diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 76779-0.txt | 5999 | ||||
| -rw-r--r-- | 76779-h/76779-h.htm | 6582 | ||||
| -rw-r--r-- | 76779-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 339163 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76779-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 341054 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76779-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 57578 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76779-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 40431 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 12597 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/76779-0.txt b/76779-0.txt new file mode 100644 index 0000000..06d6fa5 --- /dev/null +++ b/76779-0.txt @@ -0,0 +1,5999 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 *** + + + + + + HANS MARTIN + + MALLE GEVALLEN + EEN KLUCHTIG VERHAAL + + + ZEVENDE DRUK + + + ROTTERDAM MCMXVIII + W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ + + + + + + + + +VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK. + + +Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er +niet aan ontkomen. + +Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar +dit niet om mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om +mijn eigen, op den voorgrond geschoven beeltenis weer terug te trekken +en voor den lezer te verhuichelen. + +De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij +levendiger leek en meer voor dit onderwerp geschikt; overweging die me +ten kwade kan komen! + +Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit +voorwoord van toepassing, daar het niet als een verontschuldiging werd +bedoeld. + +Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen. + + +Rome, 1913. Hans Martin. + + + + + + + + +HOOFDSTUK I + +HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN. + + +Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht +zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is: + +Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de +briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er +een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was +met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige +dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar +gelang het uitkomt. + +Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de +farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den +handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig +opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun +vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van +kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig +schijnen op te groeien. + +Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom, +beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde +onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk +rijk maar jong en wondermooi is”. + +Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de +laatste kans om het nog ooit te geraken. + +Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven, +want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun +malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te +hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren +raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt +uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours +truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn +bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout +aanraadde. + +Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een +teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan +ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te +krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de +romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen. + +Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn +canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit, +beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te +koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik +niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het +duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het +geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de +chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een +lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi. + +Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem +(ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het +onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire. + +Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook +lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer +den theepot). + +Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding. + +Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de +vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te +zijn gezakt. + +We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden +„aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk +door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde +den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren. + +’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man, +wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had +dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van +boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel +verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert. + +Koos begon: + +„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.” + +„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy. + +„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling. + +„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy. + +„... Groot 5000 gulden,” hervatte Koos. + +„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling. + +„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos. + +„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde. + +Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een +onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte. + +„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had. + +„Ik?—ik kijk naar buiten.” + +„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen. + +„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar. + +„En wat zié je dan toch op dat dak?” + +„Een vlieg,” openbaarde Boy. + +„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede. + +„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.” + +Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering +kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij +wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf +zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot +netjes de deur, zeggend: + +„Poppetje gezien, kastje dicht.” + +Maar Koos’ hoofd verscheen weer: + +„Naar den directeur!” brulde hij. + +„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy. + +Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af +en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer. + +De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen. + +„Wat komen jullie doen?” + +„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war. + +„Wàt?” kwam de Dirk. + +„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel +oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond. + +„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op. + +„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding +affecteerde. + +Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd +heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en +ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in +het gezicht sloeg. + +Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen. + +„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij. + +„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik. + +Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur +achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk” +en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en +na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf. + +Het gesprek vlotte toen niet erg meer. + +Na tafel bracht ik Boy naar den trein. + +„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende +hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net +nog even uit wilde, gekneld raakte. + +„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy, +„tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat +dit model u staan zal...” + +Toen reed de trein gelukkig weg. + +En Bram?... Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het +volgende hoofdstuk. + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL. + + +Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den +rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en +andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was +die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den +Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm +heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche +strand, ieder in een badstoel. + +„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy. + +Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den +Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan +het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide +Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie +voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen +aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik +een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den +kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een +verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy +beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw, +mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet +lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het +toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl +er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook +heel vreemd vond, vroeg Boy: + +„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een +lantaarnpaal en een kanarievogel?” + +„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam. + +„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel +eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die +is óók van ijzer.” + +Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee +ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen: + + + „de po—de po—waar is de po gebleven? + de po—de po—waar heb je ’m nou gezet? + de po—de po—’k moet overgeven? + de po—de p—ááh—álles in m’n bed?” + + +en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe: + +„Ben je niet lekker?” + +„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een +schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren +meer kan leggen.” + +Toen liet ik hem maar liggen. + +We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf +wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens +bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht +koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij +me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen +te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het +gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan +af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien +middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven” +verdietschte. + +Maar dat komt nu. + +„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?” + +Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in +het kruis van mijn broek zat en zei toen: + +„Laten we een eind oploopen.” + +Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de +batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende +verzen van: + + + „Ik geloof waarempel datte + er is iemand aan de vensterlatte, + alleen maar datte en niks nie meer.” + + +En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant: + + + „Ik ben geboren in Apeldoorn + en m’n zuster in Zierikzee” + + +toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons +op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná +al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan +ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien +vervolgens weer af te nemen en te zeggen: + +„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.” [1] + +Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele +leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik +óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát. +Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn +platgekraakt hoofddeksel aan. + +„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg +zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.” + +„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de +stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een +wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat +zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid +gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn +zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er +bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet +„ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden +het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat +was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van +kennismaking—een reden om aan te pakken. + + + +Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche +gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat +hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid +om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te +over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn. + +„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer. + +„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens +voorliefde voor thee tóen reeds bleek. + +„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen. + +In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond +me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten +we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den +binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk +op Bram afstoof. + +„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.” + +Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem +te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren +geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een +reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête +lachend: + +„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?” + +Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen +komen zitten. + +Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een +verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren +zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de +hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails +hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op +tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden +óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom +we werden even kwajongensachtig als de anderen. + +Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De +koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en +Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de +kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en +Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A. +K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg +was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen +begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten +benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die +uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap. + +Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders +vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een +meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in +voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts +en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat +ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop +een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar +Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was. +Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die +nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant +hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen +wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een +vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare +uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar +op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels, +nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor +personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde: +„na u, m’nheer.” + +Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy +boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.” + +Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem +nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een +derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen +deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is +het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast +kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer +indommelde. + +Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den +voet en schreeuwde meteen: + +„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.” + +„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met +pijn-vertrokken gezicht op. + +„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de +werkelijk groote beenuiteinden beschouwend: + +„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.” + +Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten +stond, snauwde: + +„U kunt hier niet rooken!” + +„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is +heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?” + +„Ja maar—het is geen gewoonte...” + +„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in +heb.” + +„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok +op het plaatje „Verboden te rooken.” + +„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk. + +„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.” + +„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is +ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel +sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.” + +Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de +gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden +zou brengen. + +„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die +m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.” + +Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het +portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam +zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen: + +„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.” + +„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij. + +„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een +tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg. + +„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?” + +„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en... nou, het +had dezelfde kleur als het onze.” + +Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig +vroeg: „Zijn we er al?” + +„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken +zat. + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +BOY VALT IN HET RAPENBURG. + + +We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de +Harmonie. Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat +de biefstuk smaakte alsof je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na +afloop buiten een kleintje koffie dronken zat alleen Dirk, +pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel +eindelijk in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type” +in te lichten. + +Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld +als hij hebben wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn +uitgaven boek hield. Elken Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk +huis opzocht, moest hij het grootboek overleggen. Daarin las de vader +soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en „Een paar +tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden +meer intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving, +wonderlijk wisselden. Dán stond er „Homo sum et nihil humani a me +alienum puto—20 pop”, of, „Het ewig weibliche zat me weer verbazend +dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels geweigerd +en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu +eenmaal niet van hout of ijzer”, en papa betaalde. + +Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend +zei: „M’n naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder +onaangenaam zijn”. + +Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor +op, die in een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had +gevraagd. Toen de oude ijzervreter, huiverend en vol kwade +voorgevoelens, in de deur verscheen, vroeg Dirk: „U wenscht een +reisgenoot?” „Ja, maar wat heeft dát...” „Ik wou u alleen maar even +zeggen dat ik vást niet meega”—en Dirk was weg. + +Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met +reden, want hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij +gebrand. + +„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op. + +„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde, +die er van de week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een +tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede jas en... godallemachtig +ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!” + +„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram. + +„Heb jij er geen voor mij te leen?” + +„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een +bakker in het Noordeinde woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de +broek paste, die hem te klein bleek. En ná dit mager resultaat dronk +Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden te gaan passen. +Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond +zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele +„aangenaam-kennis-te-maken” gepreveld, zóoveel dranken dooreen +gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze beoordeeld. + +De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het +eerst bij Bram. Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een +nieuwe vriend aanbelden, met een lijzige stem: + +„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?” + +Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit- en aantrekkend en +de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten slotte +lastig werd, beweerde, dat het eeuwige aan- en uittrekken van zijn +beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder de straat op kon +om elders zijn geluk te beproeven. + +„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer. + +„En waaróm niet?”—vroeg Dirk. + +„Voor de menschen.” + +„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?” + +„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter. + +„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van +zulk onnuttig vertoon. + +„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer. + +En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen +in een coupeurs-taaltje beweerde, als „geschilderd.” + +Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky +en weinig soda gevierd. + +Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm. + +Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de +paardentram die voorbijreed, om het trottoir wat hem te smal bleek, +maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe stelde hij geregeld de +vraag: + +„En naar wie gaan we nóu toe?” + +Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot +Bram drong niets meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen +stoep stond en Boy hem de sleutels uit den zak vischte, vroeg hij +alweer: + +„Naar wie gaan we nóu toe?” + +Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een +merkwaardige ommeslag: + +„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen—als je wat +dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten +wilt,—nou—dan maar wat zachies.” + +En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van +een wapenrek een kromme turksche sabel, dook er mee in den +bakkerswinkel, waar hij als dolleman in de raamkast te steken begon. + +„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde +hij bloeddorstig, terwijl in lange rij zich regen cadetjes, +krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden en ánder bakwerk aan het +kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de tafel, toen +hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok. +Daarop dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer +hoorden gaan. Dan was er een bonken van belang op de trap, als het +trappelen van weerbarstige paardenpooten. + +„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer: +„Jongelui—vier eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk +verscheen hij in de kamer. De kleeren waren van boven tot onderen +besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; maar met een zaligen +glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit een +breede barst een langen witten draad verloor. + +Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de +tweede deur links in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te +over met Bram, die met de sabel naar de boter in het vlootje stond te +prikken. De klont tolde telkens koppig rond, tot Bram het vlootje in +tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond begon te +paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de +gordijnen,—boter kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende +sissen tegen de lampeglazen waarvan er éen, met een nijdigen knap, in +scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek te liggen ook ons een +boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem +naar de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten. +Trouwens Bram, plichtmatig, schoof zelf van binnen het bordje „bezet” +er voor. Daar kon hij beboteren wat hij wilde. + +Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een +tennisracket een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons +binnenkomen had hij met een meesterlijken back-hand de slof in de +spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn +schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te +gieren. Eindelijk hokte hij eruit: + +„Champignon du monde,—champign... heb je dàt +gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?” + +Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een +onbedaarlijke lachstuip, die niet verminderde toen Bram de deur van +zijn gevangenis opentrapte en hem de rest van de boter onverwachts op +zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, dat hij op +Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in +gorgelgeluiden zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn +botervet hoofd op de kussens rondwentelde. + +Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren +gekookt, die we met veel krentebrood opaten. + +Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur +had staan, tusschen de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig +gekeurd moesten worden. + +Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het +eten ten tweeden male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden, +konden we wel geen van allen vermoeden, dat deze weldra zou uitzien +alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan. + +Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de flesschen Triple +Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en zoo +meer, ontkurkt en gekeurd. + +Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en +stak derhalve een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in +brand. En terwijl wij de fel laaiende, vonken spetterende dingen +trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware ontspanning om in zijn +eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de rozet uit +de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen, +hard bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van +kalk, op de tafel neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen +in de plotselinge duisternis de reusachtige herrie wat bedaard was en +ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van den wanhopigen rommel, +waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit de leiding +suizen. En daar... + +„Lucifers!” brulde opeens Dirk. + +„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik. + +Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram +wierp de ramen open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al +de straat op. De suizing boven ons hoofd hield aan, de gaslucht werd +weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te houden was. Na zijn +diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en te +loeien als een pampa-bisson: + +„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen +dicht!” + +We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de +gasuitstrooming ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap +opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen en in zijn slaapkamer op het bed +gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten we dat hij +bloedde. Het gebroken glas had hem leelijk gehavend en een groote bult +op zijn hoofd bewees, dat de gewichten van de lamp niets mée hadden +gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten hem toen maar +liggen. + +Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven +rinkelend naar beneden en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul +meer, zijn hoofd kalm door de ruit had gestoken: + +„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween. + +We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit +te staren, toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn +vreemde verbanden, de stoep weer opzwaaide. Dat was ons te machtig. +Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, werd Dirk de steile trap +weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; dekens en +kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam. + +Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak +van de trap had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het +gisten gebracht. + +We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en +Bram had de grootste belangstelling voor het bakken en kneden. + +„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker. + +Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de +schoenen en broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij +elken danspas lange strengen trok; hij leek hoeven te hebben als van +een langharig middeleeuwsch ridderpaard. + +„Wel verdomme,” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.” + +„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik. + +„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?” + +Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus: + +„Hoeveel is dat deeg waard?” + +„Tien gúlden”. + +„Tien—gulden?” + +„Ja—en je kunt het me betalen.” + +Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de +ridderpaardhoevige Boy logisch opmerkte: + +„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.” + +En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog +vandoor. + +Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de +sleutelgaten mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om +den bewoners een aangename verrassing te bezorgen. + +Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te +bekennen was. + +Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval +kreeg: + +„Nou ga ik roeien.” + +En hij liet den geledigden trog te water. + +„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik. + +„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram, +onwijs—gaf er een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend, +de lompe bak opeens midden in de gore gracht schoof. Boy trachtte te +pagaaien met zijn wandelstok, riep: + +„Zie je wel dat het best...” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze +trog om. Proestend, blazend, temidden van een walgelijk geborrel van +modderbellen, kwam Boy boven. + +„Is het nogal nat?” vroeg Bram. + +„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy. + +„Als je verzuipt roep je maar „kien””—raadde ik, in de verste verte +niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten aan zijn voeten, daar +werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg +teeken,—ging weer onder, kwam weer boven. + +„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in +den valen ochtendschemer, onderdook. + +Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd +getrokken. Hij zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets +te zeggen begon hij met zijn zakmes het cement-harde deeg van zijn +broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht voor zijn metselwerk, +door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig voor +ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor +afbraak te verkoopen. Alleen vroeg hij even: + +„Stinken jullie zoo?” + +„Neen dat ben jij.” + +„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette +met een breeden grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens +onmiddellijk daarop in volle werking toen een agent Boy achter een boom +betrapte. + +„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen. + +„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch. + +„Mag ik dan uw naam maar eens weten?” + +Boy gaf zijn naam en adres. + +„Geboren?” + +„Ja, wis en drie.” + +„Wannéer bedoel ik.” + +„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik +herinner me niets.” + +„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.” + +Maar ik mengde me in het gesprek. + +„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de heeren het +zoo niet meenen.” + +„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen +monsterend en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij +de verwarring op Dirk’s kamer ook niet gunstiger op geworden was. + +We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige +bekeuring van Boy liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te +rooken had. + +Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn +onwelriekende kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer +stond grauw van het smerige water. Toen wikkelde hij zich in een wollen +deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde in een leunstoel en +verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in zijn +eigen bed gekropen. + +De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de +heeren nou toch eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een +schandalige zwijnderij ’t in zijn winkel was. Heele plassen modderwater +had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood gevonden.—Bram was niet +te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap in de +eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog +had bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram +onlogisch verzekerde, dat hij het wel betalen zou. + +Toen dommelden we wéer in. + +Tot om tien uur Bram binnenstapte. + +„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me. + +„Watte?” + +„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij +op je haar?” + +„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter +gemaft.” + +Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden +kon verwekken, kwam hij terug: + +„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.” + +„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik. + +„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram. + +„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen, +dat hij zich voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd +had. Dan uitte hij den rechtvaardigen wensch om gekleed te worden. Bram +bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje van Boy mogelijk best +gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken galeiboef. +De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen +staken griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn +oksels hem bijna elke armbeweging belemmerde. + +We ontbeten, gingen daarop naar Dirk. + +„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend. + +„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.” + +„Kan me niet verrotten.” + +„Hier is je broek.” + +„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.” + +„Gá dan ook.” + +„Nee—’k ga niet.” + +„Maar ze wachten je.” + +„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.” + +„Nou—kóm nou.” + +Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige +bewegingen betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij +langzaam: + +„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?” + +„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je +kop door de ruit hebt gestoken,” helderde Bram op. + +„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij +verneurieën wilt...” + +„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol. + +„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd. + +„Ga dan kijken op je kamer.” + +„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen +we het uitschaterden werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie +jongelui hem in den slaap den kop verbonden en hem stonden te +vernachelen. „En nou dónderen jullie op!” + +En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen +weer neer, terug gehouden door de bretels. + +„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs. + +Boy maakte de bretels los. + +„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte, +flauwe jongens.” + +„Nou sta nou op.” + +„Verrek voor mijn part.” + +„Je bruiloft.” + +„Niks bruiloft.” + +„Ze wachten je.” + +„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig +draaide hij ons den rug toe. + +We gaven het op. + +Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als +een verwilderde gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik +ontdekte, dat de scheur in het kruis van m’n broek, die me den vorigen +dag van paardrijden deed afzien, ongewone afmetingen had aangenomen, en +voelde me ook maar half in m’n nopjes. + +Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van mijn kamer in +Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik met +de beste voornemens voor de toekomst bezield. + +Och ja—die goede voornemens! + +Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt, +dan is het óok gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een +gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap brengt... + +En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons +zonderling gedoe in Leiden was een inleiding tot onze +gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +DE TENNISCLUB. + + +Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen +naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de +alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven +doorgaans ergens recht.” + +Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons +geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te +houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een +flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of +in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig +gedaan. + +De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er +was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor +Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige +toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s, +die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had +gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s, +kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden. + +De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed, +die Piet heette. + +Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een +hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede +omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de +suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit +bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty. + +Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen, +die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te +winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy +uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret. + +Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte +aanstalten om een sigaar op te steken. + +„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s +van een kwartje.” + +„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty +kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt +vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei: + +„Wat een type ben jij toch, Boy!” + +Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er +bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek. + +Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te +herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch +mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een +gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo +bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus” +verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte +toen oók zijn kar. + +„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet. + +„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte. + +„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna. + +„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend. + +Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en +propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef +geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te +ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het +zeiljacht van Bram huisden. + +„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd. + +„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het +zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens +anders.” + +Den volgenden dag verklaarde suikerpiet: + +„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.” + +„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram. + +„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter +zou komen. + +„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets +gedistingeerd. + +„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram +verder op de hoogte. + +„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet. + +En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen +lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden, +het had laten opkalefateren. + + + +De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig +weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze +zeden eenigszins verzacht. + +Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het +verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken +avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me +oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond +eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het +sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat +te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk +verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn +minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde +vroolijke, brutaalgeestige type. + +Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te +bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan +iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte, +maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke +dronkemansgedoe in Leiden.” + +De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er +komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling +... gaan werken. + +Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het +gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens +mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er +geklopt werd en Kitty binnenkwam. + +„Stoor ik?” vroeg ze leuk. + +„Je weet wel beter.” + +„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.” + +„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je +niet. Je hebt me zeker noodig?” + +„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen: + +„Komt hij vanmiddag?” + +„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch +niet voor mij kwam. + +„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?” + +„Welke hij dan toch?” treiterde ik. + +„Boy natuurlijk.” + +„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer +spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.” + +„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!” + +„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?” + +„Dus hij kómt?” + +„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?” + +„Weet je wat je bent? een enge zeur...” + +„Zoo die zit,” zuchtte ik. + +„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig. + +Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom +wilde ik nog maar eens uithooren. + +„Waarom breng je Non nooit mee?” + +„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt. + +„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.” + +„Ben ik dan geen gezelschap?” + +„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs +dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.” + +„Heusch wel,” deed ze erg oprecht. + +„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.” + +„Hè wat bén je flauw!” + +„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is +het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.” + +„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je +noodig.” + +„Vraag dan maar.” + +„Je moet...” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het +aan niemand, aan niemand vertellen?” + +Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens +in had kunnen loopen. + +„Je moet me antwoorden op een paar vragen.” + +„Over Boy,” zei ik boud. + +Ze zweeg,—zat er mee in. + +„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder. + +„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik +bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon. + +„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik +je zal laten praten.” + +Ze keek me schuchter aan. + +„Jij bent een goede vriend van Boy hè?” + +„Ja—een heél goede.” + +„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel +eens rare dingen?” + +„Wat bedoel je?” + +„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo +moeilijk.” + +„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik. + +„Ja en...” + +„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje +gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend. + +„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk. + +„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar +stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.” + +„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze. + +„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend. + +„Ja,”—lispte ze. + +„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik. + +„Ik dacht dat hij ... enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten +hebben,” bekende ze met een zweem van ongegronde afgunst. + +„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat +van hem houdt, dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos, +omdat je vol illusies bent; verlies je zoo’n illusie dan ... gaat het +meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn illusie behouden kan.” + +Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen. + +„Geloof je dat hij...!” waagde ze. + +„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te +koop,—maar ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel +van je houdt.” + +„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend. + +„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor +van die prachtige redevoering, die ik tegen je gehouden heb.” + +Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben. + +„En jij houdt van Non hè?” vroeg ze. + +„Nee,” zei ik bot. + +„Hè,—wat sneu,” vond ze. + +„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs. + +„Nee, dát niet.” + +„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?” + +„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.” + +„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.” + +„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk. + +Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor +kattekwaad we hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden +en Delft. Ze vond alles ijselijk grappig en herhaalde telkens: „O, het +is een type!” + +Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of +hij altoos zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei +hopeloos: + +„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.” + +Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op +de wangen. + +„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam. + +Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord. + +„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou +’m gaan halen. Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de +Zuiderzee.” + +Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap. + +„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui +waarmee ik vroeger zeilde zijn allebei zoek.” + +„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n +laatsten wil zou neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde. + +„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur +hier halen.” + +„Goed. Blijf je een kop thee drinken?” + +„Nee—ik heb haast.” + +„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde +Kitty. + +„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en +stoof de kamer uit. + +„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen +gedrukt. + +„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik. + +„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze. + +„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik. + +„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je +dat niet eerder gezegd?” + +„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik. + +„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de +kussens van de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat +lawaai kwam Boy binnen. + +„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en +den rooden blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven +Boy!”—zei ze, hartelijk blij nu hij er was. + +„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit +laten kon zichzelf verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de +zijne, en ik wist er niets beters op dan in ’s hemelsnaam met m’n +knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de ingetrapte +theekransjes uit het kleed te verwijderen. + +„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om +twee uur moet je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de +Mallemolen afhalen.” + +„O—ja?” vroeg Boy. + +„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan. + +„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord. + +„We gaan ’s nachts,” ging ik door. + +„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige +aanmaning doorziepelde. + +„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik. + +„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin +ik geen weg meer wist. + +Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los. + +„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol. + +„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had. + +„Nee, morgenmiddag uilskuiken.” + +„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy +zich. + +„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur +hier, met een óverjas. Begrepen?” + +„Ja,”—zei Boy. + +„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik. + +„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy. + +„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.” + +Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend: + +„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.” + +„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in +zijn stem. + +Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes. + +Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken. + + + +In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen. + +„Thee?” + +„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.” + +„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens. + +„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy. + +„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik. + +„Waarom? Het is hier veel gezelliger.” + +„Prettig gefietst met Kitty?” + +„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en +die wou waarachtig méerijden.” + +„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend. + +„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij +heel gelant dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn +achterband lek geprikt.” + +„Die is sterk,” schaterde ik. + +„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een +poosje merkte.—Toen inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot +hij hem gemaakt had. Maar Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn +we maar doorgereden.” + +„Het is toch wél bar,” plaagde ik. + +„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort +toch niet bij ons thuis?” + +Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde +al het belang voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen +ontbroken had,—maar loslaten deed hij niets.—Dat vond ik vervelend, +niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar omdat ik het graag +tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien. + +Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden, +weggedoken in de luie stoelen, nauwelijks elkaar ziende in het doezige +licht der schemerlamp, zwijgen bleven. + +Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn +stem zei: + +„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan +m’n besten vriend zei.” + +„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel. + +„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met +Kitty gesproken en—nou—we houden allebei van elkaar.” + +Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk. + +„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik +had niks laten blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten +dag.” + +„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik. + +„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy. + +„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen +verwrongen glimlach niet kon onderscheiden. + +„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy, +in malle verbazing over het feit. + +Ik barstte los in een schaterlach. + +„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn +lachaanval had. + +„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik. + +„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende +omstandigheid is,” piekerde hij. + +„Leve de Mafkolder!” besloot ik. + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE ZEILTOCHT. + + +Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland. + +Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm, +de sportpetten op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking +gaapte ons aan. + +We kwamen aan de haven. + +„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy. + +„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp +slechts de kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn +vormen halsstarrig aan een gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan +ook geweest was vóor dat Bram er een kajuit in bouwen liet en hem van +„De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte. + +De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen +ons en begon toen een technisch gesprek over de aangebrachte +herstellingen, waarvan vrijwel elk woord een raadsel voor me bleef. + +„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester. + +„Ja,” zei Bram. + +„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling. + +„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en +zoo—halen,”—verzocht Bram afleidend. + +We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken, +en Boy schreef wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een +buitenlandsche reis was en in geen maanden terug zou keeren. Daarna +bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen zouden en was ik +zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven aan +Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok +een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er +ook nog ieder een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die +in een vacantiereis in den Harz terecht komt, kan zich niet beter van +zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij toenmaals. + +Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en +spuitwater-flesschen, dat me een gerstendrankhoudende ontglipte en te +spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw het rouwbeklag van „Het +is zonde” ontlokte. + +We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen, +waardoor de boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste +kajuit, met raampjes in koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze +achting rees. + +Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug. + +„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer +een flesch op vallen stond. + +„Ga jij er in,” verzocht hij. + +En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank +schoof op me toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag. + +„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het +voorruim de eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de +ijzeren ringen van op een stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om +een verward touw weer op de katrol te leggen. Boy deed niets, behalve +ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen de trekken aan +zijn sigaar, neurieënd van: + + + „You can always tell when a coon is in love” + + +waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet +beslist een neger voor behoefde te wezen. + +Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te +staren naar „de heeren van de Mallemolen.” + +„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel. + +„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs. + +„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb +die vraag, gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een +bevredigend antwoord op te kunnen vinden. + +Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den coon-song te +herzingen. + +„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”— +vond Bram.