diff options
Diffstat (limited to '76754-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76754-0.txt | 6314 |
1 files changed, 6314 insertions, 0 deletions
diff --git a/76754-0.txt b/76754-0.txt new file mode 100644 index 0000000..84cd255 --- /dev/null +++ b/76754-0.txt @@ -0,0 +1,6314 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76754 *** + + + + + WILHELM BÖLSCHE. + + HET PAARD + IN ZIJNE NATUURLIJKE ONTWIKKELING + + BEWERKT DOOR + DR B. C. GOUDSMIT. + + + GEBR. GRAAUW.—AMSTERDAM—WELTEVREDEN. + + + + + + + + +VOORREDE. + + +De ontdekking, dat ons paard oorspronkelijk afstamt van zeer kleine +dieren van de grootte van kleine honden, wier pooten op in het +oogvallende wijze aan onze menschenhand herinnerden, is één der +merkwaardigste en minst verwachte veroveringen der nieuwere dierkunde. +In meer beperkten kring is deze op voldoende wijze gewaardeerd. Onder +de onafzienbare menigte van paardenkenners, liefhebbers van +paardensport en andere practische paardenvrienden is zij daarentegen +nog lang niet bekend geworden in die mate, als de belangrijkheid van de +stof dit zou eischen. Het is ten slotte ook niet voldoende alleen de +paradoxale mededeeling daaromtrent te doen. Er moet iets bij verteld +worden, een stuk wereldgeschiedenis dat ten slotte nog veel kostbaarder +en belangrijker is. Wat wij thans weten, wat wij mogen veronderstellen +tot aan de grens der zekerheid op dit gebied, is veel meer dan die +weinige woorden te kennen geven. Een werkelijke geschiedenis van het +paard kan worden ontworpen, beginnende in een oertijd even vreemd als +een sprookjeswereld, eindigend in de speling der dingen, die ons thans +nog practisch in beroering houdt en die naar boven voert langs een +keten van de zonderlingste voorouders der paarden tot aan onze tamme +rassen toe. Hoe dikwijls heb ik niet door leeken de vraag hooren doen, +of ons kultuurpaard van den zebra afstamt; of wel, of het een veredelde +ezel is? Men peinsde er in het wilde over en besliste dan ten slotte, +dat het vraagstuk onoplosbaar was en dientengevolge dergelijke vragen +eigenlijk zonder eenige practische beteekenis waren. Met een ongeloovig +lachen werd de soms gedane opmerking: dat de neushoorn een verkapt +paard is, of dat de tapir een overgebleven oerpaard is, beantwoord. Die +dingen zijn echter feitelijk reeds lang uit het stadium van het +twijfelachtige getreden. Zij kunnen worden beantwoord. Maar men moet nu +eenmaal een uurtje den tijd nemen om bepaalde gedachten van +natuuronderzoekers daarbij grondig na te gaan. Ik zou wenschen, dat dit +kleine handige boek hier zoo geheel terloops eens dienst deed in +zoodanig vrij uurtje tusschen de practische werkzaamheden van +paardenliefhebbers; na een rit; tusschen sportoefeningen; in vrije +oogenblikken na den diensttijd. Ook in de aanbrekende periode der +automobielen mogen wij het toch nog wel vrij bekennen, wat voor een +heerlijk bezit der cultuur het paard is. Waarom zouden wij daaraan niet +op het juiste oogenblik een uur van ernstig nadenken wijden? + +Dit paardenboek vormt een geheel op zich zelf staand, afgesloten +geheel. Intusschen is het uit den aard der zaak tevens ook waar, dat +hij die kennis genomen heeft van het dierenboek, daardoor nog een ruim +stuk perspectief mede krijgt. Daar waar de geschiedenis van het paard +begint, treedt hem reeds een groote ontwikkelingslijn te gemoet. + +Uit het dierenboek moet dan ook ter wille van den noodzakelijken +samenhang voor den nieuwen lezer het volgende nog eens in het kort +worden weergegeven. Ons paard is een betrekkelijk hoog ontwikkeld +zoogdier. In het dierenboek wordt nu uitvoerig verhaald, hoe het +zoogdier in het algemeen is ontstaan. Hoe het zich in zeer ver +teruggelegen, voorwereldlijke tijden, die nog vele milioenen jaren vóór +het ontstaan van het paard lagen, heeft opgewerkt uit schepselen, die +met kruipende dieren overeen kwamen. Hoe het daarna als vogelbekdier +zijn jongen nog in een soort ei ter wereld bracht; hoe het begon die +jongen met melk te voeden, te zoogen, hoe het langen tijd het jong nog +in een soort huidzak met zich mededroeg, een handelwijze, die wij thans +nog bij de zoogenaamde buideldieren terugvinden. Hoe het zich een +inwendige verwarming, een blijvende warmte van het bloed aanschafte en +de oude schubben van kruipende dieren langzamerhand aflegde ten gunste +van een nieuwe bekleeding der huid met haren. Alle nog levende of +uitgestorven tusschenschakels, die door de oudere overgangen worden +belichaamd, worden uitvoerig in het „dierenboek” geschetst. Daarna +vertoeft het bij een buitengewoon belangrijk station, namelijk het +eerste groote station naar de hoogere zoogdieren, naar die zoogdieren +waartoe ten slotte ook paard en mensch behooren. Hier werd de +beschouwing eener groep van zoogdieren uiterst belangrijk, een groep +die thans geheel is uitgestorven, die vroeger echter, naar het schijnt, +zeer groote uitgestrektheden der aarde in haar geheel heeft bevolkt. +Men vindt tegenwoordig de overblijfselen dier beenderen hoofdzakelijk +nog in Noord-Amerika en bovendien op een bijzonder gunstige plaats in +de zoogenaamde Cernays-lagen bij Reims in Frankrijk. Naar die laatste +vindplaats heeft men menigmaal die geheele oeroude groep van zoogdieren +(die reeds tot de oudste tertiaire periode, het zoogenaamde Eocene +tijdperk, behoorde) eenvoudig de dieren van Cernays genoemd. Die dieren +van Cernays bezaten de hoogst merkwaardige eigenschap dat zij een zeer +bepaalde, oorspronkelijke uitgangsgroep voorstelden van alle latere en +thans nog bekende hoogere zoogdieren, aan gene zijde van die volkomen +oorspronkelijke vogelbekdieren en buideldieren, voor zoover die hoogere +zoogdieren, (waartoe tegenwoordig bij voorbeeld de apen en de +roofdieren, de hoefdieren en de walvisschen behooren) ook, wat hun huid +betreft, zich daarna van elkander hebben afgezonderd. In één opzicht +geleken al hunne echte vertegenwoordigers inderdaad in hoofdzaak nog +volkomen op elkander, zoodat men zag, dat zij werkelijk onderling nog +een bijna gesloten groep vormden. Meestal kleine, lage dieren met lange +staarten, lange gezichten en kleine hersenen, bezaten zij nog het +oorspronkelijke, volledige gebit van de oudste zoogdieren in het +algemeen, dat nog niet bepaald veranderd was om dienst te doen voor de +gewoonten van roofdieren en hoefdieren. Ook bezaten zij in den bouw der +vier pooten (of handen van voren en pooten van achteren) van oudsher +den fundamenteelen bouw der oorspronkelijke zoogdieren, namelijk vijf +vingers of teenen aan iedere hand of iederen voet, waarachter het vlak +of de zool oorspronkelijk bij het gaan nog geheel tot zelfs met de hak +werd neergezet. In beperkten zin toonden echter die dieren van +Cernays—en dat is nu het belangrijkste voor de verdere ontwikkeling—in +hunne verschillende vertegenwoordigers reeds kleine afwijkingen, +waardoor zij zich reeds van elkander begonnen af te scheiden, en +toonden zij dergelijke bijzonderheden louter in richtingen, die tot het +uiterste ontwikkeld, later werkelijk het wezen der roofdieren, +hoefdieren enz. moesten uitmaken. Eenigen vertoonden reeds een geringe +neiging tot het gebit der roofdieren, anderen tot den bouw van het +skelet van een zoogenaamden halfaap, dus één trap vóór den echten aap +en den mensch; een derde soort eindelijk tot den karakteristieken voet +van een hoefdier. Ongetwijfeld ziet men hier die latere hoofdgroepen in +al hare verscheidenheid zich eerst merkbaar ontwikkelen uit den +gemeenschappelijken wortelstam der dieren van Cernays. Duidelijk zijn +daarbij reeds te herkennen die latere roofdieren, die latere hoefdieren +en die latere apen, als het ware zich vertoonend in drie varianten van +de echte dieren van Cernays, die men gewoon is te onderscheiden als +Creodonten (oorspronkelijke roofdieren), Condylarthren (oorspronkelijke +hoefdieren) en Pachylemuriden (oorspronkelijke apen). Juist die drie +loten van den ouden stam hebben zich later in menig opzicht op tamelijk +ongelijke wijze van den ouden bodem verwijderd. Zoo staan aap en +mensch, ondanks de kolossale menschenhersenen, thans nog door den bouw +van hun gebit en bovenal van hun hand betrekkelijk zeer dicht bij de +dieren van Cernays, terwijl bij voorbeeld de hoefdieren zich meestal +juist in die deelen van hun skelet buitengewoon ver vandaar hebben +verder ontwikkeld. Juist op zulk een bijzonder typisch hoefdier, het +paard, worden in het hier gegeven boek onze beschouwingen gericht. Wij +zullen echter zien, hoe ten slotte toch ook de stamboom van dat paard +zich volkomen juist laat terugvoeren tot die dieren van Cernays en wel +tot hunne vertegenwoordigers, die reeds licht duiden op hoefdierachtige +wezens, die genoemde Condylarthren. + +Het dierenboek beschreef dan verder nog uitvoerig zekere achterblijvers +van die hoogst belangrijke wereld van Cernays, die ten deele nog meer +echt, ten deele reeds meer gewijzigd tot heden nog levend behouden zijn +gebleven in onze zoogenaamde insecteneters, egels, mollen en consorten. +Het toonde eenige zijtakken aan, die misschien reeds vóór de splitsing +van den hoofdstam in die oorspronkelijke hoefdieren, roofdieren en +apen, zich hadden afgescheiden van de wereld van Cernays, namelijk de +vleermuizen, huidvliegers en de Amerikaansche gordeldieren, luiaards en +aanverwante dieren. Ten slotte behandelde het dan nog uitgebreider de +oorspronkelijke hoefdieren. Het maakte duidelijk, hoe de tegenwoordige +klauw van het roofdier, de nagel van den aap en de hoef zelf zich uit +den meest eenvoudigen op klauwen gelijkenden grondvorm oorspronkelijk +hadden ontwikkeld zonder absolute tegenstellingen te zijn. En het +besprak eindelijk bij die gelegenheid een kleine groep van zoogdieren, +die ook thans nog zoo klein zijn als konijntjes, maar toch reeds een +soort van hoef dragen, de zoogenaamde klipdas. Geen twijfel is er dat +dit alles voor dit boek reeds belangrijke lijnen trekt en de eigenlijke +inleiding levert. Het paardenboek gaat allereerst van boven naar +beneden en bereikt eerst zeer laat weder het oude aansluitingspunt. Wie +dan in ernst van het paard den dieperen oorsprong wil leeren kennen, +die moet er toe besluiten, ook het dierenboek zelf ter hand te nemen. +Ik moet nog opmerken, dat dit dierenboek onder zijn tien platen, die +het als inleiding toekwamen, twee heeft, waarop ook dit boek zich bij +voorkomende gelegenheden kan beroepen. De ééne plaat stelt +gereconstrueerd het uitgestorven oorspronkelijke hoefdier Phenacodus +voor, de andere plaat eveneens een uitgestorven merkwaardigen +neushoorn, het Elasmotherium. + +Ook dit zou ik uit de voorrede van het dierenboek willen herhalen: +mijne populaire beschrijving neemt een zeker rustig standpunt in +tegenover den zenuwachtig voorthollenden tegenwoordigen stroom van het +vakonderzoek. Even zoo goed als het levende dier, eischt ook dat +onderzoek zelf een zekere „waarneming”. Men moet een stap achterwaarts +gaan, en zich met geweld een oogenblik tot rust dwingen. Wat ik geef, +is het gevolg van een zoodanige waarneming, gedurende een reeks van +jaren. Ik heb mijn veld, op een bepaald oogenblik, afgebakend en +inwendig gerangschikt, zonder naar rechts of links te zien, of de +schuimende ketel der dingen reeds weer ergens op nieuw begint over te +koken. + + Mittel-Schreiberhau in het Reuzengebergte. + + WILHELM BÖLSCHE. + + + + + + + + +HET PAARD. + + +In het merkwaardige Faustgedicht, dat als „Het Boek Job” in het Oude +Testament is gekomen, wordt een natuurbeschrijving gevonden met zulke +geweldige beelden en zóó krachtige woorden, dat geloovigen zoowel als +kinderen der wereld zich daaraan van oudsher hebben te goed gedaan en +daarin stichting hebben gevonden. De groote vraag van het noodlot des +menschen is opgeworpen: hoe het in het wereldsche beloop moet worden +verklaard, dat ook de rechtvaardige smart moet ondervinden en de +zondaar kan juichen? In het debat tusschen de menschenkinderen, die +twijfelen en met elkander twisten, grijpt ten slotte de Wereldgeest in +eigen persoon in. En om de onbeduidendheid en de armoede van alle +menschelijke oplossingen, die alleen berusten op indrukken van het +oogenblik, tegenover een dergelijk ontzaglijk wereldprobleem te +geeselen en neer te slaan, legt de groote dichter (wiens naam ons niet +is overgeleverd) dien Wereldgeest een hymne in den mond op de +onnavorschbare en ontzaglijke verschijnselen der werkende natuur, +waarin alle verschrikkingen van den kosmos ons gemoed in beroering +brengen. + +De aarde wordt geschetst in den zin der oude Babylonische voorstelling: +zwevend boven en beneden de getemde oorspronkelijke wateren. Boven haar +schittert de gordel van Orion en verrijst de morgenster. Dan wordt het +duister van wolken, de sluizen des hemels openen zich en storten hare +wateren uit, de bliksemschichten schieten neer. Voor den storm vliegen +de raven weg, en de leeuwen brullen om voedsel, terwijl boven de donder +rolt. Daarna wendt zich het natuurbeeld tot de dieren der aarde, en nu +volgt een schildering, die voortdurend grootscher en verhevener wordt. +[1] + +Van de wilde geiten van het gebergte (of, zooals in de vertaling staat, +de gemzen) strekt zich de blik uit tot de eenhoevige dieren der +steppen, de wilde ezels of wilde paarden. De woestijn is hun tot woning +aangewezen en de steppe tot verblijfplaats, die zij snel, van alle +banden bevrijd, doorvliegen. De woudezel lacht om het stadsgewoel, +luistert niet naar het geroep van den drijver. Hij doorsnuffelt de +bergen als zijn weide, en zoekt er allerlei groen kruid op. En naast +dit type van wilde dieren wordt daar gesproken van het dier, dat door +Luther als de éénhoorn wordt voorgesteld, terwijl inderdaad daarmede de +geweldige woudos is geschetst, die toen eveneens nog het bergachtige +noorden van het Babylonische stroomland en den Libanon heeft bewoond. +Op hem is volkomen toepasselijk het woord, dat hij u niet kan dienen en +overnachten aan de kribbe (zooals het tamme rund), dat hij niet achter +u loopend den dalgrond kan eggen en uw zaad kan inbrengen en op uw +dorschvloer zal inzamelen. De struisvogel eindelijk voert u geheel naar +de woestijn, die door de zon doorgloeid is, waar zij haar eieren op den +grond laat liggen en ze in het zand verwarmt, zoodat zij worden +uitgebroed. „God heeft haar het verstand ontzegd, anders zou zij zich +wel in de hoogte verheffen en spotten met het paard en zijn ruiter.” +Daarmede is dan weer een nieuw, wonderschoon beeld gegeven. + +Paard en ruiter! Het getemde paard in de hand van den mensch! + +Het dient den mensch en toch heeft de mensch het niet geschapen. De +natuur heeft reeds het paard zijn eigenaardigheid, zijn individualiteit +medegegeven, zijn manen, zijn gang, die het doet huppelen als een +sprinkhaan. En dan vervolgt de Wereldgeest met de onvergetelijke +woorden: „Hoe ontzagwekkend is zijn fier gesnuif! Het krabt in het dal, +zich in zijn kracht verheugend, en trekt uit, der wapenrusting te +gemoet. Spot met de vrees en wordt niet vervaard, deinst voor het +zwaard niet terug. Boven hem rinkelt de pijlkoker, het lemmet der lans +en de strijdknots. Ontstuimig en wild verslindt het den bodem, en staat +niet stil als de bazuin klinkt; het hinnikt zoo vaak de bazuin wordt +gestoken, reeds van verre ruikt het den strijd, de donderende stem der +aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.” + +Als het paard van de aarde verdwenen was zooals de oeros, en wij van +dat dier geen ander waarheidsgetrouw bericht bezaten dan het +bovenstaande, dan zouden wij toch reeds vermoeden, dat wij te doen +hadden met één der edelste en meest interessante dieren, die onze +planeet ooit heeft voortgebracht. + +Met een dier, dat uit tweeërlei oogpunt merkwaardig is. In zijn wezen +als dier onder de overige dieren. En in zijn betrekking tot den mensch. + +Onze beschouwingen hebben ons vroeger wel gevoerd langs een bonte rij +van zoogdiervormen van de meest merkwaardige soort. Van de rij af +hebben wij in haar karakteristieke omtrekken trachten te schetsen: het +vogelbekdier, het buideldier, het schubdier, den insecteneter, (egel en +verwanten), den huidvlieger, de vleermuis, de Amerikaansche tandeloozen +(luiaard, gordeldier) en den klipdas. Onder al die merkwaardige klanten +was er echter zonder eenigen twijfel geen enkel huisdier. Van +uitgestorven Amerikaansche aardluiaards is vroeger wel eens beweerd, +dat zij door de Indianen evenals het vee binnen een omheining gehouden +waren, dit is echter een zeer losse hypothese. Van een aantal kan men +reeds uit hun geïsoleerd en verborgen leven afleiden, dat het geen +huisdieren kunnen zijn zooals de vogelbekdieren, schubdieren en +klipdassen. Van het nut van onzen egel wist men vroeger niets af. Bij +de groote en zoo vormenrijke groep der buideldieren is het echter zeer +in het oog vallend, dat er geen huisdieren onder gevonden worden. Het +Australisch-Polynesische gebied, waartoe uitsluitend reeds in den +praehistorischen menschentijd de buideldieren voor een groot deel en in +hun krachtigste vormen behoorden, is volstrekt niet vrij van +huisdieren. Het zwijn, het hoen, en in de eerste plaats de hond, waren +ook daar in dienst van den mensch. Geen enkel buideldier daarentegen +moet geschikt geweest zijn, huisdier te worden. Men zal toch wel moeten +aannemen, dat bij die oudste en laagste orden der zoogdieren niet +alleen het bloote toeval een grendel heeft voorgeschoven, maar dat het +beletsel ook lag in hun geringere intelligentie, in den grooteren +afstand, waarop zij van den mensch verwijderd waren. Hij die +buideldieren in gevangen toestand in onze zoölogische tuinen verzorgd +heeft, heeft steeds den indruk gekregen, dat een inwendige hinderpaal, +die ongetwijfeld in de hersenen gelegen is, zich tegen het temmen +verzet. Slechts in drie groepen van zoogdieren heeft de mensch +huisdieren weten te verkrijgen: de hoefdieren, de roofdieren en de +knaagdieren. Alle drie groepen zullen wij misschien later nog +bespreken. Het paard is echter, zooals een kind wel weet, het meest +duidelijke voorbeeld van een huisdier. Daarmede is voorloopig de engere +richting bij dat dier voor ons bepaald. + +Laat ons eerst nog een oogenblik vertoeven bij de vraag, wat een +huisdier is. Dat begrip staat ons zóó helder voor oogen, dat het geen +nadere verklaring schijnt te vereischen. Maar het begrip „mensch” staat +ons nog helderder voor oogen, en toch is het voor ons een ontzettend +werk geweest, den mensch zóó te teekenen binnen de overige natuur, dat +men hem zag als een werkelijk onderdeel in de huishouding der natuur. +Als een dergelijke verschijning in het drijven van de huishouding der +natuur op aarde zou men ook het huisdier van den mensch moeten +opvatten. + +Daar komt ons het woord „gevangenschap” in de gedachte. Gevangen +dieren. De geheele dierentuin is een duidelijke illustratie van dat +woord. Sommige geleerden, die het begrip huisdier wilden verklaren, +hebben gemeend, daaraan reeds voldoende te hebben. Voor Cuvier was het +wezen en het grondbegrip van het huisdier „slavernij”. Als een ruwe +huurkoetsier zijn armen knol afranselt, heeft het er werkelijk veel +van. Maar de verstandige en ontwikkelde dierenfokker zal dit zeker +ontkennen. Latere onderzoekers vatten volkomen terecht de juiste +verhouding op als een „symbiose”. Wij hebben dat woord reeds vroeger +genoemd, toen wij van de groene mieren in den pels der luiaards +spraken. In den meest uitgebreiden zin beteekent het een samenleven van +twee verschillende soorten van levende wezens tot wederzijdsch nut. In +den meer beperkten zin bedoelt men er mede, dat de deelgenooten niet +alleen als twee individuen van tijd tot tijd samenkomen, maar dat +gedurende een aantal generaties het samenleven een vast gebruik blijft, +zonder hetwelk men zich ten slotte die soorten in het geheel niet meer +kan denken. Dergelijke gevallen komen zeer veelvuldig voor tusschen +plant en plant, plant en dier, en ten slotte tusschen dier en dier. + +Bij de planten zijn het beroemdste voorbeeld de zoogenaamde +korstmossen, die men langen tijd voor een afzonderlijke plantensoort +hield, totdat men op zekeren dag ontdekte, dat hier een wier en een +paddenstoel vast aan elkander gehecht in de meest trouwe symbiose +leven, waarvan ieder den anderen bepaalde voordeelen oplevert. Dat die +compagnieschap niet uit elkander gaat, daarvoor wordt gezorgd, doordat +bij de voortplanting iedere jonge paddenstoel reeds een jonge wierencel +en iedere jeugdige wier een jeugdigen paddenstoel medeneemt. Het +mooiste geval van symbiose tusschen dier en plant levert wel de +paddenstoel kweekende mier van Zuid-Amerika. Zij bereidt aan een +champignon, die haar in op koolrapen gelijkende knolletjes een +bijzondere voedingsstof biedt tot ruimen oogst, bijzonder gemeste +akkers in den vorm van kunstmatige mesthoopen, en ook hier draagt +iedere jonge mierenkoningin, die naar het gebruik van dat merkwaardige +volkje uittrekt, om een nieuwen staat met nieuw broedsel te +grondvesten, als een waren talisman der natie, in haar mondholte (zoo +te zeggen in een wangzak) een stukje ontwikkelingsvatbaren paddenstoel +mede, opdat ook de symbiose zich in iedere nieuwe generatie zeker kan +voortplanten. Eindelijk tusschen dier en dier zijn het meest leerzaam +die andere mieren, die de suikerzoete pis van bladluizen met gretigheid +opslorpen en die bladluizen als de voortbrengsters van zulke +„lekkernijen” verdedigen als een herder zijn schapen verdedigt tegen +den wolf; uit kleine kruimeltjes aarde bouwen zij voor hen echte +schuthokken, en in het ingewikkeldste geval hebben ook zij de geheele +gecompliceerde oppassing en verzorging van de eieren hunner melkdieren +op zich genomen, dus ook het voortduren der symbiose gewaarborgd. + +Volkomen duidelijk kan men opmerken, dat in dit laatste geval ten +gunste van het van beide kanten zoo goed gelukte samenwerken bepaalde +instincten bij beide partijen zijn ontwikkeld, die anders tusschen die +vreemde diersoorten niet zouden bestaan. De bladluis vlucht niet voor +de anders zoozeer gevreesde mier. Vrijwillig staat zij de tastende mier +haar sap af, terwijl zij het aan andere dieren, die bij haar +aankloppen, weigert. Omgekeerd zal de mier zich zelfs in den +wintertijd, als zij het meest behoefte aan voedsel heeft, nooit +vergrijpen aan het ei der bladluis, dat haar is toevertrouwd. + +Een ieder ziet, dat wij juist met dit voorbeeld van de mieren +onmiddellijk ook tot het vraagstuk der menschelijke symbiose bij onze +huisdieren zijn gekomen. De cultuurmensch staat trouwens tegenwoordig +zóó hoog boven ieder dier, wat betreft zijn intelligentie, die zulk een +wijd veld kan overzien, dat de verhouding iets verschoven lijkt in de +richting der eenzijdige opperheerschappij van den mensch. Maar wij +mogen niet vergeten, dat die cultuurmensch niet zou kunnen bestaan +zonder veeteelt en (voor de plant geldt ditzelfde) zonder koren en de +overige gekweekte gewassen. Van den kant van het dier zelf is echter +dezelfde „aanpassing” aan die blijvende symbiose met den mensch gevolgd +als bij de mier. Voor het echte huisdier is zijn voedsel bereid door +den mensch, en zoo ook zijn woning, zijn bescherming. De hoogste +intelligentie van den mensch staat in zekeren zin in ieder opzicht ook +in zijn dienst. Op de meest verfijnde wijze houdt de mensch toezicht op +zijn voortplanting, regelt hij die en werkt hij die in de hand. Juist +omdat ook hier de symbiose over ontelbare rijen van geslachten zonder +eenige onderbreking voortgaat, hebben zich zijn lichaamsvormen in de +meer speciale behoeften van die symbiose langzamerhand ingevoegd en +zich daaraan ook aangepast. Zijn instincten zijn anders geworden: het +jong van het reeds gedurende duizenden jaren verzorgde konijn, om +slechts een enkel voorbeeld te noemen, is van den eersten dag af +tegenover den mensch „tam”. En ook daar waar de mensch voor zijn eigen +levensbehoeften somtijds de individuen decimeert en het rund slacht, +behoudt toch de soort het geheele voordeel der symbiose, omdat ook haar +voortduren bij dat slachten juist wordt gewaarborgd. Men moet bedenken, +wat voor een absoluut verwoestende macht de mensch tegenwoordig is voor +alle dieren, die hij niet opzettelijk verzorgt en kweekt. Maar hem, die +gekomen is binnen het gebied dier verzorging en kweeking, valt +omgekeerd daardoor een zóó groote zegen ten deel, dat het geringe en +stelselmatige decimeeren door het slachten daarbij niet in aanmerking +komt, nog afgezien hiervan, dat niet alle huisdieren geslacht worden en +juist die, welke het edelst en het meest met ons verbonden zijn, het +minst. Bij den hond en het paard heeft de symbiose in enkele gevallen +een zóódanige hoogte bereikt, dat ook het individu hier in den waren +zin van het woord wordt gewaardeerd. Geen bezitter van een paard of een +hond met groote individueele gaven en bruikbare eigenschappen zal hun +dood wenschen. Heeft de symbiose hier bij het dier geleid tot de meest +volkomen aansluiting der fijnste individueele begaafdheden aan de +wenschen van den mensch—tot zelfs in die mate, dat het dier geworden is +tot een levend werktuig van den mensch—, zoo is omgekeerd in het +schoonste bloeitijdperk der cultuur dit dier als individu bij den +mensch binnengedrongen tot in het ideale beschermende veld zijner +ethiek. Medelijden met het dier, verzet tegen dierenmishandeling, het +denkbeeld ook van een bescherming van het dier, als het oud en +afgeleefd is, en dus niet meer van onmiddellijk nut is, kortom al +datgene, wat er van ethische beteekenis is in ons begrip van +„dierenbescherming” toegepast op getemde dieren, welk begrip te midden +der groote ruwheid, die nog steeds in den mensch gevonden wordt, toch +merkbaar meer en meer doordringt—in die woorden openbaart zich de +hoogste triomf van die symbiose in steeds toenemende mate ook in de +hoogst verheven, edelste menschelijke eigenschappen. + +Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu +eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote +veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van +den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men +enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen +verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings +heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting +van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den +Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd. +Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen +herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft +zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van +een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische +leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde +hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn +groote symbiosen geopenbaard. + +Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen +bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende +karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben +nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale +olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi +op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer +nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige +klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle +vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der +paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds +gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met +een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in +verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog +een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien +tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet +aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth +zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in +die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch +eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds +lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden +toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang +„wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw +van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen, +dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose. + + + + + + + + +Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder +teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt, +van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen +beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg +te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke +eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier, +dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een +mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door +het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen. +Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den +weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware +openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de +geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er +nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica +der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen +treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in +de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó +op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte +verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden. + +Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan +kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen +wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk +lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch +met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote +schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij +namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als +voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de +beenderen, die daarin zouden moeten steken. + +Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het +eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit +zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke +beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch +overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet +loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met +twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den +voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het +stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan +hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer +aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij +den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen +en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één +been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt, +een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer +wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote +beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt +overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde +bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat +nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is +reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en +komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen. +Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en +ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou +kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een +onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te +verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is, +voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt. +Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar +van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het +kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een +bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige +voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen, +dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten +paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt +van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar +alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó +naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was, +gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich +plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook +zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk +in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar +hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de +leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier +dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er +tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van +den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst +zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die +manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele +steunorgaan volkomen duidelijk. + +Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger +geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben +omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet +zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den +teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de +vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog +slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier +teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats +dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen +zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig +dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen +aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen +teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel +van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze +menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen +hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke +middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het +vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die +vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één +tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen +die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van +kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf +vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf +verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar +slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een +onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik +eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende +wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het +paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel +hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een +betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn +afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of +wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer +matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke +tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo +zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een +onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken +van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat +het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet +bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke +knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het +voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen +binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en +teen gelegen is. + +Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan +moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het +paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking. +In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot +aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn +uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van +den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing +van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze +menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien +voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede +plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been +gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins +mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been, +zooveel mogelijk te vervangen door den voet. + +Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar +beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard +zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt +reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met +het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest +natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of +vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de +uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem +drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te +houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in +die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de +scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus +de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave +van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn +karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest +oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of +weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar +tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier +binnen de grenzen onzer cultuur. + +Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat +het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn +meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet +noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in +overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is +hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht +beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige +oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is +bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven, +maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat. +Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng +zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het +paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen +door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de +dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs +ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan +het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als +glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard, +als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een +voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk +harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog +een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet +verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het +paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk +die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de +symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan +den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier, +dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier, +dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over +groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht, +waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen +zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen +gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van +buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen. + +Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het +nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een +groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije +wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds +kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets +overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze, +zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het +nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond +der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de +symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk. +Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus, +die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van +den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed +heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen +voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is, +zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert. + +Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat +hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen +overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van +het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde +letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet. +Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk +merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het +paard. + +Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die +elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste +kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde +gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard +voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van +het paard ter sprake komt. + +Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn +handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden +oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van +ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch +willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat +een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig +klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den +sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong +af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn +ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het +instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts +half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of +iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard, +dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten +van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het +eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en +worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe, +waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk +was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een +geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een +zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de +leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid +van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij +zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen, +omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en +gevaar uitstrekt tot aan den horizon. + +Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke +ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen +waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de +werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een +scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar +bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige +grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling +het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn +gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in +plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg +gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is. +Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog +niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het +eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan +afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den +indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men +denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is! +Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan +een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat +het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als +een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den +neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft +het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek +gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo +wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op +het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in +de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het +allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het +geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren +als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste +eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij +nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt +zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat +onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en +het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te +zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een +zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het +scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild +gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard: +„de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder +geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat +bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte, +totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van +het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op +te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds +tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen +niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om +de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is. + +Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den +weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele +eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert +hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der +paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten +de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het +gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de +rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen +der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het +verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren +eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch +ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men +moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard +(ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus +ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier +van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel +is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in +Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van +den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het +klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier +tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat +is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is +gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En +in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in +een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn +verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van +het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard, +doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het +ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren +zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte +rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne +bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in +ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande. + +Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier +worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden +onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale +kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast +tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men +alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het +eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele +beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen +(elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele +stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in +dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter +die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het +uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En +juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den +voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig +verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de +plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste +teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk +enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van +dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen +beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware +een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been +op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven +liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp +verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot +aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve +bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig +vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder. + +Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen +bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door +een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van +het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat +onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de +vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te +vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van +de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds +ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe +uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde +dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een +dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven. +Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen, +onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander +vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich +steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had +men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de +verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar +beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die +verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een +aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der +afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen +voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing +zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het +type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet +Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter +scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In +het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid, +die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm +van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht +voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken +wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap +onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden +dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook +den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie +geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog +uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo +sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op +zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan +vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan +onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband +staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der +correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den +indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve +type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen. +Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich +zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw +gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type +van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben +beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de +voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog +in het been passen. + +Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op +nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als +sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”, +als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat +geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander +werk [2] reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht +vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts +een enkel voorbeeld in dien zin voor een geheele reeks andere dieren, +die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van +het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen +vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even +schralen voet, die tot aan de knie reikt. + +De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons +half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige +bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een +soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen +twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten +verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en +omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één +enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel +middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het +bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van +uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds +eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine, +maar toch hoogst belangrijke. + +Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee +kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die +achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het +gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde +woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar +hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun +onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó +weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring. + +Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft +afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed +gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als +overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den +paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt +overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als +aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak +zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en +vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het +zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van +teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende, +om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe +dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is, +en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk +absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde +„rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier +geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur +nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote +inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de +ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat +mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken) +als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht +zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen +menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner +slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden +darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van +de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde +van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een +verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring +te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die +eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust. + +Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft +het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald +moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst +namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe +organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen, +welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op +ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het +bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht +uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke +voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig +buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer +in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand +aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht +worden aangetroffen. + +Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog +twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten +beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die, +in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij +drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij +naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie +teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel +eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen +voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de +griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere +griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen +hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat +een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en +dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont, +die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij +het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn +gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó +volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat, +en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was +trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst. +Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden +waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den +Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en +verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het +type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende, +en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten +terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm +eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook +werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale +griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich +verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de +ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn +gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet +gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval +behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een +griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met +oorspronkelijk vier teenen. + +Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons +paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje +vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en +hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de +zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren +voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins +vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid +zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar +vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook +ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die +zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een +zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het +ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde, +bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op +bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld +gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten +eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten +van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze +beschouwing niet noodig. + +Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den +behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide +evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel +bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van +onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand +geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van +den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de +geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat +die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de +middenvinger is. + + + + + + + + +Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene, +wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu +komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten +bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische +theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met +elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel +vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn. + +Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren +uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste +triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan +ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen +nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog +niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard +zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk +buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist +het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het +begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon +worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen, +geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun +hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat +hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen +kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem +echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot +verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die +de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de +neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel +het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren +van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”, +dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in +de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone +uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het +nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en +toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk +niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier +ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De +olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet +was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een +werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als +eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te +vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste +getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar +voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een +mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant +heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste +drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige +zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij +wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen +worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer +uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid. + +Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke +dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte +aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit +versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden +van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken. +Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren, +zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden +rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest +reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over +de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte +had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid +individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng +begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe +geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot +weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in +haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder +verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier +werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het +voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude +tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire +zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele +beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige +overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke +paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een +zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als +van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in +lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika. + +Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden +worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten +zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de +Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche +Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van +Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van +hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een +ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten +minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die +dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar +ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in +den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen +daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake +gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke +feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het +laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest +verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika. + +In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer +der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand +gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de +oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke +dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar +bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten +der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een +steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te +behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een +sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan, +werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of +zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al +loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record +te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle +voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of +diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de +palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit +heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote +afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die +tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk +van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig +symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den +detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal +zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig +niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel +neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de +arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige +keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig +buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden +toegegeven. + +In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke +groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar +verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken +door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze +planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in +Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard. +Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië +bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in +het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts +één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire +griffelbeenderen daarnaast. + +Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van +Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië +en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig +schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de +mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn +eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden +toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in +Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als +een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder +verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand +somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden +gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der +reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de +laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals +Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden +nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van +honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van +Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De +Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de +runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch +ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren. +Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn +bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat +voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën, +die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen +doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over +Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er +een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan +berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een +epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de +andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de +Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een +Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons +de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde +prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even +onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den +cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen +epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de +juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het +paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar +niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst +werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel +verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche +bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der +wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog +open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden +opgelost. + +Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets achteruit +zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot +aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens, +dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene +millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den +overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den +diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der +hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays, +[3] waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne +tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk +de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen, +het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier +periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het +klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en +Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat +voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale +catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als +gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud +gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in +de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in +drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen: +van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene +periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst +op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij +onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode +zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke +afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis +is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen +dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets +oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen +verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het +oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig +zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd. + +In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige +dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het +volgende beeld. + +In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt +bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de +overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort. +Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort, +die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben +gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten, +wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte +diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden, +maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende +omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische +Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze +dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en +grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren +dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van +een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar +één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou +voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der +pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets +meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten. +Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat +tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer +dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant +der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een +heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes +hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger +aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger +was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel +van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming +daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier +ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook +nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale +beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende +misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel +eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk +vertoonden zij alle diezelfde verandering. + +Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of +soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard, +geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene +Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen +nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort +van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking +luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”. + +Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het +allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel +mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van +een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot +in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare +Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van +reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag +gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een +ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk +niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van +dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin +gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het +binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden, +zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste +achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen +rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter +helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter +was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot +in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze +dagen. + +Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude +echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder +terugzoeken, iets nieuws kennen. + +In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen +beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden +toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven. +Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel +beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen, +ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand +over het geheele onmetelijke werelddeel. + +Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven +reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de +overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden +gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij +ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere +ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel +hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit +opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide +zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer +alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die +zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk +van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat +aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen +en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig +bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een +miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste +middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte +kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje. +Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den +grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard, +want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar +te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten +die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met +hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel +waren, maar die niets te doen hadden. + +Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand +bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen +der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele +misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die +„kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van +Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het +oorspronkelijke type voorstelde. + +Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar +equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het +ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele +geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te +duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige +dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De +pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt, +zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het +geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen +beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele +terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert +op een millioen jaar. + +Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk +wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de +oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide +innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote +tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in +het museum en laat een dierenwereld verrijzen. + +Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land +wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als +schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn, +het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te +spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich +namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken +zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame +vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware +voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein +kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond +stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen +poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem +van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep +inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte +volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt +en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een +dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook +bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien +aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in +het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt +hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het +moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan +trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het +gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een +driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de +naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst. + +Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen +vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het +overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken, +waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren, +dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de +merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die +driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar +tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier, +behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat +worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het +eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich +werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer +geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers +(de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een +vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe +lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes +hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen! +Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl +zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand +en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard, +schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen. + +Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der +tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik +vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit +morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen +die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes. + +De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika +verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos. +De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van +achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan +de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste +verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den +pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft +den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar +het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de +drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide +zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam. + +De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare +geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het +begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met +kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd +met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken +voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van +den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is, +vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje. +Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan +vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine, +maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid. + +Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het +pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er +is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van +griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg, +overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of +voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en +van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te +gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale +lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De +„verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den +voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt. +Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de +ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun +poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende +dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen. + +Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich +reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds +openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere +gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij +het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken. + +De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene +laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op +dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die +schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de +laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn +gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder +veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de +volledigste skeletten zijn overgeleverd. + +De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd, +daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn, +nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der +volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij +den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen, +waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de +stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als +kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte +weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze +menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke +handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op +ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op +zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt. +Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen +voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in +overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen +als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij +de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men +zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in +vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen +denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of +kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt +alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm +hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel +toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds +onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks +verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet +langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe +reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het +paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de +afmetingen der hand bereikt werden. + +Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en +voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De +eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en +zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het +geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te +komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij +nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons +plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de +uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste +kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de +meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort. + +Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren, +paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt +van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in +ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der +hoogere zoogdieren. + +Waartoe veel woorden?... Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der +hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de +nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld +gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims, +maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar +karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een +menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der +zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht +heeft, van beneden opklimmend. [4] + +Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de +insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven +vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven +wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die +het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen; +en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het +hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke +en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek +ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een +onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord +zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen. + +Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die +oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en +den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit +is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van +Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag +onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf +bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal +aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken +naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in +die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel +overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van +de ook hier nog aanwezige hoeven. + +Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij +deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die +hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den +klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier +oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw +en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit +de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig +hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het +nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn +paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij +het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot +klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij +zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren +met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen. + +De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde +vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke +tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft +gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die +door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen +bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den +voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en +kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of +geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen +raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als +de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar +tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige +dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren +dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in +onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien +vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van +klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe +weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt +karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen +als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde. + +Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd +gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de +beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden +oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun +daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van +teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een +beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten +vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het +laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter +wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de +zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van +den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben. + +En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte +equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte +van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk +vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die +maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons +niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas +feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor +oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De +beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog +vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een +tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming +met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere +soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der +klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die +merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de +onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor +oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der +alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van +de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde. + +Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de +Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe +opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver +historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt, +zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon +voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en +zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u +nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en +bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets +aangaan. + +De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste +natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo +afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld +der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld +kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de +ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van +geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in +langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te +voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische +waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den +paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke +ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd. + +Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden +zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn +van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de +omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had +en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze +tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier, +zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—, +welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende +overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in +het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier +paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat +echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een +wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van +station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten +nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen +en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die +ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt, +zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst +dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde +meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels +overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut +verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle +stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in +zich vereenigt en alleen handhaaft. + +Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke +omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er +zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende +logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking +(Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover +als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver +geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog +anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch +alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier +een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis +nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde +behoefte voor het gebruik. + +De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de +verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte, +waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit +te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het +beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te +concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den +harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de +vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort, +zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als +„aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan +grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het +mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid +daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt +geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de +perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het +bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en +verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd +lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt +eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip +zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na +zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel +hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó +tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den +paardepoot vóór ons hebben. + +Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere +ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het +geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat, +oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in +Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener +ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet +licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke +wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier +ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard. + +Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing +voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan +niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op +zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de +gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche +leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren, +zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare +en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van +daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot +in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet +bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele +opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag +legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun +logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de +loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist +door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis +niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te +toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten +draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest +voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der +ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der +fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken +voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een +dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen +wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een +geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd +genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct +gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die +steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het +leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog +niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee +processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen +geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij +die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den +moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks, +als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere +bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de +individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er +ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg +ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die +feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en +toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende +beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke +scheppingsdaden liggen. + +Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te +dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig +gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een +ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door +wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook +voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij +hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld, +geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans +niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid +van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof +heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica. +Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier +het hoofd buigen. + +Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig +alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die +wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals +gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden +ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote +verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der +ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische +opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te +dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders +zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier +zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid +kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het +eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook +inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der +fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen +eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid +verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten. + +De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van +het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten +naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan +doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke +beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen. + +Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm +bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het +bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons +(ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been). +Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft, +eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de +bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen +en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op +zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam, +lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen +van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen. +Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de +ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit, +maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen, +uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als +griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus +het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen +vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen. + +Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen +evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens +historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De +oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog +ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast +spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen, +die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook +bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak +nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan +absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer +vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede +vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar +hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het +kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt +en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter +griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel +hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als +kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen. + +Een andere proef op de som leveren de tanden. + +Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn +voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het +gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om +die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de +hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke +paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de +voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege +ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele +overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de +grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan +zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op +verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de +kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der +zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die +gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk, +geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit +gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander +gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke +afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één +geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes +beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een +kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die +zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen. +Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost +uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze +plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een +afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat +aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme +is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit +maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten +van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich +af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn +gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een +zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer +eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het +beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen +meesterschap. + +Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het +oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk +duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden +paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens +reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der +oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke +ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke +geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat +heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft +onthuld. + +De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke +hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk +nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm, +waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer +ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden +toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle +soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te +onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel +aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden +zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven +vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven +tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste +plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam +bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse +wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten +van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen +in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend +geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend +paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen +tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen +punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen +reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de +tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten +voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee +tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens +geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit +vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de +bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed +geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de +typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak +toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote +afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In +tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit +als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige +lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei +daardoor heen loopende verweeringen. + +En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals +bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke +wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna +geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle +tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den +Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel +wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste +voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog +verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen +geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op +ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel +te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere +vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel +meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te +komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig +haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder, +als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische +verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde +kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien. +Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard +door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier +haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot +aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger +open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte, +en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling +cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de +voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe +langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de +kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een +diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten, +en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het +cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als +overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste +toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar +is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet +gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander +verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar +verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze +gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er +in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich +verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is +nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een +inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke +tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst +was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen +jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele +geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van +zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de +lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner +zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent +voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig +hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien +op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het +proces een geheel ander zijn? + +Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide, +(en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen +ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke +ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het +paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant +debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot +uitdrukking kwamen. + + + + + + + + +Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende +dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven, +lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook +in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins +denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste +„stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan +die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins +mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men +had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere +tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen +(juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog +overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen +van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op +verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in +ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de +eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit +scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het +voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard +en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in +Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s +voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen +twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude +wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen +het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met +verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa. + +Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den +dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel +des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De +Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het +echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was +onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer +algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf +teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een +tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen +met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken +er ongetwijfeld afwijkingen te zijn. + +De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige +equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen. +Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar +op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden +hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend +waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde +was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest +zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens +identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke +hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een +geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds +in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren +langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens +hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door +tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen +vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude +Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust +als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke +wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee +der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een +bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling, +maar in een in ieder geval interessanten vorm. + +De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door +natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan +onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in +wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in +zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest +natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij +voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de +mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben +ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen +zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing +der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den +stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken. + +Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid +van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde +resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere +ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke +oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin +onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke +gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal +volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld, +zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn +voortgevloeid. + +Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen +„gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat +beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest +verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander +aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met +elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het +„Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende +hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke) +vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen. +De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker +beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van +dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording, +zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door +andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een +bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat +behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen +hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het +Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het +paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en +zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen +betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren +alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling +onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was +alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip +„gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle +nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het +rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn +er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een +geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele +complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen? + +Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog +voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede +wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden +stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de +aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat +dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot +ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en +diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente +menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls +gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende +overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel +vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de +meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien +heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer +in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder +dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of +haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel +millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde +planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun +lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij +voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich, +als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de +catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden +ontwikkelingstoestand verkeerde als thans. + +Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der +levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets +anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet +in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren. +Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in +het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen +van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom +en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en +aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles +moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben +gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken. + +De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een +keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der +ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van +hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat +iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand +komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten +dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen +is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot +het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende +wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te +reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de +eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van +engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen +van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare +varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die +varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere +leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de +voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe +geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces +der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of +mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de +beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard +op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van +Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige +omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu, +gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat +niet gemakkelijk is te denken. + +Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst +kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den +achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die +geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf. +Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen +enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat +denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in +hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die +ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het +kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der +soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of +in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm +gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige, +als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika, +als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met +de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche, +evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en +rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der +ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te +voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is +niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder +meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het +op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of +pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen, +die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend +oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden. +In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig +gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de +stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten +tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande” +harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen +van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het +paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar +buiten? + +Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van +dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik +wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk +raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten +binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de +inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor +ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij +die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid +van een beslissende oplossing. + +Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet +opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch +denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke +vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der +ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa +en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat +punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit +kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld +bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet +bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als +dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er +toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat +ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs +twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander +geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het +gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens +moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het +beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die +verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom +geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het +volgende, geheel verschillende standpunt uit. + +Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als +oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen, +vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben +weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam. +Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia +en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor +paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den +Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na +een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den +Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes), +een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen +voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen, +en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn +het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en +die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het +belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende +schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo +goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste +aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de +tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit +dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder +kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der +hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die +consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende +stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken. + +Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station, +dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die +voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als +de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één +of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien +wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde +loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische +ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de +voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten, +zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht +in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas +zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende +massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het +is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren +en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in +den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet +meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich +oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen +van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats +was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in +wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk +inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal +individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik +bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in +de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen, +later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is +gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote +aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich +verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil +zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te +verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde, +en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen +juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug +hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden +veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en +vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden, +waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke +woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei +afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de +oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide +troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben +op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner +beteekenis moeilijk. + +Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een +groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker +wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den +ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van +krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de +uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling +waren. + +Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt +wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de +wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die +dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van +den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam +beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw +verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van +Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar +niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der +hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat +de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid +waren. + +Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar, +waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten, +maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast +den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen” +hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide +als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine +zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede, +zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht. +Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het +type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten +gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het +laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt +paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten +invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen +plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van +de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die +tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig +uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die +„saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe +kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion +genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men +moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet +opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar +als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls +gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich +verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan +onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij +voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook +bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden +worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het +merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven. + +Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te +varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere +geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie +hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam +worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die +geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche +varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het +eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef +moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog +niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische +voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde +grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de +technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op +den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte. + +Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter +dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen, +onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een +zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de +eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar, +hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die +varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij +zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en +karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot +aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote +tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer +in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe +meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie +beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender +is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die +Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in +de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had +beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men +meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die +immers varianten waren van verschillende echte trappen van den +stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten +vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig +achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van +geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou +hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten +waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die +onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden +van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou +leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen. +Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden +tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium, +nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook +tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men +eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen +en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan +individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij, +hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch +importartikel. + +Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de +geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest +halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire +periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren +zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de +Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met +moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen +er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het +gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte +waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een +onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden +gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen +van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke +feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was +daarentegen een geheel andere. + +Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals +tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter +niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de +Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee. +Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud +vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit, +zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de +Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit, +Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en +zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te +zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote +archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van +Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo +bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar +toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire +periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen +de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche +stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust +zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft +uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën +zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan +gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den +Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich +langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld +had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte. +Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere +massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het +geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire +periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een +dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een +aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond +aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men +tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat +op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd +zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer +een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook +die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer +voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder +verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte, +toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische +vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke +uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood +tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa +was geopend. + +Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen +in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het +zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der +paardachtige dieren. + +In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was +van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die +oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de +Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun +gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in +den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen +archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het +tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld, +die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den +olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige +rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval +is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij +veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke +oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele +skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland, +dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een +organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste +ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke +paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten +Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in +Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook +bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige +dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele +van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als +echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten +eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen +de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in +Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier +„geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden +hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd +evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden +deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor +daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben +behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen +verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een +Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug +ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is +daarvan het gevolg geweest! + +Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het +Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer +verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk +weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er +plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s +trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s +gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In +weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding, +zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met +kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen +gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in +Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot +naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied +op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar +bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de +Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de +reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan +twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft +plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika. +Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook +voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter +bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht. + +Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop +volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom, +zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over +den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos +vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam +eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is +waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar +het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte +paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen +volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het +Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede +echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions. + +Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een +zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen +keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig +verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige +was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in +een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele +en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze +Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de +Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de +symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter +vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend +gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche +brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet +meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld +liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware +de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer +geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe +het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het +westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers +daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo +is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats +van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige +Przewalskipaard. + +Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden +roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder +paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning +houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en +van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den +zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen +skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert, +zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een +aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen. + +Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij +toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten +uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme +gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden, +die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb +gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen +voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te +weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in +het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de +in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in +iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den +benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij +geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een +ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte +van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met +verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten, +als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een +onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en +uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen +tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken. + + + + + + + + +Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander +behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel +is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds +uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats +naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald +„paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de +plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens +gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de +hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal +heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut +niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden +der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus +dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door +een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben +daartoe het eerst aanleiding gegeven. + +Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat +wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele +eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat +reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen +menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde, +kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld” +ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het +bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm +(verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren. + +Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm, +die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant +scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit +Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit +de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de +moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en +de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan +den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde +werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin. +Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het +nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt +had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon, +werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men +hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde +het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche +dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd +was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de +zoölogische wonderen van Amerika. + +Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders +leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen +verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika, +dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was +dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een +merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de +Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang +beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen +natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden +het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt, +toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd +was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu +dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd +van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling +verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend +zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf +volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker +een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste +diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals +ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de +Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch +vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier. +Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en +Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend +geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór +zich? + +Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was, +dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd +dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord +geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn +ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk +een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als +overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste +bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust, +dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende +„slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een +korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet +beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende +zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis +Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de +Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam +gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de +„zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook +beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs +onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm, +is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder +de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een +slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de +eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet +weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te +teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat +juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog +slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw +met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige +verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf +in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel, +blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk +alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te +vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd, +om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige +betrekking tusschen die beide dieren. + +Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet +met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op +één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige +dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert +de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren +zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die +tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of +als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te +loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste +zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in +dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar +er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten +stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk +in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van +achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen +als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan +bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog +niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk +gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het +gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de +eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de +voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte +kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels +voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog +ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk +de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door +bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een +aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien +tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer +groot vospaard der eocene periode. + +En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een +verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der +latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van +beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in +grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het +Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond +met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in +de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk +schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw +van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir” +moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in +het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als +bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in +de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig, +dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als +oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft +gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is +dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen, +en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert. + +Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan. +Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten +beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar +gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil +in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk +zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze +verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan +hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond +stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals +dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar +voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde +zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein +bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te +schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had +losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den +tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een +uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit +den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort +bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als +wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die +ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog +zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok, +kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen, +waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de +heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere +ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de +groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden +was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht +en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend +versteend in den ouden vorm behouden bleef. + +De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der +paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een +nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der +equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft +opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af. +Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang +juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals +blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende +lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven +blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets +anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een +vospaard. + +Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog +in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op +aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen, +hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde +en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het +stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante +schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend +oorspronkelijk paard uit de eocene periode. + +Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in +uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst +verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie +hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet +alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette, +snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen +waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten +met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in +zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid +zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij +ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen. + +Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir +is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel. +Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het +te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog +vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere +wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier, +dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte +staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk +rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds +op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten +verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is +niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn +juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk +mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water. +Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier +in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen +en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens +nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het +nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn +inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de +voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De +tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de +grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier, +waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is +hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het +eigenlijke „rivierpaard”. + +Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede +volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen +voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de +groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en +struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het +moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus +onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein. +Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde +planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede +soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke, +fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat +eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer +beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn +vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den +trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun +niets meegevende grassteppe. + +Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte, +blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In +verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den +rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig +de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het +nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is +slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar +volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op +de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den +Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene +vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan +slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met +haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog +merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros +is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist +in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot +een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir +verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt +en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt +gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits +van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den +tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken +klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat +een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het +paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer +zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf +hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere +ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in +den tapir. Doch dit is niet te bewijzen. + +In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende +bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de +zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als +men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne +lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige +merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig +chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte +vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal +de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen +een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij +hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije +natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het +dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir +beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op +de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand +licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor +de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit +voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra +te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam. +Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker +ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een +teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond. +Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte, +evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog +kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking +kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude +vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke +strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den +tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den +Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar +uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen +voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen +menschenoog die ooit heeft gezien. + +In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze +dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het +ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde +wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische +dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen +zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral +als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een +houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt +aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor +mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de +Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde +olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der +verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament +gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon +ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende +modellen had gehad. + +Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die +Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker +zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het +niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en +miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had +gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde +omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan, +en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef. +Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van +tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel +Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig, +nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats +gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen +blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom +hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine +aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen +volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die +zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond, +langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir +evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel +onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een +kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te +worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der +gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters. + +Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft, +zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch +kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den +Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in +vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander +geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de +ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed +ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook +die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een +zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft. + + + + + + + + +Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk +noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij +gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een +analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een +dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die +dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde +eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens +zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een +loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van +halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of +„oude dieren” heeft genoemd. + +Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te +voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het +was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen +tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene +periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam. +Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte +lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir. +Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven +geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd. +Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den +ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet +te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt +vospaard was. + +Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als +geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm +zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten +in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens +bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in +tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der +drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar +alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren +dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den +eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden +die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden +geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin +van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens +naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen. +Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden +van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als +hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met +groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met +een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe +zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den +hoofdstam. + +De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe +gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel +onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland, +Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische +Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de +eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was +bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De +kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een +heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan +de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap +van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en +het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig +door die Palaeotheriën verworven. + +Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als +ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van +de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard” +onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben +kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit +bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer +groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een +rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te +worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de +richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste +Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de +oude, eocene periode uit. + +Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die +Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai +geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak, +ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het +Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier +doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er +uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier. + +Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen, +evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die +onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde +uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat +krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar +anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van +leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog +heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de +reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien +ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige +overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen. + +Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen +neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners +„dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk +overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een +schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi. +Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een +metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van +het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een +dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een +overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist +Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe +natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De +neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee +met elkander verbindt en wat ze scheidt. + +Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone, +Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan +door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried +uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een +groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd. +Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem +al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid +met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op +den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich +daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een +aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok +te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker +geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het +nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den +geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere +paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het +bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De +razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer +noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier, +dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele +kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt +hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn +soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als +het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast +ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die +grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het +vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna +zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den +schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude +paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor +de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen +nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich +daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling +opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in +postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn. + +Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de +natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd, +natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid +aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou +wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam +in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede +dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het +paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan +weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet +eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de +tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap +dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst +in hem moet uitgraven. + +Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle +vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is +daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter +de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij +hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden +lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam +daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het +grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die +verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie +hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet. + +En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een +geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien +de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware +levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan +voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en +kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden +en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval. +Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke +bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste +vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker +tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste +van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit +alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van +neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den +bovensten trap volkomen vervuld is. + +Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even +onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende +paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale +grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een +neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte +reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de +vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als +grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den +neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der +Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een +meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude +exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen. + +Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één, +gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er +volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het +allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig +dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog. +Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de +reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig +zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop +van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is +volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat +een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge +klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van +een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken, +zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote +eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke +woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van +haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen. +Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer +vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch +weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe +hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels +veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn +behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen, +takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de +meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat +gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten +eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan +oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de +noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels +te breken. + +In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen +zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij +een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo +ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld +met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van +eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is +gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven +allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte +afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der +huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk +naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze +reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt. +Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld +de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard +heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het +water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde +voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten, +schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en +hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide +teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd. +Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt +aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed +van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij +den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene +lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop, +bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den +tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak +een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open +steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich +beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen +steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de +steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste +inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de +stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de +wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een +andere eigenschap geeft te denken. + +Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het +meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen +tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij +overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot +kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen +met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag +stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar +alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de +jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er +geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder +typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan +als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft +aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten +doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de +paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan +de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire +periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten +moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den +strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval +denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft +tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van +slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der +teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het +haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros +en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces +tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil +van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en +blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook +(hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid +strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van +hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten +te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd +door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor +rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt +aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche +steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen +tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen, +die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen +en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft +weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid +op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar +wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren” +aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra +een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en +maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud +paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal +daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren +niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult +balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien. + +Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of +andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware +geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een +neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige +geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid +en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een +bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is +tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste +aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede +echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het +dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel +de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is) +terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend +gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd +en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt +het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan +tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één +geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven +bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen +van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in +de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven. +Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting +van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een +stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het +spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den +bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van +elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide +zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn +manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij +bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen +den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen +beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns +dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige +dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden, +kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent, +in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn +uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in +den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog +vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar +kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn +voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is +van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van +dat dier, dat eertijds in kudden leefde. + +Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke +historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de +weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen +achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit +de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch. +Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in +klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds +opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in +Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote +hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de +uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der +oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond. +Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn +enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide +Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan +daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid +herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard +was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het +ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen, +zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook +al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver +naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien +zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking +hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven +Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een +uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip. +Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij +daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens +alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in +meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast. + +Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf +interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar +aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm +is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie +hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of +Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van +eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft +gehandhaafd. + +De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren +rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De +dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden +oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot +heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna +blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde +van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die +vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst +recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel +conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In +ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder +geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook +Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds +merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het +loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich +lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde +voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna +tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een +gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard +worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende +wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden +daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als +van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds +bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende +neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven. + +Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote +slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die +echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets +geworden. + +Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van +den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het +duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer +schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers +maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen, +ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de +aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat +volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder +geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen +nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het +midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in +Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later +in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste +hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den +voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje. + +Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij +reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de +voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig +voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen +neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een +afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast +elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben +gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een +hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd. + +Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit +gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander +gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het +voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang +blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld, +maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier +ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier +leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of +minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn +op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen +ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard +met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar +boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is, +is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden +eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en +kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als +allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is +gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn +niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder +een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den +narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van +den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met +zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende. + +In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke +richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd +is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel, +zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou +komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak, +dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat +toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat +is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een +in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de +diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het +Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons +„Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft +bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn +hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij +tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met +zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier +nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in +dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd +zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men +herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het +Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen +der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote +zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de +oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen +halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring +mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten. +Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld +een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als +een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed +denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige +zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en +gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten +zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte +neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen +tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en +nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos +leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het +wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd. +Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië +verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke +zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben +gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen, +zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien +als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het +Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe +van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles +open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog +eens aanwijzingen zullen vinden. + +Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die +merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een +paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij +reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen +enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer +hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een +bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats +gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen +ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de +invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar +eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het +hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de +hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben +ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren +aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen. +Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot +ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op +verschillende wijzen heeft ontwikkeld. + +De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich +zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het +zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat +de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de +tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er +feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er +echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar +hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn +te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië +voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van +den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire +rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen, +zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en +hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in +het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle +andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog +den echten stand heeft van den eenhoorn. + +Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft +geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote +knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer +haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een +Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den +„Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen +dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een +opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke +historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend +leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met +krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van +een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier +van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in +een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen +tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort +had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden. +Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in +vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier +slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk +voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart +behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels +bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen +hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn” +zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De +pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl +ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het +achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den +Afrikaanschen neushoorn. + +De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de +sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over +geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de +zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het +punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele +dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig +beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door +iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap +zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet +zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een +volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn. + +De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan +waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen +der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van +een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige +zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets +beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand +kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem +hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen, +stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit +gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat +onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos +heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den +waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds +vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw +wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als +aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die +zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van +wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere +gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn +uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken. + +Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond +onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het +plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men +de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag, +zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van +het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den +oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere +beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo +boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen, +dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op +hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te +brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige +oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de +werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe +altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en +blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat +zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn +oogen den stoot toebracht! + +Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische +neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De +groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf +onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die +platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend +mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat +in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige +lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager +van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel +die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen +koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van +echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika, +waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt +met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een +duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er +achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn, +die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der +gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden, +dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen +uitsluitsel kon geven? + +Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een +eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter +eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de +Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking, +waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat +eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig +zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die +Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van +Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte +neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche, +later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd +hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige +neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns. +Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest +zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden. +Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt +zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen +antwoord kan worden gegeven. + +In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de +Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land +aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld, +als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in +Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van +den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke +momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste +beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd. + +Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken +begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is, +daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi, +over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele +stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en +kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van +„inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar +acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater +vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden +behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije +vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen, +witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan +spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare +groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in +onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor +het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer +treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met +blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van +stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de +steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard, +waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten +van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de +boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook +voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen +stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van +verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale +apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze +dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang +van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den +voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren; +immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden +water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige +water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden +wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die +in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven +sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de +steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor +een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als +achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke +dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar +weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen +gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer +zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te +struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun +weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van +een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op +karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen +voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen, +elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de +nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk +verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende +plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun +schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder +volledig van hun takken beroofd”. + +Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel +niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een +beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld +van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat +landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde +hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op +hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale +verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in +overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij +Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij +Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een +ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste +voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen +leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste +geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste +speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld +van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij +misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van +herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals +zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of +behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen. + +Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat +een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns +klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de +systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort, +juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten +neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de +laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken +gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige +neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook +hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer +naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge +dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander +afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen +gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in +vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt +echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige +tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het +paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een +neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in +elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische +neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een +prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan +wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als +om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te +doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen +en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe +horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend +gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen +naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van +den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast, +en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt +met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat +die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist +van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort +in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte, +dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als +zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke +volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een +nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit +kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een +prachtig dier. + +Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der +tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld +hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt. +Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat +oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde; +toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze +verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk +af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren. +Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo +rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die +ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap +van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen, +dat het