summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76234-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76234-0.txt')
-rw-r--r--76234-0.txt3111
1 files changed, 3111 insertions, 0 deletions
diff --git a/76234-0.txt b/76234-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..b10c5ef
--- /dev/null
+++ b/76234-0.txt
@@ -0,0 +1,3111 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76234 ***
+
+
+
+
+
+ TEXEL
+
+ DOOR DR JAC. P. THIJSSE
+
+
+ TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES,
+ NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH,
+ C. ROL, J. VOERMAN JR EN SAM VAN BEEK.
+ SAMENSTELLING VAN HET ALBUM DOOR JAC. J.
+ KOEMAN. BAND VERSIERING EN TEEKENINGEN
+ IN DEN TEKST VAN C. ROL. PLAATJES IN
+ OFFSETDRUK VAN L. VAN LEER & CO. DRUK-
+ EN BINDWERK VAN BLIKMAN & SARTORIUS
+
+
+ UITGAVE VERKADE’S FABRIEKEN, ZAANDAM, 1927
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD
+
+
+Men noemt Zwitserland wel eens het speelveld van Europa. Bergsport,
+Wintersport, maar bovenal de aanschouwing van de heerlijke Planten- en
+Dierenwereld en van den bouw van bergen en dalen, kloven en gletschers
+geven gelegenheid tot veredelend genieten. Speelvelden van dien aard
+hebben wij ook in ons land en het voornaamste daarvan wordt wel gevormd
+door de Noordzee-eilanden en de Waddenzee. Van de eilanden is zonder
+twijfel Texel het schoonste en het rijkste. In dit album hebben wij
+gepoogd U daarvan het een en ander te vertellen en te vertoonen.
+
+
+ Dr. JAC. P. THIJSSE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+I. DE EERSTE KENNISMAKING
+
+
+Toen ik, nu zevenendertig jaar geleden, op Texel ging wonen werd ik
+oprecht beklaagd door mijn Amsterdamsche vrienden en collega’s. Wat was
+er nu op zoo’n schapeneiland te beleven? Maar ik wilde spoedig een
+„positie” hebben, en nu kon ik kiezen tusschen Wormerveer, Texel en
+Sint Petersburg. Mijn leven lang zal ik er mij over blijven verheugen,
+dat ik Texel heb gekozen, en—al heb ik er maar twee en een half jaar
+gewoond, Texelaar zal ik blijven tot het eind.
+
+Het zou wel meevallen, dacht ik. Texel is even groot als Walcheren en
+er is meer verscheidenheid van grond dan op de parel der Zeeuwsche
+eilanden. Ook kreeg ik van mijn goeden vriend en leermeester Kerbert
+een aardig boekje cadeau, dat handelde over de Flora der
+Noordzee-eilanden. Dit proefschrift van den helaas jong gestorven
+botanicus Holkema was toen al een jaar of twintig oud, maar nog
+volmaakt bruikbaar, want destijds waren de veranderingen op Texel van
+geenerlei beteekenis. Onder het lezen van dat boekje werden mijn oogen
+al grooter en grooter, want wat daarin staat van duinen en
+duinvalleien, van stranden en slikken, van heuvels en heiden is wel
+geschikt om een vierentwintig jarig natuurvriend in geestdrift te doen
+ontsteken en te vervullen met ongeduld. Ik weet niet wat er gebeurd zou
+zijn, als er een dergelijk werkje over de vogelwereld van het eiland
+had bestaan, want die is er nog feestelijker dan de flora. De meeste
+voor het ongewapend oog zichtbare planten en dieren van Nederland kende
+ik al. Die had ik gevonden in de omgeving van Amsterdam, in den
+vierhoek Monnikendam, Muiderberg, Abcoude, Zandvoort. In de laatste
+veertig jaren is in dien vierhoek al veel natuurschoon verloren gegaan,
+maar nog groeit en leeft er genoeg, om rijke voldoening te schenken aan
+ieder, die genoegen vindt in het aanschouwen van het leven van planten
+en dieren. Ja, op het bevoorrechte Texel komen niet eens zoo heel veel
+planten en dieren voor, die ook niet in dien vierhoek zijn te vinden.
+Toch bestaat er hemelsbreed verschil.
+
+Na een kil zeereisje op de ranke „Ada van Holland” zette ik voet aan
+wal in de haven van Oude Schild (B) op een druilerigen namiddag in
+Januari 1890. Het kwakkelde wat, de wegen waren modderig. Het was drie
+kwartier loopen naar de hoofdplaats van het eiland. Het weer was niet
+slecht genoeg, om de gele diligence noodig te maken en ik kuierde
+welgemoed langs den grooten weg, want de bijwegen moest ik nog
+ontdekken. Trouwens die groote weg was nog smal genoeg. Eerst ging het
+over en langs den Zuiderzeedijk en toen landwaarts in langs een paar
+vervallen schansen, die vroeger de Texelsche ree moesten verdedigen. De
+weg ging nu eerst langs lage hooilanden, toen tusschen hooger grond
+waar schapen, dicht in hun vacht, knabbelden aan het korte gras of
+lagen te herkauwen in de luwte van een walletje. Hier in het hooge land
+zijn geen slooten, maar de weiden worden begrensd door walletjes van
+meter hoog tot manshoog, al naar de gesteldheid van den grond. Die
+„tuunwoaltjes” worden opgebouwd van dikke graszoden. Een nieuwe wal kan
+er keurig uitzien, maar na een paar jaar gaat hij aardig verzakken en
+vallen er hier of daar gaten in tot groot genoegen van de tapuiten die
+er hun nesten in maken. Soms is de wal nog versterkt met een
+prikkeldraad op korte paaltjes. Ik herinner mij nu nog goed, dat de
+eerste tuunwoaltjes die ik ontmoette dicht begroeid waren met groote
+rosetten van reigersbek en propperige pollen van Engelsch gras. Meer
+was er op ’t oogenblik niet te ontdekken.
+
+De weg ging tegen den Hoogen Berg op langs een boerderij, die zeer
+terecht den naam voerde van Panorama. Hier kijk je over de heele
+zuidhelft van het eiland heen, meerendeels golvend hoogland,
+rechthoekig ingedeeld door tuunwoaltjes, links een lage polder, de
+Prins Hendrik, recht vooruit de slanke toren van Den Hoorn en in een
+wijden boog daarachter de duinen langs Marsdiep en Noordzee. Dichterbij
+naar rechts lag Den Burg in hoog geboomte en daar stapte ik na een
+kwartiertje binnen, gastvrij ontvangen door mijn nieuwen collega, het
+hoofd van de dorpsschool. Mijn „positie” was namelijk die van hoofd van
+de school met uitgebreid leerplan, kortweg ook wel genoemd de Fransche
+school.
+
+Den volgenden morgen ging ik naar die school toe en kwam net aan op het
+oogenblik dat de grootste jongen, een zestienjarige reus, een van de
+kleineren in de dakgoot zette, zoo lang was die jongen en zoo laag die
+dakgoot. Het was maar een klein schooltje en ik verdenk de muren ervan,
+dat ze maar halfsteens waren. Er was een luchtige zoldering en de
+groote ramen keken deels uit op het kerkhof, deels op het park en in
+den zomer zat daar een Spotvogel (106), die zong den heelen dag. De
+jongens noemden hem Bastaardnachtegaal en wisten dat hij de mooiste
+eitjes heeft van alle zangvogeltjes, behalve de Wielewaals, maar dat
+was weer niet de Wielewaal, doch de grauwe Klauwier. Ze hadden
+eigenlijk onder elkaar zoo maar die namen bedacht. Met de waadvogels en
+zwemvogels vergisten ze zich nooit en ze konden weergaasch goed een
+abnormaal dof en groenig tureluurei onderscheiden van een abnormaal
+glanzig kievitsei. Velen van hen waren bezig om eierenverzamelingen aan
+te leggen, wel een beetje al te hevig en dat heb ik toen trachten te
+temperen, door met elkaar een schoolverzameling te maken. Dat ging
+uitmuntend en door die gemeenschappelijke bemoeiingen werden we heel
+goede vrienden, temeer daar ik onvermoeid in ’t loopen was en met een
+aanloop over breedere slooten kon springen dan de beste van hen. Met
+den polsstok waren ze me de baas.
+
+Dat polsstokspringen ligt in de natuur van de Texelsche en Friesche
+jongens. In de steden volgt op het schaatsenrijden de knikkertijd, daar
+op Texel komt in Februari de polsstok voor den dag en dat polsspringen
+is de natuurlijke voorbereiding voor het eieren zoeken, dat al vroeg in
+Maart begint, want dan zijn er al „eendseier”. Het eerste kievitsei
+wordt omstreeks 15 Maart gevonden en dan volgen zes weken van wettig
+eizoeken. Sommigen doen dat om den broode en allemaal doen ze het als
+een bijzonder soort van sport. Ik heb wel oude heeren van
+vijfenzeventig jaar een stuk land zien afstappen, om toch nog eens het
+genoegen te hebben van een legsel eieren van kievit of marel of
+tureluur te vinden. De jongens namen mij graag mee „te eizoek” en dat
+was heel goed, want nu kon ik ze beter begrijpen en beoordeelen. „Och,
+mijnheer”, zei er een, toen zijn Duitsche thema krioelde van de fouten
+„als ik de marels en tjerken zoo boven de school hoor roepen, dan moet
+ik wel eens minder goed opletten.” Nu, met dat Duitsch is dat wel in
+orde gekomen en de vent is later nog millionnair geworden ook. Ze
+hadden heldere koppen, die Texelsche jongens en ze zijn haast allemaal
+goed terecht gekomen. Ze hadden een bijzonder goed gevoel voor mooi
+weer, zoowel in den winter als in den zomer en waardeerden het altijd,
+wanneer ik (op hun milden aandrang) met hen het luchtig schooltje
+verliet om buiten te gaan teekenen, om waterwerken te maken aan de
+Fonteinsnol of aan het strand, of op de schaats heen en terug naar
+Cocksdorp te rijden. We genoten samen den strengen winter van 1890 op
+1891 en als we elkaar nu nog in de wereld ontmoeten, dan hebben we het
+nog wel over de groote sneeuwvesting, waar we vier dagen aan gewerkt
+hebben met zoowat de heele jeugd van het dorp en dat eindigde met een
+bestorming, die me nog in verbeelding de handen naar de ooren doet
+brengen. De ouders vonden mij wel een raren Franschen meester, want de
+vorige mesjeus waren nog al mannen van gewicht geweest. Ze hadden
+echter goed vertrouwen en slechts éénmaal heeft er een ingezonden stuk
+in de Texelsche Courant gestaan over de ruwe bende van mijnheer
+Thijsse. En dat over jongens en meisjes, die op school zoo mak waren
+als de lammetjes, waaraan het eiland zijn welvaart te danken heeft.
+
+Al mijn vrijen tijd besteedde ik aan de ontdekking van het eiland en
+het duurde niet lang, of ik zette mij er aan, om het eens heelemaal
+rond te loopen. Als je wilt dan kun je dat wel op één, maar dan ook
+heel langen, dag klaarspelen, want de omtrek langs de hoogwaterlijn en
+de zeedijken bedroeg toen ± 60 K.M. Tegenwoordig, nu Onrust aan Texel
+is vastgegroeid, is de afstand iets grooter.
+
+Ik heb het in tweeën gedaan, op een paar dagen in ’t laatst van April.
+Den eersten dag ging ik van Den Burg naar De Koog en toen noordwaarts
+om en over Oude Schild weer naar huis, den tweeden dag over Oude Schild
+zuidwaarts om en over de Koog weer naar Den Burg. Zulke dingen doe ik
+uit een soort van aardrijkskundige stijfhoofdigheid en om eens iets
+compleets te verrichten.
+
+Beide dagen had ik prachtig weer. De weg van Den Burg naar Koog was
+toen iets mooier dan nu, want je had tegenover het kerkhof toen nog de
+mooie oude hoeve De Bogaart met aardig geboomte. Daar is nu natuurlijk
+een nieuwe wijk gekomen. Bij Buitenlust nam ik natuurlijk het landpad.
+Dat is het aardige van de wandelingen op Texel, dat je op heel veel
+plaatsen korte paden door de weiden vindt met stapsteenen om over de
+hekken te komen. De schapen en lammeren zijn al lang aan de wandelaars
+gewend en je loopt daar dan heel prettig. Uit een drinkkolk vliegt af
+en toe onverwacht de een of andere vogel op, leeuweriken en piepers
+zijn niet van de lucht af. Bij Hermanshoeve komen we weer op den
+grooten weg en die gaat dan vrijwel recht op De Koog af. Hermanshoeve
+met zijn groote schuur is eigenlijk geen typische Texelsche
+boerenplaats. De echte, dat zijn de vierkante stolpen (A) met hun hooge
+pyramidale daken. Die stolpen hebben haast geen bijgebouwen; het
+hoofdgebouw bevat woonhuis, stal en hooizolder tegelijk. Halfweg de
+Koog ontdekte ik tot mijn vreugde een paar boschjes en verder naar
+rechts, achter een paar boerderijen, nog een tamelijk groot boschje, de
+Nieuwe Aanleg, in dien tijd het voornaamste bosch op Texel. Menigeen
+meende destijds dat de zeewind op het eiland de bebossching onmogelijk
+zou maken, een meening, waarin je wel versterkt werd, als je de
+scheefgewaaide, dakvormig plat gegroeide meidoornhagen (M) zag bij
+sommige boerderijen. Vijf jaar later zouden we wel andere dingen
+daarvan beleven.
+
+Een klein half uurtje voor De Koog begon de hei, daar zijn nog een paar
+brokjes van over. Het aardig dorpje met zijn uitheemsch aandoend kerkje
+ligt vlak tegen het hooge duin, dat in strijd met de boeken aan de
+landzijde lang zoo steil niet is als aan den zeekant. De duinen zijn
+hier maar smal, na een ploeterpartijtje door het rulle zand van enkele
+minuten bereiken we het breede strand en de groote zee en nu hebben we
+nog precies dertien kilometer te wandelen langs de branding. Wie van
+strand en zee houdt beschouwt dat als een groot genoegen en heeft niet
+eens de afwisseling noodig van de dieren of van de verrassingen van het
+aanspoelsel. Toen, op mijn eerste ontdekkingstocht was er zelfs een
+zeer levendige stoffeering; er zat bij de kleine Slufter (2) een groote
+katoenboot op het strand, nog al hoog en die was men druk bezig te
+lossen. Strandingen en strandvonderij, strandroof en al wat daar bij
+hoort zijn vroeger op de eilanden heel gewone dingen geweest, maar
+sinds de vermeerdering en versterking van vuurtorens en bebakening is
+daar de klad in gekomen. Toch kun je geen week op Texel zijn, of je
+wordt weer strandjutter en ik kon de jongens (en meisjes) van de school
+geen grooter feest aanbieden dan een gemeenschappelijke jutpartij, al
+vonden wij meestal niet anders dan kurken en bamboestokken.
+
+Al heel in de verte zag ik het wrak liggen, duidelijk weerspiegeld in
+het heldere water. Maar dat was in het geheel geen water, maar wat je
+noemt een luchtverheveling of fata morgana. Op deze breede stranden
+krijg je dezelfde uitwerkingen van licht en warmte als in de woestijn.
+Het is heelemaal geen zeldzaamheid om aan den voet van het verre duin
+een spiegelgladde plas te zien, die er niet is. Ook kringen om de zon,
+bijzonnen en lichtzuilen zijn op onze eilanden vrij gewone
+verschijnselen.
+
+Bij ’t wrak moest ik landwaarts in, want de Slufter was toen nog een
+vrij belangrijke geul, die hier de duinenrij afsneed. De strandlijn
+bleef dezelfde, maar de duinenrij week bijna twee kilometer
+binnenwaarts en zoo sta je hier dan voor een zandvlakte van dezelfde
+uitgestrektheid als een heide in Drente of op de Veluwe. Maar ’t is
+effen zand, hier en daar een plasje, rechts de rechte duinenrij van den
+Eijerlandschen zanddijk en vooruit kleinere en grootere duingroepjes,
+die zich eindelijk aaneensluiten tot de vuurtorenduinen. Al uitwijkend
+voor de Slufter kwam ik al heel dicht bij den Zanddijk en daar vond ik
+een zoetwaterplas aan een dwarsdam met een duiker. Door dien duiker
+stroomde de afwatering van de ontginning De Nederlanden, destijds de
+eenige in het duin. De omgeving van de plas was begroeid met gras en
+ook de lage duintjes in de onmiddellijke omgeving hadden een dicht
+kleed van gras en kruiden.
+
+Hier kreeg ik een van mijn voornaamste vogelkundige nieuwtjes te
+genieten. Langs het water liepen een aantal vogels zoo groot als een
+kievit, maar met langer pooten en ze hielden hun hals hooger. Het leken
+dieren uit een andere wereld. Hun onderkant en keel en wangen waren
+pikzwart en daar ging een spierwitte streep omheen. Nek en rug
+zilvergrijs met donkere vlekken. Zulke vogels had ik bij Amsterdam nog
+nooit gezien en ik was dus met deze „goudkieviten” niet weinig in mijn
+schik. In de boeken heetten ze zoo, maar we zijn bezig dezen naam te
+vergeten en hem te vervangen door zilverplevier (90), een naam die een
+beter begrip geeft van het uiterlijk en de verwantschap van die mooie
+vogels. Ze broeden in de Poolgewesten en we zien ze hier ieder jaar in
+groot aantal op den doortocht, zoowel op den voorjaars- als op den
+herfsttrek. Enkele blijven zelfs den heelen zomer hier en bij dat
+dammetje achter den Slufter mis ik ze zelden.
+
+Nu ging het noordwaarts over de groote zandvlakte. Van de zee was niets
+meer te zien. Ik zwierf maar voort van duintje naar duintje. Die lagen
+verstrooid over de woestijn, sommige aangroeiend, andere werden door
+den wind weer uiteengeblazen, doordat er op de een of andere manier een
+opening was gekomen in hun helmkleed. Ook lagen hier weer enkele
+plasjes en daar scharrelden weer vogels rond en wel de prachtige
+bergeenden (76), negen paren bij elkaar. In de verte maken ze den
+indruk van zwart en wit, maar als je dichterbij komt bewonder je de
+roode pooten, den rooden snavel, den groenen kop, den bruinen halsband;
+och wat een mooie vogels en wat een fiere houding heeft het mannetje.
+Ze vlogen op en zetten koers naar het duin, waar ze hun nesten hebben
+in de konijnenholen.
+
+Bij een andere plas liep ook weer zwart en wit gedoe, maar kleiner dan
+die bergeenden. Hun kop is zeer grillig geteekend, wit, met allemaal
+zwarte dwarsbanden en teugels, net of ’t beest gemuilband is. Oranje
+snavel, oranje pooten, bruin op de vleugels. Als ze opvliegen komt een
+breede witte rugstreep te zien en witte strepen op de vleugels. Dat
+zijn steenloopers (69), ook doortrekkers, die hier niet broeden. Er is
+misschien een heel klein kansje, dat ze ’t ook eens bij ons zouden
+kunnen probeeren, want ze broeden al aan de Oostzee. De naam
+steenlooper is alweer niet erg gelukkig want ze loopen meer op slib en
+zand dan op de steenen. In de andere talen heeten ze ook al
+Steinwälzer, Turnstone, Tourne-pierre en dat wijst er op dat ze steenen
+of ook wel schelpen omkeeren, om de diertjes te bemachtigen, die
+daaronder zijn verscholen. Toch durf ik niet voor te stellen om ze
+steendraaiers te gaan noemen. Ook deze vogels waren een groot nieuwtje
+voor mij.
