summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76761-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76761-0.txt')
-rw-r--r--76761-0.txt3141
1 files changed, 3141 insertions, 0 deletions
diff --git a/76761-0.txt b/76761-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4676f14
--- /dev/null
+++ b/76761-0.txt
@@ -0,0 +1,3141 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76761 ***
+
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 33 DE ALARMKREET.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE ALARMKREET
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE REDACTIE.
+
+
+Een reusachtig schild met gouden letters trok in de Regentstraat de
+aandacht van alle voorbijgangers.
+
+
+ „De Alarmkreet”.
+
+ Onafhankelijk orgaan voor recht en waarheid.
+
+
+las ieder, die daar passeerde.
+
+Des avonds prijkte een enorm groote trompet, gevormd door helder
+brandende electrische lampjes, boven aan den gevel van het gebouw.
+
+Te oordeelen naar de reclame, die er werd gemaakt, moest het een
+wereldberoemd blad zijn en het grootste gedeelte van het gebouw scheen
+gebruikt te worden voor de exploitatie van het blad.
+
+Maar al die reclame was niets als bluf en diende alleen om het publiek
+zand in de oogen te strooien.
+
+Dat op deze manier reeds werd gehandeld in strijd met de waarheid,
+scheen niet te hinderen.
+
+Wanneer men in het reuzengebouw informeerde naar de redactie van de
+Alarmkreet, kreeg men een ontwijkend antwoord.
+
+Alleen de portier, die echter meestal niet te vinden was, wees den
+belangstellenden vrager den weg langs drie binnenplaatsen; dan moest
+men vijf trappen hoog klimmen, totdat men bijna onder het dak boven een
+lage, vervelooze deur een schild ontdekt, waarop te lezen stond:
+
+
+ Redactie van de „Alarmkreet”
+
+
+Ging de vreemdeling naar binnen, dan vond hij in het vertrek, dat
+slechts gemeubeld was met een wankel tafeltje en twee stoelen, een
+armoedig gekleeden jongeling van 15 of 16-jarigen leeftijd, die den
+bezoeker met verbaasde blikken aanstaarde, alsof hij niet wist, wat
+iemand ter wereld daar te zoeken kon hebben.
+
+Vroeg men naar de redactie of den directeur van de courant, dan luidde
+het antwoord, dat de jongen gaf, altijd:
+
+„Mr. Röttger, de redacteur, en mr. Kroyzer zijn allebei uit de stad en
+het is niet te zeggen, wanneer zij terug zullen komen.”
+
+Men werd dan verzocht zijn aangelegenheden schriftelijk te behandelen.
+
+Niemand probeerde het ooit, de vijf trappen nogmaals, en misschien
+tevergeefs, te beklimmen en men deed zijn zaken dan maar per brief af.
+
+De redacteur en de eigenaar van de courant moesten geldige redenen
+hebben om een ontmoeting met het publiek te vermijden.
+
+Ook had nog nooit iemand van den goed afgerichten jongen de
+particuliere adressen der beide heeren vernomen.
+
+Zelfs tegen een groote fooi verried hij zijn meesters niet.
+
+Eenmaal per week kwam de Alarmkreet uit en niemand wist hoe groot de
+oplaag was.
+
+Slechts enkele Londenaars kochten het blad.
+
+Het was, alsof men bang was om er de hand naar uit te steken.
+
+Zij, die het kochten, deden het alleen omdat zij belust waren op
+schandaaltjes, die zij in de Alarmkreet rijkelijk konden vinden, of wel
+het waren lieden, die zelf in het schimpblad aan de kaak werden
+gesteld.
+
+Onder den schijn, voor recht en waarheid te strijden, maakte het
+weekblad er zijn werk van, de zwarte zielen der Londenaren nog
+donkerder af te schilderen dan zij inderdaad reeds waren.
+
+Slechts zij, die een flink bedrag betaalden of abonné’s waren, konden
+er zeker van zijn, niet door het slijk te worden gesleurd.
+
+Het laatste nummer der Alarmkreet bevatte een artikel over John
+Raffles, den grooten onbekende.
+
+Mijnheer de redacteur meende te kunnen bewijzen, dat de edele
+karaktereigenschappen, welke Raffles in al zijn daden aan den dag had
+gelegd, niets anders dan schijnheiligheid waren.
+
+Inderdaad moest hij een gewetenlooze avonturier zijn, een misdadiger,
+die zijn ongelukkigen slachtoffers hun laatsten cent ontnam om het geld
+in gezelschap van lichtzinnige losbollen of met dames der demi-monde te
+verbrassen.
+
+Charly Brand, de vriend en helper van Raffles, had de courant gekocht,
+toen die op straat met luid geschreeuw werd aangeboden en legde ze op
+diens schrijftafel nadat hij het artikel, dat als opschrift droeg: „De
+waarheid omtrent Raffles!” met blauw potlood had aangestreept.
+
+Lord Lister was juist uit de sportclub Hellas in zijn voorname, deftige
+woning teruggekeerd en had dadelijk de courant even ingekeken.
+
+De secretaris lette nauwkeurig op de gelaatsuitdrukking van zijn
+vriend.
+
+Raffles liet, nadat hij het artikel gelezen had, zijn monocle uit de
+oogholte vallen en ving het in de hand.
+
+Met een schalkschen blik en een vroolijk glimlachje sprak hij tot
+Charly Brand:
+
+„Nu weet ik tenminste de waarheid omtrent mijzelf. Het is opvallend,
+hoe weinig wij, menschen, ons eigen karakter soms kennen. Ik heb
+inderdaad tot dusverre nog niet geweten, dat ik een vreeselijke Don
+Juan, een speler en drinker ben. Alle eer aan de Alarmkreet! Zij heeft
+mij de oogen geopend. Ik voel, dat ik zoo slecht ben, dat ik nauwelijks
+meer in den spiegel durf kijken.”
+
+Charly Brand begreep deze ironie niet.
+
+Mismoedig fronste hij de wenkbrauwen en antwoordde:
+
+„Ik snap je niet. Wil je het artikel, zonder er notitie van te nemen,
+in de prullemand werpen?
+
+„Moet men jou, die elken penning, welken je met je sport verdient,
+besteedt om den nood van ongelukkigen te lenigen, moet men jou
+werkelijk voor een speler en een drinker houden?”
+
+John Raffles stond op en klopte zijn secretaris geruststellend op den
+schouder.
+
+„Mijn lieve, beste jongen! De enkele lezers van dit artikel mogen er,
+wat mij betreft, gelukkig mee zijn. De andere menschen zullen zeker wel
+weten, wat men van een stuk in de Alarmkreet kan gelooven.
+
+„Het zou zeer beleedigend voor mij zijn, wanneer het schimpblad had
+geschreven, dat ik een eerlijk, vroom mensch was, dat ik een even
+volmaakt gentleman was als de heeren van de Alarmkreet dat zelf zijn.
+
+„Kijk eens, mijn beste Charly, zulk een artikel zou ik niet
+onverschillig ter zijde hebben gelegd, want dat zou een beleediging
+zijn geweest.
+
+„Ik dacht er juist vanmorgen over na, waar ik een nieuw terrein zou
+kunnen vinden voor het verdere uitoefenen van mijn sport.
+
+„Ik zal mij nu eens in het belang van het menschdom met dit alom
+verspreide blad bezighouden.
+
+„Doe eens je best om er achter te komen waar de eigenaar en de
+hoofdredacteur van het blad wonen en op welke uren zij te spreken zijn.
+Dan kan ik mijn plan in elkaar zetten.”
+
+Charly Brand stond op, en daar het zijn gewoonte was, de bevelen van
+zijn meester dadelijk ten uitvoer te brengen, nam hij zijn hoed en
+wandelstok om zich op weg te begeven.
+
+„Mocht je den hoofdredacteur persoonlijk te spreken krijgen,” sprak
+lord Lister, toen Charly de kamer wilde verlaten, „stel je dan aan hem
+voor als schrijver, wat je immers ook bent.”
+
+Charly Brand bloosde.
+
+„Hoezoo?” vroeg hij. „Hoe weet jij, dat ik schrijf?”
+
+„Ik weet het,” antwoordde Raffles lachend, „ik vond namelijk, toen je
+uit waart, in je kamer een lijvig werk, waarin je de meeste mijner
+uitgehaalde streken op verbazend kunstige wijze hebt weergegeven.
+
+„Daarom heb ik het recht te zeggen, dat jij een auteur bent.”
+
+„Ik schreef dit alleen voor mijn eigen genoegen,” antwoordde de
+secretaris.
+
+„Maar met grooten aanleg,” antwoordde John Raffles. „Ik was reeds
+gisteren van plan je te verzoeken, voortaan al mijn avonturen, als mijn
+trouw biograaf, op te schrijven. Misschien wordt je daardoor eenmaal
+een beroemd man.
+
+„Ga nu. Stel je op de redactie voor als schrijver en zeg, dat je werk
+zoekt. Vertel ook, dat je van allerlei hooggeplaatste en beroemde
+personen de intiemste schandaaltjes weet.”
+
+Charly ging heen.
+
+Hij moest bijna een uur zoeken, voordat de portier van het groote
+gebouw, hem met een geheimzinnig glimlachje den weg wees naar het
+redactiebureau van de Alarmkreet.
+
+Toen hij de armoedig ingerichte kamer binnentrad, was daar ook een
+bejaarde man aanwezig, die naar zijn kleeding te oordeelen, tot den
+gegoeden stand behoorde.
+
+Charly Brand bleef bij de deur staan en was getuige van een gesprek
+tusschen den man en den jongen.
+
+„Het is dus onmogelijk,” sprak de vreemdeling, „om een van de heeren te
+spreken te krijgen?”
+
+„Onmogelijk,” antwoordde de jongeling, met een grijns op zijn leelijk
+gelaat. „Mr. Röttger en Mr. Kroyzer zijn voor zaken afwezig en als gij
+iets wenscht, dan moet gij dat schriftelijk vragen.”
+
+„Ik kan dat niet per brief doen,” sprak de onbekende. „Gij weet zeker
+wel van welke zaak hier sprake is. De som, die ik moet betalen, kan ik
+niet bij elkaar brengen.”
+
+De jongen haalde de schouders op.
+
+„Ik weet niet, waarom het hier gaat, Sir, gij moet dat met den chef
+zelf behandelen.”
+
+„Als ik hem maar te spreken kan krijgen,” vervolgde de vreemdeling op
+zenuwachtigen toon, „reeds vier keer heb ik den weg hierheen afgelegd.”
+
+„Ik zei u reeds eenige keeren, dat gij de zaak alleen per brief in orde
+kunt maken.”
+
+„En ik herhaal u voor de vierde maal, dat ik daartoe niet in staat ben.
+Ik geef u een flinke fooi, als gij mij het adres van een der heeren
+opgeeft.”
+
+„Ik ken hun adressen zelf niet,” antwoordde de jongen, „het helpt niets
+of gij mij een fooi geeft. Mr. Röttger en Mr. Kroyzer komen hier op
+kantoor en behandelen met mij, wat er te behandelen is”.
+
+„Ik heb gisteren en vandaag al urenlang gewacht, zonder een der heeren
+te spreken—niemand komt. Kunt gij mij niet vertellen, „wanneer zij
+ongeveer verschijnen?”
+
+„Wel Sir,” sprak de jongen, „ik kan u geen inlichtingen daaromtrent
+geven, ik zie de heeren dikwijls, dagenlang niet. Soms komen zij eerst
+des nachts om hier te werken.”
+
+„Maar de heeren moeten u uw loon toch uitbetalen.”
+
+„Yes Sir,” antwoordde de kantoorbediende, „dat zenden de heeren per
+post aan mijn moeder.”
+
+Zonder zich verder om Charly Brand of den vreemdeling te bekommeren,
+stak de jongen een slechte centssigaar aan, nam plaats op een stoel en
+blies dikke rookwolken voor zich uit.
+
+Nu kwam Charly Brand naderbij en sprak tot den waardigen
+vertegenwoordiger der Alarmkreet:
+
+„Ik wenschte ook een der heeren te spreken, maar na al hetgeen ik
+zooeven hoorde, bestaat daartoe weinig kans.”
+
+„Ja mijnheer,” antwoordde de jongen, in een hoek van de kamer spuwende,
+„dat moet gij schriftelijk doen.”
+
+De secretaris zette zijn hoed op en ging heen.
+
+Met een diepen zucht volgde de vreemdeling hem.
+
+Toen zij buiten waren gekomen, sprak de onbekende heer:
+
+„Een schurkenbende is het! Bedriegers van het ergste kaliber en niemand
+durft het wagen, hen aan te vallen. Het is meer dan treurig, dat onze
+politie aan dergelijke dingen niet een eind maakt! Maar met werkelijke
+misdadigers, zooals die daar, bemoeit de politie zich niet.”
+
+„Met wien heb ik de eer?” vroeg Charly Brand, terwijl hij zijn hoed
+afnam.
+
+De vreemdeling groette eveneens zeer beleefd en sprak toen:
+
+„Pardon, ik vergat de gewone beleefdheid in acht te nemen. Mijn naam is
+Thomas Spancer. Ik ben de eigenaar van een zaak in pelterijen aan het
+Strand, gij zult mijn winkel waarschijnlijk wel kennen.”
+
+„Zeker,” antwoordde de secretaris van Raffles, „ik ken die zaak als een
+der oudste van Londen.”
+
+„Zoo is het,” knikte de vreemdeling, „mijn grootvader richtte de firma
+op. De zaak is reeds honderdvijftig jaar in handen van onze familie en
+onze naam staat in Londen uitstekend bekend.
+
+„En nu willen die schurken door middel van hun lastercourant onzen
+goeden, eerlijken naam bezoedelen en mij met mijn familie te gronde
+richten.
+
+„Dat wil zeggen”—hij lachte bitter—„indien ik de vijfduizend pond
+sterling niet betaal.”
+
+Charly Brand floot zachtjes.
+
+„Daar is het hun dus om te doen. Mijn naam is Charly Brand,” sprak hij,
+„het zou mij genoegen doen, wanneer ik u kon helpen.”
+
+De pelshandelaar keek den jongen man met onderzoekende blikken aan.
+
+„Ik zou gaarne hulp willen aanvaarden,” sprak hij langzaam.
+
+„Mag ik weten, hoe de zaak in elkaar zit?”
+
+„Uw uiterlijk boezemt mij vertrouwen in,” antwoordde de koopman, „laten
+wij samen een restaurant binnengaan, dan zal ik er u meer van
+vertellen.”
+
+Beide heeren gingen een restaurant binnen, waar op dat uur weinig
+bezoekers waren.
+
+Nadat zij iets hadden besteld, begon de koopman op zachten toon, te
+vertellen:
+
+„Ik heb een zoon, die nu 22 jaar oud is en in mijn zaak werkt een jonge
+bontwerkster van opvallende schoonheid.
+
+„Zij en mijn zoon werden verliefd op elkaar en hiervan bemerkte ik pas
+iets, toen het reeds te laat was.
+
+„Tevergeefs wees ik mijn zoon op de treurige gevolgen van zijn
+lichtzinnig gedrag en zei hem, dat hij onmogelijk met het jonge meisje
+kon trouwen, daar elk mannelijk lid onzer familie een geldhuwelijk moet
+sluiten.
+
+„Misschien vindt gij een dergelijk principe niet goed, maar ik verzeker
+u, mr. Brand, dat in drie geslachten, bij mijn grootvader, mijn vader
+en mij zelf, waar de huwelijken allemaal uit berekening werden
+gesloten, een gelukkig en kalm familieleven heeft geheerscht.
+
+„Bij veel van mijn vrienden daarentegen, die huwelijken uit liefde
+sloten, zijn ongeluk, zorg en vernietiging der eens gekoesterde idealen
+de treurige gevolgen geweest.
+
+„Mijn zoon dacht er ook niet over, het jonge meisje te huwen en maakte
+daardoor den toestand nog erger.”
+
+„Dat begrijp ik niet,” sprak Charly Brand hoofdschuddend, „gij hadt dit
+juist prettig moeten vinden.”
+
+„Volstrekt niet,” antwoordde de ander, „want hierdoor kreeg ik een
+slechten dunk omtrent het karakter van mijn zoon.
+
+„Hoe is het mogelijk, dat een jonge man een verhouding aanknoopt met
+een meisje, zonder te bedenken dat hij daardoor de verplichting op zich
+laadt om met haar te trouwen?”
+
+„Ja, gij hebt gelijk,” sprak de secretaris.
+
+„Om kort te zijn,” vervolgde de oude heer, „de naaister geloofde
+stellig, dat mijn zoon Charly—mijn zoon draagt denzelfden naam als
+gij—haar zou huwen.
+
+„Toen ik haar verklaarde, dat zij misrekende en dat mijn zoon op reis
+zou gaan—hij bevindt zich tijdelijk in Amerika om pelswaren in te
+koopen—haalde het arme meisje een domme streek uit en sprong, om een
+eind aan haar leven te maken, in de Theems.
+
+„Zij werd gered.
+
+„Op mijn kosten liet ik haar in een onzer beste ziekenhuizen verplegen,
+waar ik haar dagelijks bezocht.
+
+„Het gelukte mij, haar vaderlijke vriend te worden.
+
+„Nadat zij hersteld was bezorgde ik haar een kleine zaak in pelswaren
+in de Victoriastraat en alles zou in orde zijn geweest, wanneer niet
+naar aanleiding van het politierapport omtrent de poging tot zelfmoord
+een verslaggever van de Alarmkreet het geval had nageplozen.
