summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76754-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76754-0.txt')
-rw-r--r--76754-0.txt6314
1 files changed, 6314 insertions, 0 deletions
diff --git a/76754-0.txt b/76754-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..84cd255
--- /dev/null
+++ b/76754-0.txt
@@ -0,0 +1,6314 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76754 ***
+
+
+
+
+ WILHELM BÖLSCHE.
+
+ HET PAARD
+ IN ZIJNE NATUURLIJKE ONTWIKKELING
+
+ BEWERKT DOOR
+ DR B. C. GOUDSMIT.
+
+
+ GEBR. GRAAUW.—AMSTERDAM—WELTEVREDEN.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+De ontdekking, dat ons paard oorspronkelijk afstamt van zeer kleine
+dieren van de grootte van kleine honden, wier pooten op in het
+oogvallende wijze aan onze menschenhand herinnerden, is één der
+merkwaardigste en minst verwachte veroveringen der nieuwere dierkunde.
+In meer beperkten kring is deze op voldoende wijze gewaardeerd. Onder
+de onafzienbare menigte van paardenkenners, liefhebbers van
+paardensport en andere practische paardenvrienden is zij daarentegen
+nog lang niet bekend geworden in die mate, als de belangrijkheid van de
+stof dit zou eischen. Het is ten slotte ook niet voldoende alleen de
+paradoxale mededeeling daaromtrent te doen. Er moet iets bij verteld
+worden, een stuk wereldgeschiedenis dat ten slotte nog veel kostbaarder
+en belangrijker is. Wat wij thans weten, wat wij mogen veronderstellen
+tot aan de grens der zekerheid op dit gebied, is veel meer dan die
+weinige woorden te kennen geven. Een werkelijke geschiedenis van het
+paard kan worden ontworpen, beginnende in een oertijd even vreemd als
+een sprookjeswereld, eindigend in de speling der dingen, die ons thans
+nog practisch in beroering houdt en die naar boven voert langs een
+keten van de zonderlingste voorouders der paarden tot aan onze tamme
+rassen toe. Hoe dikwijls heb ik niet door leeken de vraag hooren doen,
+of ons kultuurpaard van den zebra afstamt; of wel, of het een veredelde
+ezel is? Men peinsde er in het wilde over en besliste dan ten slotte,
+dat het vraagstuk onoplosbaar was en dientengevolge dergelijke vragen
+eigenlijk zonder eenige practische beteekenis waren. Met een ongeloovig
+lachen werd de soms gedane opmerking: dat de neushoorn een verkapt
+paard is, of dat de tapir een overgebleven oerpaard is, beantwoord. Die
+dingen zijn echter feitelijk reeds lang uit het stadium van het
+twijfelachtige getreden. Zij kunnen worden beantwoord. Maar men moet nu
+eenmaal een uurtje den tijd nemen om bepaalde gedachten van
+natuuronderzoekers daarbij grondig na te gaan. Ik zou wenschen, dat dit
+kleine handige boek hier zoo geheel terloops eens dienst deed in
+zoodanig vrij uurtje tusschen de practische werkzaamheden van
+paardenliefhebbers; na een rit; tusschen sportoefeningen; in vrije
+oogenblikken na den diensttijd. Ook in de aanbrekende periode der
+automobielen mogen wij het toch nog wel vrij bekennen, wat voor een
+heerlijk bezit der cultuur het paard is. Waarom zouden wij daaraan niet
+op het juiste oogenblik een uur van ernstig nadenken wijden?
+
+Dit paardenboek vormt een geheel op zich zelf staand, afgesloten
+geheel. Intusschen is het uit den aard der zaak tevens ook waar, dat
+hij die kennis genomen heeft van het dierenboek, daardoor nog een ruim
+stuk perspectief mede krijgt. Daar waar de geschiedenis van het paard
+begint, treedt hem reeds een groote ontwikkelingslijn te gemoet.
+
+Uit het dierenboek moet dan ook ter wille van den noodzakelijken
+samenhang voor den nieuwen lezer het volgende nog eens in het kort
+worden weergegeven. Ons paard is een betrekkelijk hoog ontwikkeld
+zoogdier. In het dierenboek wordt nu uitvoerig verhaald, hoe het
+zoogdier in het algemeen is ontstaan. Hoe het zich in zeer ver
+teruggelegen, voorwereldlijke tijden, die nog vele milioenen jaren vóór
+het ontstaan van het paard lagen, heeft opgewerkt uit schepselen, die
+met kruipende dieren overeen kwamen. Hoe het daarna als vogelbekdier
+zijn jongen nog in een soort ei ter wereld bracht; hoe het begon die
+jongen met melk te voeden, te zoogen, hoe het langen tijd het jong nog
+in een soort huidzak met zich mededroeg, een handelwijze, die wij thans
+nog bij de zoogenaamde buideldieren terugvinden. Hoe het zich een
+inwendige verwarming, een blijvende warmte van het bloed aanschafte en
+de oude schubben van kruipende dieren langzamerhand aflegde ten gunste
+van een nieuwe bekleeding der huid met haren. Alle nog levende of
+uitgestorven tusschenschakels, die door de oudere overgangen worden
+belichaamd, worden uitvoerig in het „dierenboek” geschetst. Daarna
+vertoeft het bij een buitengewoon belangrijk station, namelijk het
+eerste groote station naar de hoogere zoogdieren, naar die zoogdieren
+waartoe ten slotte ook paard en mensch behooren. Hier werd de
+beschouwing eener groep van zoogdieren uiterst belangrijk, een groep
+die thans geheel is uitgestorven, die vroeger echter, naar het schijnt,
+zeer groote uitgestrektheden der aarde in haar geheel heeft bevolkt.
+Men vindt tegenwoordig de overblijfselen dier beenderen hoofdzakelijk
+nog in Noord-Amerika en bovendien op een bijzonder gunstige plaats in
+de zoogenaamde Cernays-lagen bij Reims in Frankrijk. Naar die laatste
+vindplaats heeft men menigmaal die geheele oeroude groep van zoogdieren
+(die reeds tot de oudste tertiaire periode, het zoogenaamde Eocene
+tijdperk, behoorde) eenvoudig de dieren van Cernays genoemd. Die dieren
+van Cernays bezaten de hoogst merkwaardige eigenschap dat zij een zeer
+bepaalde, oorspronkelijke uitgangsgroep voorstelden van alle latere en
+thans nog bekende hoogere zoogdieren, aan gene zijde van die volkomen
+oorspronkelijke vogelbekdieren en buideldieren, voor zoover die hoogere
+zoogdieren, (waartoe tegenwoordig bij voorbeeld de apen en de
+roofdieren, de hoefdieren en de walvisschen behooren) ook, wat hun huid
+betreft, zich daarna van elkander hebben afgezonderd. In één opzicht
+geleken al hunne echte vertegenwoordigers inderdaad in hoofdzaak nog
+volkomen op elkander, zoodat men zag, dat zij werkelijk onderling nog
+een bijna gesloten groep vormden. Meestal kleine, lage dieren met lange
+staarten, lange gezichten en kleine hersenen, bezaten zij nog het
+oorspronkelijke, volledige gebit van de oudste zoogdieren in het
+algemeen, dat nog niet bepaald veranderd was om dienst te doen voor de
+gewoonten van roofdieren en hoefdieren. Ook bezaten zij in den bouw der
+vier pooten (of handen van voren en pooten van achteren) van oudsher
+den fundamenteelen bouw der oorspronkelijke zoogdieren, namelijk vijf
+vingers of teenen aan iedere hand of iederen voet, waarachter het vlak
+of de zool oorspronkelijk bij het gaan nog geheel tot zelfs met de hak
+werd neergezet. In beperkten zin toonden echter die dieren van
+Cernays—en dat is nu het belangrijkste voor de verdere ontwikkeling—in
+hunne verschillende vertegenwoordigers reeds kleine afwijkingen,
+waardoor zij zich reeds van elkander begonnen af te scheiden, en
+toonden zij dergelijke bijzonderheden louter in richtingen, die tot het
+uiterste ontwikkeld, later werkelijk het wezen der roofdieren,
+hoefdieren enz. moesten uitmaken. Eenigen vertoonden reeds een geringe
+neiging tot het gebit der roofdieren, anderen tot den bouw van het
+skelet van een zoogenaamden halfaap, dus één trap vóór den echten aap
+en den mensch; een derde soort eindelijk tot den karakteristieken voet
+van een hoefdier. Ongetwijfeld ziet men hier die latere hoofdgroepen in
+al hare verscheidenheid zich eerst merkbaar ontwikkelen uit den
+gemeenschappelijken wortelstam der dieren van Cernays. Duidelijk zijn
+daarbij reeds te herkennen die latere roofdieren, die latere hoefdieren
+en die latere apen, als het ware zich vertoonend in drie varianten van
+de echte dieren van Cernays, die men gewoon is te onderscheiden als
+Creodonten (oorspronkelijke roofdieren), Condylarthren (oorspronkelijke
+hoefdieren) en Pachylemuriden (oorspronkelijke apen). Juist die drie
+loten van den ouden stam hebben zich later in menig opzicht op tamelijk
+ongelijke wijze van den ouden bodem verwijderd. Zoo staan aap en
+mensch, ondanks de kolossale menschenhersenen, thans nog door den bouw
+van hun gebit en bovenal van hun hand betrekkelijk zeer dicht bij de
+dieren van Cernays, terwijl bij voorbeeld de hoefdieren zich meestal
+juist in die deelen van hun skelet buitengewoon ver vandaar hebben
+verder ontwikkeld. Juist op zulk een bijzonder typisch hoefdier, het
+paard, worden in het hier gegeven boek onze beschouwingen gericht. Wij
+zullen echter zien, hoe ten slotte toch ook de stamboom van dat paard
+zich volkomen juist laat terugvoeren tot die dieren van Cernays en wel
+tot hunne vertegenwoordigers, die reeds licht duiden op hoefdierachtige
+wezens, die genoemde Condylarthren.
+
+Het dierenboek beschreef dan verder nog uitvoerig zekere achterblijvers
+van die hoogst belangrijke wereld van Cernays, die ten deele nog meer
+echt, ten deele reeds meer gewijzigd tot heden nog levend behouden zijn
+gebleven in onze zoogenaamde insecteneters, egels, mollen en consorten.
+Het toonde eenige zijtakken aan, die misschien reeds vóór de splitsing
+van den hoofdstam in die oorspronkelijke hoefdieren, roofdieren en
+apen, zich hadden afgescheiden van de wereld van Cernays, namelijk de
+vleermuizen, huidvliegers en de Amerikaansche gordeldieren, luiaards en
+aanverwante dieren. Ten slotte behandelde het dan nog uitgebreider de
+oorspronkelijke hoefdieren. Het maakte duidelijk, hoe de tegenwoordige
+klauw van het roofdier, de nagel van den aap en de hoef zelf zich uit
+den meest eenvoudigen op klauwen gelijkenden grondvorm oorspronkelijk
+hadden ontwikkeld zonder absolute tegenstellingen te zijn. En het
+besprak eindelijk bij die gelegenheid een kleine groep van zoogdieren,
+die ook thans nog zoo klein zijn als konijntjes, maar toch reeds een
+soort van hoef dragen, de zoogenaamde klipdas. Geen twijfel is er dat
+dit alles voor dit boek reeds belangrijke lijnen trekt en de eigenlijke
+inleiding levert. Het paardenboek gaat allereerst van boven naar
+beneden en bereikt eerst zeer laat weder het oude aansluitingspunt. Wie
+dan in ernst van het paard den dieperen oorsprong wil leeren kennen,
+die moet er toe besluiten, ook het dierenboek zelf ter hand te nemen.
+Ik moet nog opmerken, dat dit dierenboek onder zijn tien platen, die
+het als inleiding toekwamen, twee heeft, waarop ook dit boek zich bij
+voorkomende gelegenheden kan beroepen. De ééne plaat stelt
+gereconstrueerd het uitgestorven oorspronkelijke hoefdier Phenacodus
+voor, de andere plaat eveneens een uitgestorven merkwaardigen
+neushoorn, het Elasmotherium.
+
+Ook dit zou ik uit de voorrede van het dierenboek willen herhalen:
+mijne populaire beschrijving neemt een zeker rustig standpunt in
+tegenover den zenuwachtig voorthollenden tegenwoordigen stroom van het
+vakonderzoek. Even zoo goed als het levende dier, eischt ook dat
+onderzoek zelf een zekere „waarneming”. Men moet een stap achterwaarts
+gaan, en zich met geweld een oogenblik tot rust dwingen. Wat ik geef,
+is het gevolg van een zoodanige waarneming, gedurende een reeks van
+jaren. Ik heb mijn veld, op een bepaald oogenblik, afgebakend en
+inwendig gerangschikt, zonder naar rechts of links te zien, of de
+schuimende ketel der dingen reeds weer ergens op nieuw begint over te
+koken.
+
+ Mittel-Schreiberhau in het Reuzengebergte.
+
+ WILHELM BÖLSCHE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET PAARD.
+
+
+In het merkwaardige Faustgedicht, dat als „Het Boek Job” in het Oude
+Testament is gekomen, wordt een natuurbeschrijving gevonden met zulke
+geweldige beelden en zóó krachtige woorden, dat geloovigen zoowel als
+kinderen der wereld zich daaraan van oudsher hebben te goed gedaan en
+daarin stichting hebben gevonden. De groote vraag van het noodlot des
+menschen is opgeworpen: hoe het in het wereldsche beloop moet worden
+verklaard, dat ook de rechtvaardige smart moet ondervinden en de
+zondaar kan juichen? In het debat tusschen de menschenkinderen, die
+twijfelen en met elkander twisten, grijpt ten slotte de Wereldgeest in
+eigen persoon in. En om de onbeduidendheid en de armoede van alle
+menschelijke oplossingen, die alleen berusten op indrukken van het
+oogenblik, tegenover een dergelijk ontzaglijk wereldprobleem te
+geeselen en neer te slaan, legt de groote dichter (wiens naam ons niet
+is overgeleverd) dien Wereldgeest een hymne in den mond op de
+onnavorschbare en ontzaglijke verschijnselen der werkende natuur,
+waarin alle verschrikkingen van den kosmos ons gemoed in beroering
+brengen.
