diff options
Diffstat (limited to '75575-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75575-0.txt | 2839 |
1 files changed, 2839 insertions, 0 deletions
diff --git a/75575-0.txt b/75575-0.txt new file mode 100644 index 0000000..b79ddeb --- /dev/null +++ b/75575-0.txt @@ -0,0 +1,2839 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75575 *** + + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 125 EEN VREEMDE GESCHIEDENIS + + + + + + + + +EEN VREEMDE GESCHIEDENIS + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE STAALMAGNAAT VAN NEW-YORK. + + +Lady Forster zat in haar prachtig boudoir droomerig voor zich uit te +staren in het groote park, dat de woning van mr. Forster, bijgenaamd +„de groote Staalkoning”, omsloot. + +De lange, smalle, fijne handen waren als in pijn samengestrengeld en +hoewel een oppervlakkig toeschouwer absoluut niets bemerken kon, had +iemand, die eenige menschenkennis bezat, ongetwijfeld gezien, dat Lady +Forster verdriet had, doch dit zorgvuldig wilde verbergen. + +Toch was zij alleen en niemand zou het immers wagen haar, de jonge, +doch machtige meesteres van het huis te storen, zoodat zij zichzelf +thans verwonderde, dat zij geen lucht gaf aan haar beprangd gemoed. + +—„En ik wil niet”—prevelde zij zacht voor zichzelf, „ik wil niet”.... + +Er kwam een harde trek op het zeldzaam mooie gezicht van Lady Forster, +een trek van groote bitterheid, die de lijnen om kin en mond scherper +deed uitkomen en den fijnen Griekschen neus nog spitser scheen te +maken! + +Loom, traag, als in groote vermoeidheid stond zij op, steunde met haar +rechterhand op de leuning van het gouden damesstoeltje, waarin zij +gezeten was en bracht met een gratie, grenzende aan een tooneeleffect, +de linkerhand aan het blanke, hooggewelfde voorhoofd. + +„O, God! Dit leven is verschrikkelijk... dat is te ellendig... Alle +menschelijkheid is weg... ik gevoel mij een slavin... een dier... een +hond die geslagen is en toch weer teruggeroepen wordt om de hand des +meesters te lekken... Bah!”... + +Grenzelooze verachting sprak uit deze woorden, die zij als tot zichzelf +zeide! En onmiddellijk daarop klonk het weer, zéér beslist: + +—„Ik wil niet huilen!... Ik moet mij beheerschen!...” + +Een kloppen op de deur der kamer deed haar opzien. + +Vlug zette zij zich neder, nam een boek op haren schoot en nam de +houding aan van iemand, die aan ’t lezen is geweest. + +Andermaal werd er geklopt, doch nu harder en dringender. + +—Binnen! + +De deur werd geopend en een bediende, gekleed in fijn blauw laken, +afgezet met goud koordstiksel, trad het boudoir binnen. + +—Wat wenscht ge, Karl? + +—Mr. Forster verzoekt u in de bibliotheek te komen, Mylady—antwoordde +de bediende. + +—Dadelijk? + +—Tijd heeft mr. Forster niet genoemd, doch mylady weet zelf wat mr. +Forster’s bevel is. + +—Zwijg! Al goed! Zeg dat ik binnen een half uur aanwezig zal zijn. + +De man boog en verdween gluiperig door de deur, die hij daarna +geruischloos sloot. + +Lady Forster kneep de handen tot een vuist, die zij krampachtig +schudde. + +—Verspieders!—dacht zij toornig.—Forster is krankzinnig. Wat hebben wij +er aan om baronnen en graven, die hun land met schande en oneer hebben +moeten verlaten, hier te engageeren als huisbedienden? Overal +spionneeren ze, overal vleien zij Forster!... + +Weer werd er geklopt. + +Kon men haar dan niet met rust laten? + +Wat nu weer? + +—Of u oogenblikkelijk komen wil, mr. Forster moet op reis. + +—Goed—antwoordde zij bijna toonloos, maar toch met een kleine +opflikkering van hoop in de bruine oogen. + +Even nadat de bediende heengegaan was, ging Lady Forster, met +vorstelijke fierheid voortschrijdende, naar de bibliotheek van mr. +Forster, die aan een groote, met papieren overdekte schrijftafel zat. + + + +Forster was een kerel van ruim vijftig jaren. Hij was middelmatig van +lengte, gezet van omvang en had een groot, leelijk hoofd, waarin als +een paar vonken vuur zijn twee kleine oogen schitterden. + +Een stompe neus, eenigszins uitstaande oorschelpen, een breede mond met +een eeuwigen grijnslach er omheen, een bijna vierkante kin en hoekige +jukbeenderen gaven hem een wreed, onaangenaam uiterlijk. + +Forster was voortgekomen uit de onderste lagen der maatschappij, had +zich een plaats veroverd op een groote ijzer- en staalgieterij, toen de +schooljaren geëindigd waren. + +Reeds spoedig was de enorme lichaamskracht van Forster spreekwoordelijk +geworden en iedereen, die met hem samenwerkte voor de ontzettende vuren +der hoogovens, had ontzag voor hem. Van dit ontzag maakte Forster, die +reeds vroeg een heerschzuchtig karakter had, een gretig gebruik en +regeerde binnen enkele maanden de gansche groep werklieden, die op zijn +afdeeling werkzaam waren. + +Toen kwam de zucht naar boven om evenals groote heeren te kunnen +bevelen en Forster begon systematisch te zoeken naar die middelen, +welke hem in staat stelden te kunnen regeeren. + +Forster’s natuur, karakter en levensopvatting waren niet van dien aard, +dat hij zich gaandeweg op zou kunnen of willen werken. + +Alles moest even vlug gebeuren en ieder middel was hem welkom. + +Wat hem hinderde, vernietigde hij. Voor geen misdaad deinsde hij terug +en bracht zijn belang het mee dat hij iemand vermoorden moest om den +persoon, welke hem in den weg stond op te ruimen,... hij aarzelde niet +om door een schijnbaar ongeluk zijn tegenstander te dooden. + +Slechts enkele maanden was hij op de ijzer- en staalgieterij, toen een +chef-werkmeester heenging en diens plaats dus vacant kwam. + +Brutaalweg ging hij naar de directie en vroeg niet, maar eischte dezen +post voor zichzelf op. + +De directeur, een goed en verstandig man, weigerde op een zoo brutale +manier in te gaan en gaf niet onduidelijk te kennen dat hij zulke +werklieden liever gaan dan komen zag. + +Forster had toen gedreigd en gezegd: + +—Als gij mij niet neemt, ligt uw bedrijf hedenavond stil. + +Toen had de directeur gelachen om den „hoogmoedswaanzin” van dezen +werkman en hem daarna weggestuurd met de woorden: „Meld je bij den +kassier, ontvang je loon en verdwijn onmiddellijk. Begrepen?” + +Forster had zich toen beheerscht en was vlak bij den directeur gaan +staan, hem toevoegende met scherpe, harde stem: + +—Volgend jaar zijn wij concurrenten! + +Zoodra Forster bij de werklieden was gekomen, klom hij op een werkbank, +sloeg met een hamer zóó geweldig hard op een stuk staal, dat het +precies was alsof klokgelui het publiek bijeen riep. + +De werklieden stroomden om hem heen, en met zijn harde stem, die van +hartstocht soms trilde, zweepte hij de mannen op. + +Hij zegde hun hoeveel zij arbeiden moesten, rekende met wiskundige +zekerheid voor hen uit hoeveel „de groote heeren” verdienden, noemde +deze „bloedzuigers” en schold op „het tuig”, dat hen allen regeerde. + +En de mannen, verhit door het werk, opgezweept door de krassende stem +van een hunner, hoorende de sommen, die door hun arbeid verdiend +werden, waren stil geworden en morrend togen er dien avond velen +huiswaarts. + +De massa was wakker geworden. + +Forster rustte niet. Hij hield den volgenden dag een vergadering met de +werklieden, rekende hun met slimheid en vooropgezet doel andermaal voor +hoe alles daarginds op het kantoor toeging en het gevolg was dat drie +dagen later een algemeene werkstaking geproclameerd werd, waarvan +Forster het leidende lichaam en het denkende hoofd was. + +Groote ontsteltenis was er geweest bij de directie, maar meer nog bij +de commissarissen en aandeelhouders. + +Want Forster had zijn tijd welgekozen. + +Er waren zeer groote en belangrijke bestellingen gekomen uit Europa, +waar het broeide tot een oorlog en de ijzer- en staalprijzen waren +ontzettend gestegen. + +De oude voorraden „smolten” als het ware weg en alle arbeidskrachten +waren dringend noodig. + +Besprekingen tusschen directie en raad van commissarissen eenerzijds en +de werklieden met Forster als leider anderzijds vonden plaats en +heimelijk rees er een vrees, gebaseerd op afkeer voor dien kleinen man +met het afschuwelijk wreede gelaat. + +De eischen, die hij stelde, waren krankzinnig hoog, doch er was geen +macht ter wereld, die hem bewegen kon om iets van zijn begeerten te +laten vallen. + +Men schoot niet op. De werklieden bleven staken... de toestand werd al +drukkender en dringender... Er moest een einde aan komen. + +Toen kwamen de commissarissen—echt Amerikaansch—op een idee. + +Men zou Forster voorstellen om plaats te nemen in de directie. Men zou +den werklieden meer loon geven en minder werkuren. + +Nam men dit voorstel aan, dan zou men immers binnen afzienbaren tijd +kunnen zoeken naar een middel om Forster te ontslaan en daardoor +ontkomen aan de macht van dezen man. + +Het voorstel werd gedaan... besproken... en goedgekeurd! + +De werklieden namen hun werk weer op, meenende, dat nu een hunner in +den raad van directeuren was opgenomen, hunne belangen beter zouden +behartigd worden. + +Forster zette zich vast in ’t zadel en alhoewel de verhouding tusschen +hem en de overige directeuren niet vriendschappelijk was, dwong hij +toch eerbied bij hen af, door de wijze waarop hij nacht en dag werkte. + +De commissarissen, eerst van plan zich zoo gauw mogelijk van hem te +ontdoen, zagen hem na enkele maanden anders aan en hielden zeer ernstig +rekening met alles wat Forster naar voren bracht. + +In enkele maanden tijds had hij immers zeer ingrijpende veranderingen +tot stand weten te brengen. Had met een onmeedoogende zekerheid +ingegrepen in de wijze van fabricage, had machines voorgesteld en +gekregen, die honderden arbeiders het brood ontnamen, maar die de +onkostenrekening belangrijk verminderd hadden. + +Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, las zeer veel, +hield alles bij wat in verband stond met de ijzer- en staal-industrie. + +Toen kwam er een oogenblik, dat de fabrieken en hoogovens een +noodzakelijke uitbreiding moesten ondergaan. De toestanden waren van +dien aard dat de gansche beurs, en dus ook ’t geld van den +wereldhandel, beheerscht werd door... staal. + +Staal werd speculatief. + +Wie geld wilde verdienen, kocht staal.... + +Niemand sprak over iets anders dan staal. + +Forster, die dit alles had zien aankomen, die zelf alle maatregelen had +genomen voor dit gebeurde, was gereed. + +Dit was zijn oogenblik. Nu moest hij handelen. + +Met hetzelfde brutale geweld dat hij twee jaren geleden had gebruikt +tegenover de directie, ging hij nu zonder eenigen angst ter beurze. + +’t Was juist een troebele tijd tusschen enkele mogendheden in de „Oude +Wereld”—Europa.— + +Er werd meer naar staal en ijzer dan naar levensmiddelen gevraagd. + +De beurs was dien dag zeer hoog geopend. De koersen waren buitengewoon +en men was van gedachten, dat ze nog hooger zouden worden. + +Forster had, door zich in verbinding te stellen met buitenlandsche +persbureaux, zich op de hoogte gebracht van den internationalen +toestand, en had dien morgen uit een dringend telegram gelezen, dat het +geschil daarginds in Europa bijgelegd was geworden. + +Wie evenwel weet of wel eens gelezen of gehoord heeft, hoe sommige +beursspeculanten dergelijke geheimen weten te gebruiken om toch tot hun +doel—veel millioenen te verdienen!