summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75575-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75575-0.txt')
-rw-r--r--75575-0.txt2839
1 files changed, 2839 insertions, 0 deletions
diff --git a/75575-0.txt b/75575-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..b79ddeb
--- /dev/null
+++ b/75575-0.txt
@@ -0,0 +1,2839 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75575 ***
+
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 125 EEN VREEMDE GESCHIEDENIS
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN VREEMDE GESCHIEDENIS
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE STAALMAGNAAT VAN NEW-YORK.
+
+
+Lady Forster zat in haar prachtig boudoir droomerig voor zich uit te
+staren in het groote park, dat de woning van mr. Forster, bijgenaamd
+„de groote Staalkoning”, omsloot.
+
+De lange, smalle, fijne handen waren als in pijn samengestrengeld en
+hoewel een oppervlakkig toeschouwer absoluut niets bemerken kon, had
+iemand, die eenige menschenkennis bezat, ongetwijfeld gezien, dat Lady
+Forster verdriet had, doch dit zorgvuldig wilde verbergen.
+
+Toch was zij alleen en niemand zou het immers wagen haar, de jonge,
+doch machtige meesteres van het huis te storen, zoodat zij zichzelf
+thans verwonderde, dat zij geen lucht gaf aan haar beprangd gemoed.
+
+—„En ik wil niet”—prevelde zij zacht voor zichzelf, „ik wil niet”....
+
+Er kwam een harde trek op het zeldzaam mooie gezicht van Lady Forster,
+een trek van groote bitterheid, die de lijnen om kin en mond scherper
+deed uitkomen en den fijnen Griekschen neus nog spitser scheen te
+maken!
+
+Loom, traag, als in groote vermoeidheid stond zij op, steunde met haar
+rechterhand op de leuning van het gouden damesstoeltje, waarin zij
+gezeten was en bracht met een gratie, grenzende aan een tooneeleffect,
+de linkerhand aan het blanke, hooggewelfde voorhoofd.
+
+„O, God! Dit leven is verschrikkelijk... dat is te ellendig... Alle
+menschelijkheid is weg... ik gevoel mij een slavin... een dier... een
+hond die geslagen is en toch weer teruggeroepen wordt om de hand des
+meesters te lekken... Bah!”...
+
+Grenzelooze verachting sprak uit deze woorden, die zij als tot zichzelf
+zeide! En onmiddellijk daarop klonk het weer, zéér beslist:
+
+—„Ik wil niet huilen!... Ik moet mij beheerschen!...”
+
+Een kloppen op de deur der kamer deed haar opzien.
+
+Vlug zette zij zich neder, nam een boek op haren schoot en nam de
+houding aan van iemand, die aan ’t lezen is geweest.
+
+Andermaal werd er geklopt, doch nu harder en dringender.
+
+—Binnen!
+
+De deur werd geopend en een bediende, gekleed in fijn blauw laken,
+afgezet met goud koordstiksel, trad het boudoir binnen.
+
+—Wat wenscht ge, Karl?
+
+—Mr. Forster verzoekt u in de bibliotheek te komen, Mylady—antwoordde
+de bediende.
+
+—Dadelijk?
+
+—Tijd heeft mr. Forster niet genoemd, doch mylady weet zelf wat mr.
+Forster’s bevel is.
+
+—Zwijg! Al goed! Zeg dat ik binnen een half uur aanwezig zal zijn.
+
+De man boog en verdween gluiperig door de deur, die hij daarna
+geruischloos sloot.
+
+Lady Forster kneep de handen tot een vuist, die zij krampachtig
+schudde.
+
+—Verspieders!—dacht zij toornig.—Forster is krankzinnig. Wat hebben wij
+er aan om baronnen en graven, die hun land met schande en oneer hebben
+moeten verlaten, hier te engageeren als huisbedienden? Overal
+spionneeren ze, overal vleien zij Forster!...
+
+Weer werd er geklopt.
+
+Kon men haar dan niet met rust laten?
+
+Wat nu weer?
+
+—Of u oogenblikkelijk komen wil, mr. Forster moet op reis.
+
+—Goed—antwoordde zij bijna toonloos, maar toch met een kleine
+opflikkering van hoop in de bruine oogen.
+
+Even nadat de bediende heengegaan was, ging Lady Forster, met
+vorstelijke fierheid voortschrijdende, naar de bibliotheek van mr.
+Forster, die aan een groote, met papieren overdekte schrijftafel zat.
+
+
+
+Forster was een kerel van ruim vijftig jaren. Hij was middelmatig van
+lengte, gezet van omvang en had een groot, leelijk hoofd, waarin als
+een paar vonken vuur zijn twee kleine oogen schitterden.
+
+Een stompe neus, eenigszins uitstaande oorschelpen, een breede mond met
+een eeuwigen grijnslach er omheen, een bijna vierkante kin en hoekige
+jukbeenderen gaven hem een wreed, onaangenaam uiterlijk.
+
+Forster was voortgekomen uit de onderste lagen der maatschappij, had
+zich een plaats veroverd op een groote ijzer- en staalgieterij, toen de
+schooljaren geëindigd waren.
+
+Reeds spoedig was de enorme lichaamskracht van Forster spreekwoordelijk
+geworden en iedereen, die met hem samenwerkte voor de ontzettende vuren
+der hoogovens, had ontzag voor hem. Van dit ontzag maakte Forster, die
+reeds vroeg een heerschzuchtig karakter had, een gretig gebruik en
+regeerde binnen enkele maanden de gansche groep werklieden, die op zijn
+afdeeling werkzaam waren.
+
+Toen kwam de zucht naar boven om evenals groote heeren te kunnen
+bevelen en Forster begon systematisch te zoeken naar die middelen,
+welke hem in staat stelden te kunnen regeeren.
+
+Forster’s natuur, karakter en levensopvatting waren niet van dien aard,
+dat hij zich gaandeweg op zou kunnen of willen werken.
+
+Alles moest even vlug gebeuren en ieder middel was hem welkom.
+
+Wat hem hinderde, vernietigde hij. Voor geen misdaad deinsde hij terug
+en bracht zijn belang het mee dat hij iemand vermoorden moest om den
+persoon, welke hem in den weg stond op te ruimen,... hij aarzelde niet
+om door een schijnbaar ongeluk zijn tegenstander te dooden.
+
+Slechts enkele maanden was hij op de ijzer- en staalgieterij, toen een
+chef-werkmeester heenging en diens plaats dus vacant kwam.
+
+Brutaalweg ging hij naar de directie en vroeg niet, maar eischte dezen
+post voor zichzelf op.
+
+De directeur, een goed en verstandig man, weigerde op een zoo brutale
+manier in te gaan en gaf niet onduidelijk te kennen dat hij zulke
+werklieden liever gaan dan komen zag.
+
+Forster had toen gedreigd en gezegd:
+
+—Als gij mij niet neemt, ligt uw bedrijf hedenavond stil.
+
+Toen had de directeur gelachen om den „hoogmoedswaanzin” van dezen
+werkman en hem daarna weggestuurd met de woorden: „Meld je bij den
+kassier, ontvang je loon en verdwijn onmiddellijk. Begrepen?”
+
+Forster had zich toen beheerscht en was vlak bij den directeur gaan
+staan, hem toevoegende met scherpe, harde stem:
+
+—Volgend jaar zijn wij concurrenten!
+
+Zoodra Forster bij de werklieden was gekomen, klom hij op een werkbank,
+sloeg met een hamer zóó geweldig hard op een stuk staal, dat het
+precies was alsof klokgelui het publiek bijeen riep.
+
+De werklieden stroomden om hem heen, en met zijn harde stem, die van
+hartstocht soms trilde, zweepte hij de mannen op.
+
+Hij zegde hun hoeveel zij arbeiden moesten, rekende met wiskundige
+zekerheid voor hen uit hoeveel „de groote heeren” verdienden, noemde
+deze „bloedzuigers” en schold op „het tuig”, dat hen allen regeerde.
+
+En de mannen, verhit door het werk, opgezweept door de krassende stem
+van een hunner, hoorende de sommen, die door hun arbeid verdiend
+werden, waren stil geworden en morrend togen er dien avond velen
+huiswaarts.
+
+De massa was wakker geworden.
+
+Forster rustte niet. Hij hield den volgenden dag een vergadering met de
+werklieden, rekende hun met slimheid en vooropgezet doel andermaal voor
+hoe alles daarginds op het kantoor toeging en het gevolg was dat drie
+dagen later een algemeene werkstaking geproclameerd werd, waarvan
+Forster het leidende lichaam en het denkende hoofd was.
+
+Groote ontsteltenis was er geweest bij de directie, maar meer nog bij
+de commissarissen en aandeelhouders.
+
+Want Forster had zijn tijd welgekozen.
+
+Er waren zeer groote en belangrijke bestellingen gekomen uit Europa,
+waar het broeide tot een oorlog en de ijzer- en staalprijzen waren
+ontzettend gestegen.
+
+De oude voorraden „smolten” als het ware weg en alle arbeidskrachten
+waren dringend noodig.
+
+Besprekingen tusschen directie en raad van commissarissen eenerzijds en
+de werklieden met Forster als leider anderzijds vonden plaats en
+heimelijk rees er een vrees, gebaseerd op afkeer voor dien kleinen man
+met het afschuwelijk wreede gelaat.
+
+De eischen, die hij stelde, waren krankzinnig hoog, doch er was geen
+macht ter wereld, die hem bewegen kon om iets van zijn begeerten te
+laten vallen.
+
+Men schoot niet op. De werklieden bleven staken... de toestand werd al
+drukkender en dringender... Er moest een einde aan komen.
+
+Toen kwamen de commissarissen—echt Amerikaansch—op een idee.
+
+Men zou Forster voorstellen om plaats te nemen in de directie. Men zou
+den werklieden meer loon geven en minder werkuren.
+
+Nam men dit voorstel aan, dan zou men immers binnen afzienbaren tijd
+kunnen zoeken naar een middel om Forster te ontslaan en daardoor
+ontkomen aan de macht van dezen man.
+
+Het voorstel werd gedaan... besproken... en goedgekeurd!
+
+De werklieden namen hun werk weer op, meenende, dat nu een hunner in
+den raad van directeuren was opgenomen, hunne belangen beter zouden
+behartigd worden.
+
+Forster zette zich vast in ’t zadel en alhoewel de verhouding tusschen
+hem en de overige directeuren niet vriendschappelijk was, dwong hij
+toch eerbied bij hen af, door de wijze waarop hij nacht en dag werkte.
+
+De commissarissen, eerst van plan zich zoo gauw mogelijk van hem te
+ontdoen, zagen hem na enkele maanden anders aan en hielden zeer ernstig
+rekening met alles wat Forster naar voren bracht.
+
+In enkele maanden tijds had hij immers zeer ingrijpende veranderingen
+tot stand weten te brengen. Had met een onmeedoogende zekerheid
+ingegrepen in de wijze van fabricage, had machines voorgesteld en
+gekregen, die honderden arbeiders het brood ontnamen, maar die de
+onkostenrekening belangrijk verminderd hadden.
+
+Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, las zeer veel,
+hield alles bij wat in verband stond met de ijzer- en staal-industrie.
+
+Toen kwam er een oogenblik, dat de fabrieken en hoogovens een
+noodzakelijke uitbreiding moesten ondergaan. De toestanden waren van
+dien aard dat de gansche beurs, en dus ook ’t geld van den
+wereldhandel, beheerscht werd door... staal.
+
+Staal werd speculatief.
+
+Wie geld wilde verdienen, kocht staal....
+
+Niemand sprak over iets anders dan staal.
+
+Forster, die dit alles had zien aankomen, die zelf alle maatregelen had
+genomen voor dit gebeurde, was gereed.
+
+Dit was zijn oogenblik. Nu moest hij handelen.
+
+Met hetzelfde brutale geweld dat hij twee jaren geleden had gebruikt
+tegenover de directie, ging hij nu zonder eenigen angst ter beurze.
+
+’t Was juist een troebele tijd tusschen enkele mogendheden in de „Oude
+Wereld”—Europa.—
+
+Er werd meer naar staal en ijzer dan naar levensmiddelen gevraagd.
+
+De beurs was dien dag zeer hoog geopend. De koersen waren buitengewoon
+en men was van gedachten, dat ze nog hooger zouden worden.
+
+Forster had, door zich in verbinding te stellen met buitenlandsche
+persbureaux, zich op de hoogte gebracht van den internationalen
+toestand, en had dien morgen uit een dringend telegram gelezen, dat het
+geschil daarginds in Europa bijgelegd was geworden.
+
+Wie evenwel weet of wel eens gelezen of gehoord heeft, hoe sommige
+beursspeculanten dergelijke geheimen weten te gebruiken om toch tot hun
+doel—veel millioenen te verdienen!—te geraken, begrijpt ook, dat toen
+Forster op de beurs verscheen, hij er niets over verbaasd was dat men
+nog niets wist, althans dat de leiders der speculatieve fondsen precies
+deden alsof de toestand nog buitengewoon gunstig was.
+
+Forster wist dat een combinatie van acht personen, allen
+multi-millionnairs, in verbinding stonden met de gezanten, die op hun
+beurt weer enorme bedragen kregen voor hunne stilzwijgendheid.
+
+Hij liep vlug en met een beslisten stap naar de tijdingzaal, waar
+groote opwinding heerschte.
+
+Volgens de laatste telegrammen uit Londen, Parijs en Berlijn, allen
+natuurlijk van belanghebbenden afkomstig, bleek het dat de toestand
+hachelijker werd.
+
+Forster schreed voort tot bij den vertegenwoordiger der regeering:
+
+—Moet dit spel zoo langer voortgaan?
+
+—Wat bedoelt u?
+
+—Lees dit telegram.
+
+Forster overhandigde het telegram en de regeeringsvertegenwoordiger las
+het met nauw verholen ontzetting.
+
+—Hoe komt u daaraan?
+
+—Doodeenvoudig—antwoordde Forster—ik laat mij door niemand leiden. Ik
+leid zèlf.
+
+De staalcombinatie, die ook evenals Forster, alles reeds wist, was wel
+is waar onder den indruk dat een buiten de combinatie staande persoon
+iets naders kon mededeelen.
+
+En om zeker te zijn van hun winst, deden zij onmiddellijk het voorstel,
+dat Forster toetreden zou tot hun combinatie.
+
+Hij had geglimlacht als een kind, dat door dwingen datgene verkrijgt
+wat het wenschte en stemde toe te zullen zwijgen indien men hem voor
+altijd opnam in de staalcombinatie.
+
+Lang beraadslagen was zeer nadeelig en dus besloot men ook dezen eisch
+van Forster in te willigen.
+
+Dien dag stegen de prijzen geweldig.
+
+Groote hoeveelheden staal, ijzer en grondstoffen werden verhandeld en
+menigeen stak zijn kapitaaltje in „staal”.
