summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75574-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75574-0.txt')
-rw-r--r--75574-0.txt593
1 files changed, 593 insertions, 0 deletions
diff --git a/75574-0.txt b/75574-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5c660c1
--- /dev/null
+++ b/75574-0.txt
@@ -0,0 +1,593 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75574 ***
+
+
+
+
+
+ VAN HET
+ TOOVERVISCHJE
+
+ EEN OUD SPROOKJE
+ OP NIEUW
+ VERTELD EN
+ BERIJMD
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VAN HET TOOVERVISCHJE.
+
+EEN OUD SPROOKJE
+OPNIEUW VERTELD EN BERIJMD.
+
+
+In het land der blonde duinen
+En niet heel ver van de zee,
+Woonde eens een dwergenpaartje
+En dat heette „Piggelmee.”
+
+’t Waren heel, heel kleine menschjes
+En ze woonden—vrees’lijk lot,
+Want ze hadden heel geen huisje—
+In een ouden, keulschen pot.
+
+Voor de zon en voor den regen—
+Nooddruft had hun dat geleerd—
+Hadden zij dien steenen pot, met
+d’Oop’ning naar den grond gekeerd.
+
+Toen een gat er in geslagen.
+Klein, maar groot genoeg toch voor
+Hun zoo kleine dwergenlijfjes
+En daar kropen zij dan dóór.
+
+’t Vrouwtje zorgde voor het eten
+Maar.... dat eten moest er zijn,
+’t Ventje ging dus daag’lijks jagen,
+Schoot een haasje of konijn.
+
+Met een heel, heel klein geweertje,
+Dat gaf niet zoo’n grooten klap
+En dan ging hij op zijn klompjes,
+Met zijn konijntje vlug op stap.
+
+Zóó nu wist dat dwergenpaartje
+Zich te schikken in zijn lot
+En zij leefden vele jaren
+In hun omgekeerden pot.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Toen, wie had dat kunnen denken?
+—’t Onverwachte komt altijd—,
+Door een onverwachte tijding
+Werd hun hart door hoop verblijd.
+
+Op een mooien zomermorgen
+Lazen z’ in de „Dwergenkrant”
+Dat er was.... een „toovervischje”
+Komen zwemmen naar het strand.
+
+’t Vischje, dat met staart en vinnen
+Vlug zich door de golven sloeg
+Kon je alles, alles geven,
+Als je ’t hem maar need’rig vroeg.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Doodstil werd het op dien morgen
+In den ouden keulschen pot,
+Want de beide dwergjes dachten
+Aan hun droef en arm’lijk lot.
+
+... Need’rig vragen ... alles krijgen ...
+Alles en ... zij hadden niets.
+...’n Vischje, dat ... zoo mooi kon toov’ren ...
+Toov’ren? ... „manlief, zei je iets?”
+
+„Ik?—Neen”—„Zou je ... manlief ... durf je
+Niet eens naar dat vischje gaan?”
+„Vrouwtjelief, dat doe ik zeker,
+Vóór je ’t zei, dacht ik er aan.”
+
+„En,... wat wou je hem dan vragen,
+Als je heusch dat vischje sprak?”
+„... ’t Allereerst, dunkt mij, een huisje
+Met een schoorsteen en een dak.”
+
+„’n Huisje, echt, een heuschlijk huisje?
+Durf je dat te vragen man?
+Zoo een huisje met een deurtje
+Waar je echt in wonen kan.
+
+Ik, nog éénmaal in een huisje!
+Mensch? wie had dat ooit beleefd,”
+En haar kleine oogjes glimmen
+Van de vóórpret die ze heeft.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+En...des morgens in de vroegte
+’s And’rendaags ging Piggelmee,
+Klossend op zijn kleine klompjes
+Door de duinen naar de zee.
+
+„Vischje!” riep hij reeds van verre
+Met zijn handjes voor den mond,
+„Vischje, kan ik je eens spreken,
+Zwem je hier in d’ omtrek rond?”
