diff options
Diffstat (limited to '76234-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76234-0.txt | 3111 |
1 files changed, 3111 insertions, 0 deletions
diff --git a/76234-0.txt b/76234-0.txt new file mode 100644 index 0000000..b10c5ef --- /dev/null +++ b/76234-0.txt @@ -0,0 +1,3111 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76234 *** + + + + + + TEXEL + + DOOR DR JAC. P. THIJSSE + + + TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES, + NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH, + C. ROL, J. VOERMAN JR EN SAM VAN BEEK. + SAMENSTELLING VAN HET ALBUM DOOR JAC. J. + KOEMAN. BAND VERSIERING EN TEEKENINGEN + IN DEN TEKST VAN C. ROL. PLAATJES IN + OFFSETDRUK VAN L. VAN LEER & CO. DRUK- + EN BINDWERK VAN BLIKMAN & SARTORIUS + + + UITGAVE VERKADE’S FABRIEKEN, ZAANDAM, 1927 + + + + + + + + +VOORWOORD + + +Men noemt Zwitserland wel eens het speelveld van Europa. Bergsport, +Wintersport, maar bovenal de aanschouwing van de heerlijke Planten- en +Dierenwereld en van den bouw van bergen en dalen, kloven en gletschers +geven gelegenheid tot veredelend genieten. Speelvelden van dien aard +hebben wij ook in ons land en het voornaamste daarvan wordt wel gevormd +door de Noordzee-eilanden en de Waddenzee. Van de eilanden is zonder +twijfel Texel het schoonste en het rijkste. In dit album hebben wij +gepoogd U daarvan het een en ander te vertellen en te vertoonen. + + + Dr. JAC. P. THIJSSE. + + + + + + + + +I. DE EERSTE KENNISMAKING + + +Toen ik, nu zevenendertig jaar geleden, op Texel ging wonen werd ik +oprecht beklaagd door mijn Amsterdamsche vrienden en collega’s. Wat was +er nu op zoo’n schapeneiland te beleven? Maar ik wilde spoedig een +„positie” hebben, en nu kon ik kiezen tusschen Wormerveer, Texel en +Sint Petersburg. Mijn leven lang zal ik er mij over blijven verheugen, +dat ik Texel heb gekozen, en—al heb ik er maar twee en een half jaar +gewoond, Texelaar zal ik blijven tot het eind. + +Het zou wel meevallen, dacht ik. Texel is even groot als Walcheren en +er is meer verscheidenheid van grond dan op de parel der Zeeuwsche +eilanden. Ook kreeg ik van mijn goeden vriend en leermeester Kerbert +een aardig boekje cadeau, dat handelde over de Flora der +Noordzee-eilanden. Dit proefschrift van den helaas jong gestorven +botanicus Holkema was toen al een jaar of twintig oud, maar nog +volmaakt bruikbaar, want destijds waren de veranderingen op Texel van +geenerlei beteekenis. Onder het lezen van dat boekje werden mijn oogen +al grooter en grooter, want wat daarin staat van duinen en +duinvalleien, van stranden en slikken, van heuvels en heiden is wel +geschikt om een vierentwintig jarig natuurvriend in geestdrift te doen +ontsteken en te vervullen met ongeduld. Ik weet niet wat er gebeurd zou +zijn, als er een dergelijk werkje over de vogelwereld van het eiland +had bestaan, want die is er nog feestelijker dan de flora. De meeste +voor het ongewapend oog zichtbare planten en dieren van Nederland kende +ik al. Die had ik gevonden in de omgeving van Amsterdam, in den +vierhoek Monnikendam, Muiderberg, Abcoude, Zandvoort. In de laatste +veertig jaren is in dien vierhoek al veel natuurschoon verloren gegaan, +maar nog groeit en leeft er genoeg, om rijke voldoening te schenken aan +ieder, die genoegen vindt in het aanschouwen van het leven van planten +en dieren. Ja, op het bevoorrechte Texel komen niet eens zoo heel veel +planten en dieren voor, die ook niet in dien vierhoek zijn te vinden. +Toch bestaat er hemelsbreed verschil. + +Na een kil zeereisje op de ranke „Ada van Holland” zette ik voet aan +wal in de haven van Oude Schild (B) op een druilerigen namiddag in +Januari 1890. Het kwakkelde wat, de wegen waren modderig. Het was drie +kwartier loopen naar de hoofdplaats van het eiland. Het weer was niet +slecht genoeg, om de gele diligence noodig te maken en ik kuierde +welgemoed langs den grooten weg, want de bijwegen moest ik nog +ontdekken. Trouwens die groote weg was nog smal genoeg. Eerst ging het +over en langs den Zuiderzeedijk en toen landwaarts in langs een paar +vervallen schansen, die vroeger de Texelsche ree moesten verdedigen. De +weg ging nu eerst langs lage hooilanden, toen tusschen hooger grond +waar schapen, dicht in hun vacht, knabbelden aan het korte gras of +lagen te herkauwen in de luwte van een walletje. Hier in het hooge land +zijn geen slooten, maar de weiden worden begrensd door walletjes van +meter hoog tot manshoog, al naar de gesteldheid van den grond. Die +„tuunwoaltjes” worden opgebouwd van dikke graszoden. Een nieuwe wal kan +er keurig uitzien, maar na een paar jaar gaat hij aardig verzakken en +vallen er hier of daar gaten in tot groot genoegen van de tapuiten die +er hun nesten in maken. Soms is de wal nog versterkt met een +prikkeldraad op korte paaltjes. Ik herinner mij nu nog goed, dat de +eerste tuunwoaltjes die ik ontmoette dicht begroeid waren met groote +rosetten van reigersbek en propperige pollen van Engelsch gras. Meer +was er op ’t oogenblik niet te ontdekken. + +De weg ging tegen den Hoogen Berg op langs een boerderij, die zeer +terecht den naam voerde van Panorama. Hier kijk je over de heele +zuidhelft van het eiland heen, meerendeels golvend hoogland, +rechthoekig ingedeeld door tuunwoaltjes, links een lage polder, de +Prins Hendrik, recht vooruit de slanke toren van Den Hoorn en in een +wijden boog daarachter de duinen langs Marsdiep en Noordzee. Dichterbij +naar rechts lag Den Burg in hoog geboomte en daar stapte ik na een +kwartiertje binnen, gastvrij ontvangen door mijn nieuwen collega, het +hoofd van de dorpsschool. Mijn „positie” was namelijk die van hoofd van +de school met uitgebreid leerplan, kortweg ook wel genoemd de Fransche +school. + +Den volgenden morgen ging ik naar die school toe en kwam net aan op het +oogenblik dat de grootste jongen, een zestienjarige reus, een van de +kleineren in de dakgoot zette, zoo lang was die jongen en zoo laag die +dakgoot. Het was maar een klein schooltje en ik verdenk de muren ervan, +dat ze maar halfsteens waren. Er was een luchtige zoldering en de +groote ramen keken deels uit op het kerkhof, deels op het park en in +den zomer zat daar een Spotvogel (106), die zong den heelen dag. De +jongens noemden hem Bastaardnachtegaal en wisten dat hij de mooiste +eitjes heeft van alle zangvogeltjes, behalve de Wielewaals, maar dat +was weer niet de Wielewaal, doch de grauwe Klauwier. Ze hadden +eigenlijk onder elkaar zoo maar die namen bedacht. Met de waadvogels en +zwemvogels vergisten ze zich nooit en ze konden weergaasch goed een +abnormaal dof en groenig tureluurei onderscheiden van een abnormaal +glanzig kievitsei. Velen van hen waren bezig om eierenverzamelingen aan +te leggen, wel een beetje al te hevig en dat heb ik toen trachten te +temperen, door met elkaar een schoolverzameling te maken. Dat ging +uitmuntend en door die gemeenschappelijke bemoeiingen werden we heel +goede vrienden, temeer daar ik onvermoeid in ’t loopen was en met een +aanloop over breedere slooten kon springen dan de beste van hen. Met +den polsstok waren ze me de baas. + +Dat polsstokspringen ligt in de natuur van de Texelsche en Friesche +jongens. In de steden volgt op het schaatsenrijden de knikkertijd, daar +op Texel komt in Februari de polsstok voor den dag en dat polsspringen +is de natuurlijke voorbereiding voor het eieren zoeken, dat al vroeg in +Maart begint, want dan zijn er al „eendseier”. Het eerste kievitsei +wordt omstreeks 15 Maart gevonden en dan volgen zes weken van wettig +eizoeken. Sommigen doen dat om den broode en allemaal doen ze het als +een bijzonder soort van sport. Ik heb wel oude heeren van +vijfenzeventig jaar een stuk land zien afstappen, om toch nog eens het +genoegen te hebben van een legsel eieren van kievit of marel of +tureluur te vinden. De jongens namen mij graag mee „te eizoek” en dat +was heel goed, want nu kon ik ze beter begrijpen en beoordeelen. „Och, +mijnheer”, zei er een, toen zijn Duitsche thema krioelde van de fouten +„als ik de marels en tjerken zoo boven de school hoor roepen, dan moet +ik wel eens minder goed opletten.” Nu, met dat Duitsch is dat wel in +orde gekomen en de vent is later nog millionnair geworden ook. Ze +hadden heldere koppen, die Texelsche jongens en ze zijn haast allemaal +goed terecht gekomen. Ze hadden een bijzonder goed gevoel voor mooi +weer, zoowel in den winter als in den zomer en waardeerden het altijd, +wanneer ik (op hun milden aandrang) met hen het luchtig schooltje +verliet om buiten te gaan teekenen, om waterwerken te maken aan de +Fonteinsnol of aan het strand, of op de schaats heen en terug naar +Cocksdorp te rijden. We genoten samen den strengen winter van 1890 op +1891 en als we elkaar nu nog in de wereld ontmoeten, dan hebben we het +nog wel over de groote sneeuwvesting, waar we vier dagen aan gewerkt +hebben met zoowat de heele jeugd van het dorp en dat eindigde met een +bestorming, die me nog in verbeelding de handen naar de ooren doet +brengen. De ouders vonden mij wel een raren Franschen meester, want de +vorige mesjeus waren nog al mannen van gewicht geweest. Ze hadden +echter goed vertrouwen en slechts éénmaal heeft er een ingezonden stuk +in de Texelsche Courant gestaan over de ruwe bende van mijnheer +Thijsse. En dat over jongens en meisjes, die op school zoo mak waren +als de lammetjes, waaraan het eiland zijn welvaart te danken heeft. + +Al mijn vrijen tijd besteedde ik aan de ontdekking van het eiland en +het duurde niet lang, of ik zette mij er aan, om het eens heelemaal +rond te loopen. Als je wilt dan kun je dat wel op één, maar dan ook +heel langen, dag klaarspelen, want de omtrek langs de hoogwaterlijn en +de zeedijken bedroeg toen ± 60 K.M. Tegenwoordig, nu Onrust aan Texel +is vastgegroeid, is de afstand iets grooter. + +Ik heb het in tweeën gedaan, op een paar dagen in ’t laatst van April. +Den eersten dag ging ik van Den Burg naar De Koog en toen noordwaarts +om en over Oude Schild weer naar huis, den tweeden dag over Oude Schild +zuidwaarts om en over de Koog weer naar Den Burg. Zulke dingen doe ik +uit een soort van aardrijkskundige stijfhoofdigheid en om eens iets +compleets te verrichten. + +Beide dagen had ik prachtig weer. De weg van Den Burg naar Koog was +toen iets mooier dan nu, want je had tegenover het kerkhof toen nog de +mooie oude hoeve De Bogaart met aardig geboomte. Daar is nu natuurlijk +een nieuwe wijk gekomen. Bij Buitenlust nam ik natuurlijk het landpad. +Dat is het aardige van de wandelingen op Texel, dat je op heel veel +plaatsen korte paden door de weiden vindt met stapsteenen om over de +hekken te komen. De schapen en lammeren zijn al lang aan de wandelaars +gewend en je loopt daar dan heel prettig. Uit een drinkkolk vliegt af +en toe onverwacht de een of andere vogel op, leeuweriken en piepers +zijn niet van de lucht af. Bij Hermanshoeve komen we weer op den +grooten weg en die gaat dan vrijwel recht op De Koog af. Hermanshoeve +met zijn groote schuur is eigenlijk geen typische Texelsche +boerenplaats. De echte, dat zijn de vierkante stolpen (A) met hun hooge +pyramidale daken. Die stolpen hebben haast geen bijgebouwen; het +hoofdgebouw bevat woonhuis, stal en hooizolder tegelijk. Halfweg de +Koog ontdekte ik tot mijn vreugde een paar boschjes en verder naar +rechts, achter een paar boerderijen, nog een tamelijk groot boschje, de +Nieuwe Aanleg, in dien tijd het voornaamste bosch op Texel. Menigeen +meende destijds dat de zeewind op het eiland de bebossching onmogelijk +zou maken, een meening, waarin je wel versterkt werd, als je de +scheefgewaaide, dakvormig plat gegroeide meidoornhagen (M) zag bij +sommige boerderijen. Vijf jaar later zouden we wel andere dingen +daarvan beleven. + +Een klein half uurtje voor De Koog begon de hei, daar zijn nog een paar +brokjes van over. Het aardig dorpje met zijn uitheemsch aandoend kerkje +ligt vlak tegen het hooge duin, dat in strijd met de boeken aan de +landzijde lang zoo steil niet is als aan den zeekant. De duinen zijn +hier maar smal, na een ploeterpartijtje door het rulle zand van enkele +minuten bereiken we het breede strand en de groote zee en nu hebben we +nog precies dertien kilometer te wandelen langs de branding. Wie van +strand en zee houdt beschouwt dat als een groot genoegen en heeft niet +eens de afwisseling noodig van de dieren of van de verrassingen van het +aanspoelsel. Toen, op mijn eerste ontdekkingstocht was er zelfs een +zeer levendige stoffeering; er zat bij de kleine Slufter (2) een groote +katoenboot op het strand, nog al hoog en die was men druk bezig te +lossen. Strandingen en strandvonderij, strandroof en al wat daar bij +hoort zijn vroeger op de eilanden heel gewone dingen geweest, maar +sinds de vermeerdering en versterking van vuurtorens en bebakening is +daar de klad in gekomen. Toch kun je geen week op Texel zijn, of je +wordt weer strandjutter en ik kon de jongens (en meisjes) van de school +geen grooter feest aanbieden dan een gemeenschappelijke jutpartij, al +vonden wij meestal niet anders dan kurken en bamboestokken. + +Al heel in de verte zag ik het wrak liggen, duidelijk weerspiegeld in +het heldere water. Maar dat was in het geheel geen water, maar wat je +noemt een luchtverheveling of fata morgana. Op deze breede stranden +krijg je dezelfde uitwerkingen van licht en warmte als in de woestijn. +Het is heelemaal geen zeldzaamheid om aan den voet van het verre duin +een spiegelgladde plas te zien, die er niet is. Ook kringen om de zon, +bijzonnen en lichtzuilen zijn op onze eilanden vrij gewone +verschijnselen. + +Bij ’t wrak moest ik landwaarts in, want de Slufter was toen nog een +vrij belangrijke geul, die hier de duinenrij afsneed. De strandlijn +bleef dezelfde, maar de duinenrij week bijna twee kilometer +binnenwaarts en zoo sta je hier dan voor een zandvlakte van dezelfde +uitgestrektheid als een heide in Drente of op de Veluwe. Maar ’t is +effen zand, hier en daar een plasje, rechts de rechte duinenrij van den +Eijerlandschen zanddijk en vooruit kleinere en grootere duingroepjes, +die zich eindelijk aaneensluiten tot de vuurtorenduinen. Al uitwijkend +voor de Slufter kwam ik al heel dicht bij den Zanddijk en daar vond ik +een zoetwaterplas aan een dwarsdam met een duiker. Door dien duiker +stroomde de afwatering van de ontginning De Nederlanden, destijds de +eenige in het duin. De omgeving van de plas was begroeid met gras en +ook de lage duintjes in de onmiddellijke omgeving hadden een dicht +kleed van gras en kruiden. + +Hier kreeg ik een van mijn voornaamste vogelkundige nieuwtjes te +genieten. Langs het water liepen een aantal vogels zoo groot als een +kievit, maar met langer pooten en ze hielden hun hals hooger. Het leken +dieren uit een andere wereld. Hun onderkant en keel en wangen waren +pikzwart en daar ging een spierwitte streep omheen. Nek en rug +zilvergrijs met donkere vlekken. Zulke vogels had ik bij Amsterdam nog +nooit gezien en ik was dus met deze „goudkieviten” niet weinig in mijn +schik. In de boeken heetten ze zoo, maar we zijn bezig dezen naam te +vergeten en hem te vervangen door zilverplevier (90), een naam die een +beter begrip geeft van het uiterlijk en de verwantschap van die mooie +vogels. Ze broeden in de Poolgewesten en we zien ze hier ieder jaar in +groot aantal op den doortocht, zoowel op den voorjaars- als op den +herfsttrek. Enkele blijven zelfs den heelen zomer hier en bij dat +dammetje achter den Slufter mis ik ze zelden. + +Nu ging het noordwaarts over de groote zandvlakte. Van de zee was niets +meer te zien. Ik zwierf maar voort van duintje naar duintje. Die lagen +verstrooid over de woestijn, sommige aangroeiend, andere werden door +den wind weer uiteengeblazen, doordat er op de een of andere manier een +opening was gekomen in hun helmkleed. Ook lagen hier weer enkele +plasjes en daar scharrelden weer vogels rond en wel de prachtige +bergeenden (76), negen paren bij elkaar. In de verte maken ze den +indruk van zwart en wit, maar als je dichterbij komt bewonder je de +roode pooten, den rooden snavel, den groenen kop, den bruinen halsband; +och wat een mooie vogels en wat een fiere houding heeft het mannetje. +Ze vlogen op en zetten koers naar het duin, waar ze hun nesten hebben +in de konijnenholen. + +Bij een andere plas liep ook weer zwart en wit gedoe, maar kleiner dan +die bergeenden. Hun kop is zeer grillig geteekend, wit, met allemaal +zwarte dwarsbanden en teugels, net of ’t beest gemuilband is. Oranje +snavel, oranje pooten, bruin op de vleugels. Als ze opvliegen komt een +breede witte rugstreep te zien en witte strepen op de vleugels. Dat +zijn steenloopers (69), ook doortrekkers, die hier niet broeden. Er is +misschien een heel klein kansje, dat ze ’t ook eens bij ons zouden +kunnen probeeren, want ze broeden al aan de Oostzee. De naam +steenlooper is alweer niet erg gelukkig want ze loopen meer op slib en +zand dan op de steenen. In de andere talen heeten ze ook al +Steinwälzer, Turnstone, Tourne-pierre en dat wijst er op dat ze steenen +of ook wel schelpen omkeeren, om de diertjes te bemachtigen, die +daaronder zijn verscholen. Toch durf ik niet voor te stellen om ze +steendraaiers te gaan noemen. Ook deze vogels waren een groot nieuwtje +voor mij. + +Nu ging ik weer zeewaarts, ofschoon de vuurtorenduinen er aantrekkelijk +genoeg uitzagen. Deze vormden vroeger een afzonderlijk eiland met de +groote slibbank Eijerland als aanhangsel. Door het aanleggen van den +stuifdijk en den grooten Eijerlandschen dijk is de slibbank tot een +vruchtbaren polder gemaakt, al is het er met de eieren wat minder op +geworden. Het strand bij de vuurtorenduinen bleek in ’t eerst nog zeer +breed en zeer rijk aan schelpen, schelprijker dan elders op Texel. Op +zoo’n gunstig plekje is van alles te verwachten: Amerikaansche +Boormossel (126), Groote Strandschelp (122), Kokkels (123), Mesheften +(121), Nonnetjes (125), Stevige Strandschelp (124), Teere Strandschelp +(125), Tepelhoorn (127), Witte Boormossel (126), Wulk (128), van alles +en nog wat. Misschien is dat al wel langen tijd zoo, tenminste de +vuurtorenduinen zijn over ’t algemeen zeer dicht begroeid, hetgeen +wijst op tamelijk vruchtbaar, kalkrijk zand. Daar had ik toen echter +nog niet veel erg in. Ik vond het interessanter om zoo spoedig mogelijk +de noordelijkste punt van mijn eiland te bereiken en stond weldra aan +het Eijerlandschegat op een plek zoo woest en verlaten, dat een +Amsterdammer er naar van zou worden. Bovendien was het April, in ’t +volst van den trektijd en nu wemelde het hier van steltloopertjes op +weg naar de Noordpool of dichterbij. Daar waren drieteenige +strandloopertjes (72), zoo wit alsof ze pas uit een meelzak kwamen, en +bontbekpleviertjes (68) met oranje snaveltjes en pootjes en aan den kop +en keel ook al met zoo’n zwart-met-wit hoofdstel als bij den +strandlooper, maar regelmatiger en meer rechtlijnig. Ook liepen er +Kanoeten, mooi in ’t roode zomerkleed en nog een massa klein gedoe. Het +is net alsof die trekvogels bij zoo’n zeegat graag vertoeven. Ik heb +dat later nog dikwijls opgemerkt. Het is alsof een klein troepje den +overtocht niet aandurft en of ze nu wachten op meer en meer, totdat +eindelijk een bende van duizenden den overtocht wil wagen. Het was daar +op dien verlaten uithoek dus nog zeer levendig. Van Vlieland was weinig +te zien, de Vliehors is niet eens zoo heel ver weg, hoogstens een paar +kilometer, maar die ligt zoowat gelijk met het water. Heel in de verte +lagen de Meeuwenduinen als een grijs nevelvlekje aan den horizon. + +Nu oostwaarts om en nu werd opeens het strand heel smal, want de eb- en +vloedstroom, door het Eijerlandschegat, hoewel niet sterk, knaagt hier +bijwijlen den oever af, het eene jaar sterker dan het andere. Hier vond +ik ook een klein poldertje, dat heet niet te onpas „de Volharding” want +telkens weer slaat er een gat in den dijk of de zee slaat over den dijk +en dan begint de eigenaar maar weer van voren af aan om het weer droog +te leggen. Op dezen Aprildag lag het vroolijk te groenen en te bloeien +en eigenlijk was de polder half overdekt met Kieviten, eenige +duizenden, die ook alweer wat verderop moesten. Het gekste was wel, dat +temidden van deze reizigers de Hollandsche Kieviten er al hun nesten +met eieren hadden. Van de Volharding is het nog maar een klein eindje +naar De Cocksdorp (8), een lang dorp van een dubbele rij huizen, nog al +aardig in de boomen en het ziet uit op een zeer schilderachtige +waterpartij, de Roggesloot, een oude slenk van het Eijerlandsche gat, +die bij de inpoldering is blijven bestaan. In het Hotel-Restaurant van +Cocksdorp—waar twee uitmuntende logeerkamers zijn—bracht ik een half +uurtje door met het bekijken van een zeer merkwaardige kaart van Texel, +waarop al de gestrande schepen van de laatste tientallen jaren waren +geteekend. De hotelhouder, een beroemdheid op het gebied van +strandingen en reddingwezen en bezitter van ik weet niet hoeveel +medailles, wist daar natuurlijk heel wat van te verhalen. + +Nu begon de dijkwandeling. Eerst een stukje Eijerlandsche dijk en dan +de dijk van den polder de Eendracht, die hier tegen Eijerland is +aangeplakt. Buiten den dijk ligt hier een uitgestrekte kwelder, +doorsneden met kreken en die gaat weer over in een onmetelijke zand- en +slibbank, de vlakte van Kerken. Eventjes van den dijk af de kwelder op +en daar had je het lieve leven gaande. Daar vlogen honderden witte +vogeltjes op, zoo groot als musschen. Ze hadden gele snavels en waren +niet heelemaal spierwit, maar hadden nog wat rossig en gelig en bruin +aan kop en vleugels en staart. Ook alweer reizigers naar Noorwegen. +Misschien ook naar Schotland of Lapland, deze aardige Sneeuwgorzen. Ik +kende ze goed, want ze overwinteren ook aan de kusten van de Zuiderzee +bij