summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76762-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76762-0.txt')
-rw-r--r--76762-0.txt1474
1 files changed, 1474 insertions, 0 deletions
diff --git a/76762-0.txt b/76762-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2357486
--- /dev/null
+++ b/76762-0.txt
@@ -0,0 +1,1474 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***
+
+
+
+
+
+ TUINTJES
+
+ C. M. VAN HILLE-GAERTHÉ
+
+ TWEEDE DRUK
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE MAN EN ZIJN TUIN
+
+
+En voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het
+weten gepaard met die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was.
+
+Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de
+plek in den tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als
+wreedaardig-aangevreten was tusschen de wazig-zachte spyrea en de hooge
+delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen uit een Oostersch
+sprookje.
+
+Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel
+waren de campanula’s nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was
+het: al die kleurige klokken, de paarse, de blauwe, de rood-geaderde;
+en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein.
+
+Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt hadden
+gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en
+gemijmerd: Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een
+klokkelied, een levens-symphonie; het lichte geklank van de wijde,
+witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was en
+blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, de
+lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel
+krachtig was en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart
+en hartstocht en zonde. En als ik de klanken gevonden had en de
+melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af laten zingen het groote
+sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd waart rond
+het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn,
+nauwelijks verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het
+jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger worden en sterker en het einde
+zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende harmonie.
+
+—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in
+elkaar kan flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te
+verbeelden, dat hij een symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes,
+terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid heeft.
+
+En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen
+geloopen, als getrapt.
+
+Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken
+was en alle planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven
+naar den zonnigen zomerhemel, waren de campanula’s niet anders geweest
+dan de andere bloemen: blijde open kelken—een schoonheid, een
+verheugenis.
+
+En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd,
+hoe hij zoo’n vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had
+uitgedacht, dat het hem nu was, alsof hij naar den vorm kon tasten als
+naar een bezit. Den ganschen dag had hij met die gedachte gespeeld en
+er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest om de
+kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid.
+
+Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven
+aan Meta, die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te
+praten, aan Meta, die volkomen onverschillig voor bloemen was. En juist
+de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats aan tafel dag aan dag had zien
+groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan.
+
+—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak
+afgesneden, er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder
+je zoo?
+
+Elise haalde de schouders op. „Plunderen,” zei ze en haar mond trok
+neer, „plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik
+soms eerst aan jou vragen, van welke plant ik wel een bloemetje mag
+plukken en van welke niet?”
+
+—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend
+schouderophalen voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t.
+
+—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in
+’t vervolg iemand bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar
+kwartjes koopen.
+
+Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur
+zei ze: „Als je koffie wilt, bel dan even.”
+
+—Ik wil geen koffie.
+
+—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het.
+
+Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet
+zich van haar hoogen stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes
+van ’t slabbetje. Hij zag het niet.
+
+Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel
+afschoof, zag hij het kind staan.
+
+—Wat knoei je daar toch aan je hals?
+
+—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte,
+slepende stemmetje.
+
+—Kom eens bij me.
+
+Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de
+slab bengelde op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de
+verwarde bandjes vol knoopen.
+
+Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke,
+bruin-verbrande handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het
+zachte gespannen, witte velletje zag hij de blauwe vertakking van de
+fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij haar keeltje.
+
+Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een
+tenger kindje is het toch, wat een poppetje.
+
+—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft
+dat nou zoo raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en
+alles stijf aangetrokken.
+
+—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze.
+
+Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan
+’t kibbelen geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de
+bandjes, die het nog niet kon strikken op gevoel. En den heelen
+maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind gezegd, altijd maar samen
+gekeven over die bloemen.
+
+—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde....
+
+—Als je een haarspeld had.... zei ’t kind.
+
+—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn
+scheiding maak.
+
+Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg
+was ineens uit de groote, grijze oogen weg.
+
+—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang
+genoeg en dan hebben we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen
+in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn dochter, klaar ben je!
+
+—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij
+door de serre den tuin instapte.
+
+Hij bleef staan bij de campanula-planten.
+
+Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets
+dan knoppen hadden van een zoo vage kleur, dat ze de verrassing van
+blauw of paars of rood of wit nog verborgen hielden binnen hun kelken
+en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende pracht.
+
+Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte
+takken, waarvan de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen.
+Toen nam hij z’n zakmes en sneed de gebroken stengels tot den grond af.
+
+Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in
+elkaar geknepen op den rug.
+
+Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling
+getroffen door het strakke gezichtje.
+
+Wat stond ze daar verdrietig.
+
+Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg,
+misschien loopen ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het
+najaar.
+
+—Heusch?.... en het klonk als een snik, die de spanning brak... zou dat
+kunnen?.... O, Paps!
+
+Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles
+meegeleden? Wat misdoen we toch aan je!
+
+En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige
+oogen, zei hij: „De riddersporen bloeien immers óók nog eens voor een
+tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden hebt. Kom, nu
+gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van
+de plaats des onheils.”
+
+Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd.
+
+Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot
+schreiens toe gedrukt had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te
+zamen in eensgezindheid door den bloeienden avondtuin liepen.
