diff options
| author | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-08-29 14:22:02 -0700 |
|---|---|---|
| committer | pgww <pgww@lists.pglaf.org> | 2025-08-29 14:22:02 -0700 |
| commit | f7b9e02ffaafebc0c1e8f5d216d376cd0d6dde72 (patch) | |
| tree | c387523b439c398542d4ffc432ec78d845ddce86 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 76762-0.txt | 1474 | ||||
| -rw-r--r-- | 76762-h/76762-h.htm | 2202 | ||||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 260711 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 294332 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/initial-a.png | bin | 0 -> 12265 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/initial-a2.png | bin | 0 -> 12596 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/initial-e.png | bin | 0 -> 11835 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 39703 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76762-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 7071 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
12 files changed, 3692 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/76762-0.txt b/76762-0.txt new file mode 100644 index 0000000..2357486 --- /dev/null +++ b/76762-0.txt @@ -0,0 +1,1474 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 *** + + + + + + TUINTJES + + C. M. VAN HILLE-GAERTHÉ + + TWEEDE DRUK + + + + + + + + +DE MAN EN ZIJN TUIN + + +En voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het +weten gepaard met die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was. + +Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de +plek in den tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als +wreedaardig-aangevreten was tusschen de wazig-zachte spyrea en de hooge +delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen uit een Oostersch +sprookje. + +Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel +waren de campanula’s nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was +het: al die kleurige klokken, de paarse, de blauwe, de rood-geaderde; +en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein. + +Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt hadden +gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en +gemijmerd: Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een +klokkelied, een levens-symphonie; het lichte geklank van de wijde, +witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was en +blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, de +lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel +krachtig was en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart +en hartstocht en zonde. En als ik de klanken gevonden had en de +melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af laten zingen het groote +sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd waart rond +het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn, +nauwelijks verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het +jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger worden en sterker en het einde +zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende harmonie. + +—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in +elkaar kan flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te +verbeelden, dat hij een symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes, +terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid heeft. + +En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen +geloopen, als getrapt. + +Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken +was en alle planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven +naar den zonnigen zomerhemel, waren de campanula’s niet anders geweest +dan de andere bloemen: blijde open kelken—een schoonheid, een +verheugenis. + +En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd, +hoe hij zoo’n vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had +uitgedacht, dat het hem nu was, alsof hij naar den vorm kon tasten als +naar een bezit. Den ganschen dag had hij met die gedachte gespeeld en +er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest om de +kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid. + +Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven +aan Meta, die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te +praten, aan Meta, die volkomen onverschillig voor bloemen was. En juist +de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats aan tafel dag aan dag had zien +groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan. + +—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak +afgesneden, er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder +je zoo? + +Elise haalde de schouders op. „Plunderen,” zei ze en haar mond trok +neer, „plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik +soms eerst aan jou vragen, van welke plant ik wel een bloemetje mag +plukken en van welke niet?” + +—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend +schouderophalen voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t. + +—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in +’t vervolg iemand bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar +kwartjes koopen. + +Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur +zei ze: „Als je koffie wilt, bel dan even.” + +—Ik wil geen koffie. + +—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het. + +Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet +zich van haar hoogen stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes +van ’t slabbetje. Hij zag het niet. + +Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel +afschoof, zag hij het kind staan. + +—Wat knoei je daar toch aan je hals? + +—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte, +slepende stemmetje. + +—Kom eens bij me. + +Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de +slab bengelde op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de +verwarde bandjes vol knoopen. + +Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke, +bruin-verbrande handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het +zachte gespannen, witte velletje zag hij de blauwe vertakking van de +fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij haar keeltje. + +Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een +tenger kindje is het toch, wat een poppetje. + +—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft +dat nou zoo raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en +alles stijf aangetrokken. + +—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze. + +Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan +’t kibbelen geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de +bandjes, die het nog niet kon strikken op gevoel. En den heelen +maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind gezegd, altijd maar samen +gekeven over die bloemen. + +—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde.... + +—Als je een haarspeld had.... zei ’t kind. + +—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn +scheiding maak. + +Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg +was ineens uit de groote, grijze oogen weg. + +—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang +genoeg en dan hebben we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen +in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn dochter, klaar ben je! + +—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij +door de serre den tuin instapte. + +Hij bleef staan bij de campanula-planten. + +Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets +dan knoppen hadden van een zoo vage kleur, dat ze de verrassing van +blauw of paars of rood of wit nog verborgen hielden binnen hun kelken +en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende pracht. + +Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte +takken, waarvan de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen. +Toen nam hij z’n zakmes en sneed de gebroken stengels tot den grond af. + +Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in +elkaar geknepen op den rug. + +Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling +getroffen door het strakke gezichtje. + +Wat stond ze daar verdrietig. + +Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg, +misschien loopen ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het +najaar. + +—Heusch?.... en het klonk als een snik, die de spanning brak... zou dat +kunnen?.... O, Paps! + +Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles +meegeleden? Wat misdoen we toch aan je! + +En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige +oogen, zei hij: „De riddersporen bloeien immers óók nog eens voor een +tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden hebt. Kom, nu +gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van +de plaats des onheils.” + +Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd. + +Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot +schreiens toe gedrukt had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te +zamen in eensgezindheid door den bloeienden avondtuin liepen. + +—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums, +die bloeiden naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou +zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n blauwe jurk en dan een oranje koord, +juist die kleuren. + +—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan +eens naar een winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met +een oranje koord; en voor mij een das, blauw met een oranje +kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen. + +—En dan kan iedereen zien, dat je mijn Paps bent. + +Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig +zijn tekort gevoeld. + +De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis. +Omdat hij een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het +huis gekocht. Op warme zomer-avonden roeide hij langs de rechte +waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, waar de lange margrieten +wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter iedere +groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel +zoo eindeloos hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes +en de onbewogen koebeesten. + +Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was +het hem een lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte +pijpje te zitten rooken en te kijken naar de kleine schuiten met +groenten en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar +het stadje brachten. + +De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens, +die hun komst lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet +voorbijsnelden en lang, nadat ze heengegaan waren, de lucht nog vulden +met onnoodig lawaai. + +Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden +voortgeboomd door twee stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos +aangevaren en het was, alsof de gebogen mannen bezig waren een groote +plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van hun akkers—die de +vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld en +voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de +weekmarkt. + +De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit +onder de poort van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl +de zon op de oranje wortelen, die dicht aaneen lagen op het groene bed +van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps van een donziger wit +binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de +kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje +in het broze rood. + +De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide +mannen—pijp in den mond—klonk een gemompelde groet terug. + +Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen +klanken naar beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor +een, diep en plechtig in de stilte van den jongen morgen. + +Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan de campanula’s, die +ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken der +bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van +grijs-verweerden steen daalde het trapje naar de glanzende vaart. + +Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de +tot boerderij geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische +centrale te bouwen, had de man mèt den bemosten zonnewijzer een +karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de verdelgende klauwen van de +moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in zijn handen +gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel +gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het +rasterwerk van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken +keer als hij het zag was het hem een verheugenis te herdenken, dat +honderden jaren lang, geslacht na geslacht, heer en knecht getreden +hadden over den grijzen steen. + +En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op +de oude steenen, gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij +persoonlijk iets had afgedaan aan de niet-te-delgen schuld, die zijn +geslacht op zich geladen had door het noodeloos verminken en +vernietigen, van wat vorige generaties in zoo voorname schoonheid en +zuiverheid van proporties hadden opgebouwd. + +En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t +glooiende wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila +kelkjes en gele sterretjes gebeurd. + +Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep +langs het grasgazon rond den zonnewijzer. + +Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een +juichenden Septemberdag in hun verlovingstijd in den leegen tuin +gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen en de denkbeeldige +planten. + +—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne +en muurbloemen en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten +wat dieper in: klaprozen en akeleien in alle kleuren; en heelemaal +achteraan langs de schutting geweldig-groote zonnebloemen. En bij de +schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums +van af het dakje. + +En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer hadden gestaan en stil +gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar +werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen +hield, gelegd op den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van +opgeslorpte zonnestralen en vertrouwelijk zacht van ouderdom. En met +iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had hij geciteerd: + + + Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire— + A laisser de côté les moments ténébreux, + Mais à nous souvenir de ces jours de lumière, + Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux? + + +Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en +in een verteedering om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote, +sterke man leefde, had haar hoofd tegen z’n arm gelegd en gesmeekt: +„Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen en de verzen en +de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?” + +—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor +alles, wat je mij geven wilt. + +Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet +bitter weinig te bieden had. + +En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden waren, toen het +eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars en +geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het +grasveld, had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet +van den zonnewijzer. + +En de man, die eens de onverwachte woorden: „Je marque seulement les +heures de soleil” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte, +liet de spreuk, die tot hoon van zijn leven geworden was, begraven +onder het gouden mos. + +Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee +tennissen?” + +—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met +het kind bukte hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers. + +—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan +kijken naar de twee in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich +zeer eenzaam. + +Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar +binnen. En op den rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot, +tuurde ze den lichten avondhemel in. + +Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld +te gaan en ze zat op het bed langzaam te denken, hoe het al deze jaren, +nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, gegaan was met haar leven, +hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen en de +schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den +rijkdom, die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te +verlaten voor een, dat groot was en statig en vol gerief, omdat hij +nooit afstand wilde doen van den tuin, die onder zijn werkzame handen +was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige schoonheid. + +En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een +vertroosting en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de +zorg en arbeid, die hij van hem eischte en hem de lange winteravonden +bezighield, als hij een nieuwe indeeling zocht en een schooner +schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl hij zat te +zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten +voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die +verborgen liggen in de uren van afgeslotenheid en niet kende den +rijkdom van eigen gedachtenwereld, voor wie de stilte niet anders was +dan beklemming, had arm en verveeld naast hem gezeten, hunkerend naar +het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen haar +konden brengen. + +En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar +leven geworden, want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende +krullen rond een blozend appelsnoetje—een kind, dat voor ieder een +onbevangen blik had en een rap woord. + +En ook het kind werd getrokken door den tuin. + +Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar +winterverblijf in Italië en Nizza. + +„De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en +Noorwegen; we blijven er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis, +Elise? Ga je lang?” + +—Niet langer dan veertien