diff options
| author | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-08-30 07:22:01 -0700 |
|---|---|---|
| committer | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-08-30 07:22:01 -0700 |
| commit | bdc75f4eb33e7eeba6f30ec3cfb8878d05a2c00b (patch) | |
| tree | 318751e1668e9e821c4f1525dadf329604dbbd92 /76765-0.txt | |
Diffstat (limited to '76765-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76765-0.txt | 2893 |
1 files changed, 2893 insertions, 0 deletions
diff --git a/76765-0.txt b/76765-0.txt new file mode 100644 index 0000000..4184260 --- /dev/null +++ b/76765-0.txt @@ -0,0 +1,2893 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76765 *** + + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 333 DE LIEFDE VAN EEN BOKSER. + + + + + + + + +DE LIEFDE VAN EEN BOKSER. + + +HOOFDSTUK I. + +IN DE BOKSZAAL VAN „BLACK JIMMY”. + + +Het was omstreeks half drie in den middag, toen twee deftig gekleede +heeren met haastige schreden door de Dickens Street te Londen liepen. + +Zij scheelde vrij veel in leeftijd, want de een kon omstreeks 40 jaar +zijn, tenminste te oordeelen naar zijn haar dat aan de slapen was +begonnen te grijzen, terwijl zijn metgezel niet veel ouder kon zijn dan +een jaar of 25, en een vol, blozend jongensgelaat met helder blauwe +oogen. + +Vele Londenaren, vooral onder de armere klasse, kende hen als Lord +William Aberdeen en zijn secretaris Charly Brand—maar inderdaad was de +oudere der beide mannen niemand anders dan de lang gezochte +Gentleman-Inbreker John Raffles alias Lord Edward Lister. + +Zij hadden juist eenige boodschappen verricht in deze buurt, zoover +afgelegen van de Regentstreet, waar zich het prachtige heerenhuis van +Lord Aberdeen bevond, en zij maakten zulk een haast omdat er een +regenbui dreigde. + +Het was dien geheelen Zaterdag buitengewoon drukkend geweest, en alles +voorspelde een hevige onweersbui. + +En eensklaps, nog voor de beide vrienden een auto hadden kunnen +aanroepen, begon het zoo vervaarlijk te plasregenen, dat zij, om het +einde van deze hevige bui af te wachten, haastig een schuilplaats +zochten in den ingang van een groot huis, waar een portier met de +handen op den rug heen en weer liep. + +Maar het zag er volstrekt niet naar uit, dat de bui voorloopig zou +bedaren, integendeel, het leek hoe langer hoe erger te worden. + +Nu de sluizen des hemels eenmaal geopend waren, kwam het regenwater in +dikke stralen omlaag gutsen, en in een oogwenk waren de straten geheel +verlaten. + +Onwillekeurig, om zich het wachten een weinig te bekorten, liet Charly +zijn blikken dwalen over het groote, koperen bord, dat tegen de wanden +van den ingang was bevestigd, en waarop de namen der firma’s vermeld +stonden, die op de verschillende verdiepingen van het gebouw hun zaken +dreven. Eindelijk bleef zijn oog rusten op een dier namen. + +Daar stond als huurder van een deel der vierde verdieping vermeld: + +„Prof. J. Stanley, Ex-Kampioen van Engeland.” + +„Zeker een biljard-matador,” zeide Charly half voor zich heen. + +„Wie—Stanley?” vroeg Raffles. „Maar Charly, heeft de regen je hersens +een weinig verweekt, mijn jongen? Hoe is het—weet je niet eens wie +Jimmy Stanley, wie „Black Jimmy” is?” + +„Mijn hemel, hoe kon ik zoo dom zijn,” riep Charly uit. „De Engelsche +bokskampioen van 1912, maar wij leven ook zoo snel—ik was het al +vergeten, zoo, zoo, woont hij nu hier?” + +„Dat schijnt zoo, ik denk, dat hij nu anderen inwijdt in de kunst, +waarin hij zeker gedurende vele jaren zoozeer heeft uitgeblonken.” + +Hij wierp een blik naar buiten, overtuigde zich, dat de regen nog +altijd in den vorm van pijpenstelen omlaag kwam en vervolgde: + +„Kom, laten wij maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Er is toch +geen sprake van verder gaan, en dan verdrijven wij ons tenminste den +tijd.” + +„Een goed plan,” zeide Charly. „Ik ben wel benieuwd, hoe onze Jimmy +zich als „Professor” houdt.” + +De twee vrienden namen in de lift plaats en noemden den liftboy den +naam van den voormaligen Bokskampioen. + +De lift hield stil op de 4de verdieping en de twee vrienden stapten uit +en moesten nu eenigen tijd rond zoeken, voor zij een deur ontdekt +hadden, waarop met witte letters de naam en het beroep van Jim Stanley +geschilderd stond. + +Zij klopten aan en de deur werd geopend door wat men met eenigen goeden +wil een bediende zou kunnen noemen, maar de man zag er tamelijk +verwilderd uit, zijn haar, nat van het zweet, hing in slierten langs +zijn wangen, zijn eene oog was half dicht, hij droeg een morsige trui, +die oorspronkelijk wit was geweest en linnen gymnastiekschoenen, die +met touwtjes waren vastgebonden. + +Zijn linkerhand was in een bokshandschoen gestoken, terwijl hij de +andere waarvan hij zich waarschijnlijk zooeven ontdaan had om de deur +te kunnen openen, onder den arm gekneld hield. + +De man opende de deur dadelijk bij het zien van de beide chique +gekleede vreemdelingen, en liet, misschien van vreugde over het +buitenkansje, in een grijns al zijn tanden zien, niet veel meer +tusschen haakjes, want de meesten waren hem reeds uitgeslagen, maar met +het treurige overschot lachte hij dan ook allerbeminnelijkst. + +„De heeren komen om den Professor te spreken?” vroeg hij, terwijl hij +gedienstig een stoel aanschoof, „nog een kwartiertje mijne heeren, dan +is die satansche schobbej....... ik wil zeggen—na een kwartiertje is +Professor Stanley gereed.” + +Raffles en Charly bevonden zich in een klein vertrek, hetwelk +waarschijnlijk als wachtkamer bedoeld was, want er stonden een half +dozijn stoelen, en een klein rond tafeltje, dat bedekt was met +sportbladen, terwijl er aan de wanden talrijke foto’s van beroemde +boksers met punaises waren vastgestoken. + +Het pronkstuk evenwel was een groote foto in een eikenhouten lijst, +waarop Black Jimmy stond afgebeeld, naast een ezel, die een groot +fluweelen schild droeg, waarop de verschillende medailles waren +bevestigd, die hij in den loop van zijn veelbewogen leven had verdiend. + +De heer Jimmy stond daar, alleen gekleed in zijn kort wit boksbroekje, +en zijn linnen schoenen, in een zelfbewuste houding als van een +veldheer die een zwaren slag gewonnen heeft. + +De man met het half dichtgeslagen oog wilde zich weder verwijderen, +maar Raffles riep hem terug en zeide: + +„Wij zouden gaarne een les van den Professor bijwonen. Daar zullen toch +geen bezwaren tegen zijn?” + +„Volstrekt niet mijne heeren, ik zal U even aandienen. Mag ik uw namen +weten?” + +„O, dat is van later zorg,” antwoordde Raffles kortaf. „Zeg maar—twee +heeren uit het West End.” + +De man met de vuile trui verdween door een andere deur, en keerde een +oogenblik later terug, met den Professor in hoogst eigen persoon. + +Charly keek hem verbaasd aan en vroeg zich af, of dit dezelfde lenige +goed geproportionneerde bokser kon zijn, die hij nog in 1912 met +zooveel gemak het Engelsche kampioenschap had zien winnen. + +Black Jimmy was een weinig corpulent geworden, en het gitzwarte haar, +waaraan hij zijn bijnaam had te danken gehad, was alleen nog maar +terzijde van zijn hoofd en in zijn nek zichtbaar, en niet meer zwart +maar grijs doorspikkeld. + +Zijn kruin echter was zoo kaal en zoo glad als een billardbal. + +Een vervaarlijke stoot, opgeloopen in 1914, had zijn neus uit de +loodlijn geslagen, en aan dit lichaamsdeel een kromming gegeven, welke +het niet direct ten goede was gekomen uit schoonheidsoogpunt. + +Zijn wangen waren slap geworden, en hij zag er uit als een goedige +jachthond, met zijn lichtblauwe oogen, en zijn laag, gerimpeld +voorhoofd. + +Hij was gekleed in een wit linnen pantalon, linnen schoenen met zoolen +van touw, en een trui van grijze wol, met opstaanden kraag. + +Zijn handen waren in bokshandschoenen gestoken, en Raffles had met een +kennersoog dadelijk gezien, dat het wedstrijdhandschoenen van 6 ons +waren. + +Black Jimmy ontving de beide deftig gekleede heeren met veel strijkages +en hield de deur voor hen open die naar het allerheiligste voerde—de +Gymnastiekzaal. + +Raffles en Charly stonden in een ruime zaal, met wit geschuurde planken +bevloerd, en die zijn licht uit drie groote vensters ontving, welke op +een ruime binnenplaats uitzagen. + +Hier en daar lagen op den vloer matrassen van verschillende dikten. + +Maar in het midden was een groot stuk vilt neergelegd, waarover een +kleed van grauw linnen was bevestigd, dat aan de vier hoeken door +touwen was uitgespannen. + +Deze „ring”, zooals het in de vaktaal heet, was omgeven door een dik +wit koord, aan vier witte palen bevestigd, die eveneens door touwen in +den juisten stand werden gehouden. + +Ook deze ring had de voorgeschreven afmetingen, zooals die voor iedere +groote match gelden, namelijk 5 bij 5 meter. + +Ter weerzijden van de beide gewitte muren stonden eenvoudige +schoolbanken voor de toeschouwers en leerlingen bestemd. + +Dicht bij een der ramen was in de zoldering een verticale stang +bevestigd die, omstreeks 2 meter van den vloer, een groote, ronde +schijf van eikenhout droeg, omstreeks anderhalve meter in doorsnede. + +In het midden daarvan was, aan een sterken riem een peervormige, zwarte +lederen bal opgehangen, en tegen dezen bal was een jonge, magere kerel +woedend aan het slaan, en telkens als hij den bal niet op de goede +wijze raakte, trof deze hem van de eikenhouten schijf terugspringend +midden op den neus of tegen de wang. + +Iederen keer dat dit geschiedde—ongeveer 4 van de tien malen—uitte het +jonge mensch een hartigen vloek en schold zichzelf uit voor alles wat +leelijk was, waarna hij met vollen moed weder begon. + +In een anderen hoek bevond zich een dergelijk werktuig, maar hier was +de bal bevestigd aan het uiteinde van een sterke, vernikkelde spiraal +veer, waarvan het andere einde in den vloer was bevestigd en die de +onhebbelijkheid scheen te hebben, diegeen die er met den vuist tegen +sloeg op de meest onverwachte oogenblikken tegen de minst verwachte +plekken van zijn lichaam te raken. + +Op een andere plek weer was een gewone aardappelzak opgehangen gevuld +met nat zand, en tegen dit voorwerp ging een ander jongmensch, +buitengewoon corpulent, als een razende te keer, terwijl het zweet hem +in straaltjes langs het gelaat liep. + +Nu en dan bewoog de zandzak heel eventjes, en dan liet de jonge man een +kreet van zegepraal hooren. + +In een ander kleiner strijdperk waren twee mannen, tot het middel +naakt, aan het „sparren”, het boksen voor oefening, met dikke +handschoenen, waarmede zij elkander geen pijn konden doen. + +Op de banken zaten een zevental jonge mannen, allen in trui, en met de +handschoenen op den schoot, die toekeken en hun voordeel trachtten te +doen met de opmerkingen, welke de Professor ten beste gaf. + +„Black Jimmy” geleidde de beide bezoekers naar een der nog onbezette +banken, en zeide: + +„Doe alsof gij thuis waart, mijne heeren, ik ga nu voort, en gij kunt +zien, dat ik mijn leerlingen niet laat stilzitten.” + +Hij ging nu naar de beide jonge mannen toe, die in het kleine perk +bezig waren, en schreeuwde met luider stem zijn opmerkingen, opdat de +toekijkende leerlingen hem goed zouden hooren. + +„Vlugger duiken, Jack! Je hebt op die manier den slag beet, voor je +weet waar hij vandaan komt, dek je, Tom, maar voor den duivel—dek je +dan, denk je, dat je tegenpartij met je vecht om je te masseeren? Die +hook was goed. Niet op het achterhoofd slaan—gentleman blijven, Jack! +Voor zoo’n slag zou de referee je uit den ring hebben gestuurd. Zeg +Tom, sinds wanneer raak je de lui onder den gordel. Als je het in de +ribben zoekt, sla hem dan liever dadelijk een blauw eksteroog!” + +De Professor scheen deze aardigheid zelf zoo goed geslaagd te vinden, +dat hij in een bulderend gelach uitbarstte. + +En daarop vervolgde hij: + +„Je voetenwerk is nog niet veel zaaks, Jack! Meer tippelen, man, meer +tippelen. Ik zal je straks nog een kwartiertje touwtje laten springen, +hoor boy! Pang! Die uppercut zat! Kijk, Tom zwaait. En ik zie rood. +Nou, dat hindert niet—aan bloed zullen jullie nog moeten wennen. Hallo +daar. Niet vastgrijpen! Los! Los, zeg ik! Wil je wel loslaten, Jack?” + +In het vuur van den strijd scheen Jack niet naar het bevel te +luisteren. + +Vlugger dan men van hem verwacht zou hebben, was Stanley over het koord +gewipt en nu gaf hij den ongehoorzamen leerling een slag tegen de +borst, die hem achteruit deed tuimelen, zoodat alleen de touwen hem +voor een val behoeden. + +„Dat zal je leeren, man! Je komt hier om te boksen, niet om te +worstelen. Ik heb vijftien jaar tusschen de touwen gestaan, mijnheer—en +ik heb nog nooit mijn man vastgegrepen, mijnheer. Alles met de vuisten +mijnheer! En nu ingerukt. Ga je gezicht wasschen Tom. Je neus bloedt, +vadertje.” + +Inderdaad was de neus van Tom deerlijk geraakt, ondanks de dikke +handschoenen en hij haastte zich naar het waschvertrek, om zich te +verkleeden, en zijn neus te betten, die vervaarlijk was opgezwollen. + +Intusschen was de professor op den jongen man toegetreden, die met den +oefenbal doende was. + +Hij keek met de handen in de zijde gesteund even toe, en viel toen uit: + +„Ziet U niet, dat die bal kwaad op u is, mijnheer Drebble? Sla terug, +anders mept hij u nog knocked out!” + +Hij zette zijn rondgang voort en bereikte nu den corpulenten heer, die +den zandzak bewerkte. + +Stanley grijnsde vriendelijk, en klopte den dikzak op den schouder. + +„Well, mijnheer Bristol—kriebelt u dien zandzak een beetje? Aardige +tijdpasseering. Pas op of u zult hem nog aan het lachen maken. Kom, +voor den duivel mijnheer—sla er op! Wees niet bang, dat u eelt op uw +handen krijgt! Dat is juist goed! Zoo mijnheer—zóó!” + +En Stanley trad op den zandzak toe, en gaf er met de bloote hand een +slag tegen, die den zak geheel uit de loodlijn sloeg. + +Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat de professor dan wellicht +in de ring niet meer de oude mocht zijn, maar dat hij nog altijd een +geweldige kracht in armen en handen had. + +Nu klapte Stanley in de groote handen, en riep met een stentorstem: + +„Allen op uw plaatsen, mijne heeren! De vergevorderden zijn nu aan de +beurt.” + +Dadelijk gehoorzaamden de leerlingen het bevel en lieten ring, bal, +zandzak, en halters in den steek, om op de banken plaats te nemen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +JOE MASCOTT. + + +De deur in een der korte wanden van de oefenzaal ging open, en er +verschenen vier jonge mannen, allen in witte pantalons en hoog in den +hals gesloten, wit wollen truien gekleed. + +„Bill Stevens tegen George Malony!” schreeuwde de professor. + +Dadelijk kropen de twee opgeroepenen onder de touwen door, stelden zich +in positie en begonnen te sparren, maar het was dadelijk te zien, dat +deze mannen het reeds ver in de edele kunst der zelfverdediging hadden +gebracht, zooals de Britten het boksen noemen. + +Zij droegen tamelijk lichte handschoenen, en de slagen