—te geraken, begrijpt ook, dat toen +Forster op de beurs verscheen, hij er niets over verbaasd was dat men +nog niets wist, althans dat de leiders der speculatieve fondsen precies +deden alsof de toestand nog buitengewoon gunstig was. + +Forster wist dat een combinatie van acht personen, allen +multi-millionnairs, in verbinding stonden met de gezanten, die op hun +beurt weer enorme bedragen kregen voor hunne stilzwijgendheid. + +Hij liep vlug en met een beslisten stap naar de tijdingzaal, waar +groote opwinding heerschte. + +Volgens de laatste telegrammen uit Londen, Parijs en Berlijn, allen +natuurlijk van belanghebbenden afkomstig, bleek het dat de toestand +hachelijker werd. + +Forster schreed voort tot bij den vertegenwoordiger der regeering: + +—Moet dit spel zoo langer voortgaan? + +—Wat bedoelt u? + +—Lees dit telegram. + +Forster overhandigde het telegram en de regeeringsvertegenwoordiger las +het met nauw verholen ontzetting. + +—Hoe komt u daaraan? + +—Doodeenvoudig—antwoordde Forster—ik laat mij door niemand leiden. Ik +leid zèlf. + +De staalcombinatie, die ook evenals Forster, alles reeds wist, was wel +is waar onder den indruk dat een buiten de combinatie staande persoon +iets naders kon mededeelen. + +En om zeker te zijn van hun winst, deden zij onmiddellijk het voorstel, +dat Forster toetreden zou tot hun combinatie. + +Hij had geglimlacht als een kind, dat door dwingen datgene verkrijgt +wat het wenschte en stemde toe te zullen zwijgen indien men hem voor +altijd opnam in de staalcombinatie. + +Lang beraadslagen was zeer nadeelig en dus besloot men ook dezen eisch +van Forster in te willigen. + +Dien dag stegen de prijzen geweldig. + +Groote hoeveelheden staal, ijzer en grondstoffen werden verhandeld en +menigeen stak zijn kapitaaltje in „staal”. + +Den daarop volgenden dag kwam de tegenslag. + +Geruststellende berichten, één dag achtergehouden, werden gevolgd door +algeheele geruststelling. + +Onmiddellijk zakte de koers en menigeen, die nog redden wilde wat er te +redden viel, verkocht direct wat hij den vorigen dag gekocht had. + +Millioenen guldens werden er door de leden van de „staalcombinatie” +verdiend, + +Ook Forster kwam op die manier in het bezit van een groot kapitaal, +waarvoor hij zich de functie van hoofddirecteur kocht van de groote +ijzer- en staalgieterij, waar hij tot heden toe directeur was geweest. + +Toen begon hij pas goed te werken. + +Als alleenheerscher deed hij gewaagde dingen, kocht en verkocht, +oefende druk uit op de beurs, en vervulde iedereen met wien hij in +nadere aanraking kwam, met ontzetting. + +Eindelijk was het tijdstip gekomen, waarop hij alle teugels in handen +krijgen kon en op een vergadering van commissarissen, allen leden van +de „staalcombinatie”, sloeg hij zulk een toon aan, dat men hem dreigde +met ontslag. + +Doch nu veranderde hij de rollen, en in een korte uiteenzetting bewees +hij, hoe hij op dit oogenblik alles in handen had. Hoe hij zelfs de +kapitalen zijner medebestuurders in zijn macht had. + +Forster had alles zorgvuldig gedocumenteerd, had overal menschen +neergezet, die hij geheel in zijn macht had. Was bezitter geworden, +zonder dat de commissarissen eenig vermoeden hadden van het werken van +Forster, van de beste, grootste ertsvelden uit Amerika. + +Kortom, Forster was de machthebbende. + +En toen het desondanks toch tot een breuk kwam tusschen hem en enkele +der commissarissen, deelde hij hun sarcastisch mede dat ook hij groote +fabrieken had laten bouwen en alle werklieden met hèm meegingen. + +Van dat oogenblik af was Forster zelf opgetreden als heer en meester, +door velen gevreesd, door weinigen vertrouwd. + +Hij had den naam van „Staalmagnaat” en werd een der rijkste menschen +van de gansche wereld geschat. + + + +Issi Stancy was een beeldschoon, doch arm, doodarm meisje, dat nevens +de zorg voor zichzelf, ook nog in de nooden en behoeften moest voorzien +van haar ziekelijke, zwakke moeder en vijf broertjes en twee zusjes, +allen jonger dan zij. + +Haar vader was op de ijzergieterij, door de onhandigheid van een +kameraad, eens getroffen geworden door een gloeienden bak met ijzererts +en was een gruwzamen dood gestorven. + +Er was gefluisterd geworden dat de kameraad dit met opzet had gedaan, +want Issi’s vader was iemand met een oprecht en groot, trouw karakter, +en had met zijn kameraad woorden gehad over diens optreden. + +Issi was toen een meisje geweest van negen jaren en ging nog school. + +Moeder had na vader’s dood gesjouwd en gezwoegd en toen Issi even +zeventien jaar was, moest zij van den geneesheer voortdurend rust +nemen. + +Goede raad was duur. + +Issi was mooi, beeldschoon, maar niet sterk, en uit werken gaan, of dag +in dag uit op een fabriek of atelier te zitten, was ongunstig. + +’t Beste was op een kantoor, waar zij licht schrijfwerk zou kunnen +verrichten. + +Dat was juist in den tijd dat mr. Forster van zich spreken liet en de +nieuwe ijzergieterijen geopend werden. + +Door bemiddeling van den geneesheer kwam zij in contact met Forster, +die toen hij den naam Stancy hoorde, even verbaasd had gekeken, + +—Stuur ’t meisje eens bij mij—had hij gezegd. + +Issi was gekomen! + +Haar zenuwachtig blosje had hare schoonheid zeer verhoogd en de ruwe, +hartstochtelijke Forster was onmiddellijk gereed met zijn plannen. + +—Je wilt dus typiste worden? + +—Ja mijnheer, + +—Goed. Ik zal je een beginsalaris van vijftig dollar per maand geven. +’t Ligt geheel aan je zelf of je gauw meer verdienen kan. Een dame—hij +drukte zeer sterk op dat woord—als jij kan veel meer verdienen. + +Even had Issi gerild bij den ruwen toon van Forster, doch de gedachte +aan zulk een hooge som vergoedde alles en vol vreugde was zij naar +moeder getogen om alles te vertellen. + +De goede ziel was innig blij en toen haar kind den volgenden Maandag in +een hagelwit pakje naar haar nieuwen werkkring ging, voelde zij een +echt moederlijken trotsch door haar ziel varen. + +—Zij is een koning waardig—dacht moeder Stancy. + +Reeds van het eerste oogenblik af betoonde Forster zich opvallend +vriendelijk tegen Issi. + +Was hij tegen de andere bedienden, hij had er zeer velen, ruw soms, +speelde hij bij ’t geringste vergrijp hunnerzijds als een beest op, +tegen Issi was hij bijna teeder en niemand verwonderde zich er over, +toen na drie maanden Issi benoemd werd tot particulier secretaresse van +mr. Forster. + +Issi zelf was er niet blij om. + +Zij bezat een vluggen geest, was buitengewoon vlug en leerzaam en droeg +ieders achting weg. + +Tusschen haar en haar collega’s op de groote bureaux was een +vriendschap ontstaan, die enkele menschen genieten, omdat zij anderen +steeds de behulpzame hand bieden. Iedereen hield van het mooie, zachte, +lieve dametje, dat voor iedereen een glimlach, voor iedereen een +vriendelijk woord over had. + +En nu moest zij haar plaats verwisselen. + +Zij moest dag in, dag uit in de hooge, strenge kamer van den ruwen +Forster zitten, en zij huiverde al bij de gedachte, dat zij hem helpen +moest in zijn particuliere zaken. Brieven lezen, beantwoorden, +opbergen... wie weet... wat àl meer. + +Ook de collega’s vonden het spijtig, doch niemand waagde het aanmerking +te maken op den wensch en het bevel van hun patroon, mr. Forster. + +Moeder, eenvoudige, ziekelijke ziel, die zij was, vond, toen zij dit +hoorde, het heerlijk. Zij zag hierin een bewijs dat Issi boven anderen +uitverkoren was en zegende in stilte mr. Forster. + +Issi was dan werkzaam dicht bij Forster en hij omringde haar met een +bijna vaderlijke teederheid. + +’t Was soms meer dan ergerlijk, vond Issi, dat een patroon zulke malle +dingen vroeg of zeide. Deed hij dat voor anderen? Bracht hij voor +andere dames bonbons mee? Kregen deze mooie costuumpjes? Gaf hij die +een zoo hoog salaris? Informeerde hij bij deze zoo belangstellend naar +hunne familie? Had hij bij hen zulk een zachte stem? + +Neen!... Neen!!... gilde het dan in Issi’s hart, en zij gevoelde +instinctmatig een zekeren afkeer. + +Toen op een middag had Forster haar uitgenoodigd om mee te gaan naar +een theater. + +Haar verontwaardiging was hevig, doch uit angst dezen man te +beleedigen, die haar en haar familie brood gaf, zweeg zij stil en +antwoordde op zijn herhaald aandringen: + +—Als moeder het goed vindt. + +Toen had hij gelachen en gezegd: + +—Dat komt in orde.—En ’s avonds, toen zij thuiskwam, had zij haar oogen +niet kunnen gelooven... Forster zat reeds hij haar moeder! + +Deze glimlachte toen zij binnenkwam en Forster was heengegaan, +zeggende: + +—Mevrouw, bij u beveel ik mijn belangen aan!— + +Hij! mr. Forster, noemde moeder mevrouw!!... + +Het duizelde Issi! + +Met zachte stem, al maar met de handen strijkend over Issi’s mooie +bruine lokken, had moeder toen verteld dat mr. Forster, hij, die +verscheidene malen millionnair was, de hand en het hart gevraagd had +van Issi! + +Woedend was Issi opgesprongen, doch moeder had haar gekalmeerd en toen +zij volhardde met te zeggen: „dàt nooit!”...... had moeder geschreid, +lang, ó zoo lang!.... + +Met tact had Issi dien avond geweigerd mee te gaan met Forster. Deze +bleef toch dezelfde voor haar, doch zij wist niet dat Forster iederen +dag bij haar moeder kwam. + +Dagen verliepen. Moeder scheen zwakker, zieker te worden. Uren lang +zweeg zij, als in gepeins verzonken, en als zij nog iets zeide, was het +steeds over Forster. + +Dan klaagde zij over de woning, dan over de kamer, dan over dit, dan +over dat en steeds kwam het hier op neer dat het alles veel anders +wezen zou wanneer Issi maar mevrouw Forster worden wilde. + +Eindelijk bezweek zij en stemde toe met Forster te zullen trouwen. + +Alles gebeurde als in een droom. + +Zij leefde die dagen niet, zij liet zich leven! + +Zij maakte een groote reis, kreeg een prachtig huis, midden in een park +naar haar naam genoemd, bezat auto’s, rijtuigen, zeldzame japonnen... +kortom, alles was sprookjesachtig mooi. + +Doch in Issi was alles koud en haar familie, die door Forster tot een +hoogeren levensstand verheven was, gevoelde zich veel gelukkiger dan +Issi zelf. + + + +Dit alles was nu ruim een jaar geleden, op het oogenblik dat een +bediende Issi roepen kwam om te verschijnen bij Forster, die in de +bibliotheek zat te wachten. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE MACHT VAN HET GELD. + + +De „staalmagnaat”—Forster—hief het hoofd op toen zijn jonge vrouw +binnenkwam. + +Zij opende en sloot zelf de deur en trad daarna langzaam de kamer +binnen, voortdurend haren echtgenoot aanziende. + +—Ge liet me roepen! + +—Ja! Wat duurt dat toch lang altijd. En waarom leert ge nooit goede +antwoorden te geven aan graaf Timmys? + +—Ik gaf een goed antwoord—antwoordde Issi nonchalant.—Hij vroeg mij +alleen of ik bij u wilde komen. Meer niet. Wanneer hij mij gevraagd +had, of ik onmiddellijk had willen komen, dan was dit natuurlijk ook +gebeurd. + +—Goed! Goed!... Je deed niets anders dan lezen. Mijn belangen staan +toch wel hooger dan die vervloekte romannetjes? + +—Heeft uw „graaf” dit zoo goed gezien?—vroeg Issi niet zonder +scherpte.—Niet alleen is het bespottelijk om je te omringen met al die +adellijke vleiers, maar het gespionneer schijnt je welgevallig te zijn. + +—Dat moet wel! Aangezien mijn vrouw mij niet in de gelegenheid wenscht +te stellen om haar gade te slaan wanneer ik het wil, ben ik genoodzaakt +andere maatregelen te nemen. + +—Bah!... + +Dit was het eenige wat Issi hooren liet, waarop onmiddellijk een +uitbarsting van Forster volgde: + +—Zeker!... Zeker!... Ik wil weten wat je uitvoert... Ik ben je heer en +meester. Ik heb je genomen voor mij... Je behoort mij toe... Niemand +anders. En jij met je overdreven kunsten, met je krankzinnige +beginselen zou mij treffen... mij vernietigen. Jij zelf bent de +oorzaak, dat ik je moet laten bewaken. Zoolang jij niet verandert, +beschouw ik je als mijn gevangene. + +—Zoolang ik zelf wil!—viel Issi hem driftig in de rede. + +—Wat meent ge wel? Ge hebt geen wil. Ik, ik alleen ben baas. Zonder mij +ben je niets. Een kind van een werkman. + +—Een éérlijke man dan toch! + +Forster sprong als van een adder gebeten overeind. Hij liep op Issi +toe, doch deze week op zijde en greep het schelkoord. + +—Nog één stap, Forster, of ik schel, en je baronnen en graven, die je +toch al verachten, kunnen dan getuigen zijn van de mishandeling die gij +mij toedienen wilt. + +Dit scheen te helpen, want Forster bleef staan en siste tusschen de +tanden: + +—Slang!— + +—Hebt ge mij daarom laten roepen? Om me dàt te zeggen?