+
+En toen klonk er plots als antwoord
+Uit de verre, wijde zee,
+Zacht een zilver stemgeluidje:
+„Riep je, ventje Piggelmee?”
+
+„Ja ik! Ja ik!” riep het ventje
+En hij trilde van genot;
+„Vischje, och geef mij een huisje,
+’k Woon maar in een steenen pot.”
+
+„Ga maar! Ga maar!” riep het vischje,
+„’t Geven kost mij niemendal,
+Ga maar gauw naar huis m’n ventje,
+Want je huisje staat er al.”
+
+En... vergetend te bedanken
+Liep het dwergje, dol van pret
+Naar.. zijn pot, maar, waar die stond, was
+Nu een huisje neêrgezet.
+
+Uit één van de vele raampjes
+Riep zijn vrouwtje, o! zoo blij,
+„Piggelmee! wat zeg je dáár van?
+Kijk eens hier, hier wonen wij.”
+
+Piggelmee zag met verbazing
+Nu zijn keurig huisje staan
+En hij wilde door het deurtje
+Als een heertje binnen gaan.
+
+Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten
+„’t Huisje is wel aardig, maar
+’t Zou je binnen niet bevallen.
+Want het is nog lang niet klaar.
+
+Je moet daad’lijk op je klompjes
+Nog eens naar de zee gaan, man,
+Want een huisje zonder meubels.
+Kijk, wat hebben wij daar an!
+
+Vraag het vischje een paar stoelen
+En een tafel en een bed,
+En... gordijnen voor de raampjes,
+Want dat staat zoo keurig net.
+
+En nog meer, wat wou ik zeggen,
+Ja zoo véél nog, ga maar vast
+Er moet nog een spiegel wezen
+En ook nog een linnenkast.”
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Vroolijk fluitend, op zijn klompjes,
+Ging het dwergje Piggelmee
+Weer naar ’t strand en riep van verre;
+„Vischje! Vischje! in de zee!”
+
+Onbeweeg’lijk bleef de verte,
+Niets te zien in zee en lucht,
+Dan een eenzaam strandpluviertje,
+Dat zijn heil zocht in de vlucht.
+
+Toen kwam weer dat stemgeluidje,
+Zilverzacht uit verre zee:
+„Riep je mij nog eens m’n baasje?
+Riep je, dwergje Piggelmee?”
+
+„Ja ik!” riep verheugd het dwergje,
+„’k Dank je voor het huisje wel,
+Maar ik wou zoovéél nog hebben,
+Meubels en gordijnenstel.”
+
+„Ga maar! Ga maar!” riep het vischje,
+„’t Geven kost mij niemendal,
+Ga maar gauw naar huis m’n ventje,
+Want je meubels staan er al.”
+
+Toen het dwergje thuis kwam, vond hij
+Druk zijn vrouwtje in de weer
+Met het boenen van de meubels
+En zij sprak als d’ eersten keer:
+
+„Man, je moet nog weer terug gaan,
+Want het vischje is zoo goed,
+Vraag voor mij wat mooie kleêren,
+En een mantel en een hoed.
+
+Voor je zelf een flink paar schoenen
+Want, zooals je zelf wel ziet,
+Met die klompjes aan je voeten
+Pas je in ons huisje niet.”
+
+En.... ofschoon hij nu wat moe werd
+Ging het dwergje Piggelmee,
+Klossend op zijn kleine klompjes
+Wéér naar ’t vischje in de zee.
+
+Gaarne liep hij door de duinen,
+Maar het werd hem nu wat saai,
+Boven hem vloog hoog een zeemeeuw,
+Vóór hem uit een Vlaamsche gaai.
+
+„Vischje!” riep hij reeds van verre,
+„’k Zou ’t niet wagen weer zoo gauw
+En zoovéél te komen vragen,
+Maar ik moet wel voor mijn vrouw.
+
+Kijk, ze wil wat kleêren hebben
+En een mantel en een hoed,
+En voor mij een flink paar schoenen,
+„’t Vischje,” zegt zij, „is zoo goed.”