+
+Den daarop volgenden dag kwam de tegenslag.
+
+Geruststellende berichten, één dag achtergehouden, werden gevolgd door
+algeheele geruststelling.
+
+Onmiddellijk zakte de koers en menigeen, die nog redden wilde wat er te
+redden viel, verkocht direct wat hij den vorigen dag gekocht had.
+
+Millioenen guldens werden er door de leden van de „staalcombinatie”
+verdiend,
+
+Ook Forster kwam op die manier in het bezit van een groot kapitaal,
+waarvoor hij zich de functie van hoofddirecteur kocht van de groote
+ijzer- en staalgieterij, waar hij tot heden toe directeur was geweest.
+
+Toen begon hij pas goed te werken.
+
+Als alleenheerscher deed hij gewaagde dingen, kocht en verkocht,
+oefende druk uit op de beurs, en vervulde iedereen met wien hij in
+nadere aanraking kwam, met ontzetting.
+
+Eindelijk was het tijdstip gekomen, waarop hij alle teugels in handen
+krijgen kon en op een vergadering van commissarissen, allen leden van
+de „staalcombinatie”, sloeg hij zulk een toon aan, dat men hem dreigde
+met ontslag.
+
+Doch nu veranderde hij de rollen, en in een korte uiteenzetting bewees
+hij, hoe hij op dit oogenblik alles in handen had. Hoe hij zelfs de
+kapitalen zijner medebestuurders in zijn macht had.
+
+Forster had alles zorgvuldig gedocumenteerd, had overal menschen
+neergezet, die hij geheel in zijn macht had. Was bezitter geworden,
+zonder dat de commissarissen eenig vermoeden hadden van het werken van
+Forster, van de beste, grootste ertsvelden uit Amerika.
+
+Kortom, Forster was de machthebbende.
+
+En toen het desondanks toch tot een breuk kwam tusschen hem en enkele
+der commissarissen, deelde hij hun sarcastisch mede dat ook hij groote
+fabrieken had laten bouwen en alle werklieden met hèm meegingen.
+
+Van dat oogenblik af was Forster zelf opgetreden als heer en meester,
+door velen gevreesd, door weinigen vertrouwd.
+
+Hij had den naam van „Staalmagnaat” en werd een der rijkste menschen
+van de gansche wereld geschat.
+
+
+
+Issi Stancy was een beeldschoon, doch arm, doodarm meisje, dat nevens
+de zorg voor zichzelf, ook nog in de nooden en behoeften moest voorzien
+van haar ziekelijke, zwakke moeder en vijf broertjes en twee zusjes,
+allen jonger dan zij.
+
+Haar vader was op de ijzergieterij, door de onhandigheid van een
+kameraad, eens getroffen geworden door een gloeienden bak met ijzererts
+en was een gruwzamen dood gestorven.
+
+Er was gefluisterd geworden dat de kameraad dit met opzet had gedaan,
+want Issi’s vader was iemand met een oprecht en groot, trouw karakter,
+en had met zijn kameraad woorden gehad over diens optreden.
+
+Issi was toen een meisje geweest van negen jaren en ging nog school.
+
+Moeder had na vader’s dood gesjouwd en gezwoegd en toen Issi even
+zeventien jaar was, moest zij van den geneesheer voortdurend rust
+nemen.
+
+Goede raad was duur.
+
+Issi was mooi, beeldschoon, maar niet sterk, en uit werken gaan, of dag
+in dag uit op een fabriek of atelier te zitten, was ongunstig.
+
+’t Beste was op een kantoor, waar zij licht schrijfwerk zou kunnen
+verrichten.
+
+Dat was juist in den tijd dat mr. Forster van zich spreken liet en de
+nieuwe ijzergieterijen geopend werden.
+
+Door bemiddeling van den geneesheer kwam zij in contact met Forster,
+die toen hij den naam Stancy hoorde, even verbaasd had gekeken,
+
+—Stuur ’t meisje eens bij mij—had hij gezegd.
+
+Issi was gekomen!
+
+Haar zenuwachtig blosje had hare schoonheid zeer verhoogd en de ruwe,
+hartstochtelijke Forster was onmiddellijk gereed met zijn plannen.
+
+—Je wilt dus typiste worden?
+
+—Ja mijnheer,
+
+—Goed. Ik zal je een beginsalaris van vijftig dollar per maand geven.
+’t Ligt geheel aan je zelf of je gauw meer verdienen kan. Een dame—hij
+drukte zeer sterk op dat woord—als jij kan veel meer verdienen.
+
+Even had Issi gerild bij den ruwen toon van Forster, doch de gedachte
+aan zulk een hooge som vergoedde alles en vol vreugde was zij naar
+moeder getogen om alles te vertellen.
+
+De goede ziel was innig blij en toen haar kind den volgenden Maandag in
+een hagelwit pakje naar haar nieuwen werkkring ging, voelde zij een
+echt moederlijken trotsch door haar ziel varen.
+
+—Zij is een koning waardig—dacht moeder Stancy.
+
+Reeds van het eerste oogenblik af betoonde Forster zich opvallend
+vriendelijk tegen Issi.
+
+Was hij tegen de andere bedienden, hij had er zeer velen, ruw soms,
+speelde hij bij ’t geringste vergrijp hunnerzijds als een beest op,
+tegen Issi was hij bijna teeder en niemand verwonderde zich er over,
+toen na drie maanden Issi benoemd werd tot particulier secretaresse van
+mr. Forster.
+
+Issi zelf was er niet blij om.
+
+Zij bezat een vluggen geest, was buitengewoon vlug en leerzaam en droeg
+ieders achting weg.
+
+Tusschen haar en haar collega’s op de groote bureaux was een
+vriendschap ontstaan, die enkele menschen genieten, omdat zij anderen
+steeds de behulpzame hand bieden. Iedereen hield van het mooie, zachte,
+lieve dametje, dat voor iedereen een glimlach, voor iedereen een
+vriendelijk woord over had.
+
+En nu moest zij haar plaats verwisselen.
+
+Zij moest dag in, dag uit in de hooge, strenge kamer van den ruwen
+Forster zitten, en zij huiverde al bij de gedachte, dat zij hem helpen
+moest in zijn particuliere zaken. Brieven lezen, beantwoorden,
+opbergen... wie weet... wat àl meer.
+
+Ook de collega’s vonden het spijtig, doch niemand waagde het aanmerking
+te maken op den wensch en het bevel van hun patroon, mr. Forster.
+
+Moeder, eenvoudige, ziekelijke ziel, die zij was, vond, toen zij dit
+hoorde, het heerlijk. Zij zag hierin een bewijs dat Issi boven anderen
+uitverkoren was en zegende in stilte mr. Forster.
+
+Issi was dan werkzaam dicht bij Forster en hij omringde haar met een
+bijna vaderlijke teederheid.
+
+’t Was soms meer dan ergerlijk, vond Issi, dat een patroon zulke malle
+dingen vroeg of zeide. Deed hij dat voor anderen? Bracht hij voor
+andere dames bonbons mee? Kregen deze mooie costuumpjes? Gaf hij die
+een zoo hoog salaris? Informeerde hij bij deze zoo belangstellend naar
+hunne familie? Had hij bij hen zulk een zachte stem?
+
+Neen!... Neen!!... gilde het dan in Issi’s hart, en zij gevoelde
+instinctmatig een zekeren afkeer.
+
+Toen op een middag had Forster haar uitgenoodigd om mee te gaan naar
+een theater.
+
+Haar verontwaardiging was hevig, doch uit angst dezen man te
+beleedigen, die haar en haar familie brood gaf, zweeg zij stil en
+antwoordde op zijn herhaald aandringen:
+
+—Als moeder het goed vindt.
+
+Toen had hij gelachen en gezegd:
+
+—Dat komt in orde.—En ’s avonds, toen zij thuiskwam, had zij haar oogen
+niet kunnen gelooven... Forster zat reeds hij haar moeder!
+
+Deze glimlachte toen zij binnenkwam en Forster was heengegaan,
+zeggende:
+
+—Mevrouw, bij u beveel ik mijn belangen aan!—
+
+Hij! mr. Forster, noemde moeder mevrouw!!...
+
+Het duizelde Issi!
+
+Met zachte stem, al maar met de handen strijkend over Issi’s mooie
+bruine lokken, had moeder toen verteld dat mr. Forster, hij, die
+verscheidene malen millionnair was, de hand en het hart gevraagd had
+van Issi!
+
+Woedend was Issi opgesprongen, doch moeder had haar gekalmeerd en toen
+zij volhardde met te zeggen: „dàt nooit!”...... had moeder geschreid,
+lang, ó zoo lang!....
+
+Met tact had Issi dien avond geweigerd mee te gaan met Forster. Deze
+bleef toch dezelfde voor haar, doch zij wist niet dat Forster iederen
+dag bij haar moeder kwam.
+
+Dagen verliepen. Moeder scheen zwakker, zieker te worden. Uren lang
+zweeg zij, als in gepeins verzonken, en als zij nog iets zeide, was het
+steeds over Forster.
+
+Dan klaagde zij over de woning, dan over de kamer, dan over dit, dan
+over dat en steeds kwam het hier op neer dat het alles veel anders
+wezen zou wanneer Issi maar mevrouw Forster worden wilde.
+
+Eindelijk bezweek zij en stemde toe met Forster te zullen trouwen.
+
+Alles gebeurde als in een droom.
+
+Zij leefde die dagen niet, zij liet zich leven!
+
+Zij maakte een groote reis, kreeg een prachtig huis, midden in een park
+naar haar naam genoemd, bezat auto’s, rijtuigen, zeldzame japonnen...
+kortom, alles was sprookjesachtig mooi.
+
+Doch in Issi was alles koud en haar familie, die door Forster tot een
+hoogeren levensstand verheven was, gevoelde zich veel gelukkiger dan
+Issi zelf.
+
+
+
+Dit alles was nu ruim een jaar geleden, op het oogenblik dat een
+bediende Issi roepen kwam om te verschijnen bij Forster, die in de
+bibliotheek zat te wachten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE MACHT VAN HET GELD.
+
+
+De „staalmagnaat”—Forster—hief het hoofd op toen zijn jonge vrouw
+binnenkwam.
+
+Zij opende en sloot zelf de deur en trad daarna langzaam de kamer
+binnen, voortdurend haren echtgenoot aanziende.
+
+—Ge liet me roepen!
+
+—Ja! Wat duurt dat toch lang altijd. En waarom leert ge nooit goede
+antwoorden te geven aan graaf Timmys?
+
+—Ik gaf een goed antwoord—antwoordde Issi nonchalant.—Hij vroeg mij
+alleen of ik bij u wilde komen. Meer niet. Wanneer hij mij gevraagd
+had, of ik onmiddellijk had willen komen, dan was dit natuurlijk ook
+gebeurd.
+
+—Goed! Goed!... Je deed niets anders dan lezen. Mijn belangen staan
+toch wel hooger dan die vervloekte romannetjes?
+
+—Heeft uw „graaf” dit zoo goed gezien?—vroeg Issi niet zonder
+scherpte.—Niet alleen is het bespottelijk om je te omringen met al die
+adellijke vleiers, maar het gespionneer schijnt je welgevallig te zijn.
+
+—Dat moet wel! Aangezien mijn vrouw mij niet in de gelegenheid wenscht
+te stellen om haar gade te slaan wanneer ik het wil, ben ik genoodzaakt
+andere maatregelen te nemen.
+
+—Bah!...
+
+Dit was het eenige wat Issi hooren liet, waarop onmiddellijk een
+uitbarsting van Forster volgde:
+
+—Zeker!... Zeker!... Ik wil weten wat je uitvoert... Ik ben je heer en
+meester. Ik heb je genomen voor mij... Je behoort mij toe... Niemand
+anders. En jij met je overdreven kunsten, met je krankzinnige
+beginselen zou mij treffen... mij vernietigen. Jij zelf bent de
+oorzaak, dat ik je moet laten bewaken. Zoolang jij niet verandert,
+beschouw ik je als mijn gevangene.
+
+—Zoolang ik zelf wil!—viel Issi hem driftig in de rede.
+
+—Wat meent ge wel? Ge hebt geen wil. Ik, ik alleen ben baas. Zonder mij
+ben je niets. Een kind van een werkman.
+
+—Een éérlijke man dan toch!
+
+Forster sprong als van een adder gebeten overeind. Hij liep op Issi
+toe, doch deze week op zijde en greep het schelkoord.
+
+—Nog één stap, Forster, of ik schel, en je baronnen en graven, die je
+toch al verachten, kunnen dan getuigen zijn van de mishandeling die gij
+mij toedienen wilt.
+
+Dit scheen te helpen, want Forster bleef staan en siste tusschen de
+tanden:
+
+—Slang!—
+
+—Hebt ge mij daarom laten roepen? Om me dàt te zeggen?—vroeg Issi, met
+een van drift trillende stem.
+
+Forster gaf geen antwoord, want de telefoon ratelde en dus moest hij
+den geluidshoorn opnemen.
+
+Issi bleef geduldig staan. Zij kwam weer tot zichzelf en begreep, toen
+zij haar echtgenoot zoo driftig hoorde telefoneeren, dat er weer een of
+andere dringende zaak moest behandeld worden.
+
+Forster legde de telefoon neer en keerde zich naar zijn vrouw.
+
+—Zijt ge verstandig geworden?
+
+—Laten wij tenminste dáár niet meer over spreken. Dat is al zoo
+menigmaal door ons behandeld. Maar dat gij mij ’t verwijt doet van mijn
+geboorte is schandelijk. Ik vroeg u niet te trouwen. Liever woonde ik
+gelukkig op een twee-en-dertigste étage, in een kleine kamer, dan hier
+met ongeluk.
+
+—Ongeluk dat ge je zelf op den hals haalt.
+
+—Dank je!
+
+—Is ’t dan zoo niet? Kun je niet alles krijgen wat je begeert? Ben jij
+niet de schoonste vrouw van New-York? Wordt ge niet geprezen als een
+gelukkige sterveling? Maar je vervloekte overgevoeligheid, je
+idiotisme, dàt, dàt is een belemmering. Ben ik een man om zich over mij
+te schamen? Kijkt niet iedereen mij naar de oogen? Wordt mijn naam niet
+genoemd in schier alle steden der wereld?...
+
+—Met eere?
+
+—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maar genoemd
+wordt. Dan is ’t mij allang goed. Geld is de hoofdzaak. Dan hebt ge
+macht. Met macht doe je alles. Dàt is de hoofdzaak. Al ’t andere is
+nonsens. Je bezit een macht met je oogen...
+
+—Was ik maar leelijk.
+
+—Dan moest ik je niet hebben—gaf hij ruw terug.
+
+—Misschien was ik dan gelukkiger.