+
+—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums,
+die bloeiden naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou
+zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n blauwe jurk en dan een oranje koord,
+juist die kleuren.
+
+—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan
+eens naar een winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met
+een oranje koord; en voor mij een das, blauw met een oranje
+kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen.
+
+—En dan kan iedereen zien, dat je mijn Paps bent.
+
+Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig
+zijn tekort gevoeld.
+
+De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis.
+Omdat hij een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het
+huis gekocht. Op warme zomer-avonden roeide hij langs de rechte
+waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, waar de lange margrieten
+wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter iedere
+groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel
+zoo eindeloos hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes
+en de onbewogen koebeesten.
+
+Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was
+het hem een lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte
+pijpje te zitten rooken en te kijken naar de kleine schuiten met
+groenten en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar
+het stadje brachten.
+
+De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens,
+die hun komst lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet
+voorbijsnelden en lang, nadat ze heengegaan waren, de lucht nog vulden
+met onnoodig lawaai.
+
+Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden
+voortgeboomd door twee stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos
+aangevaren en het was, alsof de gebogen mannen bezig waren een groote
+plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van hun akkers—die de
+vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld en
+voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de
+weekmarkt.
+
+De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit
+onder de poort van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl
+de zon op de oranje wortelen, die dicht aaneen lagen op het groene bed
+van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps van een donziger wit
+binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de
+kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje
+in het broze rood.
+
+De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide
+mannen—pijp in den mond—klonk een gemompelde groet terug.
+
+Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen
+klanken naar beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor
+een, diep en plechtig in de stilte van den jongen morgen.
+
+Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan de campanula’s, die
+ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken der
+bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van
+grijs-verweerden steen daalde het trapje naar de glanzende vaart.
+
+Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de
+tot boerderij geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische
+centrale te bouwen, had de man mèt den bemosten zonnewijzer een
+karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de verdelgende klauwen van de
+moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in zijn handen
+gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel
+gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het
+rasterwerk van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken
+keer als hij het zag was het hem een verheugenis te herdenken, dat
+honderden jaren lang, geslacht na geslacht, heer en knecht getreden
+hadden over den grijzen steen.
+
+En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op
+de oude steenen, gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij
+persoonlijk iets had afgedaan aan de niet-te-delgen schuld, die zijn
+geslacht op zich geladen had door het noodeloos verminken en
+vernietigen, van wat vorige generaties in zoo voorname schoonheid en
+zuiverheid van proporties hadden opgebouwd.
+
+En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t
+glooiende wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila
+kelkjes en gele sterretjes gebeurd.
+
+Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep
+langs het grasgazon rond den zonnewijzer.
+
+Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een
+juichenden Septemberdag in hun verlovingstijd in den leegen tuin
+gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen en de denkbeeldige
+planten.
+
+—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne
+en muurbloemen en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten
+wat dieper in: klaprozen en akeleien in alle kleuren; en heelemaal
+achteraan langs de schutting geweldig-groote zonnebloemen. En bij de
+schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums
+van af het dakje.
+
+En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer hadden gestaan en stil
+gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar
+werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen
+hield, gelegd op den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van
+opgeslorpte zonnestralen en vertrouwelijk zacht van ouderdom. En met
+iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had hij geciteerd:
+
+
+ Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire—
+ A laisser de côté les moments ténébreux,
+ Mais à nous souvenir de ces jours de lumière,
+ Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?
+
+
+Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en
+in een verteedering om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote,
+sterke man leefde, had haar hoofd tegen z’n arm gelegd en gesmeekt:
+„Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen en de verzen en
+de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?”
+
+—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor
+alles, wat je mij geven wilt.
+
+Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet
+bitter weinig te bieden had.
+
+En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden waren, toen het
+eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars en
+geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het
+grasveld, had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet
+van den zonnewijzer.
+
+En de man, die eens de onverwachte woorden: „Je marque seulement les
+heures de soleil” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte,
+liet de spreuk, die tot hoon van zijn leven geworden was, begraven
+onder het gouden mos.
+
+Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee
+tennissen?”
+
+—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met
+het kind bukte hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers.
+
+—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan
+kijken naar de twee in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich
+zeer eenzaam.
+
+Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar
+binnen. En op den rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot,
+tuurde ze den lichten avondhemel in.
+
+Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld
+te gaan en ze zat op het bed langzaam te denken, hoe het al deze jaren,
+nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, gegaan was met haar leven,
+hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen en de
+schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den
+rijkdom, die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te
+verlaten voor een, dat groot was en statig en vol gerief, omdat hij
+nooit afstand wilde doen van den tuin, die onder zijn werkzame handen
+was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige schoonheid.
+
+En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een
+vertroosting en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de
+zorg en arbeid, die hij van hem eischte en hem de lange winteravonden
+bezighield, als hij een nieuwe indeeling zocht en een schooner
+schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl hij zat te
+zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten
+voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die
+verborgen liggen in de uren van afgeslotenheid en niet kende den
+rijkdom van eigen gedachtenwereld, voor wie de stilte niet anders was
+dan beklemming, had arm en verveeld naast hem gezeten, hunkerend naar
+het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen haar
+konden brengen.