+
+„In de Alarmkreet zal nu een artikel verschijnen dat de zaak zoo
+voorstelt, alsof mijn zoon met mijn voorkennis, misschien ik zelf, het
+jonge meisje zou hebben onteerd en wij haar als afkoopsom die zaak
+hadden verschaft.
+
+„Daar mijn reputatie steeds goed is geweest, zal dit courantenbericht
+groot opzien verwekken en mij ten zeerste benadeelen.”
+
+„Hoe weet gij, dat een dergelijk sensatiebericht in de courant zal
+komen?” vroeg Charly Brand. „Is het reeds verschenen?”
+
+„Neen,” antwoordde mr. Spancer, „maar de redactie van de Alarmkreet
+zond mij een schrijven en als bijlage” de copie van het artikel ter
+inzage.
+
+„Mijn vrienden, aan wie ik de zaak meedeelde, rieden mij aan, mij in
+verbinding te stellen met de redactie der Alarmkreet en te trachten
+door het betalen van een zeker bedrag te verhinderen, dat het artikel
+het licht zal zien;
+
+„Ik zou ook bereid zijn, een vrij groot bedrag voor dat doel op te
+offeren, maar de eisch is helaas te hoog. Ik kan op het oogenblik niet
+over het gevraagde bedrag beschikken.
+
+„Als het winter was, zou dat beter kunnen, maar nu in den zomer gaat er
+zoo goed als niets in mijn zaak om en ik heb mijn geld door het
+inkoopen van pelswaren voor den volgenden winter reeds vastgezet.”
+
+„Hoeveel vroegen de kerels?”
+
+„Vijfduizend pond sterling. Een flink bedrag.”
+
+„Schandelijk!” riep Charly Brand uit, „voor den duivel, ja, hier moet
+worden gehandeld! Ik heb een vriend, dien ik onmiddellijk van deze zaak
+op de hoogte zal stellen.
+
+„Ik denk wel, dat hij de man is, die u kan helpen.”
+
+„Dat zou al heel spoedig moeten gebeuren,” sprak mr. Spancer, „ik heb
+slechts drie dagen tijd, dan moet ik betalen, of de schurken
+publiceeren het artikel.”
+
+„Mijn vriend heeft in vierentwintig uur dikwijls meer klaar gespeeld
+dan dit. Maat laat ons nu heengaan. Ik hoop u over een paar uur met
+mijn vriend te komen bezoeken.”
+
+Zij betaalden hun vertering en namen afscheid van elkaar als een paar
+oude vrienden.
+
+Mr. Spancer zag en hoorde nog, hoe Charly Brand in een rijtuig plaats
+nam en den koetsier toeriep, zoo snel mogelijk te rijden.
+
+
+
+Het was in het late avonduur van den volgenden dag, toen mr. Charles
+Röttger, de redacteur van de Alarmkreet, zacht, als een misdadiger, de
+trap naar de redactie opging. Er bevond zich op dat uur niemand meer in
+het gebouw, dat slechts voor kantoorlokalen was ingericht.
+
+Mr. Röttger, een klein, mager mannetje, ontsloot de deur naar de
+redactie en grendelde ze, nadat hij was binnengetreden, zorgvuldig.
+
+Hierop streek hij een lucifer aan en ging naar het tafeltje, waarop
+verschillende brieven lagen.
+
+Nu nam de journalist plaats op een wankelen stoel die voor de
+schrijftafel stond en begon de aangekomen post te openen.
+
+Zijn roofdierachtig gelaat werd af en toe verwrongen tot een duivelsch
+lachje, wanneer hij in een brief iets las, dat hem bijzonder beviel.
+
+Zoodra hij een brief had gelezen, beantwoordde hij dezen.
+
+Ten slotte nam hij een blauwe enveloppe op, die hij opende en waaruit
+hij een schrijven haalde van den volgenden inhoud:
+
+
+ Waarde heer!
+
+ Ik ben beambte van het hoofdbureau van politie en werk in de naaste
+ omgeving van den politie-inspecteur Baxter.
+
+ Ik geloof niet, dat gij tot dusverre hebt geweten, dat deze beambte
+ vele huizen bezit en zeer vermogend is.
+
+ Het zal u duidelijk zijn, dat hij deze eigendommen niet van zijn
+ salaris heeft overgespaard.
+
+ Hoe komt hij aan dat geld?
+
+ Welnu, ik ken de bronnen, waaruit dat vermogen is gevloeid. Stelt
+ gij er belang in, van mij inlichtingen te bekomen voor het
+ opstellen van een opzienbarend artikel, dan verzoek ik u, mij in
+ mijn particuliere woning op te zoeken. Ik ben tusschen 5 en 7 uur
+ des avonds altijd thuis:
+
+ Op uw redactie zou ik liever niet willen komen, omdat ik een te
+ bekende persoonlijkheid in Londen ben en de een of andere collega
+ mij zou kunnen zien.
+
+ Met de meeste hoogachting
+ TOM MARHOLM,
+ Essexstraat 16.
+
+
+„Een prachtig zaakje,” fluisterde Charles Röttger, den brief nog eens
+lezende.
+
+Daarop stak hij hem zorgvuldig in zijn portefeuille, blies de kaars op
+de schrijftafel uit en verliet het redactiebureau even geheimzinnig als
+hij er gekomen was.
+
+Hij vermoedde niet, welke valstrik John Raffles hem had gespannen.
+
+In een restaurant kwam hij samen met zijn compagnon, die bekend stond
+in de Londensche wereld als „de mooie Guido”. Hij was een bekende
+persoonlijkheid en verborg achter een masker van onbeduidendheid zijn
+uiterst geslepen, slecht karakter.
+
+Hij en zijn vriend pasten bijzonder goed bij elkaar.
+
+Ook de mooie Guido grijnslachte, toen hij den brief van den vermeenden
+detective Marholm las.
+
+„Een goed zaakje,” sprak hij tot zijn medeplichtige, „minstens 1000
+pond sterling waard.”
+
+„Mijnheer de inspecteur van politie zal er zijn geheele vermogen voor
+over hebben om te voorkomen, dat dit artikel verschijnt.”
+
+„Gij denkt dus niet, dat deze brief een valstrik is?”
+
+„Onmogelijk,” antwoordde de mooie Guido, „ik heb den naam Marholm
+ontelbare keeren bij de Raffles-geschiedenissen in de couranten
+gelezen.
+
+„Wij behoeven ons deswege niet ongerust te maken. Hij is van plan, zijn
+chef een poets te bakken.
+
+„Bovendien ziet gij uit den brief, hoe bang de man is, om bij een
+eventueel bezoek aan onze redactie gezien te worden.
+
+„Wij behoeven niet te vreezen voor een man, die angst heeft voor zijn
+eigen persoon.”
+
+„Gij hebt gelijk,” antwoordde Mr. Röttger, „ik zal den man morgen
+bezoeken en hem het bloed uit de nagels persen.
+
+„Dan zal ik een kranig artikel naar den beroemden inspecteur van
+politie zenden.”
+
+„Het zal een mooi zaakje worden,” meesmuilde de mooie Guido, „en als de
+inspecteur niet betaalt, een schitterend sensatiebericht voor ons
+blad.”
+
+„Maak maar een artikel gereed naar aanleiding waarvan geheel Londen op
+zijn kop zal staan!”
+
+„Maak u daaromtrent niet ongerust,” antwoordde Charles Röttger, „gij
+kent mijn pen.”
+
+Den volgenden dag, precies om 5 uur, werd er op de deur geklopt van een
+kamer in de Essexstraat no. 16, in welk huis volgens opgaaf in den
+brief Mr. Marholm moest wonen.
+
+Het was een pension en de redacteur van de Alarmkreet kon onmogelijk
+weten, dat Raffles daar onder den naam van Marholm een kamer had
+gehuurd om, zooals hij het noemde, de rattenval op te stellen, waarin
+hij den redacteur en den eigenaar van het schendblad wenschte te
+vangen.
+
+Hij had zich niet vergist.
+
+De val met het vette schandaalbericht beantwoordde uitstekend aan het
+doel.
+
+Dit bemerkte hij, toen de kleine, magere redacteur de kamer binnentrad
+met de woorden:
+
+„Heb ik de eer Mr. Marholm te spreken?”
+
+„Yes,” antwoordde Raffles, die de beide kerels voor zoo dom hield, dat
+hij het niet eens de moeite waard had gevonden om de vermomming van
+detective Marholm aan te nemen.
+
+„Mijn naam is Marholm, met wien heb ik de eer?”
+
+De kleine Mr. Röttger naderde Raffles zoo dicht mogelijk en fluisterde:
+
+„Ik kom van de Alarmkreet.”
+
+„Dat is uitstekend,” antwoordde Raffles.
+
+Daarop ging hij naar de deur en de journalist zag, hoe hij die
+grendelde, blijkbaar uit angst, dat iemand zou kunnen binnenkomen.
+
+„Niemand heeft u toch gezien?” vroeg Marholm op angstigen toon.
+
+„Wees onbezorgd,” lachte de journalist, „ik zorg er altijd voor, dat
+niemand mij ziet. Ik weet, dat het voor u in uw betrekking van
+detective gevaarlijk zou zijn, als iemand mij hier had zien
+binnengaan.”
+
+„Ik heb een prachtige geschiedenis voor uw blad,” sprak Raffles, toen
+zij plaats hadden genomen, „en ik hoop, dat gij, die voor recht en
+waarheid strijdt, dezen man, die de Londensche politie tot schande is,
+den inspecteur Baxter, door uw artikel zijn ontslag zult bezorgen.”
+
+„Nu, wij zullen zien,” antwoordde de bezoeker, „voor alles moet gij uwe
+beweringen met bewijzen kunnen staven. Ik hoop, dat gij daartoe in
+staat zijt!”
+
+„En gros,” sprak de groote onbekende, „ik kan alles bewijzen.
+
+„Ziet gij, deze inspecteur van politie, die een rijksinkomen heeft van
+1000 pond sterling, heeft een tegoed op de Bank van 15,000 pond en hij
+bezit verscheiden huizen, zoodat hij millionnair is.”
+
+Mr. Röttger wreef zich de handen.
+
+„Uitstekend,” mompelde hij vergenoegd, „een inspecteur van politie, die
+millionnair is, dat geeft een magnifique artikel voor de Alarmkreet.”
+
+„Gij zult zelf wel begrijpen, dat men bij een jaarlijksch inkomen van
+duizend pond sterling geen millionnair kan worden, maar ik zal u
+allerhande bijzonderheden meedeelen. Ik heb hier de geheime lijsten,
+waarop gij kunt zien, van welke zijden de heer Baxter zijn inkomsten
+betrekt.
+
+„Allereerst moet gij dit zien.”
+
+Hij nam een brief, die voorzien was van het wapen, van Lord Lister en
+toonde dien den redacteur.
+
+„Wees zoo goed, mij dien brief te geven,” sprak Mr. Röttger.
+
+„Ik zal hem voorlezen, dat zal u voorloopig voldoende zijn. Het is een
+brief van den beruchten John Raffles aan den inspecteur van politie.
+Daaruit zult gij zien, hoe het komt, dat Mr. Baxter tot dusverre den
+man nog niet heeft gepakt.”
+
+„Hoogst interessant! Hoogst interessant!” fluisterde de redacteur.
+
+„Neen!” schreeuwde Raffles, „een schandaal is het! Het grootste
+schandaal der geheele wereld. Deze politieinspecteur is de
+medeplichtige van den grooten onbekende. Hij speelt met hem onder één
+hoedje, dat staat zwart op wit in dezen brief.”
+
+Deze openbaring werkte zoo electriseerend op Mr. Röttger, hoewel deze
+aan sterke staaltjes gewend was, dat hij den vermeenden Marholm met
+open mond aanstaarde.
+
+„Maar dat is niet te gelooven,” mompelde hij.
+
+„Wees zoo vriendelijk, mij den brief voor te lezen.”
+
+Hij zag het fijne glimlachje niet, dat bij die woorden om den mond van
+Raffles speelde.
+
+Deze las:
+
+
+ Mijn waarde Baxter!
+
+ Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien
+ gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht
+ en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.
+
+ Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.
+
+ Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende
+ vermomming. Vraag den ober-kellner naar Mr. Thonet.
+
+ Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.
+
+ Met vriendelijke groeten
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+De kleine journalist snakte een oogenblik naar adem.
+
+Dat was meer dan hij had verwacht.
+
+Van zijn stoel opspringend, riep hij uit:
+
+„Geef mij dien brief!”
+
+„Het spijt mij,” sprak Raffles, „dit Schrijven zal ik zelf behouden.
+Maar indien gij het wenscht, ben ik bereid, het bij een notaris te
+deponeeren, voor het geval, dat men u een proces zou aandoen.”
+
+„Gij hebt gelijk,” antwoordde Röttger, „dat is de juiste manier. Gij
+moet bedenken, welke gevolgen het zou kunnen hebben, als ik er een
+artikel over schrijf.
+
+„Het is enorm—Raffles als compagnon van den politie-inspecteur Baxter!”
+
+„O,” lachte de pseudo Marholm, „ik kan u nog veel mooiere dingen
+vertellen. Verscheiden geheime opiumholen in Londen, kroeghouders
+zonder vergunning, een dievenbende in Eastend, geheime speelhuizen, om
+kort te gaan, ik kan u een lijst van ongeveer 80 personen verschaffen,
+welke allen den inspecteur van politie vast salarieeren.”
+
+„Gij zijt gek,” sprak Röttger. „Als ik in uw plaats was, dan had ik
+reeds langen tijd geld geslagen uit de omstandigheid, dat gij dat alles
+weet en op die wijze mijn schaapjes op het droge gebracht.”
+
+„Bravo!” riep Raffles uit, „gij begrijpt mij, het doet mij genoegen,
+dat ik mij tot u heb gewend.
+
+„Ik wil, als ambtenaar, niet zelf in het openbaar tegen mijn chef
+optreden.
+
+„Maar gij, een vreemdeling, een journalist, de redacteur van de
+beroemde Alarmkreet, gij kunt hem de duimschroeven aanleggen en tot hem
+zeggen:
+
+„„Of gij betaalt ons een flinke afkoopsom, of—”” Raffles maakte een
+beweging, alsof hij iemand de keel afsneed.
+
+„Fameus! Uitstekend!” riep de redacteur en wreef zich opnieuw in de
+handen, „dat is een prachtige zaak.
+
+„Hoe hoog is het tegoed, dat die heer op de Bank heeft?”
+
+„Voor zoover ik weet, bedraagt het 15,000 pond sterling.”
+
+„De man zal wel meer bezitten. Bedenk eens, wat dergelijke zaken voor
+een winst opleveren! Reeds alleen zijn relatie met Raffles!”
+
+„Zeker, zeker,” lachte de groote onbekende, „dat alleen moet den
+inspecteur dit jaar minstens een kwart millioen hebben opgebracht.”
+
+„Veel meer,” antwoordde Mr. Röttger, „de man heeft meer gestolen dan
+een half millioen. Wat een prachtige zaak! Op deze wijze kunnen wij
+indirect de winst deelen, die Raffles behaalt.”
+
+„Dat wil ik juist,” riep Lord Lister uit, „en nu laat ik het aan u
+over, om de zaak te regelen.”
+
+De kleine journalist stond op en sprak:
+
+„Laat ons dadelijk naar een notaris gaan, een afschrift maken van den
+brief en het origineel daar deponeeren. Maar gij kent den inspecteur
+van politie toch wel nauwkeurig?”
+
+„Zeer zeker,” antwoordde Raffles, „ik werk reeds verscheiden jaren met
+hem.”
+
+„All right,” sprak de redacteur, „is hij buitengewoon dapper?”
+
+„Volstrekt niet,” klonk het uit den mond van Raffles.
+
+„Gij denkt dus,” vervolgde de redacteur, „dat een brief reeds voldoende
+zou zijn om hem te doen betalen?”
+
+„Hij betaalt,” lachte Raffles.
+
+„Hoeveel denkt gij, dat wij kunnen vorderen?”
+
+John Raffles haalde de schouders op.
+
+„Ik denk, dat wij voorloopig drieduizend pond sterling kunnen vragen,
+later meer! Zijn geldbronnen zijn onuitputtelijk, zoolang hij
+samenwerkt met John Raffles.”
+
+„Gij hebt gelijk!” stemde de groote onbekende lachend toe, „wanneer
+Raffles niet sterft, kunt gij jaren lang alleen van hem leven op een
+vorstelijke manier!”
+
+Met een duivelschen glimlach wreef de redacteur der Alarmkreet zich
+opnieuw de magere handen, daarop nam hij zijn viezen hoed op en sprak:
+
+„Ga nu met mij mee naar een notaris. Ik zal al het verdere in orde
+maken!”
+
+Toen Raffles de trap afging, sprak hij tot zichzelf:
+
+„Ziezoo, de val is dicht! Een van de heeren heb ik, de andere zal wel
+volgen!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+IN SCOTLAND YARD.
+
+
+Detective Marholm, de secretaris en rechterhand van inspecteur Baxter,
+had zich, zooals reeds herhaaldelijk was geschied, over zijn chef
+geërgerd.
+
+Zijn chef, die zeer accuraat was, had hem een standje gegeven, omdat
+Marholm bij het schrijven van de processen-verbaal geen zorg had
+gedragen voor het vrij laten van een tweevingers breeden witten rand.
