summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76765-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-08-30 07:22:01 -0700
committerpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-08-30 07:22:01 -0700
commitbdc75f4eb33e7eeba6f30ec3cfb8878d05a2c00b (patch)
tree318751e1668e9e821c4f1525dadf329604dbbd92 /76765-0.txt
Update for 76765HEADmain
Diffstat (limited to '76765-0.txt')
-rw-r--r--76765-0.txt2893
1 files changed, 2893 insertions, 0 deletions
diff --git a/76765-0.txt b/76765-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4184260
--- /dev/null
+++ b/76765-0.txt
@@ -0,0 +1,2893 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76765 ***
+
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 333 DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+IN DE BOKSZAAL VAN „BLACK JIMMY”.
+
+
+Het was omstreeks half drie in den middag, toen twee deftig gekleede
+heeren met haastige schreden door de Dickens Street te Londen liepen.
+
+Zij scheelde vrij veel in leeftijd, want de een kon omstreeks 40 jaar
+zijn, tenminste te oordeelen naar zijn haar dat aan de slapen was
+begonnen te grijzen, terwijl zijn metgezel niet veel ouder kon zijn dan
+een jaar of 25, en een vol, blozend jongensgelaat met helder blauwe
+oogen.
+
+Vele Londenaren, vooral onder de armere klasse, kende hen als Lord
+William Aberdeen en zijn secretaris Charly Brand—maar inderdaad was de
+oudere der beide mannen niemand anders dan de lang gezochte
+Gentleman-Inbreker John Raffles alias Lord Edward Lister.
+
+Zij hadden juist eenige boodschappen verricht in deze buurt, zoover
+afgelegen van de Regentstreet, waar zich het prachtige heerenhuis van
+Lord Aberdeen bevond, en zij maakten zulk een haast omdat er een
+regenbui dreigde.
+
+Het was dien geheelen Zaterdag buitengewoon drukkend geweest, en alles
+voorspelde een hevige onweersbui.
+
+En eensklaps, nog voor de beide vrienden een auto hadden kunnen
+aanroepen, begon het zoo vervaarlijk te plasregenen, dat zij, om het
+einde van deze hevige bui af te wachten, haastig een schuilplaats
+zochten in den ingang van een groot huis, waar een portier met de
+handen op den rug heen en weer liep.
+
+Maar het zag er volstrekt niet naar uit, dat de bui voorloopig zou
+bedaren, integendeel, het leek hoe langer hoe erger te worden.
+
+Nu de sluizen des hemels eenmaal geopend waren, kwam het regenwater in
+dikke stralen omlaag gutsen, en in een oogwenk waren de straten geheel
+verlaten.
+
+Onwillekeurig, om zich het wachten een weinig te bekorten, liet Charly
+zijn blikken dwalen over het groote, koperen bord, dat tegen de wanden
+van den ingang was bevestigd, en waarop de namen der firma’s vermeld
+stonden, die op de verschillende verdiepingen van het gebouw hun zaken
+dreven. Eindelijk bleef zijn oog rusten op een dier namen.
+
+Daar stond als huurder van een deel der vierde verdieping vermeld:
+
+„Prof. J. Stanley, Ex-Kampioen van Engeland.”
+
+„Zeker een biljard-matador,” zeide Charly half voor zich heen.
+
+„Wie—Stanley?” vroeg Raffles. „Maar Charly, heeft de regen je hersens
+een weinig verweekt, mijn jongen? Hoe is het—weet je niet eens wie
+Jimmy Stanley, wie „Black Jimmy” is?”
+
+„Mijn hemel, hoe kon ik zoo dom zijn,” riep Charly uit. „De Engelsche
+bokskampioen van 1912, maar wij leven ook zoo snel—ik was het al
+vergeten, zoo, zoo, woont hij nu hier?”
+
+„Dat schijnt zoo, ik denk, dat hij nu anderen inwijdt in de kunst,
+waarin hij zeker gedurende vele jaren zoozeer heeft uitgeblonken.”
+
+Hij wierp een blik naar buiten, overtuigde zich, dat de regen nog
+altijd in den vorm van pijpenstelen omlaag kwam en vervolgde:
+
+„Kom, laten wij maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Er is toch
+geen sprake van verder gaan, en dan verdrijven wij ons tenminste den
+tijd.”
+
+„Een goed plan,” zeide Charly. „Ik ben wel benieuwd, hoe onze Jimmy
+zich als „Professor” houdt.”
+
+De twee vrienden namen in de lift plaats en noemden den liftboy den
+naam van den voormaligen Bokskampioen.
+
+De lift hield stil op de 4de verdieping en de twee vrienden stapten uit
+en moesten nu eenigen tijd rond zoeken, voor zij een deur ontdekt
+hadden, waarop met witte letters de naam en het beroep van Jim Stanley
+geschilderd stond.
+
+Zij klopten aan en de deur werd geopend door wat men met eenigen goeden
+wil een bediende zou kunnen noemen, maar de man zag er tamelijk
+verwilderd uit, zijn haar, nat van het zweet, hing in slierten langs
+zijn wangen, zijn eene oog was half dicht, hij droeg een morsige trui,
+die oorspronkelijk wit was geweest en linnen gymnastiekschoenen, die
+met touwtjes waren vastgebonden.
+
+Zijn linkerhand was in een bokshandschoen gestoken, terwijl hij de
+andere waarvan hij zich waarschijnlijk zooeven ontdaan had om de deur
+te kunnen openen, onder den arm gekneld hield.
+
+De man opende de deur dadelijk bij het zien van de beide chique
+gekleede vreemdelingen, en liet, misschien van vreugde over het
+buitenkansje, in een grijns al zijn tanden zien, niet veel meer
+tusschen haakjes, want de meesten waren hem reeds uitgeslagen, maar met
+het treurige overschot lachte hij dan ook allerbeminnelijkst.
+
+„De heeren komen om den Professor te spreken?” vroeg hij, terwijl hij
+gedienstig een stoel aanschoof, „nog een kwartiertje mijne heeren, dan
+is die satansche schobbej....... ik wil zeggen—na een kwartiertje is
+Professor Stanley gereed.”
+
+Raffles en Charly bevonden zich in een klein vertrek, hetwelk
+waarschijnlijk als wachtkamer bedoeld was, want er stonden een half
+dozijn stoelen, en een klein rond tafeltje, dat bedekt was met
+sportbladen, terwijl er aan de wanden talrijke foto’s van beroemde
+boksers met punaises waren vastgestoken.
+
+Het pronkstuk evenwel was een groote foto in een eikenhouten lijst,
+waarop Black Jimmy stond afgebeeld, naast een ezel, die een groot
+fluweelen schild droeg, waarop de verschillende medailles waren
+bevestigd, die hij in den loop van zijn veelbewogen leven had verdiend.
+
+De heer Jimmy stond daar, alleen gekleed in zijn kort wit boksbroekje,
+en zijn linnen schoenen, in een zelfbewuste houding als van een
+veldheer die een zwaren slag gewonnen heeft.
+
+De man met het half dichtgeslagen oog wilde zich weder verwijderen,
+maar Raffles riep hem terug en zeide:
+
+„Wij zouden gaarne een les van den Professor bijwonen. Daar zullen toch
+geen bezwaren tegen zijn?”
+
+„Volstrekt niet mijne heeren, ik zal U even aandienen. Mag ik uw namen
+weten?”
+
+„O, dat is van later zorg,” antwoordde Raffles kortaf. „Zeg maar—twee
+heeren uit het West End.”
+
+De man met de vuile trui verdween door een andere deur, en keerde een
+oogenblik later terug, met den Professor in hoogst eigen persoon.
+
+Charly keek hem verbaasd aan en vroeg zich af, of dit dezelfde lenige
+goed geproportionneerde bokser kon zijn, die hij nog in 1912 met
+zooveel gemak het Engelsche kampioenschap had zien winnen.
+
+Black Jimmy was een weinig corpulent geworden, en het gitzwarte haar,
+waaraan hij zijn bijnaam had te danken gehad, was alleen nog maar
+terzijde van zijn hoofd en in zijn nek zichtbaar, en niet meer zwart
+maar grijs doorspikkeld.
+
+Zijn kruin echter was zoo kaal en zoo glad als een billardbal.
+
+Een vervaarlijke stoot, opgeloopen in 1914, had zijn neus uit de
+loodlijn geslagen, en aan dit lichaamsdeel een kromming gegeven, welke
+het niet direct ten goede was gekomen uit schoonheidsoogpunt.
+
+Zijn wangen waren slap geworden, en hij zag er uit als een goedige
+jachthond, met zijn lichtblauwe oogen, en zijn laag, gerimpeld
+voorhoofd.
+
+Hij was gekleed in een wit linnen pantalon, linnen schoenen met zoolen
+van touw, en een trui van grijze wol, met opstaanden kraag.
+
+Zijn handen waren in bokshandschoenen gestoken, en Raffles had met een
+kennersoog dadelijk gezien, dat het wedstrijdhandschoenen van 6 ons
+waren.
+
+Black Jimmy ontving de beide deftig gekleede heeren met veel strijkages
+en hield de deur voor hen open die naar het allerheiligste voerde—de
+Gymnastiekzaal.
+
+Raffles en Charly stonden in een ruime zaal, met wit geschuurde planken
+bevloerd, en die zijn licht uit drie groote vensters ontving, welke op
+een ruime binnenplaats uitzagen.
+
+Hier en daar lagen op den vloer matrassen van verschillende dikten.
+
+Maar in het midden was een groot stuk vilt neergelegd, waarover een
+kleed van grauw linnen was bevestigd, dat aan de vier hoeken door
+touwen was uitgespannen.
+
+Deze „ring”, zooals het in de vaktaal heet, was omgeven door een dik
+wit koord, aan vier witte palen bevestigd, die eveneens door touwen in
+den juisten stand werden gehouden.
+
+Ook deze ring had de voorgeschreven afmetingen, zooals die voor iedere
+groote match gelden, namelijk 5 bij 5 meter.
+
+Ter weerzijden van de beide gewitte muren stonden eenvoudige
+schoolbanken voor de toeschouwers en leerlingen bestemd.
+
+Dicht bij een der ramen was in de zoldering een verticale stang
+bevestigd die, omstreeks 2 meter van den vloer, een groote, ronde
+schijf van eikenhout droeg, omstreeks anderhalve meter in doorsnede.
+
+In het midden daarvan was, aan een sterken riem een peervormige, zwarte
+lederen bal opgehangen, en tegen dezen bal was een jonge, magere kerel
+woedend aan het slaan, en telkens als hij den bal niet op de goede
+wijze raakte, trof deze hem van de eikenhouten schijf terugspringend
+midden op den neus of tegen de wang.
+
+Iederen keer dat dit geschiedde—ongeveer 4 van de tien malen—uitte het
+jonge mensch een hartigen vloek en schold zichzelf uit voor alles wat
+leelijk was, waarna hij met vollen moed weder begon.
+
+In een anderen hoek bevond zich een dergelijk werktuig, maar hier was
+de bal bevestigd aan het uiteinde van een sterke, vernikkelde spiraal
+veer, waarvan het andere einde in den vloer was bevestigd en die de
+onhebbelijkheid scheen te hebben, diegeen die er met den vuist tegen
+sloeg op de meest onverwachte oogenblikken tegen de minst verwachte
+plekken van zijn lichaam te raken.
+
+Op een andere plek weer was een gewone aardappelzak opgehangen gevuld
+met nat zand, en tegen dit voorwerp ging een ander jongmensch,
+buitengewoon corpulent, als een razende te keer, terwijl het zweet hem
+in straaltjes langs het gelaat liep.
+
+Nu en dan bewoog de zandzak heel eventjes, en dan liet de jonge man een
+kreet van zegepraal hooren.
+
+In een ander kleiner strijdperk waren twee mannen, tot het middel
+naakt, aan het „sparren”, het boksen voor oefening, met dikke
+handschoenen, waarmede zij elkander geen pijn konden doen.
+
+Op de banken zaten een zevental jonge mannen, allen in trui, en met de
+handschoenen op den schoot, die toekeken en hun voordeel trachtten te
+doen met de opmerkingen, welke de Professor ten beste gaf.
+
+„Black Jimmy” geleidde de beide bezoekers naar een der nog onbezette
+banken, en zeide:
+
+„Doe alsof gij thuis waart, mijne heeren, ik ga nu voort, en gij kunt
+zien, dat ik mijn leerlingen niet laat stilzitten.”
+
+Hij ging nu naar de beide jonge mannen toe, die in het kleine perk
+bezig waren, en schreeuwde met luider stem zijn opmerkingen, opdat de
+toekijkende leerlingen hem goed zouden hooren.
+
+„Vlugger duiken, Jack! Je hebt op die manier den slag beet, voor je
+weet waar hij vandaan komt, dek je, Tom, maar voor den duivel—dek je
+dan, denk je, dat je tegenpartij met je vecht om je te masseeren? Die
+hook was goed. Niet op het achterhoofd slaan—gentleman blijven, Jack!
+Voor zoo’n slag zou de referee je uit den ring hebben gestuurd. Zeg
+Tom, sinds wanneer raak je de lui onder den gordel. Als je het in de
+ribben zoekt, sla hem dan liever dadelijk een blauw eksteroog!”
+
+De Professor scheen deze aardigheid zelf zoo goed geslaagd te vinden,
+dat hij in een bulderend gelach uitbarstte.
+
+En daarop vervolgde hij:
+
+„Je voetenwerk is nog niet veel zaaks, Jack! Meer tippelen, man, meer
+tippelen. Ik zal je straks nog een kwartiertje touwtje laten springen,
+hoor boy! Pang! Die uppercut zat! Kijk, Tom zwaait. En ik zie rood.
+Nou, dat hindert niet—aan bloed zullen jullie nog moeten wennen. Hallo
+daar. Niet vastgrijpen! Los! Los, zeg ik! Wil je wel loslaten, Jack?”
+
+In het vuur van den strijd scheen Jack niet naar het bevel te
+luisteren.
+
+Vlugger dan men van hem verwacht zou hebben, was Stanley over het koord
+gewipt en nu gaf hij den ongehoorzamen leerling een slag tegen de
+borst, die hem achteruit deed tuimelen, zoodat alleen de touwen hem
+voor een val behoeden.
+
+„Dat zal je leeren, man! Je komt hier om te boksen, niet om te
+worstelen. Ik heb vijftien jaar tusschen de touwen gestaan, mijnheer—en
+ik heb nog nooit mijn man vastgegrepen, mijnheer. Alles met de vuisten
+mijnheer! En nu ingerukt. Ga je gezicht wasschen Tom. Je neus bloedt,
+vadertje.”
+
+Inderdaad was de neus van Tom deerlijk geraakt, ondanks de dikke
+handschoenen en hij haastte zich naar het waschvertrek, om zich te
+verkleeden, en zijn neus te betten, die vervaarlijk was opgezwollen.
+
+Intusschen was de professor op den jongen man toegetreden, die met den
+oefenbal doende was.
+
+Hij keek met de handen in de zijde gesteund even toe, en viel toen uit:
+
+„Ziet U niet, dat die bal kwaad op u is, mijnheer Drebble? Sla terug,
+anders mept hij u nog knocked out!”
+
+Hij zette zijn rondgang voort en bereikte nu den corpulenten heer, die
+den zandzak bewerkte.
+
+Stanley grijnsde vriendelijk, en klopte den dikzak op den schouder.
+
+„Well, mijnheer Bristol—kriebelt u dien zandzak een beetje? Aardige
+tijdpasseering. Pas op of u zult hem nog aan het lachen maken. Kom,
+voor den duivel mijnheer—sla er op! Wees niet bang, dat u eelt op uw
+handen krijgt! Dat is juist goed! Zoo mijnheer—zóó!”
+
+En Stanley trad op den zandzak toe, en gaf er met de bloote hand een
+slag tegen, die den zak geheel uit de loodlijn sloeg.
+
+Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat de professor dan wellicht
+in de ring niet meer de oude mocht zijn, maar dat hij nog altijd een
+geweldige kracht in armen en handen had.
+
+Nu klapte Stanley in de groote handen, en riep met een stentorstem:
+
+„Allen op uw plaatsen, mijne heeren! De vergevorderden zijn nu aan de
+beurt.”
+
+Dadelijk gehoorzaamden de leerlingen het bevel en lieten ring, bal,
+zandzak, en halters in den steek, om op de banken plaats te nemen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+JOE MASCOTT.
+
+
+De deur in een der korte wanden van de oefenzaal ging open, en er
+verschenen vier jonge mannen, allen in witte pantalons en hoog in den
+hals gesloten, wit wollen truien gekleed.
+
+„Bill Stevens tegen George Malony!” schreeuwde de professor.
+
+Dadelijk kropen de twee opgeroepenen onder de touwen door, stelden zich
+in positie en begonnen te sparren, maar het was dadelijk te zien, dat
+deze mannen het reeds ver in de edele kunst der zelfverdediging hadden
+gebracht, zooals de Britten het boksen noemen.
+
+Zij droegen tamelijk lichte handschoenen, en de slagen hadden een
+helder kletsend geluid, als zij neerkwamen op nek en borst.
+
+Er werd gebokst, als gold het een geregelde wedstrijd, in ronden van
+twee minuten elk en de knecht, dien Raffles en Charly zooeven reeds in
+functie van portier gezien hadden, trad nu op als helper van een der
+strijdenden, terwijl Stanley met handdoeken en water druk in de weer
+was, om den ander af te koelen, na iedere ronde.
+
+Het bleek al spoedig, dat Bill Stevens verre de meerdere was van zijn
+tegenstander.
+
+In de vierde ronde was deze reeds tamelijk vermoeid en ontweek traag de
+slagen, die op hem neder regenden.
+
+In de zesde ronde liet Stanley hem ophouden.