+
+Forster werd weer driftig. Hij sloeg met de vuist op tafel en riep:
+
+—Genoeg! Ik heb je hier laten roepen om een verklaring te hooren,
+waarom jij gisteravond niet mee wilde gaan naar de partij, die mijn
+vriend Baltimore gaf, ter eere van jou?
+
+—Omdat ik van alles walg.
+
+—Verklaar je nader.
+
+—Ga zitten!—gebood Issi—en als je mij wilt aanhooren zal ik je alles
+zeggen. Ook ik was van plan je een verklaring te geven. Zoo kan ’t niet
+langer. Luister.
+
+—Maak het kort,—antwoordde hij zeer norsch.
+
+—Kort? O, ’t is zoo eindeloos lang het verhaal van ’t leed, dat
+tusschen ons is. Maar kort zal ik ’t vertellen. Toen ik nu ruim een
+jaar geleden met jou trouwde, wist ik zoo weinig van alles wat er
+gebeurde. Ik wist niet dat jij een mensch was, die niets ontziet
+wanneer het er op aankomt geld te verdienen. Alles offert gij daaraan
+op. Toen wist ik nog niet op welk een wijze gij de onmetelijke
+kapitalen hadt verkregen, die jou in staat stellen zoo te leven als nu!
+Wel heb ik mij menigmaal verwonderd dat gij zoo spoedig opgeklommen
+waart, maar ach, hier in ons land, waar zooveel avonturiers hun slag
+slaan, is niets vreemd. Ik begreep er dus niets van, doch pijnigde mijn
+hersenen ook niet met een oplossing van dit vraagstuk. Later toen ik,
+zooals jij het noemde, „de groote wereld” werd binnengeleid... toen ik
+hoorde en zàg hoe de kapitalen zich vermeerderen,... toen ik bemerkte
+dat gij met vuur speeldet en de wereld meende te kunnen beheerschen,
+heb ik je gewaarschuwd. Jij meende toen dat ik met je vijanden had
+gesproken. Jij maakte tumult. Jij sloot mij òp. Jij ontnam mij mijn
+vrijheid. Jij omringde mij met een bende trawanten, die gij huurdet.
+Mannen van adel. Adel die niet geadeld was en die vreugde schepte in
+jouw plannen. Zij stelden mij tot spot. Zij moesten mij lééren!...
+lééren... Gij meendet, dat gij alles doen mocht wat gij zèlf wilde. Gij
+vernietigde iets in mij... mijn geloof in de menschen. Waarom liet gij
+mij niet de eenvoudige typiste?... Waarom naamt gij mij? Dacht gij met
+jouw geld, waar bloed aan kleeft, mij gelukkig te maken?...
+
+Even zweeg Issi en keek haar man doordringend aan.
+
+Toen vervolgde zij:
+
+—Gij zijt daarna begonnen met mij te overtuigen van je goed recht. Ik
+zàg... ik begreep alles!... Ik wist de gruwelijke oneerlijkheid van jou
+bestaan... van het bestaan der staalcombinatie, waarvan gij de ziel
+bent. Ik smeekte je er niet mee verder te gaan.... op te houden met zoo
+schandelijk bedrijf. Ge wildet niet, en ge dwongt mij met je mee te
+leven. Gisteren moest gij mij meenemen naar die partij van Baltimore,
+omdat er geld te verdienen was. Ik moest dienen om de aandacht af te
+leiden. Dat wilde ik niet...
+
+Forster sprong op...
+
+—Eén oogenblik nog—zeide Issi—ik ben zoo gereed. Thans zeg ik je, dat
+het niet langer zoo kan! Ik wil niet. Ik ga heen en ge moet zelf weten
+wat ge doet. Maar ik wil niet genoemd worden bij de namen van hen die
+niets dan ellende brengen over de wereld. Ge meent dat een vrouw een
+zwak, een onnut schepsel is. Vergis je niet. Ik weet dat gij thans niet
+alleen met je staal bezig bent een ontzettende daad te bedrijven, maar
+dat ge ook je onzalig geld uitzet op een hooge troefkaart... Wees
+gewaarschuwd.
+
+Vermoeid zweeg Issi.
+
+Forster knarste op zijn tanden.
+
+—Eens—stiet hij uit,—kwam een man met je vader in botsing...
+en—vervolgde hij somber—je vader werd gedood, zoo men zegt bij toeval.
+Jij hebt iets, meen ik, van die krankzinnige eerlijkheid van je
+vader... Ik zou kunnen bewerkstelligen dat een toeval ook jou trof...
+Jij hebt mij gewaarschuwd... ik doe het jou!...
+
+Geheimzinnig hadden deze woorden geklonken. Heesch had Forster ze
+uitgestooten en Issi moest onwillekeurig huiveren voor den man, aan
+wien ze vastgekoppeld was. Vooral toen hij gewaagde van haar vader,
+schrok zij hevig op. Een geweldig vermoeden rees bij haar naar boven.
+Was Forster misschien de moordenaar? O! die pijnlijke onzekerheid. Die
+gruwelijke onzekerheid. Dat was om gek te worden!...
+
+Forster bemerkte den angst bij Issi en ging koud, meedoogenloos voort:
+
+—Van dit oogenblik af moogt ge geen voet meer buiten dit huis zetten
+zonder geleide. Ik zal mijn orders geven. Niemand moogt ge buiten mij,
+of mijn zaakgelastigde—Forster gebruikte gaarne mooie
+woorden—ontvangen. Tot op het oogenblik dat gij uit eigen vrije
+beweging naar mij toe zult komen om met mij te genieten van het door
+mijn vernuft verdiende geld, wordt ge beschouwd als mijn gevangene.
+
+—Dat is onrecht,—riep zij uit.
+
+—Mijn recht bedoelt ge. Een recht dat ik gekocht en betaald heb.
+Niemand kan mij dat beletten. Mijn macht is grooter dan ge denkt. Geen
+enkele rechter durft mij aan... Niemand zal het ooit wagen mij aan te
+vallen... Niemand... Iedereen weet, dat ik zelfs bevriend ben met de
+regeerders van andere landen!....
+
+Issi zweeg zeer stil. Zij gevoelde haar onmacht tegenover deze
+geldkracht en boog het hoofd als in groote vertwijfeling.
+
+Forster riep nu graaf Timmys.
+
+Tijdens de jaren dat Forster voor een groot deel de macht van
+millioenen en nog eens millioenen menschen bezat, bestond er bij de van
+niet geworden multi-millionnairs een eigenaardige gewoonte.
+
+Zij, die met een ontzettende praal en pracht op grenzeloos
+parvenuachtige wijze leefden en hun huizen tentoonstelden, kregen het
+idee om enkele vertrouwde dienaren te kiezen uit den adelstand.
+
+Meestal waren deze personen uit Europa gekomen, als avonturiers, of om
+op deze wijze uit te wisschen een vlek, die op den familienaam rustte.
+
+Enkelen hunner gingen doodeenvoudig gewoon aan ’t werk, om als een
+eerzaam burger te kunnen leven, doch anderen, gewoon aan hun luie
+leventje, boden zich aan als kamerpersoneel bij de millionnairs, welke
+meestal zeer vatbaar waren voor vleierij.
+
+Forster nu had ook enkele bedienden, onder wie een graaf en vier
+baronnen.
+
+Hij was er trotsch op dat hij vijf adellijke personen in dienst had en
+stelde graaf Timmys aan als chef over de anderen.
+
+De „heeren” hadden het uitstekend bij Forster, wijl zij een zeer hoog
+salaris genoten en als zij hun „uitgaansdag” hadden, waren zij volkomen
+in de gelegenheid om de meest buitensporige genietingen te smaken.
+
+Forster bemoeide zich alleen met graaf Timmys, een sluwen kerel, die
+nooit iemand open in de oogen zag, maar steeds als een gluiper met
+iemand sprak.
+
+Graaf Timmys had in de tien maanden, welke hij in Forster’s dienst was
+geweest, zich het vertrouwen weten meester te maken van den parvenu,
+met het gevolg dat Forster Timmys’ zak goed vulde.
+
+En het noodlot wilde bovendien dat Issi, die een geweldigen afkeer had
+van al dit „groot gedoe”—zooals zij het noemde—absoluut de adellijke
+bedienden behandelde als waren zij gewoon personeel.
+
+Met haar onschuldig, rein hoofd en hart wenschte zij geen diensten
+gedrenkt met vleierij en gaf meer dan eens op luiden toon hare
+ontstemming te kennen over het optreden van graaf Timmys.
+
+Deze, een Portugees van geboorte, was een zeldzaam hartstochtelijk
+mensch, die, wanneer men hem ééns beleedigde, iemand haten kon met een
+hevigheid die gevaarlijk te noemen was.
+
+Forster wist dit. Hij wist ook dat graaf Timmys zijn vrouw niet mocht
+lijden, dat hij iedere daad aan hem vertellen zou, en kon dus geen
+beteren bewaker aanstellen dan dezen man.
+
+
+
+—Timmys—gebood Forster—ik wensch dat van dit oogenblik af niemand mijn
+vrouw bezoekt, zonder mijn voorkennis.
+
+De grafelijke bediende boog.
+
+—Verder draag ik u op om, als mijn vrouw mocht uitgaan, haar schreden
+te volgen. Buiten het park mag zij niet gaan.
+
+Andermaal boog Timmys.
+
+—U wilt daarvoor wel zorgen?
+
+—Zeer zeker, Sir! Mag ik u nog opmerkzaam maken op mevrouw’s brieven?
+
+—Prachtig, Timmys! Ge hebt twintig dollar méér per maand om uw
+opmerkingsgave. Mevrouw mag geen papier noch schrijfmaterialen hebben
+buiten mijn wil.
+
+Issi stond daar als een vlammende engel. Haar oogen schoten vuur. En
+toch was zij onmachtig tegen gewetenlooze schurken als zij beiden
+waren.
+
+Zij trilde over haar gansche lichaam en haar zelfbeheersching was zoo
+hevig, dat haar zenuwen te sterk werk moesten doen. Zij viel met een
+licht gilletje op een stoel bewusteloos neer.
+
+Hard, koud, zeide Forster:
+
+—Wij zullen haar wel klein krijgen, roep haar kamenier.
+
+Enkele minuten later was deze aanwezig en binnen een kwartier opende
+Issi de oogen en vroeg met zwakke stem:
+
+—Breng mij naar mijn kamers.
+
+Ondersteund door haar kamenier schreed Issi voort naar haar kamers en
+bleven de beide mannen achter.
+
+Forster zette zich neer aan de schrijftafel en bemerkende dat Timmys
+nog steeds te wachten vroeg hij barsch:
+
+—Waar wacht ge op?
+
+—Een bewijs van salarisverhooging.
+
+—Vertrouwt ge mij niet?
+
+—’t Is alleen voor eigen zekerheid.
+
+—Niemand leent je toch op een vod?—vroeg Forster met een grijnslach op
+zijn gelaat.
+
+—Uw handteekening opent de deuren der paleizen, Sir,—antwoordde Timmys
+met een glimlach.—De macht is wonderlijk.
+
+—Dat is de macht van ’t geld—mompelde Forster, terwijl hij het
+gevraagde bewijs gaf.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+PROFESSOR EDENSHIR.
+
+
+In een der groote hotels van de machtige wereldstad New-York woonde in
+een der weelderigst ingerichte appartementen John C. Raffles met zijn
+secretaris Charly Brand uit Londen.
+
+Raffles was ingeschreven als de graaf van Divonshart en Charly Brand
+als Sir Douglas.
+
+Raffles was naar New-York gekomen, nu enkele weken geleden, omdat hij
+behoefte had aan andere nieuwere indrukken en geen andere beweegredenen
+had hij gehad dan alleen eens voor een wijle uit de Londensche omgeving
+te zijn.
+
+Hij lag thans languit op een divan en keek droomerig naar de geweldige
+drukte die daar beneden op het plein heerschte.
+
+Charly was verdiept in den nieuwsten Amerikaanschen roman, beschrijvend
+het leven en werken van de trustkoningen, de leugenaars der
+samenleving.
+
+—Interessant, Charly?—vroeg Raffles.
+
+—Buitengewoon—antwoordde Charly, terwijl hij het boek dichtsloeg.—De
+schrijver van dezen roman schijnt mij toe te zijn iemand die achter de
+schermen heeft gekeken. De toestanden worden tenminste zoo goed
+beschreven dat het mij onmogelijk toeschijnt dat een oppervlakkige
+toeschouwer, die buiten deze sfeer staat, het onmogelijk beschrijven
+kan op de manier als deze het doet. ’t Moet wel eens de moeite waard
+wezen het leven dier parvenu’s van dichtbij mee te maken.
+
+—Zoudt ge dat gaarne willen?
+
+—Waarom vraagt ge dat?
+
+—Wel, jongenlief, dan introduceeren wij ons zelf.
+
+—Laten wij dat later doen!
+
+—Och, waarom nu niet?
+
+—Omdat wij naar hier zijn gekomen voor jou genoegen èn om uit te
+rusten. Als jij tusschen al die zakenmenschen komt, is het weer mis.
+Dan begint gij toch.
+
+—Ik zal er toch eens over denken. Er is misschien weer wat te leeren,
+en daarvoor zijn wij immers nooit te oud......
+
+Raffles met Charly spraken nog langen tijd te zamen en de tijd snelde
+voorbij in zalig nietsdoen.
+
+
+
+Op een andere plaats, in de woning van Mr. Forster, viel een gansch
+ander tooneel voor.
+
+Issi’s zenuwen waren door een voortdurende prikkeling en nu ten laatste
+door het onmenschelijk optreden van haren echtgenoot zoodanig geschokt,
+dat zij, zoodra zij op haar kamer was gekomen, last had gegeven dat
+haar kamenier het rustbed in orde moest maken.
+
+Nauwelijks was dit gereed of in groote vermoeidheid zeeg Issi neer en
+stamelde om een doctor.
+
+De kamenier, een vertrouwde van Forster,—want hij had het personeel
+zelf gekozen om zeker te zijn van alle maatregelen,—ging naar de
+Bibliotheek en bracht de boodschap over.
+
+—Vervloekte nonsens,—bromde Forster.—Is het zoo erg?
+
+De kamenier, die waarschijnlijk getroffen was door Issi’s lijdend
+gelaat, zeide:
+
+—Ditmaal geloof ik dat het zeker noodig is, Sir. ’t Is trouwens een
+veel te mooi duifje om nu al dood te gaan.
+
+Forster greep het telefoonboek.
+
+Welken doctor moest hij nemen?
+
+Allemaal kwakzalvers!
+
+Wacht, een professor. En dan liefst een buitenlandsche.
+
+Forster sloeg een blad op, waarin iedere week de bezoeken van beroemde
+vreemdelingen werden aangekondigd.
+
+Hij lette er niet op dat hij een courant nam van een maand oud, doch
+zag alleen: „Aangekomen in Victoria-Hotel, appartement nummer I,
+Professor Edenshir van Oxford, specialiteit in zenuwziekten.”