—„Doe nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar +eens.” + +„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een +wanhopigen smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber +aangaf—„als je nóg eens wat hebt... Alle goden, een aandeelhouder van +de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan er niet zoo naar stinken als +ik het doe.” + +Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk. + +„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram. + +De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons +rekenschap geven van hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was +een rijtje van drie paar schoenen, die zich onder een dons van groene +schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze ruim van zich +afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding +verkeerde, en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd, +dat—volgens Boy—er over een paar weken wel niet veel meer dan de +knoopen van waren overgebleven. + +Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en +borden, verwarring van pappig pakkende dekens op de twee britsen, +zeekaarten verscheurd en verfomfaaid verspreid over de hevig-vuile +vloer,—en tusschen al die veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen +lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum doortrokken:—„Fidessa” +van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten. + +Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen +griezelig-wit krioelende wortels hadden geschoten. + +„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem +de boonenverzameling onder de neus stoppend. Maar Bram met een +verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, beval: + +„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan +worden over boord.” + +„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan +waren we gauwer met opruimen klaar.” + +„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy. + +„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit +drééf gewoon. Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.” + +„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik. + +„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat +ze nog bij de pomp konden blijven.” + +Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu +niet beslist aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik +vannacht oók kans hadden om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit +zich zelf gekeerdheid vermoedelijk. + +De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven +verscheidene kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste +pannen en half vergane onkuischheden uit „Le Rire,” „Simplicissimus,” +„Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte plaatwerken, +had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging +den toeschouwers van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een +meewarig „Het is zonde”—wat in Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen +schijnt te behooren. + +Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot +rustbanken opgemaakt, de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook +wat. Een met rasterwerk omkringelde lamp hing aan de zoldering; op een +tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken daarboven het +eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen +een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje +boter bemachtigd. Links van den ingang, op een breede plank, lagen de +„instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”. + +De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over +welks doel Bram zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van +scheepsklok voor het oorlam, dat Bram ons op ongeregelde tijden +veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit Boy, zich +oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een +kompas, dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen +en de beschimmelde kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had +welke stiekeme parten het schijnheilige ding me spelen zou. Voorts +stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten en waarbij +men de kaarten kon raadplegen. + +In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder +in, in den waan verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer +moeilijkheden zou baren dan een landkaart. + +Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar +opeens een raar gekleede kerel me aansprak: + +„Je suis russe”, verklaarde hij. + +„Je suis hollandais,” antwoordde ik logisch. + +„Je suis peintre,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak droeg en +een grooten sombrero op zijn bol gedeukt. + +„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen. + +Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was +en bewaarde dus een afwachtend stilzwijgen. + +„Serait-il possible de vous accompagner?” vroeg de kwastenwellusteling +weer. + +„Le capitaine—c’est lui,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en +hardop zei: + +„’k Wil den vent niet meehebben.” + +„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje +noodig”, kwam Boy bemiddelend. + +„Je regrette, il n’y a pas de place”, zei Bram met een gezicht van een +kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus mompelde een „pardon” +en bleef op den wal achter. + +„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos +op. + +In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde +doperwtjes; de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den +kapitein zich deed herinneren dat hij er koopen moest, omdat Boy +minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram door de +prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de +meisjesleden van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er +uitzag, was het niet onze schuld. + +Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden +en lampenglazen—de bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord +terug. Het was half acht en het begon te schemeren. + +Nu werd het méenens. + +„Kun je sturen?” vroeg Bram. + +„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig. + +„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil +hijschen.” + +Dit bolde flauwtjes op. + +„Er is geen wind,” wanhoopte Boy. + +„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij. + +„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen. + +„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit. + +„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter. + +„De háven uit.” + +„Jawel—dat snap ik, maar waár?” + +„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op. + +Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de +ontdekking, dat de geheele haven van roode en groene lichten +wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram kreeg haast een +beroerte. + +„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het +hoofd, waar hij met volle macht den fok aan het optrekken was. + +Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe +Bram wist, dat het juist deze beide waren en niet een paar van de +overige dozijnen, stuurde ik er dapper op af. + +Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch +stuurboord tegen de pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen +de Zuiderzee in. + +Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en +een groene, halfweg het want. + +„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan. + +„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman en Boy, +wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot +steward had benoemd. + +„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig +plezier in het tochtje kreeg. + +„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten +scharrelde, waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de +dievenlantaarn, ontvouwde. + +„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit. + +„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk. + +„Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe +plekken aanwees. + +Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet +is dat water. Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was +land en wit was water. Wat een weersprakigen geest moet de man hebben +gehad die deze kleuraanduiding verzon! + +„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder +uit, op een gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn +minderen. + +Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen +op elkander geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op +den boeg languit neerlag. + +„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan +en vervolgde zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en +haal je rechts in.” + +Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit +water,—nu dit weer. + +„En als er mist komt blaás je op den toeter.” + +„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het +gesprek. + +„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg +ik, onder den druk van mijn verantwoordelijkheid. + +„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt +heel goed, ik kan het veilig aan je overlaten.” + +„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat oorlam?” kwam +de steward. + +Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we, +dronken den lang verbeiden cognac. + +Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen +van de daken en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen +den nog éven glorenden avondhemel. Op de zee overal ook de +sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige schijf +in zwavelgele dampen. + +„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me +niet meer: ik voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit +anders gedaan had. Ik wist nu dat blauw land was en wit water; ik wist +wat stuurboord en bakboord beteekenden; ik wist links te passeeren, te +toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, ik was vertrouwd met +varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk? + +We rookten—Boy neuriede weer van: + + + „You can always tell when a coon is in love” + + +en lokte geen tegenspraak meer uit. + +„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar +op dat licht aan en hou je kluisgaten open.” + +Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn +omgeving schikt, loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam +recht op aán te sturen. + +Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de +zuidwester en de oliejas hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan +meteen in. + +Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de +Mallemolen hevig stampend te keer te gaan, mij bij elke neerbonzing een +heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend. + +Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een +neger verliefd was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw +vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. Toen hij naar Canada was +overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij met een +daglijst van den overtocht; bij „Saturday 15th:—Strong head gale. +Dangerous sea. Squalls.”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne +diners tweemaal.” Toen echter vermoedde ik niet ook nog eens de +lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien. + +Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet +loslaten om mijn overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het +licht in de verte en schrok hevig toen een groote tweemaster met volle +zeilen, als een vliegende hollander, rakelings achter me dwars door ons +zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan stond) door +die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook +eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal +aanhield, opeens schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere +vormen van een stoomboot ontdekte. Haastig week ik links uit voor het +ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen en weer, en vanaf de +stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename +bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me, +dat bij het uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven +staan. Thans had ik ruimschoots de keuze tusschen vele lichten waarop +ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar ik vertrouwde het geval +niet bijster meer en bleef strak het compas beturen. + +De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond +(men vergeve mij deze zonderlinge lengte- en breedte-bepaling), +sluierde zich een dichte damp. + +Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en +nam een slok; niet eens zoo’n heel erg grooten. + +Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde, +toen ik mijn linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte +Zuiderzee-deining. + +Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik +opeens de gesluierde maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas +stond nog almaar op Z.Z.W. Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad +hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven van het alleszins +onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het +groote zeil over. + +Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den +hevigen mep, dien de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er +stevig aan vast te klampen,—en toen hing ik met zeil en al buiten +boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik liefst uit bleef. +De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon hevig +te keer te gaan. + +Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het +hoofd buiten boord en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven. +Dat was zijn geluk, want het zeil ging ten tweede male over en met een +hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, rakelings over Boy +heenzwierend. + +„Boy!” riep ik. + +Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet +zijn verwilderde oogen dwalen over het dek. + +„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee. + +En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de +boot weer hevig te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden +male, met een nijdigen floep van het zeil, in verbijsterende snelheid +over Boy heen, die—opnieuw katterig geworden door de tureluursche +keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist op tijd het hoofd +genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk +met de erwtjes. + +Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd. + +Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige +kunnen herhalen, gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s +maag,—indien de kapitein niet door al de onwijze tolbewegingen van zijn +jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen was. + +„Bram!” schreeuwde ik. + +Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast. + +„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend, +terwijl hij, angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk +vermeed. + +„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in +zijn stem. „Verrek—wat doe jij daar?” + +„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in +gehangen had. + +Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling, +menschelijkerwijs gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen. + +„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste +maal over. Ik was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes +kwijt, maar bekende mezelven, dat ik er schoon genoeg van kreeg. + +„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest +verliet. „Doe je nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit +leedvermaak, dat niet hij alleen er slecht aan toe was. + +Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, kwam het zeil +over, kon ik me in den kuil laten ploffen. + +„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur +krampachtig in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn +plagerijen, door inwendige beroering werd bezig gehouden. + +Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was, +terwijl het kompas Z.Z.W. wees. + +„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de +lichten,—je hebt toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht. + +„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram +lette niet op deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas +dan!” hield ik vol. + +„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,” +verklaarde Bram. + +„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in +de omgeving passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een +halven slag om. Het zwoor schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein +er een nijdigen mep tegen en langzaam, sarrend eigenwijs, draaide de +roos in den goeden stand. + +„Zie je wel?” zegevierde Bram. + +„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog. + +„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de +draaiende plaatst-rust en het heen-en-weer gevlieg mijn +orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins in de war hadden +gebracht. + +We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik +zou er geen begrip van gehad hebben! + +Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut +cognac. Bram kwam op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse +plank te zetten. + +„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.” + +„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het +malle van het op gang getrapte kompas in te zien. + +„Nou maf ze,” kwam Bram. + +„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig. + +„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in +bed.—Boy—wat opgelucht—en minder in de war, nu de boot weer voor den +wind liep, kroop naast hem. + +Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me +verdiepend in de thans zich telkens openbarende bewegingen van de roos. +Den koers hield ik tusschen Z.Z.W. en Z.W. + +Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams +opvatting van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.” +Want aan aflossen dácht hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte +ik, dat onze lichten waren uitgegaan. Het was nu wel bar belangrijk, +zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde weinig voor zulke +kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook niets +meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen, +stoof een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid. + +„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige +weldadigheid den visschen gebracht. + +„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder +mijn bereik had, trok ik een schoen uit en slingerde hem midden in +Boy’s maagstreek. + +„Au—verdomme!” jankte hij. + +„Kom er uit!” beval ik. + +„Waai om!” verwenschte de steward. + +„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen er weer lichtjes +uit den nevel. + +„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?” + +„De lichten zijn uit!” jammerde ik. + +„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij. + +„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!” + +Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter. + +„Nee kaffer—eérst de lichten op!” + +Boy kroop op het dek. + +„Allemachtig wat een damp.” + +Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit. + +„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij. + +„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan. + +„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried, +maar in zijn slaaplust zich blijkbaar noch van den mist, noch van de +gedoofde lichten iets aantrok en aan de beloofde aflossing niet dacht. + +Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek. + +„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik. + +„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy. + +„Nee, andersom!” + +„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij +als een nuchter kalf. + +„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik. + +Eindelijk hingen de lampen. + +„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig. + +„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.” + +„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al +over boord. + +„Het was die omelette,—die ... die smaakte óok zoo naar petroleum” +verklaarde hij een oogenblik later. + +„Ben je nu leég?” + +„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.” +Dan kwam hij bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo +beroerd ben geweest; het is zoo kinderachtig.” + +„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.” + +„Vertel het nu maar niet.” + +„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik. + +Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel: + +„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. „Had ’m naar +m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige +plek.” + +„Voel je je erg lam?” + +„Als een zatte aap,” verklaarde Boy. + +„Ga naar bed.” + +„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.” + +„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,” +troostte ik. + +„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.” + +„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.” + +Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer. + +We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed +een lange aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een +langgerekte jammerklacht, als van een hond die huilt. + +„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed. + +„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op +de Mallemolen was op haar hoogtepunt. + +„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek in den kuil, +schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?” + +„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol +verachting voor de nuttelooze dingen. + +Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik +niet meer inkijken. Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos +een boot aan vast. + +Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar +maffen bleef, stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu +maar eens Z.W. ten W. aangehouden. + +Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd +dag.—Langzaam, heel langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen. +Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden uit de nevels, recht voor +me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde met de +spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de +Christenen over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens +herkende ik ze:—het was Amsterdam. + +Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me +ook niet veel schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik +nam den toeter, in mijn zegepraal bereid tot groote middelen, boog +voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend. + +„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de +kribbighedens der ochtendziekte. + +„Amsterdam!” jubelde ik. + +„Je bent betoeterd.” + +„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug. + +„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig. + +„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der +Amstelstad. + +„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein. + +„Alweer?—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig. + +„In de schutsluizen,” helderde Bram op. + +„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd. + +Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe +ochtendzon liggen, kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam +was van het kompastrappen, en mijn lendenen, blauw gestompt door het +stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen den kapitein en mij +over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik buiten +langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te +kunnen aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos +een duister geheim blijven. + +We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte +als een zaagmolen. Ik ging naast hem liggen, kon me levendig +voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal er uitzagen, en sliep dus +weldra ook in. + +Het was tien uur toen Boy me wakker maakte. + +„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud +wijf!” + +In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en +zong weer druk het sinds lang onderbroken lied van den verliefden +neger. + +Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de +steward eieren en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik +verkneukelde me in het gezicht van Bram, die zich aan het stuur stond +te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of avontuurlijks bood. + +Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen, +bezorgde moeilijkheden. + +„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het stuur over +om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in +waarheid om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam. + +Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote +oogenblik kwam. + +„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg. + +Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de +wimpelspits af en plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug +door. + +Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op +het water, deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel, +dronken meer en maften het meest. Bram, aan het stuur, kon zijn +genoegen op. + +„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich +verbaasd. In den nacht, alleen in den mist, had ik er over gepiekerd, +nu sprak ik het uit: + +„Toch geen bár opwindende sport.” + +„Ik amuseer me best,” beweerde Bram. + +„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy. + +„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel +huichelarij, en ging maar niet verder op het geval in. + +In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we +besloten de Mallemolen er maar bij een werf achter te laten. + + + +„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht +maar niet tot Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen +gaan.” + +Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder +uitgeslapen, vroeg: + +„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?” + +„Nee,” gaf Bram maar toe. + +„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel +achter zou komen. + +„In een woonwagen,” verklaarde Boy. + +„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes +kreeg. + +„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We +trekken ’m om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.” + +„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang +er op in. + +„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes, +en Zondags eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal.”—sloeg Boy +er zijn redeloozen onzin uit. + +„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang. + +„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy. + +Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen +werd. + +„Jullie verlakken me.” + +„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén +gierbui, hem hartelijk in den arm kneep, smeekend: + +„Boy—o Boy!—ik lach me doód!” + +Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend: + +„Enfin—ik trek me er weinig van an.” + +„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +WE HUREN EEN BOVENHUIS. + + +Het was opeens besloten. Boy’s broer kwam over met een jaar indisch +verlof en wilde bij zijn moeder inwonen, waardoor Boy het huis uit +moest. Bram had genoeg gekregen van Leiden, vond het in Den Haag +plezieriger. Ten slotte had mijn hospita me een lange redevoering +gehouden, waarvan de slotsom was, dat ze niet altoos die jonge dames +over den vloer wou hebben, omdat heel de buurt er schande van sprak. + +Ze wist wel dat onze omgang heel fatsoenlijk was, en de jongedames +waren óók heel nette meisjes, maar enfin—menschen kletsen zoo gauw +nietwaar?—Ik had haar bedankt voor hare goede meening over de leden van +den Mafkolder en—me groot houdend—verzekerd, dat ik tóch al het plan +had om weg te gaan, omdat haar poes telkens ongerechtigheden in m’n +kamer deed en de meid altoos van mijn jam snoepte.—De hospita was +langdradig op mijn vinnigheden ingegaan, bezwerend dat haar poes zoo +zindelijk was als een mensch en dat de meid zoo eerlijk was als goud. + +Gevolg was dat ik de kamer opzegde. + +Met zijn drieën hadden we uitgemaakt, dat het veel spaarzamer zou wezen +gezaamlijk een bovenhuis te huren en een meid te nemen, terwijl we dan +tevens van alle hospita-gezanik bevrijd zouden zijn. + +En zoo stelden we een advertentie. + +De tekst had eenige moeilijkheid gekost. Bram wilde: „Drie losloopende +jongelui wenschen gemeubileerd bovenhuis van alle gemakken +voorzien.”—Waarop Boy meende dat het voldoende mocht heeten als er één +gemak was en dus voorstelde: „Drie studenten zoeken bovenhuis met +stevige maar smaakvolle meubels voorzien.”—Maar ten slotte besloten we +te plaatsen: „Gemeubileerd bovenhuis in Duinoord gezocht.” + +Toen ik aan het bureau van het blad de ingekomen brieven kwam afhalen, +kreeg ik er zeven en twintig en een briefkaart. + +Dien avond, bij mijn voorlezing, werd Boy bij den twaalfden brief +wanhopig. Toen ik weer begon met den stereotiepen aanhef van: In +antwoord op uw advertentie...—riep hij uit: + +„In godsnaam schei uit!—Het is om gek te worden. Geef me een kop thee, +ik heb van al die lectuur een smaak in m’n mond gekregen als een oud +wijf.” + +„Moeten we nu ál die huizen afloopen?” opperde Bram. + +„Het zijn bóvenhuizen man. Wil je dan toch waarempel een +trappenberoerte of een bovenhuisduizeling oploopen?” wanhoopte ik. + +„Het is juist van dat óploopen dat je iets oploopen zou,” meende Boy. + +„Ik heb een idee!” kwam Bram. + +„’t Lijkt onwaarschijnlijk, maar kom óp met je idee,” zei Boy. + +„We zoeken ieder negen van de bovenhuizen op: we schikken het zoó, dat +ze zooveel mooglijk in één buurt liggen. Zoo kunnen we alvast schiften. +De paar, die ieder het beste lijken, kunnen we dan samen bezoeken.” + +„Er is nog een briefkaart,” merkte ik op. + +„Die neem ik dan wel,” verklaarde Bram goedig. + +„Maar als we dan later met z’n drieën komen aandazen, is het mis. Je +snapt dat ze aan geen drie jongelui hun meubeltjes overlaten,” piekerde +ik. + +„Een huisvrouw is voor jongelui even bang als voor motten of +houtwurmen,” wijsgeerde Boy. + +„Dan huurt degene die het eerst gekomen is, de twee anderen gelden als +vrienden, die in de keuze helpen,” stelde Bram voor. + +„Top,”—zei Boy. + +De huizen waren allen, zonder uitzondering, van indische gezinnen en +van een losbandigen, slordigen wansmaak. Wanhopig zaten we dien avond +elkaar aan te kijken. + +Maar den volgenden dag, op het dagbladbureau, waar ik nog maar eens +heengegaan was, lag nog éen brief. Onze redding.—En we huurden het +werkelijk gezellige bovenhuis, wat door de familie, die voor een jaar +naar het buitenland vertrok, pardoes werd achtergelaten. + +Veertien dagen later trokken we er in en begonnen met er den boel +ergerlijk overhoop te halen. Zóo hadden we besloten;—Bram de voorkamer +met den erker en het kamertje er naast tot slaapvertrek. De achterkamer +met serre diende tot eetkamer en ontvangsalon. Wat dit laatste +doeleinde betrof, besloten we eenstemmig alle berenleiders aan de +vóordeur te laten wachten. Op de bovenverdieping was voorkamer met +balkon en zijkamertje voor mij, de achter-eadem voor Boy. Dierhalve +begon al dadelijk een verwarrend beddegesleep. De gangetjes lagen vol +matrassen en dekens en kussens. + +Bram droeg onhandig een beddekastje de trap op; het deurtje ging open +en het nachtvaatwerk viel tot scherven op het hoofd van Boy, die juist +een weerspannig vloerkleed den hoek omwerkte. + +„Stomme komkommer!” vloekte Boy, zich het hoofd wrijvend. + +Maar Bram zat er mee in dat hij andermans bullen brak: + +„Als het maar geen familiestuk geweest is,” vreesde hij, de scherven +bijeen rapend,—„je hebt menschen, die hechten aan alles.” + +En hij sjouwde verder met het beddenkastje. Ik volgde met een +waschtafel. Terwijl ik het ding op zijn plaats zette, deed Bram een +spiegelkast open. + +„Au—verrek—ai—ai!—Hans!” brulde hij, waar hem uit de kast een +verwilderde uitgehongerde kat in het gezicht gesprongen was. Dan rende +hij de gang op, bette zijn gekrabbeld gelaat onder het fonteintje.—Ik +sloot veilig de deur. + +„Wat schreeuw je toch als een mager varken?” vroeg Boy, zwoegend onder +het vloerkleed. + +„Een kat, man,—een kat!” legde de gewonde uit. + +Boy vatte natuurlijk niets. + +„Een kater bedoel je,” veronderstelde hij. + +„Dat heb je zoo gauw niet kunnen zien,” verdedigde Bram zijn gebrek aan +opmerkingsvermogen. + +„Drink wat spuitwater,”—raadde Boy—„dan zal die wel overgaan.” + +Maar toen hij het geval eindelijk begreep, trok hij vastberaden een +revolver uit zijn achterzak, waar spuitwater hem niet meer afdoende +toescheen,—deed de deur op een kier open, gluurde om een hoek, teneinde +het ondier te ontdekken. + +„Zeg—zijn jullie allebei bezopen?—Ik zie niks.” + +„Pas op!” waarschuwde Bram, „de hemel weet waar die ondergekropen is.” + +Boy sloop de kamer in, keek overal:—de kat was zoek. + +„Ik geloof dat jullie me vernachelen,” meende hij nuchter, den revolver +weer in den zak stekend. + +„’t Wás een kat,” hield Bram vol. + +„’t Wás een kat,” beaamde ik. + +„We hebben toch geen hallucinaties?” kwam Bram nog, de schram bettend, +die zeker niet aan een zinsbegoocheling te wijten was. + +„Dan is het beest ’m gesmeerd,” besloot ik. + +En we togen weer aan het werk, hoewel Boy de voorzorg nam elke kast te +openen met den revolver in de hand. + +„’t Mocht eens een liefhebberij van onzen voorganger geweest +zijn,”—veronderstelde hij. + +Tegen den avond waren we vrijwel klaar. + +„Ga jij nu even een nieuwe po koopen,” maande Boy aan. + +„Ik dank je stichtelijk,” weerde Bram af. + +„Jij hebt ’m gebroken,” beschuldigde ik. + +„En neem een scherf mee als staal,” raadde Boy. + +„Jullie bent betoeterd. Een po koopen?—Nee, dat vertrap ik sterk.” + +„Vooruit—wat kan het je bommen? Er is een winkel vlak om den hoek; je +laat ’m inpakken,” overreedde ik. + +En zoo geschiedde het dat Bram een nachtvaatwerk kocht, op het staaltje +gelijkend, en hem zegevierend op de tafel der eetkamer uitpakte. + +„Ben je nou van de ratten?” vroeg Boy.—„Vooruit—schiet óp met dat +ding!” + +„Hij is toch schóón?” vond Bram. + +„Hij hoort hier niet,” meende Boy; en dat was ontegenzeggelijk juist. + +Bram ging naar boven om het ding, wat mooglijk een familiestuk moest +vervangen,—te zetten waar het wèl hoorde. Boy en ik, uitpuffend in een +paar luie stoelen, bleven achter. Opeens klonk er boven een geluid van +scherven, een gestamp van voeten, een driftige slag van een deur en de +jammering van Bram: + +„Au—allemachtig—au!” en hij stoof binnen, met een nieuwe schram, +ditmaal over zijn hand. + +„Wat heb je noú weer aan de hand?” vroeg Boy verbluft. + +„Een krabbel, dat zie je,” antwoordde Bram gevat. + +„Is het die kat weer?” vroeg ik. + +„Ja—springt me dat loeder uit het nachtkastje.” + +„Gedecideerd—hij moet joú hebben,” meende Boy. + +„Ik moet hém hebben. Allemachtig als ik dat kreng in m’n handen krijg, +draai ’k hem de nek om,” dreigde Bram. + +„Hoe zúllen we hem krijgen?” opperde ik het vraagstuk. + +„Ik verdom het—ik ga die kamer niet meer in. Ik slaap wel hier op de +canapee,”—verklaarde Bram. + +„Ben je zéker dat ie nòg op je kamer zit?” vroeg ik. + +„Waarachtig,—ik heb hem direct gesmeerd, de deur dichtgegooid.” + +„Ja wat dán?” + +We hielden krijgsraad. Een uitgehongerde kat is een gevaarlijk beest, +véel gevaarlijker dan een haai of een ratelslang. Bram stelde voor om +vanaf het achterbalcon, door een kier van het raam, rattenkruid naar +binnen te gooien; maar we hadden dat niet als jam of boter voor het +ontbijt in huis. Overigens merkte Boy op dat rattenkruid voor ratten is +en niet voor katten. Hij stelde dan ook voor de kamer uit te zwavelen, +door een brandend stuk door de even open deur te schuiven. Maar dat was +brandgevaar. Juist was ik met het nuchter plan voor den dag gekomen om +het beest eenvoudig met wat eten te bedaren, toen Boy langzaam, in +beduusde verbazing door de open deur in de duistere gang starend, zei: + +„Wel verdraaid!—Zeg—blijf even stil zitten!” en den revolver te +voorschijn haalde, met voorzichtige bedaardheid, en het ding opeens +afknalde.—De slag daverde door de kamer. Dan werd het stil: + +„Geraakt!” zegevierde Boy—„zoo dood als een pier.” + +We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het +bléef stil in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe +kater, met dikken kop, waarin—midden tusschen de oogen—een roode wond +van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, vies, vol +groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van +onzen voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen +hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond. + +„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy. + +„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n +kast eer ik er m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram. + +„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik. + +Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel. + +„Wat ga je doen?” + +„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend. + +„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog. + +„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht. + +Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en +droeg het een eind de straat op. + +Even later kwam Bram terug met een flesch carbol en een andere +sublimaat, een doosje jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon +zich zelf én het nachtkastje én de spiegelkast te ontsmetten. Dan +draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), want je wist +nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij +met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op, +dat bij den schrik hem ontvallen was. + +Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis +een rare geur van katers, karbol, jodeform en kruitdamp. + + + +Den volgenden dag kwam onze verhuisboel. + +Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt +overtollige bezit van een schrijftafel, een studeerlamp en een +boekenkast. Deftige groene gordijnen dienen dan veelal om de +armoedigheid der boekerijen te bedekken. + +Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, met een +stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram +welwillend afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken. + +’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die +Brams boeltje bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met +boeken en wasch. Tegen twaalf uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en +mij. + +Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het +voorhoofd. Nijdig had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters +geschilderd: Katten worden geweerd, en dit tusschen het ruitje en het +traliehekje van de huisdeur geplaatst. + +Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis” +bekend stond? + +„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle +koffie ontbroken had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.” + +En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik +bezig de planken van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de +kamer daarnaast, hartverscheurend van: + + + „You can always tell when a coon is in love”. + + +toen er gebeld werd. + +„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik. + +„Doe eens even open Bram!” riep Boy. + +Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was +het huis vol gesnater. + +„Dag Boy!” juichte Kitty. + +„Waar is Bram?” vroeg Toos. + +„Wat een leuke pan,” meende Non. + +Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars: + +„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?” + +„We komen helpen,” verklaarde Toos. + +„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non. + +Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn +als ze het huis klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte +en met Kitty smoesde, ging de huisdeur weer open, stond Bram opeens +midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, hield de linker +krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet. + +„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty. + +... Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig +inpakken. + +De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en +ging stiekem met het ding naar boven, iets mompelend van: + +„Den Reinen ist alles rein.” + +„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend. + +Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen +ik de schietgeschiedenis verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet. + +„En nou vooruit—marsch!” beval ik. + +„We komen hélpen,”—pruilde Kitty. + +Er werd gebeld: het linnengoed kwam. + +„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk. + +Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die +zich in zijn kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne +onderhanden nemen. + +„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer +binnenkomend. + +„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?” + +„Kom maar kijken.” + +„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?” + +„Ja”—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?” + +„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?” + +„Ik hoorde het. Dus niet?” + +„Wel nee—hoe kóm je er bij?” + +„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.” + +„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel +in; pak die nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer +theedrinken.” + +„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen. + +„Non—wat héb je?” vroeg ik. + +„Niks,” ontweek ze. + +„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch +woordenboek in de kast. + +„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter. + +„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me. + +„Wie dan meer?” + +„Kitty—verleden.” + +„Kitty is met Boy, nietwaar?” + +„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer +verdacht stil was. + +„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug. + +Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd? + +„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig +Aagje.” + +„Ik wou het wéten,” hield ze vol. + +„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet +niets.” + +„Toe nou,” smeekte ze. + +„Non—je bent vervelend.” + +„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze. + +„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik. + +„Zég het dan!” stampvoette ze. + +„Vertel jij andermans geheimen?” + +„Nee.” + +„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig. + +„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze. + +„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik, +beginselvast. + +„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel +leuk.” + +„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken. + +„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk. + +„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?” + +En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat +begint er raar voor je uit te zien.” + +En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen +schilderij glippen en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want +dan had ze niet iets blij’s over zich gekregen toen zij zijn verloving +vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? Maar voor wie? voor +propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat was +lam, lastig... En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de +ladder. + +Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar +volkomen onverschillig liet, kwam kijken. + +„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze. + +„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had +gevonden. + +„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan. + +„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen. + +„Non kwám, aarzelend. + +„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.” + +Non trok punten aan haar zakdoek. + +„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik. + +„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen. + +„Ben jij soms op ... è—... op Boy?” + +Ze glimlachte, keek me oprecht aan: + +„Welnee,” verklaarde ze. + +„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het +toch niet om er ruzie over te maken?” + +„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt,” verklaarde ze +schuchter. + +Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me +vorschend aan, begreep mijn gedachten en begon te glimlachen. + +„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze. + +„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen +kon. + +„Ik dacht ... nou dat jij op mij verliefd was.” + +„En verder?” kwam ik in spanning. + +„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter. + +Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee. + +„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij... O ’t is om je een +kriek te lachen!” + +„Dacht jij dat ik...?” riep ze verontwaardigd. + +„Ja,”—hikte ik. + +„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust. + +„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik. + +„Top,”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo +afgeloopen is,—ik zat er zoo mee in.” + +Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar. + +Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der +anderen was te bekennen. Dies bonsde ik op Brams deur. + +„Wat moet je?” vroeg hij. + +„De thee is klaar,” meldde Non. + +„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward +schenen. + +„Toos is het bed klaar?” vroeg ik. + +„Nee,” zei ze kleurend. + +„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.” + +„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel +hier.” + +„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram. + +Ook Boy werd opgeschrikt: + +„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de +schrijftafel, terwijl er toch stoelen te over waren. + +„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter. + +„Gunst ja,” deed ze verbaasd. + +Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes +gewasschen en zaten in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste +maal. + +Buiten regende het. + +„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—„nu kunnen we niet meer +tennissen.” + +„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens +helpen,” raadde Bram. + +„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty. + +„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy. + +„Leuk—een meid huren,” meende Non. + +„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat +weigerden we. + + + +Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en +ik, met onze gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn +kattekrabbels raár uitzag,—zaten om de tafel, deftig, ernstig. De +eerste was een Marie, blonde, brutale meid. + +„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene,”—en ze +ging. + +De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter. + +„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—„altoos +bij families met kinderen,”—en ze ging. + +Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde +beesten schenen te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden. +Juist hadden we er bijna eén in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy +uit verstrooidheid zijn revolver uit den zak haalde en er mee te spelen +begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens meenend in een +moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals je dat in de „Wilsons” +las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, toen +zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal +kapothoedje; over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte +loovertjes. Maar ze had goedig-slimme grauwe oogen in haar oud +rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar bloedlooze +lippen. + +„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze +mochten Janne graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij +families geweest, maar ik ben liever bij jong volk. Als u mijn den boel +maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn het gaat.” + +Janne maakte een gunstigen indruk. + +„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor met een +kennis van zaken die me verwonderde. + +„Best,”—zei Janne—„dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die +studeert in Delft.” + +Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen. + +„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren +te zorgen—koken, kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog. + +„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge +meid,”—verklaarde ze. + +„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy. + +„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze +eerlijk. + +„Welnee,” vonden we. + +„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze. + +„What does she want?” vroeg Boy. + +„To get her fee,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in +de hand. + +En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide +dienstbodenkamers, die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op +de onopgemaakte bedden aan. + +Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de +indrukwekkende grijze „dame” vroeg: + +„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich +niet in het minst. + +„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar +u verlangd hebben.” + +Want Janne was een slimmert. + +„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend. + +„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non. + +„Non eén ding,” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle +opmerkingen achter haar rug. Ze is wát aardig.” + +Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen. + +„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond, +toen ze ons lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger +nou ik weer bij jong volk ben.” + +„Leve Janne!” riep Boy onstuimig. + +Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden +we de keuken uitgesmeten. + +„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne. + +„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in +zijn kamer, waar hij vol geweld een kram in de muur joeg. + +Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping, +luisterden. Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een +ouweheerenstem klonk van onderen: + +„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en +die herrie maar eens uit wezen.” + +„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram. + +„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig +in een nette buurt die jonge vrouwen over de vloer.” + +„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne. + +„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets +aangaan?” verzocht Bram. + +„Ik ben oók jong geweest...” begon de ouwe heer. + +„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram. + +„... maar in onzen tijd...” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur +bleek. + +„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde +Bram nutteloos. + +„... in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn +preek. + +„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag Bram. + +„... en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles +door. + +„Och kom?” kwam Bram. + +„... en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.” + +„O, ja?” + +„... en smeet je geen kattenkrengen op straat.” + +„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe. + +„... en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over +straat.” + +„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram. + +„... en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden +geweerd”, op een nette deur.” + +„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram. + +„... en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.” + +„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram. + +„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur. + +„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het +slot springt soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in, +begon weer te hameren. + +Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik +daalden af, kwamen ook de kamer binnen. + +„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met +wien heb ik de eer?” + +„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik. + +„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer. + +„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan. + +„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit. + +„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen: + +„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de +eerste de beste zou binnen kunnen loopen.” + +De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een +keukenstoel te schudden, kon er geen woord uit krijgen. + +Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen. + +„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij. + +„’t Is huisvredebreuk,” verklaarde ik. + +„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen +halen,”—voorzag Boy. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN. + + +’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen +tegen vijf uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty, +Toos, Non en mij in de eetkamer bij den afternoon tea. + +Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te +lezen en te werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was +het theedrinken tevens ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den +morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen zat te ploeteren, toen +zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas over +zijn ondergoed, kwam binnensluipen. + +„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig. + +„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit. + +„De pest,” zei hij. + +„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder. + +„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer. + +„Wil je dat ik wat thee zet?” + +„Nee laat maar.” + +Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet +hóe hem te behandelen. + +„Heb je koorts?” + +„Nee—de pest—heb ik je al gezegd.