hadden een +helder kletsend geluid, als zij neerkwamen op nek en borst. + +Er werd gebokst, als gold het een geregelde wedstrijd, in ronden van +twee minuten elk en de knecht, dien Raffles en Charly zooeven reeds in +functie van portier gezien hadden, trad nu op als helper van een der +strijdenden, terwijl Stanley met handdoeken en water druk in de weer +was, om den ander af te koelen, na iedere ronde. + +Het bleek al spoedig, dat Bill Stevens verre de meerdere was van zijn +tegenstander. + +In de vierde ronde was deze reeds tamelijk vermoeid en ontweek traag de +slagen, die op hem neder regenden. + +In de zesde ronde liet Stanley hem ophouden. + +Hij wendde zich tot Malony en zeide op strengen toon: + +„Je hebt weer te veel gegeten, George—en je bemoeit je nog te veel met +de vrouwtjes. Als je ooit een prijsbokser wilt worden, dan zal dat +moeten veranderen—anders doe je beter, moeite te doen voor een baantje +als kinderjuffrouw.” + +Malony trok een nijdig gezicht en bromde iets tusschen de tanden, +waarop hij zijn handschoenen uittrok en den ring verliet, om zich in +het waschhok te gaan afspoelen. + +„Joe Mascott tegen Mac O’Neill!” brulde Stanley opnieuw. + +De twee jongelieden traden in den ring en Stanley, met het horloge in +de hand, gaf het teeken. + +De boksers vielen op elkander aan. + +En aanstonds was de belangstelling van Charly en Raffles gewekt. + +Want daar waren twee meesters in de kunst met elkander handgemeen +geworden, dat was op het eerste gezicht te zien. + +Zij brachten hun stooten bliksemsnel toe en ontweken elkander met +onbegrijpelijke snelheid. + +Maar voor kenners als Raffles en Charly kon er niet aan getwijfeld +worden, of Joe Mascott was de meerdere. + +Hij viel vliegensvlug uit en scheen zich toch niets te overhaasten, +maar zijn stooten degelijk te overdenken. + +Zijn beenwerk was onberispelijk en soms leek het, of hij op drie +plaatsen tegelijk was. + +In de derde ronde raakte Mac O’Neill hem vlak op de kaak. + +Mascott wankelde slechts even, maar geen spier op zijn gelaat bewoog +ofschoon de hevige slag een minder getraind man zeker bewusteloos zou +hebben gemaakt. + +In de vierde ronde moest hij nog twee krachtige slagen in ontvangst +nemen van zijn tegenstander, die iets meer scheen te wegen en ook +eenige centimeters grooter was. + +Maar hij glimlachte slechts flauwtjes en Stanley schreeuwde opgetogen: + +„Kijk mij dien kerel eens! Zou men niet zeggen, dat O’Neill hem onder +de kin streelt?” + +De vijfde en de zesde ronde waren zeer beslist voor Mascott, die zijn +tegenstander drie malen hard tegen den kin trof. + +Hij scheen nog volstrekt niet vermoeid te zijn, maar Mac O’Neill +steunde en blies als een stoommachine en had na iedere ronde zijn +minuut rust hard noodig. + +De zesde ronde bracht in de eerste seconde eenig voordeel voor Mac +O’Neill en hij raakte Joe in de nierstreek, zoodat deze even wankelde. + +Maar hij herstelde zich dadelijk weder en trof den ander onder het oor. + +„Joe is van hout, bij Jove!” schreeuwde de professor vol geestdrift. +„Daar zit een prijswinner in! Ik zeg.......” + +Niemand vernam dien dag, wat Stanley had willen zeggen, want Joe was +eensklaps uitgevallen, onder den gestrekten arm van Mac O’Neill door en +het volgend oogenblik lag deze op den vloer uitgestrekt, trok nog even +met de beenen en lag stil. + +Het was zoo vlug gegaan, dat Stanley zelfs vergat te tellen en +stokstijf met het horloge in de hand naar het beweginglooze lichaam +bleef kijken. + +Toen nam Charly zijn taak maar over en telde luid: + +„Een—twee—drie—vier—vijf—zes— —” + +Bij de zevende tel deed Mac O’Neill een krampachtige beweging om op te +staan. + +„Acht—negen—tien!” + +De tien seconden waren verloopen, en Mac O’Neill had zich nog niet +kunnen oprichten. + +Stanley vloog op Joe toe, en schreeuwde: + +„Als je zoo doorgaat—voorspel ik je een groote toekomst, Joe! Jij bent +de trots van mijn instituut! Tien minuten wachten en dan de twee +winnende tegen elkaar!” + +De twee boksers verdwenen in hun kleedkamertjes en de leerlingen +begonnen weer aan hun oefeningen. + +Raffles trad op Stanley toe en zeide op zachten toon iets tegen hem. + +De ex-kampioen knikte levendig, liep naar een der deuren en schreeuwde +naar binnen: + +„In wedstrijdcostuum, heeren, op vereerend verzoek van onzen gast!” + +De tien minuten waren juist verloopen, toen de deur weder openging en +de twee boksers, Joe Mascott en Bill Stevans, binnen traden. + +Zij droegen thans niets anders dan een kort broekje van wit linnen en +linnen laarzen. + +Zoo betraden zij het strijdperk. + +Stanley regelde zijn stopwatch en riep: + +„Vooruit!” + +De strijd nam een aanvang. + +Raffles hield strak het oog op Joe gevestigd. + +Hij was zelf een uitstekend bokser, en hij kende de werking der spieren +als weinig anderen. + +En wat hij daar voor zich zag was eenvoudig volmaakt. + +Nog nimmer had hij een man gezien, zoo bij uitstek geschikt voor de +beoefening van de bokskunst. + +Joe Mascott kon omstreeks 73 tot 75 kilo wegen. + +Zijn ledematen waren voortreffelijk geproportioneerd, geen millimeter +te lang of te kort. + +De armen, waarvan het vel van louter gezondheid glansde als zijde, +hadden die lange spieren welke den goeden bokser kenmerken. + +De borst was breed en licht gewelfd, de hals rond en gespierd, de +schouders waren klassiek gevormd en helden een weinig af, eveneens een +kenmerk van den bokser zooals hij zijn moet. + +De beenen hadden een onberispelijken vorm, met lange, langzaam naar de +knie smaller wordende dijen, gespierde kuiten en een hooge wreef. + +Op den rug, blank als die eener vrouw, lagen de spieren vlak onder de +huid, en zij werkten bij iedere beweging, welke de jonge man maakte. + +Joe Mascott had in het geheel niet het typische boksergezicht, het lage +voorhoofd, de diepliggende oogen en de dikke wenkbrauwen, die als +luifels de oogen beschermen. + +Integendeel—hij had een fijn, regelmatig gevormd gelaat, bijna +meisjesachtig, en waarin groote, lichtgrijze oogen schitterden. + +Zooals hij daar stond, bijna naakt, was hij een toonbeeld van +gezondheid en lenige kracht, waardig om als model voor een beeldhouwer +te dienen. + +Reeds waren er eenige slagen gevallen, die luid op de naakte huid +kletsten. + +De beide boksers droegen handschoenen van slechts drie ons en de slagen +kwamen dus duchtig aan. + +De taktiek van Bill Stevans kwam dadelijk aan het licht. + +Hij wist, dat zijn tegenstander van buitengewone taaiheid was en het +daarom op den duur zou moeten winnen—tenminste als hij hem niet binnen +vier ronden had neergeslagen. + +Hij viel daarom aanstonds woedend aan en trachtte Joe telkens den +gevaarlijken kaakslag toe te brengen, die, goed aankomend, meestal +degeen, die hem ontvangt, den vloer doet meten. + +Maar Joe scheen dien toeleg te hebben doorzien en hij bepaalde er zich +aanvankelijk toe, de snelle slagen van zijn tegenstander te ontwijken, +door zeer snel te duiken, of een paar passen terug te springen. + +De ronde van twee minuten waren reeds verstreken en reeds begon Stevans +kenteekenen van vermoeidheid te geven, terwijl Joe zoo frisch was, +alsof hij zooeven uit zijn kleedkamer was gekomen. + +Stanley schreeuwde in de tusschenpoozen zijn raadgevingen onpartijdig +tot de beide boksers, terwijl hij druk doende was met handdoeken en +water, met azijn aangelengd. + +En in de vierde ronde werd Stevans uitgeslagen... + +Het geschiedde reeds na de eerste verkenningen. + +Stevans was op Joe toe gesprongen, en het scheen, of zijn vuist den +jongen man juist tegen de punt van de kin zou treffen. + +Maar op het allerlaatste oogenblik weerde Joe den zwaren slag met de +rechterhand af, en het volgend oogenblik zat zijn linkervuist op de +kaak van den tegenstander, die als een blok neerviel, om en om rolde, +en toen bleef liggen half onder de touwen. + +Stanley telde hem uit, zonder dat hij zich verroerde. + +Toen trad Joe op den verslagen tegenstander toe, en rolde hem om, +zoodat hij hem in het gelaat kon zien. + +„Ik heb hem toch niet te erg geraakt, mijnheer?” vroeg hij op zachten +toon aan Stanley, die zich reeds met iemand anders bezig hield. + +„Welneen,” riep de professor luidruchtig. „Hij kan wel tegen een +stootje. Kijk maar, hij komt al weer boven water.” + +Stevans had zich inderdaad half opgericht, en keek verward om zich +heen. + +Toen herkende hij het gelaat van Joe, en stak hem glimlachend de hand +toe. + +„Je hebt mij geklopt, Joe—en eerlijk,” zeide hij nog wat zwak. „Man, we +zullen nader van je hooren.” + +„Zou je denken, George?” vroeg Joe gretig, terwijl zijn oogen begonnen +te schitteren. + +„Wel, ik ben er even zeker van, als dat ik nog nooit te voren klop heb +gehad van een leerling van Stanley—en ook niet van den baas zelf.” + +Hij krabbelde overeind, waarbij Joe hem hielp, en strompelde naar het +waschhok, om zich daar door een koude douche weder te herstellen van de +inspanning. + +Joe, die een handdoek om zijn hals had geslagen, wilde zich eveneens +verwijderen, toen hij een hand op zijn schouders voelde. + +Raffles stond voor hem en keek hem vol belangstelling aan. + +„Ik wilde u even zeggen, dat ik groote bewondering koester voor uw +wijze van boksen, mijnheer Mascott,” zeide hij. „Ik mag zeggen dat ik +er verstand van heb.” + +„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijnheer,” zeide +Joe, terwijl hij bloosde van genoegen bij het hooren van die lofspraak. + +Raffles liet zijn stem nu tot een zacht gefluister dalen en voegde er +aan toe: + +„Alleen zou ik U den raad willen geven—tenminste als het u ernst is, om +ooit iets te beteekenen tusschen de witte touwen—om u van een anderen, +beteren leermeester te voorzien. Ik wil niets afdingen op de +hoedanigheden van Stanley als bokser—maar als coach deugt hij niet. Er +is veel meer uit u te halen, neem dat van mij aan, mijn waarde Joe. +Wanneer gij U onder de leiding stelt van een eerste rangs trainer, dan +voorspel ik u een schitterende toekomst—tenminste wanneer het u ernst +is met de bokskunst.” + +Raffles haalde zijn opschrijfboekje te voorschijn, scheurde er een der +geperforeerde bladzijden uit, schreef er een paar woorden op, stak het +den jongen athleet toe, terwijl hij zeide: + +„Dat is het adres van een voortreffelijken bokser die tevens een +uitstekend leermeester en trainer is. Laat Stanley schieten, die nog +van de oude school is, en op een ouderwetsche wijze les geeft, terwijl +hij zich volstrekt niet schijnt te bekommeren om de algemeene +ontwikkeling van zijn leerlingen.” + +Raffles legde de hand op den bovenarm van Joe Mascott, en vervolgde: + +„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat zal zij ook +nooit worden, als gij hier blijft door gaan. Die spier moet in het +bijzonder behandeld worden—evenals eenige spieren van buik en rug, +welke gij nog niet geheel en al in uw macht hebt. Maar zijn ook die +goed geoefend, dan wil ik er wat onder verwedden, dat gij binnen een +paar maanden in staat zult zijn, Bombardier Wells, Johnson, ja zelfs +Carpentier te kloppen.” + +Mascott vatte de hand van Raffles, en zijn oogen schitterden toen hij +op gedempten toon zeide: + +„Gelooft gij dat werkelijk, mijnheer? O, het is sedert eenigen tijd +mijn ideaal om mij in een openbaren wedstrijd met de beste Engelsche en +Amerikaansche boksers te meten—maar over George Carpentier, den +Franschen Kampioen, heb ik nimmer durven denken.” + +„Als gij u ijverig blijft oefenen en niet in deze omgeving blijft, dan +zou het mij niets verwonderen, als gij binnen enkele maanden in staat +zoudt zijn, den jongen Franschman te ontmoeten. Maar zeg mij eens—wat +zijt gij eigenlijk van uw beroep?” + +„Bankbeambte, mijnheer!” + +„Dan hebt gij zeker niet veel tijd om u te oefenen?” + +„Alleen des Zaterdagsmiddags, Zondags en enkele avonden van de week als +ik geen boeken bijhoud voor kleine neringdoenden.” + +„Wilt gij mij uw adres niet opgeven? Ik stel zeer veel belang in uw +vorderingen en ik zou gaarne wat naders van u vernemen.” + +„Ik woon met mijn moeder en mijn zuster in de Black Friar street 37, +mijnheer,” antwoordde de jeugdige bokser. + +„Nu dan hoop ik je nog wel eens terug te zien,” zeide Raffles +vriendelijk. „Uw beenwerk is onberispelijk—daaraan behoeft gij niets +meer te doen, behalve misschien nu en dan eens een honderd ellen zoo +snel mogelijk loopen. Als gij uw rug- en armspieren alles laat doen wat +zij vermogen, dan slaat gij alle personen die gij hier in de zaal +gezien hebt, in de eerste helft van de eerste ronde tegen den grond.” + +„Ik dank u hartelijk voor uw goeden raad, mijnheer, en ik zal niet +nalaten hem op te volgen. Alleen.......” + +Hij voltooide den zin niet, maar aarzelde en trok bedremmeld den +handdoek over zijn schouders heen en weer. + +„Ik geloof, dat ik weet wat je zeggen wilt,” zei Raffles glimlachend. +„De voorwaarden van den man wiens naam op dit papiertje staat zijn zeer +schappelijk; wat zij steeds zijn, als hij ziet, dat hij met een +buitenklassigen bokser te doen heeft.” + +Op dit oogenblik kwam Stanley op het drietal toe en om den voormaligen +kampioen niet te kwetsen, werd het gesprek beëindigd en verdween Joe +Mascott in de badkamer om zich met een koude douche te verfrisschen. + +Raffles en Charly spraken nog eenigen tijd met den professor en daarop +namen zij afscheid, met de belofte, dat zij nog wel eens terug zouden +komen. + +Toen de beide vrienden op straat kwamen was de bui geheel overgedreven +en de zon scheen opnieuw aan den hemel van het zuiverste blauw. + +De twee mannen besloten naar huis te loopen en dadelijk begon Raffles: + +„Wel, wat zeg jij van Joe Mascott?” + +„Ik geloof ook, dat hij groote capaciteiten heeft, die thans nog +sluimeren,” antwoordde Charly. „Hij is gebouwd als een athleet uit het +oude Griekenland, hij heeft een verbazend groot uithoudingsvermogen en +hij schijnt ook goed tegen harde slagen bestand te zijn.” + +„Hij is gemaakt van hout, waaruit men de beroemdheden snijdt, mijn +waarde,” riep Raffles uit. „Ik heb nog nimmer zulk een bliksemsnelle +actie gezien en nog nooit zag ik een bokser, die zoo voortreffelijk +zijn voeten weet te gebruiken. Als die jongen van den aanvang al zich +onder de leiding had gesteld van een 1ste rang’s trainer, dan zou hij +nu reeds de meest bekende Engelsche en ook buitenlandsche boksers +kunnen staan.” + +„Naar wien heb je hem heengezonden?” + +„Naar Fred Simons. Hij is naar je je wel zult herinneren, eenige jaren +geleden Kampioen van Australië geweest en hij behoorde zeker tot de +beste boksers van zijn klasse. Maar als trainer en opleider van +boksers, zoekt hij vruchteloos zijn weerga! Hij ziet met een oogwenk, +waar de zwakke punten van zijn leerlingen zijn, en hij weet de +middelen, en hij past ze ook toe, om die te verbeteren. Als hij Joe +Mascott een paar maanden onder handen heeft gehad, dan zal die jonge +man eenvoudig niet te kloppen zijn in ons land!” + +De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over