diff options
Diffstat (limited to '75301-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75301-0.txt | 7201 |
1 files changed, 7201 insertions, 0 deletions
diff --git a/75301-0.txt b/75301-0.txt new file mode 100644 index 0000000..33e8c0c --- /dev/null +++ b/75301-0.txt @@ -0,0 +1,7201 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75301 *** + + + + + + DE VERDWIJN-MACHINE + + + DOOR + KEES VALKENSTEIN. + MET ILLUSTRATIES VAN DEN SCHRIJVER. + + + W. DE HAAN—UTRECHT. + + + + + + + + +INLEIDING. + + Waarin de lezer iets verneemt van de nieuwste uitvinding van + professor Wells en er achter komt, dat er in Nederland rare dingen + gaan gebeuren. + + +Toen de wereldoorlog eindelijk uitgevochten was en de menschen genoeg +hadden van al het moorden, vernielen en verbranden, dat ze eenige jaren +achter elkaar tot groot verdriet van allen, die er aan deelnamen gedaan +hadden, begonnen ze weer zoo langzamerhand belang te stellen in minder +ijselijke dingen. Ze waren bezig de verwoeste landstreken weer te +bebouwen en de geruïneerde steden te hernieuwen. De scheepvaart en de +handel waren weer veilig en de groote onderzeeërs werden nu niet meer +gebruikt om argelooze schepen naar de kelder te sturen, maar deden +dienst als handelsvaartuigen. De knappe lui, die gedurende de oorlog +aldoor hadden gedacht aan het uitvinden van vernielingsmachines +gebruikten nu hun genie om dingen uit te vinden waar de wereld meer +plezier van beleefde. + +Ze waren hevig aan ’t uitvinden gegaan, die knappe lui! Edison die voor +de oorlog verreweg de knapste onder de uitvinders geweest was, had +ondervonden, dat anderen hem de baas waren. Ze overvleugelden hem. Z’n +grootste konkurrent was ’n verbazend knappe kerel, de bekende professor +Daniël Wells, van Yale University, de beroemde universiteit, die de +geleerdste bollen en de pootigste voetballers van Amerika voortbrengt. +Niet van die tamme voetballers zooals wij ze kennen, maar echte +rugby-voetballers, die om ’n gebroken been net zooveel geven als ’n +gewone voetballer om ’n blauwe scheen. + +Professor Wells had dozijnen uitvindingen gedaan waar heel Amerika +trotsch op was, maar zelf was hij het meest ingenomen met dat +verbazingwekkende verdwijn-apparaat, dat maar enkele menschen gezien +hadden en waar in Amerika de kranten kolommen en kolommen over hadden +volgeschreven, en de Europeesche dagbladen hadden er eveneens melding +van gemaakt, terwijl de geleerde tijdschriften in alle werelddeelen +zich er mee hadden ingelaten. + +Natuurlijk waren de geleerden het er niet over eens. De een geloofde er +aan en de ander niet. Maar de algemeene opinie van de gewone menschen +was, dat ze de kat maar uit de boom zouden kijken en wachten, tot ze +dat gekke toestel zelf eens onder de oogen kregen. + +Toen meldden de Amerikaansche kranten op ’n goeie dag, dat ’t nog wel +’n tijdje zou duren eer professor Wells er mee voor de dag kon komen, +want de helft van het verdwijn-apparaat was op geheimzinnige wijze zelf +verdwenen. Het kon nu wel ’n paar jaar aanloopen eer de professor die +verdwenen helft er weer had bijgemaakt. Zulke toestellen vervaardig je +maar niet in ’n vloek en ’n zucht. + +„Wat is dat voor ’n ding?” vroegen de nieuwsgierigen, die slecht op de +hoogte waren. En ze lazen met verbazing dat het ’n machine was, waarmee +je heel eenvoudig ’n ding of ’n dier of zelfs ’n mensch onzichtbaar kon +maken. + +„Neemaar, dat is nog nooit beleefd,” zeiden de meesten. „’t Is gewoon +onmogelijk!” Maar er waren dan wel anderen die begonnen uit te leggen, +dat het laten verdwijnen van iets al ’n heel, oud kunstje was. De +fakirs in Indië, ’n soort toovenaars, of alleen maar handige +goochelaars volgens de minder geloovigen, deden het voor duizend jaar +al. Die lieten je ’n geldstuk of wat anders zien en dan verdween het +voor je oogen. David Tobias Bamberg, de beroemde Nederlandsche +goochelaar, kon het ook. Maar die was eerlijk genoeg om je er bij te +vertellen, dat het maar ’n vingervlugheid was. Het ding was niet weg, +maar ’t zat hier of daar in zoo’n goochelaarszak, die David Tobias +Bamberg ongezien door de toeschouwers met z’n hand had weten te +bereiken om het horloge of het geldstuk er in te laten glijden. De +fakirs uit Indië lieten dus ’n voorwerp echt verdwijnen en grootvader +Bamberg maar in schijn. Die gaf het je na afloop weer terug. + +Professor Wells was noch ’n fakir, noch grootpapa Bamberg. Hij was ’n +geleerde, voor wie de natuur geen geheimen kon verbergen al had ze het +ook nog zoo graag gedaan. Dat doet de natuur echter niet. Ieder die +zich de moeite getroosten wil ijverig te onderzoeken en na te speuren +kan alle geheimen der natuur doorgronden. En professor Wells was ’n +natuurvorscher zooals er maar weinig gevonden worden. Alles wist hij, +d.w.z. alles wat ’n mensch weten kan. Z’n hoofd was ’n magazijn van +natuurkunde, scheikunde, wiskunde en nog ’n boel kunden meer. Van +electriciteit was ie op de hoogte, als geen ander Amerikaan. +Werktuigkunde had ie onder de knie, zooals ’n jongen de tafels van +vermenigvuldiging. + +’t Spreekt dus vanzelf, dat hij om iets te laten verdwijnen niet deed +als grootpapa Bamberg of als ’n fakir. + +Eigenlijk verdwenen de dingen door zijn machine ook niet. De naam +verdwijn-machine was welbeschouwd glad verkeerd. De dingen verdwenen +heelemaal niet. Ze werden alleen maar onzichtbaar, en waren dan net als +de lucht, niet meer waar te nemen met onze oogen. ’n Tafel, die +professor Wells liet verdwijnen, stond nog net zoo stevig op z’n pooten +op dezelfde plek als voor de verdwijnkuur. Je kon het ding alleen maar +niet meer waarnemen, behalve als je er tegen aan liep. + +’n Paar van z’n collega’s aan de universiteit van Yale hadden het +gezien met hun eigen oogen, hoe de professor zat te schrijven met ’n +onzichtbare pen. En die hadden het wereldkundig gemaakt. Ze noemden het +’n triomf der wetenschap en zoo meer. Nou knap was het, verbazend knap, +maar niemand begreep wat de menschen aan zoo’n malle uitvinding konden +hebben. Dat begreep professor Wells zelf ook niet. Hij had eens ’n +verbeterde naaimachine uitgevonden, waar ’n heele rol laken in ging en +er aan de andere kant uitkwam in de vorm van jassen of pantalons of wat +je maar wou, kant en klaar, met knoopen en al er aan. Dat was ’n +nuttige uitvinding en de kleermakers waren hem er dankbaar voor. Ze +maakten de naaimachine ’s morgen aan de gang en gingen dan zelf ’n pijp +zitten rooken. ’n Knechtje zorgde er voor dat de pakken, die er uit +kwamen, netjes opgevouwen werden. De kleermakers verdienden met die +machine hun loon op d’r lui sloffen. + +Maar die verdwijn-machine! Wat had je daar nu aan? + +Professor Wells liet de menschen maar praten, ’t Kon hem niet schelen +of iemand iets aan die machine had. Voor hem was het ’n uitvinding van +belang. De menschen mochten er om lachen, ze mochten er aan gelooven of +niet aan gelooven, dat liet hem koud. Hij was er van overtuigd, dat het +de grootste uitvinding was, die op aarde ooit was uitgevonden en dat +was hem genoeg. + +Het is dus heel goed te begrijpen, dat professor Wells leelijk op z’n +neus keek toen op ’n morgen de helft van z’n wondermachine uit z’n +werkplaats, of liever uit z’n laboratorium verdwenen was. + +En nog wel de voornaamste helft, namelijk die helft waarmee hij de +dingen onzichtbaar maakte. De andere helft deed dienst om de +onzichtbaar gemaakte voorwerpen zoo noodig weer voor gewone +menschenoogen aanschouwelijk te maken. Beide werktuigen waren ieder +opgeborgen in ’n stevig houten kistje en ze waren dus gemakkelijk mee +te nemen, want erg zwaar waren ze geen van beiden. + +De dief of de dieven waren maar slecht bekend geweest met de +uitvinding, want dan hadden ze natuurlijk beide kistjes meegenomen. Nu +zat de professor met de onbruikbaarste helft. Want wat had ie aan ’n +werktuig waarmee hij dingen zichtbaar maken kon, als hij ze niet eerst +onzichtbaar kon laten worden? + +Professor Wells, die wist hoeveel tijd er mee heenging om ’n nieuwe +machine te maken en daar waarschijnlijk ook erg tegen opzag, had +dadelijk de slimste detectives aan het werk gezet om te trachten de +verdwenen verdwijn-machine op te sporen. Het mocht kosten wat het +wilde, hij moest die terughebben. De dief mocht wat hem betrof op vrije +voeten blijven, als hij z’n kastje maar in bezit kreeg. + +Natuurlijk verschenen er in alle dagbladen van Amerika en Europa +advertenties waarin ’n groote belooning werd uitgeloofd aan degene die +het kistje terugbezorgde. En zoo kwam het dat er allerwegen weer over +de rare uitvinding geschreven en gesproken werd. + +In Yale waar de professor woonde en werkte, geloofde iedereen dat de +machine werkelijk bestond en gestolen was, maar hoe verder van die +universiteitsstad je kwam, hoe minder geloof aan de echtheid van de +uitvinding je er vond. In ons land bijvoorbeeld waren er geen tien +menschen die er ’n woord van geloofden. Ze vonden het heele verhaal van +die verdwijn-machine ’n mop. En ze meenden dat die professor Wells het +heel slim overlegd had door nu maar rond te vertellen dat het ding +gestolen was. Op die manier redde hij zich er aardig uit. + +Maar die ongeloovige Hollanders vermoedden niet, dat de wondermachine +door ’n paar internationale gauwdieven juist naar hun land gebracht was +en dat professor Wells dank zij de slimme Amerikaansche detectives, de +dieven reeds op het spoor was en zich gereed maakte om met ’n paar van +de meest gewiekste politiespeurders de oceaan even over te steken. + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + Waarin Koen Bruggemans heel vreemde dingen beleeft waar hij niets + van begrijpt. + + +De familie Bruggemans, vader, moeder en twee kinderen was met de +vacantie naar de Veluwe getrokken. Daar hadden ze met hun vieren +onderdak en goed eten gevonden bij ’n boer, die zelf wel ’n stuk of +vier kinderen had en natuurlijk ’n heeleboel kippen, varkens, koeien en +’n paard of twee. + +Koen Bruggemans had het daar uitstekend naar z’n zin en Berte z’n zusje +niet minder. Ze stonden net als de leden van de boerenfamilie met het +gekraai van de hanen op. Wel niet bij het eerste hanengekraai, maar +toch heel héél vroeg, wat ze in de stad noemen vóór dag en vóór dauw. +Vader en moeder Bruggemans zagen maar geen kans hen dat na te doen. „De +ouwe lui hebben geen fut om zoo vroeg uit d’r mandje te komen,” zei +Koen ’n beetje oneerbiedig. + +Hijzelf zou voor geen geld zoo lang geslapen hebben. „Je moet je +vacantie zoo uitgerekt mogelijk maken,” zei hij tegen Piet, de derde +zoon van de boer, die zoo wat van Koen’s leeftijd was. Koen was +vijftien. Piet was dat volkomen met Koen eens, ofschoon hij met +vacanties geen steek meer te maken had, want Piet was al van school af. +Alleen bezocht hij ’s winters de avondschool en dat moet gezegd worden, +hij deed dat met plezier. Piet was dan ook alles behalve dom. + +Berte had levenslange vriendschap gesloten met Mie, die net haar had +als uitgeplozen touw, ’n paar leutige blauwe oogen en ruwe werkhanden +al was ze pas dertien jaar. Bij de boeren kunnen de meisjes geen fijne +zachte handjes gebruiken. Mie was ’n leukert die de heele dag lachte en +zong. Deze wederzijdsche eeuwigdurende vriendschap werd bovendien +uitgestrekt tot Flip de cypersche poes, die meeliep als ’n hondje, al +ging je ook ’n uur ver de hei in of diep in het bosch. Hij ving jonge +konijnen alsof het muizen waren en hij zag nooit ’n kuiken voor ’n +huismusch aan. Flip was met Berte en Koen al heel gauw goeie maatjes +geworden. ’n Poes heeft het gauw in de gaten of je van katten houdt of +niet. + +Piet moest natuurlijk mee al het boerenwerk doen, net zoo goed als +vader en de twee groote broers. Hij zou dat zelf niet anders gewild +hebben ook, want als hij met die groote broers gelijkop werkte +beschouwde hij zichzelf en zij hem als ’n ferme kerel. Ook zou vader +hem wel mores geleerd hebben, als hij z’n knuisten niet goed gebruikt +had. + +Nu de Bruggemans er waren, had Piet ook zoo’n soort vrijaf, d.w.z. hij +werkte wel, maar er werden geen aanmerkingen gemaakt, als hij op +verzoek van Koen eens met die stadsche jongen meeging het bosch of de +hei in, of eens ’n werkje opzocht dat Koen graag deed. De boer liet dat +dan oogluikend toe en de anderen vonden het ook best, want m’nneer +Bruggemans betaalde goed. + +Met Mie stond het net eender. + +„Op die manier hebben er vier plezier,” zei de boer, „en het kost +niks.” + +Maar toch gebeurde het wel dat Piet iets doen moest waar Koen geen +steek aan vond en dan trok hij er maar alleen op uit. Koen hield van +rondzwerven. Z’n vader vond wel, dat ie nu in de vacantie mooi de +gelegenheid had om eens flink wat te lezen, doch Koen meende, dat ie in +de vacantie geen boek in z’n handen behoorde te nemen. Hoe minder hij +in die tijd van boeken zag, des te beter. Na de vacantie lagen er +genoeg op hem te wachten. + +Bij zoo’n gelegenheid trok hij er dan maar alleen op uit, soms met +Berte in ’t begin er bij, doch die keerde gewoonlijk nog al gauw terug +met Flip of ze bleef hier of daar met dat lieve dier in ’t mos liggen. + +Bij zoo’n gelegenheid zwierf hij weer eens heel alleen in het +schemerige bosch. Daar groeiden meest dennen, dikke kanjers van boomen. +Maar er waren eiken en beuken genoeg en kreupelhout er onder om de +eentonigheid van ’n sparrebosch weg te nemen. Je kon je daar best in de +wildernis droomen, wat Koen dan ook onmiddellijk deed. Daarvoor moest +hij altijd alleen zijn, want met Piet er bij ging dat nu eenmaal niet. +Die jongen hield ook van het bosch, maar er ’n wildernis of ’n oerwoud +met wilde dieren en desnoods wilde menschen van droomen, daar zag hij +geen kans toe. Koen was er eens over begonnen, maar Piet had er niet +van terug, zooals Koen het uitdrukte. D’r waren geen wilde menschen en +geen wilde dieren en of je ze er bij dacht of niet, dat hielp allemaal +geen steek, wat er niet was dat kon je er ook niet bij denken. + +„Weet je wàt er is?” zei Piet. „Als je heel stil zit en je hebt geduld +dan komen de eekhoorns vlak bij je en de reeën, maar om die dicht bij +je te krijgen, moet je als een beeld zoo bewegingloos zijn. En soms +komen er ook wilde zwijnen. Maar de geringste beweging verjaagt ze +allemaal. Ze vertrouwen de menschen geen steek.” + +„Nou, daar hebben ze maar groot gelijk aan,” meende Koen. „Gewoonlijk +komen de menschen niet met de beste bedoelingen.” + +„Nee, ze schieten er leelijk op,” zei Piet. „Maar ze zijn d’r voor.” + +„Zoo, denk jij dat?” + +„En of.” + +Koen kon Piet geen gelijk geven. Hij vond het zonde om op die reeën te +schieten. Met de wilde varkens zat ie ’n beetje, vooral toen Piet hem +eens vertelde dat die zoo leelijk konden huishouden in de rogge en in +de boekweit. Maar Koen redde er zich nogal handig uit door toe te geven +dat in zoo’n geval sprake was van schadelijk gedierte en dat mocht je +gerust uitroeien. + +Koen zat dus weer heel alleen in het schemerige bosch met z’n rug tegen +’n reus van ’n den, die op ’n hoogte stond. Dat was ’n pracht van ’n +plekje om op de eekhoorns en de rest te wachten. + +De konijnen kwamen het eerst voor de dag. Die hadden hem misschien niet +zien aankomen, ofschoon het te vroeg op de dag was voor het algemeen +konijnenspel. Hij zag er dan ook maar ’n paar. + +De eekhoorns, bruine en roode, hadden hem al bij z’n komst beloerd +achter de boomen vandaan. Maar toen hij zoo doodstil bleef zitten wel +’n kwartier lang, toen kregen ze wat meer vertrouwen in hem en lieten +zich al heel gauw dichterbij bekijken. Eerst stak er een vlak bij Koen +van de eene boom naar de andere over en klom toen ’n meter of wat +omhoog, verdween aan de achterkant en loerde met z’n kraaloogjes heel +slim om ’n hoekje. Daarna kwamen er meer en toen Koen ’n half uurtje +gezeten had, zonder ’n vin te verroeren, namen ze bijna geen notitie +meer van hem. Alleen maakten ze geen gebruik van de dikke den waartegen +Koen zat. + +Daarna hoorde Koen ’n zacht gekraak. Hij had graag eens even om de boom +geloerd, want hij meende dat het geluid achter de boom vandaan kwam. +Maar dan verjoeg hij sekuur het beest, wat het dan ook zijn mocht. Nog +even wachten dus. Misschien kreeg hij het dan wel te zien. + +Het was werkelijk ’n ree en wat Koen nog nooit gezien had, het was er +een met ’n reegeitje bij zich. Het moedertje keek angstvallig rond en +toen het Koen opmerkte, scheen het wel weg te willen springen. Het +kleine beestje bleef vlak achter het oude dier. De ree keek +nieuwsgierig naar Koen en scheen eindelijk de zaak niet zoo erg +gevaarlijk te vinden. Koen hield zich prachtig. Hij knipte haast niet +met z’n oogen. Maar ’t was ’n toer, want om de dieren goed te zien, had +hij z’n hoofd moeten bewegen. + +Eindelijk stapte de ree met voorzichtige trippelpasjes, telkens ’n poot +hoog optillend vooruit en gevolgd door het kleintje wandelde het vlak +voor Koen heen. Nog nooit had ’n jongen zoo dichtbij ’n dier dat in ’t +wild leefde voor zich gezien, maar hij had ook nog nooit zoo +onbeweeglijk stil gezeten. + +De twee dieren wandelden heel bedaard het kreupelhout in en Koen tuurde +strak naar het plekje, waar ze het hout waren ingegaan, om nog zoo lang +mogelijk iets van de beesten te zien. Dat was echter nog maar ’n +oogenblik en al spoedig hoorde hij ook al niets meer. + +Koen zat nog altijd stil. Maar toen werd z’n nieuwsgierigheid te groot. +Hij wilde weten of de hertjes misschien onder die struiken waren gaan +liggen om ’n slaapje te doen. Heel stilletjes stond hij op en voetje +voor voetje naderde hij de plek, waar de ree met haar jong waren +verdwenen. Hij boog heel zacht de takken van het lage hout uit elkaar +en keek toen opeens nog verwonderder dan wanneer hij de dieren daar had +zien liggen. + +Vlak voor hem onder de struiken lag ’n donker bruin leeren koffertje +met ’n koperen beslag dat al groen begon te worden. Het moest dus al ’n +tijdje in het bosch hebben gelegen. + +Natuurlijk was Koen nieuwsgierig. Je vindt niet elke dag van die +koffertjes in de bosschen van de Veluwe. En vooral geen koffertjes die +er zoo fijn uitzien. Koen knielde op de plek neer en begon dadelijk +maar te probeeren of het open kon, wat gemakkelijk genoeg ging. ’t Was +niet gesloten. + +Maar toen zag hij weer ’n ander koffertje, of eigenlijk ’n kistje van +donker bruin hout, ook met koper beslagen en heel fijn afgewerkt. Om +dit te kunnen openen, als het tenminste open te krijgen was, moest hij +het uit het leeren koffertje halen, wat ie ook onmiddellijk deed. + +’t Zat sekuur op slot. Hij probeerde op alle manieren, die je bij zoo’n +gelegenheid aanwendt als je poogt ’n kistje of zoo iets open te maken +en die geen van alle baten. Een van die manieren is, dat je een voor +een je eigen sleutels in het slot tracht te passen ook al weet je van +te voren dat het toch niet helpt. Koen had twee sleuteltjes in z’n zak, +een van ’n teekendoos dat hij nooit van z’n leven nog gebruikt had en +een van het koffertje waarin hij z’n „spullen” meegenomen had voor de +reis. ’t Eene was veel te klein en ’t andere te groot. + +Toen draaide hij het bruine kistje nog maar eens om en bekeek het weer +van alle kanten, voor de zooveelste maal natuurlijk, zette het daarna +voorzichtig, want het leek net ’n ding om voorzichtig te behandelen, op +de grond. Daarna nam hij het koffertje waar het kistje had in gezeten +weer ter hand en begon dat ding nog eens nauwkeurig te inspecteeren. + +„Goeie idee,” dacht ie, „d’r zit nog meer in.” + +In het koffertje was ’n soort zijzak en daaruit kwamen te voorschijn ’n +omslag met papieren er in en heel onderuit ’n sleutel. + +Dat was de sleutel van het kistje, dat kon niet anders. Jawel, zoo was +het. Zonder moeite kreeg Koen het open. + +Nou, de inhoud viel hem dan maar leelijk tegen. ’t Leek wel ’n soort +machine en wat er te zien kwam, was allemaal heel sekuur met schroefjes +vastgemaakt, zoodat je nog niet eens ’t plezier kon hebben die rommel +eens in je hand te nemen. + +Wat het voor ’n machientje kon zijn, daar had Koen niet het flauwste +begrip van. D’r zijn zoo veel soorten van machines en Koen wist van die +dingen al heel weinig af. Hij zou het maar eens meenemen en het aan +vader laten zien. Die wist misschien wel wat het te beduiden had en +bovendien je moest toch probeeren de eigenaar, die het verloren of +vergeten had, op te sporen. Het leek tenminste kostbaar genoeg om er ’n +advertentie aan te wagen. Het geld dat je daaraan besteedde, kreeg je +dan later wel weer van de eigenaar terug. + +„Maar wacht eens even,” dacht Koen, „misschien staat het wel in die zak +met papieren wie de eigenaar is.” + +Hij ging nu tusschen de struiken zitten en maakte de omslag open. Hij +keek dadelijk of er geen naam op stond, maar die vond hij niet zoo +gauw. Toen bladerde hij eens om te zien of er soms geen naamkaartje +tusschen zat. Dat was ook mis. + +Dan maar eens lezen wat er op die papieren geschreven was, misschien +gaf dat wel de oplossing. + +’t Was engelsch. + +Dat viel Koen ’n beetje tegen, want ofschoon hij al ’n paar jaar +engelsch leerde en er heel aardig mee terecht kon, had ie toch maar +liever gehad dat het hollandsch was geweest. Je komt in ’t engelsch +soms zulke rare woorden tegen en als je dan je woordenboek niet bij de +hand hebt, zit je soms leelijk d’r mee. + +Hij kreeg zoo’n opwelling om ’t heele zaakje maar weer in ’t koffertje +te stoppen en ’t naar huis te sjouwen. Dan moest vader maar zien wat ie +er mee deed. Wat had hij nou aan die moeite om daar in dat mooie bosch +engelsch te gaan lezen. + +Maar voor ie dat deed, keek hij toch eens even wat er boven stond, want +er was ’n opschrift. Toen ie ’t gelezen had, bekeek hij opeens weer met +groote belangstelling het kistje, dat nog altijd open voor hem stond. + +Koen had eerst eens moeten nadenken eer hij van dat opschrift iets +maken kon, en daarna twijfelde hij nog of hij ’t wel goed begreep. Het +was ook lang geen alledaagsch woord. Hij maakte er van: +Verdwijn-machine. Maar wat was nou ’n verdwijn-machine? Hij had er +nooit van gehoord en toen hij het rare ding nog eens bekeek, kwam hij +tot de gevolgtrekking dat ie ’t woord waarschijnlijk wel verkeerd +vertaald zou hebben. + +Om daar nu wat meer zekerheid van te hebben, begon hij maar te lezen +wat er in die papieren stond. In het begin snapte hij daar ook al niet +veel van. Doch hij las de zinnen herhaalde malen over, net zoo lang tot +hij meende te begrijpen wat er in stond, Er kwamen woorden in voor die +hij heelemaal niet door ’n hollandsch woord wist te vervangen. Maar +zooveel begreep hij er toch langzamerhand wel van, dat die machine +werkelijk iets te maken scheen te hebben met het verdwijnen van dingen, +die je met dat apparaat behandelde. En eindelijk, maar dat had wel ’n +uur moeielijk vertaalwerk gekost, meende hij begrepen te hebben hoe dat +in z’n werk ging. + +Het was dus ’n ding om mee te goochelen. Koen had op school lang +geleden bij gelegenheid van ’n schoolfeest eens ’n goochelaar aan ’t +werk gezien en die had op dat gebied sterke toeren uitgehaald. Die had +ook dingen, stukken krijt en zoo laten verdwijnen en geen van de +jongens kon hem dat nadoen, hoe graag ze het ook gewild hadden. Koen +wist nog heel goed dat ie dagen daarna nog geprobeerd had ’n cent in +z’n mouw te laten verdwijnen, maar ’t was hem nooit gelukt. Nu met dat +kistje moest het heel wat gemakkelijker gaan. Je had maar ’n rooie knop +met het voorwerp dat verdwijnen moest in aanraking te brengen en dan +was het weg. Kleine voorwerpen waren in ’n ommezien verdwenen, doch bij +grootere duurde het wat langer. + +Zoo had Koen het tenminste begrepen uit wat ie in die papieren gelezen +had. + +Hij wou er dadelijk de proef van nemen. + +En natuurlijk met ’n klein voorwerp, want dan kon hij spoedig het +resultaat zien. Hij zou het dus maar eens probeeren met dat kleine +sleuteltje van die teekendoos. + +Hij nam het sleuteltje in de linkerhand. Met de rechter, verschoof hij +nu ’n koperen kruk. Hij had meenen te begrijpen, dat je dat eerst doen +moest en daarna hield hij de rooie knop, die aan ’n tamelijk dik koord +vastzat, tegen het sleuteltje aan. + +In gespannen verwachting keek hij naar z’n sleutel. Luisteren deed hij +ook, maar de machine maakte niet het geringste geluid, geen gesnor of +gezoem, geen gebrom, geen geratel, geen gesuis, niets dat op eenig +geluid leek, kwam er uit het kistje. + +Aanvankelijk merkte hij aan z’n sleuteltje niets en hij begon al te +gelooven dat er in die papieren maar wat onzin stond om lui die met het +gebruik van het machientje niets te maken hadden, op ’n dwaalspoor te +brengen. + +Doch na ’n minuut of vijf leek het dat z’n sleutel begon te veranderen. +Maar dat kon ook evengoed verbeelding zijn. Hij zat er zoo strak op te +turen en misschien was het dus wel gezichtsbedrog. Maar het kwam hem +voor dat z’n sleutel bleeker werd, ’t leek niet meer op hard glimmend +metaal. + +Koen kneep er eens stevig in. Want hij wilde het sleuteltje goed +vasthouden. Ze zouden hem d’r niet tusschen nemen al was het dan ook +nog zoo’n fijn uitgedacht goochelding, dat kistje. Dat bleeker worden +hield aan, maar het moest toch bepaald gezichtsbedrog zijn, want hij +voelde het sleuteltje nog evengoed. Het was nog net zoo hard als eerst. + +Maar opeens was het weg, hij zag het niet meer. + +Van schrik, tenminste het leek op schrik, liet hij die rooie knop los. +Het sleuteltje bleef evengoed onzichtbaar. + +En toch voelde hij het tusschen z’n duim en vinger. Hij betastte het nu +ook met de vingers van z’n rechterhand. Jawel die voelden het ook. Het +was er dus nog. + +Voorzichtig legde hij het onzichtbare sleuteltje in het deksel van het +tooverkistje, maar keek goed in welke hoek. Met zoo’n onzichtbaar ding +moest je oppassen anders was je het voor goed kwijt. + +Koen stond op, om zich eens uit te rekken. Hij was stijf van dat +gehurkt zitten geworden. Maar na ’n halve minuut zat hij alweer op z’n +knieën bij het kistje en tastte voorzichtig naar z’n sleuteltje. + +Gekke gewaarwording gaf dat toch, toen hij het ding weer voelde, ’n +ding dat je absoluut niet zien kon. Hij had er graag wat voor willen +geven als er iemand bij tegenwoordig geweest was, Piet bijvoorbeeld of +vader. Maar dat kon altijd nog gebeuren. Hij was heel niet van plan de +vondst van dat kistje geheim te houden. Hij zou nu maar met z’n +onzichtbare sleutel, naar huis gaan en de lui daar vertellen wat ie +ondervonden had. Het kistje nam hij liever zelf niet mee. Je kon nooit +weten. Het was misschien gevaarlijk. Wie weet of je dan zelf niet +verdween onderweg. Maar nee, dat kon toch weer niet zoolang je niet +voor langere duur in aanraking kwam met die rooie knop. + +„Weet je wat,” besloot Koen, „ik probeer ’t eerst nog eens met ’n +grooter voorwerp en dan ga ik het vertellen aan vader.” + +Hij sneed ’n flinke knuppel, deed er de zijtakjes af, schilde hem en +hield er de rooie knop tegen. Maar hij was nu erg voorzichtig met die +knop, want hij vond het toch wel ’n beetje gevaarlijk voorwerp. + +’t Duurde veel langer dan bij het sleuteltje. ’t Moest minstens ’n +kwartier zijn eer hij verandering begon te bemerken. Doch daarna ging +het weer heel vlug en plotseling was ook de stok verdwenen d.w.z. +onzichtbaar, want hij had hem stevig in de hand. + +’t Was wel degelijk ’n stok. Hij sloeg eens met het onzichtbare ding +tegen z’n been en dat kon ie wat goed voelen. Ook kon ie de stok buigen +als iedere andere stok. Het leek er dus veel op dat de stok slechts één +eigenschap verloren had, de zichtbaarheid. + +Onder ’t terugwandelen naar de boerderij dacht hij er over na, dat het +toch ’n wonderbaarlijke geschiedenis was, dat hij daar nu liep met ’n +onzichtbare stok in z’n hand en ’n sleutel in z’n zak waar je evenmin +iets van in de gaten kon krijgen. Maar welbeschouwd, wat was er nu +eigenlijk voor vreemds aan? ’t Was onbegrijpelijk dat je met ’n machine +iets onzichtbaar kon maken, maar voor de rest stond het er mee, alsof +je ’n blinde was met ’n stok in de hand. ’n Blinde kon ook alleen de +dingen maar voelen. Als die bijv. z’n stok liet vallen, zooals het Koen +daar net overkwam, dan moest ie ook doen als Koen, namelijk op de tast +de stok probeeren terug te vinden. Liep je in ’n pikdonkere nacht, dan +was je er ook al niet veel beter aan toe. + +Met zulke gedachten in z’n hoofd kwam Koen op de boerderij en de eerste +die hij daar tegen ’t lijf liep, was z’n vrind Piet. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens + ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt. + + +„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet. + +„Uit het bosch natuurlijk.” + +„Zeg, wat doe je gek met je hand.... net of je met ’n wandelstok +loopt.” + +„Doe ik ook.” + +„Hè?” + +„Kom maar es mee... dan zal ik je wat vertellen.... ’t is gewoon +ongeloofelijk.” + +„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé... +ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.” + +„Dee ik.” + +„Jij?... Kom nou... zulke lange armen heb je niet.” + +„Met m’n stok.” + +„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare +ding tegen z’n buik. + +„Waar doe je dat mee?” + +„Met m’n stok zei ik je toch.... Laten we hier even in de schuur +gaan.... dan vertel ik het je.” + +In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand +anders dan Piet het hoorde: + +„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.” + +Piet deed het. + +„Nou pak an.... Wat heb je nou in je hand.... niet kijken.” + +„’n Stok denk ik.” + +Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde +toen nog eens: + +„’n Stok.” + +„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.” + +Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht, +dat Koen er van in ’n lach schoot. + +„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.” + +„Maar ’t is ’n stok hè?” + +„Ja.... op ’t gevoel wel.” + +Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje, +hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en +vroeg: „Wat heb ik hier?” + +„Nou, niks natuurlijk.” + +„Voel dan maar es.” + +„’k Voel... ’n sleuteltje of zooiets.” + +„Precies... ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.” + +„Ik snap er niks van... Hoe doe je dat?” + +„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik +er ook niks van snap... Ik zal ’t je vertellen...” + +Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje +in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet: + +„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.” + +„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen... die moet ook mee.” + +„Nee... doe dat nou niet... Die kan je ’t later wel vertellen... Eerst +moet ik ’t zien en zelf doen.” + +„O, je gelooft me niet!” + +„Ja zie je.... gelooven doe ik je wel.... van die stok en die sleutel +tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.... maar toch zou +ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk +gaan. Ik kan nou best even mee.” + +„’t Is anders nog ’n heel eind.” + +„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.” + +Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de +struiken. + +„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?” + +„M’n pet maar.” + +„Goed, neem ’m maar in je hand.” + +„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.” + +„Ook goed.” + +„Wat moet ik nou doen?” + +„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje... Kijk.... en dan +nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.” + +„Laat mij dat dan doen.” + +Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu +en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk. + +Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde. + +„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk. + +Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat. + +„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te +schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die +knop tegen je pet.” + +Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig. + +„Hij begint,” riep Koen. + +„Ik zie niks.” + +„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer +zien kunt.” + +„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.... „Hij gaat hoor... +Jakkes, ’t is toch raar... Pats... weg is ie.” + +„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op. +Hierzoo.” + +Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op +had. + +„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet. + +Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er +voor in de plaats. + +„Nou,” zei ie toen, „je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe +krijg ik m’n pet nou weer terug?” + +„Wel hier heb je ’m.” + +„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond +zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo +gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je +begrijpen.” + +„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.” + +„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van +dat ding thuis maar niks zeggen.” + +„Niks zeggen?.... En ik wou het vader vertellen.” + +„Niet doen jô... Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze +zal d’r bang voor wezen.” + +„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan +is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan +’n ander het ook vinden.” + +„Da’s waar.... maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?” + +„Nou mij wel.... Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de +krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie +machientje wel niet graag kwijt zijn.” + +„Zal wel niet.... Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan +niet.” + +„Kan dat niet?” + +„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.” + +„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?” + +„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen +naar huis?” + +„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan maar beslissen wat er verder +gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.” + +„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet. + +Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet +nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij. + +„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat +onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?” + +„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er +wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.” + +„Vader lacht me uit als ik er over begin.” + +„Totdat ie ’t zelf ziet.” + +Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam +Piet ineens: + +„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding +wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.” + +„Niks aan vader vertellen?.... Waarom niet?” + +„Ik weet ’t zelf niet Koen.... Ik wou het eerst nog wel eris probeeren +met iets dat leeft.” + +„Hè?... Met ’n beest?” + +„Ja.... Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer +zien kan.” + +„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.” + +„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.” + +„Daar hebben we kans op.... Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien +we ’t toch.” + +„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen +doen.” + +„Da’s waar.” + +„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit. +Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het +vanavond wel binnen zien te smokkelen.” + +„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever +maar dadelijk aan vader.” + +„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal +ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?” + +„Ja.... nee... zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk +hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.... en ik zou ’t toch ook +wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?” + +„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan +pakken.” + +„Zou die d’r niet van dood gaan?” + +„Dat weet ik niet.” + +„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens +probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet +veel verbeurd.” + +„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n +vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We +hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.” + +„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig +beest.” + +„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.” + +„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.” + +„Nou, dan nemen we Flip.” + +„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!” + +„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie +jonge vogels uit het nest haalt.” + +„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan +maar.” + +„Best.... Zie jij iemand achter ’t huis?” + +„Ik niet. Wat wou je gaan doen?” + +Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu +aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar +aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen +woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg. + +Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n +moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En +Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de +oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de +baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen. +Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de +jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten +beenen zoodra de witte naderde. + +Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje. +Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen +sliep. De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie +Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen +met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een +kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en +mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De +broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de +boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de +huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er +waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op +visite in die kamer kwam. + +Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens +goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het +koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar +binnen. + +„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig +ergens weg.” + +„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.” + +„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan +moeten ze dat ding niet te zien krijgen.” + +„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik +had het liever aan vader gezegd.” + +„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje +opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n +vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het +erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je +het noodig had. + +Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n +beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon. +Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij +trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de +volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t +drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met +die witte haan. + +Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het +kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in +gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de +proef te nemen met de haan. + +Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader +over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit +waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te +brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen +had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever +onzichtbaar te maken. + +„O,” zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook, +tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap +genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele +kabouter niet meer zien.” + +„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat Koen meent is wat anders. +Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin. +Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog +was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv. +laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch +wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit +het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in +waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we +zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk +is.” + +„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche +professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks +uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n +instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het +rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang +geleden dat ik er wat van gelezen heb.” + +„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen +dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.” + +Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje +halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument +werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet +onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika +terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven. + +Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die +jongen had gedurende het gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net +gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie +zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het +zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te +passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het +water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers +kreeg. + +Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet: + +„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.” + +„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat +kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en +het is van hem en niet van ons.” + +„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op +aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik +moet weten of dat ook kan.” + +„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?” + +Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan +zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen. + +Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het +erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan +ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om +wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld +van Flip bij hen. + +Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en die twee kregen +bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de +meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom +onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit +voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit. + +„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens +gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.” + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK + + Waarin de witte haan onzichtbaar wordt en de heele familie versteld + staat. + + +’t Was al ’n beetje schemerig in het zolderkamertje, want Koen had de +gordijntjes voor het venster toegeschoven. De kippen buiten gingen de +een na de ander op stok. Het werd avond. + +Piet had het klaar gespeeld om de witte haan te pakken te krijgen +zonder dat een van de huisgenooten er iets van gemerkt had. En nu zaten +de twee proefnemers op hun hurken, Piet met de witte haan in z’n armen +en Koen klaar met de rooie knop van professor Wells’ verdwijn-machine. +De haan wou naar bed en probeerde nu en dan los te komen. Hij deed niet +erg veel moeite, want hij voelde zich in Piet z’n armen heel goed +thuis. Als die maar heel stil gezeten had, zou de haan wel in slaap +gevallen zijn daar boven in Piet’s kamertje. Maar Piet nam de haan in +z’n handen en dat was geen gemakkelijke positie voor het beest. De haan +verzette zich hiertegen ’n klein beetje en kakelde zachtjes. Maar Piet +hield ’m de snavel toe en zei ’n beetje ongeduldig tegen Koen: „Begin +je haast?” + +„Jawel,” antwoordde die, maar hij scheen er niet heel veel zin in te +hebben. Had ie misschien meelijden met het beest, dat op het punt stond +voor goed onzichtbaar te worden? + +Want Koen had wel zooveel uit de papieren begrepen dat er ook nog ’n +ander toestel bestond waarmee je de onzichtbaar gemaakte dingen weer +zichtbaar kon maken, doch dat instrument hadden ze niet. De haan zou +dus verdwijnen. Geen mensch zou hem ooit weer zien en z’n kippen, over +wie de witte koning speelde en de andere hanen die hij tiranniseerde, +hadden hem voor het laatst kunnen bekijken toen Piet er mee naar het +zolderkamertje sloop. + +„Treuzel nou toch niet langer,” zei Piet ’n beetje grommig. Koen hield +de rooie knop toen maar tegen de haan. Hij bedacht, toen hij daarna de +haan scherp betuurde, dat het voor dat beest toen eigenlijk ’n geluk +was als ie onzichtbaar werd. Hanen worden in de regel door de menschen +ook onzichtbaar gemaakt eer de dieren te oud en te taai worden. Maar +dan verdwijnen ze eerst in de pot en daarna in de onverzadelijke magen +van de menschen. Als de witte haan onzichtbaar werd door professor +Wells’ machine hing hem het gewone akelige hanennoodlot niet meer boven +het hoofd. De moeder van Piet zou het wel nooit in d’r hoofd krijgen ’n +onzichtbare haan te willen braden en de witte kon dus naar hartelust +blijven leven. + +„Kijk es,” fluisterde Piet, „hij begint al. Of zou het komen omdat het +duister wordt?” + +„Ik weet het niet,” antwoordde Koen even zacht. „Hij doet z’n oogen +toe. Zou ie doodgaan?” + +„Welnee ... hij gaat gewoon slapen. Hij voelt er niks van, dat merk ik +wel... Maar kijk nou es goed... Hij wordt toch al onzichtbaarder, vindt +je ook niet?” + +„Ja.. ’t wordt net ’n schim.... zal ik er nu maar mee ophouen?” + +„Ophouen? Ben je mal. Houdt het ding er tegen aan. We blijven niet +halfweg steken.” En na ’n oogenblik: „Hij gaat goed jô. Ik kan ’m al +bijna niet meer zien.” + +„Ik ook niet.” + +Weer ’n poosje stilte. De jongens konden hun hart bijna hooren kloppen. +De haan werd hoe langer hoe ijler. Maar ’t werd ook donkerder in het +kamertje en alles werd zoo’n beetje vaag en nevelig. + +De eenige die er niets van merkte was de haan zelf. Die sliep. + +Eindelijk zagen ze geen van beiden van de haan iets meer. In ’t +kamertje was het nu nagenoeg donker. Piet die met de onzichtbare haan +in z’n handen zat, vroeg aan Koen het gordijn weg te schuiven, want +buiten was er nog wel ’n beetje licht en toen dat naar binnen drong, +zoodat er weer wat schemering was, zag Koen z’n kameraad +oogenschijnlijk met leege handen staan. + +„Voel nou maar es,” fluisterde Piet hem toe. En Koen voelde duidelijk +de haan, de gladde veeren van de vleugels en de lange kromme +staartveeren, die zoo als ’n vlag konden wapperen in de wind. + +Piet zette de haan op de sport van ’n stoel. Het beest werd er +misschien half wakker van, maar zoodra voelde het dat ronde hout onder +z’n pooten of het zat al op stok en sliep waarschijnlijk weer door. + +„Ziezoo,” zei Piet, „die slaapt tot het dag wordt.” + +Nadat ze eerst beiden nog naar beneden geweest waren voor hun avondeten +(bij de boeren eet je ook nog voor je naar bed gaat) gingen ze ook +onder de wol en sliepen niettegenstaande de vreemde dingen die ze die +dag hadden ondervonden, net als de haan onmiddellijk. + +Met het krieken van de morgen werd de haan op z’n ongewone slaapplaats +wakker. Misschien had ie wel ’n vreemd gevoel, omdat ie zichzelf niet +meer zien kon, want hij was erg onrustig. Hij sprong van z’n sport en +liep over de planken zoodat de beide jongens al heel gauw ontwaakten +door het getik van hanepooten op het hout. Koen was het eerst wakker en +keek uit z’n bed en schrok ’n beetje toen hij het gescharrel van de +haan hoorde, zonder dat ie van het beest ook maar ’n veertje te zien +kon krijgen. Hij keek naar Piet. Die was ook wakker en keek net zoo +verbaasd uit z’n bed als Koen. + +„’t Is toch raar hoor,” zei hij bij wijze van goeiemorgen en Koen zei +niemendal. + +Ze stonden allebei op, waschten zich en trokken hun kleeren aan. + +Toen haalde Piet wat mais uit z’n broekzak en strooide de korrels voor +zich op de grond. Dat was de haan gewoon van Piet en onmiddellijk kwam +ie aanstappen. Gulzig, als hanen doen, wanneer er geen kippen bij zijn, +pikte hij de korrels op en nu zagen de twee toeschouwers het gekste +ding gebeuren, waaraan ze heelemaal niet gedacht hadden. De maiskorrels +gingen omhoog, zakten achter elkaar omlaag en bleven ergens ’n eindje +van de grond op ’n hoopje zitten. De mais die niet met de +verdwijn-machine behandeld was, bleef zichtbaar! + +„Nou zit de mais in z’n krop,” zei Piet. + +„Zooiets geks heb ik nog nooit gezien,” vond Koen. „Wat zou er nou met +die mais gebeuren?” + +„Ik denk,” antwoordde de boerenjongen die verstand van kippen had, „dat +de mais net als altijd wel langzaam verteren zal en dan komt ze van z’n +krop in z’n maag en dan zal d’r langzamerhand wel niks meer van te zien +zijn.” + +De haan hoorde nu de kippen buiten, die uit het hok kwamen en ’n haan +kraaide. Dat kon de voormalige witte niet uitstaan. Als er ’s morgens +gekraaid moest worden dan behoorde hij dat te doen. Die andere hadden +niks te kraaien zoolang hij er nog was. Gingen ze ver genoeg uit z’n +buurt, dan kon het hem minder schelen, maar zoo vlak bij dat was +majesteitsschennis. Hij vloog dus op de vensterbank, kraaide zoo hard +hij kon, zoodat de haan daarbeneden, die het gewaagd had ’n bek open te +doen, angstig omhoog keek, natuurlijk gereed om onmiddellijk de de +vlucht nemen. Maar hij zag de gevreesde witte baas van de kippetjes +heelemaal niet en bleef dus maar staan. Hij kraaide zelfs nog ’n +keertje. Dat was iets te veel voor de onzichtbare en klappend met de +vleugels vloog hij omlaag, tevergeefs nageoogd door Koen en Piet. Ze +zagen beneden de kippen uit elkaar stuiven toen er daar zooiets uit de +lucht over hen heen en tusschen hen door fladderde, dat ze niet zien +konden. Maar de haan die gekraaid had en met z’n hals uitgerekt loerde +naar z’n gevreesde tegenstander kwam er bekaaid af. Hij stond klaar om +te vluchten, want hij hoorde de vijand aankomen, maar die had ’m eer +hij nog ’n besluit had kunnen nemen welke kant ie uit zou gaan, al bij +z’n kuif te pakken. + +De aangevallen haan was heelemaal de kluts kwijt en moest het toelaten +dat de ander hem de kam leelijk havende. Doch toen pakte hij z’n biezen +en poetste op goed geluk de plaat. Daar was het de witte om te doen. De +jongens hoorden hem kraaien en met de vleugels slaan. De kippen om hem +heen keken naar het scheen ’n beetje er van op. Ze draaiden tenminste +hun halzen en koppen naar alle kanten. Opeens kreeg ’n ouwe kip, die +het dichtst bij de onzichtbare haan was, blijkbaar de nog altijd +zichtbare maiskorrels in de gaten. De kip prakkezeerde er niet over, +dat die maiskorrels daar toch wel ’n beetje vreemd ’n eindje boven de +aarde schenen te zweven. Maiskorrels zijn maiskorrels, al zweven ze ook +in de lucht, meende misschien dat kippetje en ze pikte er naar. Maar ze +pikte alleen de haan, die ze niet zag en die was zoo’n malle +behandeling door z’n kippen niet gewend. Haneman pikte waarschijnlijk +terug en de kip ging er onmiddellijk vandoor. + +Dat alles zagen de twee jongens uit hun zoldervenster afspelen. Ze +moesten er om lachen of ze wilden of niet, want het leek wel of er daar +beneden in de kippenwereld rare dingen gebeurden. Daar net had de +onzichtbare weer ’n andere haan te pakken gehad, die ’n beetje +vriendelijk deed tegen ’n kip. En ’n oogenblik later waren er twee +kippen tegelijk tegen de onzichtbare aangewandeld, waarvan ze blijkbaar +allebei schrokken. Hoe de witte haan er zich onder hield, was +natuurlijk niet na te gaan. Maar Koen dacht er het zijne van en zei +toen ze de kamer uitgingen: + +„’t Spijt me dat we dat met die haan gedaan hebben.” + +„Mij heelemaal niet,” antwoordde Piet. „De witte is alleen onzichtbaar +geworden. Verder is er niks aan hem veranderd, dat weet ik vast.” En ’n +oogenblik later: „Je moet er nog niks van aan je vader zeggen hoor.” + +„Ben je bang?” vroeg Koen. + +Maar Piet zei lachend: + +„Geen steek. Als ze d’r achter komen, lachen ze er allemaal om, dat zal +je zien. Maar ik wou eerst es graag zien hoe de anderen het vinden +zonder dat ze weten wat er eigenlijk aan de hand is.” + +„Ze zullen niet weten wat ze er van maken moeten,” meende Koen. Maar +hij vond het voorstel van Piet nogal leuk en wat kwam ’t er ook op aan +of ’t ’n dag langer verborgen bleef? ’t Was met de haan nou toch +gebeurd en al vond ie dat toch eigenlijk ’n beetje ongezellig voor die +haan, hij kon ’t toch niet ongedaan maken. Hij geloofde nu ook wel dat +de witte er niets onder geleden had. + +M’nheer en mevrouw Bruggemans waren natuurlijk nog lang niet bij de +hand, maar bij de boerenfamilie kon Koen al terecht. Dat deed ie iedere +morgen dan ook. Berte stond ook niet zoo vroeg op, maar Mie wel. Koen +at ’s morgens vroeg net als Piet en Mie ’n dikke boterham met spek, +roggebrood natuurlijk. Hij kreeg er melk bij, maar Piet en Mie moesten +het maar doen met ’n beetje nat, dat ze koffie noemden. Het rare goedje +scheen hun best te smaken bij de dikke sneden roggemik, want ze dronken +er altijd heel wat kommetjes van. De boer en de groote jongens zaten +nog zoo’n beetje te geeuwen, maar moeder de vrouw liep al bezig in en +uit. Toen stopte de boer z’n pijp, stak hem aan en zei opeens: „Kom, +opschieten jongens.” Doch op datzelfde moment (de jongens en ook Piet +stonden al op) kwam moeder voor de zooveelste maal binnen en zei: + +„Vader, kijk jij eris naar de kippen. Wat die mankeeren weet ik niet. +Ze doen zoo vreemd.” + +„Daar heb je ’t al,” dacht Koen met ’n beetje angst, maar Piet zei +doodleuk: + +„Dat heb ik ook al gemerkt moeder.” + +„Och wat,” zei de boer, „wat zou d’r nou met die kippen zijn. Niks +natuurlijk.” + +De boer beschouwde de kippen als ’n soort minderwaardig vee, waar hij +eigenlijk niets mee noodig had. Dat was werk van de vrouw. Die +verzorgde ze en die verkocht de eieren. Hij bemoeide zich er niet mee. +Hoogstens verkocht ie soms op verzoek van de vrouw wat jonge hanen of +oude hennen, maar meestal liet ie dat ook nog over aan de jongens. Die +kippen waren ’m om zoo te zeggen te min. Toch ging ie achter z’n vrouw +naar buiten, gevolgd door de groote zoons en Mie, terwijl Piet en Koen +’n beetje achteraan bleven. + +Nu was het zóó met de kippen, dat zoodra ’s morgens de vrouw buiten +kwam, het heele kippenleger rumoerig naar haar toe kwam en op ’n +kippedrafje achter haar aanmarcheerde overal waar ze heenging. Stond de +vrouw stil dan stonden alle kippen en hanen om haar heen. Maar heel +vooraan stond altijd de witte als rechtmatige aanvoerder van het +regiment en de andere hanen hielden zich wijzelijk op de achtergrond. +Dan strooide de vrouw uit ’n groote bak met volle handen het +ochtendvoer, er voor zorgende dat ook de achterste hun rechtmatige +portie kregen. + +„Wat is d’r nou met jouw kippies?” informeerde de boer. + +„Wel nou... kijk maar zelf, hoe mal ze hier vooraan doen... Enne... +heeremetijd waar is de witte haan?” + +„De witte haan?” zei de boer. „Ja, waar is die witte haan?.... D’r +zullen toch geen dieven op de werf geweest zijn vannacht?” + +„Ik heb niks gehoord,” zei de oudste zoon. + +„Ik ook niet,” bevestigde de tweede. + +„En we hadden ’t toch moeten hooren,” zei de eerste weer. „In de stal +hoor je alles.” + +„Kiep, kiep, kiep, kiep!” riep de vrouw met ’n heel hooge stem. „Als ie +in de buurt was, zou die nou wel komen,” voegde ze er bij. + +Maar de witte haan kwam niet, want hij stond vlak voor haar, het beest +begreep zeker dat het om hem te doen was, want opeens hoorden ze +allemaal vlakbij zijn „tok, tok, tok”. + +„Ik hoor ’m,” riep Mie en toen keken ze allemaal overal rond en de +vrouw liet ’n onderzoekende blik gaan over het heele kippenleger, om te +zien of de haan er toch niet ergens tusschen stond. + +Koen voelde zich ’n beetje raar. Hij moest het nu zeggen, dacht ie. En +toen keek hij Piet eens aan. Maar die knipte enkel maar ’n oogje tegen +hem en zette ’n gezicht of hij het verloop van de zaak erg naar z’n zin +vond. + +De vrouw strooide toen maar het ochtendvoer uit, want ze had geen tijd +om zich nog langer met de kippen bezig te houden. Het speet haar wel +dat de witte er niet was, doch ’n kip meer of minder maakte op zoo’n +groote hoop toch niet veel uit. Over zooiets kon je in het +boerenbedrijf je niet zoo heel druk maken. + +Ze maakte al aanstalten om naar binnen te gaan en de boer stapte ook al +op, toen Mie, die met ’n handjevol mais gehurkt zat om naar gewoonte de +kippen, die tam genoeg waren uit haar hand te laten pikken, opeens +riep: + +„Jakkes, wat is dat nou!” + +„Wat heb je?” zei moeder. + +„Wel... Kijk es... D’r pikt iets de korrels weg en ik weet niet wie het +doet.” + +De kippen hadden ruimte gemaakt voor de haan die niemand zag. Het was +zijn recht om er vooraan bij te zijn als er uit de hand gevoerd werd. +En daar maakte hij ook thans gebruik van. Hij pikte wat ie maar kon. + +Moeder zag ook die rare beweging van maiskorrels en de boer kreeg het +ook in de gaten. Die riep z’n oudste jongens erbij en toen zaten ze +allemaal om de onzichtbare haan heen, die voortdurend maar korrels +pikte. + +Toen greep de boer opeens naar de korrels die de onzichtbare haan in +z’n krop had en kreeg natuurlijk de haan te pakken. + +„Wel allemachies!” zei de boer zacht. Maar hij liet de haan niet los, +al vond ie ’t ook nog zoo eng iets in z’n hand te hebben, dat ie niet +zien kon. + +„Wat heb je?” informeerde moeder nieuwsgierig. + +„Wat ik heb?... Dat weet ik niet... Maar ’t lijkt allemachies veel op +’n haan. Ik voel z’n kop... en z’n staart ook.” De boer had de haan in +de linkerhand en ze zagen allemaal hoe hij met de rechter al sprekend +ergens overheen tastte. + +„Wat doe je toch gek,” zei de vrouw. „Wat klets je nou van ’n haan die +je in je handen hebt en ik zie niks.” + +„Voel zelf maar es,” zei de boer. + +Maar daar had de vrouw voorloopig geen trek in naar het scheen. Doch de +oudste zoon durfde beter. + +„Wat heb je toch?” zei ie tegen z’n vader. „Lâ mij ook es voelen.” + +„Nou nog mooier,” zei ie na ’n oogenblik met z’n hand gevoeld te +hebben. „Maar dat lijkt op ’t gevoel net de witte. Zeg Piet voel jij +es. Jij ken ’m beter dan wij.” Toen kwam Piet met ’n effen gezicht en +voelde ook. „Geef ’m es hier,” zei hij daarna en hij nam de haan uit +z’n vaders hand en droeg hem zooals ie dat zoo dikwijls deed en wat de +haan heel prettig vond. Van plezier riep ie dan ook tok tok zoodat +iedereen het hoorde. + +„’t Is vast de witte,” verklaarde Piet. „Dit is z’n kam. Voel maar,” +voegde hij er bij, zich tot Mie wendend die de haan ook heel goed +kende. + +„Hij is ’t,” bevestigde Mie. „Z’n staart is ’t ook.” + +„Jullie bent geen van allen goed,” zei de vrouw. Maar toen ze ook de +hand uitgestoken had en het onzichtbare beest voelde, gaf ze haast ’n +gil. + +„Gooi weg,” riep ze, „lâ los dat ding, Piet.” + +„De haan los laten?” zei Piet. „Wel daar gaat ie.” + +Ze zagen aan de kippen die uit elkaar stoven toen de onzichtbare +tusschen hen in terecht kwam, dat het werkelijk de haan moest zijn, die +ze gevoeld hadden, maar ze gaapten elkaar zwijgend aan, want natuurlijk +begrepen ze er geen sikkepit van. + +Piet was de eerste die sprak. + +„Wat zou er met die haan gebeurd zijn?” vroeg hij met ’n onnoozel +gezicht. „Hij is ’t sekuur. Kijk maar es daar heeft ie de zwarte te +pakken.” + +Ze zagen het allemaal. Maar ’t was ’n mal gezicht die zwarte te zien, +die precies deed alsof ie tegen ’n andere haan stond te vechten +ofschoon hij ’t oogenschijnlijk deed tegen de leege ruimte. De zwarte +sprong omhoog en pikte wat ie kon, maar de onzichtbare was verreweg de +baas. Het bloed liep de zwarte al uit de kam. Tot opeens de zwarte er +weer vandoor ging. + +Toen hoorden ze allemaal de onzichtbare witte luidop kraaien. Hij had +het, net als altijd, weer gewonnen. + +„We staan hier onze tijd maar te verleuteren,” zei de boer eindelijk. +„Vooruit aan ’t werk jongens.” En toen tegen Piet: „Je krijgt ’n +dubbeltje als je dat... dat ding de nek omdraait.” + +De jongens gingen met elkaar pratend het land in en de boer volgde +langzaam. + +De vrouw ging met Mie naar binnen en Piet, alleen gebleven met Koen, +zei lachend: „Hoe was ’t ie?” + +„We moeten het zeggen,” zei Koen beslist. + +„En je zal ’t wel laten,” antwoordde Piet. „’t Wordt nou pas lollig.” + +„Noem jij ’t maar lollig. We staan te liegen dat de stukken er +afvliegen.” + +„Liegen? Wie liegt er? Ikke niet. Ik zeg heelemaal niks... en jij hebt +ook nog geen stom woord gezegd. Om te liegen moet je je mond opendoen.” + +„Je kan ook liegen met je mond dicht,” meende Koen. + +„Nee, dat bestaat niet. Dominee heeft ons geleerd dat onwaarheid zeggen +liegen is. Hebben wij iets gezegd dat niet waar was?” + +„De waarheid verzwijgen, kan ook liegen zijn of tenminste net zoo erg.” + +„Zoo? Hoe leg jij dat uit?” + +„Wel als ’t noodig is dat je de waarheid zegt en je doet het niet...” + +„O... bedoel je ’t zoo! ’t Is heel niet noodig dat wij de waarheid nou +al zeggen.” + +„Dat vind ik wel.” + +„Och jô, wat geeft ’t nou of we dat nog ’n poosje voor ons houen. We +doen er immers geen mensch kwaad mee.” + +Koen wou daar weer tegen opkomen, want hij was het met Piet niet eens, +dat ze er geen mensch kwaad mee deden. Doch op dat oogenblik kwam Mie +met Berte en mevrouw en mijnheer Bruggemans de hoek van het huis om. +Mie was de eenige die ernstig keek. M’nheer schaterde het uit. Mevrouw +lachte niet zoo uitbundig, maar leek het toch ook erg grappig te vinden +en Berte lachte haast net zoo hard als d’r vader. + +„Hahahaha... waar is die haan die geen mensch zien kan!” riep m’nheer +Bruggemans al in de verte. En toen ie vlak bij was: „Neemaar ’t is om +je dood te lachen. Hahahaha! ’n Onzichtbare haan!” + +„Ik wist niet dat er nog zulke bijgeloovige menschen waren,” zei nu ook +mevrouw met ’n glimlach, „’t Is zonde... hoe komen ze er bij!” + +„Onzin,” riep m’nheer weer. „Inbeelding! Hahahaha... Onzichtbare hanen +bestaan niet. Zeg Piet jij hebt er zeker gisteravond van verteld hè. +Van die amerikaansche professor met z’n machine... Ze zullen gedroomd +hebben!” + +„Mie heeft het ons verteld, jongens, van die onzichtbare haan die uit +haar hand pikte,” zei Berte. „’t Kan toch niet hè... ’t Is allemaal +gekheid.” + +„Ik heb ’m ook in m’n handen gehad,” zei Koen nu. „D’r is ’n +onzichtbare haan.” + +„Hou je mond jongen met je nonsens... Begin jij nou ook al. Je komt mij +maar niet met die dwaasheden aan boord hoor.” + +„’t Is toch waar m’nheer,” zei Piet. „Als u even wacht, zal ik de haan +wel halen. ’t Is onze witte.” + +Piet liep weg en ging tusschen de kippen, scherp uitkijkend, want ’t +was nu ’n toer om de witte te ontdekken. Piet riep zacht: „Kiep, kiep, +kiep,” in de hoop dat de witte zich wel zou laten verlokken, zooals +altijd. Toen bukte hij voorzichtig, stak z’n hand uit en greep naar +iets. M’nheer Bruggemans, z’n vrouw en Berte keken nieuwsgierig en +m’nheer zei toen ie zag wat wat Piet deed: + +„Die jongen is stapel. Kijk nou es, daar komt ie me waarachtig +aanloopen net of ie iets draagt. Zou die aap nou werkelijk denken, dat +ie mij wat wijs kan maken?” + +„Hier is de haan m’nheer,” zei Piet. + +„Jawel slimmerd, dat zie ik,” antwoordde m’nheer Bruggemans lachend. +„Moet je vroeger opstaan hoor.” + +„Voel u maar,” zei Piet weer. + +„Kan je begrijpen.” + +„Mag ik eens voelen?” vroeg Berte lachend, en ze deed het meteen. Doch +onmiddellijk zei ze: „Gunst, ’t is echt ’n haan.” + +„Wat?” kwam er uit Mijnheer Bruggemans’ mond en meteen stak hij zelf de +hand uit. „Sapperloot!... Da’s vreemd... interessant... ’t Lijkt +werkelijk ’n haan of zooiets. Laat mij dat ding eens vasthouden Piet.” + +„Asjeblieft,” zei Piet en hij gaf de haan over. + +M’nheer Bruggemans pakte het dier voorzichtig bij de vleugels op de +manier van ’n kippenkoopman als ie ’n kip uit de mand neemt. Zoo werd +echter de witte nooit aangepakt en hij protesteerde hevig door luid te +tokken. Maar m’nheer Bruggemans stoorde zich aan dat hanenprotest niet +en betastte de haan met z’n vrije hand van onder tot boven. + +„Pooten,” prevelde hij... „z’n staart... z’n buik... ’t is werkelijk ’n +haan... au!” + +„Dat was z’n bek,” zei Piet lachend. + +„Man je bloedt!” riep mevrouw. + +M’nheer Bruggemans stond al met z’n bloedende vinger in z’n mond en de +onzichtbare haan had ie van schrik losgelaten. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + Waarin m’nheer Bruggemans ’n raar geweer te zien krijgt, ’n + telefoonpaal onzichtbaar wordt en de wondermachine zelf ook + verdwijnt. + + +De boerenfamilie had het de heele dag over niets anders gehad dan over +de witte haan, die hoewel uit het gezicht verdwenen er toch nog scheen +te zijn. De boer zelf zei het minst van allen. Hij wreef maar aldoor +langs z’n kin, wat ie altijd deed als hij over ’n moeilijkheid zat te +tobben. De groote jongens waren van oordeel dat het onmogelijk was, +maar dat je het toch gelooven moest als je zoo’n haan, die je niet zag, +dan toch maar tusschen je vingers had. Mie vond het eng voor zichzelf +en naar voor de witte. Moeders mond had er de heele dag niet over stil +gestaan en het slot was, dat ze verklaarde niet in ’n huis te willen +blijven waar zulke dingen plaats hadden. De boer had daarop maar +wijselijk geen antwoord gegeven, want je kon toch maar zoo je heele +hebben en houden niet in de steek laten, omdat er ’n onzichtbare witte +haan rondliep. D’r zijn zooveel onzichtbare dingen om je heen, waarvoor +je toch niet verhuizen gaat. + +Piet was de eenige die heelemaal niets zei. Hij had het kunnen +verklaren, als ie gewild had, maar toen Koen hem aanspoorde het te +doen, gaf Piet ten antwoord dat z’n vader er dan onmiddellijk ’n finaal +einde aan maken zou door het tooverkistje op z’n minst stuk te trappen. + +En toen legde Koen er zich maar weer bij neer, want het kistje van +professor Wells door ’n paar boerenklompen te laten behandelen, leek +hem toch wel wat kras. + +Maar hij hield er z’n mond ook over tegen z’n eigen vader, waar Piet +ook al de oorzaak van was. Want die hield vol dat m’nheer Bruggemans +het weer niet verzwijgen zou voor de boer en dan ging het toch naar de +maan. Als zijn vader zich eenmaal voorgenomen had iets stuk te trappen, +dan werd het ook stukgetrapt. + +„Maar heeft je vader dan gezegd, dat ie het zou stuktrappen?” + +„Nee, dat heeft ie niet, maar dat kon ik aan z’n gezicht wel zien en +dat is net ’t zelfde.” + +„Dan zal ik er ook maar niks van aan vader zeggen,” gaf Koen toe. „Maar +we doen er ook niks mee hoor.” + +„Misschien wel niet,” antwoordde Piet... „Ik had anders iets +geprakkezeerd, waar we lol mee konden hebben. We zullen nog wel es zien +hè?” + +„Wat had je dan geprakkezeerd?” vroeg Koen nieuwsgierig. + +„Kom mee dan zal ik het je uitleggen.” + +Ze wandelden samen het veld in. + +Toen ze terugkwamen, zat de heele boerenfamilie bij de familie +Bruggemans in het tuintje voor het huis waar achter de groene doornheg +de dahlia’s bloeiden en de hooge zonnebloemen. Dat voortuintje was +zoolang de familie Bruggemans er was, voor deze bestemd. De boeren +kwamen er nooit anders dan om onkruid te wieden, behalve Mie natuurlijk +en Piet. + +Er moest dus wat aan de hand zijn, volgens Koen en Piet, die de +vergadering al in de gaten hadden toen ze nog ’n eind van de boerderij +af waren. + +„Ze hebben ’t over de witte,” zei Piet lachend. „Daar wil ik om +wedden.” + +„Misschien hebben ze het kistje ontdekt,” zei Koen met ’n beetje angst. + +„Als dat maar niet waar is,” zei Piet, die ook plotseling ’n beetje +benauwd werd. + +„Ik ga niet naar huis,” verklaarde Koen. + +„Maar ik wel,” zei Piet. „Ik wil best weten waar ze ’t over hebben.” + +Toen ze in het tuintje kwamen, was m’nheer Bruggemans aan ’t woord. + +„Nou moeten jullie je niet overstuur maken,” legde m’nheer uit. „Ik +geef toe dat het vreemd is. Maar er is zooveel vreemds in de wereld. We +weten niet hoe het met die haan in z’n werk gegaan is. Doch als we +daarachter komen, zullen we wel weer zien dat het heel natuurlijk was.” + +„Noemt u dat natuurlijk?” zei de boerin. „Nou ik noem het heel +onnatuurlijk.” + +„Laat mij jullie nou es vertellen wat ik er van weet. Toevallig vond ik +vandaag de krant waar het in stond. D’r is ’n professor in Amerika die +’n toestel heeft uitgevonden, waarmee naar hij beweerde, de dingen +onzichtbaar konden worden. Ik wou ’t eerst niet gelooven, maar nou die +haan van jullie onzichtbaar geworden is, geloof ik het wel. Vanzelf +wordt een haan niet onzichtbaar, da’s duidelijk hè. Dus moet er iemand +met zoo’n toestel hier aan ’t werk geweest zijn.” + +Toen Koen z’n vader zoo hoorde praten, voelde hij zich allesbehalve op +z’n gemak. Het ontbrak er nog maar aan dat ie zei: „Koen heeft het”. +Piet gaf hem ongemerkt ’n duwtje en dat kon niet anders beteekenen dan +„Houd je mond”. En het plannetje dat Piet hem had medegedeeld was zoo +verlokkend, dat ie toch ook maar liever z’n mond dicht hield. Als z’n +vader tenminste het kistje al niet gevonden had. + +Doch toen mijnheer Bruggemans doorpraatte, werd die vrees weggenomen. +M’nheer Bruggemans wist niemendal. + +„Ik zou jullie aanraden eens goed op te letten,” ging hij voort, „of er +geen vreemd volk op de boerderij komt. Het kon wel eens wezen dat de +een of de ander die in het bezit van dat instrument is, er hier proeven +mee neemt. Dat moet wel want de onzichtbare haan is er het bewijs van. +Ik zelf zal ook ’n oogje in ’t zeil houden en ik zal onmiddellijk aan +die Amerikaan schrijven, want die is het ding kwijt.” + +„Als het is als je zegt m’nheer,” zei de boer, „van dat toestel, dan +zou ik wel es willen weten wie d’r hier op de werf zou willen komen met +zoo’n ding zonder dat we hem in de gaten krijgen! Heeft een van jullie +iemand vreemds hier gezien moeder? Jullie bent de heele dag bij huis.” + +De boerin verklaarde dat er buiten de postbode en ’n koopman die ze +heel goed kende, niemand op de werf geweest was. + +„Ho, ho,” zei m’nheer Bruggemans, „ze zullen wel zoo dom niet zijn er +overdag mee hier te komen. Als ze zoo iets doen, doen ze het ’s nachts, +dat begrijp je toch zeker wel.” + +„Dan zullen we vannacht maar eens de wacht houen,” zei de boer. + +„Laat mij dat maar es opknappen,” zei de oudste zoon. „De eerste de +beste die ik onder m’n vingers krijg, komt er niet heel meer tusschen +uit.” + +„Behalve als die je onderhand onzichtbaar maakt,” zei Piet opeens. + +„Jakkes,” riep de boerin, „waar haalt die jongen ’t vandaan.” + +Maar de anderen zaten zwijgend, totdat de oudste eindelijk zei: „Nou +dat mot ie dan maar es probeeren.” + +„Flink!” zei m’neer Bruggemans, „met jou kan ik praten.” + +Zoo werd er dan besloten dat Klaas die nacht de wacht zou houden en +m’nheer Bruggemans gaf de boerin de ouwe krant mee waarin ze zelf lezen +kon over de uitvinding van professor Wells. + +Toen de boerenfamilie weg was, zei m’nheer Bruggemans: „Die menschen +zouden in staat zijn aan hekserij te gaan gelooven.” + +„’t Ligt voor de hand hè,” antwoordde mevrouw, „als er zulke +geheimzinnige dingen in je huis gebeuren. Gelukkig maar dat je die +krant nog had. Nu hoeven ze zich niet zoo ongerust te maken. Maar ’n +beetje griezelig vind ik het zelf toch ook.” + +„Och kom,” zei m’nheer. „Groote gekheid. ’t Is heel natuurlijk. Maar we +moeten de dader zien te ontdekken.” + +Daarna ging m’nheer Bruggemans in huis om papier voor z’n brief aan +professor Wells in Amerika te halen. + +Koen en Piet gingen de tuin uit en toen ze buiten het gehoor van de +familie waren zei Koen: + +„Nou wordt het toch gevaarlijk, Piet, om dat ding nog langer geheim te +houden en er verder proeven mee te nemen. Dat zal je zelf moeten +toestemmen.” + +„Hoezoo gevaarlijk?” zei Piet met ’n onnoozel gezicht. „’t Is niks +gevaarlijker dan gisteren.” + +„Ik meen het gevaar van ontdekt te worden.” + +„O, meen je dat. Nou, als ze ’t ontdekken dan is ’t nog niet erg. Ze +komen er vandaag of morgen toch achter.” + +„Begin je dat ook in de gaten te krijgen? Laten we het dan nu maar +dadelijk aan vader gaan zeggen, dan kan ie dat meteen aan die +amerikaansche professor schrijven.” + +„Ben je mal jô... We vertellen er heelemaal nog niks van. Waarom zouen +we dat nou al doen? ’t Wordt nou pas lollig. Je zal eens zien hoe fijn +ik er m’n broer vannacht mee tusschen neem.” + +„Wat??... Moeten we ’t nou nog al niet vertellen? Maar ik laat me door +jou niet langer tegenhouen. Ik ga ’t zeggen.” + +„Da’s flauw hoor. Maar als jij ’t vertellen wil, ga je gang. Je zal +zien dat je vader ’t kistje inpakt en dadelijk wegstuurt.” + +„Nou, dat is toch ook de bedoeling dat die professor z’n eigendom weer +terugkrijgt.” + +„Krijgt ie ’t dan niet terug als wij er eerst nog die telefoonpaal mee +onzichtbaar maken, zooals we afgesproken hebben?” + +„Jawel, maar nou vader d’r zoo ver achter is, dat het instrument hier +in de buurt moet zijn, hield ik er maar liever mee op.” + +„Laten we ’t dan morgenochtend vertellen. Ik zou ’t zoo lollig vinden +als we er die opschepper van ’n Klaas eerst nog eens mee konden foppen. +Je hebt zelf gehoord wat ie zei.” + +„Ja ’n beetje opschepperig was het wel,” gaf Koen lachend toe. „Met dat +machientje zouen wij ’m onzichtbaar kunnen maken, zonder dat ie er zelf +wat van merkte.” + +„O zoo. Maar dat wil ik nog niet eens. Laat mij maar es begaan met ’m. +Je kan d’r op rekenen, dat ie niet in slaap zal vallen en om ’m zelf +onzichtbaar te maken zou die minstens moeten slapen, want anders had ie +ons met ’t kistje zoo in de smiezen.” + +„Da’s nog al duidelijk.” + +„Maar we kunnen misschien wel wat anders onzichtbaar maken. Help jij?” + +„Ik wel. Maar ik ben toch ’n beetje bang voor je broer, dat wil ik je +wel zeggen.” + +„O, ik ook, daar niet van. Je kan er op aan als ie iemand in z’n +knuisten kreeg vannacht, zou die ’t slecht hebben. Klaas is zoo sterk +als ’n os. En bang is ie ook niet. Dat zijn we bij ons geen van allen. +Als we wat met hem uithalen, moet ie er niks van in de gaten krijgen. +Maar die paal moet er eerst aan gelooven. Dat doen we vanavond als +Klaas slaapt.” + +„En hij zou waken?” + +„Doet ie ook, maar dan gaat ie eerst ’n paar uur maffen. Hij zal wel +opstaan als de anderen naar bed gaan. Met die paal komen we klaar +zonder dat we d’r bij zijn.” + +„Zonder dat we d’r bij zijn?” + +„Ja zeker, ’t zal me nog al geen tijdje duren eer zoo’n dikke paal +verdwenen is. Als wij daar bij moesten blijven met dat ding, dan hadden +we alle kans dat we ontdekt werden. Moet ik niks van hebben.” + +„Dus je wou dat kistje bij de paal zetten vanavond?” + +„Ja dat wou ik en we binden die rooie knop aan de paal vast. Dan kan ie +op z’n eentje onzichtbaar worden.” + +„Maar als de een of andere op die manier het kistje eens ontdekte?” + +„Ook niet erg... zijn we meteen overal af. Hoeven we heelemaal niks te +zeggen.” + +„Dan wou ik maar dat vader het kistje daar vond.” + +„Ik niet hoor. Je zal morgenochtend eens wat beleven als die paal +verdwenen is zonder dat Klaas er iets van gemerkt heeft.” + +„Maar hoe wou jij dat kistje weer in huis halen als je broer overal +rondsluipt, misschien wel met ’n geweer. Daar heb jij zeker ook niet +aan gedacht.” + +„Jawel... komt wel in orde. Dat doen we waar Klaas bij is.” + +„Je maakt me nieuwsgierig Piet.... maar ’t lijkt me toch wel lollig +ook. Hoe doe je dat dan?” + +„Ga maar mee dan zal ik ’t je vertellen.” + +Zij gingen samen naar huis terug en naar het zolderkamertje waar het +geheimzinnig kistje klaar gezet moest worden voor het gebruik dat ze er +die avond van dachten te maken. Piet liep op z’n teenen eerst even naar +de stal om te kijken of Klaas soms al sliep. Maar de slaapplaats op de +stal was nog leeg. Piet lachte stilletjes en nam vlug het geweer mee +dat boven het bed van Klaas hing. + +Koen keek verwonderd toen hij Piet terug zag komen met het geweer, maar +hij begreep al gauw wat de bedoeling was toen hij zag dat Piet het +kistje voor de dag haalde. + +„Ga je dat geweer onzichtbaar maken?” vroeg hij lachend. + +„En of en meteen eens probeeren of het ding werkt als je er niet bij +bent. Kijk nu bind ik die rooie knop tegen het geweer. Maak jij nou +maar de machine aan de gang. Ziezoo en nou hangen we er wat voor of we +leggen er wat overheen en dan gaan we naar beneden.” + +„Wat moeten we er overheen gooien... die blauwe kiel van jou?” + +„Leg maar over, dat ding van jou ook maar, hoe heet dat ook weer.” + +„M’n cape.” + +„Nou kan geen mensch er meer wat van zien. Ga nou maar mee.” + +„’t Is gevaarlijk,” vond Koen. „Als er eens iemand boven kwam, werd het +zoo ontdekt.” + +„Loop rond,” zei Piet. „D’r komt toch ’s avonds nooit iemand hier +boven.” + +Toen ze in het groote woonvertrek kwamen, zat de heele familie koffie +te drinken, wat ze natuurlijk iedere avond om die tijd deden. Nadat dat +afgeloopen was, begonnen moeder en Mie voor het avondeten te zorgen en +daarna werd er gegeten en dan ging de heele familie naar bed. Klaas was +er niet bij die avond. Die was ’n uurtje op één oor gaan liggen, zei +Mie. Als de anderen naar bed gingen, zou hij geroepen worden om op +wacht te trekken. + +„Is ie naar bed?” vroeg Piet, die heel goed wist dat ie niet naar bed +was. + +„Welnee,” zei de andere broer, „hij ligt in ’t hooi.” + +„Waarom doet ie dat?” vroeg Koen. + +„Wel jongen,” zei de boerin, „je komt makkelijker uit het hooi dan uit +je bed.” + +„Hij liever dan ik,” zei de broer. „Ik mot er niks van hebben om zoo’n +nachtje op te blijven als er zulke rare dingen gebeuren.” + +Na het koffiedrinken verdwenen Koen en Piet weer stilletjes naar het +zolderkamertje om te gaan kijken of het geweer van Klaas al onzichtbaar +geworden was. + +Doch daar deden ze ’n vreemde ontdekking. De kolf was verdwenen maar de +rest van het geweer was nog net even zichtbaar als te voren. + +„Da’s gek,” zei Piet. „Kijk es je kan die ijzeren schroeven allemaal +zien zitten en dat glimmende ijzer onder tegen de kolf ook. ’t Is net +of het allemaal in de lucht zweeft.” + +„Net als met de mais,” zei Koen. „Om ’t heelemaal onzichtbaar te +hebben, zouen we die stukken metaal ook nog eens moeten behandelen. Ik +merk dat je met die machine alleen dingen onzichtbaar kunt maken die +uit één stuk zijn, een geheel zie je.” + +„Dat kan wel Koen, maar ’t wordt op die manier ’n raar geweer. Maar nou +ga ik ’t eerst eventjes weer boven Klaas z’n bed hangen.” + +„Och jô, hij ziet het toch dadelijk, nou ’t er zoo uitziet.” + +„Mô je niet gelooven. Als Klaas z’n geweer gaat halen, is ’t +pikkedonker. En zoek dan onderhand ’n stuk touw op, want we moeten zoo +meteen het kistje uit het raam laten zakken.” + +„Wat is dat nou weer?” + +„O, wil jij ’t soms onder je arm nemen en er zoo de deur mee uit +wandelen als we naar de telefoonpaal gaan?” + +„Nee dat kan niet, daar heb je gelijk aan.” + +Even later had Koen ’n flink eind touw en Piet had het rare geweer +boven het bed gehangen. + +Ze zaten nu in het kamertje, terwijl het al begon te schemeren, een +gunstig oogenblik af te wachten om er met het kistje vandoor te gaan, +zonder dat iemand het merkte. Het werd om de boerderij al stiller en +stiller. M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten zeker met Berte aan de +andere kant van het huis in het tuintje. Daar zaten ze iedere avond +soms heel lang. En de andere menschen waren in de groote +boeren-huiskamer. Dat was ook iedere avond zoo. + +„Nou moeten we ’t maar es probeeren,” zei Piet. „Ik ga naar beneden en +dan laat jij het ding zakken. Maar ik zal eerst es kijken of het veilig +is.” + +Piet sloop weg en ’n oogenblik later zag Koen hem beneden op het erf +rondloeren. Even daarna wenkte Piet naar boven en Koen liet het leeren +koffertje met ’t wonderkistje er in behoedzaam uit het venster zakken. + +Piet greep het en was er in ’n ommezien mee tusschen de struiken. Koen +ging nu ook naar beneden en volgde Piet op z’n geheimzinnige tocht door +het kreupelhout. Op die manier kwamen ze zonder door iemand gezien te +worden bij de paal van de rijkstelefoon die op ’n afstand van ’n paar +honderd meter van het huis verwijderd aan de weg stond. + +„’t Zal wel lang duren,” meende Koen. „’t Is ’n heel stuk hout zoo’n +paal.” + +„Hindert niet,” antwoordde Piet. „We zetten het heele toestel hier maar +neer en we binden die rooie knop tegen de paal aan. Wij gaan naar +huis.” + +„En wou jij dan het koffertje hier laten?” + +„Wel ja, waarom niet? D’r komt hier geen mensch voorbij en al kwam er +iemand dan zien ze in het donker het ding nog niet.” + +„En wanneer halen wij ’t dan weer terug?” + +„Vanavond laat. Laat mij daar maar voor zorgen.” + +„Als Klaas hier rondloopt met z’n geladen geweer?” + +„Ja. Ik ga hem ’n poosje gezelschap houen. Dat vindt ie wel lollig.” + +„Dus jij wilt vroeg opstaan om het kistje te halen.” + +„Nee ik wil niet vroeg opstaan, tenminste niet vroeger dan anders. Ik +ga niet naar bed.” + +„O, zeg die knop zit prachtig tegen die paal hè?” + +„Fijn hoor. Laten we nou maar hard naar huis hollen, anders krijgen we +weer ’n standje. Ze zullen al wel aan de pap zitten.” + +Bij de boer aten ze elke avond pap met stroop en Koen deed er trouw aan +mee, al was ’t heelemaal geen stadsche gewoonte. Maar Koen vond die +boerenmanier van leven zoo slecht nog niet. + +Ze kwamen net nog vroeg genoeg, ofschoon moeder al had opgeschept en +Klaas was er ook. Vader bepraatte met hem wat ie doen moest als ie iets +ontdekte die nacht. Hij moest in dat geval maar gauw komen waarschuwen, +dan zouen ze die baas, die van die gekke kunsten op het erf durfde +uithalen wel mores leeren. M’nheer Bruggemans had ook beloofd dat ie +dadelijk bij de hand zou zijn als ze hem noodig hadden. Klaas meende +dat ie ’t wel alleen af zou kunnen. Hij zou z’n jachtgeweer maar +meenemen. Met dat jachtgeweer schoot ie in de winter nog wel es stiekem +’n konijn of ’n haas. Dat mag wel niet, maar de boeren zien in zoo’n +beetje stroopen geen kwaad. Die beesten eten onze vruchten op, zeien ze +en dus mogen wij hen wel weer opeten. + +Klaas had net uitgesproken toen er aan de deur werd getikt en m’nheer +Bruggemans binnentrad. Dat deed ie anders nooit. Maar nu kwam hij even +zeggen dat ie ook nog ’n poosje op wou blijven om met Klaas de ronde te +doen. Hij wou zelf wel es kijken of er ’t een of ander gebeuren zou. + +De boer vond dat erg aardig van m’nheer en de vrouw niet minder. Klaas +had er ook niemendal op tegen, want al zei hij er niets van, hij vond +het nu het heelemaal donker was geworden buiten toch wel ’n beetje +angstig. Niet dat ie bang was in donker. Daar had ie heelemaal geen +last van. Maar met die onzichtbare dingen was ’t toch niet pluis. Hij +had in de krant van mevrouw Bruggemans gelezen van die amerikaansche +uitvinding, maar hij geloofde het nog maar half en dat die dingen nu +net bij hen op ’t erf moesten gebeuren... nee ’t was toch niet alles al +had je ’n geweer bij je. Je kon ’t maar nooit weten. En daarom was ie +toch blij dat m’nheer Bruggemans zoo vriendelijk was om hem ’n poosje +gezelschap te houden. De eerste uren waren de naarste. Dan moest je er +nog zoo heelemaal aan wennen. + +„Nou,” zei de boer, dan gaan wij maar onder de wol. Als m’nheer zoo +vrindelijk wil zijn Klaas ’n poosje gezelschap te houen, dat vonden ze +dan allemaal maar wat aardig. + +„Dan betrekken wij de wacht maar, Klaas. Heb je voor mij ook soms niet +’n geweer?” + +„Jawel,” zei Klaas. „Je kan ’t mijne krijgen. Das ’n heel beste spuit. +Ik kan vader z’n geweer wel vatten.” + +Koen voelde dat Piet hem onder de tafel aanhoudend zat aan te stooten. +En als ie dan even opkeek naar Piet z’n gezicht dan zag ie maar al te +duidelijk dat z’n kameraad het heele geval erg naar z’n zin vond. Maar +Koen had er minder schik van. Hij kon het nog maar niet zoo aardig +vinden dat z’n vader met dat rare geweer zou gaan loopen. Zoolang ie er +mee in donker bleef was ’t niemendal. Maar als Klaas ’t nu dadelijk +ging halen, dan kwam de heele zaak onmiddellijk al aan de dag en hij +voelde wel dat ie zich niet goed zou kunnen houden. Vooral niet als er +misschien aan hem iets zou gevraagd worden, want liegen daar deed ie +niet aan. ’t Liefst had ie alles nu toch maar verteld, maar die Piet +hield ’m er van terug. Morgen, had Piet gezegd, tenminste zooiets. Maar +hij nam zich voor om er morgen in ieder geval ’n eind aan te maken. Dat +geheimdoen was toch niks voor hem. + +Gelukkig ging Klaas het geweer niet halen. Dat gebeurde pas toen ze +allemaal met m’nheer Bruggemans naar buiten gingen. Toen zei Koen z’n +vader: + +„Nou menschen gaan jullie maar gerust naar bed. Ik zal met Klaas dat +zaakje wel eris opknappen. Ga nou je spuit maar halen.” + +Koen en Piet waren naar hun zolderkamertje gevlogen en lagen daar uit +het venster te loeren. De boer was met de anderen ook weer naar binnen +gegaan. M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en liep wat heen en weer. +Klaas kwam ook nog niet gauw terug. Maar eindelijk kwam ie toch en de +jongens hoorden hem zeggen: + +„Asjeblieft m’nheer, hier heb je mijn geweer. Ik heb dat van vader. +Maar ik kon ’t zoo gauw niet vinden. ’t Mijne heb ik altijd zoo. Dat +hangt altijd boven me bed.” + +„Geef maar op Klaas,” hoorden de jongens m’nheer Bruggemans zeggen. „Is +’t geladen?” + +„Nou en of!” + +Koen en Piet zagen dadelijk daarop het vuurpuntje van de sigaar +opgloeien. M’nheer Bruggemans had zeker ’n hevige trek aan z’n sigaar +gedaan. Daarna hoorden ze Klaas vragen of ze geen lantaarn zouden +aansteken, waarop m’nheer Bruggemans antwoordde dat ie z’n +fietslantaarn bij zich had, maar dat ze die wel zouden aansteken als +het noodig mocht zijn. Ze moesten de zaak in de duisternis onderzoeken. + +„Nou,” fluisterde Koen, „dan mogen ze ook wel wat zachter praten, +anders hooren de boosdoeners toch alles.” + +En Piet zei daarop lachend maar ook heel zacht: + +„En die boosdoeners zitten veilig hier op zolder. Ga je mee naar +beneden?” + +„Naar beneden?” zei Koen verbaasd. „Ik moet naar bed jô!” + +„Maar we moeten toch eens gaan kijken wat ze uitvoeren. Verbeeld je dat +ze het koffertje vinden bij die paal.” + +„Zouen ze daarheen gaan?” + +„Welnee jô, ze blijven hier op het erf.” + +„Waarvoor zouden wij dan gaan kijken? Ik ga veel liever slapen ook.” + +„Ga jij dan maar slapen. Ik klim het raam uit.” + +„’t Raam uit? Hoe doe je dat? Je hebt het laddertje toch niet laten +staan?” + +„Nee, ’t laddertje is er niet. Dan kreeg ik van vader op me kop. Ik +weet er wel wat anders op.” + +Hij haalde ’n touw ergens vandaan. Koen begreep dat ie dat expres voor +dat doel daar had geborgen, maar Piet legde hem uit dat z’n broers, +vooral Klaas, daarvan vroeger ’s winters gebruik maakten, wanneer ze ’s +nachts zonder dat vader het wist gingen stroopen. + +„Doen ze dat ’s nachts ook al?” vroeg Koen. + +„Met de lichtbak,” zei Piet. „Vader wil niet hebben dat ze er ’s nachts +op uit gaan, maar ze doen ’t toch wel es. En dan moeten ze hieruit, +want vader sluit de deuren zelf en dan neemt ie de sleutels mee.” + +Koen vond zoo’n klimpartij aan ’n touw toch wel leuk en ofschoon hij +wist dat z’n vader het wel heel niet zou goedkeuren, ging ie toch maar +langs het touw naar beneden. Piet was al voorgegaan en samen slopen ze +nu langs het achterhuis naar het voortuintje. Als m’nheer Bruggemans +die tuin ingegaan was met Klaas dan moest ie al heel gauw ontdekken dat +z’n geweer er ’n beetje raar uitzag, want de lamp brandde nog in de +voorkamer waar mevrouw Bruggemans nog zat te lezen. De jongens konden +uit hun schuilplaats tusschen een paar struiken net in de kamer zien. +Er was niemand als Koen z’n moeder die heel stil telkens ’n blad van +haar boek omsloeg. De twee nachtwakers waren zeker de andere kant +opgegaan en nu wachtten de jongens geduldig tot ze terug zouden komen +van hun ronde. Piet had wel eerst naar de telefoonpaal gewild maar Koen +had het afgeraden. Je kon nooit weten of ze die kant niet ’n eindje +waren opgeloopen en als ze hen ontdekten liep het mis. + +Eindelijk hoorden ze stemmen. M’nheer Bruggemans praatte voor ’n +schildwacht veel te luid en de jongens kropen een beetje verder onder +de struiken toen de stem al duidelijker werd. Klaas konden ze niet zoo +goed hooren. Die sprak wat zachter. Maar die was ook meer ’s nachts er +op uit geweest en die wist dat je in den nacht ’n stem heel ver hooren +kunt. M’nheer Bruggemans konden ze heel duidelijk verstaan. + +„Drommels,” zei m’nheer Bruggemans, „m’n vrouw is warempel nog op. Die +vergeet altijd de klok als ze zit te lezen. Klaas ik zal haar even gaan +zeggen dat het al over tienen is.” + +„Nou komt ie met z’n geweer in ’t licht,” fluisterde Piet, „zal je wat +beleven.” Ze loerden samen door de blaren en zagen m’nheer met Klaas de +tuin in loopen. „Daar heb je ’t al,” zei Koen. „Klaas merkt ’t.” + +Klaas was plotseling in het smalle paadje blijven staan en gaapte z’n +geweer aan of tenminste dat gedeelte van het geweer dat zichtbaar +gebleven was. + +„Wat heb je?” vroeg m’nheer Bruggemans zich omkeerend. „Wat kijk je +beteuterd. Waar kijk je zoo naar?” + +Maar de jongens hoorden geen antwoord van Klaas. Die scheen zoo +verbouwereerd dat ie geen woord kon uitbrengen. M’nheer Bruggemans keek +Klaas aan en begon toen zichzelf ook eens te bekijken en hij keek +natuurlijk het eerst naar z’n rechterbeen omdat ie dacht dat Klaas daar +wat aan zag. Doch m’nheer Bruggemans had nog nergens erg in, want hij +droeg het geweer aan de riem. + +„Wat is er toch met me?” vroeg m’nheer Bruggemans nog eens. Terwijl hij +dat zei nam hij zonder er bij te denken het geweer van z’n schouder en +toen zag hij het natuurlijk ook. + +„Lieve hemel,” zei m’nheer Bruggemans, „wat ’s dat voor ’n ding. Ik heb +de kolf verloren!” + +Doch ’n oogenblik later zag hij dat de draagriem nergens meer aan vast +zat en toch net deed of er wat aan hing. + +„’t Is half weg.” zei Klaas opeens. „M’nheer ze hebben onderweg het +geweer half onzichtbaar gemaakt.” + +M’nheer Bruggemans betastte het heele geweer en merkte dat het nog +heelemaal aanwezig was, maar dat je het gedeelte dat van hout gemaakt +was niet meer zien kon. Voelen kon je het daarentegen net als altijd. +Ook merkte hij nu dat het metaal onder aan de kolf nog wèl zichtbaar +was en hij zag ook de schroeven. + +„Da’s ’n gekke geschiedenis,” prevelde m’nheer, zoo zacht dat de twee +in de struiken het ternauwernood konden hooren. En daarna zei hij wat +luider: + +„Heb jij dat geweer boven je bed vandaan gehaald?” + +„Ja m’nheer en toen was het er nog heelemaal.” + +„Het is er nu ook nog heelemaal. Maar heb jij het heelemaal gezien?” + +„Ik heb het heel niet gezien,” zei Klaas. „Ik heb het in de donker maar +zoo meegepakt.” + +„Dan kan het wel vroeger onzichtbaar gemaakt zijn,” zei m’nheer. +„Onderweg kan het onmogelijk gebeurd zijn. Ik heb niks gevoeld. Laten +we even in huis gaan bij m’n vrouw. Ik moet dat geweer eens wat +nauwkeuriger bekijken.” + +Ze gingen samen naar binnen en toen trok Piet Koen mee. + +„Waar ga je heen?” fluisterde die. + +„Kijken,” fluisterde Piet terug. + +„Dan zien ze ons.” + +„Nee, ga maar mee.” + +Piet ging vooruit en zoo slopen ze als ’n paar inbrekers langs het huis +tot ze bijna bij het open venster waren waarachter mevrouw Bruggemans +had zitten lezen. Toen bukte Piet en zat ’n oogenblik later onder het +venster met Koen naast zich. Als er iemand in de kamer z’n hoofd naar +buiten gestoken had zou hij onmiddellijk de jongens hebben kunnen zien. +Maar daarbinnen hadden ze het zoo druk met het half onzichtbare geweer +dat niemand er aan dacht naar buiten te zien en bovendien dachten ze +geen van drieën in de verste verte aan Koen of Piet, net zoomin als dat +ze vermoeden konden, dat die twee jongens meer wisten van dat +geheimzinnige onzichtbaar worden dan zij met hun allen. + +Koen hoorde z’n moeder allerlei uitroepen doen van verbazing, hij +hoorde Klaas nu en dan wat mompelen dat ie niet verstaan kon en hij +hoorde z’n vader volhouden dat er die dag iemand in de boerderij moest +geweest zijn die het geweer gedeeltelijk onzichtbaar gemaakt had. +M’nheer hield verder vol dat die man of wat het dan ook mocht geweest +zijn, bepaald in z’n werk gestoord was anders had ie het geweer wel +heelemaal onzichtbaar gemaakt. + +Weer kreeg Koen groote lust op te staan en aan z’n vader alles te +vertellen. Maar hij deed het toch weer niet, want Piet trok hem aan z’n +mouw en sloop weg. Koen volgde. + +„Nou moeten we gauw naar de telefoonpaal,” fluisterde Piet toen ze weer +veilig ’n hoek van het huis om waren. + +„Goed,” antwoordde Koen, maar hij had er niet veel zin in. + +Ze slopen om het huis heen en wilden juist in de struiken kruipen toen +Klaas als ’n donkere schim van de tegenovergestelde kant kwam. De +jongens stonden plotseling doodstil. Geen vin verroerden ze meer. +Wachten tot Klaas weg was, dat was alles wat ze te doen hadden. Ze +hielden de adem in, Klaas kwam dichterbij. Nu was ie geen vier stappen +meer van hen af. Nog ’n paar seconden, dan was ie voorbij. Opeens +scheen Klaas zich te bedenken. Hij stond stil. Koen kreeg ’n gevoel in +z’n keel of hij hoesten moest en hij kneep z’n lippen stijf op elkaar. +Z’n oogen wendde hij niet van de donkere schaduw af die Klaas was. Soms +zag hij hem heel duidelijk, doch dan opeens leek de heele Klaas wel +verdwenen, was alles gelijk zwart. Tot Klaas weer ’n beweging maakte, +dan zag ie ’m weer duidelijk. + +Wat duurde dat lang! Waarom talmde die Klaas daar nou zoo lang? Koen +kon bijna niet meer stil staan. + +Dat duurde zoo nog ’n heele tijd. Hoe lang dat wist Koen niet. Maar ’t +leek heel erg lang. En toen ging Klaas opeens zitten op ’n omgekeerde +tobbe die daar stond. Piet stiet Koen zacht aan. Dat beteekende zeker +dat ie zich nog stiller moest houden dan ie al deed. Koen vond het +alles behalve lollig. Klaas zat daar vlak voor hen met het geweer dwars +op z’n knieën. Ze konden nu niet meer weg. En als Klaas zoo zitten +bleef, moesten zij daar blijven staan en als het dan zoo meteen dag +werd waren ze er gloeiend bij. Nee, het was geen aangename positie. + +Opeens trok Piet hem weer aan z’n mouw en toen kwam Piet met z’n hoofd +heel dicht bij Koen z’n oor en Koen hoorde Piet fluisteren: „Hij maft.” + +Meteen verdween Piet onhoorbaar tusschen de struiken en Koen was er +gauw bij om hetzelfde te doen. + +’n Oogenblik later stonden ze op de weg en gingen ze voorzichtig naar +de paal. Ze wisten precies waar die stond en bovendien hoorden ze boven +zich het gezoem van de twee draden die altijd ’n liedje zongen als er +’n beetje wind was. Maar het was zoo pikkedonker dat ze van de paal +geen steek konden zien. + +„Hier heb ik ’m,” fluisterde Piet. + +„Ik voel ’m ook,” zei Koen. + +„Hij zal nou wel heel onzichtbaar zijn,” meende Piet. „De machine heeft +nu minstens twee uur gewerkt.” + +„Denk ik ook wel,” zei Koen. + +„Zeg,” fluisterde Piet, „da’s ook wat... ik voel de machine nergens, +voel jij es”. + +„Ik voel niks,” zei Koen. „’t Heele ding is weg.” + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + Waarin mijnheer Bruggemans met de verdwijn-machine begint te werken + en de boer en de boerin iets onmogelijks zien. + + +Zwijgend waren ze naar de boerderij teruggekeerd en langs het touw +hadden ze veilig hun zolderkamertje bereikt. Onder het uitkleeden had +Piet nog gezegd: „’t Is gestolen.” + +En Koen had geantwoord: „We hadden het daar niet zoo alleen moeten +laten staan. ’t Was stom.” + +Toen lagen ze allebei onder de wol en vergaten het heele kistje. Ze +hadden slaap. + +Klaas zat nog altijd op de omgekeerde tobbe te slapen met het geweer +dwars op z’n knieën. + +De eenige die nog op was en klaar wakker, dat was m’nheer Bruggemans en +die zat in de voorkamer bij het tuintje met de luiken dicht vlak bij de +tafel waarboven de petroleumlamp brandde en voor hem stond het leeren +koffertje met de verdwijn-machine van professor Wells en m’nheer zat +aandachtig te lezen in de papieren die Koen maar met moeite en ten +deele had kunnen ontcijferen. M’nheer Bruggemans had er niet zooveel +moeite mee als Koen. Hij las dat engelsch net zoo gemakkelijk als +hollandsch. + +M’nheer Bruggemans was met z’n fietslantaarn er op uitgetrokken toen +Klaas op de tobbe zat en de twee jongens daar zoo doodstil onder de +struiken stonden. Hij had het half onzichtbare geweer maar thuis +gelaten en toen hij eenmaal het tuintje uit was had ie het in z’n hoofd +gekregen de lantaarn aan te steken. + +Hij vond het wel wat erg donker en je kon nooit weten of die +geheimzinnige baas met de machine van professor Wells niet om de +boerderij rondsloop. Met het licht van z’n lantaarn wilde hij wel eens +de omtrek verkennen. Het was ’n sterke lantaarn die ’n heel eind de +omtrek verlichtte. Toen de lantaarn aan was voelde m’nheer Bruggemans +zich wel zoo op z’n gemak. Hij liet de lichtbundel voor zich uit langs +de weg spelen en kon wel twee honderd meter ver alles duidelijk +onderscheiden. Als ’n zoeklicht gleed de dikke lichtkegel eerst langs +de weg en daarna aan weerskanten over het veld. De lichtstralen raakten +de telefoondraden en toen werd mijnheer Bruggemans aandacht getrokken +naar de witte porceleinen isolators die op hun gegalvaniseerd ijzeren +stangen aan de paal waren bevestigd. Natuurlijk moest toen ook de +fietslantaarn de paal zichtbaar maken maar tot m’nheer Bruggemans +groote verwondering was er geen paal te bekennen. Toch liepen de draden +met ’n bocht omhoog naar de porceleinen dingen, die in de lucht leken +te hangen. + +„Hé!” mompelde m’nheer Bruggemans en met groote stappen beende hij de +weg op tot ie met z’n neus haast tegen de onzichtbare paal aan liep. +Hij stak de hand uit en bevoelde de paal. Die was er. Maar zien kon je +er niets meer van. Het ijzeren plaatje met het nummer scheen daar boven +m’nheer Bruggemans hoofd in de lucht te zweven en nog wat hooger deden +de isolators hetzelfde. Maar het malste was dat je nu ook ’n gat in de +grond zag, ’n diep gat. Ook dat stuk van de telefoonpaal was +onzichtbaar geworden. Doch toen zag m’nheer Bruggemans ook de roode +knop en het touwtje waarmee Piet de knop tegen de paal gebonden had. En +natuurlijk ook het koffertje met het kistje erin. + +In ’n ommezien zat m’nheer Bruggemans op z’n knieën en bekeek met z’n +neus bijna op het koffertje aandachtig het heele toestel. Z’n lantaarn +verlichtte nu enkel nog het kleine plekje op de grond waar het +koffertje stond. + +Na eenige oogenblikken richtte m’nheer Bruggemans zich ’n beetje op +liet het licht van z’n lantaarn de heele omtrek nauwkeurig langzaam +afspeuren. Hij bemerkte blijkbaar niets dat op onraad leek. Daarna +bukte hij zich weer over het koffertje, haalde ’n nagelschaartje uit +z’n vestzak en knipte voorzichtig het touw door waarmee de roode knop +tegen de paal gebonden was. Nog voorzichtiger plaatste hij de knop in +het kistje, alsof hij bang was dat het ding hem oogenblikkelijk +onzichtbaar zou maken. Toen blies hij z’n lantaarn uit, nam het +koffertje bij het hengsel en m’nheer Bruggemans draafde er bijna mee +naar huis. + +Voor de deur die op ’n kier stond, trok hij z’n schoenen uit, stapte +onhoorbaar naar binnen en keek om de hoek van de deur of hij mevrouw +Bruggemans ook nog zag. Die was echter al naar bed en toen sloot +m’nheer Bruggemans de deur van de slaapkamer, ging weer naar buiten en +sloot de luiken. + +„Ziezoo,” prevelde m’nheer Bruggemans, „nu zullen we eens zien wat we +daar opgedaan hebben. Het is bepaald het wondermachien van die +professor en degeen die het daar bij de paal gezet heeft zal wel raar +opkijken als ie terugkomt om z’n machientje te halen.” + +Voorzichtig deed ie het koffertje weer open, nam het kistje er uit en +bekeek het nogeens nauwkeurig onder de lamp. Toen kreeg hij evenals +Koen de papieren in de gaten. + +„Ah!” zei m’nheer Bruggemans bijna hardop. „Papieren!” + +Een oogenblik later zat hij verdiept in de lectuur. En hij las al de +bladen achter elkaar door. Onder het lezen had ie verscheiden malen met +het hoofd geknikt alsof hij er alles van begreep en toen hij aan ’t +eind was, nam hij z’n notitieboekje en begon verschillende dingen uit +de papieren op te teekenen. + +„Ziezoo,” zei m’nheer Bruggemans in zichzelf, „nu weet ik er alles van. +Morgen schrijf ik weer aan die professor dat z’n uitvinding terecht is. +Maar eerst zal ik er zelf toch eens ’n paar proeven mee nemen. Het is +haast te wonderlijk om het te gelooven en als ik die haan en dat geweer +en nu die telefoonpaal weer niet zelf onder m’n neus gehad had, zou ik +er om lachen.” + +Hij zat ’n oogenblik in gedachten en keek onderzoekend de kamer rond. +Hij was nieuwsgierig om te weten hoe ’t in z’n werk ging en zocht nu +naar iets waarop hij de kracht van de machine zou kunnen beproeven. Wat +zou hij nemen? ’n Oogenblik keek hij naar ’n vaasje op de +schoorsteenmantel. Maar als dat onzichtbaar werd zouden ze het dadelijk +missen en m’nheer Bruggemans was niet van plan aan iemand anders dan +aan professor Wells iets van het vinden der machine te vertellen. Hij +had besloten de zaak geheim te houden, zelfs tegenover mevrouw +Bruggemans. Als hij er niemand iets van meedeelde, kreeg hij ook geen +last met de dieven, die ’t bij de paal gezet hadden en geen vervelende +drukte met de politie. Hoofdzaak was, dat Professor Wells z’n kistje +terugkreeg en daar zou hij voor zorgen. + +Zoo dacht m’nheer Bruggemans erover en toen besloot hij maar iets +onzichtbaar te maken, dat hij in z’n zak kon bewaren. Dan merkte +niemand er iets van en hij had toch aan z’n nieuwsgierigheid voldaan. +Hij voelde in z’n zak en het eerste voorwerp dat hij aanraakte leek hem +al heel geschikt voor de proef. Het was ’n barnsteenen sigarenpijp. +M’nheer Bruggemans legde de pijp voor zich op tafel en begon de +bewerking zooals hij die gelezen had in de papieren uit het koffertje. + +Het kwam precies allemaal uit zooals het in die papieren stond en de +pijp was binnen vijf minuten onzichtbaar. Toen was m’nheer Bruggemans +tevreden. Hij deed het kistje met de papieren weer in het koffertje en +daarna deed hij na eenig nadenken hetzelfde wat Koen en Piet gedaan +hadden. Hij verstopte het koffertje van professor Wells in ’n +kleerenkoffer. + +M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en rookte die uit z’n onzichtbare +pijp. Hij vond het toch buitengewoon. Z’n sigaar scheen ’n eindje voor +z’n mond in de lucht te zweven en als hij ’n trekje deed zag hij ’n dun +rookstreepje. Dat pijpje was ’n wonderding, dat ie zuinig zou bewaren. +Wat zouden z’n kennissen in de stad daar gek van opkijken als hij op +die manier ’n sigaar zat te rooken. + +Slaap had m’nheer Bruggemans heelemaal niet. Hij zat te denken over de +uitvinding van professor Wells en hij keek zoo af en toe eens in z’n +notitieboekje, waarin hij aanteekeningen gemaakt had uit de papieren in +het koffertje. „Sjonge, sjonge,” dacht m’nheer Bruggemans, „je kan er +alles mee onzichtbaar maken... En met die andere machine die hij ook +heeft uitgevonden kan je daarna de dingen weer zichtbaar maken ook. Als +ik die andere machine ook had zou ik het wel eens willen probeeren met +mezelf. Het moet toch verbazend leuk zijn als je onzichtbaar rondloopen +kon. Kom, ik schrijf nog maar dadelijk aan die professor in Yale. Die +man zal blij zijn met mijn brief.” + +M’nheer Bruggemans ging aan ’t pennen en schreef door tot het heele vel +papier vol was. Hij had de professor alles meegedeeld, hoe hij het +koffertje gevonden had en dat ie zoo vrij geweest was de papieren eens +door te lezen. Dat ie daarna ’n sigarenpijp onzichtbaar gemaakt had, +maar hij schreef ook dat er al ’n onzichtbare haan op het boerenerf +rondliep en dat er ’n onzichtbare telefoonpaal aan de weg stond. +Degenen die het kistje voor hem in bezit gehad hadden waren er dus ook +al mee aan ’t werk geweest en m’nheer Bruggemans schreef dat het +vermoedelijk de dieven waren die het kistje gestolen hadden, maar dat +het nu veilig in ’n koffer opgeborgen was en dat hij het veilig zou +bewaren tot de eigenaar het terug kwam halen. + +„Ziezoo, morgen vroeg gaat die brief op de post en dan heeft hij ’m +over acht dagen.” + +M’nheer Bruggemans deed de brief in ’n envelop, schreef er het adres op +en stak hem in z’n portefeuille. Daarna blies hij de lamp uit en ging +naar bed. + +Toen Piet en Koen wakker werden liepen de kippen al over het erf en had +de onzichtbare witte al ’n paar keeren z’n zwarte tegenstander bij de +kam gehad. + +De jongens hadden zich ’n beetje verslapen. Op ’n andere tijd zou +vader, Klaas of iemand anders gestuurd hebben om Piet uit bed te +trommelen, want verslapen was iets waar vader niet van hield. Er was ’n +tijd van opstaan en aan ’t werk gaan en daar had ieder op de boerderij +zich maar aan te houden. Doch die morgen was Klaas half uitgeslapen op +z’n omgekeerde tobbe wakker geworden en herinnerde zich dadelijk alles +van de vorige avond. Toen was ie gauw om het huis heen geloopen en vond +daar de voordeur open, die m’nheer vergeten had te sluiten, en het half +onzichtbare geweer tegen de muur in de gang. Deuren openlaten is iets +verschrikkelijks bij de boeren. Overdag mag je open laten wat je wil, +maar als je naar bed gaat, moet alles potdicht. + +Klaas bedacht gauw dat ie van die open voordeur maar niks aan vader zou +zeggen, want dan kreeg hij natuurlijk op z’n kop. Ook zou ie ’t maar +verzwijgen dat ie bijna de heele nacht had zitten slapen op de tobbe. +Dat wist toch geen mensch dacht ie. Maar het rare geweer nam ie mee en +toen hij weer bij het achterhuis kwam, hoorde hij al gestommel binnen. +De lui waren dus op. + +Klaas ging naar binnen en ’t eerste wat ie deed was z’n vader, z’n +moeder, z’n broer en Mie het geweer onder de neus te houden. En die +keken mal! + +„Wa’s dat nou weer?” informeerde moeder. + +En Klaas legde haar uit dat het zijn geweer was. + +Vader betastte het en Dirk de andere broer ook. Maar moeder wou het +voor geen geld aanraken en Mie deed het toen ook maar niet. Klaas deed +onderhand ’n omstandig verhaal van z’n wacht, dat ie niks verdachts +gezien of gehoord had en dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan +was. + +Toen ie zoover was, kwamen Koen en Piet binnen. Ze zeiden maar +niemendal. Dat was het veiligst en ze snapten al gauw dat Klaas althans +van het koffertje niets afwist. Ze bekeken het rare geweer alsof ze het +nooit van hun leven gezien hadden en Piet deed zoo verbaasd als ie maar +kon. Zoo ’n huichelaar! Niemand had dan ook het minste argwaan tegen +die twee. + +Klaas sprak niet van de onzichtbare telefoonpaal. Hij scheen daar dus +ook niets van te weten. Als je uit het venster van de kamer keek kon je +die paal net nog boven ’n paar appelboomen uit zien steken. Koen en +Piet hadden dat tersluiks al gedaan. Ze zagen de draden en de witte +porceleinen potten in de lucht hangen, doch de anderen hadden het zoo +druk over het geweer en Klaas z’n wachthouderij dat ze niet een enkele +keer het venster uitkeken. Als ze het gedaan hadden zouden ze misschien +toch de paal niet dadelijk gemist hebben. Dingen die je altijd voor je +neus hebt staan, zie je niet meer en je mist ze ook niet onmiddellijk +als ze weg zijn. + +Terwijl de oudere jongens de melkemmers opnamen om te gaan melken in +het weiland dat het verst van de boerderij lag, stonden Piet en Koen al +op vader te wachten die altijd zelf de koeien molk die dichtbij liepen +in ’n stuk land in de buurt van de telefoonpaal. Piet molk al mee en +Koen stond er gewoonlijk bij te kijken. Hij had dat melken ook al eens +geprobeerd, maar dat was hem niet erg meegevallen. Vooreerst had ie ’t +al niet erg lekker gevonden dat je zoo met je hoofd tegen zoo’n koeien +lijf zat en toen de koe hem ’n oogenblik later tot groot vermaak van +Piet ondersteboven gooide had Koen het melken maar voor goed opgegeven. +Toch ging hij iedere morgen graag mee en nu ze langs die onzichtbare +paal moesten deed ie ’t nog liever. Dat kon goed worden. + +Als de boeren ’s morgens gaan melken hoor je wel het geklos van hun +klompen zoolang ze nog niet in ’t zachte gras loopen en het gerinkel +van de emmers aan de kettingen van het juk. Maar praten hoor je de +boeren zelden. Ze hebben elkaar niet veel te vertellen en misschien +zijn ze ook nog niet heelemaal goed wakker. Vader liep ook zwijgend +vooruit, puffend aan z’n pijp. De blauwe rookwolken krinkelden boven +z’n pet uit. Piet droeg het juk met de emmers. Als ze vol waren droeg +vader ze zelf. Piet en Koen waren vol aandacht voor de boer die +zwijgend en dampend voor hen uitliep. Hij naderde hoe langer hoe meer +de paal. Nou moest ie ’t toch gauw merken dat ’t ding weg was. Maar tot +groote verwondering van Koen en Piet stapte de boer de onzichtbare paal +voorbij zonder op te kijken. + +„Wa’s dat nou?” zei Koen zacht. „Hij ziet het niet!” + +„Wacht maar even” zei Piet even zacht. + +Vlak voor de paal bleef Piet staan en Koen natuurlijk ook. Piet keek +aandachtig in de lucht. De boer liep door. + +„Vader!” + +De boer draaide zich om. + +„Nou? Kom, vort!” + +Kom vort beteekende: kom vooruit, maar Piet kwam niet, keek aldoor in +de lucht. + +„Wat sta je te kijken?” + +„De paal!” zei Piet. + +„Paal?” + +De boer kwam met groote stappen terug. Hij begreep wat er aan de hand +was. + +„De paal is weg,” zei Piet. + +„Hij staat er nog,” zei Koen, „maar hij is onzichtbaar.” + +„Dat bedoel ik ook,” zei Piet weer. + +„Te deksel,” mompelde de boer, „’t wordt erg. Piet ga je moeder +roepen.” + +„Moeten we eerst niet gaan melken?” vroeg Piet. + +„Doe wat ik je zeg, ga je moeder halen.” + +Piet holde weg en ’n oogenblik later kwam ie alweer aanhollen, terwijl +de boerin ’n beetje langzamer achter hem aankwam. Maar dat ze zich +haastte, kon je wel zien. Ze droogde d’r handen aan haar voorschoot af +onder het loopen. + +Toen ze bij de paal stond, ze stonden er met hun vieren omheen, +herhaalde de boer nog eens: „’t Wordt te erg.” + +En de boerin zei haast huilend: „Als ’t zoo door gaat, is er over ’n +week niks meer.” + +Piet streek eens met z’n hand langs de onzichtbare paal en zei: „Je kan +’m alleen maar niet meer zien, maar anders is ie nog net als vroeger. +Voel zelf maar.” + +Doch de boerin had er geen zin in, maar de boer pakte resoluut de paal +beet. + +„Piet heeft gelijk moeder,” zei de boer en toen zei Piet weer: + +„Kijk maar moeder ik kan er in klimmen,” en hij begon ook meteen maar. + +Koen zag hem omhoog gaan en dat leek ’m nou net iets om na te doen. +Klimmen in ’n paal die je niet zag. Hij deed het meteen. + +De boer en z’n vrouw zagen met sprakelooze verbazing de jongens omhoog +gaan langs niemendal. ’t Was zoo’n gek gezicht, dat ze geen van tweeën +’n woord konden uitbrengen. + +Toen liet Koen zich naar beneden glijden en Piet kwam vlak achter hem +aan. De boerin gaf ’n gil en de boer zei: „Hè!” Maar Piet en Koen +lachten allebei. + +„Dat moest vader zien,” zei Koen, „maar hij is nog niet op.” + +„Kom,” zei de boer, „de koeien staan al te wachten.” + +„Ik kan niet zeggen hoe akelig ik het vind” zei de boerin. „Ik blijf +hier geen dag meer. ’t Was net of die jongens zoo maar uit de lucht +kwamen vallen.” + +De boer gaf daar geen antwoord op. Hij stak z’n pijp aan en Piet nam de +melkemmers weer op. De boer marcheerde zwijgend naar het weiland en +liet de vrouw gewoon staan. Maar die bleef daar niet. Ze maakte +rechtsomkeert en liep haastig naar huis terug. + +Piet molk zwijgend ’n paar koeien. Hij was er nog niet zoo vlug mee als +vader of de oudere broers. De boer molk er in dezelfde tijd wel vier. +Maar die zei onder het werk óók niemendal. Bij dat werk werd nooit +gepraat. Alleen hoorde Koen die in de buurt wat rondscharrelde zoo nu +en dan de stem van de boer of van Piet als die grommig wat riepen tegen +de koe die niet rustig wou blijven. Koen liep te denken over het +verdwijnen van de verdwijn-machine. Wie zou dat ding op de kop getikt +hebben? Het was toch wel heel toevallig dat er net iemand langs die +telefoonpaal moest komen en nog wel in de donker dat koffertje moest +ontdekken. Als z’n vader met Klaas het gevonden hadden, dan was het +begrijpelijk. Maar Klaas had van het koffertje niet gerept en van de +onzichtbare telefoonpaal wist ie ook niets af. En Klaas had nog gezegd +dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was. Dat hadden ze net +nog gehoord toen ze die morgen de kamer binnenkwamen. Koen z’n vader +had het dus ook niet ontdekt zonder dat Klaas er bij was. Misschien had +’n voorbijkomende fietser het bij het licht van z’n fietslantaarn in de +gaten gekregen. Wie weet. Maar in ieder geval waren ze ’t kwijt en +professor Wells kreeg het nu misschien nooit terug. En opnieuw had Koen +spijt dat ie zich telkens door Piet had laten overhalen om er z’n vader +voorloopig niets van te vertellen. Hij kon niet ontkennen dat het nu +zijn schuld was als de eigenaar het nooit meer terugzag. Piet had ook +meegedaan, dat was waar, maar hij had het gevonden en hij had daarvan +dadelijk kennis moeten geven aan z’n vader. Nu was het evenwel te laat. +Er was niets meer aan te doen. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n + onzichtbaar varken ziet. + + +Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was +iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren. + +„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader +zoo vroeg al in het tuintje zag zitten. + +„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die +telefoonpaal.” + +Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder +terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de +onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, +alleen maar wat om de boerin gerust te stellen. + +„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk. + +M’nheer Bruggemans knikte. + +„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend. + +„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht +geweest zijn.” + +„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet. + +„Dat wil ik graag gelooven.” + +„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen. + +„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.” + +„Gaat u fietsen?” + +„Even ’n boodschap.” + +Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief +aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer +en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. +Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t +ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de +boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei +niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen +gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, +wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de +wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte. + +Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die +akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je op +klaarlichten dag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar +zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was. + +En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer +Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld +was. + +M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij +zei niemendal meer en stak ’n sigaar op. + +De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer +Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet +lagen op ’n afstand in het gras achter de heg. + +M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien +’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare +sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna +hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens +blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij +z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje +haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van +die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en +er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er +uit hebben, want dat kon je zien. + +De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans +met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. +Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, +want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden +goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van +rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie de +verdwijn-machine mee genomen had. + +Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord +te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet. + +„Je vader heit ’m.” + +„Ja,” zei Koen, „blij toe.” + +„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.” + +„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.” + +„Stom van ’m.... maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die +er niks van zeggen?” + +„Weet ik niet.” + +„Waar zou die ’m bewaren?” + +„Weet ik ook niet.” + +„Moeten we es afloere.” + +„Afloeren?” + +Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m +wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren. + +„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb +ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor +die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, +zal je zien.” + +„Zou die d’r nou niks meer mee doen?” + +„Weet ik niet. Ik denk van niet.” + +Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. +Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder +’t gaan zei Piet: + +„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die +pijp.” + +„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens +van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine +gehad hebben.” + +Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze dadelijk mee naar de +roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen +hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te +denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens +naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, +brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet +langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden +voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook +gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de +pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren +kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op +hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n +middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg +uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter +zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de +stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de +anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het +zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend +heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal +groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze +uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer +melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen +en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke +roggemikboterhammen al weer te wachten en die smaakten Koen weer net +zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken. + +Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee +boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk +van de heele dag, de rogge thuis halen. + +Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. +Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen +stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en +Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg +zwaaiden... M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en +Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op +het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en +ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen +hun warme slaapplaats... Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in +het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen +als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar +de paar korreltjes die zij noodig hadden. + +De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de +Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien. + +Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd +meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over +dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de +boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed +ging nog even bij de familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of +ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren +van het achterhuis sekuur op slot. + +M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de +dahlia’s. + +Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat +opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond +dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om +ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie +nog ’n paar brieven te schrijven had. + +Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van +brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de +onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen. + +Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te +worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, +luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur +van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar +linnen pantoffels met touw-zoolen aan. + +Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje +kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken +toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde +om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin +sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde +daarbinnen. + +M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche +sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de +rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo +zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor +Wells terug. + +Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij +heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later +stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken +lag. + +Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de +boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet +te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand +in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de +landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs. + +’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n +verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus +merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans +had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n +neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en +bleef minstens ’n uur binnen. + +Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche +nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil +staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk. + +Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij had het benauwd gehad. +M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te +maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak +boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker +warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de +verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast +op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer +Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd +de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het +taai volgehouden tot ie niet meer kon. + +Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel +zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en +keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En +tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het +hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het +koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar +te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist +m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor +ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer +Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke +werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken +evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij +daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet. + +Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar bed gewild, maar ’t was net +of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook +eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat +luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk +ruiken en dan was ie toch verraden. + +„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik +laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het +merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.” + +Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om +uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t +donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed. + +De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het +waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen +maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom +werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, +begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten. + +M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het +eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. +Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was +bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig +naar het varken. + +M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk: + +„Je hebt je jas nog niet aan.” + +Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de +tuin laten liggen.” + +„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!” + +„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt +naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch +was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens +eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal +af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden +ze het wel niet ruiken. + +Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook +niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed +geluimd was, wat van het slechte slapen kwam. + +Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was +natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen +zou ’t wel weten. + +„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als +zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie. + +„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij +verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in +de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin +ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het +varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch +niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten. + +Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer +zei dat ie ’n eindje ging wandelen. Hij stapte het tuintje uit en +slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar +het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de +schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook +geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken +onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet. + +„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het +was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel +achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, +’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.” + +„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?” + +Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te +brengen. En de vrouw kwam achter hem aan. + +„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met +planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen +te knorren. + +„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het +zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder +gemaakt was. + +„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De +biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.” + +„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken +keek. + +De boerin ging weer naar het achterhuis en m’nheer Bruggemans wandelde +de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of +er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou +zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de +modder er af was, wat dan? + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er + de veldwachter bij te halen. + + +Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, +dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van +onder tot boven in de modder.” + +„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die +afvallen.” + +„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg +hier achter in het land.” + +„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin. + +„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?” + +Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat +ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok. + +De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten +stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n +varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n +zindelijke slaapplaats. + +Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen. + +Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg +wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. +Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken. + +Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders +te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten. + +Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de +rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug +hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking +als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan +bedoelden ze altijd maar die eene. + +„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet. + +„Is dat zooveel?” vroeg Koen. + +„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.” + +„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.” + +„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.” + +De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al +spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van +het malsche groen af. + +„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar +huis. + +„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet +slaapt.” + +Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt. + +En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, +op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t +hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in +het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo +zichtbaar als het altijd geweest was. + +Maar de volgende morgen was dat al anders. + +Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het +varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er +door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: +„ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin +goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen +Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan +anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n +wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen +stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven +varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder +maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t +slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por +van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die +kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen +en ze drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze +dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan +trachten ze gauw op dat plaatsje te komen. + +Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide +als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van +aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie +zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, +dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp. + +Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r +emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de +emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten +had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes +zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich +open. + +Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende +het achterhuis binnen. + +De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig +de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of +zooiets. + +„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie +en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit: + +„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!” + +„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?” + +Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze +knikte maar. Doch toen ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze +nog altijd hijgend: + +„’t Heeft nog maar drie pooten.” + +De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de +tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding. + +Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met +de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei: + +„En is ’t al dood?” + +„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de +biggen!” + +„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t +toch dood!” + +„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.” + +„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?” + +„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.” + +„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.” + +Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar +nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote +varken ’n eindje van de zeuning af in het gras. + +Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen +toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het +gebruik is nu ’n fijn dutje deed. + +„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien +klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten. + +„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde er onmiddellijk bij: +„Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.” + +Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker +geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die +nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook. + +Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en +toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te +huilen. + +„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en +’n halve kop, wat ’n akelig beest!” + +„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t +beest zat. + +„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin. + +Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen +naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo +heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag +dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot +kijken en in die halve kop. ’t Was net ’n varken dat van ’n dun laagje +modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en +daar waar de modder al afschilferde. + +„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij +zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk +thuis komen.” + +Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het +was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met +z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de +boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van +het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde +het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het +iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. +Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken +dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de +verdwijn-machine. + +De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten de rogge +in de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar +de boerderij. + +Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar +het land waar het varken was. + +Ze deden er niet lang over. + +Toen ze bij het varken stonden zei Piet: + +„Da’s gemeen van je vader, Koen. Van dat varken waar we mee naar de +tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met +een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?” + +Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar +varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te +doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe +beter. + +Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg: + +„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft +hoor.” + +Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer +Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van +zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als +je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n +rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je +om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar +zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was +ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan +onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar +hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan +had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer +Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook +wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest. + +Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat +het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n +vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders +kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen. + +Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook +vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt +hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis +uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet +tenminste ook z’n behoorlijke portie. + +Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de beurt van Piet om ’n +poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader +zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te +jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee +begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling +die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie +de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig +onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover +kwam. + +Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging. + +Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers +gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de +zaak te verzwijgen. + +„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer +dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.” + +„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet... Maar zouden jullie het niet +naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?” + +„Welnee jô... die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor +bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.” + +„Je houdt je mond hè?” + +„Ik beloof het je Koen.” + +Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet: + +„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als de haan en de +telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.” + +„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n +varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n +ramp.” + +Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man +verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer +was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de +landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en +hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man +ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het +tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen. + +„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m +in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.” + +’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot +en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat +het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om +dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer +had. + +De boeren keken het na en de vader zei: + +„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, +dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. +En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik +ga vanavond zelf naar de burgemeester. Het moet nou maar es uit zijn +met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.” + +Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het +varken aan liepen. + +Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester +en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles +onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar +had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader +geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van +alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog +bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, +het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan +dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester +staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie +maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan +tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie. + +Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug +beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken +en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden +toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak +af te kijken. + +Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar +toen het afgeloopen was had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar +stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat +alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. +De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken +bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele +beest heen kijken. + +Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker +dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder +gewoonte achter d’r aan. + +„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n +mirakels mispunt.” + +„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent +had, die ’t ’m gelapt heeft.” + +„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer, „en vraag of ie +dadelijk hier komt.” + +Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het +roggeveld. + +Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter +en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, +maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks +zouen vragen. + +„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.” + +„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af +wist. Maar zoo slim is ie niet.” + +„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar +het veld.” + +„Wat ga jij dan doen?” + +„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag +komt.” + +„O,... ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.” + +„Da’s goed.” + +Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee +jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de +jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij +het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het +hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem +gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en +mevrouw Bruggemans knikte eens en zei: + +„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. +Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt +het zeker ook wel naar hè?” + +Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend +gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige +jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om +het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij +vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de +tentoonstelling konden. + +Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe +langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter +gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan +aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles +hooren. Want die ging het toch het meest aan. + +M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed gehoord, want hij riep +Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele +historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering +van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te +lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij +kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om. + +Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van +de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te +kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet +eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij +aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, +die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie +toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet. + +„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij +dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen +moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de +andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem +geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar +willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht. + +„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar +als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r +gloeiend bij.” + +„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen. + +„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.” + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + Waarin de veldwachter rare dingen beleeft, de burgemeester + ongeloovig blijkt en de dorpelingen op onderzoek uitgaan, waarbij + ze allemaal raar terecht komen. + + +De veldwachter had natuurlijk van het heele verhaal, dat Klaas hem +gedaan had, geen steek begrepen. De goeie man was wel niet zoo’n +buitengewone slimmerd maar hij liet zich dan toch maar zoo niet op +klaarlichten dag wijs maken, dat er onzichtbare varkens konden bestaan. +En dan nog wel ’n varken dat onzichtbaar werd waar je bijstond! ’t Was +zeker ’n mop van die boerenjongens die hem er eens tusschen wouen +nemen. Doch dan moesten ze vroeger opstaan. D’r was er in de heele +gemeente niet een glad genoeg, die hem d’r in liet vliegen. + +„Zoo, zoo,” zei de veldwachter lachend, „en is dat die groote zeug van +je vader?” + +„Ja die is het,” antwoordde Klaas. „En moeder is d’r heelemaal kapot +van.” + +„Dat wil ik wel gelooven,” zei de veldwachter nog altijd lachend. „Maar +weet jij wel Klaas dat het ’n strafbaar feit is als je bij de politie +met valsche aangiften aan boord komt?” + +„Valsche aangiften?” zei Klaas. „Denk jij dat ik je wat sta voor te +liegen? Ga dan maar dadelijk mee dan kan je het zelf zien. ’t Varken is +nog niet heelemaal onzichtbaar. D’r loopen nog ’n paar pooten van ’m in +’t land.” + +De veldwachter lachte opeens niet meer. Hij keek Klaas eens aan en vond +dat ie erg mal deed. Die arme jongen was bepaald stapelgek geworden. De +veldwachter knikte alsof ie ’t met zichzelf eens geworden was. Hij zou +Klaas naar huis brengen en dan konden ze de dokter laten komen. En daar +hij gelezen had, dat je zeer zachtzinnig met gekken moet omgaan, +besloot hij erg vriendelijk tegen hem te doen en hem maar gelijk te +geven al vertelde hij hem ook nog zulke dwaze dingen. + +Maar voor alle gebeurlijkheden stak hij de handboeien in z’n zak en +deed ie z’n sabel om. Je kon nooit weten. Klaas mocht onderweg eens +onverwachts ’n woeste bui krijgen. + +„Zoo Klaas,” zei hij toen hij even binnen geweest was om die dingen te +krijgen en z’n vrouw gezegd had wat ie ging doen, „dan ga ik maar +dadelijk met je mee. Ik wil dat onzichtbare varken toch ook wel es +zien.” + +„Nou,” antwoordde Klaas terwijl ze stevig doorstapten, terwijl de vrouw +van de veldwachter achter de gordijntjes van de voorkamer hen nakeek, +„misschien is d’r nog wel ’n stukkie van over als we d’r gauw bij zijn. +Laten we maar dadelijk naar ’t land gaan waar ’t varken loopt.” + +„Nee Klaas,” zei de veldwachter, „dat mot je nou es aan mij over laten. +We gaan eerst naar je huis. Ik moet je vader d’r eerst nog es over +spreken.” + +„Moet jij weten,” zei Klaas weer. „Maar as je niet gauw maakt dat je er +bij bent, is al ’t slik d’r af en dan is ’t varken niet meer te zien.” + +De veldwachter antwoordde maar niets. Op zoo’n onzin dee je maar beter +je mond te houen. Maar hij dacht: „Sjonge, sjonge, wat heit die Klaas +het te pakken. En wat is toch een mensch die ze niet meer alle vijf bij +mekaar heit!” Maar na ’n poosje zei ie: „Zeg Klaas zijn ze van jullie +niet in het roggeveld?” + +„Jawel,” antwoordde Klaas. + +„Nou, dan moesten we daar langs gaan. ’t Ligt toch bijna in onze weg. +We hoeven er om zoo te zeggen niks voor om te loopen.” + +„Mij goed,” zei Klaas. „Dan kan vader meteen met ons meegaan.” + +„De zaak marcheert boven verwachting,” dacht de veldwachter. „Ik heb ’t +er niks op begrepen om lang alleen met zoo’n jongen te loopen. Als ie +verkeerd wou, zat ik er leelijk mee. ’t Is ’n stevige knaap die Klaas +en ik zou de handen vol aan ’m hebben als ie verkeerd wou.” + +Ze liepen stevig door en kwamen tot groote opluchting van de +veldwachter binnen ’n paar minuten aan ’t roggeveld waar de boer en +Dirk stevig aan de arbeid waren. + +Toen ze de veldwachter met Klaas zagen aankomen, lieten ze ’t werk +rusten en de boer begon dadelijk: + +„Zoo veldwachter da’s aardig van je dâ je zoo dadelijk mee gekomen +bent. Ja man, d’r gebeuren hier rare dingen. Daar zal je van opkijken. +’t Begon met de witte haan en toen was de telefoonpaal weg. Maar dat +zal Klaas je al wel verteld hebben.” + +De opluchting die de veldwachter gevoeld had, toen ie op ’t roggeveld +kwam, was ineens weg. Hij kreeg het tamelijk benauwd. Die boer had het +nog erger te pakken dan Klaas. Die had alleen maar gesproken van het +groote varken. Maar nou moest je die boer hooren. + +„Ja, wat zal ik je zeggen,” zei de veldwachter. „Misschien was het ’t +beste dat ik er eerst de burgemeester van in kennis stelde, vindt je +ook niet?” + +De veldwachter dacht: „Als ik maar eerst hier vandaan ben.” + +Doch de boer antwoordde: + +„Nee veldwachter ga jij nou eerst mee, dan kan je ’t zelf verbaliseeren +voor ’t varken heelemaal weg is.” + +„Weet je wat,” dacht de veldwachter, „ik zal ’m z’n zin maar geven. +Tegen drie man ben ik toch niet opgewassen en als ’t heelemaal verkeerd +gaat, sla ik d’r met m’n lat op in.” + +Hij ging dus mee. + +Maar de boer nam hem niet dadelijk mee naar het land waar de zeug liep. +Hij ging eerst naar huis. + +Dat was wel niet erg naar de zin van de veldwachter, die zich +voorgenomen had zoo gauw mogelijk te maken, dat ie weg kwam. Doch er +was niets aan te doen, hij durfde niet weigeren. Hij hoopte nu maar dat +de boerin tenminste nog goed bij d’r verstand zou zijn. + +Maar dat viel hem niet mee. De boerin was volgens hem nog gekker dan de +rest. Ze begon ook al dadelijk over het varken en over de witte haan en +de telefoonpaal en de veldwachter was blij, toen m’nheer Bruggemans, +die hij ’n paar maal op het dorp gezien had, binnenkwam. Nu kreeg hij +in ieder geval hulp als ’t er op aankwam. + +Toen m’nheer Bruggemans z’n mond evenwel opendeed, vond de veldwachter +dat m’nheer Bruggemans het nog erger te pakken had dan de overigen. +M’nheer Bruggemans zat hem namelijk uit te leggen, dat die +verdwijningen heel natuurlijk waren en de veldwachter, die er geen kop +of staart aan kon vastmaken, zei maar aldoor: + +„Ja, dat zal wel,” of „daar heb je gelijk aan.” + +Maar het zweet van benauwdheid stond hem op z’n voorhoofd en nog nooit +had hij zoo vurig gewenscht ergens vandaan te komen. + +Om er ’n eind aan te maken, hij was vast van plan zoodra hij buiten +kwam gewoon op de vlucht te slaan, stelde hij maar voor, eens te gaan +kijken naar het varken en ze stonden allemaal haast tegelijk op om mee +te gaan. Met hun allen, m’nheer Bruggemans bleef ook niet achter, +liepen ze naar het land en de veldwachter zag geen kans aan z’n +voornemen om op de vlucht te gaan gevolg te geven, want ze omringden +hem alsof hij hun gevangene was. Tenminste dat dacht de veldwachter. +Piet en Koen waren ook al van de partij. + +De veldwachter meende, dat ie in ’t land ’n gewoon kompleet varken zou +te zien krijgen en dat al die gekken hem zouden trachten wijs te maken +dat ze het geen van allen zagen. Doch hij was nog nauwelijks het hek +door of hij bleef verschrikt en beteuterd staan. Hij zag duidelijk +dertien biggen, doch daarvoor liep één donkere varkenspoot. + +„Zie je ’t nou,” zei de boer. „D’r is nog één poot van zichtbaar omdat +er modder op zit.” + +De veldwachter veegde met z’n groote rooie zakdoek langs z’n gezicht. +Zoo iets raars had ie nog nooit gezien. Doch er kwam geen woord over +z’n lippen. Hij begon in te zien dat die menschen die hij allemaal voor +gek versleten had, volkomen bij hun verstand waren. Maar wat ie daar +voor z’n neus zag, dat was nog erger dan ’n heel huis vol gekken. Wie +had daar nou ooit van gehoord, dat je op klaarlichten dag in ’n wei ’n +varkenspoot zou zien loopen met dertien biggen. En dan wou die stadsche +m’nheer ’m nog wijsmaken dat het de natuurlijkste zaak van de wereld +was en dat de een of ander het gedaan had met ’n verdwijn-machine. + +„M’nheer,” zei de veldwachter eindelijk, „je mag praten wat je wilt, +maar ik vind het de onnatuurlijkste zaak die je maar bedenken kunt. En +van je verdwijn-machine geloof ik geen steek. Weet je wat ik vind? Ik +vind het rechtaf akelig. En ik geloof heelemaal niet dat aan die poot +nog meer van ’n varken zit.” + +„Maar dat heb je dan toch leelijk mis,” zei de boer. „Ik zal je +dadelijk overtuigen. Piet breng jij de zeug es hier.” + +Piet en Koen gingen naar de poot en ’n oogenblik later had Piet het +touw vast dat aan ’n onzichtbare achterpoot gebonden was. Dat touw had +de veldwachter nog heelemaal niet gezien omdat het tusschen het gras +lag. De zeug liet zich gewillig door Piet en Koen voortdrijven, want +het beest was erg mak. Alleen de biggen holden weer weg. Even later +stonden ze allemaal om het varken heen en de veldwachter kon nu zelf +voelen dat de zeug werkelijk bestond. Eerst was hij ’n beetje huiverig +om ’t beest aan te raken, maar toen de anderen het ook deden, vermande +hij zich. + +„’t Is warempel ’n heel varken,” prevelde hij, „’n compleet varken, +maar je ziet er geen spat van. En jullie zegt dat je zoo’n haan ook +hebt en dat die telefoonpaal ook zoo is? Dat wil ik dan ook wel eris +constateeren, want ik moet het dadelijk aan de burgemeester +rapporteeren.” + +„Dat kan,” zei de boer, „ga maar mee.” + +Ze lieten hem de onzichtbare haan betasten die Piet voor hem ving en +daarna gingen ze in optocht naar de paal. + +„Sjonge, sjonge, daar heb ik niet van terug hoor,” verklaarde de +veldwachter. „En wat denken jullie nou te doen? Want neem me niet +kwalijk, maar volgens mij kan dat zoo niet voortgaan. Daar moet wat +tegen gedaan worden.” + +„Juist,” antwoordde de boer. „Zoo mag ik het hooren. D’r moet wat tegen +gedaan worden. Jij bent van de politie en jij moest nou eris ’n paar +nachten de wacht hier houen. Misschien snap jij die lui. Jij hebt daar +meer verstand van dan wij.” + +„Tja... dat zal niet gaan... Ik heb over dag m’n dienst zie je en ’s +nachts ben ik graag thuis, dat begrijp je ook wel. Maar ik zal d’r eens +met de burgemeester over parlementeeren en wat die gelast dat zullen we +dan doen.” + +„Best veldwachter, dan ga ik vanavond zelf ook nog es naar de +burgemeester.” + +„Nou... as ik jou was, dee ik dat niet... laat het maar liever aan mij +over.” + +„Nee ik wil de burgemeester zelf d’r wel eris over onderhouen.” + +„Zooals je wilt,” zei de veldwachter, „maar ’t is eigenlijk mijn werk.” + +De veldwachter ging heen met z’n handen op z’n rug. Je kon aan hem +zien, dat ie over het vreemde geval liep na te denken. + +„Zie je nou wel,” zei Piet toen ie met Koen alleen was. „Hij heeft niks +gevraagd.” + +„Nee, maar dat zal de burgemeester wel doen als ie vanavond komt. Die +zal ’t wel anders aanpakken denk ik.” + +„Dat zullen we afwachten. Jouw vader lijkt me niks bang voor +veldwachters, Koen. Ik ben nieuwsgierig hoe die tegen de burgemeester +doen zal. Geloof jij, dat ie vertellen zal, dat hij ’t gedaan heeft?” + +„Dat weet ik niet Piet, maar liegen zal ie er niet om. Dat weet ik +vast.” + +„Hoe weet jij dat nou?” + +„Omdat vader ’n hekel heeft aan liegen. Hij werd altijd gloeiend nijdig +als wij ’t deden al was het ook nog zoo’n klein leugentje voor de +grap.” + +„Dan zal hij er wel mee voor de dag moeten komen als de burgemeester +hem ondervraagt. De burgemeester is niet zoo stom als de veldwachter +zie je.” + +Koen was nu werkelijk ’n beetje ongerust over z’n vader. Maar m’nheer +Bruggemans zelf scheen heelemaal niet ongerust. Die deed net als +altijd. Hij lag in de hangmat te lezen maar hij ging ’n keer of wat +naar het varken kijken, doch niemand zag daar iets vreemds in. Zooiets +komt niet elken dag voor en dan is het zeer begrijpelijk als je er ’n +beetje nieuwsgierig naar bent. Heel veel was er echter aan het varken +niet meer te zien. Niet meer dan het touw dat achter het beest +aansleepte. + +De veldwachter was naar de burgemeester gegaan om rapport uit te +brengen zooals hij dat noemde. Toen-ie begon, had de burgemeester kalm +geluisterd. Dat deed ie altijd als de veldwachter kwam om wat te +vertellen. Maar toen de veldwachter ’n poosje aan de praat was, +onderbrak de burgemeester hem en zei, dat ie met zulke malle smoesjes +niet bij hem moest aankomen. Daar was burgemeester niet van gediend. +Hij wist allang dat de boeren bijgeloovig waren. Maar ’n veldwachter +behoorde daaraan niet mee te doen. Die moest wijzer wezen. + +„Maar burgemeester het is echt waar. Ik heb het toch zelf gezien,” zei +de veldwachter ’n beetje in z’n eer getast omdat de burgemeester er +blijkbaar geen woord van geloofde. + +„Wat heb jij gezien? ’n Onzichtbaar varken? Dat kan je niet zien.” + +„D’r liep nog één poot van burgemeester. Ik heb m’n oogen niet in m’n +zak. Wat ik zie, dat zie ik.” + +„Dat kan wel, maar hou nou asjeblieft je mond. Als je me niks anders te +vertellen hebt, ruk je maar uit. Begrepen?.... Enne.... wat ik nog +zeggen wou.... je gaat naar die boer en je zegt hem, dat ik niet te +spreken ben voor hem als ie me ook met dat flauwe vertelseltje aan +boord wil komen. Daarvoor ben ik geen burgemeester om bakersprookjes +aan te hooren.” + +De veldwachter kwam heelemaal uit het veld geslagen bij z’n vrouw. +Eerst zei hij geen stom woord, maar z’n vrouw, die wel zag dat er wat +aan haperde, begon hem uit te vragen, zooals ze altijd deed als er wat +bizonders aan de hand was, dat ze ook graag weten wou en toen kwam de +veldwachter langzamerhand los. + +De vrouw smulde van het verhaal. Dat was nou eens iets echt griezeligs. +Zooiets hadden ze in geen jaren in de gemeente beleefd. Dat zou ze eens +gauw aan d’r buurvrouw vertellen. + +Maar de veldwachter die al lang zenuwachtig was, sloeg opeens met z’n +vuist op de tafel, wat ie wel durfde bij z’n vrouw maar niet bij de +burgemeester, en hij verbood nijdig, dat z’n vrouw er iets van zou +vertellen tegen wie ook. „Het moest ’n geheim blijven.” + +„Nou, nou,” suste de vrouw, „maak je maar niet overstuur. Jij bent +altijd nijdig hier als je met de burgemeester wat gehad hebt. Sla dáár +op de tafel.” + +En ze liep meteen de deur uit om het toch maar te gaan vertellen aan de +buurvrouw. De veldwachter had gezegd, dat het ’n geheim was en dat zei +ze dan ook aan de buurvrouw. Ze vertelde het in vertrouwen en het moest +„onder ons” blijven. + +Dat beloofde de buurvrouw onmiddellijk en toen de veldwachtersvrouw weg +was, ging ze er dadelijk mee het dorp in, zoodat de historie van de +onzichtbare haan, de telefoonpaal en het groote varken dezelfde avond +al tweemaal de ronde gedaan had in het dorp. + +Iedereen was er van op de hoogte en toen de arbeid was afgeloopen en de +mannen, die van hun werk kwamen er ook mee in kennis gesteld waren, kon +je op het dorp overal groepjes menschen zien staan die het +wonderverhaal stonden te bespreken. + +De grootste hoop stond voor de smidse, en de smid zelf was de president +van de vergadering. De zwarte smid stond tegen de deurpost van de +smederij geleund met z’n gespierde armen over elkaar. Andere avonden +ging hij zich altijd eerst wasschen voor hij buiten kwam, maar bij deze +gelegenheid had ie zich geen tijd gegund. Hij was zoo van achter het +aambeeld naar buiten gekomen. + +Die smid was op het dorp ’n soort orakel, dat overal raad op wist. Hij +had volgens z’n eigen zeggen allerlei wonderlijke dingen beleefd en als +iemand ’s avonds een of andere griezelige historie vertelde, wist de +smid er altijd een die nog griezeliger was. + +Doch nu stond ie gebluft. Zoo iets wonderlijks als het verhaal van de +veldwachter, daar stond ie paf van. En toen zei ie maar, dat de +burgemeester wel gelijk zou hebben, dat er van het heele zaakje niets +aan kon zijn. + +Maar ’n jonge kerel, die heel wat keertjes bij nacht en ontij er op uit +geweest was om konijnen te stroopen en dus niet bang was in ’t donker, +vond dat ze het zaakje met hun allen best eens konden gaan onderzoeken. +De telefoonpaal wisten ze allemaal te staan en nu vond hij het ’t +eenvoudigste om eens even te gaan zien of het ding er nog stond of +niet. + +Dat waren verscheidene dorpelingen met hem eens, doch toen zei er een +dat ie ’s middags nog langs die weg gekomen was op de fiets en dat ie +toen niks gemerkt had. + +„Zag jij de paal dan?” vroeg de smid. + +„Nee dat niet... ik heb aan die heele paal niet gedacht. Maar als ie er +niet meer gestaan had, zou ik het gezien moeten hebben. Zooiets merk je +wel.” + +„Da’s nog zoo zeker niet,” zei ’n ander. „Ik ga kijken, wie gaat er +mee?” + +De smid was dadelijk bereid met nog ’n stuk of zes anderen. De rest +vond het wat te ver uit de buurt. + +„Och wat,” zei de smid, „in twintig minuten zijn we d’r.” + +Maar de anderen waren niet mee te troonen en dus gingen ze met hun +zessen op het pad. Toen ze het dorp doorgingen, sloten zich nog eenige +nieuwsgierigen bij hen aan en die wisten te vertellen dat de +veldwachter er al op uit was met de rijksveldwachter en de koddebeier. + +Toen ze bij de paal kwamen, was het pikkedonker. Ze vonden allemaal dat +het nog zelden zoo donker geweest was als die avond. Maar de strooper +hield vol, dat ie nog heel goed alles kon onderscheiden. + +„Dan heb jij zeker katteoogen,” zei de smid. „Ik zie geen snars.” + +„Nou,” zei weer ’n ander, „als jij nog zoo goed kan zien, moet jij mij +es vertellen of je de telefoonpaal ziet of niet.” + +„Nee,” antwoordde de strooper, „zien doe ik ’m niet maar ik voel ’m en +als jullie nou een van allen ’n lucifertje aansteekt, dan wed ik, dat +we ’m allemaal zien kunnen ook. Hier staat het ding nog net als altijd, +wat ik je brom.” + +Er werden minstens vier lucifers tegelijk aangestoken en zoodra die +vlammetjes hun beetje licht gaven, riep de strooper: + +„Verroest, ’t ding is d’r niet en toch hou ik er m’n hand tegen.” + +Ze hadden allemaal die hand gezien met niets d’r in. En nu bleven ze +aan ’t lucifers aanstrijken en ze zagen het allemaal dat de paal weg +was. Toen kwam er een op de idee ’n krant, die hij in z’n zak had in +brand te steken en bij die flambouw konden ze de draden in de lucht +zien en de porceleinen potten die nergens houvast aan schenen te hebben +en toch daar maar hoog boven stijf bleven staan. + +De man die de krant aangestoken had, brandde z’n vingers omdat ie al +maar naar boven keek. Hij riep „au” en liet het restje van de krant +vallen, dat even hoog opflikkerde en op de grond met ’n beetje roode +gloed uitdoofde. Daarna was het nog donkerder dan te voren en de zes +dorpelingen stonden daar doodstil in de plotselinge duisternis en zeien +geen stom woord. + +Tot er een het lichtschijnsel uit de boerderij opmerkte en toen niets +beter te zeggen wist dan: + +„In de boerderij hebben ze nog licht op.” + +Het flauwe lichtschijnsel dat uit de kamer van m’nheer Bruggemans kwam, +die de luiken niet dicht had, kikkerde de zes moedige mannen dadelijk +’n heeleboel op. Toen ze zoo plotseling in de duisternis gestaan hadden +bij die onzichtbare paal, waren ze allemaal ’n tikje benauwd geweest. +Zelfs de strooper had het te pakken gekregen. + +De smid verbrak het eerst het stilzwijgen: + +„Nou weten we ’t en nou ga ik naar huis.” + +De anderen dachten er net zoo over en ze togen weer huiswaarts. + +De strooper wist ’n weggetje door het bosch waarlangs ze volgens hem in +tien minuten thuis konden zijn. Ze kenden allemaal dat paadje, maar de +strooper wist daar ook bij nacht bescheid. De anderen namen dat pad +weleens als ze die kant uit moesten overdag, doch niemand zou het in +z’n hoofd krijgen daar gebruik van te maken als het zoo donker was als +op die avond. Ze wilden echter wel graag gauw thuis zijn en ze wisten, +dat de strooper die smalle boschpaadjes goed kende, omdat ie er ’t +liefst gebruik van maakte als ie er ’s nachts op uit trok. Ze gingen +dan ook gerust met hun vijven achter hem aan. + +Om op dat boschpaadje te komen moesten ze voorbij de boerderij en dat +was de oorzaak, dat, in plaats van vroeger thuis te komen, ze leelijk +aan ’t dwalen raakten. + +Toen ze namelijk voorbij de boerderij kwamen stapten daar net heel +zacht de rijksveldwachter, de koddebeier en de dorpsveldwachter de +achterdeur uit. Zoodra die drie mannen van de wet het geloop van die +menschen hoorden, stiet de rijksveldwachter de anderen aan en hij +fluisterde: „Hooren jullie dat?” + +De anderen hoorden het, wat geen wonder was want de zes dorpelingen +deden geen moeite om zich onhoorbaar te maken, wat de strooper anders +op z’n nachtelijke tochten wel deed. Ze hadden geen kwaad in de zin en +dus hoefden ze geen voorzorgen te nemen om niet ontdekt te worden. + +Nu hadden de drie veldwachters met de boer en de boerin het +geheimzinnige geval lang en breed zitten bepraten terwijl ze aanhoudend +maar koffie dronken met schijven zoete koek. En het gevolg was dat de +politiemannen beloofd hadden ’n paar nachten de wacht te houden om te +probeeren of ze de dader of de daders niet te pakken konden krijgen. De +burgemeester wist er wel niets van, maar dat was volgens de +rijksveldwachter ook niet noodig. + +De rijksveldwachter en de koddebeier waren geen van tweeën erg bang +uitgevallen. Die hadden al heel dikwijls samen van die nachtelijke +karweitjes opgeknapt. Het waren meestal stroopers die ze dan +achtervolgden en dat waren soms brutale heeren die ook voor geen klein +geruchtje vervaard waren. Ze hadden er zelfs wel eens om moeten vechten +wie de baas zou blijven en daar waren ze niet altijd zonder +kleerscheuren afgekomen. Maar ze hadden dan ook menige strooper +geknipt, en ze stonden er voor bekend, dat er niet met hen te +gekscheren viel. + +„Hooren jullie dat?” + +Toen de rijksveldwachter dat fluisterde, stonden de koddebeier, die ze +zoo noemden, maar hij heette eigenlijk jachtopziener, en de +rijksveldwachter zelf net als ’n paar jachthonden die wild ruiken met +hun neus in de wind. + +De dorpsveldwachter, die meer gewoon was boodschappen voor de +burgemeester te doen als ’t nog dag was en ’s nachts liever behoorlijk +in bed lag, had evenwel niets van ’n jachthond op dat oogenblik. Hij +hoopte maar dat het niet tot ’n gevecht of zoo iets zou komen en hij +nam zich in stilte voor, als er iets van dien aard zou gaan gebeuren, +zich ’n klein beetje achteraf te houen. + +„Hierheen,” fluisterde de rijksveldwachter, na ’n klein poosje +geluisterd hebben, „die snappen we.” + +De dorpsveldwachter bleef in de achterhoede. + +Het duurde niet heel lang of de strooper die de aanvoerder was der vijf +dorpelingen hoorde iets. Hij had scherpe ooren en was gewoon op alle +geluiden te letten. + +„Stop,” zei hij heel zacht en toen ze stilstonden hoorden ze het ook +allemaal. + +„Daar komt wat aan,” zei de strooper weer en aangezien hij liever niet +gesnapt werd bij nacht in dat bosch verdween hij onmiddellijk in de +struiken. De andere vijf met de dappere smid voorop gingen aan de haal +langs het smalle paadje. Ze dachten niet aan veldwachters, zooals de +strooper, het kwam heel niet in hun hoofden op dat er veldwachters hen +op de hielen konden zitten. Zij dachten meer aan de onzichtbare paal en +brachten het geluid van voetstappen, dat ze toch duidelijk gehoord +hadden in verband met dat geheimzinnige onzichtbare ding en ze +vluchtten weg met de schrik in hun beenen. Het leek hen of ze maar niet +vooruit kwamen en ze liepen toch als hazen. Al heel gauw begonnen ze te +struikelen over boomwortels en raakten nu en dan in de struiken verward +en na vijf minuten wist de een niet meer waar de ander was. Ze waren +elkaar kwijt en ieder zocht op z’n eigen houtje ’n goed heenkomen. Het +was ’n gekraak en gekreun zooals het bosch nog niet beleefd had en de +achtervolgers wisten niet meer hoe ze ’t hadden want ze hoorden aan +alle kanten geluid. Tot eindelijk de rijksveldwachter over iets heen +viel dat naderhand bleek de dorpssmid te zijn. + +De rijksveldwachter greep onmiddellijk toe en hield vast. + +„Jou heb ik tenminste,” mompelde hij. + +De smid was te verbouwereerd om iets te antwoorden, of zich te +verzetten. Maar na ’n paar sekonden kwam hij weer ’n beetje bij van de +schrik en daarmede ook tot het besef, dat ie toch iets doen moest om +zich vrij te maken van degeen die hem zoo