dagen. + +Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen +wil laten. En toch komt de concierge van het kantoor iederen dag +sproeien. + +En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde: +een groot huis en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi +en vroolijk waren, was ze met haar den tuin ingeloopen en had de eene +campanula na de andere afgebroken om haar man te kwetsen in wat ze +wist, dat hem een vreugdevol bezit was. + +Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol bloemen heel de zonnige +straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos droeg, +als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een +versmaad werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad +haar tot een nederlaag. + +Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den +man de begane wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten +tusschen de felle fonkeling van de gloeiende papavers en den grilligen +groei van de luchtige akeleien, begon ze te beseffen, hoe smartelijk ze +hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het oude trapje en +ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het +vaartje, waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele +donkerheid, die lag onder de lage iepen van den overkant, dacht ze: Als +we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen opwachten en ’t hem +zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de latyrus +en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet. + +Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse +saxifraga, die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de +kleine blaadjes. + +Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar voet terug en het +verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van het +vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze +zich gevangen gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel +prettig moest zijn om straks bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen: +„Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat is onze tuin aan den +waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk toch, dat +andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een +verveloos hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, ... met onzen tuin.” + +Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze, +dat in het alledag-leven de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch +wel van zeer groote waarde zijn. + +En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de +zachte gevoelens, die lagen te wachten op koestering en milde +ontferming, had teruggeduwd. + +Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de +tegenwoordigheid van het kind hadden ze niet ontzien. + +Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren van het rijpe gras +naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund had? En +ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was. + +Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind. + +Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in +hand, staan bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het +schuurtje. Ze spraken heel zacht en vertrouwelijk, alsof ze samen een +lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. Ze zag het opgeheven +kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één zelfde +bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet +eens van de kinderstem onderscheiden kon. + +Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en +later van de verven en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk. +Ik... + +In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen +had. + +Ze riep het kind niet. + +Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje +belachelijk, omdat ze als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te +denken, wat ze nu verder voor goede dingen moest doen. + +Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp aansteken. Frank +houdt zooveel van petroleumlicht. + +Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend +twee-en-dertig te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden +kind. + +En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon +niet eens hoorde. Hij vertelde rustig door: „.... en dat zijn de +nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes zitten te slapen, maar des +nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien en bijna alle +bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die +nachtvlinders ergens trek in een beetje honing en den heelen dag zijn +alle atalanta’s en de dagpauwoogen en de zandoogjes en de blauwtjes de +kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie is een grappenmaker +en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange +zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders +slapen, zet ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je +bij de keuken al ruiken kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en +de nachtvlinders met de zwakke oogjes vliegen regelrecht op de +kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.” + +—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn +hand. + +En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens +diep in mijn vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan, +dit vertrouwde spreken? Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het +kind liep verloren achter me aan. Dat moet toch niet, ik met de bloemen +en het kind alleen en de vrouw in huis.... alleen. Wij drieën.... Ik +moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch méér +dan de tuin. + +En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan +bloemengeur is de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen +man en vrouw. De geuren waren wel zoet, maar de klanken waren zoo hard +geweest. + +—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde +zich om en zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat +zijn vrouw achter het theeblad en borduurde een kinderkraag. + +Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind +wachtte in de vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er, +alsof ze van hem hield. + +Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen hij wat +onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?” + +Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank. + +—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen +thee te drinken. + +—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen? + +Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet +ontgaan en ze gevoelde zich zeer begenadigd. + +De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht +heel zacht, nu ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij +verheugde zich in haar jonge, zangerige stem, toen ze tot het kind zei: +„Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. Ik heb je +kopje al meegebracht.” + +En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het +onverwachte van dezen vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit, +wat de anderen nog niet durfden uitdenken: „Ik vind het ècht zoo +allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.” + +En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam, +als had ze een som op te lossen: „Een vader.... en een moeder.... en +een kind.... dat’s sámen drie.” + + + + + + + + +KINDERTUINTJES + + +Als Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer +was—als Black oud is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin +heelemaal anders aanleggen. Hoe vind je dit? en ze legde de platen van +Homes and Gardens boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was +te lezen, zoodat alle Buitenlandsche politiek opeens tot op z’n knieën +zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten steenen, dat +zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met +rozen begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook. + +—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij +grabbelde onder den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig +was hem te ontglippen. + +—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin +kunnen hebben, ’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf +diep, had je dat gedacht? + +—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was. + +—Nou, triomfeerde ze, en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op +den blanken onderkant van de plaat, hier moet je je ’t huis denken en +dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde wàt bloeit, de +achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één pad, +dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van +dat pad kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe +eereprijs en iets roods of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine, +kleurige plantjes tusschen de steenen? + +—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben? + +—Later immers, als Black.... fluisterde ze, met een blik op Bertje. + +—O, ja. + +—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas +verhoogen en inplaats van die vervelende frambozen ramblers planten, +zal je eens zien, hoe prachtig die achterkant zal worden, want de +schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. En met zoo’n +hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel +dieper. + +—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook +niet vergeten, dat ze natuurlijk precies nièt de vervelooze kolenhokken +er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, waar altijd lappen +aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas +maskeeren kunt. + +Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig +bekeken had, nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen, +terwijl Bertje van zes in den tuin scharrelde en Mieke in den zandbak +een rij versche poffertjes versierde met stralende meizoentjes. + +De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte +zand stuift altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de +tuin wel beschamend-leelijk en ze keek naar de kleurlooze rekpalen, +waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, omdat je aan hooge ringen de +mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het grasveldje, waar +het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en +paardenbloem-planten voor z’n konijnen. + +Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een +rijtje, door een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den +bedenkelijken graaslust van de konijnen. + +Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde ze; als later de +konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is het +schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen +inrichten, zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van +een oud waschhok den voorkant wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers +plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden op te lossen—en +nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer, +met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren. + +De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het +domme, platte deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars, +met een pruikje zilverig huislook voor de gemoedelijkheid en dan in +dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere gebogen takjes +en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou +hangen. De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de +morgenzon juist in het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege +voorjaar ’s morgens met mijn werk kunnen zitten. Maar dan moet de +aanleg van den tuin toch weer anders zijn. + +Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp +ze een nieuw plan van een recht weggetje met roode plavuizen, want ze +was, vanwege de begroeide barsten, verknocht aan steenen paadjes. En +aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en rondom vol +bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen, +rond het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en +blauwe druifjes als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras. + +Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me +koopen, ik heeft al een winkel vol. + +—Als deze kous klaar is, kom ik. + +—Is ie gauw klaar? + +—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een +kwartier met haar winkel laten zitten. + +Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de +betaling, sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om +haar schouders, riep: „Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en +wandelde met haar neus in de lucht, om Mieke’s gespannen blik te +ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel +toestapte. + +—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop? + +—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open, +ping-dicht, dat doen deuren van winkels ook altijd. Dáár is de deur, +wees Mieke met een zanderig vingertje een gat in de lucht. + +Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een +ping-open, ping-dicht en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer +binnen. + +—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er +boven op en twee met gele. En heeft u ook een groote taart? + +—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik +vergeten. + +—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u +hem nog voor me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met +vruchtjes op zij. + +—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig? + +—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar. + +—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig +is. + +—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag +er boven op. Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis, +m’n kindertjes hebben zooveel gaten in hun kousen, die moet ik nog +allemaal maken. + +—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes. + +—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes. + +Dag taartjes-juffrouw. + +—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap. + +—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien +rijp en gisteren waren er ook al twee. + +—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje +wit. + +—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er +zóó’n groote aangegroeid. + +Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven +de plant. + +—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers, +aardbeien en frambozen is het allerprettigste; wat zitten de frambozen +vol, hè? + +Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de +schutting en ze speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die +altijd even frischgroen en vroolijk op de meest ongelegen plaatsen in +den tuin weer opdoken. + +Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, ze moeten er later +allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal ik +delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de +frambozen en de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van +geen beperking wisten en toch maar altijd weer verwilderden. En als het +buitensporig aantal goudsbloemen in Joops tuintje wat verminderd en die +slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou ze toch een +prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De +kindertuintjes lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois +kunnen worden. + +Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert, +om ’t gras voor de konijnen te knippen. + +Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen +van af haar plaats op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze +nog, die gaat er het eerst uit. + +—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie? + +—Over vijf minuten. + +—En eet je er een koekje bij? + +—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel. + +—Maar een ècht koekje? + +—Nee, geen echt koekje. + +Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over +Bertje’s tuintje. + +Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee +onderwijl naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit +het buffet haalden. + +Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje +riep: „Even je oogen dicht doen en nòu weer open.” + +En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met +frisch-groen aardbei-blad en midden op, binnen een krans van +madeliefjes, Bertje’s groote, roode, rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid +met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk schaaltje twee +paar stralende kinderoogen. + +—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op +te eten; hij is al zoo mooi om naar te kijken. + +—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke +heeft bedacht van de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t +schoteltje. + +—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om de beurt een hapje; als je +langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij smaakt naar de +zon. + +—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie +regelmaat draad-op, draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s +schort liet gaan, toefden haar gedachten nog bij de verrassing, die de +kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid hadden. Was +eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte? + +Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen +op de ontbijttafel. En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel +goudsbloemen kweekte, om haar op haar verjaardag met de groote tinnen +vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. En op een +reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en +vergeet-mij-nietjes, dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch +het eenige troostende en opwekkende geweest in die sombere uren van +kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de +kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers +van André, dat hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig +gezongen hadden. + +Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, die bloeiden in den +zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien, +wieden, planten of oogsten. + +—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als +je zoo zit en