heb ik reeds in orde gemaakt.
+Uw salaris zal echter vijf gulden per maand minder zijn dan aan de
+Bank. Neemt ge ’t aan?”
+
+„Of ik ’t aanneem, dokter?” riep Rudolf uit. „U redt mij van ’t
+verderf. Ik dank u, en u zult geen oneer hebben van uw aanbeveling.”
+
+„Dat hoop en verwacht ik. Morgen kan je al in functie treden.
+Leegloopen deugt niet voor jongens.”
+
+„Ik dank u, dokter!” zei Rudolf, terwijl hij de hand van den dokter
+drukte. „U hebt voor mijn vader twee kinderen gered, Helène en mij.”
+
+Toen de dokter boven kwam, vond hij Helène wakker en was zeer tevreden
+over haar toestand. Hij fluisterde meneer Nederhorst wat in ’t oor en
+deze verliet de kamer. Toen ging hij aan ’t bed zitten.
+
+„Helène,” zei hij. „Ik heb een goede tijding voor u. ’t Horloge, dat je
+moeder je op haar sterfbed gaf, is terecht gekomen.”
+
+„Is het, dokter?” vroeg ze, en een glans van blijdschap vloog over haar
+gelaat.
+
+„Ja, en wel op een heel bijzondere wijs.”
+
+„Is ’t hier, dokter?”
+
+„Ja, je vader was de heer, die ’t voor de glazen zag hangen en ’t van
+Mozes Zadok kocht.”
+
+„O, dat is wonderlijk!” riep Helène uit. „Die tijding is heerlijk! Maar
+zeg eens dokter! Hoe komt het, dat u hier bent? Pa....”
+
+„Heeft mij zelf verzocht om hier te komen en je dikwijls te bezoeken.”
+
+„O, hoe heerlijk! Wat is pa toch goed!”
+
+Op dit oogenblik trad haar vader de kamer binnen. De dokter gaf hem een
+wenk, en hij ging aan ’t bed zitten.
+
+„Ma’s horloge is terecht, pa!” zei Helène.
+
+„Ja, hier is het, lieve,” antwoordde hij terwijl hij het haar
+overreikte.
+
+Ze greep het met beide handen aan en kuste het.
+
+„Mag ik ’t nu houden, pa?” vroeg ze.
+
+„’t Is je rechtmatig eigendom,” antwoordde hij. „Maar je moet het
+niemand meer te leen geven,” voegde hij er glimlachend bij.
+
+„U weet dus...”
+
+„Ik weet alles; ik weet dat mijn lieve Helène ’t evenbeeld harer zalige
+moeder is, en dat ze nu moet zwijgen, anders zou het misschien te lang
+duren, eer ik mijn lief huishoudstertje terug had.”
+
+Met haar bleek, uitgeteerd, maar van vreugde stralend gelaat keek ze
+haar vader aan, strekte toen de magere armen uit, sloeg ze hem om den
+hals en kuste hem, wien de tranen van aandoening uit de oogen sprongen.
+
+„Ik heb ’t wel altijd geweten, dat u een goede, lieve vader was,” zei
+ze.
+
+„Kom, nu rustig, Helène!” zei de dokter met gemaakte knorrigheid. „Je
+weet ’t wel, dat de dokter er bij is.”
+
+Glimlachend stak Helène hem de hand toe; toen nam ze haar horloge, ging
+liggen en verheugde zich in het te bezien.
+
+Dien nacht zond dokter Faminga zijn huishoudster om bij haar te waken,
+en kon dus meneer Nederhorst de hem zoo noodige rust genieten. Den
+volgenden dag mocht ze achtereenvolgens haar broeders en zusters zien;
+Rudolf kwam bij haar vóór hij naar Amsterdam vertrok. Van dag tot dag
+nam zij in beterschap toe, en geen genoeglijker uur smaakte zij, dan
+wanneer haar goede dokter haar bezocht, die altijd de een of andere
+versnapering meebracht, en Trui toefluisterde, dat zijn huishoudster
+wel voor haar diner zou zorgen. Zoodra ze sterk genoeg was, om het te
+vernemen, vertelde haar vader haar, hoe hij in dien nacht aan haar
+ziekbed achter de waarheid van de historie met het horloge gekomen was.
+
+„Die arme Rudolf, hij heeft er zoo onder geleden!” zei ze.
+
+„Spreek je nog van armen Rudolf?” vroeg haar vader. „Hij heeft al zijn
+vooruitzichten den bodem ingeslagen. Klerk bij een boekverkooper of,
+met zijn vooruitzichten, geattacheerd aan een Bank!”
+
+„U vergeeft het hem toch, pa!”