+
+Nu ging ik weer zeewaarts, ofschoon de vuurtorenduinen er aantrekkelijk
+genoeg uitzagen. Deze vormden vroeger een afzonderlijk eiland met de
+groote slibbank Eijerland als aanhangsel. Door het aanleggen van den
+stuifdijk en den grooten Eijerlandschen dijk is de slibbank tot een
+vruchtbaren polder gemaakt, al is het er met de eieren wat minder op
+geworden. Het strand bij de vuurtorenduinen bleek in ’t eerst nog zeer
+breed en zeer rijk aan schelpen, schelprijker dan elders op Texel. Op
+zoo’n gunstig plekje is van alles te verwachten: Amerikaansche
+Boormossel (126), Groote Strandschelp (122), Kokkels (123), Mesheften
+(121), Nonnetjes (125), Stevige Strandschelp (124), Teere Strandschelp
+(125), Tepelhoorn (127), Witte Boormossel (126), Wulk (128), van alles
+en nog wat. Misschien is dat al wel langen tijd zoo, tenminste de
+vuurtorenduinen zijn over ’t algemeen zeer dicht begroeid, hetgeen
+wijst op tamelijk vruchtbaar, kalkrijk zand. Daar had ik toen echter
+nog niet veel erg in. Ik vond het interessanter om zoo spoedig mogelijk
+de noordelijkste punt van mijn eiland te bereiken en stond weldra aan
+het Eijerlandschegat op een plek zoo woest en verlaten, dat een
+Amsterdammer er naar van zou worden. Bovendien was het April, in ’t
+volst van den trektijd en nu wemelde het hier van steltloopertjes op
+weg naar de Noordpool of dichterbij. Daar waren drieteenige
+strandloopertjes (72), zoo wit alsof ze pas uit een meelzak kwamen, en
+bontbekpleviertjes (68) met oranje snaveltjes en pootjes en aan den kop
+en keel ook al met zoo’n zwart-met-wit hoofdstel als bij den
+strandlooper, maar regelmatiger en meer rechtlijnig. Ook liepen er
+Kanoeten, mooi in ’t roode zomerkleed en nog een massa klein gedoe. Het
+is net alsof die trekvogels bij zoo’n zeegat graag vertoeven. Ik heb
+dat later nog dikwijls opgemerkt. Het is alsof een klein troepje den
+overtocht niet aandurft en of ze nu wachten op meer en meer, totdat
+eindelijk een bende van duizenden den overtocht wil wagen. Het was daar
+op dien verlaten uithoek dus nog zeer levendig. Van Vlieland was weinig
+te zien, de Vliehors is niet eens zoo heel ver weg, hoogstens een paar
+kilometer, maar die ligt zoowat gelijk met het water. Heel in de verte
+lagen de Meeuwenduinen als een grijs nevelvlekje aan den horizon.
+
+Nu oostwaarts om en nu werd opeens het strand heel smal, want de eb- en
+vloedstroom, door het Eijerlandschegat, hoewel niet sterk, knaagt hier
+bijwijlen den oever af, het eene jaar sterker dan het andere. Hier vond
+ik ook een klein poldertje, dat heet niet te onpas „de Volharding” want
+telkens weer slaat er een gat in den dijk of de zee slaat over den dijk
+en dan begint de eigenaar maar weer van voren af aan om het weer droog
+te leggen. Op dezen Aprildag lag het vroolijk te groenen en te bloeien
+en eigenlijk was de polder half overdekt met Kieviten, eenige
+duizenden, die ook alweer wat verderop moesten. Het gekste was wel, dat
+temidden van deze reizigers de Hollandsche Kieviten er al hun nesten
+met eieren hadden. Van de Volharding is het nog maar een klein eindje
+naar De Cocksdorp (8), een lang dorp van een dubbele rij huizen, nog al
+aardig in de boomen en het ziet uit op een zeer schilderachtige
+waterpartij, de Roggesloot, een oude slenk van het Eijerlandsche gat,
+die bij de inpoldering is blijven bestaan. In het Hotel-Restaurant van
+Cocksdorp—waar twee uitmuntende logeerkamers zijn—bracht ik een half
+uurtje door met het bekijken van een zeer merkwaardige kaart van Texel,
+waarop al de gestrande schepen van de laatste tientallen jaren waren
+geteekend. De hotelhouder, een beroemdheid op het gebied van
+strandingen en reddingwezen en bezitter van ik weet niet hoeveel
+medailles, wist daar natuurlijk heel wat van te verhalen.
+
+Nu begon de dijkwandeling. Eerst een stukje Eijerlandsche dijk en dan
+de dijk van den polder de Eendracht, die hier tegen Eijerland is
+aangeplakt. Buiten den dijk ligt hier een uitgestrekte kwelder,
+doorsneden met kreken en die gaat weer over in een onmetelijke zand- en
+slibbank, de vlakte van Kerken. Eventjes van den dijk af de kwelder op
+en daar had je het lieve leven gaande. Daar vlogen honderden witte
+vogeltjes op, zoo groot als musschen. Ze hadden gele snavels en waren
+niet heelemaal spierwit, maar hadden nog wat rossig en gelig en bruin
+aan kop en vleugels en staart. Ook alweer reizigers naar Noorwegen.
+Misschien ook naar Schotland of Lapland, deze aardige Sneeuwgorzen. Ik
+kende ze goed, want ze overwinteren ook aan de kusten van de Zuiderzee
+bij Amsterdam. Die slikken achter de Eendracht (E), daar heb ik later
+nog wel millioenen vogels gezien van allerlei soorten, maar nooit
+vergeet ik die prachtige vlucht van sneeuwgorzen op mijn eerste
+ontdekkingsreis.
+
+Zuidwaarts van de Eendracht kwam ik op den grooten nieuwen dijk van den
+Polder het Noorden. Die was nog niet lang geleden drooggemaakt en lag
+er woest en verlaten, want de grond was nog niet goed voor bebouwing
+geschikt. De mooie molen (G) leek werkelijk overtollig. Westwaarts
+kijkend zag je niets dan een vlakte met groote plassen en kreken en
+daartusschen hier en daar wat plukjes grasland. Maar vogels! lieve
+hemel wat een vogels. Ze liepen in de kreken, stonden te dutten langs
+de oevers, zaten in het gras en vlogen her en der. Het was een gejodel
+van Tureluurs, een geschreeuw van Scholeksters en geroep van Kluten,
+een tierelieren van Leeuweriken en Piepers en zoowaar ook al gekrijsch
+van Vischdiefjes, de eerste, die waren aangekomen en die spoedig door
+nog duizenden zouden worden gevolgd. Men meende toen in 1890, dat de
+droogmaking van dezen polder op een mislukking zou uitloopen en dat men
+liever de oesterbanken had moeten behouden. Maar als vogelland was die
+plek onovertreffelijk en alleen wie in die jaren het noorden gezien
+heeft kan gelooven hoe wonderrijk en talrijk zelfs bij ons in Nederland
+een vogelvestiging kan zijn. Nu verder langs de Zuiderzee, altijd maar
+langs den hoogen dijk, die wat amusanter is dan de rechte dijken, die
+ik tot nu toe volgde. Hij ligt met allerlei bochten, is aan de
+buitenzij bekleed met zware steenblokken, aan de binnenzij begrensd
+door een breede dijksloot. Daarachter liggen de hooge weilanden en de
+lage hooilanden en in deze laatste wemelt het van Marels of Grutto’s,
+de langhalzige, langsnavelige, langbeenige, luidruchtige steltloopers,
+die zoo klagelijk kunnen schreeuwen. In de dijksloot zwommen hier en
+daar Waterhoentjes en Koeten en er dook een klein vlug Hagelzakje of
+Dodaars. Ook grijs met witte oeverloopers, de steltloopers die in
+vlucht en manieren zoowel lijken op Zwaluwen als op Kwikstaartjes gaven
+veel vertier langs die dijkslooten. Je ziet ze op Texel in groot aantal
+gedurende een groot deel van het jaar, maar we hebben ze er nog nooit
+broedend gevonden. Het eenige oeverloopernest, dat in Nederland is
+gevonden, lag in de buurt van Nijmegen. De kaap van Oosterend geeft nog
+eenige afwisseling, vooral doordat er een paar aalscholvers bovenop
+zaten. Op een vooruitstekend punt van den dijk, waar het nog al steil
+naar beneden ging, zaten onder water een groep kleurige Zeeanemonen
+vastgekleefd op de steenblokken, ook nog al een aardige vondst. Zoo
+kwam ik heel tevreden in Oude Schild aan en vandaar was het nog drie
+kwartier naar huis, heel prettig over den Hoogen Berg heen.
+
+De tocht zuidelijk om was al even prettig en mooi. Ik ging bij den Burg
+het zandwegje in naar het kerkhof van Oude Schild, een weg tusschen
+hooge tuinwalletjes. Deze heele buurt, Noord-Haffel en Zuid-Haffel is
+er een van hooge walletjes en paden in allerlei richting en als ik nu
+eens dicht bij huis buiten wou gaan zitten lezen of niets doen, dan
+vond ik hier altijd bij elken wind een veilige beschutting. Ook waren
+deze wallen dicht begroeid en vooral in April en Mei zagen sommige
+plekken blauw van de Grasklokjes (35) en Zandblauwtjes (44).
+Afzonderlijk in de laagte lag een eendenkooi, daarvan had je er
+destijds een stuk of vier op Texel en later heb ik bevonden dat die
+kooi in ’t voorjaar dicht begroeid was met wilde Hyacinthjes. Langs een
+smalle hooge kade komen we eindelijk bij Ceres en hier begint de dijk
+van den Prins Hendrikpolder. Die was toen al 15 jaar oud en raakte al
+aardig begroeid, maar hij zat toch ook nog vol met vogels, net als het
+Noorden. Ook was er een molen die is sedert verdwenen. Aan ’t eind van
+de Prins Hendrik is het Horntje, dat heeft van de zeestroomen nog meer
+te lijden dan de Volharding. Nu komt de mooie baai van de Mok, die
+doodloopt tegen slijkvelden en kortgegraasde weiden en hier wemelde het
+weer van vogels, zoowel aan de Mokzijde als aan den noordkant van ’t
+duin, waar een vierkant meertje in bezit was van een paar honderd
+kluten. Nu naar ’t zuidelijk Mokduin, daarvoor moest ik over de
+Moksloot springen, want ik had geen erg in het bruggetje hooger op. Dan
+’t duin over en ik stond op een breed strand waar jonge duintjes aan
+het groeien waren. De jongens hadden me gewaarschuwd dat deze zuidkust
+nog al veel inhammen had en daarom moest ik maar liefst niet te ver van
+den duinvoet gaan. Dat heb ik dan ook braaf gedaan, maar kon ’t toch
+niet laten om zoover mogelijk te loopen in de richting naar Onrust, dat
+toen nog een eiland was. Met gevoelens van gepasten eerbied stond ik
+dan eindelijk ook aan den oever van het smalle Noordergat, waarlangs
+eenmaal Johan de Wit de Hollandsche vloot naar buiten heeft geloodst.
+Het Zuid-Westerstrand (1) was hier onafzienbaar breed en rijk aan
+schelpen. Verderop naar ’t westen, werd het al smaller totdat het
+eindelijk heel smal werd, geen twintig meter van duinvoet tot
+hoogwaterlijn. Dit zijn de duinen achter De Westen (6) en bij
+springvloeden en zware stormen worden die soms loodrecht afgesneden
+door de woeste golven.
+
+Van hier naar De Koog wordt het strand weer gaandeweg breeder. Ik
+herinner mij nog goed hoe ik mij op dat stuk geamuseerd heb met een
+viertal strandloopertjes dat jacht maakte op Strandspringers. Dat zijn
+witte Schaaldiertjes, ze lijken wel wat op de zoetwatergarnalen, die je
+uit de slooten schept, als je naar Stekeltjes of Watertorren vischt.
+Deze strandspringers vertoeven het meest in de lange lijn van het
+strand-aanspoelsel. Als je daar langs loopt springen ze vaak voor je
+voeten uit. De Strandloopertjes nu stommelden met hun snaveltjes even
+in dien rommel en als er dan een strandspringer weghuppelde dan holden
+zij hem na en in tien van de tien gevallen werd hij opgepeuzeld. Het
+was nog een heel eind naar de Koog en driemaal was ik in de verleiding
+om door een „slag” in het duin regelrecht naar huis te gaan, maar
+vanwege de aardrijkskundige stijfhoofdigheid en den zin voor het
+volledige bleef ik doorzetten en zoo mag ik dan beweren, dat ik het
+eiland Texel geheel heb rondgeloopen, zevenendertig jaar geleden in
+twee dagen. Na dien tijd heb ik het nooit meer gedaan, ofschoon ik
+natuurlijk alle deelen van dien omtrek nog wel heb bezocht, sommige
+twee of drie maal, andere verscheidene malen.
+
+Daarna volgden de ontdekkingsreizen in het binnenland. De schapenweiden
+waren gauw genoeg bekeken, maar verspreid daarin lagen allemaal kleine
+boschjes en die hielden mij voortdurend in hun betoovering. Daar had je
+dicht bij den Burg eerst de Boogaart en dan Bakkersboschje,
+Meijerboomsbosch, De Blauwe Poort en de Zeshonderd, allemaal in
+hoofdzaak elzenhakhout. Bakkersbosch was bij de kinderen beroemd om
+zijn wilde Hyacinthjes, maar Meijerbooms was mij het liefst. Het
+bestaat gelukkig nog. Het was aan de vier zijden omgeven door slooten;
+die aan den hoogen kant was meestal half droog, de andere hadden een
+flinken rietgroei. Behalve Elzen en Esschen groeiden er ook veel Berken
+en Waterwilgen en Lijsterbes met vooral aan de westzijde
+ondoordringbare Bramen en Kamperfoelies (57). Een groot deel was dicht
+begroeid met hooge stekelvarens, verwanten van de Mannetjesvarens (58),
+de grond was daar echt boschveen, decimeters diep, wat wel getuigt van
+den grooten ouderdom van deze boschjes. Uren en uren heb ik in die
+varens gezeten, luisterend naar de vele vogeltjes van het bosch en van
+de rietzoomen. Daar zong de Spotvogel (106) onvermoeid en ook de
+Boschrietzanger (99), die zooveel op hem lijkt. Daar huisden tevens
+Fluiters en Grasmusschen, Kneutjes en Klauwieren en eenmaal maakten er
+Eksters een nest in een laag berkje, niet hooger dan manshoog. En als
+je kroop naar den rand van ’t boschje, dan kon je uitzien over de
+weiden en hooilanden en zien hoe die Kieviten en Tureluurs naar hun
+nesten stapten, of hopen dat je den Kwartelkoning te zien zou krijgen
+die hier tergend luidruchtig maar steeds ongezien zijn „peersneers” ten
+beste gaf. De Blauwe Poort lag nog gunstiger, maar een beetje verder
+van huis.
+
+En dan de Westen, de Fonteinsnol, de Mient en de groote duinvalleien,
+die ik genoemd vond in het boekje van Holkema: de Bollekamer, de
+Bieschbosch, het Piet Rozenvlak, het Groote Vlak. De Fonteinsnol was
+een wonder, een hoog duin, dat uit de groote duinenreeks bij wijze van
+schiereiland in de vlakte vooruitsprong. Een eindje tegen de helling
+op, aan de noordoostzij ontsprong een bron, een echte bron, een holte
+in het witte zand, waaruit het klare water opwelde en dat stroomde
+omlaag, zich telkens vertakkend door kussens van veenmos en kwam
+eindelijk terecht in de vlakte van de Mient, die uit andere duinen nog
+meer water kreeg en zoo een allermerkwaardigst landschap was, half
+heide, half moeras en vol van de mooiste bloemen en de aardigste
+vogels. Maar het allermooist en rijkst was toch de bron aan de
+Fonteinsnol en zijn onmiddellijke omgeving. Daar groeiden groote blauwe
+Klokjesgentianen (17) in alle schakeeringen van wit of bijna wit tot
+het diepste donkerblauw. Daar stonden dicht opeen de geurige witte
+Nachtorchissen, het Rondbladig Wintergroen, Parnassia en
+Duizendguldenkruid en lagen aan de beek de ongelooflijk mooie bloempjes
+van de tengere Bastaardmuur Anagallis Tenella. En als je dan om die Nol
+heen ging of er over heen en weer omlaag, dan kwam je in die valleien
+en daar groeiden al die planten weer, met nog mooie Jeneverbesstruiken
+(37) („fakkel” zegt de Texelaar) en op de moerassige plaatsen het hooge
+stekelige Galigaan (39). Daar broedden de Wulpen en de Duinpiepers en
+daar had ook de groote aschgrauwe Kiekendief zijn nest. Vroeger is het
+daar nog veel rijker geweest, maar reeds na 1839 door het graven van de
+Moksloot zijn die valleien ontwaterd, zoodat de Roerdompen en Roode
+Reigers en Lepelaars, die er broedden, moesten verdwijnen.
+
+Ook ben ik helaas een der laatsten geweest, die genoten hebben van de
+heerlijkheid van de Fonteinsnol en de Mient, want reeds in 1895 of nog
+eerder zijn bron en beek vergraven en vergreppeld, als eerste maatregel
+voor de bebosschingen op Texel. Nu groeien daar Zwarte Dennen en Witte
+Elzen en dat is allemaal in sommige opzichten heel goed en nuttig, maar
+er is een landschap verdwenen, zoo mooi en leerzaam als er geen tweede
+in ons land was te vinden. Ongelukkig was in dien tijd Texel maar
+bitter weinig bekend en de plantenkenners dachten meer aan de
+afzonderlijke plantjes dan aan het samenstel van een merkwaardig
+geheel. Tegenwoordig zou men stellig zoo iets moois op alle mogelijke
+manieren trachten te behouden.
+
+Er is veel veranderd sedert ik voor ’t eerst voet aan wal zette te Oude
+Schild. Behalve de Fonteinsnol zijn er nog een paar merkwaardige
+plaatsen verdwenen. Maar wat er overblijft behoort nog tot het beste,
+wat er in Nederland te zien is. In de volgende hoofdstukken zal ik U
+wat vertellen van den huidigen staat van het eiland. En hoe meer
+vrienden het krijgt, des te meer waarschijnlijkheid, om niet te zeggen
+zekerheid, komt er, dat het zal blijven de parel der Noordzee-eilanden,
+wereldberoemd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II. WAAL EN BURG
+
+
+Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool
+„Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of
+vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en
+de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het
+dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak
+nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het
+rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te
+voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de
+dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op
+jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed
+op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het
+’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om
+telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door
+de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland.
+
+Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst
+op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein
+heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe
+mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht wordt
+zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte
+boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een
+nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in
+enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De
+Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten.
+
+Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze
+komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel,
+zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks,
+dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig
+genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek.
+
+Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het
+bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje,
+hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De
+boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de
+bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens.
+Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op
+stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote
+meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water
+kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen,
+lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich
+voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok.
+
+Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het
+vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken
+even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland
+beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware
+steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer
+dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts
+voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen.
+Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland
+Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan
+de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee
+rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep
+heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de
+Zuiderzeewerken.
+
+Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die
+ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang
+of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook
+de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en
+een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit
+het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter
+hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen,
+het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote
+zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we
+er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in
+’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek,
+dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we
+dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote
+loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de Prins
+Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier
+schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering
+onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning.
+
+Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen
+elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een
+belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange
+reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en
+daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe
+glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de
+leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den
+Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn,
+draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en
+de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu
+gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek
+van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en
+scheepstimmerwerven.
+
+Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets
+zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg
+naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De
+Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen.
+Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land
+en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale
+slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige
+Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten
+hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven
+begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed
+deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet
+onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze
+zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de
+baas.
+
+Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten
+(81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de
+Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee
+bezittingen van „onze” vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door
+de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers
+Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu
+weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt
+heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren
+lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en
+dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de
+Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de
+Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu
+hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken.
+
+We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze
+zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze
+door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever
+willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat
+gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat
+een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders
+dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde,
+omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen
+in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en
+omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder,
+waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van
+Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de
+merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar
+Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen,
+aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den
+indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op
+aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op
+een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt
+hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet
+meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in
+Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië
+(met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een
+voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook.
+
+Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland
+naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven
+welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de
+Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen
+en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een
+enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met
+prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te
+herkauwen tusschen de boterbloemen.
+
+Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en
+de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden
+Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door
+den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind
+zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de
+scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel Juliana. Zoo’n lange
+lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen
+mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar
+buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar
+zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want
+we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee.
+Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een
+klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We
+zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den
+Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger
+de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar
+overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar
+zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op
+Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op
+Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de
+omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de
+nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het
+duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we
+hier door bebossching en ontwatering hebben verloren.
+
+Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en
+snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat
+ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland
+en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel
+zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel
+geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen.
