summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-08-29 14:22:02 -0700
committerpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-08-29 14:22:02 -0700
commitf7b9e02ffaafebc0c1e8f5d216d376cd0d6dde72 (patch)
treec387523b439c398542d4ffc432ec78d845ddce86
Update for 76762HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--76762-0.txt1474
-rw-r--r--76762-h/76762-h.htm2202
-rw-r--r--76762-h/images/back.jpgbin0 -> 260711 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/front.jpgbin0 -> 294332 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/initial-a.pngbin0 -> 12265 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/initial-a2.pngbin0 -> 12596 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/initial-e.pngbin0 -> 11835 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/spine.jpgbin0 -> 39703 bytes
-rw-r--r--76762-h/images/titlepage.pngbin0 -> 7071 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
12 files changed, 3692 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/76762-0.txt b/76762-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2357486
--- /dev/null
+++ b/76762-0.txt
@@ -0,0 +1,1474 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***
+
+
+
+
+
+ TUINTJES
+
+ C. M. VAN HILLE-GAERTHÉ
+
+ TWEEDE DRUK
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE MAN EN ZIJN TUIN
+
+
+En voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het
+weten gepaard met die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was.
+
+Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de
+plek in den tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als
+wreedaardig-aangevreten was tusschen de wazig-zachte spyrea en de hooge
+delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen uit een Oostersch
+sprookje.
+
+Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel
+waren de campanula’s nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was
+het: al die kleurige klokken, de paarse, de blauwe, de rood-geaderde;
+en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein.
+
+Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt hadden
+gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en
+gemijmerd: Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een
+klokkelied, een levens-symphonie; het lichte geklank van de wijde,
+witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was en
+blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, de
+lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel
+krachtig was en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart
+en hartstocht en zonde. En als ik de klanken gevonden had en de
+melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af laten zingen het groote
+sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd waart rond
+het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn,
+nauwelijks verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het
+jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger worden en sterker en het einde
+zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende harmonie.
+
+—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in
+elkaar kan flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te
+verbeelden, dat hij een symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes,
+terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid heeft.
+
+En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen
+geloopen, als getrapt.
+
+Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken
+was en alle planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven
+naar den zonnigen zomerhemel, waren de campanula’s niet anders geweest
+dan de andere bloemen: blijde open kelken—een schoonheid, een
+verheugenis.
+
+En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd,
+hoe hij zoo’n vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had
+uitgedacht, dat het hem nu was, alsof hij naar den vorm kon tasten als
+naar een bezit. Den ganschen dag had hij met die gedachte gespeeld en
+er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest om de
+kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid.
+
+Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven
+aan Meta, die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te
+praten, aan Meta, die volkomen onverschillig voor bloemen was. En juist
+de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats aan tafel dag aan dag had zien
+groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan.
+
+—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak
+afgesneden, er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder
+je zoo?
+
+Elise haalde de schouders op. „Plunderen,” zei ze en haar mond trok
+neer, „plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik
+soms eerst aan jou vragen, van welke plant ik wel een bloemetje mag
+plukken en van welke niet?”
+
+—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend
+schouderophalen voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t.
+
+—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in
+’t vervolg iemand bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar
+kwartjes koopen.
+
+Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur
+zei ze: „Als je koffie wilt, bel dan even.”
+
+—Ik wil geen koffie.
+
+—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het.
+
+Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet
+zich van haar hoogen stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes
+van ’t slabbetje. Hij zag het niet.
+
+Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel
+afschoof, zag hij het kind staan.
+
+—Wat knoei je daar toch aan je hals?
+
+—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte,
+slepende stemmetje.
+
+—Kom eens bij me.
+
+Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de
+slab bengelde op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de
+verwarde bandjes vol knoopen.
+
+Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke,
+bruin-verbrande handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het
+zachte gespannen, witte velletje zag hij de blauwe vertakking van de
+fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij haar keeltje.
+
+Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een
+tenger kindje is het toch, wat een poppetje.
+
+—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft
+dat nou zoo raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en
+alles stijf aangetrokken.
+
+—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze.
+
+Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan
+’t kibbelen geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de
+bandjes, die het nog niet kon strikken op gevoel. En den heelen
+maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind gezegd, altijd maar samen
+gekeven over die bloemen.
+
+—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde....
+
+—Als je een haarspeld had.... zei ’t kind.
+
+—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn
+scheiding maak.
+
+Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg
+was ineens uit de groote, grijze oogen weg.
+
+—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang
+genoeg en dan hebben we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen
+in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn dochter, klaar ben je!
+
+—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij
+door de serre den tuin instapte.
+
+Hij bleef staan bij de campanula-planten.
+
+Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets
+dan knoppen hadden van een zoo vage kleur, dat ze de verrassing van
+blauw of paars of rood of wit nog verborgen hielden binnen hun kelken
+en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende pracht.
+
+Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte
+takken, waarvan de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen.
+Toen nam hij z’n zakmes en sneed de gebroken stengels tot den grond af.
+
+Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in
+elkaar geknepen op den rug.
+
+Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling
+getroffen door het strakke gezichtje.
+
+Wat stond ze daar verdrietig.
+
+Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg,
+misschien loopen ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het
+najaar.
+
+—Heusch?.... en het klonk als een snik, die de spanning brak... zou dat
+kunnen?.... O, Paps!
+
+Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles
+meegeleden? Wat misdoen we toch aan je!
+
+En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige
+oogen, zei hij: „De riddersporen bloeien immers óók nog eens voor een
+tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden hebt. Kom, nu
+gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van
+de plaats des onheils.”
+
+Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd.
+
+Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot
+schreiens toe gedrukt had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te
+zamen in eensgezindheid door den bloeienden avondtuin liepen.
+
+—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums,
+die bloeiden naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou
+zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n blauwe jurk en dan een oranje koord,
+juist die kleuren.
+
+—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan
+eens naar een winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met
+een oranje koord; en voor mij een das, blauw met een oranje
+kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen.
+
+—En dan kan iedereen zien, dat je mijn Paps bent.
+
+Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig
+zijn tekort gevoeld.
+
+De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis.
+Omdat hij een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het
+huis gekocht. Op warme zomer-avonden roeide hij langs de rechte
+waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, waar de lange margrieten
+wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter iedere
+groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel
+zoo eindeloos hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes
+en de onbewogen koebeesten.
+
+Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was
+het hem een lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte
+pijpje te zitten rooken en te kijken naar de kleine schuiten met
+groenten en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar
+het stadje brachten.
+
+De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens,
+die hun komst lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet
+voorbijsnelden en lang, nadat ze heengegaan waren, de lucht nog vulden
+met onnoodig lawaai.
+
+Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden
+voortgeboomd door twee stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos
+aangevaren en het was, alsof de gebogen mannen bezig waren een groote
+plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van hun akkers—die de
+vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld en
+voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de
+weekmarkt.
+
+De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit
+onder de poort van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl
+de zon op de oranje wortelen, die dicht aaneen lagen op het groene bed
+van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps van een donziger wit
+binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de
+kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje
+in het broze rood.
+
+De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide
+mannen—pijp in den mond—klonk een gemompelde groet terug.
+
+Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen
+klanken naar beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor
+een, diep en plechtig in de stilte van den jongen morgen.
+
+Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan de campanula’s, die
+ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken der
+bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van
+grijs-verweerden steen daalde het trapje naar de glanzende vaart.
+
+Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de
+tot boerderij geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische
+centrale te bouwen, had de man mèt den bemosten zonnewijzer een
+karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de verdelgende klauwen van de
+moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in zijn handen
+gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel
+gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het
+rasterwerk van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken
+keer als hij het zag was het hem een verheugenis te herdenken, dat
+honderden jaren lang, geslacht na geslacht, heer en knecht getreden
+hadden over den grijzen steen.
+
+En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op
+de oude steenen, gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij
+persoonlijk iets had afgedaan aan de niet-te-delgen schuld, die zijn
+geslacht op zich geladen had door het noodeloos verminken en
+vernietigen, van wat vorige generaties in zoo voorname schoonheid en
+zuiverheid van proporties hadden opgebouwd.
+
+En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t
+glooiende wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila
+kelkjes en gele sterretjes gebeurd.
+
+Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep
+langs het grasgazon rond den zonnewijzer.
+
+Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een
+juichenden Septemberdag in hun verlovingstijd in den leegen tuin
+gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen en de denkbeeldige
+planten.
+
+—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne
+en muurbloemen en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten
+wat dieper in: klaprozen en akeleien in alle kleuren; en heelemaal
+achteraan langs de schutting geweldig-groote zonnebloemen. En bij de
+schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums
+van af het dakje.
+
+En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer hadden gestaan en stil
+gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar
+werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen
+hield, gelegd op den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van
+opgeslorpte zonnestralen en vertrouwelijk zacht van ouderdom. En met
+iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had hij geciteerd:
+
+
+ Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire—
+ A laisser de côté les moments ténébreux,
+ Mais à nous souvenir de ces jours de lumière,
+ Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?
+
+
+Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en
+in een verteedering om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote,
+sterke man leefde, had haar hoofd tegen z’n arm gelegd en gesmeekt:
+„Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen en de verzen en
+de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?”
+
+—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor
+alles, wat je mij geven wilt.
+
+Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet
+bitter weinig te bieden had.
+
+En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden waren, toen het
+eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars en
+geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het
+grasveld, had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet
+van den zonnewijzer.
+
+En de man, die eens de onverwachte woorden: „Je marque seulement les
+heures de soleil” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte,
+liet de spreuk, die tot hoon van zijn leven geworden was, begraven
+onder het gouden mos.
+
+Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee
+tennissen?”
+
+—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met
+het kind bukte hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers.
+
+—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan
+kijken naar de twee in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich
+zeer eenzaam.
+
+Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar
+binnen. En op den rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot,
+tuurde ze den lichten avondhemel in.
+
+Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld
+te gaan en ze zat op het bed langzaam te denken, hoe het al deze jaren,
+nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, gegaan was met haar leven,
+hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen en de
+schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den
+rijkdom, die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te
+verlaten voor een, dat groot was en statig en vol gerief, omdat hij
+nooit afstand wilde doen van den tuin, die onder zijn werkzame handen
+was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige schoonheid.
+
+En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een
+vertroosting en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de
+zorg en arbeid, die hij van hem eischte en hem de lange winteravonden
+bezighield, als hij een nieuwe indeeling zocht en een schooner
+schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl hij zat te
+zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten
+voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die
+verborgen liggen in de uren van afgeslotenheid en niet kende den
+rijkdom van eigen gedachtenwereld, voor wie de stilte niet anders was
+dan beklemming, had arm en verveeld naast hem gezeten, hunkerend naar
+het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen haar
+konden brengen.
+
+En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar
+leven geworden, want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende
+krullen rond een blozend appelsnoetje—een kind, dat voor ieder een
+onbevangen blik had en een rap woord.
+
+En ook het kind werd getrokken door den tuin.
+
+Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar
+winterverblijf in Italië en Nizza.
+
+„De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en
+Noorwegen; we blijven er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis,
+Elise? Ga je lang?”
+
+—Niet langer dan veertien dagen.
+
+Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen
+wil laten. En toch komt de concierge van het kantoor iederen dag
+sproeien.
+
+En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde:
+een groot huis en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi
+en vroolijk waren, was ze met haar den tuin ingeloopen en had de eene
+campanula na de andere afgebroken om haar man te kwetsen in wat ze
+wist, dat hem een vreugdevol bezit was.
+
+Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol bloemen heel de zonnige
+straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos droeg,
+als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een
+versmaad werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad
+haar tot een nederlaag.
+
+Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den
+man de begane wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten
+tusschen de felle fonkeling van de gloeiende papavers en den grilligen
+groei van de luchtige akeleien, begon ze te beseffen, hoe smartelijk ze
+hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het oude trapje en
+ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het
+vaartje, waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele
+donkerheid, die lag onder de lage iepen van den overkant, dacht ze: Als
+we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen opwachten en ’t hem
+zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de latyrus
+en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet.
+
+Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse
+saxifraga, die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de
+kleine blaadjes.
+
+Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar voet terug en het
+verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van het
+vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze
+zich gevangen gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel
+prettig moest zijn om straks bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen:
+„Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat is onze tuin aan den
+waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk toch, dat
+andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een
+verveloos hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, ... met onzen tuin.”
+
+Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze,
+dat in het alledag-leven de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch
+wel van zeer groote waarde zijn.
+
+En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de
+zachte gevoelens, die lagen te wachten op koestering en milde
+ontferming, had teruggeduwd.
+
+Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de
+tegenwoordigheid van het kind hadden ze niet ontzien.
+
+Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren van het rijpe gras
+naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund had? En
+ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was.
+
+Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind.
+
+Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in
+hand, staan bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het
+schuurtje. Ze spraken heel zacht en vertrouwelijk, alsof ze samen een
+lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. Ze zag het opgeheven
+kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één zelfde
+bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet
+eens van de kinderstem onderscheiden kon.
+
+Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en
+later van de verven en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk.
+Ik...
+
+In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen
+had.