+Hij had de vellen papier geheel beschreven en zoodoende den noodigen
+eerbied uit het oog verloren.
+
+„Het is om je dood te ergeren,” bulderde Marholm, „alsof het niet
+precies hetzelfde is, of een rechter een volgeschreven blad krijgt dan
+wel een met witten rand. Het komt immers op hetzelfde neer, de
+hoofdzaak is dat, wat er op geschreven staat.
+
+„Al die beuzelarijen hangen mij eigenlijk de keel uit!”
+
+Verontwaardigd kauwde hij op zijn pennehouder en deed zijn best om nu
+aan den voorgeschreven witten rand te denken.
+
+En dat was, hoe belachelijk het ook moge schijnen, niet zoo
+gemakkelijk.
+
+Zoodra Marholm aan het eind van een regel kwam, bevatte het woord, dat
+hij juist schreef, eenige letters meer of hij was midden in een
+lettergreep en met den besten wil van de wereld wist hij niet, waar hij
+met die overtollige letters zou blijven, om een witten kant vrij te
+laten.
+
+„Mooi,” mompelde hij tot zichzelf, „verder dan tot hier mag ik niet
+komen, afkorten gaat niet, dus ik laat de rest van de letters eenvoudig
+weg.
+
+„Laat anderen zich gek praktiseeren; als zij zoo op die tweevingers
+breeden rand gesteld zijn, moeten zij ook maar trachten te begrijpen
+wat hier staat. Mij laat het verder koud.”
+
+Zonder er verder over na te denken, schreef hij maar door en zoodra hij
+den blanco rand genaderd was, eindigde hij het woord, dat hij bezig was
+te schrijven, al mankeerden er ook nog tien letters aan.
+
+Toen het koffieuurtje was genaderd, haalde hij zijn eenvoudige
+boterhammen te voorschijn en begon te eten, terwijl de inspecteur zich
+uit een naburige restauratie een warme lunch liet komen.
+
+„Wacht,” dacht de vloo, zooals Marholm door zijn collega’s werd
+genoemd, „ik zal je je biefstuk met een flinke dosis Raffles kruiden.
+Dan zal ze je zoo zwaar in den maag liggen, dat je ze even moeilijk
+kunt verdragen dan je den grooten onbekenden doet.”
+
+De inspecteur van politie vermoedde niets van de booze plannen van zijn
+secretaris en toen deze het laatste hapje van zijn boterham had
+gegeten, terwijl Baxter aan zijn biefstuk begon, sprak hij:
+
+„Het is toch eigenlijk onbegrijpelijk, dat wij gedurende de laatste
+weken niets van Raffles hebben gehoord!”
+
+Een woedende blik van den inspecteur trof Marholm.
+
+Deze deed, alsof hij dit niet bemerkte en vervolgde:
+
+„Waarschijnlijk zet hij een nieuw meesterstuk in elkaar, dat ons heele
+bureau eerstdaags op den kop zet.
+
+„Een geniale kerel die Raffles!”
+
+Een kauwend gebrom van den politieinspecteur was het antwoord en deze
+sprak:
+
+„Gij ziet, Marholm, dat ik eet. Kunt jij met uw gezanik over Raffles
+niet wachten totdat ik klaar ben? Gij weet immers, dat die naam
+voldoende is om mij allen eetlust te benemen!”
+
+„Jawel,” knikte de vloo, „dat weet ik.”
+
+„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „gij bekent dus, dat gij mij
+mijn eten wilt bederven?”
+
+„Ja,” antwoordde de vloo op onverschilligen toon.
+
+De politieinspecteur hijgde naar lucht.
+
+Deze brutaliteit was toch wel wat heel erg.
+
+„Wat bezielt u? Ik zal dit onthouden! Ik zal u aanklagen wegens
+insubordinatie in den dienst!”
+
+„Wij hebben nu geen dienst,” antwoordde Marholm, „nu eten wij. Op het
+oogenblik zijn wij alle twee particuliere personen en gij weet, dat ik
+dan volgens de Engelsche wet mag zeggen wat ik wil. Dat kan mij zelfs
+de Koning van Engeland niet beletten, want ik ben Engelsch
+Staatsburger. En voor de rest wreek ik mij een beetje op u. Gij hebt
+mij met uw tweevingersbreeden witten rand eveneens den eetlust
+bedorven.”
+
+Inspecteur Baxter zette een gezicht als een onderwijzer van een
+volksschool, die de kinderen de zondenval van Adam en Eva gaat
+vertellen.
+
+Vol geleerdheid begon hij:
+
+„Het is een voorschrift van den Lord Major van Londen, dat elk
+officieel stuk een tweevingers breeden witten rand aan de rechterzijde
+moet hebben. Deze wet stamt uit het jaar 1680 en is tot dusverre steeds
+gerespecteerd. Gij hebt niet het recht, gij, detective Marholm, om deze
+oude wet op anarchistische wijze met voeten te trappen.
+
+„Maar het vervloekte moderne socialisme schijnt zich ook in uw hersens
+te hebben genesteld, gij wenscht u niet meer te storen aan dergelijke
+oude voorschriften.
+
+„Ik merk ook uit uw gedrag jegens mijn persoon, dat gij allen eerbied,
+dien gij mij als uw chef verschuldigd zijt, opzettelijk uit het oog
+verliest.”
+
+Marholm glimlachte ironisch.
+
+„Heer inspecteur,” antwoordde hij op denzelfden zalvenden toon, dien
+Baxter had aangeslagen, „het komt niet in mij op, mij te vergrijpen aan
+de eeuwenoude wetten van ons koninkrijk en ik zie in, dat ik een
+afschuwelijk mensch ben, om den rand van twee vingers breed te willen
+weglaten.
+
+„Voortaan zal ik dergelijke abnormale afwijkingen niet meer hebben, dat
+beloof ik u. Gij zult u nooit meer behoeven te beklagen, dat ik u
+beleedig.
+
+„Maar dit alles verandert niets aan het feit, dat Raffles sinds vier
+weken niets van zich heeft laten hooren, dat Raffles— — —”
+
+„Houd op, houd op!” schreeuwde de inspecteur van politie, „ik wil niets
+meer hooren! Ik wil er niets meer van weten! De duivel moge Raffles
+halen.
+
+„Ik wensch nu mijn biefstuk rustig op te eten en daarvoor heb ik noch
+u, noch Raffles noodig, die kauw ik liever zelf.”
+
+Marholm, die zag, dat hij zich voldoende gewroken had, stak zijn neus
+weer in de papieren en zweeg.
+
+Nadat hij een poosje geschreven had, sprak hij op half luiden toon,
+zoodat Baxter het moest hooren:
+
+„De onbekende misdadiger is tot dusverre nog niet door Scotland Yard
+ontdekt.”
+
+Baxter keek van terzijde naar hem.
+
+„Wat mompelt gij daar?”
+
+„O, mompelde ik iets!” vroeg de vloo. „Ik meende dat ik schreef en wel
+iets, waarvan ik ’s nachts in mijn slaap droom.
+
+„Ik zou willen voorstellen, om die woorden te laten hectografeeren, dat
+zou mij veel tijd besparen, daar ik hem geregeld elken dag aan den Lord
+Major moet schrijven.”
+
+„Welken zin?” vroeg Baxter, hoewel hij vist wat Marholm bedoelde.
+
+„De onbekende misdadiger is ondanks de ijverigste nasporing van den
+politieinspecteur Baxter en diens detectives tot op heden nog niet
+ontdekt.”
+
+„Laat mijn naam er buiten,” schreeuwde Baxter en zijn gelaat werd
+purperrood.
+
+„Waarom,” meesmuilde de vloo, „dacht gij, dat de Lord Mayor niet weet,
+dat gij de inspecteur van politie van Scotland Yard zijt?”
+
+„Dat wel,” bromde Baxter, „maar het is niet noodig, dat het
+neergeschreven wordt.”
+
+„Och, kom,” sprak Marholm, „geneert gij u? Zal ik u eens wat zeggen? Op
+den dag, waarop ik eindelijk zal moeten schrijven, dat wij den grooten
+onbekende in handen hebben, neem ik een pen van vijf karaats goud,
+gouden inkt en dan laat ik het stuk in een lijst zetten.”
+
+„Gij schijnt vandaag bijzonder geestig te zijn,” sprak Baxter. „Wij
+hebben in den loop der laatste maand 380 personen gevangen genomen.”
+
+„Dat is waar!” klonk het op spottenden toon uit Marholm’s mond.
+
+„Nu dan!”
+
+„Ja, dat is waar,” herhaalde de vloo, „maar dat waren bekende
+misdadigers. Ik zeg maar: De onbekende misdadigers, de groote
+onbekenden, zooals bijvoorbeeld Raffles— —”
+
+Baxter schoof onrustig op zijn stoel heen en weer en voelde zich niets
+op zijn gemak.
+
+„Kijk eens,” vervolgde de vloo, „daar hebben wij dien schurk, die in
+Eastend een dozijn vrouwen een messteek heeft gegeven, wij hebben
+inbrekers-moordenaars, wier misdaden ten hemel schreien en waarvoor
+onze galgen bestemd zijn—maar de kroon op alles wordt ten slotte toch
+gezet door den wereldberoemden grooten onbekende, onzen langgezochten
+vriend Raffles— —”
+
+Bom!
+
+Een vuistslag van Baxter kwam donderend op de schrijftafel neer, zoodat
+de inkt omhoog spatte.
+
+„Houd op, vervloekte kerel, houd uw mond! Gij schijnt uw best te doen
+om verslaggever te worden. Ik zal u laten verplaatsen.”
+
+„Hoe eer hoe liever,” zuchtte de vloo, „dat is mijn vurigste wensch.
+
+„De duivel moge den onderwijzer halen, die mij heeft leeren schrijven.
+Aan hem heb ik dit ellendige baantje van secretaris te danken.
+
+„En dat ik geen detective kan zijn, is uw schuld. Maar ik heb mijzelf
+plechtig beloofd, alles in het werk te stellen om hier vandaan te komen
+en weer in de buitenlucht te werken.
+
+„Ik ken helaas onder mijn collega’s geen enkelen, die behalve zijn naam
+en een rapport vol fouten, in staat zou zijn om een acte leesbaar en
+duidelijk op papier te brengen.
+
+„Maar dit zeg ik u: Zoodra ik een Ier of voor mijn part een Schot vind,
+die in staat is om een Engelschen zin zonder fouten te schrijven, dan
+komt hij zoo stellig en zeker hier in mijn plaats, als twee maal twee
+vier is.
+
+„Als gij mij met verplaatsing dreigt, dan doet gij mij het grootst
+mogelijk genoegen.
+
+„Ik smeek elken avond den hemel, dat hij u uw plan mag laten volvoeren
+om mij de deur uit te gooien. De pers maakt ons elk oogenblik
+belachelijk. Want omdat ik uw rechterhand ben, ben ik er mede
+verantwoordelijk voor, dat Raffles—”
+
+„Kerel, zwijg!” bulderde Baxter met een nieuwen vuistslag.
+
+Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
+
+Met een zucht van verlichting riep Baxter:
+
+„Binnen!”
+
+De dienstdoende beambte, die bezoekers aan moest dienen, trad binnen,
+bleef in eerbiedige houding bij de deur staan en meldde:
+
+„Twee heeren, een zekere Mr. Kroyzer en een Mr. Röttger wenschen u te
+spreken.”
+
+„Laat de heeren binnenkomen,” sprak Baxter. Hij nam aan zijn
+schrijftafel plaats en deed, alsof hij druk bezig was. Hij doopte de
+pen in en zette zijn naam onder de opgestapelde acten en papieren.
+
+Terwijl Baxter onder het eerste stuk met stijlschrift zijn naam
+plaatste, kwamen de heeren vertegenwoordigers van de Alarmkreet de
+kamer binnen.
+
+Baxter keek de heeren met scherpen blik aan.
+
+„Pardon, heer inspecteur,” sprak de redacteur der courant, terwijl hij
+langzaam Baxter naderde, „wij hebben een zeer kiesche aangelegenheid
+met u te bespreken.”
+
+„Ik ben tot uw dienst,” antwoordde Baxter, „als gij mij maar wilt
+zeggen, wat gij wenscht. Maar weest kort, want mijn tijd is beperkt.”
+
+„Dat mocht zoo zijn!” dacht Marholm. „Hij moet zijn biefstuk verteren.”
+
+„Wij zouden u gaarne onder vier oogen spreken, heer inspecteur,” sprak
+Mr. Röttger, „wat wij u hebben te zeggen betreft u persoonlijk.”
+
+Baxter werd onrustig.
+
+Deze woorden maakten hem zenuwachtig. Wat wilde deze man van hem?
+
+Het was alsof de vreemde bezoeker zijn superieur was, die hem ter
+verantwoording kwam roepen.
+
+„Het spijt mij,” antwoordde hij schouderophalend, „mijn persoonlijke
+aangelegenheden kan ik hier gedurende mijn diensttijd niet behandelen.
+Dan moet gij mij in mijn woning bezoeken.
+
+„Met wien heb ik de eer?”
+
+De kleine redacteur stak de borst vooruit als een haan op een mesthoop
+en kraaide:
+
+„Mijn naam is Röttger. Ik ben de redacteur van de Alarmkreet.”
+
+Als antwoord weerklonk een luide kuch van Marholm en dat klonk zoo
+spottend, dat de kleine, magere redacteur den detective woedend aankeek
+en hem met een minachtenden blik opnam.
+
+Baxter daarentegen kreeg, toen hij vernam wie Röttger was, een
+panischen schrik.
+
+Zijn particuliere leven was ten gevolge van de vele Don Juan-streken,
+die hij steeds uithaalde, niet vrij van smet of blaam, zoodat hij vroeg
+of laat een schandaal vreesde.
+
+Ongetwijfeld betrof het bezoek van deze gevaarlijke heeren zijn galante
+avonturen.
+
+„Laat mij eenige oogenblikken met de heeren alleen,” sprak hij tot
+Marholm.
+
+De vloo kon niet snel genoeg de kamer verlaten.
+
+Hij was altijd blij van zijn bundels acten weg te komen.
+
+Toen hij in de voorkamer was, stopte hij op zijn gemak een pijpje, stak
+dat aan en daar hij er belang in stelde om te weten, wat de beide
+journalisten bij zijn chef kwamen doen, luisterde hij met zijn oor
+tegen een dunne plek, waarop hij, om ze gemakkelijk terug te kunnen
+vinden, een kruisje had geteekend.
+
+Dichtbij hem bevond zich het kijkgaatje, bedekt door een metalen
+klepje, dat hem in staat stelde om in de kamer te kunnen kijken. Baxter
+had deze spionnage-opening laten aanbrengen, om Marholm bij den arbeid
+ongezien te kunnen gadeslaan.
+
+Hij dacht er niet aan, dat zijn beambten het wederkeerig tegenover hem
+zelf konden gebruiken.
+
+Duidelijk hoorde Marholm het volgende gesprek:
+
+„Gij weet,” sprak Mr. Röttger, „dat ik redacteur ben van de Alarmkreet,
+de onpartijdige, bekende courant, die strijdt voor recht en waarheid.
+
+„Het is het doel van ons blad om alle mistoestanden, die wij ontdekken,
+zonder aanzien des persoons, aan de openbaarheid prijs te geven, ten
+einde ze te verbeteren.
+
+„Wij zijn strijders voor recht en billijkheid, wij wenschen de
+modderpoelen der moderne maatschappij met harde bezems te reinigen, wij
+strijden tegen al het onrechtvaardige, dat om ons heen geschiedt!”
+
+„Mooi,” antwoordde Baxter, „dat heb ik begrepen, maar nu zou ik wel
+eens willen weten, wat gij van mij wenscht. Ik was in het geheel niet
+nieuwsgierig naar een lofzang op uw courant.”
+
+„Hoe?” piepte de kleine redacteur, „denkt gij soms, dat ik zonder doel
+tegen u sta te redeneeren? Mijnheer, mijn woorden zijn voor mij de
+tolken van mijn gedachten.
+
+„Elke letter is goed doordacht, er is geen overbodig woord bij, kortom,
+ik herhaal u, dat ik strijd voor recht en waarheid!”
+
+„Een kolossale kerel!” mompelde de vloo aan de andere zijde van de
+deur, „de vingers jeuken mij om hem eens flink op een zeker
+lichaamsdeel te ranselen.
+
+„Hij ziet eruit als iemand, die aan de galg is ontsnapt en hij spreekt
+als een officier van het heilsleger. Een nette jongen!”
+
+„Laat mij ook eens even aan het woord,” sprak nu de mooie Guido terwijl
+hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en zich op kokette wijze frissche
+lucht toewuifde.
+
+De tabaksrook scheen hem te hinderen. Hij was in dit opzicht zeer
+fijngevoelig.
+
+„Wij hebben gisteren,” zoo begon hij, „een opzienwekkende mededeeling
+gekregen. Het betreft Raffles.”
+
+„Oef!” zuchtte de inspecteur van politie, zijn bezoekers aankijkend,
+alsof hij hen de deur uit wilde gooien.
+
+Raffles scheen vandaag onophoudelijk zijn nachtmerrie te moeten zijn.
+
+„Waar is Raffles?” vroeg Baxter eindelijk. „Hebt gij hem ontdekt?”
+
+De redacteur en de mooie Guido zetten een gezicht als een Engelsche
+Lady, wanneer iemand in haar nabijheid sterk naar alcohol riekt.