Amsterdam. Die slikken achter de Eendracht (E), daar heb ik later +nog wel millioenen vogels gezien van allerlei soorten, maar nooit +vergeet ik die prachtige vlucht van sneeuwgorzen op mijn eerste +ontdekkingsreis. + +Zuidwaarts van de Eendracht kwam ik op den grooten nieuwen dijk van den +Polder het Noorden. Die was nog niet lang geleden drooggemaakt en lag +er woest en verlaten, want de grond was nog niet goed voor bebouwing +geschikt. De mooie molen (G) leek werkelijk overtollig. Westwaarts +kijkend zag je niets dan een vlakte met groote plassen en kreken en +daartusschen hier en daar wat plukjes grasland. Maar vogels! lieve +hemel wat een vogels. Ze liepen in de kreken, stonden te dutten langs +de oevers, zaten in het gras en vlogen her en der. Het was een gejodel +van Tureluurs, een geschreeuw van Scholeksters en geroep van Kluten, +een tierelieren van Leeuweriken en Piepers en zoowaar ook al gekrijsch +van Vischdiefjes, de eerste, die waren aangekomen en die spoedig door +nog duizenden zouden worden gevolgd. Men meende toen in 1890, dat de +droogmaking van dezen polder op een mislukking zou uitloopen en dat men +liever de oesterbanken had moeten behouden. Maar als vogelland was die +plek onovertreffelijk en alleen wie in die jaren het noorden gezien +heeft kan gelooven hoe wonderrijk en talrijk zelfs bij ons in Nederland +een vogelvestiging kan zijn. Nu verder langs de Zuiderzee, altijd maar +langs den hoogen dijk, die wat amusanter is dan de rechte dijken, die +ik tot nu toe volgde. Hij ligt met allerlei bochten, is aan de +buitenzij bekleed met zware steenblokken, aan de binnenzij begrensd +door een breede dijksloot. Daarachter liggen de hooge weilanden en de +lage hooilanden en in deze laatste wemelt het van Marels of Grutto’s, +de langhalzige, langsnavelige, langbeenige, luidruchtige steltloopers, +die zoo klagelijk kunnen schreeuwen. In de dijksloot zwommen hier en +daar Waterhoentjes en Koeten en er dook een klein vlug Hagelzakje of +Dodaars. Ook grijs met witte oeverloopers, de steltloopers die in +vlucht en manieren zoowel lijken op Zwaluwen als op Kwikstaartjes gaven +veel vertier langs die dijkslooten. Je ziet ze op Texel in groot aantal +gedurende een groot deel van het jaar, maar we hebben ze er nog nooit +broedend gevonden. Het eenige oeverloopernest, dat in Nederland is +gevonden, lag in de buurt van Nijmegen. De kaap van Oosterend geeft nog +eenige afwisseling, vooral doordat er een paar aalscholvers bovenop +zaten. Op een vooruitstekend punt van den dijk, waar het nog al steil +naar beneden ging, zaten onder water een groep kleurige Zeeanemonen +vastgekleefd op de steenblokken, ook nog al een aardige vondst. Zoo +kwam ik heel tevreden in Oude Schild aan en vandaar was het nog drie +kwartier naar huis, heel prettig over den Hoogen Berg heen. + +De tocht zuidelijk om was al even prettig en mooi. Ik ging bij den Burg +het zandwegje in naar het kerkhof van Oude Schild, een weg tusschen +hooge tuinwalletjes. Deze heele buurt, Noord-Haffel en Zuid-Haffel is +er een van hooge walletjes en paden in allerlei richting en als ik nu +eens dicht bij huis buiten wou gaan zitten lezen of niets doen, dan +vond ik hier altijd bij elken wind een veilige beschutting. Ook waren +deze wallen dicht begroeid en vooral in April en Mei zagen sommige +plekken blauw van de Grasklokjes (35) en Zandblauwtjes (44). +Afzonderlijk in de laagte lag een eendenkooi, daarvan had je er +destijds een stuk of vier op Texel en later heb ik bevonden dat die +kooi in ’t voorjaar dicht begroeid was met wilde Hyacinthjes. Langs een +smalle hooge kade komen we eindelijk bij Ceres en hier begint de dijk +van den Prins Hendrikpolder. Die was toen al 15 jaar oud en raakte al +aardig begroeid, maar hij zat toch ook nog vol met vogels, net als het +Noorden. Ook was er een molen die is sedert verdwenen. Aan ’t eind van +de Prins Hendrik is het Horntje, dat heeft van de zeestroomen nog meer +te lijden dan de Volharding. Nu komt de mooie baai van de Mok, die +doodloopt tegen slijkvelden en kortgegraasde weiden en hier wemelde het +weer van vogels, zoowel aan de Mokzijde als aan den noordkant van ’t +duin, waar een vierkant meertje in bezit was van een paar honderd +kluten. Nu naar ’t zuidelijk Mokduin, daarvoor moest ik over de +Moksloot springen, want ik had geen erg in het bruggetje hooger op. Dan +’t duin over en ik stond op een breed strand waar jonge duintjes aan +het groeien waren. De jongens hadden me gewaarschuwd dat deze zuidkust +nog al veel inhammen had en daarom moest ik maar liefst niet te ver van +den duinvoet gaan. Dat heb ik dan ook braaf gedaan, maar kon ’t toch +niet laten om zoover mogelijk te loopen in de richting naar Onrust, dat +toen nog een eiland was. Met gevoelens van gepasten eerbied stond ik +dan eindelijk ook aan den oever van het smalle Noordergat, waarlangs +eenmaal Johan de Wit de Hollandsche vloot naar buiten heeft geloodst. +Het Zuid-Westerstrand (1) was hier onafzienbaar breed en rijk aan +schelpen. Verderop naar ’t westen, werd het al smaller totdat het +eindelijk heel smal werd, geen twintig meter van duinvoet tot +hoogwaterlijn. Dit zijn de duinen achter De Westen (6) en bij +springvloeden en zware stormen worden die soms loodrecht afgesneden +door de woeste golven. + +Van hier naar De Koog wordt het strand weer gaandeweg breeder. Ik +herinner mij nog goed hoe ik mij op dat stuk geamuseerd heb met een +viertal strandloopertjes dat jacht maakte op Strandspringers. Dat zijn +witte Schaaldiertjes, ze lijken wel wat op de zoetwatergarnalen, die je +uit de slooten schept, als je naar Stekeltjes of Watertorren vischt. +Deze strandspringers vertoeven het meest in de lange lijn van het +strand-aanspoelsel. Als je daar langs loopt springen ze vaak voor je +voeten uit. De Strandloopertjes nu stommelden met hun snaveltjes even +in dien rommel en als er dan een strandspringer weghuppelde dan holden +zij hem na en in tien van de tien gevallen werd hij opgepeuzeld. Het +was nog een heel eind naar de Koog en driemaal was ik in de verleiding +om door een „slag” in het duin regelrecht naar huis te gaan, maar +vanwege de aardrijkskundige stijfhoofdigheid en den zin voor het +volledige bleef ik doorzetten en zoo mag ik dan beweren, dat ik het +eiland Texel geheel heb rondgeloopen, zevenendertig jaar geleden in +twee dagen. Na dien tijd heb ik het nooit meer gedaan, ofschoon ik +natuurlijk alle deelen van dien omtrek nog wel heb bezocht, sommige +twee of drie maal, andere verscheidene malen. + +Daarna volgden de ontdekkingsreizen in het binnenland. De schapenweiden +waren gauw genoeg bekeken, maar verspreid daarin lagen allemaal kleine +boschjes en die hielden mij voortdurend in hun betoovering. Daar had je +dicht bij den Burg eerst de Boogaart en dan Bakkersboschje, +Meijerboomsbosch, De Blauwe Poort en de Zeshonderd, allemaal in +hoofdzaak elzenhakhout. Bakkersbosch was bij de kinderen beroemd om +zijn wilde Hyacinthjes, maar Meijerbooms was mij het liefst. Het +bestaat gelukkig nog. Het was aan de vier zijden omgeven door slooten; +die aan den hoogen kant was meestal half droog, de andere hadden een +flinken rietgroei. Behalve Elzen en Esschen groeiden er ook veel Berken +en Waterwilgen en Lijsterbes met vooral aan de westzijde +ondoordringbare Bramen en Kamperfoelies (57). Een groot deel was dicht +begroeid met hooge stekelvarens, verwanten van de Mannetjesvarens (58), +de grond was daar echt boschveen, decimeters diep, wat wel getuigt van +den grooten ouderdom van deze boschjes. Uren en uren heb ik in die +varens gezeten, luisterend naar de vele vogeltjes van het bosch en van +de rietzoomen. Daar zong de Spotvogel (106) onvermoeid en ook de +Boschrietzanger (99), die zooveel op hem lijkt. Daar huisden tevens +Fluiters en Grasmusschen, Kneutjes en Klauwieren en eenmaal maakten er +Eksters een nest in een laag berkje, niet hooger dan manshoog. En als +je kroop naar den rand van ’t boschje, dan kon je uitzien over de +weiden en hooilanden en zien hoe die Kieviten en Tureluurs naar hun +nesten stapten, of hopen dat je den Kwartelkoning te zien zou krijgen +die hier tergend luidruchtig maar steeds ongezien zijn „peersneers” ten +beste gaf. De Blauwe Poort lag nog gunstiger, maar een beetje verder +van huis. + +En dan de Westen, de Fonteinsnol, de Mient en de groote duinvalleien, +die ik genoemd vond in het boekje van Holkema: de Bollekamer, de +Bieschbosch, het Piet Rozenvlak, het Groote Vlak. De Fonteinsnol was +een wonder, een hoog duin, dat uit de groote duinenreeks bij wijze van +schiereiland in de vlakte vooruitsprong. Een eindje tegen de helling +op, aan de noordoostzij ontsprong een bron, een echte bron, een holte +in het witte zand, waaruit het klare water opwelde en dat stroomde +omlaag, zich telkens vertakkend door kussens van veenmos en kwam +eindelijk terecht in de vlakte van de Mient, die uit andere duinen nog +meer water kreeg en zoo een allermerkwaardigst landschap was, half +heide, half moeras en vol van de mooiste bloemen en de aardigste +vogels. Maar het allermooist en rijkst was toch de bron aan de +Fonteinsnol en zijn onmiddellijke omgeving. Daar groeiden groote blauwe +Klokjesgentianen (17) in alle schakeeringen van wit of bijna wit tot +het diepste donkerblauw. Daar stonden dicht opeen de geurige witte +Nachtorchissen, het Rondbladig Wintergroen, Parnassia en +Duizendguldenkruid en lagen aan de beek de ongelooflijk mooie bloempjes +van de tengere Bastaardmuur Anagallis Tenella. En als je dan om die Nol +heen ging of er over heen en weer omlaag, dan kwam je in die valleien +en daar groeiden al die planten weer, met nog mooie Jeneverbesstruiken +(37) („fakkel” zegt de Texelaar) en op de moerassige plaatsen het hooge +stekelige Galigaan (39). Daar broedden de Wulpen en de Duinpiepers en +daar had ook de groote aschgrauwe Kiekendief zijn nest. Vroeger is het +daar nog veel rijker geweest, maar reeds na 1839 door het graven van de +Moksloot zijn die valleien ontwaterd, zoodat de Roerdompen en Roode +Reigers en Lepelaars, die er broedden, moesten verdwijnen. + +Ook ben ik helaas een der laatsten geweest, die genoten hebben van de +heerlijkheid van de Fonteinsnol en de Mient, want reeds in 1895 of nog +eerder zijn bron en beek vergraven en vergreppeld, als eerste maatregel +voor de bebosschingen op Texel. Nu groeien daar Zwarte Dennen en Witte +Elzen en dat is allemaal in sommige opzichten heel goed en nuttig, maar +er is een landschap verdwenen, zoo mooi en leerzaam als er geen tweede +in ons land was te vinden. Ongelukkig was in dien tijd Texel maar +bitter weinig bekend en de plantenkenners dachten meer aan de +afzonderlijke plantjes dan aan het samenstel van een merkwaardig +geheel. Tegenwoordig zou men stellig zoo iets moois op alle mogelijke +manieren trachten te behouden. + +Er is veel veranderd sedert ik voor ’t eerst voet aan wal zette te Oude +Schild. Behalve de Fonteinsnol zijn er nog een paar merkwaardige +plaatsen verdwenen. Maar wat er overblijft behoort nog tot het beste, +wat er in Nederland te zien is. In de volgende hoofdstukken zal ik U +wat vertellen van den huidigen staat van het eiland. En hoe meer +vrienden het krijgt, des te meer waarschijnlijkheid, om niet te zeggen +zekerheid, komt er, dat het zal blijven de parel der Noordzee-eilanden, +wereldberoemd. + + + + + + + + +II. WAAL EN BURG + + +Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool +„Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of +vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en +de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het +dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak +nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het +rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te +voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de +dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op +jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed +op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het +’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om +telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door +de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland. + +Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst +op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein +heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe +mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht wordt +zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte +boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een +nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in +enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De +Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten. + +Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze +komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel, +zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks, +dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig +genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek. + +Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het +bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje, +hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De +boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de +bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens. +Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op +stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote +meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water +kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen, +lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich +voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok. + +Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het +vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken +even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland +beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware +steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer +dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts +voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen. +Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland +Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan +de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee +rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep +heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de +Zuiderzeewerken. + +Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die +ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang +of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook +de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en +een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit +het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter +hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen, +het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote +zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we +er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in +’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek, +dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we +dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote +loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de Prins +Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier +schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering +onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning. + +Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen +elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een +belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange +reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en +daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe +glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de +leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den +Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn, +draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en +de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu +gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek +van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en +scheepstimmerwerven. + +Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets +zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg +naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De +Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen. +Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land +en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale +slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige +Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten +hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven +begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed +deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet +onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze +zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de +baas. + +Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten +(81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de +Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee +bezittingen van „onze” vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door +de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers +Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu +weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt +heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren +lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en +dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de +Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de +Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu +hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken. + +We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze +zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze +door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever +willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat +gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat +een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders +dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde, +omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen +in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en +omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder, +waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van +Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de +merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar +Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen, +aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den +indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op +aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op +een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt +hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet +meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in +Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië +(met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een +voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook. + +Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland +naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven +welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de +Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen +en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een +enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met +prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te +herkauwen tusschen de boterbloemen. + +Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en +de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden +Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door +den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind +zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de +scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel Juliana. Zoo’n lange +lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen +mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar +buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar +zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want +we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee. +Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een +klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We +zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den +Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger +de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar +overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar +zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op +Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op +Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de +omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de +nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het +duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we +hier door bebossching en ontwatering hebben verloren. + +Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en +snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat +ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland +en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel +zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel +geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen. + +Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk +is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook +flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede +zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan, +die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes, +allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op +den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met +viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele +plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine +roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes, +die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar +de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke +strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen +hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist +terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo. +Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de +verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het +strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel +Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan. +Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg +en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is +minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn +ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den +binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er +nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met +boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en +hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en +’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild +en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig +licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland +zijn. + +Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in +de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de +Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de +toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige +man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst, +bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje, +zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en +telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd +klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de +tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende +of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige +dichtheid der jonge dennetjes. + +Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje +omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt +hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de +dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst: +„tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op +Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper +wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje +gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam +wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel +aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en +Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht, +maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens +Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij +De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den +Zuidwesthoek. + +Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van +het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een +vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar +Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier +en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van +Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet +Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den +voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag, +dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel +vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan +zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij +verliep. + +Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden, +genietend van de bloemen en de vogels. Het is in ’t begin van Juni. +Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste +grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele +plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat +bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis +morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor +bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien +zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid +van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot +licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een +premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het +rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de +Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan +bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het +gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken +aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene +bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat +het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper +mee, om bonte weiden te vormen. + +Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien +dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende +Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten +tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken +weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die +Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend gevederte en +opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken, +dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n +mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg +gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig +Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is +gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer, +steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een +Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en +het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een +voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden +polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo +nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op +hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De +Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen +schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart. +Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen +snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af, +want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n +harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar +eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de +Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80) +weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren +opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de +wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas. + +Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg +bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze +trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de +fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat +we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en +rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen, +zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen, +een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer +zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een +zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere +zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is +begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op +zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een +staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag +neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen +ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen +zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem +trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat +hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat +hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te +nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker, +de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze +ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke +halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook. +En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en +dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een +visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn +keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke +vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke +Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug +en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met +hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over +de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog +hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen +fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in, +want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen +aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes, +waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden +rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van, +dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n +drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar +Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel +andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze +hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je +vindt dan zoowel jonge vogels als eieren. + +Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat +een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de +Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie +verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden, +onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en +volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd +met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het +toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels +kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik, +donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet +begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een +oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat +is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als +we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons +aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht +is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te +verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange +rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn +boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets +anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we +zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te +kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken +die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de +kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een +halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op +één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige +nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn +zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige +zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt +zeer uiteen. Wij zoeken al ons best naar roodbruine eieren, want die +zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t +Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest +getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu +al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie +je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde +witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt +bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch +beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te +behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt +de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat +dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de +veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van +dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in +Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet +wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en +kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de +broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin +kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze +steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in +’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar +Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en +verder hier bij ons den winter komen doorbrengen. + +De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al +eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons +overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te +verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn, +want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze +weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting +van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar +de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en +veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze +vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet vlak op het nest +neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat +doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van +drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens +heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument +de Staart. + +Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes, +die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op +elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft +aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche +Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende +soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns +(92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons +land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze +broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel +eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een +Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel +omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje +midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van +dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum. + +Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats +meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons +hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en +de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en +gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken +naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet +maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen +grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het +geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker +dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er +gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel +onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te +onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch +wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan +de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange +beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de +grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere +sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er +volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige +Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en +schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen +de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde +onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder, +dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun +deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze +boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het +nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar +morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje +is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad, +dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen. + + + + + + + + +III. HET NOORDEN EN DE EENDRACHT + + +De nieuwe tijd heeft texel van zulke uitmuntende wegen voorzien, dat +het heel gemakkelijk gaat, om op één dag al de belangrijkste punten van +het eiland te bezoeken, hetzij met een auto, hetzij met onze +onvolprezen fiets. Het kost ons dan ook weinig moeite, om op denzelfden +morgen dat wij Waal en Burg bekeken, ook nog het Noorden en de +Eendracht er bij te nemen. We zeggen onze Meeuwen van de Staart +vaarwel, springen weer op ’t stalen ros en rollen vroolijk in lange rij +oostwaarts, den polder uit en dan een eindweegs langs den Slaperdijk, +die hier het oude eiland verdedigde, toen Waal en Burg nog tot de zee +behoorde. Dan gaan we rechts af langs Barger en komen dan bij +Molenbuurt op den grooten weg van Den Burg naar Oosterend. Hier heb ik +eens op een prettigen zomermorgen een paar uur op een tuinwalletje +gezeten, om dit Molenbuurt uit te teekenen, twee, eigenlijk drie echte +Texelsche boerderijen, groote stolpen met hun pyramidaal grijs rieten +dak en witgekalkte muurtjes, waar kleine vensters vertrouwelijk uit +kijken. Weinig bijgebouwen, een stukje bloementuin, een hooge tuinwal +en daarachter wat boomen en struiken, in de richting naar ’t Westen +allemaal schuin afgeschoren door den zeewind (11). De weg maakt hier +een schilderachtige, voor auto’s zeer ongeriefelijke bocht. Op dien +morgen toen ik er teekende, zijn er geen drie menschen en geen enkel +voertuig langs gekomen. Op marktdagen is dat anders. Nu zat ik daar +heel pleizierig en de jonge Tapuitjes kwamen spelen voor mijn voeten. +Die Tapuiten (64) zijn heel mooi grijs met wit en zwart, vogeltjes; min +of meer verwant met de Lijsters. Ze nestelen op Texel in hoeken en +gaten van de tuunwoaltjes en de Texelaars noemen ze „Stog”. Zingen doen +ze weinig, maar ze vroolijken het landschap belangrijk op met hun +dartel heen en weer vliegen en met het beweeg van hun wit met zwarte +staartjes. In ’t voorjaar heb ik dikwijls met het grootste genoegen +gekeken naar hun pronken en stoeien. Om de huizen zelve zong den heelen +morgen het Spotvogeltje en zoo, al teekenend, had ik al gauw in de +gaten, waar één van die zangers zijn nest moest hebben. ’t Was +heelemaal geen kunst, om dat te ontdekken, want het aantal van de +boomen en de heesters op die erven was nu niet bepaald +verbazingwekkend. Indertijd, toen ik op Texel woonde, had ik midden in +het dorp in den tuin van het Hooge Huis elken zomer mijn +spotvogelhuishouden en er waren er toen wel minstens twintig in het +dorp. Nu is dat minder, maar ze zitten toch nog over het heele eiland, +even goed als op Vlieland en Terschelling, deze vlijtige fraaie +zangertjes. De Texelsche jongens noemen ze bastaardnachtegalen, +misschien wel omdat ze ook in den nacht zingen, maar ze hebben met +Nachtegalen niets uit te staan; ze zijn meer verwant aan de eene zij +met Fitissen en Tjiftjafjes, aan de andere zij met de Rietzangers. +Nergens komen ze zoo algemeen voor als op onze Noordzee-eilanden. + +Ook nu hooren we in ’t voorbijgaan op Molenbuurt den Spotvogel +luidkeels zingen en we rijden nu tusschen hooge tuunwoaltjes verder +naar Oosterend (F), dat we al zoo vaak uit de verte hebben bewonderd. +Het is die bewondering wel waard. Evenals Den Burg is het een mooi +komdorp: kerk en kerkhof in het midden, daaromheen een kringstraat en +die heeft weer drie of vier uitwegen naar de buitenwereld. Een groote +barometer tegen den kerkhofmuur vertelt ons dat in Oosterend naast de +landbouwers ook veel visschers moeten huizen. Het dorp heeft echter +geen haven, hoewel de Oosterenders er heel graag een zouden willen +hebben. Nu liggen hun botters òf op de ree bij Oost òf in de haven van +Oude Schild en je ziet dan ook dikwijls Oosterender visschers met hun +bultzak langs den Zuiderzeedijk kuieren naar de havenplaats. + +Wij rijden even het kerkhof rond, verheugen ons in het keurig nette +uiterlijk van huizen en straten en nemen dan den uitweg naar Oost, +langs de „Vermaning”, dat is het Doopsgezinde kerkje. Tusschen twee +haakjes, de bevolking van Texel is voor een derde deel doopsgezind, een +derde Katholiek en een derde Hervormd en Gereformeerd, eerlijk gedeeld. + +De kronkelende en eenigszins golvende weg vertelt ons, dat we nog op +het oude eiland zijn, dat tamelijk hoog ligt, maar tegen hooge +stormvloeden toch door flinke dijken verdedigd moest worden. Weldra +zien we dien dijk aan onze linkerhand, die doet echter tegenwoordig +geen dienst meer, want daarachter ligt nu de polder het Noorden en +dezen krijgen we dan ook te zien, als we door de buurt Oost gefietst +zijnde, even den hoogen dijk zelf beklimmen. Hier gaan we een poosje in +het gras liggen om een kijkje te nemen over de plek, die eenmaal een +der vogelrijkste oorden ter wereld was. Ik heb daarvan in mijn eerste +hoofdstuk al het een en ander verteld. In de jaren, toen die polder nog +niet bijzonder voor landbouw of veeteelt geschikt was, kon je daar nog +al gemakkelijk toestemming krijgen, om rond te dolen over de +schelprijke slibvlakten en langs de plassen en kreken. Daar heb ik +dikwijls gebruik van gemaakt en ik vrees, dat ik zulke mooie dingen, +als ik daar destijds gezien en beleefd heb, wel nooit meer zal zien of +beleven. Je moest er altijd goed uitkijken en voorzichtig loopen, want +er was alle kans, dat je zoudt trappen in een nest met eieren of op een +donzig jong. Op een paar mooie Junidagen kon je daar kennis maken met +haast al onze Nederlandsche moerasvogels met hun eieren en nesten en de +meeste daarvan broedden er in grooten getale. Toen ik daar voor ’t +eerst van mijn leven onder geleide van een paar van mijn schooljongens +mocht rondwandelen, was ik één en al verbazing en bewondering, want ik +had nooit geweten, dat er zoo iets in Nederland bestond. Over de +vogelwereld van Rottum had ik wel eens wat gelezen in een mooi Duitsch +boek van Droste-Hülshoff en over het vogelleven op de Wadden in het +algemeen zijn een paar zeer schoone bladzijden te vinden in Starings’ +Bodem van Nederland, maar eigenlijk had niemand ooit verteld, dat daar +op Texel in den polder het Noorden ieder jaar duizenden vogels broedden +van wel anderhalf dozijn