je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een +huis, dan zie je alleen de lucht en de planten en de bloesems—’t is +hier net als in een bloemenlaantje. + +Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden, +terwijl de vruchten al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje. +Heel stil zat hij er te droomen in zijn laantje. + +Een laantje... peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen +kinderjaren... wat was dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan +was er altijd diep in je de verwachting om het geheimzinnige... O, toen +je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou uitloopen op de +verrassing.... + +Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat +leelijk is—de huizen-muren en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend +waschje van de achterburen—buiten te sluiten en met groote, verlangende +oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met groen en +bloesems onder den hoogen, blauwen hemel. + +O, mijn jongetje.... + +Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven? +’t Was Joop...... ’t Was Joop die op een kouden December-avond de +konijnen verzorgd had. + +—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam. + +En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had +gezegd: Met Bertje in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi +en boerenkool gegeven en ze toegedekt en we hebben aldoor samen op de +kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe dol-gezellig het +in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes +keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel +in ’t schuurtje willen wónen. + +En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je +levenlang die gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer +behouden moogt! + +Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om +den paal. Het drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t +feestgezang: + + + Lang zal Mieke leven...., + + +vanwege een onbewuste herinnering aan de vele verjaardagen, dat ze +onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort +hun feestliederen hadden staan zingen. + +En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n +arm den tuin ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen +de bloemen en ’t groen van het rek bengelden en de kinderen boven +elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant gat en een arm rond +den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. En +’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte +oogen krakelingen gehapt van de zwierende ringen. + +En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste +knappende radijsjes, de eenige appel van Joops boompje, die een week +lang op de vruchtenschaal had geprijkt, voor ze hem—om niets van een +zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en al genoten +hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme, +huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist. + +En ieder feest was geworden in den tuin. + +Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen +frambozen vol zoete beloften en hardnekkige uitloopers meer zouden +zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. Ze zou niet meer +hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte +konijntjes. En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan +haar voeten in de ringen hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe +aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden kant te beschouwen. + +En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn... en al de stage +werkzaamheid en de blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen +en de hoop. + +In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar +eigen-ontworpen tuin, waar de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de +margarieten in rijken bloei zouden kleuren onder de dicht-betroste +ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin zou geen +kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder +komt U éven kijken...” + +Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend +haar en licht-gebogen rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut +lag tegen den wind. De lijsterbes, die een hooge boom was geworden, zou +met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen. + +Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden +zonneschijn met, als grootste vreugde, een brief van een der verre +kinderen, met wat naai- en breiwerk voor de kleinkindertjes, om nog +iets te doen te hebben in haar stille leven, met de vele herinneringen, +de blijde en de smartelijke. + +Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou +zijn na den rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk +verdriet, van verrassende teederheid en uitbundige levensvreugde, die +nu dag aan dag haar deel was. + + + + + + + + +VOORJAARS-HOFJE. + + +Als een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den +huizenrand. Met een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als +een motorfiets dicht langs den trottoirband jakkert; schichtig kijken +haar knipperende oogen naar de suizende trams, de toeterende auto’s en +heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras tusschen +alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den +beschermenden huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de +toegeknepen vuisten voor de schouders, sissende komt aansnuiven, als +was hij de sneltrein zelf, recht op haar aan. + +En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar, +zucht ze verlicht, nu ook de wilde jongen voorbij is. + +Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere +zijde naderen een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee +luid-babbelende dienstmeisjes, enkel aandacht voor zichzelve, een paar +kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen +doen. Want, ach neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en +hardhoorig en slecht ter been, is geen veilige wijkplaats meer. Is +juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik afwachtte om de +straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden +op de stoep, niet eens aan den rand?.... + +En dan is ze thuis! + +Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die +onmiddellijk weer achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze +wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten en nog kortademig van haar +te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken, in ’t +voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank, +luisterend naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu +opeens gemoedelijk aandoen. + +Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat +toegang geeft tot de heerlijkheid van het hofje. + +Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie +rijen „kamertjes” van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant +den hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch +paradijs. Boven de malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van +meizoentjes, boven het laantje met bessen- en frambozenstruiken vol +kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes, +boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge +pereboomen, slank als populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem. + +Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en +twee aan twee, voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één +verbonden door een trapgeveltje. Ieder huisje heeft z’n beschuttende, +groene luikjes ter weerszijden van het raam met de witte +kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde +latjes in de vensterbanken groeien. + +Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast +geveltje en in ieder huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke +heeft in haar huisje haar kamertje met de bedstee en het portaaltje met +de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf, rommel en waschgoed, +en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele +klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water, +want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en +den hofjestuin. + +Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den +portier en zijn moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede, +bonte bloemenkrans liggen rond den moestuin en de bleekvelden de +tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft tegenover haar eigen +huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje, +waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood +en geel en wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de +ribesstruikjes hangen vol rozeroode bengeltjes en de goud-bruine +muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond de open +kelkjes tuimelen. + +Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur +naar het tuintje; tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als +een kostbaarheid een kommetje koffiedik met een tinnen lepel en +moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos, die midden +in het perkje met den buksrand staat. + +—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie +bemesting. + +Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de +veete van het buksboompje. + +Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer +worden opgejaagd uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in +het hofje, erfde ze mèt het huisje onder den trapgevel ook het tuintje +van haar onbekende voorgangster. En met een hart vol erkentelijkheid +aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En het tuintje +moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.” + +Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een +kruisbesseboompje en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En +rondom de stamroos, pal in ’t midden was een perkje viooltjes, omgeven +door een rand van frisch-glanzende buks, als een ondoordringbaar, groen +muurtje. + +Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje +gebracht op een handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de +poort nog gesloten was en alle lancasters neergelaten, toen de +schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog in de +pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje +van links en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met een kolenschop +hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven en +overgebracht naar eigen terrein. + +En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen +waren—de schade aan haar buksrand gezien, en gegluurd in de tuintjes +van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in +de laatste jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door +haar verschillende huisjuffrouwen is ze ook subiet naar haar buur +gestapt en heeft haar den diefstal verweten. + +Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is +er dadelijk bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je +pallempies, je hebt nooit pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle +vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw Noot het ze bij d’r leve nog +besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t is een schande om +die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer +verwere kan.” + +En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en +heeft beslist, dat de buksjes moesten worden uitgegraven en +teruggebracht naar de plaats, waar ze hoorden. + +Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen +allen gezwegen en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond +haalde, hadden de wortels niet eens aarde gepakt. + +Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden! + +Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen +tusschen de andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde +overplanting nooit te boven gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek +in het glanzende buksmuurtje geweest en ondanks twee kannetjes water +per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen haar +buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden +in het hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar +de dichte groei der andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens +zoo moedwillig geschonden was. + +En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete +droom verstoord, dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje +gedroomd had, als een gezegend land van enkel vriendinnen, elkaar +dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid van deze +plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de +onbetrouwbaarheid, de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit +vermoed. + +Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die +juffrouw Ruitjes in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw +de Konings vreedzamen gedachtengang telkens weer verstoort door met den +spot in haar kleine oogjes op het onverwachts te vragen: „En hoe gaat +het nou met de pallempies, groeie ze flink?” + +Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens +„de baker” heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die +regent is, eens heeft hooren zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?” + +En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder +op visite kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog +gebakerd en in haar kamertje hangt in een rood-fluweelen lijstje een +portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck op schoot—een schaap van +zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes van juffrouw +Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een +wagentje. + +„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot, „niks as kale bluf; ze hange +d’r alleen maar, om te late kijke, dat ze de grootheid op d’r schoot +gehad heeft. + +„De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de +grootheid.” + +De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was +in het groote huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op +de linnenkamer, om het fijne damast te stoppen en schooljurken te +naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge freules. En onder het +passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van hun +kostschooltijd en de uitgangen. + +Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote +liefde haar trouw, warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en +den jonker en den ouden baron. + +Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven +op de hooge linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s +avonds, als de booien, met wie ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de +keuken waren. + +Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de +kinderen nakeek van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke +of onverschillige ruggetjes, in de onwillige of dansende, kleine beenen +hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen. + +Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje +van ’t Veen tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken +over wat voor haar is verzwegen. + +De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie +met den kleinen trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen +gezant. Zoo strak en stil had ze gestaan bij Dientje, toen die haar de +onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje, geknield en +toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die +freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden.... + +Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land +naar het andere; soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in +Den Haag—met haar ouderen man, zonder kinderen. Dientje had haar nooit +weergezien. + +En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar +gestorven... plotseling... + +De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan +en de tafel had getrild, terwijl hij z’n saamgeknepen handen steunde op +het blad. Een oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag. + +Plotseling... zijn hart... was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang +niet... + +Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het +wel. + +Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote, +zwaarmoedige oogen. + +„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had +ze wel eens geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das +strikte en de veters van z’n lakschoentjes, en als de rimpel tusschen +de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte. + +Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven, +ook andere jongens niet..., z’n vader was wel een vriend geweest... en +z’n dieren: de konijnen, de marmotten, de witte muizen... en dan altijd +maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen en altijd +somber... en toen weg naar Indië... alleen... zoo’n knappe, vlugge +jongen, zoo’n best hart... ach ja, dat hart, dat niet in orde was... te +zacht, had Dientje gedacht, te gevoelig. Er is zooveel geweld in de +wereld, zooveel leed... sommige harten kunnen dat niet dragen... op den +duur... + +Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals +ze vroeger de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje +inloopen met twee, met drie, met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de +oude kinderportretten en de souvenirs, die Dientje meegenomen had uit +het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien nog wist van de +verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een +jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon... + +—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze +zeven, toen was het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.” + +—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest. +Hedwig maakt nu naam. + +—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen, +kijk eens, zoo teekende moeder, toen ze... ja, hoe oud zou ik geweest +zijn, Dien? + +—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de +anderen waren al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat +bij mij te teekenen en toen werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon +als freule Hedwig. En toen heeft U een manteltje voor Lucie +gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie? Een