—vroeg Issi, met +een van drift trillende stem. + +Forster gaf geen antwoord, want de telefoon ratelde en dus moest hij +den geluidshoorn opnemen. + +Issi bleef geduldig staan. Zij kwam weer tot zichzelf en begreep, toen +zij haar echtgenoot zoo driftig hoorde telefoneeren, dat er weer een of +andere dringende zaak moest behandeld worden. + +Forster legde de telefoon neer en keerde zich naar zijn vrouw. + +—Zijt ge verstandig geworden? + +—Laten wij tenminste dáár niet meer over spreken. Dat is al zoo +menigmaal door ons behandeld. Maar dat gij mij ’t verwijt doet van mijn +geboorte is schandelijk. Ik vroeg u niet te trouwen. Liever woonde ik +gelukkig op een twee-en-dertigste étage, in een kleine kamer, dan hier +met ongeluk. + +—Ongeluk dat ge je zelf op den hals haalt. + +—Dank je! + +—Is ’t dan zoo niet? Kun je niet alles krijgen wat je begeert? Ben jij +niet de schoonste vrouw van New-York? Wordt ge niet geprezen als een +gelukkige sterveling? Maar je vervloekte overgevoeligheid, je +idiotisme, dàt, dàt is een belemmering. Ben ik een man om zich over mij +te schamen? Kijkt niet iedereen mij naar de oogen? Wordt mijn naam niet +genoemd in schier alle steden der wereld?... + +—Met eere? + +—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maar genoemd +wordt. Dan is ’t mij allang goed. Geld is de hoofdzaak. Dan hebt ge +macht. Met macht doe je alles. Dàt is de hoofdzaak. Al ’t andere is +nonsens. Je bezit een macht met je oogen... + +—Was ik maar leelijk. + +—Dan moest ik je niet hebben—gaf hij ruw terug. + +—Misschien was ik dan gelukkiger. + +Forster werd weer driftig. Hij sloeg met de vuist op tafel en riep: + +—Genoeg! Ik heb je hier laten roepen om een verklaring te hooren, +waarom jij gisteravond niet mee wilde gaan naar de partij, die mijn +vriend Baltimore gaf, ter eere van jou? + +—Omdat ik van alles walg. + +—Verklaar je nader. + +—Ga zitten!—gebood Issi—en als je mij wilt aanhooren zal ik je alles +zeggen. Ook ik was van plan je een verklaring te geven. Zoo kan ’t niet +langer. Luister. + +—Maak het kort,—antwoordde hij zeer norsch. + +—Kort? O, ’t is zoo eindeloos lang het verhaal van ’t leed, dat +tusschen ons is. Maar kort zal ik ’t vertellen. Toen ik nu ruim een +jaar geleden met jou trouwde, wist ik zoo weinig van alles wat er +gebeurde. Ik wist niet dat jij een mensch was, die niets ontziet +wanneer het er op aankomt geld te verdienen. Alles offert gij daaraan +op. Toen wist ik nog niet op welk een wijze gij de onmetelijke +kapitalen hadt verkregen, die jou in staat stellen zoo te leven als nu! +Wel heb ik mij menigmaal verwonderd dat gij zoo spoedig opgeklommen +waart, maar ach, hier in ons land, waar zooveel avonturiers hun slag +slaan, is niets vreemd. Ik begreep er dus niets van, doch pijnigde mijn +hersenen ook niet met een oplossing van dit vraagstuk. Later toen ik, +zooals jij het noemde, „de groote wereld” werd binnengeleid... toen ik +hoorde en zàg hoe de kapitalen zich vermeerderen,... toen ik bemerkte +dat gij met vuur speeldet en de wereld meende te kunnen beheerschen, +heb ik je gewaarschuwd. Jij meende toen dat ik met je vijanden had +gesproken. Jij maakte tumult. Jij sloot mij òp. Jij ontnam mij mijn +vrijheid. Jij omringde mij met een bende trawanten, die gij huurdet. +Mannen van adel. Adel die niet geadeld was en die vreugde schepte in +jouw plannen. Zij stelden mij tot spot. Zij moesten mij lééren!... +lééren... Gij meendet, dat gij alles doen mocht wat gij zèlf wilde. Gij +vernietigde iets in mij... mijn geloof in de menschen. Waarom liet gij +mij niet de eenvoudige typiste?... Waarom naamt gij mij? Dacht gij met +jouw geld, waar bloed aan kleeft, mij gelukkig te maken?... + +Even zweeg Issi en keek haar man doordringend aan. + +Toen vervolgde zij: + +—Gij zijt daarna begonnen met mij te overtuigen van je goed recht. Ik +zàg... ik begreep alles!... Ik wist de gruwelijke oneerlijkheid van jou +bestaan... van het bestaan der staalcombinatie, waarvan gij de ziel +bent. Ik smeekte je er niet mee verder te gaan.... op te houden met zoo +schandelijk bedrijf. Ge wildet niet, en ge dwongt mij met je mee te +leven. Gisteren moest gij mij meenemen naar die partij van Baltimore, +omdat er geld te verdienen was. Ik moest dienen om de aandacht af te +leiden. Dat wilde ik niet... + +Forster sprong op... + +—Eén oogenblik nog—zeide Issi—ik ben zoo gereed. Thans zeg ik je, dat +het niet langer zoo kan! Ik wil niet. Ik ga heen en ge moet zelf weten +wat ge doet. Maar ik wil niet genoemd worden bij de namen van hen die +niets dan ellende brengen over de wereld. Ge meent dat een vrouw een +zwak, een onnut schepsel is. Vergis je niet. Ik weet dat gij thans niet +alleen met je staal bezig bent een ontzettende daad te bedrijven, maar +dat ge ook je onzalig geld uitzet op een hooge troefkaart... Wees +gewaarschuwd. + +Vermoeid zweeg Issi. + +Forster knarste op zijn tanden. + +—Eens—stiet hij uit,—kwam een man met je vader in botsing... +en—vervolgde hij somber—je vader werd gedood, zoo men zegt bij toeval. +Jij hebt iets, meen ik, van die krankzinnige eerlijkheid van je +vader... Ik zou kunnen bewerkstelligen dat een toeval ook jou trof... +Jij hebt mij gewaarschuwd... ik doe het jou!... + +Geheimzinnig hadden deze woorden geklonken. Heesch had Forster ze +uitgestooten en Issi moest onwillekeurig huiveren voor den man, aan +wien ze vastgekoppeld was. Vooral toen hij gewaagde van haar vader, +schrok zij hevig op. Een geweldig vermoeden rees bij haar naar boven. +Was Forster misschien de moordenaar? O! die pijnlijke onzekerheid. Die +gruwelijke onzekerheid. Dat was om gek te worden!... + +Forster bemerkte den angst bij Issi en ging koud, meedoogenloos voort: + +—Van dit oogenblik af moogt ge geen voet meer buiten dit huis zetten +zonder geleide. Ik zal mijn orders geven. Niemand moogt ge buiten mij, +of mijn zaakgelastigde—Forster gebruikte gaarne mooie +woorden—ontvangen. Tot op het oogenblik dat gij uit eigen vrije +beweging naar mij toe zult komen om met mij te genieten van het door +mijn vernuft verdiende geld, wordt ge beschouwd als mijn gevangene. + +—Dat is onrecht,—riep zij uit. + +—Mijn recht bedoelt ge. Een recht dat ik gekocht en betaald heb. +Niemand kan mij dat beletten. Mijn macht is grooter dan ge denkt. Geen +enkele rechter durft mij aan... Niemand zal het ooit wagen mij aan te +vallen... Niemand... Iedereen weet, dat ik zelfs bevriend ben met de +regeerders van andere landen!.... + +Issi zweeg zeer stil. Zij gevoelde haar onmacht tegenover deze +geldkracht en boog het hoofd als in groote vertwijfeling. + +Forster riep nu graaf Timmys. + +Tijdens de jaren dat Forster voor een groot deel de macht van +millioenen en nog eens millioenen menschen bezat, bestond er bij de van +niet geworden multi-millionnairs een eigenaardige gewoonte. + +Zij, die met een ontzettende praal en pracht op grenzeloos +parvenuachtige wijze leefden en hun huizen tentoonstelden, kregen het +idee om enkele vertrouwde dienaren te kiezen uit den adelstand. + +Meestal waren deze personen uit Europa gekomen, als avonturiers, of om +op deze wijze uit te wisschen een vlek, die op den familienaam rustte. + +Enkelen hunner gingen doodeenvoudig gewoon aan ’t werk, om als een +eerzaam burger te kunnen leven, doch anderen, gewoon aan hun luie +leventje, boden zich aan als kamerpersoneel bij de millionnairs, welke +meestal zeer vatbaar waren voor vleierij. + +Forster nu had ook enkele bedienden, onder wie een graaf en vier +baronnen. + +Hij was er trotsch op dat hij vijf adellijke personen in dienst had en +stelde graaf Timmys aan als chef over de anderen. + +De „heeren” hadden het uitstekend bij Forster, wijl zij een zeer hoog +salaris genoten en als zij hun „uitgaansdag” hadden, waren zij volkomen +in de gelegenheid om de meest buitensporige genietingen te smaken. + +Forster bemoeide zich alleen met graaf Timmys, een sluwen kerel, die +nooit iemand open in de oogen zag, maar steeds als een gluiper met +iemand sprak. + +Graaf Timmys had in de tien maanden, welke hij in Forster’s dienst was +geweest, zich het vertrouwen weten meester te maken van den parvenu, +met het gevolg dat Forster Timmys’ zak goed vulde. + +En het noodlot wilde bovendien dat Issi, die een geweldigen afkeer had +van al dit „groot gedoe”—zooals zij het noemde—absoluut de adellijke +bedienden behandelde als waren zij gewoon personeel. + +Met haar onschuldig, rein hoofd en hart wenschte zij geen diensten +gedrenkt met vleierij en gaf meer dan eens op luiden toon hare +ontstemming te kennen over het optreden van graaf Timmys. + +Deze, een Portugees van geboorte, was een zeldzaam hartstochtelijk +mensch, die, wanneer men hem ééns beleedigde, iemand haten kon met een +hevigheid die gevaarlijk te noemen was. + +Forster wist dit. Hij wist ook dat graaf Timmys zijn vrouw niet mocht +lijden, dat hij iedere daad aan hem vertellen zou, en kon dus geen +beteren bewaker aanstellen dan dezen man. + + + +—Timmys—gebood Forster—ik wensch dat van dit oogenblik af niemand mijn +vrouw bezoekt, zonder mijn voorkennis. + +De grafelijke bediende boog. + +—Verder draag ik u op om, als mijn vrouw mocht uitgaan, haar schreden +te volgen. Buiten het park mag zij niet gaan. + +Andermaal boog Timmys. + +—U wilt daarvoor wel zorgen? + +—Zeer zeker, Sir! Mag ik u nog opmerkzaam maken op mevrouw’s brieven? + +—Prachtig, Timmys! Ge hebt twintig dollar méér per maand om uw +opmerkingsgave. Mevrouw mag geen papier noch schrijfmaterialen hebben +buiten mijn wil. + +Issi stond daar als een vlammende engel. Haar oogen schoten vuur. En +toch was zij onmachtig tegen gewetenlooze schurken als zij beiden +waren. + +Zij trilde over haar gansche lichaam en haar zelfbeheersching was zoo +hevig, dat haar zenuwen te sterk werk moesten doen. Zij viel met een +licht gilletje op een stoel bewusteloos neer. + +Hard, koud, zeide Forster: + +—Wij zullen haar wel klein krijgen, roep haar kamenier. + +Enkele minuten later was deze aanwezig en binnen een kwartier opende +Issi de oogen en vroeg met zwakke stem: + +—Breng mij naar mijn kamers. + +Ondersteund door haar kamenier schreed Issi voort naar haar kamers en +bleven de beide mannen achter. + +Forster zette zich neer aan de schrijftafel en bemerkende dat Timmys +nog steeds te wachten vroeg hij barsch: + +—Waar wacht ge op? + +—Een bewijs van salarisverhooging. + +—Vertrouwt ge mij niet? + +—’t Is alleen voor eigen zekerheid. + +—Niemand leent je toch op een vod?—vroeg Forster met een grijnslach op +zijn gelaat. + +—Uw handteekening opent de deuren der paleizen, Sir,—antwoordde Timmys +met een glimlach.—De macht is wonderlijk. + +—Dat is de macht van ’t geld—mompelde Forster, terwijl hij het +gevraagde bewijs gaf. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +PROFESSOR EDENSHIR. + + +In een der groote hotels van de machtige wereldstad New-York woonde in +een der weelderigst ingerichte appartementen John C. Raffles met zijn +secretaris Charly Brand uit Londen. + +Raffles was ingeschreven als de graaf van Divonshart en Charly Brand +als Sir Douglas. + +Raffles was naar New-York gekomen, nu enkele weken geleden, omdat hij +behoefte had aan andere nieuwere indrukken en geen andere beweegredenen +had hij gehad dan alleen eens voor een wijle uit de Londensche omgeving +te zijn. + +Hij lag thans languit op een divan en keek droomerig naar de geweldige +drukte die daar beneden op het plein heerschte. + +Charly was verdiept in den nieuwsten Amerikaanschen roman, beschrijvend +het leven en werken van de trustkoningen, de leugenaars der +samenleving. + +—Interessant, Charly?—vroeg Raffles. + +—Buitengewoon—antwoordde Charly, terwijl hij het boek dichtsloeg.—De +schrijver van dezen roman schijnt mij toe te zijn iemand die achter de +schermen heeft gekeken. De toestanden worden tenminste zoo goed +beschreven dat het mij onmogelijk toeschijnt dat een oppervlakkige +toeschouwer, die buiten deze sfeer staat, het onmogelijk beschrijven +kan op de manier als deze het doet. ’t Moet wel eens de moeite waard +wezen het leven dier parvenu’s van dichtbij mee te maken. + +—Zoudt ge dat gaarne willen? + +—Waarom vraagt ge dat? + +—Wel, jongenlief, dan introduceeren wij ons zelf. + +—Laten wij dat later doen! + +—Och, waarom nu niet? + +—Omdat wij naar hier zijn gekomen voor jou genoegen èn om uit te +rusten. Als jij tusschen al die zakenmenschen komt, is het weer mis. +Dan begint gij toch. + +—Ik zal er toch eens over denken. Er is misschien weer wat te leeren, +en daarvoor zijn wij immers nooit te oud...... + +Raffles met Charly spraken nog langen tijd te zamen en de tijd snelde +voorbij in zalig nietsdoen. + + + +Op een andere plaats, in de woning van Mr. Forster, viel een gansch +ander tooneel voor. + +Issi’s zenuwen waren door een voortdurende prikkeling en nu ten laatste +door het onmenschelijk optreden van haren echtgenoot zoodanig geschokt, +dat zij, zoodra zij op haar kamer was gekomen, last had gegeven dat +haar kamenier het rustbed in orde moest maken. + +Nauwelijks was dit gereed of in groote vermoeidheid zeeg Issi neer en +stamelde om een doctor. + +De kamenier, een vertrouwde van Forster,—want hij had het personeel +zelf gekozen om zeker te zijn van alle maatregelen,—ging naar de +Bibliotheek en bracht de boodschap over. + +—Vervloekte nonsens,—bromde Forster.