+
+En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar
+leven geworden, want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende
+krullen rond een blozend appelsnoetje—een kind, dat voor ieder een
+onbevangen blik had en een rap woord.
+
+En ook het kind werd getrokken door den tuin.
+
+Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar
+winterverblijf in Italië en Nizza.
+
+„De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en
+Noorwegen; we blijven er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis,
+Elise? Ga je lang?”
+
+—Niet langer dan veertien dagen.
+
+Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen
+wil laten. En toch komt de concierge van het kantoor iederen dag
+sproeien.
+
+En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde:
+een groot huis en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi
+en vroolijk waren, was ze met haar den tuin ingeloopen en had de eene
+campanula na de andere afgebroken om haar man te kwetsen in wat ze
+wist, dat hem een vreugdevol bezit was.
+
+Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol bloemen heel de zonnige
+straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos droeg,
+als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een
+versmaad werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad
+haar tot een nederlaag.
+
+Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den
+man de begane wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten
+tusschen de felle fonkeling van de gloeiende papavers en den grilligen
+groei van de luchtige akeleien, begon ze te beseffen, hoe smartelijk ze
+hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het oude trapje en
+ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het
+vaartje, waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele
+donkerheid, die lag onder de lage iepen van den overkant, dacht ze: Als
+we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen opwachten en ’t hem
+zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de latyrus
+en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet.
+
+Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse
+saxifraga, die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de
+kleine blaadjes.
+
+Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar voet terug en het
+verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van het
+vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze
+zich gevangen gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel
+prettig moest zijn om straks bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen:
+„Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat is onze tuin aan den
+waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk toch, dat
+andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een
+verveloos hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, ... met onzen tuin.”
+
+Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze,
+dat in het alledag-leven de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch
+wel van zeer groote waarde zijn.
+
+En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de
+zachte gevoelens, die lagen te wachten op koestering en milde
+ontferming, had teruggeduwd.
+
+Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de
+tegenwoordigheid van het kind hadden ze niet ontzien.
+
+Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren van het rijpe gras
+naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund had? En
+ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was.
+
+Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind.
+
+Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in
+hand, staan bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het
+schuurtje. Ze spraken heel zacht en vertrouwelijk, alsof ze samen een
+lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. Ze zag het opgeheven
+kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één zelfde
+bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet
+eens van de kinderstem onderscheiden kon.
+
+Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en
+later van de verven en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk.
+Ik...
+
+In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen
+had.
+
+Ze riep het kind niet.
+
+Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje
+belachelijk, omdat ze als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te
+denken, wat ze nu verder voor goede dingen moest doen.
+
+Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp aansteken. Frank
+houdt zooveel van petroleumlicht.
+
+Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend
+twee-en-dertig te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden
+kind.
+
+En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon
+niet eens hoorde. Hij vertelde rustig door: „.... en dat zijn de
+nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes zitten te slapen, maar des
+nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien en bijna alle
+bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die
+nachtvlinders ergens trek in een beetje honing en den heelen dag zijn
+alle atalanta’s en de dagpauwoogen en de zandoogjes en de blauwtjes de
+kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie is een grappenmaker
+en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange
+zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders
+slapen, zet ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je
+bij de keuken al ruiken kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en
+de nachtvlinders met de zwakke oogjes vliegen regelrecht op de
+kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.”
+
+—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn
+hand.
+
+En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens
+diep in mijn vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan,
+dit vertrouwde spreken? Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het
+kind liep verloren achter me aan. Dat moet toch niet, ik met de bloemen
+en het kind alleen en de vrouw in huis.... alleen. Wij drieën.... Ik
+moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch méér
+dan de tuin.
+
+En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan
+bloemengeur is de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen
+man en vrouw. De geuren waren wel zoet, maar de klanken waren zoo hard
+geweest.
+
+—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde
+zich om en zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat
+zijn vrouw achter het theeblad en borduurde een kinderkraag.
+
+Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind
+wachtte in de vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er,
+alsof ze van hem hield.
+
+Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen hij wat
+onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?”
+
+Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank.
+
+—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen
+thee te drinken.
+
+—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen?
+
+Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet
+ontgaan en ze gevoelde zich zeer begenadigd.
+
+De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht
+heel zacht, nu ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij
+verheugde zich in haar jonge, zangerige stem, toen ze tot het kind zei:
+„Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. Ik heb je
+kopje al meegebracht.”
+
+En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het
+onverwachte van dezen vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit,
+wat de anderen nog niet durfden uitdenken: „Ik vind het ècht zoo
+allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.”
+
+En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam,
+als had ze een som op te lossen: „Een vader.... en een moeder.... en
+een kind.... dat’s sámen drie.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+KINDERTUINTJES
+
+
+Als Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer
+was—als Black oud is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin
+heelemaal anders aanleggen. Hoe vind je dit? en ze legde de platen van
+Homes and Gardens boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was
+te lezen, zoodat alle Buitenlandsche politiek opeens tot op z’n knieën
+zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten steenen, dat
+zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met
+rozen begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook.