+
+„Neen,” sprak de mooie Guido, „het ontdekken van Raffles kunnen wij
+gerust aan u overlaten.
+
+„Wij zijn geen detectives, wij zijn courantenmenschen!
+
+„Maar wij hebben een andere ontdekking gedaan, die u en het publiek
+zeker sterk zullen interesseeren.”
+
+„En dat is?”
+
+De mooie Guido wachtte even, zooals een krokodil doet, die zijn
+slachtoffer reeds in den muil heeft en het in het volgend oogenblik
+naar binnen wil slikken.
+
+Een duivelsche grijns misvormde zijn gelaat, hij haalde zijn monocle
+uit zijn vestzakje te voorschijn, beademde dat, poetste het op aan zijn
+linkermouw en klemde het daarop in zijn oog.
+
+Hij keek den politie-inspecteur scherp aan in de houding van Lord
+Chamberlain en sprak:
+
+„Hebt gij inderdaad geen vermoeden, welke ontdekking wij in het
+algemeen belang hebben gedaan?”
+
+„Sir!” stoof Baxter op, „ik ben niet van plan, mij raadsels door u te
+laten opgeven. Vertel mij duidelijk, wat gij van mij wenscht en spreekt
+niet zoo onbegrijpelijk.”
+
+„Mooi!” kraaide de magere redacteur, „dan zal ik het u vertellen.
+
+„Wij hebben een brief ontvangen en in ons bezit gekregen, die aan u is
+geschreven door Raffles.”
+
+Baxter zette verbaasde oogen op.
+
+Hij ontving meermalen brieven van Raffles en aangenaam waren ze hem
+nooit.
+
+Hij had ze allemaal genummerd in een lade van zijn schrijftafel
+weggesloten en kon niet begrijpen, hoe een dezer brieven in handen van
+die twee heeren geraakt kon zijn.
+
+Als dat werkelijk het geval was, dan was het zeer onaangenaam voor hem.
+
+Hij dacht even na en kwam tot het resultaat, dat het in elk geval goed
+voor hem zou zijn, het met het tweetal op een accoordje te gooien want
+wanneer een dezer brieven werd gepubliceerd, zou geheel Londen zich ten
+zijnen koste amuseeren en de spotbladen opnieuw werk krijgen.
+
+Hij haatte deze tijdschriften, die, dank zij Raffles, reeds maandenlang
+den spot dreven met den inspecteur van Scotland Yard.
+
+Raffles had hem op die manier zoo populair gemaakt, alsof hij de koning
+in eigen persoon ware.
+
+Hij trok de la van zijn schrijftafel open, om er zich voor alles van te
+overtuigen, of alle brieven van Raffles nog in zijn bezit waren.
+
+Mr. Röttger, die de bewegingen van Baxter volgde, zag dadelijk, wat
+deze van plan was.
+
+Hij lachte hoonend en sprak:
+
+„Gij zult tevergeefs naar den brief zoeken, die in onze handen is. Het
+schrijven is toevallig niet aan zijn adres gekomen, door iemand, die u
+niet genegen is, onderschept en bij ons gebracht.”
+
+Baxter vroeg op zenuwachtigen toon:
+
+„Is dat een feit? Men heeft den brief onderschept? Duivels—zou
+detective Marholm—”
+
+Bij het hooren van dezen naam trapte de redacteur den mooien Guido op
+de teenen.
+
+De zaak was in orde.
+
+Hij had nu vasten grond onder de voeten.
+
+Tot nu toe was hij er nog niet geheel zeker van geweest, of de beambte
+inderdaad in staat was, zich brieven, geadresseerd aan den
+politie-inspecteur, toe te eigenen.
+
+Nu hoorde hij het van Baxter zelf, dat dit wel mogelijk was.
+
+Hij besloot nu, geen medelijden te hebben en eischen te gaan stellen.
+
+„Ja, mijn waarde heer inspecteur, daarom sprak ik zooeven over recht en
+waarheid.
+
+„De brief behelsde zeer compromitteerende dingen voor u en gij hebt het
+alleen te danken aan onze fatsoenlijke manier van handelen, dat wij u
+komen opzoeken en den inhoud van den brief niet eenvoudig openbaar
+maken.
+
+„Uit uw verhouding tot Raffles, die wij tot in de kleinste
+bijzonderheden kennen, ik herhaal het—” hij drukte den klemtoon op
+elken lettergreep—„tot in de kleinste bijzonderheden! zult gij kunnen
+besluiten, hoeveel een dergelijke wetenschap ons waard is?!
+
+„Dat kost u minstens, als wij den brief, publiceeren, uw betrekking.”
+
+Nu brak het angstzweet den inspecteur uit.
+
+De kleine redacteur wreef zich innig voldaan de handen.
+
+De visch zat aan den hengel.
+
+Hij wist niet, dat achter de coulissen Raffles stond, die hen alle drie
+als marionetten aan een touwtje hield.
+
+„Is de brief werkelijk zoo compromitteerend?” vroeg Baxter en hij dacht
+aan den dag, waarop Raffles hem door middel van Charly Brand zijn
+portefeuille had ontstolen en zoodoende inzage had verkregen in zijn
+Don Juan-avonturen.
+
+„Kan ik den brief inzien?”
+
+„Neen mijnheer,” antwoordde de kleine redacteur, „wij hebben het
+schrijven gedeponeerd bij een notaris voor geval van een proces. Het
+moet u voldoende zijn, als ik u zeg, dat de openbaarmaking van dezen
+brief u voor eeuwig zou ruïneeren.”
+
+Baxter zuchtte en hield zijn hoofd met beide handen vast.
+
+„Ik word krankzinnig! Ik word gek!—Die Raffles rooft mij mijn
+verstand!” kermde hij.
+
+„Dat is niet noodig,” sprak Mr. Röttger, „ik neem aan, dat gij
+verstandig genoeg zijt om niet gek te worden, maar om liever met ons te
+overleggen, hoe gij uw eigen ondergang kunt voorkomen.”
+
+Met onzekeren blik keek Baxter den spreker aan.
+
+Plotseling kwam het vermoeden in hem op, dat hij zich met geld uit deze
+netelige zaak kon redden.
+
+„Ik ben bereid,” sprak hij, „indien uwe eischen eenigszins aannemelijk
+zijn, zal ik er mij aan onderwerpen.”
+
+„Dat dacht ik wel,” antwoordde Röttger, „wij zullen het wel eens
+worden.
+
+„Denk eens na over het bedrag, dat u hoog genoeg voorkomt, om ons de
+schade te vergoeden, die wij lijden door het niet openbaar maken van
+een dergelijk schrijven.”
+
+„Schade?” vroeg Baxter, „in hoeverre schade?”
+
+Nu mengde de mooie Guido zich weer in het gesprek.
+
+„Dat kan ik u precies voorrekenen. Denk eens aan een artikel, dat het
+opschrift droeg: „Onthullingen omtrent Raffles en inspecteur Baxter—”
+wij zouden er in Londen minstens een millioen exemplaren van
+verkoopen.”
+
+Baxter hijgde als een visch, die uit het water wordt gehaald.
+
+„Gij—gij—meent, dat ik een millioen exemplaren zou moeten betalen?”
+
+„Niet alleen dat,” antwoordde de mooie Guido met een onverschillig
+glimlachje, „het materiaal, dat wij hebben verkregen, is niet alleen
+genoeg voor één nummer, maar voor minstens tien.
+
+„Dat maakt dus, zuinig berekend, een oplage, van week tot week stijgend
+met 25 procent, van ongeveer 20 millioen exemplaren.”
+
+Alles draaide voor Baxters oogen in het rond.
+
+Getallen van eindelooze lengte dwarrelden voor zijn oogen.
+
+Hij zag in, dat zijn beide bezoekers hem het bloed uit de aderen wilden
+zuigen.
+
+Tevergeefs dacht hij na, hoe hij een uitweg zou kunnen vinden.
+
+Zijn kwaad geweten, in zake de Don Juan-avonturen, hield hem er van
+terug, de beide kerels op straat te gooien. Hij was inderdaad bang voor
+zijn naam en betrekking.
+
+„Bedenk bovendien,” sprak de mooie Guido, „dat de artikelen zeer veel
+opzien zouden verwekken en u uw betrekking waarschijnlijk kosten.
+
+„Gij zijt nu een persoon van aanzien en kunt gemakkelijk nog twintig
+jaar dienst doen. Reken eens na, welk een verlies het voor u zou zijn,
+als gij de verdere jaren van uw leven uw salaris als inspecteur van
+politie der stad Londen niet meer zoudt ontvangen.”
+
+Baxter begreep, dat de mooie Guido gelijk had.
+
+Hij verzamelde al zijn kracht en antwoordde:
+
+„Laat mij tot morgen tijd. Ik kan hieromtrent niet zoo snel een besluit
+nemen.”
+
+„Goed,” antwoordde de kleine redacteur, „wij zullen dan terugkomen, gij
+kunt intusschen nadenken of gij onze voorwaarden inwilligt.
+
+„Waar zullen wij elkaar ontmoeten?”
+
+Na eenig nadenken antwoordde Baxter:
+
+„In hotel Granmercy.”
+
+Mr. Röttger knikte en de bezoekers gingen heen.
+
+Baxter zonk met een zucht van verlichting in den stoel bij zijn
+schrijftafel en wenschte vurig, geen inspecteur van Scotland Yard te
+zijn.
+
+Intusschen kwam Marholm binnen en, terwijl hij het parfum uit den
+zakdoek van den mooien Guido opsnoof, sprak hij:
+
+„Ik geloof, dat het heel goed zou zijn, als wij hier eens een beetje
+frissche lucht binnenlieten. Het ruikt hier, alsof men in een chambre
+séparée kwam. Damesbezoek gehad?”
+
+„Neen,” zuchtte Baxter met een blik vol angst naar de deur. „Kent gij
+de beide heeren, die mij zooeven bezochten?”
+
+„Natuurlijk,” glimlachte de vloo, „de een, die kleine, magere, moest
+eigenlijk, voordat men hem ontvangt, flink ingespoten worden met
+insectenpoeder, men moet anders bang zijn—” hij maakte een krabbende
+beweging—„iets over te erven van zijn bezoekers.
+
+„Bovendien zou het voor allebei goed zijn, als men ze aan een flinken
+hennepstrop ophing!”
+
+„Is de kerel gevaarlijk?” vroeg Baxter.
+
+„Gevaarlijk?” herhaalde de vloo. „Zulk een afperser is veel
+gevaarlijker dan Jack, de moordenaar. Die doodt zijn slachtoffers door
+een enkelen steek. Maar deze schurk kwelt hen weken- en maandenlang,
+voordat hij ze zoodanig tot wanhoop brengt, dat zij de hand aan
+zichzelf slaan.
+
+„Hij is een der gevaarlijkste sujetten, die hier in Londen rondloopen.
+Hij heeft moorden op zijn geweten en toch staat hij buiten het bereik
+van eenigen aardschen rechter.
+
+„Jammer. Ik ken maar één mensch, die hem zou kunnen straffen—Raffles!”
+
+„Gij hebt gelijk,” knikte Baxter.
+
+De naam Raffles, dien hij anders niet wilde hooren, klonk hem op dit
+oogenblik als hemelsche muziek.
+
+„Zeg eens, Marholm, zou het niet mogelijk zijn—natuurlijk mag niemand,
+behalve wij het weten—dat gij u met Raffles in verbinding steldet en
+hem het een en ander omtrent deze schurken meedeeldet?”
+
+Een verbaasd glimlachje vloog over de trekken van Marholm.
+
+Het was geen slecht idee—politie-inspecteur Baxter en hij
+medeplichtigen van Raffles!!!
+
+Drommels—dat was een prachtige geschiedenis!
+
+„Jawel,” antwoordde hij, „dat kan ik wel doen. Dat wil zeggen, gij moet
+mij zwart op wit geven, dat gij als gij dezen keer Raffles weer niet in
+handen krijgt, mij niet gevangen neemt. Daarvoor bedank ik!”
+
+„Ik verzeker u,” sprak Baxter, „dat gij mij een onschatbaren dienst
+bewijst, als gij er voor zorgt, dat Raffles deze beide sujetten van de
+Alarmkreet op het spoor komt en ze onschadelijk maakt.”
+
+„Nu, nu,” lachte de vloo, „gij weet immers wel, dat Raffles niemand
+vermoordt! Maar gij schijnt tamelijk gebeten te zijn op dat tweetal. De
+opdracht, die gij mij geeft, is bijna een bevel aan Raffles om het stel
+schurken in de Theems te gooien met een kanon uit den Tower aan hun
+voeten als ballast.
+
+„Wat wenschten de beide heeren van u?”
+
+Baxter aarzelde eenige oogenblikken of hij Marholm de waarheid zou
+zeggen.
+
+Hij besloot het te doen en sprak:
+
+„De kerels beweren, dat zij een brief in hun bezit hebben, dien Raffles
+aan mij heeft geschreven. Als zij hem publiceerden, zou mij dat mijn
+betrekking kosten!”
+
+„Dat kan ik niet gelooven,” antwoordde Marholm hoofdschuddend, „Raffles
+is immers uw intieme vriend. Hij doet alles behalve u in uw betrekking
+te benadeelen. Een beter inspecteur van politie dan gij zijt, zou hij
+moeilijk kunnen vinden—dat weet gij zelf het best.”
+
+Baxter hoorde nauwelijks, wat Marholm zei en mompelde:
+
+„Ja, ja, gij hebt gelijk!”
+
+Een hartelijk lachen van de vloo weerklonk, waarvan de inspecteur de
+reden niet begreep.
+
+„Dat doet mij genoegen,” riep Marholm uit, „dat gij dat inziet!”
+
+„Ja, ja,” herhaalde de inspecteur, „ik zie alles in, maar de hoofdzaak
+voor mij is, dat gij zoo spoedig mogelijk Raffles op het spoor brengt
+van die twee, liefst nog vandaag.”
+
+„Dat zal ik wel in orde brengen,” antwoordde Marholm, „dan verzoek ik u
+onmiddellijk om verlof.”
+
+„Weet gij dan, waar Raffles zich ophoudt?”
+
+„Natuurlijk weet ik dat. Maar daar ik nu geen dienstdoende detective
+ben, doch eenvoudig uw secretaris, gaat mij dat verder niets aan. Dat
+is geheel en al mijn particuliere zaak.”
+
+„Gij zijt een eigenaardig mensch,” vond de inspecteur hoofdschuddend,
+„vijfduizend pond sterling zijn uitgeloofd voor dengeen, die hem te
+pakken kan krijgen!”
+
+„Weet gij,” lachte Marholm, „voor vijfduizend pond sterling kan ik mij
+niet zooveel plezier koopen als Raffles mij dagelijks bereidt—al was
+het ook tienduizend pond sterling, dan nog zou ik graag afstand doen
+van het geld, als Raffles mij belooft, voorloopig nog niet op zijn
+lauweren te gaan rusten.
+
+„Kan ik nu gaan?”
+
+„Luister eens, mijn beste Marholm. Bij deze aangelegenheid staat ook uw
+eigen eer op het spel, want indien hier werkelijk een brief verduisterd
+is, dan zoudt gij de schuldige zijn. Indirect maken die twee menschen u
+zelfs verdacht.”
+
+„Ik zal gehakt van hen maken voor hun onbeschaamdheid,” bromde Marholm.
+„Wees nu maar onbezorgd, binnen een paar uur zal ik uw wensch hebben
+uitgevoerd.
+
+„Raffles zal zich wel met die twee schurken belasten. Hij doet het wel
+uit eigenbelang, om u als politieinspecteur te behouden.”
+
+Marholm maakte zich gereed om te gaan en Baxter keek zijn secretaris na
+met gewaarwordingen van verschillenden aard.
+
+Marholm echter mompelde:
+
+„Een gekke zaak! Anders kan ik Baxter het lekkerste maal bederven door
+den naam van Raffles te noemen en nu is Raffles op eens de persoon
+geworden, dien hij noodig heeft.
+
+„Een eigenaardige wereld!”—
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE MOEDERMOORDENAAR.
+
+
+De mooie Guido en mr. Röttger begaven zich, nadat zij den inspecteur
+van politie hadden verlaten, naar de woning van den vermeenden
+detective Marholm.
+
+„De zaak is gewonnen,” riep de kleine redacteur tot Raffles, toen hij
+bij hem in de kamer trad. „Tot morgenmiddag denkt de politie-inspecteur
+er over na, wat hij ons denkt te betalen.”
+
+„Dat is prachtig!” antwoordde de groote onbekende lachend. Hij had
+gedacht, dat Baxter het geval zou omdraaien en zoowel den eigenaar als
+den redacteur der Alarmkreet gevangen zou nemen.
+
+En in plaats daarvan— —
+
+Raffles dacht na.
+
+De zaak was anders geloopen dan hij gedacht had.
+
+Hij kon niet begrijpen om welke reden Baxter zich bereid had verklaard,
+den beiden bedriegers geld te betalen. Misschien wilde de inspecteur op
+deze wijze tijd winnen, om ze den volgenden dag des te zekerder in
+handen te hebben.
+
+„Ik heb een mooi zaakje,” sprak Raffles na eenig stilzwijgen.
+
+„Onlangs is een beschuldiging ingekomen, van een bediende jegens zijn
+heer, een zekeren Lord Melbourne. Dit stuk werd door den
+politieinspecteur ter zijde gelegd, omdat— —”
+
+Raffles maakte de beweging van geld tellen.
+
+„Is die Lord Melbourne rijk?” vroeg de kleine redacteur.