+
+„Om jouwentwil, ja. Ik hoor goede berichten van hem. ’t Is voor hem een
+bijzonder geluk, dat de goede dokter Faminga zich zijn lot heeft
+aangetrokken.”
+
+„Die edele man! O, ma hield zooveel van hem!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE HUISKAMER.
+
+
+’t Was in Juli van datzelfde jaar, dat op het groote Badhuis te
+Scheveningen twee personen logeerden, die algemeen de aandacht der
+andere badgasten trokken. ’t Was niet zoozeer, omdat er zooveel
+bijzonders aan hen was, of dat het zonderlinge van hun kleeding hen van
+anderen zou hebben onderscheiden, integendeel die laatste was hoogst
+eenvoudig. ’t Was een oud, deftig heer en de dame was een jong,
+aanvallig maar bleek meisje van ruim zeventien jaren, in den rouw
+gekleed. Wat echter de bijzondere aandacht der badgasten trok, was de
+bezorgdheid van den ouden heer voor ’t meisje, dat zijn dochter niet
+was; want ze noemde hem steeds „dokter”, en scheen dus zijn patiënt te
+wezen. In ’t vreemdelingenboek stonden ze aangeteekend als dokter
+Faminga en juffrouw Nederhorst, en wij weten dus terstond, dat we hier
+oude kennissen vinden.
+
+Na de geweldige crisis, waarvan wij getuigen waren, nam Helène wel
+dagelijks in beterschap toe; maar een soort van kwijning, die niet veel
+goeds voorspelde en in een zenuwtering dreigde te ontaarden, bracht en
+meneer Nederhorst en dokter Faminga in de hoogste onrust. Ondanks alle
+versterkende middelen bleef ze zwak, kwijnend, de maag was lusteloos en
+haar gewone veerkracht scheen verlamd. Gelukkig, dat Leonie, op wie de
+gevaarlijke toestand, waarin haar zuster verkeerd had, een weldadigen
+invloed had geoefend en die daarenboven wel inzag, dat ze in de eerste
+tijden niet weer naar Amsterdam terug kon keeren, zich min of meer in
+haar lot geschikt had, en, ofschoon in de verte niet te vergelijken met
+Helène, toch veel in haar voordeel veranderd was. Eén ding vooral
+werkte daartoe mede: in ’t huis van haar oom was ze een afhankelijk
+persoon; en we hoorden reeds hoe dit haar hinderde. Hier was ze thuis
+en zelfs in den eersten tijd de hoofdpersoon. Toen nu Helène op de been
+was, had deze wel weer de teugels van ’t huisbestuur op zich genomen;
+maar haar voortdurende zwakte had haar belet, dit met haar vroegere
+energie te doen en die tusschentijd was voor Leonie een wezenlijke
+leerschool, waarin zij allerlei onderrichtingen en wenken kreeg, die ze
+zich ten nutte kon maken. Meneer Nederhorst had het echter in zijn
+beurs gevoeld, dat hij zijn zuinige huishoudster kwijt was; en geen
+wonder—Helène had er zelf vrij wat bij ingebrokkeld en zich leeren
+bekrimpen. Gelukkig echter waren er in den laatsten tijd eenige nog van
+vroeger tijd uitstaande posten ingekomen, zoodat hij ’t iets beter met
+zijn uitgaven stellen kon.
+
+Doch om tot Helène zelf terug te keeren. Op zekeren dag was dokter
+Faminga bij meneer Nederhorst gekomen.
+
+„’t Gaat met Helène niet vooruit,” zei hij. „Ik had zoo gehoopt, dat de
+lucht haar zou herstellen; en ik vrees voor haar, wanneer ’t najaar met
+zijn gure buien in ’t land komt.”
+
+„’t Is een treurig vooruitzicht, dokter,” antwoordde meneer Nederhorst.
+„Maar wat is er aan te doen?”
+
+„Luister, meneer, ik heb u een voorstel te doen. Ik heb voor mij zelf
+groote behoefte aan verandering van lucht en wenschte een paar maanden
+op Scheveningen door te brengen. Als ik alleen ga, verval ik weer tot
+mijn vroegere somberheid en doet mij ’t verblijf op de badplaats meer
+kwaad dan goed. Welnu, geef mij Helène voor dien tijd als gezelschap
+mee, en ik ben bijna overtuigd, dat de zeelucht en de zeebaden haar
+genezen zullen en dat ik u uw dochter geheel hersteld thuis breng.