+
+Het telefoonnummer stond er bij, zoodat, wilde men den geleerden
+bezoeker zèlf opbellen, men dit doen kon.
+
+Nu wilde het grillige lot, dat Professor Edenshir vertrokken was en dat
+Raffles met Charly de kamers in het Victoria-Hotel betrokken hadden.
+
+Raffles wist dit wel en reeds twee malen had een persoonlijk bezoek van
+een patiënt tot een grappige vergissing gevoerd.
+
+De telefoon belde en Raffles zeide:
+
+—Weer voor de zenuwspecialiteit? Waarachtig, Charly, als het niet
+verandert zie ik mij genoodzaakt me in te laten schrijven als student
+in de zielkunde om later te kunnen practiseeren.... Hallo!—
+
+Aan de andere zijde deed Forster op zijn bekende ruwe manier zijn
+verhaal, en Raffles luisterde met spanning.
+
+Eindelijk hoorde Charly Raffles zeggen:
+
+—Goed, Sir Forster. Ik kom binnen ’t uur.
+
+Hij legde de telefoon neer, en streek zich in gedachten over ’t
+voorhoofd. Langzaam liep hij op Charly toe en sprak:
+
+—De hand van ’t noodlot, Charly!—
+
+—Mijn God, Edward! Wat is er?
+
+—Ah! Wees niet ongerust. Ge wildet de millioenen-koningen van dichtbij
+zien? Ge kunt het. Een hunner, Forster, ik hoorde weinig goeds van hem,
+telefoneerde om professor Edenshir voor de zenuwen van zijn vrouw. Wij
+gaan er heen.
+
+—Edward!—
+
+—Nu?
+
+—Pleeg geen onzinnige daad.
+
+—Welke?
+
+—Ge wordt bij een patiënt geroepen.
+
+—Och, kom! ’t Is een zenuwgeschiedenis, misschien wel eene van de
+„mode”. Koud water, Charly, èn rust. Dat is mijn methode. Geloof mij,
+dat ik mij niet in gevaar begeef.
+
+Hoe gaarne Charly ook meeging, toch vond hij het raadzamer om thuis te
+blijven, zoodat Raffles alleen per auto zich brengen liet buiten
+New-York, waar het huis van den „staalmagnaat” gelegen was.
+
+—Vóór u naar de zieke gaat—verzocht hem de portier van Forster—wordt u
+gewacht bij Mr. Forster.
+
+—Breng mij er heen—gelastte Raffles.
+
+Weinige oogenblikken later stond Professor Edenshir, alias Raffles,
+voor Forster.
+
+Onbeleefd, onhandig, ruw, ontving de werkman-millionnair de elegante
+verschijning van Raffles, die zich nu al geweldig ergerde bij het zien
+van zulk een onaangenaam uiterlijk.
+
+Hij nam daarom ook maar onmiddellijk de gelegenheid waar om zelf de
+richting van het gesprek aan te geven en vroeg:
+
+—Is mijn consult voor u persoonlijk?
+
+—Neen!—viel Forster barsch in.—Jullie geleerde heeren meenen zeker dat
+heel de wereld ongezond is. Ik ben niet ziek. En al was ik ziek, dan
+nog kwam er geen doctor bij mij.
+
+—Mijnheer—viel Raffles in—u kunt sterk wezen, gezond naar ’t uiterlijk,
+maar u lijdt aan een ernstige kwaal.
+
+—Wat zegt u?—zeide Forster, veel minder gerust dan even daarvoren.
+
+—U lijdt—herhaalde Raffles—aan een geheime kwaal.
+
+—Welke?
+
+—Extroiridatismisme. [1]
+
+—Dat versta ik niet.
+
+—’t Is niet te vertalen,—zeide Raffles—doch ik kan u onder mijn
+behandeling nemen.
+
+—Is ’t gevaarlijk?
+
+—Nogal.
+
+—Direct gevaar??
+
+—Wanneer u dringende zaken hebt te doen, kunt u ze eerst wel
+afhandelen, want mijn behandeling is van dien aard, dat u volkomen rust
+moet genieten.
+
+—Dat is tenminste een eerlijke verklaring—meende Forster.—Andere
+doctoren zouden beginnen met mij nu al te pijnigen met rust, nu, nu al
+mijn werk noodig is aan een buitengewone zaak. Doch verder. Ik heb u
+laten roepen voor mijn vrouw. Op geld—vervolgde Forster—behoef ik niet
+te zien. Doch ik wil mijn vrouw gezond hebben.
+
+Raffles luisterde aandachtig toe.
+
+—Hoe oud is de patiënte?
+
+—Een en twintig jaar.
+
+—En u?
+
+—Drie en vijftig.
+
+—Kinderen?
+
+—Gelukkig niet.
+
+—Waren er voor dezen dag meerdere verschijnselen van zenuwachtigheid?
+
+—Voor zoover ik weet niet!
+
+—Hoe is haar familie?
+
+—Vader doodgebleven voor een hoogoven.... een bak gloeiende erts over
+’t lichaam. Moeder leeft nog,—bitste Forster kortaf. Die kerels vroegen
+ook letterlijk alles.
+
+Raffles gaf te kennen de patiënte te willen zien.
+
+Hierop deed Forster schaamteloos een omstandig verhaal, hoe hij het
+noodig oordeelde zijn vrouw te behandelen en eindigde:
+
+—U is dus gewaarschuwd. Iedere poging om haar van onder mijn macht te
+krijgen wordt gestraft.
+
+Raffles was hevig verontwaardigd. Zulk een dier-mensch had hij nog
+nooit ontmoet en met een niet te miskennen bitterheid antwoordde hij:
+
+—Uw wil als echtgenoot zal geschieden, doch mijn eisch als medicus moet
+in alles geëerbiedigd worden!
+
+—Dat zal gebeuren.
+
+Hierop werd professor Edenshir naar de kamers van Issi gebracht en
+Forster gaf de kamenier een wenk om goed op te letten. Zelf keerde hij
+terug naar zijn werkkamer in de bibliotheek.
+
+Zoodra Raffles op het rustbed toegetreden was beval hij:
+
+—Open die gordijnen.
+
+—Mevrouw wenscht dat niet—wierp de kamenier tegen.
+
+Raffles sprak niet, liep op de zware overgordijnen toe, en schoof ze
+met kracht op zijde.
+
+Het volle daglicht stroomde de kamer binnen.
+
+—Dank u, doctor!—fluisterde de patiënte.
+
+De kamenier was ontzet. Zulk een man had zij nog nooit gezien. Zij
+keerde zich om, want Raffles had zulk een gloed in de oogen dat zij ze
+niet weerstaan kon.
+
+Nu boog hij zich over Issi heen en deed precies alsof hij een arts was
+die een diagnose stellen moest.
+
+Inmiddels bemerkte hij dat de kamenier de minste zijner bewegingen
+volgde en met scherpte toeluisterde of zij ook iets hooren kon.
+
+—Roep uw meester hier—beval Raffles na verloop van een twintig
+minuten—èn vlug!— — —
+
+De kamenier vloog weg.
+
+Ademloos kwam zij binnen bij Forster en hijgde:
+
+—Dat is een duivel, die kerel! U moet komen! Dadelijk.
+
+Onwillig stond Forster op en ging met de kamenier mede.
+
+Inmiddels had Raffles gezegd:
+
+—Mevrouwtje, ik begrijp alles. Vertrouw op mij. Ik zal u redden. Doe
+alles wat ik zeg. Houd u ziek, doodziek en zeg niets. Opgepast,
+
+Hierbij had Raffles, die door innig medelijden bewogen was, de hand van
+Issi warm gedrukt, en hij voelde waarom Issi spontaan zeide:
+
+—Goddank!—
+
+
+
+Forster kwam luidruchtig binnen.
+
+—Waarom is ’t hier zoo licht?
+
+—Op mijn bevel!—antwoordde Raffles streng.
+
+—Zieken moeten duisternis hebben. Dan kunnen ze slapen.
+
+—Krankzinnigen of stervenden—antwoordde Raffles hàrd—hebben licht
+noodig. U hebt recht als man, doch ik als geneesheer. Dit moet open
+blijven.
+
+Forster zweeg nijdig stil.
+
+Wat een beweging! Welk een ellende! Een geschiedenis die onaangenaam
+was.
+
+—Wat is het geval?—vroeg hij gemelijk.
+
+—Er schijnt hier iets ontzettends gebeurd te zijn. Deze jonge vrouw is
+buitengewoon mishandeld. Weet u daarvan?
+
+—Ik niet!—zeide Forster.
+
+—Onmiddellijk moet hier een klacht bij de justitie ingediend worden. Er
+is hier iets vreeselijks gebeurd. Deze jonge vrouw is sterk getroffen
+in haar zenuwen. Zij heeft daarbij duidelijke sporen op het lichaam dat
+zij mishandeld is,—zeide professor Edenshir, die zeer sterk overdreef.
+
+—Justitie?....—bromde Forster, die nooit, of zelden althans, uit het
+veld geslagen was,—die duld ik niet.
+
+—Mijn ambt brengt het mee, Sir—gaf Raffles ten bescheid,—dat ik van
+gevallen als deze kennis geef aan de rechterlijke macht. Hier is,
+misschien buiten uwen wil, een vrouw krankzinnig gemaakt. Toen ik
+binnenkwam heerschte hier een atmosfeer die minstens 60 % stikstof
+bevatte. Afschuwelijk. Daar moet het sterkste gestel onder heengaan.
+Bovendien hebben mij de voeten der patiënte bewezen, dat zij gedurende
+langen tijd niet gewandeld heeft. Haar maag is niet in orde, haar geest
+verduisterd.... Lichamelijke uitputting.... ’t Is meer dan schande....
+
+Raffles wond zich op. Hij sprak met stemverheffing en met autoriteit,
+zóó dat Forster zich met verbazing afvroeg of de „gestudeerde lui” dan
+toch werkelijk zoo knap waren dat zij alles zagen.
+
+Forster vergat dat hij even te voren Raffles veel verteld had van de
+verhouding tusschen hem en Issi, en hoe hij, die steeds weer de macht
+van het geld huldigde, ook thans een mensch dwingen wilde al zijn
+handelingen goed te keuren.
+
+En Raffles maakte van al het meêgedeelde een gretig gebruik. Hij wilde
+probeeren of hij dezen parvenu een les kon geven, desnoods zijn gansche
+kapitaal afnemen om te kunnen verdeelen onder al de menschen die door
+Forster als dieren behandeld waren geworden of nog behandeld werden.
+
+Forster streek zich verlegen achter ’t oor.
+
+—Kan ik uw ambtsgeheim koopen?
+
+Raffles stond ineens voor Forster.
+
+Met een buitengewone zelfbeheersching zeide hij:
+
+—Ik, noch mijn collega’s zijn te koop, mijnhéér Forster! U moet niet
+denken, dat uw dollars alles kunnen dekken wat ’t licht niet
+aanschouwen mag. Uw jeugdige echtgenoote is doodelijk ziek. Of u neemt
+die maatregelen welke ik beveel, of ik klaag u aan.
+
+—Denkt u dus dat ik mij door jou de wetten laat voorschrijven?—riep
+Forster ruw uit.
+
+—Ge zult wel moeten—antwoordde Raffles kalm.
+
+—Mijn deur uit,—schreeuwde Forster.—Ik ben hier baas. Niemand anders.
+Begrepen.
+
+—Ik ga, mijnheer Forster. Ik klaag u aan als moordenaar!— —
+
+—Ga je gang,—brulde Forster.—Meen niet, dat ik, de staalmagnaat, iets
+vrees. Staal is mijn kapitaal, staal ben ik ook zelf!— — —
+
+Opeens veranderde professor Edenshir’s gelaat en fluisterend zeide hij:
+
+—Zie zoo, ik weet wat ik aan u heb. ’t Was alleen maar een proef. Doe
+nu wat ik zeg en alles komt goed voor u.
+
+Forster stond als van den bliksem getroffen.
+
+Hij begreep er niets meer van en mompelde bij zichzelf: „Voor die
+geleerde heeren moet je verduiveld altijd oppassen”— — —
+
+Professor Edenshir, alias Raffles, sprak nu kalm over de verschijnselen
+van de ziekte en constateerde dat Issi een lichten graad van
+krankzinnigheid had.—Het allerbeste—besloot hij—is dat u alles hier
+uit de omgeving weg laat ruimen. Niets mag hier blijven, en dan moet u
+een mannelijken verpleger nemen.
+
+—Dien heb ik.
+
+—Pardon, u moet een deskundige hebben. Ik heb een uitmuntenden
+assistent, die juist de geschikte man er voor is. Een kerel zonder
+medelijden. Iemand die een mensch kan zien sterven zonder een teeken
+van medegevoel.
+
+Forster vond dit goed en Raffles telefoneerde Charly onmiddellijk te
+komen.
+
+In het Latijn, waar Forster niets van verstond, gaf Raffles hem de
+noodige bevelen, en eer de nacht inging lag Issi voor een geopend raam,
+waar de heerlijke zomergeuren door naar binnenstroomden, en Issi’s
+zenuwen kalmeerden.
+
+Charly gedroeg zich als een voorbeeldige ziekenverpleger en Raffles zat
+bij Forster urenlang te praten.
+
+Professor Edenhirs kreeg zoo langzamerhand het geheele vertrouwen van
+Forster, die niet begreep dat een geleerde man zooveel van politieke
+aangelegenheden wist te vertellen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+RAFFLES DOET EEN ONTDEKKING.
+
+
+Er heerschte een oogenblik stilte in de bibliotheekzaal, waar Professor
+Edenshir met Forster zat te praten.
+
+Professor Edenshir had juist geluisterd naar de uiteenzetting van een
+beursspeculatie en zat nu te denken over het antwoord dat hij geven
+moest op de vraag van Forster: „Hoe is de politieke toestand op het
+oogenblik in Europa?”
+
+Raffles klopte langzaam en met grooten ernst de asch van zijn sigaar en
+zeide:
+
+—Die vraag, mijn waarde heer, is zeer moeilijk te beantwoorden. Vanzelf
+doet u deze met een bepaald doel. Ik mag toch wel aannemen dat u als
+groot-industrieel, als groot-kapitalist, zeer goed op de hoogte zijt
+van den algemeenen politieken toestand. U bedoelt dus de meer
+diplomatieke, de geheime nota’s der mogendheden. Nu ben ik wel-is-waar
+bevriend met verschillende diplomaten. Een geleerde moet zijn vrienden
+nooit zoeken in eigen kring, ziet u. Vandaar dat ik me speciaal heb
+toegelegd mijn vrijen tijd te besteden aan liefhebberij-politiek. Van
+liefhebberij is dit ernst geworden en menigmaal heb ik gezien dat een
+advies mijnerzijds gegeven opgevolgd is. Ik daarentegen hoorde dus de
+intiemste dingen en nu spijt het mij werkelijk, mijnheer Forster, dat
+ik u, uit kracht van die opgelegde geheimzinnigheid, niet vertellen mag
+wat ik er van denk.