de zaak door, totdat +zij het fraaie heerenhuis in de Regentstreet binnentraden, hetwelk +Raffles bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE NIEUWE MEESTER. + + +Er was omstreeks een week voorbij gegaan, sedert het bezoek aan de +oefenzaal van Black Jimmy en eigenlijk had Charly het geheele voorval +reeds bijna vergeten, want hij had het juist in dien tijd bijzonder +druk met het regelen van sommige geldelijke zaken, waarbij Lord +Aberdeen de eene partij en een half dozijn ziekenhuizen en instellingen +van liefdadigheid de andere partij was. + +Maar Raffles had Joe Mascott niet uit zijn gedachten laten gaan en hij +besloot eens bij Fred Simons aan te loopen, teneinde te vernemen, of de +naam van den jongen bankklerk soms onder zijn nieuwe leerlingen +voorkwam. + +Simons had een groote inrichting in de Queen Annastreet en hij had +onder zijn leerlingen zeer veel jongelui van geld en zelfs van adel, +die zich aan zijn hoede hadden toevertrouwd met het oog op de +aanstaande Olympische spelen, waaraan zij hoopten deel te nemen. + +Daaronder waren roeiers, zoowel als balwerpers, voetballers zoo goed +als boksers, worstelaars, en ook hardloopers. + +Want voor Fred Simons scheen het menschelijk lichaam geen geheimen te +hebben en hij kende op een haar iedere functie van de geringste spier, +hij scheen te kunnen raden, welk voedsel voor zijn „Boys” het best +geschikt was op een zeker tijdstip, hoeveel uren zij moesten trainen en +van welken aard de training moest zijn. + +Hij had hiermede reeds zooveel geld verdiend, dat hij eigenlijk zijn +schaapjes reeds op het droge had en desnoods van zijn rente had kunnen +leven. + +Maar daaraan dacht de voormalige Australische kampioen niet, want hij +had een waren hartstocht voor zijn beroep en hij hoopte er nog lange +jaren mee voort te gaan. + +Zijn „Instituut voor Physische therapie”, zooals hij het wel wat +weidsch noemde, bestond uit een zestal zalen, waarvan er een +uitsluitend aan de bokskunst gewijd was, die uit den aard der zaak bij +Simons de eerste plaats bekleedde. + +Voorts was er een turnzaal, een zaal voor heilgymnastiek, een zaal voor +waterbehandeling, met een zeer groot zwembassin, waar men ook Turksche +baden kon gebruiken en voorts nog een zaal waar geschermd kon worden, +terwijl er tenslotte een vertrek was, waar men zijn beurt kon +afwachten—en dat zag er heel wat beter uit dan het kale wachtkamertje +van zijn voormaligen collega, Black Jimmy. + +Er stonden een paar dozijn gemakkelijke stoelen en op een paar zware +ebbenhouten tafels lag een groot aantal tijdschriften op allerlei +sportgebied. + +Fred Simons was ook niet goedkoop—en daar kwam hij rond voor uit. + +Maar het was evenzeer bekend, ofschoon de brave kerel er zelf geen +ophef van maakte, dat hij een oogje dichtkneep als zich iemand bij hem +kwam vervoegen, die het blijkbaar niet al te breed had, maar wiens +geheele lichaamsbouw hem als het ware voorbestemde, om bij ernstige +oefening in deze of gene tak van sport uit te blinken. + +Zoo had hij op het oogenblik onder zijn leerlingen een hardlooper, +waarvan hij de grootste verwachtingen koesterde en een balwerper +waarvan hij zelf verzekerde, dat hij binnenkort alle bestaande +wereldrecords met glans zou slaan. + +Naar dezen man nu begaf Raffles zich, tamelijk vroeg in den morgen, +terwijl hij Charly bij zijn boeken en registers achterliet. + +De Gentleman-Inbreker was zelf geruimen tijd een der ijverigste +leerlingen van Fred Simons geweest en hij bezocht hem ook nu nog +geregeld om een paar partijen met den ex-kampioen te boksen, die nog +altijd ondanks zijn veertig jaren over een uitmuntende techniek en +groote kracht bleek te beschikken. + +Raffles werd ontvangen door den neger-portier, die hem aanstonds +herkende en al zijn blinkend witte tanden vertoonde en naar Simons +geleid, die natuurlijk ook al „Professor” was. + +De voormalige kampioen had een zwak voor zijn lordschap en hij ontving +hem dan ook dadelijk, ofschoon er eigenlijk eenige leerlingen wachtten. + +„Het doet mij genoegen u weer te zien, Mylord!” riep Simons uit, +terwijl hij Raffles zijn groote, verbazend harde hand toestak, zorg +dragende, dat hij niet al te sterk kneep, want hij wist maar al te +goed, dat zijn handdruk een zeer pijnlijke gewaarwording opleverde voor +dengeen die er mede begroet werd. + +Hij had zijn bezoeker ontvangen in de groote bokszaal, een ruim, +luchtig vertrek op de bovenste verdieping van het huis en dat zijn +licht ontving door 5 groote ramen in den achtermuur en tevens door een +zeer groote lantaarn in de zoldering aangebracht en die door middel van +een gordijn tegen de al te felle zonnestralen kon worden beschermd. + +Raffles antwoordde: + +„Ik voel dat een weinig beweging mij goed zal doen, mijn waarde +Professor, hebt ge een kwartiertje voor mij?” + +„Voor U altijd, Mylord,” antwoordde Simons. „Uw costuum hangt op de +bekende plaats. Gij hebt het maar aan te trekken.” + +Raffles knikte den professor toe en begaf zich naar een der kleedkamers +waar zijn trui en zijn witte pantalon gereed lagen, keurig opgevouwen +door de zorg van de twee bedienden, die Simons er op na hield. + +Hij ontdeed zich snel van zijn bovenkleederen, trok de linnen +pantoffels aan en stak zich in het sportcostuum. + +Toen hij in de zaal terug kwam, stond Simons hem reeds op te wachten +met de bokshandschoenen in de hand. + +Raffles trok ze aan en de partij begon. + +Na iedere drie minuten werd even opgehouden en Simons maakte van de +tusschenpoozen gebruik om Raffles te verzekeren, dat hij nog niets van +zijn vlugheid, zijn scherp oog en zijn kracht verloren had. + +Toen het kwartier verstreken was, riep de voormalige kampioen uit: + +„Ik blijf er bij, dat het zonde is, dat gij nooit in een openbaren +wedstrijd zijt opgetreden, Mylord. Het mag dan niet met uw stand +strooken, maar gij zoudt menig beroepsbokser een lesje kunnen geven.” + +„Later misschien wel eens, mijn waarde Simons,” zeide Raffles lachend, +„en vertel mij nu eens hoe het met de leerlingen staat, hebt gij er nog +een bijgekregen sedert ik u voor de laatste maal zag?” + +„Een zestal, Mylord. Vijf daarvan hebben eigenlijk niet veel om het +lijf en tusschen ons gezegd en gezwegen, zou ik hen niet hebben +aangenomen, als zij niet zoo bar rijk waren geweest—de oorlog, begrijpt +gij!—en mij een handvol geld betaalden. Maar de zesde...........” + +Simons voltooide den zin niet, maar kuste met opgetrokken wenkbrauwen +de toppen van wijs- en middelvinger van zijn rechterhand en liet een +langgerekt: „umm” hooren. + +En toen bastte hij uit: + +„Mylord, daar komt mij drie dagen geleden een jonge kerel bij mij, die +mij vertelde dat hij bankklerk is en gestudeerd heeft—dat noemen zij +studeeren!—bij Jimmy Stanley, maar dat hij zich nu in ernst op zijn +training wil toeleggen en daarom mijn condities wilde weten. Ik bekijk +den jongen zoo eens van top tot teen, ik zeg tegen hem, dat hij zijn +vodden en todden maar eens moet uittrekken en Mylord—ik krijg daar een +athletenfiguur te zien—een beeldhouwer zou het niet mooier kunnen +maken, op mijn woord. Ik zag natuurlijk dadelijk, dat Stanley zijn geld +van dien jongen had opgestreken, zonder er iets voor uit te voeren, +want er waren spieren van bovenarm en rug, zoogoed als niet geoefend en +ook met de buikspieren was het niet allemaal in orde. Ik zeg zoo tegen +hem: Kom jij maar bij mij, vriend en laat dien kwakzalver, dien +marktschreeuwer maar waaien. Ik maak een bokser van je, of ik geef mijn +titel als Kampioen cadeau!” + +„Welzoo!” riep Raffles uit, die groote belangstelling veinsde, al +begreep hij natuurlijk dadelijk, dat dit niemand anders geweest kon +zijn dan Joe Mascott. „Maar ik wist niet, dat een bankbeambte zich die +weelde kon veroorloven, mijn waarde Simons! Want gij zijt een +voortreffelijk trainer, en ik weet niet wat men goedkoop noemt.” + +„Maar Mylord!” riep de bokser op verontwaardigden toon. „Denkt gij dat +ik dien jongen het vel over de ooren zal halen? Ik heb het schappelijk +met hem gemaakt—hij betaalt mij 5 shilling per les—in plaats een pond! +En ik heb hem gezegd, dat ik hem binnen twee maanden klaar zal hebben +gekregen om tegen wien ook te vechten!” + +Raffles glimlachte—men kon wel zien, dat Simons niet zeer goed op de +hoogte was van de salarissen van bankklerken, al nam hij niet meer dan +twee lessen in de week, dan zou het hem toch nog altijd 10 shilling +zijn—en het was zeer de vraag of hij die wel kon missen, daar het +immers zeer wel mogelijk was, dat hij van zijn schamel loon ook nog +zijn moeder en zuster moest onderhouden. + +Hij klopte echter den ex-kampioen op den schouder en zeide: + +„Dat is kranig van u, mijn waarde Simons. Kan ik dat wonder niet eens +zien; gij weet hoeveel belang ik stel in aankomende boksers, vooral +wanneer gij zegt dat zij iets te beteekenen hebben.” + +„Welzeker Mylord, met genoegen! Die jongen, Joe Mascott heet hij, +vertelde mij dat een rijk heer, die zijn naam niet had genoemd hem mijn +adres had opgegeven en ik vraag mij af wie dat wel geweest kan zijn.” + +„Vraag niet langer, waarde Simons—die rijke mijnheer was ik!” +antwoordde Raffles glimlachend. + +„Gij Mylord?” riep de Australische kampioen verbaasd uit. „Neem mij +niet kwalijk dat had ik dadelijk moeten begrijpen. Maar hoe kwaamt gij +in ’s Hemelsnaam bij dien schreeuwer van een Stanley verzeild?” + +„Louter toeval, ik liep er zoo maar eens binnen en zag Mascott werken! +Ik bemerkte aanstonds, dat er wat in hem school, maar dat Stanley niet +de man was om het er uit te halen, daarom zond ik hem naar u toe! Ik +wilde daar eerst niet verder over spreken, maar nu de jonge man mij al +half verklapt heeft, zal ik maar open kaart met U spelen. Ik stel veel +belang in Mascott, maar voorloopig behoeft hij mijn naam nog niet te +weten. Misschien zal hij er wel naar vragen maar dan ontwijkt gij die +vraag maar. Gij denkt dus werkelijk, dat er wat in hem schuilt?” + +„Ik ben er van overtuigd, Mylord. Over drie weken is er hier te Londen +een wedstrijd om een beurs van 500 pond! Daaraan mogen alleen Engelsche +boksers deelnemen. Welnu ik maak mij sterk dat ik hem binnen drie weken +zoover heb, dat hij een gooi naar die 500 pond kan doen. De +inschrijving is over een week gesloten. En als mijn man bij dien +wedstrijd wint—dan kan hij al dadelijk zooveel engagementen krijgen als +hij maar verkiest. Ik heb hem eens laten sparren met een van mijn beste +lui en ofschoon er met dikke handschoenen gevochten werd, lag de man +binnen tien tellen tegen de vlakte. Nooit zoo iets gezien, Mylord!” + +„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Simons,” +zeide Raffles glimlachend. „Het blijft dus afgesproken—gij noemt +voorloopig mijn naam niet. En nog iets—ik betaal u een pond voor iedere +les, welke hij neemt—op voorwaarde dat gij hem niets in rekening +brengt. Gij hebt u werkelijk zeer liberaal jegens hem getoond en dat +stel ik op hoogen prijs—maar gij weet niets van de salarissen, welke de +bankklerken verdienen, 5 shilling is voor hem nog een zeer groote +opoffering.” + +„Wel Mylord, dat heb ik niet geweten,” stamelde Simons. „Ik weet ook +niet of ik uw aanbod mag aannemen.” + +„Doe het maar wel,” hernam Raffles glimlachend, „en besteedt al uw +zorgen aan den jongen man. Als hij later veel prijzen verdient en het +in zijn hoofd krijgt U alle lessen te betalen, dan kunt gij mij het +geld, als het uw eer te na is, mijnentwege ook terug geven, is het zoo +goed?” + +„Mylord, gij zijt een man naar mijn hart. Een echte sportman,” riep +Simons vol geestdrift uit en het had weinig gescheeld, of hij had zijn +adellijken leerling een harden klap op den schouder gegeven. + +Maar Raffles was al bij de deur van zijn kleedkamer, en riep van daar: + +„Wanneer komt Mascott hier weder oefenen?” + +„Vanmiddag om drie uur, Mylord.” + +„Nu, als ik tijd heb, kom ik bepaald even kijken,” kwam Raffles en +daarop trad hij het vertrekje binnen, om zich weder te verkleeden. + +Toen hij weder in de bokszaal trad, was Simons daar reeds bezig met een +paar zijner leerlingen. + +Raffles knikte hem in het voorbijgaan nog even toe en daarop verliet +hij het groote gebouw. + +Hij zorgde dien middag echter weder om 3 uur in de wachtkamer te zijn +en daar vernam hij van den negerbediende, dat Joe Mascott zooeven +gekomen was en zich reeds verkleedde. + +Raffles wandelde naar de zaal, waar een tiental jonge lieden bijeen +waren en werd daar verwelkomd door Simons die vroolijk uitriep: + +„Blij dat gij uw woord hebt gehouden, Mylord!” + +Hij nam hem terzijde en vervolgde op gedempten toon: + +„Ik heb hem gezegd, dat hij niets voor de lessen behoefde te betalen, +tot hij zijn eersten wedstrijd gewonnen zou hebben. Gij hadt zijn +gezicht eens moeten zien. Ik geloof waarachtig, dat hij bijna ging +huilen. Maar hij wilde volstrekt alles terugbetalen, wanneer hij met +zijn boksen geld verdiend zou hebben.” + +„Daar heb ik hem al voor aangezien.” + +„Maar ik geloof, tusschen ons Mylord, dat hij vermoedt, dat ik het niet +uit mij zelf doe en dat zijn onbekende beschermer er achter moet +zitten, want hij vroeg nogmaals naar Uw naam.” + +„Wat heb je toen gezegd?” + +„Ik heb gezegd, dat hij praatjes verkocht en dat hij hier kwam om te +boksen!” + +„Een voortreffelijk antwoord, Simons,” zei Raffles glimlachend. + +De professor moest zich nu weer aan een zijner leerlingen wijden en +eenige minuten later trad Mascott in trui en witte pantalon binnen. + +Raffles had zich zooveel mogelijk achteraf gehouden en in een klein +zijvertrek plaats genomen, vanwaar hij de oefenzaal geheel kon +overzien. + +Het bleek, dat zijn beschermeling met zijn leermeester zou boksen—want +reeds nu was er niemand onder de leerlingen, waardig om zijn +tegenstander te zijn. + +Wij zeiden reeds, dat Raffles verstand had van de zaak waarom het ging +en hij zag spoedig, dat de voormalige kampioen alle moeite van de +wereld had, om de bliksemsnelle slagen van Joe Mascott te ontwijken, en +nu en dan op zijn beurt een vinnigen uitval te doen, dien de jonge man +echter steeds bij tijds wist te ontwijken. + +Er werd een ronde gebokst met middelsoort handschoenen en een der meest +gevorderde leerlingen ging den wedstrijd met den chronometer in de hand +na. + +In de derde ronde ging Mascott voor twee seconden tegen den vloer, door +een hook tegen de kaak getroffen, maar hij was dadelijk weer op de +been, wankelde slechts even, maar had onmiddellijk kracht genoeg om de +snelle uitvallen van Simons af te wijzen. + +In de vierde ronde werd de professor tot tweemaal toe neergeslagen, den +tweeden keer voor acht seconden en hij werd toen slechts gered door het +klinken van het fluitje van den scheidsrechter. + +Maar in de 7de ronde was het met Simons gedaan—een krachtige slag tegen +de kin deed hem tegen de touwen tuimelen, waarlangs hij op den vloer +gleed om daar bewegingloos te blijven