+
+„Ga maar!” riep opnieuw het vischje
+„Och! ik kèn de vrouwtjes wel,
+Je zult thuis reeds alles vinden
+Ga maar heen en loop maar snel.”
+
+En het dwergje thuis gekomen
+Vond zijn vrouwtje reeds gekleed,
+Zich bekijkend in den spiegel
+En ze sprak: .... „Het doet mij leed,”
+
+„Piggelmee, je moet teruggaan,
+Want ik kan met goed fatsoen,
+Nu niet uitgaan; als ik weg ben,
+Wie zal hier den boel dan doen?
+
+Ga het vischje nu nog zeggen,
+Dat ik niet meer heb den tijd
+Om te boenen en te koken,
+Dat ik hebben moet een meid.”
+
+Piggelmee keek nu zijn vrouwtje
+Voor het eerst gramstorig aan,
+Maar hij durfde niets te zeggen
+En ... enfin ... hij zou maar gaan.
+
+Onderweg dacht hij nog telkens
+Aan zijn stulpje van weleer
+En ... dat hij het nu zoo goed had,
+Maar ... hij floot geen liedje meer.
+
+„Vischje!” riep hij reeds van verre,
+„Vischje, vischje, in de zee!!”
+„Roep je weêr?” vroeg nu het vischje,
+„Roep je, dwergje Piggelmee?”
+
+„Ja, ik!” riep beklemd het ventje,
+„Och! mijn vrouw heeft nu geen tijd
+Om haar huisje schoon te houden
+Zegt ze, en ... ze vraagt een meid.”
+
+’t Vischje gaf niet daad’lijk antwoord,
+’t Was als of het even dacht,
+Maar toen klonk wéér ’t stemgeluidje:
+„Dwerg, dat heb ik wel verwacht.”
+
+Ga naar huis, je zult er vinden
+Alles netjes aan den kant
+En een meisje vlug en helder.
+Ook een uit het dwergenland.”
+
+Piggelmee, vermoeid van ’t loopen
+Ging naar huis, zijn vrouwtje was
+Ook zoo even thuis gekomen.
+Maar niet bijster in haar sas.
+
+„Piggelmee, je moet teruggaan,
+Daad’lijk, ’k ben er op gesteld.
+Onderweg wou ik wat koopen,
+’t Was zoo mooi, maar ... ’k had geen geld.
+
+Ga het vischje nu nog vragen,
+Om wat geld, een vollen zak,
+’k Moet toch ook de meid betalen.
+Dáárna, neem je je gemak.”
+
+’t Ventje ging met loome schreden
+Nog een keer naar ’t vischje heen,
+’t Was intusschen laat geworden,
+’t Strand lag éénzaam en alléén.
+
+Voor zijn voeten sloop een wezel
+Azend op een duinkonijn,
+En het ventje schrikte even,
+Want och! hij was zelf zoo klein.
+
+„Vischje!” riep hij reeds van verre,
+„Vischje, vischje, in de zee!!”
+„Riep je?” klonk het nu weer vroolijk,
+„Riep je? vrindje Piggelmee?”
+
+„Ja ik!” riep verruimd het ventje,
+„Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer,
+Want zij moet de meid betalen
+En wat koopen en zoo meer.”
+
+„In ons huisje is nu alles
+Wat gemak en vreugde biedt,
+Zegt mijn vrouwtje, maar dat ééne,
+Geld zegt zij, dat heeft ze niet.”
+
+„Ga maar!” riep nu plots het vischje,
+„’t Geven kost mij niemendal,
+Daar had ik om moeten denken,
+Ga naar huis, het is er al.”
+
+’t Vischje ging nu naar de diepte,
+’t Ventje ging naar huis, ’t werd nacht,
+.... In het aardig dwergenhuisje,
+Was een zak vol geld gebracht.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+’s Andrendaags was ’t heel gezellig
+In het nieuwe dwergenhuis.
+Piggelmee die niet meer jaagde,
+Bleef nu met de koffie thuis.
+
+„Vrouwtje,” sprak hij toen, „de koffie
+Smaakt mij niet, zij is niet goed,
+Laat toch eens een beet’re halen,
+Geld nu toch in overvloed.