+
+Forster’s oogen glinsterden. Deze kerel was een macht. Dien moest hij
+voor zich weten te winnen zonder dat het veel kostte. Die andere
+politieke kerels eischten zoo’n gruwelijk hoog aandeel in de winst dat
+hij het meer dan erg vond.
+
+Misschien wilde die professor wel toebijten. Geld was immers alles! En
+bovendien, deze kerel hier wist immers niet van zaken doen?
+
+—U behoeft ook geen geheimen te verklappen, professor—poogde Forster
+vriendelijk te zeggen, terwijl hij Raffles voortdurend aanzag,—maar ik
+vroeg u alleen uw opinie.
+
+—Buitengewoon gunstig voor de staalindustrie—zeide Raffles
+geheimzinnig.
+
+—Meent u?—vroeg Forster in spanning.
+
+—Natuurlijk—antwoordde Raffles.—Het is immers al een publiek geheim dat
+men bezig is met het afsluiten van bindende contracten voor de komende
+jaren.
+
+Raffles vermoedde dit slechts op grond dat Forster er iets van had
+uitgelaten, doch nu hij het zoo positief zeide, gaf het den schijn,
+alsof Raffles meer wist en kreeg hij in de oogen van Forster een zeer
+bijzondere waarde.
+
+Forster zweeg stil. Hij probeerde, zooals hij het bij zichzelf noemde,
+„Professor Edenshir te vangen”, maar de gelaatstrekken van dezen waren
+zóó ondoorgrondelijk, dat hij met geen mogelijkheid iets te weten kon
+komen.
+
+Raffles van zijn kant moest meer weten van dezen millionnair. Dat hij
+iets in zijn schild voerde geloofde hij stellig. De belangstelling in
+de politieke omstandigheden was te gespannen om alleen een uiting te
+wezen van nieuwsgierigheid.
+
+Er zat iets achter.
+
+Wist Raffles nu maar met welke diplomatieke agenten de „staalmagnaat”
+onderhandelde, dan was hij al een heel eind verder.
+
+Hoe hij evenwel het gesprek wendde of keerde, Forster liet geen naam
+hooren en hulde zich in een geheimzinnigheid die zelfs Raffles niet
+vermocht te onthullen.
+
+Had Professor Edenshir nu maar niet gesproken over zijn politieke
+kennissen in dien zin dat Forster weten wilde wie het waren, dan was er
+nog een kans geweest.
+
+Nu was het slechts een vragen wederzijdsch zonder tot een oplossing te
+komen.
+
+’t Was nu reeds tegen middernacht en Raffles was nog niet ver
+gevorderd.
+
+Plotseling was zijn besluit genomen; hij zou probeeren door inbraak
+achter de geheimen van Forster te komen.
+
+Hij stond op en beweerde dat hij nog even naar de patiënte ging zien,
+om daarna naar zijn hotel te gaan.
+
+Morgenochtend vroeg zou hij terugkeeren.
+
+Forster kreeg op dat moment de post binnen, die een kantoorbeambte hem
+bracht, zoodat de gelegenheid gunstig was om heen te gaan.
+
+Gedurende enkele minuten bleef Raffles in de breede marmeren gang staan
+en deed alsof hij in gedachten verzonken was. Voor ’t geval dat ook
+professor Edenshir bespionneerd werd, nam hij dezen maatregel, die
+niets anders was dan om te zien of Forster zijn kamer ook verlaten zou.
+
+Langzaam ging hij naar de kamers, waar Charly als ziekenoppasser bij
+Issi was, die thans zekerheid had dat zij niet als een gevangene werd
+behandeld.
+
+Toen Raffles binnenkwam, snelde Charly op hem toe en zeide, zonder
+eenige tegenspraak te dulden:
+
+—Wat is dit nu weer voor krankzinnigheid?
+
+—Niets anders dan dit, beste jongen: Een jong onschuldig kind, dat in
+een zwak oogenblik toestemde in een huwelijk met een rijken plebéjer,
+moet beschermd worden. Daarenboven schijnt het mij toe alsof deze man
+iets in zijn schild voert dat niet deugt. Hij verdient een lesje. Dat
+is alles.
+
+—Waar bemoeit ge je mee?
+
+—Met alles waar ik plezier in heb.
+
+—Mooie genoegens—bromde Charly.—Wanneer je nu nog eens een grap
+uithaalt, maar dit is zoo wanhopig treurig.
+
+—Beste Charly, naderhand zult ge het goede hierin zien. Is je post van
+ziekenoppasser zoo zwaar?
+
+Zonder af te wachten ging Raffles naar Issi toe, die nog steeds voor
+het wijd geopende raam lag.
+
+Juist toen hij het raam wilde sluiten kwam de maan door de wolken en
+bescheen deze zacht den schitterend aangelegden weg door het park,
+loopende van den hoofdweg naar Forster’s huis.
+
+Raffles’ gedachten werden ineens in beslag genomen door een eenzamen
+wandelaar, die met voorzichtige schreden naderbij kwam en opzag naar de
+lichte vensters, waarachter Forster te werken zat.
+
+—Nog zoo laat bezoek?—mompelde Raffles bij zichzelf, toen hij den kerel
+de breede trappen van het bordes meende op te zien gaan.
+
+Toch werd er niet gebeld.
+
+Een van ’t personeel misschien.
+
+—Mevrouwtje—zoo begon Raffles tegen Issi—kan er nu nog bezoek komen?
+
+—Voor Forster!—antwoordde zij mat.
+
+—Zoo laat nog?
+
+—Geheime zaken—merkte zij smalend op.
+
+—Zoo! zoo!.... Een zaak als die van mijnheer Forster is geweldig van
+omvang. Zoo iemand heeft nooit rust.
+
+—Meent u?
+
+—Ja. Me dunkt ’t is altijd wat.
+
+—Men neemt te veel, professor! O, u weet niet wat het zeggen wil. Ik
+lijd er onder. Elke dag is mij ellendiger. En dan wil de kerel hebben,
+dat ik daarin zal meedoen. Hij eischt van mij dat ik den Russischen
+gezant tot mij halen zou, omdat het in zijn belang is. In den laatsten
+tijd, professor, heb ik gehoord van vergaderingen, waarin men het wel
+en wee uitsprak over millioenen.
+
+—Bereidt men een oorlog voor?
+
+Issi knikte slechts.
+
+—U behoeft mij niets meer te zeggen, ik weet voldoende.
+
+—Wat zult ge doen?
+
+—De plannen verijdelen.
+
+—Kunt ge dat?
+
+—Misschien.
+
+—Zijt ge even sterk als zij?
+
+Raffles glimlachte. Eigenaardig hoe men woorden overneemt van hen met
+wie men veel spreekt. Want onder de millionnairs werd nooit gevraagd
+„hoe rijk” maar „hoe sterk is hij?”
+
+—Wanneer ik niet even sterk ben, zal ik compagnons nemen.
+
+—Hoe zal men een professor in de zielkunde kunnen gelooven op
+zakengebied?
+
+—Vraag niet meer, later zal u alles duidelijk wezen.
+
+Issi zweeg even, doch zij begon later weer opnieuw:
+
+—Ik wil hier weg. Ik moet mijn vrijheid hebben. Ik kan zóó niet leven.
+
+—Waar is uw moeder?
+
+—Daar kan ik niet heen.
+
+—Ik zal morgen een schuilplaats voor u zoeken. Dan vlucht gij
+morgennacht met mijn vriend, die heden geregeld bij u is om u op te
+passen.
+
+—Dank u. Verlos mij van dien man. Ik heb hem nooit liefgehad.
+
+—Genoeg. Ga rusten. Tot morgen.
+
+
+
+Behoedzaam ging Raffles thans de trappen af. Juist wilde hij de deur
+der bibliotheek openen om zoo brutaal mogelijk binnen te treden,
+hopende daardoor te weten te komen, wie daar straks bij Forster was
+gekomen, of graaf Timmys trad hem opzijde.
+
+Het livrei-pak zat strak om het lichaam en de houding was onberispelijk
+voor een bediende.
+
+—Wel, graaf?—vroeg Raffles, onmeedoogend drukkend op het woord
+„graaf”—het schijnt dat ge u zeer goed kwijt van uw taak.
+
+Als getroffen door een zweepslag kromp Timmys ineen onder den
+doorborenden blik van Raffles.
+
+—Wat bedoelt ge?—vroeg Timmys stamelend.
+
+—Gij spionneert—minachtte Raffles terug.
+
+—Excuseer mij, professor. Ik doe alleen dienst als schildwacht.
+
+—En gij volgdet mij.
+
+—Ik stond in die nis, professor. Ik moet er voor zorgen, dat niemand
+die kamer binnengaat. Er is een bijeenkomst—fluisterde hij.
+
+—Is uw meester zoo laat bezig?
+
+—Heden wel.
+
+—Vergeef mij dan mijn meening. Ik dacht dat u spionneerde en dat vind
+ik vooral van u onverantwoordelijk. Hoe is het trouwens mogelijk dat
+gij in dezen dienst zijt?
+
+—Forster betaalt goed.
+
+—Hoeveel?
+
+—Duizend dollar per maand.
+
+—Hm!... En daarvoor bewaart gij geheimen, die zooveel schatten meer
+waard zijn?
+
+—U vergist zich, professor. Niemand weet hier geheimen. Alleen
+personenkennis. Maar wat er gesproken wordt tusschen Forster en den
+Russischen gezant is ons een raadsel.
+
+—Dus de gezant is er?
+
+Timmys werd eerst doodsbleek, toen vuurrood en met één sprong greep hij
+een dolk, die in de nis lag.
+
+Raffles had alles opgemerkt, doch vóór dat graaf Timmys bij hem was,
+had Raffles zich tot hem gekeerd, greep den pols als met een schroef
+vast, zoodat de dolk kletterend op den grond viel.
+
+Timmys had een gesmoorden vloek doen hooren en wreef zich, een pijnlijk
+gezicht zettende, met kracht den ontwrichten pols.
+
+—Dwaas die gij zijt—zeide Raffles,—gij wildet mij dooden. Waarom?
+
+—Gij weet iets dat niemand weten mag. Gij moet sterven.
+
+—Dat is zoo. Maar thans nog niet. Wees eens even kalm. Jij hebt mij
+niets gezegd, is ’t wel? En wat wildet ge nu doen? Dooden kunt ge me
+niet. En verraden zal ik je niet. Vervloekte Portugeesche driftkop,
+denk je, dat ik met jullie vervloekte geschiedenissen iets wil te maken
+hebben?
+
+Hem moet ik eerst voor een poosje opbergen. Hij is te gevaarlijk door
+zijn ongemotiveerde drift, overlegde Raffles bij zichzelf. Ik zal hem
+thans even geruststellen, maar morgen is het tijd om te werken.
+
+Hier was iets geheimzinnigs, iets dat hij doorgronden wilde. Hij
+gevoelde het als een ding van groot belang.
+
+Raffles nam een bankbiljet van vijftig dollar.
+
+—Pak aan, graaf!—spotte Raffles—en wee je gebeente als ge me een
+stroobreed in den weg durft leggen.
+
+En terwijl hij wachtte totdat zijn auto voorkwam, dacht Raffles al maar
+over de plannen die hij uitvoeren moest als hij tot een oplossing komen
+wilde.
+
+De ontdekking wàs er, maar wat zou deze brengen?
+
+Raffles zat eenige oogenblikken daarna rustig in zijn auto, die met
+snellen gang hem voerde naar het Victoria-Hotel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTVLUCHTING VAN ISSI.
+
+
+Den volgenden morgen ging Raffles reeds vroeg naar het huis van Forster
+toe.
+
+Hij had zich voorgenomen dat hij, eer het jaar vier en twintig uren
+ouder was geworden, al een heelen boel gedaan moest hebben.
+
+Het zou een drukke dag van voorbereiding, een drukke avond en nacht van
+uitvoering wezen!— —
+
+Met vluggen, jeugdigen stap klom hij de treden van het bordes op en
+liep den portier voorbij, alsof hij reeds een bekende in Forster’s huis
+was.
+
+Zijn eerste gang was naar Issi’s kamers.
+
+Binnengekomen zijnde informeerde hij eens naar de gezondheid van Issi.
+De rust had haar zichtbaar goed gedaan en zij zag er jeugdiger en
+schooner uit dan ooit.
+
+Raffles vroeg zich opnieuw af, hoe of het mogelijk was geweest dat dit
+meisje getrouwd was met een zooveel ouderen man, die daarenboven nog
+een wreedaard was.
+
+—Mevrouwtje—zoo sprak Raffles—ik ga aanstonds op weg een goede
+schuilplaats voor u te zoeken. Blijft gij bij uw besluit?
+
+—Zeker, professor.
+
+—Goed. U begrijpt wel dat uw echtgenoot géén toestemming geeft tot uw
+vertrek. Daarom zullen wij geheimzinnig te werk gaan en uw heengaan zal
+zoo iets van een vlucht wezen.
+
+—Alles is mij wel, professor,—antwoordde Issi,—ik wil alleen weg van
+onder de macht van dezen man. ’t Moet!
+
+—Dat zal gebeuren. Houd u rustig en luister naar den raad van mijn
+assistent. Deze handelt meestal in mijn geest en zal u, mocht er
+onverhoopt een voorval komen waaruit het werken van Forster blijkt,
+bijstaan. Zorg er voor dat u hedenavond zeer sterk zijt.
+
+Hierop ging Raffles weer heen, na nog even met Charly te hebben
+gesproken.
+
+Zijn eerste gang was naar Forster’s kamers.
+
+Een bediende verwittigde Raffles dat Sir Forster reeds vroeg uitgegaan
+was en hem verzocht had te vragen of professor Edenshir naar het bureau
+der hoogovens komen wilde, waar Forster op hem wachten zou.
+
+—Zeer goed. Is graaf Timmys hier?
+
+—Deze is hedenmorgen vroeg vertrokken.
+
+—Waarheen?
+
+—Naar New-York.
+
+—Ontslagen?
+
+—Neen, professor. ’t Was een buitengewone spoedboodschap, welke
+verricht moest worden.
+
+—Waarom moest Timmys dat doen?—vroeg Raffles voorzichtig. Hij wilde
+probeeren dezen knecht uit te hooren.
+
+—Dat is werk wat Timmys altijd doet.
+
+—Is Timmys langer hier in dienst dan gij?
+
+—O neen! veel korter.
+
+—Dan begrijp ik niet dat Forster u niet belast met geheimzinnige
+zendingen... of—voegde hij er zacht aan toe—zijt gij niet betrouwbaar?