—Is het zoo erg? + +De kamenier, die waarschijnlijk getroffen was door Issi’s lijdend +gelaat, zeide: + +—Ditmaal geloof ik dat het zeker noodig is, Sir. ’t Is trouwens een +veel te mooi duifje om nu al dood te gaan. + +Forster greep het telefoonboek. + +Welken doctor moest hij nemen? + +Allemaal kwakzalvers! + +Wacht, een professor. En dan liefst een buitenlandsche. + +Forster sloeg een blad op, waarin iedere week de bezoeken van beroemde +vreemdelingen werden aangekondigd. + +Hij lette er niet op dat hij een courant nam van een maand oud, doch +zag alleen: „Aangekomen in Victoria-Hotel, appartement nummer I, +Professor Edenshir van Oxford, specialiteit in zenuwziekten.” + +Het telefoonnummer stond er bij, zoodat, wilde men den geleerden +bezoeker zèlf opbellen, men dit doen kon. + +Nu wilde het grillige lot, dat Professor Edenshir vertrokken was en dat +Raffles met Charly de kamers in het Victoria-Hotel betrokken hadden. + +Raffles wist dit wel en reeds twee malen had een persoonlijk bezoek van +een patiënt tot een grappige vergissing gevoerd. + +De telefoon belde en Raffles zeide: + +—Weer voor de zenuwspecialiteit? Waarachtig, Charly, als het niet +verandert zie ik mij genoodzaakt me in te laten schrijven als student +in de zielkunde om later te kunnen practiseeren.... Hallo!— + +Aan de andere zijde deed Forster op zijn bekende ruwe manier zijn +verhaal, en Raffles luisterde met spanning. + +Eindelijk hoorde Charly Raffles zeggen: + +—Goed, Sir Forster. Ik kom binnen ’t uur. + +Hij legde de telefoon neer, en streek zich in gedachten over ’t +voorhoofd. Langzaam liep hij op Charly toe en sprak: + +—De hand van ’t noodlot, Charly!— + +—Mijn God, Edward! Wat is er? + +—Ah! Wees niet ongerust. Ge wildet de millioenen-koningen van dichtbij +zien? Ge kunt het. Een hunner, Forster, ik hoorde weinig goeds van hem, +telefoneerde om professor Edenshir voor de zenuwen van zijn vrouw. Wij +gaan er heen. + +—Edward!— + +—Nu? + +—Pleeg geen onzinnige daad. + +—Welke? + +—Ge wordt bij een patiënt geroepen. + +—Och, kom! ’t Is een zenuwgeschiedenis, misschien wel eene van de +„mode”. Koud water, Charly, èn rust. Dat is mijn methode. Geloof mij, +dat ik mij niet in gevaar begeef. + +Hoe gaarne Charly ook meeging, toch vond hij het raadzamer om thuis te +blijven, zoodat Raffles alleen per auto zich brengen liet buiten +New-York, waar het huis van den „staalmagnaat” gelegen was. + +—Vóór u naar de zieke gaat—verzocht hem de portier van Forster—wordt u +gewacht bij Mr. Forster. + +—Breng mij er heen—gelastte Raffles. + +Weinige oogenblikken later stond Professor Edenshir, alias Raffles, +voor Forster. + +Onbeleefd, onhandig, ruw, ontving de werkman-millionnair de elegante +verschijning van Raffles, die zich nu al geweldig ergerde bij het zien +van zulk een onaangenaam uiterlijk. + +Hij nam daarom ook maar onmiddellijk de gelegenheid waar om zelf de +richting van het gesprek aan te geven en vroeg: + +—Is mijn consult voor u persoonlijk? + +—Neen!—viel Forster barsch in.—Jullie geleerde heeren meenen zeker dat +heel de wereld ongezond is. Ik ben niet ziek. En al was ik ziek, dan +nog kwam er geen doctor bij mij. + +—Mijnheer—viel Raffles in—u kunt sterk wezen, gezond naar ’t uiterlijk, +maar u lijdt aan een ernstige kwaal. + +—Wat zegt u?—zeide Forster, veel minder gerust dan even daarvoren. + +—U lijdt—herhaalde Raffles—aan een geheime kwaal. + +—Welke? + +—Extroiridatismisme. [1] + +—Dat versta ik niet. + +—’t Is niet te vertalen,—zeide Raffles—doch ik kan u onder mijn +behandeling nemen. + +—Is ’t gevaarlijk? + +—Nogal. + +—Direct gevaar?? + +—Wanneer u dringende zaken hebt te doen, kunt u ze eerst wel +afhandelen, want mijn behandeling is van dien aard, dat u volkomen rust +moet genieten. + +—Dat is tenminste een eerlijke verklaring—meende Forster.—Andere +doctoren zouden beginnen met mij nu al te pijnigen met rust, nu, nu al +mijn werk noodig is aan een buitengewone zaak. Doch verder. Ik heb u +laten roepen voor mijn vrouw. Op geld—vervolgde Forster—behoef ik niet +te zien. Doch ik wil mijn vrouw gezond hebben. + +Raffles luisterde aandachtig toe. + +—Hoe oud is de patiënte? + +—Een en twintig jaar. + +—En u? + +—Drie en vijftig. + +—Kinderen? + +—Gelukkig niet. + +—Waren er voor dezen dag meerdere verschijnselen van zenuwachtigheid? + +—Voor zoover ik weet niet! + +—Hoe is haar familie? + +—Vader doodgebleven voor een hoogoven.... een bak gloeiende erts over +’t lichaam. Moeder leeft nog,—bitste Forster kortaf. Die kerels vroegen +ook letterlijk alles. + +Raffles gaf te kennen de patiënte te willen zien. + +Hierop deed Forster schaamteloos een omstandig verhaal, hoe hij het +noodig oordeelde zijn vrouw te behandelen en eindigde: + +—U is dus gewaarschuwd. Iedere poging om haar van onder mijn macht te +krijgen wordt gestraft. + +Raffles was hevig verontwaardigd. Zulk een dier-mensch had hij nog +nooit ontmoet en met een niet te miskennen bitterheid antwoordde hij: + +—Uw wil als echtgenoot zal geschieden, doch mijn eisch als medicus moet +in alles geëerbiedigd worden! + +—Dat zal gebeuren. + +Hierop werd professor Edenshir naar de kamers van Issi gebracht en +Forster gaf de kamenier een wenk om goed op te letten. Zelf keerde hij +terug naar zijn werkkamer in de bibliotheek. + +Zoodra Raffles op het rustbed toegetreden was beval hij: + +—Open die gordijnen. + +—Mevrouw wenscht dat niet—wierp de kamenier tegen. + +Raffles sprak niet, liep op de zware overgordijnen toe, en schoof ze +met kracht op zijde. + +Het volle daglicht stroomde de kamer binnen. + +—Dank u, doctor!—fluisterde de patiënte. + +De kamenier was ontzet. Zulk een man had zij nog nooit gezien. Zij +keerde zich om, want Raffles had zulk een gloed in de oogen dat zij ze +niet weerstaan kon. + +Nu boog hij zich over Issi heen en deed precies alsof hij een arts was +die een diagnose stellen moest. + +Inmiddels bemerkte hij dat de kamenier de minste zijner bewegingen +volgde en met scherpte toeluisterde of zij ook iets hooren kon. + +—Roep uw meester hier—beval Raffles na verloop van een twintig +minuten—èn vlug!— — — + +De kamenier vloog weg. + +Ademloos kwam zij binnen bij Forster en hijgde: + +—Dat is een duivel, die kerel! U moet komen! Dadelijk. + +Onwillig stond Forster op en ging met de kamenier mede. + +Inmiddels had Raffles gezegd: + +—Mevrouwtje, ik begrijp alles. Vertrouw op mij. Ik zal u redden. Doe +alles wat ik zeg. Houd u ziek, doodziek en zeg niets. Opgepast, + +Hierbij had Raffles, die door innig medelijden bewogen was, de hand van +Issi warm gedrukt, en hij voelde waarom Issi spontaan zeide: + +—Goddank!— + + + +Forster kwam luidruchtig binnen. + +—Waarom is ’t hier zoo licht? + +—Op mijn bevel!—antwoordde Raffles streng. + +—Zieken moeten duisternis hebben. Dan kunnen ze slapen. + +—Krankzinnigen of stervenden—antwoordde Raffles hàrd—hebben licht +noodig. U hebt recht als man, doch ik als geneesheer. Dit moet open +blijven. + +Forster zweeg nijdig stil. + +Wat een beweging! Welk een ellende! Een geschiedenis die onaangenaam +was. + +—Wat is het geval?—vroeg hij gemelijk. + +—Er schijnt hier iets ontzettends gebeurd te zijn. Deze jonge vrouw is +buitengewoon mishandeld. Weet u daarvan? + +—Ik niet!—zeide Forster. + +—Onmiddellijk moet hier een klacht bij de justitie ingediend worden. Er +is hier iets vreeselijks gebeurd. Deze jonge vrouw is sterk getroffen +in haar zenuwen. Zij heeft daarbij duidelijke sporen op het lichaam dat +zij mishandeld is,—zeide professor Edenshir, die zeer sterk overdreef. + +—Justitie?....—bromde Forster, die nooit, of zelden althans, uit het +veld geslagen was,—die duld ik niet. + +—Mijn ambt brengt het mee, Sir—gaf Raffles ten bescheid,—dat ik van +gevallen als deze kennis geef aan de rechterlijke macht. Hier is, +misschien buiten uwen wil, een vrouw krankzinnig gemaakt. Toen ik +binnenkwam heerschte hier een atmosfeer die minstens 60 % stikstof +bevatte. Afschuwelijk. Daar moet het sterkste gestel onder heengaan. +Bovendien hebben mij de voeten der patiënte bewezen, dat zij gedurende +langen tijd niet gewandeld heeft. Haar maag is niet in orde, haar geest +verduisterd.... Lichamelijke uitputting.... ’t Is meer dan schande.... + +Raffles wond zich op. Hij sprak met stemverheffing en met autoriteit, +zóó dat Forster zich met verbazing afvroeg of de „gestudeerde lui” dan +toch werkelijk zoo knap waren dat zij alles zagen. + +Forster vergat dat hij even te voren Raffles veel verteld had van de +verhouding tusschen hem en Issi, en hoe hij, die steeds weer de macht +van het geld huldigde, ook thans een mensch dwingen wilde al zijn +handelingen goed te keuren. + +En Raffles maakte van al het meêgedeelde een gretig gebruik. Hij wilde +probeeren of hij dezen parvenu een les kon geven, desnoods zijn gansche +kapitaal afnemen om te kunnen verdeelen onder al de menschen die door +Forster als dieren behandeld waren geworden of nog behandeld werden. + +Forster streek zich verlegen achter ’t oor. + +—Kan ik uw ambtsgeheim koopen? + +Raffles stond ineens voor Forster. + +Met een buitengewone zelfbeheersching zeide hij: + +—Ik, noch mijn collega’s zijn te koop, mijnhéér Forster! U moet niet +denken, dat uw dollars alles kunnen dekken wat ’t licht niet +aanschouwen mag. Uw jeugdige echtgenoote is doodelijk ziek. Of u neemt +die maatregelen welke ik beveel, of ik klaag u aan. + +—Denkt u dus dat ik mij door jou de wetten laat voorschrijven?—riep +Forster ruw uit. + +—Ge zult wel moeten—antwoordde Raffles kalm. + +—Mijn deur uit,—schreeuwde Forster.—Ik ben hier baas. Niemand anders. +Begrepen. + +—Ik ga, mijnheer Forster. Ik klaag u aan als moordenaar!— — + +—Ga je gang,—brulde Forster.—Meen niet, dat ik, de staalmagnaat, iets +vrees. Staal is mijn kapitaal, staal ben ik ook zelf!— — — + +Opeens veranderde professor Edenshir’s gelaat en fluisterend zeide hij: + +—Zie zoo, ik weet wat ik aan u heb. ’t Was alleen maar een proef. Doe +nu wat ik zeg en alles komt goed voor u. + +Forster stond als van den bliksem getroffen. + +Hij begreep er niets meer van en mompelde bij zichzelf: „Voor die +geleerde heeren moet je verduiveld altijd oppassen”— — — + +Professor Edenshir, alias Raffles, sprak nu kalm over de verschijnselen +van de ziekte en constateerde dat Issi een lichten graad van +krankzinnigheid had.—Het allerbeste—besloot hij—is dat u alles hier +uit de omgeving weg laat ruimen. Niets mag hier blijven, en dan moet u +een mannelijken verpleger nemen. + +—Dien heb ik. + +—Pardon, u moet een deskundige hebben. Ik heb een uitmuntenden +assistent, die juist de geschikte man er voor is. Een kerel zonder +medelijden. Iemand die een mensch kan zien sterven zonder een teeken +van medegevoel. + +Forster vond dit goed en Raffles telefoneerde Charly onmiddellijk te +komen. + +In het Latijn, waar Forster niets van verstond, gaf Raffles hem de +noodige bevelen, en eer de nacht inging lag Issi voor een geopend raam, +waar de heerlijke zomergeuren door naar binnenstroomden, en Issi’s +zenuwen kalmeerden. + +Charly gedroeg zich als een voorbeeldige ziekenverpleger en Raffles zat +bij Forster urenlang te praten. + +Professor Edenhirs kreeg zoo langzamerhand het geheele vertrouwen van +Forster, die niet begreep dat een geleerde man zooveel van politieke +aangelegenheden wist te vertellen. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +RAFFLES DOET EEN ONTDEKKING. + + +Er heerschte een oogenblik stilte in de bibliotheekzaal, waar Professor +Edenshir met Forster zat te praten. + +Professor Edenshir had juist geluisterd naar de uiteenzetting van een +beursspeculatie en zat nu te denken over het antwoord dat hij geven +moest op de vraag van Forster: „Hoe is de politieke toestand op het +oogenblik in Europa?” + +Raffles klopte langzaam en met grooten ernst de asch van zijn sigaar en +zeide: + +—Die vraag, mijn waarde heer, is zeer moeilijk te beantwoorden. Vanzelf +doet u deze met een bepaald doel. Ik mag toch wel aannemen dat u als +groot-industrieel, als groot-kapitalist, zeer goed op de hoogte zijt +van den algemeenen politieken toestand. U bedoelt dus de meer +diplomatieke, de geheime nota’s der mogendheden. Nu ben ik wel-is-waar +bevriend met verschillende diplomaten. Een geleerde moet zijn vrienden +nooit zoeken in eigen kring, ziet u. Vandaar dat ik me speciaal heb +toegelegd mijn vrijen tijd te besteden aan liefhebberij-politiek. Van +liefhebberij is dit ernst geworden en menigmaal heb ik gezien dat een +advies mijnerzijds gegeven opgevolgd is. Ik daarentegen hoorde dus de +intiemste dingen en nu spijt het mij werkelijk, mijnheer Forster, dat +ik u, uit kracht van die opgelegde geheimzinnigheid, niet vertellen mag +wat ik er van denk. + +Forster’s oogen glinsterden. Deze kerel was een macht. Dien moest hij +voor zich weten te winnen zonder dat het veel kostte. Die andere +politieke kerels eischten zoo’n gruwelijk hoog aandeel in de winst dat +hij het meer dan erg vond. + +Misschien wilde die professor wel toebijten. Geld was immers alles! En +bovendien, deze kerel hier wist immers niet van zaken doen? + +—U behoeft ook geen geheimen te verklappen, professor—poogde Forster +vriendelijk te zeggen, terwijl hij Raffles voortdurend aanzag,—maar ik +vroeg u alleen uw opinie. + +—Buitengewoon gunstig voor de staalindustrie—zeide Raffles +geheimzinnig. + +—Meent u?—vroeg Forster in spanning. + +—Natuurlijk—antwoordde Raffles.—Het is immers al een publiek geheim dat +men bezig is met het afsluiten van bindende contracten voor de komende +jaren. + +Raffles vermoedde dit slechts op grond dat Forster er iets van had +uitgelaten, doch nu hij het zoo positief zeide, gaf het den schijn, +alsof Raffles meer wist en kreeg hij in de oogen van Forster een zeer +bijzondere waarde. + +Forster zweeg stil. Hij probeerde, zooals hij het bij zichzelf noemde, +„Professor Edenshir te vangen”, maar de gelaatstrekken van dezen waren +zóó ondoorgrondelijk, dat hij met geen mogelijkheid iets te weten kon +komen. + +Raffles van zijn kant moest meer weten van dezen millionnair. Dat hij +iets in zijn schild voerde geloofde hij stellig. De belangstelling in +de politieke omstandigheden was te gespannen om alleen een uiting te +wezen van nieuwsgierigheid. + +Er zat iets achter. + +Wist Raffles nu maar met welke diplomatieke agenten de „staalmagnaat” +onderhandelde, dan was hij al een heel eind verder. + +Hoe hij evenwel het gesprek wendde of keerde, Forster liet geen naam +hooren en hulde zich in een geheimzinnigheid die zelfs Raffles niet +vermocht te onthullen. + +Had Professor Edenshir nu maar niet gesproken over zijn politieke +kennissen in dien zin dat Forster weten wilde wie het waren, dan was er +nog een kans geweest. + +Nu was het slechts een vragen wederzijdsch zonder tot een oplossing te +komen. + +’t Was nu reeds tegen middernacht en Raffles was nog niet ver +gevorderd. + +Plotseling was zijn besluit genomen; hij zou probeeren door inbraak +achter de geheimen van Forster te komen. + +Hij stond op en beweerde dat hij nog even naar de patiënte ging zien, +om daarna naar zijn hotel te gaan. + +Morgenochtend vroeg zou hij terugkeeren. + +Forster kreeg op dat moment de post binnen, die een kantoorbeambte hem +bracht, zoodat de gelegenheid gunstig was om heen te gaan. + +Gedurende enkele minuten bleef Raffles in de breede marmeren gang staan +en deed alsof hij in gedachten verzonken was. Voor ’t geval dat ook +professor Edenshir bespionneerd werd, nam hij dezen maatregel, die +niets anders was dan om te zien of Forster zijn kamer ook verlaten zou. + +Langzaam ging hij naar de kamers, waar Charly als ziekenoppasser bij +Issi was, die thans zekerheid had dat zij niet als een gevangene werd +behandeld. + +Toen Raffles binnenkwam, snelde Charly op hem toe en zeide, zonder +eenige tegenspraak te dulden: + +—Wat is dit nu weer voor krankzinnigheid? + +—Niets anders dan dit, beste jongen: Een jong onschuldig kind, dat in +een zwak oogenblik toestemde in een huwelijk met een rijken plebéjer, +moet beschermd worden. Daarenboven schijnt het mij toe alsof deze man +iets in zijn schild voert dat niet deugt. Hij verdient een lesje. Dat +is alles. + +—Waar bemoeit ge je mee? + +—Met alles waar ik plezier in heb. + +—Mooie genoegens—bromde Charly.—Wanneer je nu nog eens een grap +uithaalt, maar dit is zoo wanhopig treurig. + +—Beste Charly, naderhand zult ge het goede hierin zien. Is je post van +ziekenoppasser zoo zwaar? + +Zonder af te wachten ging Raffles naar Issi toe, die nog steeds voor +het wijd geopende raam lag. + +Juist toen hij het raam wilde sluiten kwam de maan door de wolken en +bescheen deze zacht den schitterend aangelegden weg door het park, +loopende van den hoofdweg naar Forster’s huis. + +Raffles’ gedachten werden ineens in beslag genomen door een eenzamen +wandelaar, die met voorzichtige schreden naderbij kwam en opzag naar de +lichte vensters, waarachter Forster te werken zat. + +—Nog zoo laat bezoek?—mompelde Raffles bij zichzelf, toen hij den kerel +de breede trappen van het bordes meende op te zien gaan. + +Toch werd er niet gebeld. + +Een van ’t personeel misschien. + +—Mevrouwtje—zoo begon Raffles tegen Issi—kan er nu nog bezoek komen? + +—Voor Forster!—antwoordde zij mat. + +—Zoo laat nog? + +—Geheime zaken—merkte zij smalend op. + +—Zoo! zoo!.... Een zaak als die van mijnheer Forster is geweldig van +omvang. Zoo iemand heeft nooit rust. + +—Meent u? + +—Ja. Me dunkt ’t is altijd wat. + +—Men neemt te veel, professor! O, u weet niet wat het zeggen wil. Ik +lijd er onder. Elke dag is mij ellendiger. En dan wil de kerel hebben, +dat ik daarin zal meedoen. Hij eischt van mij dat ik den Russischen +gezant tot mij halen zou, omdat het in zijn belang is. In den laatsten +tijd, professor, heb ik gehoord van vergaderingen, waarin men het wel +en wee uitsprak over millioenen. + +—Bereidt men een oorlog voor? + +Issi knikte slechts. + +—U behoeft mij niets meer te zeggen, ik weet voldoende. + +—Wat zult ge doen? + +—De plannen verijdelen. + +—Kunt ge dat? + +—Misschien. + +—Zijt ge even sterk als zij? + +Raffles glimlachte. Eigenaardig hoe men woorden overneemt van hen met +wie men veel spreekt. Want onder de millionnairs werd nooit gevraagd +„hoe rijk” maar „hoe sterk is hij?” + +—Wanneer ik niet even sterk ben, zal ik compagnons nemen. + +—Hoe zal men een professor in de zielkunde kunnen gelooven op +zakengebied? + +—Vraag niet meer, later zal u alles duidelijk wezen. + +Issi zweeg even, doch zij begon later weer opnieuw: + +—Ik wil hier weg. Ik moet mijn vrijheid hebben. Ik kan zóó niet leven. + +—Waar is uw moeder? + +—Daar kan ik niet heen. + +—Ik zal morgen een schuilplaats voor u zoeken. Dan vlucht gij +morgennacht met mijn vriend, die heden geregeld bij u is om u op te +passen. + +—Dank u. Verlos mij van dien man. Ik heb hem nooit liefgehad. + +—Genoeg. Ga rusten. Tot morgen. + + + +Behoedzaam ging Raffles thans de trappen af. Juist wilde hij de deur +der bibliotheek openen om zoo brutaal mogelijk binnen te treden, +hopende daardoor te weten te komen, wie daar straks bij Forster was +gekomen, of graaf Timmys trad hem opzijde. + +Het livrei-pak zat strak om het lichaam en de houding was onberispelijk +voor een bediende. + +—Wel, graaf?—vroeg Raffles, onmeedoogend drukkend op het woord +„graaf”—het schijnt dat ge u zeer goed kwijt van uw taak. + +Als getroffen door een zweepslag kromp Timmys ineen onder den +doorborenden blik van Raffles. + +—Wat bedoelt ge?—vroeg Timmys stamelend. + +—Gij spionneert—minachtte Raffles terug. + +—Excuseer mij, professor. Ik doe alleen dienst als schildwacht. + +—En gij volgdet mij. + +—Ik stond in die nis, professor. Ik moet er voor zorgen, dat niemand +die kamer binnengaat. Er is een bijeenkomst—fluisterde hij. + +—Is uw meester zoo laat bezig? + +—Heden wel. + +—Vergeef mij dan mijn meening. Ik dacht dat u spionneerde en dat vind +ik vooral van u onverantwoordelijk. Hoe is het trouwens mogelijk dat +gij in dezen dienst zijt? + +—Forster betaalt goed. + +—Hoeveel? + +—Duizend dollar per maand. + +—Hm!... En daarvoor bewaart gij geheimen, die zooveel schatten meer +waard zijn? + +—U vergist zich, professor. Niemand weet hier geheimen. Alleen +personenkennis. Maar wat er gesproken wordt tusschen Forster en den +Russischen gezant is ons een raadsel. + +—Dus de gezant is er? + +Timmys werd eerst doodsbleek, toen vuurrood en met één sprong greep hij +een dolk, die in de nis lag. + +Raffles had alles opgemerkt, doch vóór dat graaf Timmys bij hem was, +had Raffles zich tot hem gekeerd, greep den pols als met een schroef +vast, zoodat de dolk kletterend op den grond viel. + +Timmys had een gesmoorden vloek doen hooren en wreef zich, een pijnlijk +gezicht zettende, met kracht den ontwrichten pols. + +—Dwaas die gij zijt—zeide Raffles,—gij wildet mij dooden. Waarom? + +—Gij weet iets dat niemand weten mag. Gij moet sterven. + +—Dat is zoo. Maar thans nog niet. Wees eens even kalm. Jij hebt mij +niets gezegd, is ’t wel? En wat wildet ge nu doen? Dooden kunt ge me +niet. En verraden zal ik je niet. Vervloekte Portugeesche driftkop, +denk je, dat ik met jullie vervloekte geschiedenissen iets wil te maken +hebben? + +Hem moet ik eerst voor een poosje opbergen. Hij is te gevaarlijk door +zijn ongemotiveerde drift, overlegde Raffles bij zichzelf. Ik zal hem +thans even geruststellen, maar morgen is het tijd om te werken. + +Hier was iets geheimzinnigs, iets dat hij doorgronden wilde. Hij +gevoelde het als een ding van groot belang. + +Raffles nam een bankbiljet van vijftig dollar. + +—Pak aan, graaf!—spotte Raffles—en wee je gebeente als ge me een +stroobreed in den weg durft leggen. + +En terwijl hij wachtte totdat zijn auto voorkwam, dacht Raffles al maar +over de plannen die hij uitvoeren moest als hij tot een oplossing komen +wilde. + +De ontdekking wàs er, maar wat zou deze brengen? + +Raffles zat eenige oogenblikken daarna rustig in zijn auto, die met +snellen gang hem voerde naar het Victoria-Hotel. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE ONTVLUCHTING VAN ISSI. + + +Den volgenden morgen ging Raffles reeds vroeg naar het huis van Forster +toe. + +Hij had zich voorgenomen dat hij, eer het jaar vier en twintig uren +ouder was geworden, al een heelen boel gedaan moest hebben. + +Het zou een drukke dag van voorbereiding, een drukke avond en nacht van +uitvoering wezen!— — + +Met vluggen, jeugdigen stap klom hij de treden van het bordes op en +liep den portier voorbij, alsof hij reeds een bekende in Forster’s huis +was. + +Zijn eerste gang was naar Issi’s kamers. + +Binnengekomen zijnde informeerde hij eens naar de gezondheid van Issi. +De rust had haar zichtbaar goed gedaan en zij zag er jeugdiger en +schooner uit dan ooit. + +Raffles vroeg zich opnieuw af, hoe of het mogelijk was geweest dat dit +meisje getrouwd was met een zooveel ouderen man, die daarenboven nog +een wreedaard was. + +—Mevrouwtje—zoo sprak Raffles—ik ga aanstonds op weg een goede +schuilplaats voor u te zoeken. Blijft gij bij uw besluit? + +—Zeker, professor. + +—Goed. U begrijpt wel dat uw echtgenoot géén toestemming geeft tot uw +vertrek. Daarom zullen wij geheimzinnig te werk gaan en uw heengaan zal +zoo iets van een vlucht wezen. + +—Alles is mij wel, professor,—antwoordde Issi,—ik wil alleen weg van +onder de macht van dezen man. ’t Moet! + +—Dat zal gebeuren. Houd u rustig en luister naar den raad van mijn +assistent. Deze handelt meestal in mijn geest en zal u, mocht er +onverhoopt een voorval komen waaruit het werken van Forster blijkt, +bijstaan. Zorg er voor dat u hedenavond zeer sterk zijt. + +Hierop ging Raffles weer heen, na nog even met Charly te hebben +gesproken. + +Zijn eerste gang was naar Forster’s kamers. + +Een bediende verwittigde Raffles dat Sir Forster reeds vroeg uitgegaan +was en hem verzocht had te vragen of professor Edenshir naar het bureau +der hoogovens komen wilde, waar Forster op hem wachten zou. + +—Zeer goed. Is graaf Timmys hier? + +—Deze is hedenmorgen vroeg vertrokken. + +—Waarheen? + +—Naar New-York. + +—Ontslagen? + +—Neen, professor. ’t Was een buitengewone spoedboodschap, welke +verricht moest worden. + +—Waarom moest Timmys dat doen?