blauw +manteltje was het met glazen knoopjes. + +—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar +bewaard. Mary, zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor +Dien? + +Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde +kinderhoofden en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen +door loopen de kinderen in en uit; ze mogen ieder jaar de witte +aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje van het +citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp +en Mary mag pompen. + +Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje +bij Dientje zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en +over vader, toen hij nog krachtig en gezond was; over de zoo statige, +ongenaakbare moeder niet veel... + +Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat +Dientje een huisje in het hofje kreeg. + +En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk stak, nu +Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid, +terwijl zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t +kastje naar den muur was gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen +kon, omdat ze nu toevallig géén baron achter de hand had,—Bot had bij +het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort uitgeleide deed, +met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het +pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.” + +—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd. + +„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe +freule noemen ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch, +alsof ze zelf tot de adeldom behoort.” En in de pret om haar vondst, +waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van de deftigheid van de ander, +was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen. + +Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van +die ééne, hebben in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de +kroon van een familie-wapen—van haar naam het „juffrouw” geschrapt. +Over haar en over geen ander in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat +doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman en juffrouw Heintje +Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er tot het +vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher +en juffrouw Mina Visscher. + +Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer +verknocht in stille vijandigheid tegenover de douweriere en de baker, +omdat die zulke rare dingen in hun kamers hebben staan, omdat ze zoo +weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen in het pompenhok en +vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn. + +En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje. +Dat moeten alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs +juffrouw Heintje, die haar tuintje alleen gebruikt om haar poes te +luchten. + +Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje +mag haar poes behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit +los loopt. Ze slaapt op het zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt +roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap: „Poes?-Poe-oes? Waar is het +lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?” + +Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens +eenige oogenblikken doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een +lagere tree zet en in een lichten schok volgen de achterpooten +noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus van +zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes +gedwee haar grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw +Heintje het einde van den zelfkant aan den bezemsteel midden in haar +tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel heendraaien en +krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon. + +Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek, +waar de poes niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en +tijm voor benauwdheid op de borst. + +Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje, +vindt juffrouw de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een +bloementuintje? Van bloemen heb je maar last en zorgen, als je ze +buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen rommel; van een poes +heb je alleen plezier en gezelligheid. + +„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat juffrouw Heintje, die +op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot, zich +slaperig zit te koesteren in de lentezon. + +„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal +me benieuwen, of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie +geld voor uit.” + +De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze +de teedere, jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een +rose madeliefje naast een vergeet-mij-nietje en dan weer een +madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond het perkje van +Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt en +nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes. + +Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de +rose en blauwe kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en +licht-blauw—het zal zijn als de kleuren van zijden lint op wit-batisten +kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes blauw. + +Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine, +rose-gemarmerde lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft +ze gekleed en gebaad en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes +moeten losmaken, om ze te kunnen wasschen. En in de rose gezichtjes +hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes getracht de +witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de +donzige koppetjes wreef. + +En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog +nooit was geweest de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar +aangezien van het eene kindje en het andere.... altijd weer andere +blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere kindertjes, maar +allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos. + +Rose en blauw, peinst ze.... madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes +zijn eigenlijk als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze +bloeien, jaar op jaar worden ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo... + +Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat +je ze maar over aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe +lucht. En alles gaat goed.... + +En de anderen.... je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je +er mee om en het gaat toch niet.... + +Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets +behouden hebben van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende +handen drukken de warme, zachte aarde rond de jonge plantjes dicht en +even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals zij ze honderden malen +heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde +wiegetjes. + +Als kinderen zijn jonge plantjes. + +Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door +den geur ontdekt ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar +gekweekt op een glas. + +—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning +geraden, d’r komt nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou +uitgemergeld. + +Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in +October heeft ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna +heeft ze hem vergeten. En nu roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij +daar zoo schuchter en kleintjes, als had hij nooit iets te maken gehad +met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster gepronkt +heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de +warme, zachte aarde en even is ze gevangen in al die geuren van de +hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige, jonge groen. +Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe +oogen zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer +onderscheiden kan. En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de +kwetterende en fluitende en zingende vogels, die hier nestelen onder de +pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs de stammen. Een +vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare +veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje +wordt niet gevreesd, dat is geen vogeltjes-poes. + +Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt +juffrouw van ’t Veen en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er +te schilderen zit. + +Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het +roode pannendak met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de +klompen staan en het potje oranje tulpen voor het raam met de gesteven +kant-gordijntjes. En al dat licht, al dat jonge, blijde zonnelicht..... + +—Mooi, zegt ze stil. + +—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje. + +—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen. + +—Als ik jou had, Dien.... en je vriendin Marijke, zou ik het best +vinden; zoo heel veel heeft een mensch niet noodig. + +Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet... maar je moet het kunnen +zien.... zooals Freule Hedwig het ziet.... zooals Marijke, de baker het +ziet.... je moet het voelen.... + +Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken +samen naar het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn +droomen haar beider gedachten terug naar het oude leven in het groote +huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken... ze hebben het goed, +als ze samen praten... ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen in +stil verstaan.... neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet +noodig.... + +En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen +gekomen zijn met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de +douweriere met d’r thee op een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw +Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje koffie hale? Gerust +hoor, je zal je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel +wat van fijne meniere.” + +Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje +trekt nog wat meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar +groenen emmer, waarvan de koperen voet zoo uitgelaten fonkelt als puur +goud in den zonneschijn. + +Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en +ramen te lappen. + +Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt +juffrouw Timmerman kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand. +Heeft haar moeder niet tot haar gezegd, toen ze nog een meisje van +vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie drinken bij je +buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.” +Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere +juffrouwen haar verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen +koffie drinkt ze steeds alleen. En met geen van de juffrouwen hééft ze +wat; hoe minder je je met anderen bemoeit, hoe minder ruzie. Zoo heeft +moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika was. En je +ouders moet je eeren, ook na hun dood. + +Recht en stijf, als woog de zware water-emmer niet aan haar arm van +tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld gaat, waar +de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar +oogen worden hard. + +Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft, +om te vragen haar te mogen schilderen. + +—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te +doen; ik ben altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen +heeft ze de voordeur dichtgedaan, van binnen op slot... Nee, ze hoeven +haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw van ’t Veen—die +toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen +en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen. + +Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar +gaat met het hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden +rug. Het spijt haar nog altijd van dien kleinen, preutschen mond, van +die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid, die zit tot +in de strikken van haar ruitjes-schort. + +Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, nu ze er aan denkt, +hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst +heeft. + +Zoo oud... peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard... och arme... + +Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te +breien op de bank; een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort +gedaan wordt, krast nu en dan door het gemurmel heen. Dan sussen de +anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje zwijgt een poosje. + +Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen. + +En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en +als het aller-teederste, witte strandschelpje blijft liggen op een +glimmend-lustren rok, knippen ze het met haar magere vingers weg, alsof +het een vuiltje was. + +Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen +of getweeën met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan +de deuren van hun gevelhuisjes staan ze—de kleine bekommerde gezichten +naar elkaar toegebogen—te praten. + +Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en weldadig-goed; stralend +blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen, op den +allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig +liefdelied en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een +glanzende spreeuw vliegt met een bek vol buit, dwars over het hofje, +naar z’n nest met begeerige jongen. + +Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde +en jong leven en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol +teeder-groene bladertjes en kleurige bloesemknoppen. + +Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes. + +Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol +maagdelijk-witten bloesem. + +En wie van haar zal de vrucht zien rijpen? + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 *** diff --git a/76762-h/76762-h.htm b/76762-h/76762-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e5eb4cf --- /dev/null +++ b/76762-h/76762-h.htm @@ -0,0 +1,2202 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-08-29T18:11:39Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Tuintjes | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881–1958)"> +<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Tuintjes"> +<meta name="DC.Creator" content="Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881–1958)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +.lgouter { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display: table; +} +.lg { +text-align: left; +padding: .5em 0; +} +.lg h4, .lgouter h4 { +font-weight: normal; +} +.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { +color: #777; +font-size: 90%; +left: 16%; +margin: 0; +position: absolute; +text-align: center; +text-indent: 0; +top: auto; +width: 1.75em; +} +p.line, .par.line { +margin: 0; +} +span.hemistich { +visibility: hidden; +} +.verseNum { +font-weight: bold; +} +.speaker { +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line { +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +.castlist, .castitem { +list-style-type: none; +} +.castGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.castGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.castGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:497px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:467px; +} +.xd33e250 { +text-indent:2em; +} +.spinewidth { +width:720px; +} +.backwidth { +width:492px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="497" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="467" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">TUINTJES</h1> +</div> +<div class="byline">C. M. VAN HILLE-GAERTHÉ</div> +<div class="docImprint">TWEEDE DRUK</div> +</div> +<p></p> +<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center small">UITGEGEVEN TE ROTTERDAM DOOR <br>NIJGH & VAN DITMAR’S <br>UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ <br>IN HET JAAR 1922 +<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<p><span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p> +<h2 class="main">DE MAN EN ZIJN TUIN</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-e.png" alt="E" width="105" height="104"></div> +<p class="first">n voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het weten gepaard met +die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was. +</p> +<p>Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de plek in den +tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als wreedaardig-aangevreten was tusschen +de wazig-zachte spyrea en de hooge delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen +uit een Oostersch sprookje. +</p> +<p>Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel waren de campanula’s +nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was het: al die kleurige klokken, de paarse, +de blauwe, de rood-geaderde; en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein. +</p> +<p>Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>hadden gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en gemijmerd: +Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een klokkelied, een levens-symphonie; +het lichte geklank van de wijde, witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van +wat jong was en blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, +de lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel krachtig was +en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart en hartstocht en zonde. En +als ik de klanken gevonden had en de melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af +laten zingen het groote sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd +waart rond het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn, nauwelijks +verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger +worden en sterker en het einde zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende +harmonie. +</p> +<p>—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in elkaar kan +flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te