+
+„Zeer rijk,” antwoordde Raffles. „Die betaalt u gemakkelijk zooveel,
+dat gij het niet weg kunt dragen.”
+
+De oogen der beide journalisten glinsterden vol hebzucht.
+
+„Wat heeft hij uitgehaald?” informeerde de kleine magere.
+
+„Een gekke geschiedenis,” vertelde Raffles. „De bediende beweerde zeker
+te weten, dat de Lord zijn stiefmoeder had vergiftigd, die de erfgename
+was van het vaderlijke vermogen, na wier dood hij eerst in het bezit
+van het geld zou komen.
+
+„Als gij den bediende wenscht te spreken, ben ik gaarne bereid, den man
+bij u te zenden. Ik ken hem.
+
+„Het is mijn vaste overtuiging, dat alles, wat de bediende heeft
+beweerd, een feit is.”
+
+„Maar gij zijt goud waard!” riep de mooie Guido, die op een stoel had
+plaats genomen en zijn nagels polijstte.
+
+„Waar woont de Lord?” vroeg de kleine Röttger.
+
+„Regentpark no. 16,” antwoordde Raffles, „ik sprak den bediende
+vanmorgen; hij deelde mij mede, dat de Lord van plan is, op reis te
+gaan. Gij moet dus, als gij iets wilt bereiken, snel handelen.”
+
+„Kan ik den bediende spreken?” vroeg de redacteur.
+
+„Dat kan ik u niet zeggen,” sprak de groote onbekende schouderophalend,
+„Maar Lord Melbourne is, zoover ik weet, altijd van drie tot vijf voor
+het diner te huis. Gij kunt hem bepaald in dien tijd treffen.
+
+„Ga hem eens opzoeken. Ik denk, dat wij reeds hedenavond een paar
+duizend pond sterling rijker zullen zijn.”
+
+„Ik heb dringend geld noodig,” vertelde de mooie Guido lachend, „ik heb
+gisteren tamelijk groote verliezen geleden bij het spel in de club.
+
+„Laten wij eens zien, wat wij van den man los kunnen krijgen.”
+
+„Maar eerst moeten wij iets eten,” stelde de redacteur voor, „mijn maag
+bromt bedenkelijk en als ik honger heb, kan ik dergelijk werk niet
+doen.
+
+„Sluit gij u bij ons aan, Mr. Marholm?”
+
+„Het spijt mij,” antwoordde Raffles, „maar ik durf mij niet met u samen
+in het publiek vertoonen, dat is te gevaarlijk.”
+
+Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
+
+De groote onbekende, die niemand had verwacht, keek verbaasd op en
+riep:
+
+„Come in!”
+
+De deur ging open en met het gemoedelijke glimlachje, dat hem eigen
+was, trad de vloo het vertrek binnen.
+
+Nu bevond Marholm zich bij Marholm.
+
+Een oogenblik schrikte Raffles.
+
+Hij dacht aan een overval van de politie.
+
+Onmiddellijk echter had hij zijn zelfbeheersching herwonnen en, zich
+tot Mr. Röttger wendend, die den detective had herkend, maar zijn naam
+niet wist, sprak hij:
+
+„De heeren moeten mij verontschuldigen, ik ben nu verhinderd.”
+
+„Wij zullen u bericht doen toekomen betreffende den Lord,” sprak Mr.
+Kroyzer en hij verliet met zijn compagnon Raffles.
+
+Toen zij de trap afliepen, waren zij er nog zekerder van, met detective
+Marholm te doen te hebben, omdat een collega uit het hoofdbureau van
+politie hem bezocht.
+
+Nauwelijks hadden de beide afpersers de deur gesloten, of de vloo legde
+zijn wijsvinger op den mond en fluisterde, met een blik op de deur:
+„Sst!”
+
+Daarop luisterde hij, totdat hun schreden niet meer hoorbaar waren, en
+zich tot den grooten onbekende wendend, sprak hij:
+
+„Goeden dag, Mr. Raffles.
+
+„Ik kom in opdracht van den inspecteur van politie, maar niet om u
+gevangen te nemen, doch om uw hulp in te roepen tegen de beide
+sujetten, die zooeven bij waren!”
+
+„Ik houd mij reeds met hen bezig,” antwoordde Raffles, „neem plaats,
+Mr. Marholm. Als ik u een sigaar of een sigarette mag aanbieder dan als
+’t u belieft.”
+
+Marholm nam plaats naast de schrijftafel, waaraan de groote onbekende
+zat en sprak, terwijl hij een sigarette aanstak:
+
+„Tot dusverre heb ik slechts van den rook uwer sigaretten kunnen
+genieten en dat was het eenige, wat gij achterliet, als wij u wilden
+hebben, gij zelf waart helaas altijd als rook vervlogen.”
+
+Raffles glimlachte vroolijk.
+
+Hij was nu gerustgesteld en begreep, dat Marholm inderdaad slechts voor
+particuliere zaken bij hem was gekomen.
+
+„Het doet mij genoegen, dat mijn sigarette u smaakt, als het u
+aangenaam is, dan zal ik ze u voortaan doen toekomen.
+
+„Maar vertel mij nu vóór alles, hoe gij den weg naar hier hebt
+gevonden?”
+
+„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „ik ben achter de twee heeren, die
+bij u waren, aangeloopen.”
+
+„Hoe bedoelt gij dat?”
+
+„Dat is waar,” lachte Marholm, „gij kunt niet weten, dat die beide
+gentlemen zich een uur geleden bij inspecteur Baxter bevonden en ik
+hen, toen ik uit het bureau kwam, nog op straat vond en hoorde, hoe Mr.
+Röttger juist zei:
+
+„Nu gaan wij naar detective Marholm.”
+
+„Gij kunt u voorstellen, Mr. Raffles, dat ik er heel veel belang in
+stelde om te weten, waar de tweede detective Marholm in Londen woonde.
+
+„Daarom volgde ik het tweetal, klopte op de deur, en vond u, mijn
+dubbelganger, Mr. Marholm!”
+
+„Wel,” lachte Raffles, „ik heb de eer, mij aan u voor te stellen. Ik
+heet tijdelijk Marholm.”
+
+„Groote eer voor mij,” antwoordde zijn bezoeker, „dat gij u zoo voor
+mijn persoon interesseert. Ik had nooit kunnen denken, waartoe mijn
+naam al niet moest dienen.
+
+„Maar nu wil ik u eerst zeggen, waarvoor ik hier bij u ben. Ik heb een
+boodschap voor u, die geld waard is!”
+
+Raffles blies den rook van zijn sigarette in mooie ringen omhoog en
+antwoordde:
+
+„Ik ben zeer nieuwsgierig, het doel van uw komst te vernemen.”
+
+„Uit naam van uw hooggewaardeerden vriend, mijn chef, den inspecteur
+van politie Baxter van Scotland Yard, moet ik u verzoeken, u bezig te
+houden met die beide kerels, den redacteur en den eigenaar der
+Alarmkreet, en deze beide heeren ergens in de Theems te gooien met een
+kanon uit den Tower aan de voeten om hun te beletten, ooit weer boven
+te komen.
+
+„Zoo ongeveer luidt de opdracht, die inspecteur Baxter mij voor u gaf.”
+
+„Uitstekend,” riep Raffles lachend uit, „dan is alles gegaan, zooals ik
+het wenschte. Ik was al bang, dat de beide boeven den inspecteur hadden
+bepraat en dat ik mijn spel tegenover hen had verloren.
+
+„Ik houd mij reeds met de kerels bezig.”
+
+„Dat begreep ik dadelijk, toen ik hen beiden bij u ontmoette.
+
+„Dus was het bezoek bij den inspecteur slechts een gevolg van hetgeen
+gij met de schurken voor hebt?”
+
+„Ja,”, lachte Raffles, „ik dacht, dat Mr. Baxter hen misschien gevangen
+zou nemen. Ik heb ze namelijk door middel van een brief op uw chef
+afgezonden.”
+
+„Klopt!” riep de vloo uit, „dat is de brief, dien ik onderschept moet
+hebben.”
+
+„Juist,” antwoordde de groote onbekende, „ik moest het geloofwaardig
+voorstellen, daarom nam ik uw naam aan en stelde mij aan hen voor als
+secretaris van het hoofdbureau van politie.”
+
+„Maar de spitsboeven hebben mij nu gezien,” sprak Marholm op
+bedenkelijken toon.
+
+„Kennen zij uw naam?” vroeg Raffles in gespannen aandacht.
+
+„No, Sir!”
+
+„Wel! Dan hebben wij niets te vreezen. De beide heeren weten nog niet,
+dat gij de werkelijke Marholm zijt en ik de valsche ben.
+
+„Kent gij den inhoud van den brief, Mr?”
+
+Marholm schudde het hoofd en sprak:
+
+„Dien ken ik noch inspecteur Baxter. Na het gesprek in de kamer van
+mijn chef, dat ik afluisterde, zei de kleine Röttger alleen, dat zij
+een brief van Raffles aan den inspecteur van politie in handen hadden,
+die hem zoodanig compromitteerde, dat hij zijn betrekking kon
+verliezen.”
+
+„Verder zei hij niets?”
+
+„No, Sir, verder niets.”
+
+„Fameus,” lachte Raffles, „dan is de inspecteur van politie
+waarschijnlijk bang, dat ik hen beiden mededeeling heb gedaan over zijn
+liefdesavonturen. Maar dat is niet waar.
+
+„Ik heb hun een brief gegeven, waarin ik hun het bewijs leverde, dat
+ik, Lord Lister, genaamd Raffles, de groote onbekende, met den
+inspecteur van politie samen werk en elken buit met hem deel.”
+
+Marholm sloeg zich op de dijen, dat het klapte.
+
+„Prachtig!” riep hij schaterlachend uit. „Als gij dat eens aan Baxter
+had meegedeeld. Hij zou u zoo zeker als tweemaal twee vier is, in een
+cel hebben opgesloten en u daarenboven een flink pak slaag laten
+geven.”
+
+„Ik heb den beiden heeren nog meer verteld. Ik heb hun gezegd, dat
+Baxter van beruchte huizen, speelholen en eenige misdadigersbenden elke
+maand bepaalde bedragen ontvangt en daardoor millionnair is geworden.”
+
+„Die arme Baxter,” lachte Marholm, „als hij eens wist, wat gij hem ten
+laste legt! Ik denk dat hij werkelijk krankzinnig zou worden.
+
+„Maar als die pennelikkers dat, wat gij hun hebt wijsgemaakt, aan den
+inspecteur hadden verteld, om hem geld af te persen, dan denk ik, dat
+de duivel in Baxter was gevaren en dat hij aan de beide kerels een
+ongeluk had begaan.”
+
+„Ik heb nu een beter plan,” sprak Raffles. „Ga nu naar inspecteur
+Baxter en deel hem mede, wat ik van plan ben en vertel hem ook den
+inhoud van den brief.
+
+„Zeg hem, dat hij zich morgenmiddag den inhoud van den brief door mr.
+Röttger moet laten vertellen. Dan kan hij hem gemakkelijk wegens
+afpersing en lasterlijke aantijging gevangen nemen.”
+
+„Een goed idee,” knikte Marholm, „en als gij mij nog een paar van uw
+cigaretten wilt meegeven, dan ga ik zeer voldaan heen om den inspecteur
+mee te deelen, dat gij de zaak in handen hebt genomen.”
+
+Hij nam afscheid en verliet Raffles.
+
+Eenige minuten later nam Lord Lister een rijtuig en reed weg.
+
+Onderweg haalde hij in de Albanstraat, waar hij een klein huis van twee
+verdiepingen bewoonde, Charly Brand af en gaf dezen de volgende
+inlichtingen:
+
+„Charly, we hebben een uitstekende grap! Jij moet nu mijn bediende
+voorstellen. Binnen een paar uur zullen de redacteur en de eigenaar van
+de Alarmkreet mij in mijn oude villa bezoeken en denken, dat zij zich
+bij een zekeren Lord Melbourne bevinden.
+
+„Dat ben ik.
+
+„Ik zal mij zoodanig vermommen, dat zij mij onmogelijk herkennen.
+
+„Ik denk, dat ik een grap met die kerels zal uithalen, zooals ik nog
+zelden heb beleefd.”
+
+In de villa werd Charly Brand in de kleedkamer, waar zich ontelbare
+kostuums, pruiken en baarden bevonden, in een kamerdienaar veranderd,
+terwijl hij zelf zijn gelaat totaal onkenbaar maakte.
+
+Daarop opende hij de ramen in zijn studeerkamer en wachtte op de
+dingen, die komen zouden.
+
+Uit zijn sportartikelen zocht hij een goede rijzweep uit, zooals men
+die op de vossenjacht gebruikt.
+
+Die legde hij blijkbaar achteloos op den schoorsteenrand, maar zoodanig
+onder zijn bereik, dat hij slechts zijn hand behoefde uit te strekken
+om haar op te nemen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN HEILZAME LES.
+
+
+Het was kort na het diner, toen Charly Brand, die er als een deftige,
+oude kamerdienaar uitzag, bij Raffles, alias Lord Melbourne, twee
+heeren aanmeldde, die hem wenschten te spreken.
+
+„Mijn naam is Röttger,” zoo stelde de redacteur zich voor, „ik ben de
+leider van de Alarmkreet.
+
+„Ik strijd voor recht, vrijheid en waarheid. Ik offer mij op voor mijn
+principes, voor de onbeschermde deugd en vernietig alles wat slecht en
+gemeen is!”
+
+„Foei duivel!” De groote onbekende spuwde met een grooten boog in de
+naast zijn schrijftafel staande spuwbak.
+
+„Neem mij niet kwalijk,” sprak hij tot de heeren, „ik lijd aan te
+grooten toevoer van speeksel.”
+
+Beide bezoekers maten Lord Melbourne met vijandige blikken.
+
+Zij konden niet bewijzen, dat het spuwen op hen betrekking had.
+
+„Dus gij zijt de redacteur van de Alarmkreet?” vroeg Raffles na eenig
+zwijgen. „Is dat een nieuwe courant?”
+
+Mr. Kroyzer zette een verontwaardigd gelaat, hij wilde reeds een scherp
+antwoord geven, maar de mooie Guido was hem voor:
+
+„Hebt gij werkelijk nog nooit over ons blad hooren spreken, Lord
+Melbourne?”
+
+Raffles haalde de schouders op.
+
+„Het spijt mij zeer, ik lees behalve de „Times” en de Parijsche
+„Figaro”, en nog het „Berliner Tageblatt” en de „New-York Herald”, geen
+andere couranten.
+
+„Men kan natuurlijk niet alles lezen wat ter perse komt.
+
+„Ik geloof dat de uren van den dag nauwelijks toereikend zouden zijn om
+de alleen al in Londen verschijnende couranten en tijdschriften te
+lezen. Men heeft toch ook nog andere bezigheden. Dat zult ge mij moeten
+toegeven”.
+
+De kleine redacteur knikte bevestigend en zei:
+
+„U heeft gelijk, Lord Melbourne, maar onze courant, de Alarmkreet, is
+iets wat ieder moet leeren kennen.
+
+„Het is een orgaan, dat strijdt voor de hoogste moraal; het is de
+bezem, die de modderpoelen van het moderne leven moet reinigen van hun
+stinkend vuil.”
+
+Weer spuwde Raffles.
+
+Daarop lachte hij.
+
+„Eene aangename taak is dat. Vertel mij eens, hoe houdt gij dat op den
+duur toch uit? Het is geen aanbevelenswaardige arbeid. Daar heb je gauw
+genoeg van!”
+
+Mr. Röttger sloeg zich trotsch op de borst.
+
+„Slechts mannen als ik, die een onzelfzuchtig, sterk en groot karakter
+hebben, zijn in staat, om evenals Herkules Augiasstallen te reinigen.”
+
+„Prachtig”, sprak Raffles, „ik wil u daar niet van terughouden, en daar
+uw tijd voor het groote werk zeer kostbaar is, moet gij dien niet bij
+mij verzuimen. Keer naar uw eigen omgeving terug!”
+
+De kleine journalist wierp Raffles een woedenden blik toe.
+
+Hij hield er niet van om op een dergelijke manier met woorden de deur
+uit te worden gegooid.
+
+„Pardon”, antwoordde hij, „de tijd, dien ik bij u doorbreng, is voor
+mij geen verlorene.”
+
+„Zoo, zoo”, lachte Raffles, „wilt gij daarmee zeggen, dat wij ons hier
+bij mij in een Augiasstal bevinden?”
+
+„Ja”, bevestigde de redacteur, „ik zou u anders niet hebben opgezocht,
+Lord Melbourne. Hier is een der smerigste plaatsen in den grooten
+modderpoel van het moderne leven, die ik ooit heb ontdekt.”
+
+Lord Melbourne lachte hartelijk.
+
+Daarop keek hij met vroolijken blik de kostbaar ingerichte kamer rond
+en sprak:
+
+„Wel, als het nergens smeriger is dan bij mij, moeten zelfs varkens
+zeer netjes wonen.”
+
+„Gij begrijpt wel”, siste Mr. Röttger, „ik bedoel daarmede, dat niet uw
+kamers, maar gijzelf smerig en vuil zijt!”
+
+„Ho, ho!” viel Raffles hem lachend in de rede, „ik heb vanmorgen
+gebaad, evenals elken dag.”
+
+Nu werd de kleine redacteur venijnig:
+
+„Het lichaam kan misschien zuiver zijn, maar de ziel is onrein als het
+vuilste riool.”