—vroeg Raffles voorzichtig. Hij wilde +probeeren dezen knecht uit te hooren. + +—Dat is werk wat Timmys altijd doet. + +—Is Timmys langer hier in dienst dan gij? + +—O neen! veel korter. + +—Dan begrijp ik niet dat Forster u niet belast met geheimzinnige +zendingen... of—voegde hij er zacht aan toe—zijt gij niet betrouwbaar? + +—Ik dien nu drie jaren hier. Ik ben reeds huisknecht bij hem geweest +toen hij nog niet getrouwd was. Ik ben maar een eenvoudige jongen, Sir, +maar eerlijk. Ik heb veel gezien van mijn heer en meester, maar ik moet +zwijgen, omdat ik veel verdien en daardoor mijn oude ouders steunen +kan. Maar anders bleef ik geen uur meer hier. + +Raffles keek den spreker eens scherp aan. Was dit soms een comediespel +om hem in een val te lokken? + +Doch neen. De kerel was zoo onbevangen, deed zoo eenvoudig, dat het +waarheid wezen moest wat hij stond te vertellen. + +Raffles moest de proef op de som hebben. + +—Dus als gij evenveel, zoo niet meer zoudt kunnen verdienen ging gij +weg? + +—Ja. ’t Is hier met al die baronnen en graven géén werk. Op ’t +oogenblik ben ik even rustig. Ik moest van Timmys wacht doen, maar +anders commandeert dat „kanalje” mij veel meer dan vroeger Forster. + +—Goed. Je wilt weg. Ge kunt bij mij komen. + +—Hier? + +—Wat bedoel je. Hier in New-York? + +—Ja, Sir! + +De man stamelde van hoop en blijdschap en keek naar Raffles’ lippen om +te zien als het ware, wat professor Edenshir zeggen zou. + +—Gij blijft hier in New-York. Onder één voorwaarde. + +—En die is? + +—Dat gij mij trouw zult dienen en alles zult doen wat ik wensch. + +—Sir!—antwoordde de man eenvoudig—ik wil dit alles zéker doen. Maar ik +heb hier veel geleerd en vertrouw weinigen meer. Ik behoef toch b.v. +nooit iemand te...... + +De man zweeg. + +—Nu?—vroeg Raffles. + +Even schudde de man met ’t hoofd en sloeg de oogen neer. + +Toen zeide hij heel zacht, zonder verband tusschen zijn daareven +gesproken woorden: + +—Iemand kwaad te doen bijvoorbeeld. + +Raffles dacht na. Deze vraag werd niet zonder bedoeling gedaan. ’t Was +wel zeer eigenaardig, dat hij dezen man nù ontmoeten moest. Probeeren +dan of hij er profijt van hebben kon. + +—Hoe komt ge aan zulk een gedachte? + +—Dat weet ik niet. ’t Was alleen maar een vraag. + +—Hebt ge hier dan al eens iemand moeten vermoorden bijvoorbeeld? + +Een doodelijke bleekheid toog over ’s mans gelaat. Er ging Raffles +plotseling een licht op. Deze man bleef dáárom bij Forster. ’t Kon niet +anders. Hij was geketend aan dit bestaan en durfde wellicht niet eens +buiten New-York, bang als hij was dat men hem nog eens arresteeren zou. + +Welk een geheim zou hier nu weer achter zitten? + +Raffles streek zich over ’t hoofd en zeide daarna: + +—Uw vraag, uw gansche optreden geeft mij te denken. Ik wil eens ernstig +met je spreken. Misschien zal dat je goed doen. Kunt ge hedenavond bij +mij komen? + +—Waar? + +—Om acht uur in het Victoria-Hotel. + +—Neen, professor. Dat zal niet gaan. Ik heb vanavond dienst. + +—Is hier dan geen stil plaatsje waar wij kunnen spreken? + +—Jawel, maar zeer gevaarlijk. + +—Dat is minder. + +—En dan, professor, niet om acht uur, maar om twaalf uur hedennacht. + +Raffles keek weer naar den huisknecht. Vermoedde men iets van de +plannen omtrent Issi’s vlucht? + +Dat was toch niet mogelijk. Dat kon niet. ’t Was een merkwaardige +samenloop van omstandigheden, die, wanneer men de macht had ze te +gebruiken, allen dienstbaar gemaakt konden worden aan het doel wat +Raffles zich voorgesteld had. + +Buitendien, wanneer hij er voor zorgde dat Issi, bijgestaan door +Charly, vluchten kon, dan was hij hier toch. + +—Ik zàl komen!—zeide Raffles met harde stem, terwijl hij den man +doordringend aanzag.—Maar weet dat ik nooit bang ben. Begrepen? + +Hij zweeg even en zeide daarna: + +—Wijs mij de plaats waar ik wezen moet! + +—Weet u de bibliotheek? + +—Ja. Ga voort. + +—Die trap gaat ge op en ik zal er wezen om met u te gaan. + +Raffles verdiepte zich er niet verder in, want hij moest nog heel wat +doen. Hij nam dus afscheid van den huisknecht en reed enkele minuten +later naar het bureau van Forster, bij de hoogovens en ijzerfabrieken. + +Raffles werd ontvangen door een ambtenaar, die hem onmiddellijk naar +Forster bracht. + +—U komt juist intijds, professor—riep Forster op zijn gewone +luidruchtige manier. Hij zag er zeer opgewonden uit. + +—Dat doet mij werkelijk genoegen. De patiënte.. + +—Ja, ja!—viel Forster hem plotseling in de rede—dat komt wel. Ik ben op +het oogenblik aan geheel andere dingen bezig. En ik wilde u juist +vragen of mijn vrouw vervoerd kan worden. + +—Waarheen—vroeg Raffles in groote verbazing. + +—Naar de buitenplaats van een mijner vrienden. + +—Naar den Russischen gezant?—vroeg Raffles. + +Als geëlectriseerd sprong Forster op. + +—Hoe—weet—u—dat?... + +Woest rolden zijn oogen door hun kassen, doch Raffles bleef kalm staan +en zeide: + +—Gewoonlijk weet ik alles, zonder dat ik er moeite voor doe. Gedachten, +vriend. Gedachten, anders niet. U weet uw ziekteverschijnsel gaf mij +redenen tot nadenken en dit bracht mij de wetenschap dat u zeer veel +hooggeplaatste personen telt onder uw kennissen. Op ’t oogenblik is uw +vriendschap buitengewoon voor dezen gezant, maar toch zal ik mij er +ernstig tegen moeten verzetten dat u uw echtgenoote er zult heen +brengen. Vertrouw haar liever toe aan een goed sanatorium, waar liefde +en vrede, licht en reinheid heerschen. + +Forster stond precies als een buldog, die gereed is voor een sprong +naar het slachtoffer. + +Raffles keek hem strak aan. + +’t Was een zwijgend beproeven van elkanders krachten, want nu Raffles +zekerheid had dat er groote geheimen bestonden, wist hij ook dat er +zeer veel op ’t spel stond. + +En gedachtig aan Issi’s woorden voelde hij, dat hier een inspannend +maar goed werk te doen was. + +—Wat u weet is gevaarlijk, professor—merkte Forster op. + +—Meent u? + +—Zéér gevaarlijk. + +Forster drukte enorm op deze woorden, hij wilde professor Edenshir bang +maken. + +—Ik gevoel niets van dat gevaar. Waarschijnlijk is het dus geheel aan +uw zijde....—zeide Raffles nonchalant. + +De aderen van Forster rezen op zijn voorhoofd, en toornig stiet hij +uit: + +—Mijnheer, nog nooit heeft iemand mij durven noch kunnen dwarsboomen. +Door u laat ik ’t ook niet doen. Wie mij in den weg staat ruim ik op. + +—Een oud handwerk van u?—merkte Raffles vragend op. + +Forster wankelde.... Hij keek met groote oogen naar Raffles en +stamelde: + +—Wie zijt gij? Hoe durft ge?.... + +—’t Doet mij genoegen, waarde Forster, dat ge mij, hoewel ik eigenlijk +niets positiefs gezegd heb, gesterkt hebt in mijne meening. + +Forster zeide niets, maar toen Raffles met een energieke beweging de +deur opende en heenging met de woorden: „Als u beleefder en kalmer zijt +geworden kom ik naar u toe”, kende zijn drift geen grenzen meer. Hij +nam zich voor om professor Edenshir te dooden. + + + +Raffles huurde daarna in een der meest afgelegen parken een kleine +villa. + +’t Was minstens zes à zeven uur rijdens van Forster’s woning af, zoodat +als Issi hier naar toe vervoerd werd, men niet bevreesd zou wezen dat +zij de eerste tijden ontdekt zou worden. + +Raffles liet alles gereed maken, zóó, dat het voor een jonge vrouw een +lusthof was. + +Er waren kamers vol licht en lucht, met smaak gemeubileerd en voorzien +van alles wat een rustigen, aangenamen indruk maakt. + +Hij nam een dienstbode aan, iemand van wie een informatie-bureau +gunstige getuigenis gaf en liet deze direct alles in orde maken voor de +komst van Issi. + +Toen ging hij naar Forster’s huis, nadat hij zich eerst overtuigd had +dat Forster nog op het Bureau was. + +Tijdens Raffles’ afwezigheid was Timmys teruggekomen en met een bijna +volkomen onderdanigheid boog deze. + +—Graaf Timmys, ik kom daar juist van mr. Forster,—zeide Raffles. + +—Ja, Sir? + +—Mevrouw moet naar het buiten van den Russischen Gezant. + +Een glimlach vloog over Timmys’ gelaat. + +—Dat is zeer vlug. Ik ga nu mede naar Engeland,—zeide Timmys, die, nu +professor Edenshir meer wist dan gisteren, meende dat hij alles zeggen +moest. + +—Timmys—hernam Raffles—ge moet me helpen. + +—Zeer gaarne. Ik wensch het gebeurde van gisterenavond goed te maken. + +—Prachtig. Maak de groote reisauto gereed. Wij kunnen mevrouw daarmede +vervoeren. Doch vlug. Want binnen ’t uur moet ik weer bij Forster terug +wezen. + +Timmys ging zich van zijn taak kwijten. + +Raffles vloog naar boven en gaf Charly en Issi last vlug voort te +maken. + +Toen ging hij vlug naar beneden en liep naar de Bibliotheek, waar de +huisknecht nog was. + +—Hedenavond ben ik niet hier. Kom morgen bij mij. Ge kunt onmiddellijk +in dienst komen bij Lord Divonshart in het „Liveman-park”, Villa nummer +18. + +—Morgen? + +—Ja. + +—Maar hier dan? + +—Een getuigschrift is voldoende. + +—Dat krijg ik niet. + +—Wil ik er een maken voor je? + +—Is ’t voor uw vriend? + +—Ja. Maar later kan het je toch te pas komen. Geef me papier. Ah! laat +me even plaats nemen voor ’t bureau van je meester. + +—Professor!.... riep de man verschrikt—dat mag niet! + +—Ach wat. Ik weet toch alles. + +—Ge jaagt mij den dood in. Als Mr. Forster merkt dat gij er gezeten +hebt, vermoordt hij mij. + +—Dan komt ge mij maar dadelijk achterop.; + +—Ik màg niet! + +—Lafaard! Wel durfdet gij een daad doen die veel erger is.... + +—Hoe weet ù dat,—riep de man ineenkrimpende van smart. + +—Forster vertelde ’t mij! + +—Dat is gemeen! + +—Blijft ge dus nog hier? + +—Neen! + +—Laat mij door! Ga naar het door mij opgegeven adres. Ge zult het er +goed hebben. + +Raffles wachtte ’t antwoord niet meer af, maar trad brutaalweg de +bibliotheek binnen. + +Alles was goed gesloten, doch Raffles had op dergelijken tegenslag +gerekend. Hij zette zijn instrumentje om sloten te openen er op en het +bureau, waarin zooveel geheimen waren, was voor Raffles publiek +eigendom. + +Hij, die zoo menigmaal met allerlei dingen in aanraking was geweest, +wist natuurlijk niet beter te doen dan te zoeken naar ’t een of ander +verborgen laadje om te zien of hier bewijsstukken in lagen. + +Lang mocht hij evenwel niet talmen, want ’t werd tijd om heen te gaan. + +Met razende vlugheid doorzocht hij het bureau. Niets te vinden. +Misschien was alles in de brandkluis van het groote kantoor. + +Juist wilde Raffles den boel weer sluiten, toen hij vrij onzacht met +zijn linkerhand in aanraking kwam met een knopje, dat beschermd werd +door een laadje. + +Een paneel week op zijde en Raffles zag een met staalplaten bekleede +ruimte, waarin papieren lagen. + +Zonder zich te bedenken stal hij deze en sloot alles verder zorgvuldig +af. + + + +Vijf minuten later kwam professor Edenshir met Issi en Charly de +trappen af en tien minuten later suisde de auto, bestuurd door +professor Edenshir, door New-York’s straten de pas gehuurde villa +tegemoet. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN NIEUWE STAALSPECULANT. + + +Graaf Timmys zat naast professor Edenshir voor in de auto en merkte met +eenige verbazing op dat men niet naar het gewone buiten ging van den +Russischen gezant. + +—’t Is ook een buitengewoon geval—antwoordde Raffles terug.