+
+Ze riep het kind niet.
+
+Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje
+belachelijk, omdat ze als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te
+denken, wat ze nu verder voor goede dingen moest doen.
+
+Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp aansteken. Frank
+houdt zooveel van petroleumlicht.
+
+Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend
+twee-en-dertig te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden
+kind.
+
+En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon
+niet eens hoorde. Hij vertelde rustig door: „.... en dat zijn de
+nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes zitten te slapen, maar des
+nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien en bijna alle
+bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die
+nachtvlinders ergens trek in een beetje honing en den heelen dag zijn
+alle atalanta’s en de dagpauwoogen en de zandoogjes en de blauwtjes de
+kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie is een grappenmaker
+en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange
+zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders
+slapen, zet ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je
+bij de keuken al ruiken kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en
+de nachtvlinders met de zwakke oogjes vliegen regelrecht op de
+kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.”
+
+—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn
+hand.
+
+En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens
+diep in mijn vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan,
+dit vertrouwde spreken? Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het
+kind liep verloren achter me aan. Dat moet toch niet, ik met de bloemen
+en het kind alleen en de vrouw in huis.... alleen. Wij drieën.... Ik
+moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch méér
+dan de tuin.
+
+En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan
+bloemengeur is de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen
+man en vrouw. De geuren waren wel zoet, maar de klanken waren zoo hard
+geweest.
+
+—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde
+zich om en zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat
+zijn vrouw achter het theeblad en borduurde een kinderkraag.
+
+Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind
+wachtte in de vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er,
+alsof ze van hem hield.
+
+Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen hij wat
+onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?”
+
+Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank.
+
+—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen
+thee te drinken.
+
+—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen?
+
+Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet
+ontgaan en ze gevoelde zich zeer begenadigd.
+
+De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht
+heel zacht, nu ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij
+verheugde zich in haar jonge, zangerige stem, toen ze tot het kind zei:
+„Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. Ik heb je
+kopje al meegebracht.”
+
+En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het
+onverwachte van dezen vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit,
+wat de anderen nog niet durfden uitdenken: „Ik vind het ècht zoo
+allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.”
+
+En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam,
+als had ze een som op te lossen: „Een vader.... en een moeder.... en
+een kind.... dat’s sámen drie.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+KINDERTUINTJES
+
+
+Als Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer
+was—als Black oud is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin
+heelemaal anders aanleggen. Hoe vind je dit? en ze legde de platen van
+Homes and Gardens boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was
+te lezen, zoodat alle Buitenlandsche politiek opeens tot op z’n knieën
+zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten steenen, dat
+zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met
+rozen begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook.
+
+—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij
+grabbelde onder den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig
+was hem te ontglippen.
+
+—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin
+kunnen hebben, ’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf
+diep, had je dat gedacht?
+
+—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was.
+
+—Nou, triomfeerde ze, en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op
+den blanken onderkant van de plaat, hier moet je je ’t huis denken en
+dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde wàt bloeit, de
+achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één pad,
+dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van
+dat pad kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe
+eereprijs en iets roods of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine,
+kleurige plantjes tusschen de steenen?
+
+—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben?
+
+—Later immers, als Black.... fluisterde ze, met een blik op Bertje.
+
+—O, ja.
+
+—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas
+verhoogen en inplaats van die vervelende frambozen ramblers planten,
+zal je eens zien, hoe prachtig die achterkant zal worden, want de
+schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. En met zoo’n
+hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel
+dieper.
+
+—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook
+niet vergeten, dat ze natuurlijk precies nièt de vervelooze kolenhokken
+er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, waar altijd lappen
+aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas
+maskeeren kunt.
+
+Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig
+bekeken had, nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen,
+terwijl Bertje van zes in den tuin scharrelde en Mieke in den zandbak
+een rij versche poffertjes versierde met stralende meizoentjes.
+
+De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte
+zand stuift altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de
+tuin wel beschamend-leelijk en ze keek naar de kleurlooze rekpalen,
+waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, omdat je aan hooge ringen de
+mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het grasveldje, waar
+het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en
+paardenbloem-planten voor z’n konijnen.
+
+Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een
+rijtje, door een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den
+bedenkelijken graaslust van de konijnen.
+
+Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde ze; als later de
+konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is het
+schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen
+inrichten, zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van
+een oud waschhok den voorkant wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers
+plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden op te lossen—en
+nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer,
+met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren.
+
+De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het
+domme, platte deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars,
+met een pruikje zilverig huislook voor de gemoedelijkheid en dan in
+dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere gebogen takjes
+en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou
+hangen. De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de
+morgenzon juist in het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege
+voorjaar ’s morgens met mijn werk kunnen zitten. Maar dan moet de
+aanleg van den tuin toch weer anders zijn.
+
+Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp
+ze een nieuw plan van een recht weggetje met roode plavuizen, want ze
+was, vanwege de begroeide barsten, verknocht aan steenen paadjes. En
+aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en rondom vol
+bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen,
+rond het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en
+blauwe druifjes als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras.
+
+Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me
+koopen, ik heeft al een winkel vol.
+
+—Als deze kous klaar is, kom ik.
+
+—Is ie gauw klaar?
+
+—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een
+kwartier met haar winkel laten zitten.
+
+Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de
+betaling, sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om
+haar schouders, riep: „Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en
+wandelde met haar neus in de lucht, om Mieke’s gespannen blik te
+ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel
+toestapte.
+
+—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop?
+
+—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open,
+ping-dicht, dat doen deuren van winkels ook altijd. Dáár is de deur,
+wees Mieke met een zanderig vingertje een gat in de lucht.
+
+Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een
+ping-open, ping-dicht en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer
+binnen.
+
+—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er
+boven op en twee met gele. En heeft u ook een groote taart?
+
+—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik
+vergeten.
+
+—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u
+hem nog voor me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met
+vruchtjes op zij.
+
+—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig?
+
+—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar.
+
+—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig
+is.
+
+—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag
+er boven op. Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis,
+m’n kindertjes hebben zooveel gaten in hun kousen, die moet ik nog
+allemaal maken.
+
+—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes.
+
+—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes.
+
+Dag taartjes-juffrouw.
+
+—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap.
+
+—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien
+rijp en gisteren waren er ook al twee.
+
+—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje
+wit.
+
+—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er
+zóó’n groote aangegroeid.
+
+Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven
+de plant.
+
+—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers,
+aardbeien en frambozen is het allerprettigste; wat zitten de frambozen
+vol, hè?
+
+Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de
+schutting en ze speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die
+altijd even frischgroen en vroolijk op de meest ongelegen plaatsen in
+den tuin weer opdoken.
+
+Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, ze moeten er later
+allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal ik
+delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de
+frambozen en de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van
+geen beperking wisten en toch maar altijd weer verwilderden. En als het
+buitensporig aantal goudsbloemen in Joops tuintje wat verminderd en die
+slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou ze toch een
+prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De
+kindertuintjes lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois
+kunnen worden.
+
+Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert,
+om ’t gras voor de konijnen te knippen.
+
+Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen
+van af haar plaats op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze
+nog, die gaat er het eerst uit.
+
+—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie?
+
+—Over vijf minuten.
+
+—En eet je er een koekje bij?
+
+—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel.
+
+—Maar een ècht koekje?
+
+—Nee, geen echt koekje.
+
+Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over
+Bertje’s tuintje.
+
+Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee
+onderwijl naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit
+het buffet haalden.
+
+Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje
+riep: „Even je oogen dicht doen en nòu weer open.”
+
+En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met
+frisch-groen aardbei-blad en midden op, binnen een krans van
+madeliefjes, Bertje’s groote, roode, rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid
+met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk schaaltje twee
+paar stralende kinderoogen.
+
+—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op
+te eten; hij is al zoo mooi om naar te kijken.
+
+—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke
+heeft bedacht van de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t
+schoteltje.
+
+—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om de beurt een hapje; als je
+langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij smaakt naar de
+zon.
+
+—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie
+regelmaat draad-op, draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s
+schort liet gaan, toefden haar gedachten nog bij de verrassing, die de
+kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid hadden. Was
+eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte?
+
+Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen
+op de ontbijttafel. En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel
+goudsbloemen kweekte, om haar op haar verjaardag met de groote tinnen
+vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. En op een
+reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en
+vergeet-mij-nietjes, dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch
+het eenige troostende en opwekkende geweest in die sombere uren van
+kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de
+kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers
+van André, dat hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig
+gezongen hadden.
+
+Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, die bloeiden in den
+zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien,
+wieden, planten of oogsten.
+
+—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als
+je zoo zit en je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een
+huis, dan zie je alleen de lucht en de planten en de bloesems—’t is
+hier net als in een bloemenlaantje.
+
+Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden,
+terwijl de vruchten al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje.
+Heel stil zat hij er te droomen in zijn laantje.
+
+Een laantje... peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen
+kinderjaren... wat was dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan
+was er altijd diep in je de verwachting om het geheimzinnige... O, toen
+je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou uitloopen op de
+verrassing....
+
+Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat
+leelijk is—de huizen-muren en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend
+waschje van de achterburen—buiten te sluiten en met groote, verlangende
+oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met groen en
+bloesems onder den hoogen, blauwen hemel.
+
+O, mijn jongetje....
+
+Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven?
+’t Was Joop...... ’t Was Joop die op een kouden December-avond de
+konijnen verzorgd had.
+
+—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam.
+
+En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had
+gezegd: Met Bertje in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi
+en boerenkool gegeven en ze toegedekt en we hebben aldoor samen op de
+kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe dol-gezellig het
+in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes
+keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel
+in ’t schuurtje willen wónen.
+
+En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je
+levenlang die gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer
+behouden moogt!
+
+Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om
+den paal. Het drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t
+feestgezang:
+
+
+ Lang zal Mieke leven....,
+
+
+vanwege een onbewuste herinnering aan de vele verjaardagen, dat ze
+onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort
+hun feestliederen hadden staan zingen.
+
+En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n
+arm den tuin ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen
+de bloemen en ’t groen van het rek bengelden en de kinderen boven
+elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant gat en een arm rond
+den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. En
+’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte
+oogen krakelingen gehapt van de zwierende ringen.
+
+En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste
+knappende radijsjes, de eenige appel van Joops boompje, die een week
+lang op de vruchtenschaal had geprijkt, voor ze hem—om niets van een
+zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en al genoten
+hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme,
+huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist.
+
+En ieder feest was geworden in den tuin.
+
+Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen
+frambozen vol zoete beloften en hardnekkige uitloopers meer zouden
+zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. Ze zou niet meer
+hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte
+konijntjes. En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan
+haar voeten in de ringen hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe
+aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden kant te beschouwen.
+
+En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn... en al de stage
+werkzaamheid en de blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen
+en de hoop.
+
+In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar
+eigen-ontworpen tuin, waar de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de
+margarieten in rijken bloei zouden kleuren onder de dicht-betroste
+ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin zou geen
+kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder
+komt U éven kijken...”
+
+Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend
+haar en licht-gebogen rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut
+lag tegen den wind. De lijsterbes, die een hooge boom was geworden, zou
+met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen.
+
+Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden
+zonneschijn met, als grootste vreugde, een brief van een der verre
+kinderen, met wat naai- en breiwerk voor de kleinkindertjes, om nog
+iets te doen te hebben in haar stille leven, met de vele herinneringen,
+de blijde en de smartelijke.
+
+Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou
+zijn na den rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk
+verdriet, van verrassende teederheid en uitbundige levensvreugde, die
+nu dag aan dag haar deel was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORJAARS-HOFJE.
+
+
+Als een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den
+huizenrand. Met een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als
+een motorfiets dicht langs den trottoirband jakkert; schichtig kijken
+haar knipperende oogen naar de suizende trams, de toeterende auto’s en
+heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras tusschen
+alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den
+beschermenden huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de
+toegeknepen vuisten voor de schouders, sissende komt aansnuiven, als
+was hij de sneltrein zelf, recht op haar aan.
+
+En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar,
+zucht ze verlicht, nu ook de wilde jongen voorbij is.
+
+Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere
+zijde naderen een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee
+luid-babbelende dienstmeisjes, enkel aandacht voor zichzelve, een paar
+kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen
+doen. Want, ach neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en
+hardhoorig en slecht ter been, is geen veilige wijkplaats meer. Is
+juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik afwachtte om de
+straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden
+op de stoep, niet eens aan den rand?....
+
+En dan is ze thuis!
+
+Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die
+onmiddellijk weer achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze
+wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten en nog kortademig van haar
+te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken, in ’t
+voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank,
+luisterend naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu
+opeens gemoedelijk aandoen.
+
+Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat
+toegang geeft tot de heerlijkheid van het hofje.
+
+Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie
+rijen „kamertjes” van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant
+den hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch
+paradijs. Boven de malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van
+meizoentjes, boven het laantje met bessen- en frambozenstruiken vol
+kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes,
+boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge
+pereboomen, slank als populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem.