+
+—Ik dien nu drie jaren hier. Ik ben reeds huisknecht bij hem geweest
+toen hij nog niet getrouwd was. Ik ben maar een eenvoudige jongen, Sir,
+maar eerlijk. Ik heb veel gezien van mijn heer en meester, maar ik moet
+zwijgen, omdat ik veel verdien en daardoor mijn oude ouders steunen
+kan. Maar anders bleef ik geen uur meer hier.
+
+Raffles keek den spreker eens scherp aan. Was dit soms een comediespel
+om hem in een val te lokken?
+
+Doch neen. De kerel was zoo onbevangen, deed zoo eenvoudig, dat het
+waarheid wezen moest wat hij stond te vertellen.
+
+Raffles moest de proef op de som hebben.
+
+—Dus als gij evenveel, zoo niet meer zoudt kunnen verdienen ging gij
+weg?
+
+—Ja. ’t Is hier met al die baronnen en graven géén werk. Op ’t
+oogenblik ben ik even rustig. Ik moest van Timmys wacht doen, maar
+anders commandeert dat „kanalje” mij veel meer dan vroeger Forster.
+
+—Goed. Je wilt weg. Ge kunt bij mij komen.
+
+—Hier?
+
+—Wat bedoel je. Hier in New-York?
+
+—Ja, Sir!
+
+De man stamelde van hoop en blijdschap en keek naar Raffles’ lippen om
+te zien als het ware, wat professor Edenshir zeggen zou.
+
+—Gij blijft hier in New-York. Onder één voorwaarde.
+
+—En die is?
+
+—Dat gij mij trouw zult dienen en alles zult doen wat ik wensch.
+
+—Sir!—antwoordde de man eenvoudig—ik wil dit alles zéker doen. Maar ik
+heb hier veel geleerd en vertrouw weinigen meer. Ik behoef toch b.v.
+nooit iemand te......
+
+De man zweeg.
+
+—Nu?—vroeg Raffles.
+
+Even schudde de man met ’t hoofd en sloeg de oogen neer.
+
+Toen zeide hij heel zacht, zonder verband tusschen zijn daareven
+gesproken woorden:
+
+—Iemand kwaad te doen bijvoorbeeld.
+
+Raffles dacht na. Deze vraag werd niet zonder bedoeling gedaan. ’t Was
+wel zeer eigenaardig, dat hij dezen man nù ontmoeten moest. Probeeren
+dan of hij er profijt van hebben kon.
+
+—Hoe komt ge aan zulk een gedachte?
+
+—Dat weet ik niet. ’t Was alleen maar een vraag.
+
+—Hebt ge hier dan al eens iemand moeten vermoorden bijvoorbeeld?
+
+Een doodelijke bleekheid toog over ’s mans gelaat. Er ging Raffles
+plotseling een licht op. Deze man bleef dáárom bij Forster. ’t Kon niet
+anders. Hij was geketend aan dit bestaan en durfde wellicht niet eens
+buiten New-York, bang als hij was dat men hem nog eens arresteeren zou.
+
+Welk een geheim zou hier nu weer achter zitten?
+
+Raffles streek zich over ’t hoofd en zeide daarna:
+
+—Uw vraag, uw gansche optreden geeft mij te denken. Ik wil eens ernstig
+met je spreken. Misschien zal dat je goed doen. Kunt ge hedenavond bij
+mij komen?
+
+—Waar?
+
+—Om acht uur in het Victoria-Hotel.
+
+—Neen, professor. Dat zal niet gaan. Ik heb vanavond dienst.
+
+—Is hier dan geen stil plaatsje waar wij kunnen spreken?
+
+—Jawel, maar zeer gevaarlijk.
+
+—Dat is minder.
+
+—En dan, professor, niet om acht uur, maar om twaalf uur hedennacht.
+
+Raffles keek weer naar den huisknecht. Vermoedde men iets van de
+plannen omtrent Issi’s vlucht?
+
+Dat was toch niet mogelijk. Dat kon niet. ’t Was een merkwaardige
+samenloop van omstandigheden, die, wanneer men de macht had ze te
+gebruiken, allen dienstbaar gemaakt konden worden aan het doel wat
+Raffles zich voorgesteld had.
+
+Buitendien, wanneer hij er voor zorgde dat Issi, bijgestaan door
+Charly, vluchten kon, dan was hij hier toch.
+
+—Ik zàl komen!—zeide Raffles met harde stem, terwijl hij den man
+doordringend aanzag.—Maar weet dat ik nooit bang ben. Begrepen?
+
+Hij zweeg even en zeide daarna:
+
+—Wijs mij de plaats waar ik wezen moet!
+
+—Weet u de bibliotheek?
+
+—Ja. Ga voort.
+
+—Die trap gaat ge op en ik zal er wezen om met u te gaan.
+
+Raffles verdiepte zich er niet verder in, want hij moest nog heel wat
+doen. Hij nam dus afscheid van den huisknecht en reed enkele minuten
+later naar het bureau van Forster, bij de hoogovens en ijzerfabrieken.
+
+Raffles werd ontvangen door een ambtenaar, die hem onmiddellijk naar
+Forster bracht.
+
+—U komt juist intijds, professor—riep Forster op zijn gewone
+luidruchtige manier. Hij zag er zeer opgewonden uit.
+
+—Dat doet mij werkelijk genoegen. De patiënte..
+
+—Ja, ja!—viel Forster hem plotseling in de rede—dat komt wel. Ik ben op
+het oogenblik aan geheel andere dingen bezig. En ik wilde u juist
+vragen of mijn vrouw vervoerd kan worden.
+
+—Waarheen—vroeg Raffles in groote verbazing.
+
+—Naar de buitenplaats van een mijner vrienden.
+
+—Naar den Russischen gezant?—vroeg Raffles.
+
+Als geëlectriseerd sprong Forster op.
+
+—Hoe—weet—u—dat?...
+
+Woest rolden zijn oogen door hun kassen, doch Raffles bleef kalm staan
+en zeide:
+
+—Gewoonlijk weet ik alles, zonder dat ik er moeite voor doe. Gedachten,
+vriend. Gedachten, anders niet. U weet uw ziekteverschijnsel gaf mij
+redenen tot nadenken en dit bracht mij de wetenschap dat u zeer veel
+hooggeplaatste personen telt onder uw kennissen. Op ’t oogenblik is uw
+vriendschap buitengewoon voor dezen gezant, maar toch zal ik mij er
+ernstig tegen moeten verzetten dat u uw echtgenoote er zult heen
+brengen. Vertrouw haar liever toe aan een goed sanatorium, waar liefde
+en vrede, licht en reinheid heerschen.
+
+Forster stond precies als een buldog, die gereed is voor een sprong
+naar het slachtoffer.
+
+Raffles keek hem strak aan.
+
+’t Was een zwijgend beproeven van elkanders krachten, want nu Raffles
+zekerheid had dat er groote geheimen bestonden, wist hij ook dat er
+zeer veel op ’t spel stond.
+
+En gedachtig aan Issi’s woorden voelde hij, dat hier een inspannend
+maar goed werk te doen was.
+
+—Wat u weet is gevaarlijk, professor—merkte Forster op.
+
+—Meent u?
+
+—Zéér gevaarlijk.
+
+Forster drukte enorm op deze woorden, hij wilde professor Edenshir bang
+maken.
+
+—Ik gevoel niets van dat gevaar. Waarschijnlijk is het dus geheel aan
+uw zijde....—zeide Raffles nonchalant.
+
+De aderen van Forster rezen op zijn voorhoofd, en toornig stiet hij
+uit:
+
+—Mijnheer, nog nooit heeft iemand mij durven noch kunnen dwarsboomen.
+Door u laat ik ’t ook niet doen. Wie mij in den weg staat ruim ik op.
+
+—Een oud handwerk van u?—merkte Raffles vragend op.
+
+Forster wankelde.... Hij keek met groote oogen naar Raffles en
+stamelde:
+
+—Wie zijt gij? Hoe durft ge?....
+
+—’t Doet mij genoegen, waarde Forster, dat ge mij, hoewel ik eigenlijk
+niets positiefs gezegd heb, gesterkt hebt in mijne meening.
+
+Forster zeide niets, maar toen Raffles met een energieke beweging de
+deur opende en heenging met de woorden: „Als u beleefder en kalmer zijt
+geworden kom ik naar u toe”, kende zijn drift geen grenzen meer. Hij
+nam zich voor om professor Edenshir te dooden.
+
+
+
+Raffles huurde daarna in een der meest afgelegen parken een kleine
+villa.
+
+’t Was minstens zes à zeven uur rijdens van Forster’s woning af, zoodat
+als Issi hier naar toe vervoerd werd, men niet bevreesd zou wezen dat
+zij de eerste tijden ontdekt zou worden.
+
+Raffles liet alles gereed maken, zóó, dat het voor een jonge vrouw een
+lusthof was.
+
+Er waren kamers vol licht en lucht, met smaak gemeubileerd en voorzien
+van alles wat een rustigen, aangenamen indruk maakt.
+
+Hij nam een dienstbode aan, iemand van wie een informatie-bureau
+gunstige getuigenis gaf en liet deze direct alles in orde maken voor de
+komst van Issi.
+
+Toen ging hij naar Forster’s huis, nadat hij zich eerst overtuigd had
+dat Forster nog op het Bureau was.
+
+Tijdens Raffles’ afwezigheid was Timmys teruggekomen en met een bijna
+volkomen onderdanigheid boog deze.
+
+—Graaf Timmys, ik kom daar juist van mr. Forster,—zeide Raffles.
+
+—Ja, Sir?
+
+—Mevrouw moet naar het buiten van den Russischen Gezant.
+
+Een glimlach vloog over Timmys’ gelaat.
+
+—Dat is zeer vlug. Ik ga nu mede naar Engeland,—zeide Timmys, die, nu
+professor Edenshir meer wist dan gisteren, meende dat hij alles zeggen
+moest.
+
+—Timmys—hernam Raffles—ge moet me helpen.
+
+—Zeer gaarne. Ik wensch het gebeurde van gisterenavond goed te maken.
+
+—Prachtig. Maak de groote reisauto gereed. Wij kunnen mevrouw daarmede
+vervoeren. Doch vlug. Want binnen ’t uur moet ik weer bij Forster terug
+wezen.
+
+Timmys ging zich van zijn taak kwijten.
+
+Raffles vloog naar boven en gaf Charly en Issi last vlug voort te
+maken.
+
+Toen ging hij vlug naar beneden en liep naar de Bibliotheek, waar de
+huisknecht nog was.
+
+—Hedenavond ben ik niet hier. Kom morgen bij mij. Ge kunt onmiddellijk
+in dienst komen bij Lord Divonshart in het „Liveman-park”, Villa nummer
+18.
+
+—Morgen?
+
+—Ja.
+
+—Maar hier dan?
+
+—Een getuigschrift is voldoende.
+
+—Dat krijg ik niet.
+
+—Wil ik er een maken voor je?
+
+—Is ’t voor uw vriend?
+
+—Ja. Maar later kan het je toch te pas komen. Geef me papier. Ah! laat
+me even plaats nemen voor ’t bureau van je meester.
+
+—Professor!.... riep de man verschrikt—dat mag niet!
+
+—Ach wat. Ik weet toch alles.
+
+—Ge jaagt mij den dood in. Als Mr. Forster merkt dat gij er gezeten
+hebt, vermoordt hij mij.
+
+—Dan komt ge mij maar dadelijk achterop.;
+
+—Ik màg niet!
+
+—Lafaard! Wel durfdet gij een daad doen die veel erger is....
+
+—Hoe weet ù dat,—riep de man ineenkrimpende van smart.
+
+—Forster vertelde ’t mij!
+
+—Dat is gemeen!
+
+—Blijft ge dus nog hier?
+
+—Neen!
+
+—Laat mij door! Ga naar het door mij opgegeven adres. Ge zult het er
+goed hebben.
+
+Raffles wachtte ’t antwoord niet meer af, maar trad brutaalweg de
+bibliotheek binnen.
+
+Alles was goed gesloten, doch Raffles had op dergelijken tegenslag
+gerekend. Hij zette zijn instrumentje om sloten te openen er op en het
+bureau, waarin zooveel geheimen waren, was voor Raffles publiek
+eigendom.
+
+Hij, die zoo menigmaal met allerlei dingen in aanraking was geweest,
+wist natuurlijk niet beter te doen dan te zoeken naar ’t een of ander
+verborgen laadje om te zien of hier bewijsstukken in lagen.
+
+Lang mocht hij evenwel niet talmen, want ’t werd tijd om heen te gaan.
+
+Met razende vlugheid doorzocht hij het bureau. Niets te vinden.
+Misschien was alles in de brandkluis van het groote kantoor.
+
+Juist wilde Raffles den boel weer sluiten, toen hij vrij onzacht met
+zijn linkerhand in aanraking kwam met een knopje, dat beschermd werd
+door een laadje.
+
+Een paneel week op zijde en Raffles zag een met staalplaten bekleede
+ruimte, waarin papieren lagen.
+
+Zonder zich te bedenken stal hij deze en sloot alles verder zorgvuldig
+af.
+
+
+
+Vijf minuten later kwam professor Edenshir met Issi en Charly de
+trappen af en tien minuten later suisde de auto, bestuurd door
+professor Edenshir, door New-York’s straten de pas gehuurde villa
+tegemoet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN NIEUWE STAALSPECULANT.
+
+
+Graaf Timmys zat naast professor Edenshir voor in de auto en merkte met
+eenige verbazing op dat men niet naar het gewone buiten ging van den
+Russischen gezant.
+
+—’t Is ook een buitengewoon geval—antwoordde Raffles terug.—Zoo direct
+zijn wij er.
+
+Inderdaad. Raffles reed het park in en voor een allerliefste villa
+bleef de auto staan.
+
+De deur werd onmiddellijk geopend en het vriendelijke gelaat van een
+ongeveer veertigjarige meid-huishoudster werd zichtbaar.
+
+Tot heden toe liep dus alles goed.
+
+Prachtig zelfs.
+
+Met kalmte en waardigheid bracht men Issi naar een heerlijk groote
+tuinkamer, waar bloemen haar een vriendelijk welkom toeriepen.
+
+Toen dit geregeld was gaf Raffles Charly een wenk en zeide:
+
+—Graaf Timmys, wilt u mij even volgen?
+
+—Gaarne.
+
+Raffles ging naar een klein kamertje dat nergens ramen had. Wel was er
+een klein smal luchtgat, maar meer ook niet. ’t Scheen wel een
+proviandhokje te zijn, want nergens was ook maar een bewijs, dat er
+ooit iemand langer had vertoefd dan noodig was tot het verkrijgen van
+voorwerpen die daar opgeborgen waren.
+
+Raffles stiet met den voet tegen een soort matras, en hij mompelde:
+„Ah, toch om gedacht.”