+
+Hij wendde zich tot Malony en zeide op strengen toon:
+
+„Je hebt weer te veel gegeten, George—en je bemoeit je nog te veel met
+de vrouwtjes. Als je ooit een prijsbokser wilt worden, dan zal dat
+moeten veranderen—anders doe je beter, moeite te doen voor een baantje
+als kinderjuffrouw.”
+
+Malony trok een nijdig gezicht en bromde iets tusschen de tanden,
+waarop hij zijn handschoenen uittrok en den ring verliet, om zich in
+het waschhok te gaan afspoelen.
+
+„Joe Mascott tegen Mac O’Neill!” brulde Stanley opnieuw.
+
+De twee jongelieden traden in den ring en Stanley, met het horloge in
+de hand, gaf het teeken.
+
+De boksers vielen op elkander aan.
+
+En aanstonds was de belangstelling van Charly en Raffles gewekt.
+
+Want daar waren twee meesters in de kunst met elkander handgemeen
+geworden, dat was op het eerste gezicht te zien.
+
+Zij brachten hun stooten bliksemsnel toe en ontweken elkander met
+onbegrijpelijke snelheid.
+
+Maar voor kenners als Raffles en Charly kon er niet aan getwijfeld
+worden, of Joe Mascott was de meerdere.
+
+Hij viel vliegensvlug uit en scheen zich toch niets te overhaasten,
+maar zijn stooten degelijk te overdenken.
+
+Zijn beenwerk was onberispelijk en soms leek het, of hij op drie
+plaatsen tegelijk was.
+
+In de derde ronde raakte Mac O’Neill hem vlak op de kaak.
+
+Mascott wankelde slechts even, maar geen spier op zijn gelaat bewoog
+ofschoon de hevige slag een minder getraind man zeker bewusteloos zou
+hebben gemaakt.
+
+In de vierde ronde moest hij nog twee krachtige slagen in ontvangst
+nemen van zijn tegenstander, die iets meer scheen te wegen en ook
+eenige centimeters grooter was.
+
+Maar hij glimlachte slechts flauwtjes en Stanley schreeuwde opgetogen:
+
+„Kijk mij dien kerel eens! Zou men niet zeggen, dat O’Neill hem onder
+de kin streelt?”
+
+De vijfde en de zesde ronde waren zeer beslist voor Mascott, die zijn
+tegenstander drie malen hard tegen den kin trof.
+
+Hij scheen nog volstrekt niet vermoeid te zijn, maar Mac O’Neill
+steunde en blies als een stoommachine en had na iedere ronde zijn
+minuut rust hard noodig.
+
+De zesde ronde bracht in de eerste seconde eenig voordeel voor Mac
+O’Neill en hij raakte Joe in de nierstreek, zoodat deze even wankelde.
+
+Maar hij herstelde zich dadelijk weder en trof den ander onder het oor.
+
+„Joe is van hout, bij Jove!” schreeuwde de professor vol geestdrift.
+„Daar zit een prijswinner in! Ik zeg.......”
+
+Niemand vernam dien dag, wat Stanley had willen zeggen, want Joe was
+eensklaps uitgevallen, onder den gestrekten arm van Mac O’Neill door en
+het volgend oogenblik lag deze op den vloer uitgestrekt, trok nog even
+met de beenen en lag stil.
+
+Het was zoo vlug gegaan, dat Stanley zelfs vergat te tellen en
+stokstijf met het horloge in de hand naar het beweginglooze lichaam
+bleef kijken.
+
+Toen nam Charly zijn taak maar over en telde luid:
+
+„Een—twee—drie—vier—vijf—zes— —”
+
+Bij de zevende tel deed Mac O’Neill een krampachtige beweging om op te
+staan.
+
+„Acht—negen—tien!”
+
+De tien seconden waren verloopen, en Mac O’Neill had zich nog niet
+kunnen oprichten.
+
+Stanley vloog op Joe toe, en schreeuwde:
+
+„Als je zoo doorgaat—voorspel ik je een groote toekomst, Joe! Jij bent
+de trots van mijn instituut! Tien minuten wachten en dan de twee
+winnende tegen elkaar!”
+
+De twee boksers verdwenen in hun kleedkamertjes en de leerlingen
+begonnen weer aan hun oefeningen.
+
+Raffles trad op Stanley toe en zeide op zachten toon iets tegen hem.
+
+De ex-kampioen knikte levendig, liep naar een der deuren en schreeuwde
+naar binnen:
+
+„In wedstrijdcostuum, heeren, op vereerend verzoek van onzen gast!”
+
+De tien minuten waren juist verloopen, toen de deur weder openging en
+de twee boksers, Joe Mascott en Bill Stevans, binnen traden.
+
+Zij droegen thans niets anders dan een kort broekje van wit linnen en
+linnen laarzen.
+
+Zoo betraden zij het strijdperk.
+
+Stanley regelde zijn stopwatch en riep:
+
+„Vooruit!”
+
+De strijd nam een aanvang.
+
+Raffles hield strak het oog op Joe gevestigd.
+
+Hij was zelf een uitstekend bokser, en hij kende de werking der spieren
+als weinig anderen.
+
+En wat hij daar voor zich zag was eenvoudig volmaakt.
+
+Nog nimmer had hij een man gezien, zoo bij uitstek geschikt voor de
+beoefening van de bokskunst.
+
+Joe Mascott kon omstreeks 73 tot 75 kilo wegen.
+
+Zijn ledematen waren voortreffelijk geproportioneerd, geen millimeter
+te lang of te kort.
+
+De armen, waarvan het vel van louter gezondheid glansde als zijde,
+hadden die lange spieren welke den goeden bokser kenmerken.
+
+De borst was breed en licht gewelfd, de hals rond en gespierd, de
+schouders waren klassiek gevormd en helden een weinig af, eveneens een
+kenmerk van den bokser zooals hij zijn moet.
+
+De beenen hadden een onberispelijken vorm, met lange, langzaam naar de
+knie smaller wordende dijen, gespierde kuiten en een hooge wreef.
+
+Op den rug, blank als die eener vrouw, lagen de spieren vlak onder de
+huid, en zij werkten bij iedere beweging, welke de jonge man maakte.
+
+Joe Mascott had in het geheel niet het typische boksergezicht, het lage
+voorhoofd, de diepliggende oogen en de dikke wenkbrauwen, die als
+luifels de oogen beschermen.
+
+Integendeel—hij had een fijn, regelmatig gevormd gelaat, bijna
+meisjesachtig, en waarin groote, lichtgrijze oogen schitterden.
+
+Zooals hij daar stond, bijna naakt, was hij een toonbeeld van
+gezondheid en lenige kracht, waardig om als model voor een beeldhouwer
+te dienen.
+
+Reeds waren er eenige slagen gevallen, die luid op de naakte huid
+kletsten.
+
+De beide boksers droegen handschoenen van slechts drie ons en de slagen
+kwamen dus duchtig aan.
+
+De taktiek van Bill Stevans kwam dadelijk aan het licht.
+
+Hij wist, dat zijn tegenstander van buitengewone taaiheid was en het
+daarom op den duur zou moeten winnen—tenminste als hij hem niet binnen
+vier ronden had neergeslagen.
+
+Hij viel daarom aanstonds woedend aan en trachtte Joe telkens den
+gevaarlijken kaakslag toe te brengen, die, goed aankomend, meestal
+degeen, die hem ontvangt, den vloer doet meten.
+
+Maar Joe scheen dien toeleg te hebben doorzien en hij bepaalde er zich
+aanvankelijk toe, de snelle slagen van zijn tegenstander te ontwijken,
+door zeer snel te duiken, of een paar passen terug te springen.
+
+De ronde van twee minuten waren reeds verstreken en reeds begon Stevans
+kenteekenen van vermoeidheid te geven, terwijl Joe zoo frisch was,
+alsof hij zooeven uit zijn kleedkamer was gekomen.
+
+Stanley schreeuwde in de tusschenpoozen zijn raadgevingen onpartijdig
+tot de beide boksers, terwijl hij druk doende was met handdoeken en
+water, met azijn aangelengd.
+
+En in de vierde ronde werd Stevans uitgeslagen...
+
+Het geschiedde reeds na de eerste verkenningen.
+
+Stevans was op Joe toe gesprongen, en het scheen, of zijn vuist den
+jongen man juist tegen de punt van de kin zou treffen.
+
+Maar op het allerlaatste oogenblik weerde Joe den zwaren slag met de
+rechterhand af, en het volgend oogenblik zat zijn linkervuist op de
+kaak van den tegenstander, die als een blok neerviel, om en om rolde,
+en toen bleef liggen half onder de touwen.
+
+Stanley telde hem uit, zonder dat hij zich verroerde.
+
+Toen trad Joe op den verslagen tegenstander toe, en rolde hem om,
+zoodat hij hem in het gelaat kon zien.
+
+„Ik heb hem toch niet te erg geraakt, mijnheer?” vroeg hij op zachten
+toon aan Stanley, die zich reeds met iemand anders bezig hield.
+
+„Welneen,” riep de professor luidruchtig. „Hij kan wel tegen een
+stootje. Kijk maar, hij komt al weer boven water.”
+
+Stevans had zich inderdaad half opgericht, en keek verward om zich
+heen.
+
+Toen herkende hij het gelaat van Joe, en stak hem glimlachend de hand
+toe.
+
+„Je hebt mij geklopt, Joe—en eerlijk,” zeide hij nog wat zwak. „Man, we
+zullen nader van je hooren.”
+
+„Zou je denken, George?” vroeg Joe gretig, terwijl zijn oogen begonnen
+te schitteren.
+
+„Wel, ik ben er even zeker van, als dat ik nog nooit te voren klop heb
+gehad van een leerling van Stanley—en ook niet van den baas zelf.”
+
+Hij krabbelde overeind, waarbij Joe hem hielp, en strompelde naar het
+waschhok, om zich daar door een koude douche weder te herstellen van de
+inspanning.
+
+Joe, die een handdoek om zijn hals had geslagen, wilde zich eveneens
+verwijderen, toen hij een hand op zijn schouders voelde.
+
+Raffles stond voor hem en keek hem vol belangstelling aan.
+
+„Ik wilde u even zeggen, dat ik groote bewondering koester voor uw
+wijze van boksen, mijnheer Mascott,” zeide hij. „Ik mag zeggen dat ik
+er verstand van heb.”
+
+„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijnheer,” zeide
+Joe, terwijl hij bloosde van genoegen bij het hooren van die lofspraak.
+
+Raffles liet zijn stem nu tot een zacht gefluister dalen en voegde er
+aan toe:
+
+„Alleen zou ik U den raad willen geven—tenminste als het u ernst is, om
+ooit iets te beteekenen tusschen de witte touwen—om u van een anderen,
+beteren leermeester te voorzien. Ik wil niets afdingen op de
+hoedanigheden van Stanley als bokser—maar als coach deugt hij niet. Er
+is veel meer uit u te halen, neem dat van mij aan, mijn waarde Joe.
+Wanneer gij U onder de leiding stelt van een eerste rangs trainer, dan
+voorspel ik u een schitterende toekomst—tenminste wanneer het u ernst
+is met de bokskunst.”
+
+Raffles haalde zijn opschrijfboekje te voorschijn, scheurde er een der
+geperforeerde bladzijden uit, schreef er een paar woorden op, stak het
+den jongen athleet toe, terwijl hij zeide:
+
+„Dat is het adres van een voortreffelijken bokser die tevens een
+uitstekend leermeester en trainer is. Laat Stanley schieten, die nog
+van de oude school is, en op een ouderwetsche wijze les geeft, terwijl
+hij zich volstrekt niet schijnt te bekommeren om de algemeene
+ontwikkeling van zijn leerlingen.”
+
+Raffles legde de hand op den bovenarm van Joe Mascott, en vervolgde:
+
+„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat zal zij ook
+nooit worden, als gij hier blijft door gaan. Die spier moet in het
+bijzonder behandeld worden—evenals eenige spieren van buik en rug,
+welke gij nog niet geheel en al in uw macht hebt. Maar zijn ook die
+goed geoefend, dan wil ik er wat onder verwedden, dat gij binnen een
+paar maanden in staat zult zijn, Bombardier Wells, Johnson, ja zelfs
+Carpentier te kloppen.”
+
+Mascott vatte de hand van Raffles, en zijn oogen schitterden toen hij
+op gedempten toon zeide:
+
+„Gelooft gij dat werkelijk, mijnheer? O, het is sedert eenigen tijd
+mijn ideaal om mij in een openbaren wedstrijd met de beste Engelsche en
+Amerikaansche boksers te meten—maar over George Carpentier, den
+Franschen Kampioen, heb ik nimmer durven denken.”
+
+„Als gij u ijverig blijft oefenen en niet in deze omgeving blijft, dan
+zou het mij niets verwonderen, als gij binnen enkele maanden in staat
+zoudt zijn, den jongen Franschman te ontmoeten. Maar zeg mij eens—wat
+zijt gij eigenlijk van uw beroep?”
+
+„Bankbeambte, mijnheer!”
+
+„Dan hebt gij zeker niet veel tijd om u te oefenen?”
+
+„Alleen des Zaterdagsmiddags, Zondags en enkele avonden van de week als
+ik geen boeken bijhoud voor kleine neringdoenden.”
+
+„Wilt gij mij uw adres niet opgeven? Ik stel zeer veel belang in uw
+vorderingen en ik zou gaarne wat naders van u vernemen.”
+
+„Ik woon met mijn moeder en mijn zuster in de Black Friar street 37,
+mijnheer,” antwoordde de jeugdige bokser.
+
+„Nu dan hoop ik je nog wel eens terug te zien,” zeide Raffles
+vriendelijk. „Uw beenwerk is onberispelijk—daaraan behoeft gij niets
+meer te doen, behalve misschien nu en dan eens een honderd ellen zoo
+snel mogelijk loopen. Als gij uw rug- en armspieren alles laat doen wat
+zij vermogen, dan slaat gij alle personen die gij hier in de zaal
+gezien hebt, in de eerste helft van de eerste ronde tegen den grond.”
+
+„Ik dank u hartelijk voor uw goeden raad, mijnheer, en ik zal niet
+nalaten hem op te volgen. Alleen.......”
+
+Hij voltooide den zin niet, maar aarzelde en trok bedremmeld den
+handdoek over zijn schouders heen en weer.
+
+„Ik geloof, dat ik weet wat je zeggen wilt,” zei Raffles glimlachend.
+„De voorwaarden van den man wiens naam op dit papiertje staat zijn zeer
+schappelijk; wat zij steeds zijn, als hij ziet, dat hij met een
+buitenklassigen bokser te doen heeft.”
+
+Op dit oogenblik kwam Stanley op het drietal toe en om den voormaligen
+kampioen niet te kwetsen, werd het gesprek beëindigd en verdween Joe
+Mascott in de badkamer om zich met een koude douche te verfrisschen.
+
+Raffles en Charly spraken nog eenigen tijd met den professor en daarop
+namen zij afscheid, met de belofte, dat zij nog wel eens terug zouden
+komen.
+
+Toen de beide vrienden op straat kwamen was de bui geheel overgedreven
+en de zon scheen opnieuw aan den hemel van het zuiverste blauw.
+
+De twee mannen besloten naar huis te loopen en dadelijk begon Raffles:
+
+„Wel, wat zeg jij van Joe Mascott?”
+
+„Ik geloof ook, dat hij groote capaciteiten heeft, die thans nog
+sluimeren,” antwoordde Charly. „Hij is gebouwd als een athleet uit het
+oude Griekenland, hij heeft een verbazend groot uithoudingsvermogen en
+hij schijnt ook goed tegen harde slagen bestand te zijn.”
+
+„Hij is gemaakt van hout, waaruit men de beroemdheden snijdt, mijn
+waarde,” riep Raffles uit. „Ik heb nog nimmer zulk een bliksemsnelle
+actie gezien en nog nooit zag ik een bokser, die zoo voortreffelijk
+zijn voeten weet te gebruiken. Als die jongen van den aanvang al zich
+onder de leiding had gesteld van een 1ste rang’s trainer, dan zou hij
+nu reeds de meest bekende Engelsche en ook buitenlandsche boksers
+kunnen staan.”
+
+„Naar wien heb je hem heengezonden?”
+
+„Naar Fred Simons. Hij is naar je je wel zult herinneren, eenige jaren
+geleden Kampioen van Australië geweest en hij behoorde zeker tot de
+beste boksers van zijn klasse. Maar als trainer en opleider van
+boksers, zoekt hij vruchteloos zijn weerga! Hij ziet met een oogwenk,
+waar de zwakke punten van zijn leerlingen zijn, en hij weet de
+middelen, en hij past ze ook toe, om die te verbeteren. Als hij Joe
+Mascott een paar maanden onder handen heeft gehad, dan zal die jonge
+man eenvoudig niet te kloppen zijn in ons land!”
+
+De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over de zaak door, totdat
+zij het fraaie heerenhuis in de Regentstreet binnentraden, hetwelk
+Raffles bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE NIEUWE MEESTER.
+
+
+Er was omstreeks een week voorbij gegaan, sedert het bezoek aan de
+oefenzaal van Black Jimmy en eigenlijk had Charly het geheele voorval
+reeds bijna vergeten, want hij had het juist in dien tijd bijzonder
+druk met het regelen van sommige geldelijke zaken, waarbij Lord
+Aberdeen de eene partij en een half dozijn ziekenhuizen en instellingen
+van liefdadigheid de andere partij was.
+
+Maar Raffles had Joe Mascott niet uit zijn gedachten laten gaan en hij
+besloot eens bij Fred Simons aan te loopen, teneinde te vernemen, of de
+naam van den jongen bankklerk soms onder zijn nieuwe leerlingen
+voorkwam.