+
+—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij
+grabbelde onder den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig
+was hem te ontglippen.
+
+—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin
+kunnen hebben, ’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf
+diep, had je dat gedacht?
+
+—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was.
+
+—Nou, triomfeerde ze, en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op
+den blanken onderkant van de plaat, hier moet je je ’t huis denken en
+dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde wàt bloeit, de
+achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één pad,
+dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van
+dat pad kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe
+eereprijs en iets roods of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine,
+kleurige plantjes tusschen de steenen?
+
+—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben?
+
+—Later immers, als Black.... fluisterde ze, met een blik op Bertje.
+
+—O, ja.
+
+—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas
+verhoogen en inplaats van die vervelende frambozen ramblers planten,
+zal je eens zien, hoe prachtig die achterkant zal worden, want de
+schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. En met zoo’n
+hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel
+dieper.
+
+—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook
+niet vergeten, dat ze natuurlijk precies nièt de vervelooze kolenhokken
+er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, waar altijd lappen
+aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas
+maskeeren kunt.
+
+Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig
+bekeken had, nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen,
+terwijl Bertje van zes in den tuin scharrelde en Mieke in den zandbak
+een rij versche poffertjes versierde met stralende meizoentjes.
+
+De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte
+zand stuift altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de
+tuin wel beschamend-leelijk en ze keek naar de kleurlooze rekpalen,
+waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, omdat je aan hooge ringen de
+mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het grasveldje, waar
+het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en
+paardenbloem-planten voor z’n konijnen.
+
+Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een
+rijtje, door een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den
+bedenkelijken graaslust van de konijnen.
+
+Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde ze; als later de
+konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is het
+schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen
+inrichten, zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van
+een oud waschhok den voorkant wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers
+plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden op te lossen—en
+nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer,
+met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren.
+
+De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het
+domme, platte deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars,
+met een pruikje zilverig huislook voor de gemoedelijkheid en dan in
+dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere gebogen takjes
+en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou
+hangen. De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de
+morgenzon juist in het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege
+voorjaar ’s morgens met mijn werk kunnen zitten. Maar dan moet de
+aanleg van den tuin toch weer anders zijn.
+
+Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp
+ze een nieuw plan van een recht weggetje met roode plavuizen, want ze
+was, vanwege de begroeide barsten, verknocht aan steenen paadjes. En
+aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en rondom vol
+bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen,
+rond het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en
+blauwe druifjes als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras.
+
+Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me
+koopen, ik heeft al een winkel vol.
+
+—Als deze kous klaar is, kom ik.
+
+—Is ie gauw klaar?
+
+—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een
+kwartier met haar winkel laten zitten.
+
+Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de
+betaling, sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om
+haar schouders, riep: „Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en
+wandelde met haar neus in de lucht, om Mieke’s gespannen blik te
+ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel
+toestapte.
+
+—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop?
+
+—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open,
+ping-dicht, dat doen deuren van winkels ook altijd. Dáár is de deur,
+wees Mieke met een zanderig vingertje een gat in de lucht.
+
+Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een
+ping-open, ping-dicht en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer
+binnen.
+
+—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er
+boven op en twee met gele. En heeft u ook een groote taart?
+
+—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik
+vergeten.
+
+—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u
+hem nog voor me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met
+vruchtjes op zij.
+
+—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig?
+
+—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar.
+
+—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig
+is.
+
+—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag
+er boven op. Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis,
+m’n kindertjes hebben zooveel gaten in hun kousen, die moet ik nog
+allemaal maken.
+
+—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes.
+
+—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes.
+
+Dag taartjes-juffrouw.
+
+—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap.
+
+—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien
+rijp en gisteren waren er ook al twee.
+
+—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje
+wit.
+
+—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er
+zóó’n groote aangegroeid.
+
+Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven
+de plant.
+
+—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers,
+aardbeien en frambozen is het allerprettigste; wat zitten de frambozen
+vol, hè?
+
+Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de
+schutting en ze speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die
+altijd even frischgroen en vroolijk op de meest ongelegen plaatsen in
+den tuin weer opdoken.
+
+Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, ze moeten er later
+allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal ik
+delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de
+frambozen en de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van
+geen beperking wisten en toch maar altijd weer verwilderden. En als het
+buitensporig aantal goudsbloemen in Joops tuintje wat verminderd en die
+slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou ze toch een
+prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De
+kindertuintjes lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois
+kunnen worden.
+
+Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert,
+om ’t gras voor de konijnen te knippen.
+
+Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen
+van af haar plaats op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze
+nog, die gaat er het eerst uit.
+
+—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie?
+
+—Over vijf minuten.
+
+—En eet je er een koekje bij?
+
+—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel.
+
+—Maar een ècht koekje?
+
+—Nee, geen echt koekje.
+
+Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over
+Bertje’s tuintje.
+
+Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee
+onderwijl naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit
+het buffet haalden.
+
+Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje
+riep: „Even je oogen dicht doen en nòu weer open.”