+
+Hij keerde zich om en zeide tegen Timmys:
+
+—Ziehier uw kamer voor dezen nacht, morgen zullen wij nader spreken.
+
+Meteen gaf Raffles hem een duw, hield hem even een watje met vocht, dat
+een bedwelmenden invloed uitoefende, onder den neus en legde hem daarna
+neer op een matras, dekte hem toe met een deken, zette een zeer lange
+kaars bij hem neer, met allerlei benoodigdheden, zooals water, een
+fleschje wijn, cigaretten, opdat hij zich niet vervelen zou als hij
+ontwaakte.
+
+Raffles met Charly gingen nu naar beneden, en namen afscheid van
+elkander, met de belofte dat Charly zorgvuldig op zou passen, en dat
+Raffles zoo spoedig mogelijk terug zou keeren.
+
+Raffles reed nu met spoed naar het Victoria-Hotel, nadat hij eerst in
+een garage de boodschap achtergelaten had:
+
+—Breng die auto onmiddellijk bij Mr. Forster, „den staalmagnaat”, terug
+met dezen brief:
+
+De brief luidde:
+
+
+ Mr. Forster, bijgenaamd „de Staalmagnaat”.
+
+ Mijnheer!
+
+ Hierbij in beleefden dank terug uw auto, welke ik noodig had tot
+ uitvoering van mijn plannen.
+
+ Professor Edenshir met zijn assistent en uw echtgenoote heb ik
+ gevankelijk als reisgezelschap meegenomen bij mijn vertrek naar de
+ oude wereld.
+
+ Van mij zult gij, indien ge mij met rust laat, geen last
+ ondervinden in uw poging om uw millioenen op een oneerlijke wijze
+ te vermeerderen.
+
+ GRAAF TIMMYS.
+
+
+Daarna ging Raffles weer terug naar het Victoria-Hotel, na eerst
+zorgvuldig de grime van professor Edenshir te hebben verwijderd.
+
+Reeds dadelijk bij zijn binnentreden werd hij hartelijk verwelkomd door
+den directeur van het mooie, groote hotel en deze informeerde
+belangstellend naar het uitstapje, dat Lord Divonshart gedaan had in de
+provincie New-York.
+
+Lord Divonshart ging naar zijn appartementen, en opende nu de stukken,
+die hij gestolen had uit het bureau van Forster.
+
+Getallen... niets dan getallen, die millioenen vertegenwoordigden....
+
+Maar boven dit alles een plan dat opeens de geheimzinnigheden openden
+die Forster omgaven.
+
+Forster moest al het staal en ijzer, alle grondstoffen aankoopen tot
+een lagen prijs. Hij en een graaf, verbonden aan een der
+gezantschappen, waren de compagnons in deze millioenen-affaire.
+
+Wanneer nu alles in hun handen vereenigd was, zou men invloed gaan
+uitoefenen op de internationale politiek, dat wil zeggen, men zou
+partij probeeren te trekken van geschillen, die tusschen de mogendheden
+gerezen waren.
+
+Dan zou men aanvankelijk doen alsof de voorraden staal en ijzer
+gecontracteerd verkocht waren aan één mogendheid en de andere zou zeer
+hooge prijzen gaan besteden voor staal en ijzer.
+
+De beurs was op ’t oogenblik wat men in deskundige kringen slap noemt.
+Alleen iedereen was verbaasd dat Forster door talrijke agenten alles
+opkocht wat ook maar eenigszins dienstig was.
+
+De internationale berichten waren immers zóó rustig dat niemand in de
+eerste jaren althans eenige vrees koesterde dat het tot een oorlog
+komen zou.
+
+En Forster’s plannen waren zoo geheimzinnig, zóó af, zóó buitengewoon
+ondoorzichtig, dat men met geen mogelijkheid ook maar bij benadering
+raden kon wat er eigenlijk gebeurde.
+
+Raffles las aandachtig al die plannen, die, hoewel nog geheel
+onvolledig, hem een inzicht gaven in de ploertige wijze van werken, die
+de „staalmagnaat” er op nahield.
+
+Zorgvuldig borg hij de dingen in een enveloppe weg en sloot ze in een
+der koffers, die op zijn pakkamer stonden.
+
+Toen zette hij zich nader en dacht zeer ernstig na.
+
+
+
+Forster was thuisgekomen en ging allereerst naar de vertrekken van zijn
+vrouw.
+
+Niemand was er aanwezig.
+
+Wat kon hier gebeurd zijn?
+
+Een angstig voorgevoel maakte zich meester van Forster.
+
+Hij riep de kamenier bij haar naam, doch kreeg geen enkel antwoord.
+
+Zijn oog viel op een klein briefje, dat op een werktafeltje lag.
+
+Hij rukte het open en las:
+
+
+ Mijnheer Forster!
+
+ Vanmiddag verzocht graaf Timmys mij even een boodschap te doen. Ik
+ ging. Bij mijn terugkeer zag ik niemand meer. Zelfs John was
+ vertrokken. De overige bedienden wisten van niets en ik deed
+ onderzoek. Het bleek mij dat mevrouw gevlucht is en ik wilde mij
+ niet blootstellen aan uw toorn.
+
+ Vergeef mij.
+
+ CHARLOTTE,
+ kamenier.
+
+
+Roerloos stond hij daar.
+
+Eindelijk rilde hij, als schudde hij iets van zich af en liep naar de
+breede marmeren gang.
+
+Met luide stem brulde hij:
+
+—Timmys!... Timmys!!...
+
+De deuren der kamers van het overige dienstpersoneel werden geopend en
+men snelde naar Forster toe, die nog steeds stond te roepen!...
+
+Niemand kon antwoord geven op de vragen, de driftige vragen van
+Forster.
+
+Stil!
+
+Een auto reed voor!
+
+Forster zelf vloog naar de deur en liep den chauffeur, die het briefje
+met de auto bracht, bijna omver.
+
+—Vanwaar komt ge?
+
+—Garage „Motor Car’s Cy.”—antwoordde de man.
+
+—Wat moet je?
+
+—Dit briefje geven—zeide de chauffeur nijdig, die alles behalve
+gesticht was over den door Forster gebruikten toon.
+
+Forster las met inspanning het geschrevene.
+
+Hij waggelde naar binnen, zocht een doorgang door de opdringende
+bedienden en sloot met harden slag de deur der bibliotheek.
+
+De beheersching was evenwel te hevig geweest en een groote zwakte kwam
+over den „staalmagnaat”.
+
+Ruim een uur zat hij zoo.
+
+Toen was het alsof hij opleefde.
+
+—Wat weet die Timmys eigenlijk? Hij weet dat ik in geheime betrekking
+sta tot enkele diplomaten, maar meer ook niet. En dat hij ’t geheele
+rommeltje heeft meegenomen is mij wel. Als alles achter den rug is, en
+niemand mij meer treffen kan, zoek ik hem toch. Nu is het slechts
+uitstel van executie. Wacht maar, Timmys... Wacht maar!.... Het komt
+wel...
+
+Een vreemde glimlach ontsierde zijn toch al zoo wreed gelaat en het
+werd er nog onaangenamer door.
+
+Forster ging voor zijn bureau staan en drukte op het geheime knopje....
+
+
+
+Hij stak de hand uit... tastte driftig in ’t rond... vond niets...
+stiet een doordringenden kreet uit... en sloeg met een harden slag op
+den grond... bewusteloos.
+
+
+
+Uren lag hij zoo.
+
+Niemand van het personeel waagde het om binnen te komen en er heerschte
+een groote ontroering bij allen, die in het huis Forster’s waren.
+
+Den volgenden morgen drongen twee bedienden binnen en vonden Forster
+nog steeds bewusteloos. In allerijl werden doktoren geroepen, die
+onmiddellijk tot behandeling overgingen.
+
+Forster’s sterk gestel was een reden dat eenige uren later hij de oogen
+opsloeg en direct vroeg, zij het dan ook met zwakke stem:
+
+—Alles moet geheim blijven! Beloof me dit.
+
+De doktoren keken elkander aan.
+
+Forster zag dit. Hij werd driftig en riep thans, veel luider:
+
+—Is het al bekend? Vervloekt. Laat mij de couranten zien.
+
+De doktoren probeerden hem te kalmeeren, doch dit ging niet. Ten lange
+leste besloot men de couranten te geven en een hunner las een
+sensationeel stukje voor, dat dien dag aller aandacht getrokken had.
+Onder het dik gedrukte hoofd: „Een vreemde geschiedenis” meldden de
+bladen het volgende:
+
+
+ Heden is er in de wereld der geldkringen, in de omgeving der
+ speculanten, iets voorgevallen, zooals alleen in Amerika, de Nieuwe
+ Wereld, gebeuren kan.
+
+ Zoo men weet behoort de „staalmagnaat” Forster tot een der rijkste,
+ zoo niet de rijkste, mannen van onze wereld.
+
+ In enkele jaren tijds heeft hij het weten te brengen tot dezen
+ stand, hij die tot voor eenige jaren nog als gewoon werkman voor de
+ hoogovens stond.
+
+ Met de kracht van een electrische vonk heeft hij zich naar boven
+ gewerkt, maar evenals de vonk veel kwaad berokkenen kan, heeft hij
+ ook in zijn omgeving zeer veel leed veroorzaakt. Leed aan anderen,
+ leed aan onschuldigen. Iedereen die hem dwarsboomde, iedereen die
+ hem op eerlijke wijze bestreed, werd doodeenvoudig „opgeruimd”. Hoe
+ dat opruimen gebeurde, weten wij niet te zeggen, niettegenstaande
+ daarover allerlei geruchten de ronde doen.
+
+ Wel weten wij dat er een opmerkelijk aantal ongelukken voorviel
+ tijdens de dagen dat hij als werkman op de hoogovens werkzaam was.
+ Daarna was hij leider van de groote staking, die de ijzer- en
+ staalindustrie enorme nadeelen heeft gebracht. Bij de inwilliging
+ der eischen, zagen de directeuren van de verzamelde hoogovens hem
+ in hun midden opgenomen. Reeds toen begon de verrader zijn rol te
+ spelen. De arbeiders, wier belangen hij moest behartigen, werden
+ ontslagen, omdat machines hun werk verbeterden of vlugger deden.
+ Twee jaren nadien kwamen uit Europa onrustbarende berichten. IJzer-
+ en staalprijzen stegen per minuut en met millioenen werd er
+ gespeculeerd. Toen was hij het die door verzwijging van een
+ draadbericht op één dag heer en meester werd en hoofddirecteur der
+ beroemde hoogovens. Doch ook hier speelde hij een dubbele rol. Met
+ geld, verdiend door de hem toevertrouwde kapitalen, kocht en
+ verkocht hij privé, met het gevolg dat een jaar later hij optrad
+ als ijzer- en staalindustrieel met de nieuwste fabrieken en
+ hoogovens.
+
+ Forster zat evenwel nog niet stil. Eerzuchtig, hoogmoedig als hij
+ is, streefde hij naar wereldheerschappij en verzamelde onder het
+ mom van huisbedienden graven en baronnen om zich heen, die in
+ werkelijkheid niets anders schijnen te zijn dan gewetenlooze
+ diplomaten.
+
+ Een hunner, graaf Timmys, Portugees van geboorte, maar eertijds
+ verbonden aan verschillende gezantschappen, is heden met de
+ noorderzon vertrokken.
+
+ Hieraan is een inderdaad geheimzinnige geschiedenis verbonden.
+
+ Forster hield zijn mooie, jonge vrouw, die vroeger als typiste bij
+ hem was werkzaam geweest, gewelddadig gevangen met het gevolg dat
+ een zenuwspecialiteit noodig was om mevrouw Forster’s gezondheid te
+ herstellen.
+
+ Gedurende een tweetal dagen is deze specialiteit van goeden naam en
+ faam ten huize van Forster geweest. Gisteren schijnt deze
+ specialiteit onheusch te zijn behandeld en kreeg hij „toevallig”
+ woorden met graaf Timmys, die een dolk trok en den specialiteit te
+ lijf wilde gaan.
+
+ Of dit gebeurd is, staat nog niet vast. Wel zijn mevrouw Forster,
+ de zenuwspecialiteit en diens assistent met graaf Timmys spoorloos
+ verdwenen.
+
+ Evenals een bediende, die al gedurende enkele jaren bij Forster
+ dienstbaar was en die door de politie indertijd ijverig gezocht is
+ geworden in verband met een geheime moordgeschiedenis op een
+ secretaris van een bekend gezantschap.
+
+ Ook de kamenier is vertrokken.
+
+ Bij het instellen van een onderzoek bleek het Mr. Forster, dat uit
+ zijn privé-vertrekken gestolen zijn zeer belangrijke documenten,
+ waardoor de „staalmagnaat” zoo geweldig is geschrokken, dat een
+ aanval van beroerte niet uitbleef.
+
+ De doktoren hebben rust voorgeschreven en de verwachtingen zijn van
+ dien aard, dat het vermoeden gewettigd mag heeten, dat mr. Forster
+ binnen enkele dagen geheel hersteld zal zijn.
+
+ Intusschen zien wij vol belangstelling den uitslag van deze vreemde
+ historie tegemoet.
+
+
+Forster zweeg lang stil en vroeg: „Hoe weet men dit alles?”
+
+De doktoren moesten het antwoord schuldig blijven en Forster gelastte
+dat onmiddellijk de bedienden ondervraagd zouden worden.
+
+Een hunner wist te vertellen, dat een journalist was wezen vragen naar
+een en ander, maar dat hij niets had te weten kunnen komen.
+
+Op staanden voet werd de man toch ontslagen en Forster gaf bevel dat
+niemand eenige inlichtingen geven mocht.
+
+Dien dag hield Forster het bed.
+
+
+
+Met zware, sonore slagen klepelde de beursklok van het enorme groote
+beursgebouw in Wallstreet het aanvangsuur.
+
+Stroomen heeren renden naar binnen, liepen in haastigen pas de portiers
+voorbij en begaven zich allereerst naar de tijdingzalen, waar door
+middel van electrische „tijdingborden” de stand werd aangegeven van de
+verschillende fondsen die verhandeld werden.
+
+Het was een geraas en geweld, dat hooren en zien verging en nog steeds
+stroomden nieuwe bezoekers binnen.
+
+Overal hoorde men den naam van Forster noemen en vooral in den
+„staalhoek” was de stemming wonderlijk.
+
+De noteeringen waren dien dag buitengewoon laag en menigeen, die in
+tijden van spanning staal gekocht had, zag met bezorgde blikken de
+verschillende orders na, die blijken gaven van buitengewone slapte.
+
+Eenigszins bezijden de groep van staalspeculanten stond een knap,
+elegant heer met een beminnelijken glimlach op de lippen.
+
+’t Scheen wel alsof hij met alles en allen heimelijk spotte, zoo keek
+hij met een zekere minachting neer op al dat gewriemel rond hem heen.