+
+Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk
+is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook
+flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede
+zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan,
+die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes,
+allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op
+den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met
+viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele
+plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine
+roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes,
+die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar
+de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke
+strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen
+hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist
+terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo.
+Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de
+verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het
+strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel
+Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan.
+Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg
+en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is
+minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn
+ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den
+binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er
+nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met
+boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en
+hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en
+’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild
+en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig
+licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland
+zijn.
+
+Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in
+de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de
+Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de
+toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige
+man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst,
+bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje,
+zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en
+telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd
+klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de
+tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende
+of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige
+dichtheid der jonge dennetjes.
+
+Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje
+omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt
+hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de
+dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst:
+„tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op
+Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper
+wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje
+gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam
+wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel
+aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en
+Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht,
+maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens
+Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij
+De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den
+Zuidwesthoek.
+
+Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van
+het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een
+vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar
+Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier
+en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van
+Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet
+Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den
+voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag,
+dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel
+vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan
+zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij
+verliep.
+
+Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden,
+genietend van de bloemen en de vogels. Het is in ’t begin van Juni.
+Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste
+grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele
+plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat
+bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis
+morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor
+bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien
+zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid
+van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot
+licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een
+premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het
+rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de
+Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan
+bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het
+gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken
+aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene
+bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat
+het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper
+mee, om bonte weiden te vormen.
+
+Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien
+dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende
+Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten
+tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken
+weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die
+Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend gevederte en
+opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken,
+dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n
+mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg
+gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig
+Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is
+gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer,
+steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een
+Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en
+het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een
+voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden
+polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo
+nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op
+hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De
+Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen
+schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart.
+Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen
+snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af,
+want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n
+harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar
+eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de
+Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80)
+weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren
+opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de
+wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas.
+
+Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg
+bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze
+trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de
+fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat
+we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en
+rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen,
+zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen,
+een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer
+zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een
+zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere
+zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is
+begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op
+zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een
+staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag
+neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen
+ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen
+zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem
+trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat
+hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat
+hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te
+nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker,
+de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze
+ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke
+halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook.
+En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en
+dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een
+visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn
+keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke
+vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke
+Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug
+en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met
+hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over
+de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog
+hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen
+fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in,
+want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen
+aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes,
+waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden
+rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van,
+dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n
+drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar
+Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel
+andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze
+hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je
+vindt dan zoowel jonge vogels als eieren.
+
+Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat
+een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de
+Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie
+verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden,
+onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en
+volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd
+met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het
+toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels
+kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik,
+donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet
+begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een
+oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat
+is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als
+we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons
+aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht
+is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te
+verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange
+rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn
+boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets
+anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we
+zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te
+kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken
+die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de
+kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een
+halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op
+één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige
+nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn
+zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige
+zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt
+zeer uiteen. Wij zoeken al ons best naar roodbruine eieren, want die
+zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t
+Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest
+getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu
+al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie
+je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde
+witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt
+bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch
+beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te
+behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt
+de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat
+dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de
+veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van
+dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in
+Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet
+wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en
+kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de
+broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin
+kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze
+steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in
+’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar
+Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en
+verder hier bij ons den winter komen doorbrengen.
+
+De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al
+eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons
+overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te
+verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn,
+want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze
+weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting
+van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar
+de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en
+veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze
+vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet vlak op het nest
+neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat
+doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van
+drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens
+heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument
+de Staart.
+
+Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes,
+die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op
+elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft
+aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche
+Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende
+soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns
+(92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons
+land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze
+broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel
+eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een
+Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel
+omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje
+midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van
+dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum.
+
+Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats
+meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons
+hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en
+de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en
+gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken
+naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet
+maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen
+grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het
+geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker
+dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er
+gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel
+onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te
+onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch
+wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan
+de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange
+beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de
+grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere
+sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er
+volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige
+Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en
+schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen
+de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde
+onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder,
+dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun
+deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze
+boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het
+nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar
+morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje
+is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad,
+dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III. HET NOORDEN EN DE EENDRACHT
+
+
+De nieuwe tijd heeft texel van zulke uitmuntende wegen voorzien, dat
+het heel gemakkelijk gaat, om op één dag al de belangrijkste punten van
+het eiland te bezoeken, hetzij met een auto, hetzij met onze
+onvolprezen fiets. Het kost ons dan ook weinig moeite, om op denzelfden
+morgen dat wij Waal en Burg bekeken, ook nog het Noorden en de
+Eendracht er bij te nemen. We zeggen onze Meeuwen van de Staart
+vaarwel, springen weer op ’t stalen ros en rollen vroolijk in lange rij
+oostwaarts, den polder uit en dan een eindweegs langs den Slaperdijk,
+die hier het oude eiland verdedigde, toen Waal en Burg nog tot de zee
+behoorde. Dan gaan we rechts af langs Barger en komen dan bij
+Molenbuurt op den grooten weg van Den Burg naar Oosterend. Hier heb ik
+eens op een prettigen zomermorgen een paar uur op een tuinwalletje
+gezeten, om dit Molenbuurt uit te teekenen, twee, eigenlijk drie echte
+Texelsche boerderijen, groote stolpen met hun pyramidaal grijs rieten
+dak en witgekalkte muurtjes, waar kleine vensters vertrouwelijk uit
+kijken. Weinig bijgebouwen, een stukje bloementuin, een hooge tuinwal
+en daarachter wat boomen en struiken, in de richting naar ’t Westen
+allemaal schuin afgeschoren door den zeewind (11). De weg maakt hier
+een schilderachtige, voor auto’s zeer ongeriefelijke bocht. Op dien
+morgen toen ik er teekende, zijn er geen drie menschen en geen enkel
+voertuig langs gekomen. Op marktdagen is dat anders. Nu zat ik daar
+heel pleizierig en de jonge Tapuitjes kwamen spelen voor mijn voeten.
+Die Tapuiten (64) zijn heel mooi grijs met wit en zwart, vogeltjes; min
+of meer verwant met de Lijsters. Ze nestelen op Texel in hoeken en
+gaten van de tuunwoaltjes en de Texelaars noemen ze „Stog”. Zingen doen
+ze weinig, maar ze vroolijken het landschap belangrijk op met hun
+dartel heen en weer vliegen en met het beweeg van hun wit met zwarte
+staartjes. In ’t voorjaar heb ik dikwijls met het grootste genoegen
+gekeken naar hun pronken en stoeien. Om de huizen zelve zong den heelen
+morgen het Spotvogeltje en zoo, al teekenend, had ik al gauw in de
+gaten, waar één van die zangers zijn nest moest hebben. ’t Was
+heelemaal geen kunst, om dat te ontdekken, want het aantal van de
+boomen en de heesters op die erven was nu niet bepaald
+verbazingwekkend. Indertijd, toen ik op Texel woonde, had ik midden in
+het dorp in den tuin van het Hooge Huis elken zomer mijn
+spotvogelhuishouden en er waren er toen wel minstens twintig in het
+dorp. Nu is dat minder, maar ze zitten toch nog over het heele eiland,
+even goed als op Vlieland en Terschelling, deze vlijtige fraaie
+zangertjes. De Texelsche jongens noemen ze bastaardnachtegalen,
+misschien wel omdat ze ook in den nacht zingen, maar ze hebben met
+Nachtegalen niets uit te staan; ze zijn meer verwant aan de eene zij
+met Fitissen en Tjiftjafjes, aan de andere zij met de Rietzangers.
+Nergens komen ze zoo algemeen voor als op onze Noordzee-eilanden.
+
+Ook nu hooren we in ’t voorbijgaan op Molenbuurt den Spotvogel
+luidkeels zingen en we rijden nu tusschen hooge tuunwoaltjes verder
+naar Oosterend (F), dat we al zoo vaak uit de verte hebben bewonderd.
+Het is die bewondering wel waard. Evenals Den Burg is het een mooi
+komdorp: kerk en kerkhof in het midden, daaromheen een kringstraat en
+die heeft weer drie of vier uitwegen naar de buitenwereld. Een groote
+barometer tegen den kerkhofmuur vertelt ons dat in Oosterend naast de
+landbouwers ook veel visschers moeten huizen. Het dorp heeft echter
+geen haven, hoewel de Oosterenders er heel graag een zouden willen
+hebben. Nu liggen hun botters òf op de ree bij Oost òf in de haven van
+Oude Schild en je ziet dan ook dikwijls Oosterender visschers met hun
+bultzak langs den Zuiderzeedijk kuieren naar de havenplaats.
+
+Wij rijden even het kerkhof rond, verheugen ons in het keurig nette
+uiterlijk van huizen en straten en nemen dan den uitweg naar Oost,
+langs de „Vermaning”, dat is het Doopsgezinde kerkje. Tusschen twee
+haakjes, de bevolking van Texel is voor een derde deel doopsgezind, een
+derde Katholiek en een derde Hervormd en Gereformeerd, eerlijk gedeeld.
+
+De kronkelende en eenigszins golvende weg vertelt ons, dat we nog op
+het oude eiland zijn, dat tamelijk hoog ligt, maar tegen hooge
+stormvloeden toch door flinke dijken verdedigd moest worden. Weldra
+zien we dien dijk aan onze linkerhand, die doet echter tegenwoordig
+geen dienst meer, want daarachter ligt nu de polder het Noorden en
+dezen krijgen we dan ook te zien, als we door de buurt Oost gefietst
+zijnde, even den hoogen dijk zelf beklimmen. Hier gaan we een poosje in
+het gras liggen om een kijkje te nemen over de plek, die eenmaal een
+der vogelrijkste oorden ter wereld was. Ik heb daarvan in mijn eerste
+hoofdstuk al het een en ander verteld. In de jaren, toen die polder nog
+niet bijzonder voor landbouw of veeteelt geschikt was, kon je daar nog
+al gemakkelijk toestemming krijgen, om rond te dolen over de
+schelprijke slibvlakten en langs de plassen en kreken. Daar heb ik
+dikwijls gebruik van gemaakt en ik vrees, dat ik zulke mooie dingen,
+als ik daar destijds gezien en beleefd heb, wel nooit meer zal zien of
+beleven. Je moest er altijd goed uitkijken en voorzichtig loopen, want
+er was alle kans, dat je zoudt trappen in een nest met eieren of op een
+donzig jong. Op een paar mooie Junidagen kon je daar kennis maken met
+haast al onze Nederlandsche moerasvogels met hun eieren en nesten en de
+meeste daarvan broedden er in grooten getale. Toen ik daar voor ’t
+eerst van mijn leven onder geleide van een paar van mijn schooljongens
+mocht rondwandelen, was ik één en al verbazing en bewondering, want ik
+had nooit geweten, dat er zoo iets in Nederland bestond. Over de
+vogelwereld van Rottum had ik wel eens wat gelezen in een mooi Duitsch
+boek van Droste-Hülshoff en over het vogelleven op de Wadden in het
+algemeen zijn een paar zeer schoone bladzijden te vinden in Starings’
+Bodem van Nederland, maar eigenlijk had niemand ooit verteld, dat daar
+op Texel in den polder het Noorden ieder jaar duizenden vogels broedden
+van wel anderhalf dozijn verschillende soorten. En dat alles kwam in
+beweging, als je den polder betrad: allereerst de vischdiefjes, zoowel
+de Gewone als de Noorsche; slanke spitse vogeltjes, allemaal witte
+streepen langs de blauwe lucht. Als ze dichtbij genoeg komen kun je den
+blinkend zwarten schedel en de diep gespleten zwaluwstaart bewonderen.
+Ze vliegen op verschillende hoogten, zes verdiepingen van vischdiefjes
+en ze schreeuwen allemaal langgerekt en schel „pierik, pierik”. Dan
+opeens kwam door het gewemel der Sterntjes een woedende Scholekster
+aanschieten met fel „tepiet, tepiet” recht op me af en na hen een
+aantal zwart met witte Kluten met helder „kluut”, „kluut”. En
+onophoudelijk Kieviten en Tureluurs, Grutto’s, welbekend met daarnaast
+kleine, zeer slanke, witte vogeltjes met zwarte schedelkap, de
+Dwergsterntjes, de sierlijkste van allen. Ondertusschen rennen er
+rondom nog meer Kluten, die zwaaien en zwenken met kleppende vleugels
+over ’t modderveld, alsof ze aangeschoten waren in beide beteekenissen.
+Terwijl we naar hen kijken, zien we daar nog andere vogeltjes rennen,
+heel kleine, van het kaliber van zangvogeltjes, maar het zijn toch
+echte steltloopers: Bontbekpleviertjes en Strandpleviertjes (71),
+vooral de laatste in zeer groot aantal. Ook Zwartkopmeeuwen huisden er
+en in den goeden tijd ook nog de groote Zeezwaluwen en de Kemphaantjes
+hadden er een druk bezochte kampplaats. Uren en uren heb ik daar wel
+gezeten in een half overdekte kuil om op mijn gemak al die vogels te
+bekijken, in ’t bijzonder de Kemphaantjes. Het talrijkst waren die
+vogels in het oostelijk gedeelte van den polder, dicht bij den molen.
+Dat stuk heet De Bol en hoewel het sinds de verdere ontginning van den
+polder gedaan is met den overstelpenden en ongelooflijken overvloed van
+vogelleven uit vroeger dagen, is thans nog die Bol beroemd ver buiten
+de grenzen van ons vaderland. De eigenaars laten in samenwerking met de
+Vereeniging tot Bescherming van Vogels in Nederland in den broedtijd
+het terrein bewaken en slechts in zeer bijzondere gevallen worden er
+bezoekers toegelaten. Gezeten op den hoogen dijk kunnen wij echter een
+groot deel van De Bol gemakkelijk overzien en zelfs zonder verrekijker
+kunnen we genieten van het drukke vogelleven. We hebben den molen en
+den molenplas vlak voor ons en ook de breede Kreek, die westwaarts
+gaat. Daarlangs loopen wel altijd een paar Kluten rond en als we scherp
+toezien, bespeuren we ook wel de broedende Kluut of zien we, wat nog
+wel zoo aardig is, een familie van jonge Kluutjes wandelen langs den
+oever of zwemmen in het water van de Kreek. Een groote Scholekster zit
+stil in ’t veld, haar roode snavel komt goed uit tegen het groene gras.
+Misschien zit zij daar te broeden, misschien ook niet, want die
+Scholeksters houden er wel van, om zoo gewoonweg in het gras te zitten
+en of ze dat doen om de eierzoekers te misleiden, dat weet eigenlijk
+niemand. Leeuweriken en Piepertjes zingen onophoudelijk. Overigens is
+het heel rustig in den polder. Als we wat geluk hebben, dan wil het
+echter wel gebeuren, dat er een Kraai komt overvliegen, of een
+Kiekendief, een Zilvermeeuw, alle drie nogal roovers van eieren en
+jongen. Dan komt de heele kolonie in opstand en hebben we gelegenheid
+om het grootste deel van de bevolking onder de wapens te zien en het
+zijn er altijd nog heel wat meer, dan ge op het eerste gezicht gedacht
+zoudt hebben. Soms komen hier ook de zeldzame Groote Sterns (91). ’t Is
+altijd de moeite waard, om eens een half uurtje of langer door te
+brengen op dien hoogen Slaperdijk bij den polder het Noorden.
+Natuurlijk hebt ge er nog meer aan, wanneer ge beschikt over een goeden
+verrekijker.
+
+Nu willen we verder gaan. In weinige minuten staan we op den
+eigenlijken Waddenzeedijk en nu gaat het Noordwaarts. Aan onze
+rechterhand strekt de wijde Waddenzee zich uit. Die is hier heel
+ondiep, ligt bij laag water over een groote uitgestrektheid droog,
+alleen een paar geulen blijven water houden en daarin liggen dan ook
+meestal enkele scheepjes. Verder staat de bank vol met eigenaardige
+groepen van stokken en staken, die beduiden botnetten of palingfuiken.
+Heel in de verte zien we de duinen van Vlieland en bij zeer helder weer
+lukt het ook wel om ver naar rechts iets te zien te krijgen van de
+Friesche kust. We moeten toch nog eens even afstappen bij het
+uitwateringsluisje van den Polder het Noorden. De buitenglooiing van
+den zeedijk is wel wat steil en de steenen wat hard, maar als je op een
+eiland bent, dan moet je toch eens probeeren, iets te zien te krijgen
+van het leven in de zee. Dat lukt hier beter dan op de vlakke stranden.
+In het heldere diepe water van den sluismond zien we de dieren en
+planten even mooi als in een aquarium en we gevoelen den aanblik als
+veel en veel mooier, omdat wij hier de dingen zien in echte
+werkelijkheid, in de vrije en frissche natuur. De bruingroene
+Blaaswieren en haar verwanten bekleeden de schoeiïngen en steenen en
+montere krabben klauteren er tusschen door. Hoe meer je kijkt, hoe meer
+je er ziet. Heele stukken sluismuur zijn als het ware bepleisterd met
+slakkenhuisjes, allemaal alikruiken. Maar het mooist zijn de
+langoog-kreeftjes, lange bleeke, half doorschijnende garnaalachtige
+dieren, maar met een smalleren kop en daaruit steken aan weerszijden op
+lange stelen de donkere oogen uit. Dit beest heet Macropsis Slabberi.
+Ze zwemmen hier rond bij dozijnen, tegelijk met nog meer klein gedoe.
+Als we wat meer tijd hadden en een behoorlijk netje, dan konden we hier
+heel gemakkelijk een aantal interessante bewoners van de zee
+bemachtigen. Ik kijk hier ook altijd uit naar Zee-anemonen, maar tot
+nog toe heb ik ze er niet getroffen, wel zuiderlijker tusschen Oost en
+Oude Schild, waar de diepe Texelstroom vlak langs den zeedijk strijkt.
+
+Nu stappen we weer op onze fietsen en gaat het noordwaarts boven op den
+hoogen zeedijk. Links hebben we nu den polder het Noorden, met molen en
+kreken en vogels, rechts de zee met heel in de verte de duinen van
+Vlieland. Dan krijgen we een paar hekken te bewerken, want deze dijken
+worden beweid en ten slotte stappen we af bij het begin van den polder
+De Eendracht (E). Hier lig je goed aan de buitenzijde van den dijk in
+de geurige Artemisia, de zeealsem (24). De fijnverdeelde bladeren van
+deze plant zijn zilverwit behaard, de stengels en de kleine
+bloemhoofdjes ook en zoo maken nu al die Zeealsems een mooi zilveren
+band langs den voet van den dijk, die zelf weelderig is begroeid met
+hooge grassen. De Zeealsem groeit ook nog in kleine groepjes op den
+kwelder zelf, hier en daar tusschen het donkergroene kweldergras, dat
+weer afgewisseld wordt door Zeeweegbree en Engelsch Gras en
+Zeemelkkruid met Zoutgras. Dit Zeemelkkruid (23) groeit graag op
+kleiigen grond in ’t bereik van het hooge water en waar het welig
+tiert, laat het voor het gras geen plaatsje over. Het bloeit met mooie
+rose bloempjes, die echter niet bijzonder in ’t oog vallen. Alleen als
+je dit plantje kent en er van houdt, omdat het op de zilte stranden
+groeit, krijg je ook gemakkelijk de rose bloemenmassa te zien. En
+dikwijls zijn de plantjes grijs van het slib, dat de laatste hooge
+vloed heeft achtergelaten, maar daar kunnen ze wel tegen; de eerste de
+beste regenbui spoelt het er af.
+
+Nu willen we den kwelder op om nog een paar planten te zoeken. Gelukkig
+is het laag water, dus we kunnen een heel eind weg komen. Het blijkt nu
+dat het groene buitenland doorsneden wordt door kreken en zelfs door
+slooten en greppels. Die staan grootendeels droog en we kunnen er wel
+door heen stappen, maar altijd toch met voorzichtigheid. Waar de bodem
+zandig is bestaat natuurlijk geen gevaar, maar er zijn kleigaten en
+daar kun je wel eens zoo tot je middel in de zwarte modder wegzakken.