+
+En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met
+frisch-groen aardbei-blad en midden op, binnen een krans van
+madeliefjes, Bertje’s groote, roode, rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid
+met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk schaaltje twee
+paar stralende kinderoogen.
+
+—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op
+te eten; hij is al zoo mooi om naar te kijken.
+
+—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke
+heeft bedacht van de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t
+schoteltje.
+
+—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om de beurt een hapje; als je
+langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij smaakt naar de
+zon.
+
+—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie
+regelmaat draad-op, draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s
+schort liet gaan, toefden haar gedachten nog bij de verrassing, die de
+kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid hadden. Was
+eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte?
+
+Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen
+op de ontbijttafel. En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel
+goudsbloemen kweekte, om haar op haar verjaardag met de groote tinnen
+vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. En op een
+reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en
+vergeet-mij-nietjes, dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch
+het eenige troostende en opwekkende geweest in die sombere uren van
+kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de
+kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers
+van André, dat hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig
+gezongen hadden.
+
+Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, die bloeiden in den
+zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien,
+wieden, planten of oogsten.
+
+—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als
+je zoo zit en je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een
+huis, dan zie je alleen de lucht en de planten en de bloesems—’t is
+hier net als in een bloemenlaantje.
+
+Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden,
+terwijl de vruchten al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje.
+Heel stil zat hij er te droomen in zijn laantje.
+
+Een laantje... peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen
+kinderjaren... wat was dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan
+was er altijd diep in je de verwachting om het geheimzinnige... O, toen
+je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou uitloopen op de
+verrassing....
+
+Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat
+leelijk is—de huizen-muren en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend
+waschje van de achterburen—buiten te sluiten en met groote, verlangende
+oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met groen en
+bloesems onder den hoogen, blauwen hemel.
+
+O, mijn jongetje....
+
+Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven?
+’t Was Joop...... ’t Was Joop die op een kouden December-avond de
+konijnen verzorgd had.
+
+—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam.
+
+En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had
+gezegd: Met Bertje in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi
+en boerenkool gegeven en ze toegedekt en we hebben aldoor samen op de
+kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe dol-gezellig het
+in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes
+keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel
+in ’t schuurtje willen wónen.
+
+En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je
+levenlang die gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer
+behouden moogt!
+
+Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om
+den paal. Het drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t
+feestgezang:
+
+
+ Lang zal Mieke leven....,
+
+
+vanwege een onbewuste herinnering aan de vele verjaardagen, dat ze
+onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort
+hun feestliederen hadden staan zingen.
+
+En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n
+arm den tuin ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen
+de bloemen en ’t groen van het rek bengelden en de kinderen boven
+elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant gat en een arm rond
+den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. En
+’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte
+oogen krakelingen gehapt van de zwierende ringen.
+
+En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste
+knappende radijsjes, de eenige appel van Joops boompje, die een week
+lang op de vruchtenschaal had geprijkt, voor ze hem—om niets van een
+zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en al genoten
+hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme,
+huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist.
+
+En ieder feest was geworden in den tuin.
+
+Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen
+frambozen vol zoete beloften en hardnekkige uitloopers meer zouden
+zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. Ze zou niet meer
+hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte
+konijntjes. En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan
+haar voeten in de ringen hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe
+aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden kant te beschouwen.
+
+En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn... en al de stage
+werkzaamheid en de blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen
+en de hoop.
+
+In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar
+eigen-ontworpen tuin, waar de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de
+margarieten in rijken bloei zouden kleuren onder de dicht-betroste
+ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin zou geen
+kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder
+komt U éven kijken...”
+
+Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend
+haar en licht-gebogen rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut
+lag tegen den wind. De lijsterbes, die een hooge boom was geworden, zou
+met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen.
+
+Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden
+zonneschijn met, als grootste vreugde, een brief van een der verre
+kinderen, met wat naai- en breiwerk voor de kleinkindertjes, om nog
+iets te doen te hebben in haar stille leven, met de vele herinneringen,
+de blijde en de smartelijke.
+
+Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou
+zijn na den rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk
+verdriet, van verrassende teederheid en uitbundige levensvreugde, die
+nu dag aan dag haar deel was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORJAARS-HOFJE.
+
+
+Als een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den
+huizenrand. Met een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als
+een motorfiets dicht langs den trottoirband jakkert; schichtig kijken
+haar knipperende oogen naar de suizende trams, de toeterende auto’s en
+heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras tusschen
+alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den
+beschermenden huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de
+toegeknepen vuisten voor de schouders, sissende komt aansnuiven, als
+was hij de sneltrein zelf, recht op haar aan.
+
+En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar,
+zucht ze verlicht, nu ook de wilde jongen voorbij is.
+
+Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere
+zijde naderen een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee
+luid-babbelende dienstmeisjes, enkel aandacht voor zichzelve, een paar
+kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen
+doen. Want, ach neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en
+hardhoorig en slecht ter been, is geen veilige wijkplaats meer. Is
+juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik afwachtte om de
+straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden
+op de stoep, niet eens aan den rand?....
+
+En dan is ze thuis!