liggen. + +Hij werd uitgeteld, en toen kwamen de twee helpers toesnellen met +water, sponzen en azijn en binnen enkele minuten was Simons weer de +oude. + +Hij kwam overeind, zocht met den blik zijn nieuwen leerling, ging met +de vuisten in de zijde voor hem staan, bekeek hem van top tot teen, en +vroeg meesmuilend: + +„Ik zou voor den duivel wel eens willen weten, jongeman, wat je bij mij +eigenlijk nog komt leeren? Het boksen ken je—en met mij behoef je zeker +niet meer te vechten, dan alleen voor oefening. Wij zullen maar liever +geen wedstrijdhandschoenen meer gebruiken—ik heb mijn tanden te lief! +En ga nu maar eens mee, naar de massagezaal, dan zullen wij die +spiertjes eens onder handen nemen.” + +Hij had Joe Mascott bij den arm genomen en voerde hem met zich mee, +maar de weg ging langs het kleine zijvertrek en voor Raffles zich had +kunnen verwijderen had de jonge man hem herkend, en hij was snel op hem +toegetreden. + +Hij had zich onder het loopen reeds van zijn handschoenen ontdaan en +stak Raffles met een trouwhartig gebaar de hand toe. + +„Ik krijg den indruk mijnheer, dat gij u voor mij wilt verbergen, om u +zoodoende te onttrekken aan mijn dankbetuigingen. Ik ben nu eenige +malen bij Fred Simons geweest, en ik zie zelf wel het verbazende +verschil met dien braven Stanley. Als ik het tot iets breng, dan zal ik +het aan u te danken hebben, want ik begrijp het maar al te goed, +mijnheer, dat gij het zijt geweest, die bewerkt heeft dat Simons mij +gratis les geeft. Hij kan zoo slecht huichelen, die beste man, en ik +heb alles doorzien. Waarom wilt gij mij toch beletten U mijn +dankbaarheid te betuigen.” + +„Gij kunt dat niet beter doen, mijn waarde vriend, dan volstrekt niet +meer over dit bagatel te spreken,” zeide Raffles. + +„Maar noem mij dan toch Uw naam mijnheer? Wanneer gij niet wilt, dat ik +dien van anderen tracht te vernemen,” hernam Joe op dringenden toon. +„Ik zou U zoo gaarne bewijzen, dat gij niet met een ondankbare te doen +hebt.” + +Nog scheen Raffles te aarzelen maar toen zeide hij: + +„Ik ben Lord William Aberdeen—maar werkelijk—mijn naam doet er immers +niets toe. Ik geloof, dat gij het waard zijt om geholpen te worden—en +ik stelde aanstonds veel belang in u.” + +„Mylord, als ik later prijzen win—en dat hoop ik innig, niet voor mij +zelven maar voor degene die mij lief zijn en die thans in benarde +omstandigheden leven, dan zult gij mij moeten toestaan, dit alles weder +met u te vereffenen.” + +„Als gij dat volstrekt doen wilt—ga dan uw gang, maar beloof mij nu +slechts, dat gij uw best zult doen en vertel mij dan eens iets uit uw +leven.” + +„Ik verlang niets liever, mijnheer,” riep Mascott uit. „Als gij soms +eenige minuten tijd hebt, het masseeren duurt niet lang.” + +„Dan wacht ik op u in de wachtkamer.” + +Raffles knikte hem toe, ging naar Simons, die op eenigen afstand was +blijven wachten en zeide in het voorbijgaan glimlachend: + +„Ik heb mijn incognito maar opgeheven, mijn goede Simons.” + +„Opgeheven? Wat hebt gij opgeheven?” vroeg de ex-kampioen verwonderd, +die in zijn tijd een groot bokser was, maar het in vreemde woorden niet +ver had gebracht. „Wat is dat nu weer voor een nieuwigheid?” + +„Ik bedoel, ik heb mij bekend gemaakt. In ’t kort—ik heb mijn naam +genoemd.” + +„Dat is beter, Mylord,” riep Simons uit en hij ging zijn nieuwen +leerling achterna, die reeds naar de massagezaal gegaan was. + +Na ongeveer twintig minuten wachtens trad Mascott de wachtkamer binnen +en zeide: + +„Nu ben ik tot uw dienst, Mylord!” + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +MEDEMINNAARS. + + +Raffles stond op en zeide: + +„Als gij het goed vindt, zullen wij liever de buitenlucht opzoeken.” + +„Zooals gij wilt, Mylord!” + +De twee mannen verlieten het huis en liepen op straat eenigen tijd +zwijgend voort. + +Toen begon Joe eensklaps: + +„Mylord, gij hebt door uwe vriendelijke bemiddeling meer gedaan, dan +eenvoudig een jongen man, die hiertoe toevallig de hoedanigheden heeft, +maar niet het geld, in de gelegenheid stellen, zich verder te bekwamen. +Ik wil U zeggen, wat de zaak is—gij hebt daar nu recht op. Ik heb op de +wereld niemand anders dan mijn lieve moeder en mijn zuster, die +nauwelijks twintig jaar is. Mijn vader is in den strijd in Frankrijk +gevallen—ik zelf heb ook nog een half jaar onder de wapens gestaan en +deel uitgemaakt van het bezettingsleger in Duitschland. Wij hadden het +vrij goed voor den oorlog, maar tengevolge van dien vreeselijken krijg +hebben wij alles verloren—en met mijn vaders dood kwam de ontbering +onze woning binnen! Gij kunt u niet voorstellen, wat ik daaronder +geleden heb! Ik aanbid mijn moeder en ik zou niets liever willen dan +haar in weelde te laten leven. Maar hoe kan ik dat, met mijn onnoozel +salaris? Wij hebben nu juist genoeg, om niet van honger om te komen!” + +„Aan welke bank zijt gij dan?” vroeg Raffles vol belangstelling. + +„Bij Arthur Pinkerton, in de Sloan Street.” + +„Nooit van gehoord! Zeker geen groote bank?” + +„Neen, er is niet veel personeel, Mylord. Maar Pinkerton verdient toch +veel geld.” + +„Ik wil niet onbescheiden zijn, en gij behoeft mij volstrekt niet op +mijn vraag te antwoorden—hoeveel betaalt hij U?” + +„Drie pond in de week, Mylord.” + +„Wat?” riep Raffles ongeloovig. „Betaalt men dat loon voor een week +werkens op een bank? Maar dat is een hongerloon!” + +Een bitter glimlachje gleed over het krachtige gelaat van den jongen +man. „Het was juist genoeg, om niet van honger te sterven—maar lang +niet voldoende om mijn lieve moeder slechts een gedeelte te kunnen +geven van die kleine dingen die het leven voor oude menschen vooral +veraangenamen. Wij wonen in een armoedige buurt, en wij moeten ons met +veel, ja met alles behelpen. En daaronder heb ik zwaar geleden—want +mijn goede vader had mijn moeder verwend—hij had haar afgodisch lief!” + +„Ik kan het mij voorstellen,” zeide Raffles zacht. + +„Natuurlijk heb ik alles aangepakt, om er wat bij te verdienen. Ik +hield hier en daar de boeken bij, copieerde stukken, schreef rollen uit +voor tooneelgezelschappen en zoo meer. Maar al werkte ik nog zoo +hard—het was en bleef schipperen, tot ik, half en half bij toeval, mijn +aanleg voor het boksen ontdekte. Ik had in de goede dagen van weleer +veel voor die sport gevoeld, en er als amateur een weinig aan gedaan. +Een half jaar geleden ongeveer zag ik op straat, hoe een zwaar gebouwde +kerel een kleinen hond, die hij aan een touw vast had, meedoogenloos +afroste, zoodat het arme dier van pijn kermde. Ik kwam tusschen beide, +maar een oud vrouwtje, dat naar het scheen den dierenbeul kende, +waarschuwde mij dat ik maar liever niets moest zeggen—de kerel was +bokser. Maar ik was zoo woedend, dat ik mij niet had laten weerhouden, +al was de schobbejak nog eens zoo groot en zwaar geweest.” + +„Dat was flink van je, Joe,” zeide Raffles. + +„Ik beval den man, dadelijk met slaan op te houden. Hij keek mij eens +aan, met zijn valsche oogen, liet den hond los, balde zijn vuisten, en +viel op mij aan. Een paar seconden later had ik hem neer geslagen.” + +„Goed zoo,” riep Raffles uit. „En dat heeft u toen op het denkbeeld +gebracht, uw vlugheid en moed in geldswaarde om te zetten.” + +„Zoo is het, Mylord. Ik besteedde mijn weinige spaarpenningen, om de +eerste lessen bij Stanley te kunnen betalen, en ik had het al spoedig +tot vrij groote hoogte gebracht. Toen kwam gij, en gij hebt mij pas het +ware vertrouwen in mijn kracht en vaardigheid gegeven. Ik weet niet hoe +ik u daar voor danken moet.” + +„Heel eenvoudig—door er nooit meer over te spreken,” zeide Raffles. „Ik +deed het als sportman, die vooral veel belang stelt in aankomende +Boksers.” + +Op dit oogenblik liepen de beide mannen langs een grooten +bloemenwinkel, in een der voornaamste straten. + +Voor de deur stond een groote, donkerrood gelakte limousine stil. + +Joe Mascott stond eensklaps stil en liet zijn blikken van de auto naar +de winkeldeur dwalen. + +Met verbazing zag Raffles, dat er een diepe rimpel tusschen de fraai +geteekende wenkbrauwen van den jongen man was gekomen. + +Nu ging de winkeldeur open en een groom liet diepbuigend een heer uit, +die een grooten, in vloeipapier gewikkelden ruiker in de hand hield. + +Hij stapte op de auto toe, zonder rechts of links te zien. + +Wanneer hij dat wel gedaan had, dan zou hij gezien hebben, hoe Joe +Mascott hem met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten stond aan te +staren, onbewegelijk en alsof hij uit brons was gegoten. + +Het volgend oogenblik was de auto weggereden. + +Raffles keek Joe verwonderd aan, die nog op dezelfde plek stond en +vergeten scheen te zijn, waar hij zich bevond. + +Toen zuchtte hij diep en wreef zich met de vlakke hand over het +voorhoofd. + +„Neem mij niet kwalijk, Mylord!” zeide hij verward. „Dat was—die man +was mijn patroon—Arthur Pinkerton.” + +„En schrikt gij dan zoo van dien werkgever?” vroeg Raffles gekscherend. + +„Hij kocht bloemen.......” stotterde Joe. + +„Ja, dat schijnt zoo. Dat is toch zeker niet verboden?” hernam Raffles, +die er nog niet veel van begreep. + +„Neen—gij hebt gelijk...... ik stel mij dwaas aan, dat weet ik,” ging +Joe haastig voort. „Let er maar niet op, wat ik u verzoeken mag, het +heeft niets te beteekenen.” + +Raffles nam den jongen man, die snel voortliep, van terzijde eens +scherp op. + +Hij was zeer bleek geworden en de gezonde kleur was voor een oogenblik +van zijn gelaat geweken. + +Hij oogde de roode auto na, zoo lang hij het voertuig met een blik kon +volgen en scheen geheel vergeten te zijn, dat er iemand naast hem liep. + +Maar Raffles had dadelijk begrepen, dat er tusschen den bankier en zijn +klerk iets moest bestaan, voor beiden van onaangenamen aard, daarop +wees de geheele houding van Joe Mascott. + +Geruimen tijd liepen de twee mannen naast elkander voort en toen begon +Raffles: + +„Luister eens, mijn waarde Joe. Ik denk er niet aan, mij met uw +particuliere aangelegenheden te bemoeien, maar dit moet mij toch van +het hart—als gij werkelijk een kans wilt hebben op de match om de beurs +van 500 pond, dan zult gij u alle muizenissen uit het hoofd moeten +zetten. Er is niets, wat zoo verslappend werkt, als geheim verdriet, +een niet beantwoorde liefde, een stille wrok—alle sterke +gemoedsaandoeningen zijn uit den booze. De beste trainer is niet +bestand tegen een ziek hart, bedenk dat goed!” + +„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Mylord—maar ik kan er niets aan doen—ik +verzet er mij vruchteloos tegen! Kom, gij hebt u een warm vriend van +mij betoond en ik behoef er volstrekt geen geheim van te maken—ik heb +een meisje lief—en mijn patroon is een medeminnaar! Gij ziet, het is +zeer eenvoudig. Maar voor mij beteekent haar liefde het leven—haar te +moeten missen, zou de dood zijn.” + +Joe had dit laatste op zulk een smartelijken toon gezegd, dat Raffles +geen oogenblik kon twijfelen aan de diepte en de oprechtheid zijner +gevoelens. + +Hij begreep nu veel, zoo niet alles! + +Pinkerton was veel ouder dan Joe—maar hij was schatrijk—hij kon het +meisje bloemen geven, iederen dag, zooveel zij er slechts verlangde—Joe +kon haar ternauwernood des Zondags een kleinen ruiker bij een +straatventer koopen. + +Hij nam Joe onder den arm en vroeg op warmen toon: + +„Gelooft gij, dat het meisje aan dien man den voorkeur zal geven, +alleen omdat hij rijk is—neem dan mijn welgemeenden raad aan en laat +haar loopen, want dan is zij de liefde van een eerlijk man niet waard!” + +„Ik weet zeker, dat zij dat niet doet, Mylord!” riep Joe vol vuur uit. +„Als het alleen van haar afhing, zou alles goed zijn—wij zijn beiden +jong en kunnen wachten. Maar zoo eenvoudig is de zaak helaas niet. Haar +vader is handelaar. Hij heeft onlangs zijn zaken een weinig +uitgebreid—en daarvoor geld geleend—juist van dien Pinkerton. Met den +vrede gingen zijn zaken achteruit, want hij moest als zooveel anderen +zijn winst maken tijdens en van den oorlog. Hij stond en staat dus nog +in schuld bij Pinkerton—en die zou zeker wel een mouw aan de zaak +passen—als Daisy naar hem wilde luisteren!” + +„Heeft hij dat aan haar vader gezegd?” + +„Neen, dat niet, hij zeide het alleen maar aan haar!” + +„Dan heeft de kerel ook geen eerlijke bedoelingen met haar!” zeide +Raffles op vasten toon. + +„Dat heb ik immers al dadelijk wel vermoed, Mylord!” hernam Joe op +smartelijken toon. „Hij heeft haar duidelijk te verstaan gegeven, dat +het slechts van haar afhing, of haar vader failliet zou gaan of niet. +De oude man echter denkt in zijn onnoozelheid, dat Pinkerton +trouwplannen jegens zijn dochter koestert en hij dringt er voortdurend +bij haar op aan, hem toch het jawoord te geven, omdat hij hoopt, +daardoor niet alleen van zijn schuld af te komen, maar ook een nieuwe +leening bij zijn schoonzoon te kunnen sluiten!” + +„Ja, dan verkeert zij in een treurigen toestand,” mompelde Raffles. +„Veronderstel eens, dat haar vader morgen dat bedrag, zou kunnen +terugbetalen—zou dan alles in orde zijn?” + +„Ik vrees van niet, Mylord!” antwoordde Joe treurig. „Pinkerton heeft +voor een groot bedrag aan aandeelen in de zaak van den ouden +Chairman—zoo heet de vader van Daisy—en die zal hij zoo spoedig niet +verkoopen, aan wien dan ook, uit vrees, dat hij zoodoende een scherp +wapen uit handen geeft. En dan—mijn kansen bij Chairman staan al heel +laag,” voegde de jonge man er met een bitteren glimlach aan toe. „Hij +noemt mij een armen kerkrat en hij maakt natuurlijk vergelijkingen +tusschen den patroon en den klerk.” + +„Hoe oud is die Pinkerton?” + +„Een jaar of vijf en veertig.” + +„En Daisy—uw klein vriendinnetje?” + +„Negentien.” + +„Nu, dan kan ik u maar een raad geven, mijn waarde Joe, denk in den +eersten tijd niet al te zeer over deze zaak en wijdt u liever uit alle +macht aan uw taak, het winnen van den wedstrijd om de beurs. Als gij +dien match maar eenmaal gewonnen hebt, dan zullen u de aanbiedingen +dadelijk in den schoot vallen. Binnen een jaar kunt gij Kampioen van +Engeland zijn, als gij het slechts ernstig wilt.” + +„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” riep Joe met schitterende oogen +uit. + +„Ik ben er zeker van.” + +„O, dan beloof ik u, dat ik al mijn vermogens zal aanwenden, om dien +wedstrijd te winnen. Dan zet ik al het andere zoo lang uit mijn hoofd, +dan mag er in mijn hersens alleen maar plaats zijn voor de gedachte aan +den wedstrijd.” + +„Zoo mag ik het hooren!” hernam Raffles, terwijl hij de hand van den +jongen man krachtig drukte. „Gij hebt uw lot in uw eigen hand. Als gij +den match wint, dan zal de oude Chairman zich nog wel eens bedenken en +als hij dan soms nog koppig wil blijven, dan zal ik eens een hartig +woordje met hem spreken.” + +„Ik dank U Mylord,” zeide Joe, die het hoofd snel afwendde, want hij +gevoelde dat er tranen naar zijn oogen welden. „En ik zweer u, dat ik +uw edelmoedigheid niet zal beschamen.” + +„Daar zouden wij