+
+Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en
+twee aan twee, voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één
+verbonden door een trapgeveltje. Ieder huisje heeft z’n beschuttende,
+groene luikjes ter weerszijden van het raam met de witte
+kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde
+latjes in de vensterbanken groeien.
+
+Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast
+geveltje en in ieder huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke
+heeft in haar huisje haar kamertje met de bedstee en het portaaltje met
+de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf, rommel en waschgoed,
+en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele
+klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water,
+want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en
+den hofjestuin.
+
+Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den
+portier en zijn moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede,
+bonte bloemenkrans liggen rond den moestuin en de bleekvelden de
+tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft tegenover haar eigen
+huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje,
+waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood
+en geel en wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de
+ribesstruikjes hangen vol rozeroode bengeltjes en de goud-bruine
+muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond de open
+kelkjes tuimelen.
+
+Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur
+naar het tuintje; tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als
+een kostbaarheid een kommetje koffiedik met een tinnen lepel en
+moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos, die midden
+in het perkje met den buksrand staat.
+
+—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie
+bemesting.
+
+Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de
+veete van het buksboompje.
+
+Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer
+worden opgejaagd uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in
+het hofje, erfde ze mèt het huisje onder den trapgevel ook het tuintje
+van haar onbekende voorgangster. En met een hart vol erkentelijkheid
+aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En het tuintje
+moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.”
+
+Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een
+kruisbesseboompje en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En
+rondom de stamroos, pal in ’t midden was een perkje viooltjes, omgeven
+door een rand van frisch-glanzende buks, als een ondoordringbaar, groen
+muurtje.
+
+Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje
+gebracht op een handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de
+poort nog gesloten was en alle lancasters neergelaten, toen de
+schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog in de
+pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje
+van links en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met een kolenschop
+hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven en
+overgebracht naar eigen terrein.
+
+En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen
+waren—de schade aan haar buksrand gezien, en gegluurd in de tuintjes
+van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in
+de laatste jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door
+haar verschillende huisjuffrouwen is ze ook subiet naar haar buur
+gestapt en heeft haar den diefstal verweten.
+
+Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is
+er dadelijk bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je
+pallempies, je hebt nooit pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle
+vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw Noot het ze bij d’r leve nog
+besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t is een schande om
+die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer
+verwere kan.”
+
+En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en
+heeft beslist, dat de buksjes moesten worden uitgegraven en
+teruggebracht naar de plaats, waar ze hoorden.
+
+Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen
+allen gezwegen en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond
+haalde, hadden de wortels niet eens aarde gepakt.
+
+Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden!
+
+Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen
+tusschen de andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde
+overplanting nooit te boven gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek
+in het glanzende buksmuurtje geweest en ondanks twee kannetjes water
+per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen haar
+buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden
+in het hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar
+de dichte groei der andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens
+zoo moedwillig geschonden was.
+
+En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete
+droom verstoord, dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje
+gedroomd had, als een gezegend land van enkel vriendinnen, elkaar
+dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid van deze
+plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de
+onbetrouwbaarheid, de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit
+vermoed.
+
+Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die
+juffrouw Ruitjes in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw
+de Konings vreedzamen gedachtengang telkens weer verstoort door met den
+spot in haar kleine oogjes op het onverwachts te vragen: „En hoe gaat
+het nou met de pallempies, groeie ze flink?”
+
+Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens
+„de baker” heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die
+regent is, eens heeft hooren zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?”
+
+En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder
+op visite kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog
+gebakerd en in haar kamertje hangt in een rood-fluweelen lijstje een
+portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck op schoot—een schaap van
+zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes van juffrouw
+Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een
+wagentje.
+
+„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot, „niks as kale bluf; ze hange
+d’r alleen maar, om te late kijke, dat ze de grootheid op d’r schoot
+gehad heeft.
+
+„De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de
+grootheid.”
+
+De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was
+in het groote huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op
+de linnenkamer, om het fijne damast te stoppen en schooljurken te
+naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge freules. En onder het
+passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van hun
+kostschooltijd en de uitgangen.
+
+Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote
+liefde haar trouw, warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en
+den jonker en den ouden baron.
+
+Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven
+op de hooge linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s
+avonds, als de booien, met wie ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de
+keuken waren.
+
+Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de
+kinderen nakeek van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke
+of onverschillige ruggetjes, in de onwillige of dansende, kleine beenen
+hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen.
+
+Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje
+van ’t Veen tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken
+over wat voor haar is verzwegen.
+
+De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie
+met den kleinen trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen
+gezant. Zoo strak en stil had ze gestaan bij Dientje, toen die haar de
+onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje, geknield en
+toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die
+freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden....
+
+Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land
+naar het andere; soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in
+Den Haag—met haar ouderen man, zonder kinderen. Dientje had haar nooit
+weergezien.
+
+En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar
+gestorven... plotseling...
+
+De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan
+en de tafel had getrild, terwijl hij z’n saamgeknepen handen steunde op
+het blad. Een oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag.
+
+Plotseling... zijn hart... was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang
+niet...
+
+Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het
+wel.
+
+Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote,
+zwaarmoedige oogen.
+
+„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had
+ze wel eens geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das
+strikte en de veters van z’n lakschoentjes, en als de rimpel tusschen
+de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte.
+
+Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven,
+ook andere jongens niet..., z’n vader was wel een vriend geweest... en
+z’n dieren: de konijnen, de marmotten, de witte muizen... en dan altijd
+maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen en altijd
+somber... en toen weg naar Indië... alleen... zoo’n knappe, vlugge
+jongen, zoo’n best hart... ach ja, dat hart, dat niet in orde was... te
+zacht, had Dientje gedacht, te gevoelig. Er is zooveel geweld in de
+wereld, zooveel leed... sommige harten kunnen dat niet dragen... op den
+duur...
+
+Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals
+ze vroeger de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje
+inloopen met twee, met drie, met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de
+oude kinderportretten en de souvenirs, die Dientje meegenomen had uit
+het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien nog wist van de
+verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een
+jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon...
+
+—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze
+zeven, toen was het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.”
+
+—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest.
+Hedwig maakt nu naam.
+
+—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen,
+kijk eens, zoo teekende moeder, toen ze... ja, hoe oud zou ik geweest
+zijn, Dien?
+
+—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de
+anderen waren al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat
+bij mij te teekenen en toen werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon
+als freule Hedwig. En toen heeft U een manteltje voor Lucie
+gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie? Een blauw
+manteltje was het met glazen knoopjes.
+
+—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar
+bewaard. Mary, zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor
+Dien?
+
+Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde
+kinderhoofden en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen
+door loopen de kinderen in en uit; ze mogen ieder jaar de witte
+aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje van het
+citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp
+en Mary mag pompen.
+
+Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje
+bij Dientje zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en
+over vader, toen hij nog krachtig en gezond was; over de zoo statige,
+ongenaakbare moeder niet veel...
+
+Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat
+Dientje een huisje in het hofje kreeg.
+
+En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk stak, nu
+Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid,
+terwijl zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t
+kastje naar den muur was gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen
+kon, omdat ze nu toevallig géén baron achter de hand had,—Bot had bij
+het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort uitgeleide deed,
+met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het
+pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.”
+
+—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd.
+
+„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe
+freule noemen ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch,
+alsof ze zelf tot de adeldom behoort.” En in de pret om haar vondst,
+waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van de deftigheid van de ander,
+was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen.
+
+Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van
+die ééne, hebben in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de
+kroon van een familie-wapen—van haar naam het „juffrouw” geschrapt.
+Over haar en over geen ander in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat
+doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman en juffrouw Heintje
+Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er tot het
+vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher
+en juffrouw Mina Visscher.
+
+Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer
+verknocht in stille vijandigheid tegenover de douweriere en de baker,
+omdat die zulke rare dingen in hun kamers hebben staan, omdat ze zoo
+weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen in het pompenhok en
+vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn.
+
+En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje.
+Dat moeten alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs
+juffrouw Heintje, die haar tuintje alleen gebruikt om haar poes te
+luchten.
+
+Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje
+mag haar poes behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit
+los loopt. Ze slaapt op het zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt
+roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap: „Poes?-Poe-oes? Waar is het
+lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?”
+
+Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens
+eenige oogenblikken doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een
+lagere tree zet en in een lichten schok volgen de achterpooten
+noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus van
+zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes
+gedwee haar grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw
+Heintje het einde van den zelfkant aan den bezemsteel midden in haar
+tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel heendraaien en
+krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon.
+
+Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek,
+waar de poes niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en
+tijm voor benauwdheid op de borst.
+
+Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje,
+vindt juffrouw de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een
+bloementuintje? Van bloemen heb je maar last en zorgen, als je ze
+buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen rommel; van een poes
+heb je alleen plezier en gezelligheid.
+
+„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat juffrouw Heintje, die
+op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot, zich
+slaperig zit te koesteren in de lentezon.
+
+„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal
+me benieuwen, of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie
+geld voor uit.”
+
+De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze
+de teedere, jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een
+rose madeliefje naast een vergeet-mij-nietje en dan weer een
+madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond het perkje van
+Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt en
+nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes.
+
+Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de
+rose en blauwe kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en
+licht-blauw—het zal zijn als de kleuren van zijden lint op wit-batisten
+kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes blauw.
+
+Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine,
+rose-gemarmerde lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft
+ze gekleed en gebaad en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes
+moeten losmaken, om ze te kunnen wasschen. En in de rose gezichtjes
+hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes getracht de
+witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de
+donzige koppetjes wreef.
+
+En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog
+nooit was geweest de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar
+aangezien van het eene kindje en het andere.... altijd weer andere
+blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere kindertjes, maar
+allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos.
+
+Rose en blauw, peinst ze.... madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes
+zijn eigenlijk als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze
+bloeien, jaar op jaar worden ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo...
+
+Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat
+je ze maar over aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe
+lucht. En alles gaat goed....
+
+En de anderen.... je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je
+er mee om en het gaat toch niet....
+
+Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets
+behouden hebben van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende
+handen drukken de warme, zachte aarde rond de jonge plantjes dicht en
+even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals zij ze honderden malen
+heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde
+wiegetjes.
+
+Als kinderen zijn jonge plantjes.
+
+Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door
+den geur ontdekt ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar
+gekweekt op een glas.
+
+—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning
+geraden, d’r komt nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou
+uitgemergeld.
+
+Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in
+October heeft ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna
+heeft ze hem vergeten. En nu roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij
+daar zoo schuchter en kleintjes, als had hij nooit iets te maken gehad
+met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster gepronkt
+heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de
+warme, zachte aarde en even is ze gevangen in al die geuren van de
+hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige, jonge groen.
+Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe
+oogen zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer
+onderscheiden kan. En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de
+kwetterende en fluitende en zingende vogels, die hier nestelen onder de
+pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs de stammen. Een
+vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare
+veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje
+wordt niet gevreesd, dat is geen vogeltjes-poes.
+
+Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt
+juffrouw van ’t Veen en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er
+te schilderen zit.
+
+Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het
+roode pannendak met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de
+klompen staan en het potje oranje tulpen voor het raam met de gesteven
+kant-gordijntjes. En al dat licht, al dat jonge, blijde zonnelicht.....
+
+—Mooi, zegt ze stil.
+
+—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje.
+
+—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen.
+
+—Als ik jou had, Dien.... en je vriendin Marijke, zou ik het best
+vinden; zoo heel veel heeft een mensch niet noodig.
+
+Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet... maar je moet het kunnen
+zien.... zooals Freule Hedwig het ziet.... zooals Marijke, de baker het
+ziet.... je moet het voelen....
+
+Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken
+samen naar het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn
+droomen haar beider gedachten terug naar het oude leven in het groote
+huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken... ze hebben het goed,
+als ze samen praten... ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen in
+stil verstaan.... neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet
+noodig....
+
+En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen
+gekomen zijn met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de
+douweriere met d’r thee op een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw
+Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje koffie hale? Gerust
+hoor, je zal je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel
+wat van fijne meniere.”
+
+Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje
+trekt nog wat meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar
+groenen emmer, waarvan de koperen voet zoo uitgelaten fonkelt als puur
+goud in den zonneschijn.
+
+Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en
+ramen te lappen.
+
+Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt
+juffrouw Timmerman kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand.
+Heeft haar moeder niet tot haar gezegd, toen ze nog een meisje van
+vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie drinken bij je
+buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.”
+Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere
+juffrouwen haar verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen
+koffie drinkt ze steeds alleen. En met geen van de juffrouwen hééft ze
+wat; hoe minder je je met anderen bemoeit, hoe minder ruzie. Zoo heeft
+moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika was. En je
+ouders moet je eeren, ook na hun dood.
+
+Recht en stijf, als woog de zware water-emmer niet aan haar arm van
+tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld gaat, waar
+de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar
+oogen worden hard.
+
+Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft,
+om te vragen haar te mogen schilderen.
+
+—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te
+doen; ik ben altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen
+heeft ze de voordeur dichtgedaan, van binnen op slot... Nee, ze hoeven
+haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw van ’t Veen—die
+toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen
+en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen.