+Alleen zeebaden en de frissche zeelucht kunnen dat ondermijnde
+zenuwgestel in zijn normalen toestand terug brengen; waartoe ook de
+kalmte, welke er in ’t begin van ’t badseizoen te Scheveningen
+heerscht, verbonden met de afwisseling, de levendigheid en een andere
+omgeving het hunne zullen doen. Op die wijs hebben we niet de minste
+verplichting aan elkander; uw dochter is mijn gezelschapsdame en ik ben
+haar arts.”
+
+De kiesche manier, waarop de dokter zijn aanbod inrichtte kon meneer
+Nederhorst niet beleedigen, en met dankbaarheid nam hij ’t aan. Hoe
+gelukkig Helène was, toen haar dit plan werd medegedeeld, behoef ik u
+niet te zeggen. Ofschoon het tijd was, om uit den rouw te gaan, werd er
+besloten, dat ze nog dezen zomer in ’t zwarte kleed zouden blijven, en
+Leonie, die zoo royaal in haar kleeren zat, dwong haar zuster een paar
+élegante japonnen van haar aan te nemen. „Als de rouw over is, heb ik
+er toch niets meer aan,” zei ze. „En zooveel dankbaarheid mag je toch
+den goeden dokter wel toonen, dat hij te Scheveningen met je voor den
+dag kan komen!” Helène nam dit aanbod met dankbaarheid aan. „Later,
+wanneer ik voor de pers werk,” dacht zij, „zal ik ’t Leonie wel
+vergoeden.” Doch dat zei ze niet, en begon de japonnen voor zich van
+pas te maken, ’t geen niet moeilijk was, daar Leonie, ofschoon twee
+jaren jonger dan zij, in lengte weinig met haar verschilde; ook
+vereenvoudigde zij ze wat, waartegen haar zuster veel protesteerde. En
+zoo was alles tijdig gereed, was de groote reis aanvaard, en bevonden
+ze zich nu reeds een maand op Scheveningen.
+
+We vinden hen daar onder de veranda op het terras zitten ontbijten.
+
+„En dus bent u toch werkelijk die meneer Radinus!” zei ze, „en heb ik
+uw werk gecopiëerd, en hebt u met zooveel geduld mijn werk gecorrigeerd
+en geredigeerd. Dat dit nooit in mij is opgekomen! Wie toch zou zich
+voor een onbeteekenend meisje zooveel moeite geven, als die vreemde
+meneer Radinus deed!”
+
+„Ho wat, Helène!” antwoordde hij. „Wat ik voor jou gedaan heb, zou ik
+voor ieder ontluikend talent doen.”
+
+„Maar, lieve dokter! Hoe kon u talent in mij vermoeden (gesteld
+namelijk, dat ik ’t heb); daar u nooit iets van mijn hand gelezen hadt
+en ik ook nooit iets had vervaardigd.”
+
+„Je fijngevoeligheid, de zuivere opvatting van de dingen om je, de
+mannelijke moed, waarmee je je lijden droeg, deden mij vermoeden, dat
+je opvatting meer dan een gewone zou zijn. ’t Was nu maar zaak, om je
+te oefenen. Daartoe gaf ik je copiëerwerk. Mijn slecht schrift zou je
+noodzaken, dat niet machinaal te doen; want je moest er op studeeren en
+er goede, verstaanbare zinnen van vormen. En door ’t overnemen der
+denkbeelden zou je zelf weldra tot het besef komen, dat er
+scheppingskracht in je lag. Zoo niet—dan was er in alle geval éen doel
+bereikt: je had de gelegenheid om afwisseling te hebben in je treurige
+omstandigheden.”
+
+„En de gelegenheid om op een fatsoenlijke manier geld te verdienen. Op
+kiescher manier kon u me zeker geen ondersteuning hebben aangeboden.”
+
+„Met je verlof, Helène, ’t was volstrekt geen ondersteuning. ’t Was
+niets anders dan selfhelp.”
+
+„En op die wijs bleven we correspondentie houden, ik, zonder te weten,
+dat ik tegen pa’s uitdrukkelijken wil zondigde,” hervatte Helène
+lachend.
+
+Op dit oogenblik werden zij in hun gesprek gestoord door den bediende,
+die hun op een presenteerblad twee brieven aanbood. De een was aan ’t
+adres van den dokter, de andere aan dat van Helène. Daar ze ieder een
+brief hadden, behoefden ze elkaar geen verlof te vragen om dien te
+lezen, deden er dus ’t couvert af en begonnen hun lektuur.
+
+„O, dokter!” riep Helène eensklaps uit; terwijl haar oogen van
+blijdschap schitterden. „Goede tijding! Pa is benoemd tot Directeur der
+Overzeesche Stoombootmaatschappij, met een prachtige jaarwedde! Nu is
+alle zorg en verdriet over.”