+
+Simons had een groote inrichting in de Queen Annastreet en hij had
+onder zijn leerlingen zeer veel jongelui van geld en zelfs van adel,
+die zich aan zijn hoede hadden toevertrouwd met het oog op de
+aanstaande Olympische spelen, waaraan zij hoopten deel te nemen.
+
+Daaronder waren roeiers, zoowel als balwerpers, voetballers zoo goed
+als boksers, worstelaars, en ook hardloopers.
+
+Want voor Fred Simons scheen het menschelijk lichaam geen geheimen te
+hebben en hij kende op een haar iedere functie van de geringste spier,
+hij scheen te kunnen raden, welk voedsel voor zijn „Boys” het best
+geschikt was op een zeker tijdstip, hoeveel uren zij moesten trainen en
+van welken aard de training moest zijn.
+
+Hij had hiermede reeds zooveel geld verdiend, dat hij eigenlijk zijn
+schaapjes reeds op het droge had en desnoods van zijn rente had kunnen
+leven.
+
+Maar daaraan dacht de voormalige Australische kampioen niet, want hij
+had een waren hartstocht voor zijn beroep en hij hoopte er nog lange
+jaren mee voort te gaan.
+
+Zijn „Instituut voor Physische therapie”, zooals hij het wel wat
+weidsch noemde, bestond uit een zestal zalen, waarvan er een
+uitsluitend aan de bokskunst gewijd was, die uit den aard der zaak bij
+Simons de eerste plaats bekleedde.
+
+Voorts was er een turnzaal, een zaal voor heilgymnastiek, een zaal voor
+waterbehandeling, met een zeer groot zwembassin, waar men ook Turksche
+baden kon gebruiken en voorts nog een zaal waar geschermd kon worden,
+terwijl er tenslotte een vertrek was, waar men zijn beurt kon
+afwachten—en dat zag er heel wat beter uit dan het kale wachtkamertje
+van zijn voormaligen collega, Black Jimmy.
+
+Er stonden een paar dozijn gemakkelijke stoelen en op een paar zware
+ebbenhouten tafels lag een groot aantal tijdschriften op allerlei
+sportgebied.
+
+Fred Simons was ook niet goedkoop—en daar kwam hij rond voor uit.
+
+Maar het was evenzeer bekend, ofschoon de brave kerel er zelf geen
+ophef van maakte, dat hij een oogje dichtkneep als zich iemand bij hem
+kwam vervoegen, die het blijkbaar niet al te breed had, maar wiens
+geheele lichaamsbouw hem als het ware voorbestemde, om bij ernstige
+oefening in deze of gene tak van sport uit te blinken.
+
+Zoo had hij op het oogenblik onder zijn leerlingen een hardlooper,
+waarvan hij de grootste verwachtingen koesterde en een balwerper
+waarvan hij zelf verzekerde, dat hij binnenkort alle bestaande
+wereldrecords met glans zou slaan.
+
+Naar dezen man nu begaf Raffles zich, tamelijk vroeg in den morgen,
+terwijl hij Charly bij zijn boeken en registers achterliet.
+
+De Gentleman-Inbreker was zelf geruimen tijd een der ijverigste
+leerlingen van Fred Simons geweest en hij bezocht hem ook nu nog
+geregeld om een paar partijen met den ex-kampioen te boksen, die nog
+altijd ondanks zijn veertig jaren over een uitmuntende techniek en
+groote kracht bleek te beschikken.
+
+Raffles werd ontvangen door den neger-portier, die hem aanstonds
+herkende en al zijn blinkend witte tanden vertoonde en naar Simons
+geleid, die natuurlijk ook al „Professor” was.
+
+De voormalige kampioen had een zwak voor zijn lordschap en hij ontving
+hem dan ook dadelijk, ofschoon er eigenlijk eenige leerlingen wachtten.
+
+„Het doet mij genoegen u weer te zien, Mylord!” riep Simons uit,
+terwijl hij Raffles zijn groote, verbazend harde hand toestak, zorg
+dragende, dat hij niet al te sterk kneep, want hij wist maar al te
+goed, dat zijn handdruk een zeer pijnlijke gewaarwording opleverde voor
+dengeen die er mede begroet werd.
+
+Hij had zijn bezoeker ontvangen in de groote bokszaal, een ruim,
+luchtig vertrek op de bovenste verdieping van het huis en dat zijn
+licht ontving door 5 groote ramen in den achtermuur en tevens door een
+zeer groote lantaarn in de zoldering aangebracht en die door middel van
+een gordijn tegen de al te felle zonnestralen kon worden beschermd.
+
+Raffles antwoordde:
+
+„Ik voel dat een weinig beweging mij goed zal doen, mijn waarde
+Professor, hebt ge een kwartiertje voor mij?”
+
+„Voor U altijd, Mylord,” antwoordde Simons. „Uw costuum hangt op de
+bekende plaats. Gij hebt het maar aan te trekken.”
+
+Raffles knikte den professor toe en begaf zich naar een der kleedkamers
+waar zijn trui en zijn witte pantalon gereed lagen, keurig opgevouwen
+door de zorg van de twee bedienden, die Simons er op na hield.
+
+Hij ontdeed zich snel van zijn bovenkleederen, trok de linnen
+pantoffels aan en stak zich in het sportcostuum.
+
+Toen hij in de zaal terug kwam, stond Simons hem reeds op te wachten
+met de bokshandschoenen in de hand.
+
+Raffles trok ze aan en de partij begon.
+
+Na iedere drie minuten werd even opgehouden en Simons maakte van de
+tusschenpoozen gebruik om Raffles te verzekeren, dat hij nog niets van
+zijn vlugheid, zijn scherp oog en zijn kracht verloren had.
+
+Toen het kwartier verstreken was, riep de voormalige kampioen uit:
+
+„Ik blijf er bij, dat het zonde is, dat gij nooit in een openbaren
+wedstrijd zijt opgetreden, Mylord. Het mag dan niet met uw stand
+strooken, maar gij zoudt menig beroepsbokser een lesje kunnen geven.”
+
+„Later misschien wel eens, mijn waarde Simons,” zeide Raffles lachend,
+„en vertel mij nu eens hoe het met de leerlingen staat, hebt gij er nog
+een bijgekregen sedert ik u voor de laatste maal zag?”
+
+„Een zestal, Mylord. Vijf daarvan hebben eigenlijk niet veel om het
+lijf en tusschen ons gezegd en gezwegen, zou ik hen niet hebben
+aangenomen, als zij niet zoo bar rijk waren geweest—de oorlog, begrijpt
+gij!—en mij een handvol geld betaalden. Maar de zesde...........”
+
+Simons voltooide den zin niet, maar kuste met opgetrokken wenkbrauwen
+de toppen van wijs- en middelvinger van zijn rechterhand en liet een
+langgerekt: „umm” hooren.
+
+En toen bastte hij uit:
+
+„Mylord, daar komt mij drie dagen geleden een jonge kerel bij mij, die
+mij vertelde dat hij bankklerk is en gestudeerd heeft—dat noemen zij
+studeeren!—bij Jimmy Stanley, maar dat hij zich nu in ernst op zijn
+training wil toeleggen en daarom mijn condities wilde weten. Ik bekijk
+den jongen zoo eens van top tot teen, ik zeg tegen hem, dat hij zijn
+vodden en todden maar eens moet uittrekken en Mylord—ik krijg daar een
+athletenfiguur te zien—een beeldhouwer zou het niet mooier kunnen
+maken, op mijn woord. Ik zag natuurlijk dadelijk, dat Stanley zijn geld
+van dien jongen had opgestreken, zonder er iets voor uit te voeren,
+want er waren spieren van bovenarm en rug, zoogoed als niet geoefend en
+ook met de buikspieren was het niet allemaal in orde. Ik zeg zoo tegen
+hem: Kom jij maar bij mij, vriend en laat dien kwakzalver, dien
+marktschreeuwer maar waaien. Ik maak een bokser van je, of ik geef mijn
+titel als Kampioen cadeau!”
+
+„Welzoo!” riep Raffles uit, die groote belangstelling veinsde, al
+begreep hij natuurlijk dadelijk, dat dit niemand anders geweest kon
+zijn dan Joe Mascott. „Maar ik wist niet, dat een bankbeambte zich die
+weelde kon veroorloven, mijn waarde Simons! Want gij zijt een
+voortreffelijk trainer, en ik weet niet wat men goedkoop noemt.”
+
+„Maar Mylord!” riep de bokser op verontwaardigden toon. „Denkt gij dat
+ik dien jongen het vel over de ooren zal halen? Ik heb het schappelijk
+met hem gemaakt—hij betaalt mij 5 shilling per les—in plaats een pond!
+En ik heb hem gezegd, dat ik hem binnen twee maanden klaar zal hebben
+gekregen om tegen wien ook te vechten!”
+
+Raffles glimlachte—men kon wel zien, dat Simons niet zeer goed op de
+hoogte was van de salarissen van bankklerken, al nam hij niet meer dan
+twee lessen in de week, dan zou het hem toch nog altijd 10 shilling
+zijn—en het was zeer de vraag of hij die wel kon missen, daar het
+immers zeer wel mogelijk was, dat hij van zijn schamel loon ook nog
+zijn moeder en zuster moest onderhouden.
+
+Hij klopte echter den ex-kampioen op den schouder en zeide:
+
+„Dat is kranig van u, mijn waarde Simons. Kan ik dat wonder niet eens
+zien; gij weet hoeveel belang ik stel in aankomende boksers, vooral
+wanneer gij zegt dat zij iets te beteekenen hebben.”
+
+„Welzeker Mylord, met genoegen! Die jongen, Joe Mascott heet hij,
+vertelde mij dat een rijk heer, die zijn naam niet had genoemd hem mijn
+adres had opgegeven en ik vraag mij af wie dat wel geweest kan zijn.”
+
+„Vraag niet langer, waarde Simons—die rijke mijnheer was ik!”
+antwoordde Raffles glimlachend.
+
+„Gij Mylord?” riep de Australische kampioen verbaasd uit. „Neem mij
+niet kwalijk dat had ik dadelijk moeten begrijpen. Maar hoe kwaamt gij
+in ’s Hemelsnaam bij dien schreeuwer van een Stanley verzeild?”
+
+„Louter toeval, ik liep er zoo maar eens binnen en zag Mascott werken!
+Ik bemerkte aanstonds, dat er wat in hem school, maar dat Stanley niet
+de man was om het er uit te halen, daarom zond ik hem naar u toe! Ik
+wilde daar eerst niet verder over spreken, maar nu de jonge man mij al
+half verklapt heeft, zal ik maar open kaart met U spelen. Ik stel veel
+belang in Mascott, maar voorloopig behoeft hij mijn naam nog niet te
+weten. Misschien zal hij er wel naar vragen maar dan ontwijkt gij die
+vraag maar. Gij denkt dus werkelijk, dat er wat in hem schuilt?”
+
+„Ik ben er van overtuigd, Mylord. Over drie weken is er hier te Londen
+een wedstrijd om een beurs van 500 pond! Daaraan mogen alleen Engelsche
+boksers deelnemen. Welnu ik maak mij sterk dat ik hem binnen drie weken
+zoover heb, dat hij een gooi naar die 500 pond kan doen. De
+inschrijving is over een week gesloten. En als mijn man bij dien
+wedstrijd wint—dan kan hij al dadelijk zooveel engagementen krijgen als
+hij maar verkiest. Ik heb hem eens laten sparren met een van mijn beste
+lui en ofschoon er met dikke handschoenen gevochten werd, lag de man
+binnen tien tellen tegen de vlakte. Nooit zoo iets gezien, Mylord!”
+
+„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Simons,”
+zeide Raffles glimlachend. „Het blijft dus afgesproken—gij noemt
+voorloopig mijn naam niet. En nog iets—ik betaal u een pond voor iedere
+les, welke hij neemt—op voorwaarde dat gij hem niets in rekening
+brengt. Gij hebt u werkelijk zeer liberaal jegens hem getoond en dat
+stel ik op hoogen prijs—maar gij weet niets van de salarissen, welke de
+bankklerken verdienen, 5 shilling is voor hem nog een zeer groote
+opoffering.”
+
+„Wel Mylord, dat heb ik niet geweten,” stamelde Simons. „Ik weet ook
+niet of ik uw aanbod mag aannemen.”
+
+„Doe het maar wel,” hernam Raffles glimlachend, „en besteedt al uw
+zorgen aan den jongen man. Als hij later veel prijzen verdient en het
+in zijn hoofd krijgt U alle lessen te betalen, dan kunt gij mij het
+geld, als het uw eer te na is, mijnentwege ook terug geven, is het zoo
+goed?”
+
+„Mylord, gij zijt een man naar mijn hart. Een echte sportman,” riep
+Simons vol geestdrift uit en het had weinig gescheeld, of hij had zijn
+adellijken leerling een harden klap op den schouder gegeven.
+
+Maar Raffles was al bij de deur van zijn kleedkamer, en riep van daar:
+
+„Wanneer komt Mascott hier weder oefenen?”
+
+„Vanmiddag om drie uur, Mylord.”
+
+„Nu, als ik tijd heb, kom ik bepaald even kijken,” kwam Raffles en
+daarop trad hij het vertrekje binnen, om zich weder te verkleeden.
+
+Toen hij weder in de bokszaal trad, was Simons daar reeds bezig met een
+paar zijner leerlingen.
+
+Raffles knikte hem in het voorbijgaan nog even toe en daarop verliet
+hij het groote gebouw.
+
+Hij zorgde dien middag echter weder om 3 uur in de wachtkamer te zijn
+en daar vernam hij van den negerbediende, dat Joe Mascott zooeven
+gekomen was en zich reeds verkleedde.
+
+Raffles wandelde naar de zaal, waar een tiental jonge lieden bijeen
+waren en werd daar verwelkomd door Simons die vroolijk uitriep:
+
+„Blij dat gij uw woord hebt gehouden, Mylord!”
+
+Hij nam hem terzijde en vervolgde op gedempten toon:
+
+„Ik heb hem gezegd, dat hij niets voor de lessen behoefde te betalen,
+tot hij zijn eersten wedstrijd gewonnen zou hebben. Gij hadt zijn
+gezicht eens moeten zien. Ik geloof waarachtig, dat hij bijna ging
+huilen. Maar hij wilde volstrekt alles terugbetalen, wanneer hij met
+zijn boksen geld verdiend zou hebben.”
+
+„Daar heb ik hem al voor aangezien.”
+
+„Maar ik geloof, tusschen ons Mylord, dat hij vermoedt, dat ik het niet
+uit mij zelf doe en dat zijn onbekende beschermer er achter moet
+zitten, want hij vroeg nogmaals naar Uw naam.”
+
+„Wat heb je toen gezegd?”
+
+„Ik heb gezegd, dat hij praatjes verkocht en dat hij hier kwam om te
+boksen!”
+
+„Een voortreffelijk antwoord, Simons,” zei Raffles glimlachend.
+
+De professor moest zich nu weer aan een zijner leerlingen wijden en
+eenige minuten later trad Mascott in trui en witte pantalon binnen.
+
+Raffles had zich zooveel mogelijk achteraf gehouden en in een klein
+zijvertrek plaats genomen, vanwaar hij de oefenzaal geheel kon
+overzien.
+
+Het bleek, dat zijn beschermeling met zijn leermeester zou boksen—want
+reeds nu was er niemand onder de leerlingen, waardig om zijn
+tegenstander te zijn.
+
+Wij zeiden reeds, dat Raffles verstand had van de zaak waarom het ging
+en hij zag spoedig, dat de voormalige kampioen alle moeite van de
+wereld had, om de bliksemsnelle slagen van Joe Mascott te ontwijken, en
+nu en dan op zijn beurt een vinnigen uitval te doen, dien de jonge man
+echter steeds bij tijds wist te ontwijken.
+
+Er werd een ronde gebokst met middelsoort handschoenen en een der meest
+gevorderde leerlingen ging den wedstrijd met den chronometer in de hand
+na.
+
+In de derde ronde ging Mascott voor twee seconden tegen den vloer, door
+een hook tegen de kaak getroffen, maar hij was dadelijk weer op de
+been, wankelde slechts even, maar had onmiddellijk kracht genoeg om de
+snelle uitvallen van Simons af te wijzen.
+
+In de vierde ronde werd de professor tot tweemaal toe neergeslagen, den
+tweeden keer voor acht seconden en hij werd toen slechts gered door het
+klinken van het fluitje van den scheidsrechter.
+
+Maar in de 7de ronde was het met Simons gedaan—een krachtige slag tegen
+de kin deed hem tegen de touwen tuimelen, waarlangs hij op den vloer
+gleed om daar bewegingloos te blijven liggen.
+
+Hij werd uitgeteld, en toen kwamen de twee helpers toesnellen met
+water, sponzen en azijn en binnen enkele minuten was Simons weer de
+oude.
+
+Hij kwam overeind, zocht met den blik zijn nieuwen leerling, ging met
+de vuisten in de zijde voor hem staan, bekeek hem van top tot teen, en
+vroeg meesmuilend:
+
+„Ik zou voor den duivel wel eens willen weten, jongeman, wat je bij mij
+eigenlijk nog komt leeren? Het boksen ken je—en met mij behoef je zeker
+niet meer te vechten, dan alleen voor oefening. Wij zullen maar liever
+geen wedstrijdhandschoenen meer gebruiken—ik heb mijn tanden te lief!
+En ga nu maar eens mee, naar de massagezaal, dan zullen wij die
+spiertjes eens onder handen nemen.”
+
+Hij had Joe Mascott bij den arm genomen en voerde hem met zich mee,
+maar de weg ging langs het kleine zijvertrek en voor Raffles zich had
+kunnen verwijderen had de jonge man hem herkend, en hij was snel op hem
+toegetreden.