+
+De aarde wordt geschetst in den zin der oude Babylonische voorstelling:
+zwevend boven en beneden de getemde oorspronkelijke wateren. Boven haar
+schittert de gordel van Orion en verrijst de morgenster. Dan wordt het
+duister van wolken, de sluizen des hemels openen zich en storten hare
+wateren uit, de bliksemschichten schieten neer. Voor den storm vliegen
+de raven weg, en de leeuwen brullen om voedsel, terwijl boven de donder
+rolt. Daarna wendt zich het natuurbeeld tot de dieren der aarde, en nu
+volgt een schildering, die voortdurend grootscher en verhevener wordt.
+[1]
+
+Van de wilde geiten van het gebergte (of, zooals in de vertaling staat,
+de gemzen) strekt zich de blik uit tot de eenhoevige dieren der
+steppen, de wilde ezels of wilde paarden. De woestijn is hun tot woning
+aangewezen en de steppe tot verblijfplaats, die zij snel, van alle
+banden bevrijd, doorvliegen. De woudezel lacht om het stadsgewoel,
+luistert niet naar het geroep van den drijver. Hij doorsnuffelt de
+bergen als zijn weide, en zoekt er allerlei groen kruid op. En naast
+dit type van wilde dieren wordt daar gesproken van het dier, dat door
+Luther als de éénhoorn wordt voorgesteld, terwijl inderdaad daarmede de
+geweldige woudos is geschetst, die toen eveneens nog het bergachtige
+noorden van het Babylonische stroomland en den Libanon heeft bewoond.
+Op hem is volkomen toepasselijk het woord, dat hij u niet kan dienen en
+overnachten aan de kribbe (zooals het tamme rund), dat hij niet achter
+u loopend den dalgrond kan eggen en uw zaad kan inbrengen en op uw
+dorschvloer zal inzamelen. De struisvogel eindelijk voert u geheel naar
+de woestijn, die door de zon doorgloeid is, waar zij haar eieren op den
+grond laat liggen en ze in het zand verwarmt, zoodat zij worden
+uitgebroed. „God heeft haar het verstand ontzegd, anders zou zij zich
+wel in de hoogte verheffen en spotten met het paard en zijn ruiter.”
+Daarmede is dan weer een nieuw, wonderschoon beeld gegeven.
+
+Paard en ruiter! Het getemde paard in de hand van den mensch!
+
+Het dient den mensch en toch heeft de mensch het niet geschapen. De
+natuur heeft reeds het paard zijn eigenaardigheid, zijn individualiteit
+medegegeven, zijn manen, zijn gang, die het doet huppelen als een
+sprinkhaan. En dan vervolgt de Wereldgeest met de onvergetelijke
+woorden: „Hoe ontzagwekkend is zijn fier gesnuif! Het krabt in het dal,
+zich in zijn kracht verheugend, en trekt uit, der wapenrusting te
+gemoet. Spot met de vrees en wordt niet vervaard, deinst voor het
+zwaard niet terug. Boven hem rinkelt de pijlkoker, het lemmet der lans
+en de strijdknots. Ontstuimig en wild verslindt het den bodem, en staat
+niet stil als de bazuin klinkt; het hinnikt zoo vaak de bazuin wordt
+gestoken, reeds van verre ruikt het den strijd, de donderende stem der
+aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.”
+
+Als het paard van de aarde verdwenen was zooals de oeros, en wij van
+dat dier geen ander waarheidsgetrouw bericht bezaten dan het
+bovenstaande, dan zouden wij toch reeds vermoeden, dat wij te doen
+hadden met één der edelste en meest interessante dieren, die onze
+planeet ooit heeft voortgebracht.
+
+Met een dier, dat uit tweeërlei oogpunt merkwaardig is. In zijn wezen
+als dier onder de overige dieren. En in zijn betrekking tot den mensch.
+
+Onze beschouwingen hebben ons vroeger wel gevoerd langs een bonte rij
+van zoogdiervormen van de meest merkwaardige soort. Van de rij af
+hebben wij in haar karakteristieke omtrekken trachten te schetsen: het
+vogelbekdier, het buideldier, het schubdier, den insecteneter, (egel en
+verwanten), den huidvlieger, de vleermuis, de Amerikaansche tandeloozen
+(luiaard, gordeldier) en den klipdas. Onder al die merkwaardige klanten
+was er echter zonder eenigen twijfel geen enkel huisdier. Van
+uitgestorven Amerikaansche aardluiaards is vroeger wel eens beweerd,
+dat zij door de Indianen evenals het vee binnen een omheining gehouden
+waren, dit is echter een zeer losse hypothese. Van een aantal kan men
+reeds uit hun geïsoleerd en verborgen leven afleiden, dat het geen
+huisdieren kunnen zijn zooals de vogelbekdieren, schubdieren en
+klipdassen. Van het nut van onzen egel wist men vroeger niets af. Bij
+de groote en zoo vormenrijke groep der buideldieren is het echter zeer
+in het oog vallend, dat er geen huisdieren onder gevonden worden. Het
+Australisch-Polynesische gebied, waartoe uitsluitend reeds in den
+praehistorischen menschentijd de buideldieren voor een groot deel en in
+hun krachtigste vormen behoorden, is volstrekt niet vrij van
+huisdieren. Het zwijn, het hoen, en in de eerste plaats de hond, waren
+ook daar in dienst van den mensch. Geen enkel buideldier daarentegen
+moet geschikt geweest zijn, huisdier te worden. Men zal toch wel moeten
+aannemen, dat bij die oudste en laagste orden der zoogdieren niet
+alleen het bloote toeval een grendel heeft voorgeschoven, maar dat het
+beletsel ook lag in hun geringere intelligentie, in den grooteren
+afstand, waarop zij van den mensch verwijderd waren. Hij die
+buideldieren in gevangen toestand in onze zoölogische tuinen verzorgd
+heeft, heeft steeds den indruk gekregen, dat een inwendige hinderpaal,
+die ongetwijfeld in de hersenen gelegen is, zich tegen het temmen
+verzet. Slechts in drie groepen van zoogdieren heeft de mensch
+huisdieren weten te verkrijgen: de hoefdieren, de roofdieren en de
+knaagdieren. Alle drie groepen zullen wij misschien later nog
+bespreken. Het paard is echter, zooals een kind wel weet, het meest
+duidelijke voorbeeld van een huisdier. Daarmede is voorloopig de engere
+richting bij dat dier voor ons bepaald.
+
+Laat ons eerst nog een oogenblik vertoeven bij de vraag, wat een
+huisdier is. Dat begrip staat ons zóó helder voor oogen, dat het geen
+nadere verklaring schijnt te vereischen. Maar het begrip „mensch” staat
+ons nog helderder voor oogen, en toch is het voor ons een ontzettend
+werk geweest, den mensch zóó te teekenen binnen de overige natuur, dat
+men hem zag als een werkelijk onderdeel in de huishouding der natuur.
+Als een dergelijke verschijning in het drijven van de huishouding der
+natuur op aarde zou men ook het huisdier van den mensch moeten
+opvatten.
+
+Daar komt ons het woord „gevangenschap” in de gedachte. Gevangen
+dieren. De geheele dierentuin is een duidelijke illustratie van dat
+woord. Sommige geleerden, die het begrip huisdier wilden verklaren,
+hebben gemeend, daaraan reeds voldoende te hebben. Voor Cuvier was het
+wezen en het grondbegrip van het huisdier „slavernij”. Als een ruwe
+huurkoetsier zijn armen knol afranselt, heeft het er werkelijk veel
+van. Maar de verstandige en ontwikkelde dierenfokker zal dit zeker
+ontkennen. Latere onderzoekers vatten volkomen terecht de juiste
+verhouding op als een „symbiose”. Wij hebben dat woord reeds vroeger
+genoemd, toen wij van de groene mieren in den pels der luiaards
+spraken. In den meest uitgebreiden zin beteekent het een samenleven van
+twee verschillende soorten van levende wezens tot wederzijdsch nut. In
+den meer beperkten zin bedoelt men er mede, dat de deelgenooten niet
+alleen als twee individuen van tijd tot tijd samenkomen, maar dat
+gedurende een aantal generaties het samenleven een vast gebruik blijft,
+zonder hetwelk men zich ten slotte die soorten in het geheel niet meer
+kan denken. Dergelijke gevallen komen zeer veelvuldig voor tusschen
+plant en plant, plant en dier, en ten slotte tusschen dier en dier.
+
+Bij de planten zijn het beroemdste voorbeeld de zoogenaamde
+korstmossen, die men langen tijd voor een afzonderlijke plantensoort
+hield, totdat men op zekeren dag ontdekte, dat hier een wier en een
+paddenstoel vast aan elkander gehecht in de meest trouwe symbiose
+leven, waarvan ieder den anderen bepaalde voordeelen oplevert. Dat die
+compagnieschap niet uit elkander gaat, daarvoor wordt gezorgd, doordat
+bij de voortplanting iedere jonge paddenstoel reeds een jonge wierencel
+en iedere jeugdige wier een jeugdigen paddenstoel medeneemt. Het
+mooiste geval van symbiose tusschen dier en plant levert wel de
+paddenstoel kweekende mier van Zuid-Amerika. Zij bereidt aan een
+champignon, die haar in op koolrapen gelijkende knolletjes een
+bijzondere voedingsstof biedt tot ruimen oogst, bijzonder gemeste
+akkers in den vorm van kunstmatige mesthoopen, en ook hier draagt
+iedere jonge mierenkoningin, die naar het gebruik van dat merkwaardige
+volkje uittrekt, om een nieuwen staat met nieuw broedsel te
+grondvesten, als een waren talisman der natie, in haar mondholte (zoo
+te zeggen in een wangzak) een stukje ontwikkelingsvatbaren paddenstoel
+mede, opdat ook de symbiose zich in iedere nieuwe generatie zeker kan
+voortplanten. Eindelijk tusschen dier en dier zijn het meest leerzaam
+die andere mieren, die de suikerzoete pis van bladluizen met gretigheid
+opslorpen en die bladluizen als de voortbrengsters van zulke
+„lekkernijen” verdedigen als een herder zijn schapen verdedigt tegen
+den wolf; uit kleine kruimeltjes aarde bouwen zij voor hen echte
+schuthokken, en in het ingewikkeldste geval hebben ook zij de geheele
+gecompliceerde oppassing en verzorging van de eieren hunner melkdieren
+op zich genomen, dus ook het voortduren der symbiose gewaarborgd.
+
+Volkomen duidelijk kan men opmerken, dat in dit laatste geval ten
+gunste van het van beide kanten zoo goed gelukte samenwerken bepaalde
+instincten bij beide partijen zijn ontwikkeld, die anders tusschen die
+vreemde diersoorten niet zouden bestaan. De bladluis vlucht niet voor
+de anders zoozeer gevreesde mier. Vrijwillig staat zij de tastende mier
+haar sap af, terwijl zij het aan andere dieren, die bij haar
+aankloppen, weigert. Omgekeerd zal de mier zich zelfs in den
+wintertijd, als zij het meest behoefte aan voedsel heeft, nooit
+vergrijpen aan het ei der bladluis, dat haar is toevertrouwd.
+
+Een ieder ziet, dat wij juist met dit voorbeeld van de mieren
+onmiddellijk ook tot het vraagstuk der menschelijke symbiose bij onze
+huisdieren zijn gekomen. De cultuurmensch staat trouwens tegenwoordig
+zóó hoog boven ieder dier, wat betreft zijn intelligentie, die zulk een
+wijd veld kan overzien, dat de verhouding iets verschoven lijkt in de
+richting der eenzijdige opperheerschappij van den mensch. Maar wij
+mogen niet vergeten, dat die cultuurmensch niet zou kunnen bestaan
+zonder veeteelt en (voor de plant geldt ditzelfde) zonder koren en de
+overige gekweekte gewassen. Van den kant van het dier zelf is echter
+dezelfde „aanpassing” aan die blijvende symbiose met den mensch gevolgd
+als bij de mier. Voor het echte huisdier is zijn voedsel bereid door
+den mensch, en zoo ook zijn woning, zijn bescherming. De hoogste
+intelligentie van den mensch staat in zekeren zin in ieder opzicht ook
+in zijn dienst. Op de meest verfijnde wijze houdt de mensch toezicht op
+zijn voortplanting, regelt hij die en werkt hij die in de hand. Juist
+omdat ook hier de symbiose over ontelbare rijen van geslachten zonder
+eenige onderbreking voortgaat, hebben zich zijn lichaamsvormen in de
+meer speciale behoeften van die symbiose langzamerhand ingevoegd en
+zich daaraan ook aangepast. Zijn instincten zijn anders geworden: het
+jong van het reeds gedurende duizenden jaren verzorgde konijn, om
+slechts een enkel voorbeeld te noemen, is van den eersten dag af
+tegenover den mensch „tam”. En ook daar waar de mensch voor zijn eigen
+levensbehoeften somtijds de individuen decimeert en het rund slacht,
+behoudt toch de soort het geheele voordeel der symbiose, omdat ook haar
+voortduren bij dat slachten juist wordt gewaarborgd. Men moet bedenken,
+wat voor een absoluut verwoestende macht de mensch tegenwoordig is voor
+alle dieren, die hij niet opzettelijk verzorgt en kweekt. Maar hem, die
+gekomen is binnen het gebied dier verzorging en kweeking, valt
+omgekeerd daardoor een zóó groote zegen ten deel, dat het geringe en
+stelselmatige decimeeren door het slachten daarbij niet in aanmerking
+komt, nog afgezien hiervan, dat niet alle huisdieren geslacht worden en
+juist die, welke het edelst en het meest met ons verbonden zijn, het
+minst. Bij den hond en het paard heeft de symbiose in enkele gevallen
+een zóódanige hoogte bereikt, dat ook het individu hier in den waren
+zin van het woord wordt gewaardeerd. Geen bezitter van een paard of een
+hond met groote individueele gaven en bruikbare eigenschappen zal hun
+dood wenschen. Heeft de symbiose hier bij het dier geleid tot de meest
+volkomen aansluiting der fijnste individueele begaafdheden aan de
+wenschen van den mensch—tot zelfs in die mate, dat het dier geworden is
+tot een levend werktuig van den mensch—, zoo is omgekeerd in het
+schoonste bloeitijdperk der cultuur dit dier als individu bij den
+mensch binnengedrongen tot in het ideale beschermende veld zijner
+ethiek. Medelijden met het dier, verzet tegen dierenmishandeling, het
+denkbeeld ook van een bescherming van het dier, als het oud en
+afgeleefd is, en dus niet meer van onmiddellijk nut is, kortom al
+datgene, wat er van ethische beteekenis is in ons begrip van
+„dierenbescherming” toegepast op getemde dieren, welk begrip te midden
+der groote ruwheid, die nog steeds in den mensch gevonden wordt, toch
+merkbaar meer en meer doordringt—in die woorden openbaart zich de
+hoogste triomf van die symbiose in steeds toenemende mate ook in de
+hoogst verheven, edelste menschelijke eigenschappen.