+
+„Hartelijk geluk!” zei de dokter. „Nu ga je natuurlijk weer in
+Amsterdam wonen en laat mij, arme kluizenaar, te Weesp!”
+
+Een wolk betrok het gelaat van Helène. In haar vreugd had zij die zaak
+vergeten.
+
+„Nu, laat dat maar geen schaduw op je vreugde werpen, lieve,” hernam de
+dokter. „Mijn brief bevatte ook een goede tijding; maar even slecht
+voor mij als de jouwe. Mijn goede vriend, dokter van Esch, heeft van
+een tante zijner vrouw een groot kapitaal geërfd en ’t voornemen
+opgevat, om tegen ’t najaar zijn praktijk te Weesp neer te leggen en
+naar Amsterdam te verhuizen, waar hij meent beter in de opvoeding van
+zijn kinderen te kunnen voorzien. Je ziet nu wel, dat ik ook naar de
+hoofdstad zal moeten verhuizen, of ik wil of niet.”
+
+„O, die lieve tante van dokter van Esch!” riep Helène uit. „’t Is
+jammer dat ze dood is; anders schreef ik haar stellig een brief om haar
+te bedanken.”
+
+„Maar als ze nog leefde, kon van Esch zijn ton niet geërfd hebben, en
+dan was hij stil in Weesp gebleven,” hernam de dokter lachende.
+
+„U hebt gelijk, dokter,” antwoordde Helène. „Wat ben ik toch een dom
+gansje! Ben ik niet?”
+
+„Waren alle gansjes maar zoo dom als jij!” riep de dokter uit. „Er zou
+vrij wat meer liefde en vrede op de wereld bestaan.”
+
+Ik zou hier kunnen eindigen; maar mijn lezeressen en lezers willen
+zeker gaarne nog iets van onze lieve vrienden hooren. En om daaraan te
+voldoen, gaan we naar een huis op de Keizersgracht te Amsterdam, op
+welks deur „Nederhorst” geschilderd staat.
+
+We treden binnen en vinden daar in de tuinkamer met openslaande deuren,
+een knappe jonge dame van twintig jaren zitten, met een aflevering van
+het „Tijdschrift voor de jeugd” in de hand, waarin zij tegenwoordig een
+der voornaamste medewerksters is en haar geestesprodukten ’t liefst van
+alle gelezen worden. Een andere jonge dame, een paar jaren jonger dan
+zij, speelt een simfonie van Beethoven op den prachtigen vleugel, die
+in een der hoeken van ’t vertrek staat. Ge herkent de oudste, wier
+toilet, hoe keurig ook, van een beminnelijken eenvoud getuigt, onze
+Helène, die van de Scheveningsche badkuur genezen teruggekomen, daar in
+den bloei der gezondheid voor u zit. Op uitdrukkelijke begeerte van
+haar vader heeft ze ’t huisbestuur weder op zich genomen, om er nu ’t
+zoet van te smaken, daar ze er vroeger ’t zure van had. Een gedeelte
+van den dag kunt ge haar op haar net ingericht kamertje aan haar
+schrijftafel zien zitten, waar ze zich met letterkundigen arbeid bezig
+houdt. Want ook andere uitgevers hebben de reeds gevierde schrijfster
+aangezocht, en, ofschoon ze veel afwijst, kan ze het toch alles niet
+doen. Maar van nachtwerk is er geen sprake meer. Al wat ze schrijft,
+wordt eerst aan de strenge kritiek van dokter Faminga onderworpen, die
+niet ver van daar een prachtig bovenhuis bewoont, zijn vrijen tijd
+tusschen de familiën van Esch en Nederhorst verdeelt en slechts over
+één ding te klagen heeft: de moeite, die ’t hem kost om geen kwade
+vrienden te raken met een der beide bevriende familiën, door de eene
+boven de andere met zijn bezoeken te bevoorrechten. Ja, er waren zelfs
+in den beginne door beiden pogingen in ’t werk gesteld, om hem geheel
+als huisgenoot bij zich te krijgen; doch onze goede dokter is te veel
+gesteld op zijn onafhankelijkheid. ’t Eenige echter, wat niemand hem
+ooit ten kwade duidde, is zijn voorliefde voor Helène, met wie hij van
+tijd tot tijd eens een uitstapje van eenige uren naar Weesp doet, om te
+zien of de rozen op de twee graven wel goed in orde gehouden worden.