—Wat zit je daar te blokken?” + +„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.” + +„Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere ... +schwamm drüber,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt, +dan zal het me niets verwonderen.” + +„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” meende ik. + +„Och ja man—’t is lam.” + +„Iets met Kitty?” vroeg ik. + +„Nee—met haar familie.” + +„O.” + +„Ik moet me voorstellen.” + +„Is dat alles?” kwam ik opgelucht. + +„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik +wordt al wee als ik er aan denk.” + +„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik. + +„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.” + +„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.” + +„En je straalt,” voorspelde Boy. + +„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.” + +„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,” +somberde hij. + +„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik. + +„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een +aanstaanden schoonpapa optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden +opbiechten?” + +„Heb je er veel?” + +„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.” + +„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later +wel.” + +„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je +voor je plezier geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou +veel meer zin hebben den heelen dag op een paard te zitten, nooit meer +een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.” + +Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn +gekleede jas, met handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als +een dominee. + +„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer +bij het boord geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee +verwrongen had.—Ik bracht hem tot de deur. + +„Hou je maar taai,” moedigde ik aan. + +„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik +maak een standaardwerk van flaters.” + +Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half +uur. Boy kwam niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis. + +Na een poosje kwam hij terug. + +„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning. + +„Beroerd.” + +„Hoe zoo?” + +„Wacht even.—Janne!” + +Janne kwam. + +„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en +die lakschoenen en ... nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.” + +„Steek eens op,” leidde ik af. + +„Graag.—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.” + +„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer. + +„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een +vaasje van een tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n +onhandigheid heb ik toen gezegd: „Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei +schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. „Het is me heel +aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg er +natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat +schoonpapa me raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan +praten; over m’n financies, waaromtrent hij mij evengoed had kunnen +inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat ik als geheime +verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als ik +door m’n eerste examen ben.” + +„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig: + +„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en +aan twee broers én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot. +Ik heb in de familiekring theé moeten drinken. M’n bakkes stond stijf +en strak van het glimlachen dat ik deed. De heele familie keek me aan +als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan m’n moeder; arme +vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten en +’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der +dagen wordt aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik +’s avonds theedrinken, zal Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen +met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk niet meer komen. Dat stáat +niet. + +„Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een +verschrikking maakt, is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk +begonnen?” + +„’t Is altoos zoo,” troostte ik. + +„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige, +poeteloetige inleiding voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet +burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel idealen, of misschien te +weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als +wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.” + +„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik. + +„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n +dictaten en boeken ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat +óok maar. En—o ja—neem dat beeld van dien naakten faun weg, mama kon er +eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap je?” + +En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, die +over den kop is gegaan. + +Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een +gehéime verloving is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en +Boy trok zich terug, om op zijn schrijftafel al vast de +dictaten-uitstalling in te richten. + +Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht +vermoedelijk, dat Bram nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de +oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar niet aan, geheel vervuld door +een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee hij zegevierend +thuis was gekomen. + +„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij. + +„Waar?” vroeg Toos. + +„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor. + +„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best +kon en trok de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan, +dat hij er mee had trachten op te staan. + +„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.” + +Bram zat voor de deur van zijn kamer, wreef zijn achterhoofd, dat tegen +de deur was aangekwakt. + +„Doet het pijn?” vroeg Toos. + +„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch. + +Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen +schop tegen mijn schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te +slaan. + +Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten. +Zich vasthoudend aan de trapleuning, stapte Bram met holle +dondergeluiden over het gangetje. Wij keken toe, op een gepasten +afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor den +helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De +trapopening deed de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval +gevaarlijk. Aan den deurknop van de eetkamer kón hij zich niet +vasthouden, want, om de deurpost loerend, was daar Toos, die hem +onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij sloeg twee +maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot +den afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den +deurknop van de zekere plaats vast, rukte in zijn slag die +geheimzinnige deur open: + +„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat. + +„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de +deur neergezegen. + +„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan +gruzelementen getrokken! Ai jesses nog an toe!” + +We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram, +die maar riep: + +„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer +neerplofte, maar den moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen +deurknop tot steunsel te grijpen. + +Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten +rechts en links. + +„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy. + +„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram. + +„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een +nieuwe lachstuip lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning +miste en met kletterend metaalgeraas en gebonk van ledematen de trap +afsloeg. + +„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy. + +„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik. + +Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met +automaat-bewegingen de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag +te huilen van opwinding en Non geen geluid meer van zich gaf; Boy zat +op den grond en ik stond hoestend me in een koekje te verslikken. + +Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te +verzetten. + +„’t Gaat al beter,” verkondigde Bram, „als ik maar op gang...” en toen +sloeg hij voorover, greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met +theegerij en koekjes over zich heen. + +„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen. + +„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg. + +Toen kwam Janne binnen: + +„Ai jesses nog an toe,” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.” + +Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op. + +„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur. + +„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy. + +„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde +ik. + +„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later +jaren, in Nangking, zou hij er om denken. + +Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de +theevlekken uit vloer- en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non +dronken met snikkende bewegingen en bibberende lippen koud water. Bram +had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf in den nek +smeeren. + +„Ja,”—vond Boy, „het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je +direct en als je kúnt rollen, rol je niet meer.—Enfin—ik heb me met +recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: „Je zult je +nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf +vond. + +Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had +de vertooning op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker +toe te kijken. + +„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy. + +Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met +een duwtje kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net +was hij er bij een aangeland, toen de meid er uit kwam. Bram stoof +tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om het evenwicht te +bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen. + +„Enge bliksem!”—giechelde de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!” +klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan niets hebben en stoof met een +duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur gerakend. Een +spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te +pletter. + +„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in +zoo’n kort oogenblik had zien geschieden. + +„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op +éen elleboog in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te +trekken trachtte. + +„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer. + +Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des +onderbuurs loerspiegeltjes vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen +bij te trekken, nam weer een afzetje en stoof ditmaal tegen den ouwen +van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen was. + +„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den +hals sloeg, maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de +schenen uitdeelde, waar ik van meespreken kon. + +„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen +ter afwisseling achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht +boóg,—„laat me lós m’nheer!” + +„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der beenen bij, +waardoor het andere weer uitschoot. + +„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder. + +„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen +zal het regenen. Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de +kleine steentjes. + +„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker. + +„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer. + +„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat +Bram, loslatend, met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In +volmaakte evenredigheid lagen ze op elkaar. + +Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken +trappenden Bram naar binnen. + +„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy, +het heertje afkloppend. + +„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek. + +„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig. + +„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit +is me zoó iets overkomen.” + +„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je +leven,”—troostte Boy en deed de huisdeur dicht. + +Binnen op de trap zat Bram. + +„Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij. + +„Goddank,” zei ik opgelucht. + +„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy. + +„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram. + +„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht. + +„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er +immers niet om gevraagd.” + +Meteen werd er gebeld,—driftig. + +„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur. + +Boy deed open. + +„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer. + +„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog +veel gekker dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram +inmiddels plat gedeukt bij de lantaarn gevonden. + +„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel. + +„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik. + +„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die +kat—u weet wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel +erg.”—Waarop de getergde de deur dichtsloeg. + +Boven aan de trap was Janne. + +„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet +meer op.” + +Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat +praten. + +„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.” + +„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig. + +„Vermoedelijk wel.” + +„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond +hij somber. + +Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het +koffiedrinken ten huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het +geld voor haar melkkan eischen. + +„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap +tegemoet kwam. + +„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen +op beide wangen. + +„Gossie,”—zei de meid grinnekend. + +Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel +wat anders: + +„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht +bonzend. + +Bram keek beteuterd. + +„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had. + +„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars. + +„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne +zich, die Bram niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval. + +„Ga haar achterop,” raadde ik. + +„Toe—doe jij het,” verzocht Bram. + +En zoo holde ik Toos achterna. + +„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze +kón rennen. + +„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze +haast huilde. + +„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik. + +„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze. + +Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren. + +„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen. + +„Toe nou Toos,”—hield ik aan. + +„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram. + +„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar +uit. + +„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg +van.” + +„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende Toos. + +„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn +aardige meisjes genoeg in den Haag,”—kwam de meisjesgek. + +„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk +deeglijk. + +„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug. + +Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty +niet meer, nou Toos. Het was lam. + +Dien middag werd weinig aan tafel gesproken. + +Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan, +want nog een páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou +zenuwziek zijn. + +„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram. + +„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche +steal-crisis, toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het +algemeen—over dienstboden. Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord +hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over het boenen van parketvloeren +en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal was, net of +ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een +discussie over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou +het nooit uit.” + +„Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik. + +„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het +salon, borduurde. Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan +doen.” + +„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was. + +„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om +getemd te worden, om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel +ik me of ik al duf begin te worden,—of ik begin uit te slaan.” + +„Nee—je slaat dóor,” vond ik. + +Maar het begón er raar uit te zien. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN. + + +Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld +kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit +meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu +er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan +ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven. + +Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den +Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij +toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank, +jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht, +sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante +preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van +ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de +vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals +halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het +refrein: + + + Ma voce e bellezza + e giovinezza + non torna più; + el il tempo che passò + senza l’amore + non tornerà! + + +en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me +nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn +uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen +jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere +levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig, +lévend lichaam er door heen te maaien. + +Men vergeve me deze ontboezeming. + +Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach +door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan +zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden +kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte +sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en +vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin +... ik was er mal van. + +Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de +ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan +uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch +was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s +avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het +rechte wisten we er niet van. + +Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen, +want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy +binnenstuiven kwam. + +„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen +koffiedrinken.” + +„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die +ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor +altoos geweken. + +„Ze kómen!” jammerde Boy. + +„Geef orders aan Janne,” raadde ik. + +„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug. + +„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend. + +Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te +regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was +het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag +drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor +bijna leege schotels elkaar verwijten te doen. + +Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en +een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield. +Als Bram kwam waren we dus tien personen. + +„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan +éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om. + +„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze. + +„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy. + +„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol. + +„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in +den mond. + +„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar +jammerklacht. + +„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel. + +„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?” + +„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik. + +Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar +manchetten. + +„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij. + +„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne. + +Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst: + +„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal +sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas...” + +„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de +koffie.” + +„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een +koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan. + +„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor +je, als je doet wat ik zeg.” + +„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd. + +„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap +je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht +maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen +kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.” + +„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde +Boy zijn reputatie. + +„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef +je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.” + +Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde +over de plaatsenverdeeling. + +„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes, +genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat +bloemen. + +„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik +terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.” + +„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en +ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog +wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den +brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille +van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik +haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer +mocht belanden. + +Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als +karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich +aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd: +„Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een +diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit: + +„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier...” toen +hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste +figuur. + +„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen. + +„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet +je nooit hoe laat hij komt.” + +En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van +wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween, +toen Janne eerwaardig binnenstapte. + +„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht +eenige winters meér bezat. + +Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door +tegen Kitty te zeggen: + +„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer +voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen +vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar +listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou. + +De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat +hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons +sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en +sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen +met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die +riep: + +„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?” + +„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang. + +„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de +deur van de huiskamer. + +„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!” + +„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém +heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf. + +Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar +wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch +bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn: + +„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht. + +„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw +vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas +over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen +door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig +open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik +ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje. + +Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van +Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een +deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven ... Loekie...; als ze +zich maar stilhield. + +Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken. + +„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig +en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot. + +„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond, +terwijl ik den sleutel in den zak stak. + +„Sst!” deed ik angstig. + +Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de +schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan +kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de +naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen +aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar +beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer +neerstreek. + +Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen +verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje +moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet +meer uit, loog onbevangen: + +„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb +afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf +handjes en ging. + +„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde +welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in +de keuken, gaf Janne haar fooi. + +„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel. + +Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er +bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn +bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar +blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne +hempje, waren zichtbaar. + +„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing +voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de +dekens, bleef met éen oog naar me kijken. + +„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik. + +„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze. + +Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar +verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze +kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes +en de sigaretten in bed gekropen was. + +„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan. + +„Hoezoo, Loekie?” + +„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.” + +„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd. + +„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat +ik ze óok veel liever zóo zag. + +Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig +éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het +andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn +kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel. +Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen, +de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de +roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden +hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze +een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een +sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele +lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige +bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk +vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd +in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die +over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen +kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond +veroordeelen. + +Ik niet. + +„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie. + +Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel, +leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het +lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de +ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig. + +Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de +vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy +binnen. + +„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte +toonend over haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus +nog altijd offside?” + +„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon +verdragen over de lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn +ruikinrichting. + +„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het +kaarsje op de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was, +sprong ze op met een kattig-vlug gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar +deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in de sofa te +suffen zat. + +„Au—schei uit!” schreeuwde hij. + +„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes +op zijn schoot zitten. + +Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar +jonge lichaam door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is +het dat hij zich oerdeeglijk hield en commandeerde: + +„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!” + +Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in +waardeering verschillen kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde +speelsch de keurige scheiding. + +Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval +aan te zien... En toen stond opeens Toos midden in de kamer. + +Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik +van zich laten merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een +standje met een kwitantie op de stoep hebt; dat juist een deur zal +opentrekken als de daarachter-zittende vergeten heeft het haakje er op +te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde? + +Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar +kleeding tegenover een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok +en met zenuwachtige bewegingen de afgezakte roodzijden schouderbanden +weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, stond er betoeterd bij, zei +toen hakkelend: + +„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen +onhartelijk mocht heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht +haar toevlucht bij mij, verborg haar blozend hoofdje aan mijn borst, +terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes legde. Toos mocht +ze eens áanvliegen. + +Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op +heeterdaad betrapt”-tooneeltje, dat ik opeens in een schaterlach +loskwam. + +Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen: + +„’t Is schándelijk—’t is schándelijk!” hijgde ze. + +„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je +het tegen den commissaris van politie in eigen persoon opnemen. + +„Hou je stíl!” barstte Toos los. + +„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend. + +„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos. + +„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend. + +„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos. + +„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren. + +„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen +holde ze de kamer uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer +hoorde ik den twist losbarsten. + +„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch +al weinig aangetrokken had. + +„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze. + +„Och wat,” kwam ik luchtig. + +„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me +week. Die ellendige Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn +armen voelde ik het lenige lichaampje schokken in hortend gehuil. Er +moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte oogen, zette +haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer. + +„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de +vuist op tafel,—„dat zal ik zélf doen.” + +„En haar vóorliegen,” keef Toos. + +Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en +weer, bulderde: + +„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat +meisje,—of ze het niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders +niet?—Kom ga mée!” + +„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!” + +„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift. + +Toen kwam Janne binnen. + +„Ai jesses nog aan toe,” verbaasde ze zich. + +Maar Janne was een uitkomst. + +„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik. + +„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne. + +„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik +verder. + +„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!” + +„Zíj,” wees Boy op Toos. + +„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die +liegt met permissie!” getuigde Janne. + +„Nou hóor je het!” zei Boy. + +„Is het héusch?” vroeg Toos. + +„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken +van m’nheer Boy,” verweet de dienstbode. + +De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen, +zelfs niet door Toos. + +„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze. + +„’t Wordt tijd,” meende Boy. + +„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader. + +Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze +had naar ons verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de +huiskamer, hoorde boven stemmen „en toen—nou toen vond ik jullie met +die ... die...” + +„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan. + +„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze. + +„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik. + +„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos. + +„Dat is je geraden,” kwam ik valsch. + +Toos ging. + +„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan +Janne. + +In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze +gekleed, klaar om heen te gaan. + +„Wat zijn dát nou voor kuren?” + +„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig. + +„Toe nou—je bent er pas.” + +„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze, +en haar lippen begonnen te beven, ze stond op huilen. + +„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag, +den heelen avond, den heelen nacht.” + +„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af. + +„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil +je dien hoed wel eens afzetten, en den mantel uit, en de +handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande ik, haar in mijn armen +vertroetelend. + +En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de +handschoenen; en ook de bloese en den rok en al haar wondere fijne +kanten en zijden verborgenheden, die ik met voorzichtige vingers haar +afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen woelden in mijn +haar. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +GEHEIMZINNIGHEDEN. + + +Kitty vond Bram en mij voortaan „schandelijke jongens,” maar bleef van +Boy’s voorbeeldigen levenswandel overtuigd. + +Tot op een zekeren dag een naamlooze brief de jonge verloofde +waarschuwde voor haren aanstaanden wettigen echtgenoot; het velletje +was onderteekend door „een trouwen en gedevoueerden vriend.” + +Den Haag doet steeds wanhopige pogingen om een wereldstad te gelijken, +geen wonder dat dus ook dáar men elkaar het leven verzuurt met het +grootsteedsche middel van anonieme brieven. Daar echter noch Kitty’s +familie, noch Boy tot de „côterie” behoorden, zaten ze met het +geheimzinnige schrijven in, evenals een kantoorklerk die een +prijsgekroonden jachthond ontvangt.—Na het eerste moesten andere +schrijfsels volgen, en Kitty werd stil. + +Zoo kwam eens Boy met een epistel thuis. Er werd in verteld, dat hij +dien avond een afspraakje zou hebben bij de eerste sluis van het +ververschingskanaal. + +„’t Is poëtisch,” meende Bram. + +„Ik ga er naar toe,” besloot Boy. + +„Wie denk je dat het is?” vroeg ik. + +Bram, die druk Sherlock Holmes leest (je hebt dat meer met menschen die +in de letteren studeeren), zat het ding onder een loupe te begluren: + +„Je zoudt zeggen, iemand met een koppig karakter;—kijk maar eens wat +een hoop rechte verticale en horizontale lijnen.” + +„Stik met je koppig karakter,” kwam Boy botweg; „’t is de katjang, dat +is zoo klaar als een klontje.” + +„Dáar had ik nog niet aan gedacht,” bekende Bram. + +„En als ik hém vanavond vind,” ging Boy door,—„dan zal ik hem op z’n +dikken bek slaan, dat hij geen pa en geen ma meer kan zeggen.” + +„Bega geen stommiteiten,” verzocht ik. „Bram en ik zullen gaan.” + +En we gingen. Het was koud en motregende. + +„Er zijn twee sluizen,” merkte Bram op. + +„’t Is de eerste,” verklaarde ik. + +„Dat ligt er aan van welken kant je begint te tellen,” filosofeerde +Bram treffend. + +„Dan gaat er een naar de zee-, de andere naar de binnensluis,” loste ik +op. + +Bij een lantaarnpaal wierpen we kruis of munt. Ik liep er in en +dierhalve vloekend naar de zeesluis. Waar ik me in den regen en den +wind, alle katjangs en naamlooze brieven naar de hel verwenschend, ’n +half uur lang te vertrappelen stond. + +Thuisgekomen lag Bram al voor de kachel een pijp te rooken. + +„En?” vroeg hij. + +„Niks gezien. Jij?” + +„Geen kip.” + +Waarop Boy meende dat we kuikens waren. + +Bram, die een speurdersgeest heeft, nam me den volgenden middag +terzijde. + +„Nou gaan we katjang zoeken.” + +„En den boel bederven.” + +„Nee—laat mij maar begaan.” + +„Nou vooruit maar,” gaf ik toe, bedenkend dat het geval moeilijk +verwarder kon worden. + +Bram’s doel was de Bordelaise. Den Haag is zoo’n wereldstad, dat je in +de Bordelaise en in Centraal de geheele bitterbende vinden kunt. En +katjang zát in de Bor. + +„Dag Piet,” zei Bram vriendelijk, „dat is leuk dat we je eens +ontmoeten.” + +Piet vond het ook charmant en we gingen zitten, dronken een +„schilletje”. + +„Zie je veel lui in den laatsten tijd?” vroeg Bram. + +En de katjang sneed gretig op van al de donderjolen en de barre fuiven +die hij meegemaakt had, vertelde hoe hij verleden nacht vijfhonderd pop +op den Jockey-club had laten zitten bij een baccarat. Maar dat gaf +niets. Wat hem in den weg zat, dat was, dat die Lena, „je weet wel die +magere meid uit Flora?” hem niet los wou laten, terwijl hij toch zóo +genoeg van haar had. + +„Ze is mal van je hé?” vroeg Bram. + +„Stapel man,” snoefde Piet. + +„Ja dat hoorde ik,” loog Bram. + +„Zoo? Och ja, ze tóont het ook zoo,” kwam de katjang gevleid. + +„Gelukkige kerel,” verlakte ik, Bram een duw met mijn knie gevend. + +Maar Bram bleef ernstig. + +„Je moet naamlijk weten Piet, dat deze hier,” en hij wees op mij, „óok +mal van haar is en graag eens aanpappen wou.” + +Ik hield een staal gezicht bij deze aantichting. + +„Och kom?” glimlachte katjang, „maar jij bent toch met een andere meid, +zoo’n modehip meen ik.” + +Het liefst had ik katjang op zijn gezicht geslagen, wel niet zoo hard +dat hij geen pa en ma meer kon zeggen, maar toch ook niet zóo zachtjes +dat hij geen au riep. Maar ik hield me al weér goed, aangespoord door +knieduwingen van Bram, die mij met het tweede schilletje deden morsen. + +„Och, dát is al voorbij,” bekende ik luchtig. + +„Ja, nooit lang bij éen vrouw blijven, dat is zoo insipide,” vond +katjang. „Maar weet je, ik zeg het je om je te waarschuwen: Lena is een +dúre meid, ze kan een hoop geld aan.” + +„Dat heb ik er voor óver,” blufte ik. + +„Ze zou je kunnen ruïneeren,” voorspelde katjang patserig. + +„Hem?” kwam Bram even patserig. „Hij heeft geld genoeg om tien Lena’s +te onderhouden.” Een bewering die te pijnlijk voor me was om te beamen. + +„Goed ik zal je voorstellen, dan bewijzen we elkaar een dienst,” deed +katjang vriendelijk. + +„Schrijf een aanbeveling,” raadde Bram, en ik begon lont te ruiken. + +De kellner bracht de schrijfbehoeften en met een spatpen, een van die +pennen die je alleen in café’s en postkantoren aantreft, krabbelde hij +een aanbeveling voor de wonderlijk begeerde Lena. Zijn schrift beefde +een beetje doordat Bram me voortdurend aanstootte, maar het leek +desniettegenstaande volmaakt op dat der naamlooze brieven. + +„Wie stoot er toch zoo?” vroeg de argelooze, ezelsdomme Piet. + +„Ik;—m’n been sliep,” verklaarde Bram. + +En toen gingen we vlug naar huis, waar we Boy op zijn kamer vonden, +handen in het haar. + +„Scheelt er wat aan?” vroeg ik. + +„’t Is uit!” kwam hij stil. + +„Wát?” stamelde Bram. + +„Pa meende, dat je geen koe bont noemde als er niet een vlekje aan +zat,—waarop ik geantwoord heb, dat je ook nooit wist hoe een koe een +haas ving, en dat ik er wel áchter zou kunnen komen wié die vodden +schreef...” + +„’t Is de kátjang; we weten het nou,” riep Bram zegevierend. + +„Waarachtig?—hóe weet je het?” sprong Boy op, met flikkerig-nijdige +oogen. + +Bram gaf de aanbeveling voor Lena, legde het geval uit. + +„Godverdomme—de ploert! Ik wórg den vent!” en Boy sloeg met de vuist op +tafel. + +„Zie je—zoo is morgen de zaak weer gezond,” kalmeerde ik. + +„Nee—dat is die niet,” en Boy ging slap weer zitten. + +„Vooruit nou,” lachte Bram. + +„Kitty...” aarzelde Boy—en toen opeens driftig: + +„Ze gelooft het wel niet heelemaal, maar ze wantrouwt me. Dàt maakt me +kapot, dàt vreet me op. En daarom heb ik zèlf het ook maar uitgemaakt.” + +„Je bent gek,” meende Bram bot. + +„Hou je smoel—je weet niet wat je kletst,” stoof Boy op. + +„’t Komt wel terecht,” suste ik. + +„Dat komt het niet.” + +„Zullen we er héen gaan, hun uitleggen van den brief?” trachtte Bram. + +„Nee laát dat maar.” + +„Laat nou geen misverstanden blijven bestaan,” kwam ik wereldwijs. + +„Er is geen kwestie van misverstand. Kitty denkt dat ik lieg. Kitty +gelooft me niet, en daarmee is de zaak uit. Dus komt ’t niet meer in +orde.” + +Bram en ik, die het argument voelden, hielden ons toen maar stil. + + + +Dienzelfden avond had Boy alweer zijn alledaagschen trant herwonnen. + +„Wanneer komt Loekie nu weer eens?” vroeg hij. + +„Ze wou van avond komen, als je het niet vervelend vindt,” beweerde ik +met een doodgraversgezicht. + +„Ben je màl?—integendeel.” + +„M’nheer,” kwam Janne binnen, „juffrouw Loekie, die ondeugende meid, is +vanmiddag nog even hier geweest.” + +„Ze komt straks wel,” voorspelde ik. + +„Daar zèg ik het niet voor,” weerde Janne af, „ze is hier of ze +kòmt,—daar leit ’t niet aan,—maar ik wou dat u d’r is een beetje d’r +rare kunsten afleerde.” + +„Wàt voor rare kunsten?” Ik vóelde mijn verantwoordelijkheid. + +„Vanmiddag heit ze, uit baloorigheid, me een poets gebakken, zeker +omdat ù niet kwam,” klaagde Janne. + +„Wàt dan toch,” kwam ik in spanning. + +„Ze heit... Wacht ik kom zóo weerom,” en Janne verdween in de beste +kamer. + +We keken elkaar aan, in wilde verbazing. + +„Och meheer,” verzocht Janne van achter de deur, „kijk u toch eens even +naar de biefstuk.” + +We kéken naar den biefstuk, kregen twist of hij al dan niet omgedraaid +moest worden, en toen Janne terúgkwam was hij natuurlijk aangebrand. + +„Ai jesses nog an toe—ik kan het niet helpen heere.—Die verdomde judas +van een meid ook!” + +„Allemachtig Janne, zou je nou eens willen vertellen?” maande Bram aan. + +„Ben ik even weg uit de keuken en daar heit ze me stiekem wonderolie in +m’n thee gedaan,” helderde Janne op. + +We gierden het uit. + +„Jannepans—zeit ze toen—je thee wordt koud; wacht zal ik es effen +roeren? En toen roert ze en zet me de kop aan den mond en giet ’t er +zóo in.” + +„Waarom heb je het gedronken?” schaterde ik. + +„Och—ze heit zoo’n lieve manier van doen en toen ze me hielp drinken +vond ik het wel leuk.—En ik slokte ’t in éene op. Je kent aan dat kind +niks weigeren als ze wat wil.” + +„Nee,” zei ik, die er van mée wist te praten. + +„En toen ik het óp had,” vervolgde Janne, „zeg ik zoo:—wat een rare +smaak het die thee. En toen zij aan het lachen, op stuipen af, en toen +zeit ze me: „er zat wónderolie in”, en smeert ’m meteen.—Zoo’n +verduvelde meid.” + +„Hoe is het gegáan?” vroeg Bram. + +„Als gesmeerd vermoedelijk,” meende Boy. + +„Dat ging het nét. Ik ben er met permissie geen kwartier van áf +geweest. De heere moeten me maar eens verekskuseeren, ik heb op het +eten...” + +„Hoe zoo, heb je ook op het eten...?” huiverde Bram. + +„Nee,”—kwam Janne beleedigd, „ik heb er niet op kunnen lètten. Hé—ai +jesses nog an toe—ik voel me zoo áaklig.—Wacht, ik kom zóo terug.” En +Janne holde weer weg. + +Het eten was óf ongaar óf aangebrand; de bediening had groote gapingen. + +„Een flauwe mop eigenlijk,” vond Bram, die een kieskeur is. + +„Ik zal het haar afleeren,” beloofde ik. + +Net ging de bel over. + +„Och doet ú even open,” verzocht Janne van achter de deur. + +Ik trok aan het touw. + +„Dág,”—schalde Loekie’s stem, „waar is Jannepans?” + +„Dat snap je wel,” trachtte ik ernstig te doen. + +Loekie kwam binnen. Met haar grooten zwarten hoed, haar nauw om het +lenig lijf sluitend manteltje en dúrvend engen rok, zag ze er snoezig +uit.—Maar ik nam ál mijn ernst bijeen om haar een standje te maken. + +„Geef je me niet eens een zoen?” vroeg ze. + +„Eerst zal je excuus aan Janne vragen,” deed ik stug. + +„Ze zei zélf dat ze verstopt was,” verdedigde Loekie zich pruilend. + +„Je hebt óns het eten er mee bedorven,” nijdigde Bram. + +„Die grappen láat je nu voortaan maar,” kwam ik nog met een laatste +greintje gemaakte boosheid. Loekie—goedig kind, dat geen ernst +verdragen kan, stond aan haar rok te plukken, oogen neergeslagen. Ze +was góddelijk zoo. + +„Is het nou zóo erg?” pruilde ze zachtjes. „Ik heb wat lékkers +meegebracht voor Jannepans,”—en uit haar taschje haalde ze een zak +haagsche hopjes. + +„Zoo rakker,” zei Janne, binnenkomend. + +„O Jannepans, ik zal het nooit, nooit weer doen,” beloofde ze. + +„Nee, éen keer is genoeg,” vond Boy. + +„Toe—Jannepans,” smeekte Loekie, „hier is wat lekkers.” + +„Ja dat ken ik nou tóch niet eten,” verklaarde ze bars. + +„Hè, tóe nou,” hield Loekie aan. „Ben je bóos Jannepans?” en ze trok, +als een kind, de oude meid aan haar schort. + +„Komkom—op joú kan niemand boos wezen,” lachte Janne weer. „’t Is al +weer over hoor.”—Ze bedoelde haar boosheid. + +„En noú geef je me een zoen,” juichte Loekie, doodop van zooveel ernst +neerzijgend op mijn schoot.—Ik gaf haar een en toen nog een +heeleboel.—Janne ging heen, vermoedelijk niet naar de keuken. + +Loekie trok mantel en handschoenen uit, zette den grooten hoed af en +ging goedig in de keuken vaten wasschen. + +„Je blijft er af,” bedilde ze, toen Janne zich er mee bemoeien wou, +„jij bent ziek vanavond.” + +„Zoo’n duvel,” glimlachte Janne, die zich nog steeds onledig hield met +zich te ledigen. + +Daarna diende Loekie thee op. + +„Zit er wéer wonderolie in?” informeerde Boy. + +„Welnee. Toe, geef me een sigaret,” kwam Loekie, en ze drapeerde zich +met het tafelkleed, nam mijn filten hoed en danste niet +onverdienstelijk een spaanschen dans. + +„Bonjour, bonjour,” riep ze, het tafelkleed op de sofa werpend en me +bij de hand naar mijn kamer meetrekkend. + +„Ben je nog boos?” vroeg ze, de armen om mijn hals. + +„Malle Loekie, ik ben nooit boos geweest,” lachte ik, al mijn +waardigheid vergetend. + +„Mag ik blijven vannacht?” vleide ze. + +„Natuurlijk.” + +En ze rende weg naar mijn slaapkamer, kwam terug met losse haren, het +lichaam gehuld in de plooien van een wijden warmen blauwen kimono, de +voetjes in een paar persische muiltjes gestoken. + +„Zoo voel ik me veel prettiger,” verklaarde ze leuk. + +O, heerlijke ondeeglijkheid! Ze heeft me nooit berouwd toen ik er in +later jaren armoe door leed. + + + +Den volgenden dag gingen Loekie, Boy en ik de stad in, want Loekie +moest een nieuwen hoed hebben, èn een heeleboel fijn-zijden kousen èn +een paar nieuwe lage lakschoentjes. + +En zoo wilde het ongeluk, dat het vroolijk snappend kind ons de Passage +binnenlokte en dat Boy opeens den katjang voor de Bor ontwaarde. + +„Zoo verdomde smeerlap,” zei Boy, suikerpiet bij den schouder pakkend. + +„Wat moet je?” vroeg deze. + +„Heb jij nog meer brieven aan Kitty te schrijven?” kwam Boy ingehouden +woedend. + +„Laat me lòs,” riep de katjang, die vaal werd. + +„Daar!” en pardoes gaf Boy hem een klinkende oorvijg, die onder het +glazen dak ná-echoën bleef. + +„M’nheer, ben je bedonderd?” kwam de katjang beduusd. + +Pats, sloeg hem een tweede oorvijg tegen de tafeltjes. De menschen +stoven op, we kregen bekijks.—En toen deed de katjang, die te laf was +om een klap terug te wagen, iets waardigs om zijn figuur te redden. + +„M’nheer, m’n kaartje, m’n kaartje,” schreeuwde hij, grabbelend naar +zijn portefeuille, en het karton met breed gebaar overreikend aan Boy, +die ingehouden kalm afwachtte, besloten tot alles. + +„Hier, m’n kaartje, m’nheer,” stotterde de katjang weer. + +„Och ventje, toen ik zoo oud was als jij, hàd ik zulke mooie kaartjes +niet eens,” kwam Boy snijdend. + +„Op de sabel m’nheer, op de sabel,” snoof zenuwachtig katjang. + +„Breng ’m goed scherp mee, dat ik er me mee scheren kan,” geestigde +Boy. + +De Bor-bezoekers zaten te schateren. Loekie, die eerst stil geweest +was, riep gierend: + +„Ik lach me dóod!” + +Waarop Boy ernstig zei: + +„Sst! Loekie, pas op met dien m’nheer, hij stéekt je straks nog dood.” + +„Een duel, m’nheer, een duel!” schreeuwde de katjang, die zich wanhopig +belachelijk voelde. + +„Jongen, schreéuw zoo niet, we wéten het,” suste Boy, en dan: „Kassian, +soeda dan maar, drroom err nou maar niet van, já?” + +Nooit is er in de Bor harder gelachen, vooral toen Boy, heengaand, +Piets hoed afmepte, zeggend: + +„En je hóed af als je met groote menschen spreekt.” + +„Dag kàtjang!” schalde Loekies stem nog. + +„Dat lucht op,” vond Boy, zich door het gedrang wringend. „En waár gaan +we nu Loekies kousen koopen?” + +Loekie verklaarde dat ze wel een winkel wist. + +Bram werd door ons drieën verrast. + +„Ik heb een duel,” verkondigde Boy. + +„Vernachel jij je tante,” raadde Bram. + +„Heusch!” schaterde ik. + +„Met den ouwe van beneden?” veronderstelde Bram. + +„Nee met kàtjang!” juichte Loekie en trok toen haar nieuwe +lakschoentjes uit, grabbelde het pak kousen uit mijn jaszak, trok het +oude paar uit en een nieuw paar—paarse—aan. + +„Geef die oude maar aan Jannepans,” verzocht ze, niet bedenkend wat +Janne met opengewerkte zijden kousen wel zou moeten beginnen. + +„Allemachtig mooie beenen heeft Loekie,” vond Bram, wien het duel geen +snars kon scheelen. + +„Kijk vóor je,” maande Loekie, die niet de minste moeite deed haar +mooie beenen, en meér nog, te verbergen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +HET DUEL. + + +Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der +wereld, in Loekie’s armen, toen Boy klopte. + +„Wat is er?” gaapte ik. + +„Kom beneden.” + +„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte +het slapende kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen. +Hij keek even naar Loekie, fluisterde verteederd: + +„Allemachtig wat is ze zóo lief.” + +„Ja maar, wat is er nu?” + +„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die +sterk naar Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te +schateren. + +„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij. + +„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op. + +„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.” + +„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde +en dan maar weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs +voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen die vloekten bij mijn pyama. +Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt achter een +krant. + +„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig: + +„Ja—heel goed,” antwoordde. + +„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers. + +„Och kom?” + +„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren...” + +„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te +verontschuldigen: „Ik lees daar zoo’n malle advertentie.” + +„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee. + +„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram. + +„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting +vaststellen. Den beleedigde—want m’nheer Piet is in deze de +beleedigde...” + +„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde +chevaleresque aan de getuigenvereeniging deelnam. + +„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een +hoogrood congestiehoofd op springen zat. + +„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde +weer de eerste getuige. + +„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan. + +„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams +lach achter de krant los. + +„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik. + +„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy. + +„Om je dóod te lachen,” gierde Bram. + +„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel +uitscheiden,” merkte katjang-een geraakt op. + +„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden +kon. + +„Wát?” vroeg getuige-twee. + +„Uitscheiden,” stamelde Bram. + +„Nee—dóorgaan,” vond ik. + +„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig. + +„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige. + +„Nee—géen sabel,” kwam Bram. + +„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe. + +„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram, +die blijkbaar niet wist dat je met een sabel niet sták. + +„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik. + +„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan. + +„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol. + +„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs. + +„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij. + +„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram. + +„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik. + +„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m +betalen,” voorzag Bram. + +„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige. + +„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de +tweede. + +„Op de pistool,” bevestigde Bram. + +„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een +stilte. + +„Die kóóp je,” meende een der getuigen. + +„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n +malleboel?” + +„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.” + +„Best,” vonden de katjangs. + +„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek. + +„Dat is gevaarlijk,” vonden de bezoekers. + +„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen +hoefde, met de veeleischendheid van een toeschouwer. + +„Tegelijk schieten?” vroeg ik. + +„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde. + +„Dat zijn geen gelijke kansen,” verontwaardigde zich Bram. + +„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy. + +„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik. + +„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg +schieten, want dan krijg je beslist ongelukken.” + +„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend. + +„En wanneér dus?” vroeg Bram. + +„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee. + +„Dat is?” + +„Half zeven.” + +„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy. + +We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier. + +„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy. + +„Och dat is niet noodig,” meende ik. + +„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij. + +„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,” +beloofde Bram. + +We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde: + +„Is uw vriend een goed schutter?” + +„En òf!” en ik vertelde de katervelling. + +Piets getuige werd stil. + +„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog. + +„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met +leedvermaak den doodsschrik op het lijf. + +„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,” +verklapte de ander. + +„Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik. + +En toen gingen ze heen, vergetend te groeten. + +„Hoor nu eens even,” zei Boy ernstig—„nou geén grappen met ongeladen +patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet +voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van +hebben, en als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus +geen grappen hè?” + +We beloofden. + +„Dank je,” zei Boy. + +En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar +Loekie, éen open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag. + +„Wat wàs er?” vroeg ze. + +Ik vertelde het geval. + +„Mag ik mee?” + +„Nee, dat kàn niet, Loekie?” + +„Hè, tóe nou—wat flauw.” + +„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand. +Je zult kou vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.” + +„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij. + +„Altoos als je wilt.” + +„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?” + +Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee +lebberen en de boterhammen met veel jam oppeuzelen. + + + +Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken. + +Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik +in een chamberloek,—toen opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas +van de andere wereld klonk. + +Meteen kwam Janne boven: + +„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het +schieten—ogotogot—aan het schieten, m’nheer!” + +„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens. + +„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er +net een revolverschot losdreunde. + +„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik. + +De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal +neergelaten en lieten flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De +schuifdeuren naar de eetkamer stonden open en in de serre had hij op +een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, met een brandend +kaarsje er voor. + +„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.