+
+Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu
+eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote
+veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van
+den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men
+enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen
+verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings
+heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting
+van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den
+Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd.
+Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen
+herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft
+zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van
+een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische
+leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde
+hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn
+groote symbiosen geopenbaard.
+
+Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen
+bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende
+karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben
+nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale
+olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi
+op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer
+nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige
+klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle
+vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der
+paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds
+gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met
+een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in
+verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog
+een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien
+tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet
+aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth
+zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in
+die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch
+eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds
+lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden
+toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang
+„wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw
+van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen,
+dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder
+teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt,
+van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen
+beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg
+te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke
+eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier,
+dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een
+mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door
+het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen.
+Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den
+weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware
+openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de
+geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er
+nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica
+der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen
+treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in
+de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó
+op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte
+verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.
+
+Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan
+kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen
+wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk
+lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch
+met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote
+schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij
+namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als
+voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de
+beenderen, die daarin zouden moeten steken.
+
+Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het
+eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit
+zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke
+beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch
+overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet
+loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met
+twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den
+voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het
+stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan
+hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer
+aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij
+den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen
+en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één
+been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt,
+een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer
+wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote
+beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt
+overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde
+bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat
+nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is
+reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en
+komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen.
+Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en
+ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou
+kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een
+onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te
+verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is,
+voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt.
+Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar
+van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het
+kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een
+bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige
+voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen,
+dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten
+paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt
+van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar
+alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó
+naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was,
+gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich
+plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook
+zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk
+in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar
+hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de
+leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier
+dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er
+tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van
+den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst
+zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die
+manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele
+steunorgaan volkomen duidelijk.
+
+Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger
+geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben
+omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet
+zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den
+teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de
+vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog
+slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier
+teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats
+dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen
+zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig
+dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen
+aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen
+teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel
+van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze
+menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen
+hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke
+middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het
+vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die
+vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één
+tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen
+die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van
+kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf
+vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf
+verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar
+slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een
+onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik
+eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende
+wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het
+paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel
+hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een
+betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn
+afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of
+wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer
+matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke
+tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo
+zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een
+onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken
+van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat
+het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet
+bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke
+knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het
+voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen
+binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en
+teen gelegen is.
+
+Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan
+moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het
+paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking.
+In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot
+aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn
+uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van
+den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing
+van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze
+menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien
+voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede
+plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been
+gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins
+mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been,
+zooveel mogelijk te vervangen door den voet.
+
+Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar
+beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard
+zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt
+reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met
+het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest
+natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of
+vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de
+uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem
+drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te
+houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in
+die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de
+scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus
+de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave
+van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn
+karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest
+oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of
+weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar
+tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier
+binnen de grenzen onzer cultuur.
+
+Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat
+het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn
+meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet
+noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in
+overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is
+hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht
+beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige
+oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is
+bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven,
+maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat.
+Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng
+zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het
+paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen
+door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de
+dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs
+ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan
+het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als
+glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard,
+als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een
+voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk
+harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog
+een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet
+verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het
+paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk
+die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de
+symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan
+den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier,
+dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier,
+dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over
+groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht,
+waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen
+zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen
+gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van
+buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.
+
+Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het
+nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een
+groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije
+wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds
+kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets
+overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze,
+zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het
+nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond
+der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de
+symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk.
+Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus,
+die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van
+den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed
+heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen
+voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is,
+zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert.
+
+Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat
+hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen
+overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van
+het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde
+letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet.
+Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk
+merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het
+paard.
+
+Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die
+elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste
+kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde
+gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard
+voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van
+het paard ter sprake komt.
+
+Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn
+handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden
+oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van
+ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch
+willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat
+een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig
+klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den
+sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong
+af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn
+ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het
+instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts
+half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of
+iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard,
+dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten
+van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het
+eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en
+worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe,
+waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk
+was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een
+geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een
+zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de
+leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid
+van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij
+zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen,
+omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en
+gevaar uitstrekt tot aan den horizon.
+
+Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke
+ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen
+waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de
+werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een
+scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar
+bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige
+grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling
+het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn
+gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in
+plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg
+gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is.
+Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog
+niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het
+eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan
+afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den
+indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men
+denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is!
+Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan
+een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat
+het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als
+een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den
+neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft
+het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek
+gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo
+wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op
+het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in
+de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het
+allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het
+geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren
+als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste
+eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij
+nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt
+zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat
+onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en
+het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te
+zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een
+zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het
+scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild
+gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard:
+„de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder
+geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat
+bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte,
+totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van
+het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op
+te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds
+tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen
+niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om
+de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.
+
+Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den
+weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele
+eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert
+hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der
+paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten
+de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het
+gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de
+rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen
+der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het
+verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren
+eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch
+ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men
+moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard
+(ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus
+ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier
+van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel
+is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in
+Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van
+den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het
+klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier
+tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat
+is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is
+gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En
+in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in
+een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn
+verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van
+het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard,
+doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het
+ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren
+zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte
+rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne
+bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in
+ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.
+
+Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier
+worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden
+onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale
+kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast
+tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men
+alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het
+eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele
+beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen
+(elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele
+stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in
+dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter
+die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het
+uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En
+juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den
+voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig
+verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de
+plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste
+teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk
+enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van
+dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen
+beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware
+een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been
+op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven
+liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp
+verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot
+aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve
+bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig
+vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.
+
+Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen
+bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door
+een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van
+het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat
+onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de
+vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te
+vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van
+de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds
+ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe
+uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde
+dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een
+dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven.
+Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen,
+onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander
+vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich
+steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had
+men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de
+verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar
+beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die
+verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een
+aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der
+afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen
+voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing
+zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het
+type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet
+Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter
+scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In
+het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid,
+die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm
+van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht
+voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken
+wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap
+onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden
+dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook
+den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie
+geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog
+uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo
+sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op
+zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan
+vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan
+onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband
+staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der
+correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den
+indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve
+type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen.
+Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich
+zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw
+gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type
+van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben
+beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de
+voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog
+in het been passen.
+
+Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op
+nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als
+sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”,
+als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat
+geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander
+werk [2] reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht
+vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts
+een enkel voorbeeld in dien zin voor een geheele reeks andere dieren,
+die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van
+het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen
+vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even
+schralen voet, die tot aan de knie reikt.
+
+De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons
+half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige
+bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een
+soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen
+twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten
+verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en
+omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één
+enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel
+middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het
+bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van
+uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds
+eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine,
+maar toch hoogst belangrijke.
+
+Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee
+kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die
+achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het
+gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde
+woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar
+hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun
+onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó
+weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.
+
+Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft
+afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed
+gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als
+overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den
+paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt
+overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als
+aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak
+zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en
+vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het
+zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van
+teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende,
+om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe
+dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is,
+en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk
+absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde
+„rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier
+geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur
+nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote
+inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de
+ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat
+mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken)
+als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht
+zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen
+menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner
+slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden
+darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van
+de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde
+van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een
+verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring
+te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die
+eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.
+
+Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft
+het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald
+moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst
+namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe
+organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen,
+welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op
+ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het
+bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht
+uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke
+voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig
+buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer
+in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand
+aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht
+worden aangetroffen.
+
+Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog
+twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten
+beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die,
+in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij
+drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij
+naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie
+teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel
+eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen
+voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de
+griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere
+griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen
+hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat
+een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en
+dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont,
+die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij
+het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn
+gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó
+volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat,
+en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was
+trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst.
+Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden
+waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den
+Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en
+verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het
+type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende,
+en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten
+terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm
+eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook
+werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale
+griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich
+verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de
+ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn
+gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet
+gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval
+behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een
+griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met
+oorspronkelijk vier teenen.
+
+Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons
+paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje
+vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en
+hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de
+zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren
+voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins
+vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid
+zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar
+vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook
+ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die
+zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een
+zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het
+ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde,
+bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op
+bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld
+gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten
+eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten
+van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze
+beschouwing niet noodig.
+
+Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den
+behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide
+evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel
+bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van
+onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand
+geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van
+den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de
+geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat
+die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de
+middenvinger is.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene,
+wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu
+komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten
+bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische
+theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met
+elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel
+vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.
+
+Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren
+uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste
+triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan
+ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen
+nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog
+niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard
+zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk
+buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist
+het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het
+begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon
+worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen,
+geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun
+hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat
+hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen
+kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem
+echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot
+verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die
+de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de
+neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel
+het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren
+van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”,
+dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in
+de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone
+uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het
+nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en
+toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk
+niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier
+ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De
+olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet
+was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een
+werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als
+eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te
+vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste
+getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar
+voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een
+mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant
+heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste
+drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige
+zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij
+wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen
+worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer
+uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid.
+
+Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke
+dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte
+aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit
+versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden
+van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken.
+Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren,
+zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden
+rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest
+reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over
+de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte
+had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid
+individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng
+begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe
+geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot
+weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in
+haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder
+verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier
+werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het
+voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude
+tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire
+zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele
+beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige
+overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke
+paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een
+zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als
+van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in
+lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.
+
+Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden
+worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten
+zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de
+Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche
+Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van
+Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van
+hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een
+ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten
+minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die
+dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar
+ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in
+den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen
+daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake
+gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke
+feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het
+laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest
+verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.
+
+In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer
+der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand
+gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de
+oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke
+dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar
+bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten
+der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een
+steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te
+behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een
+sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan,
+werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of
+zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al
+loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record
+te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle
+voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of
+diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de
+palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit
+heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote
+afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die
+tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk
+van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig
+symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den
+detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal
+zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig
+niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel
+neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de
+arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige
+keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig
+buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden
+toegegeven.
+
+In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke
+groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar
+verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken
+door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze
+planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in
+Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard.
+Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië
+bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in
+het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts
+één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire
+griffelbeenderen daarnaast.
+
+Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van
+Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië
+en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig
+schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de
+mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn
+eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden
+toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in
+Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als
+een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder
+verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand
+somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden
+gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der
+reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de
+laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals
+Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden
+nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van
+honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van
+Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De
+Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de
+runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch
+ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren.
+Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn
+bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat
+voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën,
+die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen
+doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over
+Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er
+een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan
+berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een
+epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de
+andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de
+Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een
+Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons
+de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde
+prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even
+onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den
+cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen
+epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de
+juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het
+paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar
+niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst
+werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel
+verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche
+bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der
+wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog
+open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden
+opgelost.
+
+Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets achteruit
+zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot
+aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens,
+dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene
+millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den
+overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den
+diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der
+hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays,
+[3] waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne
+tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk
+de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen,
+het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier
+periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het
+klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en
+Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat
+voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale
+catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als
+gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud
+gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in
+de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in
+drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen:
+van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene
+periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst
+op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij
+onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode
+zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke
+afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis
+is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen
+dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets
+oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen
+verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het
+oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig
+zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd.
+
+In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige
+dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het
+volgende beeld.
+
+In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt
+bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de
+overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort.
+Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort,
+die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben
+gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten,
+wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte
+diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden,
+maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende
+omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische
+Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze
+dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en
+grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren
+dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van
+een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar
+één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou
+voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der
+pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets
+meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten.
+Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat
+tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer
+dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant
+der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een
+heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes
+hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger
+aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger
+was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel
+van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming
+daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier
+ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook
+nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale
+beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende
+misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel
+eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk
+vertoonden zij alle diezelfde verandering.
+
+Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of
+soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard,
+geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene
+Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen
+nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort
+van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking
+luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.