+Natuurlijk worden we begeleid door Tureluurs, Kieviten, Scholeksters,
+Leeuweriken en Piepers. We sturen op een kleurplek af, mooi
+lavendelblauw tusschen het groen. Dat is het Limoenkruid (21), die net
+in bloei begint te komen, Statice Limonium, familie van het Engelsch
+gras, ook met een dubbele kelk. De bloempjes zitten dicht opeen op
+aardig vertakte trossen. Er groeien er hier niet zooveel als op
+Terschelling en Griend, maar toch genoeg om er het aardige
+Snuitkevertje te vinden, dat onafscheidelijk aan deze plant verbonden
+is en het aardige rupsje, dat we haast niet kunnen ontdekken, want het
+heeft precies de kleur van de bloemen. Langs de modderkreken groeit nog
+een grijze plant met welige bladeren en rijkelijk bloeiend met kleine
+onduidelijke bloempjes. Dat is de Obione (22), een verwant van biet en
+spinazie evenals de Suaeda, die hier ook overvloedig groeit. Beide,
+Obione zoowel als Suaeda (19) maken veel meelrijke zaden en zoo is hier
+in ’t najaar altijd wat te halen voor de vinkachtige trekvogels, die
+ook hun bekomst kunnen eten van de vruchten van de Zeekraal, een lid
+van dezelfde familie.
+
+Deze Zeekraal (30) staat al op het naakte slik in gezelschap van het
+Kleine Zeegras. Over het slik heen zien we de effen zee en op den rand
+van slik en zee allerlei ruwheidjes, net kluiten en in de zee zelf
+rijen paaltjes, donkere en lichte. Opeens gaat zoo’n zwart paaltje
+bewegen, dan een tweede en andere en eindelijk zijn dat achtendertig
+groote zwarte vogels, die achter elkaar aan vlak over het water heen
+vliegen. Wie de Wadden bevaart en bewandelt, kent deze vogels heel
+goed. Het zijn de Aalscholvers of Schollevaars, die met andere
+gelijkgezinden hier de helft van den tijd staan te dutten op de banken.
+Als het hoogwater op komt zetten, vangen zij al duikende hun visschen
+en hebben dra genoeg tot het volgend getij. De meeste van deze vogels
+zijn onbehuisd. Nesten hebben ze hoogstwaarschijnlijk niet, daar zullen
+ze misschien een volgend jaar aan doen. De naaste nesten voor deze
+vogels zouden zijn in Gaasterland of iets verder in het
+Vollenhovensche. Men is dezen Aalscholver niet goed gezind, omdat men
+sommetjes maakt van hoeveel visch hij wel verslindt en hoeveel schade
+hij toebrengt aan de boomen, waar hij de takken van afbreekt, om zijn
+nest te bouwen. Soms worden dan ook heele kolonies moedwillig verstoord
+en dan moet vader Aalscholver er op uit, om maar gauw een veiliger
+verblijf te vinden.
+
+De andere paaltjes zijn blauwe reigers (107), de gewone, ook al een
+visscher net als de Aalscholver. We zullen hun nesten nog wel vinden in
+een ander deel van het eiland. Ook deze reigers kunnen uren stil staan.
+Soms wandelen ze wel rond langs de diepere kreken, stappen er in en
+raken ze uit hun diepte, dan zwemmen ze wel een paar slaagjes. Het is
+wonderlijk, zooveel vogels als er kunnen zwemmen. Zwemmende reigers zie
+je nu niet alle dag, maar hier op de slikken van de Eendracht kunt ge
+allerlei ongewone dingen zien. Lepelaars kuieren hier ook rond, hun
+witte gestalten zijn niet eens zoo heel duidelijk te zien tegen de
+blinkende zee. Zij loeren voornamelijk op garnalen en op onzen vrind
+met de lange oogen, de Marcropsis Slabberi. Als die garnaaltjes zich
+verschuilen in het zand, dat kunnen ze zoo vaardig doen, dan woelt de
+Lepelaar ze wel weer te voorschijn met zijn breeden bek. Daar vliegen
+ze op. Als we nu onzen kijker te baat nemen kunnen we zien of het jonge
+vogels zijn. Die zou je om dezen tijd al kunnen verwachten. Neen, ze
+hebben geen zwart aan de vleugels, dus oude vogels, die voedsel zoeken
+voor hun jongen op de nesten in het Zwanewater of in de Mui. Misschien
+zwalkt hier ook alweer menige Lepelaar rond, die in het geheel geen
+nest heeft, net als de Mantelmeeuw, waarvan er ook een heel kluitje
+bijeen staan aan den rand van het Vogelzwin: oude vogels, heelemaal met
+zwarte vleugels, dat zijn vierjarige of oudere. Ook staan er vlekkig
+bruine Meeuwen, dat zijn jeugdige Zilvermeeuwen (88) en Mantelmeeuwen.
+
+Hoe meer we toezien, des te meer vogels ontdekken wij, allemaal in het
+water of op den rand van het slib. Daar staat een heele troep groote
+Wulpen (87), zoo gemakkelijk te kennen aan hun lange, omlaag gebogen
+snavels; we zullen ze morgen ook nog wel ontmoeten in het duin. Hebben
+ze kleintjes bij zich? Neen, dat is een andere soort van Wulp, de
+Regenwulp (96), die is duidelijk kleiner en als we wat dichterbij gaan
+en onzen kijker gebruiken dan kunnen we ook goed de lichte streep zien,
+die precies midden over hun kop gaat. Die heeft de Groote Wulp niet;
+wel de beide lichte strepen boven de oogen. Deze Regenwulpen zijn ook
+echte Waddenboemelaars. Ze broeden hier nooit, dat doen hun vlijtige
+broeders en zusters in Schotland, Scandinavië en de Poolstreken. Hier
+bij ons brengen ze veel levendigheid, want op mooie dagen vliegen ze
+hoog in de lucht met welluidend geroep. Je kunt ze overal in ons land
+verwachten in een breede strook langs de zee.
+
+Een andere zomergast, die hier niet broedt, is de Rosse Grutto (95),
+die is in den regel ook wel op de Eendracht-slikken te vinden, soms in
+troepen van honderden. Je kent ze duidelijk aan hun langen rechten,
+eenigszins omhooggebogen snavel. Ze zijn heel mooi bruinrood, maar dat
+maakt hier op ’t slik niet zoo heel veel indruk. Om gezien te worden,
+moet je fellere kleuren hebben, zooals onze vriend de Scholekster, die
+hier ook op zijn dikke roode pooten door de modder baggert.
+
+En wat is dat voor een gekke vogel? Die is pikzwart van onderen en ook
+aan keel en wangen en dan gaat er om dat pikzwart een witte streep,
+terwijl rug en nek vlekkig zilvergrijs zijn. Dat is onze derde
+boemelaar, de Zilverplevier in prachtig zomerkleed. In plaats van
+behoorlijk te gaan broeden op de toendra’s van Siberië kuiert hij hier
+met zijn kornuiten op de slikbanken van de Waddenzee.
+
+Wat blinkt daar in de verte? Telkens flitst het wit op en dan zie je
+weer niets. Het komt dichterbij, nu zien we op het wit ook donker
+volgen en eindelijk ontdekken we, dat we een wolk van vogeltjes voor
+ons hebben, die hier vliegoefeningen houden net zooals we de Spreeuwen
+dat wel zien doen. Deze vogels zijn ook niet veel grooter dan
+Spreeuwen, het zijn Bonte Strandloopertjes (67). Zomer en winter zijn
+die op de Wadden aan te treffen, in ’t zomerkleed hebben ze een groote
+zwarte vlek aan borst en buik, ’s winters is de heele onderzijde wit.
+Het aantal van deze bonte strandloopertjes op onze Wadden loopt wel in
+de millioenen. Het talrijkst zijn ze wel in October, want dan komen een
+groot deel van de poolbewoners hierlangs, om hier of nog verder naar ’t
+zuiden te overwinteren. Ge moet eens op de wereldkaart kijken, hoe
+klein ons land is in vergelijking met Scandinavië, Rusland en Siberië.
+Daar kunnen ’s winters slechts weinig vogels blijven en het grootste
+deel van de bewoners dier streken trekt langs en over de Noordzee naar
+de winterkwartieren en dan komen over de slikken achter de Eendracht
+niet alleen Steltloopers, maar vogels van allerlei pluimage.
+
+Wij hebben eens op die slikken gestaan op een stillen Octoberdag en dat
+zal ik nooit vergeten. Er was zeker pas een bezending poolvogeltjes
+aangekomen, die nog geen begrip hadden van de gevaarlijkheid der
+menschen, tenminste ze bekommerden zich in ’t geheel niet om ons. We
+stonden daar een kilometer buitendijks in de weeke zwarte modder en de
+Zeekraalplantjes waren al aan het verdorren. Overal om ons heen
+wiemelde het van Strandloopertjes. Vele boorden met hun snavels in de
+modder, andere stonden stil, dribbelden wat achter elkander aan,
+vochten soms een beetje en onder al die duizenden waren er altijd
+eenige, die wat te vertellen hadden en dat was dan een onophoudelijk
+gekrieuw en gepiep over de heele vlakte heen. Het leek wel op het
+geluid dat ijsgruis maakt, wanneer dat deint in den golfslag. Het was
+als een droom, om daar zoo midden in al die duizenden vogeltjes te
+verkeeren. Er waren er van allerlei soort: Bontbekpleviertjes en
+Strandpleviertjes, allebei te kennen aan hun korte snavels en dan met
+langen snavel de Bonte Strandloopers, de Kanoeten (70), die wat grooter
+zijn, de Krombekstrandloopers en de mooie melig witte
+Drieteenstrandloopertjes. Daar waren ook Zilverplevieren en een menigte
+Rosse Grutto’s. Er leken er hoe langer hoe meer te komen en dat was ook
+zoo, want de vloed kwam op en die joeg ze eerst dichter opeen. Wij
+maakten beenen landwaarts, want op die vlakke slikken is de vloed gauw
+bij je. De kleine Strandloopertjes vlogen ten slotte op: een
+reusachtige wolk van vogeltjes, die werkelijk de lucht verduisterde.
+Tot ons verdriet slierden ze over het water heen naar de Vliehors. Wij
+waren echter weer spoedig getroost, want bij de hoogere kwelder kwamen
+we een troepje Strandleeuweriken tegen; die zijn werkelijk aan onze
+gewone Leeuweriken verwant, maar dadelijk te kennen aan geel aan hun
+kop en merkwaardige zwarte veertjes in oor- en oogstreek. Ze komen
+alleen ’s winters op onze stranden en broeden op de toendra’s, waar ze
+ook hun lied laten weergalmen. Ik heb ze nooit hooren zingen. Echter
+zou het niet onmogelijk zijn, ze hier te hooren in Februari of Maart,
+want de trekvogels willen ook wel zingen buiten hun broedgebied. We
+vonden nog allerlei vogeltjes op de kwelder, Vinken, Keepen,
+Roodborstjes, Fratertjes, zelfs Lijsters en ook heel veel gewone
+Leeuweriken en Piepers. Het is zeer de moeite waard om in October en
+zelfs ook in December, ook in Augustus eenige dagen door te brengen op
+die slikken. In den wintertijd kan het zeegat vol zitten met Alken
+(103) en Zeekoeten (105), een enkele Jan van Gent, Franjepooten,
+Meeuwen van allerlei soort en ook velerlei duikeenden en zagers en
+nooit zal ik vergeten hoe ik er op een winterdag een grooten troep
+Rotganzen (77) heb zien neerstrijken, kleine zwarte gansjes met hoogen
+achtersteven.
+
+Maar nu is het Juni, dat is toch de allermooiste tijd van ’t jaar. We
+willen nu maar langs den buitenkant van den Eendrachtsdijk verder gaan.
+De dijk zelf is niet te berijden, hij is maar smal en heelemaal met
+gras begroeid. De vruchtbare polder ligt er achter, daar joelen en
+jodelen weer de Tureluurs en Kieviten en Grutto’s en zingen de
+Leeuweriken en Piepers. Ook komt er uit dien polder een vreemd geluid:
+„snirs, snirs” heel regelmatig, paarsgewijs bij tusschenpoozen. Dat is
+de onzichtbare vogel, de Kwartelkoning, je hoort hem nacht en dag, maar
+alleen buitengewoon geduldige of buitengewoon gelukkige menschen
+krijgen hem te zien, wanneer hij met zijn smal bruingevlekte lichaam op
+slanke pooten tusschen gras en klaver sluipt.
+
+Aan het eind van den polder de Eendracht komen we aan den
+Eijerlandschen dijk, met een goeden grindweg aan de binnenzijde en die
+brengt ons spoedig naar de Cocksdorp. Bij de duikersluis kijken wij nog
+even naar de vogels en de schepen, die in de nauwe vaargeul liggen, die
+van hier langs de Steenen Plaat naar het Eijerlandsche gat leidt. Dan
+gaan we even wat drinken in het hotel; misschien hangt daar nog wel die
+merkwaardige kaart met de schipbreuken. Vervolgens rollen we het dorp
+uit langs de Roggesloot, dat heelemaal geen sloot is, doch een prachtig
+breed water met lage weiden er om heen en ook alweer druk bevolkt met
+vogels. Rechts hebben we nog een poosje aardig houtgewas en daarin
+zingen alweer de onvermoeide Spotvogeltjes. Weldra komt er aan dat hout
+een einde en nu begint de rit door den grooten polder Eijerland, eerst
+linksaf en dan weer rechtsaf en dan zijn we op den onafzienbaren
+hoofdweg, het „gebed zonder eind”.
+
+De boerderijen en de arbeiderswoningen brengen van afstand tot afstand
+eenige afwisseling, maar veel is dat niet. Gelukkig is het Juni en er
+staat niet veel wind. Meestal toch waait het op Texel nog al en dan
+krijg je hier in het boomlooze Eijerland de volle laag en aangezien de
+zuider- en westerwinden bij ons de overhand hebben, krijg je van
+Cocksdorp komende bijna altijd tegenwind. Ik heb tenminste al dikwijls
+naar het Amen van dit Gebed zonder einde verlangd en ben dankbaar
+geweest voor de beschutting, die op sommige plaatsen geboden wordt door
+een rijtje van wilgenstruiken. Als het lijden kon, moest het Bestuur
+van den Polder Eijerland zijn wegen eens gaan beplanten, al was het
+alleen maar aan de westzijde. Het zullen nooit Middachter Allée’s
+worden, maar dat er iets van te maken valt, blijkt voldoende uit de
+beplantingen rondom de groote boerenhoeven. Die vertoonen weliswaar
+naar het westen den storenden invloed van den zeewind, maar zijn
+tenslotte nog flink opgeschoten. Eigenlijk zien boomlooze wegen in
+zoo’n polder er toch zeer armoedig uit. Indien ze allemaal beplant
+waren, al was het maar met struikgewas, dan zouden niet alleen wij
+minder last van den wind hebben, maar ook het bouwland zou er van
+profiteeren en er was weer wat meer nestgelegenheid voor vogels.
+
+De groote boerderijen en de reusachtige schuren doen vermoeden, dat de
+ingelanden wel een penningske voor wegbeplanting zouden kunnen offeren.
+Op de zeeklei van Eijerland worden allerlei landbouwgewassen geteeld.
+We zien er de dikke aren van de tarwe, de zacht glanzende aren van de
+gerst, de glinsterende pluimen van haver. Sommige velden zijn begroeid
+met fijne, gelig groene planten en als we daar in den morgen langs
+komen, dan hebben we geen moeite om aan de witte en blauwe bloempjes
+het vlas te herkennen. In den namiddag vallen die bloempjes uit, maar
+morgen zijn er weer nieuwe. Mooi zijn ook de velden met maankop, nu
+prachtig in bloei met groote bleekpaarse bloemen. In de verte lijken
+die maankopvelden wel waterplassen. Aardappelen ontbreken ook niet en
+er zijn ook velden met karwei, nu reeds in vrucht, eenige weken geleden
+waren die sneeuwwit in bloei. Straks wordt die karwei geoogst en dan
+ploegt men den akker weer om voor een navrucht. Als dan de paarden den
+ploeg door de klei trekken, komen onze Meeuwen van De Staart in Waal en
+Burg bij honderden hierheen en die verdringen zich dan tusschen de pas
+omgeworpen kluiten, om er de insectenlarven te bemachtigen, die zoo
+onzacht uit hun rustige leventje zijn opgeschrikt. Ook eten ze de
+Langpootmuggen (132). Ik houd wel van een ritje door het landbouwgebied
+en houd hier allebei mijn ooren open om te luisteren of ik den Kwartel
+ook hoor, het kleine hoenderachtige vogeltje van de korenvelden. In
+Zuid Eijerland heb je nog wel eens kans om zijn „kwikmedit, kwikmedit”
+te hooren klinken. ’t Is heel ongelijk, in sommige jaren hoor je er
+veel en dan gaan er weer jaren voorbij, zonder dat je een enkelen
+Kwartel hoort. Dan zijn onze broedvogeltjes hoogstwaarschijnlijk in het
+winterverblijf of op de reis gevangen en daarna opgegeten. Dan kan het
+weer jaren duren, eer uit een tijdelijken overvloed van Kwartels er
+zich weer een paartje in onzen polder kan vestigen.
+
+Dicht bij het eind van den hoofdweg, waar deze een bocht maakt, staat
+een boerderij juist in de as van den weg. Het spitse dak is als een
+pyramide in de woestijn, een verre pyramide, die we moeten bereiken.
+Eindelijk wordt zij al grooter en grooter. Nu zijn we bij ’t huis zelf,
+we zwaaien linksaf en dan tegen den hoogen dijk van Waal en Burg op.
+Hier kijken we weer even uit. We zien onzen dijk westwaarts doorloopen
+heelemaal tot aan de duinen. De dijk zelf lijkt ginds ook wel een duin,
+hij is begroeid met helm en inderdaad is dat stuk dan ook een oude
+stuifdijk. Dit was nu voor 1837 de noordkant van het eiland Texel.
+Eijerland was een kwelder en bij hoog water sloeg de zee hier tegen den
+dijk. Vlak voor ons, in Waal en Burg zien we een uitgestrekt water, de
+Kil (N). De oevers zijn met riet begroeid, daarin zingt de Kleine
+Karekiet (104) en als we naar links dien rietzoom volgen al verder en
+verder, dan komen we aan het land waar al de Meeuwen broeden, het
+natuurmonument De Staart aan de Rommelpotskil. Al die killen waren
+geulen in den tijd toen Waal en Burg nog zee was en thans dienen ze
+samen als binnenboezems, waarin het overtollig polderwater bewaard
+wordt, tot het hoog genoeg staat, om door het duikersluisje geloosd te
+worden op den polder het Noorden en dan mag de molen het door ons
+sluisje met de langooggarnaaltjes wegmalen naar de Wadden. ’t Is heel
+prettig, om hier vanaf den hoogen dijk de Kil te overzien. Al heel gauw
+bespeuren we een Wilde Eend (73), die met jongen rondzwemt en een
+Slobeend (74), die in hetzelfde geval verkeert. Ik heb wel eens
+gedacht, dat er op Texel meer Slobeenden dan Wilde Eenden zouden zijn.