+
+Hij had zich onder het loopen reeds van zijn handschoenen ontdaan en
+stak Raffles met een trouwhartig gebaar de hand toe.
+
+„Ik krijg den indruk mijnheer, dat gij u voor mij wilt verbergen, om u
+zoodoende te onttrekken aan mijn dankbetuigingen. Ik ben nu eenige
+malen bij Fred Simons geweest, en ik zie zelf wel het verbazende
+verschil met dien braven Stanley. Als ik het tot iets breng, dan zal ik
+het aan u te danken hebben, want ik begrijp het maar al te goed,
+mijnheer, dat gij het zijt geweest, die bewerkt heeft dat Simons mij
+gratis les geeft. Hij kan zoo slecht huichelen, die beste man, en ik
+heb alles doorzien. Waarom wilt gij mij toch beletten U mijn
+dankbaarheid te betuigen.”
+
+„Gij kunt dat niet beter doen, mijn waarde vriend, dan volstrekt niet
+meer over dit bagatel te spreken,” zeide Raffles.
+
+„Maar noem mij dan toch Uw naam mijnheer? Wanneer gij niet wilt, dat ik
+dien van anderen tracht te vernemen,” hernam Joe op dringenden toon.
+„Ik zou U zoo gaarne bewijzen, dat gij niet met een ondankbare te doen
+hebt.”
+
+Nog scheen Raffles te aarzelen maar toen zeide hij:
+
+„Ik ben Lord William Aberdeen—maar werkelijk—mijn naam doet er immers
+niets toe. Ik geloof, dat gij het waard zijt om geholpen te worden—en
+ik stelde aanstonds veel belang in u.”
+
+„Mylord, als ik later prijzen win—en dat hoop ik innig, niet voor mij
+zelven maar voor degene die mij lief zijn en die thans in benarde
+omstandigheden leven, dan zult gij mij moeten toestaan, dit alles weder
+met u te vereffenen.”
+
+„Als gij dat volstrekt doen wilt—ga dan uw gang, maar beloof mij nu
+slechts, dat gij uw best zult doen en vertel mij dan eens iets uit uw
+leven.”
+
+„Ik verlang niets liever, mijnheer,” riep Mascott uit. „Als gij soms
+eenige minuten tijd hebt, het masseeren duurt niet lang.”
+
+„Dan wacht ik op u in de wachtkamer.”
+
+Raffles knikte hem toe, ging naar Simons, die op eenigen afstand was
+blijven wachten en zeide in het voorbijgaan glimlachend:
+
+„Ik heb mijn incognito maar opgeheven, mijn goede Simons.”
+
+„Opgeheven? Wat hebt gij opgeheven?” vroeg de ex-kampioen verwonderd,
+die in zijn tijd een groot bokser was, maar het in vreemde woorden niet
+ver had gebracht. „Wat is dat nu weer voor een nieuwigheid?”
+
+„Ik bedoel, ik heb mij bekend gemaakt. In ’t kort—ik heb mijn naam
+genoemd.”
+
+„Dat is beter, Mylord,” riep Simons uit en hij ging zijn nieuwen
+leerling achterna, die reeds naar de massagezaal gegaan was.
+
+Na ongeveer twintig minuten wachtens trad Mascott de wachtkamer binnen
+en zeide:
+
+„Nu ben ik tot uw dienst, Mylord!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+MEDEMINNAARS.
+
+
+Raffles stond op en zeide:
+
+„Als gij het goed vindt, zullen wij liever de buitenlucht opzoeken.”
+
+„Zooals gij wilt, Mylord!”
+
+De twee mannen verlieten het huis en liepen op straat eenigen tijd
+zwijgend voort.
+
+Toen begon Joe eensklaps:
+
+„Mylord, gij hebt door uwe vriendelijke bemiddeling meer gedaan, dan
+eenvoudig een jongen man, die hiertoe toevallig de hoedanigheden heeft,
+maar niet het geld, in de gelegenheid stellen, zich verder te bekwamen.
+Ik wil U zeggen, wat de zaak is—gij hebt daar nu recht op. Ik heb op de
+wereld niemand anders dan mijn lieve moeder en mijn zuster, die
+nauwelijks twintig jaar is. Mijn vader is in den strijd in Frankrijk
+gevallen—ik zelf heb ook nog een half jaar onder de wapens gestaan en
+deel uitgemaakt van het bezettingsleger in Duitschland. Wij hadden het
+vrij goed voor den oorlog, maar tengevolge van dien vreeselijken krijg
+hebben wij alles verloren—en met mijn vaders dood kwam de ontbering
+onze woning binnen! Gij kunt u niet voorstellen, wat ik daaronder
+geleden heb! Ik aanbid mijn moeder en ik zou niets liever willen dan
+haar in weelde te laten leven. Maar hoe kan ik dat, met mijn onnoozel
+salaris? Wij hebben nu juist genoeg, om niet van honger om te komen!”
+
+„Aan welke bank zijt gij dan?” vroeg Raffles vol belangstelling.
+
+„Bij Arthur Pinkerton, in de Sloan Street.”
+
+„Nooit van gehoord! Zeker geen groote bank?”
+
+„Neen, er is niet veel personeel, Mylord. Maar Pinkerton verdient toch
+veel geld.”
+
+„Ik wil niet onbescheiden zijn, en gij behoeft mij volstrekt niet op
+mijn vraag te antwoorden—hoeveel betaalt hij U?”
+
+„Drie pond in de week, Mylord.”
+
+„Wat?” riep Raffles ongeloovig. „Betaalt men dat loon voor een week
+werkens op een bank? Maar dat is een hongerloon!”
+
+Een bitter glimlachje gleed over het krachtige gelaat van den jongen
+man. „Het was juist genoeg, om niet van honger te sterven—maar lang
+niet voldoende om mijn lieve moeder slechts een gedeelte te kunnen
+geven van die kleine dingen die het leven voor oude menschen vooral
+veraangenamen. Wij wonen in een armoedige buurt, en wij moeten ons met
+veel, ja met alles behelpen. En daaronder heb ik zwaar geleden—want
+mijn goede vader had mijn moeder verwend—hij had haar afgodisch lief!”
+
+„Ik kan het mij voorstellen,” zeide Raffles zacht.
+
+„Natuurlijk heb ik alles aangepakt, om er wat bij te verdienen. Ik
+hield hier en daar de boeken bij, copieerde stukken, schreef rollen uit
+voor tooneelgezelschappen en zoo meer. Maar al werkte ik nog zoo
+hard—het was en bleef schipperen, tot ik, half en half bij toeval, mijn
+aanleg voor het boksen ontdekte. Ik had in de goede dagen van weleer
+veel voor die sport gevoeld, en er als amateur een weinig aan gedaan.
+Een half jaar geleden ongeveer zag ik op straat, hoe een zwaar gebouwde
+kerel een kleinen hond, die hij aan een touw vast had, meedoogenloos
+afroste, zoodat het arme dier van pijn kermde. Ik kwam tusschen beide,
+maar een oud vrouwtje, dat naar het scheen den dierenbeul kende,
+waarschuwde mij dat ik maar liever niets moest zeggen—de kerel was
+bokser. Maar ik was zoo woedend, dat ik mij niet had laten weerhouden,
+al was de schobbejak nog eens zoo groot en zwaar geweest.”
+
+„Dat was flink van je, Joe,” zeide Raffles.
+
+„Ik beval den man, dadelijk met slaan op te houden. Hij keek mij eens
+aan, met zijn valsche oogen, liet den hond los, balde zijn vuisten, en
+viel op mij aan. Een paar seconden later had ik hem neer geslagen.”
+
+„Goed zoo,” riep Raffles uit. „En dat heeft u toen op het denkbeeld
+gebracht, uw vlugheid en moed in geldswaarde om te zetten.”
+
+„Zoo is het, Mylord. Ik besteedde mijn weinige spaarpenningen, om de
+eerste lessen bij Stanley te kunnen betalen, en ik had het al spoedig
+tot vrij groote hoogte gebracht. Toen kwam gij, en gij hebt mij pas het
+ware vertrouwen in mijn kracht en vaardigheid gegeven. Ik weet niet hoe
+ik u daar voor danken moet.”
+
+„Heel eenvoudig—door er nooit meer over te spreken,” zeide Raffles. „Ik
+deed het als sportman, die vooral veel belang stelt in aankomende
+Boksers.”
+
+Op dit oogenblik liepen de beide mannen langs een grooten
+bloemenwinkel, in een der voornaamste straten.
+
+Voor de deur stond een groote, donkerrood gelakte limousine stil.
+
+Joe Mascott stond eensklaps stil en liet zijn blikken van de auto naar
+de winkeldeur dwalen.
+
+Met verbazing zag Raffles, dat er een diepe rimpel tusschen de fraai
+geteekende wenkbrauwen van den jongen man was gekomen.
+
+Nu ging de winkeldeur open en een groom liet diepbuigend een heer uit,
+die een grooten, in vloeipapier gewikkelden ruiker in de hand hield.
+
+Hij stapte op de auto toe, zonder rechts of links te zien.
+
+Wanneer hij dat wel gedaan had, dan zou hij gezien hebben, hoe Joe
+Mascott hem met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten stond aan te
+staren, onbewegelijk en alsof hij uit brons was gegoten.
+
+Het volgend oogenblik was de auto weggereden.
+
+Raffles keek Joe verwonderd aan, die nog op dezelfde plek stond en
+vergeten scheen te zijn, waar hij zich bevond.
+
+Toen zuchtte hij diep en wreef zich met de vlakke hand over het
+voorhoofd.
+
+„Neem mij niet kwalijk, Mylord!” zeide hij verward. „Dat was—die man
+was mijn patroon—Arthur Pinkerton.”
+
+„En schrikt gij dan zoo van dien werkgever?” vroeg Raffles gekscherend.
+
+„Hij kocht bloemen.......” stotterde Joe.
+
+„Ja, dat schijnt zoo. Dat is toch zeker niet verboden?” hernam Raffles,
+die er nog niet veel van begreep.
+
+„Neen—gij hebt gelijk...... ik stel mij dwaas aan, dat weet ik,” ging
+Joe haastig voort. „Let er maar niet op, wat ik u verzoeken mag, het
+heeft niets te beteekenen.”
+
+Raffles nam den jongen man, die snel voortliep, van terzijde eens
+scherp op.
+
+Hij was zeer bleek geworden en de gezonde kleur was voor een oogenblik
+van zijn gelaat geweken.
+
+Hij oogde de roode auto na, zoo lang hij het voertuig met een blik kon
+volgen en scheen geheel vergeten te zijn, dat er iemand naast hem liep.
+
+Maar Raffles had dadelijk begrepen, dat er tusschen den bankier en zijn
+klerk iets moest bestaan, voor beiden van onaangenamen aard, daarop
+wees de geheele houding van Joe Mascott.
+
+Geruimen tijd liepen de twee mannen naast elkander voort en toen begon
+Raffles:
+
+„Luister eens, mijn waarde Joe. Ik denk er niet aan, mij met uw
+particuliere aangelegenheden te bemoeien, maar dit moet mij toch van
+het hart—als gij werkelijk een kans wilt hebben op de match om de beurs
+van 500 pond, dan zult gij u alle muizenissen uit het hoofd moeten
+zetten. Er is niets, wat zoo verslappend werkt, als geheim verdriet,
+een niet beantwoorde liefde, een stille wrok—alle sterke
+gemoedsaandoeningen zijn uit den booze. De beste trainer is niet
+bestand tegen een ziek hart, bedenk dat goed!”
+
+„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Mylord—maar ik kan er niets aan doen—ik
+verzet er mij vruchteloos tegen! Kom, gij hebt u een warm vriend van
+mij betoond en ik behoef er volstrekt geen geheim van te maken—ik heb
+een meisje lief—en mijn patroon is een medeminnaar! Gij ziet, het is
+zeer eenvoudig. Maar voor mij beteekent haar liefde het leven—haar te
+moeten missen, zou de dood zijn.”
+
+Joe had dit laatste op zulk een smartelijken toon gezegd, dat Raffles
+geen oogenblik kon twijfelen aan de diepte en de oprechtheid zijner
+gevoelens.
+
+Hij begreep nu veel, zoo niet alles!
+
+Pinkerton was veel ouder dan Joe—maar hij was schatrijk—hij kon het
+meisje bloemen geven, iederen dag, zooveel zij er slechts verlangde—Joe
+kon haar ternauwernood des Zondags een kleinen ruiker bij een
+straatventer koopen.
+
+Hij nam Joe onder den arm en vroeg op warmen toon:
+
+„Gelooft gij, dat het meisje aan dien man den voorkeur zal geven,
+alleen omdat hij rijk is—neem dan mijn welgemeenden raad aan en laat
+haar loopen, want dan is zij de liefde van een eerlijk man niet waard!”
+
+„Ik weet zeker, dat zij dat niet doet, Mylord!” riep Joe vol vuur uit.
+„Als het alleen van haar afhing, zou alles goed zijn—wij zijn beiden
+jong en kunnen wachten. Maar zoo eenvoudig is de zaak helaas niet. Haar
+vader is handelaar. Hij heeft onlangs zijn zaken een weinig
+uitgebreid—en daarvoor geld geleend—juist van dien Pinkerton. Met den
+vrede gingen zijn zaken achteruit, want hij moest als zooveel anderen
+zijn winst maken tijdens en van den oorlog. Hij stond en staat dus nog
+in schuld bij Pinkerton—en die zou zeker wel een mouw aan de zaak
+passen—als Daisy naar hem wilde luisteren!”
+
+„Heeft hij dat aan haar vader gezegd?”
+
+„Neen, dat niet, hij zeide het alleen maar aan haar!”
+
+„Dan heeft de kerel ook geen eerlijke bedoelingen met haar!” zeide
+Raffles op vasten toon.
+
+„Dat heb ik immers al dadelijk wel vermoed, Mylord!” hernam Joe op
+smartelijken toon. „Hij heeft haar duidelijk te verstaan gegeven, dat
+het slechts van haar afhing, of haar vader failliet zou gaan of niet.
+De oude man echter denkt in zijn onnoozelheid, dat Pinkerton
+trouwplannen jegens zijn dochter koestert en hij dringt er voortdurend
+bij haar op aan, hem toch het jawoord te geven, omdat hij hoopt,
+daardoor niet alleen van zijn schuld af te komen, maar ook een nieuwe
+leening bij zijn schoonzoon te kunnen sluiten!”
+
+„Ja, dan verkeert zij in een treurigen toestand,” mompelde Raffles.
+„Veronderstel eens, dat haar vader morgen dat bedrag, zou kunnen
+terugbetalen—zou dan alles in orde zijn?”
+
+„Ik vrees van niet, Mylord!” antwoordde Joe treurig. „Pinkerton heeft
+voor een groot bedrag aan aandeelen in de zaak van den ouden
+Chairman—zoo heet de vader van Daisy—en die zal hij zoo spoedig niet
+verkoopen, aan wien dan ook, uit vrees, dat hij zoodoende een scherp
+wapen uit handen geeft. En dan—mijn kansen bij Chairman staan al heel
+laag,” voegde de jonge man er met een bitteren glimlach aan toe. „Hij
+noemt mij een armen kerkrat en hij maakt natuurlijk vergelijkingen
+tusschen den patroon en den klerk.”
+
+„Hoe oud is die Pinkerton?”
+
+„Een jaar of vijf en veertig.”
+
+„En Daisy—uw klein vriendinnetje?”
+
+„Negentien.”
+
+„Nu, dan kan ik u maar een raad geven, mijn waarde Joe, denk in den
+eersten tijd niet al te zeer over deze zaak en wijdt u liever uit alle
+macht aan uw taak, het winnen van den wedstrijd om de beurs. Als gij
+dien match maar eenmaal gewonnen hebt, dan zullen u de aanbiedingen
+dadelijk in den schoot vallen. Binnen een jaar kunt gij Kampioen van
+Engeland zijn, als gij het slechts ernstig wilt.”
+
+„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” riep Joe met schitterende oogen
+uit.
+
+„Ik ben er zeker van.”
+
+„O, dan beloof ik u, dat ik al mijn vermogens zal aanwenden, om dien
+wedstrijd te winnen. Dan zet ik al het andere zoo lang uit mijn hoofd,
+dan mag er in mijn hersens alleen maar plaats zijn voor de gedachte aan
+den wedstrijd.”
+
+„Zoo mag ik het hooren!” hernam Raffles, terwijl hij de hand van den
+jongen man krachtig drukte. „Gij hebt uw lot in uw eigen hand. Als gij
+den match wint, dan zal de oude Chairman zich nog wel eens bedenken en
+als hij dan soms nog koppig wil blijven, dan zal ik eens een hartig
+woordje met hem spreken.”
+
+„Ik dank U Mylord,” zeide Joe, die het hoofd snel afwendde, want hij
+gevoelde dat er tranen naar zijn oogen welden. „En ik zweer u, dat ik
+uw edelmoedigheid niet zal beschamen.”
+
+„Daar zouden wij niet over praten,” hernam Raffles, terwijl hij
+dreigend den vinger ophief. „Oefen je slechts goed, laat alles verder
+aan Simons over en je kunt over een paar weken winnen. Ik moet nu
+afscheid van je nemen, mijn waarde Joe, want zaken van belang vragen
+mijn aandacht. Maar ik verlies je niet uit het oog, dat verzeker ik je.
+Ik zal vriend Simons zeggen, dat hij zijn bijzondere zorg aan je moet
+besteden, daar ik er bepaald op gesteld ben, dat je de beurs wint.
+Overmorgen kom ik je een bezoek brengen—als je het goed vindt.”