+
+Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het
+allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel
+mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van
+een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot
+in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare
+Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van
+reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag
+gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een
+ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk
+niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van
+dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin
+gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het
+binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden,
+zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste
+achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen
+rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter
+helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter
+was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot
+in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze
+dagen.
+
+Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude
+echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder
+terugzoeken, iets nieuws kennen.
+
+In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen
+beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden
+toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven.
+Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel
+beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen,
+ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand
+over het geheele onmetelijke werelddeel.
+
+Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven
+reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de
+overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden
+gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij
+ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere
+ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel
+hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit
+opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide
+zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer
+alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die
+zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk
+van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat
+aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen
+en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig
+bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een
+miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste
+middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte
+kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje.
+Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den
+grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard,
+want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar
+te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten
+die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met
+hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel
+waren, maar die niets te doen hadden.
+
+Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand
+bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen
+der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele
+misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die
+„kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van
+Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het
+oorspronkelijke type voorstelde.
+
+Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar
+equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het
+ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele
+geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te
+duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige
+dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De
+pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt,
+zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het
+geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen
+beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele
+terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert
+op een millioen jaar.
+
+Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk
+wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de
+oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide
+innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote
+tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in
+het museum en laat een dierenwereld verrijzen.
+
+Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land
+wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als
+schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn,
+het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te
+spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich
+namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken
+zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame
+vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware
+voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein
+kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond
+stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen
+poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem
+van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep
+inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte
+volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt
+en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een
+dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook
+bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien
+aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in
+het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt
+hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het
+moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan
+trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het
+gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een
+driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de
+naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.
+
+Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen
+vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het
+overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken,
+waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren,
+dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de
+merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die
+driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar
+tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier,
+behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat
+worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het
+eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich
+werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer
+geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers
+(de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een
+vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe
+lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes
+hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen!
+Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl
+zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand
+en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard,
+schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.
+
+Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der
+tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik
+vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit
+morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen
+die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.
+
+De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika
+verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos.
+De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van
+achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan
+de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste
+verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den
+pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft
+den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar
+het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de
+drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide
+zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.
+
+De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare
+geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het
+begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met
+kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd
+met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken
+voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van
+den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is,
+vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje.
+Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan
+vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine,
+maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.
+
+Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het
+pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er
+is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van
+griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg,
+overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of
+voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en
+van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te
+gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale
+lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De
+„verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den
+voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt.
+Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de
+ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun
+poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende
+dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.
+
+Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich
+reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds
+openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere
+gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij
+het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.
+
+De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene
+laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op
+dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die
+schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de
+laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn
+gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder
+veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de
+volledigste skeletten zijn overgeleverd.
+
+De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd,
+daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn,
+nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der
+volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij
+den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen,
+waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de
+stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als
+kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte
+weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze
+menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke
+handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op
+ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op
+zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt.
+Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen
+voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in
+overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen
+als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij
+de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men
+zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in
+vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen
+denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of
+kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt
+alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm
+hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel
+toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds
+onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks
+verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet
+langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe
+reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het
+paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de
+afmetingen der hand bereikt werden.
+
+Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en
+voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De
+eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en
+zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het
+geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te
+komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij
+nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons
+plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de
+uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste
+kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de
+meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.
+
+Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren,
+paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt
+van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in
+ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der
+hoogere zoogdieren.
+
+Waartoe veel woorden?... Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der
+hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de
+nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld
+gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims,
+maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar
+karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een
+menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der
+zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht
+heeft, van beneden opklimmend. [4]
+
+Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de
+insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven
+vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven
+wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die
+het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen;
+en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het
+hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke
+en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek
+ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een
+onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord
+zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.
+
+Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die
+oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en
+den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit
+is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van
+Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag
+onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf
+bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal
+aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken
+naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in
+die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel
+overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van
+de ook hier nog aanwezige hoeven.
+
+Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij
+deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die
+hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den
+klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier
+oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw
+en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit
+de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig
+hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het
+nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn
+paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij
+het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot
+klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij
+zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren
+met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.
+
+De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde
+vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke
+tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft
+gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die
+door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen
+bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den
+voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en
+kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of
+geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen
+raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als
+de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar
+tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige
+dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren
+dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in
+onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien
+vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van
+klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe
+weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt
+karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen
+als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.
+
+Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd
+gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de
+beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden
+oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun
+daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van
+teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een
+beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten
+vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het
+laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter
+wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de
+zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van
+den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.
+
+En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte
+equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte
+van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk
+vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die
+maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons
+niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas
+feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor
+oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De
+beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog
+vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een
+tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming
+met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere
+soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der
+klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die
+merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de
+onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor
+oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der
+alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van
+de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.
+
+Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de
+Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe
+opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver
+historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt,
+zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon
+voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en
+zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u
+nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en
+bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets
+aangaan.
+
+De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste
+natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo
+afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld
+der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld
+kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de
+ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van
+geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in
+langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te
+voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische
+waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den
+paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke
+ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.
+
+Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden
+zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn
+van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de
+omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had
+en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze
+tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier,
+zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—,
+welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende
+overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in
+het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier
+paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat
+echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een
+wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van
+station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten
+nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen
+en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die
+ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt,
+zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst
+dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde
+meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels
+overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut
+verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle
+stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in
+zich vereenigt en alleen handhaaft.
+
+Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke
+omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er
+zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende
+logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking
+(Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover
+als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver
+geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog
+anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch
+alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier
+een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis
+nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde
+behoefte voor het gebruik.
+
+De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de
+verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte,
+waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit
+te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het
+beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te
+concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den
+harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de
+vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort,
+zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als
+„aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan
+grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het
+mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid
+daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt
+geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de
+perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het
+bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en
+verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd
+lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt
+eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip
+zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na
+zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel
+hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó
+tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den
+paardepoot vóór ons hebben.
+
+Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere
+ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het
+geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat,
+oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in
+Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener
+ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet
+licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke
+wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier
+ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.
+
+Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing
+voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan
+niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op
+zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de
+gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche
+leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren,
+zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare
+en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van
+daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot
+in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet
+bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele
+opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag
+legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun
+logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de
+loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist
+door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis
+niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te
+toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten
+draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest
+voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der
+ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der
+fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken
+voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een
+dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen
+wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een
+geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd
+genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct
+gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die
+steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het
+leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog
+niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee
+processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen
+geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij
+die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den
+moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks,
+als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere
+bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de
+individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er
+ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg
+ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die
+feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en
+toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende
+beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke
+scheppingsdaden liggen.
+
+Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te
+dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig
+gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een
+ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door
+wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook
+voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij
+hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld,
+geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans
+niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid
+van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof
+heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica.
+Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier
+het hoofd buigen.
+
+Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig
+alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die
+wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals
+gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden
+ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote
+verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der
+ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische
+opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te
+dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders
+zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier
+zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid
+kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het
+eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook
+inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der
+fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen
+eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid
+verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.
+
+De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van
+het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten
+naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan
+doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke
+beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.
+
+Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm
+bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het
+bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons
+(ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been).
+Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft,
+eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de
+bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen
+en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op
+zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam,
+lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen
+van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen.
+Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de
+ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit,
+maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen,
+uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als
+griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus
+het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen
+vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.
+
+Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen
+evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens
+historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De
+oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog
+ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast
+spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen,
+die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook
+bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak
+nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan
+absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer
+vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede
+vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar
+hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het
+kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt
+en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter
+griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel
+hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als
+kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.
+
+Een andere proef op de som leveren de tanden.
+
+Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn
+voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het
+gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om
+die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de
+hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke
+paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de
+voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege
+ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele
+overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de
+grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan
+zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op
+verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de
+kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der
+zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die
+gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk,
+geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit
+gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander
+gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke
+afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één
+geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes
+beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een
+kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die
+zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen.
+Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost
+uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze
+plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een
+afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat
+aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme
+is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit
+maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten
+van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich
+af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn
+gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een
+zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer
+eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het
+beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen
+meesterschap.
+
+Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het
+oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk
+duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden
+paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens
+reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der
+oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke
+ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke
+geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat
+heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft
+onthuld.
+
+De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke
+hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk
+nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm,
+waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer
+ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden
+toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle
+soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te
+onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel
+aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden
+zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven
+vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven
+tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste
+plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam
+bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse
+wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten
+van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen
+in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend
+geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend
+paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen
+tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen
+punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen
+reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de
+tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten
+voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee
+tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens
+geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit
+vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de
+bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed
+geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de
+typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak
+toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote
+afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In
+tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit
+als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige
+lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei
+daardoor heen loopende verweeringen.
+
+En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals
+bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke
+wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna
+geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle
+tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den
+Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel
+wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste
+voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog
+verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen
+geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op
+ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel
+te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere
+vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel
+meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te
+komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig
+haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder,
+als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische
+verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde
+kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien.
+Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard
+door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier
+haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot
+aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger
+open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte,
+en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling
+cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de
+voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe
+langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de
+kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een
+diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten,
+en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het
+cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als
+overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste
+toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar
+is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet
+gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander
+verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar
+verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze
+gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er
+in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich
+verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is
+nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een
+inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke
+tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst
+was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen
+jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele
+geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van
+zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de
+lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner
+zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent
+voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig
+hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien
+op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het
+proces een geheel ander zijn?
+
+Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide,
+(en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen
+ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke
+ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het
+paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant
+debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot
+uitdrukking kwamen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende
+dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven,
+lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook
+in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins
+denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste
+„stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan
+die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins
+mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men
+had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere
+tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen
+(juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog
+overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen
+van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op
+verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in
+ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de
+eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit
+scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het
+voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard
+en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in
+Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s
+voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen
+twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude
+wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen
+het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met
+verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.
+
+Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den
+dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel
+des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De
+Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het
+echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was
+onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer
+algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf
+teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een
+tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen
+met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken
+er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.
+
+De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige
+equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen.
+Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar
+op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden
+hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend
+waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde
+was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest
+zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens
+identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke
+hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een
+geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds
+in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren
+langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens
+hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door
+tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen
+vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude
+Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust
+als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke
+wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee
+der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een
+bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling,
+maar in een in ieder geval interessanten vorm.
+
+De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door
+natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan
+onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in
+wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in
+zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest
+natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij
+voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de
+mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben
+ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen
+zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing
+der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den
+stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.
+
+Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid
+van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde
+resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere
+ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke
+oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin
+onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke
+gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal
+volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld,
+zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn
+voortgevloeid.
+
+Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen
+„gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat
+beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest
+verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander
+aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met
+elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het
+„Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende
+hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke)
+vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen.
+De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker
+beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van
+dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording,
+zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door
+andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een
+bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat
+behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen
+hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het
+Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het
+paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en
+zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen
+betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren
+alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling
+onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was
+alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip
+„gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle
+nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het
+rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn
+er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een
+geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele
+complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?
+
+Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog
+voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede
+wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden
+stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de
+aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat
+dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot
+ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en
+diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente
+menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls
+gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende
+overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel
+vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de
+meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien
+heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer
+in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder
+dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of
+haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel
+millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde
+planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun
+lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij
+voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich,
+als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de
+catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden
+ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.
+
+Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der
+levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets
+anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet
+in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren.
+Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in
+het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen
+van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom
+en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en
+aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles
+moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben
+gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.
+
+De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een
+keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der
+ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van
+hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat
+iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand
+komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten
+dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen
+is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot
+het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende
+wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te
+reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de
+eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van
+engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen
+van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare
+varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die
+varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere
+leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de
+voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe
+geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces
+der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of
+mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de
+beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard
+op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van
+Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige
+omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu,
+gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat
+niet gemakkelijk is te denken.
+
+Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst
+kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den
+achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die
+geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf.
+Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen
+enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat
+denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in
+hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die
+ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het
+kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der
+soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of
+in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm
+gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige,
+als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika,
+als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met
+de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche,
+evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en
+rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der
+ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te
+voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is
+niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder
+meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het
+op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of
+pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen,
+die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend
+oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden.
+In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig
+gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de
+stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten
+tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande”
+harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen
+van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het
+paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar
+buiten?
+
+Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van
+dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik
+wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk
+raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten
+binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de
+inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor
+ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij
+die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid
+van een beslissende oplossing.
+
+Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet
+opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch
+denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke
+vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der
+ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa
+en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat
+punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit
+kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld
+bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet
+bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als
+dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er
+toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat
+ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs
+twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander
+geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het
+gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens
+moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het
+beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die
+verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom
+geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het
+volgende, geheel verschillende standpunt uit.
+
+Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als
+oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen,
+vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben
+weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam.
+Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia
+en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor
+paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den
+Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na
+een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den
+Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes),
+een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen
+voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen,
+en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn
+het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en
+die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het
+belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende
+schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo
+goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste
+aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de
+tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit
+dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder
+kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der
+hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die
+consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende
+stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.