niet over praten,” hernam Raffles, terwijl hij +dreigend den vinger ophief. „Oefen je slechts goed, laat alles verder +aan Simons over en je kunt over een paar weken winnen. Ik moet nu +afscheid van je nemen, mijn waarde Joe, want zaken van belang vragen +mijn aandacht. Maar ik verlies je niet uit het oog, dat verzeker ik je. +Ik zal vriend Simons zeggen, dat hij zijn bijzondere zorg aan je moet +besteden, daar ik er bepaald op gesteld ben, dat je de beurs wint. +Overmorgen kom ik je een bezoek brengen—als je het goed vindt.” + +„Maar Mylord!” riep Joe uit, blozend van trots en genoegen. „Wij zullen +Uw bezoek allen zeer op prijs stellen. Na half zes vindt gij mij steeds +thuis en ik lunch ook altijd thuis, want onze woning is niet ver van de +Sloans Street verwijderd.” + +„Dat blijft afgesproken. Hard werken en U voorloopig met niets anders +bemoeien dan met uw bokshandschoenen!” + +Nogmaals drukte Raffles den jongen man de hand en daarop verwijderde +hij zich, terwijl Joe met haastige schreden den weg naar zijn woning +insloeg. + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +LISTEN EN LAGEN. + + +Er waren twee weken verloopen sinds dat gesprek en Joe had zich stipt +aan zijn belofte gehouden en zijn gevoelens van jaloezie onderdrukt, om +alleen aan den komende wedstrijd te denken. + +Het was omstreeks twee uur in den middag, toen voor een huis in de +Bishop Street een roodgelakte auto stilhield, waaruit Arthur Pinkerton +stapte. + +Hij was al weder voorzien van een grooten ruiker en had blijkbaar veel +zorg aan zijn uiterlijk besteed. + +Zijn zwart geverfde snor glom van de cosmetiek, zijn zijden das was met +den uitersten zorg gestrikt en zijn handen staken in grijze +glacéhandschoenen. + +De deur werd geopend door een oude dienstbode, die reeds vele jaren in +betrekking was van den ouden Chairman en sedert den dood van diens +vrouw bijna als een familielid werd beschouwd. + +Zij scheen den bezoeker reeds te kennen en niet al te zeer met hem +ingenomen te zijn, want zij haalde zeer merkbaar haar neus op, toen zij +den reusachtigen ruiker en daarachter het dikke, ongezond bleeke gelaat +van den Heer Pinkerton zag en scheen zelfs een oogenblik groote neiging +te gevoelen, de deur voor zijn neus dicht te werpen. + +„Is mijnheer Chairman thuis?” vroeg de bezoeker. + +„Ja mijnheer,” antwoordde de oude getrouwe. + +„En juffrouw Daisy?” + +„Die is ook thuis—en daar zal zij spijt genoeg van hebben, het arme +kind,” voegde zij er half binnensmonds aan toe. + +„Ga dan mijn bezoek aankondigen,” beval Pinkerton. „Breng mij maar +eerst naar mijnheer Chairman.” + +De oude meid ging hem brommend voor, een trap op, een gang door tot +voor een breede deur, die toegang bleek te geven tot een vrij ruime +werkkamer, met een reusachtig, ouderwetsch bureau tusschen de beide +vensters. + +Voor dat bureau zat Chairman, een kleine onaanzienlijke figuur, zooals +hij daarin zijn versleten huisjasje in den grooten leuningstoel zat, +met een kalotje op het spaarzame haar. + +Hij keek den bezoeker een weinig schuw aan en stond toen op, teneinde +hem te verwelkomen. + +„Neem plaats, mijn waarde heer Pinkerton,” zeide hij op zachten, wat +heeschen toon, terwijl hij een stoel bijschoof. + +„Ik zal maar even van uw kostbaren tijd misbruik maken, waarde +Chairman,” zeide Pinkerton, met onverholen spot en minachting in zijn +stem. „Gij weet welken datum wij hebben vandaag?” + +Chairman wierp een blik op den scheurkalender, die aan den wand hing, +ofschoon hij maar al te goed wist welke datum het was en antwoordde +toen: + +„Natuurlijk, het is de eerste!” + +„Mooi, en denkt gij mij nu te kunnen betalen?” + +„De zaak is..... het zal heden moeilijk gaan!” hakkelde Chairman. + +„Even moeilijk als verleden maand en de maand daarvoor en zoo +vervolgens!” kwam Pinkerton verachtelijk. „Ik zal U eens wat zeggen, +mijn waarde Chairman! Ik kom langzamerhand tot de ontdekking dat ik +hier voor den gek word gehouden en dat zal ik niet dulden—verstaat gij? +Dat zal ik stellig niet dulden!” + +„Maar daar denk ik werkelijk niet aan, mijnheer Pinkerton,” riep de +oude man op jammerenden toon. „Ik ben er van overtuigd, dat over een +jaar alles weder met mijn zaken in orde zal zijn—kunt gij niet tot dien +tijd geduld hebben?” + +„Nog een jaar? Waarom niet liever tien?” riep Pinkerton schamper uit. +„Ik begin mijn geduld te verliezen, moet gij weten. En ik zou U raden, +binnen zeer korten tijd naar middelen om te zien, om mij te voldoen.” + +„Dat beloof ik u, dat beloof ik u vast, mijn waarde heer Pinkerton!” +zeide Chairman verheugd, dat hij er weder voor dit keer af was. + +Pinkerton was reeds weder opgestaan en vervolgde nu, schijnbaar +onverschillig: + +„Is uw dochter thuis?” + +„Zeker, en het zal haar zeker aangenaam zijn, u te ontmoeten,” haastte +de oude man te antwoorden. „Ik zal haar even laten roepen.” + +„Doe geen moeite. Ik wilde haar juist wel even onder vier oogen +spreken!” kwam Pinkerton. „Zij is zeker in haar eigen kamertje?” + +„Dat denk ik wel,” antwoordde Chairman, die den schrik van zooeven +reeds geheel te boven scheen te zijn en handenwrijvend voor zijn +schuldeischer stond. + +„Nu, dan verlaat ik u—en zorg, dat ik de kleur van uw geld spoedig zie, +of er gebeuren dingen, waarvan ik de verantwoording niet zal dragen, +maar gij en gij alleen!” + +En met deze woorden verliet hij het vertrek en liet den ouden +karakterloozen vader alleen. + +Hij liep de gang door, maar had nog geen vijf passen gedaan, of hij +struikelde over een voorwerp, dat hem gevoelig tegen de scheen raakte. + +Tegelijkertijd werd zijn voet doornat en een luid rinkelend geluid liet +zich hooren, dat zich scheen te verwijderen. + +„Wel, voor den duivel!” barstte Pinkerton woedend uit. „Wie zet er nu +in die donkere gang een volle emmer neer!” + +„Dat doet iedere vrouw, die de trappen gaat doen,” klonk het vinnige +antwoord uit de duisternis. „Wij zijn hier niet ingericht op bezoeken +in den middag—dat is de zaak.” + +„Jij bent een brutale feeks!” gromde Pinkerton, die de oude dienstmaagd +herkend had, die met opgeschorte rokken, een bezem en een dweil in de +hand, aan het einde van de gang stond. „Maak eens licht—ik geloof, dat +ik mijn enkel aan het bloeden heb gestooten.” + +„Dat zou erg jammer zijn,” kwam een stem uit de duisternis. + +En daarop werd het licht, daar de oude meid den schakelaar had +omgedraaid en Pinkerton kon zich overtuigen van de aangerichte schade. + +Het onderste gedeelte van zijn pantalon was kletsnat en bij het +opstrooken van dit kleedingstuk en het zich daaronder bevindende, kwam +aan den dag, dat de scheen wel niet bloedde, maar toch deerlijk +geschramd was en blauwe plekken vertoonde. + +„Ik zal je dat betaald zetten, oude heks,” bromde Pinkerton, terwijl +hij de vrouw de dweil uit de hand rukte en daarmede het ondergedeelte +van zijn pantalon begon droog te wrijven, ganschelijk vergetend, dat +zijn vingers in fijne handschoenen gestoken waren. + +Toen hij hiermede gereed was, greep hij den ruiker, die eveneens +tamelijk ernstig had geleden en ging op de deur toe, die zich aan het +einde van de gang bevond. + +Juist werd deze geopend en een fijn meisjeskopje verscheen om den hoek, +met prachtige blauwe oogen en een mondje als een rozenknop. + +Het was Daisy Chairman. + +„Wat is daar toch aan de hand, Mary?” vroeg zij, maar in haar mooie +oogen schitterde een ondeugend licht, „gooi je daar de emmer van de +trap?” + +„Vraag excuus, juffer Daisy. Dat doe ik niet—dat doet die mooie +mijnheer—hij denkt zeker, dat het hier een paardenspel is.” + +Pinkerton wierp de oude dienstbode een giftigen blik toe en wendde zich +toen zoetsappig tot het meisje met de opmerking: + +„Ik vrees, dat mijn persoon niet al te zeer in den smaak valt van Uwe +gedienstige, Miss Daisy. Naar het mij toeschijnt, heeft zij het op mijn +beenen voorzien. Zoudt gij niet zoo goed willen zijn, mij aan de woede +dezer furie te willen ontrukken?” + +„Mary een furie?” riep Daisy lachend uit. „Zij is de goedheid in +persoon! Maar ik wil u wel redden—ga maar mede naar mijn vader.” + +„Pardon Miss Daisy, ik kom juist van hem vandaan en vroeg hem verlof, +eenige woorden met u te mogen wisselen!” + +Het gelaat van het meisje betrok en zij maakte een beweging van +ongeduld. + +Mary bromde zeer duidelijk hoorbaar, terwijl zij haar bezem stevig +vastgreep, als om er een vijand mede te lijf te gaan. + +„De oude man wordt kindsch. Hoe komt men er bij, jong aan oud te willen +koppelen!” + +Daisy had de deur van haar kamer reeds geopend en zeide onwillig: + +„Kom binnen, mijnheer Pinkerton, maar ik waarschuw u dat ik niet veel +tijd heb.” + +„O, wat ik U te zeggen heb, is in enkele woorden mede te deelen, Miss!” + +Het meisje liet den onwelkomen bezoeker binnengaan en sloot de deur. + +Pinkerton keek haar even met zijn gluiperige oogen aan en stak toen de +hand vooruit, waarin hij den ruiker geklemd hield. + +„Sta mij om te beginnen, toe, U deze bloemen te overhandigen, Miss,” +begon hij. „Mogen zij een bewijs zijn van mijn teedere gevoelens jegens +U!” + +Het meisje had den boeket aangenomen, en dien met een onverschillig +gebaar op de tafel geworpen, zonder iets te zeggen. + +Zij wees haar bezoeker een stoel en nam zelf plaats. + +Pinkerton was blijkbaar eenigszins van zijn stuk gebracht door het +stilzwijgen van het jonge meisje en hernam haperend: + +„Gij hebt natuurlijk wel begrepen, wat mij tot U voert, Miss Daisy. Gij +kent de gevoelens, welke ik jegens u koester. Mij dunkt dat ik nu lang +genoeg gewacht heb—ik wensch thans uw antwoord kort en bondig te +vernemen!” + +„Kort en bondig?” herhaalde Daisy, terwijl zij den bezoeker strak +aankeek. „Wel, gij zult op uw wenken bediend worden. Ik zeg neen!” + +„Wat! Gij slaat mijn liefde van de hand? Gij weigert, mijn verlangens +in te willigen?” + +„Ja, mijnheer Pinkerton, dat weiger ik. Ik weet wat het is, wat gij +liefde noemt. En ik wil mij niet laten behandelen als een stuk +speelgoed, dat men wegwerpt als men er genoeg van heeft.” + +Pinkerton beet zich op de lippen. + +Hij begreep, dat hij een anderen weg moest inslaan. + +Als het niet met zachtheid ging dan maar met geweld. + +Hij stond dus op, en zeide op gedempten toon, waarin echter duidelijk +een bedreiging was te hooren: + +„Ik ben er zeker van, Miss Daisy, dat gij u nog wel eens zult bedenken, +het kan u niet onbekend zijn, dat het lot van uw vader zich in mijn +handen bevindt, hebt gij daar wel eens over nagedacht.” + +„God alleen weet, hoe veel slapelooze nachten mij dat gekost heeft,” +riep het meisje op hartstochtelijken toon uit. + +„O, nu, als gij het weet, waarom blijft gij dan hardnekkig weigeren?” +drong Pinkerton aan. „Het behoeft u maar een woord te kosten, en uw +vader is voor altijd bevrijd van zijn zorgen, in het tegenovergestelde +geval behoeft het mij slechts een woord te kosten, en uw vader snelt +zijn ondergang tegemoet.” + +„Mijn God, is het al zoo ver?” riep Daisy uit, die doodsbleek was +geworden. „Dat wist ik niet,” voegde zij er op doffen toon aan toe. + +„Ik zeg u niets dan de waarheid, Miss!” hernam Pinkerton, terwijl hij +een stap naar het jonge meisje deed. „Laten wij de zaken met enkele +woorden in het juiste licht stellen, en gij—en gij alleen hebt het in +uw macht uw vader te redden of hem in het verderf te storten.” + +„Zwijgt! Om Godswil zwijgt!” riep het arme kind wanhopig uit. „Gij kunt +het niet meenen dat gij misbruik zou maken van het ongeluk van mijn +vader. Ik weet zeker, dat hij er binnen een jaar weder boven op kan +zijn. De zaken gaan reeds beter en als eenmaal normale toestanden +teruggekeerd zullen zijn, dan komt alles in orde. Heb nog slechts tot +zoo lang geduld.” + +„Neen!” antwoordde Pinkerton kortaf. „Ik wil niet langer wachten, ik +heb u lief—en ik zal u bezitten, gij zult de mijne worden, al zou ik +hemel en aarde moeten bewegen. Ik geef u nog een week en als gij mij +dan niet hebt gezegd, dat uw tegenstand gebroken is dan zullen de +gevolgen voor uw rekening komen. Maar ik ga zoo niet heen, eerst zult +gij mij een kus geven, op afrekening.” + +Hij was op Daisy toegesprongen en had het jonge meisje omvat, dat op +dien aanval niet verdacht was. + +Zij worstelde om los te komen, zij verzette zich uit alle macht, de +beide kleine handen tegen de borst van den ellendeling gedrukt. + +Pinkerton trok haar echter dicht tegen zich aan, en bracht zijn gelaat +bij het hare....... + +Maar eensklaps vloog de deur open, en de schurk voelde zich in den nek +vatten, en met kracht achter uit trekken. + +Bleek van woede wendde hij zich om. + +Hij keek in het gelaat van Joe Mascott, die in het geheel niet woedend +scheen te zijn, maar zijn medeminnaar spottend aankeek. + +„Gij weet zeker wel dat ik iets beteeken als bokser, mijnheer +Pinkerton,” zeide de jonge man langzaam, terwijl hij een stap in de +richting van den anderen deed. „Daar zal ik echter geen misbruik van +maken—al kon ik U met mijn wijsvinger neerslaan. Neem daarom slechts +dezen oorveeg voor lief. Het is weinig maar goed bedoeld.” + +En op het zelfde oogenblik daalde er een klinkende muilpeer neder op +het gelaat van den bankier, juist op zijn rechterwang, die in een paar +tellen danig opzwol, al had de jonge bokser zich nog zoo ingehouden. + +Daarop wendde Joe zich tot het jonge meisje, dat verschrikt had toe +gezien, en zeide op teederen toon: + +„Je behoeft niet bang te zijn, kleine lieveling, als eenmaal de +wedstrijd achter den rug is, en ik win hem, dan komt alles in orde, en +zal ik dien schoft zijn geld terug betalen.” + +Vervolgens wendde hij zich naar de deur, wierp haar wijd open, en riep: + +„Zuiver deze kamer zoo snel mogelijk van uw aanwezigheid, mijnheer +Pinkerton, anders blijft het niet bij dat kleine klapje.” + +In minder dan geen tijd was de bankier buiten het vertrek. + +Zijn ruiker vloog hem achterna en trof hem in den nek, gevolgd door +zijn hoed en wandelstok. + +En daarop viel de deur met een harden slag in het slot en kon Pinkerton +zijn bezoek gevoegelijk als geëindigd beschouwen. + +Hij raapte hoed en wandelstok op en hief dreigend de vuist op tegen de +gesloten deur. + +Sissend kwam het over zijn lippen: + +„Dat zal ik je betaald zetten, Joe Mascott—of mijn naam is geen +Pinkerton!” + +Hij daalde vlug de trap af, zonder zich verder om den ouden Chairman te +bekommeren en stapte in zijn auto, die nog stond te wachten. + +De chauffeur had bevel gekregen, zijn meester naar huis te rijden, maar +onderweg scheen Pinkerton van gedachten te veranderen. + +Hij nam de spreekbuis die hem in verbinding stelde met den chauffeur en +beval: + +„Breng mij naar de boksschool van Stanley—weet je die? Het is in de +Dickens Street, een oud huis met een groote toegangspoort. Ik zal je +wel waarschuwen, als wij er zijn.” + +De chauffeur tikte aan zijn pet en het voertuig zette zich weder in +beweging. + +Een half uur later stond de auto stil voor het gebouw, waar „Black +Jimmy” troonde. + +„Wacht hier,” beval Pinkerton den chauffeur. „Ik ben over een kwartier +terug.” + +Hij ging haastig de trappen op en trad de wachtkamer binnen, waar zich +op dit oogenblik niemand bevond. + +Maar de knecht met de morsige trui had zeker iets gehoord en kwam +binnen om naar het verlangen van den bezoeker te informeeren. + +„Is George Malony hier soms?” + +„Dat geloof ik wel, mijnheer. Wilt gij hem spreken?” + +„Ja, verzoek hem even hier te komen.” + +„Uw naam?” + +„Die doet er voorloopig niet toe. Zeg maar dat een oude kennis hem over +een belangrijke zaak wenscht te spreken.” + +De knecht bekeek Pinkerton verbaasd, die er met zijn dure kleeren in +het geheel niet uitzag als een „Oude kennis” van iemand als George +Malony, maar hij antwoordde niettemin, dat hij den bokser zou +waarschuwen. + +Eenige minuten later trad Malony binnen. + +Zijn gelaat stond tamelijk stuursch en hij keek den bezoeker met +onverholen bewondering aan. + +Pinkerton was opgestaan en deed nu zorgvuldig de deur dicht, hetgeen de +verbazing van Malony nog deed toenemen. + +Toen trad Pinkerton op den bokser toe en zeide glimlachend: + +„Gij zult misschien een weinig verwonderd zijn over mijn optreden, +mijnheer Malony, maar wat ik U te zeggen heb is alleen voor u bestemd.” + +De zware wenkbrauwen van Malony gingen een eind de hoogte in, maar hij +zeide niets en wachtte als een voorzichtig man het eerste schot van den +tegenstander af. + +En dus begon Pinkerton: + +„Gij kent mij niet, mijnheer Malony, maar ik ken u des te beter, al is +het dan alleen maar van naam.” + +Malony trok een gezicht, alsof hem deze mededeeling maar half aangenaam +was, maar nog zeide hij niets. + +„Juist, omdat ik van U heb hooren spreken, kom ik tot u met een verzoek +en ik zou mijn sterk moeten vergissen, als gij het niet zoudt +inwilligen—want er is geld aan te verdienen, mijn waarde heer Malony.” + +Deze mededeeling scheen dadelijk in hooge mate belangstelling van den +bokser te wekken. + +Hij spitste de lippen, kneep de zwarte oogen half dicht en zeide op +half vertrouwelijken toon: + +„Wel, laat eens hooren, mijnheer... mijnheer...” + +„O, mijn naam doet er voorloopig niet toe,” viel Pinkerton hem in de +rede. „Als wij het eens kunnen worden en gij stemt toe in mijn +voorstel—dan is het nog tijd genoeg, U mijn naam te zeggen.” + +„Zooals gij wilt. Kom dan maar eens over de brug met dat voorstel—dan +kan ik zien, wat er te doen is—of te laten!” + +Pinkerton dacht eenige seconden na over de beste wijze, de zaak voor te +dragen en begon toen: + +„Gij weet natuurlijk, dat over een week de match om een beurs van 500 +pond plaats heeft in het Cristal Palace?” + +„Natuurlijk weet ik dat,” antwoordde Malony grimmig. „Ik zou zelf ook +mee doen—als ik wat beter getraind was. Wijntje en Trijntje—en de +sport—die kunnen niet al te goed met elkander onderweg, ziet +gij—en.....” + +„Juist. Ik ken Uwe kleine zwakheden, mijn waarde Malony!” kwam +Pinkerton. „Maar nu kom ik u juist aanbieden, een bedrag te verdienen, +dat niet veel kleiner zal zijn dan de prijs voor den verliezer +vastgesteld, namelijk twee honderd pond, als gij op mijn voorstel +ingaat!” + +„Twee honderd pond? Een aardig bedrag, tenminste, als het een +kleinigheid betreft.” + +„O, voor iemand als gij zijt, heeft het niets om het lijf, luister! Gij +weet natuurlijk zoogoed als ieder Uwer collega’s, dat een zekere Joe +Mascott aan die match zal deelnemen, en dat zijn kansen zeer goed +staan.” + +„Zeer goed? Als er geen wonder gebeurt, dan wint hij zoo zeker als een +huis,” riep Malony uit, met een onmiskenbaren klank van naijver in zijn +ruwe stem. + +„Juist! Maar men zou dat wonder met niet al te veel moeite kunnen laten +geschieden, niet waar?” + +Malony antwoordde niet dadelijk maar liet een zacht gefluit hooren, en +keek Pinkerton met zijn kleine, zwarte oogen onderzoekend aan. + +Deze deed, alsof hij niets gemerkt had, en ging rustig voort: + +„Zie eens, er is mij veel aan gelegen, dat die Mascott de match niet +wint, begrijpt gij? De redenen kunnen u onverschillig zijn, iedereen +heeft wel eens van die onberedeneerde antipathieën, niet waar?” + +„Ongetwijfeld,” antwoordde Malony meesmuilend. „En Mascott heeft uw +antipathie als ik het goed begrijp.” + +„Geraden!” + +„Nu, hij behoort toevallig ook niet tot mijn vrienden,” ging Malony met +een onaangenamen grijns voort. „En zeg mij nu eens, hoe gij het u wel +voorstelt, te beletten dat hij de match niet wint.” + +„Wel, dat kan niet zoo moeilijk zijn, dunkt mij.” + +„Wij zouden hem een dag te voren kunnen opwachten, op een straathoek, +en hem een tik geven die goed aankwam.” + +„O, neen,” riep Pinkerton verschrikt uit. „Dat vooral niet, dan zou hij +in het geheel niet aan den wedstrijd kunnen deelnemen, en dat is de +bedoeling niet. Neen, hij moet wel degelijk boksen—maar zoo, dat +iedereen zegt: die man moest liever baker worden. Begrijpt gij? Hij +moet in de eerste of tweede ronde uitgeslagen worden.” + +„Ja, dan wordt de zaak wel wat lastiger,” zeide Malony, terwijl hij +zich achter de ver van zijn hoofd staande ooren krabde. „Ik kan niet +goed begrijpen, hoe wij dat dan moeten aanleggen!” + +„Kom, het is niet zoo lastig,” hernam Pinkerton. „Er bestaan wel van +die geheime middeltjes, welke men iemand kan ingeven en die bewerken, +dat men zich gedurende eenigen tijd slap en zwak gevoelt, zonder +bepaald ziek te zijn.” + +„Nu kom ik er achter!” riep de bokser uit, met den zelfden grijns om de +dikke lippen. „Maar hoe kom ik aan dat middel?” + +„Als gij toestemt, zal ik het u wel verschaffen.” + +„Het is toch niet...... gevaarlijk?” vroeg Malony op gedempten toon. +„Hij kan er toch niet voor goed mee uit de wereld geholpen worden?” + +„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren. Als gij slechts zorgt, +dat gij in den loop van den dag waarop de wedstrijd plaats heeft, den +inhoud van een klein peperhuisje met een wit poeder in een glas te +doen, dat gij met hem gaat drinken—dan is alles in orde. Hij zal zich +dan lusteloos gaan gevoelen en des avonds zal hij gemakkelijk geklopt +worden. Slaat gij toe?” + +„Twee honderd pond?” + +„Ja!” + +„De helft vooruit?” + +„Neen, gij kunt vijftig pond vooruit krijgen—en de rest, als de +wedstrijd achter den rug is!” + +„En bij wien moet ik dan het geld gaan halen?” + +„Ik zal het u zelf op den dag van de match komen brengen—met het poeder +en U dan tevens mijn naam noemen!” + +„Top, ik ben Uw man,” kwam Malony, na even te hebben nagedacht. „Ik zal +hem wel naar een koffiehuis lokken en eenmaal daar, zal ik hem het +middeltje wel weten toe te dienen.” + +De lafhartige overeenkomst werd met een handslag bekrachtigd en daarop +verliet Pinkerton haastig het huis. + +Hij was er nu zeker van, dat Mascott niet zou winnen, maar jammerlijk +zou worden verslagen. + +En als dat eenmaal was geschied, dan zou zijn toekomst bedorven zijn, +of hij zou tenminste in het eerste jaar volstrekt geen kans hebben op +groote prijzen. + +En Mascott arm—dat beteekende dat Chairman naar zijn pijpen zou moeten +dansen en dat hij Daisy wel zou weten te dwingen, hem ter wille te +zijn. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +OP DEN DAG VAN DEN WEDSTRIJD. + + +De dag van de groote match was aangebroken. + +Op alle muren van het groote Cristal Palace prijkte groote, schel +gekleurde aanplakbiljetten, waarop de namen van de twee boksers vermeld +stonden, die om de beurs zouden strijden—Joe Mascott en Jim Farrol. + +Farrol was op het oogenblik de sterkste bokser, middelgewicht van +Londen en dat was duidelijk te merken aan den stand van de +weddenschappen, want er was slechts weinig gewed op Joe, die nog geheel +en al onbekend was, behalve bij de insiders die dan ook niet geaarzeld +hadden, vrij groote bedragen op hem te zetten. + +Wat Raffles betreft—hij had de vorderingen van den jongen man met +onverholen verbazing en voldoening gadegeslagen en niet geaarzeld, +vijfhonderd pond op zijn overwinning te wedden. + +Bijna iederen dag had hij de groote oefenzaal van Fred Simons bezocht, +ten einde zich door eigen aanschouwing van de vorderingen van zijn +beschermeling te overtuigen. + +En hij was er zeker van, dat zijn kansen uitstekend stonden. + +Weliswaar deelde de sportpers mede, dat Farrol zich op dit oogenblik in +„first class form” bevond, maar dat kon zijn vertrouwen niet aan het +wankelen brengen. + +Tweemaal had hij Joe aan diens huis bezocht en kennis gemaakt met zijn +moeder en zuster. + +Bij de tweede gelegenheid had de jonge bokser hem verhaald, wat er met +Pinkerton in de kamer van Daisy was voorgevallen en Raffles had hem +goedkeurend op den schouder geklopt en gezegd: + +„Over een paar dagen kunt gij met opgericht hoofd voor den ouden +Chairman treden, en hem zijn dochter ten huwelijk vragen. Als hij dan +soms nog bezwaren mocht maken, dan zal ik hem wel tot andere gedachten +brengen.” + +Die verklaring was den jongen bokser een aansporing te meer geweest, +zich duchtig voor te bereiden. + +En er hing voor hem des te meer van dezen wedstrijd af, daar hij, +zooals wel te voorzien was, den zelfden dag, waarop hij zijn patroon op +een muilpeer onthaald had, door dezen was ontslagen. + +Hij verdiende dus niets, maar de neerslachtige stemming, die hieruit +was voortgevloeid, had dadelijk weder plaats gemaakt voor een blijde +opgewektheid toen Lord Aberdeen hem kwam zeggen, dat hij, zoodra de +wedstrijd achter den rug was een heel wat beter betalende betrekking +zou krijgen bij een zijner vrienden. + +Die zou hij dan kunnen waarnemen, zoolang de groote prijzen uitbleven. + +Het was vroeg in den morgen van den wedstrijddag, toen Raffles het +groote oefenvertrek bij Fred Simons binnentrad. + +Hij wist, dat hij Joe daar kon vinden, om de laatste maatregelen te +nemen en zich nog eens duchtig te oefenen met den besten leerling van +Simons, die zelf een goede toekomst had. + +Hij kwam juist, toen de partij, die slechts een kwartier mocht duren, +op haar einde liep. + +En weer bewonderde hij het soepel spel der spieren, de weergalooze +vlugheid en den moed van zijn beschermeling. + +Na de partij werd Joe gemasseerd door de bekwame hand van Simons die +vol trots uitriep: + +„Wat een lichaam, spieren als boter, tot hij ze spant, de satijnen huid +als van een jong meisje, longen als van een paard, en een middeltje, +waarop menige vrouw jaloersch zou zijn.” + +En onder deze uitroeping wreef en kneep hij de spieren, tot Joe met een +pijnlijk gezicht uitriep: + +„Nu is het wel genoeg, Simons, ik voel mij uitstekend.” + +„Dan naar de douche!” + +En Simons trok zijn „poulain” mede naar de badkamer waar een douche hem +geheel en al verfrischte. + +En nu kwam de korte wandeling aan de beurt, afgewisseld met eenige +kilometers hard loopen en touwtje springen. + +Raffles zou den bokser daarbij vergezellen, in zijn kleine sportauto +gezeten, in gezelschap van Simons. + +Men zocht de stilste buitenwegen op, en daar stapte Joe uit, en begon +met snelle wandelpassen met de auto mee te loopen, terwijl Simons hem +zijn bevelen toe schreeuwden. + +Nu en dan ging hij in den looppas over, en dan weder legde hij, al +touwtje springend, een afstand van een kilometer af. + +Eindelijk vond Simons, dat het genoeg was. + +Hij legde zijn groote hand op de borst van den bokser, voelde hem als +een volleerd dokter de pols en zeide tevreden: + +„Bijna geen verhoogde hartwerking, de jongen is van staal, ik geloof, +dat hij zoo den geheelen dag zou kunnen voortgaan, zonder een spoor van +vermoeidheid. Nu, mijn taak is afgeloopen. De rest moet hij zelf doen.” + +Hij richtte zich tot Joe en vervolgde: + +„Houdt je rustig, den geheelen dag, zonder evenwel van je gewone +bezigheden af te wijken. Vandaag mag je geen handschoen meer aanraken +voor je tusschen de touwen staat in de Cristal Palace, loop wat rond +met de jongens, maar geen alcohol versta je? Dat behoef ik je trouwens +gelukkig niet te zeggen, ik heb je nooit zien drinken. Een paar uur +voor de match mag je langzaam een groot glas ale drinken, met een ei er +door geroerd en dat is alles. Niets meer eten na vijf uur, begrepen?” + +„Ik zal er om denken, Simons,” gaf Joe ten antwoord, terwijl hij de +hand van den voormaligen Australischen Kampioen greep. „En of ik +vanavond win of verlies, ik zal nooit vergeten, wat ik aan je te danken +heb gehad, je bent een trainer uit duizenden, Simons.” + +„Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Joe,” gaf Raffles glimlachend te +kennen. „En een goed trainer is de helft van den wedstrijd gewonnen. + +„Nu moet ik je ook verlaten, want ik heb nog eenige zeer dringende +zaken af te handelen. Vanavond hoop ik je als overwinnaar te mogen +begroeten.” + +Hij reikte Joe de hand, knikte hem vriendelijk toe, en daarop reed hij +met Simons weg, die hem met zijn auto tot aan diens woning zou brengen. + +Joe keek de auto achterna, tot zij uit het gezicht was, en zeide toen +in zich zelf: + +„Een edel man, die tevens een edelman is. Joe zorg dat je vanavond wint +en toon je zijn belangstelling waard.” + +Hij raadpleegde zijn horloge en zag, dat het tijd werd voor de lunch. + +Daar Simons hem had verboden, van een motorbus gebruik te maken, wegens +het trillen van die voertuigen, en evenmin van den ondergrondschen +spoorweg, welke dit euvel in nog meer mate vertoont, wandelde hij naar +zijn woning en gebruikte geheel alleen een eenvoudigen maaltijd, +bestaande in geroosterd brood, een ei, wat mager vleesch en een paar +druiven. + +Des middags bracht hij een bezoek aan zijn meisje, tersluiks, wel te +verstaan, want haar vader had hem het huis kortweg ontzegd, na het +incident met Pinkerton, en daarop begaf hij zich naar het huis van +Simons, waar hij moest wezen, om er zijn handschoenen, pantoffels, en +andere zaken te halen. Hij vond er George Malony aan de deur staan, die +hem joviaal toeknikte, en uitriep: + +„Ik wensch je een goede kans, Joe, je kunt Farrol wel maken en breken.” + +„Ik hoop te winnen, George,” antwoordde Joe eenvoudig. „Er hangt voor +mij veel van af, dat weet je.” + +„De kameraden willen een kop thee, of een glas bier met je drinken dat +sla je zeker niet af, hoop ik?” ging Malony voort. + +Joe was een te vriendelijke jongen, om er een oogenblik aan te denken, +zijn vrienden door een weigering te beleedigen, en dat wist Malony ook +wel. + +„Als het niet te laat wordt, ben ik graag tot je dienst,” zei Joe. + +„Ga dan mee naar den hoek, daar is een café, de jongens komen +dadelijk.” + +De twee mannen begaven zich naar het koffiehuis, waar George bier en +een kop thee voor Joe bestelde. + +Met opzet had hij een tafeltje uitgezocht dat achter een der schutten +stond, welke de gelagkamer in een groot aantal afgeschoten hokjes +verdeelde. + +Het was nog vroeg en er waren maar zeer weinig personen aanwezig. + +Dicht bij het buffet hing een groote reclameplaat, voorstellende twee +boksers die met opgeheven vuisten tegenover elkaar