+
+„Maar Mylord!” riep Joe uit, blozend van trots en genoegen. „Wij zullen
+Uw bezoek allen zeer op prijs stellen. Na half zes vindt gij mij steeds
+thuis en ik lunch ook altijd thuis, want onze woning is niet ver van de
+Sloans Street verwijderd.”
+
+„Dat blijft afgesproken. Hard werken en U voorloopig met niets anders
+bemoeien dan met uw bokshandschoenen!”
+
+Nogmaals drukte Raffles den jongen man de hand en daarop verwijderde
+hij zich, terwijl Joe met haastige schreden den weg naar zijn woning
+insloeg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+LISTEN EN LAGEN.
+
+
+Er waren twee weken verloopen sinds dat gesprek en Joe had zich stipt
+aan zijn belofte gehouden en zijn gevoelens van jaloezie onderdrukt, om
+alleen aan den komende wedstrijd te denken.
+
+Het was omstreeks twee uur in den middag, toen voor een huis in de
+Bishop Street een roodgelakte auto stilhield, waaruit Arthur Pinkerton
+stapte.
+
+Hij was al weder voorzien van een grooten ruiker en had blijkbaar veel
+zorg aan zijn uiterlijk besteed.
+
+Zijn zwart geverfde snor glom van de cosmetiek, zijn zijden das was met
+den uitersten zorg gestrikt en zijn handen staken in grijze
+glacéhandschoenen.
+
+De deur werd geopend door een oude dienstbode, die reeds vele jaren in
+betrekking was van den ouden Chairman en sedert den dood van diens
+vrouw bijna als een familielid werd beschouwd.
+
+Zij scheen den bezoeker reeds te kennen en niet al te zeer met hem
+ingenomen te zijn, want zij haalde zeer merkbaar haar neus op, toen zij
+den reusachtigen ruiker en daarachter het dikke, ongezond bleeke gelaat
+van den Heer Pinkerton zag en scheen zelfs een oogenblik groote neiging
+te gevoelen, de deur voor zijn neus dicht te werpen.
+
+„Is mijnheer Chairman thuis?” vroeg de bezoeker.
+
+„Ja mijnheer,” antwoordde de oude getrouwe.
+
+„En juffrouw Daisy?”
+
+„Die is ook thuis—en daar zal zij spijt genoeg van hebben, het arme
+kind,” voegde zij er half binnensmonds aan toe.
+
+„Ga dan mijn bezoek aankondigen,” beval Pinkerton. „Breng mij maar
+eerst naar mijnheer Chairman.”
+
+De oude meid ging hem brommend voor, een trap op, een gang door tot
+voor een breede deur, die toegang bleek te geven tot een vrij ruime
+werkkamer, met een reusachtig, ouderwetsch bureau tusschen de beide
+vensters.
+
+Voor dat bureau zat Chairman, een kleine onaanzienlijke figuur, zooals
+hij daarin zijn versleten huisjasje in den grooten leuningstoel zat,
+met een kalotje op het spaarzame haar.
+
+Hij keek den bezoeker een weinig schuw aan en stond toen op, teneinde
+hem te verwelkomen.
+
+„Neem plaats, mijn waarde heer Pinkerton,” zeide hij op zachten, wat
+heeschen toon, terwijl hij een stoel bijschoof.
+
+„Ik zal maar even van uw kostbaren tijd misbruik maken, waarde
+Chairman,” zeide Pinkerton, met onverholen spot en minachting in zijn
+stem. „Gij weet welken datum wij hebben vandaag?”
+
+Chairman wierp een blik op den scheurkalender, die aan den wand hing,
+ofschoon hij maar al te goed wist welke datum het was en antwoordde
+toen:
+
+„Natuurlijk, het is de eerste!”
+
+„Mooi, en denkt gij mij nu te kunnen betalen?”
+
+„De zaak is..... het zal heden moeilijk gaan!” hakkelde Chairman.
+
+„Even moeilijk als verleden maand en de maand daarvoor en zoo
+vervolgens!” kwam Pinkerton verachtelijk. „Ik zal U eens wat zeggen,
+mijn waarde Chairman! Ik kom langzamerhand tot de ontdekking dat ik
+hier voor den gek word gehouden en dat zal ik niet dulden—verstaat gij?
+Dat zal ik stellig niet dulden!”
+
+„Maar daar denk ik werkelijk niet aan, mijnheer Pinkerton,” riep de
+oude man op jammerenden toon. „Ik ben er van overtuigd, dat over een
+jaar alles weder met mijn zaken in orde zal zijn—kunt gij niet tot dien
+tijd geduld hebben?”
+
+„Nog een jaar? Waarom niet liever tien?” riep Pinkerton schamper uit.
+„Ik begin mijn geduld te verliezen, moet gij weten. En ik zou U raden,
+binnen zeer korten tijd naar middelen om te zien, om mij te voldoen.”
+
+„Dat beloof ik u, dat beloof ik u vast, mijn waarde heer Pinkerton!”
+zeide Chairman verheugd, dat hij er weder voor dit keer af was.
+
+Pinkerton was reeds weder opgestaan en vervolgde nu, schijnbaar
+onverschillig:
+
+„Is uw dochter thuis?”
+
+„Zeker, en het zal haar zeker aangenaam zijn, u te ontmoeten,” haastte
+de oude man te antwoorden. „Ik zal haar even laten roepen.”
+
+„Doe geen moeite. Ik wilde haar juist wel even onder vier oogen
+spreken!” kwam Pinkerton. „Zij is zeker in haar eigen kamertje?”
+
+„Dat denk ik wel,” antwoordde Chairman, die den schrik van zooeven
+reeds geheel te boven scheen te zijn en handenwrijvend voor zijn
+schuldeischer stond.
+
+„Nu, dan verlaat ik u—en zorg, dat ik de kleur van uw geld spoedig zie,
+of er gebeuren dingen, waarvan ik de verantwoording niet zal dragen,
+maar gij en gij alleen!”
+
+En met deze woorden verliet hij het vertrek en liet den ouden
+karakterloozen vader alleen.
+
+Hij liep de gang door, maar had nog geen vijf passen gedaan, of hij
+struikelde over een voorwerp, dat hem gevoelig tegen de scheen raakte.
+
+Tegelijkertijd werd zijn voet doornat en een luid rinkelend geluid liet
+zich hooren, dat zich scheen te verwijderen.
+
+„Wel, voor den duivel!” barstte Pinkerton woedend uit. „Wie zet er nu
+in die donkere gang een volle emmer neer!”
+
+„Dat doet iedere vrouw, die de trappen gaat doen,” klonk het vinnige
+antwoord uit de duisternis. „Wij zijn hier niet ingericht op bezoeken
+in den middag—dat is de zaak.”
+
+„Jij bent een brutale feeks!” gromde Pinkerton, die de oude dienstmaagd
+herkend had, die met opgeschorte rokken, een bezem en een dweil in de
+hand, aan het einde van de gang stond. „Maak eens licht—ik geloof, dat
+ik mijn enkel aan het bloeden heb gestooten.”
+
+„Dat zou erg jammer zijn,” kwam een stem uit de duisternis.
+
+En daarop werd het licht, daar de oude meid den schakelaar had
+omgedraaid en Pinkerton kon zich overtuigen van de aangerichte schade.
+
+Het onderste gedeelte van zijn pantalon was kletsnat en bij het
+opstrooken van dit kleedingstuk en het zich daaronder bevindende, kwam
+aan den dag, dat de scheen wel niet bloedde, maar toch deerlijk
+geschramd was en blauwe plekken vertoonde.
+
+„Ik zal je dat betaald zetten, oude heks,” bromde Pinkerton, terwijl
+hij de vrouw de dweil uit de hand rukte en daarmede het ondergedeelte
+van zijn pantalon begon droog te wrijven, ganschelijk vergetend, dat
+zijn vingers in fijne handschoenen gestoken waren.
+
+Toen hij hiermede gereed was, greep hij den ruiker, die eveneens
+tamelijk ernstig had geleden en ging op de deur toe, die zich aan het
+einde van de gang bevond.
+
+Juist werd deze geopend en een fijn meisjeskopje verscheen om den hoek,
+met prachtige blauwe oogen en een mondje als een rozenknop.
+
+Het was Daisy Chairman.
+
+„Wat is daar toch aan de hand, Mary?” vroeg zij, maar in haar mooie
+oogen schitterde een ondeugend licht, „gooi je daar de emmer van de
+trap?”
+
+„Vraag excuus, juffer Daisy. Dat doe ik niet—dat doet die mooie
+mijnheer—hij denkt zeker, dat het hier een paardenspel is.”
+
+Pinkerton wierp de oude dienstbode een giftigen blik toe en wendde zich
+toen zoetsappig tot het meisje met de opmerking:
+
+„Ik vrees, dat mijn persoon niet al te zeer in den smaak valt van Uwe
+gedienstige, Miss Daisy. Naar het mij toeschijnt, heeft zij het op mijn
+beenen voorzien. Zoudt gij niet zoo goed willen zijn, mij aan de woede
+dezer furie te willen ontrukken?”
+
+„Mary een furie?” riep Daisy lachend uit. „Zij is de goedheid in
+persoon! Maar ik wil u wel redden—ga maar mede naar mijn vader.”
+
+„Pardon Miss Daisy, ik kom juist van hem vandaan en vroeg hem verlof,
+eenige woorden met u te mogen wisselen!”
+
+Het gelaat van het meisje betrok en zij maakte een beweging van
+ongeduld.
+
+Mary bromde zeer duidelijk hoorbaar, terwijl zij haar bezem stevig
+vastgreep, als om er een vijand mede te lijf te gaan.
+
+„De oude man wordt kindsch. Hoe komt men er bij, jong aan oud te willen
+koppelen!”
+
+Daisy had de deur van haar kamer reeds geopend en zeide onwillig:
+
+„Kom binnen, mijnheer Pinkerton, maar ik waarschuw u dat ik niet veel
+tijd heb.”
+
+„O, wat ik U te zeggen heb, is in enkele woorden mede te deelen, Miss!”
+
+Het meisje liet den onwelkomen bezoeker binnengaan en sloot de deur.
+
+Pinkerton keek haar even met zijn gluiperige oogen aan en stak toen de
+hand vooruit, waarin hij den ruiker geklemd hield.
+
+„Sta mij om te beginnen, toe, U deze bloemen te overhandigen, Miss,”
+begon hij. „Mogen zij een bewijs zijn van mijn teedere gevoelens jegens
+U!”
+
+Het meisje had den boeket aangenomen, en dien met een onverschillig
+gebaar op de tafel geworpen, zonder iets te zeggen.
+
+Zij wees haar bezoeker een stoel en nam zelf plaats.
+
+Pinkerton was blijkbaar eenigszins van zijn stuk gebracht door het
+stilzwijgen van het jonge meisje en hernam haperend:
+
+„Gij hebt natuurlijk wel begrepen, wat mij tot U voert, Miss Daisy. Gij
+kent de gevoelens, welke ik jegens u koester. Mij dunkt dat ik nu lang
+genoeg gewacht heb—ik wensch thans uw antwoord kort en bondig te
+vernemen!”
+
+„Kort en bondig?” herhaalde Daisy, terwijl zij den bezoeker strak
+aankeek. „Wel, gij zult op uw wenken bediend worden. Ik zeg neen!”
+
+„Wat! Gij slaat mijn liefde van de hand? Gij weigert, mijn verlangens
+in te willigen?”
+
+„Ja, mijnheer Pinkerton, dat weiger ik. Ik weet wat het is, wat gij
+liefde noemt. En ik wil mij niet laten behandelen als een stuk
+speelgoed, dat men wegwerpt als men er genoeg van heeft.”
+
+Pinkerton beet zich op de lippen.
+
+Hij begreep, dat hij een anderen weg moest inslaan.
+
+Als het niet met zachtheid ging dan maar met geweld.
+
+Hij stond dus op, en zeide op gedempten toon, waarin echter duidelijk
+een bedreiging was te hooren:
+
+„Ik ben er zeker van, Miss Daisy, dat gij u nog wel eens zult bedenken,
+het kan u niet onbekend zijn, dat het lot van uw vader zich in mijn
+handen bevindt, hebt gij daar wel eens over nagedacht.”
+
+„God alleen weet, hoe veel slapelooze nachten mij dat gekost heeft,”
+riep het meisje op hartstochtelijken toon uit.
+
+„O, nu, als gij het weet, waarom blijft gij dan hardnekkig weigeren?”
+drong Pinkerton aan. „Het behoeft u maar een woord te kosten, en uw
+vader is voor altijd bevrijd van zijn zorgen, in het tegenovergestelde
+geval behoeft het mij slechts een woord te kosten, en uw vader snelt
+zijn ondergang tegemoet.”
+
+„Mijn God, is het al zoo ver?” riep Daisy uit, die doodsbleek was
+geworden. „Dat wist ik niet,” voegde zij er op doffen toon aan toe.
+
+„Ik zeg u niets dan de waarheid, Miss!” hernam Pinkerton, terwijl hij
+een stap naar het jonge meisje deed. „Laten wij de zaken met enkele
+woorden in het juiste licht stellen, en gij—en gij alleen hebt het in
+uw macht uw vader te redden of hem in het verderf te storten.”
+
+„Zwijgt! Om Godswil zwijgt!” riep het arme kind wanhopig uit. „Gij kunt
+het niet meenen dat gij misbruik zou maken van het ongeluk van mijn
+vader. Ik weet zeker, dat hij er binnen een jaar weder boven op kan
+zijn. De zaken gaan reeds beter en als eenmaal normale toestanden
+teruggekeerd zullen zijn, dan komt alles in orde. Heb nog slechts tot
+zoo lang geduld.”
+
+„Neen!” antwoordde Pinkerton kortaf. „Ik wil niet langer wachten, ik
+heb u lief—en ik zal u bezitten, gij zult de mijne worden, al zou ik
+hemel en aarde moeten bewegen. Ik geef u nog een week en als gij mij
+dan niet hebt gezegd, dat uw tegenstand gebroken is dan zullen de
+gevolgen voor uw rekening komen. Maar ik ga zoo niet heen, eerst zult
+gij mij een kus geven, op afrekening.”
+
+Hij was op Daisy toegesprongen en had het jonge meisje omvat, dat op
+dien aanval niet verdacht was.
+
+Zij worstelde om los te komen, zij verzette zich uit alle macht, de
+beide kleine handen tegen de borst van den ellendeling gedrukt.
+
+Pinkerton trok haar echter dicht tegen zich aan, en bracht zijn gelaat
+bij het hare.......
+
+Maar eensklaps vloog de deur open, en de schurk voelde zich in den nek
+vatten, en met kracht achter uit trekken.
+
+Bleek van woede wendde hij zich om.
+
+Hij keek in het gelaat van Joe Mascott, die in het geheel niet woedend
+scheen te zijn, maar zijn medeminnaar spottend aankeek.
+
+„Gij weet zeker wel dat ik iets beteeken als bokser, mijnheer
+Pinkerton,” zeide de jonge man langzaam, terwijl hij een stap in de
+richting van den anderen deed. „Daar zal ik echter geen misbruik van
+maken—al kon ik U met mijn wijsvinger neerslaan. Neem daarom slechts
+dezen oorveeg voor lief. Het is weinig maar goed bedoeld.”
+
+En op het zelfde oogenblik daalde er een klinkende muilpeer neder op
+het gelaat van den bankier, juist op zijn rechterwang, die in een paar
+tellen danig opzwol, al had de jonge bokser zich nog zoo ingehouden.
+
+Daarop wendde Joe zich tot het jonge meisje, dat verschrikt had toe
+gezien, en zeide op teederen toon:
+
+„Je behoeft niet bang te zijn, kleine lieveling, als eenmaal de
+wedstrijd achter den rug is, en ik win hem, dan komt alles in orde, en
+zal ik dien schoft zijn geld terug betalen.”
+
+Vervolgens wendde hij zich naar de deur, wierp haar wijd open, en riep:
+
+„Zuiver deze kamer zoo snel mogelijk van uw aanwezigheid, mijnheer
+Pinkerton, anders blijft het niet bij dat kleine klapje.”
+
+In minder dan geen tijd was de bankier buiten het vertrek.
+
+Zijn ruiker vloog hem achterna en trof hem in den nek, gevolgd door
+zijn hoed en wandelstok.
+
+En daarop viel de deur met een harden slag in het slot en kon Pinkerton
+zijn bezoek gevoegelijk als geëindigd beschouwen.
+
+Hij raapte hoed en wandelstok op en hief dreigend de vuist op tegen de
+gesloten deur.
+
+Sissend kwam het over zijn lippen:
+
+„Dat zal ik je betaald zetten, Joe Mascott—of mijn naam is geen
+Pinkerton!”
+
+Hij daalde vlug de trap af, zonder zich verder om den ouden Chairman te
+bekommeren en stapte in zijn auto, die nog stond te wachten.
+
+De chauffeur had bevel gekregen, zijn meester naar huis te rijden, maar
+onderweg scheen Pinkerton van gedachten te veranderen.
+
+Hij nam de spreekbuis die hem in verbinding stelde met den chauffeur en
+beval:
+
+„Breng mij naar de boksschool van Stanley—weet je die? Het is in de
+Dickens Street, een oud huis met een groote toegangspoort. Ik zal je
+wel waarschuwen, als wij er zijn.”
+
+De chauffeur tikte aan zijn pet en het voertuig zette zich weder in
+beweging.
+
+Een half uur later stond de auto stil voor het gebouw, waar „Black
+Jimmy” troonde.
+
+„Wacht hier,” beval Pinkerton den chauffeur. „Ik ben over een kwartier
+terug.”
+
+Hij ging haastig de trappen op en trad de wachtkamer binnen, waar zich
+op dit oogenblik niemand bevond.
+
+Maar de knecht met de morsige trui had zeker iets gehoord en kwam
+binnen om naar het verlangen van den bezoeker te informeeren.