+
+In onze oude, droeve dagen,
+Wonend in dien steenen pot,
+Dronken wij dezelfde koffie,
+Dat is nu toch àl te zot.”
+
+„Ja, manlief, wat zal ik zeggen,
+Grietje vroeg van morgen nog
+In den winkel beet’re koffie,
+Ze betaalde meer en toch....
+
+’t Schijnt dezelfde wel te wezen,
+Weet je wat je doen moet, man
+Ga maar eens aan ’t vischje vragen,
+Waar ik beet’re krijgen kan.”
+
+„Dat’s een plan,” sprak nu het ventje,
+’s Middags nog ging Piggelmee,
+Nu op schoentjes, niet op klompjes
+Naar het vischje in de zee.
+
+„Vischje!” riep hij reeds van verre,
+„Vriend’lijk vischje, beste maat.
+Ik kom nu niet om te beed’len,
+Maar ik kom bij jou om raad.
+
+’k Drink zoo graag een goed kop koffie
+Onze koffie is zoo slecht.
+Wáár toch kan ik beet’re krijgen,
+Vischje, wáár kan ik terecht?”
+
+Nu werd plotseling het water
+Vlak nabij een rimp’lig vlak,
+Waar het glanzend toovervischje,
+’t Zilv’ren snuitje bóven stak.
+
+En het sprak zoo klaar en helder,
+Veel te wijs nu voor een visch:
+„PAKJES KOFFIE van „VAN NELLE”
+IS DE BESTE DIE ER IS.
+
+En je kunt ze alom krijgen,
+Maar, als je ze halen laat,
+Laat de meid er dan op letten,
+Dat de naam op ’t pakje staat.”
+
+„Dankje,” sprak het dwergenventje,
+„Dankje, vischje, voor dien raad
+En je kunt er vast op reek’nen
+Dat ’k die koffie halen laat.”
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Vroolijk waren nu de dagen
+In het nieuwe dwergenhuis.
+Ging het paartje wel eens wand’len,
+Met „de koffie” was het thuis.
+
+Want „Van Nelle’s Pakjes Koffie”
+Deed hen spoedig huiswaarts gaan
+En ze dronken vele kopjes,
+Want .... er kwam geen einde aan.
+
+’t Was de meid die daarop lette
+En die zei het hun terstond,
+Dat ze nu zoovéél kon zetten
+Uit een enkel half pond.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Maar helaas, wat is op aarde
+Blijvend, ook tevredenheid
+Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen,
+Wordt verdrongen door den tijd.
+
+Zóó ... ’t is vele maanden later,
+Zien we vriendje Piggelmee
+Daag’lijks weer zijn wand’ling maken
+Naar het vischje in de zee.
+
+Dan een „dit” en dán een „datje”,
+Altijd was het voor zijn vrouw
+En altijd als hij terugkwam,
+Had vriend Piggelmee berouw.
+
+Soms waarom de melk zoo schiftte,
+’t Gas zoo suisde. ’n Andren keer
+Wie toch beter brood haar bakte,
+’t Brood was lang niet lekker meer.
+
+En zoo ging het alle dagen,
+’s Morgens vroeg of ’s avonds laat
+Moest hij ’t vischje wat gaan vragen,
+En ... het vischje werd niet kwaad.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Eéns, het was zoo koud dien morgen,
+Moest onze arme Piggelmee,
+Hij wou juist wat langer slapen,
+Toch naar ’t vischje, toch naar zee.
+
+Want—kijk hier, „van Nelle’s” koffie
+Was wel heerlijk, dáár niet van
+Maar ze wou nog beet’re hebben,
+... „Vraag het maar aan ’t vischje, man.”
+
+En ... het kraagje van zijn jasje,
+Voor de koude hóóg nu dicht,
+Ging het arme Piggelmeetje
+Naar de zee, met bang gezicht.
+
+„Vischje, vischje,” klonk het angstig,
+Over ’t water als een kreet.
+„Vischje, ’k moet je weêr wat vragen
+En dat doet nu echt mij leed.