stonden. + +Zoodra de thee en het bier gebracht waren, zeide Malony: + +„Je moet voor de aardigheid die plaat eens van dichtbij bekijken, Joe, +en zeg mij dan eens, of je er niets bijzonders aan ziet.” + +Niets kwaad vermoedend stond de jonge bokser weer op en ging naar het +reclamebiljet dat hij eenigen tijd aandachtig bekeek. + +Van zijn afwezigheid maakte Malony gebruik, snel en ongezien het kleine +zakje in de thee van den jongen bokser leeg te storten. + +Dit was reeds lang gedaan, toen Joe terug keerde en verwonderd zeide: + +„Ik kan er niets bijzonders aan zien, om je de waarheid te zeggen!” + +„Kom nu. Je hebt immers voor een der boksers geposeerd voor den man die +het biljet teekende,” riep Malony uit. + +„Ik verzeker je van niet!” kwam Joe. + +„Nu, dan is de gelijkenis toevallig!” hernam Malony schouderophalend. +„Op je gezondheid en je goede kansen, Joe.” + +Hij bracht het glas aan zijn lippen en zag vol spanning toe, hoe de +andere zijn kop thee aan zijn lippen bracht en dronk. + +Even later traden drie of vier leerlingen van Simons binnen, die naar +het tafeltje toekwamen en luidruchtig hun opmerkingen begonnen te +maken. + +„Dat was een goed idee van Malony, om ons hier te inviteeren,” riep een +der jonge mannen uit. + +„Ik dacht eigenlijk dat de invitatie van jullie kwam,” zeide Joe, een +weinig verbaasd. + +„Neen, man, George is de gastheer,” antwoordde de bokser, terwijl hij +Malony een harden klap op den schouder gaf, die hem gaarne naar den +duivel had gewenscht. + +„Maar je krijgt van ons toch ook een glas bier,” vervolgde de jonge +man, „tenminste als je mag van Simons!” + +„Dat mag juist in het geheel niet, Sam!” zeide Joe lachend. „Geen spoor +alcohol heeft hij gezegd—en daaraan houd ik mij.” + +Men sprak nog eenigen tijd voort, Joe dronk zijn kop leeg en nam toen +afscheid van de vrienden, die allen dien avond aanwezig zouden zijn, om +hun medeleerling te zien boksen. + +Joe begaf zich naar huis, teneinde daar rustig met lezen den tijd +verdrijvend het uur van de match af te wachten. + +En naarmate die tijd heenging, voelde de jonge man een eigenaardige +loomheid over zich komen, een moeiheid, welke hij nooit gekend +had...... + +Zijn dijspieren trokken, zijn armen voelden zwaar aan, en het leek hem, +alsof hij zelfs met opstaan eenige moeite had. + +In zijn hoofd had hij een dof gevoel, als van een naderende hoofdpijn. + +Hij opende een venster, meenende, dat de lucht in de kamer misschien +bedorven was, maar de frissche buitenlucht bracht hem geen verbetering. + +Verschrikt riep Joe zijn moeder, die zeer verontrust was over het bleek +uiterlijk van haar zoon en deelde haar mede wat hij gevoelde. + +„Als je nog eens een wandeling ging maken, Joe,” riep de oude vrouw, de +beide handen op zijn sterke schouders leggend. „Je heb je misschien wel +wat veel ingespannen in de laatste dagen, een wandeling zal je goed +doen.” + +„Zoudt gij denken, moeder?” vroeg Joe, „ik weet het niet, ik heb zoo +een vreemd gloeierig gevoel in mijn beenen, en mijn borst voelt ook zoo +zonderling beklemd, stel u voor, dat ik nu ziek werd. Het zou +vreeselijk zijn, misschien is het wel griep.” + +„Dan moeten wij dadelijk den dokter halen,” riep de oude vrouw +verschrikt uit. „En dan mag je vanavond volstrekt niet boksen.” + +„Ach moedertje,” kwam Joe droevig, „ik moet immers wel, al zou men mij +er in een rijtuig naar toe moeten brengen, ik zal vechten.” + +Op dit oogenblik werd er gescheld, en even later trad Raffles het +vertrek binnen. + +Hij groette de oude dame hoffelijk en wendde zich toen tot Joe met de +opmerking: + +„Ik hoop niet, dat ik je kom storen, waarde Joe, maar ik wilde je even +persoonlijk komen uitnoodigen, na afloop van den wedstrijd met mij en +mijnheer Brand te soupeeren, wel te verstaan, als je niet reeds andere +afspraken hebt gemaakt, maar mijn hemel, wat scheelt je?” zoo viel hij +zich zelf verschrikt in de rede, „wat zie je bleek!” + +„Ik.... de zaak is, dat ik mij ziek voel, Mylord!” stamelde Joe, +terwijl hij de hand aan het voorhoofd bracht en op een stoel neerzakte. + +„Wat is dat nu,” riep Raffles verbaasd uit, „maar toen ik je een paar +uur geleden verliet, was je zoo frisch als een hoen, is dat dan zoo +plotseling opgekomen?” + +„Geen half uur geleden, Mylord.” + +„En hoe was het daarvoor?” + +„Ik gevoelde mij gezonder dan ooit.” + +„Dat is zeer vreemd,” riep Raffles uit. + +„Kan het geen griep zijn, Mylord?” vroeg de oude dame, die vol +bezorgdheid over het glanzende haar van haar eenigen zoon streek. + +„Zoo plotseling, neen, Mevrouw, dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles +met vaste stem. + +Hij was op Joe toegetreden, schoof een stoel aan, ging zitten, en nam +de pols van den jongen bokser. + +Toen lichtte hij zijn oogleden op, bekeek het ooglid, schudde het +hoofd, en mompelde: + +„Dat is onbegrijpelijk!” + +„Sta eens op en doe een paar passen,” beval hij. + +Joe stond op, en liep eenige malen op en neer, daarbij liep hij niet +recht, maar wankelde, als iemand die duizelig is. + +„Sluit je oogen, strek je armen uit, en doe nu langzaam een paar passen +achteruit,” beval Raffles weder. + +Joe gehoorzaamde. + +„Ga nu eens zitten, en leg je eene been over het andere.” + +Weer gehoorzaamde de jonge man. + +Met den kant van de geopende rechterhand gaf Raffles onverhoedsch een +korten slag tegen het onderbeen, even onder de knie. + +Het been bleef onbewegelijk neerhangen. + +Raffles stond op, keek Joe eenigen tijd zwijgend en onderzoekend aan, +en vroeg toen: + +„Zeg mij eens nauwkeurig, wat gij gedaan hebt, nadat Simons en ik u +verlaten hebben, heden morgen om elf uur.” + +„Ik ben naar huis gewandeld om te lunchen, Mylord!” + +„Wat hebt gij gegeten?” + +„Geroosterd brood, een ei, wat koud vleesch en wat druiven.” + +„Dat hadt gij zeker alles gereedgemaakt, Mevrouw?” zoo wendde Raffles +zich tot de oude dame, die vol ongerustheid en vervuld van een vage +vrees had toegeluisterd. + +„Zeker, Mylord, en ik verzeker u dat het vleesch zoo uitstekend was als +het maar te krijgen was. Ik wist immers wel dat het beste voor Joe nog +nauwelijks goed genoeg was! Trouwens—wij allen hebben gisteren van het +zelfde vleesch gegeten!” + +„Waar hebt gij den druiven gekocht?” + +„In een delicatessenwinkel hier in de buurt.” + +„Als gij er nog van hebt, breng er dan eenige hier, als ik U verzoeken +mag,” vroeg Raffles. + +De oude dame verliet haastig het vertrek, terwijl Joe Raffles +verwonderd en ontsteld aanstaarde. + +„Wat denkt gij eigenlijk, Mylord?” barstte hij toen uit. + +„Nog niets, mijn waarde Joe, dan dat je aan een heel eigenaardige, +plotseling opgekomen zwakte lijdt—ik zou het, als ik geneesheer was, +„acute seniliteit” noemen—en die bestaat niet, voor zoover ik weet. Het +is eenvoudig ouderdomszwakte, mijn jongen. Ik merk zelfs eenige +symptonen, die zich juist zoo voordoen bij aderverkalking en daarvan +kan bij jou geen sprake zijn.” + +Op dat oogenblik trad Mevrouw Mascott binnen met een kristallen +schaaltje waarop een aangesneden tros druiven lag. + +Raffles trok er een druif af en stak ze in den mond, na haar aandachtig +te hebben bekeken. + +Hij proefde de vrucht aandachtig en zeide toen hoofdschuddend: + +„Een druif, zoo goed als ik er nog ooit een proefde!” + +Nu wendde hij zich opnieuw tot Joe en vroeg: + +„En wat hebt gij gedaan nadat gij gegeten hadt?” + +„Ik ben naar Simons gegaan om daar mijn handschoenen en eenige andere +zaken te halen.” + +„Vervolgens?” + +„Vervolgens ben ik met George Malony en eenige andere kameraden in een +café een kop thee gaan drinken.” + +„Met Malony?” herhaalde Raffles. „Waart gij steeds in gezelschap van +die anderen? Deel mij eens zeer nauwkeurig, zonder iets over te slaan, +alles mede wat er gebeurd is, sedert het oogenblik waarop gij het huis +van Simons binnenging.” + +„Ik ging mijn bullen halen en toen ik weder beneden kwam, stond George +bij de deur. Hij zeide mij, dat de kameraden op mijn welzijn wilden +drinken en stelde voor, maar vast vooruit te gaan, de anderen zouden +aanstonds komen. Wij gingen naar het café op den hoek en ik bestelde +thee, hij bier.” + +„Bleef hij steeds in uw nabijheid—of gij in de zijne?” + +„Neen, een oogenblik heb ik mij verwijderd om naar een reclameplaat te +kijken die twee boksers voorstelde, en die bij het buffet hing.” + +„Deed gij dat uit eigen aandrang?” + +„Neen, Malony zeide, dat er iets bijzonders aan te zien was.” + +„En was dat zoo?” + +„Voor zoover ik kon nagaan, in het geheel niet.” + +„Toen gij daarheen ging, was de consumptie toen al gebracht?” + +„Ja, de thee stond op tafel, maar mijn God, Mylord, waarom vraagt gij +mij dat alles? Wat denkt, wat vermoedt gij dan toch?” + +„Ik vermoed, dat hier een lage streek gespeeld is, mijn beste Joe,” +antwoordde Raffles kortaf. „Gij hebt natuurlijk van de thee gedronken? +Hebt gij er niets bijzonders aan geproefd?” + +„Neen, zij was misschien een beetje sterk, dat was alles.” + +„Misschien een looismaak? zooals van thee, die te lang getrokken +heeft?” + +„Juist, dat was het, Mylord,” riep de jonge man uit. „Gij denkt dus, +dat.... er iets met die thee geknoeid is?” + +„Ik twijfel er geen seconde aan, Malony heeft gebruik gemaakt van uw +afwezigheid om iets in uw thee te doen. Daardoor gevoelt gij u zoo slap +en wee, ik denk, dat de dosis wellicht een weinig te groot is geweest +en dat gij pas veel later die verschijnselen had moeten gevoelen en +niet in die sterke mate, maar juist voldoende, om u den wedstrijd te +laten verliezen.” + +„O, die schurk!” kreet Joe, „wat heb ik hem gedaan, dat hij zich op +zulk een laffe wijze op mij wil wreken?” + +„Ik geloof niet, dat hier sprake is van wraak, Joe,” hernam Raffles +hoofdschuddend, „neen, die man kon zulk een middel nooit uit zich zelf +hebben gevonden, ik vrees, dat hij slechts een werktuig is in de hand +van een ander.” + +„Maar wie zou dat kunnen zijn, Mylord,” riep Joe wanhopig uit, „ik had +geen vijanden, voor zoover ik weet.” + +„Geen vijanden? Noemt gij uw medeminnaars dan vrienden?” ging Raffles +voort terwijl hij Joe strak aankeek. + +„Wat, wilt gij zeggen, dat Pinkerton........” + +„Hij en niemand anders, hij heeft er groot belang bij, dat gij vanavond +verliest, want dan zijn uw kansen op een voordeelig aanbod vrij wel +verkeken, tenminste in langen tijd, en hij heeft het veld vrij om +Chairman te bewerken. Maar wij verpraten onzen tijd. De tijd dringt, ik +weet nu wel, wat men u heeft ingegeven, en ik bezit een tegengift, dat +u spoedig weder de oude zal doen zijn en wat Pinkerton betreft, hij zal +zijn straf niet ontgaan, dat kunt gij aan mij overlaten. Allereerst +echter moeten wij naar een geneesheer, teneinde u de maag te laten +leegpompen, want zooveel mogelijk moet die schadelijke stof uit uw +lichaam verwijderd worden. En daarna kom ik met mijn middeltje waarvan +gij wonderen zult beleven.” + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +DE WEDSTRIJD. + + +Omstreeks half negen, het uur, waarop de match tusschen Joe Mascott en +Jim Farrol zou beginnen, was de groote zaal van het Cristal Palace zoo +goed als geheel uitverkocht. + +Raffles had er voor gezorgd, dat de naam van den veelbelovenden bokser +alom bekend was geworden, en door zijn talrijke connecties had hij +weten te bewerken dat vele bladen lange artikelen aan dezen match +wijdden. + +En in alle sportbladen hadden beschrijvingen van de beide tegenstanders +gestaan, met de opgave van hun lengte, borstomvang, dikte van kuit en +dijspieren, gewicht en andere bijzonderheden. + +De belangstelling was dus zeer groot, en reeds dagen van te voren waren +alle beschikbare plaatsen in de zaal uitverkocht. + +In het midden, op een hoogte van ongeveer anderhalve meter boven den +vloer was de ring opgebouwd, omspannen met een dubbele rij witte +koorden. + +Daaromheen waren de rijen stoelen geplaatst, waarvoor de hoogste +prijzen waren betaald. + +Op de eerste rij zat Pinkerton, die er van wilde genieten, hoe zijn +medeminnaar verslagen werd. + +Nog laat in den middag had hij een onderhoud gehad met George Malony, +die hem had meegedeeld dat alles in orde was, en dat Joe zeker niet zou +kunnen winnen als het middel, hetwelk zijn lastgever hem ter hand had +gesteld, tenminste goed werkte. + +Pinkerton had hem het overeen gekomen bedrag uitbetaald, en nu zat hij +daar, reeds bij voorbaat genietend van zijn overwinning op den gehaten +rivaal. + +Eenige plaatsen verder zaten Raffles en Charly niet ver van een der +hoeken van den ring. + +Op een soort platvorm had de filmoperateur met zijn toestel plaats +genomen, want ofschoon het avond was, zou hij zijn opnamen met gemak +kunnen maken zoo daghelder was de ring verlicht door een groot aantal +zeer sterke booglampen, die in een vierkant op een paar meter boven den +met linnen bespannen vloer van den ring waren aangebracht. + +Juist om acht uur ging een deur achter in de zaal open en Jim Farrol +kwam binnen, vergezeld door zijn helpers, die handdoeken, sponsen en +eenige flesschen met een geheimzinnigen inhoud mede brachten. + +Een luid gejuig steeg op onder de aanhangers van den bokser, die reeds +menigen prijs had gewonnen, en dan ook door de meeste hier aanwezige +personen als de vermoedelijke winnaar werd beschouwd. + +Nauwelijks had hij den ring bereikt, of weer ging de deur open, en Joe +Mascott verscheen, in gezelschap van zijn leermeester Fred Simons, en +Bill Stevans, die als zijn secondanten zouden fungeeren. + +Een zwak gejuig werd gehoord, toen de jonge man, in een langen +badmantel gehuld, door den haag van toeschouwers zich naar den ring +begaf, en vlug het kleine trapje opwipte. + +Hij glimlachte even tegen Raffles en Charly, die hij dadelijk had +uitgevonden, en keek toen met een spottenden trek op zijn gezicht naar +Pinkerton, die hem opnam met een ongerustheid waarvan hij zich niet +aanstonds den oorsprong kon verklaren. + +Die man zag er niet uit als een zwakkeling, dat was zeker. + +Iedere spier scheen te zwellen van kracht, en toen hij den mantel +afwierp, toonde hij een lichaam, sterk en lenig als een horlogeveer. + +Er ging dan ook een gemompel van bewondering door de rijen der +toeschouwers, voor het meerendeel kenners, en die dadelijk hadden +gezien, dat hun een spannende partij te wachten stond en dat die Joe +Mascott zeker niet de eerste de beste was. + +De scheidsrechter had reeds in den ring plaats genomen, het horloge in +de hand. + +Hij was in zijn hemdsmouwen en zag er uit als een gemoedelijke +kruidenier op Zaterdagavond. + +Maar ieder sportman wist, dat hier een der beste scheidsrechters van +geheel Engeland tusschen de touwen stond. + +Om even over achten nam hij het woord, en stelde met eenige woorden de +tegenstanders aan elkander voor, waarop de regels van het gevecht +werden voorgelezen, die ieder rechtgeaard Engelschman wel kan droomen, +maar die niettemin telkens opnieuw worden opgesomd. + +Precies om acht uur klonk de gong, en de boksers