+
+Hij had dien morgen gelezen dat de verhouding tusschen twee Europeesche
+mogendheden minder gunstig was, doch wist ook dat de staal- en
+ijzernoteeringen geheel in handen waren van Forster.
+
+Verschillende agenten kwamen op hem toe.
+
+—Koopen?
+
+—Neen!—klonk het flegmatieke antwoord—ik ben Lord Divonshart met een
+speciale opdracht hier aanwezig. Ik zoek Forster, een uwer
+groot-industrieelen.
+
+Enkele minuten later was Lord Divonshart, alias Raffles, omringd van de
+zwendelagenten van Forster.
+
+Zij allen hadden, zooals zij beweerden, enorme hoeveelheden staal en
+ijzer, goede kwaliteit, maar tegen zéér hooge prijzen.
+
+Lord Divonshart noteerde steeds maar neer, en ten slotte had hij
+minstens drie kwart-gedeelte van den aanwezigen voorraad gekocht.
+
+Alle verkooporderbriefjes werden geëndosseerd aan de Engelsche bank,
+die bij informatie mededeelde dat ten name van Lord Divonshart een
+bedrag was gedisponeerd van vijftig millioen dollar met een overwaarde,
+dat wil zeggen crediet van tweehonderd millioen dollar.
+
+Groot was de verbazing onder de „staalmannen” bij het hooren van deze
+sommen en iedereen poogde iets naders te vernemen van den
+geheimzinnigen Lord, die zoo groote koopen sloot.
+
+Niets kwam men evenwel te weten en de spanning steeg met ieder
+oogenblik.
+
+Morgen... morgen!... dan zou men ongetwijfeld meer weten.
+
+Lord Divonshart zat evenwel niet stil. Zoodra de beurs op het daarvoor
+gestelde uur gesloten werd, ging hij naar de fabrieken van Forster toe
+en vroeg de directie te spreken.
+
+Hier zette hij het doel zijner komst uiteen en na een zwaren strijd
+kreeg hij het zoover dat de directeuren, buiten Forster om, een koop
+afsloten, waarbij Divonshart eigenaar werd van de geheele massa staal
+en ijzer die in voorraad was, en ook de nog te maken voorraad gedurende
+twee jaren was zijn eigendom.
+
+Dit gerucht ging als een loopend vuurtje de beurswereld door en de
+meest scherpzinnigste handelaars waren voor een wijle op het dwaalspoor
+gebracht.
+
+Toen ’s avonds de beursberichten binnenkwamen bij Forster, hij was op,
+vreesden de doktoren een nieuwen aanval van beroerte, zóó hevig scheen
+hij getroffen door alles wat hij las.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+GEVALLEN.
+
+
+Nadat de doktoren Forster gekalmeerd hadden en hem een stillenden drank
+hadden ingegeven, wilde hij hebben dat men onmiddellijk de directie
+zijner fabrieken liet roepen.
+
+Deze kwam en geen pen ter wereld is in staat te beschrijven de woede,
+die Forster openbaarde. Als een duivel ging hij te keer en toen een der
+heeren opmerkte dat men toch in ieder geval een enorme winst had
+gemaakt, werd hij zoo boos, dat men vreesde voor zijn leven.
+
+En toch......
+
+Met ijzeren wilskracht hield hij zich staande en bezwoer dat hij tot
+iederen prijs de staalmarkt terug moest hebben. Hij, hij alleen moest
+de noteeringen hebben, niemand anders.
+
+De telefoon ging over en een der directeuren nam den hoorn ter hand om
+hem enkele oogenblikken later twijfelend aan Forster te geven.
+
+—Men vraagt u zelf!
+
+—Geef hier! Ja. Hallo? Wiedaar?
+
+ ... ... ... ...
+
+—Ah! Ja, dat is een beroerde geschiedenis. Men heeft gelegenheid gehad.
+
+ ... ... ... ...
+
+—Wat zegt u? Een Engelsche Lord?
+
+
+
+—Niet mogelijk. Dat is niet zoo. Ik zal probeeren met den man te
+handelen. ’t Moet. Niet goedschiks, dan maar op een andere manier.
+
+Nog zeer lang bleef Forster aan de telefoon. Men begreep zooveel wel
+uit het gesprek, dat men huiverde bij de plannen van dezen man.
+
+Doch niemand wist dat daar buiten Lord Divonshart, met een instrument,
+bevestigd aan den telefoondraad, alles afluisterde wat er gesproken
+werd tusschen Forster en zijn compagnon... een lid van een gezantschap.
+
+Een half uur later kwam een der directeuren van de Forster hoogovens
+bij Lord Divonshart in het Victoria-Hotel.
+
+—U wenscht?
+
+—Lord, ik kom in opdracht van mijn chef, mr. Forster. Of u onmiddellijk
+mee wilde komen?
+
+—Waarom?
+
+—Mr. Forster is eenigszins ongesteld en wenscht u te spreken.
+
+—Over den koop?
+
+—Ja.
+
+—’t Spijt mij zeer, maar ’t is mij onmogelijk. Wanneer ik mr. Forster
+hier ontvangen kan, zal mij dit zeer aangenaam zijn.
+
+Welke moeite men ook deed, Lord Divonshart, alias Raffles, was niet te
+bewegen om mede te gaan. Hij dacht: „Wanneer ik mij daarheen begeef,
+keer ik niet meer terug.”
+
+Onverrichter zake keerde de directeur terug.
+
+’t Zal zoowat middernacht geweest zijn, dat een auto stilhield voor het
+Victoria-Hotel en Forster, ondersteund door zijn twee directeuren,
+binnen trad.
+
+Lord Divonshart moest gewaarschuwd worden.
+
+Deze was nog op, want hij had dit bezoek verwacht.
+
+Forster trad gejaagd binnen.
+
+—Mijnheer—riep hij—u had wel wat meer medelijden mogen hebben.
+
+—Waarom?
+
+—Ik ben ziek.
+
+—Toch niet zoo ziek of u kon komen.
+
+—Omdat het van zeer groot belang is.
+
+—Is u een staaleigenaar? Ik koop thans tegen hooge prijzen.
+
+—Ge hebt gekocht.
+
+—Ook dat. Maar nog lang niet genoeg.
+
+In sprakelooze verbazing zag Forster Lord Divonshart aan.
+
+—Moet ge nog meer hebben?
+
+—Ja.
+
+—En ik kwam juist om het terug te koopen.
+
+—Dat is onmogelijk.
+
+—’t Moet.
+
+—Niemand kan mij dwingen.
+
+—Gij hebt misbruik gemaakt van mijn afwezigheid.
+
+—Integendeel. Ik had juist naar u geïnformeerd.
+
+—Doet er niet toe. De koop is ongeldig,
+
+—U vergeet de leveringswet.
+
+—Kan mij niet schelen!
+
+—Dan leg ik morgen beslag op alles.
+
+—Dat kunt ge niet!
+
+—We zullen zien!
+
+—Komt u namens een regeering?
+
+—Namens mezelf.
+
+—Is uw bedoeling geld te verdienen?
+
+—Ja.
+
+—Laat mij ’t dan terugkoopen.
+
+—Welken koers?
+
+—Tien procent hooger dan de uwe.
+
+—Dank u. Wanneer er vandaag of morgen oorlog komt, maak ik minstens
+honderd procent.
+
+—Er komt geen oorlog!
+
+—Denkt u?
+
+—Dat weet ik zeker!
+
+—Durft u mij dat schriftelijk te geven?
+
+—Als ge mij alles wat ge gekocht hebt terug laat koopen tegen den koers
+dien ik noemde.
+
+—Neen!
+
+—Wat eischt ge dan?
+
+—Vijftig procent.
+
+—Nooit. Ik geef twintig!
+
+—Geen denken aan!
+
+Lang nog waren de beide mannen bezig. Lord Divonshart, alias Raffles,
+bleef op zijn eisch en in dolle drift gaf Forster zijn toestemming.
+
+Raffles eischte daarvan een onmiddellijke kwitantie op een bank, die
+direct zou uitbetalen.
+
+Forster schreef een kwitantie van zeven en een half millioen dollar,
+zijnde het verschil tusschen Lord Divonshart’s koop en verkoop. Het
+koopbriefje van dezen kreeg Forster.
+
+Bovendien schreef Forster een bewijs:
+
+
+ Ondergeteekende verklaart hiermede dat hij uit de beste bronnen
+ weet dat er geen oorlog komen zal.
+
+ FORSTER.
+
+
+Met een glimlach op ’t gelaat liet Raffles Forster uit, die afgemat en
+uitgeput plaats nam in zijn auto.
+
+Den volgenden morgen vroeg haalde Raffles het geld van de bank en
+deponeerde dat elders.
+
+Daarna ging hij naar het Amerikaansche regeeringsgebouw, waar hij den
+staatssecretaris alles uitvoerig uiteenzette.
+
+Deze telegrafeerde de geheime nota’s, welke noodig waren om met de
+Europeesche mogendheden in contact te komen.
+
+Van dat oogenblik af moest men geduldig afwachten.
+
+
+
+—De „staal”-beurs opende dien dag met spanning. Er was een enorme vraag
+naar staal en ijzer, doch niemand kon verkoopen. Bijna alles was immers
+in handen van dien Lord Divonshart.
+
+Onbevangen trad hij de beurs binnen en weldra werd hij bestormd met
+duizenderlei vragen.
+
+Hij baande zich een weg door de rijen bezoekers, en raadde iedereen aan
+om wat hij te verkoopen had, dit op te geven aan de agenten van
+Forster.
+
+Vreemd genoeg hadden allen een groot vertrouwen in Lord Divonshart.
+
+Geen wonder.
+
+Aan allen die hem aanhielden toonde hij Forster’s briefje en vertelde
+daarbij kalm en waardig: „’t Schijnt mij toe dat er iets met Forster
+gebeuren gaat.”
+
+
+
+’s Avonds was Forster bezitter van al het staal, dat er op dat
+oogenblik in Amerika voorradig was.
+
+Niettegenstaande hij, zooals hij het zelf noemde, „een strop had van
+zeven en half millioen”, zoo zou hij toch enorme winsten maken...
+als......
+
+
+
+Tien dagen later.
+
+Uit de door Raffles gestolen papieren, welke hij gedeponeerd had bij
+den regeerings-staatssecretaris, was het bekend geworden dat enkele
+groot-kapitalisten in Europa met enkele uit Amerika—onder wie
+allereerst Forster—het daarheen dreven dat er oorlog komen moest.
+
+Er was geknoeid geworden, tusschen deze groot-kapitalisten en
+diplomaten. Landen waren gekocht en verkocht en nu, door één enkelen
+politieken zet, dreigde er dan werkelijk oorlog te komen.
+
+Doch juist op het moment dat de bom te springen stond, greep Amerika in
+met vaste vuist en een onderzoek werd onmiddellijk door alle
+regeeringen ingesteld.
+
+Enkele opzienbarende arrestaties volgden van mannen die in hooge eer en
+aanzien stonden.
+
+Telegrammen werden heen en weer gezonden en het gevolg was dat men op
+den tienden dag na Raffles’ koopen op de beurs lezen kon, dat de
+internationale toestand gezuiverd was van alles wat hinderlijk was voor
+den vrede. En tien tegen één, zoo profeteerden, de hoogere
+staatslieden, dat de vrede voor geruimen tijd bestendigd was.
+
+De beursnoteeringen waren dien dag normaal.
+
+Alleen in den staalhoek was de verontwaardiging hevig en moest deze
+afdeeling op bevel van de overheid gesloten worden.
+
+Forster die de beurs bezocht had, had een goed heenkomen gezocht, en
+zat thans op zijn privé-bureau.
+
+Doch ook hier liet men hem niet met rust en men zocht hem op om
+onmiddellijke betaling.
+
+De kas werd uitgeput...
+
+
+
+En millioenen, die bij het welslagen der voorgenomen plannen zouden
+binnengestroomd zijn, moesten nog betaald worden.
+
+Forster werd wanhopig.
+
+Hij brulde dat men de deuren sluiten zou, maar niemand gaf gehoor aan
+zijn bevel.
+
+Eindelijk steeg de toestand tot een paniek.
+
+Hevige scènes waren er voorgevallen...
+
+De toestand was niet meer te redden...
+
+Toen greep Forster een revolver....
+
+Een kleine hoofdwonde scheen een einde gemaakt te hebben aan een
+geweldig leven!...
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+SLOT.
+
+
+Charly was door Raffles op de hoogte gehouden van alles wat er gebeurde
+en wist ook van den dood van Forster.
+
+„Ik kom—zoo schreef Raffles—morgenochtend. Wij vertrekken dan
+onmiddellijk, nadat ik alles voor onze „patiënt” in orde heb gebracht!”
+
+Dit was zoo gebeurd.
+
+Raffles was naar het mooie villatje gekomen, waar Issi nog was.
+
+Ook graaf Timmys was er nog, maar thans in een betere en ruimere kamer,
+waar hij bediend werd door John, die door Charly was aangenomen. Hij
+deed tevens dienst als bewaker.
+
+Al deze menschen, behalve Charly, wisten nog niets van al het gebeurde.
+
+Raffles ging eerst naar Timmys en deelde hem mede wat er gebeurd was.
+
+—Ik zou je nu kunnen overleveren aan de politie. Dit doe ik niet. Maar
+ik gelast je onmiddellijk je gereed te maken, want ge wordt heden
+ingescheept naar Europa.
+
+Timmys zweeg.
+
+Hij maakte zich gereed en wachtte daarna af.
+
+Voorzichtig deelde Raffles daarop al het gebeurde mede aan Issi.
+
+Zij zuchtte als een mensch, die verlost wordt van een zwaren last.
+
+Raffles stelde haar toen zeven en een half millioen ter hand, die hij,
+zooals hij zeide, „eerlijk verdiend had”.
+
+Hij gaf John order, zijn meesteres trouw en eerlijk te dienen,
+vertrouwde Issi toe aan de goede zorg der vriendelijke huishoudster, en
+hoorde niet eens meer de woorden van dank, die Issi hem toestamelde.
+
+Timmys nam plaats tegenover Raffles en Charly in een auto, die hem vlug
+naar Hoboken voerde.
+
+Daar lagen de groote mailsteamers, en twee uren later zat Timmys op een
+Portugeesche boot, die reeds onder stoom lag.
+
+—Menschen als hij zijn er genoeg in Amerika.
+
+Toen ging Raffles naar het passagebureau voor Engelsche schepen en
+terwijl hij twee tickets nam voor speciale hutten, zeide hij:
+
+—Op zee zullen wij kunnen rusten van al het werk, dat deze vreemde
+geschiedenis met zich mee bracht. Jammer dat Baxter er niet bij is
+geweest.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Hoogmoedswaanzin.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75575 ***