+
+Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station,
+dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die
+voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als
+de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één
+of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien
+wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde
+loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische
+ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de
+voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten,
+zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht
+in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas
+zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende
+massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het
+is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren
+en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in
+den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet
+meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich
+oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen
+van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats
+was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in
+wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk
+inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal
+individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik
+bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in
+de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen,
+later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is
+gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote
+aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich
+verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil
+zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te
+verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde,
+en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen
+juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug
+hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden
+veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en
+vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden,
+waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke
+woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei
+afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de
+oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide
+troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben
+op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner
+beteekenis moeilijk.
+
+Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een
+groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker
+wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den
+ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van
+krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de
+uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling
+waren.
+
+Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt
+wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de
+wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die
+dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van
+den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam
+beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw
+verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van
+Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar
+niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der
+hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat
+de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid
+waren.
+
+Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar,
+waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten,
+maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast
+den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen”
+hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide
+als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine
+zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede,
+zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht.
+Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het
+type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten
+gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het
+laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt
+paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten
+invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen
+plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van
+de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die
+tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig
+uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die
+„saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe
+kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion
+genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men
+moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet
+opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar
+als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls
+gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich
+verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan
+onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij
+voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook
+bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden
+worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het
+merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.
+
+Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te
+varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere
+geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie
+hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam
+worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die
+geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche
+varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het
+eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef
+moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog
+niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische
+voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde
+grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de
+technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op
+den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.
+
+Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter
+dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen,
+onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een
+zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de
+eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar,
+hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die
+varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij
+zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en
+karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot
+aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote
+tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer
+in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe
+meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie
+beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender
+is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die
+Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in
+de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had
+beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men
+meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die
+immers varianten waren van verschillende echte trappen van den
+stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten
+vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig
+achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van
+geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou
+hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten
+waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die
+onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden
+van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou
+leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen.
+Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden
+tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium,
+nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook
+tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men
+eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen
+en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan
+individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij,
+hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch
+importartikel.
+
+Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de
+geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest
+halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire
+periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren
+zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de
+Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met
+moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen
+er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het
+gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte
+waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een
+onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden
+gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen
+van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke
+feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was
+daarentegen een geheel andere.
+
+Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals
+tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter
+niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de
+Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee.
+Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud
+vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit,
+zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de
+Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit,
+Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en
+zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te
+zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote
+archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van
+Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo
+bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar
+toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire
+periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen
+de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche
+stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust
+zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft
+uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën
+zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan
+gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den
+Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich
+langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld
+had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte.
+Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere
+massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het
+geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire
+periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een
+dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een
+aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond
+aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men
+tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat
+op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd
+zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer
+een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook
+die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer
+voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder
+verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte,
+toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische
+vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke
+uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood
+tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa
+was geopend.
+
+Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen
+in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het
+zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der
+paardachtige dieren.
+
+In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was
+van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die
+oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de
+Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun
+gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in
+den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen
+archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het
+tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld,
+die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den
+olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige
+rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval
+is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij
+veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke
+oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele
+skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland,
+dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een
+organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste
+ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke
+paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten
+Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in
+Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook
+bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige
+dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele
+van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als
+echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten
+eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen
+de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in
+Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier
+„geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden
+hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd
+evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden
+deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor
+daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben
+behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen
+verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een
+Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug
+ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is
+daarvan het gevolg geweest!
+
+Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het
+Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer
+verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk
+weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er
+plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s
+trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s
+gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In
+weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding,
+zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met
+kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen
+gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in
+Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot
+naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied
+op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar
+bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de
+Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de
+reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan
+twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft
+plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika.
+Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook
+voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter
+bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.
+
+Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop
+volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom,
+zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over
+den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos
+vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam
+eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is
+waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar
+het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte
+paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen
+volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het
+Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede
+echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.
+
+Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een
+zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen
+keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig
+verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige
+was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in
+een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele
+en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze
+Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de
+Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de
+symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter
+vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend
+gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche
+brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet
+meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld
+liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware
+de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer
+geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe
+het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het
+westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers
+daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo
+is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats
+van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige
+Przewalskipaard.
+
+Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden
+roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder
+paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning
+houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en
+van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den
+zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen
+skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert,
+zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een
+aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.
+
+Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij
+toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten
+uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme
+gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden,
+die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb
+gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen
+voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te
+weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in
+het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de
+in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in
+iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den
+benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij
+geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een
+ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte
+van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met
+verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten,
+als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een
+onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en
+uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen
+tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander
+behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel
+is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds
+uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats
+naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald
+„paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de
+plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens
+gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de
+hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal
+heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut
+niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden
+der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus
+dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door
+een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben
+daartoe het eerst aanleiding gegeven.
+
+Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat
+wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele
+eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat
+reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen
+menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde,
+kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld”
+ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het
+bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm
+(verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.
+
+Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm,
+die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant
+scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit
+Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit
+de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de
+moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en
+de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan
+den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde
+werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin.
+Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het
+nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt
+had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon,
+werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men
+hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde
+het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche
+dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd
+was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de
+zoölogische wonderen van Amerika.
+
+Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders
+leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen
+verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika,
+dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was
+dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een
+merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de
+Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang
+beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen
+natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden
+het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt,
+toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd
+was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu
+dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd
+van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling
+verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend
+zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf
+volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker
+een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste
+diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals
+ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de
+Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch
+vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier.
+Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en
+Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend
+geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór
+zich?
+
+Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was,
+dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd
+dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord
+geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn
+ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk
+een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als
+overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste
+bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust,
+dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende
+„slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een
+korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet
+beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende
+zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis
+Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de
+Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam
+gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de
+„zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook
+beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs
+onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm,
+is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder
+de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een
+slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de
+eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet
+weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te
+teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat
+juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog
+slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw
+met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige
+verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf
+in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel,
+blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk
+alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te
+vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd,
+om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige
+betrekking tusschen die beide dieren.
+
+Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet
+met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op
+één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige
+dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert
+de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren
+zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die
+tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of
+als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te
+loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste
+zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in
+dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar
+er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten
+stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk
+in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van
+achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen
+als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan
+bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog
+niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk
+gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het
+gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de
+eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de
+voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte
+kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels
+voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog
+ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk
+de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door
+bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een
+aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien
+tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer
+groot vospaard der eocene periode.
+
+En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een
+verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der
+latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van
+beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in
+grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het
+Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond
+met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in
+de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk
+schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw
+van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir”
+moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in
+het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als
+bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in
+de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig,
+dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als
+oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft
+gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is
+dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen,
+en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert.
+
+Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan.
+Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten
+beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar
+gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil
+in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk
+zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze
+verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan
+hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond
+stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals
+dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar
+voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde
+zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein
+bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te
+schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had
+losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den
+tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een
+uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit
+den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort
+bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als
+wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die
+ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog
+zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok,
+kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen,
+waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de
+heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere
+ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de
+groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden
+was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht
+en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend
+versteend in den ouden vorm behouden bleef.
+
+De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der
+paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een
+nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der
+equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft
+opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af.
+Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang
+juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals
+blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende
+lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven
+blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets
+anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een
+vospaard.
+
+Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog
+in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op
+aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen,
+hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde
+en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het
+stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante
+schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend
+oorspronkelijk paard uit de eocene periode.
+
+Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in
+uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst
+verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie
+hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet
+alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette,
+snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen
+waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten
+met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in
+zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid
+zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij
+ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.
+
+Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir
+is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel.
+Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het
+te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog
+vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere
+wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier,
+dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte
+staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk
+rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds
+op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten
+verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is
+niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn
+juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk
+mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water.
+Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier
+in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen
+en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens
+nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het
+nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn
+inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de
+voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De
+tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de
+grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier,
+waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is
+hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het
+eigenlijke „rivierpaard”.
+
+Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede
+volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen
+voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de
+groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en
+struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het
+moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus
+onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein.
+Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde
+planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede
+soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke,
+fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat
+eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer
+beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn
+vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den
+trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun
+niets meegevende grassteppe.
+
+Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte,
+blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In
+verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den
+rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig
+de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het
+nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is
+slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar
+volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op
+de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den
+Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene
+vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan
+slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met
+haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog
+merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros
+is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist
+in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot
+een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir
+verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt
+en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt
+gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits
+van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den
+tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken
+klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat
+een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het
+paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer
+zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf
+hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere
+ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in
+den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.
+
+In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende
+bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de
+zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als
+men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne
+lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige
+merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig
+chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte
+vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal
+de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen
+een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij
+hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije
+natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het
+dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir
+beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op
+de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand
+licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor
+de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit
+voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra
+te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam.
+Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker
+ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een
+teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond.
+Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte,
+evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog
+kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking
+kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude
+vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke
+strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den
+tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den
+Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar
+uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen
+voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen
+menschenoog die ooit heeft gezien.
+
+In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze
+dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het
+ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde
+wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische
+dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen
+zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral
+als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een
+houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt
+aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor
+mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de
+Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde
+olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der
+verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament
+gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon
+ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende
+modellen had gehad.
+
+Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die
+Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker
+zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het
+niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en
+miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had
+gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde
+omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan,
+en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef.
+Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van
+tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel
+Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig,
+nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats
+gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen
+blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom
+hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine
+aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen
+volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die
+zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond,
+langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir
+evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel
+onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een
+kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te
+worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der
+gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.
+
+Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft,
+zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch
+kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den
+Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in
+vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander
+geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de
+ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed
+ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook
+die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een
+zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk
+noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij
+gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een
+analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een
+dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die
+dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde
+eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens
+zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een
+loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van
+halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of
+„oude dieren” heeft genoemd.
+
+Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te
+voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het
+was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen
+tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene
+periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam.
+Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte
+lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir.
+Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven
+geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd.
+Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den
+ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet
+te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt
+vospaard was.
+
+Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als
+geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm
+zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten
+in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens
+bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in
+tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der
+drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar
+alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren
+dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den
+eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden
+die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden
+geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin
+van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens
+naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen.
+Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden
+van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als
+hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met
+groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met
+een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe
+zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den
+hoofdstam.
+
+De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe
+gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel
+onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland,
+Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische
+Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de
+eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was
+bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De
+kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een
+heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan
+de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap
+van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en
+het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig
+door die Palaeotheriën verworven.
+
+Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als
+ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van
+de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard”
+onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben
+kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit
+bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer
+groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een
+rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te
+worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de
+richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste
+Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de
+oude, eocene periode uit.
+
+Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die
+Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai
+geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak,
+ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het
+Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier
+doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er
+uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.
+
+Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen,
+evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die
+onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde
+uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat
+krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar
+anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van
+leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog
+heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de
+reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien
+ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige
+overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.
+
+Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen
+neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners
+„dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk
+overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een
+schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi.
+Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een
+metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van
+het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een
+dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een
+overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist
+Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe
+natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De
+neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee
+met elkander verbindt en wat ze scheidt.
+
+Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone,
+Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan
+door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried
+uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een
+groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd.
+Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem
+al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid
+met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op
+den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich
+daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een
+aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok
+te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker
+geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het
+nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den
+geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere
+paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het
+bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De
+razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer
+noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier,
+dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele
+kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt
+hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn
+soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als
+het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast
+ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die
+grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het
+vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna
+zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den
+schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude
+paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor
+de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen
+nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich
+daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling
+opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in
+postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.
+
+Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de
+natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd,
+natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid
+aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou
+wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam
+in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede
+dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het
+paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan
+weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet
+eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de
+tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap
+dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst
+in hem moet uitgraven.
+
+Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle
+vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is
+daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter
+de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij
+hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden
+lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam
+daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het
+grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die
+verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie
+hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.
+
+En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een
+geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien
+de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware
+levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan
+voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en
+kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden
+en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval.
+Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke
+bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste
+vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker
+tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste
+van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit
+alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van
+neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den
+bovensten trap volkomen vervuld is.
+
+Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even
+onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende
+paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale
+grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een
+neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte
+reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de
+vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als
+grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den
+neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der
+Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een
+meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude
+exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.
+
+Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één,
+gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er
+volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het
+allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig
+dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog.
+Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de
+reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig
+zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop
+van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is
+volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat
+een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge
+klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van
+een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken,
+zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote
+eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke
+woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van
+haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen.
+Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer
+vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch
+weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe
+hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels
+veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn
+behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen,
+takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de
+meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat
+gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten
+eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan
+oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de
+noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels
+te breken.
+
+In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen
+zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij
+een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo
+ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld
+met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van
+eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is
+gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven
+allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte
+afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der
+huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk
+naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze
+reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt.
+Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld
+de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard
+heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het
+water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde
+voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten,
+schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en
+hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide
+teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd.
+Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt
+aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed
+van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij
+den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene
+lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop,
+bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den
+tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak
+een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open
+steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich
+beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen
+steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de
+steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste
+inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de
+stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de
+wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een
+andere eigenschap geeft te denken.