+Ge weet wel, die Slobeend is dadelijk te kennen aan zijn grooten
+breeden snavel. Het lijkt wel, of die snavel hem te zwaar is, want hij
+zwemt meestal met zijn kop vlak op ’t water. Behalve Eenden zien we in
+de Kil ook altijd Koeten (78). Die lijken op zwarte eendjes, maar daar
+hebben ze toch niets mee te maken, want ’t zijn echte Steltloopertjes
+en ze hebben geen zwemvliezen, wel eenigszins verbreede teenen. De
+witte vlek op ’t voorhoofd is wel hun voornaamste en duidelijkste
+kenmerk. Aardige dieren die Koeten. Ze zijn altijd bezig, duiken naar
+voedsel, sleepen bouwstof naar nest of rustplaats, voeren hun jongen en
+maken wat burengerucht. Nu eens zwemmen ze hoog op ’t water, dan weer
+komt hun rug nauwelijks boven en ik heb er wel gezien, die rondzwommen
+met alleen maar hun kop boven water. Hun onophoudelijk kortaf gekef
+geeft aardig leven in de brouwerij. Hun jongen zijn in ’t eerst met
+donker vlokkig dons bedekt en hebben op den kop een roode huidplek. Ze
+sukkelen altijd achter hun moeder aan en daar hebben ze gelijk in, want
+die kan ze vastberaden verdedigen tegen den Kiekendief, die jonge
+Koeten weet te waardeeren als een lekker nieuw gerecht in den
+voorzomer. Nu weer op de fiets en door den rechten weg van Waal en Burg
+op De Koog aan. Prettig, dat we in den loop van den dag zooveel vogels
+hebben leeren kennen. We vinden ze haast allemaal weer langs dezen weg
+en die lijkt daardoor veel en veel korter dan de hoofdweg door
+Eijerland, ofschoon het in werkelijkheid maar weinig verschilt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV. MUIEN EN SLUFTERS
+
+
+Om te beginnen, gaan we bij De Koog het strand op en wandelen dan een
+half uur ver noordwaarts, langs de branding. De zee is zoo’n goede en
+gezellige kameraad, dat we mijlen en mijlen kunnen voortwandelen,
+zonder dat we iets anders begeeren, dan de ruimte en de frischheid en
+de muziek. Mijlenver krijgen we ook niets anders, want dat strand is
+nog al arm aan schelpen en het aanspoelsel geeft den strandjutter ook
+maar weinig vreugde. Voorbij paal 23 wordt de zandvlakte al breeder, er
+komen ook meer schelpen en hier en daar liggen kleine heuveltjes, niet
+hooger dan een molshoop, maar breeder en daar wapperen een paar groene
+grassprietjes uit omhoog. Wanneer we vlijtig zoeken, dan vinden we hier
+in deze eerste Juniweek ook op dergelijke heuveltjes wel een grasje,
+dat pas uit ’t zaad ontkiemd is en dat moeten we beschouwen als een
+zeer belangrijk feit. Zoodra namelijk dit gras op de strandvlakte wil
+groeien, groeien er ook duintjes. Dat is hier nu benoorden De Koog
+prachtig te zien, hoe het stuifzand door het gras bijeen wordt gehouden
+en hoe zoodoende nieuwe duintjes worden gevormd. We vinden er van
+allerlei leeftijd, jonkies van dit jaar, waar je de pas ontkiemde
+grasjes nog uit kunt trekken en oudere van vorige jaren, waarvan het
+zand doorweven is door een dichte mat van wortelstokken. Nog oudere
+zijn alweer hooger en hebben bovenop al een begroeiing van de tweede en
+de derde grassoorten, dat zijn de helm (25) en de blauwe zandhaver
+(27). De grassoort, die het begin maakt, is minder bekend, ’t is het
+biestarwegras (29), de eersteling der begroeide duinen. Eigenlijk zijn
+er geen andere dan begroeide duinen; een onbegroeid duin waait weg.
+
+Deze strandvlakte met zijn schelpen en duintjes heeft ook bewoners. Ik
+heb ze al lang gehoord, eer we ze zien. In de heldere lucht en op het
+witte zand is het niet eens zoo gemakkelijk, om witte vogeltjes te
+zien. Maar onophoudelijk hooren we een fel en driftig geschreeuw. In de
+zee zien we ook witte straaltjes opspatten en eindelijk, nu we wat
+gewend zijn, krijgen we de kleine schreeuwers te pakken. Het zijn de
+mooie Dwergsterntjes (93), half zoo groot als de gewone Vischdiefjes.
+Met razende vlijt zijn ze bezig te visschen tusschen de eerste en
+tweede bank, boven een school van kleine Puitaaltjes. Ze duiken
+heelemaal onder en in negen van de tien gevallen krijgen ze hun vischje
+te pakken en vliegen dan landwaarts, tusschen de kleine duintjes. Nu
+zijn we met zijn twintigen, allemaal goed gezind en voorzichtig en
+wakker en daarom wil ik wel even een breed front vormen over een
+uitgestrektheid van een paar honderd meter en zoo schuin de
+strandvlakte oversteken door de jonge duintjes tot aan het hooge duin.
+Als we nu wakker genoeg zijn, dan krijgen we jonge Dwergsterntjes te
+zien, misschien ook nog eieren en misschien nog wat anders. Wanneer we
+heelemaal niets zien, dan bewijst dat nog lang niet, dat er ook niets
+ligt, want de grijze, vlekkige jongen en de doffe, blauwig grijze, vaal
+gevlekte eitjes zijn, o zoo heelemaal één met het mulle zand. Past
+daarom dubbel op, om te zien, waar ge uw voeten zet. Het zou zeer
+onaangenaam zijn, indien de herinnering aan onze reis ontsierd zou
+moeten worden door de gedachte aan een vertrapt jong vogeltje of
+verbrijzelde eieren. Het gevaar voor ’t laatste is het grootst. Een
+jong laat zich niet zoo heel spoedig vertrappen, zie maar, daar loopt
+er al een. Die heeft stil gezeten totdat het storend bezoek wat te
+dicht bij hem kwam, en daar gaat hij nu, een dons balletje op rose
+zwemvoetjes, kop hoog in de lucht op een hals, die veel langer is dan
+je van zoo’n Sterntje zou verwachten. Intusschen vliegen de ouden boven
+ons, driftig krijschend. Daar loopt een grooter vogeltje, niet in dons,
+maar in gladgestreken pluimage, grijs en wit en zwart. Het scherp wit
+en zwart aan kop en keel, de oranje snavel, oranje pootjes, vertellen
+ons, dat we met ’t Bontbekpleviertje te doen hebben. Die heeft hier ook
+wel jongen en eieren. Als we wat verder komen, worden we begroet door
+grooter vogels, witte Meeuwen met spierwitte koppen, dat zijn de
+Stormmeeuwtjes. Die hebben hier ook enkele nesten en daar moeten we
+alweer heel voorzichtig mee zijn, want deze meeuwtjes nestelen maar op
+een paar plaatsen in Nederland: op Schouwen, aan den Hoek van Holland,
+bij Callantsoog, op Texel en op Rottum, dus op de beroemdste stranden
+van Nederland en die hebben dan ook hun beroemdheid voor een groot deel
+te danken aan die Stormmeeuwtjes. Ze gelijken het meest op
+Zilvermeeuwen, maar zijn een derdepart kleiner. Het heele jaar door
+vinden we Stormmeeuwen in menigte langs de stranden, in de havens, op
+’t land, zoo oude als jonge, maar slechts weinige willen hier broeden.
+Het strand zou het strand niet zijn, als hier niet eenige stellen
+Scholeksters rondliepen en er staat ook een heele troep Zilvermeeuwen
+te dutten, zoo maar midden op de zandvlakte. Al een poosje lang hebben
+we aan onze rechterhand donkere rijshorden gezien, daar geplaatst door
+den Waterstaat, om den groei van het duin te bevorderen. Waterstaat en
+de Texelaars koesteren al tientallen jaren lang den wensch, om de
+Sluftervlakte af te sluiten, door de duinenrij te doen voortgroeien tot
+aan de Slufterbollen. Het is al dikwijls bijna gelukt en in de laatste
+jaren gaat het ook alweer heel voorspoedig, maar een paar stormdagen en
+stormnachten, harde Noordwester met springvloed kunnen weer alles
+terugbrengen tot den toestand van jaren geleden. Wij verlaten nu het
+strand, gaan landwaarts in tot voorbij de eerste duinrichel en slaan
+dan scherp rechtsaf, de vallei in, achter die richel langs. Hier komt
+de zee nog wel eens een enkelen keer een kijkje nemen om het hoekje. Er
+ligt aanspoelsel van de hooge vloeden en de vallei is hier en daar ook
+tamelijk slibbig. Er groeit dan ook Zeemelkkruid en Engelsch Gras,
+Zoutgras, een beetje Lepelblad, Zeespurrie en hoogerop komt Bloembies
+(34) en zoete grassen, die het mogelijk maken, dat een paar schapen er
+nog genoeg te eten vinden. In deze vallei nestelen ook al Kieviten en
+Tureluurs, een enkele Scholekster en de alomtegenwoordige Graspieper
+(62). Op een nat plekje staat Pluimzegge (33).
+
+We gaan nu tegen het duin op en zijn van plan, om door de duinen terug
+te wandelen naar Koog. Eerst heb ik bij den boschwachter van het
+Staatsboschbeheer een klein bezoekje afgestoken, om te hooren of we die
+wandeling konden maken. Dit duinlandschap is namelijk een
+Staats-natuurmonument en gedurende den broedtijd der vogels heb je een
+bijzondere vergunning noodig, om het terrein te betreden. In sommige
+jaren wordt op sommige stukken zelfs niemand toegelaten. Dat was o. a.
+het geval in 1924, toen de Lepelaars, een tiental, hun nesten gebouwd
+hadden in het mooiste en grootste duinmeertje, de Mui (3). Dertig jaar
+geleden heette dat meertje kortweg de Mui, maar tegenwoordig beginnen
+we het al Binnen-Mui of Groote Mui te noemen. Er is namelijk in de
+laatste jaren nog een tweede meertje bijgekomen, dat is de Buiten-Mui
+en buiten de duinreeks, die vroeger deze Buiten-Mui van het strand
+scheidde, zijn weer nieuwe duinricheltjes gevormd. Tusschen de oude en
+de nieuwe richels vormen zich tegenwoordig telkens ook al weer
+zoetwaterplasjes, zoodat we binnenkort ons zullen verheugen in een
+Buitenste Mui. Nu, hoe meer hoe liever, want elk duinmeertje wordt, als
+’t goed gaat een middelpunt van zeer rijk dieren- en plantenleven.
+
+Als we nu aan den kleinen Slufter het duin in gaan, dan zijn we nog
+niet zoo heel spoedig bij die Muien. Eerst hebben we nog een kilometer
+of zoo duinterrein te doorloopen, haast een soort van hoogvlakte, meer
+heuvels dan dalen en de dalen smal en ondiep. Wie de duinen van Holland
+kent, verwondert zich over deze Texelsche heuvelen. Wat zijn ze dicht
+begroeid: Viooltjes, Aardbeitjes, Geel Walstroo (48), Eereprijs tot
+boven op de toppen. Dichte bosschen van Duindoorns bemoeilijken onzen
+vooruitgang. Onder en tusschen die Duindoorns worden we verrast door
+alleraardigste bloemen, die we in grooter aantal ook nog in het
+natuurmonument der Muien zullen aantreffen: het rondbladige Wintergroen
+(Pirola Rotundifolia) en het Parnaskruid (Parnassia Palustris). Het
+Wintergroen (14) staat al ferm in bloei, Parnaskruid (16) vertoont pas
+knoppen, dat is een herfstbloeier. Er was een tijd, dat het Wintergroen
+rijkelijk in het wild groeide, midden in het Bloemendaalsche Bosch. Dat
+is nog geen vijfentwintig jaar geleden. Ook het Kennemer duin stond er
+vol mee. Sedert den drogen zomer van 1911 is daar het Wintergroen zoo
+goed als verdwenen en nu moeten wij ons er toch wel zeer over
+verheugen, dat dit heerlijk mooie bloempje nog zoo veel op Texel groeit
+en ook op de andere Noordzee-eilanden en het is dubbel pleizierig, dat
+deze Texelsche duinen nu voor een groot deel tot natuurmonument zijn
+verheven, d.w.z. dat daar de natuur haar vrijen loop mag hebben en de
+wilde planten daar groeien mogen, zooals dat hier in deze streken
+behoort. Als we goed uitkijken, dan vinden we nog andere
+bijzonderheden, die nog niet in bloei staan, kijk maar hier: smalle
+groene blaadjes tegen elkaar, een groene bloemtros daar binnen
+verborgen. Wacht maar, die tros blijft niet groen maar wordt mooi rose,
+allemaal fijne Orchideeënbloempjes met lange spoor. Tegen de groote
+vacantie zullen ze bloeien. Dit is de Muggenorchis (49) of Gymnadenia.
+Onthoud hem ook maar met ’t oog op de omstandigheid, dat ge eens gaat
+reizen in het bergland, in Zwitserland. In menig opzicht is het verkeer
+in de duinen van Texel en Terschelling een goede voorbereiding voor een
+Zwitsersche reis. Nog mooier dan de Muggenorchis is de
+Moeras-Wespenorchis (53), die hier ook overvloedig groeit.
+
+Ook geven onze duinen een prachtige oefening voor beenspieren en
+longen. We moeten maar eens even op een hoogen top losstevenen om ons
+te oriënteeren. Jawel, ik dacht het al, we zijn al druk bezig, om te
+ver landwaarts in te gaan. Zie, in de richting naar Koog ligt links een
+lange vallei, westwaarts begrensd door een onafgebroken duinenrij. Dat
+was nog niet zoo heel lang geleden de zeelooper. De oostgrens van de
+vallei is een meer afwisselend duinlandschap met hooge toppen en lagere
+zadels en rechts daarvan zien we een tweede uitgestrekte duinpan. In
+beide pannen zien we blauwe waterplassen blinken en als we goed
+toezien, bespeuren we tusschen die plassen velden met riet en biezen en
+zoo beseffen we, dat we hier staan voor twee vrij uitgestrekte
+duinmeertjes, de trots en glorie van Texel, van Nederland. Dit zijn nu
+de beide Muien. De Binnen-Mui is de grootste en belangrijkste en daar
+mogen we nu in den broedtijd met zoo’n grooten troep niet heen, dat is
+zoo wijselijk beschikt door het Staatsboschbeheer. Maar wel hebben we
+een vergunning, om te wandelen langs den westoever van de Buiten-Mui en
+daar hebben we volop genoeg aan. We willen echter verstandig wezen en
+er niet regelrecht heen loopen. We zwenken af naar rechts, tot voorbij
+den zeelooper, loopen dan rustig en stil langs den buitenkant van die
+heuvelrij een kilometer of zoo zuidwaarts naar een plek, welke ik wel
+ken en kruipen dan tusschen en door de duindoorns heen, om ongezien den
+anderen kant te bereiken, waar we een vrij uitzicht hebben over het
+meer, dat hier zoowat honderd meter breed mag zijn en zich naar links
+en naar rechts eenige honderden meters uitstrekt.
+
+Het is mij dikwijls gelukt, zoo ongezien een goed uitkijkpunt te
+bereiken, zonder dat één van de honderden vogels, welke de Buiten-Mui
+bewonen, er erg in had. Alleen gaat dat natuurlijk veel beter dan met
+een troepje, want daar zijn altijd licht lui bij, die het wereldkundig
+moeten maken, als zij een duindoornpunt in hun knie krijgen of zoo
+iets. Honderden malen heb ik zoo de duinen beslopen. Haast altijd tref
+je iets aardigs en in zoowat één op de twintig sluippartijen iets
+bijzonders. Daaronder tel ik een Sperwer, die op den grond bezig was
+een Tapuitje te plukken, een helling met een twintigtal Konijnen, welke
+zich zaten te zonnen, ieder voor hun holletje, Fazanten en Patrijzen
+een stofbad nemend en dan liggend in de zon, twee Egeltjes knorrend en
+kringspelletje spelend, een oude Hermelijn op jacht met vijf jongen
+achter zich en meer dergelijks.
+
+Je hebt ook wel eens tegenspoed. Het is mij wel gebeurd, dat ik over de
+helling komend met mijn neus net terecht kwam boven een laat eendennest
+en de eend vloog met zooveel spektakel op, dat er een paniek ging over
+de heele duinvallei.
+
+Nu, ditmaal komen wij wonderwel klaar en de heele Buiten-Mui ligt voor
+ons in de Junizon, eenzaam en verlaten, alsof er geen mensch bestond op
+de wijde, wijde wereld. De hooge duindoorns geven ons een uitmuntende
+beschutting. Er staan een paar vlieren tusschen in. Voor en onder zoo’n
+vlier zit je nog beter; ik wil voor een volgenden dag straks aan de
+buitenhelling een paar merkteekens maken, om een andermaal precies bij
+zoo’n vlier terecht te komen. Het water ligt bladstil, helder blauw. Er
+is veel meer riet en biezen en russchen dan water, tenminste van hier
+gezien, maar ik weet dat tusschen de hooge rietbosschen toch ook nog
+weer genoeg open plekjes zijn. Hier en daar zie je een groote witte
+vlek, dat zijn allemaal bloeiende Waterranonkels (32), die zullen we
+elders in nog grootscher pracht aanschouwen. De duindoorns groeien tot
+in het water en het water dringt door tot tusschen de duindoorns.
+
+Van vogelleven is op ’t oogenblik niets anders te zien dan een paar
+witte Vischdiefjes, welke boven ’t witte water bidden. Ik schaam mij,
+te moeten bekennen, dat ik niet weet, welke soorten van visch in deze
+Muien voorkomen en voor zoover ik weet, is daar ook nog nooit een
+onderzoek naar ingesteld. ’t Zou een aardig werkje zijn voor jongelui,
+die hun zomervacantie geheel of gedeeltelijk op Texel doorbrengen, om
+eens wat te weten te komen omtrent de bewoners van de Muien, de
+Visschen, de Insecten, de Slakken, de Bloedzuigers enz. Daar is wat
+meer vlijt en kennis voor noodig, dan voor de vogelarij.
+
+Die Vischdiefjes hebben al gauw wat gevangen en vliegen nu naar ’t
+zuideind van de Mui, waar ze in het moerassig gedeelte zeker wel hun
+nesten hebben, misschien een stuk of vier. Het is wel merkwaardig, dat
+naast de groote kolonies van Vischdiefjes in het Noorden en aan de
+Petten ook nog overal over het eiland, heel verstrooid
+Vischdiefjesnesten te vinden zijn, alleen of bij tweeën en drieën.
+Dikwijls liggen er aan het zuideind van de Buiten-Mui ook nesten van
+Kokmeeuwen.
+
+Naar links is een der open plassen voor een groot deel bedekt met
+Eenden, wilde Eenden van allerlei soort. Met onzen kijker bespeuren we
+al gauw dat het allemaal mannetjes zijn: groenkoppen met witten
+halsring, dat zijn de gewone wilde Eenden, groenkoppen met buitengewoon
+grooten en breeden snavel en witte borst, dat zijn de Slobeenden,
+kleintjes met een groote witte streep over het oog, dat zijn de
+Zomertalinkjes (75). Met elkaar zijn er een veertigtal en nog verder
+naar links staan een dozijn zwart-met-witte Eenden, dat zijn de
+Bergeenden. Als we ze wat dichterbij kregen, zoudt ge zien, dat ze nog
+heel wat andere kleuren vertoonen dan zwart met wit: een bruinen
+halsband, een goudig groenen kop, fel rooden snavel, prachtige dieren.
+Ze hebben hun nest in konijnenholen, over het heele eiland heen en we
+ontmoeten ze dan ook langs alle stranden, het meest nog wel tusschen De
+Koog en Cocksdorp.
+
+En ja hoor, daar is ook de Roodkop weer. Als om ons een pleizier te
+doen vliegt hij op en koerst het heele meer door: een roode kop, een
+grijze rug en zwarte zijden. Dat is de Tafeleend, een vogel, dien we ’s
+winters in groote menigte op plassen en rivieren te zien kunnen
+krijgen, maar die slechts zelden hier en daar bij ons broedt. In
+Friesland en aan de Utrechtsche plassen zijn de nesten al dikwijls
+gevonden en nu die vogel zich hier aan de Muien jaar op jaar vertoont,
+kunnen wij ook wel aannemen, dat hij hier broedt. Hoe aardig vloog hij
+over de riettoppen: hij hield zijn lichaam wat schuiner dan de gewone
+wilde Eenden.
+
+Nu komen er achter elkaar drie Blauwe Reigers aanzetten. Ze dalen af
+naar ons meertje, buigen de lange pooten omlaag en strijken neer in ’t
+riet. Eén is er zoo dichtbij, dat wij hem tusschen de rietstengels door
+kunnen zien en als hij zijn snavel neerbuigt, dan kunnen wij zien, dat
+deze gegrepen wordt door andere snavels. De Blauwe Reiger heeft daar
+zijn nest met drie hongerige jongen en nu we eenmaal weten, dat daar
+Reigernesten zijn, hooren we ook wel het merkwaardig honger-gebabbel
+van de jonge vogels. Gewoonlijk maken bij ons in Nederland de Blauwe
+Reigers hun nesten in de boomen, maar hier op Texel bouwen ze in ’t
+riet, juist zooals de Purperreigers en de Lepelaars dat doen in ’t
+Naardermeer. Nog twee Reigers komen aanzetten en dan nog eens vier en
+onze eerste Reiger vertrekt al weer, na al zijn huiselijke plichten
+vervuld te hebben. We kunnen er nu al zeker van zijn, dat hier minstens
+een dozijn Blauwe Reigers in ’t riet broeden.