+
+Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die
+onmiddellijk weer achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze
+wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten en nog kortademig van haar
+te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken, in ’t
+voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank,
+luisterend naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu
+opeens gemoedelijk aandoen.
+
+Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat
+toegang geeft tot de heerlijkheid van het hofje.
+
+Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie
+rijen „kamertjes” van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant
+den hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch
+paradijs. Boven de malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van
+meizoentjes, boven het laantje met bessen- en frambozenstruiken vol
+kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes,
+boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge
+pereboomen, slank als populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem.
+
+Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en
+twee aan twee, voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één
+verbonden door een trapgeveltje. Ieder huisje heeft z’n beschuttende,
+groene luikjes ter weerszijden van het raam met de witte
+kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde
+latjes in de vensterbanken groeien.
+
+Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast
+geveltje en in ieder huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke
+heeft in haar huisje haar kamertje met de bedstee en het portaaltje met
+de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf, rommel en waschgoed,
+en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele
+klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water,
+want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en
+den hofjestuin.
+
+Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den
+portier en zijn moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede,
+bonte bloemenkrans liggen rond den moestuin en de bleekvelden de
+tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft tegenover haar eigen
+huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje,
+waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood
+en geel en wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de
+ribesstruikjes hangen vol rozeroode bengeltjes en de goud-bruine
+muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond de open
+kelkjes tuimelen.
+
+Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur
+naar het tuintje; tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als
+een kostbaarheid een kommetje koffiedik met een tinnen lepel en
+moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos, die midden
+in het perkje met den buksrand staat.
+
+—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie
+bemesting.
+
+Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de
+veete van het buksboompje.
+
+Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer
+worden opgejaagd uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in
+het hofje, erfde ze mèt het huisje onder den trapgevel ook het tuintje
+van haar onbekende voorgangster. En met een hart vol erkentelijkheid
+aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En het tuintje
+moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.”
+
+Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een
+kruisbesseboompje en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En
+rondom de stamroos, pal in ’t midden was een perkje viooltjes, omgeven
+door een rand van frisch-glanzende buks, als een ondoordringbaar, groen
+muurtje.
+
+Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje
+gebracht op een handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de
+poort nog gesloten was en alle lancasters neergelaten, toen de
+schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog in de
+pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje
+van links en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met een kolenschop
+hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven en
+overgebracht naar eigen terrein.
+
+En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen
+waren—de schade aan haar buksrand gezien, en gegluurd in de tuintjes
+van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in
+de laatste jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door
+haar verschillende huisjuffrouwen is ze ook subiet naar haar buur
+gestapt en heeft haar den diefstal verweten.
+
+Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is
+er dadelijk bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je
+pallempies, je hebt nooit pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle
+vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw Noot het ze bij d’r leve nog
+besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t is een schande om
+die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer
+verwere kan.”
+
+En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en
+heeft beslist, dat de buksjes moesten worden uitgegraven en
+teruggebracht naar de plaats, waar ze hoorden.
+
+Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen
+allen gezwegen en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond
+haalde, hadden de wortels niet eens aarde gepakt.
+
+Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden!
+
+Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen
+tusschen de andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde
+overplanting nooit te boven gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek
+in het glanzende buksmuurtje geweest en ondanks twee kannetjes water
+per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen haar
+buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden
+in het hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar
+de dichte groei der andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens
+zoo moedwillig geschonden was.
+
+En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete
+droom verstoord, dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje
+gedroomd had, als een gezegend land van enkel vriendinnen, elkaar
+dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid van deze
+plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de
+onbetrouwbaarheid, de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit
+vermoed.
+
+Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die
+juffrouw Ruitjes in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw
+de Konings vreedzamen gedachtengang telkens weer verstoort door met den
+spot in haar kleine oogjes op het onverwachts te vragen: „En hoe gaat
+het nou met de pallempies, groeie ze flink?”
+
+Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens
+„de baker” heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die
+regent is, eens heeft hooren zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?”
+
+En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder
+op visite kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog
+gebakerd en in haar kamertje hangt in een rood-fluweelen lijstje een
+portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck op schoot—een schaap van
+zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes van juffrouw
+Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een
+wagentje.
+
+„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot, „niks as kale bluf; ze hange
+d’r alleen maar, om te late kijke, dat ze de grootheid op d’r schoot
+gehad heeft.
+
+„De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de
+grootheid.”
+
+De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was
+in het groote huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op
+de linnenkamer, om het fijne damast te stoppen en schooljurken te
+naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge freules. En onder het
+passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van hun
+kostschooltijd en de uitgangen.
+
+Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote
+liefde haar trouw, warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en
+den jonker en den ouden baron.
+
+Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven
+op de hooge linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s
+avonds, als de booien, met wie ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de
+keuken waren.
+
+Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de
+kinderen nakeek van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke
+of onverschillige ruggetjes, in de onwillige of dansende, kleine beenen
+hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen.
+
+Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje
+van ’t Veen tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken
+over wat voor haar is verzwegen.