+
+Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar
+gaat met het hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden
+rug. Het spijt haar nog altijd van dien kleinen, preutschen mond, van
+die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid, die zit tot
+in de strikken van haar ruitjes-schort.
+
+Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, nu ze er aan denkt,
+hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst
+heeft.
+
+Zoo oud... peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard... och arme...
+
+Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te
+breien op de bank; een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort
+gedaan wordt, krast nu en dan door het gemurmel heen. Dan sussen de
+anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje zwijgt een poosje.
+
+Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen.
+
+En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en
+als het aller-teederste, witte strandschelpje blijft liggen op een
+glimmend-lustren rok, knippen ze het met haar magere vingers weg, alsof
+het een vuiltje was.
+
+Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen
+of getweeën met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan
+de deuren van hun gevelhuisjes staan ze—de kleine bekommerde gezichten
+naar elkaar toegebogen—te praten.
+
+Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en weldadig-goed; stralend
+blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen, op den
+allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig
+liefdelied en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een
+glanzende spreeuw vliegt met een bek vol buit, dwars over het hofje,
+naar z’n nest met begeerige jongen.
+
+Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde
+en jong leven en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol
+teeder-groene bladertjes en kleurige bloesemknoppen.
+
+Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes.
+
+Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol
+maagdelijk-witten bloesem.
+
+En wie van haar zal de vrucht zien rijpen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***
diff --git a/76762-h/76762-h.htm b/76762-h/76762-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e5eb4cf
--- /dev/null
+++ b/76762-h/76762-h.htm
@@ -0,0 +1,2202 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-08-29T18:11:39Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Tuintjes | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881–1958)">
+<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Tuintjes">
+<meta name="DC.Creator" content="Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881–1958)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+.lgouter {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display: table;
+}
+.lg {
+text-align: left;
+padding: .5em 0;
+}
+.lg h4, .lgouter h4 {
+font-weight: normal;
+}
+.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
+color: #777;
+font-size: 90%;
+left: 16%;
+margin: 0;
+position: absolute;
+text-align: center;
+text-indent: 0;
+top: auto;
+width: 1.75em;
+}
+p.line, .par.line {
+margin: 0;
+}
+span.hemistich {
+visibility: hidden;
+}
+.verseNum {
+font-weight: bold;
+}
+.speaker {
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line {
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+.castlist, .castitem {
+list-style-type: none;
+}
+.castGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.castGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.castGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:497px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:467px;
+}
+.xd33e250 {
+text-indent:2em;
+}
+.spinewidth {
+width:720px;
+}
+.backwidth {
+width:492px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="497" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="467" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle">TUINTJES</h1>
+</div>
+<div class="byline">C.&nbsp;M. VAN HILLE-GAERTHÉ</div>
+<div class="docImprint">TWEEDE DRUK</div>
+</div>
+<p></p>
+<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center small">UITGEGEVEN TE ROTTERDAM DOOR <br>NIJGH &amp; VAN DITMAR’S <br>UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ <br>IN HET JAAR 1922
+<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<p><span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
+<h2 class="main">DE MAN EN ZIJN TUIN</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-e.png" alt="E" width="105" height="104"></div>
+<p class="first">n voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het weten gepaard met
+die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was.
+</p>
+<p>Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de plek in den
+tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als wreedaardig-aangevreten was tusschen
+de wazig-zachte spyrea en de hooge delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen
+uit een Oostersch sprookje.
+</p>
+<p>Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel waren de campanula’s
+nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was het: al die kleurige klokken, de paarse,
+de blauwe, de rood-geaderde; en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein.
+</p>
+<p>Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>hadden gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en gemijmerd:
+Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een klokkelied, een levens-symphonie;
+het lichte geklank van de wijde, witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van
+wat jong was en blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode,
+de lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel krachtig was
+en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart en hartstocht en zonde. En
+als ik de klanken gevonden had en de melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af
+laten zingen het groote sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd
+waart rond het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn, nauwelijks
+verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger
+worden en sterker en het einde zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende
+harmonie.
+</p>
+<p>—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in elkaar kan
+flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te verbeelden, dat hij een
+symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes, terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid
+heeft.
+<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
+<p>En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen geloopen, als getrapt.
+</p>
+<p>Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken was en alle
+planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven naar den zonnigen zomerhemel,
+waren de campanula’s niet anders geweest dan de andere bloemen: blijde open kelken—een
+schoonheid, een verheugenis.
+</p>
+<p>En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd, hoe hij zoo’n
+vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had uitgedacht, dat het hem nu
+was, alsof hij naar den vorm kon tasten als naar een bezit. Den ganschen dag had hij
+met die gedachte gespeeld en er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest
+om de kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid.
+</p>
+<p>Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven aan Meta,
+die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te praten, aan Meta, die volkomen
+onverschillig voor bloemen was. En juist de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats
+aan tafel dag aan dag had zien <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan.
+</p>
+<p>—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak afgesneden,
+er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder je zoo?
+</p>
+<p>Elise haalde de schouders op. <span class="corr" id="xd33e147" title="Niet in bron">„</span>Plunderen,<span class="corr" id="xd33e149" title="Niet in bron">”</span> zei ze en haar mond trok neer, <span class="corr" id="xd33e151" title="Niet in bron">„</span>plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik soms eerst aan jou vragen,
+van welke plant ik wel een bloemetje mag plukken en van welke niet?”
+</p>
+<p>—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend schouderophalen
+voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t.
+</p>
+<p>—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in ’t vervolg iemand
+bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar kwartjes koopen.
+</p>
+<p>Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur zei ze: „Als
+je koffie wilt, bel dan even.”
+</p>
+<p>—Ik wil geen koffie.
+</p>
+<p>—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het.
+</p>
+<p>Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet zich van haar
+hoogen <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes van ’t slabbetje. Hij zag het niet.
+</p>
+<p>Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel afschoof, zag
+hij het kind staan.
+</p>
+<p>—Wat knoei je daar toch aan je hals?
+</p>
+<p>—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte, slepende stemmetje.
+</p>
+<p>—Kom eens bij me.
+</p>
+<p>Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de slab bengelde
+op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de verwarde bandjes vol knoopen.
+</p>
+<p>Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke, bruin-verbrande
+handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het zachte gespannen, witte velletje
+zag hij de blauwe vertakking van de fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij
+haar keeltje.
+</p>
+<p>Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een tenger kindje
+is het toch, wat een poppetje.
+</p>
+<p>—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft dat nou zoo
+raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en alles stijf aangetrokken.
+<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
+<p>—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze.
+</p>
+<p>Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan ’t kibbelen
+geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de bandjes, die het nog niet
+kon strikken op gevoel. En den heelen maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind
+gezegd, altijd maar samen gekeven over die bloemen.
+</p>
+<p>—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde.…
+</p>
+<p>—Als je een haarspeld had.… zei ’t kind.
+</p>
+<p>—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn scheiding maak.
+</p>
+<p>Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg was ineens uit
+de groote, grijze oogen weg.
+</p>
+<p>—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang genoeg en dan hebben
+we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn
+dochter, klaar ben je!
+</p>
+<p>—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij door de serre
+den tuin instapte.
+</p>
+<p>Hij bleef staan bij de campanula-planten.
+</p>
+<p>Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets dan knoppen hadden
+van een <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>zoo vage kleur, dat ze de verrassing van blauw of paars of rood of wit nog verborgen
+hielden binnen hun kelken en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende
+pracht.
+</p>
+<p>Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte takken, waarvan
+de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen. Toen nam hij z’n zakmes en sneed
+de gebroken stengels tot den grond af.
+</p>
+<p>Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in elkaar geknepen
+op den rug.
+</p>
+<p>Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling getroffen door
+het strakke gezichtje.
+</p>
+<p>Wat stond ze daar verdrietig.
+</p>
+<p>Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg, misschien loopen
+ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het najaar.
+</p>
+<p>—Heusch?.… en het klonk als een snik, die de spanning brak … zou dat kunnen?.… O,
+Paps!
+</p>
+<p>Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles meegeleden? Wat
+misdoen we toch aan je!
+</p>
+<p>En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige oogen, zei hij:
+„De riddersporen <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>bloeien immers óók nog eens voor een tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden
+hebt. Kom, nu gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van
+de plaats des onheils.<span class="corr" id="xd33e199" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd.
+</p>
+<p>Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot schreiens toe gedrukt
+had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te zamen in eensgezindheid door den bloeienden
+avondtuin liepen.
+</p>
+<p>—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums, die bloeiden
+naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n
+blauwe jurk en dan een oranje koord, juist die kleuren.
+</p>
+<p>—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan eens naar een
+winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met een oranje koord; en voor mij
+een das, blauw met een oranje kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen.
+</p>
+<p>—En dan kan iedereen zien, dat je <i>mijn</i> Paps bent.
+</p>
+<p>Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig zijn tekort
+gevoeld.
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
+<p>De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis. Omdat hij
+een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het huis gekocht. Op warme
+zomer-avonden roeide hij langs de rechte waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes,
+waar de lange margrieten wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter
+iedere groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel zoo eindeloos
+hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes en de onbewogen koebeesten.
+</p>
+<p>Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was het hem een
+lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte pijpje te zitten rooken en
+te kijken naar de kleine schuiten met <span class="corr" id="xd33e215" title="Bron: groeten">groenten</span> en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar het stadje brachten.
+</p>
+<p>De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens, die hun komst
+lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet voorbijsnelden en lang, nadat
+ze heengegaan waren, de lucht nog vulden met onnoodig lawaai.
+</p>
+<p>Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden voortgeboomd door
+twee <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos aangevaren en het was, alsof de gebogen
+mannen bezig waren een groote plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van
+hun akkers—die de vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld
+en voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de weekmarkt.
+</p>
+<p>De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit onder de poort
+van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl de zon op de oranje wortelen,
+die dicht aaneen lagen op het groene bed van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps
+van een donziger wit binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de
+kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje in het broze
+rood.
+</p>
+<p>De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide mannen—pijp in
+den mond—klonk een gemompelde groet terug.
+</p>
+<p>Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen klanken naar
+beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor een, diep en plechtig in de
+stilte van den jongen morgen.
+</p>
+<p>Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>de campanula’s, die ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken
+der bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van grijs-verweerden
+steen daalde het trapje naar de glanzende vaart.
+</p>
+<p>Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de tot boerderij
+geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische centrale te bouwen, had de
+man mèt den bemosten zonnewijzer een karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de
+verdelgende klauwen van de moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in
+zijn handen gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel
+gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het rasterwerk
+van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken keer als hij het zag was
+het hem een verheugenis te herdenken, dat honderden jaren lang, geslacht na geslacht,
+heer en knecht getreden hadden over den grijzen steen.
+</p>
+<p>En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op de oude steenen,
+gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij persoonlijk iets had afgedaan aan de
+niet-te-delgen schuld, die zijn geslacht <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>op zich geladen had door het noodeloos verminken en vernietigen, van wat vorige generaties
+in zoo voorname schoonheid en zuiverheid van proporties hadden opgebouwd.
+</p>
+<p>En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t glooiende
+wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila kelkjes en gele sterretjes
+gebeurd.
+</p>
+<p>Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep langs het grasgazon
+rond den zonnewijzer.
+</p>
+<p>Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een juichenden Septemberdag
+in hun verlovingstijd in den leegen tuin gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen
+en de denkbeeldige planten.
+</p>
+<p>—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne en muurbloemen
+en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten wat dieper in: klaprozen en
+akeleien in alle kleuren; en heelemaal achteraan langs de schutting geweldig-groote
+zonnebloemen. En bij de schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums
+van af het dakje.
+</p>
+<p>En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>hadden gestaan en stil gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar
+werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen hield, gelegd op
+den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van opgeslorpte zonnestralen en <span class="corr" id="xd33e244" title="Bron: vertrouwlijk">vertrouwelijk</span> zacht van ouderdom. En met iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had
+hij geciteerd:
+</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire—
+</p>
+<p class="line xd33e250">A laisser de côté les moments ténébreux,
+</p>
+<p class="line">Mais à nous souvenir de ces jours de lumière,
+</p>
+<p class="line xd33e250">Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?</p>
+</div>
+<p class="first">Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en in een verteedering
+om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote, sterke man leefde, had haar hoofd
+tegen z’n arm gelegd en gesmeekt: „Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen
+en de verzen en de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?”
+</p>
+<p>—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor alles, wat je mij
+geven wilt.
+</p>
+<p>Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet bitter weinig
+te bieden had.
+</p>
+<p>En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>waren, toen het eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars
+en geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het grasveld,
+had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet van den zonnewijzer.
+</p>
+<p>En de man, die eens de onverwachte woorden: „<span lang="fr">Je marque seulement les heures de soleil</span>” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte, liet de spreuk, die tot hoon
+van zijn leven geworden was, begraven onder het gouden mos.
+</p>
+<p>Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee tennissen?”
+</p>
+<p>—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met het kind bukte
+hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers.
+</p>
+<p>—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan kijken naar de twee
+in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich zeer eenzaam.
+</p>
+<p>Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar binnen. En op den
+rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot, tuurde ze den lichten avondhemel
+in.