— + +„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp +bemachtigde.—„Geraakt!” + +De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook. + +„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?” + +„Ik train me,” verklaarde Boy. + +„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je +kans om aan den overkant van de tuintjes iemand te raken.” + +„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die +tegen een verstokten idioot redeneert. + +„En als je er làngs schiet?” + +„Ik schiet er niet langs, verbeél je.” + +„Dat weét je niet,” hield ik vol. + +„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig. + +„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen +zooals aan Bram;—er kan... Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik +gezaghebbend. + +„Vast niet,” koppigde hij. + +„Ja,” hield ik vol. + +„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie. + +„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op. + +„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne. + +„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op +tafel. + +„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk, +den patroonhouder er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den +Browning in den zak stekend. + +„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy. + +Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de +onderbuurman brieschend verzet aanteekenen. + +„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan +kwam ze binnen: + +„Die m’nheer van onderen wou u spreken.” + +Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer. + +„Hier werd geschoten,” meende hij. + +„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,” +verklaarde Boy. + +„Ik meende...” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend +aan de schemering der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote +enkels en kuiten had, waarvan hij de schoonheid niet op prijs wist te +stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg onder den kimono, die nog het +kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde. + +„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,” +jammerde hij. + +Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur +uitzette. + +„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik, +hevig ontroerd. + +„M’nheer!” + +Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een +spuitwaterflesch op den hoed en in den nek: een paar korte, floepende +stralen. + +„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze. + +Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit. + + + +Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk, +vond het geval ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding +voor het tweegevecht, toen Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den +kimono droeg maar toch door mij overtuigd was, dat een paar kousen en +een hemdje er onder „gekleeder” stonden. + +Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle +handje toestak. + +Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen +champagne,—je wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden +was!—en Henk en Loekie kregen de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg, +dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, en bij Loekie, dat ze met +theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al bij voorbaat +uitlachte. + +Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten +we maar óp te blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen. + +„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram. + +„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat +jodiumtinctuur.” + +Loekie vond dat alweer ijselijk mal. + +„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik. + +„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend. + +„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter. + +„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich. + +„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk. + +„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram. + +„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.” + +„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie. + +Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost. + +We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge +operaties, die Loekie stil maakten. + +„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat +ernstig gebeurd weet ik er óok geen raad mee.” + +Maar Boy trok zich daar niets van aan. + +„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet, +heb je kans dát ie raak schiet.” + +„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk. + +„’t Loopt wel los,” suste ik. + +En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend +gevoerd, nu Loekie op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op +mijn schouder.—Om half vier dutte Boy, misschien zijn láatsten slaap; +om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst te snorken, weggezakt +in de leunstoelen. + +Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood ... +sla, sla...” en dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „... +dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje half open; ze zag zeker +grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; met +moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte +niet toen ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze +dichtdekte en haar de haren van het voorhoofd streek;—ze glimlachte +maar in haar droom. + +Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het +ronkende, knikkebollende drietal op de tafel; toen zocht ik een +plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig +wakker, legde het hoofdje op mijn schouder ... en sliep weer in. + +Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef, +stond ik op, ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met +een nijdigen armzwaai het lawaaimakende ding van de tafel in een hoek, +waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde hij en dommelde weer in. +Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het gaf niets; +toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht: + +„Godverdómme!” vloekte hij. + +„Opstaan,” gebood ik. + +„Waarom?” + +„Je moet duelleeren.” + +Dat deed hem klaarwakker worden: + +„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?” + +En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons +kwam er weer bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden, +werd nijdig: + +„Schei uit—nou géen gekheden!” + +Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den +revolver in den zak. + +„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy. + +„Een stuk of zes geloof ik.” + +„Dat is wéinig,” vond Boy. + +„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels +er gewisseld moeten worden.” + +„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche +veeleischendheid. + +„Een is genoeg,” voorspelde Boy. + +En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s en op mijn step +staan, want Boy moest gespaard worden. + +Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist. + +„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn +jaskraag. „Wat een pest—zóo vroeg op te staan.” + +Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis +over,—zwoegen met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd +verlaten lag het strand.—Het was half zeven. + +„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk. + +We gingen liggen tegen het duin, rookten. + +„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy. + +„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen +moet,” meende Bram. + +Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie +katjang. + +„Vertrapt deftig,” meende Boy. + +„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk. + +De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af, +groetten. Piet, vaalbleek, oók in feestkleedij, hield zich op een +afstand, dicht bij het rijtuig. + +„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend. + +„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend. + +De getuigen kuchten toen: + +„Onze vriend Piet—wilde ... hm ... wilde zijn verontschuldigingen +aanbieden.” + +We keken verbluft, maar Boy: + +„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken +bedremmeld, maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en +van m’nheer uw vriend neem ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg +voor opgestaan en ik wil hier niet komen voor Piet snot.” + +„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet +katjang werd gesproken. + +De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg +valer werd. + +„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy. + +„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó +gezellig is het hier niet.” + +De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug +staan, stapten we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een +kuil. + +„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle +duelregels in. + +Bram lootte met den anderen getuige om de plaats. + +Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken. + +„Vooruit heeren!” verzocht ik. + +Maar Bram begon opgewonden te gebaren: + +„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders +gedecideerd voor hun raap,” voorzag hij. + +De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen +terug. De koetsier, die van het heele geval niets begreep en half +angstig, half belangstellend,—zooals men naar gevaarlijke krankzinnigen +kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht te waarschuwen als +iemand van den kant der sluizen mocht komen. + +Bram bracht Boy naar zijn plaats: + +„Trek je jas uit,” gebood hij. + +„Ben je mal? ik verrek van de kou,” betoogde Boy. + +„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op, +dat je witte boord geen mikpunt geeft.” + +Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit, +vroeg: + +„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?” + +Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig. + +„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag +zwachtels schikkend. + +„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik +wel voor.” + +Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich +sullig den revolver in den hand stoppen. + +„Opgepast!” riep Bram. + +Boy, handen in de zakken, sigaar groot dampend in den mond, hoed in de +oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen kropen wèg +achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van +de duelleerenden. + +„Aanleggen,” gebood Bram. + +Maar katjang maakte geen bewéging. + +„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op. + +De arm ging slap omhoog. + +„Vuur!” kommandeerde ik. + +Pang! knalde het schot. + +„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog +al maar rechtop stond te rooken. + +„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets +kogel, vlak voor hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had. + +„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb +nog gezegd: niét luk raak schieten.” + +De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje. + +„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven, +tranende oogen weer wat kijken kon. + +Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop. + +„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval +geen raad meer schenen te weten. + +„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand +zág. + +„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn +allen sjorden we katjang op, die klappertande en groote droppen +zweette. + +„Klaar?” vroeg Bram. + +„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde +Boy, die de sigaar had weggeworpen. + +„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden +geschaard, Henk ditmaal ook. + +„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het +schot was afgekomen. Deze bleef staan, onbesloten.—„Schiet óp!” gebood +Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer beenen +en verdween. + +„Dus aanleggen!” riep Bram weer. + +„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te +schommelen stond. + +„Hij is zát,” fluisterde Henk. + +„Vuur!” kwam Bram. + +Pang!—katjang sloeg neer, achterover. + +We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes +doodgeschoten wordt, vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure +gebied op tooneel en in bewegende lichtbeelden vertoond door achterover +vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we hadden nu eenmaal nooit +iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het nu écht was. + +Dan snelde Henk op het lijk toe. + +„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op +ieders gezicht stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij +bedacht, dat maar het beste was naar Amerika uit te wijken. + +Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter +neergehurkt bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o +schrikwekkende aanblik!—bewóog en begon in stuipbewegingen de maag te +ledigen. + +De katjang was flauw gevallen! + +Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem +overmatig over het hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende +mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen uitspuwend,—kwam hij óp +te zitten. + +„Ellendige lafbek!” woedde Boy. + +„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen +laten en hard wegloopen. + +Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig +door het zand. + +„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich. + +Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen. + +„Vooruit m’nheer—uw equipage staat vóor,” ginnegapte Henk, den +vadoek-achtigen Piet opsollend. + +„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende +scheur in Piets schouderwatte. + +„Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy. +En dan, katjang hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend: + +„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden +geschreven heeft, versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een +tweeden keer kom je er zóo niet af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je +vuil maken, maar als je me nog eens in den weg zit, stuur ik een +mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden plat +slaan.” + +„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend. + +„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag ga je onmiddellijk en +je maakt je excuses.” + +„Ik ... ik...” stotterde het slachtoffer. + +„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze. + +„Ik ... ja ... ja—ik ... ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet +stumperig. + +„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er +op,” treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang, +die op onraad wees. + +Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om +de beurt op onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme +kachel en een cognacje, onze verkleuming vergetend, we het malle geval +beschaterden. + +Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin +ze zich verslikte toen ik haar katjangs figuur verhaalde. + +Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de +wangen, ter belooning. + +„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy. + +„Ik ook,” openbaarde Henk. + +Maar Loekie ging op mijn schoot zitten: + +„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig. + +„Jammer,” vond Henk. + +Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in +de „Twee Steden.” + +We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me +niet meer hoé.—Alleen weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den +kellner stichtte, door een prentkaart voor vijf personen en eén +kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich +beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te +helpen. Bram tolde met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit +te komen.—Loekie verzocht aan den conducteur van Henks tram, om goed op +den jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd +uitstapte en zijn pasje niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake, +verklaarde dat hij zich èrg aaklig voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel +had alsof hij moest trouwen. + +Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle +heugenis. + +Dat was misschien ook wel beter. + + + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +HET EINDE NADERT. + + +Kitty had een langen lieven brief geschreven, waarin vele vervloekingen +vielen op katjangs katterig hoofd en elke nieuwe regel met een +herhaling van verontschuldiging begon. Ook schoonpapa had geschreven, +Boy verzoekend het „betreurenswaardige misverstand” te willen vergeten +en zijn bezoeken te hervatten.—Maar Boy wilde daarvan niets weten, +antwoordde, dat de verhouding toch nooit meer zou worden als ze geweest +was en voegde er bij, dat hij van zins was in het buitenland zijn geluk +te gaan speuren, waar hij hoe langer hoe meer begreep niet voor het +zoete, vlakke, emotielooze leven geschikt te zijn. + +Dat begonnen we overigens alle drie wel te voelen. Boy was niet meer in +Delft te bekennen, maar bedreef veel liefde in Den Haag en bracht +telkens àndere vrouwelijke logés over den vloer.—Ook hèm was de +deeglijkheid opgebroken. + +Met Bram was het heelemáal mis. Hij had uit zuivere nieuwsgierigheid de +magere Lena uit Flora opgezocht en fuifde heele nachten met haar door, +hing den volgenden dag landerig in een stoel, om ’s avonds weer te +beginnen.—En zoo wilde het ongelukkige toeval, dat hij op een avond, +meér dan aangeschoten, met magere Lena aan den arm, zijn papa van de +kleine steentjes liep. + +Papa hád reeds verdenkingen op den levenswandel van zijn zoon. Reeds +eénmaal had Lena hen samen op straat vrijmoedig toegeknikt, waarop papa +ernstig had gevraagd: + +„Zeg Bram, kèn jij die vrouw?” + +„Neen pa—ù soms?” had zoontjelief toen gevat vermogen te antwoorden. + +Maar papa, die zeker wist die vrouw niet te kennen, had argwaan +gekregen. Toen dus het tweetal—in kennelijken staat van +dronkenschap—hem van de kleine steentjes liep, had papa besloten er een +einde aan te maken. + +Den volgenden dag kwam hij ten onzent, betrapte Loekie in den kimono en +stoof met een ongemakkelijk gezicht de zoogenaamde „studeerkamer” van +zijn zoon in. + +„’t Is uit,” had pa gezegd. + +„Best,” had Bram gevonden. + +„Als je niet studeeren wilt moet je maar werken,” meende pa, een aan +Bram niet helder onderscheid tusschen studeeren en werken ontdekkend. + +„Je kunt voortaan je eigen brood verdienen,” voorspelde pa. + +„Mij wel—als het maar niet in Holland is,” stelde Bram zijn +voorwaarden. + +„Ik wil je ook niet meer in Holland zien; je bent een schande voor de +familie—en je heele vriendenkliek er bij,” insinueerde papa, de +vriendinnen buiten bespreking latend. „En nu—hóeveel schulden heb je?” +sloeg pa spijkers met koppen. + +„Weet ik niet,” kwam Bram, een la met rekeningen openend. + +„Ongeveer,” drong papa aan. + +„Een tweeduizend pop,” schatte zoontjelief. + +Het was even stil. + +„Tel alles op—en verkoop je boot, je fiets. En verder zal je wel van me +hooren,” voorspelde de verbolgen vader en ging. + +Bram huppelde de eetkamer in, wreef zich in de handen: + +„Goddank—geen examens meer, geen Holland meer, geen beeren +meer.—Lekker.” + +Maar op Boy en op mij had het geval een diepere inwerking gehad. Dien +avond trokken we ons in onze kamers terug,—gingen de „balans” opmaken. + +Ik kwam tot de ontdekking, dat ik het kleine erfdeel, waarvan ik mijn +staatsexamen-voorbereiding en daarop mijn rechtenstudie moest +bekostigen, voor het grootste deel er doór gelapt had.—Als ik zuinig +aanpakte, zònder Loekie, kon ik het nog anderhalf jaar stouwen; mèt +Loekie misschien nog zes maanden.—Vaarwel deftige meesterstitel! + +Boy, die van een familiefonds èn een toelage van zijn moeder leefde, +kwam tot dezelfde slotsom. Als hij zijn schulden betaalde kon hij nog +een jaartje rònd komen. + +We zweetten van onze ongewone boekhouderij, toen we elkaar het magere +resultaat bekenden. + +„Ik ga er uit, naar het buitenland,” beweerde ik. + +„Ik ook; ik ga vèr weg, naar Canada of naar Australië.” voorspelde Boy. + +„En ikke?” vroeg Loekie. + +Boy gevoelig, verdween. + +„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het +kind op mijn schoot trekkend. + +Ze begreep toen ik haar alles uitlegde. + +„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent +meer hebben,” besloot ik. + +Ze keek me aan: + +„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes. + +„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu +weer alleen moet laten.” + +„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het +geld gedacht, en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal +mijn schuld.” En ze begon te huilen. + +„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we. +Als het niet lukt dan ... dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.” + +„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend. + +„Arme Loekie,” beklaagde ik haar. + +„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze. + +„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik +somber.—„Jij hebt me je lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik +nooit spijt over hebben.” + +„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk: +„Dat tijdje dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor +elkaar wezen en dan ... dan zullen we maar hopen tot weerziens.” + +En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer +niet begrijpen. + + + +Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later +kwam zoontjelief vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche +thee en zijde in Nanking was geplaatst. Een verre, volgens hollandsche +begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig wezen in Brams familie, was er +directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te beginnen en vrij +wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de +firma—begreep Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien. + +Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de +Mallemolen, door Loekie „de waterchinees” genoemd. + +Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en +er werk te zoeken. Als hij land en toestanden kende en een goede +onderneming voorzag, zou hij de rest van zijn fortuintje laten komen om +wat te kunnen beginnen. + +Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een +volk wat even ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even +lichttillend was als ik zelve: in Spanje of in Italië. Derhalve bezocht +ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met een mooi +praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was +het met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome, +tweemaal per maand een causerietje te sturen, wat men mij met +welwillende vrijgevigheid met een riks per stuk zou betalen. Vijf +gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier en +postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen +sprake. Men zou het immers alleen maar met me probeeren! + +Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees, +een cowboy, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes. + +Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van +het bovenhuis was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte +wijze wegviel, doordat we er uit gezet werden. + +Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij +het fonteintje willen verhangen, daar de kram telkens uit de +verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram een langen spijker genomen en +hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd het toen stil. + +Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen, +riep: + +„Zeg help eens even, waterchinees.” + +„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten. + +„Kom dan!” spoorde de cowboy aan. + +„Dadelijk,” kermde de waterchinees. + +Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt, +bij het fonteintje vond staan. + +„Kom je nog?” + +„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen den muur. + +„Wat heb je met dien duim?” + +„Niks.” + +„Kom dan, idioot.” + +„Zoometeen,” beloofde Bram vaag. + +„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram +weg.—De duim raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige +straal water, pal in Boy’s gezicht. + +Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd. + +„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om +zich af te drogen. + +Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot +intusschen tegen den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in +de gang.—Dat duurde zoo een poosje en dan kwam Boy op het slimme +denkbeeld om de waterleiding af te draaien. + +Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van +doorgesiepeld water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was, +dat de huisbaas, met machtiging van den wettigen huurder in het +buitenland, ons er uit zette. + +En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de +boekenkasten, de studeerlampen verdwenen weer, de beddelakens gingen +terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, waarop ik, als +pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien al +snotterend de deur uitgetroond. + +Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met +twist uit elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in +tranen baadde en sliep daarna óok in ’s moeders woning. + +Loekie en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte +voor het laatst op een bed, wat van lakens en kussensloopen ontdaan +was. + +Toen dien morgen de coupé voorkwam en mijn koffers er op geheschen +werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje te +gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit. + +„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit +meer in deze straat!” + +Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden +en ik ook. + +De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het +perron en haar zakdoekje dat wuifde,—wuifde. + + + +Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap +van vrijheid, in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig +vertrouwen op ons zelven; krachtig nu we ons bewust waren te gaan +léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten en die ons +niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere +landen, andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan +het zoete plantenbestaan van werken en een titeltje halen en een +betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie een reisje in den +Harz of naar Zwitserland. + +De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons +gezond lichaam wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk +levend, zònder de engheid van vooroordeelen en fatsoen, zonder de +pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen +van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou +den eenen dag misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We +zouden misschien wel eens honger moeten lijden, mooglijk wel eens geen +bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we zouden wèl onzen lach +behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals het +was, buiten de broeikas waarin we tot nu toe waren getogen. + +We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende, +ontevreden kinderen met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer +ondervonden hadden hóe het leven hard kon zijn, omdat ze nimmer +begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der menschen +hoogste goed. + +We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende +boulevards, waar in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen +dooreenkrioelden en hoog boven de huizen de avondhemel nog in wondere +tinten stond. + +Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven! + + + +Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs. + +Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux +gedronken, die Boy eenigszins doezelig had gemaakt. + +Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig +uitgelaten, in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en +er achtereenvolgens door al de kuitentoonende mondaines werden +aangeklampt. + +We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de +lieve beeltenis van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de +herinnering aan magere Lena geen zielversterkenden invloed op Bram. + +„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!” + +Dat was warempel tegen mij! + +Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie +gespleten rok liet een welgevormd been ontwaren. + +„Pas le marron,” deed ik stug. + +„Eh—vas donc, je serai gentille,” vleide ze. + +„Non ma petite, ça ne colle pas ce soir,” hield ik vol. + +„Et tes amis—c’est aussi purée que toi?” ondervroeg ze verder. + +„Est-ce que je sais, moi?” ontweek ik weer. + +Maar ze boog al naar Boy over: + +„En voilà un coco!” schaterde ze schel, waar Boy half ingedut was. + +„Je vous en prie, laissez-moi tranquille,” weerde hij boos haar +liefkoozing af. + +„Quel mufle,” schold ze. + +Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in +betoovring naar, dat het opvallen moest. + +„Elle te plait—ma jambe?” vroeg ze, en ging naast hem zitten. + +De garçon schoot toe, er werd besteld. + +„Stomme bliksem,” mopperde Boy. + +Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te +denken aan zijn transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat +nu geen trein was dien men eens missen kon. + +„Qu’est-ce qu’ils baffouillent?” vroeg de sirene. + +„Rien—rien,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets +te voelen begon, en alvast de vertering betaalde om weer van haar af te +komen. + +En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals +ze dat overigens in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal +dancing-girls het tooneel opwipten, zingend: + + + „Everybody is doing it, doing it, doing it!” + + +waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed. + +De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de +rij der anderen uit het oog verloren. + +„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar +Montmartre opklommen, waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin” +verzeilden. + +Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die +gelegenheden, waar nooit een parijzenaar komt. + + + +Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram +wègbleef. + +Boy was wanhopig: + +„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te +ontbijten zaten in het hòtel. + +„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen. + +En we wachten,—en Bram bleef zoek. + +Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er +mee naar het station reden. + +De trein stond klaar. + +„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het +vraagstuk. + +„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik. + +Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een +kwartier voor tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder +das, het perron opstoof. + +Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het +slachtoffer van een entôlage was geworden, kwam hij kalm: + +„Nee—’k heb me verslapen.” + +„En je hoed?” onderzocht Boy. + +„Vergeten.” + +„Heb je je biljet?” angstigde ik. + +„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.” + +„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy. + +„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig +meiske—allemachtig aardig.” + +Hij was nog heelemaal onder den indruk. + +„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik. + +„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy. + +„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde +Bram, uit den koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den +smoking. + +Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een +brilslang. + +Toen werd er gefloten. + +„Dag kerel—het beste.”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de +hand. + +„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!” +schreeuwde Boy nog, toen Bram al een eind ver was. + +En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren +kreeg. + +We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het +station, waar hij naar Calais zou vertrekken. + +„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,” +zei Boy. + +„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,” +waarschuwde ik. + +Toen vertrok de trein. + +„Dag cowboy!” schudde ik hem stevig de hand. + +„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig. + +„Nooit Boy,” beloofde ik. + +„En nou—vooruit!” + +„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den +trein vallend over een zak, die op het perron lag. + +„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen hand de +bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak. + +„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal. + +Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf. + +Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon. + +Langzaam kropen de uren om en ik piekerde: + +Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was +lám zoo alleen. Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je +er nooit. Je moest er uit, de wereld in, wilde je leven, wilde je iets +worden! Niet vastgroeien in een landje, in een kliekje! Er uit en +áanpakken! + +En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar +het wemelende bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen. + +De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste +lichten van Parijs verdwenen waren. + +Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden, +ieder zijn eigen toekomst tegemoet. + +De toekomst.—Hoe zou ze zijn? + +Kom, niet piekeren. + +En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had +zitten wuiven. + +„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks. +En ik glimlachte stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan. + +„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?” +overwoog ik nog. + +En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen +staven snelde, en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar +in; want in Parijs was weinig geslapen. + +En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens +heeft, en dat ik dus aan deze malligheid een eind maak. + +Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek. + +Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier +kunnen bekostigen en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel +voor twintig Lire! + +De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden. +Zonder die belofte was ik er stellig niet aan begonnen. + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik +met dit boek m’n eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 *** diff --git a/76779-h/76779-h.htm b/76779-h/76779-h.htm new file mode 100644 index 0000000..0e9577d --- /dev/null +++ b/76779-h/76779-h.htm @@ -0,0 +1,6582 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-08-31T16:43:56Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Malle gevallen | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Hans Martin (1886–1964)"> +<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Malle gevallen: een kluchtig verhaal"> +<meta name="DC.Creator" content="Hans Martin (1886–1964)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +.lgouter { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display: table; +} +.lg { +text-align: left; +padding: .5em 0; +} +.lg h4, .lgouter h4 { +font-weight: normal; +} +.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { +color: #777; +font-size: 90%; +left: 16%; +margin: 0; +position: absolute; +text-align: center; +text-indent: 0; +top: auto; +width: 1.75em; +} +p.line, .par.line { +margin: 0; +} +span.hemistich { +visibility: hidden; +} +.verseNum { +font-weight: bold; +} +.speaker { +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line { +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +.castlist, .castitem { +list-style-type: none; +} +.castGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.castGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.castGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:564px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:567px; +} +.spinewidth { +width:720px; +} +.backwidth { +width:551px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="564" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">MALLE GEVALLEN +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center">Van den schrijver zijn mede verschenen:<br> +Danseresje. Oorspronkelijke roman. Vijfde druk met omslagteekening in kleuren van +P. v. d. Hem. Prijs f 1.75; geb. f 2.40.<br> +Bekentenissen. Een bundel Verzen. Prijs f 1.—.<br> +Onder Jongens en Meisjes, uitverkocht. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="567" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="byline"><span class="docAuthor">HANS MARTIN</span></div> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">MALLE GEVALLEN</h1> +<div class="subTitle">EEN KLUCHTIG VERHAAL</div> +</div> +<div class="docImprint">ZEVENDE DRUK +<br> +ROTTERDAM MCMXVIII<br> +W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ</div> +</div> +<p></p> +<div id="voorwoord" class="div1 last-child preface"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#voorwoord.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er niet aan ontkomen. +</p> +<p>Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar dit niet om +mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om mijn eigen, op den voorgrond +geschoven beeltenis weer terug te trekken en voor den lezer te verhuichelen. +</p> +<p>De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij levendiger leek en meer +voor dit onderwerp geschikt; overweging die me ten kwade kan komen! +</p> +<p>Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit voorwoord van toepassing, +daar het niet als een verontschuldiging werd bedoeld. +</p> +<p>Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen. +</p> +<p class="signed">Rome, 1913. Hans Martin. +<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK I</h2> +<h2 class="main">HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht zijn, te ontnemen, +begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is: +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e158" title="Bron: Loeki">Loekie</span> heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de briefwisseling al schaarscher +werd en eindelijk ophield. Toen kwam er een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, +dat <span class="corr" id="xd33e161" title="Bron: Loeki">Loekie</span> getrouwd was met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige +dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar gelang het uitkomt. +</p> +<p>Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de farm in Canada +eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den handschoen om daarna in Montreal, +waar Boy haar wachtte, dit weinig opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te +bevestigen. Hun vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van +kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig schijnen op te +groeien. +</p> +<p>Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom, beheerder van de exportfirma +van zijde en thee te Nangking en trouwde onlangs met een Amerikaansche, die volgens +zijn schrijven „ongelooflijk rijk maar jong en wondermooi is”. +</p> +<p>Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de laatste kans +om het nog ooit te geraken. +</p> +<p>Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven, want ik ben meestal +slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun malligheden geweest. Maar ze bezweren +<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>beide daar geen tijd voor te hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan +het verbasteren raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt uitdrukkingen +als „ik schud handen met je”, onderteekent met „<span lang="en">yours truly</span>” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn bedrijf, hem verschrikkelijk +had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout aanraadde. +</p> +<p>Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een teeken van algemeene +verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan ook om een portret, teneinde te zien, +of hij al spleetoogen begon te krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, +dat ik bij de romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen. +</p> +<p>Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn canadeesche en chineesche +zegels verpats als ik in geldnood zit, beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer +rariteiten van me aan te koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat +ik niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het duurde zoolang, +dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het geheimzinnige pakje te stapelen +en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor +een vriendenprijs en een lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi. +</p> +<p>Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem (ik bedoel den +theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het onderschrift: „<span lang="it">Vero cinese</span>”. Prijs 60 Lire. +</p> +<p>Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook lijden, dat hij +ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer den theepot). +</p> +<p>Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding. +<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p> +<p>Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de vierde klas +H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te zijn gezakt. +</p> +<p>We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden „aangenaam”, waarop ik +hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk door zijn zak in de voering van zijn +vest terechtkwam. Boy besteedde den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit +te peuteren. +</p> +<p>’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man, wiens stem +me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had dadelijk een hekel aan +hem en beweerde nooit een sikkepit van boekhouden te hebben begrepen; achteraf is +het daarom heel verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert. +</p> +<p>Koos begon: +</p> +<p>„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.” +</p> +<p>„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy. +</p> +<p>„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling. +</p> +<p>„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„… Groot 5000 gulden,” hervatte Koos. +</p> +<p>„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling. +</p> +<p>„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos. +</p> +<p>„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde. +</p> +<p>Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een onverschillig gezicht +naar buiten te kijken, waar de zon lokte. +</p> +<p>„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had. +</p> +<p>„Ik?—ik kijk naar buiten.” +<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p> +<p>„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen. +</p> +<p>„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar. +</p> +<p>„En wat zié je dan toch op dat dak?” +</p> +<p>„Een vlieg,” openbaarde Boy. +</p> +<p>„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede. +</p> +<p>„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.” +</p> +<p>Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering kwam deed me +naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij wiens loopen het been van +Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam +zelf tot stilstand en sloot netjes de deur, zeggend: +</p> +<p>„Poppetje gezien, kastje dicht.” +</p> +<p>Maar Koos’ hoofd verscheen weer: +</p> +<p>„Naar den directeur!” brulde hij. +</p> +<p>„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy. +</p> +<p>Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af en stonden opeens, +zonder kloppen, in de directeurskamer. +</p> +<p>De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen. +</p> +<p>„Wat komen jullie doen?” +</p> +<p>„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war. +</p> +<p>„Wàt?” kwam de Dirk. +</p> +<p>„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel oneerbiedig zitten, +met den zakdoek voor den mond. +</p> +<p>„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op. +</p> +<p>„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding affecteerde. +</p> +<p>Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd heel kalm gebleven +was, toen hij onverwacht den <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>ganghoek omkwam en ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap +in het gezicht sloeg. +</p> +<p>Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen. +</p> +<p>„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij. +</p> +<p>„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik. +</p> +<p>Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur achter ons dicht. +We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk” en Boy miste den haagschen trein, +waarop ik hem ten eten uitnoodigde en na de soep terloops den brief aan mijn vader +gaf. +</p> +<p>Het gesprek vlotte toen niet erg meer. +</p> +<p>Na tafel bracht ik Boy naar den trein. +</p> +<p>„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende hij, het portier +dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net nog even uit wilde, gekneld +raakte. +</p> +<p>„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy, „tenzij u de voorkeur +aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat dit model u staan zal …” +</p> +<p>Toen reed de trein gelukkig weg. +</p> +<p>En Bram?… Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het volgende hoofdstuk. +<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK II.</h2> +<h2 class="main">DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den rug en besteedde +elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en andere vetten om een scheiding +in zijn korte haren te trekken; het was die bezigheid, die hem belette wat anders +uit te voeren. Ik was in Den Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te +bereiden; waaróm heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche +strand, ieder in een badstoel. +</p> +<p>„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy. +</p> +<p>Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den Kurhaus-bar vele +whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan het einde van den avond was ik +bijzonder familiaar met de beide Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige +sympathie voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen aantrekken, +maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik een heelen tijd heb zitten +morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den kant waar het hekje dicht was en dat +ik—door de tram loopend—in een verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame +ben gevallen. Boy beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw, +mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet lekker en stond +op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het toch zoo vreemd was dat je +in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl er toch zoo’n boel water was. En toen +de heer dat beaamde en het ook heel vreemd vond, vroeg Boy: +</p> +<p>„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een lantaarnpaal en +een kanarievogel?” +<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p> +<p>„Nee,” zei de heer, die Boy <span lang="fr">au sérieux</span> nam. +</p> +<p>„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel eenvoudig: een kanarievogel +zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die is óók van ijzer.” +</p> +<p>Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee ingedut. Midden +in den nacht hoorde ik hem voordragen: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„de po—de po—waar is de po gebleven? +</p> +<p class="line">de po—de po—waar heb je ’m nou gezet? +</p> +<p class="line">de po—de po—’k moet overgeven? +</p> +<p class="line">de po—de p—ááh—álles in m’n bed?”</p> +</div> +<p class="first">en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe: +</p> +<p>„Ben je niet lekker?” +</p> +<p>„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een schop—hij is nog +niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren meer kan leggen.” +</p> +<p>Toen liet ik hem maar liggen. +</p> +<p>We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf wat te gaan +„schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens bekende Boy, dat zijn +armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht koffie had gemalen, en kort daarop, +bij een verwoed netspel, joeg hij me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van +mijn lorgnet ineen te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het gezeten,”—kwam +er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan af. Datzelfde jongmensch, en +jammer genoeg niet het meisje, kwam dien middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy +Edgar Allan Poe’s „Raven” verdietschte. +</p> +<p>Maar dat komt nu. +</p> +<p>„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?” +</p> +<p>Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>scheur in het kruis van mijn broek zat en zei toen: +</p> +<p>„Laten we een eind oploopen.” +</p> +<p>Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de batterij, en Boy was +met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende verzen van: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Ik geloof waarempel datte +</p> +<p class="line">er is iemand aan de vensterlatte<span class="corr" id="xd33e283" title="Bron: .">,</span> +</p> +<p class="line">alleen maar datte en niks nie meer.”</p> +</div> +<p class="first">En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Ik ben geboren in Apeldoorn +</p> +<p class="line">en m’n zuster in Zierikzee”</p> +</div> +<p class="first">toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons op m’n hoofd +voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná al die onaangename ondervindingen +het jongmensch van de tennisbaan ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette +om dien vervolgens weer af te nemen en te zeggen: +</p> +<p>„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.”<a class="noteRef" id="xd33e295src" href="#xd33e295" title="Ga naar noot 1.">1</a> +</p> +<p>Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele leugen zoover +door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik óok gaarne mijn hoed zou afnemen, +als het jongmensch er niet op zát. Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen +mijn platgekraakt hoofddeksel aan. +</p> +<p>„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—<span class="corr" id="xd33e301" title="Niet in bron">„</span>en ’k kreeg zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.” +</p> +<p>„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de stroohoed aan alle +pogingen om hem in fatsoen te herstellen een wanhopigen en beslisten weerstand bood. +Boy beweerde <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>inmiddels, dat zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid +gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn zakken en schoenen +van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er bij zitten, na voorzichtigheidshalve +gevraagd te hebben of hij ons niet „ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, +want we hadden het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat +was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van kennismaking—een reden +om aan te pakken. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche gymnasium met +veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat hij een a-gymnasiast was +verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid om net op mij te ploffen, terwijl er +toch links en rechts plaats te over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht +te zijn. +</p> +<p>„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer. +</p> +<p>„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens voorliefde voor +thee tóen reeds bleek. +</p> +<p>„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen. +</p> +<p>In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond me belachelijk, +zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten we den Bar binnen, die er verdacht +leeg uitzag. Slechts in den binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan +er een dadelijk op Bram afstoof. +</p> +<p>„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.” +</p> +<p>Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem te hebben +verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren geweest, dat één van hen in +de kast zat en dat men voor dien avond een reusachtig diner bij Levedag in <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>Leiden had besteld, vroeg hij,—bête lachend: +</p> +<p>„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?” +</p> +<p>Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen komen zitten. +</p> +<p>Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een verfoven gezelschap +terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren zijn er twee middelen: óf uitknijpen, +<span class="corr" id="xd33e324" title="Bron: òf">óf</span> zoo gauw mogelijk zélf de hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme +cocktails hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op tafels, +smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden óok onhebbelijkheden +tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom we werden even kwajongensachtig +als de anderen. +</p> +<p>Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De koetsier wenschte +een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en Dirk antwoordde, dat hij zich +opblazen kon; toen merkte de kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer +geldig was en Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A. K. O. +en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg was—wat een feit +mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen begon de A. K. O. sarrend te +zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in +zijn zitdeelen. Na al die uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap. +</p> +<p>Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders vermaak, voor zoover +dat in een station te vinden is.—Bram—een meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw +van den krantenkiosk, die in voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; +Boy stond rechts en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat +ding gebleven was. Deze <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop een ingewikkeld sterrenkundig gesprek +volgde over Greenwichtijd, daar Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten +vóór of achter was. Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al +die nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant hebben, +waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen wilde—hij dan vroeger bij +de hand moest wezen. Maar Boy is een vredelievend mensch en vertelde hem een groot +geheim, een wonderbare uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest +er maar op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels, nachtvaatwerken +en andere, met het oor aan den anderen kant voor personen die links waren. Waarop +de heer „stik” zei en Boy antwoordde: „na u, m’nheer.” +</p> +<p>Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy boog, zeggend: +„Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.” +</p> +<p>Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem nog een stomp +en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een derde opstopper bracht er: „Heeft +de post iets gebracht?” uit en toen deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond +en vroeg: „Hoe laat is het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en +in de haast kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer indommelde. +</p> +<p>Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den voet en schreeuwde +meteen: +</p> +<p>„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.” +</p> +<p>„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met pijn-vertrokken gezicht +op. +</p> +<p>„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>en toen even de werkelijk groote beenuiteinden beschouwend: +</p> +<p>„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.” +</p> +<p>Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten stond, snauwde: +</p> +<p>„U kunt hier niet rooken!” +</p> +<p>„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is heel gemakkelijk, +of hebt u het nooit kunnen leeren?” +</p> +<p>„Ja maar—het is geen gewoonte …” +</p> +<p>„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in heb.” +</p> +<p>„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok op het plaatje +„Verboden te rooken.” +</p> +<p>„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk. +</p> +<p>„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.” +</p> +<p>„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is ook getrouwd +met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel sympathiek vak, alleen die roode +pet—een beetje schreeuwerig.” +</p> +<p>Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „<span lang="fr">Il est cocu le chef de gare</span>”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden zou brengen. +</p> +<p>„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die m’nheer met die +rooie pet naar ons komt kijken.” +</p> +<p>Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het portier open en +begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam zei Boy,—vóor dat het puffende +heertje iets kon uitbrengen: +</p> +<p>„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.” +</p> +<p>„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij. +</p> +<p>„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>Het wás een tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg. +</p> +<p>„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?” +</p> +<p>„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en … nou, het had dezelfde +kleur als het onze.” +</p> +<p>Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig vroeg: „Zijn +we er al?” +</p> +<p>„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken zat. +<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<div class="footnote-body"> +<div class="fndiv" id="xd33e295"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e295src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik met dit boek m’n +eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi. <a class="fnarrow" href="#xd33e295src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2> +<h2 class="main">BOY VALT IN HET RAPENBURG.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de Harmonie. +Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat de biefstuk smaakte alsof +je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na afloop buiten een kleintje koffie dronken +zat alleen Dirk, pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel eindelijk +in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type” in te lichten. +</p> +<p>Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld als hij hebben +wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn uitgaven boek hield. Elken +Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk huis opzocht, moest hij het grootboek +overleggen. Daarin las de vader soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en +„Een paar tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden meer +intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving, wonderlijk wisselden. Dán +stond er „<span lang="la">Homo sum et nihil humani a me alienum puto</span>—20 pop”, of, „Het <span lang="de">ewig weibliche</span><span id="xd33e384"></span> zat me weer verbazend dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels +geweigerd en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu eenmaal +niet van hout of ijzer”, en papa betaalde. +</p> +<p>Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend zei: „M’n +naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder onaangenaam zijn”. +</p> +<p>Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor op, die in +een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had gevraagd. Toen de oude ijzervreter, +huiverend en vol kwade voorgevoelens, in de deur verscheen, <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>vroeg Dirk: „U wenscht een reisgenoot?<span class="corr" id="xd33e391" title="Niet in bron">”</span> „Ja, maar wat heeft dát …” „Ik wou u alleen maar even zeggen dat <i>ik</i> vást niet meega”—en Dirk was weg. +</p> +<p>Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met reden, want +hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij gebrand. +</p> +<p>„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op. +</p> +<p>„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde, die er van de +week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede +jas en … godallemachtig ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!” +</p> +<p>„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram. +</p> +<p>„Heb jij er geen voor mij te leen?” +</p> +<p>„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een bakker in het Noordeinde +woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de broek paste, die hem te klein bleek. +En ná dit mager resultaat dronk Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden +te gaan passen. Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond +zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele „aangenaam-kennis-te-maken” +gepreveld, zóoveel dranken dooreen gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze +beoordeeld. +</p> +<p>De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het eerst bij Bram. +Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een nieuwe vriend aanbelden, met +een lijzige stem: +</p> +<p>„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?” +</p> +<p>Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit<span class="corr" id="xd33e406" title="Niet in bron">-</span> en aantrekkend en de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten +slotte lastig werd, beweerde, dat het eeuwige <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>aan- en uittrekken van zijn beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder +de straat op kon om elders zijn geluk te beproeven. +</p> +<p>„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer. +</p> +<p>„En waaróm niet?”—vroeg Dirk. +</p> +<p>„Voor de menschen.” +</p> +<p>„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?” +</p> +<p>„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter. +</p> +<p>„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van zulk onnuttig +vertoon. +</p> +<p>„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer. +</p> +<p>En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen in een coupeurs-taaltje +beweerde, als „geschilderd.” +</p> +<p>Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky en weinig soda +gevierd. +</p> +<p>Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm. +</p> +<p>Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de paardentram die voorbijreed, +om het trottoir wat hem te smal bleek, maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe +stelde hij geregeld de vraag: +</p> +<p>„En naar wie gaan we nóu toe?” +</p> +<p>Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot Bram drong niets +meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen stoep stond en Boy hem de sleutels +uit den zak vischte, vroeg hij alweer: +</p> +<p>„Naar wie gaan we nóu toe?” +</p> +<p>Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een merkwaardige ommeslag: +</p> +<p>„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>—als je wat dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten +wilt,—nou—dan maar wat zachies.” +</p> +<p>En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van een wapenrek +een kromme turksche sabel, dook er mee in den bakkerswinkel, waar hij als dolleman +in de raamkast te steken begon. +</p> +<p>„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde hij bloeddorstig, +terwijl in lange rij zich regen cadetjes, krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden +en ánder bakwerk aan het kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de +tafel, toen hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok. Daarop +dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer hoorden gaan. Dan was er +een bonken van belang op de trap, als het trappelen van weerbarstige paardenpooten<span class="corr" id="xd33e433" title="Bron: ;">.</span> +</p> +<p>„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer: „Jongelui—vier +eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk verscheen hij in de kamer. De +kleeren waren van boven tot onderen besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; +maar met een zaligen glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit +een breede barst een langen witten draad verloor. +</p> +<p>Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de tweede deur links +in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te over met Bram, die met de sabel +naar de boter in het vlootje stond te prikken. De klont tolde telkens koppig rond, +tot Bram het vlootje in tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond +begon te paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de gordijnen,—boter +kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende sissen tegen de lampeglazen waarvan +er éen, met een nijdigen knap, in scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek +te liggen ook <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>ons een boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem naar +de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten. Trouwens Bram, plichtmatig, +schoof zelf van binnen het bordje „bezet” er voor. Daar kon hij beboteren wat hij +wilde. +</p> +<p>Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een tennisracket +een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons binnenkomen had hij met een meesterlijken +back-hand de slof in de spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn +schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te gieren. Eindelijk +hokte hij eruit: +</p> +<p>„<span lang="fr">Champignon du monde,—champign …</span> heb je dàt gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?” +</p> +<p>Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een onbedaarlijke lachstuip, +die niet verminderde toen Bram de deur van zijn gevangenis opentrapte en hem de rest +van de boter onverwachts op zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, +dat hij op Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in gorgelgeluiden +zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn botervet hoofd op de kussens rondwentelde. +</p> +<p>Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren gekookt, die we +met veel krentebrood opaten. +</p> +<p>Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur had staan, tusschen +de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig gekeurd moesten worden. +</p> +<p>Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het eten ten tweeden +male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden, konden we wel geen van allen vermoeden, +dat deze weldra zou uitzien alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan. +</p> +<p>Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>flesschen Triple Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en +zoo meer, ontkurkt en gekeurd. +</p> +<p>Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en stak derhalve +een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in brand. En terwijl wij de fel +laaiende, vonken spetterende dingen trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware +ontspanning om in zijn eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de +rozet uit de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen, hard +bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van kalk, op de tafel +neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen in de plotselinge duisternis +de reusachtige herrie wat bedaard was en ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van +den wanhopigen rommel, waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit +de leiding suizen. En daar … +</p> +<p>„Lucifers!” brulde opeens Dirk. +</p> +<p>„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik. +</p> +<p>Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram wierp de ramen +open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al de straat op. De suizing boven +ons hoofd hield aan, de gaslucht werd weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te +houden was. Na zijn diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en +te loeien als een pampa-bisson: +</p> +<p>„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen dicht!” +</p> +<p>We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de gasuitstrooming +ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen +en in zijn slaapkamer op het bed gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten +we dat hij bloedde. Het gebroken glas <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>had hem leelijk gehavend en een groote bult op zijn hoofd bewees, dat de gewichten +van de lamp niets mée hadden gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten +hem toen maar liggen. +</p> +<p>Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven rinkelend naar beneden +en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul meer, zijn hoofd kalm door de ruit had +gestoken: +</p> +<p>„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween. +</p> +<p>We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit te staren, +toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn vreemde verbanden, de stoep +weer opzwaaide. Dat was ons te machtig. Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, +werd Dirk de steile trap weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; +dekens en kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam. +</p> +<p>Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak van de trap +had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het gisten gebracht. +</p> +<p>We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en Bram had de grootste +belangstelling voor het bakken en kneden. +</p> +<p>„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker. +</p> +<p>Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de schoenen en +broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij elken danspas lange strengen +trok; hij leek hoeven te hebben als van een langharig middeleeuwsch ridderpaard. +</p> +<p>„Wel verdomme<span class="corr" id="xd33e476" title="Bron: .">,</span>” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.” +</p> +<p>„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik. +</p> +<p>„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?” +</p> +<p>Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus: +<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> +<p>„Hoeveel is dat deeg waard?” +</p> +<p>„Tien gúlden”. +</p> +<p>„Tien—gulden?” +</p> +<p>„Ja—en je kunt het me betalen.” +</p> +<p>Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de ridderpaardhoevige Boy logisch +opmerkte: +</p> +<p>„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.” +</p> +<p>En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog vandoor. +</p> +<p>Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de sleutelgaten +mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om den bewoners een aangename +verrassing te bezorgen. +</p> +<p>Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te bekennen was. +</p> +<p>Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval kreeg: +</p> +<p>„Nou ga ik roeien.” +</p> +<p>En hij liet den geledigden trog te water. +</p> +<p>„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik. +</p> +<p>„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram, onwijs—gaf er +een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend, de lompe bak opeens midden +in de gore gracht schoof. Boy trachtte te pagaaien met zijn wandelstok, riep: +</p> +<p>„Zie je wel dat het best …” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze trog om. Proestend, +blazend, temidden van een walgelijk geborrel van modderbellen, kwam Boy boven. +</p> +<p>„Is het nogal nat?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy. +</p> +<p>„Als je verzuipt <span class="corr" id="xd33e504" title="Bron: roept">roep</span> je maar „kien”<span class="corr" id="xd33e507" title="Niet in bron">”</span>—raadde ik, in de verste verte niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>aan zijn voeten, daar werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg +teeken,—ging weer onder, kwam weer boven. +</p> +<p>„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in den valen ochtendschemer, +onderdook. +</p> +<p>Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd getrokken. Hij +zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets te zeggen begon hij met zijn +zakmes het cement-harde deeg van zijn broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht +voor zijn metselwerk, door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig +voor ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor afbraak +te verkoopen. Alleen vroeg hij even: +</p> +<p>„Stinken jullie zoo?” +</p> +<p>„Neen dat ben jij.” +</p> +<p>„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette met een breeden +grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens onmiddellijk daarop in volle +werking toen een agent Boy achter een boom betrapte. +</p> +<p>„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen. +</p> +<p>„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch. +</p> +<p>„Mag ik dan uw naam maar eens weten?” +</p> +<p>Boy gaf zijn naam en adres. +</p> +<p>„Geboren?” +</p> +<p>„Ja, wis en drie.” +</p> +<p>„Wannéer bedoel ik.” +</p> +<p>„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik herinner me +niets.” +</p> +<p>„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.” +</p> +<p>Maar ik mengde me in het gesprek. +</p> +<p>„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>heeren het zoo niet meenen.” +</p> +<p>„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen monsterend +en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij de verwarring op Dirk’s +kamer ook niet gunstiger op geworden was. +</p> +<p>We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige bekeuring van Boy +liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te rooken had. +</p> +<p>Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn onwelriekende +kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer stond grauw van het smerige water. +Toen wikkelde hij zich in een wollen deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde +in een leunstoel en verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in +zijn eigen bed gekropen. +</p> +<p>De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de heeren nou toch +eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een schandalige zwijnderij ’t in zijn +winkel was. Heele plassen modderwater had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood +gevonden.—Bram was niet te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap +in de eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog had +bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram onlogisch verzekerde, +dat hij het wel betalen zou. +</p> +<p>Toen dommelden we wéer in. +</p> +<p>Tot om tien uur Bram binnenstapte. +</p> +<p>„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me. +</p> +<p>„Watte?” +</p> +<p>„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij op je haar?” +</p> +<p>„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter gemaft.” +<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> +<p>Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden kon verwekken, +kwam hij terug: +</p> +<p>„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.” +</p> +<p>„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik. +</p> +<p>„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram. +</p> +<p>„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen, dat hij zich +voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd had. Dan uitte hij den rechtvaardigen +wensch om gekleed te worden. Bram bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje +van Boy mogelijk best gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken +galeiboef. De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen staken +griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn oksels hem bijna elke +armbeweging belemmerde. +</p> +<p>We ontbeten, gingen daarop naar Dirk. +</p> +<p>„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend. +</p> +<p>„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.<span class="corr" id="xd33e555" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Kan me niet verrotten.” +</p> +<p>„Hier is je broek.” +</p> +<p>„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.” +</p> +<p>„Gá dan ook.” +</p> +<p>„Nee—’k ga niet.” +</p> +<p>„Maar ze wachten je.” +</p> +<p>„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.” +</p> +<p>„Nou—kóm nou.” +</p> +<p>Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige bewegingen +betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij langzaam: +</p> +<p>„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?” +</p> +<p>„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je kop door de +ruit hebt gestoken,” helderde <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>Bram op. +</p> +<p>„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij verneurieën wilt …” +</p> +<p>„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol. +</p> +<p>„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd. +</p> +<p>„Ga dan kijken op je kamer.” +</p> +<p>„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen we het uitschaterden +werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie jongelui hem in den slaap den kop +verbonden en hem stonden te vernachelen. „En nou dónderen jullie op!” +</p> +<p>En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen weer neer, terug +gehouden door de bretels. +</p> +<p>„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs. +</p> +<p>Boy maakte de bretels los. +</p> +<p>„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte, flauwe jongens.” +</p> +<p>„Nou sta nou op.” +</p> +<p>„Verrek voor mijn part.” +</p> +<p>„Je bruiloft.” +</p> +<p>„Niks bruiloft.” +</p> +<p>„Ze wachten je.” +</p> +<p>„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig draaide hij ons +den rug toe. +</p> +<p>We gaven het op. +</p> +<p>Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als een verwilderde +gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik ontdekte, dat de scheur in het +kruis van m’n broek, die me den vorigen dag van paardrijden deed afzien, ongewone +afmetingen had aangenomen, en voelde me ook maar half in m’n nopjes. +</p> +<p>Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>mijn kamer in Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik +met de beste voornemens voor de toekomst bezield. +</p> +<p>Och ja—die goede voornemens! +</p> +<p>Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt, dan is het óok +gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap +brengt … +</p> +<p>En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons zonderling gedoe in +Leiden was een inleiding tot onze gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag. +<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK IV.</h2> +<h2 class="main">DE TENNISCLUB.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen naam van „Mafkolder” +droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met +altoos flirten komt ons leven doorgaans ergens recht.” +</p> +<p>Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons geroepen om vanaf +de eerste intrede in de club ons aan het devies te houden. Overigens sloot de naam +zelve in, dat niet altijd een flirtation eisch was; menige middag werd luierend in +lange stoelen of in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig +gedaan. +</p> +<p>De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er was Toos, +blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor Boy had en het grappig +merken liet; er was Non, die voor eenige toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan +waren er nog twee Lilie’s, die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus +had gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s, kortweg bleekneus +en propneus „archisec” werden. +</p> +<p>De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed, die Piet heette. +</p> +<p>Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een hekel aan hem, +ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede omdat het jongmensch steeds poenig +blufte op de duiten, die pa in de suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar +wat Boy nooit bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty. +</p> +<p>Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen, die in Boy +een mededinger zag, trachtte hem <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>diplomatiek voor zich te winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet +van Boy uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret. +</p> +<p>Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte aanstalten om een +sigaar op te steken. +</p> +<p>„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s van een kwartje.” +</p> +<p>„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty kreeg zoo’n gezellige +lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty +nog àl maar gierend zei: +</p> +<p>„Wat een type ben jij toch, Boy!” +</p> +<p>Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er bescheidenlijk +aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek. +</p> +<p>Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te herwinnen door hevig +gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch mengend met onbegrepen fransche woorden. +Het was bij zulk een gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” +zoo bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus” verbeterde, +Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte toen oók zijn kar. +</p> +<p>„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet. +</p> +<p>„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte. +</p> +<p>„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna. +</p> +<p>„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend. +</p> +<p>Vele waren de <span lang="en">five ’o clock tea’s</span> op mijn kamer, waar bleekneus en propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar +de katjang bleef geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te +ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>ten antwoord, dat we op het zeiljacht van Bram huisden. +</p> +<p>„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd. +</p> +<p>„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het zien wilt moet +je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens anders.” +</p> +<p>Den volgenden dag verklaarde suikerpiet: +</p> +<p>„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.” +</p> +<p>„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram. +</p> +<p>„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter zou komen. +</p> +<p>„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets gedistingeerd. +</p> +<p>„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram verder op de hoogte. +</p> +<p>„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet. +</p> +<p>En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen lag, waar Bram, +na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden, het had laten opkalefateren. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „<span lang="de">ewig weibliche</span>,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze zeden eenigszins verzacht. +</p> +<p>Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het verlangen +om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken avond geregeld, en ook +vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me oploopen, wetend dat, als het geen +tennisweer was, er kans bestond eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht +Boy ook—en het sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat +te staren zonder er een woord van op te nemen. <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>Hij was zoo jammerlijk verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn minnepeinzerijen +lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde vroolijke, brutaalgeestige +type. +</p> +<p>Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te bekennen, maar +leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan iedereen die het hooren wilde, bekenden +dat Bram wel niet veel wérkte, maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke +dronkemansgedoe in Leiden.” +</p> +<p>De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er komen kon;—en +in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling … gaan werken. +</p> +<p>Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het <span lang="la">gerundium</span> en het <span lang="la">gerundivum</span> iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens mij het begrip van den +<span lang="la">ablativus absolutus</span> eigen te maken, toen er geklopt werd en Kitty binnenkwam. +</p> +<p>„Stoor ik?” vroeg ze leuk. +</p> +<p>„Je weet wel beter.” +</p> +<p>„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.” +</p> +<p>„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je niet. Je hebt me +zeker noodig?” +</p> +<p>„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen: +</p> +<p>„Komt hij vanmiddag?” +</p> +<p>„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch niet voor mij +kwam. +</p> +<p>„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?” +</p> +<p>„Welke hij dan toch?” treiterde ik. +</p> +<p>„Boy natuurlijk.” +</p> +<p>„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer spreekt, dan +is het al zoo klaar als een klontje.” +</p> +<p>„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!” +</p> +<p>„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?” +<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> +<p>„Dus hij kómt?” +</p> +<p>„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?” +</p> +<p>„Weet je wat je bent? een enge zeur …” +</p> +<p>„Zoo die zit,” zuchtte ik. +</p> +<p>„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig. +</p> +<p>Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom wilde ik nog +maar eens uithooren. +</p> +<p>„Waarom breng je Non nooit mee?” +</p> +<p>„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt. +</p> +<p>„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.” +</p> +<p>„Ben ik dan geen gezelschap?” +</p> +<p>„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs dat je die +koekjes niet voor mij meebrengt.” +</p> +<p>„Heusch wel,” deed ze erg oprecht. +</p> +<p>„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.” +</p> +<p>„Hè wat bén je flauw!” +</p> +<p>„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is het—zooals ik al zei—omdat +je iets van me noodig hebt.” +</p> +<p>„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je noodig.” +</p> +<p>„Vraag dan maar.” +</p> +<p>„Je moet …” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het aan niemand, +aan niemand vertellen?” +</p> +<p>Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens in had kunnen +loopen. +</p> +<p>„Je moet me antwoorden op een paar vragen.” +</p> +<p>„Over Boy,” zei ik boud. +</p> +<p>Ze zweeg,—zat er mee in. +</p> +<p>„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder. +</p> +<p>„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik bedacht dat +ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon. +<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> +<p>„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik je zal laten +praten.” +</p> +<p>Ze keek me schuchter aan. +</p> +<p>„Jij bent een goede vriend van Boy hè?” +</p> +<p>„Ja—een heél goede.” +</p> +<p>„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel eens rare +dingen?” +</p> +<p>„Wat bedoel je?” +</p> +<p>„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo moeilijk.” +</p> +<p>„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik. +</p> +<p>„Ja en …” +</p> +<p>„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje gekeken en malle +dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend. +</p> +<p>„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk. +</p> +<p>„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar stiekeme drinkers +of zoo—dat zijn we niet.” +</p> +<p>„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze. +</p> +<p>„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend. +</p> +<p>„Ja,”—lispte ze. +</p> +<p>„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik. +</p> +<p>„Ik dacht dat hij … enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten hebben,” bekende +ze met een zweem van ongegronde afgunst. +</p> +<p>„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat van hem houdt, +dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos, omdat je vol illusies bent; +verlies je zoo’n illusie dan … gaat het meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn +illusie behouden kan.” +</p> +<p>Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen. +<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> +<p>„Geloof je dat hij …!” waagde ze. +</p> +<p>„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te koop,—maar +ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel van je houdt.” +</p> +<p>„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend. +</p> +<p>„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor van die prachtige +redevoering, die ik tegen je gehouden heb.” +</p> +<p>Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben. +</p> +<p>„En jij houdt van Non hè?” vroeg ze. +</p> +<p>„Nee,” zei ik bot. +</p> +<p>„Hè,—wat sneu,” vond ze. +</p> +<p>„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs. +</p> +<p>„Nee, dát niet.” +</p> +<p>„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?” +</p> +<p>„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.” +</p> +<p>„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.” +</p> +<p>„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk. +</p> +<p>Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor kattekwaad we +hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden en Delft. Ze vond alles ijselijk +grappig en herhaalde telkens: „O, het is een type!” +</p> +<p>Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of hij altoos +zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei hopeloos: +</p> +<p>„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.” +</p> +<p>Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op de wangen. +</p> +<p>„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam. +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +<p>Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord. +</p> +<p>„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou ’m gaan halen. +Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de Zuiderzee.” +</p> +<p>Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap. +</p> +<p>„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui waarmee ik vroeger +zeilde zijn allebei zoek.” +</p> +<p>„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n laatsten wil zou +neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde. +</p> +<p>„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur hier halen.” +</p> +<p>„Goed. Blijf je een kop thee drinken?” +</p> +<p>„Nee—ik heb haast.” +</p> +<p>„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde Kitty. +</p> +<p>„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en stoof de kamer +uit. +</p> +<p>„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen gedrukt. +</p> +<p>„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik. +</p> +<p>„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze. +</p> +<p>„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik. +</p> +<p>„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je dat niet eerder +gezegd?” +</p> +<p>„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik. +</p> +<p>„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de kussens van +de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat lawaai kwam Boy binnen. +</p> +<p>„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en den rooden +blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven Boy!”—zei ze, hartelijk +blij nu hij er was. +<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> +<p>„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit laten kon zichzelf +verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de zijne, en ik wist er niets beters +op dan in ’s hemelsnaam met m’n knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de +ingetrapte theekransjes uit het kleed te verwijderen. +</p> +<p>„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om twee uur moet +je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de Mallemolen afhalen.” +</p> +<p>„O—ja?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan. +</p> +<p>„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord. +</p> +<p>„We gaan ’s nachts,” ging ik door. +</p> +<p>„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige aanmaning doorziepelde. +</p> +<p>„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik. +</p> +<p>„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin ik geen weg +meer wist. +</p> +<p>Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los. +</p> +<p>„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol. +</p> +<p>„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had. +</p> +<p>„Nee, morgenmiddag uilskuiken.” +</p> +<p>„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy zich. +</p> +<p>„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur hier, met een óverjas. +Begrepen?” +</p> +<p>„Ja,”—zei Boy. +</p> +<p>„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik. +</p> +<p>„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy. +<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> +<p>„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.” +</p> +<p>Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend: +</p> +<p>„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.” +</p> +<p>„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in zijn stem<span class="corr" id="xd33e805" title="Bron: ,">.</span> +</p> +<p>Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes. +</p> +<p>Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen. +</p> +<p>„Thee?” +</p> +<p>„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.” +</p> +<p>„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens. +</p> +<p>„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy. +</p> +<p>„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik. +</p> +<p>„Waarom? Het is hier veel gezelliger.” +</p> +<p>„Prettig gefietst met Kitty?” +</p> +<p>„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en die wou waarachtig +méerijden.” +</p> +<p>„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend. +</p> +<p>„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij heel gelant +dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn achterband lek geprikt.” +</p> +<p>„Die is sterk,” schaterde ik. +</p> +<p>„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een poosje merkte.—Toen +inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot hij hem gemaakt had. Maar <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn we maar doorgereden.” +</p> +<p>„Het is toch wél bar,” plaagde ik. +</p> +<p>„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort toch niet bij +ons thuis?” +</p> +<p>Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde al het belang +voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen ontbroken had,—maar loslaten +deed hij niets.—Dat vond ik vervelend, niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar +omdat ik het graag tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien. +</p> +<p>Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden, weggedoken in de luie +stoelen, <span class="corr" id="xd33e836" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> elkaar ziende in het doezige licht der schemerlamp, zwijgen bleven. +</p> +<p>Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn stem zei: +</p> +<p>„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan m’n besten +vriend zei.” +</p> +<p>„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel. +</p> +<p>„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met Kitty gesproken +en—nou—we houden allebei van elkaar.” +</p> +<p>Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk. +</p> +<p>„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik had niks laten +blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten dag.” +</p> +<p>„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik. +</p> +<p>„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy. +</p> +<p>„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen verwrongen +glimlach niet kon onderscheiden. +<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p> +<p>„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy, in malle verbazing +over het feit. +</p> +<p>Ik barstte los in een schaterlach. +</p> +<p>„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn lachaanval had. +</p> +<p>„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik. +</p> +<p>„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende omstandigheid is,” piekerde +hij. +</p> +<p>„Leve de Mafkolder!” besloot ik. +<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK V.</h2> +<h2 class="main">DE ZEILTOCHT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland. +</p> +<p>Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm, de sportpetten +op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking gaapte ons aan. +</p> +<p>We kwamen aan de haven. +</p> +<p>„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp slechts de +kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn vormen halsstarrig aan een +gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan ook geweest was vóor dat Bram er een +kajuit in bouwen liet en hem van „De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte. +</p> +<p>De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen ons en begon +toen een technisch gesprek over de aangebrachte herstellingen, waarvan vrijwel elk +woord een raadsel voor me bleef. +</p> +<p>„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester. +</p> +<p>„Ja,” zei Bram. +</p> +<p>„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling. +</p> +<p>„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en zoo—halen,”—verzocht Bram +afleidend. +</p> +<p>We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken, en Boy schreef +wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een buitenlandsche reis was en in geen +maanden terug zou keeren. Daarna bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen +zouden en was ik zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven +aan Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er ook nog ieder +een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die in een vacantiereis in den +Harz terecht komt, kan zich niet beter van zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij +toenmaals. +</p> +<p>Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en spuitwater-flesschen, dat me een +gerstendrankhoudende ontglipte en te spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw +het rouwbeklag van „Het is zonde” ontlokte. +</p> +<p>We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen, waardoor de +boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste kajuit, met raampjes in +koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze achting rees. +</p> +<p>Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug. +</p> +<p>„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer een flesch op +vallen stond. +</p> +<p>„Ga jij er<span class="corr" id="xd33e884" title="Bron: , in"> in,</span>” verzocht hij. +</p> +<p>En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank schoof op me +toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag. +</p> +<p>„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het voorruim de +eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de ijzeren ringen van op een +stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om een verward touw weer op de katrol te +leggen. Boy deed niets, behalve ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen +de trekken aan zijn sigaar, neurieënd van: +</p> +<div lang="en" class="lgouter"> +<p class="line">„You can <span class="corr" id="xd33e892" title="Bron: allways">always</span> tell when a coon is in love”</p> +</div> +<p class="first">waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet beslist een neger +voor behoefde te wezen. +</p> +<p>Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te staren naar „de +heeren van de Mallemolen.” +<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> +<p>„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel. +</p> +<p>„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs. +</p> +<p>„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb die vraag, +gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een bevredigend antwoord +op te kunnen vinden. +</p> +<p>Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den <span lang="en">coon-song</span> te herzingen. +</p> +<p>„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”— vond Bram.—„Doe +nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar eens.” +</p> +<p>„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een wanhopigen +smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber aangaf—„als je nóg eens wat +hebt … Alle goden, een aandeelhouder van de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan +er niet zoo naar stinken als ik het doe.” +</p> +<p>Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk. +</p> +<p>„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram. +</p> +<p>De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons rekenschap geven van +hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was een rijtje van drie paar schoenen, +die zich onder een dons van groene schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze +ruim van zich afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding verkeerde, +en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd, dat—volgens Boy—er over een paar +weken wel niet veel meer dan de knoopen van waren overgebleven. +</p> +<p>Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en borden, verwarring +van pappig pakkende dekens op de twee britsen, zeekaarten verscheurd en <span class="corr" id="xd33e916" title="Bron: verfonfaaid">verfomfaaid</span> verspreid over de hevig-vuile vloer,—en tusschen al die <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum +doortrokken:—„Fidessa” van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten. +</p> +<p>Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen griezelig-wit +krioelende wortels hadden geschoten. +</p> +<p>„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem de boonenverzameling +onder de neus stoppend. Maar Bram met een verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, +beval: +</p> +<p>„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan worden over boord.” +</p> +<p>„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan waren we gauwer +met opruimen klaar.” +</p> +<p>„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit drééf gewoon. +Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.” +</p> +<p>„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik. +</p> +<p>„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat ze nog bij +de pomp konden blijven.” +</p> +<p>Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu niet beslist +aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik vannacht oók kans hadden +om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit zich zelf gekeerdheid vermoedelijk. +</p> +<p>De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven verscheidene +kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste pannen en half vergane onkuischheden +uit „Le Rire,” „Simplicissimus,” „Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte +plaatwerken, had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging +den toeschouwers <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een meewarig „Het is zonde”—wat in +Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen schijnt te behooren. +</p> +<p>Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot rustbanken opgemaakt, +de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook wat. Een met rasterwerk omkringelde +lamp hing aan de zoldering; op een tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken +daarboven het eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen +een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje boter bemachtigd. +Links van den ingang, op een breede plank, lagen de „instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”. +</p> +<p>De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over welks doel Bram +zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van scheepsklok voor het oorlam, +dat Bram ons op ongeregelde tijden veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit +Boy, zich oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een kompas, +dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen en de beschimmelde +kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had welke stiekeme parten het schijnheilige +ding me spelen zou. Voorts stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten +en waarbij men de kaarten kon raadplegen. +</p> +<p>In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder in, in den waan +verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer moeilijkheden zou baren dan een landkaart. +</p> +<p>Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar opeens een raar +gekleede kerel me aansprak: +</p> +<p>„<span lang="fr">Je suis russe</span>”, verklaarde hij. +</p> +<p>„<span lang="fr">Je suis hollandais</span>,” antwoordde ik logisch. +</p> +<p>„<span lang="fr">Je suis peintre</span>,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>droeg en een grooten sombrero op zijn bol gedeukt. +</p> +<p>„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen. +</p> +<p>Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was en bewaarde +dus een afwachtend stilzwijgen. +</p> +<p>„<span lang="fr">Serait-il possible de vous accompagner?</span>” vroeg de kwastenwellusteling weer. +</p> +<p>„<span lang="fr">Le capitaine—c’est lui</span>,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en hardop zei: +</p> +<p>„’k Wil den vent niet meehebben.” +</p> +<p>„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje noodig”, kwam Boy +bemiddelend. +</p> +<p>„<span lang="fr">Je regrette, il n’y a pas de place</span>”, zei Bram met een gezicht van een kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus +mompelde een „pardon” en bleef op den wal achter. +</p> +<p>„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos op. +</p> +<p>In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde doperwtjes; +de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den kapitein zich deed herinneren +dat hij er koopen moest, omdat Boy minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram +door de prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de meisjesleden +van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er uitzag, was het niet onze schuld. +</p> +<p>Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden en lampenglazen—de +bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord terug. Het was half acht en het +begon te schemeren. +</p> +<p>Nu werd het méenens. +</p> +<p>„Kun je sturen?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig. +<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p> +<p>„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil hijschen.” +</p> +<p>Dit bolde flauwtjes op. +</p> +<p>„Er is geen wind,” wanhoopte Boy. +</p> +<p>„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij. +</p> +<p>„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen. +</p> +<p>„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit. +</p> +<p>„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter. +</p> +<p>„De háven uit.” +</p> +<p>„Jawel—dat snap ik, maar waár?” +</p> +<p>„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op. +</p> +<p>Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de ontdekking, dat de geheele +haven van roode en groene lichten wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram +kreeg haast een beroerte. +</p> +<p>„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het hoofd, waar hij +met volle macht den fok aan het optrekken was. +</p> +<p>Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe Bram wist, dat +het juist deze beide waren en niet een paar van de overige dozijnen, stuurde ik er +dapper op af. +</p> +<p>Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch stuurboord tegen de +pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen de Zuiderzee in. +</p> +<p>Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en een groene, halfweg +het want. +</p> +<p>„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan. +</p> +<p>„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en Boy, wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot steward +had benoemd. +</p> +<p>„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig plezier in het +tochtje kreeg. +</p> +<p>„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten scharrelde, +waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de dievenlantaarn, ontvouwde. +</p> +<p>„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit. +</p> +<p>„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1012" title="Niet in bron">„</span>Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe plekken aanwees. +</p> +<p>Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet is dat water. +Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was land en wit was water. Wat +een weersprakigen geest moet de man hebben gehad die deze kleuraanduiding verzon! +</p> +<p>„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder uit, op een +gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn minderen. +</p> +<p>Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen op elkander +geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op den boeg languit neerlag. +</p> +<p>„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan en vervolgde +zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en haal je rechts in.” +</p> +<p>Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit water,—nu dit weer. +</p> +<p>„En als er mist komt blaás je op den toeter.” +</p> +<p>„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het gesprek. +</p> +<p>„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg ik, onder den +druk van mijn verantwoordelijkheid. +<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> +<p>„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt heel goed, +ik kan het veilig aan je overlaten.” +</p> +<p>„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat <span class="corr" id="xd33e1028" title="Bron: oorlom">oorlam</span>?” kwam de steward. +</p> +<p>Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we, dronken den +lang verbeiden cognac. +</p> +<p>Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen van de daken +en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen den nog éven glorenden avondhemel. +Op de zee overal ook de sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige +schijf in zwavelgele dampen. +</p> +<p>„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me niet meer: ik +voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit anders gedaan had. Ik wist +nu dat blauw land was en wit water; ik wist wat stuurboord en bakboord beteekenden; +ik wist links te passeeren, te toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, +ik was vertrouwd met varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk? +</p> +<p>We rookten—Boy neuriede weer van: +</p> +<div lang="en" class="lgouter"> +<p class="line">„You can <span class="corr" id="xd33e1039" title="Bron: allways">always</span> tell when a coon is in love”</p> +</div> +<p class="first">en lokte geen tegenspraak meer uit. +</p> +<p>„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar op dat licht +aan en hou je kluisgaten open.” +</p> +<p>Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn omgeving schikt, +loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam recht op aán te sturen. +</p> +<p>Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de zuidwester en de oliejas +hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan meteen in. +</p> +<p>Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de Mallemolen hevig +stampend te keer te gaan, mij bij elke <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>neerbonzing een heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend. +</p> +<p>Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een neger verliefd +was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. +Toen hij naar Canada was overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij +met een daglijst van den overtocht; bij „<span lang="en">Saturday 15th:—Strong head gale. Dangerous sea. Squalls<span class="corr" id="xd33e1055" title="Niet in bron">.