+
+Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het
+meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen
+tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij
+overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot
+kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen
+met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag
+stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar
+alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de
+jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er
+geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder
+typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan
+als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft
+aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten
+doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de
+paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan
+de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire
+periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten
+moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den
+strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval
+denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft
+tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van
+slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der
+teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het
+haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros
+en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces
+tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil
+van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en
+blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook
+(hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid
+strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van
+hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten
+te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd
+door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor
+rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt
+aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche
+steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen
+tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen,
+die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen
+en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft
+weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid
+op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar
+wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren”
+aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra
+een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en
+maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud
+paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal
+daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren
+niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult
+balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.
+
+Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of
+andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware
+geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een
+neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige
+geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid
+en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een
+bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is
+tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste
+aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede
+echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het
+dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel
+de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is)
+terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend
+gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd
+en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt
+het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan
+tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één
+geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven
+bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen
+van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in
+de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven.
+Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting
+van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een
+stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het
+spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den
+bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van
+elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide
+zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn
+manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij
+bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen
+den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen
+beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns
+dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige
+dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden,
+kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent,
+in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn
+uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in
+den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog
+vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar
+kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn
+voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is
+van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van
+dat dier, dat eertijds in kudden leefde.
+
+Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke
+historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de
+weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen
+achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit
+de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch.
+Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in
+klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds
+opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in
+Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote
+hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de
+uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der
+oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond.
+Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn
+enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide
+Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan
+daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid
+herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard
+was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het
+ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen,
+zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook
+al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver
+naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien
+zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking
+hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven
+Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een
+uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip.
+Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij
+daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens
+alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in
+meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.
+
+Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf
+interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar
+aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm
+is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie
+hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of
+Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van
+eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft
+gehandhaafd.
+
+De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren
+rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De
+dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden
+oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot
+heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna
+blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde
+van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die
+vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst
+recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel
+conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In
+ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder
+geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook
+Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds
+merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het
+loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich
+lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde
+voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna
+tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een
+gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard
+worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende
+wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden
+daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als
+van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds
+bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende
+neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.
+
+Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote
+slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die
+echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets
+geworden.
+
+Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van
+den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het
+duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer
+schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers
+maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen,
+ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de
+aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat
+volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder
+geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen
+nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het
+midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in
+Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later
+in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste
+hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den
+voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.
+
+Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij
+reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de
+voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig
+voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen
+neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een
+afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast
+elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben
+gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een
+hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.
+
+Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit
+gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander
+gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het
+voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang
+blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld,
+maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier
+ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier
+leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of
+minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn
+op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen
+ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard
+met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar
+boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is,
+is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden
+eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en
+kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als
+allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is
+gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn
+niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder
+een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den
+narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van
+den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met
+zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.
+
+In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke
+richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd
+is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel,
+zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou
+komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak,
+dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat
+toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat
+is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een
+in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de
+diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het
+Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons
+„Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft
+bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn
+hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij
+tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met
+zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier
+nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in
+dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd
+zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men
+herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het
+Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen
+der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote
+zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de
+oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen
+halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring
+mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten.
+Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld
+een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als
+een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed
+denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige
+zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en
+gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten
+zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte
+neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen
+tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en
+nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos
+leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het
+wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd.
+Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië
+verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke
+zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben
+gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen,
+zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien
+als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het
+Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe
+van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles
+open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog
+eens aanwijzingen zullen vinden.
+
+Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die
+merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een
+paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij
+reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen
+enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer
+hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een
+bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats
+gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen
+ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de
+invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar
+eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het
+hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de
+hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben
+ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren
+aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen.
+Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot
+ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op
+verschillende wijzen heeft ontwikkeld.
+
+De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich
+zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het
+zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat
+de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de
+tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er
+feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er
+echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar
+hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn
+te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië
+voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van
+den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire
+rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen,
+zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en
+hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in
+het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle
+andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog
+den echten stand heeft van den eenhoorn.
+
+Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft
+geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote
+knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer
+haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een
+Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den
+„Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen
+dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een
+opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke
+historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend
+leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met
+krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van
+een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier
+van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in
+een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen
+tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort
+had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden.
+Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in
+vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier
+slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk
+voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart
+behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels
+bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen
+hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn”
+zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De
+pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl
+ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het
+achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den
+Afrikaanschen neushoorn.
+
+De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de
+sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over
+geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de
+zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het
+punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele
+dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig
+beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door
+iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap
+zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet
+zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een
+volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.
+
+De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan
+waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen
+der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van
+een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige
+zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets
+beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand
+kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem
+hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen,
+stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit
+gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat
+onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos
+heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den
+waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds
+vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw
+wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als
+aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die
+zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van
+wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere
+gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn
+uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.
+
+Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond
+onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het
+plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men
+de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag,
+zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van
+het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den
+oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere
+beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo
+boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen,
+dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op
+hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te
+brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige
+oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de
+werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe
+altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en
+blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat
+zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn
+oogen den stoot toebracht!
+
+Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische
+neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De
+groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf
+onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die
+platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend
+mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat
+in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige
+lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager
+van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel
+die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen
+koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van
+echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika,
+waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt
+met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een
+duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er
+achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn,
+die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der
+gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden,
+dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen
+uitsluitsel kon geven?
+
+Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een
+eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter
+eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de
+Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking,
+waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat
+eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig
+zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die
+Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van
+Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte
+neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche,
+later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd
+hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige
+neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns.
+Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest
+zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden.
+Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt
+zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen
+antwoord kan worden gegeven.
+
+In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de
+Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land
+aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld,
+als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in
+Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van
+den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke
+momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste
+beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.
+
+Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken
+begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is,
+daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi,
+over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele
+stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en
+kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van
+„inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar
+acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater
+vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden
+behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije
+vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen,
+witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan
+spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare
+groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in
+onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor
+het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer
+treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met
+blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van
+stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de
+steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard,
+waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten
+van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de
+boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook
+voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen
+stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van
+verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale
+apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze
+dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang
+van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den
+voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren;
+immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden
+water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige
+water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden
+wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die
+in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven
+sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de
+steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor
+een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als
+achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke
+dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar
+weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen
+gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer
+zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te
+struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun
+weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van
+een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op
+karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen
+voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen,
+elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de
+nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk
+verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende
+plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun
+schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder
+volledig van hun takken beroofd”.
+
+Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel
+niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een
+beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld
+van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat
+landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde
+hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op
+hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale
+verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in
+overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij
+Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij
+Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een
+ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste
+voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen
+leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste
+geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste
+speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld
+van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij
+misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van
+herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals
+zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of
+behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.
+
+Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat
+een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns
+klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de
+systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort,
+juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten
+neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de
+laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken
+gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige
+neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook
+hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer
+naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge
+dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander
+afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen
+gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in
+vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt
+echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige
+tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het
+paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een
+neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in
+elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische
+neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een
+prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan
+wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als
+om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te
+doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen
+en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe
+horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend
+gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen
+naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van
+den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast,
+en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt
+met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat
+die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist
+van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort
+in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte,
+dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als
+zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke
+volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een
+nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit
+kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een
+prachtig dier.
+
+Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der
+tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld
+hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt.
+Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat
+oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde;
+toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze
+verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk
+af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren.
+Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo
+rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die
+ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap
+van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen,
+dat het paard is uitgegaan.
+
+Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet
+ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel
+gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog
+onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen
+dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het
+teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken
+verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat
+geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de
+scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet
+zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der
+dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde
+personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”,
+maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt
+van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige,
+onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen
+worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest
+sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote
+toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs
+gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden,
+in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest
+blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs
+zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van
+wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe
+gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking
+afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen
+verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking
+maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat
+gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling
+verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als
+hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals
+hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij
+voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in
+den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om
+te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien
+eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer
+begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de
+ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij
+te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men
+zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben,
+waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke
+verstand.
+
+Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot
+worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke
+paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank
+zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard
+gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips
+afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.
+
+In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over
+dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.
+
+In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan
+tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden
+aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot
+van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling
+vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de
+nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in
+Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen
+zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte
+Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir
+en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte
+verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die
+vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den
+neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich
+gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste
+rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun
+merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan
+den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk
+ver daarvan af.
+
+Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een
+reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige
+haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan
+het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de
+neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede
+samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den
+hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen
+en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons
+nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar
+voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten,
+daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede
+op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die
+hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De
+beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid,
+en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering
+vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo
+veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den
+schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken.
+Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den
+neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die
+naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide
+neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich
+in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke
+voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig
+mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.
+
+Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde
+neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers
+evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt,
+moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een
+stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen
+moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu
+niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten
+hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet.
+Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam
+werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide
+vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het
+allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de
+doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er
+bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het
+Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat
+oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van
+hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig,
+dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke
+woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te
+ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en
+wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke
+slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in
+lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde
+trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den
+equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun
+„slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op
+den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen
+aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat
+het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste
+horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik
+versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling
+van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met
+een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant,
+namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.
+
+Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen
+medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen
+van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het
+oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de
+bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode
+bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen
+gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen.
+Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot
+kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen
+tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een
+oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer
+voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den
+voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een
+vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen
+onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het
+diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën
+levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk
+mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den
+mammouth gegeven.
+
+Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen
+zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het
+Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke
+ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd,
+toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten
+paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een
+schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het
+landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de
+allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint
+in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te
+zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei
+spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de
+kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van
+den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit
+tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een
+dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het
+voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne
+vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet
+men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der
+wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer
+gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de
+daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis
+door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen:
+woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot
+tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben
+getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan,
+dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het
+zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit
+het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun
+neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij
+ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar
+toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm
+plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een
+plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten
+moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij
+vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden
+kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten
+tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren,
+moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn
+ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos
+gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van
+die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij
+langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden
+afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het
+laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke
+bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel
+is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van
+organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen
+groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op
+innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet
+zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en
+de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij
+dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter
+buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die
+bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen
+zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst
+over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den
+strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen
+aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo
+en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid,
+had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de
+nieuw gestelde eischen.
+
+Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog
+minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in
+den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak
+is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot
+onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het
+voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in
+symbiose met den mensch heeft geleefd.
+
+Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap
+heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener
+overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden
+is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het
+leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist
+in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen,
+komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.
+
+Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke
+cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat
+absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt
+is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier
+de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer
+onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen
+van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons
+geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons
+als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige
+reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook
+hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.
+
+Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig
+tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet
+meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met
+vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou
+willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De
+inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert
+deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover
+huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben
+onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de
+levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een
+wedstrijd tusschen redden en vernielen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode
+de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde
+paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten
+voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter
+zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren.
+Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden,
+die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië,
+wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in
+Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die
+oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die
+van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde
+vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van
+den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles
+bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude
+wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons
+cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig.
+En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.
+
+Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische
+gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende
+schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw
+met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie
+bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert
+langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het
+„muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter
+juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de
+eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch
+blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard
+niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In
+die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard
+uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut
+identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid
+zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte
+paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is
+ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en
+paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot
+varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te
+brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat
+eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch
+middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.
+
+Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in
+ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het
+paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen
+aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de
+beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó
+duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in
+levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend
+hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige
+overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de
+splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en
+echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook
+historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin
+der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede
+wordt voor ons de gordijn weggetrokken.
+
+Maken wij in het kort den inventaris op van de levende
+overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa
+is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een
+echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën
+begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China,
+loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den
+noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika.
+Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig
+reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der
+aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel,
+van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den
+Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die
+wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van
+Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van
+dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep
+van wilde paarden.
+
+Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het
+van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den
+Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.
+
+Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der
+wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het
+als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele
+verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel.
+In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de
+woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver
+uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst.
+De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van
+Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van
+den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den
+noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan
+tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van
+Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine
+troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste
+gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld
+kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de
+scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart
+schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar
+Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder
+schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere
+dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.
+
+Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun
+uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van
+onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen.
+Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle
+karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en
+frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder,
+rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op
+den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van
+dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen
+van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van
+den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier
+eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar
+eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke
+wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!
+
+Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog
+tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter
+van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In
+Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist
+tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste
+afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als
+huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van
+den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak
+het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn
+beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende
+dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen
+liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den
+dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.
+
+Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de
+geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de
+Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op
+onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de
+ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot,
+krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder
+op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af,
+dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur
+voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de
+ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper
+wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem
+van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij
+volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als
+stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de
+Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is
+de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias,
+dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.
+
+Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander.
+Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke
+overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te
+zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen
+immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat
+kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen
+over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in
+het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling
+van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten
+worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren,
+waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat
+van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een
+dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht
+van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat
+aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den
+vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der
+gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te
+brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien
+langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot
+tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij
+elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte
+paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was
+slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in
+de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier
+gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner,
+handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de
+grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de
+zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is
+duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op
+de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit
+een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel
+tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde
+hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter
+gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met
+den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met
+die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.
+
+Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar
+het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het
+ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele
+onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar
+hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer
+oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun
+nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig
+cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een
+verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.
+
+Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare
+troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van
+het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop
+reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van
+den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in
+de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere
+uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch
+van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken
+grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor
+een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast
+hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven
+daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der
+oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige
+woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met
+bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai”
+gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in
+mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De
+teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en
+citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk
+wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.