verschillende soorten. En dat alles kwam in +beweging, als je den polder betrad: allereerst de vischdiefjes, zoowel +de Gewone als de Noorsche; slanke spitse vogeltjes, allemaal witte +streepen langs de blauwe lucht. Als ze dichtbij genoeg komen kun je den +blinkend zwarten schedel en de diep gespleten zwaluwstaart bewonderen. +Ze vliegen op verschillende hoogten, zes verdiepingen van vischdiefjes +en ze schreeuwen allemaal langgerekt en schel „pierik, pierik”. Dan +opeens kwam door het gewemel der Sterntjes een woedende Scholekster +aanschieten met fel „tepiet, tepiet” recht op me af en na hen een +aantal zwart met witte Kluten met helder „kluut”, „kluut”. En +onophoudelijk Kieviten en Tureluurs, Grutto’s, welbekend met daarnaast +kleine, zeer slanke, witte vogeltjes met zwarte schedelkap, de +Dwergsterntjes, de sierlijkste van allen. Ondertusschen rennen er +rondom nog meer Kluten, die zwaaien en zwenken met kleppende vleugels +over ’t modderveld, alsof ze aangeschoten waren in beide beteekenissen. +Terwijl we naar hen kijken, zien we daar nog andere vogeltjes rennen, +heel kleine, van het kaliber van zangvogeltjes, maar het zijn toch +echte steltloopers: Bontbekpleviertjes en Strandpleviertjes (71), +vooral de laatste in zeer groot aantal. Ook Zwartkopmeeuwen huisden er +en in den goeden tijd ook nog de groote Zeezwaluwen en de Kemphaantjes +hadden er een druk bezochte kampplaats. Uren en uren heb ik daar wel +gezeten in een half overdekte kuil om op mijn gemak al die vogels te +bekijken, in ’t bijzonder de Kemphaantjes. Het talrijkst waren die +vogels in het oostelijk gedeelte van den polder, dicht bij den molen. +Dat stuk heet De Bol en hoewel het sinds de verdere ontginning van den +polder gedaan is met den overstelpenden en ongelooflijken overvloed van +vogelleven uit vroeger dagen, is thans nog die Bol beroemd ver buiten +de grenzen van ons vaderland. De eigenaars laten in samenwerking met de +Vereeniging tot Bescherming van Vogels in Nederland in den broedtijd +het terrein bewaken en slechts in zeer bijzondere gevallen worden er +bezoekers toegelaten. Gezeten op den hoogen dijk kunnen wij echter een +groot deel van De Bol gemakkelijk overzien en zelfs zonder verrekijker +kunnen we genieten van het drukke vogelleven. We hebben den molen en +den molenplas vlak voor ons en ook de breede Kreek, die westwaarts +gaat. Daarlangs loopen wel altijd een paar Kluten rond en als we scherp +toezien, bespeuren we ook wel de broedende Kluut of zien we, wat nog +wel zoo aardig is, een familie van jonge Kluutjes wandelen langs den +oever of zwemmen in het water van de Kreek. Een groote Scholekster zit +stil in ’t veld, haar roode snavel komt goed uit tegen het groene gras. +Misschien zit zij daar te broeden, misschien ook niet, want die +Scholeksters houden er wel van, om zoo gewoonweg in het gras te zitten +en of ze dat doen om de eierzoekers te misleiden, dat weet eigenlijk +niemand. Leeuweriken en Piepertjes zingen onophoudelijk. Overigens is +het heel rustig in den polder. Als we wat geluk hebben, dan wil het +echter wel gebeuren, dat er een Kraai komt overvliegen, of een +Kiekendief, een Zilvermeeuw, alle drie nogal roovers van eieren en +jongen. Dan komt de heele kolonie in opstand en hebben we gelegenheid +om het grootste deel van de bevolking onder de wapens te zien en het +zijn er altijd nog heel wat meer, dan ge op het eerste gezicht gedacht +zoudt hebben. Soms komen hier ook de zeldzame Groote Sterns (91). ’t Is +altijd de moeite waard, om eens een half uurtje of langer door te +brengen op dien hoogen Slaperdijk bij den polder het Noorden. +Natuurlijk hebt ge er nog meer aan, wanneer ge beschikt over een goeden +verrekijker. + +Nu willen we verder gaan. In weinige minuten staan we op den +eigenlijken Waddenzeedijk en nu gaat het Noordwaarts. Aan onze +rechterhand strekt de wijde Waddenzee zich uit. Die is hier heel +ondiep, ligt bij laag water over een groote uitgestrektheid droog, +alleen een paar geulen blijven water houden en daarin liggen dan ook +meestal enkele scheepjes. Verder staat de bank vol met eigenaardige +groepen van stokken en staken, die beduiden botnetten of palingfuiken. +Heel in de verte zien we de duinen van Vlieland en bij zeer helder weer +lukt het ook wel om ver naar rechts iets te zien te krijgen van de +Friesche kust. We moeten toch nog eens even afstappen bij het +uitwateringsluisje van den Polder het Noorden. De buitenglooiing van +den zeedijk is wel wat steil en de steenen wat hard, maar als je op een +eiland bent, dan moet je toch eens probeeren, iets te zien te krijgen +van het leven in de zee. Dat lukt hier beter dan op de vlakke stranden. +In het heldere diepe water van den sluismond zien we de dieren en +planten even mooi als in een aquarium en we gevoelen den aanblik als +veel en veel mooier, omdat wij hier de dingen zien in echte +werkelijkheid, in de vrije en frissche natuur. De bruingroene +Blaaswieren en haar verwanten bekleeden de schoeiïngen en steenen en +montere krabben klauteren er tusschen door. Hoe meer je kijkt, hoe meer +je er ziet. Heele stukken sluismuur zijn als het ware bepleisterd met +slakkenhuisjes, allemaal alikruiken. Maar het mooist zijn de +langoog-kreeftjes, lange bleeke, half doorschijnende garnaalachtige +dieren, maar met een smalleren kop en daaruit steken aan weerszijden op +lange stelen de donkere oogen uit. Dit beest heet Macropsis Slabberi. +Ze zwemmen hier rond bij dozijnen, tegelijk met nog meer klein gedoe. +Als we wat meer tijd hadden en een behoorlijk netje, dan konden we hier +heel gemakkelijk een aantal interessante bewoners van de zee +bemachtigen. Ik kijk hier ook altijd uit naar Zee-anemonen, maar tot +nog toe heb ik ze er niet getroffen, wel zuiderlijker tusschen Oost en +Oude Schild, waar de diepe Texelstroom vlak langs den zeedijk strijkt. + +Nu stappen we weer op onze fietsen en gaat het noordwaarts boven op den +hoogen zeedijk. Links hebben we nu den polder het Noorden, met molen en +kreken en vogels, rechts de zee met heel in de verte de duinen van +Vlieland. Dan krijgen we een paar hekken te bewerken, want deze dijken +worden beweid en ten slotte stappen we af bij het begin van den polder +De Eendracht (E). Hier lig je goed aan de buitenzijde van den dijk in +de geurige Artemisia, de zeealsem (24). De fijnverdeelde bladeren van +deze plant zijn zilverwit behaard, de stengels en de kleine +bloemhoofdjes ook en zoo maken nu al die Zeealsems een mooi zilveren +band langs den voet van den dijk, die zelf weelderig is begroeid met +hooge grassen. De Zeealsem groeit ook nog in kleine groepjes op den +kwelder zelf, hier en daar tusschen het donkergroene kweldergras, dat +weer afgewisseld wordt door Zeeweegbree en Engelsch Gras en +Zeemelkkruid met Zoutgras. Dit Zeemelkkruid (23) groeit graag op +kleiigen grond in ’t bereik van het hooge water en waar het welig +tiert, laat het voor het gras geen plaatsje over. Het bloeit met mooie +rose bloempjes, die echter niet bijzonder in ’t oog vallen. Alleen als +je dit plantje kent en er van houdt, omdat het op de zilte stranden +groeit, krijg je ook gemakkelijk de rose bloemenmassa te zien. En +dikwijls zijn de plantjes grijs van het slib, dat de laatste hooge +vloed heeft achtergelaten, maar daar kunnen ze wel tegen; de eerste de +beste regenbui spoelt het er af. + +Nu willen we den kwelder op om nog een paar planten te zoeken. Gelukkig +is het laag water, dus we kunnen een heel eind weg komen. Het blijkt nu +dat het groene buitenland doorsneden wordt door kreken en zelfs door +slooten en greppels. Die staan grootendeels droog en we kunnen er wel +door heen stappen, maar altijd toch met voorzichtigheid. Waar de bodem +zandig is bestaat natuurlijk geen gevaar, maar er zijn kleigaten en +daar kun je wel eens zoo tot je middel in de zwarte modder wegzakken. +Natuurlijk worden we begeleid door Tureluurs, Kieviten, Scholeksters, +Leeuweriken en Piepers. We sturen op een kleurplek af, mooi +lavendelblauw tusschen het groen. Dat is het Limoenkruid (21), die net +in bloei begint te komen, Statice Limonium, familie van het Engelsch +gras, ook met een dubbele kelk. De bloempjes zitten dicht opeen op +aardig vertakte trossen. Er groeien er hier niet zooveel als op +Terschelling en Griend, maar toch genoeg om er het aardige +Snuitkevertje te vinden, dat onafscheidelijk aan deze plant verbonden +is en het aardige rupsje, dat we haast niet kunnen ontdekken, want het +heeft precies de kleur van de bloemen. Langs de modderkreken groeit nog +een grijze plant met welige bladeren en rijkelijk bloeiend met kleine +onduidelijke bloempjes. Dat is de Obione (22), een verwant van biet en +spinazie evenals de Suaeda, die hier ook overvloedig groeit. Beide, +Obione zoowel als Suaeda (19) maken veel meelrijke zaden en zoo is hier +in ’t najaar altijd wat te halen voor de vinkachtige trekvogels, die +ook hun bekomst kunnen eten van de vruchten van de Zeekraal, een lid +van dezelfde familie. + +Deze Zeekraal (30) staat al op het naakte slik in gezelschap van het +Kleine Zeegras. Over het slik heen zien we de effen zee en op den rand +van slik en zee allerlei ruwheidjes, net kluiten en in de zee zelf +rijen paaltjes, donkere en lichte. Opeens gaat zoo’n zwart paaltje +bewegen, dan een tweede en andere en eindelijk zijn dat achtendertig +groote zwarte vogels, die achter elkaar aan vlak over het water heen +vliegen. Wie de Wadden bevaart en bewandelt, kent deze vogels heel +goed. Het zijn de Aalscholvers of Schollevaars, die met andere +gelijkgezinden hier de helft van den tijd staan te dutten op de banken. +Als het hoogwater op komt zetten, vangen zij al duikende hun visschen +en hebben dra genoeg tot het volgend getij. De meeste van deze vogels +zijn onbehuisd. Nesten hebben ze hoogstwaarschijnlijk niet, daar zullen +ze misschien een volgend jaar aan doen. De naaste nesten voor deze +vogels zouden zijn in Gaasterland of iets verder in het +Vollenhovensche. Men is dezen Aalscholver niet goed gezind, omdat men +sommetjes maakt van hoeveel visch hij wel verslindt en hoeveel schade +hij toebrengt aan de boomen, waar hij de takken van afbreekt, om zijn +nest te bouwen. Soms worden dan ook heele kolonies moedwillig verstoord +en dan moet vader Aalscholver er op uit, om maar gauw een veiliger +verblijf te vinden. + +De andere paaltjes zijn blauwe reigers (107), de gewone, ook al een +visscher net als de Aalscholver. We zullen hun nesten nog wel vinden in +een ander deel van het eiland. Ook deze reigers kunnen uren stil staan. +Soms wandelen ze wel rond langs de diepere kreken, stappen er in en +raken ze uit hun diepte, dan zwemmen ze wel een paar slaagjes. Het is +wonderlijk, zooveel vogels als er kunnen zwemmen. Zwemmende reigers zie +je nu niet alle dag, maar hier op de slikken van de Eendracht kunt ge +allerlei ongewone dingen zien. Lepelaars kuieren hier ook rond, hun +witte gestalten zijn niet eens zoo heel duidelijk te zien tegen de +blinkende zee. Zij loeren voornamelijk op garnalen en op onzen vrind +met de lange oogen, de Marcropsis Slabberi. Als die garnaaltjes zich +verschuilen in het zand, dat kunnen ze zoo vaardig doen, dan woelt de +Lepelaar ze wel weer te voorschijn met zijn breeden bek. Daar vliegen +ze op. Als we nu onzen kijker te baat nemen kunnen we zien of het jonge +vogels zijn. Die zou je om dezen tijd al kunnen verwachten. Neen, ze +hebben geen zwart aan de vleugels, dus oude vogels, die voedsel zoeken +voor hun jongen op de nesten in het Zwanewater of in de Mui. Misschien +zwalkt hier ook alweer menige Lepelaar rond, die in het geheel geen +nest heeft, net als de Mantelmeeuw, waarvan er ook een heel kluitje +bijeen staan aan den rand van het Vogelzwin: oude vogels, heelemaal met +zwarte vleugels, dat zijn vierjarige of oudere. Ook staan er vlekkig +bruine Meeuwen, dat zijn jeugdige Zilvermeeuwen (88) en Mantelmeeuwen. + +Hoe meer we toezien, des te meer vogels ontdekken wij, allemaal in het +water of op den rand van het slib. Daar staat een heele troep groote +Wulpen (87), zoo gemakkelijk te kennen aan hun lange, omlaag gebogen +snavels; we zullen ze morgen ook nog wel ontmoeten in het duin. Hebben +ze kleintjes bij zich? Neen, dat is een andere soort van Wulp, de +Regenwulp (96), die is duidelijk kleiner en als we wat dichterbij gaan +en onzen kijker gebruiken dan kunnen we ook goed de lichte streep zien, +die precies midden over hun kop gaat. Die heeft de Groote Wulp niet; +wel de beide lichte strepen boven de oogen. Deze Regenwulpen zijn ook +echte Waddenboemelaars. Ze broeden hier nooit, dat doen hun vlijtige +broeders en zusters in Schotland, Scandinavië en de Poolstreken. Hier +bij ons brengen ze veel levendigheid, want op mooie dagen vliegen ze +hoog in de lucht met welluidend geroep. Je kunt ze overal in ons land +verwachten in een breede strook langs de zee. + +Een andere zomergast, die hier niet broedt, is de Rosse Grutto (95), +die is in den regel ook wel op de Eendracht-slikken te vinden, soms in +troepen van honderden. Je kent ze duidelijk aan hun langen rechten, +eenigszins omhooggebogen snavel. Ze zijn heel mooi bruinrood, maar dat +maakt hier op ’t slik niet zoo heel veel indruk. Om gezien te worden, +moet je fellere kleuren hebben, zooals onze vriend de Scholekster, die +hier ook op zijn dikke roode pooten door de modder baggert. + +En wat is dat voor een gekke vogel? Die is pikzwart van onderen en ook +aan keel en wangen en dan gaat er om dat pikzwart een witte streep, +terwijl rug en nek vlekkig zilvergrijs zijn. Dat is onze derde +boemelaar, de Zilverplevier in prachtig zomerkleed. In plaats van +behoorlijk te gaan broeden op de toendra’s van Siberië kuiert hij hier +met zijn kornuiten op de slikbanken van de Waddenzee. + +Wat blinkt daar in de verte? Telkens flitst het wit op en dan zie je +weer niets. Het komt dichterbij, nu zien we op het wit ook donker +volgen en eindelijk ontdekken we, dat we een wolk van vogeltjes voor +ons hebben, die hier vliegoefeningen houden net zooals we de Spreeuwen +dat wel zien doen. Deze vogels zijn ook niet veel grooter dan +Spreeuwen, het zijn Bonte Strandloopertjes (67). Zomer en winter zijn +die op de Wadden aan te treffen, in ’t zomerkleed hebben ze een groote +zwarte vlek aan borst en buik, ’s winters is de heele onderzijde wit. +Het aantal van deze bonte strandloopertjes op onze Wadden loopt wel in +de millioenen. Het talrijkst zijn ze wel in October, want dan komen een +groot deel van de poolbewoners hierlangs, om hier of nog verder naar ’t +zuiden te overwinteren. Ge moet eens op de wereldkaart kijken, hoe +klein ons land is in vergelijking met Scandinavië, Rusland en Siberië. +Daar kunnen ’s winters slechts weinig vogels blijven en het grootste +deel van de bewoners dier streken trekt langs en over de Noordzee naar +de winterkwartieren en dan komen over de slikken achter de Eendracht +niet alleen Steltloopers, maar vogels van allerlei pluimage. + +Wij hebben eens op die slikken gestaan op een stillen Octoberdag en dat +zal ik nooit vergeten. Er was zeker pas een bezending poolvogeltjes +aangekomen, die nog geen begrip hadden van de gevaarlijkheid der +menschen, tenminste ze bekommerden zich in ’t geheel niet om ons. We +stonden daar een kilometer buitendijks in de weeke zwarte modder en de +Zeekraalplantjes waren al aan het verdorren. Overal om ons heen +wiemelde het van Strandloopertjes. Vele boorden met hun snavels in de +modder, andere stonden stil, dribbelden wat achter elkander aan, +vochten soms een beetje en onder al die duizenden waren er altijd +eenige, die wat te vertellen hadden en dat was dan een onophoudelijk +gekrieuw en gepiep over de heele vlakte heen. Het leek wel op het +geluid dat ijsgruis maakt, wanneer dat deint in den golfslag. Het was +als een droom, om daar zoo midden in al die duizenden vogeltjes te +verkeeren. Er waren er van allerlei soort: Bontbekpleviertjes en +Strandpleviertjes, allebei te kennen aan hun korte snavels en dan met +langen snavel de Bonte Strandloopers, de Kanoeten (70), die wat grooter +zijn, de Krombekstrandloopers en de mooie melig witte +Drieteenstrandloopertjes. Daar waren ook Zilverplevieren en een menigte +Rosse Grutto’s. Er leken er hoe langer hoe meer te komen en dat was ook +zoo, want de vloed kwam op en die joeg ze eerst dichter opeen. Wij +maakten beenen landwaarts, want op die vlakke slikken is de vloed gauw +bij je. De kleine Strandloopertjes vlogen ten slotte op: een +reusachtige wolk van vogeltjes, die werkelijk de lucht verduisterde. +Tot ons verdriet slierden ze over het water heen naar de Vliehors. Wij +waren echter weer spoedig getroost, want bij de hoogere kwelder kwamen +we een troepje Strandleeuweriken tegen; die zijn werkelijk aan onze +gewone Leeuweriken verwant, maar dadelijk te kennen aan geel aan hun +kop en merkwaardige zwarte veertjes in oor- en oogstreek. Ze komen +alleen ’s winters op onze stranden en broeden op de toendra’s, waar ze +ook hun lied laten weergalmen. Ik heb ze nooit hooren zingen. Echter +zou het niet onmogelijk zijn, ze hier te hooren in Februari of Maart, +want de trekvogels willen ook wel zingen buiten hun broedgebied. We +vonden nog allerlei vogeltjes op de kwelder, Vinken, Keepen, +Roodborstjes, Fratertjes, zelfs Lijsters en ook heel veel gewone +Leeuweriken en Piepers. Het is zeer de moeite waard om in October en +zelfs ook in December, ook in Augustus eenige dagen door te brengen op +die slikken. In den wintertijd kan het zeegat vol zitten met Alken +(103) en Zeekoeten (105), een enkele Jan van Gent, Franjepooten, +Meeuwen van allerlei soort en ook velerlei duikeenden en zagers en +nooit zal ik vergeten hoe ik er op een winterdag een grooten troep +Rotganzen (77) heb zien neerstrijken, kleine zwarte gansjes met hoogen +achtersteven. + +Maar nu is het Juni, dat is toch de allermooiste tijd van ’t jaar. We +willen nu maar langs den buitenkant van den Eendrachtsdijk verder gaan. +De dijk zelf is niet te berijden, hij is maar smal en heelemaal met +gras begroeid. De vruchtbare polder ligt er achter, daar joelen en +jodelen weer de Tureluurs en Kieviten en Grutto’s en zingen de +Leeuweriken en Piepers. Ook komt er uit dien polder een vreemd geluid: +„snirs, snirs” heel regelmatig, paarsgewijs bij tusschenpoozen. Dat is +de onzichtbare vogel, de Kwartelkoning, je hoort hem nacht en dag, maar +alleen buitengewoon geduldige of buitengewoon gelukkige menschen +krijgen hem te zien, wanneer hij met zijn smal bruingevlekte lichaam op +slanke pooten tusschen gras en klaver sluipt. + +Aan het eind van den polder de Eendracht komen we aan den +Eijerlandschen dijk, met een goeden grindweg aan de binnenzijde en die +brengt ons spoedig naar de Cocksdorp. Bij de duikersluis kijken wij nog +even naar de vogels en de schepen, die in de nauwe vaargeul liggen, die +van hier langs de Steenen Plaat naar het Eijerlandsche gat leidt. Dan +gaan we even wat drinken in het hotel; misschien hangt daar nog wel die +merkwaardige kaart met de schipbreuken. Vervolgens rollen we het dorp +uit langs de Roggesloot, dat heelemaal geen sloot is, doch een prachtig +breed water met lage weiden er om heen en ook alweer druk bevolkt met +vogels. Rechts hebben we nog een poosje aardig houtgewas en daarin +zingen alweer de onvermoeide Spotvogeltjes. Weldra komt er aan dat hout +een einde en nu begint de rit door den grooten polder Eijerland, eerst +linksaf en dan weer rechtsaf en dan zijn we op den onafzienbaren +hoofdweg, het „gebed zonder eind”. + +De boerderijen en de arbeiderswoningen brengen van afstand tot afstand +eenige afwisseling, maar veel is dat niet. Gelukkig is het Juni en er +staat niet veel wind. Meestal toch waait het op Texel nog al en dan +krijg je hier in het boomlooze Eijerland de volle laag en aangezien de +zuider- en westerwinden bij ons de overhand hebben, krijg je van +Cocksdorp komende bijna altijd tegenwind. Ik heb tenminste al dikwijls +naar het Amen van dit Gebed zonder einde verlangd en ben dankbaar +geweest voor de beschutting, die op sommige plaatsen geboden wordt door +een rijtje van wilgenstruiken. Als het lijden kon, moest het Bestuur +van den Polder Eijerland zijn wegen eens gaan beplanten, al was het +alleen maar aan de westzijde. Het zullen nooit Middachter Allée’s +worden, maar dat er iets van te maken valt, blijkt voldoende uit de +beplantingen rondom de groote boerenhoeven. Die vertoonen weliswaar +naar het westen den storenden invloed van den zeewind, maar zijn +tenslotte nog flink opgeschoten. Eigenlijk zien boomlooze wegen in +zoo’n polder er toch zeer armoedig uit. Indien ze allemaal beplant +waren, al was het maar met struikgewas, dan zouden niet alleen wij +minder last van den wind hebben, maar ook het bouwland zou er van +profiteeren en er was weer wat meer nestgelegenheid voor vogels. + +De groote boerderijen en de reusachtige schuren doen vermoeden, dat de +ingelanden wel een penningske voor wegbeplanting zouden kunnen offeren. +Op de zeeklei van Eijerland worden allerlei landbouwgewassen geteeld. +We zien er de dikke aren van de tarwe, de zacht glanzende aren van de +gerst, de glinsterende pluimen van haver. Sommige velden zijn begroeid +met fijne, gelig groene planten en als we daar in den morgen langs +komen, dan hebben we geen moeite om aan de witte en blauwe bloempjes +het vlas te herkennen. In den namiddag vallen die bloempjes uit, maar +morgen zijn er weer nieuwe. Mooi zijn ook de velden met maankop, nu +prachtig in bloei met groote bleekpaarse bloemen. In de verte lijken +die maankopvelden wel waterplassen. Aardappelen ontbreken ook niet en +er zijn ook velden met karwei, nu reeds in vrucht, eenige weken geleden +waren die sneeuwwit in bloei. Straks wordt die karwei geoogst en dan +ploegt men den akker weer om voor een navrucht. Als dan de paarden den +ploeg door de klei trekken, komen