</span></span>”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne diners tweemaal.” Toen echter vermoedde +ik niet ook nog eens de lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien. +</p> +<p>Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet loslaten om mijn +overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het licht in de verte en schrok +hevig toen een groote tweemaster met volle zeilen, als een vliegende hollander, rakelings +achter me dwars door ons zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan +stond) door die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook +eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal aanhield, opeens +schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere vormen van een stoomboot ontdekte. +Haastig week ik links uit voor het ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen +en weer, en vanaf de stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename +bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me, dat bij het +uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven staan. Thans had ik ruimschoots +de keuze tusschen vele lichten waarop ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar +ik vertrouwde het geval niet bijster meer en bleef strak het compas beturen. +</p> +<p>De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond (men vergeve +mij deze zonderlinge lengte- en <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>breedte-bepaling), sluierde zich een dichte damp. +</p> +<p>Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en nam een slok; +niet eens zoo’n heel erg grooten. +</p> +<p>Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde, toen ik mijn +linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte Zuiderzee-deining. +</p> +<p>Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik opeens de gesluierde +maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas stond nog almaar op <abbr title="XX">Z.Z.W.</abbr> Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven +van het alleszins onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het +groote zeil over. +</p> +<p>Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den hevigen mep, dien +de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er stevig aan vast te klampen,—en toen +hing ik met zeil en al buiten boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik +liefst uit bleef. De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon +hevig te keer te gaan. +</p> +<p>Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het hoofd buiten boord +en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven. Dat was zijn geluk, want het zeil +ging ten tweede male over en met een hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, +rakelings over Boy heenzwierend. +</p> +<p>„Boy!” riep ik. +</p> +<p>Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet zijn verwilderde +oogen dwalen over het dek. +</p> +<p>„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee. +</p> +<p>En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de boot weer hevig +te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden male, met een nijdigen floep +van het zeil, in verbijsterende snelheid over Boy heen, die—opnieuw <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>katterig geworden door de tureluursche keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist +op tijd het hoofd genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk +met de erwtjes. +</p> +<p>Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd. +</p> +<p>Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige kunnen herhalen, +gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s maag,—indien de kapitein niet door +al de onwijze tolbewegingen van zijn jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen +was. +</p> +<p>„Bram!” schreeuwde ik. +</p> +<p>Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast. +</p> +<p>„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend, terwijl hij, +angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk vermeed. +</p> +<p>„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in zijn stem. „Verrek—wat +doe jij daar?” +</p> +<p>„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in gehangen had. +</p> +<p>Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling, menschelijkerwijs +gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen. +</p> +<p>„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste maal over. Ik +was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes kwijt, maar bekende mezelven, +dat ik er schoon genoeg van kreeg. +</p> +<p>„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest verliet. „Doe je +nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit leedvermaak, dat niet hij alleen +er slecht aan toe was. +</p> +<p>Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>kwam het zeil over, kon ik me in den kuil laten ploffen. +</p> +<p>„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur krampachtig +in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn plagerijen, door inwendige beroering +werd bezig gehouden. +</p> +<p>Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was, terwijl het +kompas Z.Z.W. wees. +</p> +<p>„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de lichten,—je hebt +toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht. +</p> +<p>„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram lette niet op +deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas dan!” hield ik vol. +</p> +<p>„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,<span class="corr" id="xd33e1100" title="Niet in bron">”</span> verklaarde Bram. +</p> +<p>„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in de omgeving +passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een halven slag om. Het zwoor +schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein er een nijdigen mep tegen en langzaam, +sarrend eigenwijs, draaide de roos in den goeden stand. +</p> +<p>„Zie je wel?” zegevierde Bram. +</p> +<p>„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog. +</p> +<p>„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de draaiende plaatst-rust +en het heen-en-weer gevlieg mijn orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins +in de war hadden gebracht. +</p> +<p>We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik zou er geen +begrip van gehad hebben! +</p> +<p>Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut cognac. Bram kwam +op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse plank te zetten. +<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p> +<p>„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.” +</p> +<p>„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het malle van het +op gang getrapte kompas in te zien. +</p> +<p>„Nou maf ze,” kwam Bram. +</p> +<p>„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig. +</p> +<p>„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in bed.—Boy—wat opgelucht—en +minder in de war, nu de boot weer voor den wind liep, kroop naast hem. +</p> +<p>Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me verdiepend in de thans +zich telkens openbarende bewegingen van de roos. Den koers hield ik tusschen <abbr title="XX">Z.Z.W.</abbr> en <abbr title="XX">Z.W.</abbr> +</p> +<p>Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams opvatting +van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.” Want aan aflossen dácht +hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte ik, dat onze lichten waren uitgegaan. +Het was nu wel bar belangrijk, zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde +weinig voor zulke kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook +niets meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen, stoof +een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid. +</p> +<p>„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige weldadigheid +den visschen gebracht. +</p> +<p>„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder mijn bereik +had, trok ik een schoen uit<span class="corr" id="xd33e1126" title="Niet in bron"> en</span> slingerde hem midden in Boy’s maagstreek. +</p> +<p>„Au—verdomme!” jankte hij. +</p> +<p>„Kom er uit!” beval ik. +</p> +<p>„Waai om!” verwenschte de steward. +</p> +<p>„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>er weer lichtjes uit den nevel. +</p> +<p>„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?” +</p> +<p>„De lichten zijn uit!” jammerde ik. +</p> +<p>„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij. +</p> +<p>„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!” +</p> +<p>Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter. +</p> +<p>„Nee kaffer—eérst de lichten op!” +</p> +<p>Boy kroop op het dek. +</p> +<p>„Allemachtig wat een damp.” +</p> +<p>Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit. +</p> +<p>„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij. +</p> +<p>„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan. +</p> +<p>„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried, maar in zijn slaaplust +zich blijkbaar noch van den mist, noch van de gedoofde lichten iets aantrok en aan +de beloofde aflossing niet dacht. +</p> +<p>Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek. +</p> +<p>„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik. +</p> +<p>„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy. +</p> +<p>„Nee, andersom!” +</p> +<p>„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij als een nuchter +kalf. +</p> +<p>„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik. +</p> +<p>Eindelijk hingen de lampen. +</p> +<p>„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig. +</p> +<p>„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.” +</p> +<p>„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al over boord. +<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> +<p>„Het was die omelette,—die … die smaakte óok zoo naar petroleum” verklaarde hij een +oogenblik later. +</p> +<p>„Ben je nu leég?” +</p> +<p>„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.” Dan kwam hij +bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo beroerd ben geweest; het +is zoo kinderachtig.” +</p> +<p>„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.” +</p> +<p>„Vertel het nu maar niet.” +</p> +<p>„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik. +</p> +<p>Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel: +</p> +<p>„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. <span class="corr" id="xd33e1171" title="Niet in bron">„</span>Had ’m naar m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige +plek.<span class="corr" id="xd33e1173" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Voel je je erg lam?” +</p> +<p>„Als een zatte aap,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„Ga naar bed.” +</p> +<p>„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.” +</p> +<p>„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,” troostte ik. +</p> +<p>„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.” +</p> +<p>„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.” +</p> +<p>Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer. +</p> +<p>We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed een lange +aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een langgerekte jammerklacht, als +van een hond die huilt. +</p> +<p>„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed. +</p> +<p>„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op de Mallemolen +was op haar hoogtepunt. +</p> +<p>„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>in den kuil, schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?” +</p> +<p>„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol verachting voor de +nuttelooze dingen. +</p> +<p>Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik niet meer inkijken. +Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos een boot aan vast. +</p> +<p>Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar maffen bleef, +stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu maar eens Z.W. ten W. aangehouden. +</p> +<p>Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd dag.—Langzaam, heel +langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen. Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden +uit de nevels, recht voor me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde +met de spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de Christenen +over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens herkende ik ze:—het was Amsterdam. +</p> +<p>Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me ook niet veel +schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik nam den toeter, in mijn +zegepraal bereid tot groote middelen, boog voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend. +</p> +<p>„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de kribbighedens der ochtendziekte. +</p> +<p>„Amsterdam!” jubelde ik. +</p> +<p>„Je bent betoeterd.” +</p> +<p>„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug. +</p> +<p>„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig. +</p> +<p>„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der Amstelstad. +</p> +<p>„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein. +<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> +<p>„Alweer?<span id="xd33e1208"></span>—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig. +</p> +<p>„In de schutsluizen,” helderde Bram op. +</p> +<p>„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd. +</p> +<p>Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe ochtendzon liggen, +kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam was van het kompastrappen, en +mijn lendenen, blauw gestompt door het stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen +den kapitein en mij over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik +buiten langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te kunnen +aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos een duister geheim blijven. +</p> +<p>We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte als een zaagmolen. +Ik ging naast hem liggen, kon me levendig voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal +er uitzagen, en sliep dus weldra ook in. +</p> +<p>Het was tien uur toen Boy me wakker maakte. +</p> +<p>„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud wijf!” +</p> +<p>In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en zong weer druk +het sinds lang onderbroken lied van den verliefden neger. +</p> +<p>Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de steward eieren +en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik verkneukelde me in het gezicht van +Bram, die zich aan het stuur stond te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of +avontuurlijks bood. +</p> +<p>Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen, bezorgde moeilijkheden. +</p> +<p>„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>stuur over om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in waarheid +om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam. +</p> +<p>Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote oogenblik kwam. +</p> +<p>„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg. +</p> +<p>Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de wimpelspits af en +plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug door. +</p> +<p>Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op het water, +deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel, dronken meer en maften het +meest. Bram, aan het stuur, kon zijn genoegen op. +</p> +<p>„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich verbaasd. In den nacht, +alleen in den mist, had ik er over gepiekerd, nu sprak ik het uit: +</p> +<p>„Toch geen bár opwindende sport.” +</p> +<p>„Ik amuseer me best,” beweerde Bram. +</p> +<p>„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel huichelarij, en +ging maar niet verder op het geval in. +</p> +<p>In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we besloten de Mallemolen +er maar bij een werf achter te laten. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht maar niet tot +Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen gaan.” +</p> +<p>Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder uitgeslapen, vroeg: +</p> +<p>„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?” +<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p> +<p>„Nee,” gaf Bram maar toe. +</p> +<p>„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel achter zou +komen. +</p> +<p>„In een woonwagen,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes kreeg. +</p> +<p>„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We trekken ’m +om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.” +</p> +<p>„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang er op in. +</p> +<p>„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes, en Zondags +eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal<span class="corr" id="xd33e1252" title="Bron: ?">.</span>”—sloeg Boy er zijn redeloozen onzin uit. +</p> +<p>„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang. +</p> +<p>„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy. +</p> +<p>Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen werd. +</p> +<p>„Jullie verlakken me.” +</p> +<p>„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén gierbui, hem +hartelijk in den arm kneep, smeekend: +</p> +<p>„Boy—o Boy!—ik lach me doód!” +</p> +<p>Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend: +</p> +<p>„Enfin—ik trek me er weinig van an.” +</p> +<p>„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy. +<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VI.</h2> +<h2 class="main">WE HUREN EEN BOVENHUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was opeens besloten. Boy’s broer kwam over met een jaar indisch verlof en wilde +bij zijn moeder inwonen, waardoor Boy het huis uit moest. Bram had genoeg gekregen +van Leiden, vond het in Den Haag plezieriger. Ten slotte had mijn hospita me een lange +redevoering gehouden, waarvan de slotsom was, dat ze niet altoos die jonge dames over +den vloer wou hebben, omdat heel de buurt er schande van sprak. +</p> +<p>Ze wist wel dat onze omgang heel fatsoenlijk was, en de jongedames waren óók heel +nette meisjes, maar enfin—menschen kletsen zoo gauw nietwaar?—Ik had haar bedankt +voor hare goede meening over de leden van den Mafkolder en—me groot houdend—verzekerd, +dat ik tóch al het plan had om weg te gaan, omdat haar poes telkens ongerechtigheden +in m’n kamer deed en de meid altoos van mijn jam snoepte.—De hospita was langdradig +op mijn vinnigheden ingegaan, bezwerend dat haar poes zoo zindelijk was als een mensch +en dat de meid zoo eerlijk was als goud. +</p> +<p>Gevolg was dat ik de kamer opzegde. +</p> +<p>Met zijn drieën hadden we uitgemaakt, dat het veel spaarzamer zou wezen gezaamlijk +een bovenhuis te huren en een meid te nemen, terwijl we dan tevens van alle hospita-gezanik +bevrijd zouden zijn. +</p> +<p>En zoo stelden we een advertentie. +</p> +<p>De tekst had eenige moeilijkheid gekost. Bram wilde: „Drie losloopende jongelui wenschen +gemeubileerd bovenhuis van alle gemakken voorzien.”—Waarop Boy meende dat het voldoende +mocht heeten als er één gemak was en dus voorstelde: „Drie studenten zoeken bovenhuis +met stevige maar smaakvolle <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>meubels voorzien.”—Maar ten slotte besloten we te plaatsen: „Gemeubileerd bovenhuis +in Duinoord gezocht.” +</p> +<p>Toen ik aan het bureau van het blad de ingekomen brieven kwam afhalen, kreeg ik er +zeven en twintig en een briefkaart. +</p> +<p>Dien avond, bij mijn voorlezing, werd Boy bij den twaalfden brief wanhopig. Toen ik +weer begon met den stereotiepen aanhef van: In antwoord op uw advertentie …—riep hij +uit: +</p> +<p>„In godsnaam schei uit!—Het is om gek te worden. Geef me een kop thee, ik heb van +al die lectuur een smaak in m’n mond gekregen als een oud wijf.” +</p> +<p>„Moeten we nu ál die huizen afloopen?” opperde Bram. +</p> +<p>„Het zijn bóvenhuizen man. Wil je dan toch waarempel een trappenberoerte of een bovenhuisduizeling +oploopen?” wanhoopte ik. +</p> +<p>„Het is juist van dat óploopen dat je iets oploopen zou,” meende Boy. +</p> +<p>„Ik heb een idee!” kwam Bram. +</p> +<p>„’t Lijkt onwaarschijnlijk, maar kom óp met je idee,” zei Boy. +</p> +<p>„We zoeken ieder negen van de bovenhuizen op: we schikken het zoó, dat ze zooveel +mooglijk in één buurt liggen. Zoo kunnen we alvast schiften. De paar, die ieder het +beste lijken, kunnen we dan samen bezoeken.” +</p> +<p>„Er is nog een briefkaart,” merkte ik op. +</p> +<p>„Die neem ik dan wel,” verklaarde Bram goedig. +</p> +<p>„Maar als we dan later met z’n drieën komen aandazen, is het mis. Je snapt dat ze +aan geen drie jongelui hun meubeltjes overlaten,” piekerde ik. +</p> +<p>„Een huisvrouw is voor jongelui even bang als voor motten of houtwurmen,” wijsgeerde +Boy. +</p> +<p>„Dan huurt degene die het eerst gekomen is, de twee anderen gelden als vrienden, die +in de keuze helpen,” stelde Bram voor. +<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p> +<p>„Top,”—zei Boy. +</p> +<p>De huizen waren allen, zonder uitzondering, van indische gezinnen en van een losbandigen, +slordigen wansmaak. Wanhopig zaten we dien avond elkaar aan te kijken. +</p> +<p>Maar den volgenden dag, op het dagbladbureau, waar ik nog maar eens heengegaan was, +lag nog éen brief. Onze redding.—En we huurden het werkelijk gezellige bovenhuis, +wat door de familie, die voor een jaar naar het buitenland vertrok, pardoes werd achtergelaten. +</p> +<p>Veertien dagen later trokken we er in en begonnen met er den boel ergerlijk overhoop +te halen. Zóo hadden we besloten;—Bram de voorkamer met den erker en het kamertje +er naast tot slaapvertrek. De achterkamer met serre diende tot eetkamer en ontvangsalon. +Wat dit laatste doeleinde betrof, besloten we eenstemmig alle berenleiders aan de +vóordeur te laten wachten. Op de bovenverdieping was voorkamer met balkon en zijkamertje +voor mij, de <span class="corr" id="xd33e1303" title="Bron: achter-eaedem">achter-eadem</span> voor Boy. Dierhalve begon al dadelijk een verwarrend beddegesleep. De gangetjes lagen +vol matrassen en dekens en kussens. +</p> +<p>Bram droeg onhandig een beddekastje de trap op; het deurtje ging open en het nachtvaatwerk +viel tot scherven op het hoofd van Boy, die juist een <span class="corr" id="xd33e1308" title="Bron: weespanning">weerspannig</span> vloerkleed den hoek omwerkte. +</p> +<p>„Stomme komkommer!” vloekte Boy, zich het hoofd wrijvend. +</p> +<p>Maar Bram zat er mee in dat hij andermans bullen brak: +</p> +<p>„Als het maar geen familiestuk geweest is,” vreesde hij, de scherven bijeen rapend,—„je +hebt menschen, die hechten aan alles.” +</p> +<p>En hij sjouwde verder met het beddenkastje. Ik volgde met een waschtafel. Terwijl +ik het ding op zijn plaats zette, deed Bram een spiegelkast open. +<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>„Au—verrek—ai—ai!—Hans!” brulde hij, waar hem uit de kast een verwilderde uitgehongerde +kat in het gezicht gesprongen was. Dan rende hij de gang op, bette zijn gekrabbeld +gelaat onder het fonteintje.—Ik sloot veilig de deur. +</p> +<p>„Wat schreeuw je toch als een mager varken?” vroeg Boy, zwoegend onder het vloerkleed. +</p> +<p>„Een kat, man,—een kat!” legde de gewonde uit. +</p> +<p>Boy vatte natuurlijk niets. +</p> +<p>„Een kater bedoel je,” veronderstelde hij. +</p> +<p>„Dat heb je zoo gauw niet kunnen zien,” verdedigde Bram zijn gebrek aan opmerkingsvermogen. +</p> +<p>„Drink wat spuitwater,”—raadde Boy—„dan zal die wel overgaan.” +</p> +<p>Maar toen hij het geval eindelijk begreep, trok hij vastberaden een revolver uit zijn +achterzak, waar spuitwater hem niet meer afdoende toescheen,—deed de deur op een kier +open, gluurde om een hoek, teneinde het ondier te ontdekken. +</p> +<p>„Zeg—zijn jullie allebei bezopen?—Ik zie niks.” +</p> +<p>„Pas op!” waarschuwde Bram, „de hemel weet waar die ondergekropen is.” +</p> +<p>Boy sloop de kamer in, keek overal:—de kat was zoek. +</p> +<p>„Ik geloof dat jullie me vernachelen,” meende hij nuchter, den revolver weer in den +zak stekend. +</p> +<p>„’t Wás een kat,” hield Bram vol. +</p> +<p>„’t Wás een kat,” beaamde ik. +</p> +<p>„We hebben toch geen hallucinaties?” kwam Bram nog, de schram bettend, die zeker niet +aan een zinsbegoocheling te wijten was. +</p> +<p>„Dan is het beest ’m gesmeerd,” besloot ik. +</p> +<p>En we togen weer aan het werk, hoewel Boy de voorzorg nam elke kast te openen met +den revolver in de hand. +</p> +<p>„’t Mocht eens een liefhebberij van onzen voorganger geweest <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zijn,”—veronderstelde hij. +</p> +<p>Tegen den avond waren we vrijwel klaar. +</p> +<p>„Ga jij nu even een nieuwe po koopen,” maande Boy aan. +</p> +<p>„Ik dank je stichtelijk,” weerde Bram af. +</p> +<p>„Jij hebt ’m gebroken,” beschuldigde ik. +</p> +<p>„En neem een scherf mee als staal,” raadde Boy. +</p> +<p>„Jullie bent betoeterd. Een po koopen?—Nee, dat vertrap ik sterk.” +</p> +<p>„Vooruit—wat kan het je bommen? Er is een winkel vlak om den hoek; je laat ’m inpakken,” +overreedde ik. +</p> +<p>En zoo geschiedde het dat Bram een nachtvaatwerk kocht, op het staaltje gelijkend, +en hem zegevierend op de tafel der eetkamer uitpakte. +</p> +<p>„Ben je nou van de ratten?” vroeg Boy.—„Vooruit—schiet óp met dat ding!” +</p> +<p>„Hij is toch schóón?” vond Bram. +</p> +<p>„Hij hoort hier niet,” meende Boy; en dat was ontegenzeggelijk juist. +</p> +<p>Bram ging naar boven om het ding, wat mooglijk een familiestuk moest vervangen,—te +zetten waar het wèl hoorde. Boy en ik, uitpuffend in een paar luie stoelen, bleven +achter. Opeens klonk er boven een geluid van scherven, een gestamp van voeten, een +driftige slag van een deur en de jammering van Bram: +</p> +<p>„Au—allemachtig—au!” en hij stoof binnen, met een nieuwe schram, ditmaal over zijn +hand. +</p> +<p>„Wat heb je noú weer aan de hand?” vroeg Boy verbluft. +</p> +<p>„Een krabbel, dat zie je,” <span class="corr" id="xd33e1357" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> Bram gevat. +</p> +<p>„Is het die kat weer?” vroeg ik. +</p> +<p>„Ja—springt me dat loeder uit het nachtkastje.” +</p> +<p>„Gedecideerd—hij moet joú hebben,” meende Boy. +</p> +<p>„Ik moet hém hebben. Allemachtig als ik dat kreng in m’n <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>handen krijg, draai ’k hem de nek om,” dreigde Bram. +</p> +<p>„Hoe zúllen we hem krijgen?” opperde ik het vraagstuk. +</p> +<p>„Ik verdom het—ik ga die kamer niet meer in. Ik slaap wel hier op de canapee,”—verklaarde +Bram. +</p> +<p>„Ben je zéker dat ie nòg op je kamer zit?” vroeg ik. +</p> +<p>„Waarachtig,—ik heb hem direct gesmeerd, de deur dichtgegooid.” +</p> +<p>„Ja wat dán?” +</p> +<p>We hielden krijgsraad. Een uitgehongerde kat is een gevaarlijk beest, véel gevaarlijker +dan een haai of een ratelslang. Bram stelde voor om vanaf het achterbalcon, door een +kier van het raam, <span class="corr" id="xd33e1375" title="Bron: rattekruid">rattenkruid</span> naar binnen te gooien; maar we hadden dat niet als jam of boter voor het ontbijt +in huis. Overigens merkte Boy op dat rattenkruid voor ratten is en niet voor katten. +Hij stelde dan ook voor de kamer uit te zwavelen, door een brandend stuk door de even +open deur te schuiven. Maar dat was brandgevaar. Juist was ik met het nuchter plan +voor den dag gekomen om het beest eenvoudig met wat eten te bedaren, toen Boy langzaam, +in beduusde verbazing door de open deur in de duistere gang starend, zei: +</p> +<p>„Wel verdraaid!—Zeg—blijf even stil zitten!” en den revolver te voorschijn haalde, +met voorzichtige bedaardheid, en het ding opeens afknalde.—De slag daverde door de +kamer. Dan werd het stil: +</p> +<p>„Geraakt!” zegevierde Boy—„zoo dood als een pier.” +</p> +<p>We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het bléef stil +in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe kater, met dikken kop, waarin—midden +tusschen de oogen—een roode wond van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, +vies, vol groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van onzen +voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond. +</p> +<p>„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy. +</p> +<p>„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n kast eer ik er +m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram. +</p> +<p>„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik. +</p> +<p>Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel. +</p> +<p>„Wat ga je doen?” +</p> +<p>„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend. +</p> +<p>„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog. +</p> +<p>„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht. +</p> +<p>Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en droeg het een eind +de straat op. +</p> +<p>Even later kwam Bram terug met een flesch carbol en een andere sublimaat, een doosje +jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon zich zelf én het nachtkastje én de +spiegelkast te ontsmetten. Dan draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), +want je wist nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij +met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op, dat bij den +schrik hem ontvallen was. +</p> +<p>Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis een rare geur +van katers, karbol, jodeform en kruitdamp. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Den volgenden dag kwam onze verhuisboel. +</p> +<p>Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt overtollige bezit +van een schrijftafel, een studeerlamp en een boekenkast. Deftige groene gordijnen +dienen dan veelal om de armoedigheid der boekerijen te bedekken. +</p> +<p>Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>met een stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram welwillend +afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken. +</p> +<p>’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die Brams boeltje +bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met boeken en wasch. Tegen twaalf +uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en mij. +</p> +<p>Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het voorhoofd. Nijdig +had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters geschilderd: <i>Katten worden geweerd</i>, en dit tusschen het ruitje en het traliehekje van de huisdeur geplaatst. +</p> +<p>Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis” bekend stond? +</p> +<p>„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle koffie ontbroken +had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.” +</p> +<p>En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik bezig de planken +van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de kamer daarnaast, hartverscheurend +van: +</p> +<div lang="en" class="lgouter"> +<p class="line">„You can <span class="corr" id="xd33e1417" title="Bron: allways">always</span> tell when a coon is in love”.</p> +</div> +<p class="first">toen er gebeld werd. +</p> +<p>„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik. +</p> +<p>„Doe eens even open Bram!” riep Boy. +</p> +<p>Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was het huis vol +gesnater. +</p> +<p>„Dag Boy!” juichte Kitty. +</p> +<p>„Waar is Bram?” vroeg Toos. +</p> +<p>„Wat een leuke pan,” meende Non. +</p> +<p>Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars: +</p> +<p>„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?” +</p> +<p>„We komen helpen,” verklaarde Toos. +<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> +<p>„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non. +</p> +<p>Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn als ze het huis +klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte en met Kitty smoesde, ging +de huisdeur weer open, stond Bram opeens midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, +hield de linker krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet. +</p> +<p>„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty. +</p> +<p>… Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig inpakken. +</p> +<p>De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en ging stiekem +met het ding naar boven, iets mompelend van: +</p> +<p lang="de">„<span class="corr" id="xd33e1442" title="Bron: Dem Reinem">Den Reinen</span> ist alles rein.” +</p> +<p>„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend. +</p> +<p>Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen ik de schietgeschiedenis +verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet. +</p> +<p>„En nou vooruit—marsch!” beval ik. +</p> +<p>„We komen hélpen,”—pruilde Kitty. +</p> +<p>Er werd gebeld: het linnengoed kwam. +</p> +<p>„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk. +</p> +<p>Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die zich in zijn +kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne onderhanden nemen. +</p> +<p>„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer binnenkomend. +</p> +<p>„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?” +</p> +<p>„Kom maar kijken.” +</p> +<p>„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?” +<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> +<p>„Ja<span class="corr" id="xd33e1461" title="Niet in bron">”</span>—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?” +</p> +<p>„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?” +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1465" title="Niet in bron">„</span>Ik hoorde het. Dus niet?” +</p> +<p>„Wel nee—hoe kóm je er bij?” +</p> +<p>„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.” +</p> +<p>„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel in; pak die +nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer theedrinken.” +</p> +<p>„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen. +</p> +<p>„Non—wat héb je?” vroeg ik. +</p> +<p>„Niks,” ontweek ze. +</p> +<p>„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch woordenboek in de kast. +</p> +<p>„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter. +</p> +<p>„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me. +</p> +<p>„Wie dan meer?” +</p> +<p>„Kitty—verleden.” +</p> +<p>„Kitty is met Boy, nietwaar?” +</p> +<p>„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer verdacht stil +was. +</p> +<p>„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug. +</p> +<p>Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd? +</p> +<p>„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig Aagje.” +</p> +<p>„Ik wou het wéten,” hield ze vol. +</p> +<p>„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet niets.” +</p> +<p>„Toe nou,” smeekte ze. +</p> +<p>„Non—je bent vervelend.” +</p> +<p>„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze. +<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> +<p>„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik. +</p> +<p>„Zég het dan!” stampvoette ze. +</p> +<p>„Vertel jij andermans geheimen?” +</p> +<p>„Nee.” +</p> +<p>„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig. +</p> +<p>„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze. +</p> +<p>„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik, beginselvast. +</p> +<p>„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel leuk.<span class="corr" id="xd33e1502" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken. +</p> +<p>„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk. +</p> +<p>„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?” +</p> +<p>En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat begint er raar voor +je uit te zien.” +</p> +<p>En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen schilderij glippen +en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want dan had ze niet iets blij’s over +zich gekregen toen zij zijn verloving vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? +Maar voor wie? voor propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat +was lam, lastig … En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de ladder. +</p> +<p>Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar volkomen onverschillig +liet, kwam kijken. +</p> +<p>„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze. +</p> +<p>„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had gevonden. +</p> +<p>„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan. +</p> +<p>„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen. +<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> +<p>„Non kwám, aarzelend. +</p> +<p>„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.” +</p> +<p>Non trok punten aan haar zakdoek. +</p> +<p>„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik. +</p> +<p>„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen. +</p> +<p>„Ben jij soms op … è—… op Boy?” +</p> +<p>Ze glimlachte, keek me oprecht aan: +</p> +<p>„Welnee,” verklaarde ze. +</p> +<p>„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het toch niet om +er ruzie over te maken?” +</p> +<p>„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt<span class="corr" id="xd33e1528" title="Niet in bron">,</span>” verklaarde ze schuchter. +</p> +<p>Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me vorschend aan, begreep +mijn gedachten en begon te glimlachen. +</p> +<p>„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze. +</p> +<p>„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen kon. +</p> +<p>„Ik dacht … nou dat jij op mij verliefd was.” +</p> +<p>„En verder?” kwam ik in spanning. +</p> +<p>„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter. +</p> +<p>Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee. +</p> +<p>„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij … O ’t is om je een kriek te lachen!” +</p> +<p>„Dacht jij dat ik …?” riep ze verontwaardigd. +</p> +<p>„Ja,”—hikte ik. +</p> +<p>„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust. +</p> +<p>„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik. +<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> +<p>„Top<span class="corr" id="xd33e1548" title="Niet in bron">,</span>”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo afgeloopen is,—ik +zat er zoo mee in.” +</p> +<p>Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar. +</p> +<p>Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der anderen was te bekennen. +Dies bonsde ik op Brams deur. +</p> +<p>„Wat moet je?” vroeg hij. +</p> +<p>„De thee is klaar,” meldde Non. +</p> +<p>„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward schenen. +</p> +<p>„Toos is het bed klaar?” vroeg ik. +</p> +<p>„Nee,” zei ze kleurend. +</p> +<p>„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.” +</p> +<p>„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel hier.” +</p> +<p>„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram. +</p> +<p>Ook Boy werd opgeschrikt: +</p> +<p>„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de schrijftafel, terwijl +er toch stoelen te over waren. +</p> +<p>„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter. +</p> +<p>„Gunst ja,” deed ze verbaasd. +</p> +<p>Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes gewasschen en zaten +in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste maal. +</p> +<p>Buiten regende het. +</p> +<p>„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—<span class="corr" id="xd33e1569" title="Niet in bron">„</span>nu kunnen we niet meer tennissen.” +</p> +<p>„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens helpen,” raadde +Bram. +</p> +<p>„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty. +</p> +<p>„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy. +</p> +<p>„Leuk—een meid huren,” meende Non. +<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> +<p>„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat weigerden we. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en ik, met onze +gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn kattekrabbels raár uitzag,—zaten om +de tafel, deftig, ernstig. De eerste was een Marie, blonde, brutale meid. +</p> +<p>„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene<span class="corr" id="xd33e1585" title="Niet in bron">,</span>”—en ze ging. +</p> +<p>De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter. +</p> +<p>„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—<span class="corr" id="xd33e1590" title="Niet in bron">„</span>altoos bij families met kinderen,”—en ze ging. +</p> +<p>Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde beesten schenen +te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden. Juist hadden we er bijna eén +in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy uit verstrooidheid zijn revolver uit den +zak haalde en er mee te spelen begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens +meenend in een moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals<span id="xd33e1594"></span> je dat in de „Wilsons” las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, +toen zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal kapothoedje; +over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte loovertjes. Maar ze had goedig-slimme +grauwe oogen in haar oud rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar +bloedlooze lippen. +</p> +<p>„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze mochten Janne +graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij families geweest, maar ik ben liever +bij jong volk. Als u mijn den boel maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn +het gaat.” +</p> +<p>Janne maakte een gunstigen indruk. +</p> +<p>„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor<span id="xd33e1600"></span> <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>met een kennis van zaken die me verwonderde. +</p> +<p>„Best,”—zei Janne—<span class="corr" id="xd33e1606" title="Niet in bron">„</span>dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die studeert in Delft.” +</p> +<p>Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen. +</p> +<p>„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren te zorgen—koken, +kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog. +</p> +<p>„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge meid,”—verklaarde +ze. +</p> +<p>„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze eerlijk. +</p> +<p>„Welnee,” vonden we. +</p> +<p>„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze. +</p> +<p>„<span lang="en">What does she want?</span>” vroeg Boy. +</p> +<p>„<span lang="en">To get her fee</span>,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in de hand. +</p> +<p>En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide dienstbodenkamers, +die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op de onopgemaakte bedden aan. +</p> +<p>Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de indrukwekkende grijze +„dame” vroeg: +</p> +<p>„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich niet in het minst. +</p> +<p>„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar u verlangd +hebben.” +</p> +<p>Want Janne was een slimmert. +</p> +<p>„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend. +</p> +<p>„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non. +</p> +<p>„Non eén ding<span class="corr" id="xd33e1636" title="Niet in bron">,</span>” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle opmerkingen achter haar +rug. Ze is wát aardig.” +<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> +<p>Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen. +</p> +<p>„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond, toen ze ons +lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger nou ik weer bij jong volk +ben.” +</p> +<p>„Leve Janne!” riep Boy onstuimig. +</p> +<p>Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden we de keuken +uitgesmeten. +</p> +<p>„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne. +</p> +<p>„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in zijn kamer, +waar hij vol geweld een kram in de muur joeg. +</p> +<p>Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping, luisterden. +Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een ouweheerenstem klonk van onderen: +</p> +<p>„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en die herrie maar +eens uit wezen.” +</p> +<p>„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram. +</p> +<p>„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig in een nette +buurt die jonge vrouwen over de vloer.” +</p> +<p>„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne. +</p> +<p>„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets aangaan?” verzocht +Bram. +</p> +<p>„Ik ben oók jong geweest …” begon de ouwe heer. +</p> +<p>„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram. +</p> +<p>„… maar in onzen tijd …” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur bleek. +</p> +<p>„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde Bram nutteloos. +</p> +<p>„… in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn preek. +</p> +<p>„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>Bram. +</p> +<p>„… en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles door. +</p> +<p>„Och kom?” kwam Bram. +</p> +<p>„… en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.” +</p> +<p>„O, ja?” +</p> +<p>„… en smeet je geen kattenkrengen op straat.” +</p> +<p>„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe. +</p> +<p>„… en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over straat.” +</p> +<p>„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram. +</p> +<p>„… en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden geweerd”, op een +nette deur.” +</p> +<p>„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram. +</p> +<p>„… en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.” +</p> +<p>„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram. +</p> +<p>„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur. +</p> +<p>„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het slot springt +soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in, begon weer te hameren. +</p> +<p>Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik daalden af, +kwamen ook de kamer binnen. +</p> +<p>„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met wien heb ik +de eer?” +</p> +<p>„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik. +</p> +<p>„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer. +</p> +<p>„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan. +</p> +<p>„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit. +</p> +<p>„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen: +</p> +<p>„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de eerste de beste +zou binnen kunnen loopen.” +<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> +<p>De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een keukenstoel +te schudden, kon er geen woord uit krijgen. +</p> +<p>Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen. +</p> +<p>„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij. +</p> +<p>„’t Is huisvredebreuk<span class="corr" id="xd33e1693" title="Bron: .">,</span>” verklaarde ik. +</p> +<p>„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen halen,”—voorzag Boy. +<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VII.</h2> +<h2 class="main">VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen tegen vijf +uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty, Toos, Non en mij in de eetkamer +bij den afternoon tea. +</p> +<p>Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te lezen en te +werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was het theedrinken tevens +ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen +zat te ploeteren, toen zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas +over zijn ondergoed, kwam binnensluipen. +</p> +<p>„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig. +</p> +<p>„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit. +</p> +<p>„De pest,” zei hij. +</p> +<p>„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder. +</p> +<p>„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer. +</p> +<p>„Wil je dat ik wat thee zet?” +</p> +<p>„Nee laat maar.” +</p> +<p>Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet hóe hem te +behandelen. +</p> +<p>„Heb je koorts?” +</p> +<p>„Nee—de pest—heb ik je al gezegd<span class="corr" id="xd33e1717" title="Niet in bron">.</span>—Wat zit je daar te blokken?” +</p> +<p>„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.” +</p> +<p>„<span lang="de">Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere … schwamm drüber</span>,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt, dan zal het me niets verwonderen.” +</p> +<p>„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>meende ik. +</p> +<p>„Och ja man—’t is lam.” +</p> +<p>„Iets met Kitty?” vroeg ik. +</p> +<p>„Nee—met haar familie.” +</p> +<p>„O.” +</p> +<p>„Ik moet me voorstellen.” +</p> +<p>„Is dat alles?” kwam ik opgelucht. +</p> +<p>„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik wordt al wee als +ik er aan denk.” +</p> +<p>„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik. +</p> +<p>„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.” +</p> +<p>„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.” +</p> +<p>„En je straalt,” voorspelde Boy. +</p> +<p>„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.” +</p> +<p>„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,” somberde hij. +</p> +<p>„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik. +</p> +<p>„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een aanstaanden schoonpapa +optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden opbiechten?” +</p> +<p>„Heb je er veel?” +</p> +<p>„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.” +</p> +<p>„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later wel.” +</p> +<p>„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je voor je plezier +geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou veel meer zin hebben den heelen +dag op een paard te zitten, nooit meer een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.” +</p> +<p>Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn gekleede jas, met +handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als een dominee. +<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> +<p>„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer bij het boord +geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee verwrongen had.—Ik bracht hem tot +de deur. +</p> +<p>„Hou je maar taai,” moedigde ik aan. +</p> +<p>„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik maak een standaardwerk +van flaters.” +</p> +<p>Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half uur. Boy kwam +niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis. +</p> +<p>Na een poosje kwam hij terug. +</p> +<p>„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning. +</p> +<p>„Beroerd.” +</p> +<p>„Hoe zoo?” +</p> +<p>„Wacht even.—Janne!” +</p> +<p>Janne kwam. +</p> +<p>„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en die lakschoenen +en … nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.” +</p> +<p>„Steek eens op,” leidde ik af. +</p> +<p>„Graag<span class="corr" id="xd33e1768" title="Niet in bron">.</span>—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.” +</p> +<p>„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer. +</p> +<p>„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een vaasje van een +tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n onhandigheid heb ik toen gezegd: +„Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. +„Het is me heel aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg +er natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat schoonpapa me +raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan praten; over m’n financies, waaromtrent +hij mij evengoed had kunnen inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat +<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>ik als geheime verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als +ik door m’n eerste examen ben.” +</p> +<p>„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig: +</p> +<p>„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en aan twee broers +én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot. Ik heb in de familiekring theé +moeten drinken. M’n bakkes stond stijf en strak van het glimlachen dat ik <span class="corr" id="xd33e1778" title="Bron: dee">deed</span>. De heele familie keek me aan als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan +m’n moeder; arme vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten +en ’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der dagen wordt +aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik ’s avonds theedrinken, zal +Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk +niet meer komen. Dat stáat niet. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1782" title="Niet in bron">„</span>Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een verschrikking maakt, +is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk begonnen?” +</p> +<p>„’t Is altoos zoo,” troostte ik. +</p> +<p>„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige, poeteloetige inleiding +voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel +idealen, of misschien te weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als +wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.” +</p> +<p>„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik. +</p> +<p>„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n dictaten en boeken +ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat óok maar. En—o ja—neem dat beeld +van dien naakten faun weg, mama kon er eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap +je?” +</p> +<p>En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>die over den kop is gegaan. +</p> +<p>Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een gehéime verloving +is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en Boy trok zich terug, om op zijn +schrijftafel al vast de dictaten-uitstalling in te richten. +</p> +<p>Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht vermoedelijk, dat Bram +nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar +niet aan, geheel vervuld door een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee +hij zegevierend thuis was gekomen. +</p> +<p>„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij. +</p> +<p>„Waar?” vroeg Toos. +</p> +<p>„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor. +</p> +<p>„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best kon en trok +de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan, dat hij er mee had trachten +op te staan. +</p> +<p>„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.” +</p> +<p>Bram zat voor de deur van zijn kamer<span class="corr" id="xd33e1803" title="Niet in bron">,</span> wreef zijn achterhoofd, dat tegen de deur was aangekwakt. +</p> +<p>„Doet het pijn?” vroeg Toos. +</p> +<p>„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch. +</p> +<p>Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen schop tegen mijn +schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te slaan. +</p> +<p>Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten. Zich vasthoudend +aan de trapleuning, stapte Bram met holle dondergeluiden over het gangetje. Wij keken +toe, op een gepasten afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor +den helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De trapopening deed +de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval gevaarlijk. Aan den <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>deurknop van de eetkamer kón hij zich niet vasthouden, want, om de deurpost loerend, +was daar Toos, die hem onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij +sloeg twee maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot den +afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den deurknop van de zekere +plaats vast, rukte in zijn slag die geheimzinnige deur open: +</p> +<p>„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat. +</p> +<p>„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de deur neergezegen. +</p> +<p>„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan gruzelementen getrokken! +Ai jesses nog an toe!” +</p> +<p>We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram, die maar riep: +</p> +<p>„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer neerplofte, maar den +moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen deurknop tot steunsel te grijpen. +</p> +<p>Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten rechts en links. +</p> +<p>„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram. +</p> +<p>„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een nieuwe lachstuip +lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning miste en met kletterend metaalgeraas +en gebonk van ledematen de trap afsloeg. +</p> +<p>„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy. +</p> +<p>„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik. +</p> +<p>Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met automaat-bewegingen +de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag te huilen van opwinding en Non geen +geluid meer van zich gaf; Boy zat op den grond en ik stond hoestend me in een koekje +te verslikken. +<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> +<p>Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te verzetten. +</p> +<p>„’t Gaat al beter,” verkondigde Bram, „als ik maar op gang …” en toen sloeg hij voorover, +greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met theegerij en koekjes over zich +heen. +</p> +<p>„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen. +</p> +<p>„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg. +</p> +<p>Toen kwam Janne binnen: +</p> +<p>„Ai jesses nog an toe<span class="corr" id="xd33e1835" title="Bron: ;">,</span>” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.” +</p> +<p>Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op. +</p> +<p>„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur. +</p> +<p>„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy. +</p> +<p>„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde ik. +</p> +<p>„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later jaren, in Nangking, +zou hij er om denken. +</p> +<p>Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de theevlekken uit vloer- +en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non dronken met snikkende bewegingen en bibberende +lippen koud water. Bram had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf +in den nek smeeren. +</p> +<p>„Ja,”—vond Boy, <span class="corr" id="xd33e1846" title="Niet in bron">„</span>het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je direct en als je kúnt rollen, rol +je niet meer.—Enfin—ik heb me met recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: +„Je zult je nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf vond. +</p> +<p>Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had de vertooning +op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker toe te kijken. +<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> +<p>„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy. +</p> +<p>Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met een duwtje +kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net was hij er bij een aangeland, +toen de meid er uit kwam. Bram stoof tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om +het evenwicht te bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen. +</p> +<p>„Enge bliksem!”—<span class="corr" id="xd33e1856" title="Bron: gichelde">giechelde</span> de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!” klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan +niets hebben en stoof met een duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur +gerakend. Een spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te pletter. +</p> +<p>„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in zoo’n kort oogenblik +had zien geschieden. +</p> +<p>„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op éen elleboog +in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te trekken trachtte. +</p> +<p>„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer. +</p> +<p>Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des onderbuurs loerspiegeltjes +vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen bij te trekken, nam weer een afzetje en +stoof ditmaal tegen den ouwen van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen +was. +</p> +<p>„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den hals sloeg, +maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de schenen uitdeelde, waar ik +van meespreken kon. +</p> +<p>„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen ter afwisseling +achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht boóg,—„laat me lós m’nheer!” +</p> +<p>„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>beenen bij, waardoor het andere weer uitschoot. +</p> +<p>„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder. +</p> +<p>„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen zal het regenen. +Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de kleine steentjes. +</p> +<p>„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker. +</p> +<p>„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer. +</p> +<p>„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat Bram, loslatend, +met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In volmaakte evenredigheid lagen +ze op elkaar. +</p> +<p>Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken trappenden Bram +naar binnen. +</p> +<p>„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy, het heertje afkloppend. +</p> +<p>„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek. +</p> +<p>„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig. +</p> +<p>„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit is me zoó +iets overkomen.” +</p> +<p>„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je leven,”—troostte Boy en deed +de huisdeur dicht. +</p> +<p>Binnen op de trap zat Bram. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1883" title="Niet in bron">„</span>Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij. +</p> +<p>„Goddank,” zei ik opgelucht. +</p> +<p>„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy. +</p> +<p>„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram. +</p> +<p>„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht. +</p> +<p>„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er immers niet +om gevraagd.” +</p> +<p>Meteen werd er gebeld,—driftig. +</p> +<p>„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur. +<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> +<p>Boy deed open. +</p> +<p>„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer. +</p> +<p>„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog veel gekker +dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram inmiddels plat gedeukt +bij de lantaarn gevonden. +</p> +<p>„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel. +</p> +<p>„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik. +</p> +<p>„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die kat—u weet +wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel erg.”—Waarop de getergde de deur +dichtsloeg. +</p> +<p>Boven aan de trap was Janne. +</p> +<p>„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet meer op.” +</p> +<p>Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat praten. +</p> +<p>„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.” +</p> +<p>„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig. +</p> +<p>„Vermoedelijk wel.” +</p> +<p>„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond hij somber. +</p> +<p>Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het koffiedrinken ten +huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het geld voor haar melkkan eischen. +</p> +<p>„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap tegemoet kwam. +</p> +<p>„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen op beide wangen. +</p> +<p>„Gossie,”—zei de meid grinnekend. +<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> +<p>Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel wat anders: +</p> +<p>„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht bonzend. +</p> +<p>Bram keek beteuterd. +</p> +<p>„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had. +</p> +<p>„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars. +</p> +<p>„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne zich, die Bram +niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval. +</p> +<p>„Ga haar achterop,” raadde ik. +</p> +<p>„Toe—doe jij het,” verzocht Bram. +</p> +<p>En zoo holde ik Toos achterna. +</p> +<p>„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze kón rennen. +</p> +<p>„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze haast huilde. +</p> +<p>„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik. +</p> +<p>„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze. +</p> +<p>Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren. +</p> +<p>„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen. +</p> +<p>„Toe nou Toos,”—hield ik aan. +</p> +<p>„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram. +</p> +<p>„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar uit. +</p> +<p>„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg van.” +</p> +<p>„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>Toos. +</p> +<p>„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn aardige meisjes genoeg +in den Haag,”—kwam de meisjesgek. +</p> +<p>„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk deeglijk. +</p> +<p>„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug. +</p> +<p>Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty niet meer, +nou Toos. Het was lam. +</p> +<p>Dien middag werd weinig aan tafel gesproken. +</p> +<p>Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan, want nog een +páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou zenuwziek zijn. +</p> +<p>„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche steal-crisis, +toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het algemeen—over dienstboden. +Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over +het boenen van parketvloeren en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal +was, net of ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een discussie +over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou het nooit uit.” +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1950" title="Niet in bron">„</span>Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik. +</p> +<p>„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het salon, borduurde. +Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan doen.” +</p> +<p>„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was. +</p> +<p>„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om getemd te worden, +om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel ik me of ik al duf begin te worden,—of +ik begin uit te slaan.” +<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> +<p>„Nee—je slaat dóor,” vond ik. +</p> +<p>Maar het begón er raar uit te zien. +<span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VIII.</h2> +<h2 class="main">NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld kwamen, had +ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit meegevoel voor Toos en ook omdat +ze het alleén niet gezellig vond,—nu er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen +zich liet bekennen dan ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1968" title="Bron: Loeki">Loekie</span> heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den Dierentuin, waarop ik me +met Brams rollers gewaagd had, nadat hij toegegeven had, dat die sport hem niet meer +toeleek, had ik haar rank, jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar +geglimlacht, sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „<span lang="it">amante preferita</span>.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van ondeeglijkheid en dat ik er zoo +rond voor uitkom, kan mij de vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker +op den hals halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het +refrein: +</p> +<div lang="it" class="lgouter"> +<p class="line">Ma voce e bellezza +</p> +<p class="line">e giovinezza +</p> +<p class="line">non torna più; +</p> +<p class="line">el il tempo che passò +</p> +<p class="line">senza l’amore +</p> +<p class="line">non tornerà!</p> +</div> +<p class="first">en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me nooit veel heb +laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn uiterlijk schoon, besefte ik ook +toenmaals, dat een mensch maar éen jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en +bijbehoorende sombere levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een +jolig, lévend lichaam er door heen te maaien. +<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> +<p>Men vergeve me deze ontboezeming. +</p> +<p>Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach door het huis, +dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan zat ze op een hoek van de schrijftafel, +de beenen in keurige zijden kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, +en rookte sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en vochtige +roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin … ik was er mal van. +</p> +<p>Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de ontvangsten +bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan uitvallen. Bram had eenigen tijd +het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch was er niet mee opgeschoten; in den laatsten +tijd was hij veelal ’s avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; +maar het rechte wisten we er niet van. +</p> +<p>Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen, want het was nog +vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy binnenstuiven kwam. +</p> +<p>„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen koffiedrinken.” +</p> +<p>„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die ontvangst ten +onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor altoos geweken. +</p> +<p>„Ze kómen!” jammerde Boy. +</p> +<p>„Geef orders aan Janne,” raadde ik. +</p> +<p>„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug. +</p> +<p>„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend. +</p> +<p>Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te regelen had. +Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was het een schrikbarende verwarring +geworden, diende Janne den éenen dag drie vleeschen en vier groenten op en zaten we +den anderen dag voor bijna leege schotels <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>elkaar verwijten te doen. +</p> +<p>Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en een dito mama, +er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield. Als Bram kwam waren we dus +tien personen. +</p> +<p>„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan éerder zeggen<span class="corr" id="xd33e2002" title="Bron: ,">.</span>”—Haar hoofd liep om. +</p> +<p>„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze. +</p> +<p>„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy. +</p> +<p>„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol. +</p> +<p>„Niemand komt in jouw keuken,<span class="corr" id="xd33e2011" title="Niet in bron">”</span> brabbelde ik, met een tandenborstel in den mond. +</p> +<p>„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar jammerklacht. +</p> +<p>„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel. +</p> +<p>„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?” +</p> +<p>„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik. +</p> +<p>Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar manchetten. +</p> +<p>„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij. +</p> +<p>„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne. +</p> +<p>Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst: +</p> +<p>„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal sardientjes +en ham, en wat sla en jam en kaas …” +</p> +<p>„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de koffie.” +</p> +<p>„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een koffietafel improviseeren +is geen malligheid.—Janne wilde al gaan. +</p> +<p>„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>flinke fooi, hoor je, als je doet wat ik zeg.” +</p> +<p>„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd. +</p> +<p>„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap je? en geeft +haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht maken bij het binnenkomen, +dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch +is vandaag.” +</p> +<p>„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde Boy zijn reputatie. +</p> +<p>„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef je dan maar +teekens dat ze zich stil houdt.” +</p> +<p>Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde over de plaatsenverdeeling. +</p> +<p>„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes, genoeg om +iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat bloemen. +</p> +<p>„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik terug kwam,—„maar +het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.” +</p> +<p>„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en ging mijn slaapkamer +opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog wat sigaretten en een halfdozijn +Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, +haar smeekte ter wille van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken +als ik haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer mocht +belanden. +</p> +<p>Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als karrepaarden.—Maar we waren +klaar toen tegen eén uur de familie zich aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen +en mevrouw had beweerd: „Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er +een diepzinnige stilte in en om <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>wat te beweren flapte ik er uit: +</p> +<p>„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier …” toen hield ik op, want +Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste figuur. +</p> +<p>„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen. +</p> +<p>„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet je nooit hoe +laat hij komt.” +</p> +<p>En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van wantrouwen tegenover +die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween, toen Janne eerwaardig binnenstapte. +</p> +<p>„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht eenige winters +meér bezat. +</p> +<p>Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door tegen Kitty te +zeggen: +</p> +<p>„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer voor de deur +te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen vallen en bedacht dat een +riks fooi, voor ál haar moeite èn haar listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen +zou. +</p> +<p>De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat hij meér van +oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons sober maal vond, terwijl ik +geheel geen verband tusschen oesters en sardines zag, toen in de stilte, die deze +onhandigheid volgde, iedereen met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem +van Bram, die riep: +</p> +<p>„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?” +</p> +<p>„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang. +</p> +<p>„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de deur van de +huiskamer. +</p> +<p>„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—<span class="corr" id="xd33e2056" title="Niet in bron">„</span>die beroerling!<span class="corr" id="xd33e2058" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>het tegen hém heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf. +</p> +<p>Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar wat buiten gebeurde.—Daar +was het even stil, toen kwam Bram, die toch bij slot van rekening oók wel eens slim +kon zijn: +</p> +<p>„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht. +</p> +<p>„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw vond het aárdig +zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas over de gang, bengde met de +deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen door hoorde ik de treden van de trap kraken, +boven een deur voorzichtig open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. +Daarop werd ik ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje. +</p> +<p>Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van Sanskrit, waar +hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een deeglijk karakter en niemand +vermoedde dat boven … Loekie …; als ze zich maar stilhield. +</p> +<p>Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken. +</p> +<p>„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig en rende de +trap op, draaide mijn slaapkamer op slot. +</p> +<p>„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond, terwijl ik +den sleutel in den zak stak. +</p> +<p>„Sst!” deed ik angstig. +</p> +<p>Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de schrijftafel +met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan kwam alles in mijn kamer, +die mevrouw oók heel lief vond en waar de naakte faun, dien ik vergeten had weg te +stoppen, gelukkig geen aanstoot gaf.—<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar beneden zakte en in de inmiddels +door Janne opgeruimde huiskamer neerstreek. +</p> +<p>Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen verkeerden, deden +suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje moest, keek telkens op zijn horloge. +Op ’t laatst hield hij het niet meer uit, loog onbevangen: +</p> +<p>„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb afgesproken met +een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf handjes en ging. +</p> +<p>„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde welk aangename +bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in de keuken, gaf Janne haar fooi. +</p> +<p>„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel. +</p> +<p>Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er bedwelmend van +bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn bed;—alleen haar leuke snoetje, met +de wilde zwarte krullen, en haar blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten +van haar fijne hempje, waren zichtbaar. +</p> +<p>„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing voorbij was,—„het +was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de dekens, bleef met éen oog naar +me kijken. +</p> +<p>„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik. +</p> +<p>„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze. +</p> +<p>Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar verteld had +morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze kreeg, toen ze het geval +gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes en de sigaretten in bed gekropen was. +</p> +<p>„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan. +</p> +<p>„Hoezoo, Loekie?” +<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> +<p>„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.” +</p> +<p>„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd. +</p> +<p>„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat ik ze óok veel +liever zóo zag. +</p> +<p>Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig éen slank, bruinzijden +kousebeen van onder de dekens uit en dan het andere, sloeg de armen om mijn hals en +liet zich op een drafje in mijn kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel +voor de kachel. Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen, +de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de roodzijden linten +over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden hoog op de soepele dijen, de +zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens +als een paleis, als een sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, +dartele lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige bleekneuzen +en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk vinden; zenuwzieke, aan +„weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd in maagdelijkheid verleppen en zwaar +dazen over kunst en letteren, die over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen +kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond veroordeelen. +</p> +<p>Ik niet. +</p> +<p>„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie. +</p> +<p>Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel, leunend tegen +mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het lokkenkopje er op neergevleid, luisterde +ze aandachtig naar de ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze +prachtig. +</p> +<p>Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de vlakte ontdekken +en Loekie van spanning me in de kuit <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>kneep, kwam Boy binnen. +</p> +<p>„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte toonend over +haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus nog altijd offside?” +</p> +<p>„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon verdragen over de +lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn ruikinrichting. +</p> +<p>„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het kaarsje op +de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was, sprong ze op met een kattig-vlug +gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in +de sofa te suffen zat. +</p> +<p>„Au—schei uit!” schreeuwde hij. +</p> +<p>„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes op zijn schoot +zitten. +</p> +<p>Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar jonge lichaam +door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is het dat hij zich oerdeeglijk +hield en commandeerde: +</p> +<p>„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!” +</p> +<p>Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in waardeering verschillen +kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde speelsch de keurige scheiding. +</p> +<p>Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval aan te zien … +En toen stond opeens Toos midden in de kamer. +</p> +<p>Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik van zich laten +merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een standje met een kwitantie +op de stoep hebt; dat juist een deur zal opentrekken als de daarachter-zittende vergeten +heeft het haakje er op te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde? +<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> +<p>Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar kleeding tegenover +een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok en met zenuwachtige bewegingen +de afgezakte roodzijden schouderbanden weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, +stond er betoeterd bij, zei toen hakkelend: +</p> +<p>„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen onhartelijk mocht +heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht haar toevlucht bij mij, verborg +haar blozend hoofdje aan mijn borst, terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes +legde. Toos mocht ze eens áanvliegen. +</p> +<p>Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op heeterdaad betrapt”-tooneeltje, +dat ik opeens in een schaterlach loskwam. +</p> +<p>Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen: +</p> +<p>„’t Is schándelijk—’t is schándelijk!” hijgde ze. +</p> +<p>„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je het tegen den +commissaris van politie in eigen persoon opnemen. +</p> +<p>„Hou je stíl!” barstte Toos los. +</p> +<p>„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend. +</p> +<p>„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos. +</p> +<p>„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend. +</p> +<p>„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos. +</p> +<p>„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren. +</p> +<p>„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen holde ze de kamer +uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer hoorde ik den twist losbarsten. +</p> +<p>„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch al weinig aangetrokken +had. +<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> +<p>„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze<span class="corr" id="xd33e2134" title="Niet in bron">.</span> +</p> +<p>„Och wat,” kwam ik luchtig. +</p> +<p>„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me week. Die ellendige +Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn armen voelde ik het lenige lichaampje +schokken in hortend gehuil. Er moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte +oogen, zette haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer. +</p> +<p>„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de vuist op tafel,—„dat +zal ik zélf doen.” +</p> +<p>„En haar vóorliegen,” keef Toos. +</p> +<p>Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en weer, bulderde: +</p> +<p>„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat meisje,—of ze het +niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders niet?—Kom ga mée!” +</p> +<p>„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!” +</p> +<p>„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift. +</p> +<p>Toen kwam Janne binnen. +</p> +<p>„Ai jesses nog aan toe,<span class="corr" id="xd33e2148" title="Niet in bron">”</span> verbaasde ze zich. +</p> +<p>Maar Janne was een uitkomst. +</p> +<p>„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik. +</p> +<p>„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne. +</p> +<p>„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik verder. +</p> +<p>„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!” +</p> +<p>„Zíj,” wees Boy op Toos. +</p> +<p>„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die liegt met permissie!” +getuigde Janne. +</p> +<p>„Nou hóor je het!” zei Boy. +<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> +<p>„Is het héusch?” vroeg Toos. +</p> +<p>„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken van m’nheer +Boy,” verweet de dienstbode. +</p> +<p>De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen, zelfs niet door +Toos. +</p> +<p>„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze. +</p> +<p>„’t Wordt tijd,” meende Boy. +</p> +<p>„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader. +</p> +<p>Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze had naar ons +verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de huiskamer, hoorde boven stemmen „en +toen—nou toen vond ik jullie met die … die …” +</p> +<p>„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan. +</p> +<p>„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze. +</p> +<p>„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik. +</p> +<p>„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos. +</p> +<p>„Dat is je geraden,” kwam ik valsch. +</p> +<p>Toos ging. +</p> +<p>„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan Janne. +</p> +<p>In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze gekleed, klaar om +heen te gaan. +</p> +<p>„Wat zijn dát nou voor kuren?” +</p> +<p>„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig. +</p> +<p>„Toe nou—je bent er pas.” +</p> +<p>„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze, en haar lippen +begonnen te beven, ze stond op huilen. +</p> +<p>„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag, den heelen avond, +den heelen nacht.” +</p> +<p>„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af. +<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> +<p>„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil je dien hoed +wel eens afzetten, en den mantel uit, en de handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande +ik, haar in mijn armen vertroetelend. +</p> +<p>En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de handschoenen; en ook +de bloese en den rok en al haar wondere fijne kanten en zijden verborgenheden, die +ik met voorzichtige vingers haar afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen +woelden in mijn haar. +<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK IX.</h2> +<h2 class="main">GEHEIMZINNIGHEDEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Kitty vond Bram en mij voortaan „schandelijke jongens,” maar bleef van Boy’s voorbeeldigen +levenswandel overtuigd. +</p> +<p>Tot op een zekeren dag een naamlooze brief de jonge verloofde waarschuwde voor haren +aanstaanden wettigen echtgenoot; het velletje was onderteekend door „een trouwen en +gedevoueerden vriend.” +</p> +<p>Den Haag doet steeds wanhopige pogingen om een wereldstad te gelijken, geen wonder +dat dus ook dáar men elkaar het leven verzuurt met het grootsteedsche middel van anonieme +brieven. Daar echter noch Kitty’s familie, noch Boy tot de „côterie” behoorden, zaten +ze met het geheimzinnige schrijven in, evenals een kantoorklerk die een <span class="corr" id="xd33e2198" title="Bron: prijsgekoonden">prijsgekroonden</span> jachthond ontvangt.—Na het eerste moesten andere schrijfsels volgen, en Kitty werd +stil. +</p> +<p>Zoo kwam eens Boy met een epistel thuis. Er werd in verteld, dat hij dien avond een +afspraakje zou hebben bij de eerste sluis van het ververschingskanaal. +</p> +<p>„’t Is poëtisch,” meende Bram. +</p> +<p>„Ik ga er naar toe,” besloot Boy. +</p> +<p>„Wie denk je dat het is?” vroeg ik. +</p> +<p>Bram, die druk Sherlock Holmes leest (je hebt dat meer met menschen die in de letteren +studeeren), zat het ding onder een loupe te begluren: +</p> +<p>„Je zoudt zeggen, iemand met een koppig karakter;—kijk maar eens wat een hoop rechte +verticale en horizontale lijnen.” +</p> +<p>„Stik met je koppig karakter,” kwam Boy botweg; „’t <span class="corr" id="xd33e2210" title="Bron: Is">is</span> de katjang, dat is zoo klaar als een klontje.” +<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> +<p>„Dáar had ik nog niet aan gedacht,” bekende Bram. +</p> +<p>„En als ik hém vanavond vind,” ging Boy door,—„dan zal ik hem op z’n dikken bek slaan, +dat hij geen pa en geen ma meer kan zeggen.” +</p> +<p>„Bega geen stommiteiten,” verzocht ik. „Bram en ik zullen gaan.” +</p> +<p>En we gingen. Het was koud en motregende. +</p> +<p>„Er zijn twee sluizen,” merkte Bram op. +</p> +<p>„’t Is de eerste,” verklaarde ik. +</p> +<p>„Dat ligt er aan van welken kant je begint te tellen,” filosofeerde Bram treffend. +</p> +<p>„Dan gaat er een naar de zee-, de andere naar de binnensluis,” loste ik op. +</p> +<p>Bij een lantaarnpaal wierpen we kruis of munt. Ik liep er in en dierhalve vloekend +naar de zeesluis. Waar ik me in den regen en den wind, alle katjangs en naamlooze +brieven naar de hel verwenschend, ’n half uur lang te vertrappelen stond. +</p> +<p>Thuisgekomen lag Bram al voor de kachel een pijp te rooken. +</p> +<p>„En?” vroeg hij. +</p> +<p>„Niks gezien<span class="corr" id="xd33e2228" title="Bron: ,">.</span> Jij?” +</p> +<p>„Geen kip.” +</p> +<p>Waarop Boy meende dat we kuikens waren. +</p> +<p>Bram, die een speurdersgeest heeft, nam me den volgenden middag terzijde. +</p> +<p>„Nou gaan we katjang zoeken.” +</p> +<p>„En den boel bederven.” +</p> +<p>„Nee—laat mij maar begaan.” +</p> +<p>„Nou vooruit maar,” gaf ik toe, bedenkend dat het geval moeilijk verwarder kon worden. +</p> +<p>Bram’s doel was de Bordelaise. Den Haag is zoo’n wereldstad, dat je in de Bordelaise +en in Centraal de geheele bitterbende vinden kunt. En katjang zát in de Bor. +<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> +<p>„Dag Piet,” zei Bram vriendelijk, „dat is leuk dat we je eens ontmoeten.” +</p> +<p>Piet vond het ook charmant en we gingen zitten, dronken een „schilletje”. +</p> +<p>„Zie je veel lui in den laatsten tijd?” vroeg Bram. +</p> +<p>En de katjang sneed gretig op van al de donderjolen en de barre fuiven die hij meegemaakt +had, vertelde hoe hij verleden nacht vijfhonderd pop op den Jockey-club had laten +zitten bij een baccarat. Maar dat gaf niets. Wat hem in den weg zat, dat was, dat +die Lena, „je weet wel die magere meid uit Flora?” hem niet los wou laten, terwijl +hij toch zóo genoeg van haar had. +</p> +<p>„Ze is mal van je hé?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Stapel man,” snoefde Piet. +</p> +<p>„Ja dat hoorde ik,” loog Bram. +</p> +<p>„Zoo? Och ja, ze tóont het ook zoo,” kwam de katjang gevleid. +</p> +<p>„Gelukkige kerel,” verlakte ik, Bram een duw met mijn knie gevend. +</p> +<p>Maar Bram bleef ernstig. +</p> +<p>„Je moet naamlijk weten Piet, dat deze hier,” en hij wees op mij, „óok mal van haar +is en graag eens aanpappen wou.” +</p> +<p>Ik hield een staal gezicht bij deze aantichting. +</p> +<p>„Och kom?” glimlachte katjang, „maar jij bent toch met een andere meid, zoo’n modehip +meen ik.” +</p> +<p>Het liefst had ik katjang op zijn gezicht geslagen, wel niet zoo hard dat hij geen +pa en ma meer kon zeggen, maar toch ook niet zóo zachtjes dat hij geen au riep. Maar +ik hield me al weér goed, aangespoord door knieduwingen van Bram, die mij met het +tweede schilletje deden morsen. +</p> +<p>„Och, dát is al voorbij,” bekende ik luchtig. +</p> +<p>„Ja, nooit lang bij éen vrouw blijven, dat is zoo insipide,” <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>vond katjang. „Maar weet je, ik zeg het je om je te waarschuwen: Lena is een dúre +meid, ze kan een hoop geld aan.” +</p> +<p>„Dat heb ik er voor óver,” blufte ik. +</p> +<p>„Ze zou je kunnen ruïneeren,” voorspelde katjang patserig. +</p> +<p>„Hem?” kwam Bram even patserig. „Hij heeft geld genoeg om tien Lena’s te onderhouden.” +Een bewering die te pijnlijk voor me was om te beamen. +</p> +<p>„Goed ik zal je voorstellen, dan bewijzen we elkaar een dienst,” deed katjang vriendelijk. +</p> +<p>„Schrijf een aanbeveling,” raadde Bram, en ik begon lont te ruiken. +</p> +<p>De kellner bracht de schrijfbehoeften en met een spatpen, een van die pennen die je +alleen in café’s en postkantoren aantreft, krabbelde hij een aanbeveling voor de wonderlijk +begeerde Lena. Zijn schrift beefde een beetje doordat Bram me voortdurend aanstootte, +maar het leek desniettegenstaande volmaakt op dat der naamlooze brieven. +</p> +<p>„Wie stoot er toch zoo?” vroeg de argelooze, ezelsdomme Piet. +</p> +<p>„Ik;—m’n been sliep,” verklaarde Bram. +</p> +<p>En toen gingen we vlug naar huis, waar we Boy op zijn kamer vonden, handen in het +haar. +</p> +<p>„Scheelt er wat aan?” vroeg ik. +</p> +<p>„’t Is uit!” kwam hij stil. +</p> +<p>„Wát?” stamelde Bram. +</p> +<p>„Pa meende, dat je geen koe bont noemde als er niet een vlekje aan zat,—waarop ik +geantwoord heb, dat je ook nooit wist hoe een koe een haas ving, en dat ik er wel +áchter zou kunnen komen wié die vodden schreef …” +</p> +<p>„’t Is de kátjang; we weten het nou,” riep Bram zegevierend. +</p> +<p>„Waarachtig?—hóe weet je het?” sprong Boy op, met flikkerig-nijdige oogen. +<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> +<p>Bram gaf de aanbeveling voor Lena, legde het geval uit. +</p> +<p>„Godverdomme—de ploert! Ik wórg den vent!” en Boy sloeg met de vuist op tafel. +</p> +<p>„Zie je—zoo is morgen de zaak weer gezond,” kalmeerde ik. +</p> +<p>„Nee—dat is die niet,” en Boy ging slap weer zitten. +</p> +<p>„Vooruit nou,” lachte Bram. +</p> +<p>„Kitty …” aarzelde Boy—en toen opeens driftig: +</p> +<p>„Ze gelooft het wel niet heelemaal, maar ze wantrouwt me. Dàt maakt me kapot, dàt +vreet me op. En daarom heb ik zèlf het ook maar uitgemaakt.” +</p> +<p>„Je bent gek,” meende Bram bot. +</p> +<p>„Hou je smoel—je weet niet wat je kletst,” stoof Boy op. +</p> +<p>„’t Komt wel terecht,” suste ik. +</p> +<p>„Dat komt het niet.” +</p> +<p>„Zullen we er héen gaan, hun uitleggen van den brief?” trachtte Bram. +</p> +<p>„Nee laát dat maar.” +</p> +<p>„Laat nou geen misverstanden blijven bestaan,” kwam ik wereldwijs. +</p> +<p>„Er is geen kwestie van misverstand. Kitty denkt dat ik lieg. Kitty gelooft me niet, +en daarmee is de zaak uit. Dus komt ’t niet meer in orde.” +</p> +<p>Bram en ik, die het argument voelden, hielden ons toen maar stil. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Dienzelfden avond had Boy alweer zijn alledaagschen trant herwonnen. +</p> +<p>„Wanneer komt Loekie nu weer eens?” vroeg hij. +</p> +<p>„Ze wou van avond komen, als je het niet vervelend vindt,” beweerde ik met een doodgraversgezicht. +</p> +<p>„Ben je màl?—integendeel.” +</p> +<p>„M’nheer,” kwam Janne binnen, „juffrouw Loekie, die ondeugende <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>meid, is vanmiddag nog even hier geweest.” +</p> +<p>„Ze komt straks wel,” voorspelde ik. +</p> +<p>„Daar zèg ik het niet voor,” weerde Janne af, „ze is hier of ze kòmt,—daar leit ’t +niet aan,—maar ik wou dat u d’r is een beetje d’r rare kunsten afleerde.” +</p> +<p>„Wàt voor rare kunsten?” Ik vóelde mijn verantwoordelijkheid. +</p> +<p>„Vanmiddag heit ze, uit baloorigheid, me een poets gebakken, zeker omdat ù niet kwam,” +klaagde Janne. +</p> +<p>„Wàt dan toch,” kwam ik in spanning. +</p> +<p>„Ze heit … Wacht ik kom zóo weerom<span class="corr" id="xd33e2317" title="Bron: ?">,</span>” en Janne verdween in de beste kamer. +</p> +<p>We keken elkaar aan, in wilde verbazing. +</p> +<p>„Och meheer,” verzocht Janne van achter de deur, „kijk u toch eens even naar de biefstuk.” +</p> +<p>We kéken naar den biefstuk, kregen twist of hij al dan niet omgedraaid moest worden, +en toen Janne terúgkwam was hij natuurlijk aangebrand. +</p> +<p>„Ai jesses nog an toe—ik kan het niet helpen heere.—Die verdomde judas van een meid +ook!” +</p> +<p>„Allemachtig Janne, zou je nou eens willen vertellen?” maande Bram aan. +</p> +<p>„Ben ik even weg uit de keuken en daar heit ze me stiekem wonderolie in m’n thee gedaan,” +helderde Janne op. +</p> +<p>We gierden het uit. +</p> +<p>„Jannepans—zeit ze toen—je thee wordt koud; wacht zal ik es effen roeren? En toen +roert ze en zet me de kop aan den mond en giet ’t er zóo in.” +</p> +<p>„Waarom heb je het gedronken?” schaterde ik. +</p> +<p>„Och—ze heit zoo’n lieve manier van doen en toen ze me hielp drinken vond ik het wel +leuk.—En ik slokte ’t in éene op. Je kent aan dat kind niks weigeren als ze wat wil.” +<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> +<p>„Nee,” zei ik, die er van mée wist te praten. +</p> +<p>„En toen ik het óp had,” vervolgde Janne, „zeg ik zoo:—wat een rare smaak het die +thee. En toen zij aan het lachen, op stuipen af, en toen zeit ze me: „er zat wónderolie +in”, en smeert ’m meteen.—Zoo’n verduvelde meid.” +</p> +<p>„Hoe is het gegáan?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Als gesmeerd vermoedelijk,” meende Boy. +</p> +<p>„Dat ging het nét. Ik ben er met permissie geen kwartier van áf geweest. De heere +moeten me maar eens verekskuseeren, ik heb op het eten …” +</p> +<p>„Hoe zoo, heb je ook op het eten …?” huiverde Bram. +</p> +<p>„Nee,”—kwam Janne beleedigd, „ik heb er niet op kunnen lètten. Hé—ai jesses nog an +toe—ik voel me zoo áaklig.—Wacht, ik kom zóo terug.<span class="corr" id="xd33e2341" title="Niet in bron">”</span> En Janne holde weer weg. +</p> +<p>Het eten was óf ongaar óf aangebrand; de bediening had groote gapingen. +</p> +<p>„Een flauwe mop eigenlijk,” vond Bram, die een kieskeur is. +</p> +<p>„Ik zal het haar afleeren,” beloofde ik. +</p> +<p>Net ging de bel over. +</p> +<p>„Och doet ú even open,” verzocht Janne van achter de deur. +</p> +<p>Ik trok aan het touw. +</p> +<p>„Dág,”—schalde Loekie’s stem, „waar is Jannepans?” +</p> +<p>„Dat snap je wel,” trachtte ik ernstig te doen. +</p> +<p>Loekie kwam binnen. Met haar grooten zwarten hoed, haar nauw om het lenig lijf sluitend +manteltje en dúrvend engen rok, zag ze er snoezig uit.—Maar ik nam ál mijn ernst bijeen +om haar een standje te maken. +</p> +<p>„Geef je me niet eens een zoen?” vroeg ze. +</p> +<p>„Eerst zal je excuus aan Janne vragen,” deed ik stug. +</p> +<p>„Ze zei zélf dat ze verstopt was,” verdedigde Loekie zich pruilend. +</p> +<p>„Je hebt óns het eten er mee bedorven,” nijdigde Bram. +<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p> +<p>„Die grappen láat je nu voortaan maar,” kwam ik nog met een laatste greintje gemaakte +boosheid. Loekie—goedig kind, dat geen ernst verdragen kan, stond aan haar rok te +plukken, oogen neergeslagen. Ze was góddelijk zoo. +</p> +<p>„Is het nou zóo erg?” pruilde ze zachtjes. „Ik heb wat lékkers meegebracht voor Jannepans,”—en +uit haar taschje haalde ze een zak haagsche hopjes. +</p> +<p>„Zoo rakker,” zei Janne, binnenkomend. +</p> +<p>„O Jannepans, ik zal het nooit, nooit weer doen,” beloofde ze. +</p> +<p>„Nee, éen keer is genoeg,” vond Boy. +</p> +<p>„Toe—Jannepans,” smeekte Loekie, „hier is wat lekkers.” +</p> +<p>„Ja dat ken ik nou tóch niet eten,” verklaarde ze bars. +</p> +<p>„Hè, tóe nou,” hield Loekie aan. „Ben je bóos Jannepans?” en ze trok, als een kind, +de oude meid aan haar schort. +</p> +<p>„Komkom—op joú kan niemand boos wezen,” lachte Janne weer. „’t Is al weer over hoor.”—Ze +bedoelde haar boosheid. +</p> +<p>„En noú geef je me een zoen,” juichte Loekie, doodop van zooveel ernst neerzijgend +op mijn schoot.—Ik gaf haar een en toen nog een heeleboel.—Janne ging heen, vermoedelijk +niet naar de keuken. +</p> +<p>Loekie trok mantel en handschoenen uit, zette den grooten hoed af en ging goedig in +de keuken vaten wasschen. +</p> +<p>„Je blijft er af,” bedilde ze, toen Janne zich er mee bemoeien wou, „jij bent ziek +vanavond.” +</p> +<p>„Zoo’n duvel,” glimlachte Janne, die zich nog steeds onledig hield met zich te ledigen. +</p> +<p>Daarna diende Loekie thee op. +</p> +<p>„Zit er wéer wonderolie in?” informeerde Boy. +</p> +<p>„Welnee. Toe, geef me een sigaret,” kwam Loekie, en ze drapeerde zich met het tafelkleed, +nam mijn filten hoed en danste niet onverdienstelijk een spaanschen dans. +</p> +<p>„Bonjour, bonjour,” riep ze, het tafelkleed op de sofa werpend <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>en me bij de hand naar mijn kamer meetrekkend. +</p> +<p>„Ben je nog boos?” vroeg ze, de armen om mijn hals. +</p> +<p>„Malle Loekie, ik ben nooit boos geweest,” <span class="corr" id="xd33e2384" title="Bron: lachtte">lachte</span> ik, al mijn waardigheid vergetend. +</p> +<p>„Mag ik blijven vannacht?” vleide ze. +</p> +<p>„Natuurlijk.” +</p> +<p>En ze rende weg naar mijn slaapkamer, kwam terug met losse haren, het lichaam gehuld +in de plooien van een wijden warmen blauwen kimono, de voetjes in een paar persische +muiltjes gestoken. +</p> +<p>„Zoo voel ik me veel prettiger,” verklaarde ze leuk. +</p> +<p>O, heerlijke ondeeglijkheid! Ze heeft me nooit berouwd toen ik er in later jaren armoe +door leed. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Den volgenden dag gingen Loekie, Boy en ik de stad in, want Loekie moest een nieuwen +hoed hebben, èn een heeleboel fijn-zijden kousen èn een paar nieuwe lage lakschoentjes. +</p> +<p>En zoo wilde het ongeluk, dat het vroolijk snappend kind ons de Passage binnenlokte +en dat Boy opeens den katjang voor de Bor ontwaarde. +</p> +<p>„Zoo verdomde smeerlap,” zei Boy, suikerpiet bij den schouder pakkend. +</p> +<p>„Wat moet je?” vroeg deze. +</p> +<p>„Heb jij nog meer brieven aan Kitty te schrijven?” kwam Boy ingehouden woedend. +</p> +<p>„Laat me lòs,” riep de katjang, die vaal werd. +</p> +<p>„Daar!” en pardoes gaf Boy hem een klinkende oorvijg, die onder het glazen dak ná-echoën +bleef. +</p> +<p>„M’nheer, ben je bedonderd?” kwam de katjang beduusd. +</p> +<p>Pats, sloeg hem een tweede oorvijg tegen de tafeltjes. De menschen stoven op, we kregen +bekijks.—En toen deed de katjang, die te laf was om een klap terug te wagen, iets +waardigs <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>om zijn figuur te redden. +</p> +<p>„M’nheer, m’n kaartje, m’n kaartje,” schreeuwde hij, grabbelend naar zijn portefeuille, +en het karton met breed gebaar overreikend aan Boy, die ingehouden kalm afwachtte, +besloten tot alles. +</p> +<p>„Hier, m’n kaartje, m’nheer,” stotterde de katjang weer. +</p> +<p>„Och ventje, toen ik zoo oud was als jij, hàd ik zulke mooie kaartjes niet eens,” +kwam Boy snijdend. +</p> +<p>„Op de sabel m’nheer, op de sabel,” snoof zenuwachtig katjang. +</p> +<p>„Breng ’m goed scherp mee, dat ik er me mee scheren kan,” geestigde Boy. +</p> +<p>De Bor-bezoekers zaten te schateren. Loekie, die eerst stil geweest was, riep gierend: +</p> +<p>„Ik lach me dóod!” +</p> +<p>Waarop Boy ernstig zei: +</p> +<p>„Sst! Loekie, pas op met dien m’nheer, hij stéekt je straks nog dood.” +</p> +<p>„Een duel, m’nheer, een duel!” schreeuwde de katjang, die zich wanhopig belachelijk +voelde. +</p> +<p>„Jongen, schreéuw zoo niet, we wéten het,” suste Boy, en dan: „Kassian, soeda dan +maar, drroom err nou maar niet van, já?” +</p> +<p>Nooit is er in de Bor harder gelachen, vooral toen Boy, heengaand, Piets hoed afmepte, +zeggend: +</p> +<p>„En je hóed af als je met groote menschen spreekt.” +</p> +<p>„Dag kàtjang!” schalde Loekies stem nog. +</p> +<p>„Dat lucht op,” vond Boy, zich door het gedrang wringend. „En waár gaan we nu Loekies +kousen koopen?” +</p> +<p>Loekie verklaarde dat ze wel een winkel wist. +</p> +<p>Bram werd door ons drieën verrast. +</p> +<p>„Ik heb een duel,” verkondigde Boy. +<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> +<p>„Vernachel jij je tante,” raadde Bram. +</p> +<p>„Heusch!” schaterde ik. +</p> +<p>„Met den ouwe van beneden?” veronderstelde Bram. +</p> +<p>„Nee met kàtjang!” juichte Loekie en trok toen haar nieuwe lakschoentjes uit, grabbelde +het pak kousen uit mijn jaszak, trok het oude paar uit en een nieuw paar—paarse—aan. +</p> +<p>„Geef die oude maar aan Jannepans,” verzocht ze, niet bedenkend wat Janne met opengewerkte +zijden kousen wel zou moeten beginnen. +</p> +<p>„Allemachtig mooie beenen heeft Loekie,” vond Bram, wien het duel geen snars kon scheelen. +</p> +<p>„Kijk vóor je,” maande Loekie, die niet de minste moeite deed haar mooie beenen, en +meér nog, te verbergen. +<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK X.</h2> +<h2 class="main">HET DUEL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der wereld, in Loekie’s +armen, toen Boy klopte. +</p> +<p>„Wat is er?” gaapte ik. +</p> +<p>„Kom beneden.” +</p> +<p>„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte het slapende +kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen. Hij keek even naar Loekie, +fluisterde verteederd: +</p> +<p>„Allemachtig wat is ze zóo lief.” +</p> +<p>„Ja maar, wat is er nu?” +</p> +<p>„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die sterk naar +Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te schateren. +</p> +<p>„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij. +</p> +<p>„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op. +</p> +<p>„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.” +</p> +<p>„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde en dan maar +weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen +die vloekten bij mijn pyama. Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt +achter een krant. +</p> +<p>„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig: +</p> +<p>„Ja—heel goed,” antwoordde. +</p> +<p>„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers. +</p> +<p>„Och kom?” +</p> +<p>„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren …” +<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> +<p>„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te verontschuldigen: +„Ik lees daar zoo’n malle advertentie.” +</p> +<p>„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee. +</p> +<p>„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram. +</p> +<p>„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting vaststellen. Den beleedigde—want +m’nheer Piet is in deze de beleedigde …” +</p> +<p>„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde chevaleresque aan +de getuigenvereeniging deelnam. +</p> +<p>„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een hoogrood congestiehoofd +op springen zat. +</p> +<p>„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde weer de eerste +getuige. +</p> +<p>„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan. +</p> +<p>„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams lach achter +de krant los. +</p> +<p>„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik. +</p> +<p>„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy. +</p> +<p>„Om je dóod te lachen,” gierde Bram. +</p> +<p>„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel uitscheiden,” +merkte katjang-een geraakt op. +</p> +<p>„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden kon. +</p> +<p>„Wát?” vroeg getuige-twee. +</p> +<p>„Uitscheiden,” stamelde Bram. +</p> +<p>„Nee—dóorgaan,” vond ik. +</p> +<p>„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig. +</p> +<p>„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige. +</p> +<p>„Nee—géen sabel,” kwam Bram. +</p> +<p>„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe. +<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p> +<p>„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram, die blijkbaar +niet wist dat je met een sabel niet sták. +</p> +<p>„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik. +</p> +<p>„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan. +</p> +<p>„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol. +</p> +<p>„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs. +</p> +<p>„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij. +</p> +<p>„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram. +</p> +<p>„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik. +</p> +<p>„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m betalen,” voorzag +Bram. +</p> +<p>„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige. +</p> +<p>„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de tweede. +</p> +<p>„Op de pistool,” bevestigde Bram. +</p> +<p>„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een stilte. +</p> +<p>„Die kóóp je,” meende een der getuigen. +</p> +<p>„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n malleboel?” +</p> +<p>„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.” +</p> +<p>„Best<span class="corr" id="xd33e2508" title="Niet in bron">,</span>” vonden de katjangs. +</p> +<p>„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek. +</p> +<p>„Dat is gevaarlijk<span class="corr" id="xd33e2513" title="Niet in bron">,</span>” vonden de bezoekers. +</p> +<p>„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen hoefde, met +de veeleischendheid van een toeschouwer. +</p> +<p>„Tegelijk schieten?” vroeg ik. +</p> +<p>„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde. +</p> +<p>„Dat zijn geen gelijke kansen<span class="corr" id="xd33e2520" title="Niet in bron">,”</span> verontwaardigde zich Bram. +<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> +<p>„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy. +</p> +<p>„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik. +</p> +<p>„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg schieten, +want dan krijg je beslist ongelukken.” +</p> +<p>„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend. +</p> +<p>„En wanneér dus?