+
+„All right”, knikte de Lord, „dan zal ik u als puttenschepper
+aanstellen. Hoeveel verlangt gij per maand?”
+
+„Laat ons niet schertsen, Lord Melbourne, ik moet u over ernstige
+dingen spreken. Het is voor u een levenskwestie!”
+
+John Raffles stak een sigaret aan en blies zijn bezoeker den rook in
+het gelaat.
+
+„Ik geloof, dat gij u vergist. Over mijn bestaan had alleen mijn vader
+eenmaal te beschikken.”
+
+„Of de wet.”
+
+„Hoe bedoelt gij dat?”
+
+Raffles nam den redacteur van het hoofd tot de voeten op en Mr. Röttger
+voelde zich door den blik der zwarte oogen verontrust.
+
+Een onbehaaglijk gevoel, alsof hij hem reeds hier of daar had ontmoet,
+maakte hem zenuwachtig.
+
+Maar tevergeefs dacht hij na; hij herkende in de spotachtig lachende
+oogen van Lord Melbourne niet die, welke detective Marholm, d. w. z. de
+onechte Marholm, in zijn hoofd had.
+
+„Hoor mij een paar seconden aan”, sprak hij tot Raffles. „Gij zult
+thans voldoende op de hoogte zijn van mijn persoon en mijn courant.”
+
+„Ongetwijfeld”, antwoordde de groote Onbekende, „ik ken u zoo
+nauwkeurig, alsof gij jarenlang mijn kamerdienaar waart geweest.”
+
+Opnieuw trof hem een vijandige blik.
+
+Met een verachtelijk gebaar deed de kleine redacteur stilzwijgend
+afstand van het baantje van kamerdienaar en zei:
+
+„Gij overschat uzelf, Lord Melbourne, zelfs Zijne Majesteit zou er zich
+niet op kunnen beroemen, mij in Zijnen dienst te hebben gehad.”
+
+„Nu, nu,” lachte Lord Lister, „spreekt gij Spaansch?”
+
+„Neen, hoezoo?”
+
+„Russisch?”
+
+„Neen?”
+
+„Italiaansch, Fransch?”
+
+„Neen?”
+
+„Kunt gij friseeren, masseeren, enz.?”
+
+„Verduiveld, neen!”
+
+„Een costuum beugelen? Of een das binden?”
+
+Een toornig luid „Neen”, deed zich opnieuw hooren.
+
+„Ziet ge,” sprak Raffles, „dan zijt gij in ’t geheel niet bekwaam om
+kamerdienaar te worden”.
+
+„Maar schrijven kan ik”, herhaalde de kleine redacteur op scherpen
+toon.
+
+„Neem mij niet kwalijk”, lachte zijn overbuur, „schrijven kan mijn
+kamerdienaar ook. Dat is toch een schoolvak, dat iederen straatjongen
+wordt aangeleerd”.
+
+„Ik bedoel letterkundig!”
+
+Een lang gerekt „Zoo-oo...!” was het eenige antwoord, weer blies Lord
+Lister met spottend gekrulde lippen den rook van zijn sigaret in het
+gelaat van den journalist en sprak:
+
+„Misschien kan mijn kamerdienaar dat ook.
+
+„Hij zou b.v. een werk kunnen uitgeven: „Onthullingen uit het
+slaapvertrek van mijn meester”, of „De liefdesavonturen van mijn
+meester”, of „De schuldeischers”— —of „Verhalen van een kamerdienaar”.
+Ik denk, dat dit alles in den tegenwoordigen tijd veel bijval zou
+verwerven. Men leest in de zoogenaamd letterkundig-ontwikkelde kringen
+dergelijke zaken graag”.
+
+„Maar,” verdedigde zich de kleine redacteur, „dat wat ik schrijf, zal
+uw kamerdienaar niet kunnen schrijven. Daartoe ontbreken hem de
+gegevens.
+
+„Ik heb bijvoorbeeld een artikel in de pen met het opschrift:
+
+„„Sensationeele onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood der oude
+Lady Melbourne”.”
+
+„Klopt niet”, glimlachte de Lord.
+
+„In hoeverre niet?”
+
+„Wel, omdat de Lady nog niet zoo oud was, ik kan het weten. Mijn
+stiefmoeder was dertig jaar toen zij stierf. Zij was jonger dan ik”.
+
+De redacteur zette verbaasde oogen op.
+
+Maar hij beheerschte zich en antwoordde:
+
+„De leeftijd heeft er ook niets mee te maken. De hoofdzaak zijn de
+onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood”.
+
+„Dat is mogelijk”, stemde Raffles toe, „maar omdat deze onthullingen op
+even onvoldoende informaties berusten als die omtrent den leeftijd der
+Lady, ziet het er slecht mee uit”.
+
+„Maak u niet ongerust,” mengde zich Mr. Kroyzer in het gesprek, „mijn
+redacteur heeft niet naar den leeftijd geïnformeerd. Maar omtrent den
+dood van uw stiefmoeder weet hij alles.”
+
+„Dat vind ik interessant”, riep de Lord uit, „wanneer is de Lady dan
+gestorven?”
+
+„Dat weet gij evengoed als ik”, antwoordde Mr. Röttger, terwijl hij het
+inderdaad niet wist.
+
+„Oho”, lachte Raffles, „gij vergist u. Mij is de datum van het
+overlijden van mijn stiefmoeder tot op heden nog niet bekend”.
+
+Nu richtte de kleine redacteur zich in zijn volle lengte op, wierp den
+Lord een verachtelijken blik toe en sprak:
+
+„Ik ben niet hier gekomen, om met u verstoppertje te spelen, gij weet
+evengoed, als ik, wat ik bedoel.”
+
+Raffles haalde de schouders op.
+
+„Ik weet inderdaad niet, wat gij wenscht”.
+
+„Sir”, antwoordde Röttger nu op bruusken toon, „er is slechts één
+artikel in de Alarmkreet noodig, om u in een smadelijk proces te
+wikkelen”.
+
+„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak de Lord op kalmen toon, „het
+is alleen de vraag, voor wien het proces smadelijk zou zijn, voor u of
+voor mij”.
+
+„Alleen voor u!”
+
+Nauwelijks was dit woord gesproken, of de Lord sprong plotseling van
+zijn stoel op en mat den redacteur met een doordringenden blik.
+
+„Als gij er de persoon naar waart, zoudt gij mij op een andere plaats
+rekenschap van uw woorden moeten geven!”
+
+„Ik zal u rekenschap geven”, siste Röttger, „maar met mijn wapenen: met
+pen en inkt. En nu wil ik u nog iets zeggen, Lord Melbourne:
+
+„Er zijn sterke bewijzen voorhanden, dat gij de schuld draagt van den
+dood uwer stiefmoeder. Ja, dat gij zelfs haar dood opzettelijk hebt
+veroorzaakt.”
+
+Raffles kruiste de armen.
+
+„En al ware dat het geval, wat gaat het u dan nog aan? Zijt gij rechter
+of inspecteur van politie?”
+
+„Dat niet, maar ik ben de redacteur, der Alarmkreet en als zoodanig
+maak ik dergelijke dingen, als zij mij ter oore komen, bekend en deel
+ze aan de autoriteiten mee”.
+
+„Dat wil zeggen”, sprak Raffles, „dat gij u eerst riemen snijdt uit de
+huid van uw slachtoffers, om daarna de ongelukkigen achter slot en
+grendel te helpen”.
+
+„Gij kunt beide dingen vermijden”, viel nu Mr. Kroyzer in, „er zal een
+artikel gepubliceerd worden, noch een aanklacht jegens u worden gedaan,
+als gij het met ons eens wordt”.
+
+„Ja, als gij het met ons eens wordt”, voegde Mr. Röttger er aan toe.
+
+Raffles deed, alsof hij niet dadelijk de beteekenis dier woorden
+begreep.
+
+„Hoe meent gij dat, heeren?” vroeg hij.
+
+De journalist naderde hem vertrouwelijk, legde de hand op zijn schouder
+en sprak:
+
+„Laat ons verstandig zijn, Lord, het zal u niet moeilijk vallen, een
+overeenkomst met ons te sluiten. Voor iemand van uw vermogen zullen een
+paar duizend pond geen groote rol spelen.”
+
+Nauwelijks had de groote onbekende deze woorden gehoord, of hij floot
+zoo luid en doordringend, dat de redacteur verschrikt achteruit sprong.
+
+„Denkt gij, dat ik uw zwijgen zal koopen?”
+
+„Gij gebruikt daar een leelijke uitdrukking,” sprak Mr. Kroyzer, „gij
+hebt niet noodig, ons stilzwijgen te koopen, maar wij willen goede
+zaken met elkaar doen.”
+
+„Goede zaken?” vroeg Raffles. „Voor u ongetwijfeld. Want als ik u goed
+versta, dan betaal ik u eenige duizenden pond sterling, stop u de
+zakken vol geld en krijg daarvoor niets terug.”
+
+„Natuurlijk, Lord Melbourne, want wij bewaren een onherroepelijk
+stilzwijgen omtrent alles wat wij hebben vernomen.”
+
+„Maar wat hebt gij dan toch eigenlijk vernomen, mijne heeren? Gij zijt
+nu reeds een uur lang bij mij en spreekt nog geheel in raadselen.”
+
+„Zullen wij ons duidelijker verklaren?” vroeg Mr. Kroyzer.
+
+„Ja”, antwoordde Raffles, „dan zal ik ook duidelijker spreken.”
+
+Met een snellen blik keek hij plotseling naar de rijzweep, die op den
+schoorsteenmantel lag.
+
+Noch Mr. Röttger, noch Mr. Kroyzer begrepen dien blik.
+
+„Goed”, sprak de kleine, redacteur, „wij hebben van een volkomen
+betrouwbaar persoon de bewijzen gekregen, dat gij den dood van uw
+stiefmoeder op uw geweten hebt.”
+
+„Is dat alles?” vroeg Raffles op volkomen onverschilligen toon, zoodat
+zoowel de kleine redacteur als de eigenaar der Alarmkreet stom van
+verbazing waren.
+
+„Ik denk, dat dat meer dan voldoende is”, antwoordde Mr. Röttger na
+eenige oogenblikken, „begrijp wel, het betreft hier een aanklacht
+wegens moord.”
+
+„Gij beweert dus”, sprak Raffles, „dat ik mijn stiefmoeder heb
+vermoord.”
+
+„Ik beweer het niet alleen, maar ik wil het ook bewijzen!”
+
+Een oogenblik keek de groote onbekende zijn tegenstander met ijskouden
+blik aan, daarop deed hij, alsof hij overlegde, wat hij wel te
+antwoorden had.
+
+„Laat ons eens aannemen, mijne heeren,” sprak hij, „dat datgene, wat
+gij beweert, een feit was en ik mijn stiefmoeder had vermoord, om in
+het bezit te komen van het vermogen van mijn vader.
+
+„Op welke wijze zoudt gij er mij voor instaan, dat gij u in de zaak,
+die gij met mij denkt te behandelen, als eerlijke menschen zult
+gedragen?”
+
+„Mijn betrekking als redacteur der Alarmkreet verplicht mij tot eerlijk
+handelen.”
+
+„Pardon”, antwoordde Raffles, „ik begrijp uw woorden niet.”
+
+„Ik bedoel”, antwoordde Mr. Röttger, „dat ik als redacteur der
+Alarmkreet wel verplicht ben, mij als een eerlijk mensch te gedragen.”
+
+„Mooi!” sprak Lord Lister, „hoeveel verlangt gij daarvoor?”
+
+„Zeggen wij voorloopig tienduizend pond sterling.”
+
+„Een net zaakje”, lachte de groote onbekende. „Gij zeidet immers
+zooeven, dat gij als redacteur der Alarmkreet tot eerlijk handelen
+verplicht waart. Ik herhaal: tot eerlijk handelen.
+
+„Weet gij, heer redacteur, ik heb strengere opvattingen omtrent
+eerlijkheid dan gij.
+
+„Gij schijnt uw eerlijkheid ergens in de modder te hebben laten liggen.
+
+„Eerlijk zoudt gij zijn, als gij dat, wat gij beweert omtrent mijn
+persoon vernomen te hebben, aan de justitie meedeeldet, in plaats van
+uw zwijgen aan mij te willen verkoopen voor tienduizend pond sterling.”
+
+„Genoeg!” schreeuwde nu de kleine redacteur, de vuisten ballend, „ik ga
+van hier naar den inspecteur van politie Baxter. Gij zult ondervinden,
+welke gevolgen deze zaak voor u heeft.”
+
+„Stellig!” lachte Raffles, „en opdat gij den weg niet tevergeefs af
+zult leggen, zal ik u iets meegeven, dat gij den inspecteur als bewijs
+kunt toonen. Let eens op!”
+
+Voordat Mr. Röttger of Mr. Kroyzer iets vermoeden of een poging konden
+doen om te vluchten, had Raffles de rijzweep van den schoorsteen
+genomen en als hagelsteenen vielen in het volgende oogenblik de slagen
+op den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet neer.
+
+(Zie het titelblad.)
+
+De klappen volgden elkaar zoo snel op en werden op zoo elegante manier
+uitgedeeld, dat de beide schurken zich niet konden verdedigen.
+
+Schreeuwend en vloekend holden zij de kamer uit, stieten Charly Brand,
+die op den drempel was verschenen, omver en snelden de straat langs als
+twee achtervolgde beesten.
+
+Zij liepen door totdat zij voor de deur van het hoofdbureau van politie
+stonden, want zij meenden nog steeds, dat Lord Melbourne hen met de
+rijzweep op de hielen zat.
+
+Toen zij ademloos door het snelle loopen de kamer van inspecteur Baxter
+waren binnengekomen, troffen zij dezen niet, doch in zijn plaats
+detective Marholm, die hen met onvriendelijke blikken ontving.
+
+„Wat wenscht gij?” snauwde hij, „de inspecteur is niet hier.”
+
+„Er is ons iets vreeselijks overkomen”, hijgde de redacteur.
+
+„Iets ontzettends!” voegde de eigenaar van het schimpblad er aan toe.
+
+„Wat dan?” vroeg Marholm, en op hetzelfde oogenblik ontdekte hij op
+beider gelaat de dik opgeloopen striemen van de rijzweep.
+
+„Ah zoo!” sprak hij, „hebt gij slaag gehad?”
+
+„Ja!” riepen beiden tegelijk uit.
+
+„Nu,” lachte de vloo, „zoo iets moet gij gewend zijn. Gij zijt, als ik
+mij goed herinner, immers de redacteur der Alarmkreet?”
+
+„Ja,” zuchtte de kleine Röttger, terwijl hij den zakdoek voor het
+gelaat hield, „dat ben ik. Maar ik begrijp niet hoe gij ertoe komt om
+te zeggen, dat ik aan een pak slaag gewend moet zijn.”
+
+„Kom”, sprak Marholm lachend, „gij kent immers het woord uit den
+Bijbel:
+
+„Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard omkomen!”
+
+Daarvoor kan men evengoed zeggen:
+
+„Wie klappen uitdeelt, zal klappen terugkrijgen!”
+
+„Wij zijn hier niet om bijbelteksten met u te behandelen”, antwoordde
+Mr. Röttger met woedenden blik.
+
+„Wat wilt gij dan?” vroeg de vloo op kalmen toon.
+
+„Een aanklacht wegens moord indienen tegen Lord Melbourne.”
+
+„Jegens wien?” vroeg Marholm. „Tegen Lord Melbourne? Dat is jammer.
+Waar woont de Lord?”
+
+„Regentpark 16.”
+
+„Regentpark 16? Voor zoover ik mij herinner, is Lord Melbourne reeds
+acht jaar dood. Hoe kan hij dus in het Regentpark No. 16 wonen?”
+
+„En toch is het zoo”, sprak de kleine redacteur. „Gij verwisselt zeker
+den zoon met den vader. Onze aanklacht is gericht tegen den zoon. Roep
+dadelijk eenige detectives bijeen en spoed u naar den Lord, voordat hij
+de vlucht heeft kunnen nemen.”
+
+„Zoo snel gaat dat niet”, sprak Marholm, „eerst moet ik een protocol
+opmaken van uw beschuldiging, en dat is niet zoo gemakkelijk.
+
+„Het gaat bij ons alles volgens voorschrift. Daar buiten om gebeurt er
+niets.
+
+„Daarop zullen wij Lord Melbourne uitnoodigen om hier te komen en hem
+een verhoor afnemen.
+
+„Daarmee gaat minstens een week heen. Zoolang moet gij geduld hebben.”
+
+„Dat is ongeloofelijk”, sprak de redacteur, „op die manier heeft elke
+moordenaar de tijd om te ontvluchten.”
+
+„Zeker”, antwoordde Marholm op doodkalmen toon, „wij houden ons bij
+voorkeur bezig met voortvluchtige moordenaars.
+
+„Het aangenaamst zijn ons zelfs de onbekende moordenaars.
+
+„Dergelijke gevallen behandelen wij zeer eenvoudig. Wij loven een
+belooning uit en laten het publiek naar hem zoeken. Wordt hij dan niet
+gevonden, dan dragen wij de schuld niet alleen, maar het publiek met
+ons.”
+
+„Wilt gij ons voor den gek houden?” vroeg Mr. Kroyzer.
+
+Nu stond Marholm op en riep uit:
+
+„Houd uw domme aanmerkingen voor u, want als iemand voor den gek wordt
+gehouden, dan zijn wij het, maar niet het publiek.