+
+Ook Koeten huizen er. Hun kort gekef heb ik al gehoord en daar tegen
+den rietzoom ziet ge een paar van die zwarte vogeltjes voortzwemmen.
+Nog wat beter toekijken en dan zien we tusschen de beide groote vogels
+nog een stuk of zes kleintjes, pikzwarte donsvogeltjes met soms wat
+duidelijk rood aan den kop. De oude Koeten hebben, zooals ge weet, op
+den snavel een witte plaat, welke ook nog een eind tegen het voorhoofd
+oploopt. Plots duikt er een en als hij weer boven komt, roeien al de
+jongen in pijlsnelle vaart op hem af en de buit wordt verdeeld. In het
+ijle riet kunnen we het Koetennest ook wel te zien krijgen, een bouwsel
+van riet en biezen, dat een paar decimeter boven het water uitsteekt en
+bereikt wordt langs een goed onderhouden hellend vlak. Is dat ook een
+klein Koetje, daar in de biezen? Neen, ’t dier is bruinig, de borst
+satijnig wit en op het gebied van staart heeft deze vrind nog minder in
+te brengen dan de Koet. Dat is een Dodaarsje (101) of Hagelzakje. Die
+heeft zijn nest gewoonweg aan de oppervlakte van ’t water en ik durf
+wel zeggen, dat hij het heeft opgebouwd uit Bronmos (Fontinalis
+Antipyretica), een plantje, dat op sommige plaatsen den bodem onzer
+Muien bedekt met een dicht, ruig, groen tapijt. De vogel heeft altijd
+een extra hoeveelheid van dit materiaal bij de hand, om, wanneer hij
+bij gevaar het nest verlaten moet, nog eventjes gauw de bruingele
+eieren dicht te dekken. Dat doen al zijn familieleden, de Futen. In
+sommige jaren huizen hier in de Muien ook wel de Geoorde Futen. Die
+zijn iets grooter dan het kleine Dodaarsje en de mannetjes hebben over
+de oorstreek een groep van aardige, kleurige veertjes, oranje met
+bruin. Deze Geoorde Futen broeden graag in troepjes bijeen, vier of zes
+nesten bij elkaar, maar ze schijnen nog niet een vaste voorkeur voor
+bepaalde plaatsen te kunnen hebben. Soms maken ze een paar jaar
+achtereen hun nesten in dezelfde plassen en dan blijven ze weer opeens
+weg. We hopen ze nog eens tot de vaste klanten van onze Muien te mogen
+rekenen. Hetzelfde geldt voor de Lepelaars. Ieder jaar hopen we op
+Lepelaarnesten in de Mui. In 1924 hebben ze in de Groote Mui een
+tiental nesten gebouwd. Het Staatsboschbeheer heeft er toen zorg voor
+gedragen, dat de broedplaats zooveel mogelijk met rust werd gelaten en
+er was toen geen sprake van, dat je in die Groote Mui zou mogen
+wandelen. Het is toen echter met die broederij niet goed geloopen,
+niemand weet door welke oorzaak en in 1925 zijn ze toen weggebleven.
+Wij kunnen echter wel veilig voorspellen, dat ze het binnenkort nog
+weer eens zullen probeeren, want in het Zwanewater bij Callantsoog,
+waar bijzonder goed op de vogels gepast wordt, is de Lepelaarbevolking
+in de laatste jaren zoo toegenomen, dat er wel gebrek aan plaats moet
+komen. Ze kunnen dan niet beter doen, dan zich weer op Texel te gaan
+vestigen, hetzij in de Muien, hetzij in het nieuwe duinmeer aan den
+zuidkant, dat wij morgen hopen te bezoeken.
+
+Daar vliegen opeens al onze eenden op. In een lange rij komen ze aan
+ons voorbij vliegen. De bewaker van het duin heeft ze opgeschrikt. Nu
+komen ook uit het riet de Reigers te voorschijn, veertien stuks. Ze
+gaan de hoogte in, kringen dan rond en strijken de een voor, de ander
+na, neer op de duintoppen rondom ons meertje en daar staan ze nu
+onbeweeglijk als schildwachten rondom een bewaakt gebied. Nu kunnen wij
+ook wel opstappen, de helling af naar den waterkant. Ik weet dat hier
+een soort van pad naar het zuiden leidt, maar we mogen er altijd wel op
+bedacht zijn, dat we hier en daar te doen zullen krijgen met weelderig
+uitgegroeide duindoorns of een plekje van een meer dan gewone graad van
+drassigheid. Als we opstaan, vliegen er nog eenige Eenden en Reigers
+op, de dapperen, die door de verschijning van den bewaker met zijn
+hondje nog niet schichtig waren geworden. Ook schiet er een Watersnip
+omhoog in zigzaglijn met luid „etsj, etsj” en als zij een eindweegs is
+opgeschoten gaat zij omhoog vliegen. Nu even stil gestaan, want dat kan
+aardig worden. Zij vliegt al hooger en hooger, spreidt dan vleugels en
+staart wijduit, glijdt plotseling omlaag en nu hoor je duidelijk het
+geluid, dat herinnert aan het blaten van een lammetje. Dit is de
+lentevlucht en het lentegeluid van de Watersnip en we mogen er op
+rekenen, dat die nu ook hier haar nest heeft. Daar ben ik heel blij om,
+want eenige jaren geleden, eer nog de Muien tot natuurmonument waren
+verklaard is bij den aanleg van wegen ten behoeve van de bebossching
+een klein, maar zeer mooi valleitje, waar altijd de Watersnip broedde
+te midden van de mooiste bloemen, met zand dichtgegooid. Zoo iets zou
+tegenwoordig natuurlijk nooit meer gebeuren, want ofschoon de Watersnip
+nog broedt door het heele land, wordt zij toch hoe langer hoe
+zeldzamer, ten eerste doordat de moerassen worden ontgonnen en
+ontwaterd en ten tweede doordat de jacht op Watersnippen nog is
+toegelaten in den broedtijd. Gelukkig zijn met goeden wil en inzicht
+beide euvelen nog wel te verhelpen. Nog is het niet te laat.
+
+Nu het pad langs. We hebben ook de kleine vogels opgeschrikt, die in de
+doornstruiken huizen en die vertoonen zich nu allerwege. Daar vliegt er
+een zingend omhoog, bruin en grijs met een wit keeltje. Hij brengt het
+niet ver, daalt spoedig weer en zijn schrille liedje is dra geëindigd.
+’t Is de Grasmusch (98) en na hem zien we er nog een stuk of zes, want
+dit zijn wel zeer algemeene vogeltjes. Ook Kneuen huizen hier in groot
+aantal en het mooie Paapje met zijn roodbruin borstje en de breede,
+witte wenkbrauwstreep. Die heeft niet bijster veel te vertellen, niet
+anders dan „utak, utak” en als je hem op het juiste oogenblik treft,
+dan hoor je hem ook wel eens een klein liedje zingen. Maar wat hem aan
+zangkunst ontbreekt, wordt goed gemaakt door zijn sierlijk figuurtje,
+zijn levendige kleuren en aardige maniertjes. Kijk, recht voor ons uit
+zweeft een vogel op breede wieken en Vischdiefjes staan boven hem te
+bidden. Eén schiet er neer en de groote vogel draait zijn breede kop
+afwerend hem tegemoet. Het is een Velduil en die Vischdief behoeft zich
+niet zoo zenuwachtig te maken, want de Uil kan hier genoeg muizen
+vangen. Het is voor ons wel een beetje vreemd om dien Uil hier te zien
+in ’t volle zonlicht van den zomerdag, terwijl we toch op school
+geleerd hebben, dat de Uilen nachtdieren zijn en de muizen min of meer
+ook. Je ziet echter op onze eilanden èn de Velduilen èn de Muizen
+dikwijls genoeg op klaarlichten dag. Het komt er maar op aan, om zelf
+ook de zomerdagen zooveel mogelijk buiten door te brengen.
+
+Nog weer een tamelijk groote vogel, met langen staart. Een Sperwertje?
+Neen, ’t is een Koekoek (66). Zie maar zijn platte lichaam en
+duidelijken snavel.
+
+Dikwijls wemelt het op Texel van de Koekoeken, maar dit jaar zijn er
+blijkbaar nog niet genoeg, want heele stukken duindoorns zijn kaal
+gevreten door de rupsen van den Bastaardsatijnvlinder. In vorige jaren
+is dat ook al gebeurd. ’t Is een naar gezicht, al die doode struiken en
+daarin nog de overblijfsels van de nesten van de Bastaardsatijnvlinder
+(59). Er zijn maar weinig vogels, die harige rupsen kunnen of willen
+eten. De Koekoek is er een baas in en daardoor een der allerbeste
+vrienden van het duin. ’t Is wel jammer, dat elk koekoeksjong het leven
+kost aan vier of vijf jonge Grasmuschjes of Piepertjes of Kwikstaartjes
+enz., doch daar moeten wij in berusten en hopen, dat er van die
+vogeltjes zooveel kunnen tieren, dat er wel wat af kan. We zouden den
+Koekoek toch ook niet graag willen missen, niet alleen om de
+rupsenvreterij, of om zijn zoo dikwijls geprezen en bezongen roep, maar
+ook om zijn aardige verschijning, al hebben vele menschen hem nooit
+gezien. Maar wie in Mei en Juni op Texel komt kan Koekoeken te zien
+krijgen zooveel hij wil. Zij zitten dikwijls genoeg te roepen op de
+telefoondraden.
+
+Al uitkijkend naar de vogels mogen wij toch ook de bloemen niet
+vergeten. Er groeit hier nog heel wat meer dan duindoorns en russchen
+en in den loop der jaren zal het hier nog mooier worden, want de
+Buiten-Mui is nog betrekkelijk jong. Zij staat al vol met Orchideeën.
+In Waal en Burg zagen wij hoofdzakelijk de Harlekijnsorchis. Die vinden
+we in de Mui ook wel, maar nog meer staan er de Handekenskruiden en wel
+in het bijzonder het Vleeschkleurig Handekenskruid (18). Ook de beide
+andere Handekenskruiden, het Gevlekte (I) en het Breedbladige (50)
+ontbreken niet en we vinden er genoeg waarvan niet met zekerheid uit te
+maken is, tot welk van de drie soorten ze wel behooren en die we dus
+misschien voor bastaarden moeten houden. ’t Is wel goed om eens op al
+die verscheidenheid te letten, verscheidenheid in grootte, in aantal en
+afmeting der bladeren en in de gevlektheid van de bladeren. De kleur
+der bloemen loopt van wit tot heel donkerpaars en de teekening op de
+onderlip kan vlekkig zijn of strepig, flauw of forsch en van allerlei
+kleursterkte. Behalve die kleurige Handekenskruiden groeien hier nog
+een paar Orchideetjes, welke de gewone wandelaar licht over het hoofd
+ziet maar die de plantenkenner begroet met ware vreugd. Ze hebben
+bleekgroene bloempjes. De eene zullen we Sturmia (54) noemen, die heeft
+een nog al lossen tros met weinig maar nog al tamelijk groote
+bloempjes. De andere heet Herminium, die heeft een dichter tros, maar
+de bloemen zijn klein. Beide plantjes groeien alleen op echt wilde
+ongerepte plaatsen, de Herminium alleen in het duin en ook wel in
+Zuid-Limburg, de Sturmia ook wel in de prachtige moerassen langs de
+laagveenplassen, waar ook de Veenbes zijn slingers maakt over de
+Veenmoskussens en waar de Koningsvaren groeit. Daar wil ook wel als
+groote zeldzaamheid het Rondbladig Wintergroen groeien, dat we allengs
+beter kennen onder den naam van Pirola en dat staat hier ook in de Mui
+bij troepjes, gaarne onder bescherming van de Duindoorns. Dit is een
+van de bloempjes, waarvan ik toen ik pas op de planten begon te letten,
+haast niet kon gelooven, dat het zoo maar in het wild kon groeien. De
+roomig witte wijde klokjes, met de vreemd gevormde meeldraden en de
+gebogen stijl, bij tientallen vereenigd tot een tros aan loodrechten
+bloeistengel, lijken op geen andere bekende Nederlandsche bloem. Die
+stengel komt omhoog uit een rozet van glimmend groene, bijna ronde
+blaadjes. Meest groeien die Pirola’s troepsgewijs. Ze verspreiden een
+heerlijken geur en je zoudt denken, dat daar wolken van insecten op af
+zouden komen, maar in de vele honderden uren, die ik bij Pirola’s heb
+doorgebracht, zag ik er maar enkele zweefvliegen. In één adem met de
+Pirola wordt doorgaans de Parnassia genoemd, doch die bloeit later en
+’t is al mooi, als we begin Juni wat dikke witte bolvormige
+bloemknoppen ontdekken. In Augustus staan ze in vollen bloei en dan
+kunnen we mooi zien, hoe de vijf meeldraden ieder op zijn beurt dag
+voor dag naar ’t midden van de bloem buigen om daar hun helmknop te
+openen. En als de vijfde, na zijn helmknop geledigd te hebben, weer
+buitenwaarts is omgebogen komt de stengel pas tot ontwikkeling. En al
+dien tijd hebben de buitengewoon sierlijke honigorganen, die tusschen
+de meeldraden staan met hun glanzige knopjes, de zweefvliegen en
+bijtjes gelokt, die nog al druk deze bloemen bezoeken. Hier gaan we in
+den nazomer ook zoeken naar Gentiaantjes, de kleine Bittere Gentiaan,
+Gentiana Amarella (15) en de veel zeldzamere Veldgentiaan, Gentiana
+Campestris (13).
+
+Al rondkijkend bereiken wij het einde van het meertje, het einde van de
+vallei. Dit is nog een alleraardigst stukje duinpan met een groote
+verscheidenheid van plantengroei, overeenkomend met heuveltjes van geen
+beteekenis en delletjes, haast zonder diepte en juist daardoor
+merkwaardig. Want nu kun je zien hoe groot verschil in plantengroei
+veroorzaakt wordt door enkele centimeters verschil in waterstand. We
+klimmen nu langzamerhand en ontmoeten nog een paar aardige planten.
+Vooreerst de Kleine Ruit (43), Thalictrum minus, een allersierlijkste
+plant, behoorende tot de ranonkelfamilie met mooie, fijn verdeelde
+bladeren en bloempjes waaraan niet de kelk en de kroon, maar de
+meeldraden het meest in ’t oog vallen. Deze Kleine Ruit is in ’t
+Hollandsch duin zeldzaam, op Texel niet algemeen, maar op
+Schiermonnikoog groeit hij als gras. Naast die Kleine Ruit vinden we
+misschien hier nog een enkele Jeneverbes, maar die groeit elders op
+Texel meer. En nog al merkwaardig is de tegenwoordigheid van de
+Strandwinde (26), Convolvulus Soldanella. Haar bloemen zijn als die van
+Heggewinde, even groot, maar minder diep en vrij sterk rose gekleurd.
+De bladeren zijn tamelijk dik en vleezig en rondachtig, niervormig en
+ze lijken werkelijk wel op die van het beroemde Alpenplantje
+Soldanella. Deze Strandwinde behoort, zooals haar naam aanduidt,
+eigenlijk thuis in den zeelooper en daar vinden wij haar ook bij
+Noordwijk en op Voorne en Walcheren. Dat zij hier groeit zoover in de
+binnenduinen brengt ons in herinnering, dat dit binnenduin eenmaal
+werkelijk buitenduin is geweest. De Buiten-Mui was toen strand,
+evengoed als thans de Sluftervlakte. Wij beklimmen nu het hooge duin en
+blijven een kwartiertje op den top zitten of eventjes onder den top,
+als ’t naar onzen zin wat te hard waait. Prachtig liggen nu de beide
+duinmeertjes voor ons en duidelijk zien we, dat links van de
+Buiten-Mui, dus naar de zee toe, alweer een nieuwe vallei is afgesnoerd
+en dat zich daar ook een zoetwatermeertje gaat vormen. Zoo groeit hier
+het natuurmonument der Muien aan. Rechts van de Groote Mui ligt ook nog
+een groote vlakte, rijk aan natuurschoon, maar die valt ten offer aan
+den „landhonger” en wordt ontgonnen tot wei- en hooiland. Ja, je moet
+weten te geven en te nemen. Nu naar huis en morgen naar de
+bebosschingen, naar Den Hoorn en naar De Pannekoek.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V. NAAR HET ZUIDEN
+
+
+Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet
+regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch
+dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille
+van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en
+daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje
+Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt
+een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat
+hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop
+wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen,
+hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook
+al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met
+jonge dennetjes.
+
+Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste
+gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning.
+Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge
+Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den
+nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen
+aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een
+tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte van Den
+Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na
+het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te
+handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op
+Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien
+is al het moois voor goed verdwenen.
+
+Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der
+afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met
+Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele
+Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van
+de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van
+plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer.
+Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen
+uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55),
+Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed
+bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op
+vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen.
+
+Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in
+het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken
+op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat
+er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en
+dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede
+dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls
+één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en
+de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het
+werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het
+weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en
+intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het
+eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen
+over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland
+en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de
+bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel
+woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk
+gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen
+gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram,
+een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de
+bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen
+zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen.
+Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen,
+hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den
+Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat
+naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den
+Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen.
+Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al
+honderden hektaren beplant.
+
+Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de
+Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed
+bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige
+perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot
+deel van deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog
+staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten
+de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar
+of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens
+zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren.
+Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke
+Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige
+daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken
+staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de
+nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in
+ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met
+genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn
+tentje heeft willen opslaan.
+
+Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor
+afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is
+het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de
+woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout,
+een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen,
+waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw
+bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich
+allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en
+zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de
+oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan
+raken we verzoend met de verandering.
+
+De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen
+in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij.
+Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat
+ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug
+te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen
+we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te
+leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele
+vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren
+die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop,
+dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men
+dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de
+merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan
+schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast
+struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige
+jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en
+groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie
+Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog
+opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare
+boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn
+jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van
+deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt
+het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn
+lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn
+mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels.
+Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den
+kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet om de
+prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest
+aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op
+de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft
+weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in
+hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de
+tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108).
+
+Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen.
+Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen
+in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het
+ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze
+linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land
+daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel
+lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp
+en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals
+nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer
+schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht
+in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat
+door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet
+nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog
+duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij
+wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin
+is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in
+overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J),
+waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een
+enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd
+af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de
+schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens
+voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een
+stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was
+Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top
+misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert en
+de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende
+toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen
+wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed
+niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben
+er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het
+rechte eind heb.
+
+Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden
+zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De
+Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de
+eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de
+Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar
+het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en
+duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het
+Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts
+naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van
+Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de
+Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den
+aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen.
+
+Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel
+duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild
+of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen
+de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de
+groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook
+buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging.
+
+Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes
+Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai
+gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal.
+
+Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen
+een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t
+tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de
+verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen
+door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van
+een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn
+thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later
+ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die
+den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal
+mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de
+zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand
+nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een
+nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is
+slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig
+volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat
+het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu
+bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer.
+
+Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien,
+dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een
+nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende zich een vijfde
+vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand
+een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten.
+
+Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst,
+door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan
+langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje,
+waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af,
+dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien
+tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al
+die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet
+daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels.
+Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder
+van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi
+geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de
+Muien. Meer wil ik er niet van zeggen.
+
+Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten,
+Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de
+gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer
+komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts.
+Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het
+duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde
+broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten
+hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog
+Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop
+het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en
+de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een
+echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en
+rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten
+waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de
+modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens
+een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun
+lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig
+rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door
+Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch.
+
+Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek
+en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t
+nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de
+broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale
+en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten.
+
+Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen
+gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu
+een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen
+naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden
+over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het
+Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een
+heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde
+daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk
+begroeid is met helm en duindoorn, een jong duin dat binnen
+menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van
+dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet.
+
+Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het
+oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het
+zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die
+uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een
+beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat
+het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de
+kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een
+groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht
+vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de
+oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende
+waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels
+gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw,
+waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en
+duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar
+in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En
+langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden
+gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en
+gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden
+over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren.