namen tegenover +elkander plaats, wisselden een vluchtigen handdruk en vielen op +elkander aan. + +Het was doodstil in de groote zaal, toen de eerste slagen vielen, want +nu zou binnen enkele oogenblikken beslist worden of de beide mannen aan +elkander gewaagd waren, dan wel dat een hunner veel sterker was dan de +andere. + +Jim Farrol was in uitstekenden vorm, dat was duidelijk te zien. + +Zijn bronskleurige huid glansde als die van een zeerob. + +Hij had geen half ons vet te veel op het lichaam, en bovendien was hij +enkele duimen langer dan zijn tegenstander. + +Maar de kenners hadden spoedig na de eerste minuten gezien, dat hij een +tempo te langzaam was voor Joe Mascott...... + +Diens slagen vielen met ongeloofelijke snelheid na elkander, en in de +eerste ronde kon Jim dan ook niet anders doen dan zich zooveel mogelijk +dekken. + +Eenmaal had hij juist bijtijds een hevigen kaakslag ontdoken, maar niet +kunnen beletten dat een niet mindere zware slag hem even boven den +gordel in de maagstreek trof. + +Pinkerton keek met wijd open gesperde oogen naar de strijdenden. + +Het was hem een raadsel, dat Joe zich zoo weerde, en zijn blikken +zochten George Malony, die echter nergens te zien was, ofschoon hij +verzekerd had, dat hij het schouwspel voor geen geld zou willen missen. + +De eerste ronde eindigde onder doodsche stilte. + +Reeds nu heerschte er een hevige spanning onder de toeschouwers. + +De nieuweling bleek een bokser van uitgelezen kwaliteit te zijn, dat +had men nu wel gezien. + +Hij scheen in het minste niet vermoeid, ja haalde zelfs niet vlugger +adem, en wandelde glimlachend naar zijn stoel, die intusschen tusschen +de touwen door in een der hoeken van den ring was geschoven, terwijl de +helpers vlug op het platform waren gewipt. Zij waaiden hem koelte toe, +met hunne badhanddoeken, en bevochtigden zijn gelaat met een in water +en azijn gedrenkte spons. + +Raffles had even zijn plaats verlaten, en wisselde op zachten toon +eenige woorden met zijn beschermeling. + +„Hoe gevoel je je, Joe?” vroeg hij. + +„Uitstekend, Mylord,” antwoordde de jonge man. „Uw middeltje heeft mij +voortreffelijk geholpen, als dat mogelijk was, zou ik zeggen, dat ik +mij nog krachtiger gevoel dan voor dien schurk zijn poeder in mijn thee +deed. Waar is hij nu?” + +„In verzekerde bewaring,” antwoordde Raffles laconiek. „En als ik eerst +eens met Pinkerton gesproken heb, zal hij misschien denzelfden weg +opgaan. De Engelsche wet maakt geen grapjes met zulke dingen.” + +Reeds luidde de gong weder en Raffles nam zijn plaats weder in. + +Vol onrust had Pinkerton het korte gesprek gadegeslagen. Hij begreep er +niets van. + +Had die schurk van een Malony hem voor den gek gehouden, en misschien +wel alles aan Joe medegedeeld? + +Dan zouden de zaken wel eens geheel anders kunnen uitloopen, want Joe +Mascott zag er in het geheel niet uit, als een man, die van plan is +zich te laten kloppen. + +De tweede ronde was nauwelijks een paar seconden oud, of Farrol kreeg +een slag tegen de kin, die hem deed wankelen. + +Hij greep Joe vast, en twee malen moest het bevel „Los!” van den +scheidsrechter klinken. + +Er was een gevaarlijk licht in de oogen van Farrol gekomen, en de +weinige supporters van Joe begrepen dat deze zich in acht zou moeten +nemen. + +Farrol was bijzonder vlug, en juist de eerste ronde zou hij trachten, +zijn tegenstander door een zijner geweldige kaakslagen ten onder te +brengen. + +Dadelijk na het loslaten had Joe moeten duiken, teneinde een dier +ontzettende slagen te ontkomen, en de harde kant van den handschoen +trof hem echter aan den achterkant van het hoofd. + +Een oogenblik later greep hij Jim opnieuw vast om een zwaaienden slag +naar de kin juist bijtijds te ontgaan. + +Jim worstelde om los te komen, en de beide mannen stonden hijgend en +kreunend tegen elkander gedrukt, terwijl de scheidsrechter vruchteloos +pogingen deed hen van elkander te trekken. + +Jim had zijn linkerarm gebogen, en niet zoodra voelde hij de greep van +Joe verzwakken of hij stootte bliksemsnel toe. + +De slag trof Joe onder den kaak, hij duizelde, een tweede, hevige slag, +dien hij slechts ten halve had kunnen ontwijken, velde hem +neer......... + +Een kreet van teleurstelling ging onder de toeschouwers op, zelfs onder +degenen, die op Jim gewed hadden, want onwillekeurig ging de sympatiek +uit naar dien onberispelijk gebouwden, rustigen athleet, die niets in +zich had van wat gemeenlijk den bokser kenmerkt. + +Joe was op het gezicht gerold, en lag stil. + +De scheidsrechter knielde naast hem neder, en hield Jim met den +linkerarm van Joe verwijderd, terwijl hij met den rechter bij iedere +tel door de lucht zwaaide. + +En in de drukkende stilte klonk het een—twee—drie—vier—vijf—zes...... + +Joe deed een poging om zich op een arm op te richten. + +Zeven—acht—negen...... + +Joe lag nu op beide knieën, maar zou hij nog intijds overeind +zijn...... + +Maar voor de tiende seconde kon worden afgeteld, klonk de gong...... + +De ronde was geëindigd, Joe was voorloopig gered. + +Jim uitte een vloek, terwijl de secondanten van Joe kwamen toesnellen, +onder de touwen door doken gewapend met hun handdoeken en emmers, en +hun man zoo snel zij konden naar zijn hoek droegen, waar zij in +koortsachtige haast begonnen zijn beenen te masseeren, zijn maag te +kneden, en een paar flesschen water met azijn boven zijn hoofd leeg te +gieten. + +De rustpoos duurde slechts een enkele minuut—maar in dien korten tijd +hadden Simons en Stevans nieuwe levenskracht in den jongen bokser weten +op te wekken. + +Kalm, bijna hersteld van den vreeselijken slag, trad hij bij het luiden +van de gong naar het midden van het strijdperk en wachtte zijn +tegenstander af, het hoofd tusschen de prachtige schouders weggedoken, +borst en maag dekkend met de gesloten vuisten. + +Jim deed een schijnstoot met de rechterhand en trof Joe met de linker +op de wang. + +De slag zou een niet geoefend man ter aarde hebben geworpen, maar Joe +vertrok geen spier. + +Hij had den slag half ontdoken en trachtte nu zijn tegenstander af te +matten, door hem tot steeds nieuwe, forsche stooten uit te lokken. + +Zijn voeten schoven in geregelden kadans over het linnen, waarmede de +vloer bekleed was en de voetpunten tikten daarbij telkens met een goed +hoorbaren klap op den grond. + +Zoo joeg hij Jim een paar malen langs de touwen tot de gong een einde +aan deze ronde maakte, waarin beide strijders bijna of geen letsel +hadden gekregen. + +De secondanten kwamen opnieuw toesnellen en die van Jim fluisterden hem +iets in, waarop hij grimmig knikte, met de armen wijd uiteen gespreid, +de handen op de koorden rustend, opdat de borst zooveel mogelijk lucht +zou kunnen inademen. + +Nauwelijks had de gong geklonken, of Jim sprong als een tijger op Joe +toe, wiens helpers nog nauwelijks den ring hadden verlaten. + +Hij greep hem vast en snel achtereen liet hij zijn vuisten dalen op het +smalste gedeelte van den rug, ter hoogte van de nieren. + +De slagen waren met hevigheid aangebracht en dadelijk vertoonde zich +een scherp begrensde, vuurroode vlek op de blanke huid van Joe Mascott. + +Deze omvatte de armen van Jim, teneinde te beletten, dat deze hem +nogmaals op die gevaarlijke plek zou kunnen treffen en de +scheidsrechter moest ten slotte een einde maken aan deze „clinching”. + +Als hagel daalde nu de slagen van Jim op hoofd en borst en maag van Joe +neder, die alle moeite had, door snel duiken en afweren, dien regen van +hevige stooten te ontgaan. + +Pinkerton zat stokstijf op zijn stoel en keek met valsch schitterende +oogen naar het schouwspel, waaraan voor hem zooveel afhing. + +Hij kon zich volstrekt niet begrijpen, dat Joe zich zoo uitstekend +verweerde maar wat kwam het er op aan, als Jim de sterkste bleek? + +Maar deze ronde, waarin Jim bijna voortdurend was aangevallen, had hem +blijkbaar vermoeid en zijn secondanten liepen zenuwachtig heen en +weder, met water en in azijn gedrenkte sponsen, terwijl Joe kalm naar +zijn stoel liep en zich rustig liet behandelen, zonder een zweem van +vermoeidheid. + +Toen de gong het begin van de vijfde ronde aankondigde, veranderde Joe +eensklaps van taktiek. + +Hij liet eerst een waren wervelstorm van slagen op zich neerkomen, dien +hij moedig het hoofd bood en greep toen Jim plotseling vast, waarna hij +hem bliksemsnel achtereen drie hevige stooten in de maagholte +toebracht. + +Jim wankelde achteruit en vergat een onderdeel van een seconde, zich te +dekken. + +Dat was voldoende voor Joe. + +Hij draaide vliegensvlug om den tegenstander heen, die slechts +stommelend scheen te volgen en naar adem snakte en trof hem met een +zwaaienden slag tegen de kaak. + +Jim ging tegen den vloer. + +Hij viel als een blok en bleef bewegingloos liggen. + +De scheidsrechter knielde naast hem neder en begon te tellen. + +Reeds waren vijf seconde verloopen. + +„Meetellen, meetellen, Jim!” brulden de supporters van den bokser. + +Maar Jim was niet bij machte, mee te tellen, want hij wist niets meer +van een bokswedstrijd, van Joe Mascott—hij was bewusteloos. + +De tien seconden werden onder doodsche stilte uitgeteld. + +Toen verhief zich een waar gebrul en men bestormde den ring, om Joe in +triomf rond te dragen. + +Pinkerton zat wit van woede op dezelfde plaats. + +Het was zoo snel gegaan, dat hij nog ternauwernood wist, wat er +eigenlijk gebeurd was. + +Toen hij weer eenigszins tot besef van zijn toestand was gekomen, keek +hij in het gelaat van Lord Aberdeen, die op zachten toon tot hem zeide: + +„Ik zou u zeer gaarne op dit oogenblik even gesproken hebben over een +gewichtige zaak, mijnheer Pinkerton! Hebt gij soms een kwartier voor +mij? Mijn auto staat buiten en uw huis is niet ver hier vandaan!” + +Pinkerton keek Raffles een weinig verbaasd en versuft aan en zeide: + +„Als het een zaak van belang betreft, Mylord..... Ik kan mij alleen +niet begrijpen.....” + +„Het zal u spoedig duidelijk worden, als ik u zeg, dat het den +wedstrijd betreft—en wat daaraan is vooraf gegaan!” + +Pinkerton werd zoo mogelijk nog bleeker en stotterde: + +„Ik begrijp u niet, Mylord!” + +„Dan zullen een paar woorden voldoende zijn, om u de zaak uiteen te +zetten,” hernam Raffles kortaf. + +En hij maakte een beweging naar den uitgang, die aan duidelijkheid +niets te wenschen over liet. + +Ondanks zich zelf, stond Pinkerton op en volgde Raffles naar den +uitgang van het Cristal Palace. + +Daar stond de groote blauw gelakte auto van Lord Aberdeen reeds te +wachten. + +Raffles noemde zijn chauffeur het adres van den bankier en daarop +stapten beiden in. + +Onderweg werd geen woord gewisseld. + +Slechts eenmaal had Pinkerton getracht, aan Raffles te vragen, waarover +hij hem wel mocht willen spreken, maar deze had kort geantwoord: + +„Dat kan ik u beter in uw woning zeggen, mijnheer Pinkerton.” + +Nu stond de auto stil en Pinkerton haalde zijn huissleutel te +voorschijn en bracht Raffles naar zijn werkkamer. + +„En nu ben ik toch waarlijk benieuwd naar hetgeen gij mij te zeggen +kunt hebben, Mylord!” kwam Pinkerton met een flauwen grijnslach om zijn +dunne lippen. „Neem plaats wat ik u verzoeken mag.” + +„Dank u. Wat ik te zeggen heb, kan ik ook wel staande doen en mijn tijd +is kort,” kwam Raffles afgemeten. + +Hij keek den bankier even strak aan en begon: + +„Misschien hebt gij wel vernomen, mijnheer Pinkerton, dat ik belang +stel in Joe Mascott. Het spreekt dus ook van zelf, dat deze wedstrijd, +waarvan voor hem zooveel afhing, mij bijzonder aantrok. Nu is Joe +verliefd op een jong meisje, zekere Daisy Chairman, waarop ook gij uwe +blikken schijnt te hebben laten vallen, al is het dan ook op een andere +wijze dan onze jonge vriend, die niets liever wenscht, dan haar tot +zijn vrouw te maken—en dat ook doen zal, als het in zijn macht ligt!” + +Hij zweeg even en vervolgde toen, op den zelfden rustigen toon: + +„Het is mij bekend dat gij een schuldvordering op den ouden Chairman +hebt, mede in den vorm van aandeelen in zijn zaak. Ik stel u voor, de +eene zoowel als de andere van u te koopen!” + +„Te koopen, Mylord?” herhaalde Pinkerton op zoetsappigen toon. „Maar ik +denk er niet aan, mij van die papieren te ontdoen!” + +„Ik begrijp uw beweegredenen zeer goed, mijnheer Pinkerton,” ging +Raffles onverstoorbaar voort. „Gij denkt met die schuldvorderingen den +ouden Chairman in uw macht te hebben—en ook Daisy, zijn dochter! Gij +redeneert—om haar vader van den ondergang te redden, zal zij toegeven. +Maar gij vergeet, dat nu de toekomst van Joe Mascott verzekerd is. Ik +bijvoorbeeld zou ten volle bereid zijn, hem morgen als hij er om +verzocht—en ook al deed hij het niet—desnoods tien duizend pond +sterling op zijn prijzen voor te schieten—en ik weet zeker dat ik het +geld spoedig zou terugkrijgen. Maar daarover spreken wij thans niet. Ik +herhaal alleen mijn verzoek, mij uwe schuldvordering op Chairman te +verkoopen. Uw spel is toch verloren—en gij doet er misschien een +voordeelig zaakje mede. Voordeeliger dan..... dat andere zaakje met het +middeltje, hetwelk George Malony aan Joe heeft moeten toedienen, op uw +bevel!” + +De slag was raak! + +Pinkerton werd grasgroen en moest zich aan de tafel vasthouden. + +„Wat.... wat bedoelt gij, Mylord?” stamelde hij. + +„Kom, laten wij geen comedie spelen, mijnheer Pinkerton!” antwoordde +Raffles ongeduldig. „Ik weet alles, Malony zit al achter slot en +grendel wegens het toebrengen van lichamelijk letsel—en het behoeft Joe +maar een enkel woord te kosten, of hij klaagt u ook aan. En dat woord +kan ik hem laten spreken, bedenkt dat.” + +Hij wachtte even en vervolgde toen glimlachend: + +„Nu—die papieren?” + +Pinkerton schraapte een paar maal zijn keel en zeide toen op heeschen +toon: + +„Als ik u die schuldvordering verkoop, Mylord—kan ik er dan zeker van +zijn dat Joe Mascott geen gevolg geeft aan........ aan die zaak met +Malony?” + +„Daarop geef ik u mijn woord, al hebt gij het zeker niet verdiend!” + +Zonder iets te zeggen, trad Pinkerton snel op zijn bureau toe, ontsloot +het en nam er een pak papieren uit, dat hij aan Raffles ter hand +stelde. + +„Deze bladerde er even in, en zeide toen koeltjes: + +„Ik koop ze voor het nominale bedrag—is dat goed?” + +„Dan lijd ik schade—maar in ’s hemels naam—ik heb de partij verloren,” +zeide Pinkerton met een zuurzoet lachje. + +Raffles schreef snel een cheque en stak die den bankier toe. + +Daarop liet hij de schuldvorderingen in zijn zak verdwijnen, nam zijn +hoed, maakte een stijve en zwijgende buiging voor Pinkerton en verliet +diens huis, om zich haastig naar Chairman te begeven, waar hij een +vroolijke en gelukkige familiegroep bijeen vond, waarvan ook Joe +Mascott deel uitmaakte....... + +Des avonds echter zeide hij droogjes tot Charly, toen de beide vrienden +zich ter ruste zouden begeven: + +„Schrijf dien Pinkerton eens even op ons lijstje, mijn waarde!” + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76765 *** |