onze Meeuwen van De Staart in Waal en +Burg bij honderden hierheen en die verdringen zich dan tusschen de pas +omgeworpen kluiten, om er de insectenlarven te bemachtigen, die zoo +onzacht uit hun rustige leventje zijn opgeschrikt. Ook eten ze de +Langpootmuggen (132). Ik houd wel van een ritje door het landbouwgebied +en houd hier allebei mijn ooren open om te luisteren of ik den Kwartel +ook hoor, het kleine hoenderachtige vogeltje van de korenvelden. In +Zuid Eijerland heb je nog wel eens kans om zijn „kwikmedit, kwikmedit” +te hooren klinken. ’t Is heel ongelijk, in sommige jaren hoor je er +veel en dan gaan er weer jaren voorbij, zonder dat je een enkelen +Kwartel hoort. Dan zijn onze broedvogeltjes hoogstwaarschijnlijk in het +winterverblijf of op de reis gevangen en daarna opgegeten. Dan kan het +weer jaren duren, eer uit een tijdelijken overvloed van Kwartels er +zich weer een paartje in onzen polder kan vestigen. + +Dicht bij het eind van den hoofdweg, waar deze een bocht maakt, staat +een boerderij juist in de as van den weg. Het spitse dak is als een +pyramide in de woestijn, een verre pyramide, die we moeten bereiken. +Eindelijk wordt zij al grooter en grooter. Nu zijn we bij ’t huis zelf, +we zwaaien linksaf en dan tegen den hoogen dijk van Waal en Burg op. +Hier kijken we weer even uit. We zien onzen dijk westwaarts doorloopen +heelemaal tot aan de duinen. De dijk zelf lijkt ginds ook wel een duin, +hij is begroeid met helm en inderdaad is dat stuk dan ook een oude +stuifdijk. Dit was nu voor 1837 de noordkant van het eiland Texel. +Eijerland was een kwelder en bij hoog water sloeg de zee hier tegen den +dijk. Vlak voor ons, in Waal en Burg zien we een uitgestrekt water, de +Kil (N). De oevers zijn met riet begroeid, daarin zingt de Kleine +Karekiet (104) en als we naar links dien rietzoom volgen al verder en +verder, dan komen we aan het land waar al de Meeuwen broeden, het +natuurmonument De Staart aan de Rommelpotskil. Al die killen waren +geulen in den tijd toen Waal en Burg nog zee was en thans dienen ze +samen als binnenboezems, waarin het overtollig polderwater bewaard +wordt, tot het hoog genoeg staat, om door het duikersluisje geloosd te +worden op den polder het Noorden en dan mag de molen het door ons +sluisje met de langooggarnaaltjes wegmalen naar de Wadden. ’t Is heel +prettig, om hier vanaf den hoogen dijk de Kil te overzien. Al heel gauw +bespeuren we een Wilde Eend (73), die met jongen rondzwemt en een +Slobeend (74), die in hetzelfde geval verkeert. Ik heb wel eens +gedacht, dat er op Texel meer Slobeenden dan Wilde Eenden zouden zijn. +Ge weet wel, die Slobeend is dadelijk te kennen aan zijn grooten +breeden snavel. Het lijkt wel, of die snavel hem te zwaar is, want hij +zwemt meestal met zijn kop vlak op ’t water. Behalve Eenden zien we in +de Kil ook altijd Koeten (78). Die lijken op zwarte eendjes, maar daar +hebben ze toch niets mee te maken, want ’t zijn echte Steltloopertjes +en ze hebben geen zwemvliezen, wel eenigszins verbreede teenen. De +witte vlek op ’t voorhoofd is wel hun voornaamste en duidelijkste +kenmerk. Aardige dieren die Koeten. Ze zijn altijd bezig, duiken naar +voedsel, sleepen bouwstof naar nest of rustplaats, voeren hun jongen en +maken wat burengerucht. Nu eens zwemmen ze hoog op ’t water, dan weer +komt hun rug nauwelijks boven en ik heb er wel gezien, die rondzwommen +met alleen maar hun kop boven water. Hun onophoudelijk kortaf gekef +geeft aardig leven in de brouwerij. Hun jongen zijn in ’t eerst met +donker vlokkig dons bedekt en hebben op den kop een roode huidplek. Ze +sukkelen altijd achter hun moeder aan en daar hebben ze gelijk in, want +die kan ze vastberaden verdedigen tegen den Kiekendief, die jonge +Koeten weet te waardeeren als een lekker nieuw gerecht in den +voorzomer. Nu weer op de fiets en door den rechten weg van Waal en Burg +op De Koog aan. Prettig, dat we in den loop van den dag zooveel vogels +hebben leeren kennen. We vinden ze haast allemaal weer langs dezen weg +en die lijkt daardoor veel en veel korter dan de hoofdweg door +Eijerland, ofschoon het in werkelijkheid maar weinig verschilt. + + + + + + + + +IV. MUIEN EN SLUFTERS + + +Om te beginnen, gaan we bij De Koog het strand op en wandelen dan een +half uur ver noordwaarts, langs de branding. De zee is zoo’n goede en +gezellige kameraad, dat we mijlen en mijlen kunnen voortwandelen, +zonder dat we iets anders begeeren, dan de ruimte en de frischheid en +de muziek. Mijlenver krijgen we ook niets anders, want dat strand is +nog al arm aan schelpen en het aanspoelsel geeft den strandjutter ook +maar weinig vreugde. Voorbij paal 23 wordt de zandvlakte al breeder, er +komen ook meer schelpen en hier en daar liggen kleine heuveltjes, niet +hooger dan een molshoop, maar breeder en daar wapperen een paar groene +grassprietjes uit omhoog. Wanneer we vlijtig zoeken, dan vinden we hier +in deze eerste Juniweek ook op dergelijke heuveltjes wel een grasje, +dat pas uit ’t zaad ontkiemd is en dat moeten we beschouwen als een +zeer belangrijk feit. Zoodra namelijk dit gras op de strandvlakte wil +groeien, groeien er ook duintjes. Dat is hier nu benoorden De Koog +prachtig te zien, hoe het stuifzand door het gras bijeen wordt gehouden +en hoe zoodoende nieuwe duintjes worden gevormd. We vinden er van +allerlei leeftijd, jonkies van dit jaar, waar je de pas ontkiemde +grasjes nog uit kunt trekken en oudere van vorige jaren, waarvan het +zand doorweven is door een dichte mat van wortelstokken. Nog oudere +zijn alweer hooger en hebben bovenop al een begroeiing van de tweede en +de derde grassoorten, dat zijn de helm (25) en de blauwe zandhaver +(27). De grassoort, die het begin maakt, is minder bekend, ’t is het +biestarwegras (29), de eersteling der begroeide duinen. Eigenlijk zijn +er geen andere dan begroeide duinen; een onbegroeid duin waait weg. + +Deze strandvlakte met zijn schelpen en duintjes heeft ook bewoners. Ik +heb ze al lang gehoord, eer we ze zien. In de heldere lucht en op het +witte zand is het niet eens zoo gemakkelijk, om witte vogeltjes te +zien. Maar onophoudelijk hooren we een fel en driftig geschreeuw. In de +zee zien we ook witte straaltjes opspatten en eindelijk, nu we wat +gewend zijn, krijgen we de kleine schreeuwers te pakken. Het zijn de +mooie Dwergsterntjes (93), half zoo groot als de gewone Vischdiefjes. +Met razende vlijt zijn ze bezig te visschen tusschen de eerste en +tweede bank, boven een school van kleine Puitaaltjes. Ze duiken +heelemaal onder en in negen van de tien gevallen krijgen ze hun vischje +te pakken en vliegen dan landwaarts, tusschen de kleine duintjes. Nu +zijn we met zijn twintigen, allemaal goed gezind en voorzichtig en +wakker en daarom wil ik wel even een breed front vormen over een +uitgestrektheid van een paar honderd meter en zoo schuin de +strandvlakte oversteken door de jonge duintjes tot aan het hooge duin. +Als we nu wakker genoeg zijn, dan krijgen we jonge Dwergsterntjes te +zien, misschien ook nog eieren en misschien nog wat anders. Wanneer we +heelemaal niets zien, dan bewijst dat nog lang niet, dat er ook niets +ligt, want de grijze, vlekkige jongen en de doffe, blauwig grijze, vaal +gevlekte eitjes zijn, o zoo heelemaal één met het mulle zand. Past +daarom dubbel op, om te zien, waar ge uw voeten zet. Het zou zeer +onaangenaam zijn, indien de herinnering aan onze reis ontsierd zou +moeten worden door de gedachte aan een vertrapt jong vogeltje of +verbrijzelde eieren. Het gevaar voor ’t laatste is het grootst. Een +jong laat zich niet zoo heel spoedig vertrappen, zie maar, daar loopt +er al een. Die heeft stil gezeten totdat het storend bezoek wat te +dicht bij hem kwam, en daar gaat hij nu, een dons balletje op rose +zwemvoetjes, kop hoog in de lucht op een hals, die veel langer is dan +je van zoo’n Sterntje zou verwachten. Intusschen vliegen de ouden boven +ons, driftig krijschend. Daar loopt een grooter vogeltje, niet in dons, +maar in gladgestreken pluimage, grijs en wit en zwart. Het scherp wit +en zwart aan kop en keel, de oranje snavel, oranje pootjes, vertellen +ons, dat we met ’t Bontbekpleviertje te doen hebben. Die heeft hier ook +wel jongen en eieren. Als we wat verder komen, worden we begroet door +grooter vogels, witte Meeuwen met spierwitte koppen, dat zijn de +Stormmeeuwtjes. Die hebben hier ook enkele nesten en daar moeten we +alweer heel voorzichtig mee zijn, want deze meeuwtjes nestelen maar op +een paar plaatsen in Nederland: op Schouwen, aan den Hoek van Holland, +bij Callantsoog, op Texel en op Rottum, dus op de beroemdste stranden +van Nederland en die hebben dan ook hun beroemdheid voor een groot deel +te danken aan die Stormmeeuwtjes. Ze gelijken het meest op +Zilvermeeuwen, maar zijn een derdepart kleiner. Het heele jaar door +vinden we Stormmeeuwen in menigte langs de stranden, in de havens, op +’t land, zoo oude als jonge, maar slechts weinige willen hier broeden. +Het strand zou het strand niet zijn, als hier niet eenige stellen +Scholeksters rondliepen en er staat ook een heele troep Zilvermeeuwen +te dutten, zoo maar midden op de zandvlakte. Al een poosje lang hebben +we aan onze rechterhand donkere rijshorden gezien, daar geplaatst door +den Waterstaat, om den groei van het duin te bevorderen. Waterstaat en +de Texelaars koesteren al tientallen jaren lang den wensch, om de +Sluftervlakte af te sluiten, door de duinenrij te doen voortgroeien tot +aan de Slufterbollen. Het is al dikwijls bijna gelukt en in de laatste +jaren gaat het ook alweer heel voorspoedig, maar een paar stormdagen en +stormnachten, harde Noordwester met springvloed kunnen weer alles +terugbrengen tot den toestand van jaren geleden. Wij verlaten nu het +strand, gaan landwaarts in tot voorbij de eerste duinrichel en slaan +dan scherp rechtsaf, de vallei in, achter die richel langs. Hier komt +de zee nog wel eens een enkelen keer een kijkje nemen om het hoekje. Er +ligt aanspoelsel van de hooge vloeden en de vallei is hier en daar ook +tamelijk slibbig. Er groeit dan ook Zeemelkkruid en Engelsch Gras, +Zoutgras, een beetje Lepelblad, Zeespurrie en hoogerop komt Bloembies +(34) en zoete grassen, die het mogelijk maken, dat een paar schapen er +nog genoeg te eten vinden. In deze vallei nestelen ook al Kieviten en +Tureluurs, een enkele Scholekster en de alomtegenwoordige Graspieper +(62). Op een nat plekje staat Pluimzegge (33). + +We gaan nu tegen het duin op en zijn van plan, om door de duinen terug +te wandelen naar Koog. Eerst heb ik bij den boschwachter van het +Staatsboschbeheer een klein bezoekje afgestoken, om te hooren of we die +wandeling konden maken. Dit duinlandschap is namelijk een +Staats-natuurmonument en gedurende den broedtijd der vogels heb je een +bijzondere vergunning noodig, om het terrein te betreden. In sommige +jaren wordt op sommige stukken zelfs niemand toegelaten. Dat was o. a. +het geval in 1924, toen de Lepelaars, een tiental, hun nesten gebouwd +hadden in het mooiste en grootste duinmeertje, de Mui (3). Dertig jaar +geleden heette dat meertje kortweg de Mui, maar tegenwoordig beginnen +we het al Binnen-Mui of Groote Mui te noemen. Er is namelijk in de +laatste jaren nog een tweede meertje bijgekomen, dat is de Buiten-Mui +en buiten de duinreeks, die vroeger deze Buiten-Mui van het strand +scheidde, zijn weer nieuwe duinricheltjes gevormd. Tusschen de oude en +de nieuwe richels vormen zich tegenwoordig telkens ook al weer +zoetwaterplasjes, zoodat we binnenkort ons zullen verheugen in een +Buitenste Mui. Nu, hoe meer hoe liever, want elk duinmeertje wordt, als +’t goed gaat een middelpunt van zeer rijk dieren- en plantenleven. + +Als we nu aan den kleinen Slufter het duin in gaan, dan zijn we nog +niet zoo heel spoedig bij die Muien. Eerst hebben we nog een kilometer +of zoo duinterrein te doorloopen, haast een soort van hoogvlakte, meer +heuvels dan dalen en de dalen smal en ondiep. Wie de duinen van Holland +kent, verwondert zich over deze Texelsche heuvelen. Wat zijn ze dicht +begroeid: Viooltjes, Aardbeitjes, Geel Walstroo (48), Eereprijs tot +boven op de toppen. Dichte bosschen van Duindoorns bemoeilijken onzen +vooruitgang. Onder en tusschen die Duindoorns worden we verrast door +alleraardigste bloemen, die we in grooter aantal ook nog in het +natuurmonument der Muien zullen aantreffen: het rondbladige Wintergroen +(Pirola Rotundifolia) en het Parnaskruid (Parnassia Palustris). Het +Wintergroen (14) staat al ferm in bloei, Parnaskruid (16) vertoont pas +knoppen, dat is een herfstbloeier. Er was een tijd, dat het Wintergroen +rijkelijk in het wild groeide, midden in het Bloemendaalsche Bosch. Dat +is nog geen vijfentwintig jaar geleden. Ook het Kennemer duin stond er +vol mee. Sedert den drogen zomer van 1911 is daar het Wintergroen zoo +goed als verdwenen en nu moeten wij ons er toch wel zeer over +verheugen, dat dit heerlijk mooie bloempje nog zoo veel op Texel groeit +en ook op de andere Noordzee-eilanden en het is dubbel pleizierig, dat +deze Texelsche duinen nu voor een groot deel tot natuurmonument zijn +verheven, d.w.z. dat daar de natuur haar vrijen loop mag hebben en de +wilde planten daar groeien mogen, zooals dat hier in deze streken +behoort. Als we goed uitkijken, dan vinden we nog andere +bijzonderheden, die nog niet in bloei staan, kijk maar hier: smalle +groene blaadjes tegen elkaar, een groene bloemtros daar binnen +verborgen. Wacht maar, die tros blijft niet groen maar wordt mooi rose, +allemaal fijne Orchideeënbloempjes met lange spoor. Tegen de groote +vacantie zullen ze bloeien. Dit is de Muggenorchis (49) of Gymnadenia. +Onthoud hem ook maar met ’t oog op de omstandigheid, dat ge eens gaat +reizen in het bergland, in Zwitserland. In menig opzicht is het verkeer +in de duinen van Texel en Terschelling een goede voorbereiding voor een +Zwitsersche reis. Nog mooier dan de Muggenorchis is de +Moeras-Wespenorchis (53), die hier ook overvloedig groeit. + +Ook geven onze duinen een prachtige oefening voor beenspieren en +longen. We moeten maar eens even op een hoogen top losstevenen om ons +te oriënteeren. Jawel, ik dacht het al, we zijn al druk bezig, om te +ver landwaarts in te gaan. Zie, in de richting naar Koog ligt links een +lange vallei, westwaarts begrensd door een onafgebroken duinenrij. Dat +was nog niet zoo heel lang geleden de zeelooper. De oostgrens van de +vallei is een meer afwisselend duinlandschap met hooge toppen en lagere +zadels en rechts daarvan zien we een tweede uitgestrekte duinpan. In +beide pannen zien we blauwe waterplassen blinken en als we goed +toezien, bespeuren we tusschen die plassen velden met riet en biezen en +zoo beseffen we, dat we hier staan voor twee vrij uitgestrekte +duinmeertjes, de trots en glorie van Texel, van Nederland. Dit zijn nu +de beide Muien. De Binnen-Mui is de grootste en belangrijkste en daar +mogen we nu in den broedtijd met zoo’n grooten troep niet heen, dat is +zoo wijselijk beschikt door het Staatsboschbeheer. Maar wel hebben we +een vergunning, om te wandelen langs den westoever van de Buiten-Mui en +daar hebben we volop genoeg aan. We willen echter verstandig wezen en +er niet regelrecht heen loopen. We zwenken af naar rechts, tot voorbij +den zeelooper, loopen dan rustig en stil langs den buitenkant van die +heuvelrij een kilometer of zoo zuidwaarts naar een plek, welke ik wel +ken en kruipen dan tusschen en door de duindoorns heen, om ongezien den +anderen kant te bereiken, waar we een vrij uitzicht hebben over het +meer, dat hier zoowat honderd meter breed mag zijn en zich naar links +en naar rechts eenige honderden meters uitstrekt. + +Het is mij dikwijls gelukt, zoo ongezien een goed uitkijkpunt te +bereiken, zonder dat één van de honderden vogels, welke de Buiten-Mui +bewonen, er erg in had. Alleen gaat dat natuurlijk veel beter dan met +een troepje, want daar zijn altijd licht lui bij, die het wereldkundig +moeten maken, als zij een duindoornpunt in hun knie krijgen of zoo +iets. Honderden malen heb ik zoo de duinen beslopen. Haast altijd tref +je iets aardigs en in zoowat één op de twintig sluippartijen iets +bijzonders. Daaronder tel ik een Sperwer, die op den grond bezig was +een Tapuitje te plukken, een helling met een twintigtal Konijnen, welke +zich zaten te zonnen, ieder voor hun holletje, Fazanten en Patrijzen +een stofbad nemend en dan liggend in de zon, twee Egeltjes knorrend en +kringspelletje spelend, een oude Hermelijn op jacht met vijf jongen +achter zich en meer dergelijks. + +Je hebt ook wel eens tegenspoed. Het is mij wel gebeurd, dat ik over de +helling komend met mijn neus net terecht kwam boven een laat eendennest +en de eend vloog met zooveel spektakel op, dat er een paniek ging over +de heele duinvallei. + +Nu, ditmaal komen wij wonderwel klaar en de heele Buiten-Mui ligt voor +ons in de Junizon, eenzaam en verlaten, alsof er geen mensch bestond op +de wijde, wijde wereld. De hooge duindoorns geven ons een uitmuntende +beschutting. Er staan een paar vlieren tusschen in. Voor en onder zoo’n +vlier zit je nog beter; ik wil voor een volgenden dag straks aan de +buitenhelling een paar merkteekens maken, om een andermaal precies bij +zoo’n vlier terecht te komen. Het water ligt bladstil, helder blauw. Er +is veel meer riet en biezen en russchen dan water, tenminste van hier +gezien, maar ik weet dat tusschen de hooge rietbosschen toch ook nog +weer genoeg open plekjes zijn. Hier en daar zie je een groote witte +vlek, dat zijn allemaal bloeiende Waterranonkels (32), die zullen we +elders in nog grootscher pracht aanschouwen. De duindoorns groeien tot +in het water en het water dringt door tot tusschen de duindoorns. + +Van vogelleven is op ’t oogenblik niets anders te zien dan een paar +witte Vischdiefjes, welke boven ’t witte water bidden. Ik schaam mij, +te moeten bekennen, dat ik niet weet, welke soorten van visch in deze +Muien voorkomen en voor zoover ik weet, is daar ook nog nooit een +onderzoek naar ingesteld. ’t Zou een aardig werkje zijn voor jongelui, +die hun zomervacantie geheel of gedeeltelijk op Texel doorbrengen, om +eens wat te weten te komen omtrent de bewoners van de Muien, de +Visschen, de Insecten, de Slakken, de Bloedzuigers enz. Daar is wat +meer vlijt en kennis voor noodig, dan voor de vogelarij. + +Die Vischdiefjes hebben al gauw wat gevangen en vliegen nu naar ’t +zuideind van de Mui, waar ze in het moerassig gedeelte zeker wel hun +nesten hebben, misschien een stuk of vier. Het is wel merkwaardig, dat +naast de groote kolonies van Vischdiefjes in het Noorden en aan de +Petten ook nog overal over het eiland, heel verstrooid +Vischdiefjesnesten te vinden zijn, alleen of bij tweeën en drieën. +Dikwijls liggen er aan het zuideind van de Buiten-Mui ook nesten van +Kokmeeuwen. + +Naar links is een der open plassen voor een groot deel bedekt met +Eenden, wilde Eenden van allerlei soort. Met onzen kijker bespeuren we +al gauw dat het allemaal mannetjes zijn: groenkoppen met witten +halsring, dat zijn de gewone wilde Eenden, groenkoppen met buitengewoon +grooten en breeden snavel en witte borst, dat zijn de Slobeenden, +kleintjes met een groote witte streep over het oog, dat zijn de +Zomertalinkjes (75). Met elkaar zijn er een veertigtal en nog verder +naar links staan een dozijn zwart-met-witte Eenden, dat zijn de +Bergeenden. Als we ze wat dichterbij kregen, zoudt ge zien, dat ze nog +heel wat andere kleuren vertoonen dan zwart met wit: een bruinen +halsband, een goudig groenen kop, fel rooden snavel, prachtige dieren. +Ze hebben hun nest in konijnenholen, over het heele eiland heen en we +ontmoeten ze dan ook langs alle stranden, het meest nog wel tusschen De +Koog en Cocksdorp. + +En ja hoor, daar is ook de Roodkop weer. Als om ons een pleizier te +doen vliegt hij op en koerst het heele meer door: een roode kop, een +grijze rug en zwarte zijden. Dat is de Tafeleend, een vogel, dien we ’s +winters in groote menigte op plassen en rivieren te zien kunnen +krijgen, maar die slechts zelden hier en daar bij ons broedt. In +Friesland en aan de Utrechtsche plassen zijn de nesten al dikwijls +gevonden en nu die vogel zich hier aan de Muien jaar op jaar vertoont, +kunnen wij ook wel aannemen, dat hij hier broedt. Hoe aardig vloog hij +over de riettoppen: hij hield zijn lichaam wat schuiner dan de gewone +wilde Eenden. + +Nu komen er achter elkaar drie Blauwe Reigers aanzetten. Ze dalen af +naar ons meertje, buigen de lange pooten omlaag en strijken neer in ’t +riet. Eén is er zoo dichtbij, dat wij hem tusschen de rietstengels door +kunnen zien en als hij zijn snavel neerbuigt, dan kunnen wij zien, dat +deze gegrepen wordt door andere snavels. De Blauwe Reiger heeft daar +zijn nest met drie hongerige jongen en nu we eenmaal weten, dat daar +Reigernesten zijn, hooren we ook wel het merkwaardig honger-gebabbel +van de jonge vogels. Gewoonlijk maken bij ons in Nederland de Blauwe +Reigers hun nesten in de boomen, maar hier op Texel bouwen ze in ’t +riet, juist zooals de Purperreigers en de Lepelaars dat doen in ’t +Naardermeer. Nog twee Reigers komen aanzetten en dan nog eens vier en +onze eerste Reiger vertrekt al weer, na al zijn huiselijke plichten +vervuld te hebben. We kunnen er nu al zeker van zijn, dat hier minstens +een dozijn Blauwe Reigers in ’t riet broeden. + +Ook Koeten huizen er. Hun kort gekef heb ik al gehoord en daar tegen +den rietzoom ziet ge een paar van die zwarte vogeltjes voortzwemmen. +Nog wat beter toekijken en dan zien we tusschen de beide groote vogels +nog een stuk of zes kleintjes, pikzwarte donsvogeltjes met soms wat +duidelijk rood aan den kop. De oude Koeten hebben, zooals ge weet, op +den snavel een witte plaat, welke ook nog een eind tegen het voorhoofd +oploopt. Plots duikt er een en als hij weer boven