—Zoo direct +zijn wij er. + +Inderdaad. Raffles reed het park in en voor een allerliefste villa +bleef de auto staan. + +De deur werd onmiddellijk geopend en het vriendelijke gelaat van een +ongeveer veertigjarige meid-huishoudster werd zichtbaar. + +Tot heden toe liep dus alles goed. + +Prachtig zelfs. + +Met kalmte en waardigheid bracht men Issi naar een heerlijk groote +tuinkamer, waar bloemen haar een vriendelijk welkom toeriepen. + +Toen dit geregeld was gaf Raffles Charly een wenk en zeide: + +—Graaf Timmys, wilt u mij even volgen? + +—Gaarne. + +Raffles ging naar een klein kamertje dat nergens ramen had. Wel was er +een klein smal luchtgat, maar meer ook niet. ’t Scheen wel een +proviandhokje te zijn, want nergens was ook maar een bewijs, dat er +ooit iemand langer had vertoefd dan noodig was tot het verkrijgen van +voorwerpen die daar opgeborgen waren. + +Raffles stiet met den voet tegen een soort matras, en hij mompelde: +„Ah, toch om gedacht.” + +Hij keerde zich om en zeide tegen Timmys: + +—Ziehier uw kamer voor dezen nacht, morgen zullen wij nader spreken. + +Meteen gaf Raffles hem een duw, hield hem even een watje met vocht, dat +een bedwelmenden invloed uitoefende, onder den neus en legde hem daarna +neer op een matras, dekte hem toe met een deken, zette een zeer lange +kaars bij hem neer, met allerlei benoodigdheden, zooals water, een +fleschje wijn, cigaretten, opdat hij zich niet vervelen zou als hij +ontwaakte. + +Raffles met Charly gingen nu naar beneden, en namen afscheid van +elkander, met de belofte dat Charly zorgvuldig op zou passen, en dat +Raffles zoo spoedig mogelijk terug zou keeren. + +Raffles reed nu met spoed naar het Victoria-Hotel, nadat hij eerst in +een garage de boodschap achtergelaten had: + +—Breng die auto onmiddellijk bij Mr. Forster, „den staalmagnaat”, terug +met dezen brief: + +De brief luidde: + + + Mr. Forster, bijgenaamd „de Staalmagnaat”. + + Mijnheer! + + Hierbij in beleefden dank terug uw auto, welke ik noodig had tot + uitvoering van mijn plannen. + + Professor Edenshir met zijn assistent en uw echtgenoote heb ik + gevankelijk als reisgezelschap meegenomen bij mijn vertrek naar de + oude wereld. + + Van mij zult gij, indien ge mij met rust laat, geen last + ondervinden in uw poging om uw millioenen op een oneerlijke wijze + te vermeerderen. + + GRAAF TIMMYS. + + +Daarna ging Raffles weer terug naar het Victoria-Hotel, na eerst +zorgvuldig de grime van professor Edenshir te hebben verwijderd. + +Reeds dadelijk bij zijn binnentreden werd hij hartelijk verwelkomd door +den directeur van het mooie, groote hotel en deze informeerde +belangstellend naar het uitstapje, dat Lord Divonshart gedaan had in de +provincie New-York. + +Lord Divonshart ging naar zijn appartementen, en opende nu de stukken, +die hij gestolen had uit het bureau van Forster. + +Getallen... niets dan getallen, die millioenen vertegenwoordigden.... + +Maar boven dit alles een plan dat opeens de geheimzinnigheden openden +die Forster omgaven. + +Forster moest al het staal en ijzer, alle grondstoffen aankoopen tot +een lagen prijs. Hij en een graaf, verbonden aan een der +gezantschappen, waren de compagnons in deze millioenen-affaire. + +Wanneer nu alles in hun handen vereenigd was, zou men invloed gaan +uitoefenen op de internationale politiek, dat wil zeggen, men zou +partij probeeren te trekken van geschillen, die tusschen de mogendheden +gerezen waren. + +Dan zou men aanvankelijk doen alsof de voorraden staal en ijzer +gecontracteerd verkocht waren aan één mogendheid en de andere zou zeer +hooge prijzen gaan besteden voor staal en ijzer. + +De beurs was op ’t oogenblik wat men in deskundige kringen slap noemt. +Alleen iedereen was verbaasd dat Forster door talrijke agenten alles +opkocht wat ook maar eenigszins dienstig was. + +De internationale berichten waren immers zóó rustig dat niemand in de +eerste jaren althans eenige vrees koesterde dat het tot een oorlog +komen zou. + +En Forster’s plannen waren zoo geheimzinnig, zóó af, zóó buitengewoon +ondoorzichtig, dat men met geen mogelijkheid ook maar bij benadering +raden kon wat er eigenlijk gebeurde. + +Raffles las aandachtig al die plannen, die, hoewel nog geheel +onvolledig, hem een inzicht gaven in de ploertige wijze van werken, die +de „staalmagnaat” er op nahield. + +Zorgvuldig borg hij de dingen in een enveloppe weg en sloot ze in een +der koffers, die op zijn pakkamer stonden. + +Toen zette hij zich nader en dacht zeer ernstig na. + + + +Forster was thuisgekomen en ging allereerst naar de vertrekken van zijn +vrouw. + +Niemand was er aanwezig. + +Wat kon hier gebeurd zijn? + +Een angstig voorgevoel maakte zich meester van Forster. + +Hij riep de kamenier bij haar naam, doch kreeg geen enkel antwoord. + +Zijn oog viel op een klein briefje, dat op een werktafeltje lag. + +Hij rukte het open en las: + + + Mijnheer Forster! + + Vanmiddag verzocht graaf Timmys mij even een boodschap te doen. Ik + ging. Bij mijn terugkeer zag ik niemand meer. Zelfs John was + vertrokken. De overige bedienden wisten van niets en ik deed + onderzoek. Het bleek mij dat mevrouw gevlucht is en ik wilde mij + niet blootstellen aan uw toorn. + + Vergeef mij. + + CHARLOTTE, + kamenier. + + +Roerloos stond hij daar. + +Eindelijk rilde hij, als schudde hij iets van zich af en liep naar de +breede marmeren gang. + +Met luide stem brulde hij: + +—Timmys!... Timmys!!... + +De deuren der kamers van het overige dienstpersoneel werden geopend en +men snelde naar Forster toe, die nog steeds stond te roepen!... + +Niemand kon antwoord geven op de vragen, de driftige vragen van +Forster. + +Stil! + +Een auto reed voor! + +Forster zelf vloog naar de deur en liep den chauffeur, die het briefje +met de auto bracht, bijna omver. + +—Vanwaar komt ge? + +—Garage „Motor Car’s Cy.”—antwoordde de man. + +—Wat moet je? + +—Dit briefje geven—zeide de chauffeur nijdig, die alles behalve +gesticht was over den door Forster gebruikten toon. + +Forster las met inspanning het geschrevene. + +Hij waggelde naar binnen, zocht een doorgang door de opdringende +bedienden en sloot met harden slag de deur der bibliotheek. + +De beheersching was evenwel te hevig geweest en een groote zwakte kwam +over den „staalmagnaat”. + +Ruim een uur zat hij zoo. + +Toen was het alsof hij opleefde. + +—Wat weet die Timmys eigenlijk? Hij weet dat ik in geheime betrekking +sta tot enkele diplomaten, maar meer ook niet. En dat hij ’t geheele +rommeltje heeft meegenomen is mij wel. Als alles achter den rug is, en +niemand mij meer treffen kan, zoek ik hem toch. Nu is het slechts +uitstel van executie. Wacht maar, Timmys... Wacht maar!.... Het komt +wel... + +Een vreemde glimlach ontsierde zijn toch al zoo wreed gelaat en het +werd er nog onaangenamer door. + +Forster ging voor zijn bureau staan en drukte op het geheime knopje.... + + + +Hij stak de hand uit... tastte driftig in ’t rond... vond niets... +stiet een doordringenden kreet uit... en sloeg met een harden slag op +den grond... bewusteloos. + + + +Uren lag hij zoo. + +Niemand van het personeel waagde het om binnen te komen en er heerschte +een groote ontroering bij allen, die in het huis Forster’s waren. + +Den volgenden morgen drongen twee bedienden binnen en vonden Forster +nog steeds bewusteloos. In allerijl werden doktoren geroepen, die +onmiddellijk tot behandeling overgingen. + +Forster’s sterk gestel was een reden dat eenige uren later hij de oogen +opsloeg en direct vroeg, zij het dan ook met zwakke stem: + +—Alles moet geheim blijven! Beloof me dit. + +De doktoren keken elkander aan. + +Forster zag dit. Hij werd driftig en riep thans, veel luider: + +—Is het al bekend? Vervloekt. Laat mij de couranten zien. + +De doktoren probeerden hem te kalmeeren, doch dit ging niet. Ten lange +leste besloot men de couranten te geven en een hunner las een +sensationeel stukje voor, dat dien dag aller aandacht getrokken had. +Onder het dik gedrukte hoofd: „Een vreemde geschiedenis” meldden de +bladen het volgende: + + + Heden is er in de wereld der geldkringen, in de omgeving der + speculanten, iets voorgevallen, zooals alleen in Amerika, de Nieuwe + Wereld, gebeuren kan. + + Zoo men weet behoort de „staalmagnaat” Forster tot een der rijkste, + zoo niet de rijkste, mannen van onze wereld. + + In enkele jaren tijds heeft hij het weten te brengen tot dezen + stand, hij die tot voor eenige jaren nog als gewoon werkman voor de + hoogovens stond. + + Met de kracht van een electrische vonk heeft hij zich naar boven + gewerkt, maar evenals de vonk veel kwaad berokkenen kan, heeft hij + ook in zijn omgeving zeer veel leed veroorzaakt. Leed aan anderen, + leed aan onschuldigen. Iedereen die hem dwarsboomde, iedereen die + hem op eerlijke wijze bestreed, werd doodeenvoudig „opgeruimd”. Hoe + dat opruimen gebeurde, weten wij niet te zeggen, niettegenstaande + daarover allerlei geruchten de ronde doen. + + Wel weten wij dat er een opmerkelijk aantal ongelukken voorviel + tijdens de dagen dat hij als werkman op de hoogovens werkzaam was. + Daarna was hij leider van de groote staking, die de ijzer- en + staalindustrie enorme nadeelen heeft gebracht. Bij de inwilliging + der eischen, zagen de directeuren van de verzamelde hoogovens hem + in hun midden opgenomen. Reeds toen begon de verrader zijn rol te + spelen. De arbeiders, wier belangen hij moest behartigen, werden + ontslagen, omdat machines hun werk verbeterden of vlugger deden. + Twee jaren nadien kwamen uit Europa onrustbarende berichten. IJzer- + en staalprijzen stegen per minuut en met millioenen werd er + gespeculeerd. Toen was hij het die door verzwijging van een + draadbericht op één dag heer en meester werd en hoofddirecteur der + beroemde hoogovens. Doch ook hier speelde hij een dubbele rol. Met + geld, verdiend door de hem toevertrouwde kapitalen, kocht en + verkocht hij privé, met het gevolg dat een jaar later hij optrad + als ijzer- en staalindustrieel met de nieuwste fabrieken en + hoogovens. + + Forster zat evenwel nog niet stil. Eerzuchtig, hoogmoedig als hij + is, streefde hij naar wereldheerschappij en verzamelde onder het + mom van huisbedienden graven en baronnen om zich heen, die in + werkelijkheid niets anders schijnen te zijn dan gewetenlooze + diplomaten. + + Een hunner, graaf Timmys, Portugees van geboorte, maar eertijds + verbonden aan verschillende gezantschappen, is heden met de + noorderzon vertrokken. + + Hieraan is een inderdaad geheimzinnige geschiedenis verbonden. + + Forster hield zijn mooie, jonge vrouw, die vroeger als typiste bij + hem was werkzaam geweest, gewelddadig gevangen met het gevolg dat + een zenuwspecialiteit noodig was om mevrouw Forster’s gezondheid te + herstellen. + + Gedurende een tweetal dagen is deze specialiteit van goeden naam en + faam ten huize van Forster geweest. Gisteren schijnt deze + specialiteit onheusch te zijn behandeld en kreeg hij „toevallig” + woorden met graaf Timmys, die een dolk trok en den specialiteit te + lijf wilde gaan. + + Of dit gebeurd is, staat nog niet vast. Wel zijn mevrouw Forster, + de zenuwspecialiteit en diens assistent met graaf Timmys spoorloos + verdwenen. + + Evenals een bediende, die al gedurende enkele jaren bij Forster + dienstbaar was en die door de politie indertijd ijverig gezocht is + geworden in verband met een geheime moordgeschiedenis op een + secretaris van een bekend gezantschap. + + Ook de kamenier is vertrokken. + + Bij het instellen van een onderzoek bleek het Mr. Forster, dat uit + zijn privé-vertrekken gestolen zijn zeer belangrijke documenten, + waardoor de „staalmagnaat” zoo geweldig is geschrokken, dat een + aanval van beroerte niet uitbleef. + + De doktoren hebben rust voorgeschreven en de verwachtingen zijn van + dien aard, dat het vermoeden gewettigd mag heeten, dat mr. Forster + binnen enkele dagen geheel hersteld zal zijn. + + Intusschen zien wij vol belangstelling den uitslag van deze vreemde + historie tegemoet. + + +Forster zweeg lang stil en vroeg: „Hoe weet men dit alles?” + +De doktoren moesten het antwoord schuldig blijven en Forster gelastte +dat onmiddellijk de bedienden ondervraagd zouden worden. + +Een hunner wist te vertellen, dat een journalist was wezen vragen naar +een en ander, maar dat hij niets had te weten kunnen komen. + +Op staanden voet werd de man toch ontslagen en Forster gaf bevel dat +niemand eenige inlichtingen geven mocht. + +Dien dag hield Forster het bed. + + + +Met zware, sonore slagen klepelde de beursklok van het enorme groote +beursgebouw in Wallstreet het aanvangsuur. + +Stroomen heeren renden naar binnen, liepen in haastigen pas de portiers +voorbij en begaven zich allereerst naar de tijdingzalen, waar door +middel van electrische „tijdingborden” de stand werd aangegeven van de +verschillende fondsen die verhandeld werden. + +Het was een geraas en geweld, dat hooren en zien verging en nog steeds +stroomden nieuwe bezoekers binnen. + +Overal hoorde men den naam van Forster noemen en vooral in den +„staalhoek” was de stemming wonderlijk. + +De noteeringen waren dien dag buitengewoon laag en menigeen, die in +tijden van spanning staal gekocht had, zag met bezorgde blikken de +verschillende orders na, die blijken gaven van buitengewone slapte. + +Eenigszins bezijden de groep van staalspeculanten stond een knap, +elegant heer met een beminnelijken glimlach op de lippen. + +’t Scheen wel alsof hij met alles en allen heimelijk spotte, zoo keek +hij met een zekere minachting neer op al dat gewriemel rond hem heen. + +Hij had dien morgen gelezen dat de verhouding tusschen twee Europeesche +mogendheden minder gunstig was, doch wist ook dat de staal- en +ijzernoteeringen geheel in handen waren van Forster. + +Verschillende agenten kwamen op hem toe. + +—Koopen? + +—Neen!