+
+De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie
+met den kleinen trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen
+gezant. Zoo strak en stil had ze gestaan bij Dientje, toen die haar de
+onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje, geknield en
+toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die
+freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden....
+
+Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land
+naar het andere; soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in
+Den Haag—met haar ouderen man, zonder kinderen. Dientje had haar nooit
+weergezien.
+
+En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar
+gestorven... plotseling...
+
+De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan
+en de tafel had getrild, terwijl hij z’n saamgeknepen handen steunde op
+het blad. Een oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag.
+
+Plotseling... zijn hart... was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang
+niet...
+
+Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het
+wel.
+
+Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote,
+zwaarmoedige oogen.
+
+„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had
+ze wel eens geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das
+strikte en de veters van z’n lakschoentjes, en als de rimpel tusschen
+de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte.
+
+Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven,
+ook andere jongens niet..., z’n vader was wel een vriend geweest... en
+z’n dieren: de konijnen, de marmotten, de witte muizen... en dan altijd
+maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen en altijd
+somber... en toen weg naar Indië... alleen... zoo’n knappe, vlugge
+jongen, zoo’n best hart... ach ja, dat hart, dat niet in orde was... te
+zacht, had Dientje gedacht, te gevoelig. Er is zooveel geweld in de
+wereld, zooveel leed... sommige harten kunnen dat niet dragen... op den
+duur...
+
+Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals
+ze vroeger de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje
+inloopen met twee, met drie, met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de
+oude kinderportretten en de souvenirs, die Dientje meegenomen had uit
+het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien nog wist van de
+verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een
+jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon...
+
+—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze
+zeven, toen was het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.”
+
+—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest.
+Hedwig maakt nu naam.
+
+—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen,
+kijk eens, zoo teekende moeder, toen ze... ja, hoe oud zou ik geweest
+zijn, Dien?
+
+—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de
+anderen waren al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat
+bij mij te teekenen en toen werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon
+als freule Hedwig. En toen heeft U een manteltje voor Lucie
+gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie? Een blauw
+manteltje was het met glazen knoopjes.
+
+—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar
+bewaard. Mary, zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor
+Dien?
+
+Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde
+kinderhoofden en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen
+door loopen de kinderen in en uit; ze mogen ieder jaar de witte
+aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje van het
+citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp
+en Mary mag pompen.
+
+Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje
+bij Dientje zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en
+over vader, toen hij nog krachtig en gezond was; over de zoo statige,
+ongenaakbare moeder niet veel...
+
+Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat
+Dientje een huisje in het hofje kreeg.
+
+En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk stak, nu
+Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid,
+terwijl zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t
+kastje naar den muur was gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen
+kon, omdat ze nu toevallig géén baron achter de hand had,—Bot had bij
+het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort uitgeleide deed,
+met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het
+pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.”
+
+—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd.
+
+„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe
+freule noemen ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch,
+alsof ze zelf tot de adeldom behoort.” En in de pret om haar vondst,
+waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van de deftigheid van de ander,
+was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen.
+
+Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van
+die ééne, hebben in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de
+kroon van een familie-wapen—van haar naam het „juffrouw” geschrapt.
+Over haar en over geen ander in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat
+doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman en juffrouw Heintje
+Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er tot het
+vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher
+en juffrouw Mina Visscher.
+
+Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer
+verknocht in stille vijandigheid tegenover de douweriere en de baker,
+omdat die zulke rare dingen in hun kamers hebben staan, omdat ze zoo
+weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen in het pompenhok en
+vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn.
+
+En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje.
+Dat moeten alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs
+juffrouw Heintje, die haar tuintje alleen gebruikt om haar poes te
+luchten.
+
+Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje
+mag haar poes behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit
+los loopt. Ze slaapt op het zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt
+roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap: „Poes?-Poe-oes? Waar is het
+lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?”
+
+Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens
+eenige oogenblikken doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een
+lagere tree zet en in een lichten schok volgen de achterpooten
+noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus van
+zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes
+gedwee haar grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw
+Heintje het einde van den zelfkant aan den bezemsteel midden in haar
+tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel heendraaien en
+krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon.
+
+Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek,
+waar de poes niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en
+tijm voor benauwdheid op de borst.
+
+Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje,
+vindt juffrouw de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een
+bloementuintje? Van bloemen heb je maar last en zorgen, als je ze
+buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen rommel; van een poes
+heb je alleen plezier en gezelligheid.
+
+„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat juffrouw Heintje, die
+op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot, zich
+slaperig zit te koesteren in de lentezon.
+
+„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal
+me benieuwen, of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie
+geld voor uit.”
+
+De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze
+de teedere, jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een
+rose madeliefje naast een vergeet-mij-nietje en dan weer een
+madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond het perkje van
+Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt en
+nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes.
+
+Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de
+rose en blauwe kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en
+licht-blauw—het zal zijn als de kleuren van zijden lint op wit-batisten
+kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes blauw.
+
+Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine,
+rose-gemarmerde lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft
+ze gekleed en gebaad en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes
+moeten losmaken, om ze te kunnen wasschen. En in de rose gezichtjes
+hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes getracht de
+witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de
+donzige koppetjes wreef.