+</p>
+<p>Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld te gaan en ze
+zat op het bed <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>langzaam te denken, hoe het al deze jaren, nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden,
+gegaan was met haar leven, hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen
+en de schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den rijkdom,
+die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te verlaten voor een, dat
+groot was en statig en vol gerief, omdat hij nooit afstand wilde doen van den tuin,
+die onder zijn werkzame handen was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige
+schoonheid.
+</p>
+<p>En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een vertroosting
+en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de zorg en arbeid, die hij
+van hem eischte en hem de lange winteravonden bezighield, als hij een nieuwe indeeling
+zocht en een schooner schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl
+hij zat te zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten
+voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die verborgen liggen
+in de uren van afgeslotenheid en niet kende den rijkdom van eigen gedachtenwereld,
+voor wie de stilte niet anders was dan beklemming, had arm en verveeld naast hem <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>gezeten, hunkerend naar het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen
+haar konden brengen.
+</p>
+<p>En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar leven geworden,
+want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende krullen rond een blozend appelsnoetje—een
+kind, dat voor ieder een onbevangen blik had en een rap woord.
+</p>
+<p>En ook het kind werd getrokken door den tuin.
+</p>
+<p>Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar winterverblijf in
+Italië en Nizza.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e284" title="Niet in bron">„</span>De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en Noorwegen; we blijven
+er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis, Elise? Ga je lang?”
+</p>
+<p>—Niet langer dan veertien dagen.
+</p>
+<p>Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen wil laten. En
+toch komt de concierge van het kantoor iederen dag sproeien.
+</p>
+<p>En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde: een groot huis
+en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi en vroolijk waren, was ze
+met haar den tuin ingeloopen en had de eene campanula na de andere afgebroken om haar
+man te kwetsen in wat ze wist, dat hem een vreugdevol bezit was.
+</p>
+<p>Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>bloemen heel de zonnige straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos
+droeg, als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een versmaad
+werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad haar tot een nederlaag.
+</p>
+<p>Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den man de begane
+wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten tusschen de felle fonkeling
+van de gloeiende papavers en den grilligen groei van de luchtige akeleien, begon ze
+te beseffen, hoe smartelijk ze hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het
+oude trapje en ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het vaartje,
+waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele donkerheid, die lag onder de lage
+iepen van den overkant, dacht ze: Als we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen
+opwachten en ’t hem zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de
+latyrus en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet.
+</p>
+<p>Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse saxifraga,
+die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de kleine blaadjes.
+</p>
+<p>Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>voet terug en het verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van
+het vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze zich gevangen
+gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel prettig moest zijn om straks
+bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen: „Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat
+is onze tuin aan den waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk
+toch, dat andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een verveloos
+hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, … met onzen tuin.”
+</p>
+<p>Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze, dat in het alledag-leven
+de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch wel van zeer groote waarde zijn.
+</p>
+<p>En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de zachte gevoelens,
+die lagen te wachten op koestering en milde ontferming, had teruggeduwd.
+</p>
+<p>Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de tegenwoordigheid van het kind
+hadden ze niet ontzien.
+</p>
+<p>Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>van het rijpe gras naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund
+had? En ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was.
+</p>
+<p>Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind.
+</p>
+<p>Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in hand, staan
+bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het schuurtje. Ze spraken heel zacht
+en vertrouwelijk, alsof ze samen een lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden.
+Ze zag het opgeheven kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één
+zelfde bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet eens
+van de kinderstem onderscheiden kon.
+</p>
+<p>Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en later van de verven
+en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk. Ik …
+</p>
+<p>In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen had.
+</p>
+<p>Ze riep het kind niet.
+</p>
+<p>Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje belachelijk, omdat ze
+als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te denken, wat ze nu verder voor goede
+dingen moest doen.
+</p>
+<p>Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>aansteken. Frank houdt zooveel van petroleumlicht.
+</p>
+<p>Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend twee-en-dertig
+te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden kind.
+</p>
+<p>En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon niet eens hoorde.
+Hij vertelde rustig door: „.… en dat zijn de nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes
+zitten te slapen, maar des nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien
+en bijna alle bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die nachtvlinders
+<span class="corr" id="xd33e321" title="Bron: ergen">ergens</span> trek in een beetje honing en den heelen dag zijn alle atalanta’s en de dagpauwoogen
+en de zandoogjes en de blauwtjes de kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie
+is een grappenmaker en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange
+zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders slapen, zet
+ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je bij de keuken al ruiken
+kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en de nachtvlinders met de zwakke oogjes
+vliegen regelrecht op de kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.”
+<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
+<p>—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn hand.
+</p>
+<p>En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens diep in mijn
+vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan, dit vertrouwde spreken?
+Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het kind liep verloren achter me aan. Dat
+moet toch niet, ik met de bloemen en het kind alleen en de vrouw in huis.… alleen.
+Wij drieën.… Ik moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch
+méér dan de tuin.
+</p>
+<p>En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan bloemengeur is
+de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen man en vrouw. De geuren waren
+wel zoet, maar de klanken waren zoo hard geweest.
+</p>
+<p>—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde zich om en
+zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat zijn vrouw achter het theeblad
+en borduurde een kinderkraag.
+</p>
+<p>Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind wachtte in de
+vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er, alsof ze van hem hield.
+</p>
+<p>Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>hij wat onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?”
+</p>
+<p>Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank.
+</p>
+<p>—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen thee te drinken.
+</p>
+<p>—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen?
+</p>
+<p>Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet ontgaan en ze gevoelde
+zich zeer begenadigd.
+</p>
+<p>De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht heel zacht, nu
+ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij verheugde zich in haar jonge, zangerige
+stem, toen ze tot het kind zei: „Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken.
+Ik heb je kopje al meegebracht.”
+</p>
+<p>En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het onverwachte van dezen
+vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit, wat de anderen nog niet durfden uitdenken:
+„Ik vind het ècht zoo allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.”
+</p>
+<p>En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam, als had ze een
+som op te lossen: „Een vader.… en een moeder.… en een kind.… dat’s sámen drie.”
+<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<p><span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
+<h2 class="main">KINDERTUINTJES</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a.png" alt="A" width="103" height="105"></div>
+<p class="first">ls Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer was—als Black oud
+is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin heelemaal anders aanleggen. Hoe vind
+je dit? en ze legde de platen van <span lang="en">Homes and Gardens</span> boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was te lezen, zoodat alle Buitenlandsche
+politiek opeens tot op z’n knieën zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten
+steenen, dat zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met rozen
+begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook.
+</p>
+<p>—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij grabbelde onder
+den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig was hem te ontglippen.
+</p>
+<p>—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin kunnen hebben,
+’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf diep, had je dat gedacht?
+</p>
+<p>—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was.
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+<p>—Nou, triomfeerde ze<span class="corr" id="xd33e359" title="Niet in bron">,</span> en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op den blanken onderkant van de plaat,
+hier moet je je ’t huis denken en dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde
+wàt bloeit, de achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één
+pad, dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van dat pad
+kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe eereprijs en iets roods
+of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine, kleurige plantjes tusschen de steenen?
+</p>
+<p>—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben?
+</p>
+<p>—Later immers, als Black.… fluisterde ze, met een blik op Bertje.
+</p>
+<p>—O, ja.
+</p>
+<p>—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas verhoogen en inplaats
+van die vervelende frambozen ramblers planten, zal je eens zien, hoe prachtig die
+achterkant zal worden, want de schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten.
+En met zoo’n hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel
+dieper.
+</p>
+<p>—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook niet vergeten,
+dat ze natuurlijk <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>precies nièt de vervelooze kolenhokken er bij kieken en niet de balkons van de achterburen,
+waar altijd lappen aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas
+maskeeren kunt.
+</p>
+<p>Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig bekeken had,
+nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen, terwijl Bertje van zes in den
+tuin scharrelde en Mieke in den zandbak een rij versche poffertjes versierde met stralende
+meizoentjes.
+</p>
+<p>De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte zand stuift
+altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de tuin wel beschamend-leelijk
+en ze keek naar de kleurlooze rekpalen, waar Erna de ringen hoog opgetrokken had,
+omdat je aan hooge ringen de mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het
+grasveldje, waar het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en paardenbloem-planten
+voor z’n konijnen.
+</p>
+<p>Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een rijtje, door
+een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den bedenkelijken graaslust van de
+konijnen.
+</p>
+<p>Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>ze; als later de konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is
+het schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen inrichten,
+zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van een oud waschhok den voorkant
+wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden
+op te lossen—en nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer,
+met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren.
+</p>
+<p>De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het domme, platte
+deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars, met een pruikje zilverig huislook
+voor de gemoedelijkheid en dan in dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere
+gebogen takjes en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou hangen.
+De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de morgenzon juist in
+het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege voorjaar ’s morgens met mijn werk
+kunnen zitten. Maar dan moet de aanleg van den tuin toch weer anders zijn.
+</p>
+<p>Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp ze een nieuw
+plan van een recht <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>weggetje met roode plavuizen, want ze was, vanwege de begroeide barsten, verknocht
+aan steenen paadjes. En aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en
+rondom vol bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen, rond
+het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en blauwe druifjes
+als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras.
+</p>
+<p>Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me koopen, ik heeft
+al een winkel vol.
+</p>
+<p>—Als deze kous klaar is, kom ik.
+</p>
+<p>—Is ie gauw klaar?
+</p>
+<p>—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een kwartier met haar
+winkel laten zitten.
+</p>
+<p>Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de betaling,
+sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om haar schouders, riep:
+„Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en wandelde met haar neus in de lucht, om
+Mieke’s gespannen blik te ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel
+toestapte.
+</p>
+<p>—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop?
+</p>
+<p>—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open, ping-dicht, dat
+doen deuren <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van winkels ook altijd. Dáár is de deur, wees Mieke met een zanderig vingertje een
+gat in de lucht.
+</p>
+<p>Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een ping-open, ping-dicht
+en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer binnen.
+</p>
+<p>—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er boven op en
+twee met gele. En heeft u ook een groote taart?
+</p>
+<p>—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik vergeten.
+</p>
+<p>—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u hem nog voor
+me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met vruchtjes op zij.
+</p>
+<p>—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig?
+</p>
+<p>—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar.
+</p>
+<p>—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig is.
+</p>
+<p>—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag er boven op.
+Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis, m’n kindertjes hebben zooveel
+gaten in hun kousen, die moet ik nog allemaal maken.
+<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
+<p>—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes.
+</p>
+<p>—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes.
+</p>
+<p>Dag taartjes-juffrouw.
+</p>
+<p>—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap.
+</p>
+<p>—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien rijp en gisteren
+waren er ook al twee.
+</p>
+<p>—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje wit.
+</p>
+<p>—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er zóó’n groote aangegroeid.
+</p>
+<p>Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven de plant.
+</p>
+<p>—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers, aardbeien en frambozen
+is het allerprettigste; wat zitten de frambozen vol, hè?
+</p>
+<p>Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de schutting en ze
+speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die altijd even frischgroen en vroolijk
+op de meest ongelegen plaatsen in den tuin weer opdoken.
+</p>
+<p>Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>ze moeten er later allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal
+ik delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de frambozen en
+de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van geen beperking wisten en toch
+maar altijd weer verwilderden. En als het buitensporig aantal goudsbloemen in Joops
+tuintje wat verminderd en die slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou
+ze toch een prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De kindertuintjes
+lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois kunnen worden.
+</p>
+<p>Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert, om ’t gras voor
+de konijnen te knippen.
+</p>
+<p>Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen van af haar plaats
+op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze nog, die gaat er het eerst uit.
+</p>
+<p>—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie?
+</p>
+<p>—Over vijf minuten.
+</p>
+<p>—En eet je er een koekje bij?
+</p>
+<p>—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel.
+<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
+<p>—Maar een ècht koekje?
+</p>
+<p>—Nee, geen echt koekje.
+</p>
+<p>Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over Bertje’s tuintje.
+</p>
+<p>Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee onderwijl
+naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit het buffet haalden.
+</p>
+<p>Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje riep: „Even
+je oogen dicht doen en nòu weer open.”
+</p>
+<p>En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met frisch-groen
+aardbei-blad en midden op, binnen een krans van madeliefjes, Bertje’s groote, roode,
+rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk
+schaaltje twee paar stralende kinderoogen.
+</p>
+<p>—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op te eten; hij
+is al zoo mooi om naar te kijken.
+</p>
+<p>—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke heeft bedacht van
+de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t schoteltje.
+</p>
+<p>—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>de beurt een hapje; als je langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij
+smaakt naar de zon.
+</p>
+<p>—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie regelmaat draad-op,
+draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s schort liet gaan, toefden haar gedachten
+nog bij de verrassing, die de kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid
+hadden. Was eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte?
+</p>
+<p>Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen op de ontbijttafel.
+En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel goudsbloemen kweekte, om haar op
+haar verjaardag met de groote tinnen vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen.
+En op een reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en vergeet-mij-nietjes,
+dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch het eenige troostende en opwekkende
+geweest in die sombere uren van kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de
+kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers van André, dat
+hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig gezongen hadden.