+
+„Ik hoop, dat gij mij begrepen hebt.
+
+„En als gij nu een aanklacht wilt indienen, ga dan naar huis, neem een
+vel van het daartoe gebruikelijke formaat papier, vouw het in het
+midden langs de lengte in tweeën en schrijf op de rechterhelft met
+openlating van een blanco rand ter breedte van twee vingers.
+
+„Indien gij u niet aan dit voorschrift houdt, kunnen wij de aanklacht
+niet accepteeren. Zij gaat dan onherroepelijk in de papiermand.
+
+„En gaat nu heen, want ik heb te werken.”
+
+Hij draaide het tweetal den rug toe en ging met zijn schrijfwerk door.
+
+Toen zij nog niet heengingen, draaide hij zich nog eens om en vroeg:
+
+„Wat verlangt gij nog meer?”
+
+„Wij zouden gaarne weten”, antwoordde Mr. Röttger, „wanneer inspecteur
+Baxter te spreken is.”
+
+„Over een uur”, antwoordde Marholm en hij voegde er aan toe:
+
+„Als ik u een goeden raad mag geven, leg dan thuis ijscompressen op uw
+gezicht, want iedereen ziet al op een afstand aan u, dat gij een flink
+pak rammel hebt opgeloopen.”
+
+„Wij zullen tijdig terug zijn”, sprak de redacteur, en met zijn
+medeplichtige verliet hij het bureau.
+
+Marholm echter sloeg zich van pret op de knieën en riep:
+
+„Drommels, dat is de mooiste streek, dien ik ooit van Raffles heb
+gehoord. Elke klap schijnt een van de beste soort te zijn geweest.”
+
+Hij had misschien een half uur geschreven, toen Baxter als een
+brieschende leeuw het bureau binnen stormde.
+
+Hij wierp zijn dienstpet op de schrijftafel, zoodat een inktkoker
+omviel en de inhoud als een zwarte stroom over de tafel en den
+witgeschuurden vloer liep.
+
+Daarop ging hij voor Marholm staan, en schreeuwde met gebalde vuisten:
+
+„Ik sla je dood, Marholm, ik sla je dood!”
+
+Hij zag er werkelijk uit, alsof hij van plan was zijn vuisten op het
+hoofd van den secretaris te doen neerdalen.
+
+Maar Marholm kende zijn chef.
+
+Onbevreesd keek hij den inspecteur aan en sprak:
+
+„Waarom wilt gij mij doodslaan?”
+
+Baxter’s oogen rolden in hun kassen.
+
+„Gij hebt mij geblameerd—gij hebt mij voor altijd onmogelijk gemaakt!”
+
+Marholm glimlachte.
+
+„Is dat mogelijk, inspecteur?”
+
+„Ja, dat is mogelijk!” raasde Baxter.
+
+„Gij weet, dat ik hedenmorgen een brief kreeg van den president van de
+rechtbank met de opdracht, hem om drie uur in den middag te bezoeken.
+
+„Kunt gij denken, wat er nu gebeurd is?”
+
+„Een grap geweest?”
+
+„Een grap?—Een uitbrander heb ik gehad als nog nooit in mijn leven! Een
+eindeloozen uitbrander! Hij noemde mij niet alleen een ezel, maar
+verklaarde mij voor den grootsten idioot, die er ooit op de wereld
+heeft rondgeloopen”.
+
+„Laat u dat zwart op wit geven, dan kunt gij een flinke som verdienen
+in onze variété’s en in het Panopticum. Den grootsten idioot zal
+iedereen willen zien”.
+
+De inspecteur greep Marholm bij de keel, alsof hij hem wilde wurgen.
+
+„Zwijg, Marholm, of ik ransel u af! Jij bent de grootste idioot!”
+
+„Het is mogelijk”, antwoordde Marholm, „anders was ik misschien uw
+secretaris niet!”
+
+„Ja, gij!” riep Baxter uit, „want om uwentwege kreeg ik den
+uitbrander—door uw schuld ben ik voor den grootsten idioot uitgemaakt”.
+
+„Ik ben zeer nieuwsgierig!”
+
+„De duivel moge je halen met je nieuwsgierigheid. De zaak is eenvoudig
+genoeg. Belachelijk eenvoudig, gij stommerik!
+
+„Ik zei je gisteren, dat het voorschrift was, een rand open te laten
+ter breedte van twee vingers”.
+
+„Klopt!” antwoordde Marholm, „was de rand niet zoo breed?”
+
+„Ja, de rand was zoo breed, maar geen enkel woord, dat dichtbij den
+rand staat, is te lezen. Gij hebt eenvoudig, inplaats van verder te
+schrijven op den volgenden regel, de letters weggelaten en daardoor
+onbegrijpelijke rapporten geschreven. Geen mensch kan er uit wijs
+worden, noch de rechters, noch de president!”
+
+„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak Marholm, terwijl hij zijn
+tabakspijp ging stoppen.
+
+„Als gij de rapporten hadt gelezen, zoudt gij het weglaten der letters
+hebben opgemerkt.
+
+„Het was onmogelijk, de woorden af te breken, daar ik steeds een paar
+letters over had in de laatste lettergreep, die ik niet op den rand
+mocht schrijven, welke tot elken prijs twee vingers breed moest zijn.
+
+„Om mij aan het voorschrift te houden en allen eerbied te toonen jegens
+de wetten, liet ik de letters eenvoudig weg”.
+
+Hij nam een lucifer en stak zijn pijp aan.
+
+„Het had niet veel gescheeld”, vervolgde Baxter, „of gij hadt mij den
+nek gebroken. Ik had bijna mijn ontslag gekregen”.
+
+„Dat zou meer jammer zijn geweest voor John Raffles dan voor u!”
+
+Het woord Raffles oefende dezen keer een kalmeerende werking uit op
+Baxter.
+
+Zijn opgewonden gelaat werd kalmer, zijn toornige stem nam een
+vriendelijker klank aan en hij vroeg:
+
+„Hebt gij met Raffles gesproken?”
+
+„Ja,” antwoordde Marholm lachend, „en gij zult het resultaat van mijn
+bezoek binnen een uur in duidelijk leesbaar schrift voor u zien! Ik
+wed, dat er geen letter is weggelaten”.
+
+„Zal Raffles mij schrijven?” vroeg Baxter, die deze woorden niet
+begreep.
+
+„Hij heeft u reeds geschreven”, sprak Marholm, „heb maar geduld”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN BEZOEK AAN DE ALARMKREET.
+
+
+De redactiejongen had juist, om vijf uur, het bureau verlaten. Hij stak
+juist een zijner cents-sigaretten aan, toen hij op de trap Raffles
+ontmoette, die, nadat hij met de beide afpersers een samenkomst,
+vermomd als Lord Melbourne, had gehad, nu een bezoek kwam brengen op de
+redactie der Alarmkreet, om in het bezit te komen van bewijzen tegen
+den redacteur en den bezitter van de courant.
+
+Nauwelijks was de jongen Raffles gepasseerd, of de groote onbekende
+snelde geruischloos als een kat de trappen op en bevond zich in een
+paar seconden voor den ingang van de redactie.
+
+De deur gaf hem weinig moeite, het was een ouderwetsche, in Engelsche
+woningen gebruikelijke houten deur, die bijna met elken sleutel te
+openen was.
+
+Deze geringe veiligheidsmaatregel verbaasde Raffles eerst. Hij meende
+na eenig nadenken, dat de eigenaren van dit kantoorlokaal misschien
+niets te verbergen hadden. Maar toch wilde hij zich overtuigen, of niet
+het een of ander geheim, vooral wat betrof het geval Spancer, in de
+schrijftafel van den redacteur te vinden zou zijn.
+
+Daar de luiken gesloten waren, was het er volkomen donker.
+
+Hij stak daarom een lamp aan, die op tafel stond en zag in den hoek een
+cylinderbureau, dat hij met geringe moeite opende.
+
+Hij opende alle kastjes en laden, maar vond niet het minste, dat hem
+van dienst had kunnen zijn.
+
+„Het is precies zooals ik dacht”, sprak hij tot zichzelf, „de schurken
+weten heel goed, dat het voor hen het veiligste is om geen enkelen
+brief of geschreven stuk te bewaren”.
+
+Hij sloot het meubel weer en wilde zich naar huis terug begeven, toen
+hij op de tafel middenin het vertrek een pakket zag liggen, dat met een
+touw was dichtgebonden.
+
+Met groote letters stond, in blauw potlood op den omslag van het pakket
+geschreven:
+
+„Laatste correctie”.
+
+Een oogenblik keek Raffles nadenkend naar het pakket, dat ter
+verzending gereed lag en dat de jongen waarschijnlijk vergeten had,
+daar het nog dien avond ter perse moest, omdat de courant den volgenden
+morgen zou verschijnen.
+
+Plotseling vloog het bekende lachje over Raffles’ gelaat.
+
+„Ja”, fluisterde hij, „als ik hierin vind, wat mij nu toevallig
+bezighoudt, zou het een kolossale grap geven!
+
+„Juist, morgenochtend verschijnt het wekelijksche nummer der Alarmkreet
+en dit is de laatste correctie voor de drukkers.
+
+„Prachtig!”
+
+Hij maakte voorzichtig het pakket open en haalde de gedrukte
+correctievellen der gereedgemaakte courant te voorschijn.
+
+Artikel na artikel las hij met de grootste belangstelling en hij
+amuseerde zich al lezende, hoe langer hoe meer.
+
+Daarna nam hij aan de schrijftafel plaats, opende den inktkoker en nam
+de pen, waarmee een paar uur geleden de redacteur der Alarmkreet de
+correctie had aangebracht.
+
+Raffles doopte de pen in den inkt, stak een sigaret aan en lachte
+zachtjes.
+
+„Nu zal ik de Alarmkreet eens redigeeren. Londen zal verbaasd zijn, wat
+voor een geestig blad de Alarmkreet is. Mr. Röttger kan niets hebben in
+te brengen tegen de veranderingen, die ik aanbreng, omdat hij het niet
+meer zal kunnen.
+
+„Ik ontvang hem over een paar uur bij mij en zal ervoor zorgen, dat hij
+zich niet meer in verbinding kan stellen met zijn drukkerij”.
+
+Raffles rookte zijn sigaret op, stak een nieuwe aan, en las het eerste
+artikel:
+
+
+ Nieuws omtrent John Raffles, den Grooten Onbekende.
+
+ „Wij hadden verwacht, dat de door ons als gewetenloos avonturier en
+ misdadiger beschreven Londensche bedrieger zich zou verdedigen
+ tegen onze beschuldigingen en ons een bericht toezenden, zooals hij
+ dat gewend is te doen.
+
+ „Maar die man is niet alleen een avonturier en misdadiger van de
+ gemeenste soort, maar hij is ook lafhartig.
+
+ „Het wordt meer dan tijd, dat de Londensche pers zich niet meer met
+ dien kerel bezighoudt, maar hem eenvoudig doodzwijgt, opdat de
+ lauwerkrans, dien men hem ten onrechte omhangt, eindelijk door iets
+ anders kan worden vervangen.”
+
+
+„Heel aardig,” lachte Raffles, „dat artikel zal ik corrigeeren.”
+
+Hij nam de pen op en schreef:
+
+
+ „John Raffles, dien wij in het laatste nummer van ons blad
+ uitschilderden als een gewetenloos avonturier en misdadiger, heeft
+ ons bewezen, dat hij werkelijk den lauwerkrans, dien de Londensche
+ pers hem omhangt, vol bewondering als zij is voor zijn daden, ten
+ volle verdient.
+
+ „John Raffles heeft ons niet alleen door woorden overtuigd, maar
+ zelfs door een onomstootelijk bewijs.
+
+ „Wij bevelen John Raffles aan bij alle bewoners van Londen, die
+ door gewetenlooze schurken worden uitgezogen, gedreigd of misleid.
+ Tot deze laatste soort behoort ook de Alarmkreet.
+
+ „Wij moeten dit ter kennis brengen van alle lezers onzer courant en
+ hen dringend aanraden zich bij voorkomende gelegenheden tot John
+ Raffles te wenden.”
+
+
+„Ziezoo,” sprak Raffles, „dat is de eerste correctie, nu volgt de
+tweede in de zaak-Spancer.”
+
+Hij las:
+
+
+ De poging tot zelfmoord door de jonge bontwerkster, die, zooals wij
+ onzen lezers hebben medegedeeld, het slachtoffer is geworden van
+ den zoon van den bekenden pelshandelaar Spancer, is tot heden niet
+ opgehelderd.
+
+ „Wij veronderstellen nog steeds, dat het jonge meisje door den
+ jongen Spancer tot zelfmoord is gebracht.
+
+ „Het is meer dan tijd, dat de politie zich met deze zaak
+ bezighoudt.”
+
+
+„Aha,” sprak Raffles, „daar zullen wij iets aan toevoegen.”
+
+En hij schreef verder:
+
+
+ „Wij zouden gaarne bereid zijn geweest, over deze zaak het
+ stilzwijgen te bewaren, indien de vader van den jongen Spancer de
+ door ons verlangde 5000 pond sterling had betaald, maar die man is,
+ helaas, zoo ongenaakbaar, dat hij er niet aan wil denken, de dupe
+ te worden van onze afpersing. Het jonge meisje wordt door hem, naar
+ wij vernomen hebben, op milde wijze ondersteund en heeft van hem
+ een kleine zaak in pelswaren gekregen in de Victoriastraat.”
+
+
+„Zie zoo,” mompelde Raffles, „nu is ook dit artikel gecorrigeerd.”
+
+Nu nam de groote onbekende een blanco stuk papier en begon daarop een
+geheel nieuw artikel te schrijven.
+
+Het luidde:
+
+
+ Oplichterij op groote schaal!
+
+ „Naar wij zooeven uit goede bron hebben vernomen, heeft zich onder
+ den naam „De Alarmkreet” een courant in Londen gevestigd, die,
+ evenals de Apachen in Parijs, de schrik is geworden van de
+ fatsoenlijke Engelsche burgerij.
+
+ „De courant houdt zich ermee bezig, om uit kleine gebeurtenissen of
+ ongelukkige omstandigheden, waardoor solide menschen worden
+ getroffen, sensatie-artikelen in elkaar te flansen, doordat zij
+ namelijk van een mug een olifant maakt.
+
+ „Wij weten zeer stellig, dat deze courant niets anders is dan een
+ gemeene bedriegerij; zij is, evenals de Amerikaansche „Arizona
+ Kicker”, ten allen tijde bereid om tegen betaling van een zeker
+ bedrag afstand te doen van het laten drukken dier
+ sensatieberichten.
+
+ „Het is niets anders dan een zoogenaamde „revolverpers”, die zich
+ niet ontziet de eer en het vermogen der staatsburgers aan te
+ randen.
+
+ „Het zou hoog noodig zijn, dat de inspecteur van politie Baxter
+ zich ernstig bezig hield met den redacteur en den eigenaar van dit
+ weekblad, om Engelsche burgers tegen dergelijke gevaarlijke
+ schurken te beschermen.
+
+ „Naar alle waarschijnlijkheid zal het echter bovengenoemden
+ inspecteur niet gelukken, deze menschen onschadelijk te maken.
+
+ „Wij vernemen gelukkig, dat om die reden John Raffles zich deze
+ zaak heeft aangetrokken en nu van plan is, den eigenaar en den
+ redacteur van „De Alarmkreet” een welverdiende straf te doen
+ toekomen.
+
+ „Het verdere verloop dezer zaak zullen de lezers van dit blad
+ morgen in de Londensche couranten kunnen vinden.
+
+ „P. S. Wij verzoeken den verslaggevers van alle Engelsche
+ couranten, zich hedenavond om 9 uur, voor het vernemen der laatste
+ gebeurtenissen, te vervoegen bij den heer inspecteur van politie.”
+
+
+„Klaar!” sprak Raffles, „nu zal de courant eindelijk eens een
+fatsoenlijk bericht bevatten. De Alarmkreet zal morgenochtend voor den
+laatsten keer verschijnen; ik heb deze giftplant der Engelsche pers met
+wortel en al uitgeroeid.”
+
+Hij stond op en sloot het pakket weer in hetzelfde papier, zoodat er
+niet aan te zien was, dat het geopend was geweest.
+
+Daarop ontdeed hij met zijn zakdoek de schrijftafel van de
+sigarettenasch, die hij erop had laten vallen, sloot het meubel,
+draaide het licht uit en verliet het redactielokaal.
+
+In de aangrenzende restauratie wachtte Charly Brand op hem.
+
+„Zoo”, sprak deze, „ben je klaar? Het heeft vrij lang geduurd.”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles, „ik had ook tamelijk veel te doen, ik heb
+voor hoofdredacteur der Alarmkreet gefungeerd en de courant
+geredigeerd. Ik verzeker je, dat Londen zich morgenochtend amuseeren
+zal!”
+
+„Hoe?” lachte Charly Brand, „ben je in de journalistiek gegaan, hoe heb
+je dat klaargespeeld?”
+
+„Heel eenvoudig”, vertelde Raffles, „het is mij reeds herhaaldelijk zoo
+gegaan in mijn leven, de hemel heeft mij altijd noodig om schurken hun
+welverdiende straf te doen toekomen.
+
+„Het toeval, of laten wij het het noodlot noemen, maakte, dat de
+correctie van de courant gereed op tafel lag en de jongen had vergeten
+het pakket mee te nemen.