+
+„Is George Malony hier soms?”
+
+„Dat geloof ik wel, mijnheer. Wilt gij hem spreken?”
+
+„Ja, verzoek hem even hier te komen.”
+
+„Uw naam?”
+
+„Die doet er voorloopig niet toe. Zeg maar dat een oude kennis hem over
+een belangrijke zaak wenscht te spreken.”
+
+De knecht bekeek Pinkerton verbaasd, die er met zijn dure kleeren in
+het geheel niet uitzag als een „Oude kennis” van iemand als George
+Malony, maar hij antwoordde niettemin, dat hij den bokser zou
+waarschuwen.
+
+Eenige minuten later trad Malony binnen.
+
+Zijn gelaat stond tamelijk stuursch en hij keek den bezoeker met
+onverholen bewondering aan.
+
+Pinkerton was opgestaan en deed nu zorgvuldig de deur dicht, hetgeen de
+verbazing van Malony nog deed toenemen.
+
+Toen trad Pinkerton op den bokser toe en zeide glimlachend:
+
+„Gij zult misschien een weinig verwonderd zijn over mijn optreden,
+mijnheer Malony, maar wat ik U te zeggen heb is alleen voor u bestemd.”
+
+De zware wenkbrauwen van Malony gingen een eind de hoogte in, maar hij
+zeide niets en wachtte als een voorzichtig man het eerste schot van den
+tegenstander af.
+
+En dus begon Pinkerton:
+
+„Gij kent mij niet, mijnheer Malony, maar ik ken u des te beter, al is
+het dan alleen maar van naam.”
+
+Malony trok een gezicht, alsof hem deze mededeeling maar half aangenaam
+was, maar nog zeide hij niets.
+
+„Juist, omdat ik van U heb hooren spreken, kom ik tot u met een verzoek
+en ik zou mijn sterk moeten vergissen, als gij het niet zoudt
+inwilligen—want er is geld aan te verdienen, mijn waarde heer Malony.”
+
+Deze mededeeling scheen dadelijk in hooge mate belangstelling van den
+bokser te wekken.
+
+Hij spitste de lippen, kneep de zwarte oogen half dicht en zeide op
+half vertrouwelijken toon:
+
+„Wel, laat eens hooren, mijnheer... mijnheer...”
+
+„O, mijn naam doet er voorloopig niet toe,” viel Pinkerton hem in de
+rede. „Als wij het eens kunnen worden en gij stemt toe in mijn
+voorstel—dan is het nog tijd genoeg, U mijn naam te zeggen.”
+
+„Zooals gij wilt. Kom dan maar eens over de brug met dat voorstel—dan
+kan ik zien, wat er te doen is—of te laten!”
+
+Pinkerton dacht eenige seconden na over de beste wijze, de zaak voor te
+dragen en begon toen:
+
+„Gij weet natuurlijk, dat over een week de match om een beurs van 500
+pond plaats heeft in het Cristal Palace?”
+
+„Natuurlijk weet ik dat,” antwoordde Malony grimmig. „Ik zou zelf ook
+mee doen—als ik wat beter getraind was. Wijntje en Trijntje—en de
+sport—die kunnen niet al te goed met elkander onderweg, ziet
+gij—en.....”
+
+„Juist. Ik ken Uwe kleine zwakheden, mijn waarde Malony!” kwam
+Pinkerton. „Maar nu kom ik u juist aanbieden, een bedrag te verdienen,
+dat niet veel kleiner zal zijn dan de prijs voor den verliezer
+vastgesteld, namelijk twee honderd pond, als gij op mijn voorstel
+ingaat!”
+
+„Twee honderd pond? Een aardig bedrag, tenminste, als het een
+kleinigheid betreft.”
+
+„O, voor iemand als gij zijt, heeft het niets om het lijf, luister! Gij
+weet natuurlijk zoogoed als ieder Uwer collega’s, dat een zekere Joe
+Mascott aan die match zal deelnemen, en dat zijn kansen zeer goed
+staan.”
+
+„Zeer goed? Als er geen wonder gebeurt, dan wint hij zoo zeker als een
+huis,” riep Malony uit, met een onmiskenbaren klank van naijver in zijn
+ruwe stem.
+
+„Juist! Maar men zou dat wonder met niet al te veel moeite kunnen laten
+geschieden, niet waar?”
+
+Malony antwoordde niet dadelijk maar liet een zacht gefluit hooren, en
+keek Pinkerton met zijn kleine, zwarte oogen onderzoekend aan.
+
+Deze deed, alsof hij niets gemerkt had, en ging rustig voort:
+
+„Zie eens, er is mij veel aan gelegen, dat die Mascott de match niet
+wint, begrijpt gij? De redenen kunnen u onverschillig zijn, iedereen
+heeft wel eens van die onberedeneerde antipathieën, niet waar?”
+
+„Ongetwijfeld,” antwoordde Malony meesmuilend. „En Mascott heeft uw
+antipathie als ik het goed begrijp.”
+
+„Geraden!”
+
+„Nu, hij behoort toevallig ook niet tot mijn vrienden,” ging Malony met
+een onaangenamen grijns voort. „En zeg mij nu eens, hoe gij het u wel
+voorstelt, te beletten dat hij de match niet wint.”
+
+„Wel, dat kan niet zoo moeilijk zijn, dunkt mij.”
+
+„Wij zouden hem een dag te voren kunnen opwachten, op een straathoek,
+en hem een tik geven die goed aankwam.”
+
+„O, neen,” riep Pinkerton verschrikt uit. „Dat vooral niet, dan zou hij
+in het geheel niet aan den wedstrijd kunnen deelnemen, en dat is de
+bedoeling niet. Neen, hij moet wel degelijk boksen—maar zoo, dat
+iedereen zegt: die man moest liever baker worden. Begrijpt gij? Hij
+moet in de eerste of tweede ronde uitgeslagen worden.”
+
+„Ja, dan wordt de zaak wel wat lastiger,” zeide Malony, terwijl hij
+zich achter de ver van zijn hoofd staande ooren krabde. „Ik kan niet
+goed begrijpen, hoe wij dat dan moeten aanleggen!”
+
+„Kom, het is niet zoo lastig,” hernam Pinkerton. „Er bestaan wel van
+die geheime middeltjes, welke men iemand kan ingeven en die bewerken,
+dat men zich gedurende eenigen tijd slap en zwak gevoelt, zonder
+bepaald ziek te zijn.”
+
+„Nu kom ik er achter!” riep de bokser uit, met den zelfden grijns om de
+dikke lippen. „Maar hoe kom ik aan dat middel?”
+
+„Als gij toestemt, zal ik het u wel verschaffen.”
+
+„Het is toch niet...... gevaarlijk?” vroeg Malony op gedempten toon.
+„Hij kan er toch niet voor goed mee uit de wereld geholpen worden?”
+
+„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren. Als gij slechts zorgt,
+dat gij in den loop van den dag waarop de wedstrijd plaats heeft, den
+inhoud van een klein peperhuisje met een wit poeder in een glas te
+doen, dat gij met hem gaat drinken—dan is alles in orde. Hij zal zich
+dan lusteloos gaan gevoelen en des avonds zal hij gemakkelijk geklopt
+worden. Slaat gij toe?”
+
+„Twee honderd pond?”
+
+„Ja!”
+
+„De helft vooruit?”
+
+„Neen, gij kunt vijftig pond vooruit krijgen—en de rest, als de
+wedstrijd achter den rug is!”
+
+„En bij wien moet ik dan het geld gaan halen?”
+
+„Ik zal het u zelf op den dag van de match komen brengen—met het poeder
+en U dan tevens mijn naam noemen!”
+
+„Top, ik ben Uw man,” kwam Malony, na even te hebben nagedacht. „Ik zal
+hem wel naar een koffiehuis lokken en eenmaal daar, zal ik hem het
+middeltje wel weten toe te dienen.”
+
+De lafhartige overeenkomst werd met een handslag bekrachtigd en daarop
+verliet Pinkerton haastig het huis.
+
+Hij was er nu zeker van, dat Mascott niet zou winnen, maar jammerlijk
+zou worden verslagen.
+
+En als dat eenmaal was geschied, dan zou zijn toekomst bedorven zijn,
+of hij zou tenminste in het eerste jaar volstrekt geen kans hebben op
+groote prijzen.
+
+En Mascott arm—dat beteekende dat Chairman naar zijn pijpen zou moeten
+dansen en dat hij Daisy wel zou weten te dwingen, hem ter wille te
+zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+OP DEN DAG VAN DEN WEDSTRIJD.
+
+
+De dag van de groote match was aangebroken.
+
+Op alle muren van het groote Cristal Palace prijkte groote, schel
+gekleurde aanplakbiljetten, waarop de namen van de twee boksers vermeld
+stonden, die om de beurs zouden strijden—Joe Mascott en Jim Farrol.
+
+Farrol was op het oogenblik de sterkste bokser, middelgewicht van
+Londen en dat was duidelijk te merken aan den stand van de
+weddenschappen, want er was slechts weinig gewed op Joe, die nog geheel
+en al onbekend was, behalve bij de insiders die dan ook niet geaarzeld
+hadden, vrij groote bedragen op hem te zetten.
+
+Wat Raffles betreft—hij had de vorderingen van den jongen man met
+onverholen verbazing en voldoening gadegeslagen en niet geaarzeld,
+vijfhonderd pond op zijn overwinning te wedden.
+
+Bijna iederen dag had hij de groote oefenzaal van Fred Simons bezocht,
+ten einde zich door eigen aanschouwing van de vorderingen van zijn
+beschermeling te overtuigen.
+
+En hij was er zeker van, dat zijn kansen uitstekend stonden.
+
+Weliswaar deelde de sportpers mede, dat Farrol zich op dit oogenblik in
+„first class form” bevond, maar dat kon zijn vertrouwen niet aan het
+wankelen brengen.
+
+Tweemaal had hij Joe aan diens huis bezocht en kennis gemaakt met zijn
+moeder en zuster.
+
+Bij de tweede gelegenheid had de jonge bokser hem verhaald, wat er met
+Pinkerton in de kamer van Daisy was voorgevallen en Raffles had hem
+goedkeurend op den schouder geklopt en gezegd:
+
+„Over een paar dagen kunt gij met opgericht hoofd voor den ouden
+Chairman treden, en hem zijn dochter ten huwelijk vragen. Als hij dan
+soms nog bezwaren mocht maken, dan zal ik hem wel tot andere gedachten
+brengen.”
+
+Die verklaring was den jongen bokser een aansporing te meer geweest,
+zich duchtig voor te bereiden.
+
+En er hing voor hem des te meer van dezen wedstrijd af, daar hij,
+zooals wel te voorzien was, den zelfden dag, waarop hij zijn patroon op
+een muilpeer onthaald had, door dezen was ontslagen.
+
+Hij verdiende dus niets, maar de neerslachtige stemming, die hieruit
+was voortgevloeid, had dadelijk weder plaats gemaakt voor een blijde
+opgewektheid toen Lord Aberdeen hem kwam zeggen, dat hij, zoodra de
+wedstrijd achter den rug was een heel wat beter betalende betrekking
+zou krijgen bij een zijner vrienden.
+
+Die zou hij dan kunnen waarnemen, zoolang de groote prijzen uitbleven.
+
+Het was vroeg in den morgen van den wedstrijddag, toen Raffles het
+groote oefenvertrek bij Fred Simons binnentrad.
+
+Hij wist, dat hij Joe daar kon vinden, om de laatste maatregelen te
+nemen en zich nog eens duchtig te oefenen met den besten leerling van
+Simons, die zelf een goede toekomst had.
+
+Hij kwam juist, toen de partij, die slechts een kwartier mocht duren,
+op haar einde liep.
+
+En weer bewonderde hij het soepel spel der spieren, de weergalooze
+vlugheid en den moed van zijn beschermeling.
+
+Na de partij werd Joe gemasseerd door de bekwame hand van Simons die
+vol trots uitriep:
+
+„Wat een lichaam, spieren als boter, tot hij ze spant, de satijnen huid
+als van een jong meisje, longen als van een paard, en een middeltje,
+waarop menige vrouw jaloersch zou zijn.”
+
+En onder deze uitroeping wreef en kneep hij de spieren, tot Joe met een
+pijnlijk gezicht uitriep:
+
+„Nu is het wel genoeg, Simons, ik voel mij uitstekend.”
+
+„Dan naar de douche!”
+
+En Simons trok zijn „poulain” mede naar de badkamer waar een douche hem
+geheel en al verfrischte.
+
+En nu kwam de korte wandeling aan de beurt, afgewisseld met eenige
+kilometers hard loopen en touwtje springen.
+
+Raffles zou den bokser daarbij vergezellen, in zijn kleine sportauto
+gezeten, in gezelschap van Simons.
+
+Men zocht de stilste buitenwegen op, en daar stapte Joe uit, en begon
+met snelle wandelpassen met de auto mee te loopen, terwijl Simons hem
+zijn bevelen toe schreeuwden.
+
+Nu en dan ging hij in den looppas over, en dan weder legde hij, al
+touwtje springend, een afstand van een kilometer af.
+
+Eindelijk vond Simons, dat het genoeg was.
+
+Hij legde zijn groote hand op de borst van den bokser, voelde hem als
+een volleerd dokter de pols en zeide tevreden:
+
+„Bijna geen verhoogde hartwerking, de jongen is van staal, ik geloof,
+dat hij zoo den geheelen dag zou kunnen voortgaan, zonder een spoor van
+vermoeidheid. Nu, mijn taak is afgeloopen. De rest moet hij zelf doen.”
+
+Hij richtte zich tot Joe en vervolgde:
+
+„Houdt je rustig, den geheelen dag, zonder evenwel van je gewone
+bezigheden af te wijken. Vandaag mag je geen handschoen meer aanraken
+voor je tusschen de touwen staat in de Cristal Palace, loop wat rond
+met de jongens, maar geen alcohol versta je? Dat behoef ik je trouwens
+gelukkig niet te zeggen, ik heb je nooit zien drinken. Een paar uur
+voor de match mag je langzaam een groot glas ale drinken, met een ei er
+door geroerd en dat is alles. Niets meer eten na vijf uur, begrepen?”
+
+„Ik zal er om denken, Simons,” gaf Joe ten antwoord, terwijl hij de
+hand van den voormaligen Australischen Kampioen greep. „En of ik
+vanavond win of verlies, ik zal nooit vergeten, wat ik aan je te danken
+heb gehad, je bent een trainer uit duizenden, Simons.”
+
+„Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Joe,” gaf Raffles glimlachend te
+kennen. „En een goed trainer is de helft van den wedstrijd gewonnen.
+
+„Nu moet ik je ook verlaten, want ik heb nog eenige zeer dringende
+zaken af te handelen. Vanavond hoop ik je als overwinnaar te mogen
+begroeten.”
+
+Hij reikte Joe de hand, knikte hem vriendelijk toe, en daarop reed hij
+met Simons weg, die hem met zijn auto tot aan diens woning zou brengen.
+
+Joe keek de auto achterna, tot zij uit het gezicht was, en zeide toen
+in zich zelf:
+
+„Een edel man, die tevens een edelman is. Joe zorg dat je vanavond wint
+en toon je zijn belangstelling waard.”
+
+Hij raadpleegde zijn horloge en zag, dat het tijd werd voor de lunch.
+
+Daar Simons hem had verboden, van een motorbus gebruik te maken, wegens
+het trillen van die voertuigen, en evenmin van den ondergrondschen
+spoorweg, welke dit euvel in nog meer mate vertoont, wandelde hij naar
+zijn woning en gebruikte geheel alleen een eenvoudigen maaltijd,
+bestaande in geroosterd brood, een ei, wat mager vleesch en een paar
+druiven.
+
+Des middags bracht hij een bezoek aan zijn meisje, tersluiks, wel te
+verstaan, want haar vader had hem het huis kortweg ontzegd, na het
+incident met Pinkerton, en daarop begaf hij zich naar het huis van
+Simons, waar hij moest wezen, om er zijn handschoenen, pantoffels, en
+andere zaken te halen. Hij vond er George Malony aan de deur staan, die
+hem joviaal toeknikte, en uitriep:
+
+„Ik wensch je een goede kans, Joe, je kunt Farrol wel maken en breken.”
+
+„Ik hoop te winnen, George,” antwoordde Joe eenvoudig. „Er hangt voor
+mij veel van af, dat weet je.”
+
+„De kameraden willen een kop thee, of een glas bier met je drinken dat
+sla je zeker niet af, hoop ik?” ging Malony voort.
+
+Joe was een te vriendelijke jongen, om er een oogenblik aan te denken,
+zijn vrienden door een weigering te beleedigen, en dat wist Malony ook
+wel.
+
+„Als het niet te laat wordt, ben ik graag tot je dienst,” zei Joe.
+
+„Ga dan mee naar den hoek, daar is een café, de jongens komen
+dadelijk.”
+
+De twee mannen begaven zich naar het koffiehuis, waar George bier en
+een kop thee voor Joe bestelde.
+
+Met opzet had hij een tafeltje uitgezocht dat achter een der schutten
+stond, welke de gelagkamer in een groot aantal afgeschoten hokjes
+verdeelde.
+
+Het was nog vroeg en er waren maar zeer weinig personen aanwezig.
+
+Dicht bij het buffet hing een groote reclameplaat, voorstellende twee
+boksers die met opgeheven vuisten tegenover elkaar stonden.
+
+Zoodra de thee en het bier gebracht waren, zeide Malony:
+
+„Je moet voor de aardigheid die plaat eens van dichtbij bekijken, Joe,
+en zeg mij dan eens, of je er niets bijzonders aan ziet.”
+
+Niets kwaad vermoedend stond de jonge bokser weer op en ging naar het
+reclamebiljet dat hij eenigen tijd aandachtig bekeek.