verbeelden, dat hij een +symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes, terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid +heeft. +<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> +<p>En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen geloopen, als getrapt. +</p> +<p>Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken was en alle +planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven naar den zonnigen zomerhemel, +waren de campanula’s niet anders geweest dan de andere bloemen: blijde open kelken—een +schoonheid, een verheugenis. +</p> +<p>En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd, hoe hij zoo’n +vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had uitgedacht, dat het hem nu +was, alsof hij naar den vorm kon tasten als naar een bezit. Den ganschen dag had hij +met die gedachte gespeeld en er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest +om de kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid. +</p> +<p>Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven aan Meta, +die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te praten, aan Meta, die volkomen +onverschillig voor bloemen was. En juist de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats +aan tafel dag aan dag had zien <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan. +</p> +<p>—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak afgesneden, +er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder je zoo? +</p> +<p>Elise haalde de schouders op. <span class="corr" id="xd33e147" title="Niet in bron">„</span>Plunderen,<span class="corr" id="xd33e149" title="Niet in bron">”</span> zei ze en haar mond trok neer, <span class="corr" id="xd33e151" title="Niet in bron">„</span>plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik soms eerst aan jou vragen, +van welke plant ik wel een bloemetje mag plukken en van welke niet?” +</p> +<p>—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend schouderophalen +voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t. +</p> +<p>—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in ’t vervolg iemand +bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar kwartjes koopen. +</p> +<p>Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur zei ze: „Als +je koffie wilt, bel dan even.” +</p> +<p>—Ik wil geen koffie. +</p> +<p>—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het. +</p> +<p>Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet zich van haar +hoogen <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes van ’t slabbetje. Hij zag het niet. +</p> +<p>Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel afschoof, zag +hij het kind staan. +</p> +<p>—Wat knoei je daar toch aan je hals? +</p> +<p>—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte, slepende stemmetje. +</p> +<p>—Kom eens bij me. +</p> +<p>Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de slab bengelde +op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de verwarde bandjes vol knoopen. +</p> +<p>Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke, bruin-verbrande +handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het zachte gespannen, witte velletje +zag hij de blauwe vertakking van de fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij +haar keeltje. +</p> +<p>Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een tenger kindje +is het toch, wat een poppetje. +</p> +<p>—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft dat nou zoo +raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en alles stijf aangetrokken. +<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> +<p>—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze. +</p> +<p>Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan ’t kibbelen +geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de bandjes, die het nog niet +kon strikken op gevoel. En den heelen maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind +gezegd, altijd maar samen gekeven over die bloemen. +</p> +<p>—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde.… +</p> +<p>—Als je een haarspeld had.… zei ’t kind. +</p> +<p>—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn scheiding maak. +</p> +<p>Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg was ineens uit +de groote, grijze oogen weg. +</p> +<p>—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang genoeg en dan hebben +we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn +dochter, klaar ben je! +</p> +<p>—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij door de serre +den tuin instapte. +</p> +<p>Hij bleef staan bij de campanula-planten. +</p> +<p>Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets dan knoppen hadden +van een <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>zoo vage kleur, dat ze de verrassing van blauw of paars of rood of wit nog verborgen +hielden binnen hun kelken en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende +pracht. +</p> +<p>Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte takken, waarvan +de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen. Toen nam hij z’n zakmes en sneed +de gebroken stengels tot den grond af. +</p> +<p>Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in elkaar geknepen +op den rug. +</p> +<p>Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling getroffen door +het strakke gezichtje. +</p> +<p>Wat stond ze daar verdrietig. +</p> +<p>Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg, misschien loopen +ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het najaar. +</p> +<p>—Heusch?.… en het klonk als een snik, die de spanning brak … zou dat kunnen?.… O, +Paps! +</p> +<p>Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles meegeleden? Wat +misdoen we toch aan je! +</p> +<p>En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige oogen, zei hij: +„De riddersporen <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>bloeien immers óók nog eens voor een tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden +hebt. Kom, nu gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van +de plaats des onheils.<span class="corr" id="xd33e199" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd. +</p> +<p>Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot schreiens toe gedrukt +had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te zamen in eensgezindheid door den bloeienden +avondtuin liepen. +</p> +<p>—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums, die bloeiden +naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n +blauwe jurk en dan een oranje koord, juist die kleuren. +</p> +<p>—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan eens naar een +winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met een oranje koord; en voor mij +een das, blauw met een oranje kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen. +</p> +<p>—En dan kan iedereen zien, dat je <i>mijn</i> Paps bent. +</p> +<p>Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig zijn tekort +gevoeld. +<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> +<p>De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis. Omdat hij +een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het huis gekocht. Op warme +zomer-avonden roeide hij langs de rechte waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, +waar de lange margrieten wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter +iedere groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel zoo eindeloos +hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes en de onbewogen koebeesten. +</p> +<p>Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was het hem een +lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte pijpje te zitten rooken en +te kijken naar de kleine schuiten met <span class="corr" id="xd33e215" title="Bron: groeten">groenten</span> en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar het stadje brachten. +</p> +<p>De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens, die hun komst +lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet voorbijsnelden en lang, nadat +ze heengegaan waren, de lucht nog vulden met onnoodig lawaai. +</p> +<p>Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden voortgeboomd door +twee <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos aangevaren en het was, alsof de gebogen +mannen bezig waren een groote plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van +hun akkers—die de vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld +en voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de weekmarkt. +</p> +<p>De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit onder de poort +van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl de zon op de oranje wortelen, +die dicht aaneen lagen op het groene bed van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps +van een donziger wit binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de +kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje in het broze +rood. +</p> +<p>De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide mannen—pijp in +den mond—klonk een gemompelde groet terug. +</p> +<p>Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen klanken naar +beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor een, diep en plechtig in de +stilte van den jongen morgen. +</p> +<p>Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>de campanula’s, die ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken +der bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van grijs-verweerden +steen daalde het trapje naar de glanzende vaart. +</p> +<p>Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de tot boerderij +geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische centrale te bouwen, had de +man mèt den bemosten zonnewijzer een karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de +verdelgende klauwen van de moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in +zijn handen gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel +gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het rasterwerk +van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken keer als hij het zag was +het hem een verheugenis te herdenken, dat honderden jaren lang, geslacht na geslacht, +heer en knecht getreden hadden over den grijzen steen. +</p> +<p>En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op de oude steenen, +gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij persoonlijk iets had afgedaan aan de +niet-te-delgen schuld, die zijn geslacht <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>op zich geladen had door het noodeloos verminken en vernietigen, van wat vorige generaties +in zoo voorname schoonheid en zuiverheid van proporties hadden opgebouwd. +</p> +<p>En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t glooiende +wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila kelkjes en gele sterretjes +gebeurd. +</p> +<p>Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep langs het grasgazon +rond den zonnewijzer. +</p> +<p>Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een juichenden Septemberdag +in hun verlovingstijd in den leegen tuin gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen +en de denkbeeldige planten. +</p> +<p>—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne en muurbloemen +en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten wat dieper in: klaprozen en +akeleien in alle kleuren; en heelemaal achteraan langs de schutting geweldig-groote +zonnebloemen. En bij de schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums +van af het dakje. +</p> +<p>En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>hadden gestaan en stil gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar +werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen hield, gelegd op +den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van opgeslorpte zonnestralen en <span class="corr" id="xd33e244" title="Bron: vertrouwlijk">vertrouwelijk</span> zacht van ouderdom. En met iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had +hij geciteerd: +</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire— +</p> +<p class="line xd33e250">A laisser de côté les moments ténébreux, +</p> +<p class="line">Mais à nous souvenir de ces jours de lumière, +</p> +<p class="line xd33e250">Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?</p> +</div> +<p class="first">Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en in een verteedering +om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote, sterke man leefde, had haar hoofd +tegen z’n arm gelegd en gesmeekt: „Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen +en de verzen en de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?” +</p> +<p>—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor alles, wat je mij +geven wilt. +</p> +<p>Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet bitter weinig +te bieden had. +</p> +<p>En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>waren, toen het eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars +en geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het grasveld, +had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet van den zonnewijzer. +</p> +<p>En de man, die eens de onverwachte woorden: „<span lang="fr">Je marque seulement les heures de soleil</span>” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte, liet de spreuk, die tot hoon +van zijn leven geworden was, begraven onder het gouden mos. +</p> +<p>Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee tennissen?” +</p> +<p>—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met het kind bukte +hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers. +</p> +<p>—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan kijken naar de twee +in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich zeer eenzaam. +</p> +<p>Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar binnen. En op den +rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot, tuurde ze den lichten avondhemel +in. +</p> +<p>Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld te gaan en ze +zat op het bed <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>langzaam te denken, hoe het al deze jaren, nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, +gegaan was met haar leven, hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen +en de schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den rijkdom, +die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te verlaten voor een, dat +groot was en statig en vol gerief, omdat hij nooit afstand wilde doen van den tuin, +die onder zijn werkzame handen was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige +schoonheid. +</p> +<p>En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een vertroosting +en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de zorg en arbeid, die hij +van hem eischte en hem de lange winteravonden bezighield, als hij een nieuwe indeeling +zocht en een schooner schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl +hij zat te zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten +voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die verborgen liggen +in de uren van afgeslotenheid en niet kende den rijkdom van eigen gedachtenwereld, +voor wie de stilte niet anders was dan beklemming, had arm en verveeld naast hem <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>gezeten, hunkerend naar het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen +haar konden brengen. +</p> +<p>En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar leven geworden, +want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende krullen rond een blozend appelsnoetje—een +kind, dat voor ieder een onbevangen blik had en een rap woord. +</p> +<p>En ook het kind werd getrokken door den tuin. +</p> +<p>Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar winterverblijf in +Italië en Nizza. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e284" title="Niet in bron">„</span>De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en Noorwegen; we blijven +er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis, Elise? Ga je lang?” +</p> +<p>—Niet langer dan veertien dagen. +</p> +<p>Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen wil laten. En +toch komt de concierge van het kantoor iederen dag sproeien. +</p> +<p>En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde: een groot huis +en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi en vroolijk waren, was ze +met haar den tuin ingeloopen en had de eene campanula na de andere afgebroken om haar +man te kwetsen in wat ze wist, dat hem een vreugdevol bezit was. +</p> +<p>Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>bloemen heel de zonnige straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos +droeg, als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een versmaad +werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad haar tot een nederlaag. +</p> +<p>Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den man de begane +wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten tusschen de felle fonkeling +van de gloeiende papavers en den grilligen groei van de luchtige akeleien, begon ze +te beseffen, hoe smartelijk ze hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het +oude trapje en ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het vaartje, +waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele donkerheid, die lag onder de lage +iepen van den overkant, dacht ze: Als we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen +opwachten en ’t hem zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de +latyrus en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet. +</p> +<p>Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse saxifraga, +die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de kleine blaadjes. +</p> +<p>Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>voet terug en het verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van +het vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze zich gevangen +gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel prettig moest zijn om straks +bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen: „Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat +is onze tuin aan den waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk +toch, dat andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een verveloos +hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, … met onzen tuin.” +</p> +<p>Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze, dat in het alledag-leven +de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch wel van zeer groote waarde zijn. +</p> +<p>En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de zachte gevoelens, +die lagen te wachten op koestering en milde ontferming, had teruggeduwd. +</p> +<p>Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de tegenwoordigheid van het kind +hadden ze niet ontzien. +</p> +<p>Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>van het rijpe gras naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund +had? En ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was. +</p> +<p>Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind. +</p> +<p>Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in hand, staan +bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het schuurtje. Ze spraken heel zacht +en vertrouwelijk, alsof ze samen een lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. +Ze zag het opgeheven kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één +zelfde bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet eens +van de kinderstem onderscheiden kon. +</p> +<p>Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en later van de verven +en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk. Ik … +</p> +<p>In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen had. +</p> +<p>Ze riep het kind niet. +</p> +<p>Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje belachelijk, omdat ze +als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te denken, wat ze nu verder voor goede +dingen moest doen. +</p> +<p>Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>aansteken. Frank houdt zooveel van petroleumlicht. +</p> +<p>Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend twee-en-dertig +te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden kind. +</p> +<p>En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon niet eens hoorde. +Hij vertelde rustig door: „.… en dat zijn de nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes +zitten te slapen, maar des nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien +en bijna alle bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die nachtvlinders +<span class="corr" id="xd33e321" title="Bron: ergen">ergens</span> trek in een beetje honing en den heelen dag zijn alle atalanta’s en de dagpauwoogen +en de zandoogjes en de blauwtjes de kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie +is een grappenmaker en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange +zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders slapen, zet +ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je bij de keuken al ruiken +kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en de nachtvlinders met de zwakke oogjes +vliegen regelrecht op de kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.” +<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> +<p>—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn hand. +</p> +<p>En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens diep in mijn +vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan, dit vertrouwde spreken? +Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het kind liep verloren achter me aan. Dat +moet toch niet, ik met de bloemen en het kind alleen en de vrouw in huis.… alleen. +Wij drieën.… Ik moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch +méér dan de tuin. +</p> +<p>En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan bloemengeur is +de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen man en vrouw. De geuren waren +wel zoet, maar de klanken waren zoo hard geweest. +</p> +<p>—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde zich om en +zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat zijn vrouw achter het theeblad +en borduurde een kinderkraag. +</p> +<p>Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind wachtte in de +vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er, alsof ze van hem hield. +</p> +<p>Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>hij wat onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?” +</p> +<p>Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank. +</p> +<p>—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen thee te drinken. +</p> +<p>—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen? +</p> +<p>Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet ontgaan en ze gevoelde +zich zeer begenadigd. +</p> +<p>De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht heel zacht, nu +ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij verheugde zich in haar jonge, zangerige +stem, toen ze tot het kind zei: „Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. +Ik heb je kopje al meegebracht.” +</p> +<p>En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het onverwachte van dezen +vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit, wat de anderen nog niet durfden uitdenken: +„Ik vind het ècht zoo allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.” +</p> +<p>En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam, als had ze een +som op te lossen: „Een vader.… en een moeder.… en een kind.… dat’s sámen drie.” +<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<p><span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> +<h2 class="main">KINDERTUINTJES</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a.png" alt="A" width="103" height="105"></div> +<p class="first">ls Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer was—als Black oud +is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin heelemaal anders aanleggen. Hoe vind +je dit? en ze legde de platen van <span lang="en">Homes and Gardens</span> boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was te lezen, zoodat alle Buitenlandsche +politiek opeens tot op z’n knieën zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten +steenen, dat zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met rozen +begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook. +</p> +<p>—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij grabbelde onder +den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig was hem te ontglippen. +</p> +<p>—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin kunnen hebben, +’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf diep, had je dat gedacht? +</p> +<p>—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was. +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +<p>—Nou, triomfeerde ze<span class="corr" id="xd33e359" title="Niet in bron">,</span> en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op den blanken onderkant van de plaat, +hier moet je je ’t huis denken en dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde +wàt bloeit, de achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één +pad, dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van dat pad +kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe eereprijs en iets roods +of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine, kleurige plantjes tusschen de steenen? +</p> +<p>—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben? +</p> +<p>—Later immers, als Black.… fluisterde ze, met een blik op Bertje. +</p> +<p>—O, ja. +</p> +<p>—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas verhoogen en inplaats +van die vervelende frambozen ramblers planten, zal je eens zien, hoe prachtig die +achterkant zal worden, want de schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. +En met zoo’n hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel +dieper. +</p> +<p>—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook niet vergeten, +dat ze natuurlijk <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>precies nièt de vervelooze kolenhokken er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, +waar altijd lappen aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas +maskeeren kunt. +</p> +<p>Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig bekeken had, +nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen, terwijl Bertje van zes in den +tuin scharrelde en Mieke in den zandbak een rij versche poffertjes versierde met stralende +meizoentjes. +</p> +<p>De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte zand stuift +altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de tuin wel beschamend-leelijk +en ze keek naar de kleurlooze rekpalen, waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, +omdat je aan hooge ringen de mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het +grasveldje, waar het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en paardenbloem-planten +voor z’n konijnen. +</p> +<p>Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een rijtje, door +een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den bedenkelijken graaslust van de +konijnen. +</p> +<p>Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>ze; als later de konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is +het schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen inrichten, +zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van een oud waschhok den voorkant +wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden +op te lossen—en nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer, +met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren. +</p> +<p>De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het domme, platte +deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars, met een pruikje zilverig huislook +voor de gemoedelijkheid en dan in dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere +gebogen takjes en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou hangen. +De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de morgenzon juist in +het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege voorjaar ’s morgens met mijn werk +kunnen zitten. Maar dan moet de aanleg van den tuin toch weer anders zijn. +</p> +<p>Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp ze een nieuw +plan van een recht <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>weggetje met roode plavuizen, want ze was, vanwege de begroeide barsten, verknocht +aan steenen paadjes. En aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en +rondom vol bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen, rond +het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en blauwe druifjes +als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras. +</p> +<p>Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me koopen, ik heeft +al een winkel vol. +</p> +<p>—Als deze kous klaar is, kom ik. +</p> +<p>—Is ie gauw klaar? +</p> +<p>—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een kwartier met haar +winkel laten zitten. +</p> +<p>Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de betaling, +sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om haar schouders, riep: +„Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en wandelde met haar neus in de lucht, om +Mieke’s gespannen blik te ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel +toestapte. +</p> +<p>—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop? +</p> +<p>—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open, ping-dicht, dat +doen deuren <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van winkels ook altijd. Dáár is de deur, wees Mieke met een zanderig vingertje een +gat in de lucht. +</p> +<p>Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een ping-open, ping-dicht +en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer binnen. +</p> +<p>—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er boven op en +twee met gele. En heeft u ook een groote taart? +</p> +<p>—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik vergeten. +</p> +<p>—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u hem nog voor +me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met vruchtjes op zij. +</p> +<p>—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig? +</p> +<p>—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar. +</p> +<p>—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig is. +</p> +<p>—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag er boven op. +Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis, m’n kindertjes hebben zooveel +gaten in hun kousen, die moet ik nog allemaal maken. +<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> +<p>—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes. +</p> +<p>—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes. +</p> +<p>Dag taartjes-juffrouw. +</p> +<p>—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap. +</p> +<p>—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien rijp en gisteren +waren er ook al twee. +</p> +<p>—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje wit. +</p> +<p>—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er zóó’n groote aangegroeid. +</p> +<p>Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven de plant. +</p> +<p>—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers, aardbeien en frambozen +is het allerprettigste; wat zitten de frambozen vol, hè? +</p> +<p>Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de schutting en ze +speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die altijd even frischgroen en vroolijk +op de meest ongelegen plaatsen in den tuin weer opdoken. +</p> +<p>Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>ze moeten er later allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal +ik delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de frambozen en +de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van geen beperking wisten en toch +maar altijd weer verwilderden. En als het buitensporig aantal goudsbloemen in Joops +tuintje wat verminderd en die slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou +ze toch een prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De kindertuintjes +lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois kunnen worden. +</p> +<p>Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert, om ’t gras voor +de konijnen te knippen. +</p> +<p>Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen van af haar plaats +op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze nog, die gaat er het eerst uit. +</p> +<p>—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie? +</p> +<p>—Over vijf minuten. +</p> +<p>—En eet je er een koekje bij? +</p> +<p>—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel. +<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> +<p>—Maar een ècht koekje? +</p> +<p>—Nee, geen echt koekje. +</p> +<p>Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over Bertje’s tuintje. +</p> +<p>Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee onderwijl +naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit het buffet haalden. +</p> +<p>Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje riep: „Even +je oogen dicht doen en nòu weer open.” +</p> +<p>En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met frisch-groen +aardbei-blad en midden op, binnen een krans van madeliefjes, Bertje’s groote, roode, +rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk +schaaltje twee paar stralende kinderoogen. +</p> +<p>—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op te eten; hij +is al zoo mooi om naar te kijken. +</p> +<p>—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke heeft bedacht van +de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t schoteltje. +</p> +<p>—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>de beurt een hapje; als je langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij +smaakt naar de zon. +</p> +<p>—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie regelmaat draad-op, +draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s schort liet gaan, toefden haar gedachten +nog bij de verrassing, die de kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid +hadden. Was eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte? +</p> +<p>Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen op de ontbijttafel. +En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel goudsbloemen kweekte, om haar op +haar verjaardag met de groote tinnen vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. +En op een reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en vergeet-mij-nietjes, +dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch het eenige troostende en opwekkende +geweest in die sombere uren van kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de +kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers van André, dat +hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig gezongen hadden. +</p> +<p>Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>die bloeiden in den zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien, +wieden, planten of oogsten. +</p> +<p>—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als je zoo zit en +je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een huis, dan zie je alleen de lucht +en de planten en de bloesems—’t is hier net als in een bloemenlaantje. +</p> +<p>Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden, terwijl de vruchten +al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje. Heel stil zat hij er te droomen in +zijn laantje. +</p> +<p>Een laantje … peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen kinderjaren … wat was +dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan was er altijd diep in je de verwachting +om het geheimzinnige … O, toen je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou +uitloopen op de verrassing.