+</p>
+<p>Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>die bloeiden in den zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien,
+wieden, planten of oogsten.
+</p>
+<p>—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als je zoo zit en
+je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een huis, dan zie je alleen de lucht
+en de planten en de bloesems—’t is hier net als in een bloemenlaantje.
+</p>
+<p>Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden, terwijl de vruchten
+al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje. Heel stil zat hij er te droomen in
+zijn laantje.
+</p>
+<p>Een laantje … peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen kinderjaren … wat was
+dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan was er altijd diep in je de verwachting
+om het geheimzinnige … O, toen je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou
+uitloopen op de verrassing.…
+</p>
+<p>Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat leelijk is—de huizen-muren
+en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend waschje van de achterburen—buiten te sluiten
+en met groote, verlangende oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met
+groen en bloesems onder den hoogen, blauwen hemel.
+<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
+<p>O, mijn jongetje.…
+</p>
+<p>Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven? ’t Was Joop.…..
+’t Was Joop die op een kouden December-avond de konijnen verzorgd had.
+</p>
+<p>—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam.
+</p>
+<p>En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had gezegd: Met Bertje
+in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi en boerenkool gegeven en ze toegedekt
+en we hebben aldoor samen op de kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe
+dol-gezellig het in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes
+keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel in ’t schuurtje
+willen wónen.
+</p>
+<p>En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je levenlang die
+gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer behouden moogt!
+</p>
+<p>Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om den paal. Het
+drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t feestgezang:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Lang zal Mieke leven.…,</p>
+</div>
+<p class="first">vanwege een onbewuste herinnering aan de vele <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>verjaardagen, dat ze onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort
+hun feestliederen hadden staan zingen.
+</p>
+<p>En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n arm den tuin
+ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen de bloemen en ’t groen van
+het rek bengelden en de kinderen boven elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant
+gat en een arm rond den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen.
+En ’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte oogen krakelingen
+gehapt van de zwierende ringen.
+</p>
+<p>En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste knappende radijsjes,
+de eenige appel van Joops boompje, die een week lang op de vruchtenschaal had geprijkt,
+voor ze hem—om niets van een zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en
+al genoten hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme,
+huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist.
+</p>
+<p>En ieder feest was geworden in den tuin.
+</p>
+<p>Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen frambozen vol zoete
+beloften <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en hardnekkige uitloopers meer zouden zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen.
+Ze zou niet meer hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte konijntjes.
+En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan haar voeten in de ringen
+hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden
+kant te beschouwen.
+</p>
+<p>En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn … en al de stage werkzaamheid en de
+blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen en de hoop.
+</p>
+<p>In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar eigen-ontworpen tuin, waar
+de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de margarieten in rijken bloei zouden kleuren
+onder de dicht-betroste ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin
+zou geen kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder komt
+U éven kijken<span class="corr" id="xd33e476" title="Bron: ..">…</span>”
+</p>
+<p>Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend haar en licht-gebogen
+rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut lag tegen den wind. De lijsterbes,
+die een hooge boom was geworden, zou met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen.
+<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
+<p>Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden zonneschijn met,
+als grootste vreugde, een brief van een der verre kinderen, met wat naai- en breiwerk
+voor de kleinkindertjes, om nog iets te doen te hebben in haar stille leven, met de
+vele herinneringen, de blijde en de smartelijke.
+</p>
+<p>Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou zijn na den
+rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk verdriet, van verrassende teederheid
+en uitbundige levensvreugde, die nu dag aan dag haar deel was.
+<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 last-child story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<p><span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
+<h2 class="main">VOORJAARS-HOFJE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a2.png" alt="A" width="103" height="104"></div>
+<p class="first">ls een bange, grijze muis sluipt het oude vrouwtje vlak langs den huizenrand. Met
+een lichten schouderschok schrikt ze telkens op, als een motorfiets dicht langs den
+trottoirband jakkert; schichtig kijken haar knipperende oogen naar de suizende trams,
+de toeterende auto’s en heel den warrel van groentekarren en venters en kris-kras
+tusschen alles doorschietende fietsen; en angstig drukt zij zich tegen den beschermenden
+huizenmuur, als een jongen met stijf-gestrekte armen, de toegeknepen vuisten voor
+de schouders, sissende komt aansnuiven, als was hij de sneltrein zelf, recht op haar
+aan.
+</p>
+<p>En met het gevoel, ternauwernood ontkomen te zijn aan een groot gevaar, zucht ze verlicht,
+nu ook de wilde jongen voorbij is.
+</p>
+<p>Dan komen er eenige oogenblikken van ongehinderd gaan; van de andere zijde naderen
+een vriendelijk heer, in gepeinzen verzonken, twee luid-babbelende dienstmeisjes,
+enkel aandacht voor zichzelve, een paar <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>kinderen met een poppenwagen, allen menschen, die haar niets kunnen doen. Want, ach
+neen, het trottoir, de toevlucht voor al wat oud is en hardhoorig en slecht ter been,
+is geen veilige wijkplaats meer. Is juffrouw Timmerman, terwijl ze een rustig oogenblik
+afwachtte om de straat over te steken, niet aangereden door een slagersjongen, midden
+op de stoep, niet eens aan den rand?.…
+</p>
+<p>En dan is ze thuis!
+</p>
+<p>Thuis—dat is het hofje. Ze duwt de zware poortdeur open en laat die onmiddellijk weer
+achter zich toevallen, als wilde ze heel de booze wereld vol lawaai en gevaren buitensluiten
+en nog kortademig van haar te snellen, beangstigenden gang, blijft ze eenige oogenblikken,
+in ’t voldaan gevoel van haar absolute veiligheid, toeven op de houten bank, luisterend
+naar de stadsgeluiden, die, in hun gedemptheid, haar nu opeens gemoedelijk aandoen.
+</p>
+<p>Een streng en sober voorportaal is de poort; het voorportaal, dat toegang geeft tot
+de heerlijkheid van het hofje.
+</p>
+<p>Met de poort en de regentenkamers en de portierswoning sluiten de drie rijen „kamertjes”
+van de hofjes-juffrouwen in een gelijkzijdig vierkant den <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>hofjestuin in, die in deze zoele Aprildagen is als een wereldsch paradijs. Boven de
+malsch-groene bleekvelden, gespikkeld van meizoentjes, boven het laantje met bessen-
+en frambozenstruiken vol kiemende blaadjes, boven alle vroolijke, kleurige lentebloemetjes,
+boven de glanzend-roode pannendakjes, strekken zich de hooge pereboomen, slank als
+populieren en nu vol sneeuwigen, witten bloesem.
+</p>
+<p>Ieder „kamertje” is een huisje, een mooi, gaaf oud-Hollandsch huisje en twee aan twee,
+voordeur naast voordeur zijn de huisjes tot één verbonden door een trapgeveltje. Ieder
+huisje heeft z’n beschuttende, groene luikjes ter weerszijden van het raam met de
+witte kant-gordijntjes en de geraniums en fuchsia’s, die langs getimmerde latjes in
+de vensterbanken groeien.
+</p>
+<p>Zoo liggen ze naast elkaar, huisje naast huisje, geveltje naast geveltje en in ieder
+huisje woont een eenzaam, oud wijfke. Ieder wijfke heeft in haar huisje haar kamertje
+met de bedstee en het portaaltje met de huishoudkast en een eigen zoldertje voor turf,
+rommel en waschgoed, en zoo heeft ieder wijfke ook haar eigen stukje straat van gele
+klinkertjes, waar ze een beetje mag schrobben en plenzen met water, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>want rondom het hofje loopt het gele straatje tusschen de huisjes en den hofjestuin.
+</p>
+<p>Midden in het hofje zijn de bleekvelden en de bloementuin van den portier en zijn
+moestuin en de hooge pereboomen. En als een breede, bonte bloemenkrans liggen rond
+den moestuin en de bleekvelden de tuintjes van de juffrouwen. Iedere juffrouw heeft
+tegenover haar eigen huisje met het trapgeveltje en de groene luikjes haar eigen tuintje,
+waar in dit vroege, milde voorjaar de tulpen en hyacinten bloeien, rood en geel en
+wit en paars, binnen de randjes van witte onschuld; de ribesstruikjes hangen vol rozeroode
+bengeltjes en de goud-bruine muurbloemen geuren zoo zoet, dat de bijtjes al maar rond
+de open kelkjes tuimelen.
+</p>
+<p>Over het heldere straatje sliffert een der oudjes van haar voordeur naar het tuintje;
+tusschen haar oude knokkelige handen draagt ze als een kostbaarheid een kommetje koffiedik
+met een tinnen lepel en moeizaam-bukkend, maakt ze het zand los rond haar stamroos,
+die midden in het perkje met den buksrand staat.
+</p>
+<p>—Koffiedik, zegt ze tegen haar buur van de rechterzijde, is een goeie bemesting.
+<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
+<p>Tot de buur van den linkerkant spreekt ze nooit; tusschen hen is de veete van het
+buksboompje.
+</p>
+<p>Toen zij drie jaar geleden, moe en mistroostig van het altijd weer worden opgejaagd
+uit te dure, benepen huurkamertjes, haar rust vond in het hofje, erfde ze mèt het
+huisje onder den trapgevel ook het tuintje van haar onbekende voorgangster. En met
+een hart vol erkentelijkheid aanvaardde zij de gulle bepaling van de overledene: „En
+het tuintje moet precies zoo blijven voor de juffrouw, die ná mij komt.”
+</p>
+<p>Het was een heel mooi tuintje met een dubbele-deutschia-struik en een kruisbesseboompje
+en hooge, blauwe riddersporen langs den kant. En rondom de stamroos, pal in ’t midden
+was een perkje viooltjes, omgeven door een rand van frisch-glanzende buks, als een
+ondoordringbaar, groen muurtje.
+</p>
+<p>Maar in den morgen van den dag, dat ze komen zou—met haar boeltje gebracht op een
+handkar—in den ongerepten, vroegen morgen, toen de poort nog gesloten was en alle
+lancasters neergelaten, toen de schaduwen nog lang waren en alleen de uitbundige vogels—hoog
+in de pereboomen—hun jubelende liederen tierelierden, toen zijn het buurtje van links
+en de juffrouw van no. 7 stil opgestaan en met <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>een kolenschop hebben ze elk twee buksboompjes uit het onbeheerde tuintje gegraven
+en overgebracht naar eigen terrein.
+</p>
+<p>En juffrouw de Koning heeft—nog vóór de meubels in huis gedragen waren—de schade aan
+haar buksrand gezien, en gegluurd <i>in</i> de <i>tuintjes</i> van de andere juffrouwen en haar eigen buksjes ontdekt. En zooals ze in de laatste
+jaren, altijd had opgespeeld, als ze te kort gedaan was door haar verschillende huisjuffrouwen
+is ze ook subiet naar haar buur gestapt en heeft haar den diefstal verweten.
+</p>
+<p>Die heeft ontkend, maar Bot, die alles weet en alles durft zeggen, is er dadelijk
+bij gekomen en heeft geroepen: „Laat naar je kijke met je pallempies, je hebt nooit
+pallempies in je tuintje gehad. Ze benne alle vier van de nieuwe juffrouw en juffrouw
+Noot het ze bij d’r leve nog besproke voor de juffrouw, die na d’r komme zou en ’t
+is een schande om die pallempies af te gappe van een dood mensch, dat zich niet meer
+verwere kan.”
+</p>
+<p>En toen de ander nog wat wilde inbrengen, is de portier gekomen en heeft beslist,
+dat de buksjes moesten worden uitgegraven en teruggebracht naar de plaats, waar ze
+hoorden.
+<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
+<p>Tegenover de zware, rustige mannestem hebben de opgewonden juffrouwen allen gezwegen
+en toen juffrouw Ruitjes de buksjes uit den grond haalde, hadden de wortels niet eens
+aarde gepakt.
+</p>
+<p>Klaar bewijs, dat ze d’r net in stonden!
+</p>
+<p>Juffrouw de Koning zelf heeft de palmpjes weer met voorzichtige handen tusschen de
+andere gezet, maar een van de buksjes is de herhaalde overplanting nooit te boven
+gekomen. Hij is maandenlang de doffe plek in het glanzende buksmuurtje geweest en
+ondanks twee kannetjes water per dag, toch bezweken. En nu nog, als de andere juffrouwen
+haar buksrand roemen als de mooiste en hoogste en dichtste aller buksranden in het
+hofje, ziet juffrouw de Koning altijd dat ééne kale plekje, waar de dichte groei der
+andere palmpjes nooit heeft kunnen heelen, wat eens zoo moedwillig geschonden was.
+</p>
+<p>En mèt het gehavende buksrandje van den eersten dag is ook de zoete droom verstoord,
+dien juffrouw de Koning vele jaren over dit hofje gedroomd had, als een gezegend land
+van enkel vriendinnen, elkaar dierbaar en toegewijd. Ook hier in de veilige afgeslotenheid
+van deze plek van rust—evenzeer, als overal elders in de wereld—huizen de onbetrouwbaarheid,
+<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>de inhaligheid en de nijd. En dat had ze nooit vermoed.