+
+Van zijn afwezigheid maakte Malony gebruik, snel en ongezien het kleine
+zakje in de thee van den jongen bokser leeg te storten.
+
+Dit was reeds lang gedaan, toen Joe terug keerde en verwonderd zeide:
+
+„Ik kan er niets bijzonders aan zien, om je de waarheid te zeggen!”
+
+„Kom nu. Je hebt immers voor een der boksers geposeerd voor den man die
+het biljet teekende,” riep Malony uit.
+
+„Ik verzeker je van niet!” kwam Joe.
+
+„Nu, dan is de gelijkenis toevallig!” hernam Malony schouderophalend.
+„Op je gezondheid en je goede kansen, Joe.”
+
+Hij bracht het glas aan zijn lippen en zag vol spanning toe, hoe de
+andere zijn kop thee aan zijn lippen bracht en dronk.
+
+Even later traden drie of vier leerlingen van Simons binnen, die naar
+het tafeltje toekwamen en luidruchtig hun opmerkingen begonnen te
+maken.
+
+„Dat was een goed idee van Malony, om ons hier te inviteeren,” riep een
+der jonge mannen uit.
+
+„Ik dacht eigenlijk dat de invitatie van jullie kwam,” zeide Joe, een
+weinig verbaasd.
+
+„Neen, man, George is de gastheer,” antwoordde de bokser, terwijl hij
+Malony een harden klap op den schouder gaf, die hem gaarne naar den
+duivel had gewenscht.
+
+„Maar je krijgt van ons toch ook een glas bier,” vervolgde de jonge
+man, „tenminste als je mag van Simons!”
+
+„Dat mag juist in het geheel niet, Sam!” zeide Joe lachend. „Geen spoor
+alcohol heeft hij gezegd—en daaraan houd ik mij.”
+
+Men sprak nog eenigen tijd voort, Joe dronk zijn kop leeg en nam toen
+afscheid van de vrienden, die allen dien avond aanwezig zouden zijn, om
+hun medeleerling te zien boksen.
+
+Joe begaf zich naar huis, teneinde daar rustig met lezen den tijd
+verdrijvend het uur van de match af te wachten.
+
+En naarmate die tijd heenging, voelde de jonge man een eigenaardige
+loomheid over zich komen, een moeiheid, welke hij nooit gekend
+had......
+
+Zijn dijspieren trokken, zijn armen voelden zwaar aan, en het leek hem,
+alsof hij zelfs met opstaan eenige moeite had.
+
+In zijn hoofd had hij een dof gevoel, als van een naderende hoofdpijn.
+
+Hij opende een venster, meenende, dat de lucht in de kamer misschien
+bedorven was, maar de frissche buitenlucht bracht hem geen verbetering.
+
+Verschrikt riep Joe zijn moeder, die zeer verontrust was over het bleek
+uiterlijk van haar zoon en deelde haar mede wat hij gevoelde.
+
+„Als je nog eens een wandeling ging maken, Joe,” riep de oude vrouw, de
+beide handen op zijn sterke schouders leggend. „Je heb je misschien wel
+wat veel ingespannen in de laatste dagen, een wandeling zal je goed
+doen.”
+
+„Zoudt gij denken, moeder?” vroeg Joe, „ik weet het niet, ik heb zoo
+een vreemd gloeierig gevoel in mijn beenen, en mijn borst voelt ook zoo
+zonderling beklemd, stel u voor, dat ik nu ziek werd. Het zou
+vreeselijk zijn, misschien is het wel griep.”
+
+„Dan moeten wij dadelijk den dokter halen,” riep de oude vrouw
+verschrikt uit. „En dan mag je vanavond volstrekt niet boksen.”
+
+„Ach moedertje,” kwam Joe droevig, „ik moet immers wel, al zou men mij
+er in een rijtuig naar toe moeten brengen, ik zal vechten.”
+
+Op dit oogenblik werd er gescheld, en even later trad Raffles het
+vertrek binnen.
+
+Hij groette de oude dame hoffelijk en wendde zich toen tot Joe met de
+opmerking:
+
+„Ik hoop niet, dat ik je kom storen, waarde Joe, maar ik wilde je even
+persoonlijk komen uitnoodigen, na afloop van den wedstrijd met mij en
+mijnheer Brand te soupeeren, wel te verstaan, als je niet reeds andere
+afspraken hebt gemaakt, maar mijn hemel, wat scheelt je?” zoo viel hij
+zich zelf verschrikt in de rede, „wat zie je bleek!”
+
+„Ik.... de zaak is, dat ik mij ziek voel, Mylord!” stamelde Joe,
+terwijl hij de hand aan het voorhoofd bracht en op een stoel neerzakte.
+
+„Wat is dat nu,” riep Raffles verbaasd uit, „maar toen ik je een paar
+uur geleden verliet, was je zoo frisch als een hoen, is dat dan zoo
+plotseling opgekomen?”
+
+„Geen half uur geleden, Mylord.”
+
+„En hoe was het daarvoor?”
+
+„Ik gevoelde mij gezonder dan ooit.”
+
+„Dat is zeer vreemd,” riep Raffles uit.
+
+„Kan het geen griep zijn, Mylord?” vroeg de oude dame, die vol
+bezorgdheid over het glanzende haar van haar eenigen zoon streek.
+
+„Zoo plotseling, neen, Mevrouw, dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles
+met vaste stem.
+
+Hij was op Joe toegetreden, schoof een stoel aan, ging zitten, en nam
+de pols van den jongen bokser.
+
+Toen lichtte hij zijn oogleden op, bekeek het ooglid, schudde het
+hoofd, en mompelde:
+
+„Dat is onbegrijpelijk!”
+
+„Sta eens op en doe een paar passen,” beval hij.
+
+Joe stond op, en liep eenige malen op en neer, daarbij liep hij niet
+recht, maar wankelde, als iemand die duizelig is.
+
+„Sluit je oogen, strek je armen uit, en doe nu langzaam een paar passen
+achteruit,” beval Raffles weder.
+
+Joe gehoorzaamde.
+
+„Ga nu eens zitten, en leg je eene been over het andere.”
+
+Weer gehoorzaamde de jonge man.
+
+Met den kant van de geopende rechterhand gaf Raffles onverhoedsch een
+korten slag tegen het onderbeen, even onder de knie.
+
+Het been bleef onbewegelijk neerhangen.
+
+Raffles stond op, keek Joe eenigen tijd zwijgend en onderzoekend aan,
+en vroeg toen:
+
+„Zeg mij eens nauwkeurig, wat gij gedaan hebt, nadat Simons en ik u
+verlaten hebben, heden morgen om elf uur.”
+
+„Ik ben naar huis gewandeld om te lunchen, Mylord!”
+
+„Wat hebt gij gegeten?”
+
+„Geroosterd brood, een ei, wat koud vleesch en wat druiven.”
+
+„Dat hadt gij zeker alles gereedgemaakt, Mevrouw?” zoo wendde Raffles
+zich tot de oude dame, die vol ongerustheid en vervuld van een vage
+vrees had toegeluisterd.
+
+„Zeker, Mylord, en ik verzeker u dat het vleesch zoo uitstekend was als
+het maar te krijgen was. Ik wist immers wel dat het beste voor Joe nog
+nauwelijks goed genoeg was! Trouwens—wij allen hebben gisteren van het
+zelfde vleesch gegeten!”
+
+„Waar hebt gij den druiven gekocht?”
+
+„In een delicatessenwinkel hier in de buurt.”
+
+„Als gij er nog van hebt, breng er dan eenige hier, als ik U verzoeken
+mag,” vroeg Raffles.
+
+De oude dame verliet haastig het vertrek, terwijl Joe Raffles
+verwonderd en ontsteld aanstaarde.
+
+„Wat denkt gij eigenlijk, Mylord?” barstte hij toen uit.
+
+„Nog niets, mijn waarde Joe, dan dat je aan een heel eigenaardige,
+plotseling opgekomen zwakte lijdt—ik zou het, als ik geneesheer was,
+„acute seniliteit” noemen—en die bestaat niet, voor zoover ik weet. Het
+is eenvoudig ouderdomszwakte, mijn jongen. Ik merk zelfs eenige
+symptonen, die zich juist zoo voordoen bij aderverkalking en daarvan
+kan bij jou geen sprake zijn.”
+
+Op dat oogenblik trad Mevrouw Mascott binnen met een kristallen
+schaaltje waarop een aangesneden tros druiven lag.
+
+Raffles trok er een druif af en stak ze in den mond, na haar aandachtig
+te hebben bekeken.
+
+Hij proefde de vrucht aandachtig en zeide toen hoofdschuddend:
+
+„Een druif, zoo goed als ik er nog ooit een proefde!”
+
+Nu wendde hij zich opnieuw tot Joe en vroeg:
+
+„En wat hebt gij gedaan nadat gij gegeten hadt?”
+
+„Ik ben naar Simons gegaan om daar mijn handschoenen en eenige andere
+zaken te halen.”
+
+„Vervolgens?”
+
+„Vervolgens ben ik met George Malony en eenige andere kameraden in een
+café een kop thee gaan drinken.”
+
+„Met Malony?” herhaalde Raffles. „Waart gij steeds in gezelschap van
+die anderen? Deel mij eens zeer nauwkeurig, zonder iets over te slaan,
+alles mede wat er gebeurd is, sedert het oogenblik waarop gij het huis
+van Simons binnenging.”
+
+„Ik ging mijn bullen halen en toen ik weder beneden kwam, stond George
+bij de deur. Hij zeide mij, dat de kameraden op mijn welzijn wilden
+drinken en stelde voor, maar vast vooruit te gaan, de anderen zouden
+aanstonds komen. Wij gingen naar het café op den hoek en ik bestelde
+thee, hij bier.”
+
+„Bleef hij steeds in uw nabijheid—of gij in de zijne?”
+
+„Neen, een oogenblik heb ik mij verwijderd om naar een reclameplaat te
+kijken die twee boksers voorstelde, en die bij het buffet hing.”
+
+„Deed gij dat uit eigen aandrang?”
+
+„Neen, Malony zeide, dat er iets bijzonders aan te zien was.”
+
+„En was dat zoo?”
+
+„Voor zoover ik kon nagaan, in het geheel niet.”
+
+„Toen gij daarheen ging, was de consumptie toen al gebracht?”
+
+„Ja, de thee stond op tafel, maar mijn God, Mylord, waarom vraagt gij
+mij dat alles? Wat denkt, wat vermoedt gij dan toch?”
+
+„Ik vermoed, dat hier een lage streek gespeeld is, mijn beste Joe,”
+antwoordde Raffles kortaf. „Gij hebt natuurlijk van de thee gedronken?
+Hebt gij er niets bijzonders aan geproefd?”
+
+„Neen, zij was misschien een beetje sterk, dat was alles.”
+
+„Misschien een looismaak? zooals van thee, die te lang getrokken
+heeft?”
+
+„Juist, dat was het, Mylord,” riep de jonge man uit. „Gij denkt dus,
+dat.... er iets met die thee geknoeid is?”
+
+„Ik twijfel er geen seconde aan, Malony heeft gebruik gemaakt van uw
+afwezigheid om iets in uw thee te doen. Daardoor gevoelt gij u zoo slap
+en wee, ik denk, dat de dosis wellicht een weinig te groot is geweest
+en dat gij pas veel later die verschijnselen had moeten gevoelen en
+niet in die sterke mate, maar juist voldoende, om u den wedstrijd te
+laten verliezen.”
+
+„O, die schurk!” kreet Joe, „wat heb ik hem gedaan, dat hij zich op
+zulk een laffe wijze op mij wil wreken?”
+
+„Ik geloof niet, dat hier sprake is van wraak, Joe,” hernam Raffles
+hoofdschuddend, „neen, die man kon zulk een middel nooit uit zich zelf
+hebben gevonden, ik vrees, dat hij slechts een werktuig is in de hand
+van een ander.”
+
+„Maar wie zou dat kunnen zijn, Mylord,” riep Joe wanhopig uit, „ik had
+geen vijanden, voor zoover ik weet.”
+
+„Geen vijanden? Noemt gij uw medeminnaars dan vrienden?” ging Raffles
+voort terwijl hij Joe strak aankeek.
+
+„Wat, wilt gij zeggen, dat Pinkerton........”
+
+„Hij en niemand anders, hij heeft er groot belang bij, dat gij vanavond
+verliest, want dan zijn uw kansen op een voordeelig aanbod vrij wel
+verkeken, tenminste in langen tijd, en hij heeft het veld vrij om
+Chairman te bewerken. Maar wij verpraten onzen tijd. De tijd dringt, ik
+weet nu wel, wat men u heeft ingegeven, en ik bezit een tegengift, dat
+u spoedig weder de oude zal doen zijn en wat Pinkerton betreft, hij zal
+zijn straf niet ontgaan, dat kunt gij aan mij overlaten. Allereerst
+echter moeten wij naar een geneesheer, teneinde u de maag te laten
+leegpompen, want zooveel mogelijk moet die schadelijke stof uit uw
+lichaam verwijderd worden. En daarna kom ik met mijn middeltje waarvan
+gij wonderen zult beleven.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+DE WEDSTRIJD.
+
+
+Omstreeks half negen, het uur, waarop de match tusschen Joe Mascott en
+Jim Farrol zou beginnen, was de groote zaal van het Cristal Palace zoo
+goed als geheel uitverkocht.
+
+Raffles had er voor gezorgd, dat de naam van den veelbelovenden bokser
+alom bekend was geworden, en door zijn talrijke connecties had hij
+weten te bewerken dat vele bladen lange artikelen aan dezen match
+wijdden.
+
+En in alle sportbladen hadden beschrijvingen van de beide tegenstanders
+gestaan, met de opgave van hun lengte, borstomvang, dikte van kuit en
+dijspieren, gewicht en andere bijzonderheden.
+
+De belangstelling was dus zeer groot, en reeds dagen van te voren waren
+alle beschikbare plaatsen in de zaal uitverkocht.
+
+In het midden, op een hoogte van ongeveer anderhalve meter boven den
+vloer was de ring opgebouwd, omspannen met een dubbele rij witte
+koorden.
+
+Daaromheen waren de rijen stoelen geplaatst, waarvoor de hoogste
+prijzen waren betaald.
+
+Op de eerste rij zat Pinkerton, die er van wilde genieten, hoe zijn
+medeminnaar verslagen werd.
+
+Nog laat in den middag had hij een onderhoud gehad met George Malony,
+die hem had meegedeeld dat alles in orde was, en dat Joe zeker niet zou
+kunnen winnen als het middel, hetwelk zijn lastgever hem ter hand had
+gesteld, tenminste goed werkte.
+
+Pinkerton had hem het overeen gekomen bedrag uitbetaald, en nu zat hij
+daar, reeds bij voorbaat genietend van zijn overwinning op den gehaten
+rivaal.
+
+Eenige plaatsen verder zaten Raffles en Charly niet ver van een der
+hoeken van den ring.
+
+Op een soort platvorm had de filmoperateur met zijn toestel plaats
+genomen, want ofschoon het avond was, zou hij zijn opnamen met gemak
+kunnen maken zoo daghelder was de ring verlicht door een groot aantal
+zeer sterke booglampen, die in een vierkant op een paar meter boven den
+met linnen bespannen vloer van den ring waren aangebracht.
+
+Juist om acht uur ging een deur achter in de zaal open en Jim Farrol
+kwam binnen, vergezeld door zijn helpers, die handdoeken, sponsen en
+eenige flesschen met een geheimzinnigen inhoud mede brachten.
+
+Een luid gejuig steeg op onder de aanhangers van den bokser, die reeds
+menigen prijs had gewonnen, en dan ook door de meeste hier aanwezige
+personen als de vermoedelijke winnaar werd beschouwd.
+
+Nauwelijks had hij den ring bereikt, of weer ging de deur open, en Joe
+Mascott verscheen, in gezelschap van zijn leermeester Fred Simons, en
+Bill Stevans, die als zijn secondanten zouden fungeeren.
+
+Een zwak gejuig werd gehoord, toen de jonge man, in een langen
+badmantel gehuld, door den haag van toeschouwers zich naar den ring
+begaf, en vlug het kleine trapje opwipte.
+
+Hij glimlachte even tegen Raffles en Charly, die hij dadelijk had
+uitgevonden, en keek toen met een spottenden trek op zijn gezicht naar
+Pinkerton, die hem opnam met een ongerustheid waarvan hij zich niet
+aanstonds den oorsprong kon verklaren.
+
+Die man zag er niet uit als een zwakkeling, dat was zeker.
+
+Iedere spier scheen te zwellen van kracht, en toen hij den mantel
+afwierp, toonde hij een lichaam, sterk en lenig als een horlogeveer.
+
+Er ging dan ook een gemompel van bewondering door de rijen der
+toeschouwers, voor het meerendeel kenners, en die dadelijk hadden
+gezien, dat hun een spannende partij te wachten stond en dat die Joe
+Mascott zeker niet de eerste de beste was.
+
+De scheidsrechter had reeds in den ring plaats genomen, het horloge in
+de hand.
+
+Hij was in zijn hemdsmouwen en zag er uit als een gemoedelijke
+kruidenier op Zaterdagavond.
+
+Maar ieder sportman wist, dat hier een der beste scheidsrechters van
+geheel Engeland tusschen de touwen stond.
+
+Om even over achten nam hij het woord, en stelde met eenige woorden de
+tegenstanders aan elkander voor, waarop de regels van het gevecht
+werden voorgelezen, die ieder rechtgeaard Engelschman wel kan droomen,
+maar die niettemin telkens opnieuw worden opgesomd.
+
+Precies om acht uur klonk de gong, en de boksers namen tegenover
+elkander plaats, wisselden een vluchtigen handdruk en vielen op
+elkander aan.