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee. +</p> +<p>„Dat is?” +</p> +<p>„Half zeven.” +</p> +<p>„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy. +</p> +<p>We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier. +</p> +<p>„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Och dat is niet noodig,” meende ik. +</p> +<p>„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij. +</p> +<p>„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,” beloofde Bram. +</p> +<p>We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde: +</p> +<p>„Is uw vriend een goed schutter?” +</p> +<p>„En òf!” en ik vertelde de katervelling. +</p> +<p>Piets getuige werd stil. +</p> +<p>„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog. +</p> +<p>„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met leedvermaak +den doodsschrik op het lijf. +</p> +<p>„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,” verklapte de ander. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e2547" title="Niet in bron">„</span>Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik. +</p> +<p>En toen gingen ze heen, vergetend te groeten. +</p> +<p>„Hoor nu eens even,” zei Boy ernstig—„nou geén grappen <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>met ongeladen patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet +voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van hebben, en +als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus geen grappen hè?” +</p> +<p>We beloofden. +</p> +<p>„Dank je,” zei Boy. +</p> +<p>En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar Loekie, éen +open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag. +</p> +<p>„Wat wàs er?” vroeg ze. +</p> +<p>Ik vertelde het geval. +</p> +<p>„Mag ik mee?” +</p> +<p>„Nee, dat kàn niet, Loekie?” +</p> +<p>„Hè, tóe nou—wat flauw.” +</p> +<p>„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand. Je zult kou +vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.” +</p> +<p>„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij. +</p> +<p>„Altoos als je wilt.” +</p> +<p>„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?” +</p> +<p>Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee lebberen en +de boterhammen met veel jam oppeuzelen. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken. +</p> +<p>Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik in een chamberloek,—toen +opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas van de andere wereld klonk. +</p> +<p>Meteen kwam Janne boven: +</p> +<p>„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het schieten—ogotogot—aan +het schieten, m’nheer!” +</p> +<p>„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens. +<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> +<p>„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er net een revolverschot +losdreunde. +</p> +<p>„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik. +</p> +<p>De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal neergelaten en lieten +flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De schuifdeuren naar de eetkamer stonden +open en in de serre had hij op een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, +met een brandend kaarsje er voor. +</p> +<p>„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.— +</p> +<p>„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp bemachtigde<span class="corr" id="xd33e2585" title="Bron: ,">.</span>—„Geraakt!” +</p> +<p>De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook. +</p> +<p>„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?” +</p> +<p>„Ik train me,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je kans om aan +den overkant van de tuintjes iemand te raken.” +</p> +<p>„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die tegen een verstokten +idioot redeneert. +</p> +<p>„En als je er làngs schiet?” +</p> +<p>„Ik schiet er niet langs, verbeél je.” +</p> +<p>„Dat weét je niet,” hield ik vol. +</p> +<p>„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig. +</p> +<p>„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen zooals aan Bram;—er +kan … Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik gezaghebbend. +</p> +<p>„Vast niet,” koppigde hij. +</p> +<p>„Ja,” hield ik vol. +</p> +<p>„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie. +</p> +<p>„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op. +</p> +<p>„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne. +<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p> +<p>„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op tafel. +</p> +<p>„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk, den patroonhouder +er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den Browning in den zak stekend. +</p> +<p>„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy. +</p> +<p>Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de onderbuurman +brieschend verzet aanteekenen. +</p> +<p>„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan kwam ze binnen: +</p> +<p>„Die m’nheer van onderen wou u spreken.” +</p> +<p>Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer. +</p> +<p>„Hier werd geschoten,” meende hij. +</p> +<p>„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,” verklaarde Boy. +</p> +<p>„Ik meende …” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend aan de schemering +der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote enkels en kuiten had, waarvan +hij de schoonheid niet op prijs wist te stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg +onder den kimono, die nog het kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde. +</p> +<p>„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,” jammerde hij. +</p> +<p>Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur uitzette. +</p> +<p>„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik, hevig ontroerd. +</p> +<p>„M’nheer!” +</p> +<p>Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een spuitwaterflesch op den +hoed en in den nek: een paar korte, floepende stralen. +<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> +<p>„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze. +</p> +<p>Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk, vond het geval +ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding voor het tweegevecht, toen +Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den kimono droeg maar toch door mij overtuigd +was, dat een paar kousen en een hemdje er onder „gekleeder” stonden. +</p> +<p>Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle handje toestak. +</p> +<p>Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen champagne,—je +wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden was!—en Henk en Loekie kregen +de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg, dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, +en bij Loekie, dat ze met theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al +bij voorbaat uitlachte. +</p> +<p>Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten we maar óp te +blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen. +</p> +<p>„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat jodiumtinctuur.” +</p> +<p>Loekie vond dat alweer ijselijk mal. +</p> +<p>„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik. +</p> +<p>„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend. +</p> +<p>„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter. +</p> +<p>„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich. +</p> +<p>„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk. +<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p> +<p>„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram. +</p> +<p>„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.” +</p> +<p>„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie. +</p> +<p>Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost. +</p> +<p>We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge operaties, die Loekie +stil maakten. +</p> +<p>„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat ernstig gebeurd +weet ik er óok geen raad mee.” +</p> +<p>Maar Boy trok zich daar niets van aan. +</p> +<p>„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet, heb je kans +dát ie raak schiet.” +</p> +<p>„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk. +</p> +<p>„’t Loopt wel los,” suste ik. +</p> +<p>En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend gevoerd, nu Loekie +op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op mijn schouder.—Om half vier dutte +Boy, misschien zijn láatsten slaap; om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst +te snorken, weggezakt in de leunstoelen. +</p> +<p>Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood … sla, sla …” en +dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „… dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje +half open; ze zag zeker grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; +met moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte niet toen +ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze dichtdekte en haar de haren +van het voorhoofd streek;—ze glimlachte maar in haar droom. +</p> +<p>Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het ronkende, knikkebollende +drietal op de tafel; toen zocht ik <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>een plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig wakker, legde +het hoofdje op mijn schouder … en sliep weer in. +</p> +<p>Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef, stond ik op, +ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met een nijdigen armzwaai het +lawaaimakende ding van de tafel in een hoek, waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde +hij en dommelde weer in. Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het +gaf niets; toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht: +</p> +<p>„Godverdómme!” vloekte hij. +</p> +<p>„Opstaan,” gebood ik. +</p> +<p>„Waarom?” +</p> +<p>„Je moet duelleeren.” +</p> +<p>Dat deed hem klaarwakker worden: +</p> +<p>„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?” +</p> +<p>En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons kwam er weer +bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden, werd nijdig: +</p> +<p>„Schei uit—nou géen gekheden!” +</p> +<p>Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den revolver in den +zak. +</p> +<p>„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy. +</p> +<p>„Een stuk of zes geloof ik.” +</p> +<p>„Dat is wéinig,” vond Boy. +</p> +<p>„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels er gewisseld +moeten worden.” +</p> +<p>„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche veeleischendheid. +</p> +<p>„Een is genoeg,” voorspelde Boy. +</p> +<p>En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>en op mijn step staan, want Boy moest gespaard worden. +</p> +<p>Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist. +</p> +<p>„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn jaskraag. „Wat een +pest—zóo vroeg op te staan.” +</p> +<p>Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis over,—zwoegen +met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd verlaten lag het strand.—Het +was half zeven. +</p> +<p>„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk. +</p> +<p>We gingen liggen tegen het duin, rookten. +</p> +<p>„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy. +</p> +<p>„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen moet,” meende +Bram. +</p> +<p>Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie katjang. +</p> +<p>„Vertrapt deftig,” meende Boy. +</p> +<p>„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk. +</p> +<p>De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af, groetten. Piet, vaalbleek, +oók in feestkleedij, hield zich op een afstand, dicht bij het rijtuig. +</p> +<p>„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend. +</p> +<p>„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend. +</p> +<p>De getuigen kuchten toen: +</p> +<p>„Onze vriend Piet—wilde … hm … wilde zijn verontschuldigingen aanbieden.” +</p> +<p>We keken verbluft, maar Boy: +</p> +<p>„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken bedremmeld, +maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en van m’nheer uw vriend neem +ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg voor opgestaan en ik wil hier niet komen +voor Piet snot.” +<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p> +<p>„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet katjang werd gesproken. +</p> +<p>De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg valer werd. +</p> +<p>„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy. +</p> +<p>„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó gezellig is het +hier niet.” +</p> +<p>De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug staan, stapten +we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een kuil. +</p> +<p>„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle duelregels in. +</p> +<p>Bram lootte met den anderen getuige om de plaats. +</p> +<p>Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken. +</p> +<p>„Vooruit heeren!” verzocht ik. +</p> +<p>Maar Bram begon opgewonden te gebaren: +</p> +<p>„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders gedecideerd voor hun +raap,” voorzag hij. +</p> +<p>De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen terug. De koetsier, +die van het heele geval niets begreep en half angstig, half belangstellend,—zooals +men naar gevaarlijke krankzinnigen kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht +te waarschuwen als iemand van den kant der sluizen mocht komen. +</p> +<p>Bram bracht Boy naar zijn plaats: +</p> +<p>„Trek je jas uit,” gebood hij. +</p> +<p>„Ben je mal?<span id="xd33e2722"></span> ik verrek van de kou,” betoogde Boy. +</p> +<p>„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op, dat je witte +boord geen mikpunt geeft.” +</p> +<p>Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit, vroeg: +</p> +<p>„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?” +<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> +<p>Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig. +</p> +<p>„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag zwachtels +schikkend. +</p> +<p>„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik wel voor.” +</p> +<p>Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich sullig den revolver +in den hand stoppen. +</p> +<p>„Opgepast!” riep Bram. +</p> +<p>Boy, handen in de zakken, sigaar <span class="corr" id="xd33e2737" title="Bron: grootdampend">groot dampend</span> in den mond, hoed in de oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen +kropen wèg achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van de +duelleerenden. +</p> +<p>„Aanleggen,” gebood Bram. +</p> +<p>Maar katjang maakte geen bewéging. +</p> +<p>„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op. +</p> +<p>De arm ging slap omhoog. +</p> +<p>„Vuur!” kommandeerde ik. +</p> +<p>Pang! knalde het schot. +</p> +<p>„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog al maar rechtop +stond te rooken. +</p> +<p>„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets kogel, vlak voor +hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had. +</p> +<p>„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb nog gezegd: +niét luk raak schieten.” +</p> +<p>De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje. +</p> +<p>„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven, tranende oogen +weer wat kijken kon. +</p> +<p>Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop. +</p> +<p>„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval geen raad meer +schenen te weten. +<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> +<p>„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand zág. +</p> +<p>„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn allen sjorden +we katjang op, die klappertande en groote droppen zweette. +</p> +<p>„Klaar?” vroeg Bram. +</p> +<p>„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde Boy, die de +sigaar had weggeworpen. +</p> +<p>„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden geschaard, +Henk ditmaal ook. +</p> +<p>„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het schot was afgekomen. +Deze bleef staan, onbesloten.—<span class="corr" id="xd33e2764" title="Niet in bron">„</span>Schiet óp!” gebood Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer +beenen en verdween. +</p> +<p>„Dus aanleggen!” riep Bram weer. +</p> +<p>„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te schommelen stond. +</p> +<p>„Hij is zát,” fluisterde Henk. +</p> +<p>„Vuur!” kwam Bram. +</p> +<p>Pang!—katjang sloeg neer, achterover. +</p> +<p>We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes doodgeschoten wordt, +vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure gebied op tooneel en in bewegende +lichtbeelden vertoond door achterover vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we +hadden nu eenmaal nooit iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het +nu écht was. +</p> +<p>Dan snelde Henk op het lijk toe. +</p> +<p>„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op ieders gezicht +stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij bedacht, dat maar het beste was +naar Amerika uit te wijken. +<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> +<p>Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter neergehurkt +bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o schrikwekkende aanblik!—bewóog +en begon in stuipbewegingen de maag te ledigen. +</p> +<p>De katjang was flauw gevallen! +</p> +<p>Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem overmatig over het +hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen +uitspuwend,—kwam hij óp te zitten. +</p> +<p>„Ellendige lafbek!” woedde Boy. +</p> +<p>„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen laten en hard +wegloopen. +</p> +<p>Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig door het zand. +</p> +<p>„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich. +</p> +<p>Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen. +</p> +<p>„Vooruit m’nheer—uw <span class="corr" id="xd33e2787" title="Bron: epuipage">equipage</span> staat vóor,” ginnegapte Henk, den vadoek-achtigen Piet opsollend. +</p> +<p>„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende scheur in Piets +schouderwatte. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e2792" title="Niet in bron">„</span>Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy. En dan, katjang +hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend: +</p> +<p>„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden geschreven heeft, +versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een tweeden keer kom je er zóo niet +af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je vuil maken, maar als je me nog eens in den +weg zit, stuur ik een mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden +plat slaan.” +</p> +<p>„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend. +</p> +<p>„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>ga je onmiddellijk en je maakt je excuses.” +</p> +<p>„Ik … ik …” stotterde het slachtoffer. +</p> +<p>„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze. +</p> +<p>„Ik … ja … ja—ik … ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet stumperig. +</p> +<p>„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er op,” treiterde +Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang, die op onraad wees. +</p> +<p>Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om de beurt op +onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme kachel en een cognacje, onze +verkleuming vergetend, we het malle geval beschaterden. +</p> +<p>Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin ze zich verslikte +toen ik haar katjangs figuur verhaalde. +</p> +<p>Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de wangen, ter belooning. +</p> +<p>„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy. +</p> +<p>„Ik ook,” openbaarde Henk. +</p> +<p>Maar Loekie ging op mijn schoot zitten: +</p> +<p>„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig. +</p> +<p>„Jammer,” vond Henk. +</p> +<p>Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in de „Twee Steden.” +</p> +<p>We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me niet meer hoé.—Alleen +weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den kellner stichtte, door een prentkaart voor +vijf personen en eén kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich +beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te helpen. Bram tolde +met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit te komen.—Loekie verzocht aan +den conducteur van Henks tram, om goed op den <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd uitstapte en zijn pasje +niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake, verklaarde dat hij zich èrg aaklig +voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel had alsof hij moest trouwen. +</p> +<p>Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle heugenis. +</p> +<p>Dat was misschien ook wel beter. +<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch11" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XI.</h2> +<h2 class="main">HET EINDE NADERT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Kitty had een langen lieven brief geschreven, waarin vele vervloekingen vielen op +katjangs katterig hoofd en elke nieuwe regel met een herhaling van verontschuldiging +begon. Ook schoonpapa had geschreven, Boy verzoekend het „betreurenswaardige misverstand” +te willen vergeten en zijn bezoeken te hervatten.—Maar Boy wilde daarvan niets weten, +antwoordde, dat de verhouding toch nooit meer zou worden als ze geweest was en voegde +er bij, dat hij van zins was in het buitenland zijn geluk te gaan speuren, waar hij +hoe langer hoe meer begreep niet voor het zoete, vlakke, emotielooze leven geschikt +te zijn. +</p> +<p>Dat begonnen we overigens alle drie wel te voelen. Boy was niet meer in Delft te bekennen, +maar bedreef veel liefde in Den Haag en bracht telkens àndere vrouwelijke logés over +den vloer.—Ook hèm was de deeglijkheid opgebroken. +</p> +<p>Met Bram was het heelemáal mis. Hij had uit zuivere nieuwsgierigheid de magere Lena +uit Flora opgezocht en fuifde heele nachten met haar door, hing den volgenden dag +landerig in een stoel, om ’s avonds weer te beginnen.—En zoo wilde het ongelukkige +toeval, dat hij op een avond, meér dan aangeschoten, met magere Lena aan den arm, +zijn papa van de kleine steentjes liep. +</p> +<p>Papa hád reeds verdenkingen op den levenswandel van zijn zoon. Reeds <span class="corr" id="xd33e2832" title="Bron: eémaal">eénmaal</span> had Lena hen samen op straat vrijmoedig toegeknikt, waarop papa ernstig had gevraagd: +</p> +<p>„Zeg Bram, kèn jij die vrouw?” +</p> +<p>„Neen pa—ù soms?” had zoontjelief toen gevat vermogen te antwoorden. +<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p> +<p>Maar papa, die zeker wist die vrouw niet te kennen, had argwaan gekregen. Toen dus +het tweetal—in kennelijken staat van dronkenschap—hem van de kleine steentjes liep, +had papa besloten er een einde aan te maken. +</p> +<p>Den volgenden dag kwam hij ten onzent, betrapte Loekie in den kimono en stoof met +een ongemakkelijk gezicht de zoogenaamde „studeerkamer” van <span class="corr" id="xd33e2842" title="Bron: zij">zijn</span> zoon in<span class="corr" id="xd33e2845" title="Niet in bron">.</span> +</p> +<p>„’t Is uit,” had pa gezegd. +</p> +<p>„Best,” had Bram gevonden. +</p> +<p>„Als je niet studeeren wilt moet je maar werken,” meende pa, een aan Bram niet helder +onderscheid tusschen studeeren en werken ontdekkend. +</p> +<p>„Je kunt voortaan je eigen brood verdienen,” voorspelde pa. +</p> +<p>„Mij wel—als het maar niet in Holland is,” stelde Bram zijn voorwaarden. +</p> +<p>„Ik wil je ook niet meer in Holland zien; je bent een schande voor de familie—en je +heele vriendenkliek er bij,” insinueerde papa, de vriendinnen buiten bespreking latend. +„En nu—hóeveel schulden heb je?” sloeg pa spijkers met koppen. +</p> +<p>„Weet ik niet,” kwam Bram, een la met rekeningen openend. +</p> +<p>„Ongeveer,” drong papa aan. +</p> +<p>„Een tweeduizend pop,” schatte zoontjelief. +</p> +<p>Het was even stil. +</p> +<p>„Tel alles op—en verkoop je boot, je fiets. En verder zal je wel van me hooren,” voorspelde +de verbolgen vader en ging. +</p> +<p>Bram huppelde de eetkamer in, wreef zich in de handen: +</p> +<p>„Goddank—geen examens meer, geen Holland meer, geen beeren meer.—Lekker.” +</p> +<p>Maar op Boy en op mij had het geval een diepere inwerking gehad. Dien avond trokken +we ons in onze kamers terug<span class="corr" id="xd33e2864" title="Bron: .">,</span>—gingen de „balans” opmaken. +</p> +<p>Ik kwam tot de ontdekking, dat ik het kleine erfdeel, waarvan <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>ik mijn staatsexamen-voorbereiding en daarop mijn rechtenstudie moest bekostigen, +voor het grootste deel er doór gelapt had.—Als ik zuinig aanpakte, zònder Loekie, +kon ik het nog anderhalf jaar stouwen; mèt Loekie misschien nog zes maanden.—Vaarwel +deftige meesterstitel! +</p> +<p>Boy, die van een familiefonds èn een toelage van zijn moeder leefde, kwam tot dezelfde +slotsom. Als hij zijn schulden betaalde kon hij nog een jaartje rònd komen. +</p> +<p>We zweetten van onze ongewone boekhouderij, toen we elkaar het magere resultaat bekenden. +</p> +<p>„Ik ga er uit, naar het buitenland,” beweerde ik. +</p> +<p>„Ik ook; ik ga vèr weg, naar Canada of naar Australië.” voorspelde Boy. +</p> +<p>„En ikke?” vroeg Loekie. +</p> +<p>Boy gevoelig, verdween. +</p> +<p>„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het kind op mijn +schoot trekkend. +</p> +<p>Ze begreep toen ik haar alles uitlegde. +</p> +<p>„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent meer hebben,” +besloot ik. +</p> +<p>Ze keek me aan: +</p> +<p>„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes. +</p> +<p>„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu weer alleen +moet laten.” +</p> +<p>„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het geld gedacht, +en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal mijn schuld.” En ze begon te +huilen. +</p> +<p>„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we. Als het niet +lukt dan … dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.” +</p> +<p>„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend. +<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> +<p>„Arme Loekie,” beklaagde ik haar. +</p> +<p>„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze. +</p> +<p>„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik somber.—„Jij hebt me je +lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik nooit spijt over hebben.” +</p> +<p>„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk: „Dat tijdje +dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor elkaar wezen en dan … dan zullen +we maar hopen tot weerziens.” +</p> +<p>En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer niet begrijpen. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later kwam zoontjelief +vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche thee en zijde in Nanking was +geplaatst. Een verre, volgens hollandsche begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig +wezen in Brams familie, was er directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te +beginnen en vrij wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de firma—begreep +Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien. +</p> +<p>Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de Mallemolen, door +Loekie „de waterchinees” genoemd. +</p> +<p>Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en er werk te zoeken. +Als hij land en toestanden kende en een goede onderneming voorzag, zou hij de rest +van zijn fortuintje laten komen om wat te kunnen beginnen. +</p> +<p>Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een volk wat even +ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even lichttillend was als ik zelve: +in Spanje of in <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>Italië. Derhalve bezocht ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met +een mooi praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was het +met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome, tweemaal per maand een +causerietje te sturen, wat men mij met welwillende vrijgevigheid met een riks per +stuk zou betalen. Vijf gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier +en postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen sprake. Men +zou het immers alleen maar met me probeeren! +</p> +<p>Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees, een <span class="corr" id="xd33e2907" title="Bron: cow-boy">cowboy</span>, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes. +</p> +<p>Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van het bovenhuis +was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte wijze wegviel, doordat we +er uit gezet werden. +</p> +<p>Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij het fonteintje +willen verhangen, daar de kram telkens uit de verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram +een langen spijker genomen en hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd +het toen stil. +</p> +<p>Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen, riep: +</p> +<p>„Zeg help eens even, waterchinees.” +</p> +<p>„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten. +</p> +<p>„Kom dan!” spoorde de cowboy aan. +</p> +<p>„Dadelijk,” kermde de waterchinees. +</p> +<p>Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt, bij het fonteintje +vond staan. +</p> +<p>„Kom je nog?” +</p> +<p>„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>den muur. +</p> +<p>„Wat heb je met dien duim?” +</p> +<p>„Niks.” +</p> +<p>„Kom dan, idioot.” +</p> +<p>„Zoometeen,” beloofde Bram vaag. +</p> +<p>„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram weg.—De duim +raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige straal water, pal in Boy’s +gezicht. +</p> +<p>Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd. +</p> +<p>„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om zich af te +drogen. +</p> +<p>Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot intusschen tegen +den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in de gang.—Dat duurde zoo een poosje +en dan kwam Boy op het slimme denkbeeld om de waterleiding af te draaien. +</p> +<p>Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van doorgesiepeld +water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was, dat de huisbaas, met machtiging +van den wettigen huurder in het buitenland, ons er uit zette. +</p> +<p>En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de boekenkasten, de studeerlampen +verdwenen weer, de beddelakens gingen terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, +waarop ik, als pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien +al snotterend de deur uitgetroond. +</p> +<p>Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met twist uit +elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in tranen baadde en sliep +daarna óok in ’s moeders woning. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e2937" title="Bron: Loeki">Loekie</span> en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte voor het laatst op +een bed, wat van lakens en <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>kussensloopen ontdaan was. +</p> +<p>Toen dien morgen de coupé <span class="corr" id="xd33e2944" title="Bron: voórkwam">voorkwam</span> en mijn koffers er op geheschen werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje +te gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit. +</p> +<p>„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit meer in deze +straat!” +</p> +<p>Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden en ik ook. +</p> +<p>De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het perron en haar +zakdoekje dat wuifde,—wuifde. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap van vrijheid, +in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig vertrouwen op ons zelven; krachtig +nu we ons bewust waren te gaan léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten +en die ons niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere landen, +andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan het zoete plantenbestaan +van werken en een titeltje halen en een betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie +een reisje in den Harz of naar Zwitserland. +</p> +<p>De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons gezond lichaam +wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk levend, zònder de engheid van vooroordeelen +en fatsoen, zonder de pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen +van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou den eenen dag +misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We zouden misschien wel eens honger +moeten lijden, mooglijk wel eens geen bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we +zouden wèl onzen lach behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals +het was, buiten de broeikas waarin we <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>tot nu toe waren getogen. +</p> +<p>We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende, ontevreden kinderen +met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer ondervonden hadden hóe het leven hard kon +zijn, omdat ze nimmer begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der +menschen hoogste goed. +</p> +<p>We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende boulevards, waar +in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen dooreenkrioelden en hoog boven +de huizen de avondhemel nog in wondere tinten stond. +</p> +<p>Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven! +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs. +</p> +<p>Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux gedronken, +die Boy eenigszins doezelig had gemaakt. +</p> +<p>Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig uitgelaten, +in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en er achtereenvolgens door +al de kuitentoonende mondaines werden aangeklampt. +</p> +<p>We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de lieve beeltenis +van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de herinnering aan magere Lena geen +zielversterkenden invloed op Bram. +</p> +<p lang="fr">„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!” +</p> +<p>Dat was warempel tegen mij! +</p> +<p>Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie gespleten rok liet +een welgevormd been ontwaren. +</p> +<p>„<span lang="fr">Pas le marron</span>,” deed ik stug. +</p> +<p>„<span lang="fr">Eh—vas donc, je serai gentille</span>,<span class="corr" id="xd33e2984" title="Niet in bron">”</span> vleide ze. +</p> +<p>„<span lang="fr">Non ma petite, ça ne colle pas ce soir</span>,” hield ik vol. +</p> +<p>„<span lang="fr">Et tes amis—c’est aussi purée que toi?</span>” ondervroeg ze <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>verder. +</p> +<p>„<span lang="fr"><span class="corr" id="xd33e3001" title="Bron: Est ce">Est-ce</span> que je sais, moi?</span>” ontweek ik weer. +</p> +<p>Maar ze boog al naar Boy over: +</p> +<p>„<span lang="fr">En voilà un coco!</span>” schaterde ze schel, waar Boy half <span class="corr" id="xd33e3011" title="Bron: ingedud">ingedut</span> was. +</p> +<p>„<span lang="fr">Je vous en prie, laissez-moi tranquille</span>,” weerde hij boos haar liefkoozing af. +</p> +<p>„<span lang="fr">Quel mufle</span>,” schold ze. +</p> +<p>Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in betoovring naar, +dat het opvallen moest. +</p> +<p>„<span lang="fr">Elle te plait—ma jambe?</span>” vroeg ze, en ging naast hem zitten. +</p> +<p>De garçon schoot toe, er werd besteld. +</p> +<p>„Stomme bliksem,” mopperde Boy. +</p> +<p>Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te denken aan zijn +transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat nu geen trein was dien men +eens missen kon. +</p> +<p>„<span lang="fr"><span class="corr" id="xd33e3037" title="Bron: Qu’ est ce">Qu’est-ce</span> qu’ils baffouillent?</span>” vroeg de sirene. +</p> +<p>„<span lang="fr">Rien—rien</span>,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets te voelen begon, en +alvast de vertering betaalde om weer van haar af te komen. +</p> +<p>En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals ze dat overigens +in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal <span lang="en">dancing-girls</span> het tooneel opwipten, zingend: +</p> +<div lang="en" class="lgouter"> +<p class="line">„Everybody is doing it, doing it, doing it!”</p> +</div> +<p class="first">waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed. +</p> +<p>De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de rij der anderen +uit het oog verloren. +<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> +<p>„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar Montmartre opklommen, +waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin” verzeilden. +</p> +<p>Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die gelegenheden, waar +nooit een parijzenaar komt. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram wègbleef. +</p> +<p>Boy was wanhopig: +</p> +<p>„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te ontbijten zaten +in het hòtel. +</p> +<p>„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen. +</p> +<p>En we wachten,—en Bram bleef zoek. +</p> +<p>Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er mee naar het +station reden. +</p> +<p>De trein stond klaar. +</p> +<p>„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het vraagstuk. +</p> +<p>„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik. +</p> +<p>Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een kwartier voor +tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder das, het perron opstoof. +</p> +<p>Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het slachtoffer van een +entôlage was geworden, kwam hij kalm: +</p> +<p>„Nee—’k heb me verslapen.” +</p> +<p>„En je hoed?” <span class="corr" id="xd33e3079" title="Bron: anderzocht">onderzocht</span> Boy. +</p> +<p>„Vergeten.” +</p> +<p>„Heb je je biljet?” angstigde ik. +</p> +<p>„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.” +</p> +<p>„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy. +</p> +<p>„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig meiske—allemachtig +aardig.” +<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span></p> +<p>Hij was nog heelemaal onder den indruk. +</p> +<p>„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik. +</p> +<p>„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy. +</p> +<p>„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde Bram, uit den +koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den smoking. +</p> +<p>Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een brilslang. +</p> +<p>Toen werd er gefloten. +</p> +<p>„Dag kerel—het beste<span class="corr" id="xd33e3098" title="Bron: ,">.</span>”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de hand. +</p> +<p>„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!” schreeuwde Boy nog, +toen Bram al een eind ver was. +</p> +<p>En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren kreeg. +</p> +<p>We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het station, waar +hij naar Calais zou vertrekken. +</p> +<p>„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,” zei Boy. +</p> +<p>„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,” waarschuwde +ik. +</p> +<p>Toen vertrok de trein. +</p> +<p>„Dag <span class="corr" id="xd33e3109" title="Bron: cow-boy">cowboy</span>!” schudde ik hem stevig de hand. +</p> +<p>„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig. +</p> +<p>„Nooit Boy,” beloofde ik. +</p> +<p>„En nou—vooruit!” +</p> +<p>„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den trein vallend +over een zak, die op het perron lag. +</p> +<p>„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>hand de bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak. +</p> +<p>„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal. +</p> +<p>Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf. +</p> +<p>Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon. +</p> +<p>Langzaam kropen de uren om en ik piekerde: +</p> +<p>Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was lám zoo alleen. +Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je er nooit. Je moest er uit, +de wereld in, wilde je leven, wilde je iets worden! Niet vastgroeien in een landje, +in een kliekje! Er uit en áanpakken! +</p> +<p>En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar het wemelende +bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen. +</p> +<p>De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste lichten van Parijs +verdwenen waren. +</p> +<p>Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden, ieder zijn eigen +toekomst tegemoet. +</p> +<p>De toekomst.—Hoe zou ze zijn? +</p> +<p>Kom, niet piekeren. +</p> +<p>En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had zitten wuiven. +</p> +<p>„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks. En ik glimlachte +stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan. +</p> +<p>„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?” overwoog ik nog. +</p> +<p>En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen staven snelde, +en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar in; want in Parijs was weinig +geslapen. +<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> +<p>En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens heeft, en dat +ik dus aan deze malligheid een eind maak. +</p> +<p>Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek. +</p> +<p>Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier kunnen bekostigen +en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel voor twintig Lire! +</p> +<p>De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden. Zonder die belofte +was ik er stellig <i>niet</i> aan begonnen. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="91"></div><p> +</p> +<p> +</p> +<p></p> +<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="551" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table> +<tr id="voorwoord.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#voorwoord">VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK.</a></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> +</tr> +<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">6</a></td> +</tr> +<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">BOY VALT IN HET RAPENBURG.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">14</a></td> +</tr> +<tr id="ch4.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">DE TENNISCLUB.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">27</a></td> +</tr> +<tr id="ch5.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">DE ZEILTOCHT.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">39</a></td> +</tr> +<tr id="ch6.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">WE HUREN EEN BOVENHUIS.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">59</a></td> +</tr> +<tr id="ch7.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">77</a></td> +</tr> +<tr id="ch8.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VIII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">90</a></td> +</tr> +<tr id="ch9.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">IX. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">GEHEIMZINNIGHEDEN.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">103</a></td> +</tr> +<tr id="ch10.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">X. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">HET DUEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">114</a></td> +</tr> +<tr id="ch11.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">HET EINDE NADERT.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">131</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2025-08-27 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 94 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e158">1</a>, <a class="pageref" href="#xd33e161">1</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1968">90</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2937">136</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Loeki</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Loekie</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e283">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e476">20</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1693">76</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2864">132</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e301">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1012">46</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1171">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1465">68</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1569">71</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1590">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1606">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1782">80</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1846">83</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1883">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1950">88</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2056">94</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2547">117</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2764">127</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2792">128</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e324">10</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">òf</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">óf</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e384">14</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1208">56</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2722">125</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e391">15</a>, <a class="pageref" href="#xd33e507">21</a>, <a class="pageref" href="#xd33e555">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1100">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1173">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1461">68</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1502">69</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2011">92</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2058">94</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2148">100</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2341">109</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2984">138</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e406">15</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">-</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e433">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">;</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e504">21</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">roept</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">roep</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e805">36</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2002">92</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2228">104</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2585">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3098">141</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e836">37</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">nauwlijks</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">nauwelijks</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e884">40</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">, in</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> in,</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e892">40</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1039">47</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1417">66</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="en">allways</td> +<td class="width40 bottom" lang="en">always</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e916">41</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verfonfaaid</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verfomfaaid</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1028">47</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlom</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlam</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1055">48</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1717">77</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1768">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2134">100</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2845">132</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="en"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="en">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1126">52</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> en</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1252">58</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">?</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1303">61</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">achter-eaedem</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">achter-eadem</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1308">61</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">weespanning</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">weerspannig</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1357">63</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoorde</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoordde</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1375">64</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">rattekruid</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">rattenkruid</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1442">67</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="de">Dem Reinem</td> +<td class="width40 bottom" lang="de">Den Reinen</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1528">70</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1548">71</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1585">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1636">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1803">81</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2508">116</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2513">116</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1594">72</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1600">72</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1778">80</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">dee</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">deed</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1835">83</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">;</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1856">84</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">gichelde</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">giechelde</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2198">103</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">prijsgekoonden</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">prijsgekroonden</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2210">103</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Is</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">is</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2317">108</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">?</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2384">111</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">lachtte</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">lachte</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2520">116</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2737">126</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">grootdampend</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">groot dampend</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2787">128</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">epuipage</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">equipage</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2832">131</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">eémaal</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">eénmaal</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2842">132</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">zij</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">zijn</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2907">135</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3109">141</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">cow-boy</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">cowboy</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2944">137</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">voórkwam</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">voorkwam</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3001">139</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="fr">Est ce</td> +<td class="width40 bottom" lang="fr">Est-ce</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3011">139</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ingedud</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ingedut</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3037">139</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="fr">Qu’ est ce</td> +<td class="width40 bottom" lang="fr">Qu’est-ce</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3079">140</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">anderzocht</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">onderzocht</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +<h3 class="main">Afkortingen</h3> +<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> +<table class="abbreviationTable"> +<tr> +<th>Afkorting</th> +<th>Uitgeschreven</th> +</tr> +<tr> +<td class="bottom">Z.W.</td> +<td class="bottom"> +[<i>Uitgeschreven vorm niet beschikbaar</i>] +</td> +</tr> +<tr> +<td class="bottom">Z.Z.W.</td> +<td class="bottom"> +[<i>Uitgeschreven vorm niet beschikbaar</i>] +</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/76779-h/images/back.jpg b/76779-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a2615dc --- /dev/null +++ b/76779-h/images/back.jpg diff --git a/76779-h/images/front.jpg b/76779-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9bfcccb --- /dev/null +++ b/76779-h/images/front.jpg diff --git a/76779-h/images/spine.jpg b/76779-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7b7ac5e --- /dev/null +++ b/76779-h/images/spine.jpg diff --git a/76779-h/images/titlepage.png b/76779-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..26b6e90 --- /dev/null +++ b/76779-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..247e1cb --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #76779 +(https://www.gutenberg.org/ebooks/76779) |