+</p>
+<p>Het is Bot, de spotvogel van het hofje,—genietend van iedere emotie—die juffrouw Ruitjes
+in bedekte termen den diefstal nahoudt en die juffrouw de Konings vreedzamen gedachtengang
+telkens weer verstoort door met den spot in haar kleine oogjes op het onverwachts
+te vragen: „En hoe gaat het nou met de pallempies, groeie ze flink?”
+</p>
+<p>Bot is ook degene, die de anderen bijnamen geeft, die juffrouw Nellens „de baker”
+heeft genoemd, alleen omdat zij Meneer van Boschwyck, die regent is, eens heeft hooren
+zeggen: „Zoo, Baker, hoe gaat het?”
+</p>
+<p>En hij stapte meteen haar huisje binnen, alsof hij bij z’n eigen moeder op visite
+kwam. Want juffrouw Nellens heeft Meneer van Boschwyck nog gebakerd en in haar kamertje
+hangt in een rood-fluweelen lijstje een portret van haar zelf met Meneer van Boschwyck
+op schoot—een schaap van zes weken is hij daar. Er hangen ook nog andere portretjes
+van juffrouw Nellens met een klein kindje in haar armen of een kindje in een wagentje.
+</p>
+<p>„Lilleke, verbleekte dingen,” vindt Bot<span class="corr" id="xd33e544" title="Niet in bron">,</span> „niks as kale bluf; ze hange d’r alleen maar, om te late kijke, <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>dat ze de grootheid op d’r schoot gehad heeft.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e549" title="Niet in bron">„</span>De baker en de douweriere, die hebben ’t altijd druk met de grootheid.”
+</p>
+<p>De douweriere is Dientje van ’t Veen, die vele jaren linnenmeisje was in het groote
+huis vol baronnen en baronessen. Ze heeft daar gewoond op de linnenkamer, om het fijne
+damast te stoppen en schooljurken te naaien en fleurige zomerjaponnetjes van de jonge
+freules. En onder het passen vertelden ze haar van hun school en hun pret, later van
+hun kostschooltijd en de uitgangen.
+</p>
+<p>Maar niemand in ’t hofje—Bot allerminst—vermoedt met welke groote liefde haar trouw,
+warm hart de kleine freuletjes heeft liefgehad en den jonker en den ouden baron.
+</p>
+<p>Ze heeft de kinderen gekend, zooals geen in huis ze gekend heeft. Boven op de hooge
+linnenkamer heeft ze gezeten, jaren achtereen, ook ’s avonds, als de booien, met wie
+ze nooit vertrouwelijk geweest is, in de keuken waren.
+</p>
+<p>Een eenzame vrouw was ze, die weinig sprak en veel hoorde, die de kinderen nakeek
+van af haar plaatsje voor het raam en in de energieke of onverschillige ruggetjes,
+in de onwillige of dansende, kleine <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>beenen hun verdriet en hun zorgen wist, hun vreugde en verlangen.
+</p>
+<p>Niet de woorden, die tot haar gesproken zijn, hebben juffrouw Dientje van ’t Veen
+tot zoo’n wijze, oude vrouw gemaakt, maar het stille denken over wat voor haar is
+verzwegen.
+</p>
+<p>De kinderen zijn, de een na den ander, het huis uitgegaan; freule Marie met den kleinen
+trotschen mond, is getrouwd met den veel ouderen gezant. Zoo strak en stil had ze
+gestaan bij Dientje, toen die haar de onderjurk voor de bruidsjapon paste. En Dientje,
+geknield en toegewijd-bezig, had gedacht aan den jongen, vroolijken neef Adolf, die
+freule Marie altijd zoo graag had mogen lijden.…
+</p>
+<p>Freule Marie was weggereisd en nog altijd reisde ze van ’t eene land naar het andere;
+soms kwam ze voor een paar maanden terug in Holland—in Den Haag—met haar ouderen man,
+zonder kinderen. Dientje had haar nooit weergezien.
+</p>
+<p>En ook jonker Hubert was weggegaan, ver weg naar Indië en daar gestorven … plotseling …
+</p>
+<p>De oude baron had het haar zelf verteld. Bij de tafel had hij gestaan en de tafel
+had getrild, terwijl hij z’n <span class="corr" id="xd33e565" title="Bron: saamgenepen">saamgeknepen</span> handen steunde op het blad. Een <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>oud, gebroken man was hij geworden in dien éénen dag.
+</p>
+<p>Plotseling … zijn hart … was niet heelemaal in orde, eigenlijk allang niet …
+</p>
+<p>Stil maar, had Dientje gedacht, zeg maar niets meer, ik begrijp het wel.
+</p>
+<p>Ze had hem immers zoo goed gekend—kleine Huub met z’n groote, zwaarmoedige oogen.
+</p>
+<p>„Kom jongen, lach nou eens, je gaat naar zoo’n heerlijke partij,” had ze wel eens
+geprobeerd, wanneer ze hem als kleine jongen z’n das strikte en de veters van z’n
+lakschoentjes, en als de rimpel tusschen de sombere kinderoogen haar weer zoo verontrustte.
+</p>
+<p>Neen, partijtjes en pretjes hadden hem nooit eenige vreugde gegeven, ook andere jongens
+niet …, z’n vader was wel een vriend geweest … en z’n dieren: de konijnen, de marmotten,
+de witte muizen … en dan altijd maar alleen en teruggetrokken voor de andere menschen
+en altijd somber … en toen weg naar Indië … alleen … zoo’n knappe, vlugge jongen,
+zoo’n best hart … ach ja, dat hart, dat niet in orde was … te zacht, had Dientje gedacht,
+te gevoelig. Er is zooveel geweld in de wereld, zooveel leed … sommige harten kunnen
+dat niet dragen … op den duur …
+<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
+<p>Maar freule Wiesje was getrouwd en in de stad blijven wonen. En zooals ze vroeger
+de linnenkamer binnendanste, kwam ze nu Dientjes kamertje inloopen met twee, met drie,
+met vier kinderen. Dan bekeken ze samen de oude kinderportretten en de souvenirs,
+die Dientje meegenomen had uit het groote huis en zorgvuldig bewaarde. En of Dien
+nog wist van de verkleedpartijen en dat Marie altijd koningin wou zijn en zij een
+jongensrol en Hedwig, die alles bedacht en die zoo mooi teekenen kon …
+</p>
+<p>—O, ja, Dien had nog teekeningetjes van freule Hedwig; toen was ze zeven, toen was
+het al mooi. „Van U heb ik ze ook nog.”
+</p>
+<p>—Toe, Dien, laat eens kijken. Ja, Hedwig is altijd bizonder geweest. Hedwig maakt
+nu naam.
+</p>
+<p>—O nee maar, Dien, wat onnoozel, die teekeningen van mezelf! Kinderen, kijk eens,
+zoo teekende moeder, toen ze … ja, hoe oud zou ik geweest zijn, Dien?
+</p>
+<p>—Elf, wist Dien dadelijk. Het was die keer, toen U mazelen had en de anderen waren
+al beter en ze waren toen met Juf naar het ijs en U zat bij mij te teekenen en toen
+werd U boos, omdat U het niet zoo goed kon als freule Hedwig. En toen heeft U <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>een manteltje voor Lucie gemaakt—weet U nog, pop-Lucie, die haar had van freule Marie?
+Een blauw manteltje was het met glazen knoopjes.
+</p>
+<p>—Ja, ik weet het nog best; wij hebben Lucie nog—om het haar heb ik haar bewaard. Mary,
+zal je den volgenden keer Lucie eens meebrengen voor Dien?
+</p>
+<p>Als freule Wiesje komt, is Dientjes kamertje vol vroolijkheid en blonde kinderhoofden
+en de deur staat wijd-open, want tusschen de verhalen door loopen de kinderen in en
+uit; ze mogen ieder jaar de witte aardbeitjes opeten uit Dientjes tuintje en een stekje
+van het citroenkruid plukken en Louis mag Dientjes waterkan vullen bij de pomp en
+Mary mag pompen.
+</p>
+<p>Maar als freule Hedwig in het hofje komt schilderen en een half-uurtje bij Dientje
+zit, sluiten ze de deur en dan praten ze zacht over Huub en over vader, toen hij nog
+krachtig en gezond was; over de zoo statige, ongenaakbare moeder niet veel …
+</p>
+<p>Toen de kinderen uit huis waren, heeft de oude baron gezorgd, dat Dientje een huisje
+in het hofje kreeg.
+</p>
+<p>En juffrouw Bot, wier altijd-loerende jaloezie onmiddellijk <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>stak, nu Dientje—tien jaar jonger dan zij—zoo gladjes het hofje was ingedraaid, terwijl
+zij hemel en aarde had moeten bewegen en jaren lang van ’t kastje naar den muur was
+gestuurd, voor ze een „kamertje” bemachtigen kon, omdat ze nu toevallig géén baron
+achter de hand had,—Bot had bij het eerste bezoek, toen Dientje den baron tot de poort
+uitgeleide deed, met een grimas achter hun ruggen, tegen de andere juffrouwen in het
+pompenhok gespot: „Kijk daar gaat de beron met zijn douweriere.”
+</p>
+<p>—Wat, douweriere? wat klets je nou? had juffrouw Heintje gevraagd.
+</p>
+<p>„O, weet U ’t weer niet? Een jonge freule noemen ze freule en een ouwe freule noemen
+ze douweriere. En juffrouw van ’t Veen doet zoo grootsch, alsof ze zelf tot de adeldom
+behoort.” En in de pret om haar vondst, waarmee ze toch stilletjes iets afdeed van
+de deftigheid van de ander, was de prik van haar jaloezie alweer verdwenen.
+</p>
+<p>Maar de andere juffrouwen in een machteloosheid tegenover den spot van die ééne, hebben
+in een gevoel van solidariteit—als roofden zij de kroon van een familie-wapen—van
+haar naam het „juffrouw” geschrapt. Over haar en over geen ander <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>in het hofje, spreken ze als „Bot”; dat doet juffrouw de Koning en juffrouw Timmerman
+en juffrouw Heintje Visscher, die altijd bij den voornaam genoemd wordt, omdat er
+tot het vorige jaar twee juffrouwen Visscher waren: juffrouw Heintje Visscher en juffrouw
+Mina Visscher.
+</p>
+<p>Maar juffrouw Heintje met Bot samen voelen zich toch weer zeer verknocht in stille
+vijandigheid tegenover de douweriere en de baker, omdat die zulke rare dingen in hun
+kamers hebben staan, omdat ze zoo weinig ingaan op de genoeglijke kwaad-sprekerijen
+in het pompenhok en vooral omdat ze zoo onaantastbaar zijn.
+</p>
+<p>En toch, het tuintje van de baker is het mooiste van het gansche hofje. Dat moeten
+alle juffrouwen bekennen, als ze eerlijk zijn, zelfs juffrouw Heintje, die haar tuintje
+alleen gebruikt om haar poes te luchten.
+</p>
+<p>Er is in het hofje een streng verbod op poesen; alleen juffrouw Heintje mag haar poes
+behouden, omdat haar poes een hofjes-poes is, die nooit los loopt. Ze slaapt op het
+zoldertje en ’s morgens na haar ontbijt roept juffrouw Heintje aan de zoldertrap:
+„Poes?-Poe-oes? Waar is het lieve diertje dan? Komt ze dan gauw bij ’t vrouwtje?”
+<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
+<p>Dan komt de poes de trap afgedaald op luie voorpooten, die telkens eenige oogenblikken
+doelloos in de lucht hangen, voor zij ze op een lagere tree zet en in een lichten
+schok volgen de achterpooten noodgedwongen het dikke, vadsige poeselijf. Door de lus
+van zelfkant-flanel, die juffrouw Heintje haar toehoudt, steekt de poes gedwee haar
+grooten kop met de suffe oogen en dan bindt juffrouw Heintje het einde van den zelfkant
+aan den bezemsteel midden in haar tuintje. En nu mag de poes een beetje om den bezemsteel
+heendraaien en krabben in ’t zand en knipoogen naar de vogeltjes en slapen in de zon.
+</p>
+<p>Een slordig, omgewoeld zandveldje is het tuintje; alleen in den hoek, waar de poes
+niet komen kan, groeit wat kruzemunt voor de rheumatiek en tijm voor benauwdheid op
+de borst.
+</p>
+<p>Juffrouw Heintjes tuintje is een schande voor zoo’n fatsoenlijk hofje, vindt juffrouw
+de Koning. Maar wat geeft juffrouw Heintje om een bloementuintje? Van bloemen heb
+je maar last en zorgen, als je ze buiten hebt staan en in huis maken ze een smerigen
+rommel; van een poes heb je alleen plezier en gezelligheid.
+</p>
+<p>„Is ’t niet poes? Is ’t niet, lekker dier?” praat <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>juffrouw Heintje, die op dezen Aprilmiddag met de poes aan den zelfkant op haar schoot,
+zich slaperig zit te koesteren in de lentezon.
+</p>
+<p>„Kijk nu de baker zich druk maken met al die miezerige plantjes. ’t Zal me benieuwen,
+of d’r ooit bloem an komt, en daar geeft ze nou d’r goeie geld voor uit.”