+
+Het was doodstil in de groote zaal, toen de eerste slagen vielen, want
+nu zou binnen enkele oogenblikken beslist worden of de beide mannen aan
+elkander gewaagd waren, dan wel dat een hunner veel sterker was dan de
+andere.
+
+Jim Farrol was in uitstekenden vorm, dat was duidelijk te zien.
+
+Zijn bronskleurige huid glansde als die van een zeerob.
+
+Hij had geen half ons vet te veel op het lichaam, en bovendien was hij
+enkele duimen langer dan zijn tegenstander.
+
+Maar de kenners hadden spoedig na de eerste minuten gezien, dat hij een
+tempo te langzaam was voor Joe Mascott......
+
+Diens slagen vielen met ongeloofelijke snelheid na elkander, en in de
+eerste ronde kon Jim dan ook niet anders doen dan zich zooveel mogelijk
+dekken.
+
+Eenmaal had hij juist bijtijds een hevigen kaakslag ontdoken, maar niet
+kunnen beletten dat een niet mindere zware slag hem even boven den
+gordel in de maagstreek trof.
+
+Pinkerton keek met wijd open gesperde oogen naar de strijdenden.
+
+Het was hem een raadsel, dat Joe zich zoo weerde, en zijn blikken
+zochten George Malony, die echter nergens te zien was, ofschoon hij
+verzekerd had, dat hij het schouwspel voor geen geld zou willen missen.
+
+De eerste ronde eindigde onder doodsche stilte.
+
+Reeds nu heerschte er een hevige spanning onder de toeschouwers.
+
+De nieuweling bleek een bokser van uitgelezen kwaliteit te zijn, dat
+had men nu wel gezien.
+
+Hij scheen in het minste niet vermoeid, ja haalde zelfs niet vlugger
+adem, en wandelde glimlachend naar zijn stoel, die intusschen tusschen
+de touwen door in een der hoeken van den ring was geschoven, terwijl de
+helpers vlug op het platform waren gewipt. Zij waaiden hem koelte toe,
+met hunne badhanddoeken, en bevochtigden zijn gelaat met een in water
+en azijn gedrenkte spons.
+
+Raffles had even zijn plaats verlaten, en wisselde op zachten toon
+eenige woorden met zijn beschermeling.
+
+„Hoe gevoel je je, Joe?” vroeg hij.
+
+„Uitstekend, Mylord,” antwoordde de jonge man. „Uw middeltje heeft mij
+voortreffelijk geholpen, als dat mogelijk was, zou ik zeggen, dat ik
+mij nog krachtiger gevoel dan voor dien schurk zijn poeder in mijn thee
+deed. Waar is hij nu?”
+
+„In verzekerde bewaring,” antwoordde Raffles laconiek. „En als ik eerst
+eens met Pinkerton gesproken heb, zal hij misschien denzelfden weg
+opgaan. De Engelsche wet maakt geen grapjes met zulke dingen.”
+
+Reeds luidde de gong weder en Raffles nam zijn plaats weder in.
+
+Vol onrust had Pinkerton het korte gesprek gadegeslagen. Hij begreep er
+niets van.
+
+Had die schurk van een Malony hem voor den gek gehouden, en misschien
+wel alles aan Joe medegedeeld?
+
+Dan zouden de zaken wel eens geheel anders kunnen uitloopen, want Joe
+Mascott zag er in het geheel niet uit, als een man, die van plan is
+zich te laten kloppen.
+
+De tweede ronde was nauwelijks een paar seconden oud, of Farrol kreeg
+een slag tegen de kin, die hem deed wankelen.
+
+Hij greep Joe vast, en twee malen moest het bevel „Los!” van den
+scheidsrechter klinken.
+
+Er was een gevaarlijk licht in de oogen van Farrol gekomen, en de
+weinige supporters van Joe begrepen dat deze zich in acht zou moeten
+nemen.
+
+Farrol was bijzonder vlug, en juist de eerste ronde zou hij trachten,
+zijn tegenstander door een zijner geweldige kaakslagen ten onder te
+brengen.
+
+Dadelijk na het loslaten had Joe moeten duiken, teneinde een dier
+ontzettende slagen te ontkomen, en de harde kant van den handschoen
+trof hem echter aan den achterkant van het hoofd.
+
+Een oogenblik later greep hij Jim opnieuw vast om een zwaaienden slag
+naar de kin juist bijtijds te ontgaan.
+
+Jim worstelde om los te komen, en de beide mannen stonden hijgend en
+kreunend tegen elkander gedrukt, terwijl de scheidsrechter vruchteloos
+pogingen deed hen van elkander te trekken.
+
+Jim had zijn linkerarm gebogen, en niet zoodra voelde hij de greep van
+Joe verzwakken of hij stootte bliksemsnel toe.
+
+De slag trof Joe onder den kaak, hij duizelde, een tweede, hevige slag,
+dien hij slechts ten halve had kunnen ontwijken, velde hem
+neer.........
+
+Een kreet van teleurstelling ging onder de toeschouwers op, zelfs onder
+degenen, die op Jim gewed hadden, want onwillekeurig ging de sympatiek
+uit naar dien onberispelijk gebouwden, rustigen athleet, die niets in
+zich had van wat gemeenlijk den bokser kenmerkt.
+
+Joe was op het gezicht gerold, en lag stil.
+
+De scheidsrechter knielde naast hem neder, en hield Jim met den
+linkerarm van Joe verwijderd, terwijl hij met den rechter bij iedere
+tel door de lucht zwaaide.
+
+En in de drukkende stilte klonk het een—twee—drie—vier—vijf—zes......
+
+Joe deed een poging om zich op een arm op te richten.
+
+Zeven—acht—negen......
+
+Joe lag nu op beide knieën, maar zou hij nog intijds overeind
+zijn......
+
+Maar voor de tiende seconde kon worden afgeteld, klonk de gong......
+
+De ronde was geëindigd, Joe was voorloopig gered.
+
+Jim uitte een vloek, terwijl de secondanten van Joe kwamen toesnellen,
+onder de touwen door doken gewapend met hun handdoeken en emmers, en
+hun man zoo snel zij konden naar zijn hoek droegen, waar zij in
+koortsachtige haast begonnen zijn beenen te masseeren, zijn maag te
+kneden, en een paar flesschen water met azijn boven zijn hoofd leeg te
+gieten.
+
+De rustpoos duurde slechts een enkele minuut—maar in dien korten tijd
+hadden Simons en Stevans nieuwe levenskracht in den jongen bokser weten
+op te wekken.
+
+Kalm, bijna hersteld van den vreeselijken slag, trad hij bij het luiden
+van de gong naar het midden van het strijdperk en wachtte zijn
+tegenstander af, het hoofd tusschen de prachtige schouders weggedoken,
+borst en maag dekkend met de gesloten vuisten.
+
+Jim deed een schijnstoot met de rechterhand en trof Joe met de linker
+op de wang.
+
+De slag zou een niet geoefend man ter aarde hebben geworpen, maar Joe
+vertrok geen spier.
+
+Hij had den slag half ontdoken en trachtte nu zijn tegenstander af te
+matten, door hem tot steeds nieuwe, forsche stooten uit te lokken.
+
+Zijn voeten schoven in geregelden kadans over het linnen, waarmede de
+vloer bekleed was en de voetpunten tikten daarbij telkens met een goed
+hoorbaren klap op den grond.
+
+Zoo joeg hij Jim een paar malen langs de touwen tot de gong een einde
+aan deze ronde maakte, waarin beide strijders bijna of geen letsel
+hadden gekregen.
+
+De secondanten kwamen opnieuw toesnellen en die van Jim fluisterden hem
+iets in, waarop hij grimmig knikte, met de armen wijd uiteen gespreid,
+de handen op de koorden rustend, opdat de borst zooveel mogelijk lucht
+zou kunnen inademen.
+
+Nauwelijks had de gong geklonken, of Jim sprong als een tijger op Joe
+toe, wiens helpers nog nauwelijks den ring hadden verlaten.
+
+Hij greep hem vast en snel achtereen liet hij zijn vuisten dalen op het
+smalste gedeelte van den rug, ter hoogte van de nieren.
+
+De slagen waren met hevigheid aangebracht en dadelijk vertoonde zich
+een scherp begrensde, vuurroode vlek op de blanke huid van Joe Mascott.
+
+Deze omvatte de armen van Jim, teneinde te beletten, dat deze hem
+nogmaals op die gevaarlijke plek zou kunnen treffen en de
+scheidsrechter moest ten slotte een einde maken aan deze „clinching”.
+
+Als hagel daalde nu de slagen van Jim op hoofd en borst en maag van Joe
+neder, die alle moeite had, door snel duiken en afweren, dien regen van
+hevige stooten te ontgaan.
+
+Pinkerton zat stokstijf op zijn stoel en keek met valsch schitterende
+oogen naar het schouwspel, waaraan voor hem zooveel afhing.
+
+Hij kon zich volstrekt niet begrijpen, dat Joe zich zoo uitstekend
+verweerde maar wat kwam het er op aan, als Jim de sterkste bleek?
+
+Maar deze ronde, waarin Jim bijna voortdurend was aangevallen, had hem
+blijkbaar vermoeid en zijn secondanten liepen zenuwachtig heen en
+weder, met water en in azijn gedrenkte sponsen, terwijl Joe kalm naar
+zijn stoel liep en zich rustig liet behandelen, zonder een zweem van
+vermoeidheid.
+
+Toen de gong het begin van de vijfde ronde aankondigde, veranderde Joe
+eensklaps van taktiek.
+
+Hij liet eerst een waren wervelstorm van slagen op zich neerkomen, dien
+hij moedig het hoofd bood en greep toen Jim plotseling vast, waarna hij
+hem bliksemsnel achtereen drie hevige stooten in de maagholte
+toebracht.
+
+Jim wankelde achteruit en vergat een onderdeel van een seconde, zich te
+dekken.
+
+Dat was voldoende voor Joe.
+
+Hij draaide vliegensvlug om den tegenstander heen, die slechts
+stommelend scheen te volgen en naar adem snakte en trof hem met een
+zwaaienden slag tegen de kaak.
+
+Jim ging tegen den vloer.
+
+Hij viel als een blok en bleef bewegingloos liggen.
+
+De scheidsrechter knielde naast hem neder en begon te tellen.
+
+Reeds waren vijf seconde verloopen.
+
+„Meetellen, meetellen, Jim!” brulden de supporters van den bokser.
+
+Maar Jim was niet bij machte, mee te tellen, want hij wist niets meer
+van een bokswedstrijd, van Joe Mascott—hij was bewusteloos.
+
+De tien seconden werden onder doodsche stilte uitgeteld.
+
+Toen verhief zich een waar gebrul en men bestormde den ring, om Joe in
+triomf rond te dragen.
+
+Pinkerton zat wit van woede op dezelfde plaats.
+
+Het was zoo snel gegaan, dat hij nog ternauwernood wist, wat er
+eigenlijk gebeurd was.
+
+Toen hij weer eenigszins tot besef van zijn toestand was gekomen, keek
+hij in het gelaat van Lord Aberdeen, die op zachten toon tot hem zeide:
+
+„Ik zou u zeer gaarne op dit oogenblik even gesproken hebben over een
+gewichtige zaak, mijnheer Pinkerton! Hebt gij soms een kwartier voor
+mij? Mijn auto staat buiten en uw huis is niet ver hier vandaan!”
+
+Pinkerton keek Raffles een weinig verbaasd en versuft aan en zeide:
+
+„Als het een zaak van belang betreft, Mylord..... Ik kan mij alleen
+niet begrijpen.....”
+
+„Het zal u spoedig duidelijk worden, als ik u zeg, dat het den
+wedstrijd betreft—en wat daaraan is vooraf gegaan!”
+
+Pinkerton werd zoo mogelijk nog bleeker en stotterde:
+
+„Ik begrijp u niet, Mylord!”
+
+„Dan zullen een paar woorden voldoende zijn, om u de zaak uiteen te
+zetten,” hernam Raffles kortaf.
+
+En hij maakte een beweging naar den uitgang, die aan duidelijkheid
+niets te wenschen over liet.
+
+Ondanks zich zelf, stond Pinkerton op en volgde Raffles naar den
+uitgang van het Cristal Palace.
+
+Daar stond de groote blauw gelakte auto van Lord Aberdeen reeds te
+wachten.
+
+Raffles noemde zijn chauffeur het adres van den bankier en daarop
+stapten beiden in.
+
+Onderweg werd geen woord gewisseld.
+
+Slechts eenmaal had Pinkerton getracht, aan Raffles te vragen, waarover
+hij hem wel mocht willen spreken, maar deze had kort geantwoord:
+
+„Dat kan ik u beter in uw woning zeggen, mijnheer Pinkerton.”
+
+Nu stond de auto stil en Pinkerton haalde zijn huissleutel te
+voorschijn en bracht Raffles naar zijn werkkamer.
+
+„En nu ben ik toch waarlijk benieuwd naar hetgeen gij mij te zeggen
+kunt hebben, Mylord!” kwam Pinkerton met een flauwen grijnslach om zijn
+dunne lippen. „Neem plaats wat ik u verzoeken mag.”
+
+„Dank u. Wat ik te zeggen heb, kan ik ook wel staande doen en mijn tijd
+is kort,” kwam Raffles afgemeten.
+
+Hij keek den bankier even strak aan en begon:
+
+„Misschien hebt gij wel vernomen, mijnheer Pinkerton, dat ik belang
+stel in Joe Mascott. Het spreekt dus ook van zelf, dat deze wedstrijd,
+waarvan voor hem zooveel afhing, mij bijzonder aantrok. Nu is Joe
+verliefd op een jong meisje, zekere Daisy Chairman, waarop ook gij uwe
+blikken schijnt te hebben laten vallen, al is het dan ook op een andere
+wijze dan onze jonge vriend, die niets liever wenscht, dan haar tot
+zijn vrouw te maken—en dat ook doen zal, als het in zijn macht ligt!”
+
+Hij zweeg even en vervolgde toen, op den zelfden rustigen toon:
+
+„Het is mij bekend dat gij een schuldvordering op den ouden Chairman
+hebt, mede in den vorm van aandeelen in zijn zaak. Ik stel u voor, de
+eene zoowel als de andere van u te koopen!”
+
+„Te koopen, Mylord?” herhaalde Pinkerton op zoetsappigen toon. „Maar ik
+denk er niet aan, mij van die papieren te ontdoen!”
+
+„Ik begrijp uw beweegredenen zeer goed, mijnheer Pinkerton,” ging
+Raffles onverstoorbaar voort. „Gij denkt met die schuldvorderingen den
+ouden Chairman in uw macht te hebben—en ook Daisy, zijn dochter! Gij
+redeneert—om haar vader van den ondergang te redden, zal zij toegeven.
+Maar gij vergeet, dat nu de toekomst van Joe Mascott verzekerd is. Ik
+bijvoorbeeld zou ten volle bereid zijn, hem morgen als hij er om
+verzocht—en ook al deed hij het niet—desnoods tien duizend pond
+sterling op zijn prijzen voor te schieten—en ik weet zeker dat ik het
+geld spoedig zou terugkrijgen. Maar daarover spreken wij thans niet. Ik
+herhaal alleen mijn verzoek, mij uwe schuldvordering op Chairman te
+verkoopen. Uw spel is toch verloren—en gij doet er misschien een
+voordeelig zaakje mede. Voordeeliger dan..... dat andere zaakje met het
+middeltje, hetwelk George Malony aan Joe heeft moeten toedienen, op uw
+bevel!”
+
+De slag was raak!
+
+Pinkerton werd grasgroen en moest zich aan de tafel vasthouden.
+
+„Wat.... wat bedoelt gij, Mylord?” stamelde hij.
+
+„Kom, laten wij geen comedie spelen, mijnheer Pinkerton!” antwoordde
+Raffles ongeduldig. „Ik weet alles, Malony zit al achter slot en
+grendel wegens het toebrengen van lichamelijk letsel—en het behoeft Joe
+maar een enkel woord te kosten, of hij klaagt u ook aan. En dat woord
+kan ik hem laten spreken, bedenkt dat.”
+
+Hij wachtte even en vervolgde toen glimlachend:
+
+„Nu—die papieren?”
+
+Pinkerton schraapte een paar maal zijn keel en zeide toen op heeschen
+toon:
+
+„Als ik u die schuldvordering verkoop, Mylord—kan ik er dan zeker van
+zijn dat Joe Mascott geen gevolg geeft aan........ aan die zaak met
+Malony?”
+
+„Daarop geef ik u mijn woord, al hebt gij het zeker niet verdiend!”
+
+Zonder iets te zeggen, trad Pinkerton snel op zijn bureau toe, ontsloot
+het en nam er een pak papieren uit, dat hij aan Raffles ter hand
+stelde.
+
+„Deze bladerde er even in, en zeide toen koeltjes:
+
+„Ik koop ze voor het nominale bedrag—is dat goed?”
+
+„Dan lijd ik schade—maar in ’s hemels naam—ik heb de partij verloren,”
+zeide Pinkerton met een zuurzoet lachje.
+
+Raffles schreef snel een cheque en stak die den bankier toe.
+
+Daarop liet hij de schuldvorderingen in zijn zak verdwijnen, nam zijn
+hoed, maakte een stijve en zwijgende buiging voor Pinkerton en verliet
+diens huis, om zich haastig naar Chairman te begeven, waar hij een
+vroolijke en gelukkige familiegroep bijeen vond, waarvan ook Joe
+Mascott deel uitmaakte.......
+
+Des avonds echter zeide hij droogjes tot Charly, toen de beide vrienden
+zich ter ruste zouden begeven:
+
+„Schrijf dien Pinkerton eens even op ons lijstje, mijn waarde!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76765 ***