+
+„De courant komt morgenochtend uit en niets is meer in staat, het
+onheil van de heeren Röttger en Kroyzer af te wenden.
+
+„En laat ons nu gaan.”
+
+Toen zij het restaurant verlieten, kwam juist de redactiejongen
+ademloos aangerend.
+
+„Zie je”, sprak Raffles, „ik heb mij niet vergist, de bengel heeft tot
+ons geluk de correctie op tafel laten liggen en haast zich nu, zijn
+verzuim weer goed te maken. Wij zullen hier wachten en even zien of
+mijn veronderstelling juist is.”
+
+Zij gingen voor een sigarenwinkel staan en keken schijnbaar vol
+aandacht naar de uitstalling.
+
+Een paar minuten later reeds kwam de jongen terug en Raffles zag, dat
+hij het pakket in de hand hield, snel de straat overstak, op een tram
+sprong en wegreed.
+
+Intusschen zaten Mr. Röttger en Mr. Kroyzer in een klein restaurant in
+de buurt, waar zij, nu zij eenigszins bekomen waren van de zweepslagen,
+iets gebruikten.
+
+Beide heeren waren reeds weer in opgewekte stemming.
+
+Zij hadden bijzondere zorg aan hun toilet besteed en bespraken
+nogmaals, wat zij tegen den inspecteur van politie zouden zeggen.
+
+„Ik ben van meening”, sprak de kleine redacteur, „dat de Lord zijn
+stiefmoeder werkelijk heeft vergiftigd. Dergelijke dingen komen immers
+dagelijks voor.”
+
+„Zeker”, knikte de mooie Guido, „en ik denk, dat gij, als gij een
+stiefmoeder hadt, die zoo rijk was als die van Lord Melbourne, dat gij
+dan hetzelfde zoudt doen.”
+
+„Natuurlijk”, antwoordde de redacteur, „ik ken allerlei onschuldige
+middelen, om dergelijke zaakjes op te knappen, zonder dat een dokter
+iets kan constateeren.”
+
+„Gij zijt eigenlijk een gevaarlijk mensch”, meende de sluwe Guido, „en
+als gij mijn redacteur niet waart, zou ik niets met u te maken willen
+hebben.”
+
+„Zeg geen nonsens”, riep de ander uit, zijn chef als een giftige pad
+aankijkend.
+
+„Wanneer gij mij wilt beleedigen, dan hebt gij met een verkeerden te
+doen.
+
+„Wel neen,” weerde Kroyzer af, „met mijn redacteur en besten vriend wil
+ik geen ruzie hebben!”
+
+„Ik zou het u ook niet raden, bovendien —” de kleine redacteur blies
+zijn chef den rook zijner slechte sigaar in de oogen, „ik weet precies
+wie gij zijt, Mr. Kroyzer. Gij herinnert u wel, hoe gij een jaar
+geleden het huis uwer ouders zijt ontvlucht en uit de schrijftafel van
+uw vader het noodige geld meenaamt om naar Monte Carlo te kunnen gaan.
+
+„Verder weet gij nog wel, dat de briljanten uwer moeder u flink wat
+geld hebben opgebracht.
+
+„En weet gij soms niet meer, dat gij bij iedereen hebt geleend, en wel
+op schandelijk brutale manier? Daar hebben wij bijvoorbeeld een kellner
+in een wijnkroeg, die nog heden om het verlies van een groote som
+treurt, evenals een paar hotelhouders en andere personen, maar de lust
+ontbreekt mij nu, om u nog aan meer te herinneren.
+
+„Eigenlijk zijt gij dus de geschikte persoon wel om uw Londensche
+medeburgers preeken te houden over moraliteit. Maar, het is waar, het
+brengt u geld op — —”
+
+Mr. Kroyzer riep met een hatelijken grijns op zijn gelaat den kellner
+en betaalde de vertering.
+
+Daarop sprak hij: „Ik geloof, dat het beter is om nu heen te gaan, gij
+schijnt te veel gedronken te hebben!”
+
+Bleek van ergernis keek hij zijn redacteur aan en zou hem, als hij de
+gelegenheid had gehad, misschien hebben gewurgd.
+
+Maar in machtelooze woede moest hij met zijn medeplichtige denzelfden
+weg gaan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE VAL.
+
+
+John Raffles had zich intusschen weer als detective Marholm naar zijn
+kamer in de Oxfordstraat begeven.
+
+Hij berekende—en terecht—dat de redacteur der Alarmkreet en diens
+compagnon hem zouden opzoeken.
+
+Hij behoefde niet lang te wachten.
+
+De beide schurken hadden zich van het hoofdbureau van politie naar de
+Oxfordstraat begeven, om den vermeenden Marholm den uitslag van hun
+bezoek aan Lord Melbourne mede te deelen.
+
+Vloekend kwam de redacteur de kamer binnen en bezwoer, dat hij in het
+volgende nummer der Alarmkreet Lord Melbourne zou vernietigen.
+
+Daarop vertelde hij Marholm van het vergeefsche bezoek bij inspecteur
+Baxter en zei, dat hij hem nogmaals wilde opzoeken.
+
+„Ik moet ook op het hoofdbureau van politie zijn”, sprak
+Raffles-Marholm, „als gij het goedvindt, gaan wij samen.”
+
+Hoewel de Groote Onbekende het vermeed, zijn bezoekers in de oogen te
+kijken, viel het Mr. Röttger toch op, dat de oogen van den detective
+veel geleken op die van Lord Melbourne.
+
+Maar hij wierp die gedachte ver van zich.
+
+Lord Lister verliet het tweetal in het hoofdbureau van politie, dicht
+bij de kamer van Baxter en zei, dat hij over een kwartier ook binnen
+zou komen.
+
+Hij bleef staan, totdat zij de deur achter zich hadden gesloten.
+
+Toen gleed een vroolijk lachje over zijn gelaat en hij dacht:
+
+„Zoo, mijne heeren—de val is dicht—de ratten zitten er in— —”
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Met groot leedvermaak keek Baxter naar de opgezwollen gezichten der
+beide revolverjournalisten.
+
+„Wat is er met u gebeurd, mijne heeren?” vroeg hij met een ironischen
+klank in zijn stem.
+
+„Wij moesten op onderzoek uit voor onze courant”, antwoordde Röttger,
+„de een of andere deugniet durfde ons met zijn rijzweep af te ranselen.
+Maar wij zullen ons op hem wreken. Wij waren reeds een uur geleden hier
+om een aanklacht in te dienen. Helaas troffen wij u niet.”
+
+„Wie is de betrokken persoon?”
+
+„De jonge Lord Melbourne,” sprak de redacteur, „wij klagen hem aan
+wegens moord!”
+
+„Zoo, zoo—wegens moord?”
+
+„Jawel, wegens moord!”
+
+„De Lord wordt er van verdacht, zijn stiefmoeder vermoord te hebben!”
+
+„Dat is laster!” riep de vloo uit.
+
+„Waarmee bemoeit gij u?” beet de kleine redacteur hem toe.
+
+Marholm nam hem op met een blik vol minachting en blies dikke
+rookwolken uit. Daarop keerde hij Mr. Röttger den rug toe en schreef
+verder.
+
+„Ik herhaal mijn aanklacht”, sprak de redacteur, „en beschuldig Lord
+Melbourne, wonende Regentpark 16, van moord op zijn stiefmoeder.”
+
+Weer keerde Marholm zich om en riep:
+
+„Ik verklaar nogmaals, dat het nonsens is!”
+
+„Waarom?” vroeg inspecteur Baxter.
+
+„Omdat iemand, die al acht jaar dood is, niet meer wegens moord kan
+worden vervolgd.”
+
+„Hij is niet dood!” riep de redacteur uit, „hij leeft.—Die beambte
+verwisselt den zoon met den vader.”
+
+Marholm lachte zachtjes.
+
+„Verwissel gij zelf maar niets.”
+
+„Wij waren twee uur geleden nog bij hem.—Hij leeft dus!”
+
+„Het is maar de vraag, waar gij zijt geweest”, sprak de vloo.
+
+„Bij Lord Melbourne, zooals ik u reeds zei.”
+
+„En ik herhaal u, dat gij, als de doode Lord Melbourne u zoo heeft
+afgeranseld, gij een geestverschijning hebt gehad, die elke spiritist u
+zou benijden.”
+
+„Ik zie wel”, sprak Mr. Röttger, „dat wij u niet anders kunnen
+overtuigen dan door u te verzoeken, ons naar Lord Melbourne te
+vergezellen.”
+
+„All right”, sprak Baxter. „Wij zullen met eenige detectives dien heer
+opzoeken.”
+
+Op dit oogenblik sloeg de klok zes.
+
+„Wij hadden afgesproken, u morgen weer te bezoeken”, herinnerde de
+redacteur der Alarmkreet Baxter.
+
+„Ja”, antwoordde deze, „maar wij kunnen de zaak nu evengoed afdoen.”
+
+„Zeker”, bevestigde Röttger, terwijl hij een blik wierp in de richting
+van Marholm, als om te beduiden, dat diens tegenwoordigheid hinderlijk
+was.
+
+Maar Baxter deed, alsof hij dit niet bemerkte en sprak:
+
+„Wij kunnen kort zijn. Deel mij den inhoud van den brief mee en dan zal
+ik u zeggen, wat ik denk te doen.”
+
+„Ik heb u reeds gezegd, heer inspecteur, dat het mij onmogelijk is, uw
+verzoek in te willigen.”
+
+Nu stond Marholm op en sprak:
+
+„Dan zal ik den inhoud van den brief voorlezen.”
+
+Stom van verbazing keken de beide schurken den detective aan, toen deze
+een schrijven uit zijn zak haalde en tot den politie-inspecteur sprak:
+
+„De heeren schijnen te vergeten, dat wij detectives zijn. Ik kan u den
+inhoud wel even mededeelen, chef!”
+
+„Dat is onmogelijk!” riep Kroyzer uit.
+
+„Praat toch geen nonsens!” riep de vloo. „Ik ben een leerling van
+Sherlock Holmes. Kent gij dien heer? Ik zal u den brief voorlezen,
+inspecteur. Het is een schrijven van Raffles aan u, dat onderschept
+is.”
+
+Met open mond en uitpuilende oogen staarden de beide journalisten den
+detective aan.
+
+„Dus, heeren, luister!
+
+
+ Mijn waarde Baxter!
+
+ Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien
+ gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht
+ en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.
+
+ Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.
+
+ Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende
+ vermomming. Vraag den oberkellner naar Mr. Thonet.
+
+ Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.
+
+ Met vriendelijke groeten
+ JOHN C. RAFFLES.
+
+
+„Hoe komt gij aan dien brief?” schreeuwde Mr. Röttger.
+
+„Dien kunt gij alleen gestolen hebben, of—”
+
+„Houdt uw mond!” de man maakte bij die woorden een beweging, alsof hij
+den redacteur een oorvijg wilde geven.
+
+„Een mooie brief”, sprak Baxter, „daar heeft Raffles u op onbetaalbare
+manier bij den neus genomen!”
+
+„Daarvan geloof ik niets”, riep de redacteur uit, met zijn oude
+brutaliteit.
+
+„Wat? Bestaat er grooter onbeschaamdheid!” schreeuwde Baxter woedend,
+„dan geloof te schenken aan een dergelijken brief—dan hierheen te komen
+ten einde mij geld af te persen, voor welk feit gij een paar jaar
+gevangenisstraf zult hebben”.
+
+„Gij tracht u te redden, heer inspecteur,” sprak Mr. Kroyzer, „maar dat
+geeft u niets.
+
+„Wij hebben den brief gekregen van iemand uit uw naaste omgeving. De
+betrokken persoon is bereid om mondeling alles wat hier staat onder eed
+te herhalen”.
+
+„Dien beambte zou ik weleens willen leeren kennen”, riep Marholm uit.
+„Hoe heet hij?”
+
+„Dat blijft ons geheim tot aan het proces”, antwoordde mr. Röttger,
+„wanneer mijnheer de inspecteur het tenminste tot een proces wil laten
+komen”.
+
+„Daartoe laat ik het komen”, antwoordde Baxter met koele
+onverschilligheid en, zich tot den detective wendend, sprak hij:
+
+„Roep eenige beambten binnen, Marholm!”
+
+Een aardbeving, een dynamietbom had geen grooter uitwerking kunnen
+hebben, dan het uitspreken van dezen naam.
+
+Vol ontzetting staarden de beide bedriegers den inspecteur aan.
+
+Marholm was al bij de deur, toen de redacteur stamelde:
+
+„Heet—heet—heet die beambte daar—Mar—holm?”
+
+„Om u te dienen”, antwoordde de vloo, „zoo heet ik”.
+
+„Onmogelijk!” krijschte de redacteur, „wij hebben u zelf bij Mr.
+Marholm ontmoet”.
+
+„Dat klopt”, antwoordde de vloo, „maar dat was Mr. Marholm niet. Ik heb
+geen enkelen naamgenoot in Londen”.
+
+„Maar gij moest hem toch kennen. Hij beweerde, dat hij beambte van
+Scotland Yard was”.
+
+„Dan heeft hij u iets wijsgemaakt.”
+
+„Dat kan niet,” riep Mr. Röttger uit, „hij heeft ons tot aan de deur
+van dit vertrek gebracht”.
+
+„Juist iets voor hem! Ik denk dat hij graag wilde zien, of gij veilig
+hier binnen kwaamt!”
+
+Marholm stopte zijn pijp en de inspecteur sprak nu op barschen toon:
+
+„Wij zullen nu een eind maken aan de comedie. Roep eenige beambten,
+Marholm. Ik verklaar deze twee als mijn gevangenen.”
+
+De beide journalisten gingen ontsteld een stap achteruit.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik had Marholm eenige detectives binnen
+geroepen en deze posteerden zich aan weerszijden van de gevangenen.
+
+„Laat nu onze auto voorkomen!” beval Baxter. „Wij gaan met de heeren
+samen even naar den moedermoordenaar Lord Melbourne.”
+
+Ontdaan en bleek werden de beide afpersers onder voldoende
+politiegeleide en vergezeld door Baxter en Marholm naar de politie-auto
+gebracht.
+
+Na een korten rit hadden zij no. 16 Regentpark bereikt.
+
+Stil en eenzaam, met gesloten vensterluiken, lag het huis vóór hen.
+
+„Dit huis kennen wij,” sprak Marholm tot Baxter, toen zij den kleinen
+voortuin doorliepen. Hij sprak zoo luid, dat de gevangenen elk woord
+konden verstaan.
+
+„Zeker,” antwoordde de inspecteur, „als ik mij niet vergis, is dit de
+vroegere woning van Raffles!”
+
+Hoewel zij belden en klopten, werd de huisdeur niet geopend, want
+niemand was in het huis aanwezig.
+
+Baxter liet de deur door een smid opensteken en zij traden binnen.
+
+„Is dit het huis,” vroeg Baxter den redacteur, „waar Lord Melbourne u
+ontving?”
+
+„Ja,” luidde het antwoord, „dit is het huis van Lord Melbourne. Gaat
+mee naar boven, naar de studeerkamer, dan zal ik u bewijzen, dat de
+lord hier woont.”
+
+Zij traden de studeerkamer binnen. Het eerste, wat Baxter zag, was een
+rijzweep, die in het midden van de kamer aan de gaskroon was
+opgehangen.
+
+Hieraan was een groot stuk papier bevestigd. Marholm nam het eraf en
+las:
+
+
+ „Aan inspecteur Baxter, Scotland Yard.
+
+ „Als gij hier mocht komen om naar Lord Melbourne te zoeken, dan
+ deel ik u mede, dat ik zelf voor Lord Melbourne speelde.
+
+ „Ik deed dit om twee bedriegers van de ergste soort een flink pak
+ slaag te geven.
+
+ „Daar ik heb vernomen, dat ook gij reden hebt om de kerels eens af
+ te straffen, hang ik voor dat doel de rijzweep hier op.
+
+ „Zeg verder tegen de schurken, dat zij zich voortaan moeten wachten
+ om met Raffles te beginnen. Voor een volgenden keer beloof ik hun
+ nog een betere afstraffing.
+
+ „Groet Mr. Marholm, onder wiens naam ik de schelmen op glad ijs
+ bracht.
+
+ Met de meeste hoogachting,
+ JOHN C. RAFFLES”
+
+
+Mr. Röttger boorde zich de lange, spitse nagels in het vleesch, hij had
+zichzelf wel kunnen slaan voor zijn domheid.
+
+„Voorwaarts!” riep Baxter tot zijn beambten, „brengt de gevangenen
+terug!”
+
+Toen de detectives het vertrek hadden verlaten, sprak Baxter tot vloo,
+terwijl hij hem vertrouwelijk op den schouder klopte.
+
+„Dat hebt gij best gedaan, Marholm. Ik moet mijzelf gelukwenschen, dat
+ik Raffles nog niet gevangen heb, want anders hadden die beide jongens
+mij uitgezogen.
+
+„Ik zal er voortaan zorg voor dragen, dat Raffles mij niet in handen
+valt.”
+
+„Om Gods wil,” sprak Marholm, „doe dat niet, want dan krijgt gij hem
+stellig!”
+
+„De Alarmkreet” verscheen den volgenden dag met de gewijzigde artikels,
+tot groot vermaak van geheel Londen, welks bewoners reeds uit de
+couranten hadden gelezen van het laatste sensatie-nieuws.
+
+Het was het laatste nummer geweest van „De Alarmkreet”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76761 ***