+
+Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te
+veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen
+eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van
+een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor
+onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat
+zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook
+de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche,
+Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot
+tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk
+scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht,
+dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier
+hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen
+eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo
+systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische
+wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in
+vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een
+physionomisch beeld kon maken.
+
+Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was
+het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange
+ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren
+vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige
+dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne
+halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn
+dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den
+ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels,
+wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder
+gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den
+gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin
+een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze
+er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de
+bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep,
+die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven
+nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren
+staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte
+van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en
+met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men
+tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo
+heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met
+een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de
+bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en
+aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de
+schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een
+breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en
+dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt
+de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde
+Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het
+oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is,
+die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog
+de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer,
+met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte
+oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug
+tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna
+alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de
+steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft
+aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi
+heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de
+reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van
+Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste
+goudkleurige hoogrood overgaat.
+
+Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden.
+Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen
+zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden
+vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken
+aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf
+staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de
+Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote
+paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin
+heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude
+cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle
+gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat
+in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte
+ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in
+Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend
+te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot
+tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied
+van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid
+levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel
+blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet
+die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising
+van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche
+wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een
+jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw
+van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en
+zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder
+schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in
+Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof
+daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is
+blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende
+gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch
+past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a
+van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem
+tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk
+overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de
+symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als
+duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken
+zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd
+gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië
+den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend
+getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is
+opgevoed.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude
+oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der
+eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander
+overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij
+hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons
+cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan
+den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten.
+Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals
+die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort
+en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de
+paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij
+dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist
+een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk
+gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den
+dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle
+atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak
+voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen,
+langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks
+kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu
+weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal
+district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke,
+zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland,
+onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”
+
+Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de
+kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij
+onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde
+paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben
+een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel,
+tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een
+helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige
+teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de
+karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als
+pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover
+geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de
+arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla
+(211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen
+zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.
+
+Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de
+belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van
+de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te
+onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe,
+grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig
+arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van
+kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt,
+zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch
+weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde
+huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de
+mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den
+mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig
+tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen
+een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de
+haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste
+tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de
+schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid,
+dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De
+strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de
+ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een
+traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de
+tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor
+het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over
+door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het
+paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme
+lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een
+zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een
+Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het
+leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening
+in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den
+zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is
+werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben
+behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk
+daarmede niet in overeenstemming is.
+
+De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan
+met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de
+eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf
+uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven
+naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom
+neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In
+overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen
+alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar
+beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke
+aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de
+strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels
+volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou
+verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent.
+Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die
+zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige
+van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die
+anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten
+doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon
+naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn
+triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op
+zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het
+horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die
+van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven
+ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard
+zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het
+skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie
+gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van
+binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het
+merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen
+uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht
+staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren
+als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat
+het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan
+weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende
+driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht
+voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote
+schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid
+wijdt.
+
+De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het
+totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het
+anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en
+van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt
+zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook
+hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is,
+feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is,
+en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.
+
+Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De
+manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den
+hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn
+tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier
+weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren
+samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en
+de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling
+van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de
+meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om
+de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien
+doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden,
+horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende
+hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders
+nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En
+lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de
+krachtige kauwbeweging aan.
+
+Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd
+nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet
+noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische
+verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle,
+nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet
+alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de
+beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en
+vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds
+opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij
+voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die
+Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de
+drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer
+scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op
+gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening
+der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen
+tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien
+er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige
+grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou
+kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze
+met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig
+voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust
+nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende
+strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden
+veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de
+strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak
+zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin
+zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije
+Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de
+schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch
+geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door
+elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even
+goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en
+verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al
+zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het
+rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen,
+dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben
+medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier
+uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.
+
+Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle
+levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de
+strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten
+der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op
+de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der
+oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit
+opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud
+erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer
+kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets
+te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan
+de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het
+zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat
+bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze
+Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets
+eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.
+
+In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur
+overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven
+beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar
+van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen
+zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van
+lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn
+gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen
+de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf
+ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van
+beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op
+hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.
+
+Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de
+natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte
+spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van
+zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten;
+Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en
+met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve
+lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone
+vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm
+beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had
+trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn,
+naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche
+dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van
+zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet
+leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke
+grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende
+verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot
+geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug
+te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat
+op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid
+voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen
+sterfgeval.
+
+De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen
+uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval,
+niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook
+voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.
+
+De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten
+van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het
+gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over
+het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen
+de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de
+negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk
+mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo
+veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen
+bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te
+importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig
+jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga
+sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het
+daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men
+opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor
+natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig
+kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard
+blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten
+Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar.
+Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den
+dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der
+Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het
+gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel
+voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren.
+Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880
+geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer
+kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere
+jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika
+is juist die soort nooit bekend geweest.
+
+Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft
+hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle
+andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan
+niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den
+zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar
+aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het
+Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een
+wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga
+heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is
+een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen,
+gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte
+nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft
+men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op
+den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog
+duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte
+zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een
+donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte,
+golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig
+zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik
+niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn
+genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het
+Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend
+nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen.
+Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den
+indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een
+indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder
+willekeurig opgezette dieren.
+
+Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de
+gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het
+resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s
+tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen
+mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil
+zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen
+Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins
+dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking
+genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga
+reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk
+niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising
+in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er
+voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te
+meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s
+niet meer bestaat.
+
+Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte
+tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere
+strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke
+bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het
+typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel
+of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen
+rassen uit dezelfde streken.
+
+Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder
+geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging
+vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de
+soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van
+Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was
+ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te
+verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in
+vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt
+materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den
+algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s
+tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó
+sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte
+Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over
+de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch
+Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra.
+Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de
+eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog
+een eind ver opklimmen naar de westkust.
+
+De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het
+uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in
+Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in
+hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange
+ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het
+ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra
+of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd
+hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de
+Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen
+overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit
+het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die
+zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de
+voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van
+Schillings.
+
+De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag,
+een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en
+andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor
+mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten
+van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar
+hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den
+indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond
+kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als
+natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die
+allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische
+tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker
+wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke
+cultuur.
+
+Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over
+het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het
+Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn
+heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft
+uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van
+den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen
+ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag
+heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche,
+bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in
+het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard.
+Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat,
+dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid
+den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de
+cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel
+vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle
+mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het
+mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is
+tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel.
+Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt
+cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even
+sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in
+een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn
+tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in
+den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der
+geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls
+laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende
+wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de
+rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die
+alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden
+uitgehold.
+
+Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de
+zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard
+in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde
+paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra.
+Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de
+uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de
+zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere
+kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend
+overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch
+zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te
+duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren
+samenhang met onze cultuurgeschiedenis.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van
+den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in
+de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard
+niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst
+veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het
+noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen
+noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt
+zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet
+bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in
+aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche
+wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft
+gevonden.
+
+Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De
+vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar
+dan ons tamme paard van afstamde.
+
+Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij
+een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende
+eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië
+wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van
+oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting
+voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over
+geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk
+overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en
+daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een
+oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in
+aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en
+dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de
+periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver
+philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan
+taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw,
+toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over
+huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder
+gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen
+beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid
+bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend
+in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.
+
+Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke
+Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande
+grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben
+tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men
+wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren
+vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest
+in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit
+verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die
+onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als
+het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn
+typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als
+een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als
+volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of
+minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd,
+dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te
+herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten
+slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen
+het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de
+gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de
+ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier
+in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.
+
+De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan
+een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van
+Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig
+dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als
+wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit
+eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den
+uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den
+Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken
+Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons
+cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij
+voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en
+gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet
+ernstig te denken.
+
+De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een
+zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe
+feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde
+paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de
+diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in
+Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag.
+Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij
+liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur,
+een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog
+geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier
+der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden
+tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake
+geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig
+is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode.
+Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk
+liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó
+karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat
+de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde
+paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken.
+Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven,
+op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen,
+voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van
+praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van
+een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een
+diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was
+voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook
+teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst
+karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte
+baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde
+dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de
+roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en
+zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook
+reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche
+cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte
+ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.
+
+Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe
+zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan
+moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche
+cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor
+het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van
+gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard
+volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode
+evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was
+uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als
+zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd.
+Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal
+mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden
+bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een
+steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche
+oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben
+teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den
+anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden
+geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde
+paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur
+zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”,
+de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum
+in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een
+dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een
+andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde
+paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot
+in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die
+huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden,
+en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen
+aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie
+afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen.
+Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in
+het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat
+de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk
+wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen
+oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt
+daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537
+leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die
+gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de
+moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog
+door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal
+gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer
+bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn
+uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien
+wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder
+geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen
+enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven
+van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in
+de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te
+concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit
+oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De
+wilde hengst past echter uitstekend in het kader.
+
+Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere
+bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen
+heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het
+oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs
+zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden
+gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar
+cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die
+zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde
+dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk
+juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met
+„grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag
+kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor
+nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik
+herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late
+temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort
+van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het
+woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar
+hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende
+cultuurdieren.
+
+In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer
+geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van
+de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te
+gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin
+de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug
+te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het
+voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te
+zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van
+het oude Duitsche woud door het getemde rund.
+
+In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch
+weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem
+ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski
+(spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der
+Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig
+dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild
+paard was.
+
+De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was
+over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als
+van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een
+staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van
+onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met
+die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke
+pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien
+stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij
+elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van
+de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in
+den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de
+jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een
+kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als
+een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en
+een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski,
+waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te
+determineeren.
+
+Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche
+cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als
+de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het
+wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat
+klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep,
+waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel,
+waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw
+stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.
+
+Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke
+geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds
+weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie
+naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht
+ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het
+particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland
+verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk
+gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de
+Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier
+van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij
+verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge
+dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op
+Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door
+plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht,
+achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van
+lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig
+gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar
+eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat
+zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de
+temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze
+grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de
+veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van
+het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal
+reeds veel langer bekende zoogdieren.
+
+Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed
+de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die
+daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren
+vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van
+elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de
+rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard,
+het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in
+het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als
+caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het
+samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men
+als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige
+dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan
+aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot,
+onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren.
+Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er
+met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht
+uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief
+te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam.
+De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur
+komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen
+met de Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel
+van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo
+overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu:
+ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik
+vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe
+rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder
+zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit
+tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook
+de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt
+geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die
+streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het
+een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een
+bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou
+kunnen te voorschijn roepen.
+
+Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets,
+dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische
+wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder
+over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en
+niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap.
+De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan
+den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het
+voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn
+veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het
+handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als
+de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van
+hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en
+dubbel zwaar maken voor het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere
+massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den
+hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon
+het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den
+echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen
+wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel
+onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die
+„kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren
+doorgetrokken.
+
+Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de
+Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een
+meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst
+als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat
+gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote
+strijdvraag.
+
+In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam
+van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de
+tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde
+eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze
+cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke
+vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om
+aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende
+ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst
+weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het
+levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan
+worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden
+tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat
+donkerder soorten het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de
+woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als
+dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de
+paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en
+tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk
+de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter
+aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf
+niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden
+zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der
+woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen
+bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk
+veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend
+op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de
+hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren.
+
+In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden
+nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in
+Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te
+Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte
+voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in
+Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór
+Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop
+twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht,
+terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee
+Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen
+houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen
+zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel als bij de Przewalskipaarden
+van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen
+hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol
+gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart
+van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte
+paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië
+gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als
+tegenwoordig de Aziatische wilde ezels.
+
+Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder
+hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van
+Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en
+Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij
+Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die
+dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen,
+waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk
+even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar
+inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke
+wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten,
+en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het
+hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen
+bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat
+een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op
+het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te
+kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der
+praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in
+tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had
+het dier dus eigenlijk reeds praehistorisch voor Europa, voordat men
+het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren.
+
+Indien echter juist die paardenvorm eertijds bestaan heeft van
+Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn
+Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke
+oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij
+en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de
+symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van
+het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den
+anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens
+gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied
+der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen
+op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft
+plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van
+eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende
+plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den
+lichtkring der oudste Babylonische cultuur.
+
+Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een
+diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China,
+niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende
+plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat
+kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het
+Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs,
+Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die
+oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn
+voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar
+toch in bijzonderheden van elkander afweken. En uit zoodanige
+verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op
+verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn
+geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die
+gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken
+gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn
+getreden.
+
+Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die
+een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat
+daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men
+behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp
+gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet
+ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op
+het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan.
+
+Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft
+bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher
+is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een
+andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware
+dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal
+opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met
+korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte
+uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook
+sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men
+die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het
+luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt,
+en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar
+brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch
+dier hooge beteekenis heeft gekregen, het paard met spierkracht voor
+den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die
+beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van
+een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te
+komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw,
+onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur
+met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had
+te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het
+noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp
+paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar
+beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder
+oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije
+vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en
+luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun
+fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard
+samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep
+in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin
+het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich
+voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk
+wordt bezongen.