+
+Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen
+als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en
+Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en
+als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in
+vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt
+Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met
+smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele
+bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918
+stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer
+anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan
+groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog
+goede verwachtingen.
+
+Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een
+heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen
+uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder
+jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er
+zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want
+picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te
+genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met
+tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver,
+de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en
+van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste
+zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en
+daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs
+geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar,
+zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het
+geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op
+heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog weer kleine bultjes,
+begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een
+paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek
+zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben
+uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar
+die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er
+heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het
+groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen,
+ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of
+Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het
+geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige
+bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele
+dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken
+drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van
+jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong
+duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar
+vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op
+dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd
+naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen
+aanspoelen.
+
+Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de
+kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine
+plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje
+zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal
+voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door
+een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een
+paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan,
+verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine
+levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand
+weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we
+eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige
+hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn
+gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je
+zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan
+het voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat
+den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn
+komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte
+onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t
+Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen
+nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat
+nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige
+meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en
+zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden
+zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den
+vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel
+narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze
+wandeling mogen wijzen.
+
+Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de
+Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig
+wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer
+alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI. DWARS DOOR ’T EILAND
+
+
+Je fietst van De Koog naar Oude Schild gemakkelijk in een uur, maar
+wanneer wij „huistoe” gaan, dan nemen we er meestal een halven dag
+voor, omdat we in het voorbijgaan nog een kijkje willen nemen in het
+dorp Den Burg (K) en op den Hoogen Berg. Zooals de naam aanduidt, is
+ons hoofddorp indertijd een soort van weerbare plaats geweest, wel geen
+Metz of Verdun, maar toch een vesting en veertig jaar geleden was er in
+en om het dorp een buitengewoon vieze sloot te vinden, die aanspraak
+maakte op den naam van Burgwal. Ik geloof, dat die nu wel geheel
+verdwenen is, want ook aan Den Burg heeft het woningvraagstuk zich doen
+gelden en er zijn aan alle kanten nieuwe buurtjes bij gebouwd, waar ik
+verder maar niets van zal vertellen. Zooals bijna overal is ook hier
+het oude dorp het mooist. Er zijn drie pleinen: De Steenen Plaats, de
+Groene Plaats en het Kikkertplein. Dit laatste heet wellicht anders,
+maar wij noemen het altijd zoo naar de herberg De Vergulde Kikkert,
+tegenover mijn oude woning. De Steenen Plaats heeft twee uitwegen naar
+buiten: het Kooger end en het Waalder end, en drie straten
+binnenwaarts: de Hoogerstraat, den Binnenburg en de Weverstraat. De
+Weverstraat komt uit op het Schilderend en daarop komt ook de
+Warmoesstraat uit, die via Groene Plaats weer verbinding heeft met den
+Binnenburg. Zoodoende ontstaat een kringbaan, een „Ringstrasse”, en die
+vormt wel het voornaamste gedeelte van het dorp. Als je die heele
+kringbaan afwandelt, dan doe je een „burgje rond”, een geliefkoosde
+wandeling bij jong en oud. In het eerste jaar van mijn verblijf op
+Texel had ik mijn kamers aan de Weverstraat en als ik dan ’s avonds zat
+te lezen of te teekenen was het een groot genoegen, om klip klap mijn
+plaatsgenoten groepsgewijs voorbij te hooren wandelen, al pratend of
+zingend. Ik zat lang niet iederen avond thuis, want er waren een massa
+huizen, waar de eenzame jongeling vriendelijk werd ontvangen en waar
+hij op de alleraangenaamste manier werd ingelicht over het leven en
+bedrijf van ons mooie eiland.
+
+De Steenen Plaats doet min of meer aan als een hofje met zijn groote
+pomp en breedgekroonden kastanjeboom en de Binnenburg is een mooie
+breede straat. Daar ligt ook de groote kerk aan met zijn dikken toren
+van groote baksteenmoppen, geelgroen en grauw van korstmossen en hier
+en daar met een pruikje muurvarens. Muurvarentjes groeien ook op den
+kerkhofmuur en op een enkele plek was daar zelfs een plantje te vinden
+van de Zwartsteelmuurvaren, Asplenium Trichomanes. Ik geloof niet, dat
+kerk of toren architectonisch of historisch veel te beduiden hebben,
+maar ik houd van het stoere bouwsel en van den torentrans heb je een
+heerlijken kijk over ons eiland.
+
+Aan den Binnenburg ligt ook het Raadhuis en de Waag en langs die Waag
+kom je op de Groene Plaats, waar de groote hotels zijn en de groote
+lammerenmarkten gehouden worden. Die zijn werkelijk iets bijzonders. Ze
+worden altijd gehouden op Maandagen in April en Mei en wij hielden dan
+natuurlijk geen school. Reeds Zondagmiddag begonnen de werkzaamheden,
+dan werd de Groene Plaats al heelemaal bezet met hokken en heiningen,
+om daar den volgenden dag de dieren te bergen. En in den nacht van
+Zondag op Maandag komt dan het heele eiland in beweging, van heinde en
+ver rammelen de hooge veekarren Burgwaarts en in den vroegen morgen
+trippelen op alle wegen kudden van lammeren en schapen. Al heel spoedig
+is de markt volgepropt en de kooplui vinden nauwelijks ruimte om
+handslag te doen. Middelerwijl loopt het vrouwvolk de winkels af en
+tegen den middag, als de mannen in de herbergen hun rekeningen
+vereffenen, stroomt binnenskamers de koffie en wordt er blauwe koek
+verorberd bij kilogrammen. Meteen komt er verloop op de markt,
+duizenden lammeren worden vervoerd naar Oude Schild, waar de veebooten
+onder stoom liggen en wat er niet verkocht is, kuiert in den lenteavond
+huiswaarts. En ’s nachts weergalmt het heele eiland van het weeklagen
+der schapen, die van hun kinderen zijn beroofd. Dat zijn drukke weken
+voor Texel, dat meer dan een derde deel van zijn welvaart dankt aan de
+lammeren. Schapenteelt, landbouw (in Eijerland en het Noorden) en
+visscherij helpen de zes of zevenduizend Texelaars aan hun broodje.
+
+Als de lammerentijd en de kermis voorbij zijn, dan wordt het stil op de
+Groene Plaats, al geeft een enkele Maandagmarkt soms nog wat drukte. In
+den goeden ouden tijd verdiende het plein zijn naam beter dan nu, want
+toen stond het vol zware oude lindeboomen. Die werden door hun hoogen
+leeftijd wat gevaarlijk en moesten vallen om vervangen te worden door
+kleine stangetjes, waarvan je haast niet zou kunnen gelooven, dat ze
+over vijftig jaar de Groene Plaats alweer even indrukwekkend zullen
+maken als in de dagen van kapitein Slijboom, die, toen ik voor ’t eerst
+op Texel kwam, een groote vermaardheid genoot als hotelhouder van den
+klassieken Lindeboom. In die dagen was het tegenwoordige hotel Texel
+nog notariswoning en een kelder in dat huis maakte aanspraak op de eer
+van Ada van Holland huisvesting te hebben verleend, een eer, die echter
+ook wordt opgeëischt door een dergelijken kelder in het Burgerweeshuis
+aan de Parkstraat. Daar is werkelijk een park ook, je komt er in door
+een flink hek en ’t is voor zoo’n klein dorp werkelijk een heel mooi
+park, met zwaar geboomte en lager struikgewas en indertijd huisden daar
+nog heel wat zangvogels en daaronder was de geelbuikige Spotvogel
+altijd haantje de voorste. Natuurlijk huizen er ook altijd Spreeuwen,
+jong en oud (100 en 102). Trouwens ook elders in ’t dorp zijn veel
+aardige boomen en aan het Schilderend had je een flink bosch met veel
+mooie bloemen, dat indertijd behoorde aan de familie Bok. De
+veramerikaniseerde Hollander Edward Bok heeft in een zijner boeken naar
+aanleiding van dit boschje geschreven, dat zijn grootvader het heele
+eiland Texel beboscht heeft en dat dit zoo goed is gelukt, dat de
+schepen op zee in den nacht de aanwezigheid van het eiland kunnen
+merken aan het geschal der Nachtegalen! Je moet maar durven. Toch is
+het wel aardig, dat in onze dagen de bosschen van het Staatsboschbeheer
+werkelijk Nachtegalen hebben gelokt.
+
+Door het Schilderend verlaten wij het dorp langs de nieuwe
+zeevaartschool en nu nemen we niet den Nieuwen weg, maar den Ouden weg
+tegen den Hoogen Berg op langs Panorama, waar de beplanting met
+Eschdoorns er haast nog net zoo uit ziet als dertig jaar geleden. Als
+we goed en wel over den heuvel heen zijn slaan we een wegje in naar
+links en zoo bereiken we den Hoogen Berg met het Boschje en den
+Zandkuil (12).
+
+Het Bosch is al zeer oud, het wordt reeds vermeld in de Camera Obscura
+van Hildebrand, dat is al bijna honderd jaar geleden. Lees maar eens de
+eerste bladzijde van Teun de Jager.
+
+Het bestaat hoofdzakelijk uit Ahorns, maar er staan ook een paar rijen
+van zeer zware beuken in de luwte van de zuidoosthelling van den Hoogen
+Berg. Bovenop wordt het beschermd door een wal met dichte Meidoorns en
+die zijn natuurlijk door den zeewind weer prachtig gelijk gesnoeid. In
+de luwte van dien wal en dus onder de Meidoorns groeien ook eenige
+Hulsten, die er misschien door de vogels gezaaid zijn. Wanneer in
+October de scharen der trekvogels over Texel gaan, dan nemen zij graag
+koers over het Bosch van den Hoogen Berg. Menigmaal heb ik verscholen
+gezeten onder de Meidoorns van den noordoosthoek, om van beneden de
+vogels te zien aankomen via de boschjes van de Zeshonderd en De Blauwe
+Poort. Ik heb dat bosch vol gezien met Vlaamsche Gaaien, honderden bij
+elkaar en met Goudhaantjes in zoo groot aantal, dat het leek alsof het
+herfstloover nog voor een groot deel aan de boomen zat. Een andermaal
+waren het Spreeuwen en Kramsvogels en zelfs als er geen trek was, dan
+kon je er vrij zeker van zijn, interessante achterblijvers of
+voorloopers te vinden op de luwe plaatsen. Eenige zomers achtereen
+heeft er een Boomvalkenpaar genesteld in de hooge kronen en ook de
+Bergeend, die gewoonlijk zijn nest maakt in de konijnenholen van het
+duin, huisde er eens in de steile helling langs den Zandkuil. In ’t
+wandelpad langs de noordzijde ligt een kunstmatig heuveltje met een
+bank er bovenop. De Texelaars noemen dat de Zeven Pannekoeken en
+vertellen, dat daar binnen een groote steen verborgen ligt, de kern van
+het eiland en het symbool van zijn bestendigheid. Texel onderscheidt
+zich namelijk van al onze andere Noordzee-eilanden, doordat het Oude
+land grootendeels dezelfde soort van grond is als Drente en de Veluwe.
+Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum zijn
+eigenlijk niet anders dan zandplaten en slibplaten, waarop duinreeksen
+zijn gegroeid. Zij staan of vallen met hun duinen. Texel echter zou
+zonder duinen ook nog kunnen bestaan, al werd het dan ook wel veel
+kleiner. Wieringen verkeert in hetzelfde geval.
+
+Dit alles kunnen wij nog beter beseffen, wanneer we den Zandkuil
+betreden. Hier is een hap in den Hoogen Berg gedaan. Duizenden kubieke
+meters zand zijn hier weggegraven om verwerkt te worden in de
+dijklichamen langs de Zuiderzee. Langen tijd waren die dijken slechts
+onvoldoende lapwerk geweest, totdat men dat moede werd en in eens en
+naar wij hopen voor goed de prachtige zware dijken opwierp, die thans
+de lage landen langs den westrand behoeden tegen de nukken en grollen
+van den Texelstroom, die er niet beter op zullen worden, wanneer binnen
+enkele jaren de afsluitdijk van Wieringen naar Harlingen voltooid zal
+zijn.
+
+Door die graverij kunnen we nu een leerzaam kijkje krijgen op den
+inwendigen bouw van ons eiland. De bodem van den kuil is al wel sinds
+lange jaren alweer begroeid met hei en biezen en gras en berkjes, maar
+de steile wanden zijn voor een groot deel kaal gebleven, dank zij de
+werkzaamheid van de jeugdige Texelaars, die er hebben gestoeid en
+gegraven. In vroeger jaren had een clubje Texelaars uit Den Burg hier
+bovenop den Berg een theetent laten bouwen en dan gingen ze hier graag
+heen met hun logé’s en kinderpartijtjes. Nu echter de Koog een heusche
+badplaats is geworden, tijgt men liever derwaarts. De theetent is
+afgebroken en de Zandkuil ligt stil en verlaten. Een paar
+bewonderaarsters van Texel hebben Kuil en omgeving gekocht en ten
+geschenke gegeven aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten.
+Samen met het Bosch, dat gemeente-eigendom is, maar onderhouden wordt
+door het Staatsboschbeheer, vormt de Kuil nu een prachtig geheel, een
+juweeltje van natuurschoon, ondanks de geringe afmeting.
+
+Die Kuil moet als natuurmonument beschouwd worden op twee gronden en
+wel allereerst omdat men er zoo’n duidelijk inzicht kan krijgen in de
+samenstelling van den bodem, in de tweede plaats, omdat de hellingen
+bewoond worden door een bonte verscheidenheid van allermerkwaardigste
+insecten, vooral Graafwespen en Graafbijen. Om beide is het
+wenschelijk, dat de kale hellingen kaal zullen blijven en dat men er
+zich onthoude van graverij, in welken vorm dan ook. En de
+natuurvrienden, die deze buitengewoon belangrijke helling komen
+bekijken, zullen haar, naar ik hoop, ook naar behooren ontzien.
+
+Het zand is geelachtig en fijn, heel anders dan duinzand. Heel in de
+hoogte, vlak onder het gras, ziet het lichtgrijs en daaronder komt een
+heel interessante bruine laag, het Koffiedik, zooals ik kinderen wel
+eens heb hooren zeggen. Ervaren scheikundigen hopen, dat zij U kunnen
+uitleggen, hoe hier onder allerlei invloeden zich ijzerverbindingen
+hebben afgescheiden, die tegelijkertijd de zandkorreltjes bruin kleuren
+en aaneenklitten en zoodoende ontstaat een vrij harde laag, die geen
+water doorlaat, de gevreesde zandoerlaag, een groote belemmering voor
+den plantengroei. Zoo komt het dan ook, dat boven op den berg alleen
+maar schrale weiden te vinden zijn, meest begroeid met schapengras en
+kamgras. Let er op, dat dit koffiedik vol zit met kleine keisteentjes,
+het is oorspronkelijk keizand. Iedereen weet tegenwoordig ook mee te
+praten van Keileem, vooral nu men van die stof zoo’n voordeelig gebruik
+gemaakt heeft bij het droogleggen van de Zuiderzee. Ook dit keileem is
+op Texel te vinden, maar niet hier aan den Kuil, doch meer naar het
+zuidwesten in het gebied van Zuid-Haffel. Daar liggen een paar kuilen,
+die heeten nog de Leemkuilen, omdat men er vroeger wel Keileem heeft
+gedolven en ook nog op een paar andere plekken komt het bij graafwerk
+wel te voorschijn. Keileem zoowel als Keizand zijn afkomstig van de
+gletscherijsmassa’s, die eens een groot deel van de aarde bedekten en
+die zich van de Noordpool uitgestrekt hebben tot Nijmegen en Katwijk.
+De groote Kei, die al of niet onder de Zeven Pannekoeken ligt
+verborgen, is daar ook van afkomstig.
+
+Onder de koffiediklaag volgt een bijna steenharde laag van aaneengekit
+geel zand en hoe diep die gaat weet ik niet, want het onderste deel,
+daar ligt een schuinere laag van los hellingzand voor en dat is nog al
+tamelijk dicht begroeid met hazepootjes, dat is een soort van kleine
+witte klaver en met grijs buntgras, lager met veldbies (36) en
+bloembiezen.
+
+Het kan wat heet zijn in dien zandkuil. Menigmaal ben ik er met een
+rooden kop uit gekropen, om boven op den berg in het frissche koeltje
+weer wat bij te komen. Maar dan ging ik toch gauw weer omlaag, want wat
+daar in dien kuil te zien valt, is beter dan een heele kast vol boeken
+over het leven der insecten. Het is daar een echt natuurlijk
+insectarium.
+
+De zandsteenlaag onder het koffiedik zit vol donkere gaatjes. Als we
+daar even op letten, dan zien we een mooi zwart met wit bijtje met
+oranje pooten en rossig borststuk aankomen en in zoo’n opening
+verdwijnen. Spoedig volgt er nog een en nog een en nu zien we
+duidelijk, dat hun achterpooten vol stuifmeel zitten. Een, die er uit
+komt, is dat stuifmeel kwijt, maar toch zijn die pooten oranje, van de
+dichte lange haren, die ze versieren. Dit is het beroemde
+Pluimvoetbijtje (113), druk bezig, om telkens nieuwe kamertjes te
+voorzien van stuifmeel en honig. Elk kamertje krijgt een bolletje van
+de grootte tusschen erwt en knikker. Daar legt het bijtje dan een ei op
+en na verloop van tijd komt daar een larf uit, die het heele bolletje
+opeet, zich daarna verpopt en uit die pop komt weer een nieuw
+Pluimvoetbijtje te voorschijn. Als we de Zandkuil bezoeken in Juli en
+Augustus kunnen we dat heele Pluimvoetbedrijf gadeslaan. We kunnen
+zien, hoe de bij zijn gang begint te graven in het harde zand. Dat doet
+hij met een paar sterke, min of meer lepelvormige kaken en als hij wat
+dieper komt, kunt ge zien hoe hij, achterwaarts loopend, het
+losgeknauwde zand naar buiten werkt met zijn achterlijf, dat voorzien
+is van een dichten krans van veegharen. Op regenachtige dagen werken ze
+weinig of niet en dan zitten ze graag met de armen over elkaar aan den
+ingang van het hol, alsof ze gemoedelijk naar buiten kijken. Dat doen
+zoowel de wijfjes als de mannetjes. Deze laatste zijn slanker en in
+plaats van witte dwarsstrepen, zooals de wijfjes, hebben ze gele
+dwarsstrepen op het achterlijf.
+
+Op een andere plek weer hebben de Zwarte Graafbijtjes hun nesten. Die
+zijn kleiner en heelemaal zwart. Hun wetenschappelijke naam is
+Panurgus, dat beteekent „de zeer vlijtige” maar zoo mochten alle
+graafbijtjes wel heeten. Wat zegt ge bijvoorbeeld van de
+Behangersbijtjes (109), die hier iedere drie minuten met een rol
+behangselpapier komen aandragen. ’t Is natuurlijk geen papier, maar een
+ovaal of cirkelrond stuk, dat ze uitknippen uit een blad en dan netjes
+opgerold tusschen de achterpooten naar huis dragen. In de verte zie je
+meer blad dan bij, een groen vlokje, dat door de lucht komt aanzweven.
+In den zandkuil huizen verschillende soorten van Behangersbijen. Ze
+leven allen op dezelfde manier, graven een diepe gang en bouwen daarin
+van stukjes blad een heele rij cellen, ieder met een eigen deksel en op
+een rij aaneensluitend, net als een rist vingerhoedjes. In elke cel zit
+weer de noodige voorraad met een eitje en ’t volgend jaar komen daaruit
+de nieuwe behangertjes te voorschijn. Niet altijd, want er is een
+vreemde bij, de Kegelbij (111), die legt zijn eieren in de cellen van
+den behanger en dan komen er natuurlijk geen nieuwe behangers uit, maar
+Kegelbijen.