+
+En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog
+nooit was geweest de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar
+aangezien van het eene kindje en het andere.... altijd weer andere
+blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere kindertjes, maar
+allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos.
+
+Rose en blauw, peinst ze.... madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes
+zijn eigenlijk als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze
+bloeien, jaar op jaar worden ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo...
+
+Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat
+je ze maar over aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe
+lucht. En alles gaat goed....
+
+En de anderen.... je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je
+er mee om en het gaat toch niet....
+
+Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets
+behouden hebben van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende
+handen drukken de warme, zachte aarde rond de jonge plantjes dicht en
+even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals zij ze honderden malen
+heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde
+wiegetjes.
+
+Als kinderen zijn jonge plantjes.
+
+Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door
+den geur ontdekt ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar
+gekweekt op een glas.
+
+—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning
+geraden, d’r komt nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou
+uitgemergeld.
+
+Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in
+October heeft ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna
+heeft ze hem vergeten. En nu roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij
+daar zoo schuchter en kleintjes, als had hij nooit iets te maken gehad
+met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster gepronkt
+heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de
+warme, zachte aarde en even is ze gevangen in al die geuren van de
+hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige, jonge groen.
+Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe
+oogen zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer
+onderscheiden kan. En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de
+kwetterende en fluitende en zingende vogels, die hier nestelen onder de
+pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs de stammen. Een
+vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare
+veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje
+wordt niet gevreesd, dat is geen vogeltjes-poes.
+
+Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt
+juffrouw van ’t Veen en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er
+te schilderen zit.
+
+Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het
+roode pannendak met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de
+klompen staan en het potje oranje tulpen voor het raam met de gesteven
+kant-gordijntjes. En al dat licht, al dat jonge, blijde zonnelicht.....
+
+—Mooi, zegt ze stil.
+
+—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje.
+
+—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen.
+
+—Als ik jou had, Dien.... en je vriendin Marijke, zou ik het best
+vinden; zoo heel veel heeft een mensch niet noodig.
+
+Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet... maar je moet het kunnen
+zien.... zooals Freule Hedwig het ziet.... zooals Marijke, de baker het
+ziet.... je moet het voelen....
+
+Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken
+samen naar het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn
+droomen haar beider gedachten terug naar het oude leven in het groote
+huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken... ze hebben het goed,
+als ze samen praten... ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen in
+stil verstaan.... neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet
+noodig....
+
+En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen
+gekomen zijn met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de
+douweriere met d’r thee op een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw
+Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje koffie hale? Gerust
+hoor, je zal je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel
+wat van fijne meniere.”
+
+Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje
+trekt nog wat meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar
+groenen emmer, waarvan de koperen voet zoo uitgelaten fonkelt als puur
+goud in den zonneschijn.
+
+Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en
+ramen te lappen.
+
+Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt
+juffrouw Timmerman kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand.
+Heeft haar moeder niet tot haar gezegd, toen ze nog een meisje van
+vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie drinken bij je
+buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.”
+Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere
+juffrouwen haar verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen
+koffie drinkt ze steeds alleen. En met geen van de juffrouwen hééft ze
+wat; hoe minder je je met anderen bemoeit, hoe minder ruzie. Zoo heeft
+moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika was. En je
+ouders moet je eeren, ook na hun dood.
+
+Recht en stijf, als woog de zware water-emmer niet aan haar arm van
+tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld gaat, waar
+de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar
+oogen worden hard.
+
+Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft,
+om te vragen haar te mogen schilderen.
+
+—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te
+doen; ik ben altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen
+heeft ze de voordeur dichtgedaan, van binnen op slot... Nee, ze hoeven
+haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw van ’t Veen—die
+toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen
+en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen.
+
+Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar
+gaat met het hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden
+rug. Het spijt haar nog altijd van dien kleinen, preutschen mond, van
+die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid, die zit tot
+in de strikken van haar ruitjes-schort.
+
+Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, nu ze er aan denkt,
+hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst
+heeft.
+
+Zoo oud... peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard... och arme...
+
+Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te
+breien op de bank; een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort
+gedaan wordt, krast nu en dan door het gemurmel heen. Dan sussen de
+anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje zwijgt een poosje.
+
+Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen.
+
+En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en
+als het aller-teederste, witte strandschelpje blijft liggen op een
+glimmend-lustren rok, knippen ze het met haar magere vingers weg, alsof
+het een vuiltje was.
+
+Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen
+of getweeën met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan
+de deuren van hun gevelhuisjes staan ze—de kleine bekommerde gezichten
+naar elkaar toegebogen—te praten.
+
+Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en weldadig-goed; stralend
+blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen, op den
+allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig
+liefdelied en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een
+glanzende spreeuw vliegt met een bek vol buit, dwars over het hofje,
+naar z’n nest met begeerige jongen.
+
+Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde
+en jong leven en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol
+teeder-groene bladertjes en kleurige bloesemknoppen.
+
+Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes.
+
+Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol
+maagdelijk-witten bloesem.
+
+En wie van haar zal de vrucht zien rijpen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***