+
+In de andere jonge dame, wier schoon gelaat straalt van vreugde en
+genot, herkent ge terstond aan haar éléganter toilet, Leonie, niet meer
+de trotsche, onverschillige van vroeger; maar een goede, hartelijke
+meid, die een gedeelte van de huiselijke zorgen met Helène deelt en
+inderdaad het zonnetje in huis mag genoemd worden door haar
+vroolijkheid en dartelheid, die zulk een contrast opleveren met den
+ernst en de bezadigdheid harer zuster, en juist geschikt zijn, om die
+te temperen en te verlevendigen. ’t Eenige wat men haar misschien ten
+laste zou kunnen leggen, is, dat ze even als de rest braaf meedoet, om
+Helène te bederven, die gelukkig een te vast karakter heeft om bedorven
+te worden: want ze is de afgod van allen in huis en niet het minst van
+papa, die ’t maar niet schijnt te kunnen vergeten, hoe hij eens de
+parel, omdat ze geen glans van zich gaf, versmaad heeft; en van Rudolf,
+die niet vergeten kan, haar eens van het dierbaarste, dat zij bezat,
+het erfstuk harer moeder, beroofd te hebben en wat ze door zijn schuld
+geleden heeft.
+
+Zie, daar komt hij juist de kamer binnen, de klerk van den
+boekverkooper—neen, de beambte aan de Bank, waarvan oom Walburg
+directeur is. Door Helène op de hoogte gebracht ten aanzien van de
+zaken, heeft hij ingezien, dat Rudolf meer dwaas dan slecht gehandeld
+heeft, dat de omstandigheden veel tot hetgeen hij deed, hebben
+bijgedragen en—toen de jongeling een jaar lang bij meneer Jansen
+voorbeeldig had opgepast, heeft hij hem weer op de Bank genomen en hem
+dezelfde uitzichten als vroeger geopend.
+
+„Is de dokter er nog niet?” vraagt hij.
+
+„Welzeker, die is met Dora en Alfred in den tuin. Zeker zit hij met hen
+in ’t prieeltje waar hij hun wat vertelt. Want als de kinderen thuis
+zijn, vergeet hij mij,” antwoordde Helène, met voorgewende knorrigheid.
+„Maar waarom vraag je zoo naar den dokter? Je hebt hem zeker een goede
+tijding mee te deelen.”
+
+„Juist, en hem komt het toe, die ’t eerst uit mijn mond te hooren.”
+
+„Dan zullen we ’t alle vijf te gelijk hooren!” klinkt een stem uit den
+tuin, en daar staat hij met den twaalfjarigen Alfred en de elfjarige
+Dora aan de hand, vóor de geopende tuindeur.
+
+„Dokter! Ik ben alweer verhoogd!” roept Rudolf hem toe. „Ik ben blij,
+dat ik u zie; want u moest de eerste zijn, aan wien ik ’t meedeelde.”
+
+„Geluk, mijn jongen!” zegt de dokter; terwijl hij hem hartelijk de hand
+drukt. „Ga maar zoo voort; dan wordt je de vreugde van allen, die je
+liefhebben.”
+
+Waarom de dokter die tijding ’t eerst vernemen moest? ’t Was later
+uitgekomen, dat hij den heer Jansen een groot deel vergoedde van ’t
+geen Rudolf bij hem verdiende; want een boekhandelaar zou een
+nieuweling zulk een inkomen niet geven. Ook dat hij door zijn invloed
+oom Walburg had overgehaald, den jongeling na den proeftijd weder op de
+Bank te nemen. Vond de man ’t ook niet plezierig, dat zijn geheime
+goede daden zoo aan ’t licht kwamen, en zou men hem beleedigd hebben
+als men er over gesproken had—hij vond het toch wel heel aardig, dat
+hij zoo bemind en geacht werd; ja, dat zelfs de oude Trui, die nu een
+echte keukenprinses was en een tweede meid onder zich had, het aan geen
+harer beide onderhoorigen toeliet, haar goeden dokter open te doen en
+dan altijd een praatje met hem hield.
+
+Toen meneer Nederhorst, die niet meer dezelfde man was van vroeger, en
+wel tien jaar jonger scheen geworden te zijn, thuis kwam, deelde Rudolf
+hem de goede tijding mede. En ’t gelaat van den vader schitterde van
+vreugde. En toen men ’s avonds gezellig bijeen zat en over verledene
+dagen sprak, nam Helène haar horloge.
+
+„Zonder dat horloge,” zei ze, „zou Rudolf nooit zijn geworden wat hij
+nu is, een jongeling die door een vroegeren misslag geleerd heeft op
+zich zelf te passen, en tegen alle afdwalingen te waken; inderdaad het
+was wel de zegen, die er rustte op:
+
+
+ „DE ERFENIS EENER MOEDER.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76879 ***