+</p>
+<p>De baker ligt op haar knieën in haar tuintje en een voor een neemt ze de teedere,
+jong-groene bundeltjes en plant ze in de rulle aarde; een rose madeliefje naast een
+vergeet-mij-nietje en dan weer een madeliefje; altijd rose en blauw, om en om, rond
+het perkje van Lieve-Vrouwe-bedstroo, dat ieder jaar weer zoo zoet vanzelf opkomt
+en nu al bloeit met duizend fijne, witte sterretjes.
+</p>
+<p>Lief zal het zijn, als over een paar dagen ook het randje bloeit; de rose en blauwe
+kleurtjes wazen al door het groen—wit en rose en licht-blauw—het zal zijn als de kleuren
+van zijden lint op wit-batisten kinderjurken, rose voor de meisjes en voor de jongetjes
+blauw.
+</p>
+<p>Rose waren de kindertjes, die ze gekoesterd heeft. Hoevele kleine, rose-gemarmerde
+lichaampjes heeft ze niet in haar armen gehad; ze heeft ze gekleed en gebaad <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>en met zachten drang heeft ze de kleine vuistjes moeten losmaken, om ze te kunnen
+wasschen. En in de rose gezichtjes hebben de weeke, roode mondjes met tjilpende geluidjes
+getracht de witte spons te grijpen, wanneer ze die als een streeling over de donzige
+koppetjes wreef.
+</p>
+<p>En de oogen, blauw en groot en zoo ontroerend-ernstig—oogen waarin nog nooit was geweest
+de lichte tinteling van den kinderlach—hebben haar aangezien van het eene kindje en
+het andere.… altijd weer andere blauwe oogen; jaar in jaar uit, altijd weer andere
+kindertjes, maar allen zoo lief, zoo klein, zoo hulpeloos.
+</p>
+<p>Rose en blauw, peinst ze.… madelieven en vergeet-mij-niet, plantjes zijn eigenlijk
+als kinderen; je krijgt ze klein en ze groeien en ze bloeien, jaar op jaar worden
+ze krachtiger, dikwijls gaat het zoo …
+</p>
+<p>Wat doe je er voor? Een beetje water, als het droog is en verder laat je ze maar over
+aan de zon, aan den wind, aan den regen en de blauwe lucht. En alles gaat goed.…
+</p>
+<p>En de anderen.… je verzorgt ze, je vertroetelt ze; dag aan dag tob je er mee om en
+het gaat toch niet.…
+<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
+<p>Er is een zachte glans in haar oude oogen, die, al de jaren door iets behouden hebben
+van het diepe, ernstige kinderblauw. Haar zorgende handen drukken de warme, zachte
+aarde rond de jonge plantjes dicht en even denkt ze weer aan de kindertjes, zooals
+zij ze honderden malen heeft toegedekt en ingestopt in hun rose en blauwe en gebloemde
+wiegetjes.
+</p>
+<p>Als kinderen zijn jonge plantjes.
+</p>
+<p>Nog stil-gebukt spiedt ze aandachtig haar tuintje rond en gelokt door den geur ontdekt
+ze opeens een nietige, paarse hyacint, het vorige jaar gekweekt op een glas.
+</p>
+<p>—U kunt hem gerust in ’t vullisvat gooien, had juffrouw de Koning geraden, d’r komt
+nooit meer wat an zoo’n bol van een glas, hij is nou uitgemergeld.
+</p>
+<p>Ze had hem tòch gedroogd op een stukje krant voor ’t zolderraam. En in October heeft
+ze hem toevertrouwd aan de ontfermende aarde en daarna heeft ze hem vergeten. En nu
+roept hij haar met z’n geur, nu bloeit hij daar zoo schuchter en kleintjes, als had
+hij nooit iets te maken gehad met de forsche pralende plant, die eens voor haar venster
+gepronkt heeft. Haar hoofd buigt zich over de donker-paarse bloem, over de warme,
+zachte aarde en even is ze <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>gevangen in al die geuren van de hyacint, van het Lieve-Vrouwe-bedstroo en het kruidige,
+jonge groen. Als een kostbaar geschenk is haar dit oogenblik en haar oude blauwe oogen
+zien naar de pereboomen, waar ze den bloesem weet, maar niet meer onderscheiden kan.
+En stil-verzonken luistert ze naar de vogels, de kwetterende en fluitende en zingende
+vogels, die hier nestelen onder de pannen, in de pereboomen, in de nestkastjes langs
+de stammen. Een vogelparadijs is dit oord van rust en kruimels en van een onschatbare
+veiligheid is dit land zonder katten; de poes van juffrouw Heintje wordt niet gevreesd,
+dat is geen vogeltjes-poes.
+</p>
+<p>Langs het smalle frambozenlaantje tusschen de bleekvelden loopt juffrouw van ’t Veen
+en brengt een kop thee aan freule Hedwig, die er te schilderen zit.
+</p>
+<p>Over freule Hedwigs schouder ziet ze naar het huisje op het doek; het roode pannendak
+met het grijze huislook, de kierende deur, waarvoor de klompen staan en het potje
+oranje tulpen voor het raam met de gesteven kant-gordijntjes. En al dat licht, al
+dat jonge, blijde zonnelicht.….
+</p>
+<p>—Mooi, zegt ze stil.
+</p>
+<p>—Als ik oud ben, Dien, dan kom ik hier ook wonen in jullie mooie hofje.
+<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p>
+<p>—Ach, vindt Dientje, niets voor de freule, zoo met al die anderen.
+</p>
+<p>—Als ik jou had, Dien.… en je vriendin Marijke, zou ik het best vinden; zoo heel veel
+heeft een mensch niet noodig.
+</p>
+<p>Nee, denkt Dientje, zoo heel veel niet … maar je moet het kunnen zien.… zooals Freule
+Hedwig het ziet.… zooals Marijke, de baker het ziet.… je moet het voelen.…
+</p>
+<p>Ze blijft nog staan, als freule Hedwig haar thee uitdrinkt; zij kijken samen naar
+het schilderijtje en in den warmen, koesterenden zonneschijn droomen haar beider gedachten
+terug naar het oude leven in het groote huis. Maar ze behoeven er niet over te spreken …
+ze hebben het goed, als ze samen praten … ze hebben het beter nog, als ze samen zwijgen
+in stil verstaan.… neen, ook zoo heel veel woorden heeft een mensch niet noodig.…
+</p>
+<p>En geen van beiden vermoedt, hoe daar in het pompenhok, waar de vrouwen gekomen zijn
+met haar wateremmers, Bot tot de anderen zegt: „Kijk, de douweriere met d’r thee op
+een blaadje met een zakdoek. Zeg, juffrouw Timmerman, kom je nou es bij mijn een kommetje
+koffie hale? Gerust hoor, je zal <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>je koppie ook op een zaddoekie hebbe; Bot weet ook nog wel wat van fijne meniere.”
+</p>
+<p>Maar juffrouw Timmerman antwoordt niet eens. Haar ingevallen mondje trekt nog wat
+meer naar binnen en zonder een woord neemt ze haar groenen emmer, waarvan de koperen
+voet zoo uitgelaten fonkelt als puur goud in den zonneschijn.
+</p>
+<p>Zulk helder, droog weer is het vandaag, net weer om te schrobben en ramen te lappen.
+</p>
+<p>Kopjes koffie, mokt ze stilletjes, koffie bij Bot! Nooit drinkt juffrouw Timmerman
+kopjes koffie bij de andere juffrouwen, bij niemand. Heeft haar moeder niet tot haar
+gezegd, toen ze nog een meisje van vijftien was: „Denk er om, Hendrika, ga nooit koffie
+drinken bij je buren. Van kopjes koffie kommen praatjes en van praatjes komt ruzie.”
+Daarom heeft juffrouw Timmerman haar levenlang bedankt, als de andere juffrouwen haar
+verzochten op een kommetje koffie en ook haar eigen koffie drinkt ze steeds alleen.
+En met geen van de juffrouwen hééft ze wat; hoe minder je je met anderen bemoeit,
+hoe minder ruzie. Zoo heeft moeder ’t haar al geleerd, toen ze nog een kleine Hendrika
+was. En je ouders moet je eeren, ook na hun dood.
+</p>
+<p>Recht en stijf, als woog de zware water-emmer <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>niet aan haar arm van tachtig jaren, stapt ze verder en als ze langs het bleekveld
+gaat, waar de freule zit, stijgt een klein, nijdig blosje naar haar wangen en haar
+oogen worden hard.
+</p>
+<p>Het is deze freule, die het vorig jaar aan haar huisje geklopt heeft, om te vragen
+haar te mogen schilderen.
+</p>
+<p>—Dank u, heeft ze toen geantwoord, die schande hoeft u me niet aan te doen; ik ben
+altijd een fatsoenlijke burgerjuffrouw geweest. En meteen heeft ze de voordeur dichtgedaan,
+van binnen op slot … Nee, ze hoeven haar niets voor te praten, de freule niet en juffrouw
+van ’t Veen—die toch zoo netjes en ingetogen lijkt—ook niet; het begint met schilderen
+en het eindigt met je portret op een prentkaart voor de winkelramen.
+</p>
+<p>Freule Hedwig kijkt het kwieke wijfke glimlachend na, zooals ze daar gaat met het
+hagelwit-gemutste hoofdje boven den smallen, beleedigden rug. Het spijt haar nog altijd
+van dien kleinen, preutschen mond, van die kostelijke ras-oogen, van heel de zelfgenoegzaamheid,
+die zit tot in de strikken van haar ruitjes-schort.
+</p>
+<p>Maar de glimlach trekt weer weg van haar gezichtje, <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>nu ze er aan denkt, hoe zelfs haar vriendelijke groet het vrouwtje zooeven nog gekwetst
+heeft.
+</p>
+<p>Zoo oud … peinst ze, tachtig jaar en nog zoo hard … och arme …
+</p>
+<p>Achter haar murmelen de stemmen van een paar oudjes, die zitten te breien op de bank;
+een schel geluidje, alsof iemand voortdurend te kort gedaan wordt, krast nu en dan
+door het gemurmel heen. Dan sussen de anderen goedmoedig en het ondeugende stemmetje
+zwijgt een poosje.
+</p>
+<p>Onder de hooge, bloeiende pereboomen zitten de drie juffrouwen.
+</p>
+<p>En wanneer een enkele maal een bloesemblaadje naar beneden fladdert en als het aller-teederste,
+witte strandschelpje blijft liggen op een glimmend-lustren rok, knippen ze het met
+haar magere vingers weg, alsof het een vuiltje was.
+</p>
+<p>Op de banken zitten de oudjes, op haar sitsen pantoffels gaan ze alleen of getweeën
+met gebogen, moede hoofden langs het gele straatje en aan de deuren van hun gevelhuisjes
+staan ze—de kleine bekommerde gezichten naar elkaar toegebogen—te praten.
+</p>
+<p>Het hofje is vol zonneschijn. Het is er warm en <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>weldadig-goed; stralend blauw is de hemel daarboven. In de goten scharrelen de musschen,
+op den allerhoogsten tak van den pereboom jubelt de merel z’n uitbundig liefdelied
+en ergens klinkt een schuchter liefde-zangetje terug. En een glanzende spreeuw vliegt
+met een bek vol buit, dwars over het hofje, naar z’n nest met begeerige jongen.
+</p>
+<p>Het is lente, de wind komt uit het Zuiden, de vogels zingen van liefde en jong leven
+en elke struik en iedere tak is een kostbaarheid vol teeder-groene bladertjes en kleurige
+bloesemknoppen.
+</p>
+<p>Over de blinkende klinkertjes sloffen de oude, oude vrouwtjes.
+</p>
+<p>Hoog boven haar hoofden rekken zich de slanke pereboomen vol maagdelijk-witten bloesem.
+</p>
+<p>En wie van haar zal de vrucht zien rijpen?
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="58"></div><p>
+</p>
+<p>&nbsp;
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="492" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table>
+<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">DE MAN EN ZIJN TUIN</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">7</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">KINDERTUINTJES</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">31</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">VOORJAARS-HOFJE.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">49</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2025-08-28 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 13 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e147">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e151">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e284">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e549">59</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e149">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e199">16</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e215">17</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">groeten</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">groenten</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e244">21</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vertrouwlijk</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vertrouwelijk</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e321">28</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ergen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ergens</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e359">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e544">58</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e476">46</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e565">60</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">saamgenepen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">saamgeknepen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76762 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/76762-h/images/back.jpg b/76762-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0878ce1
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/front.jpg b/76762-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cbdbc2a
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/initial-a.png b/76762-h/images/initial-a.png
new file mode 100644
index 0000000..9602579
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/initial-a.png
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/initial-a2.png b/76762-h/images/initial-a2.png
new file mode 100644
index 0000000..9326766
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/initial-a2.png
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/initial-e.png b/76762-h/images/initial-e.png
new file mode 100644
index 0000000..f4eb690
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/initial-e.png
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/spine.jpg b/76762-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c37165a
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/76762-h/images/titlepage.png b/76762-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..c893546
--- /dev/null
+++ b/76762-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..bb34a7a
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #76762
+(https://www.gutenberg.org/ebooks/76762)