komt, roeien al de +jongen in pijlsnelle vaart op hem af en de buit wordt verdeeld. In het +ijle riet kunnen we het Koetennest ook wel te zien krijgen, een bouwsel +van riet en biezen, dat een paar decimeter boven het water uitsteekt en +bereikt wordt langs een goed onderhouden hellend vlak. Is dat ook een +klein Koetje, daar in de biezen? Neen, ’t dier is bruinig, de borst +satijnig wit en op het gebied van staart heeft deze vrind nog minder in +te brengen dan de Koet. Dat is een Dodaarsje (101) of Hagelzakje. Die +heeft zijn nest gewoonweg aan de oppervlakte van ’t water en ik durf +wel zeggen, dat hij het heeft opgebouwd uit Bronmos (Fontinalis +Antipyretica), een plantje, dat op sommige plaatsen den bodem onzer +Muien bedekt met een dicht, ruig, groen tapijt. De vogel heeft altijd +een extra hoeveelheid van dit materiaal bij de hand, om, wanneer hij +bij gevaar het nest verlaten moet, nog eventjes gauw de bruingele +eieren dicht te dekken. Dat doen al zijn familieleden, de Futen. In +sommige jaren huizen hier in de Muien ook wel de Geoorde Futen. Die +zijn iets grooter dan het kleine Dodaarsje en de mannetjes hebben over +de oorstreek een groep van aardige, kleurige veertjes, oranje met +bruin. Deze Geoorde Futen broeden graag in troepjes bijeen, vier of zes +nesten bij elkaar, maar ze schijnen nog niet een vaste voorkeur voor +bepaalde plaatsen te kunnen hebben. Soms maken ze een paar jaar +achtereen hun nesten in dezelfde plassen en dan blijven ze weer opeens +weg. We hopen ze nog eens tot de vaste klanten van onze Muien te mogen +rekenen. Hetzelfde geldt voor de Lepelaars. Ieder jaar hopen we op +Lepelaarnesten in de Mui. In 1924 hebben ze in de Groote Mui een +tiental nesten gebouwd. Het Staatsboschbeheer heeft er toen zorg voor +gedragen, dat de broedplaats zooveel mogelijk met rust werd gelaten en +er was toen geen sprake van, dat je in die Groote Mui zou mogen +wandelen. Het is toen echter met die broederij niet goed geloopen, +niemand weet door welke oorzaak en in 1925 zijn ze toen weggebleven. +Wij kunnen echter wel veilig voorspellen, dat ze het binnenkort nog +weer eens zullen probeeren, want in het Zwanewater bij Callantsoog, +waar bijzonder goed op de vogels gepast wordt, is de Lepelaarbevolking +in de laatste jaren zoo toegenomen, dat er wel gebrek aan plaats moet +komen. Ze kunnen dan niet beter doen, dan zich weer op Texel te gaan +vestigen, hetzij in de Muien, hetzij in het nieuwe duinmeer aan den +zuidkant, dat wij morgen hopen te bezoeken. + +Daar vliegen opeens al onze eenden op. In een lange rij komen ze aan +ons voorbij vliegen. De bewaker van het duin heeft ze opgeschrikt. Nu +komen ook uit het riet de Reigers te voorschijn, veertien stuks. Ze +gaan de hoogte in, kringen dan rond en strijken de een voor, de ander +na, neer op de duintoppen rondom ons meertje en daar staan ze nu +onbeweeglijk als schildwachten rondom een bewaakt gebied. Nu kunnen wij +ook wel opstappen, de helling af naar den waterkant. Ik weet dat hier +een soort van pad naar het zuiden leidt, maar we mogen er altijd wel op +bedacht zijn, dat we hier en daar te doen zullen krijgen met weelderig +uitgegroeide duindoorns of een plekje van een meer dan gewone graad van +drassigheid. Als we opstaan, vliegen er nog eenige Eenden en Reigers +op, de dapperen, die door de verschijning van den bewaker met zijn +hondje nog niet schichtig waren geworden. Ook schiet er een Watersnip +omhoog in zigzaglijn met luid „etsj, etsj” en als zij een eindweegs is +opgeschoten gaat zij omhoog vliegen. Nu even stil gestaan, want dat kan +aardig worden. Zij vliegt al hooger en hooger, spreidt dan vleugels en +staart wijduit, glijdt plotseling omlaag en nu hoor je duidelijk het +geluid, dat herinnert aan het blaten van een lammetje. Dit is de +lentevlucht en het lentegeluid van de Watersnip en we mogen er op +rekenen, dat die nu ook hier haar nest heeft. Daar ben ik heel blij om, +want eenige jaren geleden, eer nog de Muien tot natuurmonument waren +verklaard is bij den aanleg van wegen ten behoeve van de bebossching +een klein, maar zeer mooi valleitje, waar altijd de Watersnip broedde +te midden van de mooiste bloemen, met zand dichtgegooid. Zoo iets zou +tegenwoordig natuurlijk nooit meer gebeuren, want ofschoon de Watersnip +nog broedt door het heele land, wordt zij toch hoe langer hoe +zeldzamer, ten eerste doordat de moerassen worden ontgonnen en +ontwaterd en ten tweede doordat de jacht op Watersnippen nog is +toegelaten in den broedtijd. Gelukkig zijn met goeden wil en inzicht +beide euvelen nog wel te verhelpen. Nog is het niet te laat. + +Nu het pad langs. We hebben ook de kleine vogels opgeschrikt, die in de +doornstruiken huizen en die vertoonen zich nu allerwege. Daar vliegt er +een zingend omhoog, bruin en grijs met een wit keeltje. Hij brengt het +niet ver, daalt spoedig weer en zijn schrille liedje is dra geëindigd. +’t Is de Grasmusch (98) en na hem zien we er nog een stuk of zes, want +dit zijn wel zeer algemeene vogeltjes. Ook Kneuen huizen hier in groot +aantal en het mooie Paapje met zijn roodbruin borstje en de breede, +witte wenkbrauwstreep. Die heeft niet bijster veel te vertellen, niet +anders dan „utak, utak” en als je hem op het juiste oogenblik treft, +dan hoor je hem ook wel eens een klein liedje zingen. Maar wat hem aan +zangkunst ontbreekt, wordt goed gemaakt door zijn sierlijk figuurtje, +zijn levendige kleuren en aardige maniertjes. Kijk, recht voor ons uit +zweeft een vogel op breede wieken en Vischdiefjes staan boven hem te +bidden. Eén schiet er neer en de groote vogel draait zijn breede kop +afwerend hem tegemoet. Het is een Velduil en die Vischdief behoeft zich +niet zoo zenuwachtig te maken, want de Uil kan hier genoeg muizen +vangen. Het is voor ons wel een beetje vreemd om dien Uil hier te zien +in ’t volle zonlicht van den zomerdag, terwijl we toch op school +geleerd hebben, dat de Uilen nachtdieren zijn en de muizen min of meer +ook. Je ziet echter op onze eilanden èn de Velduilen èn de Muizen +dikwijls genoeg op klaarlichten dag. Het komt er maar op aan, om zelf +ook de zomerdagen zooveel mogelijk buiten door te brengen. + +Nog weer een tamelijk groote vogel, met langen staart. Een Sperwertje? +Neen, ’t is een Koekoek (66). Zie maar zijn platte lichaam en +duidelijken snavel. + +Dikwijls wemelt het op Texel van de Koekoeken, maar dit jaar zijn er +blijkbaar nog niet genoeg, want heele stukken duindoorns zijn kaal +gevreten door de rupsen van den Bastaardsatijnvlinder. In vorige jaren +is dat ook al gebeurd. ’t Is een naar gezicht, al die doode struiken en +daarin nog de overblijfsels van de nesten van de Bastaardsatijnvlinder +(59). Er zijn maar weinig vogels, die harige rupsen kunnen of willen +eten. De Koekoek is er een baas in en daardoor een der allerbeste +vrienden van het duin. ’t Is wel jammer, dat elk koekoeksjong het leven +kost aan vier of vijf jonge Grasmuschjes of Piepertjes of Kwikstaartjes +enz., doch daar moeten wij in berusten en hopen, dat er van die +vogeltjes zooveel kunnen tieren, dat er wel wat af kan. We zouden den +Koekoek toch ook niet graag willen missen, niet alleen om de +rupsenvreterij, of om zijn zoo dikwijls geprezen en bezongen roep, maar +ook om zijn aardige verschijning, al hebben vele menschen hem nooit +gezien. Maar wie in Mei en Juni op Texel komt kan Koekoeken te zien +krijgen zooveel hij wil. Zij zitten dikwijls genoeg te roepen op de +telefoondraden. + +Al uitkijkend naar de vogels mogen wij toch ook de bloemen niet +vergeten. Er groeit hier nog heel wat meer dan duindoorns en russchen +en in den loop der jaren zal het hier nog mooier worden, want de +Buiten-Mui is nog betrekkelijk jong. Zij staat al vol met Orchideeën. +In Waal en Burg zagen wij hoofdzakelijk de Harlekijnsorchis. Die vinden +we in de Mui ook wel, maar nog meer staan er de Handekenskruiden en wel +in het bijzonder het Vleeschkleurig Handekenskruid (18). Ook de beide +andere Handekenskruiden, het Gevlekte (I) en het Breedbladige (50) +ontbreken niet en we vinden er genoeg waarvan niet met zekerheid uit te +maken is, tot welk van de drie soorten ze wel behooren en die we dus +misschien voor bastaarden moeten houden. ’t Is wel goed om eens op al +die verscheidenheid te letten, verscheidenheid in grootte, in aantal en +afmeting der bladeren en in de gevlektheid van de bladeren. De kleur +der bloemen loopt van wit tot heel donkerpaars en de teekening op de +onderlip kan vlekkig zijn of strepig, flauw of forsch en van allerlei +kleursterkte. Behalve die kleurige Handekenskruiden groeien hier nog +een paar Orchideetjes, welke de gewone wandelaar licht over het hoofd +ziet maar die de plantenkenner begroet met ware vreugd. Ze hebben +bleekgroene bloempjes. De eene zullen we Sturmia (54) noemen, die heeft +een nog al lossen tros met weinig maar nog al tamelijk groote +bloempjes. De andere heet Herminium, die heeft een dichter tros, maar +de bloemen zijn klein. Beide plantjes groeien alleen op echt wilde +ongerepte plaatsen, de Herminium alleen in het duin en ook wel in +Zuid-Limburg, de Sturmia ook wel in de prachtige moerassen langs de +laagveenplassen, waar ook de Veenbes zijn slingers maakt over de +Veenmoskussens en waar de Koningsvaren groeit. Daar wil ook wel als +groote zeldzaamheid het Rondbladig Wintergroen groeien, dat we allengs +beter kennen onder den naam van Pirola en dat staat hier ook in de Mui +bij troepjes, gaarne onder bescherming van de Duindoorns. Dit is een +van de bloempjes, waarvan ik toen ik pas op de planten begon te letten, +haast niet kon gelooven, dat het zoo maar in het wild kon groeien. De +roomig witte wijde klokjes, met de vreemd gevormde meeldraden en de +gebogen stijl, bij tientallen vereenigd tot een tros aan loodrechten +bloeistengel, lijken op geen andere bekende Nederlandsche bloem. Die +stengel komt omhoog uit een rozet van glimmend groene, bijna ronde +blaadjes. Meest groeien die Pirola’s troepsgewijs. Ze verspreiden een +heerlijken geur en je zoudt denken, dat daar wolken van insecten op af +zouden komen, maar in de vele honderden uren, die ik bij Pirola’s heb +doorgebracht, zag ik er maar enkele zweefvliegen. In één adem met de +Pirola wordt doorgaans de Parnassia genoemd, doch die bloeit later en +’t is al mooi, als we begin Juni wat dikke witte bolvormige +bloemknoppen ontdekken. In Augustus staan ze in vollen bloei en dan +kunnen we mooi zien, hoe de vijf meeldraden ieder op zijn beurt dag +voor dag naar ’t midden van de bloem buigen om daar hun helmknop te +openen. En als de vijfde, na zijn helmknop geledigd te hebben, weer +buitenwaarts is omgebogen komt de stengel pas tot ontwikkeling. En al +dien tijd hebben de buitengewoon sierlijke honigorganen, die tusschen +de meeldraden staan met hun glanzige knopjes, de zweefvliegen en +bijtjes gelokt, die nog al druk deze bloemen bezoeken. Hier gaan we in +den nazomer ook zoeken naar Gentiaantjes, de kleine Bittere Gentiaan, +Gentiana Amarella (15) en de veel zeldzamere Veldgentiaan, Gentiana +Campestris (13). + +Al rondkijkend bereiken wij het einde van het meertje, het einde van de +vallei. Dit is nog een alleraardigst stukje duinpan met een groote +verscheidenheid van plantengroei, overeenkomend met heuveltjes van geen +beteekenis en delletjes, haast zonder diepte en juist daardoor +merkwaardig. Want nu kun je zien hoe groot verschil in plantengroei +veroorzaakt wordt door enkele centimeters verschil in waterstand. We +klimmen nu langzamerhand en ontmoeten nog een paar aardige planten. +Vooreerst de Kleine Ruit (43), Thalictrum minus, een allersierlijkste +plant, behoorende tot de ranonkelfamilie met mooie, fijn verdeelde +bladeren en bloempjes waaraan niet de kelk en de kroon, maar de +meeldraden het meest in ’t oog vallen. Deze Kleine Ruit is in ’t +Hollandsch duin zeldzaam, op Texel niet algemeen, maar op +Schiermonnikoog groeit hij als gras. Naast die Kleine Ruit vinden we +misschien hier nog een enkele Jeneverbes, maar die groeit elders op +Texel meer. En nog al merkwaardig is de tegenwoordigheid van de +Strandwinde (26), Convolvulus Soldanella. Haar bloemen zijn als die van +Heggewinde, even groot, maar minder diep en vrij sterk rose gekleurd. +De bladeren zijn tamelijk dik en vleezig en rondachtig, niervormig en +ze lijken werkelijk wel op die van het beroemde Alpenplantje +Soldanella. Deze Strandwinde behoort, zooals haar naam aanduidt, +eigenlijk thuis in den zeelooper en daar vinden wij haar ook bij +Noordwijk en op Voorne en Walcheren. Dat zij hier groeit zoover in de +binnenduinen brengt ons in herinnering, dat dit binnenduin eenmaal +werkelijk buitenduin is geweest. De Buiten-Mui was toen strand, +evengoed als thans de Sluftervlakte. Wij beklimmen nu het hooge duin en +blijven een kwartiertje op den top zitten of eventjes onder den top, +als ’t naar onzen zin wat te hard waait. Prachtig liggen nu de beide +duinmeertjes voor ons en duidelijk zien we, dat links van de +Buiten-Mui, dus naar de zee toe, alweer een nieuwe vallei is afgesnoerd +en dat zich daar ook een zoetwatermeertje gaat vormen. Zoo groeit hier +het natuurmonument der Muien aan. Rechts van de Groote Mui ligt ook nog +een groote vlakte, rijk aan natuurschoon, maar die valt ten offer aan +den „landhonger” en wordt ontgonnen tot wei- en hooiland. Ja, je moet +weten te geven en te nemen. Nu naar huis en morgen naar de +bebosschingen, naar Den Hoorn en naar De Pannekoek. + + + + + + + + +V. NAAR HET ZUIDEN + + +Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet +regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch +dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille +van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en +daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje +Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt +een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat +hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop +wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen, +hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook +al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met +jonge dennetjes. + +Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste +gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning. +Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge +Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den +nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen +aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een +tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte van Den +Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na +het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te +handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op +Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien +is al het moois voor goed verdwenen. + +Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der +afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met +Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele +Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van +de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van +plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer. +Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen +uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55), +Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed +bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op +vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen. + +Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in +het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken +op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat +er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en +dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede +dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls +één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en +de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het +werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het +weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en +intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het +eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen +over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland +en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de +bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel +woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk +gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen +gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram, +een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de +bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen +zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen. +Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen, +hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den +Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat +naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den +Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen. +Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al +honderden hektaren beplant. + +Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de +Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed +bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige +perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot +deel van deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog +staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten +de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar +of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens +zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren. +Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke +Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige +daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken +staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de +nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in +ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met +genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn +tentje heeft willen opslaan. + +Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor +afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is +het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de +woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout, +een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen, +waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw +bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich +allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en +zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de +oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan +raken we verzoend met de verandering. + +De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen +in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij. +Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat +ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug +te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen +we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te +leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele +vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren +die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop, +dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men +dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de +merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan +schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast +struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige +jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en +groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie +Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog +opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare +boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn +jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van +deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt +het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn +lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn +mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels. +Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den +kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet om de +prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest +aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op +de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft +weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in +hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de +tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108). + +Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen. +Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen +in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het +ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze +linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land +daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel +lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp +en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals +nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer +schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht +in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat +door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet +nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog +duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij +wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin +is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in +overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J), +waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een +enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd +af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de +schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens +voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een +stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was +Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top +misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert en +de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende +toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen +wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed +niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben +er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het +rechte eind heb. + +Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden +zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De +Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de +eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de +Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar +het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en +duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het +Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts +naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van +Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de +Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den +aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen. + +Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel +duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild +of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen +de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de +groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook +buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging. + +Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes +Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai +gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal. + +Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen +een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t +tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de +verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen +door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van +een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn +thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later +ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die +den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal +mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de +zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand +nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een +nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is +slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig +volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat +het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu +bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer. + +Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien, +dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een +nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende zich een vijfde +vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand +een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten. + +Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst, +door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan +langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje, +waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af, +dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien +tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al +die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet +daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels. +Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder +van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi +geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de +Muien. Meer wil ik er niet van zeggen. + +Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten, +Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de +gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer +komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts. +Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het +duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde +broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten +hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog +Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop +het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en +de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een +echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en +rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten +waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de +modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens +een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun +lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig +rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door +Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch. + +Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek +en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t +nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de +broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale +en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten. + +Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen +gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu +een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen +naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden +over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het +Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een +heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde +daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk +begroeid is met helm en duindoorn, een jong duin dat binnen +menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van +dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet. + +Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het +oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het +zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die +uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een +beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat +het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de +kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een +groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht +vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de +oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende +waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels +gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw, +waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en +duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar +in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En +langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden +gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en +gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden +over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren. + +Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen +als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en +Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en +als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in +vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt +Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met +smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele +bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918 +stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer +anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan +groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog +goede verwachtingen. + +Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een +heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen +uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder +jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er +zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want +picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te +genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met +tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver, +de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en +van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste +zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en +daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs +geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar, +zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het +geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op +heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog weer kleine bultjes, +begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een +paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek +zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben +uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar +die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er +heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het +groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen, +ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of +Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het +geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige +bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele +dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken +drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van +jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong +duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar +vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op +dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd +naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen +aanspoelen. + +Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de +kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine +plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje +zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal +voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door +een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een +paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan, +verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine +levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand +weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we +eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige +hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn +gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je +zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan +het voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat +den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn +komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte +onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t +Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen +nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat +nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige +meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en +zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden +zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den +vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel +narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze +wandeling mogen wijzen. + +Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de +Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig +wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer +alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe. + + + + + + + + +VI. DWARS DOOR ’T EILAND + + +Je fietst van De Koog naar Oude Schild gemakkelijk in een uur, maar +wanneer wij „huistoe” gaan, dan nemen we er meestal een halven dag +voor, omdat we in het voorbijgaan nog een kijkje willen nemen in het +dorp Den Burg (K) en op den Hoogen Berg. Zooals de naam aanduidt, is +ons hoofddorp indertijd een soort van weerbare plaats geweest, wel geen +Metz of Verdun, maar toch een vesting en veertig jaar geleden was er in +en om het dorp een buitengewoon vieze sloot te vinden, die aanspraak +maakte op den naam van Burgwal. Ik geloof, dat die nu wel geheel +verdwenen is, want ook aan Den Burg heeft het woningvraagstuk zich doen +gelden en er zijn aan alle kanten nieuwe buurtjes bij gebouwd, waar ik +verder maar niets van zal vertellen. Zooals bijna overal is ook hier +het oude dorp het mooist. Er zijn drie pleinen: De Steenen Plaats, de +Groene Plaats en het Kikkertplein. Dit laatste heet wellicht anders, +maar wij noemen het altijd zoo naar de herberg De Vergulde Kikkert, +tegenover mijn oude woning. De Steenen Plaats heeft twee uitwegen naar +buiten: het Kooger end en het Waalder end, en drie straten +binnenwaarts: de Hoogerstraat, den Binnenburg en de Weverstraat. De +Weverstraat komt uit op het Schilderend en daarop komt ook de +Warmoesstraat uit, die via Groene Plaats weer verbinding heeft met den +Binnenburg. Zoodoende ontstaat een kringbaan, een „Ringstrasse”, en die +vormt wel het voornaamste gedeelte van het dorp. Als je die heele +kringbaan afwandelt, dan doe je een „burgje rond”, een geliefkoosde +wandeling bij jong en oud. In het eerste jaar van mijn verblijf op +Texel had ik mijn kamers aan de Weverstraat en als ik dan ’s avonds zat +te lezen of te teekenen was het een groot genoegen, om klip klap mijn +plaatsgenoten groepsgewijs voorbij te hooren wandelen, al pratend of +zingend. Ik zat lang niet iederen avond thuis, want er waren een massa +huizen, waar de eenzame jongeling vriendelijk werd ontvangen en waar +hij op de alleraangenaamste manier werd ingelicht over het leven en +bedrijf van ons mooie eiland. + +De Steenen Plaats doet min of meer aan als een hofje met zijn groote +pomp en breedgekroonden kastanjeboom en de Binnenburg is een mooie +breede straat. Daar ligt ook de groote kerk aan met zijn dikken toren +van groote baksteenmoppen, geelgroen en grauw van korstmossen en hier +en daar met een pruikje muurvarens. Muurvarentjes groeien ook op den +kerkhofmuur en op een enkele plek was daar zelfs een plantje te vinden +van de Zwartsteelmuurvaren, Asplenium Trichomanes. Ik geloof niet, dat +kerk of toren architectonisch of historisch veel te beduiden hebben, +maar ik houd van het stoere bouwsel en van den torentrans heb je een +heerlijken kijk over ons eiland. + +Aan den Binnenburg ligt ook het Raadhuis en de Waag en langs die Waag +kom je op de Groene Plaats, waar de groote hotels zijn en de groote +lammerenmarkten gehouden worden. Die zijn werkelijk iets bijzonders. Ze +worden altijd gehouden op Maandagen in April en Mei en wij hielden dan +natuurlijk geen school. Reeds Zondagmiddag begonnen de werkzaamheden, +dan werd de Groene Plaats al heelemaal bezet met hokken en heiningen, +om daar den volgenden dag de dieren te bergen. En in den nacht van +Zondag op Maandag komt dan het heele eiland in beweging, van heinde en +ver rammelen de hooge veekarren Burgwaarts en in den vroegen morgen +trippelen op alle wegen kudden van lammeren en schapen. Al heel spoedig +is de markt volgepropt en de kooplui vinden nauwelijks ruimte om +handslag te doen. Middelerwijl loopt het vrouwvolk de winkels af en +tegen den middag, als de mannen in de herbergen hun rekeningen +vereffenen, stroomt binnenskamers de koffie en wordt er blauwe koek +verorberd bij kilogrammen. Meteen komt er verloop op de markt, +duizenden lammeren worden vervoerd naar Oude Schild, waar de veebooten +onder stoom liggen en wat er niet verkocht is, kuiert in den lenteavond +huiswaarts. En ’s nachts weergalmt het heele eiland van het weeklagen +der schapen, die van hun kinderen zijn beroofd. Dat zijn drukke weken +voor Texel, dat meer dan een derde deel van zijn welvaart dankt aan de +lammeren. Schapenteelt, landbouw (in Eijerland en het Noorden) en +visscherij helpen de zes of zevenduizend Texelaars aan hun broodje. + +Als de lammerentijd en de kermis voorbij zijn, dan wordt het stil op de +Groene Plaats, al geeft een enkele Maandagmarkt soms nog wat drukte. In +den goeden ouden tijd verdiende het plein zijn naam beter dan nu, want +toen stond het vol zware oude lindeboomen. Die werden door hun hoogen +leeftijd wat gevaarlijk en moesten vallen om vervangen te worden door +kleine stangetjes, waarvan je haast niet zou kunnen gelooven, dat ze +over vijftig jaar de Groene Plaats alweer even indrukwekkend zullen +maken als in de dagen van kapitein Slijboom, die, toen ik voor ’t eerst +op Texel kwam, een groote vermaardheid genoot als hotelhouder van den +klassieken Lindeboom. In die dagen was het tegenwoordige hotel Texel +nog notariswoning en een kelder in dat huis maakte aanspraak op de eer +van Ada van Holland huisvesting te hebben verleend, een eer, die echter +ook wordt opgeëischt door een dergelijken kelder in het Burgerweeshuis +aan de Parkstraat. Daar is werkelijk een park ook, je komt er in door +een flink hek en ’t is voor zoo’n klein dorp werkelijk een heel mooi +park, met zwaar geboomte en lager struikgewas en indertijd huisden daar +nog heel wat zangvogels en daaronder was de geelbuikige Spotvogel +altijd haantje de voorste. Natuurlijk huizen er ook altijd Spreeuwen, +jong en oud (100 en 102). Trouwens ook elders in ’t dorp zijn veel +aardige boomen en aan het Schilderend had je een flink bosch met veel +mooie bloemen, dat indertijd behoorde aan de familie Bok. De +veramerikaniseerde Hollander Edward Bok heeft in een zijner boeken naar +aanleiding van dit boschje geschreven, dat zijn grootvader het heele +eiland Texel beboscht heeft en dat dit zoo goed is gelukt, dat de +schepen op zee in den nacht de aanwezigheid van het eiland kunnen +merken aan het geschal der Nachtegalen! Je moet maar durven. Toch is +het wel aardig, dat in onze dagen de bosschen van het Staatsboschbeheer +werkelijk Nachtegalen hebben gelokt. + +Door het Schilderend verlaten wij het dorp langs de nieuwe +zeevaartschool en nu nemen we niet den Nieuwen weg, maar den Ouden weg +tegen den Hoogen Berg op langs Panorama, waar de beplanting met +Eschdoorns er haast nog net zoo uit ziet als dertig jaar geleden. Als +we goed en wel over den heuvel heen zijn slaan we een wegje in naar +links en zoo bereiken we den Hoogen Berg met het Boschje en den +Zandkuil (12). + +Het Bosch is al zeer oud, het wordt reeds vermeld in de Camera Obscura +van Hildebrand, dat is al bijna honderd jaar geleden. Lees maar eens de +eerste bladzijde van Teun de Jager. + +Het bestaat hoofdzakelijk uit Ahorns, maar er staan ook een paar rijen +van zeer zware beuken in de luwte van de zuidoosthelling van den Hoogen +Berg. Bovenop wordt het beschermd door een wal met dichte Meidoorns en +die zijn natuurlijk door den zeewind weer prachtig gelijk gesnoeid. In +de luwte van dien wal en dus onder de Meidoorns groeien ook eenige +Hulsten, die er misschien door de vogels gezaaid zijn. Wanneer in +October de scharen der trekvogels over Texel gaan, dan nemen zij graag +koers over het Bosch van den Hoogen Berg. Menigmaal heb ik verscholen +gezeten onder de Meidoorns van den noordoosthoek, om van beneden de +vogels te zien aankomen via de boschjes van de Zeshonderd en De Blauwe +Poort. Ik heb dat bosch vol gezien met Vlaamsche Gaaien, honderden bij +elkaar en met Goudhaantjes in zoo groot aantal, dat het leek alsof het +herfstloover nog voor een groot deel aan de boomen zat. Een andermaal +waren het Spreeuwen en Kramsvogels en zelfs als er geen trek was, dan +kon je er vrij zeker van zijn, interessante achterblijvers of +voorloopers te vinden op de luwe plaatsen. Eenige zomers achtereen +heeft er een Boomvalkenpaar genesteld in de hooge kronen en ook de +Bergeend, die gewoonlijk zijn nest maakt in de konijnenholen van het +duin, huisde er eens in de steile helling langs den Zandkuil. In ’t +wandelpad langs de noordzijde ligt een kunstmatig heuveltje met een +bank er bovenop. De Texelaars noemen dat de Zeven Pannekoeken en +vertellen, dat daar binnen een groote steen verborgen ligt, de kern van +het eiland en het symbool van zijn bestendigheid. Texel onderscheidt +zich namelijk van al onze andere Noordzee-eilanden, doordat het Oude +land grootendeels dezelfde soort van grond is als Drente en de Veluwe. +Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum zijn +eigenlijk niet anders dan zandplaten en slibplaten, waarop duinreeksen +zijn gegroeid. Zij staan of vallen met hun duinen. Texel echter zou +zonder duinen ook nog kunnen bestaan, al werd het dan ook wel veel +kleiner. Wieringen verkeert in hetzelfde geval. + +Dit alles kunnen wij nog beter beseffen, wanneer we den Zandkuil +betreden. Hier is een hap in den Hoogen Berg gedaan. Duizenden kubieke +meters zand zijn hier weggegraven om verwerkt te worden in de +dijklichamen langs de Zuiderzee. Langen tijd waren die dijken slechts +onvoldoende lapwerk geweest, totdat men dat moede werd en in eens en +naar wij hopen voor goed de prachtige zware dijken opwierp, die thans +de lage landen langs den westrand behoeden tegen de nukken en grollen +van den Texelstroom, die er niet beter op zullen worden, wanneer binnen +enkele jaren de afsluitdijk van Wieringen naar Harlingen voltooid zal +zijn. + +Door die graverij kunnen we nu een leerzaam kijkje krijgen op den +inwendigen bouw van ons eiland. De bodem van den kuil is al wel sinds +lange jaren alweer begroeid met hei en biezen en gras en berkjes, maar +de steile wanden zijn voor een groot deel kaal gebleven, dank zij de +werkzaamheid van de jeugdige Texelaars, die er hebben gestoeid en +gegraven. In vroeger jaren had een clubje Texelaars uit Den Burg hier +bovenop den Berg een theetent laten bouwen en dan gingen ze hier graag +heen met hun logé’s en kinderpartijtjes. Nu echter de Koog een heusche +badplaats is geworden, tijgt men liever derwaarts. De theetent is +afgebroken en de Zandkuil ligt stil en verlaten. Een paar +bewonderaarsters van Texel hebben Kuil en omgeving gekocht en ten +geschenke gegeven aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. +Samen met het Bosch, dat gemeente-eigendom is, maar onderhouden wordt +door het Staatsboschbeheer, vormt de Kuil nu een prachtig geheel, een +juweeltje van natuurschoon, ondanks de geringe afmeting. + +Die Kuil moet als natuurmonument beschouwd worden op twee gronden en +wel allereerst omdat men er zoo’n duidelijk inzicht kan krijgen in de +samenstelling van den bodem, in de tweede plaats, omdat de hellingen +bewoond worden door een bonte verscheidenheid van allermerkwaardigste +insecten, vooral Graafwespen en Graafbijen. Om beide is het +wenschelijk, dat de kale hellingen kaal zullen blijven en dat men er +zich onthoude van graverij, in welken vorm dan ook. En de +natuurvrienden, die deze buitengewoon belangrijke helling komen +bekijken, zullen haar, naar ik hoop, ook naar behooren ontzien. + +Het zand is geelachtig en fijn, heel anders dan duinzand. Heel in de +hoogte, vlak onder het gras, ziet het lichtgrijs en daaronder komt een +heel interessante bruine laag, het Koffiedik, zooals ik kinderen wel +eens heb hooren zeggen. Ervaren scheikundigen hopen, dat zij U kunnen +uitleggen, hoe hier onder allerlei invloeden zich ijzerverbindingen +hebben afgescheiden, die tegelijkertijd de zandkorreltjes bruin kleuren +en aaneenklitten en zoodoende ontstaat een vrij harde laag, die geen +water doorlaat, de gevreesde zandoerlaag, een groote belemmering voor +den plantengroei. Zoo komt het dan ook, dat boven op den berg alleen +maar schrale weiden te vinden zijn, meest begroeid met schapengras en +kamgras. Let er op, dat dit koffiedik vol zit met kleine keisteentjes, +het is oorspronkelijk keizand. Iedereen weet tegenwoordig ook mee te +praten van Keileem, vooral nu men van die stof zoo’n voordeelig gebruik +gemaakt heeft bij het droogleggen van de Zuiderzee. Ook dit keileem is +op Texel te vinden, maar niet hier aan den Kuil, doch meer naar het +zuidwesten in het gebied van Zuid-Haffel. Daar liggen een paar kuilen, +die heeten nog de Leemkuilen, omdat men er vroeger wel Keileem heeft +gedolven en ook nog op een paar andere plekken komt het bij graafwerk +wel te voorschijn. Keileem zoowel als Keizand zijn afkomstig van de +gletscherijsmassa’s, die eens een groot deel van de aarde bedekten en +die zich van de Noordpool uitgestrekt hebben tot Nijmegen en Katwijk. +De groote Kei, die al of niet onder de Zeven Pannekoeken ligt +verborgen, is daar ook van afkomstig. + +Onder de koffiediklaag volgt een bijna steenharde laag van aaneengekit +geel zand en hoe diep die gaat weet ik niet, want het onderste deel, +daar ligt een schuinere laag van los hellingzand voor en dat is nog al +tamelijk dicht begroeid met hazepootjes, dat is een soort van kleine +witte klaver en met grijs buntgras, lager met veldbies (36) en +bloembiezen. + +Het kan wat heet zijn in dien zandkuil. Menigmaal ben ik er met een +rooden kop uit gekropen, om boven op den berg in het frissche koeltje +weer wat bij te komen. Maar dan ging ik toch gauw weer omlaag, want wat +daar in dien kuil te zien valt, is beter dan een heele kast vol boeken +over het leven der insecten. Het is daar een echt natuurlijk +insectarium. + +De zandsteenlaag onder het koffiedik zit vol donkere gaatjes. Als we +daar even op letten, dan zien we een mooi zwart met wit bijtje met +oranje pooten en rossig borststuk aankomen en in zoo’n opening +verdwijnen. Spoedig volgt er nog een en nog een en nu zien we +duidelijk, dat hun achterpooten vol stuifmeel zitten. Een, die er uit +komt, is dat stuifmeel kwijt, maar toch zijn die pooten oranje, van de +dichte lange haren, die ze versieren. Dit is het beroemde +Pluimvoetbijtje (113), druk bezig, om telkens nieuwe kamertjes te +voorzien van stuifmeel en honig. Elk kamertje krijgt een bolletje van +de grootte tusschen erwt en knikker. Daar legt het bijtje dan een ei op +en na verloop van tijd komt daar een larf uit, die het heele bolletje +opeet, zich daarna verpopt en uit die pop komt weer een nieuw +Pluimvoetbijtje te voorschijn. Als we de Zandkuil bezoeken in Juli en +Augustus kunnen we dat heele Pluimvoetbedrijf gadeslaan. We kunnen +zien, hoe de bij zijn gang begint te graven in het harde zand. Dat doet +hij met een paar sterke, min of meer lepelvormige kaken en als hij wat +dieper komt, kunt ge zien hoe hij, achterwaarts loopend, het +losgeknauwde zand naar buiten werkt met zijn achterlijf, dat voorzien +is van een dichten krans van veegharen. Op regenachtige dagen werken ze +weinig of niet en dan zitten ze graag met de armen over elkaar aan den +ingang van het hol, alsof ze gemoedelijk naar buiten kijken. Dat doen +zoowel de wijfjes als de mannetjes. Deze laatste zijn slanker en in +plaats van witte dwarsstrepen, zooals de wijfjes, hebben ze gele +dwarsstrepen op het achterlijf. + +Op een andere plek weer hebben de Zwarte Graafbijtjes hun nesten. Die +zijn kleiner en heelemaal zwart. Hun wetenschappelijke naam is +Panurgus, dat beteekent „de zeer vlijtige” maar zoo mochten alle +graafbijtjes wel heeten. Wat zegt ge bijvoorbeeld van de +Behangersbijtjes (109), die hier iedere drie minuten met een rol +behangselpapier komen aandragen. ’t Is natuurlijk geen papier, maar een +ovaal of cirkelrond stuk, dat ze uitknippen uit een blad en dan netjes +opgerold tusschen de achterpooten naar huis dragen. In de verte zie je +meer blad dan bij, een groen vlokje, dat door de lucht komt aanzweven. +In den zandkuil huizen verschillende soorten van Behangersbijen. Ze +leven allen op dezelfde manier, graven een diepe gang en bouwen daarin +van stukjes blad een heele rij cellen, ieder met een eigen deksel en op +een rij aaneensluitend, net als een rist vingerhoedjes. In elke cel zit +weer de noodige voorraad met een eitje en ’t volgend jaar komen daaruit +de nieuwe behangertjes te voorschijn. Niet altijd, want er is een +vreemde bij, de Kegelbij (111), die legt zijn eieren in de cellen van +den behanger en dan komen er natuurlijk geen nieuwe behangers uit, maar +Kegelbijen. + +Daar komt een klein bruingrijs bijtje aanvliegen. Hij lijkt wel wat op +de gewone honigbij. Hij strijkt neer op de bloeiende struikhei en nu +kan ik hem gemakkelijk vangen in een glazen buisje. Zoo kunnen we hem +goed bekijken en meteen zien, dat hij lang zoo’n grooten zuigslurf niet +heeft als de honigbij en ook andere achterpooten. Ik zal U maar meteen +zeggen, dat dit het Zijdebijtje is. Die graaft ook holen in den grond +en bekleedt zijn kamertjes met een zijdeachtig spinsel, vandaar zijn +naam. Ook deze bij heeft last van een indringer en tafelschuimer en die +is heel sierlijk uitgedost in bruin en geel. We hebben nog geen goeden +Hollandschen naam voor hem kunnen bedenken en noemen hem nu maar bij +zijn wetenschappelijken naam van Epeolus (114). Het Pluimvoetbijtje +heet in de wetenschap Dasypoda, dat beteekent Dikvoet en ook hij heeft +zijn parasiet, die is haast net gekleurd als een Wesp en draagt den +zwerversnaam van Nomada. + +Wespen zijn er ook genoeg in den zandkuil, maar niet de wespen, die bij +duizenden bij elkaar wonen in de bordpapieren nesten, doch eenzaam +levende gravers. Ik wil er U een paar van aanwijzen. Daarvoor gaan we +eerst onderaan de helling, waar het afgestorte zand nog al rul is. Nu +zeg ik U vooruit, dat ge niet bang behoeft te zijn. Daar komen een paar +groote wespen aangonzen, grooter dan de gewone soort, welke in uw +limonadeglas kruipt. Hun gonzen gaat over in een soort van huilen. Eén +ploft er vlak voor ons op den grond neer, graaft haastig in den grond +en nu blijkt het, dat hij daar een ingang opent, waar hij snel in +verdwijnt. We hebben nog even den tijd, om op te merken, dat hij +tusschen zijn achterpooten een groote vlieg mee draagt. Een poosje +later komt hij weer te voorschijn, nu zonder de vlieg. Hij gaat zijn +nest wat uitdiepen, rent naar binnen, komt achterwaarts loopend weer +naar buiten, een hoopje zand verschuivend, laat dat liggen, zegt even +„kik” en holt weer ’t nest in. Hoe hij dat geluid maakt weet ik nog +niet. Zoo blijft hij een poosje doorwerken en eindelijk gaat hij niet +meer naar binnen, maar harkt uit de omgeving los zand in de opening van +het nest en weet de heele zaak zoo te behandelen, dat de nestopening +ten slotte in ’t geheel niet meer kan worden onderscheiden. Vlug vang +ik hem, om U zijn hark-achtige voorpooten te vertoonen en zijn langen +snavelsnuit. Naar de eerste noemen wij hem Harkwesp (110), naar de +laatste Snavelwesp en dat is ook min of meer de vertaling van zijn +wetenschappelijken naam Bembex Rostrata. ’t Is een heel merkwaardig +dier, waar ik U nog wel een bladzij of acht van zou willen vertellen. +Ge kunt dat echter ook wel nalezen in Jaargangen 6, 7, 8 van De Levende +Natuur. + +Nu hoop ik, dat ge inmiddels gestoken zijt door een regendaas, dat is +de grijze vlieg met grijze vleugels en groene oogen, die soms zoo +stilletjes steken kan en zich dan zoo vol bloed zuigt, dat hij te lui +is om weg te vliegen en dan knijp je hem gemakkelijk dood. In sommige +jaren heb je die vliegen bij honderden en dan kunnen ze geweldig lastig +zijn. Ze hebben ook nog grootere verwanten, dat zijn de Runderdazen, +die steken door drie lagen kleeren heen. In Zwitserland heb je die nog +meer dan bij ons en daar vergallen ze menige mooie wandeling. Nu dan, +in onzen Zandkuil huist ook een klein Graafwespje, die schijnt er +vooral werk van te maken, om van die Regendazen te vangen en als +voedsel voor zijn kroost te begraven. Hij huist doorgaans meer omhoog +op de helling in het grijze zand boven het koffiedik. We kruipen dus +naar boven en houden goed uitkijk. Als ’t gaat zooals in 1912, dan +hebben we er gauw een te pakken, want toen was het daar een +onophoudelijk gaan en komen van deze wespjes. Daar komt er al een; zijn +vlieg is nog langer dan hij zelf. In het glazen vangbuisje laat hij +zijn prooi gauw vallen en nu zien wij, wat een aardigen vorm dit +diertje heeft, den hoogen rug nog versierd met een voor zijn doen groot +uitsteeksel. Dit is nu de Bultenaarwesp (112), Oxybelus uniglumis. + +Zoo kan ik U nog wel een uur in den kuil rondleiden en U telkens weer +nieuwe bijtjes en wespen vertoonen: vliegendooders en spinnendooders, +rupsendooders, bladluizenjagers van allerlei soort. Het komt er maar op +aan, om wat geduld te hebben en dan kunt ge zien, hoe iedere soort zijn +eigen prooi heeft en zijn eigen manier, om die te begraven. Sommigen +graven een hol, voor dat ze hun prooi vangen, anderen bemachtigen eerst +het insect hunner gading en graven er dan een hol voor. De diepte en +ligging der holen is ook alweer zeer uiteenloopend. Ik kan er nu (’t is +vandaag 22 December) alweer naar verlangen, om eenige zonnige dagen in +dien Zandkuil op Texel door te brengen. + +Het blijft ook niet alleen bij bijen en wespen. Er loopen ook prachtige +Zandloopkevers rond en wij kunnen er uitzien naar de valkuilen van hun +larven. Ook zien we er de geheimzinnige, ongevleugelde Mierwespen, +Mutilla (120) en Methoca Mestkevers (129), de Rupsendooder Ammophila +Affinis (119) en groote Loopkevers (130) met roode dijen, die ook een +specialiteit zijn van Texel. In en om de Zandkuil zag ik inderdaad ook +soms onverwacht groote hoeveelheden van St. Jansvlinders (60), +Kolibrivlinders (116), Distelvlinders (118), Windepijlstaarten (117) en +zelfs Doodshoofdvlinders (115). We mogen dus wel blij zijn dat +Natuurmonumenten dezen Zandkuil heeft gekregen. + +Nu gaan we bovenop den Berg nog wat liggen uitkijken naar Oude Schild +en Texelstroom. Tusschen den Berg en Oude Schild zien we nog een +boerderij mooi in de boomen, dat is Brakestein en daar moet vroeger +Tromp gewoond hebben of Maarten Harpertsz of Cornelis, dat weet ik +niet. Vroeger had je in Oude Schild ook nog een herinnering aan De +Ruyter in het hotel De Zeven Provinciën, maar dat is al lang afgebroken +en ’t was dan ook een heel leelijk perceel. Ook de schansen zullen wel +eens worden vergraven en dan hebben we met het krijgshaftig verleden +van Texel geheel gebroken. Op de ree stoomen nog iederen dag +oorlogschepen, groot en klein, uit Nieuwediep en die houden ook nog hun +schietoefeningen aan De Mok en ver weg in de wateren naar Vlieland, +doch dat ligt eigenlijk buiten onze aandacht. + +Maar het eiland zelf blijft en ’t doet ons goed hier even te liggen op +zijn hoogen rug en uit te zien naar de vele plekken, die ons in de +enkele dagen, die wij hier doorbrachten, reeds dierbaar zijn geworden. +Laat het bij die enkele dagen niet blijven. Wordt hier een geregelde +gast. Een enkel jaartje moogt ge misschien eens overslaan, maar kom +hier toch liever driemaal in één jaar (April, Juni, October) dan +eenmaal in drie jaren. Er begint zich al langzamerhand een broederschap +te vormen van vrienden van Texel. Dat zijn in de eerste plaats +Nederlanders, maar ook Zwitsers, Engelschen, Schotten, Amerikanen, +Duitschers en Franschen. Hoe meer hoe liever, want des te eerder zal +men begrijpen, dat Texel zooveel mogelijk ongerept moet blijven, in het +bijzonder zijn duinen en stranden. Gelukkig bestaat daarvoor goede +kans. + + + + + + + + +REGISTER + + + Plaatje Bladz. +Alk 103 47 +Amerikaansche Boormossel 126 12 +Ammophila Affinis 119 91 +Aschgrauwe Kiekendief 65 73 +Bastaardsatijnvlinder 59 65 +Behangersbij 109 89 +Bergeend 76 12 +Biestarwegras 29 54 +Bittere Gentiaan, zie Gentiana Amarella +Blauwe Reiger 107 43 +Bloembies 34 57 +Boetje 10 +Bontbekplevier 68 13 +Bonte Strandlooper 67 44 +Boschrietzanger 99 16 +Breedbladige Orchis 50 66 +Bultenaarwesp 112 91 +Dasypoda Plumipes 113 89 +De Cocksdorp 8 13 +De Kil N 50 +De Koog 7 24 +De Waal C 24 +Den Burg K 82 +Den Hoorn 9 75 +Distelvlinder 118 91 +Dodaars 101 61 +Doodshoofdvlinder 115 91 +Dopheide 45 73 +Drieteenige Strandlooper 72 13 +Drievingerige Steenbreek 41 27 +Duinen bij De Westen 6 16 +Duinpieper 108 74 +Duinroosjeshelling J 74 +Duinzoom bij Koog 4 27 +Dwergstern 93 54 +Engelsch Gras 20 29 +Epeolus variegata 114 90 +Galigaan 39 19 +Geel Walstroo 48 57 +Gentiana Amarella 15 67 +Gentiana Campestris 13 67 +Gentiana Pneumonanthe 17 19 +Gestreepte Pad 131 79 +Gevlekte Orchis I 66 +Gevlekt Zonneroosje 56 79 +Gewone Zegge 31 +Goudplevier 89 +Grasklokje 35 15 +Graspieper 62 57 +Grasmusch 98 65 +Groote Ratelaar 52 +Groote Strandschelp 122 13 +Groote Stern 91 41 +Grutto 79 30 +Handekenskruid, zie Orchis. +Harkwesp 110 91 +Harlekijnsorchis D 29 +Helm 25 54 +Jeneverbes 37 19 +Kamperfoelie 57 16 +Kandelaartjes 41 27 +Kanoetstrandlooper 70 47 +Kegelbij 111 89 +Kemphaan 82 30 +Kievit 84 30 +Kleine Karekiet 104 50 +Kleine Ruit 43 67 +Klokjesgentiaan, zie Gentiana Pneumonanthe. +Kluut 81 23 +Kneu 61 28 +Koekoek 66 65 +Koet 78 50 +Kokkel 123 13 +Kolibrivlinder 116 91 +Kraaiheide 40 73 +Langpootmug 132 49 +Leeuwerik 63 24 +Limoenkruid 21 43 +Loopkever 130 91 +Mannetjes-varen 58 16 +Meidoornhaag M 11 +Mesheft 121 13 +Mestkever 129 91 +Mierwesp 120 91 +Moeras-Wespenorchis 53 58 +Molen in „Het Noorden” G 14 +Muggenorchis 49 58 +Mui-Meertje 3 57 +Muurpeper 46 79 +Nonnetje 125 13 +Noorsche Stern 92 35 +Obione 22 43 +Oosterend F 37 +Orchis incarnata 18 66 +Orchis latifolia, zie Breedbladig Handekenskruid. +Orchis maculata, zie Gevlekt Handekenskruid. +Orchis morio, zie Harlekijnsorchis. +Oude Schild B 6, 23 +Parnassia 16 58, 66 +Pirola 14 58, 66 +Pluimvoetbij, zie Dasypoda. +Pluimzegge 33 57 +Regenwulp 96 44 +Rosse Grutto 95 44 +Rotgans 77 48 +Scholekster 80 30 +Slikken bij De Eendracht E 14, 42 +Slufter 2 11 +Staatsbebossching 5 70 +Slobeend 74 50 +Spreeuw, jong 102 84 +Spreeuw, volwassen 100 84 +Spotvogel 106 7, 16 +Sprinkhaanrietzanger 97 28 +Steenlooper 69 12 +Stevige Strandschelp 124 13 +Strandplevier 71 38 +St. Jansvlinder 60 91 +Strandwinde 26 67 +Struikheide 38 73 +Sturmia Loeseliï 54 66 +Suaeda 19 43 +Tapuit 64 37 +Tengere Bastaardmuur 55 70 +Teere Strandschelp 125 13 +Tepelhoorn 127 13 +Texelsch Boerenerf L +Texelsche Boerenhoeve A 8 +Tureluur 83 23 +Veldbies 36 86 +Veldgentiaan, zie Gentiana Campestris. +Vischdiefje 86 34 +De vlakten bij de Mui H +Vleeskleurig Handekenskruid, zie Orchis Incarnata. +Vogelwikke 51 +Waterdrieblad 47 70 +Waterranonkel 32 59 +Wilde Eend 73 50 +Windepijlstaart 117 91 +Wintergroen, zie Pirola. +Witte Boormossel 126 13 +Wulk 128 13 +Wulp 87 44 +Zandblauwtje 44 15 +Zandhaver 27 54 +Zandkuil 12 84 +Zeealsem 24 42 +Zeekoet 105 47 +Zeekraal 30 43 +Zeemelkkruid 23 42 +Zeepostelein 42 79 +Zeeraket 28 80 +Zeewind in de boomen 11 36 +Zilvermeeuw 88 44 +Zilverplevier 90 12 +Zomertaling 75 60 +Zuid-Westerstrand 1 16 +Zwarte Stern 94 33 +Zwartkopmeeuw 85 33 + + + + + + + + +AANWIJZINGEN VOOR VERZAMELAARS VAN VERKADE’S PLAATJES + + +Het Verkade’s Album „TEXEL” kan, behalve de groote titelplaat, 132 +kleine plaatjes bevatten, die genummerd zijn van 1–132 en 14 groote +platen gemerkt A–N. + +De kleine plaatjes worden gedurende minstens een jaar, van October 1927 +af, verpakt bij de Verkade’s Artikelen, waarvan men hierachter een +opgave vindt. + +Om practische redenen konden bij sommige artikelen geen plaatjes +verpakt worden. Daarbij zijn bons voor plaatjes gevoegd. + +De groote platen zijn te bekomen door inruiling van kleine plaatjes of +bons. + +Voor 3 kleine plaatjes of bons geven wij één groote plaat in ruil, +terwijl ook omgekeerd voor één groote plaat 3 kleintjes in ruil kunnen +worden verkregen. + + + +RUILEN + +Bons en „dubbele” plaatjes kunnen bij ons (of aan de ruilkantoren te +Rotterdam, den Haag, Utrecht, Tilburg en Groningen) worden ingeruild +tegen ontbrekende nummers. + +Men kan ons daartoe de te ruilen plaatjes of bons zenden als brief, in +gesloten enveloppe, met begeleidend schrijven, of liefst nauwkeurig +ingevuld op de door ons bij alle ruilzendingen verstrekte +ruilaanvraag-formulieren. + +Adresseer Uw brieven enz. aan: + +VERKADE’S FABRIEKEN, Afd. ALBUMS, +te ZAANDAM. + +Zet vooral duidelijk Uw NAAM en VOLLEDIG ADRES zoowel op Uw brief en +ruilaanvraag-formulier, als op de enveloppe. + +Frankeer Uw zending voldoende. + +Onvoldoend gefrankeerde zendingen moeten wij weigeren. + +Mocht U zelf niet met juistheid het gewicht van Uw brief kunnen nagaan, +vraagt dan, vóór de verzending, even aan het postkantoor of ze +voldoende gefrankeerd is. + +De terugzending der geruilde plaatjes geschiedt gratis en franco. Wil +men ons de porto voor terugzending vergoeden, dan zullen wij het op +prijs stellen indien deze bij de aanvrage wordt ingesloten. + +Vriendelijk verzoeken wij om steeds op postwissels, postchèques en +giro-formulieren op te geven, waarvoor het toegezonden bedrag bestemd +is. + +Voor plaatjes of bons van vroeger door ons uitgegeven albums geven wij +geen „Texel”-plaatjes in ruil. + +Wie dus „Texel”-plaatjes wenscht te ontvangen, moet ook plaatjes of +bons van datzelfde album inzenden. + +Zoolang de voorraad strekt stellen wij ook nog plaatjes van vroeger +verschenen albums verkrijgbaar tegen plaatjes van die albums. Ook +kunnen „Texel”-plaatjes dienen om daarmede nog plaatjes van oude albums +in ruil te verkrijgen. + +Ter voorkoming van teleurstelling vestigen wij er nog even de aandacht +op, dat „niet meer” geldige bons niet meer ter inruiling worden +aangenomen. Men lette dus wel op den geldigheidsduur, die op de bons +vermeld staat. + +De titel-plaat van het album „Texel” is, op groot formaat papier +gedrukt, verkrijgbaar voor diegenen, die er prijs op stellen deze als +wandversiering e.d. te gebruiken! Hiervoor moeten 25 „Texel”-plaatjes +of bons, benevens 4 cent porto-vergoeding worden ingezonden. +Titel-platen worden niet geruild. + +Mocht men over het verzamelen der plaatjes of over de albums nog eenige +inlichtingen of opheldering wenschen, dan is onze afdeeling „Albums” +steeds gaarne bereid U te helpen en zal U, hetzij per brief, hetzij +door het toezenden van circulaires, steeds alle gewenschte inlichtingen +verstrekken. + + + +INPLAKKEN DER PLAATJES + +De plaatjes moeten in het album worden geplakt met een goede kleefstof, +zooals Gluton van de Fa. Talens & Zoon te Apeldoorn, die overal +verkrijgbaar is in potjes, met penseel, van ƒ 0.30, ƒ 0.45 of ƒ 0.90. +Een weinig Gluton aan de hoeken en in het midden der plaatjes is +voldoende om ze vast te hechten. + +Jeugdige verzamelaars zullen bij het inplakken de hulp van ouderen +wellicht noodig hebben, ten einde beschadiging van albums en plaatjes +te voorkomen. + +Zaandam, Oct. 1927. VERKADE’S FABRIEKEN + + + + + + + + +VERKADE’S PLAATJES OF BONS WORDEN VERPAKT BIJ: + + +VERKADE’S KOEK + +Prima Honing Ontbijtkoek groot in geel carton +Prima Honing Ontbijtkoek klein in geel carton +Honing Ontbijtkoek groot in groen carton +Prima Gemberkoek groot in carton +Prima Gemberkoek klein in carton +Prima Sucadekoek groot in carton +Prima Sucadekoek klein in carton +Ruyter Ontbijtkoek groot +Ruyter Ontbijtkoek middel +Ruyter Ontbijtkoek klein +Ruyter Gemberkoek middel +Ruyter Gemberkoek klein +Korstjes +Taai Taai + + +VERKADE’S BESCHUIT + + Groote Ronde Beschuit in zakjes + Kleine Ronde Beschuit in zakjes + Lange Beschuitjes in pakjes + + +VERKADE’S PANEERMEEL + +in pakjes + + +VERKADE’S BISCUITS + + Eén-ponds blikjes div. Biscuitsoorten + Twee-ponds blikjes div. Biscuitsoorten + Halve blikken Gemengde Biscuit + Halve blikken Standaard Biscuit + + +VERKADE’S CHOCOLADE + +Tabletten—Pastilles—Napolitains—Carrés Pakketjes, Kattetongen, enz. + + +VERKADE’S TOFFEE + +in blikjes + + +VERKADE’S BONBONS EN SUIKERWERK + +Verkade’s Bonbons, Marsepein en Borstplaat in doozen, enz. + + +VERKADE’S WAXINELICHTEN + +Waxine Nachtlicht 6, 8 of 10 uur brandend in doozen +Waxine Theelicht in doozen +Waxine Bouilloirlicht in doozen +Waxine Voedselwarmerlicht in doozen + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76234 *** |