+
+Daar komt een klein bruingrijs bijtje aanvliegen. Hij lijkt wel wat op
+de gewone honigbij. Hij strijkt neer op de bloeiende struikhei en nu
+kan ik hem gemakkelijk vangen in een glazen buisje. Zoo kunnen we hem
+goed bekijken en meteen zien, dat hij lang zoo’n grooten zuigslurf niet
+heeft als de honigbij en ook andere achterpooten. Ik zal U maar meteen
+zeggen, dat dit het Zijdebijtje is. Die graaft ook holen in den grond
+en bekleedt zijn kamertjes met een zijdeachtig spinsel, vandaar zijn
+naam. Ook deze bij heeft last van een indringer en tafelschuimer en die
+is heel sierlijk uitgedost in bruin en geel. We hebben nog geen goeden
+Hollandschen naam voor hem kunnen bedenken en noemen hem nu maar bij
+zijn wetenschappelijken naam van Epeolus (114). Het Pluimvoetbijtje
+heet in de wetenschap Dasypoda, dat beteekent Dikvoet en ook hij heeft
+zijn parasiet, die is haast net gekleurd als een Wesp en draagt den
+zwerversnaam van Nomada.
+
+Wespen zijn er ook genoeg in den zandkuil, maar niet de wespen, die bij
+duizenden bij elkaar wonen in de bordpapieren nesten, doch eenzaam
+levende gravers. Ik wil er U een paar van aanwijzen. Daarvoor gaan we
+eerst onderaan de helling, waar het afgestorte zand nog al rul is. Nu
+zeg ik U vooruit, dat ge niet bang behoeft te zijn. Daar komen een paar
+groote wespen aangonzen, grooter dan de gewone soort, welke in uw
+limonadeglas kruipt. Hun gonzen gaat over in een soort van huilen. Eén
+ploft er vlak voor ons op den grond neer, graaft haastig in den grond
+en nu blijkt het, dat hij daar een ingang opent, waar hij snel in
+verdwijnt. We hebben nog even den tijd, om op te merken, dat hij
+tusschen zijn achterpooten een groote vlieg mee draagt. Een poosje
+later komt hij weer te voorschijn, nu zonder de vlieg. Hij gaat zijn
+nest wat uitdiepen, rent naar binnen, komt achterwaarts loopend weer
+naar buiten, een hoopje zand verschuivend, laat dat liggen, zegt even
+„kik” en holt weer ’t nest in. Hoe hij dat geluid maakt weet ik nog
+niet. Zoo blijft hij een poosje doorwerken en eindelijk gaat hij niet
+meer naar binnen, maar harkt uit de omgeving los zand in de opening van
+het nest en weet de heele zaak zoo te behandelen, dat de nestopening
+ten slotte in ’t geheel niet meer kan worden onderscheiden. Vlug vang
+ik hem, om U zijn hark-achtige voorpooten te vertoonen en zijn langen
+snavelsnuit. Naar de eerste noemen wij hem Harkwesp (110), naar de
+laatste Snavelwesp en dat is ook min of meer de vertaling van zijn
+wetenschappelijken naam Bembex Rostrata. ’t Is een heel merkwaardig
+dier, waar ik U nog wel een bladzij of acht van zou willen vertellen.
+Ge kunt dat echter ook wel nalezen in Jaargangen 6, 7, 8 van De Levende
+Natuur.
+
+Nu hoop ik, dat ge inmiddels gestoken zijt door een regendaas, dat is
+de grijze vlieg met grijze vleugels en groene oogen, die soms zoo
+stilletjes steken kan en zich dan zoo vol bloed zuigt, dat hij te lui
+is om weg te vliegen en dan knijp je hem gemakkelijk dood. In sommige
+jaren heb je die vliegen bij honderden en dan kunnen ze geweldig lastig
+zijn. Ze hebben ook nog grootere verwanten, dat zijn de Runderdazen,
+die steken door drie lagen kleeren heen. In Zwitserland heb je die nog
+meer dan bij ons en daar vergallen ze menige mooie wandeling. Nu dan,
+in onzen Zandkuil huist ook een klein Graafwespje, die schijnt er
+vooral werk van te maken, om van die Regendazen te vangen en als
+voedsel voor zijn kroost te begraven. Hij huist doorgaans meer omhoog
+op de helling in het grijze zand boven het koffiedik. We kruipen dus
+naar boven en houden goed uitkijk. Als ’t gaat zooals in 1912, dan
+hebben we er gauw een te pakken, want toen was het daar een
+onophoudelijk gaan en komen van deze wespjes. Daar komt er al een; zijn
+vlieg is nog langer dan hij zelf. In het glazen vangbuisje laat hij
+zijn prooi gauw vallen en nu zien wij, wat een aardigen vorm dit
+diertje heeft, den hoogen rug nog versierd met een voor zijn doen groot
+uitsteeksel. Dit is nu de Bultenaarwesp (112), Oxybelus uniglumis.
+
+Zoo kan ik U nog wel een uur in den kuil rondleiden en U telkens weer
+nieuwe bijtjes en wespen vertoonen: vliegendooders en spinnendooders,
+rupsendooders, bladluizenjagers van allerlei soort. Het komt er maar op
+aan, om wat geduld te hebben en dan kunt ge zien, hoe iedere soort zijn
+eigen prooi heeft en zijn eigen manier, om die te begraven. Sommigen
+graven een hol, voor dat ze hun prooi vangen, anderen bemachtigen eerst
+het insect hunner gading en graven er dan een hol voor. De diepte en
+ligging der holen is ook alweer zeer uiteenloopend. Ik kan er nu (’t is
+vandaag 22 December) alweer naar verlangen, om eenige zonnige dagen in
+dien Zandkuil op Texel door te brengen.
+
+Het blijft ook niet alleen bij bijen en wespen. Er loopen ook prachtige
+Zandloopkevers rond en wij kunnen er uitzien naar de valkuilen van hun
+larven. Ook zien we er de geheimzinnige, ongevleugelde Mierwespen,
+Mutilla (120) en Methoca Mestkevers (129), de Rupsendooder Ammophila
+Affinis (119) en groote Loopkevers (130) met roode dijen, die ook een
+specialiteit zijn van Texel. In en om de Zandkuil zag ik inderdaad ook
+soms onverwacht groote hoeveelheden van St. Jansvlinders (60),
+Kolibrivlinders (116), Distelvlinders (118), Windepijlstaarten (117) en
+zelfs Doodshoofdvlinders (115). We mogen dus wel blij zijn dat
+Natuurmonumenten dezen Zandkuil heeft gekregen.
+
+Nu gaan we bovenop den Berg nog wat liggen uitkijken naar Oude Schild
+en Texelstroom. Tusschen den Berg en Oude Schild zien we nog een
+boerderij mooi in de boomen, dat is Brakestein en daar moet vroeger
+Tromp gewoond hebben of Maarten Harpertsz of Cornelis, dat weet ik
+niet. Vroeger had je in Oude Schild ook nog een herinnering aan De
+Ruyter in het hotel De Zeven Provinciën, maar dat is al lang afgebroken
+en ’t was dan ook een heel leelijk perceel. Ook de schansen zullen wel
+eens worden vergraven en dan hebben we met het krijgshaftig verleden
+van Texel geheel gebroken. Op de ree stoomen nog iederen dag
+oorlogschepen, groot en klein, uit Nieuwediep en die houden ook nog hun
+schietoefeningen aan De Mok en ver weg in de wateren naar Vlieland,
+doch dat ligt eigenlijk buiten onze aandacht.
+
+Maar het eiland zelf blijft en ’t doet ons goed hier even te liggen op
+zijn hoogen rug en uit te zien naar de vele plekken, die ons in de
+enkele dagen, die wij hier doorbrachten, reeds dierbaar zijn geworden.
+Laat het bij die enkele dagen niet blijven. Wordt hier een geregelde
+gast. Een enkel jaartje moogt ge misschien eens overslaan, maar kom
+hier toch liever driemaal in één jaar (April, Juni, October) dan
+eenmaal in drie jaren. Er begint zich al langzamerhand een broederschap
+te vormen van vrienden van Texel. Dat zijn in de eerste plaats
+Nederlanders, maar ook Zwitsers, Engelschen, Schotten, Amerikanen,
+Duitschers en Franschen. Hoe meer hoe liever, want des te eerder zal
+men begrijpen, dat Texel zooveel mogelijk ongerept moet blijven, in het
+bijzonder zijn duinen en stranden. Gelukkig bestaat daarvoor goede
+kans.
+
+
+
+
+
+
+
+
+REGISTER
+
+
+ Plaatje Bladz.
+Alk 103 47
+Amerikaansche Boormossel 126 12
+Ammophila Affinis 119 91
+Aschgrauwe Kiekendief 65 73
+Bastaardsatijnvlinder 59 65
+Behangersbij 109 89
+Bergeend 76 12
+Biestarwegras 29 54
+Bittere Gentiaan, zie Gentiana Amarella
+Blauwe Reiger 107 43
+Bloembies 34 57
+Boetje 10
+Bontbekplevier 68 13
+Bonte Strandlooper 67 44
+Boschrietzanger 99 16
+Breedbladige Orchis 50 66
+Bultenaarwesp 112 91
+Dasypoda Plumipes 113 89
+De Cocksdorp 8 13
+De Kil N 50
+De Koog 7 24
+De Waal C 24
+Den Burg K 82
+Den Hoorn 9 75
+Distelvlinder 118 91
+Dodaars 101 61
+Doodshoofdvlinder 115 91
+Dopheide 45 73
+Drieteenige Strandlooper 72 13
+Drievingerige Steenbreek 41 27
+Duinen bij De Westen 6 16
+Duinpieper 108 74
+Duinroosjeshelling J 74
+Duinzoom bij Koog 4 27
+Dwergstern 93 54
+Engelsch Gras 20 29
+Epeolus variegata 114 90
+Galigaan 39 19
+Geel Walstroo 48 57
+Gentiana Amarella 15 67
+Gentiana Campestris 13 67
+Gentiana Pneumonanthe 17 19
+Gestreepte Pad 131 79
+Gevlekte Orchis I 66
+Gevlekt Zonneroosje 56 79
+Gewone Zegge 31
+Goudplevier 89
+Grasklokje 35 15
+Graspieper 62 57
+Grasmusch 98 65
+Groote Ratelaar 52
+Groote Strandschelp 122 13
+Groote Stern 91 41
+Grutto 79 30
+Handekenskruid, zie Orchis.
+Harkwesp 110 91
+Harlekijnsorchis D 29
+Helm 25 54
+Jeneverbes 37 19
+Kamperfoelie 57 16
+Kandelaartjes 41 27
+Kanoetstrandlooper 70 47
+Kegelbij 111 89
+Kemphaan 82 30
+Kievit 84 30
+Kleine Karekiet 104 50
+Kleine Ruit 43 67
+Klokjesgentiaan, zie Gentiana Pneumonanthe.
+Kluut 81 23
+Kneu 61 28
+Koekoek 66 65
+Koet 78 50
+Kokkel 123 13
+Kolibrivlinder 116 91
+Kraaiheide 40 73
+Langpootmug 132 49
+Leeuwerik 63 24
+Limoenkruid 21 43
+Loopkever 130 91
+Mannetjes-varen 58 16
+Meidoornhaag M 11
+Mesheft 121 13
+Mestkever 129 91
+Mierwesp 120 91
+Moeras-Wespenorchis 53 58
+Molen in „Het Noorden” G 14
+Muggenorchis 49 58
+Mui-Meertje 3 57
+Muurpeper 46 79
+Nonnetje 125 13
+Noorsche Stern 92 35
+Obione 22 43
+Oosterend F 37
+Orchis incarnata 18 66
+Orchis latifolia, zie Breedbladig Handekenskruid.
+Orchis maculata, zie Gevlekt Handekenskruid.
+Orchis morio, zie Harlekijnsorchis.
+Oude Schild B 6, 23
+Parnassia 16 58, 66
+Pirola 14 58, 66
+Pluimvoetbij, zie Dasypoda.
+Pluimzegge 33 57
+Regenwulp 96 44
+Rosse Grutto 95 44
+Rotgans 77 48
+Scholekster 80 30
+Slikken bij De Eendracht E 14, 42
+Slufter 2 11
+Staatsbebossching 5 70
+Slobeend 74 50
+Spreeuw, jong 102 84
+Spreeuw, volwassen 100 84
+Spotvogel 106 7, 16
+Sprinkhaanrietzanger 97 28
+Steenlooper 69 12
+Stevige Strandschelp 124 13
+Strandplevier 71 38
+St. Jansvlinder 60 91
+Strandwinde 26 67
+Struikheide 38 73
+Sturmia Loeseliï 54 66
+Suaeda 19 43
+Tapuit 64 37
+Tengere Bastaardmuur 55 70
+Teere Strandschelp 125 13
+Tepelhoorn 127 13
+Texelsch Boerenerf L
+Texelsche Boerenhoeve A 8
+Tureluur 83 23
+Veldbies 36 86
+Veldgentiaan, zie Gentiana Campestris.
+Vischdiefje 86 34
+De vlakten bij de Mui H
+Vleeskleurig Handekenskruid, zie Orchis Incarnata.
+Vogelwikke 51
+Waterdrieblad 47 70
+Waterranonkel 32 59
+Wilde Eend 73 50
+Windepijlstaart 117 91
+Wintergroen, zie Pirola.
+Witte Boormossel 126 13
+Wulk 128 13
+Wulp 87 44
+Zandblauwtje 44 15
+Zandhaver 27 54
+Zandkuil 12 84
+Zeealsem 24 42
+Zeekoet 105 47
+Zeekraal 30 43
+Zeemelkkruid 23 42
+Zeepostelein 42 79
+Zeeraket 28 80
+Zeewind in de boomen 11 36
+Zilvermeeuw 88 44
+Zilverplevier 90 12
+Zomertaling 75 60
+Zuid-Westerstrand 1 16
+Zwarte Stern 94 33
+Zwartkopmeeuw 85 33
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANWIJZINGEN VOOR VERZAMELAARS VAN VERKADE’S PLAATJES
+
+
+Het Verkade’s Album „TEXEL” kan, behalve de groote titelplaat, 132
+kleine plaatjes bevatten, die genummerd zijn van 1–132 en 14 groote
+platen gemerkt A–N.
+
+De kleine plaatjes worden gedurende minstens een jaar, van October 1927
+af, verpakt bij de Verkade’s Artikelen, waarvan men hierachter een
+opgave vindt.
+
+Om practische redenen konden bij sommige artikelen geen plaatjes
+verpakt worden. Daarbij zijn bons voor plaatjes gevoegd.
+
+De groote platen zijn te bekomen door inruiling van kleine plaatjes of
+bons.
+
+Voor 3 kleine plaatjes of bons geven wij één groote plaat in ruil,
+terwijl ook omgekeerd voor één groote plaat 3 kleintjes in ruil kunnen
+worden verkregen.
+
+
+
+RUILEN
+
+Bons en „dubbele” plaatjes kunnen bij ons (of aan de ruilkantoren te
+Rotterdam, den Haag, Utrecht, Tilburg en Groningen) worden ingeruild
+tegen ontbrekende nummers.
+
+Men kan ons daartoe de te ruilen plaatjes of bons zenden als brief, in
+gesloten enveloppe, met begeleidend schrijven, of liefst nauwkeurig
+ingevuld op de door ons bij alle ruilzendingen verstrekte
+ruilaanvraag-formulieren.
+
+Adresseer Uw brieven enz. aan:
+
+VERKADE’S FABRIEKEN, Afd. ALBUMS,
+te ZAANDAM.
+
+Zet vooral duidelijk Uw NAAM en VOLLEDIG ADRES zoowel op Uw brief en
+ruilaanvraag-formulier, als op de enveloppe.
+
+Frankeer Uw zending voldoende.
+
+Onvoldoend gefrankeerde zendingen moeten wij weigeren.
+
+Mocht U zelf niet met juistheid het gewicht van Uw brief kunnen nagaan,
+vraagt dan, vóór de verzending, even aan het postkantoor of ze
+voldoende gefrankeerd is.
+
+De terugzending der geruilde plaatjes geschiedt gratis en franco. Wil
+men ons de porto voor terugzending vergoeden, dan zullen wij het op
+prijs stellen indien deze bij de aanvrage wordt ingesloten.
+
+Vriendelijk verzoeken wij om steeds op postwissels, postchèques en
+giro-formulieren op te geven, waarvoor het toegezonden bedrag bestemd
+is.
+
+Voor plaatjes of bons van vroeger door ons uitgegeven albums geven wij
+geen „Texel”-plaatjes in ruil.
+
+Wie dus „Texel”-plaatjes wenscht te ontvangen, moet ook plaatjes of
+bons van datzelfde album inzenden.
+
+Zoolang de voorraad strekt stellen wij ook nog plaatjes van vroeger
+verschenen albums verkrijgbaar tegen plaatjes van die albums. Ook
+kunnen „Texel”-plaatjes dienen om daarmede nog plaatjes van oude albums
+in ruil te verkrijgen.
+
+Ter voorkoming van teleurstelling vestigen wij er nog even de aandacht
+op, dat „niet meer” geldige bons niet meer ter inruiling worden
+aangenomen. Men lette dus wel op den geldigheidsduur, die op de bons
+vermeld staat.
+
+De titel-plaat van het album „Texel” is, op groot formaat papier
+gedrukt, verkrijgbaar voor diegenen, die er prijs op stellen deze als
+wandversiering e.d. te gebruiken! Hiervoor moeten 25 „Texel”-plaatjes
+of bons, benevens 4 cent porto-vergoeding worden ingezonden.
+Titel-platen worden niet geruild.
+
+Mocht men over het verzamelen der plaatjes of over de albums nog eenige
+inlichtingen of opheldering wenschen, dan is onze afdeeling „Albums”
+steeds gaarne bereid U te helpen en zal U, hetzij per brief, hetzij
+door het toezenden van circulaires, steeds alle gewenschte inlichtingen
+verstrekken.
+
+
+
+INPLAKKEN DER PLAATJES
+
+De plaatjes moeten in het album worden geplakt met een goede kleefstof,
+zooals Gluton van de Fa. Talens & Zoon te Apeldoorn, die overal
+verkrijgbaar is in potjes, met penseel, van ƒ 0.30, ƒ 0.45 of ƒ 0.90.
+Een weinig Gluton aan de hoeken en in het midden der plaatjes is
+voldoende om ze vast te hechten.
+
+Jeugdige verzamelaars zullen bij het inplakken de hulp van ouderen
+wellicht noodig hebben, ten einde beschadiging van albums en plaatjes
+te voorkomen.
+
+Zaandam, Oct. 1927. VERKADE’S FABRIEKEN
+
+
+
+
+
+
+
+
+VERKADE’S PLAATJES OF BONS WORDEN VERPAKT BIJ:
+
+
+VERKADE’S KOEK
+
+Prima Honing Ontbijtkoek groot in geel carton
+Prima Honing Ontbijtkoek klein in geel carton
+Honing Ontbijtkoek groot in groen carton
+Prima Gemberkoek groot in carton
+Prima Gemberkoek klein in carton
+Prima Sucadekoek groot in carton
+Prima Sucadekoek klein in carton
+Ruyter Ontbijtkoek groot
+Ruyter Ontbijtkoek middel
+Ruyter Ontbijtkoek klein
+Ruyter Gemberkoek middel
+Ruyter Gemberkoek klein
+Korstjes
+Taai Taai
+
+
+VERKADE’S BESCHUIT
+
+ Groote Ronde Beschuit in zakjes
+ Kleine Ronde Beschuit in zakjes
+ Lange Beschuitjes in pakjes
+
+
+VERKADE’S PANEERMEEL
+
+in pakjes
+
+
+VERKADE’S BISCUITS
+
+ Eén-ponds blikjes div. Biscuitsoorten
+ Twee-ponds blikjes div. Biscuitsoorten
+ Halve blikken Gemengde Biscuit
+ Halve blikken Standaard Biscuit
+
+
+VERKADE’S CHOCOLADE
+
+Tabletten—Pastilles—Napolitains—Carrés Pakketjes, Kattetongen, enz.
+
+
+VERKADE’S TOFFEE
+
+in blikjes
+
+
+VERKADE’S BONBONS EN SUIKERWERK
+
+Verkade’s Bonbons, Marsepein en Borstplaat in doozen, enz.
+
+
+VERKADE’S WAXINELICHTEN
+
+Waxine Nachtlicht 6, 8 of 10 uur brandend in doozen
+Waxine Theelicht in doozen
+Waxine Bouilloirlicht in doozen
+Waxine Voedselwarmerlicht in doozen
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76234 ***