+
+„Zie mijn vrouw is zeer tevreden
+Met „van Nelle’s” koffie, maar
+Ze wou tóch van ’t vischje weten
+Of er beet’re is en wáár???”
+
+„Vischje, ik wou heusch niet komen,
+Want ik dacht wel, dat wordt mis,
+Daar er toch geen beet’re koffie
+Dan „van Nelle’s” koffie is.”
+
+Plots’ling kwam er op het water
+Nu een breede rimpelkring,
+Wijl het anders kalme vischje
+Nu heel boos aan ’t spart’len ging.
+
+En zijn antwoord klonk heel driftig
+Als uit dicht geschroefde keel:
+„Dwerg, ga daad’lijk naar je vrouw toe,
+Zeg haar dit: zij eischt te veel.”
+
+Beet’re dan „van Nelle’s” koffie
+Is er op heel d’ aarde niet,
+’t Geen wel ieder kan begrijpen
+Die dien naam op ’t pakje ziet.
+
+Zeg haar, dat ik haar zal straffen,
+’t Spijt mij wel voor jou m’n vrind,
+Ga naar huis en ga eens kijken
+Hoe je dáár den toestand vindt.”
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Langzaam aan verdween de rimpel
+Die op ’t water zichtbaar was,
+’t Vischje dook en ... als een spiegel
+Werd de wijde waterplas.
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Piggelmee stond nog te kijken
+Toen, in ’t naad’rend avonduur
+Ver in zee de zon ging zinken
+Als een bol van laaiend vuur.
+
+Diep verslagen ging hij henen,
+Angstig nu voor dreigend leed,
+Hoog in ’t blauw verdween een reiger
+Met een aak’lig schorren kreet.
+
+Sloffend liep hij door de duinen
+En zijn schoentjes wogen meer
+Dan hem ooit zijn klompjes wogen
+In de dagen van weleer.
+
+Toen hij meende dat hij thuis was,
+Keek hij als beteuterd rond,
+Want de keulsche pot stond dáár weer,
+Waar zoo straks zijn huisje stond.
+
+En zijn vrouwtje zat te huilen:
+„Piggelmee, wat vrees’lijk lot,
+Weêr, nu weêr te moeten wonen
+In dien ouden keulschen pot.”
+
+Och! en ik zou nóg niet klagen
+Als ’k behalve jou m’n schat.
+Van „van Nelle’s” pakjes koffie
+Maar mijn daag’lijksch kopje had.
+
+Na een nacht van weinig slapen,
+Bibb’rend van verdriet en kou,
+Ging ons vriendje weêr naar ’t vischje,
+Daar hij ’t nog wat vragen wou.
+
+„Vischje,” galmde over ’t water
+Nu zijn roepen als een snik,
+„Vischje,” kom nog even boven,
+Hoor mij aan, één oogenblik.
+
+Thuis, mijn schuldbewuste vrouwtje
+Zit te huilen in haar pot,
+Maar ze zou zich tóch getroosten
+Haar zoo droef en arm’liik lot.
+
+Als ze van „van Nelle’s” koffie
+Nog één enkel pakje had,
+„Zeg aan ’t vischje,” riep ze schreiend
+„’t Ergste wat ik mis, is dàt.”
+
+„Ventjelief,” sprak nu het vischje,
+„Wat ik doe, doe ik om jou,
+Want ik heb geen medelijden
+Met je ontevreden vrouw.
+
+Wat je zegt is wèl begrijp’lijk,
+Zulks is altijd het geval.
+Ga getroost naar huis m’n ventje,
+Want zoo’n pakje is er al.”
+
+— — — — — — — — — — — — — — — — — —
+
+Thuis gekomen vond het ventje
+’t Leven heerlijk weêr en goed.
+... Van „van Nelle’s pakjes koffie”
+Kwam de geur hem tegemoet.
+
+Tot het einde hunner dagen
+Zat het eenzaam dwergenpaar
+Steeds „van Nelle’s” koffie drinkend,
+In-gelukkig bij elkaâr.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75574 ***