… +</p> +<p>Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat leelijk is—de huizen-muren +en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend waschje van de achterburen—buiten te sluiten +en met groote, verlangende oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met +groen en bloesems onder den hoogen, blauwen hemel. +<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> +<p>O, mijn jongetje.… +</p> +<p>Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven? ’t Was Joop.….. +’t Was Joop die op een kouden December-avond de konijnen verzorgd had. +</p> +<p>—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam. +</p> +<p>En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had gezegd: Met Bertje +in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi en boerenkool gegeven en ze toegedekt +en we hebben aldoor samen op de kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe +dol-gezellig het in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes +keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel in ’t schuurtje +willen wónen. +</p> +<p>En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je levenlang die +gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer behouden moogt! +</p> +<p>Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om den paal. Het +drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t feestgezang: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Lang zal Mieke leven.…,</p> +</div> +<p class="first">vanwege een onbewuste herinnering aan de vele <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>verjaardagen, dat ze onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort +hun feestliederen hadden staan zingen. +</p> +<p>En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n arm den tuin +ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen de bloemen en ’t groen van +het rek bengelden en de kinderen boven elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant +gat en een arm rond den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. +En ’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte oogen krakelingen +gehapt van de zwierende ringen. +</p> +<p>En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste knappende radijsjes, +de eenige appel van Joops boompje, die een week lang op de vruchtenschaal had geprijkt, +voor ze hem—om niets van een zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en +al genoten hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme, +huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist. +</p> +<p>En ieder feest was geworden in den tuin. +</p> +<p>Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen frambozen vol zoete +beloften <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en hardnekkige uitloopers meer zouden zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. +Ze zou niet meer hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte konijntjes. +En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan haar voeten in de ringen +hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden +kant te beschouwen. +</p> +<p>En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn … en al de stage werkzaamheid en de +blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen en de hoop. +</p> +<p>In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar eigen-ontworpen tuin, waar +de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de margarieten in rijken bloei zouden kleuren +onder de dicht-betroste ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin +zou geen kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder komt +U éven kijken<span class="corr" id="xd33e476" title="Bron: ..">…</span>” +</p> +<p>Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend haar en licht-gebogen +rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut lag tegen den wind. De lijsterbes, +die een hooge boom was geworden, zou met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen. +<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> +<p>Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden zonneschijn met, +als grootste vreugde, een brief van een der verre kinderen, met wat naai- en breiwerk +voor de kleinkindertjes, om nog iets te doen te hebben in haar stille leven, met de +vele herinneringen, de blijde en de smartelijke. +</p> +<p>Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou zijn na den +rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk verdriet, van verrassende teederheid +en uitbundige levensvreugde, die nu dag aan dag haar deel was. +<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 last-child story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<p><span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> +<h2 class="main">VOORJAARS-HOFJE.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a2.png" alt="A" width="103" height="104"></div> +<p class="first">ls een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den huizenrand. Met +een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als een motorfiets dicht langs den +trottoirband jakkert; schichtig kijken haar knipperende oogen naar de suizende trams, +de toeterende auto’s en heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras +tusschen alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den beschermenden +huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de toegeknepen vuisten voor +de schouders, sissende komt aansnuiven, als was hij de sneltrein zelf, recht op haar +aan. +</p> +<p>En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar, zucht ze verlicht, +nu ook de wilde jongen voorbij is. +</p> +<p>Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere zijde naderen +een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee luid-babbelende dienstmeisjes, +enkel aandacht voor zichzelve, een paar <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen doen. Want, ach +neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en hardhoorig en slecht ter been, +is geen veilige wijkplaats meer. Is juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik +afwachtte om de straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden +op de stoep, niet eens aan den rand?.… +</p> +<p>En dan is ze thuis! +</p> +<p>Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die onmiddellijk weer +achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten +en nog kortademig van haar te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken, +in ’t voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank, luisterend +naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu opeens gemoedelijk aandoen. +</p> +<p>Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat toegang geeft tot +de heerlijkheid van het hofje. +</p> +<p>Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie rijen „kamertjes” +van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant den <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch paradijs. Boven de +malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van meizoentjes, boven het laantje met bessen- +en frambozenstruiken vol kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes, +boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge pereboomen, slank als +populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem. +</p> +<p>Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en twee aan twee, +voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één verbonden door een trapgeveltje. Ieder +huisje heeft z’n beschuttende, groene luikjes ter weerszijden van het raam met de +witte kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde latjes in +de vensterbanken groeien. +</p> +<p>Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast geveltje en in ieder +huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke heeft in haar huisje haar kamertje +met de bedstee en het portaaltje met de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf, +rommel en waschgoed, en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele +klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en den hofjestuin. +</p> +<p>Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den portier en zijn +moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede, bonte bloemenkrans liggen rond +den moestuin en de bleekvelden de tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft +tegenover haar eigen huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje, +waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood en geel en +wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de ribesstruikjes hangen vol rozeroode +bengeltjes en de goud-bruine muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond +de open kelkjes tuimelen. +</p> +<p>Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur naar het tuintje; +tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als een kostbaarheid een kommetje koffiedik +met een tinnen lepel en moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos, +die midden in het perkje met den buksrand staat. +</p> +<p>—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie bemesting. +<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> +<p>Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de veete van het +buksboompje. +</p> +<p>Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer worden opgejaagd +uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in het hofje, erfde ze mèt het +huisje onder den trapgevel ook het tuintje van haar onbekende voorgangster. En met +een hart vol erkentelijkheid aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En +het tuintje moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.” +</p> +<p>Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een kruisbesseboompje +en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En rondom de stamroos, pal in ’t midden +was een perkje viooltjes, omgeven door een rand van frisch-glanzende buks, als een +ondoordringbaar, groen muurtje. +</p> +<p>Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje gebracht op een +handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de poort nog gesloten was en alle +lancasters neergelaten, toen de schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog +in de pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje van links +en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>een kolenschop hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven +en overgebracht naar eigen terrein. +</p> +<p>En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen waren—de schade aan +haar buksrand gezien, en gegluurd <i>in</i> de <i>tuintjes</i> van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in de laatste +jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door haar verschillende huisjuffrouwen +is ze ook subiet naar haar buur gestapt en heeft haar den diefstal verweten. +</p> +<p>Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is er dadelijk +bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je pallempies, je hebt nooit +pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw +Noot het ze bij d’r leve nog besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t +is een schande om die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer +verwere kan.” +</p> +<p>En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en heeft beslist, +dat de buksjes moesten worden uitgegraven en teruggebracht naar de plaats, waar ze +hoorden. +<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p> +<p>Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen allen gezwegen +en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond haalde, hadden de wortels niet eens +aarde gepakt. +</p> +<p>Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden! +</p> +<p>Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen tusschen de +andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde overplanting nooit te boven +gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek in het glanzende buksmuurtje geweest en +ondanks twee kannetjes water per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen +haar buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden in het +hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar de dichte groei der +andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens zoo moedwillig geschonden was. +</p> +<p>En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete droom verstoord, +dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje gedroomd had, als een gezegend land +van enkel vriendinnen, elkaar dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid +van deze plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de onbetrouwbaarheid, +<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit vermoed. +</p> +<p>Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die juffrouw Ruitjes +in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw de Konings vreedzamen gedachtengang +telkens weer verstoort door met den spot in haar kleine oogjes op het onverwachts +te vragen: „En hoe gaat het nou met de pallempies, groeie ze flink?” +</p> +<p>Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens „de baker” +heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die regent is, eens heeft hooren +zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?” +</p> +<p>En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder op visite +kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog gebakerd en in haar kamertje +hangt in een rood-fluweelen lijstje een portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck +op schoot—een schaap van zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes +van juffrouw Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een wagentje. +</p> +<p>„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot<span class="corr" id="xd33e544" title="Niet in bron">,</span> „niks as kale bluf; ze hange d’r alleen maar, om te late kijke, <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>dat ze de grootheid op d’r schoot gehad heeft. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e549" title="Niet in bron">„</span>De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de grootheid.” +</p> +<p>De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was in het groote +huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op de linnenkamer, om het fijne +damast te stoppen en schooljurken te naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge +freules. En onder het passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van +hun kostschooltijd en de uitgangen. +</p> +<p>Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote liefde haar trouw, +warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en den jonker en den ouden baron. +</p> +<p>Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven op de hooge +linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s avonds, als de booien, met wie +ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de keuken waren. +</p> +<p>Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de kinderen nakeek +van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke of onverschillige ruggetjes, +in de onwillige of dansende, kleine <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>beenen hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen. +</p> +<p>Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje van ’t Veen +tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken over wat voor haar is +verzwegen. +</p> +<p>De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie met den kleinen +trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen gezant. Zoo strak en stil had ze +gestaan bij Dientje, toen die haar de onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje, +geknield en toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die +freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden.… +</p> +<p>Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land naar het andere; +soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in Den Haag—met haar ouderen man, +zonder kinderen. Dientje had haar nooit weergezien. +</p> +<p>En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar gestorven … plotseling … +</p> +<p>De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan en de tafel +had getrild, terwijl hij z’n <span class="corr" id="xd33e565" title="Bron: saamgenepen">saamgeknepen</span> handen steunde op het blad. Een <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag. +</p> +<p>Plotseling … zijn hart … was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang niet … +</p> +<p>Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het wel. +</p> +<p>Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote, zwaarmoedige oogen. +</p> +<p>„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had ze wel eens +geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das strikte en de veters van z’n +lakschoentjes, en als de rimpel tusschen de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte. +</p> +<p>Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven, ook andere jongens +niet …, z’n vader was wel een vriend geweest … en z’n dieren: de konijnen, de marmotten, +de witte muizen … en dan altijd maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen +en altijd somber … en toen weg naar Indië … alleen … zoo’n knappe, vlugge jongen, +zoo’n best hart … ach ja, dat hart, dat niet in orde was … te zacht, had Dientje gedacht, +te gevoelig. Er is zooveel geweld in de wereld, zooveel leed … sommige harten kunnen +dat niet dragen … op den duur … +<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals ze vroeger +de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje inloopen met twee, met drie, +met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de oude kinderportretten en de souvenirs, +die Dientje meegenomen had uit het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien +nog wist van de verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een +jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon … +</p> +<p>—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze zeven, toen was +het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.” +</p> +<p>—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest. Hedwig maakt +nu naam. +</p> +<p>—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen, kijk eens, +zoo teekende moeder, toen ze … ja, hoe oud zou ik geweest zijn, Dien? +</p> +<p>—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de anderen waren +al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat bij mij te teekenen en toen +werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon als freule Hedwig. En toen heeft U <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>een manteltje voor Lucie gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie? +Een blauw manteltje was het met glazen knoopjes. +</p> +<p>—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar bewaard. Mary, +zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor Dien? +</p> +<p>Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde kinderhoofden +en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen door loopen de kinderen in en +uit; ze mogen ieder jaar de witte aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje +van het citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp en +Mary mag pompen. +</p> +<p>Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje bij Dientje +zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en over vader, toen hij nog +krachtig en gezond was; over de zoo statige, ongenaakbare moeder niet veel … +</p> +<p>Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat Dientje een huisje +in het hofje kreeg. +</p> +<p>En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>stak, nu Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid, terwijl +zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t kastje naar den muur was +gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen kon, omdat ze nu toevallig géén baron +achter de hand had,—Bot had bij het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort +uitgeleide deed, met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het +pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.” +</p> +<p>—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd. +</p> +<p>„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe freule noemen +ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch, alsof ze zelf tot de adeldom +behoort.” En in de pret om haar vondst, waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van +de deftigheid van de ander, was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen. +</p> +<p>Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van die ééne, hebben +in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de kroon van een familie-wapen—van +haar naam het „juffrouw” geschrapt. Over haar en over geen ander <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman +en juffrouw Heintje Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er +tot het vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher en juffrouw +Mina Visscher. +</p> +<p>Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer verknocht in stille +vijandigheid tegenover de douweriere en de baker, omdat die zulke rare dingen in hun +kamers hebben staan, omdat ze zoo weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen +in het pompenhok en vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn. +</p> +<p>En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje. Dat moeten +alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs juffrouw Heintje, die haar tuintje +alleen gebruikt om haar poes te luchten. +</p> +<p>Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje mag haar poes +behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit los loopt. Ze slaapt op het +zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap: +„Poes?-Poe-oes? Waar is het lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?” +<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p> +<p>Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens eenige oogenblikken +doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een lagere tree zet en in een lichten +schok volgen de achterpooten noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus +van zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes gedwee haar +grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw Heintje het einde van den zelfkant +aan den bezemsteel midden in haar tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel +heendraaien en krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon. +</p> +<p>Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek, waar de poes +niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en tijm voor benauwdheid op +de borst. +</p> +<p>Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje, vindt juffrouw +de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een bloementuintje? Van bloemen heb +je maar last en zorgen, als je ze buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen +rommel; van een poes heb je alleen plezier en gezelligheid. +</p> +<p>„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>juffrouw Heintje, die op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot, +zich slaperig zit te koesteren in de lentezon. +</p> +<p>„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal me benieuwen, +of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie geld voor uit.” +</p> +<p>De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze de teedere, +jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een rose madeliefje naast een +vergeet-mij-nietje en dan weer een madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond +het perkje van Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt +en nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes. +</p> +<p>Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de rose en blauwe +kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en licht-blauw—het zal zijn als de kleuren +van zijden lint op wit-batisten kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes +blauw. +</p> +<p>Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine, rose-gemarmerde +lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft ze gekleed en gebaad <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes moeten losmaken, om ze te kunnen +wasschen. En in de rose gezichtjes hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes +getracht de witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de donzige +koppetjes wreef. +</p> +<p>En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog nooit was geweest +de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar aangezien van het eene kindje en +het andere.… altijd weer andere blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere +kindertjes, maar allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos. +</p> +<p>Rose en blauw, peinst ze.… madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes zijn eigenlijk +als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze bloeien, jaar op jaar worden +ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo … +</p> +<p>Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat je ze maar over +aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe lucht. En alles gaat goed.… +</p> +<p>En de anderen.… je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je er mee om en +het gaat toch niet.… +<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> +<p>Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets behouden hebben +van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende handen drukken de warme, zachte +aarde rond de jonge plantjes dicht en even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals +zij ze honderden malen heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde +wiegetjes. +</p> +<p>Als kinderen zijn jonge plantjes. +</p> +<p>Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door den geur ontdekt +ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar gekweekt op een glas. +</p> +<p>—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning geraden, d’r komt +nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou uitgemergeld. +</p> +<p>Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in October heeft +ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna heeft ze hem vergeten. En nu +roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij daar zoo schuchter en kleintjes, als had +hij nooit iets te maken gehad met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster +gepronkt heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de warme, +zachte aarde en even is ze <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>gevangen in al die geuren van de hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige, +jonge groen. Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe oogen +zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer onderscheiden kan. +En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de kwetterende en fluitende en zingende +vogels, die hier nestelen onder de pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs +de stammen. Een vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare +veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje wordt niet gevreesd, +dat is geen vogeltjes-poes. +</p> +<p>Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt juffrouw van ’t Veen +en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er te schilderen zit. +</p> +<p>Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het roode pannendak +met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de klompen staan en het potje +oranje tulpen voor het raam met de gesteven kant-gordijntjes. En al dat licht, al +dat jonge, blijde zonnelicht.…. +</p> +<p>—Mooi, zegt ze stil. +</p> +<p>—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje. +<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> +<p>—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen. +</p> +<p>—Als ik jou had, Dien.… en je vriendin Marijke, zou ik het best vinden; zoo heel veel +heeft een mensch niet noodig. +</p> +<p>Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet … maar je moet het kunnen zien.… zooals Freule +Hedwig het ziet.… zooals Marijke, de baker het ziet.… je moet het voelen.… +</p> +<p>Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken samen naar +het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn droomen haar beider gedachten +terug naar het oude leven in het groote huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken … +ze hebben het goed, als ze samen praten … ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen +in stil verstaan.… neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet noodig.… +</p> +<p>En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen gekomen zijn +met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de douweriere met d’r thee op +een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje +koffie hale? Gerust hoor, je zal <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel wat van fijne meniere.” +</p> +<p>Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje trekt nog wat +meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar groenen emmer, waarvan de koperen +voet zoo uitgelaten fonkelt als puur goud in den zonneschijn. +</p> +<p>Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en ramen te lappen. +</p> +<p>Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt juffrouw Timmerman +kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand. Heeft haar moeder niet tot haar +gezegd, toen ze nog een meisje van vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie +drinken bij je buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.” +Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere juffrouwen haar +verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen koffie drinkt ze steeds alleen. +En met geen van de juffrouwen hééft ze wat; hoe minder je je met anderen bemoeit, +hoe minder ruzie. Zoo heeft moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika +was. En je ouders moet je eeren, ook na hun dood. +</p> +<p>Recht en stijf, als woog de zware water-emmer <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>niet aan haar arm van tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld +gaat, waar de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar +oogen worden hard. +</p> +<p>Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft, om te vragen +haar te mogen schilderen. +</p> +<p>—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te doen; ik ben +altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen heeft ze de voordeur dichtgedaan, +van binnen op slot … Nee, ze hoeven haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw +van ’t Veen—die toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen +en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen. +</p> +<p>Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar gaat met het +hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden rug. Het spijt haar nog altijd +van dien kleinen, preutschen mond, van die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid, +die zit tot in de strikken van haar ruitjes-schort. +</p> +<p>Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>nu ze er aan denkt, hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst +heeft. +</p> +<p>Zoo oud … peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard … och arme … +</p> +<p>Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te breien op de bank; +een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort gedaan wordt, krast nu en dan +door het gemurmel heen. Dan sussen de anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje +zwijgt een poosje. +</p> +<p>Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen. +</p> +<p>En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en als het aller-teederste, +witte strandschelpje blijft liggen op een glimmend-lustren rok, knippen ze het met +haar magere vingers weg, alsof het een vuiltje was. +</p> +<p>Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen of getweeën +met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan de deuren van hun gevelhuisjes +staan ze—de kleine bekommerde gezichten naar elkaar toegebogen—te praten. +</p> +<p>Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>weldadig-goed; stralend blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen, +op den allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig liefdelied +en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een glanzende spreeuw vliegt +met een bek vol buit, dwars over het hofje, naar z’n nest met begeerige jongen. +</p> +<p>Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde en jong leven +en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol teeder-groene bladertjes en kleurige +bloesemknoppen. +</p> +<p>Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes. +</p> +<p>Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol maagdelijk-witten bloesem. +</p> +<p>En wie van haar zal de vrucht zien rijpen? +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="58"></div><p> +</p> +<p> +</p> +<p></p> +<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="492" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table> +<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">DE MAN EN ZIJN TUIN</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">7</a></td> +</tr> +<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">KINDERTUINTJES</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">31</a></td> +</tr> +<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">VOORJAARS-HOFJE.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">49</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2025-08-28 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 13 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e147">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e151">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e284">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e549">59</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e149">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e199">16</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e215">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">groeten</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">groenten</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e244">21</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vertrouwlijk</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vertrouwelijk</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e321">28</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ergen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ergens</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e359">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e544">58</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e476">46</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e565">60</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">saamgenepen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">saamgeknepen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/76762-h/images/back.jpg b/76762-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0878ce1 --- /dev/null +++ b/76762-h/images/back.jpg diff --git a/76762-h/images/front.jpg b/76762-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cbdbc2a --- /dev/null +++ b/76762-h/images/front.jpg diff --git a/76762-h/images/initial-a.png b/76762-h/images/initial-a.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9602579 --- /dev/null +++ b/76762-h/images/initial-a.png diff --git a/76762-h/images/initial-a2.png b/76762-h/images/initial-a2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9326766 --- /dev/null +++ b/76762-h/images/initial-a2.png diff --git a/76762-h/images/initial-e.png b/76762-h/images/initial-e.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f4eb690 --- /dev/null +++ b/76762-h/images/initial-e.png diff --git a/76762-h/images/spine.jpg b/76762-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c37165a --- /dev/null +++ b/76762-h/images/spine.jpg diff --git a/76762-h/images/titlepage.png b/76762-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c893546 --- /dev/null +++ b/76762-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..bb34a7a --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #76762 +(https://www.gutenberg.org/ebooks/76762) |