paard is uitgegaan. + +Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet +ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel +gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog +onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen +dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het +teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken +verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat +geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de +scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet +zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der +dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde +personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”, +maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt +van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige, +onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen +worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest +sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote +toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs +gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden, +in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest +blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs +zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van +wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe +gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking +afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen +verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking +maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat +gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling +verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als +hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals +hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij +voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in +den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om +te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien +eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer +begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de +ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij +te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men +zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben, +waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke +verstand. + +Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot +worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke +paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank +zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard +gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips +afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie. + +In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over +dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen. + +In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan +tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden +aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot +van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling +vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de +nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in +Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen +zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte +Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir +en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte +verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die +vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den +neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich +gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste +rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun +merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan +den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk +ver daarvan af. + +Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een +reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige +haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan +het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de +neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede +samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den +hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen +en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons +nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar +voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten, +daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede +op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die +hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De +beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid, +en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering +vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo +veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den +schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken. +Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den +neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die +naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide +neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich +in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke +voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig +mogelijk, echt Titanotherium gemaakt. + +Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde +neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers +evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt, +moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een +stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen +moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu +niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten +hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet. +Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam +werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide +vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het +allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de +doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er +bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het +Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat +oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van +hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig, +dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke +woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te +ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en +wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke +slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in +lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde +trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den +equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun +„slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op +den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen +aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat +het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste +horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik +versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling +van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met +een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant, +namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen. + +Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen +medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen +van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het +oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de +bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode +bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen +gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen. +Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot +kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen +tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een +oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer +voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den +voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een +vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen +onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het +diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën +levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk +mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den +mammouth gegeven. + +Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen +zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het +Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke +ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd, +toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten +paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een +schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het +landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de +allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint +in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te +zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei +spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de +kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van +den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit +tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een +dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het +voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne +vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet +men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der +wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer +gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de +daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis +door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen: +woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot +tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben +getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan, +dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het +zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit +het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun +neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij +ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar +toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm +plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een +plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten +moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij +vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden +kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten +tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren, +moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn +ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos +gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van +die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij +langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden +afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het +laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke +bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel +is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van +organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen +groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op +innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet +zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en +de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij +dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter +buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die +bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen +zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst +over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den +strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen +aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo +en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid, +had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de +nieuw gestelde eischen. + +Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog +minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in +den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak +is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot +onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het +voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in +symbiose met den mensch heeft geleefd. + +Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap +heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener +overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden +is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het +leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist +in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen, +komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat. + +Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke +cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat +absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt +is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier +de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer +onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen +van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons +geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons +als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige +reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook +hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden. + +Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig +tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet +meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met +vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou +willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De +inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert +deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover +huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben +onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de +levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een +wedstrijd tusschen redden en vernielen! + + + + + + + + +Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode +de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde +paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten +voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter +zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren. +Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden, +die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië, +wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in +Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die +oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die +van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde +vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van +den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles +bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude +wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons +cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig. +En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel. + +Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische +gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende +schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw +met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie +bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert +langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het +„muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter +juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de +eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch +blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard +niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In +die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard +uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut +identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid +zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte +paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is +ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en +paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot +varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te +brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat +eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch +middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen. + +Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in +ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het +paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen +aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de +beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó +duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in +levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend +hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige +overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de +splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en +echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook +historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin +der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede +wordt voor ons de gordijn weggetrokken. + +Maken wij in het kort den inventaris op van de levende +overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa +is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een +echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën +begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China, +loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den +noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika. +Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig +reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der +aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel, +van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den +Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die +wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van +Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van +dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep +van wilde paarden. + +Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het +van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den +Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied. + +Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der +wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het +als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele +verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel. +In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de +woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver +uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst. +De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van +Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van +den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den +noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan +tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van +Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine +troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste +gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld +kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de +scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart +schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar +Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder +schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere +dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust. + +Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun +uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van +onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen. +Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle +karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en +frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder, +rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op +den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van +dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen +van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van +den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier +eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar +eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke +wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen! + +Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog +tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter +van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In +Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist +tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste +afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als +huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van +den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak +het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn +beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende +dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen +liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den +dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger. + +Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de +geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de +Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op +onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de +ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot, +krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder +op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af, +dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur +voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de +ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper +wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem +van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij +volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als +stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de +Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is +de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias, +dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel. + +Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander. +Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke +overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te +zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen +immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat +kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen +over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in +het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling +van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten +worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren, +waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat +van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een +dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht +van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat +aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den +vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der +gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te +brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien +langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot +tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij +elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte +paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was +slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in +de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier +gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner, +handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de +grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de +zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is +duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op +de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit +een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel +tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde +hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter +gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met +den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met +die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld. + +Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar +het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het +ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele +onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar +hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer +oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun +nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig +cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een +verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen. + +Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare +troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van +het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop +reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van +den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in +de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere +uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch +van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken +grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor +een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast +hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven +daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der +oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige +woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met +bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai” +gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in +mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De +teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en +citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk +wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet. + +Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te +veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen +eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van +een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor +onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat +zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook +de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche, +Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot +tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk +scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht, +dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier +hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen +eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo +systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische +wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in +vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een +physionomisch beeld kon maken. + +Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was +het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange +ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren +vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige +dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne +halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn +dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den +ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels, +wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder +gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den +gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin +een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze +er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de +bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep, +die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven +nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren +staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte +van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en +met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men +tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo +heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met +een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de +bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en +aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de +schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een +breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en +dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt +de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde +Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het +oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is, +die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog +de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer, +met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte +oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug +tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna +alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de +steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft +aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi +heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de +reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van +Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste +goudkleurige hoogrood overgaat. + +Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden. +Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen +zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden +vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken +aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf +staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de +Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote +paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin +heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude +cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle +gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat +in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte +ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in +Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend +te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot +tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied +van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid +levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel +blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet +die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising +van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche +wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een +jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw +van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en +zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder +schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in +Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof +daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is +blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende +gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch +past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a +van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem +tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk +overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de +symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als +duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken +zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd +gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië +den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend +getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is +opgevoed. + + + + + + + + +Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude +oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der +eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander +overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij +hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons +cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan +den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten. +Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals +die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort +en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de +paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij +dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist +een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk +gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den +dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle +atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak +voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen, +langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks +kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu +weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal +district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke, +zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland, +onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.” + +Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de +kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij +onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde +paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben +een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel, +tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een +helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige +teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de +karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als +pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover +geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de +arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla +(211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen +zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer. + +Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de +belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van +de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te +onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe, +grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig +arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van +kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt, +zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch +weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde +huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de +mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den +mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig +tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen +een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de +haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste +tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de +schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid, +dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De +strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de +ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een +traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de +tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor +het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over +door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het +paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme +lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een +zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een +Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het +leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening +in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den +zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is +werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben +behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk +daarmede niet in overeenstemming is. + +De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan +met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de +eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf +uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven +naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom +neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In +overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen +alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar +beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke +aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de +strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels +volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou +verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent. +Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die +zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige +van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die +anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten +doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon +naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn +triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op +zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het +horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die +van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven +ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard +zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het +skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie +gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van +binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het +merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen +uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht +staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren +als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat +het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan +weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende +driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht +voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote +schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid +wijdt. + +De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het +totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het +anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en +van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt +zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook +hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is, +feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is, +en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk. + +Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De +manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den +hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn +tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier +weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren +samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en +de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling +van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de +meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om +de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien +doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden, +horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende +hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders +nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En +lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de +krachtige kauwbeweging aan. + +Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd +nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet +noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische +verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle, +nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet +alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de +beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en +vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds +opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij +voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die +Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de +drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer +scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op +gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening +der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen +tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien +er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige +grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou +kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze +met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig +voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust +nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende +strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden +veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de +strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak +zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin +zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije +Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de +schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch +geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door +elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even +goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en +verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al +zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het +rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen, +dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben +medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier +uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard. + +Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle +levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de +strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten +der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op +de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der +oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit +opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud +erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer +kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets +te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan +de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het +zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat +bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze +Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets +eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt. + +In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur +overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven +beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar +van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen +zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van +lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn +gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen +de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf +ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van +beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op +hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied. + +Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de +natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte +spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van +zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten; +Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en +met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve +lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone +vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm +beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had +trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn, +naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche +dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van +zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet +leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke +grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende +verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot +geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug +te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat +op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid +voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen +sterfgeval. + +De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen +uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval, +niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook +voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen. + +De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten +van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het +gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over +het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen +de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de +negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk +mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo +veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen +bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te +importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig +jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga +sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het +daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men +opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor +natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig +kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard +blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten +Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar. +Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den +dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der +Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het +gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel +voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren. +Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880 +geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer +kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere +jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika +is juist die soort nooit bekend geweest. + +Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft +hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle +andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan +niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den +zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar +aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het +Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een +wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga +heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is +een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen, +gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte +nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft +men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op +den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog +duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte +zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een +donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte, +golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig +zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik +niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn +genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het +Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend +nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen. +Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den +indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een +indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder +willekeurig opgezette dieren. + +Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de +gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het +resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s +tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen +mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil +zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen +Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins +dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking +genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga +reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk +niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising +in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er +voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te +meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s +niet meer bestaat. + +Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte +tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere +strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke +bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het +typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel +of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen +rassen uit dezelfde streken. + +Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder +geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging +vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de +soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van +Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was +ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te +verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in +vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt +materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den +algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s +tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó +sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte +Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over +de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch +Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra. +Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de +eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog +een eind ver opklimmen naar de westkust. + +De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het +uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in +Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in +hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange +ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het +ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra +of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd +hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de +Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen +overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit +het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die +zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de +voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van +Schillings. + +De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag, +een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en +andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor +mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten +van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar +hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den +indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond +kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als +natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die +allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische +tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker +wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke +cultuur. + +Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over +het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het +Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn +heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft +uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van +den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen +ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag +heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche, +bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in +het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard. +Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat, +dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid +den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de +cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel +vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle +mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het +mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is +tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel. +Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt +cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even +sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in +een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn +tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in +den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der +geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls +laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende +wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de +rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die +alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden +uitgehold. + +Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de +zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard +in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde +paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra. +Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de +uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de +zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere +kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend +overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch +zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te +duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren +samenhang met onze cultuurgeschiedenis. + + + + + + + + +Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van +den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in +de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard +niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst +veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het +noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen +noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt +zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet +bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in +aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche +wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft +gevonden. + +Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De +vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar +dan ons tamme paard van afstamde. + +Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij +een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende +eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië +wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van +oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting +voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over +geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk +overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en +daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een +oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in +aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en +dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de +periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver +philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan +taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw, +toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over +huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder +gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen +beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid +bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend +in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard. + +Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke +Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande +grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben +tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men +wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren +vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest +in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit +verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die +onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als +het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn +typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als +een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als +volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of +minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd, +dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te +herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten +slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen +het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de +gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de +ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier +in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt. + +De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan +een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van +Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig +dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als +wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit +eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den +uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den +Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken +Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons +cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij +voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en +gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet +ernstig te denken. + +De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een +zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe +feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde +paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de +diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in +Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag. +Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij +liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur, +een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog +geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier +der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden +tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake +geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig +is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode. +Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk +liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó +karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat +de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde +paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken. +Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven, +op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen, +voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van +praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van +een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een +diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was +voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook +teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst +karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte +baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde +dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de +roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en +zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook +reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche +cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte +ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten. + +Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe +zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan +moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche +cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor +het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van +gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard +volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode +evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was +uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als +zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd. +Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal +mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden +bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een +steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche +oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben +teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den +anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden +geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde +paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur +zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”, +de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum +in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een +dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een +andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde +paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot +in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die +huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden, +en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen +aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie +afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen. +Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in +het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat +de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk +wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen +oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt +daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537 +leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die +gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de +moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog +door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal +gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer +bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn +uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien +wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder +geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen +enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven +van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in +de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te +concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit +oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De +wilde hengst past echter uitstekend in het kader. + +Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere +bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen +heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het +oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs +zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden +gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar +cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die +zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde +dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk +juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met +„grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag +kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor +nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik +herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late +temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort +van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het +woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar +hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende +cultuurdieren. + +In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer +geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van +de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te +gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin +de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug +te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het +voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te +zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van +het oude Duitsche woud door het getemde rund. + +In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch +weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem +ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski +(spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der +Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig +dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild +paard was. + +De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was +over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als +van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een +staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van +onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met +die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke +pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien +stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij +elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van +de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in +den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de +jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een +kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als +een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en +een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski, +waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te +determineeren. + +Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche +cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als +de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het +wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat +klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep, +waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel, +waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw +stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt. + +Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke +geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds +weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie +naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht +ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het +particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland +verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk +gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de +Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier +van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij +verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge +dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op +Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door +plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht, +achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van +lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig +gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar +eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat +zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de +temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze +grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de +veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van +het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal +reeds veel langer bekende zoogdieren. + +Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed +de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die +daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren +vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van +elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de +rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard, +het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in +het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als +caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het +samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men +als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige +dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan +aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot, +onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren. +Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er +met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht +uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief +te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam. +De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur +komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen +met de Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel +van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo +overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu: +ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik +vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe +rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder +zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit +tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook +de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt +geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die +streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het +een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een +bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou +kunnen te voorschijn roepen. + +Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets, +dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische +wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder +over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en +niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap. +De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan +den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het +voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn +veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het +handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als +de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van +hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en +dubbel zwaar maken voor het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere +massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den +hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon +het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den +echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen +wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel +onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die +„kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren +doorgetrokken. + +Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de +Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een +meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst +als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat +gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote +strijdvraag. + +In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam +van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de +tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde +eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze +cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke +vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om +aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende +ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst +weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het +levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan +worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden +tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat +donkerder soorten het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de +woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als +dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de +paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en +tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk +de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter +aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf +niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden +zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der +woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen +bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk +veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend +op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de +hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren. + +In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden +nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in +Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te +Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte +voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in +Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór +Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop +twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht, +terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee +Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen +houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen +zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel als bij de Przewalskipaarden +van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen +hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol +gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart +van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte +paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië +gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als +tegenwoordig de Aziatische wilde ezels. + +Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder +hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van +Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en +Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij +Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die +dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen, +waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk +even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar +inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke +wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten, +en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het +hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen +bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat +een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op +het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te +kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der +praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in +tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had +het dier dus eigenlijk reeds praehistorisch voor Europa, voordat men +het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren. + +Indien echter juist die paardenvorm eertijds bestaan heeft van +Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn +Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke +oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij +en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de +symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van +het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den +anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens +gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied +der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen +op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft +plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van +eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende +plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den +lichtkring der oudste Babylonische cultuur. + +Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een +diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China, +niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende +plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat +kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het +Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs, +Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die +oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn +voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar +toch in bijzonderheden van elkander afweken. En uit zoodanige +verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op +verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn +geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die +gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken +gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn +getreden. + +Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die +een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat +daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men +behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp +gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet +ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op +het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan. + +Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft +bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher +is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een +andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware +dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal +opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met +korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte +uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook +sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men +die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het +luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt, +en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar +brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch +dier hooge beteekenis heeft gekregen, het paard met spierkracht voor +den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die +beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van +een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te +komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw, +onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur +met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had +te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het +noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp +paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar +beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder +oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije +vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en +luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun +fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard +samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep +in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin +het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich +voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk +wordt bezongen. + +Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling +werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde +centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware, +dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest +van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der +Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele +Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit Stiermarken en Tirol, het +oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den +landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische +ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een +zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en +harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een +soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros, +dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op +welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken, +het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben +toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de +fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude +natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte +leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze +voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek- +en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard +uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk +zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de +Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud +reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die +levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed, +sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het +oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld +nog overheerschend. + +Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij +tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard” +denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele +oostersche cultuur van Babylon af. Het begrip „Arabisch paard” is +daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte +tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië +afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds +onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó +voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds +toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was. + +Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis +binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten +afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider +naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de +jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de +opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het +niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds +den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden, +krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich +voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor +in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst. + +In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten +als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude +Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den +indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een +kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere +man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die +oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de +reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch, +die reeds door de geheele oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel +leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een +voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche +offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold +het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de +Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het +Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter +heel wat ouder dan het geheele Christendom. + +Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der +Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den +wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten +ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der +geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is +daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste +type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd, +totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt. +Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw +„ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit +product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet +als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar +juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen +grootheid. + +Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan +aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste +afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele +oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende +afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf +hebben ingewerkt. + +In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld +nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met +lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is +gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute +duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog +aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan. + +Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn, +waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval +zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af +gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met +fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der +huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der +zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde +paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet +te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in +het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin +vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek +weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de +kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het +aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat +in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras +ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken +der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat +dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd +voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het +Arabische dier voortleeft. + +Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide +oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met +het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een +nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste, +wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken +niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij +speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de +meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van +zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel +cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft, +onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds +van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude +wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen +aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele +reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen +China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op +Java en in Japan. + +Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds +van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den +invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek, +dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige +noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die +geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een +werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander +cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde +hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van +cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is +binnengedrongen. Het oude Egypte uit den cultuurtijd heeft, zooals wij +reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst +laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde +oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver +gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika +heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische +paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo +interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het +onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard +uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat +ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de +Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl +zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook +verder naar Zuid-Afrika toe. + +Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen +regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken +hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun +oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen +langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval +wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in +de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die +hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop. +Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen +tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die +Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben +ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de +onmiddellijke nabijheid in hun eigen werelddeel paarden werden getemd, +en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn +gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche” +variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het +oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid +was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa +voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar +onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een +zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in +dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan +vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men +zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld +heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de +voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de +plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het +gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte, +fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische +verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die +behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale +milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in +overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor +spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop +oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten +van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en +Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der +Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door +middel van Zuid-Rusland te gelijk aansloot aan de steppe van +Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De +Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde +paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de +gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker +tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot +in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der +diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt, +komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche” +leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van +Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de +uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander +raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch +de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar +gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn +„westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij +zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen, +namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend +schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de +Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher +verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der +menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het +Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in +noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon +cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven, +hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel +hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche gebied +der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en +dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld +is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur +der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk, +waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de +antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de +noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een +groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de +paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk +oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met +den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud +eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in +den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel +aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze +dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor +de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in +eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt +beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die +vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op +het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd +cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras. + +Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken +gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor +zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een +oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel +is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van cultuur +schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben +behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve +toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche +cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar +buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den +barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor +oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche +cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van +volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het +schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog +een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de +paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die +in andere streken ontwikkeld wordt. + +Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den +mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het +paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel +andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de +veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij +arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een +overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen +het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt, +zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als +wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en +veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd +lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en +aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries +bestaande, leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de +paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies +van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als +noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken +van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk +een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en +paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden. + +Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk +opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men +tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer; +als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk +op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën +verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij +over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men +daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist +het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal +als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld, +doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten +beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit +geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht +voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke +diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk +gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan +zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later, +toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts +wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende +epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en +krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte, +dit huisdier door een ander te vervangen. + +Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd +rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij +hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg +voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren +der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de +jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en +wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het +transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu +weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot +tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de +geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de +mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een +gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te +spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige +steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk +moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was +niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een +kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon +dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de +veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met +het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit +losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien +draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard +behoorende bij kleine menschen zonder veel ballast, dat het echter met +dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der +tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden +kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid +werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche +paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen, +waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van +den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een +inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij +ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets +raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet +tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge +tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote +uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische +ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts +millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als +waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een +rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar +Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te +vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen +enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is +even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting +jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den +mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling +voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger, +eenig in zijn soort, den paardevoet. + +Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke +mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van +elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden +konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der +cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op +gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de +fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het +bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een +plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van +vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun +ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en +waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de +centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie +teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene +fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het +gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een +zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een +vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus +zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle +waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou +juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch +geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit +dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen? + +Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat +het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de +westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen +schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard +Hahn) en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had +afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als +trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke +invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid +hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het +best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het +oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist +toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van +het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en +edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut +in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit +vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den +aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één +volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te +reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als +ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog +verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en +koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een +zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets +spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben +beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een +koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde. +De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van +het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche +tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een +bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die +volstrekt niet onder den invloed behoefde te staan van vreemde +factoren. + +Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van +een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische +steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier. +Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een +vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle +bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit +Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in +beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die +oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het +land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden +echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de +tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend +merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht +hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen +naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en +daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het +muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een +ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel +gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft +zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als +cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin +maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen +keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in +aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries. +Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de +hand, dat tamme ezels de opgekweekte paardenmerries dekten. De overgang +zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het +fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen +keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger +omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders +ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge +paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar +heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte +pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk +zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd, +schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel, +terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk +op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een +jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin +alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben +opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het +ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs +aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een +enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie +en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de +practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben +aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen +heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de +gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het +product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter +verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich +overal in de geschiedenis van het paard ingevoegd hebben, waar men den +ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard +nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen. + +Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier, +dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is +hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle +hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het +begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten +slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een +genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het +Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht +minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel +voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land +veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier, +dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten +inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos +weder voort. + +In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe, +die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe +paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis +der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de +dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche +foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door +fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander +werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te +herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de +laatste tweeduizend jaren, om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was, +dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken, +in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele +gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude +streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid +samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het +noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje +tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende +poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje +een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de +kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen. +Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken +uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en +oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle +richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten +komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit +proces. + +Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche +paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het +westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware +achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar +zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal, +zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in +Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der +gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In +ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur +reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche +postpaarden noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel +den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een +industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte +afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang +wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant +onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van +vier romantische helden. + +Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het +echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het +„Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend +in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele +dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den +oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden +jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke +richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche +beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het +opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl +de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het +Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden, +en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde +het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op +Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het +westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een +afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche +wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het +tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed +met een beslist vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het +eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest +onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan +met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische +Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel +bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere +beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en +voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten +minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele +weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw +ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten +in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de +tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer +systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk +gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het +grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het +begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het +meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een +toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het +gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was, +door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over +de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het +grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het +beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men +dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen +scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig +acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van +het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den +veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den +koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele +Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij. + +Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten +reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type, +zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt, +ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard +was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier, +het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit +zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet +tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo +hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk +vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen +evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is +zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn. + +Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche +type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval +is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling +der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch +uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij +staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den +invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het +Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste +handelingen, waarbij zij zich het paard toegeëigend had, dan zou men +daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het +bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als +geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel +heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan +een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en +volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het +bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en +vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische +grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening +komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu +in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest +verkrijgen als basis ter acclimatiseering. + +Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen +ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa +voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië +te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige +getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die +herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige +paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type +behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist +met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die +tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart +Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met +zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de +meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den +Berlijnschen dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt +nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij +alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden +herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke +schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden, +onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds +het resultaat van menschelijke inmenging zijn. + +Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een +andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien, +hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten +ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder +den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis +volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De +eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een +paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar +alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op +eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden +geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen +onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden +zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters +onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op +het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard +afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat +het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s, +tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het +damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde +schaap in miniatuurvormen overgegaan; de herten met korte pooten, die +in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er +echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld +op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik +voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed, +tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks +geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke +dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de +ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft +kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de +werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de +verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare +gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder +de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog +zoo duister is. + +Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze +planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in +dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei +het kenmerk was der tertiaire periode. + +Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van +jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien +geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in +een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de +wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op +zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld, +die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd +onafgebroken van sport tot sport heeft opgeheven: wij bedoelen de +verhouding van het paard tot den mensch. + +De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard. + +Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook +hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in +de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik +van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen +electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist +dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke +natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste +staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun +gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen, +die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als +vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het +hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn +die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat +zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste +onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der +planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die +hersenen niet meer van zoo groot belang. + +Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de +aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen +„weelde” en „sport” in zich sluiten. + +Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het +oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters, +een vreugde voor het oog werd, en niet hijgend den zwaar beladen wagen +door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm +van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het, +naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in +zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het +paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een +kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid +der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg +voor de toekomst. + +Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer +beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar +hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die +aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook +ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin +te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het +toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij +niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de +beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de +marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende +bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven +ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur +blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het +levende edele paard. + + + + + + + + +KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD. + + +Een dier in Symbiose met den mensch Blz. 1–11. + +Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat +is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier +en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard +bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van +het wilde paard. + + +Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden Blz. 11–32. + +Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent +de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch +verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been +verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het +paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het +paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het +verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van +het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten. +De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke +plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de +griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger +eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een +dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een +middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den +paardepoot? + + +De stamboom van het paard geologisch gestaafd Blz. 32–67. + +De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van +dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van +paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche +werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde +paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige +dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van +een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige +equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos. +De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen. +Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier +Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef +krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van +Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat +gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang +begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier +geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het +geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter +vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van +benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap” +der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan. + + +Is het paard twee maal ontstaan? Blz. 67–90. + +De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den +Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met +hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als +wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er +een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de +dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks +bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom +bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen. +Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde. +Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in +de oude wereld. + + +De tapir Blz. 90–104. + +De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de +Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De +tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een +uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn +physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe. +De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven. +Verschillende soorten van tapirs. + + +De neushoorn Blz. 104–143. + +Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige +oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers +van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige +equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de +hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns. +Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als +waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij +neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale +stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te +worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven. +Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt +misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers +onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De +ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische +neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het +pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige +neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire +periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een +zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af +te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier. +Overgang naar de overlevende echte wilde paarden. + + +De ezel als wild dier en als cultuurdier Blz. 143–155. + +De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De +verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De +steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der +Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de +oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel +tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De +ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn +verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische +dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren. +Aziatisch bloed in tamme ezels. + + +De zebra Blz. 155–170. + +Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel +der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den +zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in +de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring +klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen. +Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De +tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum +bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het +uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra. +De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra +steekt niet in onze cultuurrassen. + + +Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den +oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden Blz. 170–213. + +Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor +Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild +paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het +cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van +overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa. +Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden +in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een +klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in +het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van +het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische +wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het +winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”. +Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht. +Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende +temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele +tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het +zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het +ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche +luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden +met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel +temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in +de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een +zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische +steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en +paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van +Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom +de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het +muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het +muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van +alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het +oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele +ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het +ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het +Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard. +Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony. +De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van +het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de +sport. + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Job, Hoofdstuk XXXIX. + +[2] Het Dierenboek. + +[3] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env. + +[4] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env. + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76754 *** |