+
+Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling
+werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde
+centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware,
+dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest
+van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der
+Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele
+Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit Stiermarken en Tirol, het
+oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den
+landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische
+ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een
+zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en
+harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een
+soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros,
+dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op
+welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken,
+het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben
+toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de
+fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude
+natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte
+leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze
+voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek-
+en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard
+uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk
+zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de
+Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud
+reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die
+levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed,
+sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het
+oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld
+nog overheerschend.
+
+Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij
+tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard”
+denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele
+oostersche cultuur van Babylon af. Het begrip „Arabisch paard” is
+daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte
+tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië
+afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds
+onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó
+voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds
+toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was.
+
+Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis
+binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten
+afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider
+naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de
+jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de
+opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het
+niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds
+den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden,
+krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich
+voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor
+in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst.
+
+In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten
+als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude
+Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den
+indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een
+kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere
+man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die
+oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de
+reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch,
+die reeds door de geheele oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel
+leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een
+voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche
+offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold
+het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de
+Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het
+Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter
+heel wat ouder dan het geheele Christendom.
+
+Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der
+Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den
+wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten
+ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der
+geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is
+daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste
+type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd,
+totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt.
+Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw
+„ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit
+product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet
+als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar
+juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen
+grootheid.
+
+Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan
+aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste
+afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele
+oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende
+afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf
+hebben ingewerkt.
+
+In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld
+nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met
+lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is
+gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute
+duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog
+aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan.
+
+Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn,
+waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval
+zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af
+gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met
+fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der
+huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der
+zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde
+paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet
+te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in
+het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin
+vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek
+weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de
+kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het
+aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat
+in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras
+ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken
+der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat
+dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd
+voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het
+Arabische dier voortleeft.
+
+Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide
+oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met
+het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een
+nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste,
+wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken
+niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij
+speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de
+meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van
+zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel
+cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft,
+onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds
+van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude
+wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen
+aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele
+reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen
+China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op
+Java en in Japan.
+
+Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds
+van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den
+invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek,
+dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige
+noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die
+geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een
+werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander
+cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde
+hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van
+cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is
+binnengedrongen. Het oude Egypte uit den cultuurtijd heeft, zooals wij
+reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst
+laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde
+oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver
+gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika
+heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische
+paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo
+interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het
+onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard
+uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat
+ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de
+Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl
+zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook
+verder naar Zuid-Afrika toe.
+
+Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen
+regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken
+hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun
+oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen
+langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval
+wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in
+de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die
+hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop.
+Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen
+tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die
+Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben
+ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de
+onmiddellijke nabijheid in hun eigen werelddeel paarden werden getemd,
+en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn
+gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche”
+variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het
+oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid
+was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa
+voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar
+onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een
+zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in
+dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan
+vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men
+zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld
+heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de
+voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de
+plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het
+gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte,
+fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische
+verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die
+behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale
+milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in
+overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor
+spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop
+oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten
+van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en
+Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der
+Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door
+middel van Zuid-Rusland te gelijk aansloot aan de steppe van
+Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De
+Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde
+paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de
+gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker
+tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot
+in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der
+diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt,
+komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche”
+leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van
+Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de
+uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander
+raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch
+de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar
+gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn
+„westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij
+zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen,
+namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend
+schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de
+Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher
+verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der
+menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het
+Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in
+noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon
+cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven,
+hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel
+hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche gebied
+der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en
+dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld
+is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur
+der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk,
+waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de
+antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de
+noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een
+groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de
+paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk
+oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met
+den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud
+eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in
+den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel
+aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze
+dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor
+de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in
+eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt
+beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die
+vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op
+het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd
+cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras.
+
+Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken
+gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor
+zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een
+oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel
+is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van cultuur
+schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben
+behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve
+toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche
+cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar
+buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den
+barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor
+oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche
+cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van
+volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het
+schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog
+een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de
+paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die
+in andere streken ontwikkeld wordt.
+
+Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den
+mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het
+paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel
+andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de
+veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij
+arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een
+overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen
+het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt,
+zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als
+wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en
+veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd
+lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en
+aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries
+bestaande, leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de
+paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies
+van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als
+noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken
+van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk
+een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en
+paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden.
+
+Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk
+opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men
+tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer;
+als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk
+op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën
+verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij
+over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men
+daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist
+het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal
+als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld,
+doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten
+beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit
+geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht
+voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke
+diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk
+gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan
+zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later,
+toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts
+wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende
+epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en
+krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte,
+dit huisdier door een ander te vervangen.
+
+Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd
+rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij
+hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg
+voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren
+der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de
+jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en
+wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het
+transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu
+weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot
+tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de
+geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de
+mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een
+gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te
+spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige
+steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk
+moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was
+niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een
+kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon
+dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de
+veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met
+het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit
+losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien
+draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard
+behoorende bij kleine menschen zonder veel ballast, dat het echter met
+dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der
+tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden
+kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid
+werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche
+paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen,
+waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van
+den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een
+inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij
+ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets
+raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet
+tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge
+tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote
+uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische
+ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts
+millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als
+waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een
+rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar
+Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te
+vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen
+enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is
+even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting
+jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den
+mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling
+voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger,
+eenig in zijn soort, den paardevoet.
+
+Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke
+mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van
+elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden
+konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der
+cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op
+gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de
+fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het
+bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een
+plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van
+vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun
+ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en
+waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de
+centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie
+teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene
+fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het
+gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een
+zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een
+vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus
+zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle
+waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou
+juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch
+geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit
+dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen?
+
+Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat
+het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de
+westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen
+schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard
+Hahn) en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had
+afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als
+trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke
+invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid
+hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het
+best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het
+oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist
+toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van
+het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en
+edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut
+in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit
+vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den
+aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één
+volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te
+reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als
+ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog
+verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en
+koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een
+zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets
+spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben
+beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een
+koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde.
+De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van
+het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche
+tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een
+bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die
+volstrekt niet onder den invloed behoefde te staan van vreemde
+factoren.
+
+Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van
+een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische
+steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier.
+Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een
+vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle
+bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit
+Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in
+beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die
+oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het
+land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden
+echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de
+tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend
+merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht
+hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen
+naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en
+daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het
+muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een
+ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel
+gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft
+zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als
+cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin
+maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen
+keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in
+aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries.
+Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de
+hand, dat tamme ezels de opgekweekte paardenmerries dekten. De overgang
+zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het
+fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen
+keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger
+omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders
+ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge
+paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar
+heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte
+pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk
+zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd,
+schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel,
+terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk
+op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een
+jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin
+alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben
+opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het
+ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs
+aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een
+enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie
+en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de
+practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben
+aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen
+heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de
+gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het
+product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter
+verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich
+overal in de geschiedenis van het paard ingevoegd hebben, waar men den
+ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard
+nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen.
+
+Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier,
+dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is
+hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle
+hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het
+begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten
+slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een
+genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het
+Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht
+minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel
+voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land
+veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier,
+dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten
+inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos
+weder voort.
+
+In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe,
+die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe
+paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis
+der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de
+dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche
+foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door
+fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander
+werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te
+herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de
+laatste tweeduizend jaren, om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was,
+dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken,
+in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele
+gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude
+streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid
+samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het
+noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje
+tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende
+poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje
+een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de
+kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen.
+Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken
+uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en
+oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle
+richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten
+komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit
+proces.
+
+Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche
+paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het
+westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware
+achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar
+zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal,
+zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in
+Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der
+gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In
+ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur
+reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche
+postpaarden noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel
+den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een
+industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte
+afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang
+wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant
+onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van
+vier romantische helden.
+
+Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het
+echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het
+„Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend
+in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele
+dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den
+oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden
+jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke
+richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche
+beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het
+opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl
+de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het
+Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden,
+en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde
+het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op
+Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het
+westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een
+afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche
+wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het
+tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed
+met een beslist vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het
+eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest
+onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan
+met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische
+Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel
+bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere
+beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en
+voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten
+minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele
+weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw
+ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten
+in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de
+tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer
+systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk
+gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het
+grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het
+begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het
+meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een
+toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het
+gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was,
+door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over
+de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het
+grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het
+beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men
+dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen
+scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig
+acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van
+het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den
+veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den
+koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele
+Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij.
+
+Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten
+reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type,
+zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt,
+ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard
+was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier,
+het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit
+zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet
+tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo
+hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk
+vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen
+evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is
+zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn.
+
+Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche
+type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval
+is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling
+der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch
+uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij
+staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den
+invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het
+Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste
+handelingen, waarbij zij zich het paard toegeëigend had, dan zou men
+daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het
+bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als
+geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel
+heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan
+een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en
+volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het
+bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en
+vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische
+grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening
+komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu
+in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest
+verkrijgen als basis ter acclimatiseering.
+
+Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen
+ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa
+voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië
+te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige
+getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die
+herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige
+paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type
+behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist
+met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die
+tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart
+Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met
+zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de
+meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den
+Berlijnschen dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt
+nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij
+alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden
+herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke
+schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden,
+onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds
+het resultaat van menschelijke inmenging zijn.
+
+Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een
+andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien,
+hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten
+ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder
+den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis
+volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De
+eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een
+paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar
+alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op
+eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden
+geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen
+onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden
+zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters
+onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op
+het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard
+afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat
+het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s,
+tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het
+damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde
+schaap in miniatuurvormen overgegaan; de herten met korte pooten, die
+in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er
+echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld
+op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik
+voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed,
+tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks
+geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke
+dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de
+ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft
+kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de
+werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de
+verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare
+gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder
+de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog
+zoo duister is.
+
+Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze
+planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in
+dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei
+het kenmerk was der tertiaire periode.
+
+Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van
+jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien
+geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in
+een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de
+wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op
+zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld,
+die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd
+onafgebroken van sport tot sport heeft opgeheven: wij bedoelen de
+verhouding van het paard tot den mensch.
+
+De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard.
+
+Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook
+hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in
+de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik
+van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen
+electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist
+dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke
+natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste
+staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun
+gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen,
+die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als
+vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het
+hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn
+die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat
+zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste
+onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der
+planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die
+hersenen niet meer van zoo groot belang.
+
+Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de
+aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen
+„weelde” en „sport” in zich sluiten.
+
+Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het
+oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters,
+een vreugde voor het oog werd, en niet hijgend den zwaar beladen wagen
+door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm
+van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het,
+naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in
+zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het
+paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een
+kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid
+der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg
+voor de toekomst.
+
+Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer
+beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar
+hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die
+aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook
+ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin
+te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het
+toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij
+niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de
+beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de
+marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende
+bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven
+ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur
+blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het
+levende edele paard.
+
+
+
+
+
+
+
+
+KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD.
+
+
+Een dier in Symbiose met den mensch Blz. 1–11.
+
+Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat
+is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier
+en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard
+bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van
+het wilde paard.
+
+
+Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden Blz. 11–32.
+
+Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent
+de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch
+verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been
+verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het
+paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het
+paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het
+verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van
+het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten.
+De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke
+plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de
+griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger
+eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een
+dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een
+middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den
+paardepoot?
+
+
+De stamboom van het paard geologisch gestaafd Blz. 32–67.
+
+De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van
+dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van
+paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche
+werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde
+paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige
+dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van
+een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige
+equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos.
+De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen.
+Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier
+Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef
+krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van
+Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat
+gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang
+begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier
+geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het
+geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter
+vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van
+benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap”
+der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan.
+
+
+Is het paard twee maal ontstaan? Blz. 67–90.
+
+De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den
+Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met
+hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als
+wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er
+een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de
+dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks
+bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom
+bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen.
+Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde.
+Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in
+de oude wereld.
+
+
+De tapir Blz. 90–104.
+
+De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de
+Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De
+tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een
+uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn
+physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe.
+De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven.
+Verschillende soorten van tapirs.
+
+
+De neushoorn Blz. 104–143.
+
+Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige
+oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers
+van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige
+equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de
+hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns.
+Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als
+waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij
+neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale
+stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te
+worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven.
+Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt
+misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers
+onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De
+ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische
+neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het
+pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige
+neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire
+periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een
+zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af
+te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier.
+Overgang naar de overlevende echte wilde paarden.
+
+
+De ezel als wild dier en als cultuurdier Blz. 143–155.
+
+De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De
+verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De
+steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der
+Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de
+oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel
+tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De
+ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn
+verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische
+dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren.
+Aziatisch bloed in tamme ezels.
+
+
+De zebra Blz. 155–170.
+
+Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel
+der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den
+zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in
+de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring
+klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen.
+Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De
+tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum
+bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het
+uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra.
+De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra
+steekt niet in onze cultuurrassen.
+
+
+Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den
+oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden Blz. 170–213.
+
+Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor
+Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild
+paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het
+cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van
+overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa.
+Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden
+in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een
+klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in
+het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van
+het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische
+wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het
+winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”.
+Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht.
+Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende
+temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele
+tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het
+zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het
+ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche
+luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden
+met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel
+temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in
+de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een
+zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische
+steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en
+paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van
+Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom
+de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het
+muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het
+muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van
+alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het
+oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele
+ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het
+ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het
+Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard.
+Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony.
+De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van
+het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de
+sport.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Job, Hoofdstuk XXXIX.
+
+[2] Het Dierenboek.
+
+[3] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.
+
+[4] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76754 ***