—klonk het flegmatieke antwoord—ik ben Lord Divonshart met een +speciale opdracht hier aanwezig. Ik zoek Forster, een uwer +groot-industrieelen. + +Enkele minuten later was Lord Divonshart, alias Raffles, omringd van de +zwendelagenten van Forster. + +Zij allen hadden, zooals zij beweerden, enorme hoeveelheden staal en +ijzer, goede kwaliteit, maar tegen zéér hooge prijzen. + +Lord Divonshart noteerde steeds maar neer, en ten slotte had hij +minstens drie kwart-gedeelte van den aanwezigen voorraad gekocht. + +Alle verkooporderbriefjes werden geëndosseerd aan de Engelsche bank, +die bij informatie mededeelde dat ten name van Lord Divonshart een +bedrag was gedisponeerd van vijftig millioen dollar met een overwaarde, +dat wil zeggen crediet van tweehonderd millioen dollar. + +Groot was de verbazing onder de „staalmannen” bij het hooren van deze +sommen en iedereen poogde iets naders te vernemen van den +geheimzinnigen Lord, die zoo groote koopen sloot. + +Niets kwam men evenwel te weten en de spanning steeg met ieder +oogenblik. + +Morgen... morgen!... dan zou men ongetwijfeld meer weten. + +Lord Divonshart zat evenwel niet stil. Zoodra de beurs op het daarvoor +gestelde uur gesloten werd, ging hij naar de fabrieken van Forster toe +en vroeg de directie te spreken. + +Hier zette hij het doel zijner komst uiteen en na een zwaren strijd +kreeg hij het zoover dat de directeuren, buiten Forster om, een koop +afsloten, waarbij Divonshart eigenaar werd van de geheele massa staal +en ijzer die in voorraad was, en ook de nog te maken voorraad gedurende +twee jaren was zijn eigendom. + +Dit gerucht ging als een loopend vuurtje de beurswereld door en de +meest scherpzinnigste handelaars waren voor een wijle op het dwaalspoor +gebracht. + +Toen ’s avonds de beursberichten binnenkwamen bij Forster, hij was op, +vreesden de doktoren een nieuwen aanval van beroerte, zóó hevig scheen +hij getroffen door alles wat hij las. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +GEVALLEN. + + +Nadat de doktoren Forster gekalmeerd hadden en hem een stillenden drank +hadden ingegeven, wilde hij hebben dat men onmiddellijk de directie +zijner fabrieken liet roepen. + +Deze kwam en geen pen ter wereld is in staat te beschrijven de woede, +die Forster openbaarde. Als een duivel ging hij te keer en toen een der +heeren opmerkte dat men toch in ieder geval een enorme winst had +gemaakt, werd hij zoo boos, dat men vreesde voor zijn leven. + +En toch...... + +Met ijzeren wilskracht hield hij zich staande en bezwoer dat hij tot +iederen prijs de staalmarkt terug moest hebben. Hij, hij alleen moest +de noteeringen hebben, niemand anders. + +De telefoon ging over en een der directeuren nam den hoorn ter hand om +hem enkele oogenblikken later twijfelend aan Forster te geven. + +—Men vraagt u zelf! + +—Geef hier! Ja. Hallo? Wiedaar? + + ... ... ... ... + +—Ah! Ja, dat is een beroerde geschiedenis. Men heeft gelegenheid gehad. + + ... ... ... ... + +—Wat zegt u? Een Engelsche Lord? + + + +—Niet mogelijk. Dat is niet zoo. Ik zal probeeren met den man te +handelen. ’t Moet. Niet goedschiks, dan maar op een andere manier. + +Nog zeer lang bleef Forster aan de telefoon. Men begreep zooveel wel +uit het gesprek, dat men huiverde bij de plannen van dezen man. + +Doch niemand wist dat daar buiten Lord Divonshart, met een instrument, +bevestigd aan den telefoondraad, alles afluisterde wat er gesproken +werd tusschen Forster en zijn compagnon... een lid van een gezantschap. + +Een half uur later kwam een der directeuren van de Forster hoogovens +bij Lord Divonshart in het Victoria-Hotel. + +—U wenscht? + +—Lord, ik kom in opdracht van mijn chef, mr. Forster. Of u onmiddellijk +mee wilde komen? + +—Waarom? + +—Mr. Forster is eenigszins ongesteld en wenscht u te spreken. + +—Over den koop? + +—Ja. + +—’t Spijt mij zeer, maar ’t is mij onmogelijk. Wanneer ik mr. Forster +hier ontvangen kan, zal mij dit zeer aangenaam zijn. + +Welke moeite men ook deed, Lord Divonshart, alias Raffles, was niet te +bewegen om mede te gaan. Hij dacht: „Wanneer ik mij daarheen begeef, +keer ik niet meer terug.” + +Onverrichter zake keerde de directeur terug. + +’t Zal zoowat middernacht geweest zijn, dat een auto stilhield voor het +Victoria-Hotel en Forster, ondersteund door zijn twee directeuren, +binnen trad. + +Lord Divonshart moest gewaarschuwd worden. + +Deze was nog op, want hij had dit bezoek verwacht. + +Forster trad gejaagd binnen. + +—Mijnheer—riep hij—u had wel wat meer medelijden mogen hebben. + +—Waarom? + +—Ik ben ziek. + +—Toch niet zoo ziek of u kon komen. + +—Omdat het van zeer groot belang is. + +—Is u een staaleigenaar? Ik koop thans tegen hooge prijzen. + +—Ge hebt gekocht. + +—Ook dat. Maar nog lang niet genoeg. + +In sprakelooze verbazing zag Forster Lord Divonshart aan. + +—Moet ge nog meer hebben? + +—Ja. + +—En ik kwam juist om het terug te koopen. + +—Dat is onmogelijk. + +—’t Moet. + +—Niemand kan mij dwingen. + +—Gij hebt misbruik gemaakt van mijn afwezigheid. + +—Integendeel. Ik had juist naar u geïnformeerd. + +—Doet er niet toe. De koop is ongeldig, + +—U vergeet de leveringswet. + +—Kan mij niet schelen! + +—Dan leg ik morgen beslag op alles. + +—Dat kunt ge niet! + +—We zullen zien! + +—Komt u namens een regeering? + +—Namens mezelf. + +—Is uw bedoeling geld te verdienen? + +—Ja. + +—Laat mij ’t dan terugkoopen. + +—Welken koers? + +—Tien procent hooger dan de uwe. + +—Dank u. Wanneer er vandaag of morgen oorlog komt, maak ik minstens +honderd procent. + +—Er komt geen oorlog! + +—Denkt u? + +—Dat weet ik zeker! + +—Durft u mij dat schriftelijk te geven? + +—Als ge mij alles wat ge gekocht hebt terug laat koopen tegen den koers +dien ik noemde. + +—Neen! + +—Wat eischt ge dan? + +—Vijftig procent. + +—Nooit. Ik geef twintig! + +—Geen denken aan! + +Lang nog waren de beide mannen bezig. Lord Divonshart, alias Raffles, +bleef op zijn eisch en in dolle drift gaf Forster zijn toestemming. + +Raffles eischte daarvan een onmiddellijke kwitantie op een bank, die +direct zou uitbetalen. + +Forster schreef een kwitantie van zeven en een half millioen dollar, +zijnde het verschil tusschen Lord Divonshart’s koop en verkoop. Het +koopbriefje van dezen kreeg Forster. + +Bovendien schreef Forster een bewijs: + + + Ondergeteekende verklaart hiermede dat hij uit de beste bronnen + weet dat er geen oorlog komen zal. + + FORSTER. + + +Met een glimlach op ’t gelaat liet Raffles Forster uit, die afgemat en +uitgeput plaats nam in zijn auto. + +Den volgenden morgen vroeg haalde Raffles het geld van de bank en +deponeerde dat elders. + +Daarna ging hij naar het Amerikaansche regeeringsgebouw, waar hij den +staatssecretaris alles uitvoerig uiteenzette. + +Deze telegrafeerde de geheime nota’s, welke noodig waren om met de +Europeesche mogendheden in contact te komen. + +Van dat oogenblik af moest men geduldig afwachten. + + + +—De „staal”-beurs opende dien dag met spanning. Er was een enorme vraag +naar staal en ijzer, doch niemand kon verkoopen. Bijna alles was immers +in handen van dien Lord Divonshart. + +Onbevangen trad hij de beurs binnen en weldra werd hij bestormd met +duizenderlei vragen. + +Hij baande zich een weg door de rijen bezoekers, en raadde iedereen aan +om wat hij te verkoopen had, dit op te geven aan de agenten van +Forster. + +Vreemd genoeg hadden allen een groot vertrouwen in Lord Divonshart. + +Geen wonder. + +Aan allen die hem aanhielden toonde hij Forster’s briefje en vertelde +daarbij kalm en waardig: „’t Schijnt mij toe dat er iets met Forster +gebeuren gaat.” + + + +’s Avonds was Forster bezitter van al het staal, dat er op dat +oogenblik in Amerika voorradig was. + +Niettegenstaande hij, zooals hij het zelf noemde, „een strop had van +zeven en half millioen”, zoo zou hij toch enorme winsten maken... +als...... + + + +Tien dagen later. + +Uit de door Raffles gestolen papieren, welke hij gedeponeerd had bij +den regeerings-staatssecretaris, was het bekend geworden dat enkele +groot-kapitalisten in Europa met enkele uit Amerika—onder wie +allereerst Forster—het daarheen dreven dat er oorlog komen moest. + +Er was geknoeid geworden, tusschen deze groot-kapitalisten en +diplomaten. Landen waren gekocht en verkocht en nu, door één enkelen +politieken zet, dreigde er dan werkelijk oorlog te komen. + +Doch juist op het moment dat de bom te springen stond, greep Amerika in +met vaste vuist en een onderzoek werd onmiddellijk door alle +regeeringen ingesteld. + +Enkele opzienbarende arrestaties volgden van mannen die in hooge eer en +aanzien stonden. + +Telegrammen werden heen en weer gezonden en het gevolg was dat men op +den tienden dag na Raffles’ koopen op de beurs lezen kon, dat de +internationale toestand gezuiverd was van alles wat hinderlijk was voor +den vrede. En tien tegen één, zoo profeteerden, de hoogere +staatslieden, dat de vrede voor geruimen tijd bestendigd was. + +De beursnoteeringen waren dien dag normaal. + +Alleen in den staalhoek was de verontwaardiging hevig en moest deze +afdeeling op bevel van de overheid gesloten worden. + +Forster die de beurs bezocht had, had een goed heenkomen gezocht, en +zat thans op zijn privé-bureau. + +Doch ook hier liet men hem niet met rust en men zocht hem op om +onmiddellijke betaling. + +De kas werd uitgeput... + + + +En millioenen, die bij het welslagen der voorgenomen plannen zouden +binnengestroomd zijn, moesten nog betaald worden. + +Forster werd wanhopig. + +Hij brulde dat men de deuren sluiten zou, maar niemand gaf gehoor aan +zijn bevel. + +Eindelijk steeg de toestand tot een paniek. + +Hevige scènes waren er voorgevallen... + +De toestand was niet meer te redden... + +Toen greep Forster een revolver.... + +Een kleine hoofdwonde scheen een einde gemaakt te hebben aan een +geweldig leven!... + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +SLOT. + + +Charly was door Raffles op de hoogte gehouden van alles wat er gebeurde +en wist ook van den dood van Forster. + +„Ik kom—zoo schreef Raffles—morgenochtend. Wij vertrekken dan +onmiddellijk, nadat ik alles voor onze „patiënt” in orde heb gebracht!” + +Dit was zoo gebeurd. + +Raffles was naar het mooie villatje gekomen, waar Issi nog was. + +Ook graaf Timmys was er nog, maar thans in een betere en ruimere kamer, +waar hij bediend werd door John, die door Charly was aangenomen. Hij +deed tevens dienst als bewaker. + +Al deze menschen, behalve Charly, wisten nog niets van al het gebeurde. + +Raffles ging eerst naar Timmys en deelde hem mede wat er gebeurd was. + +—Ik zou je nu kunnen overleveren aan de politie. Dit doe ik niet. Maar +ik gelast je onmiddellijk je gereed te maken, want ge wordt heden +ingescheept naar Europa. + +Timmys zweeg. + +Hij maakte zich gereed en wachtte daarna af. + +Voorzichtig deelde Raffles daarop al het gebeurde mede aan Issi. + +Zij zuchtte als een mensch, die verlost wordt van een zwaren last. + +Raffles stelde haar toen zeven en een half millioen ter hand, die hij, +zooals hij zeide, „eerlijk verdiend had”. + +Hij gaf John order, zijn meesteres trouw en eerlijk te dienen, +vertrouwde Issi toe aan de goede zorg der vriendelijke huishoudster, en +hoorde niet eens meer de woorden van dank, die Issi hem toestamelde. + +Timmys nam plaats tegenover Raffles en Charly in een auto, die hem vlug +naar Hoboken voerde. + +Daar lagen de groote mailsteamers, en twee uren later zat Timmys op een +Portugeesche boot, die reeds onder stoom lag. + +—Menschen als hij zijn er genoeg in Amerika. + +Toen ging Raffles naar het passagebureau voor Engelsche schepen en +terwijl hij twee tickets nam voor speciale hutten, zeide hij: + +—Op zee zullen wij kunnen rusten van al het werk, dat deze vreemde +geschiedenis met zich mee bracht. Jammer dat Baxter er niet bij is +geweest. + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Hoogmoedswaanzin. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75575 *** |