overvallen had. Hij had er +geen idee van dat het de rijksveldwachter was, anders had ie hem wel +gauw verteld, wie hij was. Nu zei hij maar niemendal en begon te +worstelen om los te komen. Sterk was ie en de rijksveldwachter begon al +gauw in te zien, dat ie de handen vol zou krijgen om dat ventje er +onder te houden. De rijksveldwachter dacht er evenmin aan dat ie ’n +eerzaam dorpeling als de smid te pakken had. Hij meende, dat ie ’n +goeie slag geslagen had en dat het minstens iemand was die in verband +stond met die vreemde geschiedenis op de boerderij. + +Het was ’n rare worstelpartij in de duisternis en niet erg aangenaam, +noch voor de smid, noch voor de rijksveldwachter, want de takken der +struiken sloegen hen telkens in het gezicht. De rijksveldwachter begon +te voelen, dat ie ’t niet lang meer zou kunnen bolwerken. Hij werd moe +en hijgde naar adem. Maar loslaten wou hij niet, terwijl z’n gevangene +niets anders deed dan probeeren los te komen. + +Toen kwam de rijksveldwachter op de idee om te zeggen wie hij was. + +„Geef je over,” hijgde hij, „ik ben de rijksveldwachter.” + +Dat hielp. De smid ontspande z’n sterke knuisten, waarmee hij de ander +stevig te pakken had en liet hem los. + +„O, ben jij de rijksveldwachter,” antwoordde de smid, „had me dat +eerder gezeid.” + +„Ben jij de smid?” zei de rijksveldwachter op zijn beurt, toen hij de +bekende stem hoorde, „wat doe je hier?” + +„Wel, we waren gaan kijken naar die paal.... met ons zessen.” + +„O.... zit dat zoo....” + +„Ja we waren hier heen gegaan om gauwer thuis te zijn,” zei de smid +lachend. „Ik denk dat we allemaal wel later thuis zullen komen.” + +„Dat denk ik ook wel,” zei de rijksveldwachter. „Ik zal even met m’n +electrische lantaarn bijlichten, dan kunnen we zien of we ’t pad terug +kunnen vinden.” + +Daar was de smid erg blij mee. En bij het licht van het lantaarntje +gelukte het hen nog al gauw het pad weer te vinden, maar ze wisten geen +van beiden of ze links of rechts moesten. Ze besloten toen maar op goed +geluk samen te gaan. + +’n Poosje later ontmoetten ze de koddebeier, die op het licht afkwam. +Hij had niemand te pakken kunnen krijgen en was zeer verwonderd de smid +te zien. Hij lachte ook maar toen de smid vertelde hoe de hark aan de +steel zat en gingen met hun drieën verder. + +De smid trof het. Ze waren voor hem de goede kant uitgegaan en tien +minuten later stond hij voor zijn smederij. De twee politiemannen +gingen weer naar de boerderij terug die ze bewaken zouden. + +De dorpsveldwachter was toen de jacht begon ’n beetje achtergebleven. +Hij moest niks van al die gekheid hebben. Maar in het donker wist ie +niet al te best de weg en hij bevond zich ook op het boschpaadje. Hij +besloot maar rechtsomkeert te maken en het gewisse voor het ongewisse +te nemen. Verdwalen daar had ie geen zin in en wie weet wat je op dat +paadje nog tegen kon komen ook. Hij vond het erg vervelend dat het zoo +pikkedonker was. Je zag geen hand voor je oogen. Na ’n poos voelde hij +eens met z’n voet of ie nog op ’t pad was en toen dat geen oplossing +gaf, ging hij op z’n hurken zitten om met z’n hand de grond te +betasten. Hij kon er niet uit wijs worden. Dan maar ’n lucifertje +aansteken. Hij zou ’t wel voorzichtig doen, want je moest in zoo’n +bosch altijd de noodige voorzorgen nemen met vuur. Je had gauw genoeg +’n boschbrand. + +’t Lucifertje brandde en de veldwachter keek gauw, maar hij zag wel het +vlammetje, doch verder ook niemendal. Het gaf geen licht genoeg om hem +bij te lichten. + +Dan nog maar eentje geprobeerd en dat hield ie vlak bij de grond. Op ’n +pad was hij nog wel, maar of hij nog op ’t rechte was, dat wist ie ook +niet. Hij hoopte maar van wel en dan moest ie gauw genoeg de boerderij +bereiken. Doorloopen maar. Hij nam groote stappen en raakte gelukkig +het bosch uit. Maar van de boerderij zag hij geen spoor. Wel liep hij +al gauw tegen prikkeldraad aan. Dat kon nergens anders wezen dan bij de +wei waar het onzichtbare varken liep. Hij had dus toch ’n verkeerd pad +genomen en was nu ergens aangeland waar hij om de waarheid te zeggen +voor geen geld wezen wou. Stel je voor dat ie daar nou die poot van dat +groote varken tegenkwam. Het was bij dag al akelig genoeg geweest om er +naar te kijken maar bij nacht was het iets om van weg te loopen, al was +het dan ook volgens die stadsche m’nheer de natuurlijkste zaak van de +wereld. Van zulke natuurlijke zaken had hij niet terug. + +De dappere dorpsveldwachter stond stil voor het prikkeldraad. Wat moest +ie doen? Hij kon er best overheen stappen en dat zou hij anders ook wel +dadelijk gedaan hebben. Hij meende in de verte het witte hek te zien +schemeren. Daar had ie ’n gemakkelijke weg. Hij kon nu ook wel langs +het bosch, zoo tusschen prikkeldraad en bosch in, de weg bereiken, maar +dan moest ie voortdurend in kreupelhout en bremstruiken marcheeren en +daar had ie ook niet veel zin in. Na rijp overleg besloot hij maar over +het prikkeldraad heen te stappen. Hij kon de kant van het weiland +houden. Dat was toch precies ’t zelfde of hij nu aan deze of aan de +andere kant van het prikkeldraad liep. + +Hij stapte dus over de draadversperring heen, die bestond uit kippegaas +van onder, met ’n prikkeldraad er bovenlangs. + +Hij liep haastig door. Zag hij daar niet ’n geschemer van lichte dingen +en waren dat niet de biggen? Kwamen ze naar hem toe? Hij stond even +stil. Jawel ’t kwam op hem af. ’t Was te donker om te zien of de biggen +dichtbij waren, doch dat moest wel anders kon hij ze in de duisternis +niet gewaarworden. Doorloopen, gauw doorloopen. Hij moest er eerder +zijn dan de biggen, want die zouden wel achter dat akelige, onzichtbare +beest aanloopen. Plotseling schrok hij zich haast halfdood. Hij +struikelde ergens over en hij rolde in het gras, terwijl ’n harde +varkensschreeuw gevolgd door nijdig geknor vlak bij hem als uit de +grond oprees. Hij was over het onzichtbare varken gevallen en ofschoon +hij dat ook gedaan zou hebben al was het varken nog net geweest als +vroeger, omdat ie ’t in het donker evenmin zou gezien hebben, nu schrok +hij er geweldig van. Z’n haren gingen op z’n hoofd onder z’n pet +rechtop staan en er ging ’n rilling langs z’n rug. + +Maar gauw overeind was ie en heel gauw weg ook. En hij wipte over ’t +hek als ’n jongen. Hij wist zelf niet, dat ie nog tot zulke gymnastiek +in staat was. En toen ging het er vandoor, niet naar de boerderij maar +naar huis en ’n kwartier lang liep hij op ’n draf en was doornat en +bek-af toen hij met moeite de sleutel in het slot van z’n huisdeur +stak. + +De strooper was ook gauw thuis geweest. Die kende het bosch van buiten. +Maar de andere vier kwamen een voor een toen het dag was erg verhavend +en een, de kleermaker, zelfs zonder pet, in het dorp terug. + +Die dag wist het heele dorp wat er ’s nachts was voorgevallen en de +burgemeester liet zich, zoodra hij ervan hoorde, verslag uitbrengen +door de veldwachter, die alles haarfijn wist te vertellen, omdat ie er +zelf bij was geweest en alleen maar oversloeg, wat hem zelf was +overkomen in het land met de biggen. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor + m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet + hem niet gered hadden. + + +De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die +nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met +ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken, +hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en +iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen +verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten +eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De +anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan +vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken +gevallen was. + +Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige +dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog +gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog +dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het +woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval +maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.” + +Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit +naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op +de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te +genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in +drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare +varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij +aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat. + +Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met +allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde +beantwoorden. + +Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun +beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was +bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan +met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de +jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan +ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n +kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al +gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de +waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren. +Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen +bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor +elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst +hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom +te houden, maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over +wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten. + +Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte +al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar +opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden. + +De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte +het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als +’t liep te eten. + +Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om +maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets. + +Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze +konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar +gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je +niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om +dat akelige, onzichtbare ding aan te raken. + +In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de +porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het +scheen. + +De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n +dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle +bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n +eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan +was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen +wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet +voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells, +noch van diens wonderbare uitvinding gehoord en dus was het hem niet +kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde. + +Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de +troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens +gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en +zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien +vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het +weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden +van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte +van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije +toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu +en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de +rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan. + +Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij +dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je +dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar +iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende +telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed, +namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch +ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats +toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was +plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken +allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen +draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te +betasten. Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal +werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd, +heel vreemd.” + +Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed +naar de boerderij. + +De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem +in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw +Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar +binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten +eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote +huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof +waar de burgemeester in plaats nam en begon: + +„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die +paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis..... en hebben jullie nu ook nog ’n +onzichtbare haan?” + +De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de +familie dood was en de boer antwoordde: + +„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.” + +„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter... enne... je kan niet +gissen wie je dat lapt?” + +„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.” + +„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw. + +„Tja... dat kan ik me begrijpen.” + +„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het +allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen +van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.” + +„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van +gehoord.” + +Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te +lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei, +dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch +wel ’n beetje benauwd om het hart. + +„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie. + +De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de +burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en +stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die +burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal +niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer +uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de +burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar +Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je +ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig +voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar +niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef +echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van. + +Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar +van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die +uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er +van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin +teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was +er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat +er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin +wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf +geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij. + +Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem +meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te +onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet. + +De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op +het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier +en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie +politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen +de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden +daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen +gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de +buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden. + +Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het +varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp +waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het +gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders +kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon +het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er +niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens +meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze +gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het +verhaal van de porceleinen isolators van de telefoonpaal die je daar +zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich +langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere +kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te +voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden +beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters +te laten komen om de orde te handhaven. + +Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem +in ’n mand en liet ’m bekijken voor ’n kwartje. Het was eigenlijk +„voelen”, maar hij noemde het „kijken”. + +De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de +volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er +achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop +Koen met groote mooie letters had geteekend: + + + DE ONZICHTBARE HAAN. + 25 ct. entree! + Maïsvoeren 10 ct. extra. + + +M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer +vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij +de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste +dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich +vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje +maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en +Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen +zooveel nieuwsgierigen, dat de onzichtbare witte het soms toch niet +bolwerken kon. + +Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare +varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die +kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en +naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat +leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten +geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer +schik. + +De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van +Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles +alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van +hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, +gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel +moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij +de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel +tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei +moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de +entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de +haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond. + +Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en +niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de +menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd +zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon +bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis +om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er +was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar +geworden. + +De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en +was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die +m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon. + +Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger +was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat +m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n +stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, +tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van +die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, +maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van +die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had +eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, +doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer +Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De +inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te +merken. + +Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer +Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die +m’nheer te letten. + +Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n +rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde +de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen. + +„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die +m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is +van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje +ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en +de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem +al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan +zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen +brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak +stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in +zijn bezit zijn.” + +„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.” + +Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl +ze zich gereed maakten om in bed te stappen. + +Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó +van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was +onmiddellijk bij de hand met ’n idee. + +„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw +vader vinden..... Kan je niet meer praten?” + +„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van +geschrokken!” + +„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.” + +„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden +ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens +in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles +nagekeken om te zien waar het zijn kon.” + +„En kunnen wij in die koffer komen?” + +„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?” + +„Ja ’t moet toch.” + +„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t +beste zijn.” + +„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.” + +„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.” + +„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij +moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze +’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.” + +„Maar hoe komen we d’r aan?” + +„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.” + +Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n +vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als +degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk +was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en +bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in +staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, +sliepen ze al. + +Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die +gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag +tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en als die dan +deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er +misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet. + +„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo +goed wist als Koen. + +„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.” + +„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht +uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.” + +„Ja.” + +„En dan gaat ie in de kast.” + +„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen. + +„Kan je zoo meteen nog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, +als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg +ik van vader op m’n kop.” + +Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, +dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat +natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest +Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie +die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. +Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu +niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, +had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok +begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie +zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de +voorkamer of ie ook gemakkelijk bij die koffer van zijn vader komen +kon. + +„Waarvoor?” zei Koen. + +„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.” + +Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist +wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker +werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt +zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets +vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n +hekel. + +Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor +dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog +altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de +boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de +familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land +hadden ze er aan. + +Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij +z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t +mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De +gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer +opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond +en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen +koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer. + +’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom +om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo +voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen. + +Koen sloop naar de kast, deed de koffer open... Hij schrok er zelf van. +Daar was de machine van professor Wells! + +De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding +weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie +snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote +koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien. + +Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de +kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet +vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had. + +„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?” + +Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan +was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om +weer in de kippenstal te komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n +amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, +want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar +bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.” + +En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel. + +„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t +werk was in de kippenmest. + +Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n +„beroerd” werk vond. + +„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?” + +„Niet, wat is het dan?” + +„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.” + +„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.” + +„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. +„Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat +kistje vinden zal hè?” + +„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor +’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet +zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem +terug te bezorgen.” + +„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en +dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.” + +„Zou het?” + +„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad +had,” antwoordde Piet lachend. + +Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, +van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten +neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed +bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het +kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet +bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten +voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar +het terug kwam halen. + +„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen. + +„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.” + +„O.... Zeg ik dee het liever ergens anders.” + +„Nee jô.... ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.... niet voor +die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt +het niet terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. +Dat kan die immers?” + +„Ik geloof het wel.” + +„Je had het toch gelezen?” + +„Ja, dat wel.... maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als +ie eindelijk hier komt.” + +„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.” + +„Amerika is niet naast de deur, jô.” + +„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan +terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?” + +Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met +het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat +hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou +met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er +bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had. + +Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine +voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens +gingen gerust heen. + +In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n +rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de +burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de +hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie +naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit +om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester +hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden +de afloop van die zaak van nabij meemaken. Ze hoopten maar, dat m’nheer +Bruggemans hen niet zou wegzenden. + +Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de +jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester +gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester +stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De +rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de +dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n +gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus +die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in +de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de +rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten +altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge +gezichten begon te zetten. + +Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans +stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus +ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang +in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen +hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, +ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken +en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die +heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden +wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de +rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, +misschien die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden +wegvoeren. + +De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij +vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam +lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij +begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte +op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij +verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek +in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in +de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen +zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te +brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n +onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want +het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had. + +M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie +niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel +in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht +kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er +was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin +dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien +zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t +wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man +van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie +er niet achter ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet +doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als! + +M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee +naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n +onderzoek. + +En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans +en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het +venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de +slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw +weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens +begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat +m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer +stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg +wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en +wat andere rommel. Wilt u kijken? + +„Nee.... of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.” + +M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De +burgemeester keek over zijn schouder. + +„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets +verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer +Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester +nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.... ’t was +maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.” + +„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer Bruggemans, en hij +liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer +en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles +overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken +of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten +op z’n knieën. + +Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had +opgemerkt. + +„Hoe was ie?” vroeg Piet. + +„Prachtig... Zag je vader voor die koffer zitten?” + +„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend. + +„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er +toch maar fijn doorgerold.” + +„En of.” + +Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het +dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets. + +Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas: + +De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde +Staten van Noord-Amerika. + +„Da’s de derde,” zei Koen. + +„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend. + +„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen +antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.” + +„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?” + +„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n +machine wel waard zijn.” + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + Waarin professor Wells met twee detectives naar Amsterdam reist, + maar op de boot leelijk bestolen wordt en de twee politiemannen in + Nederland al dadelijk boffen. + + +M’nheer Bruggemans had twee brieven geschreven en dit was de derde. +Maar professor Wells had er geen een van in z’n handen gekregen. Midden +in de Atlantische Oceaan was ie vlak voorbij de twee brieven gevaren, +die in een van de honderden postzakken zaten, die ’n groote mailstoomer +naar Amerika bracht, terwijl professor Wells op het dek zat van ’n +andere stoomboot, die van Amerika naar Europa voer. + +Die beide brieven waren ’n poosje later aan z’n huis in Yale in de +brievenbus gestopt of ze lagen misschien wel in de postbus aan ’t +postkantoor in Yale, waarvan de professor zelf ’t sleuteltje had en +waar dus niemand anders dan hij zelf de brieven kon uithalen. + +In ieder geval lag de professor toen juist voor ’t eerst in Amsterdam +lekker onder de wol in het Amstelhotel, waar hij die dag juist was +aangekomen in gezelschap van zijn twee slimme detectives, die van plan +waren de volgende dag dadelijk met hun nasporingen te beginnen of +liever die voort te zetten, want ze waren er al lang van te voren in +Yale mee begonnen. + +Nu is het bekend dat amerikaansche detectives de slimste zijn van de +heele aardbodem. Dat is zoo bekend, dat je niet eens het beroemde boek +van Mark Twain „De gestolen Witte Olifant” behoeft te lezen om dat te +weten. En van al die slimme speurders in z’n land had professor Wells +de twee beroemdste uitgezocht. Het waren James Maccassy van New York en +Jesekia Blubberdub van Chicago. + +Er was geen misdadiger in New York of Chicago, die niet de heele dag +van streek was als hij ’s nachts van James Maccassy of Jesekia +Blubberdub gedroomd had. Alle boosdoeners in Amerika kenden dan ook die +twee, maar die twee kenden ook alle misdadigers. Dat wil zeggen +diegenen onder de dieven en roovers, die de moeite waard waren, want +met het kleine goed, van die diefjes die ’n stuk lood van je dak kwamen +stelen, of er met ’n baal koffieboonen vandoor gingen, die per ongeluk +’n goeie paraplu meenamen of uit de gang je beste overjas op de kop +tikten, daar hielden zij zich niet mee bezig. Als je bij James Maccassy +of Jesekia Blubberdub aankwam om te vertellen dat je fiets gestolen was +zoo maar onder je neus weg, terwijl je even in ’n winkel ging om ’n +doos sigaretten te koopen, dan antwoordde James Maccassy je +onveranderlijk, dat er op de hoek van de straat wel ’n politieagent zou +staan om zoo’n snertboodschap aan te hooren en Jesekia Blubberdub had +de gewoonte, om in zoo’n geval je ’n adreskaart te overhandigen van een +of andere fietsenwinkel, waar je je ’n nieuw rijwiel kon aanschaffen, +als je dan toch met alle geweld per fiets naar huis wou. + +Doch kwam je bij hen met de treurige mededeeling dat er ’s nachts bij +je was ingebroken en dat de dieven al je kostbaarheden en al je geld +hadden gestolen en ook de zilveren lepels en vorken niet vergeten +hadden, dan kon je op ’n vriendelijke ontvangst rekenen. Je kon er ook +op rekenen, dat zoowel James Maccassy als Jesekia Blubberdub in dat +geval niet alleen bereid waren je tot het eind van je verhaal aan te +hooren maar ook, dat ze daarna dadelijk met je meegingen om de zaak bij +je thuis te onderzoeken en dan wisten ze je gewoonlijk onmiddellijk te +vertellen wie ’t gedaan had, want dat zagen ze aan de manier van werken +en omdat ze alle booswichten en hun manier van werken op hun duimpje +kenden, was dat voor hen maar ’n kleinigheid. + +Toen professor Wells dan ook eerst bij James Maccassy en daarna bij +Jesekia Blubberdub aanklopte, was hij er erg mee ingenomen dat ze +allebei tot dezelfde conclusie kwamen, namelijk, dat de wondermachine +gestolen moest zijn door Jim Pimpelmees, ’n Hollander van afkomst en de +raarste dief, die je maar bedenken kon. Jim Pimpelmees stal namelijk +nooit geld of kostbaarheden of zooiets, doch als er hier of daar iets +vreemds of buitengewoons vermist werd, kon je er op rekenen dat Jim er +achter zat. Maar Jim was verbazend slim ook nog en het was zelfs nooit +gelukt aan James Maccassy of Jesekia Blubberdub om Jim Pimpelmees te +pakken te krijgen. + +Jesekia Blubberdub vertelde aan professor Wells als ’n bewijs van Jim’s +ongeëvenaarde slimheid, de geschiedenis van de beruchte diefstal bij +Barnum en Baily. Uit dat reuzecircus was in ’t jaar 1907 te Melbourne +in Australië de beroemde hond Gipsy vermist, die geen achterpooten had +en gewoon op z’n twee voorpooten liep. Dat was het eerste zaakje dat +James Maccassy en Jesekia Blubberdub samen opgeknapt hadden. + +„Barnum en Baily hadden zich onmiddellijk gewend tot ons beiden,” zei +Blubberdub, „om die zaak tot klaarheid te brengen. We gingen dan ook +dadelijk aan ’t werk en hadden het geluk Jim Pimpelmees op ’t spoor te +komen. We reisden hem in ’t geheim na, want de kerel was te slim om +niet alle voorzorgsmaatregelen te nemen. We volgden hem van Melbourne +naar Kaapstad, vervolgens naar Buenos-Aires en dwars door Zuid-Amerika +heen naar Peru. Overal waar hij geweest was, namen wij informaties naar +hem en de hond zonder achterpooten. En in San Francisco kregen we hem +te pakken, ’t was immers San Francisco?” + +„’t Was in San Francisco,” bevestigde James Maccassy, „ga voort.” + +„Nu dan, in San Francisco kregen we hem te pakken. ’t Werd tijd, want +wat we van de hond zonder achterpooten vernamen, klonk niet erg +bemoedigend voor ons of voor Barnum en Baily.” + +„Was ’t beest dood?” vroeg professor Wells nieuwsgierig. + +„Nee, dat nu juist niet, ’t beest was springlevend, maar ’t was ’n +zeehond.” + +„Hè?” zei professor Wells. + +„Ja,” bevestigde James Maccassy, „’n gewone zeehond. En toen konden wij +hem natuurlijk niets maken. Want er was geen zeehond bij Barnum en +Baily gestolen, maar ’n gewone hond zonder achterpooten.” + +„Maar die hond van Barnum en Baily dan?” + +„Ja, dat is altijd ’n raadsel gebleven. Daar hebben ze nooit iets meer +van vernomen.” + +„U ziet,” zei James Maccassy, „dat we te doen hebben met een +uitgeslapen gauwdief.” + +Professor Wells was dat volkomen met hen eens. Hij vroeg aan de twee +beroemde detectives of ze bereid waren voor hem die Jim Pimpelmees op +te sporen. + +„Met plezier, professor,” zeiden ze allebei. + +Of ze er zeker van waren, dat die Jim de machine gestolen had? + +„Zoo zeker als twee maal twee vier is,” verklaarden ze tegelijk. + +„Goed,” zei de professor, „dan beginnen we dadelijk.” + +Reeds de volgende morgen kwamen ze hem meedeelen, dat ze de zaak hadden +onderzocht en dat ze er achter gekomen waren, dat Jim Pimpelmees naar +Europa was op reis gegaan en wel naar Amsterdam en dat ze van plan +waren hem onmiddellijk daarheen te volgen. Professor Wells was erg blij +met die goede tijding en besloot met hen mee te gaan. James Maccassy +vond het niet noodig en Jesekia Blubberdub ook niet, maar ze konden het +de professor moeielijk beletten, en dus spraken ze af dat ze elkaar +weer zouden ontmoeten aan boord van „De Prinses,” de nieuwste boot van +de Holland-Amerika-Lijn, die de volgende dag zou vertrekken. + +Professor Wells kwam haast te laat. Dat was zoo z’n gewoonte overal net +op ’t nippertje te komen. Hij keek dadelijk uit naar James Maccassy en +Jesekia Blubberdub, maar die waren geen van beiden te vinden, ofschoon +professor Wells het dek bespiedde van voor naar achter en van achter +naar voor. Na ’n uur, toen ze al lang van de kade waren weggestoomd, +had ie nog geen spoor van z’n twee detectives ontdekt. Maar misschien +waren ze wel in hun hut en hij besloot eens bij ’n hofmeester te +informeeren. Die hofmeester was heel gedienstig. Hij ging de +passagierslijst raadplegen en kwam terug met de tijding, dat er geen +personen aan boord waren die James Mocassin of Jesekia Bulderput +heetten. + +„Och man,” zei de professor gemelijk, „zoo heeten ze heelemaal niet. Ik +zal zelf de lijst wel eens nakijken.” En dat deed hij onmiddellijk, +terwijl de hofmeester naast hem stond. Maar de professor kon de namen +ook niet vinden. + +„Wat is dat nou voor gekheid,” mompelde de professor, en daarna ging +hij zonder verder notitie te nemen van de hofmeester naar z’n hut, waar +hij bleef tot het tijd was voor het diner. + +De heele middag had hij in z’n hut zitten mopperen over de afwezigheid +van z’n twee detectives. Hij begreep niet waarom ze zoo gedaan hadden. +En hij zat er nu maar mee. Wat moest hij alleen in Holland doen? Toen +besloot hij nog even voor het eten ’n telegram te zenden met betaald +antwoord aan James Maccassy te New York. Hij ging op ’n bank zitten op +het promenadedek en schreef op ’n blaadje uit z’n notitieboekje: + + + James Maccassy, New York, No. 11, 43ste étage. + + Waarom is u niet hier? + + Wells. + + +„Maar professor ik ben wel hier,” hoorde hij over z’n schouder zeggen, +en toen hij verrast omkeek over de leuning van de bank zag hem ’n +vriendelijke oude heer lachend aan. Hij had ’n mooie witte baard en +spierwit haar, dat ’m heel goed stond onder z’n groote panama. En naast +de spierwitte heer stond ’n soort Italiaan met pikzwarte krullen en ’n +dito snorretje met fijn opgedraaide punten en die zei op zijn beurt: +„Ik ben er ook. U hoeft niet naar Chicago te telegrafeeren.” + +Professor Wells zat stom van verbazing. Dat moesten z’n twee detectives +zijn. Maar ze waren totaal onherkenbaar. Z’n eigen verdwijn-machine had +ze niet onkenbaarder kunnen maken. + +„Wel,” zei professor Wells, maar verder kwam hij niet. + +„Mijn naam is Bumpkins, Nataniel Bumpkins van Dawson-City. U staat me +zeker toe ’n oogenblik naast u op de bank plaats te nemen?” + +Professor Wells zei niemendal en hij liet toe, dat de grijze heer naast +hem ging zitten. Hij zei ook niemendal toen de Italiaan zich aan hem +voorstelde als Octavio Spigoletti van Milaan en aan de andere kant +naast hem plaats nam. + +„Zoo moeten wij dat in ons vak altijd doen,” fluisterde Bumpkins, „we +kunnen niet te voorzichtig zijn.” + +„Nee,” zei de Italiaan uit Milaan zachtjes, „voorzichtigheid is de +moeder van de porceleinkast.” + +„Als ze wisten, dat James Maccassy en Jesekia Blubberdub op weg waren +naar Amsterdam,” fluisterde de grijze weer, „dan konden we er zeker van +zijn, dat Jim gevlogen was als wij er aankwamen.” + +„Met uw kostbare machine,” mompelde de Italiaan. + +„Zoo,” zei professor Wells, „zoo... zit dat zoo in elkaar. Hoe heeten +jullie ook weer?” + +„Bumpkins, om u te dienen, van Dawson-City.” + +„En u?” + +„Spigoletti van Milaan.” + +„Wij kennen elkaar heel niet,” zei Bumpkins. „Ik ken Spigoletti niet en +ik ken professor Wells niet en u kent ons niet.” + +„O!” + +„En als we in Holland zijn, heeten we weer anders.” + +„O... en zien jullie er dan weer anders uit ook?” + +„Natuurlijk.” + +„Maar hoe ken ik jullie dan?” + +„Heel eenvoudig,” fluisterde de Italiaan, „we houen u op de hoogte.” + +„We zijn altijd bij u, ook al denkt u dat we er er niet zijn.” + +„Zooals vandaag,” zei de Italiaan weer. + +„Jullie zullen het wel het beste weten,” zei professor Wells, „en dus +leg ik me er maar bij neer. Ik laat de leiding verder dan maar +heelemaal aan de heeren over.” + +„Dat is ook onze bedoeling,” zei Bumpkins en ze lieten de professor +alleen op z’n bank. + +Professor Wells vond dat nu eigenlijk wel ’n beetje vervelend. Hij had +gedacht zich op de boot de tijd te korten met de verhalen van de +lotgevallen en de avonturen der twee beroemde detectives. En nu moest +ie ’n dag of zes, zeven op dat schip doorbrengen zonder ’n enkele +kennis. Er was niemand op het schip die hij ooit tevoren gezien had. +Hij besloot z’n tijd dus maar te besteden aan een of andere nieuwe +uitvinding. In z’n hut of op het dek of ergens anders op die mooie boot +kon hij best ’n hoekje vinden, waar hij ongestoord kon nadenken. Er +waren nog ’n massa dingen die nog niet waren uitgevonden. Hij hoefde +dus z’n tijd niet te verluieren. + +Professor Wells zag dus Bumpkins en de Italiaan maar zelden. Alleen als +er gegeten werd. En dan deden ze net of ze elkaar wildvreemd waren. Ze +zaten altijd ’n heel eind van elkaar af. + +Op de derde dag van de reis echter zag professor Wells hen de heele dag +niet. Ze waren zeker ongesteld. Hij mocht wel niet tegen hen spreken, +maar hij kon hen toch iedere dag zien en nu had hij hen al de heele dag +gemist. Dat was ’n beetje onplezierig. Professor Wells wist niet hoe +het kwam, maar hij vond het alles behalve aangenaam. ’t Was net of hem +’n ongeluk boven het hoofd hing. + +Dat voorgevoel bedroog hem niet. Er was iets vreemds gebeurd, wel geen +ongeluk maar iets dat misschien nog veel erger was. + +Het was al donker toen er zonder kloppen iemand bij hem binnentrad in +de hut. ’t Was James Maccassy in eigen persoon. Niet de heer Nataniel +Bumpkins uit Dawson-City met z’n witte baard en zilveren haar, maar de +detective uit New York met z’n eigen glad geschoren gezicht en z’n +eigen kortgeknipte zwarte haar. + +„Wel!” zei professor Wells ten hoogste verwonderd. + +„St!” kwam James Maccassy en hij hield z’n vinger voor z’n lippen. + +Professor Wells zweeg verder als ’n mof en keek James Maccassy alleen +maar verbaasd aan. Deze sloot zorgvuldig de deur van de hut en zei +daarna bijna onhoorbaar: + +„Jim Pimpelmees is hier aan boord.” + +„Jim Pim.... de man die volgens u mijn verdwijn-machine gestolen +heeft?” + +„Ja, dezelfde.” + +„Maar lieve help, man hoe weet je dat? Heb je ’m gezien?” + +„Nee... gezien hebben we hem geen van beiden, maar hij heeft vannacht +mijn witte baard en mijn pruik gestolen en van Jesekia Blubberdub heeft +ie z’n zwarte Italiaansche snor en z’n zwarte haren gekaapt.” + +„Maar man... jullie hebt die dingen zeker gisterenavond in ’n verkeerd +valies opgeborgen. Wat heeft iemand er nu aan om pruiken en snorren te +stelen?” + +„Dat is het juist... Niemand heeft er wat aan en geen enkele dief zou +het ooit in z’n hoofd krijgen in iemands hut in te breken om zulke +zaken te stelen. Daardoor weten we dat Jim Pimpelmees aan boord is. Die +steelt altijd van die malle dingen.” + +„Dus die Jim Pimpelmees wist dat jullie hier aan boord waren en ook hoe +je vermomd was?” + +„Dat is juist het wonderbaarlijke. Hij kon dat niet weten. Niemand wist +er iets van. Geen mensch in heel Amerika weet zelfs dat we op reis zijn +naar Nederland.” + +„Dan begrijp ik er niks van. Hoe ziet die Jim Pimpelmees d’r uit?” + +„O, da’s ’n leelijke vent met rood haar. Maar nu ie hier op de boot is, +ziet ie er natuurlijk heel anders uit. We hebben alle lui goed bekeken. +Noch onder de passagiers, noch onder het scheepsvolk hebben we hem +gezien. En toch moet ie er zijn. Dat kan niet anders.” + +„Maar wat zou hij hier op de boot doen? Is ie er toevallig?” + +„Dat weten we niet. Maar toeval zal ’t wel niet zijn. Daarom kwam ik +juist hier. We kunnen ons nu overdag niet laten zien nu we onze pruiken +en haren kwijt zijn en daarom heb ik gewacht tot het avond was.” + +„Dat begrijp ik niet... Je kunt je toch wel laten zien zooals je nu +bent?” + +„Nee, dat kan juist niet. We zijn ingeschreven als Bumpkins en +Spigoletti en als we nu verschenen als Maccassy en Blubberdub, die +iedereen kent, dan eh ...” + +„Ja wat dan?” + +„Wel dan deden we iets, dat heelemaal in strijd is met de beginselen +van ons vak. ’n Detective die ’n dief wil vangen mijnheer, doet dat +altijd vermomd. Dat kan u in alle boeken vinden waarin detectives +voorkomen.” + +„Maar als jullie niet voor de dag kan komen hoe krijg je dan eten?” + +„O, professor daar hebben we al voor gezorgd. We hebben ’n hofmeester +in het geheim genomen. We betalen hem goed en dus houdt ie z’n mond. +Maar om nu op Jim Pimpelmees terug te komen, de meest voor de hand +liggende reden van z’n aanwezigheid hier aan boord kan natuurlijk niets +anders zijn dan z’n verlangen om ook de andere helft van uw +wondermachine te pakken te krijgen. Die heeft professor toch bij zich?” + +„Zeker heb ik die bij me. Die zit veilig achter slot daar in die +koffer. Kijk maar.” + +Terwijl professor Wells de sleutel van z’n koffer zocht uit de sleutels +die hij uit zijn zak opdiepte, zei hij nog: + +„Maar dan begrijp ik toch niet wat die Jim-hoe-heet-ie-ook-weer er mee +voor had jullie pruiken en baarden te stelen, als het hem te doen is om +mijn machine. Hij heeft daardoor toch z’n aanwezigheid hier verraden?” + +„Ja dat heeft ie. Maar die Jim doet altijd van die rare dingen.” + +Professor Wells opende z’n koffer, doch liet hem van schrik weer dicht +vallen. Ook James Maccassy had met z’n scherpe oogen waarmee hij over +de linkerschouder van professor Wells in de koffer gekeken had, gezien +waardoor de professor zoo geschrokken was. De detective haalde z’n +eigen gestolen pruik en z’n baard en de zwarte haren en het +Italiaansche snorretje van z’n collega er uit, maar de machine vonden +ze niet meer in de koffer. + +„Wel, dat is brutaal,” zei James Maccassy en hij snelde de hut uit en +was ’n oogenblik later terug met Jesekia Blubberdub en nog ’n oogenblik +later hadden ze hun pruiken en verdere haren weer aangedaan en stonden +ze weer voor de oogen van de ontdane professor als Bumpkins van +Dawson-City en Signor Spigoletti van Milaan. + +Spigoletti nam het eerst het woord. + +„Professor, dat is ’n zeer geheimzinnig geval.” + +„Zeer geheimzinnig,” echode Bumpkins. + +„Er moet iemand in uw hut geweest zijn,” vervolgde Spigoletti. „Heeft u +er ’n idee van wie dat geweest kan zijn?” + +„Ik?” zei de professor Wells. „Welnee behalve ikzelf is er niemand hier +geweest als de hofmeester.” + +„Ah!” zei Bumpkins, „welke hofmeester?” + +„’n Nette man, zwart haar, klein zwart snorretje, blauwe oogen.” + +„Dat moet dezelfde zijn die wij in ’t geheim genomen hebben,” zei +Bumpkins. „Die kan ’t dus niet wezen.” + +„Nee,” zei Spigoletti, „die kan ’t niet wezen, maar om zeker te zijn +kunnen we hem even hier laten komen. Professor mag ik even de +hofmeester schellen?” + +„Ga je gang.” + +Spigoletti drukte op de knop van het electrische schelletje en ’n +oogenblik later verscheen de hofmeester, dezelfde aan wie professor +Wells gevraagd had of de twee detectives aan boord waren. + +„Ah,” zei de hofmeester met ’n verheugd gezicht toen hij binnentrad, +„hebben de heeren het vermiste al terug! Zeer verheugd.” + +„Ja,” zei Bumpkins, „onze baarden hebben we terug, maar nu is de +professor ’n zeer waardevol voorwerp kwijt. Onze pruiken en baarden +lagen in zijn koffer en zijn daarin gelegd blijkbaar door de dief zelf, +die meteen het bedoelde voorwerp daaruit genomen moet hebben.” + +„Zoo... hm... tja.” Anders scheen de hofmeester op dat moment niet te +weten. + +„Professor beweert dat jij de eenige persoon bent, die hier binnen +geweest is,” zei Spigoletti. + +„Als dat waar is heeren,” zei de hofmeester met ’n glimlach, „dan moet +ik ook bij u de baarden gestolen hebben en de pruiken.” + +„Dat moet dan wel,” zei Bumpkins, „maar dan moest je ook Jim Pimpelmees +zijn, en dat ben je niet.” + +„Wie zegt u?” vroeg de hofmeester. + +„Jim Pimpelmees.” + +„Jim Pimpelmees. Jim Pimpelmees... Waar heb ik die naam meer gehoord,” +prevelde de hofmeester. „Komt me zeer bekend voor.” + +„Zal wel waar zijn,” zei Spigoletti lachend, „dat is de gekste dief uit +heel de Vereenigde Staten, je hebt z’n naam zeker wel eens in ’n krant +gelezen.” + +„Dat zal ’t zijn,” antwoordde de hofmeester met ’n zeer nadenkend +gezicht. „En denkt u dat die man hier aan boord is?” + +„Vast,” zei Bumpkins. + +„Sekuur,” zei Spigoletti. + +„Hoe ziet hij er uit?” vroeg de hofmeester. + +„Leelijke kerel, rood haar, maar hier ziet hij er anders uit, dat +begrijp je wel hè.” + +„Dan zal ’t moeilijk zijn hem te ontdekken.” + +„Heel moeielijk, maar we ontdekken hem.” + +„Dat doen we zeker,” bevestigde Bumpkins. „En stellig nu de professor +niemand hier in of nabij z’n hut gezien heeft die er verdacht uitzag.” + +„Ho, dat heb ik niet gezegd,” zei professor Wells. „Ik heb wel vijftig +menschen hier in de buurt gezien en nu ik m’n machine kwijt ben, moet +ik zeggen dat ze er allemaal even verdacht uitzagen.” + +„Maar ik heb wel iemand gezien, die op verdachte wijze hier in de buurt +rondsloop,” zei de hofmeester. „En nu ik me goed herinner, leek het me +dat ie iets in de hand had in papier gewikkeld.” + +„Onze haren,” zei Bumpkins, „’t papier ligt nog in de koffer van +professor Wells.” + +„Hoe zag die persoon er uit?” vroeg de andere detective. + +„Heel gewoon ’n derde klasse-passagier of zooiets. ’k Heb hem verder +niet zoo nauwkeurig opgenomen.” + +„Daar hebben wij niet veel aan, hè Bumpkins?” + +„Nee, de aanwijzing is te vaag. We zullen hem zelf moeten opsporen,” en +toen, zich wendend tot professor Wells, die met ’n verdrietig gezicht +het onderhoud gevolgd had: „Moed houen professor, u krijgt uw beide +machines terug, alle twee, zoowaar ik Bumpkins heet!” + +„Maar zoo heet je niet,” zei de professor. + +„Professor,” zei Bumpkins van Dawson-City, plechtig, „hier heet ik +Bumpkins. James Maccassy is nog altijd in New York, ligt met ’n zware +verkoudheid in bed en is voor niemand te spreken.” + +„En Jesekia Blubberdub mag in Chicago eveneens z’n bed niet uit, want +hij heeft z’n voet verstuikt,” zei Spigoletti. + +„Slim ... buitengewoon slim,” zei de hofmeester met ’n glimlach ... + +De hofmeester ging heen en ’n oogenblik later verdwenen ook Bumpkins en +Spigoletti. Die gingen ’n plan verzinnen om Jim Pimpelmees te pakken te +krijgen en professor Wells bleef alleen achter in ’n zeer naargeestige +stemming. De onderneming begon dan al heel slecht. In plaats dat ie z’n +gestolen machine terugkreeg, was nu de andere helft ook verdwenen. +Mistroostig staarde hij in z’n koffer. Maar wat hielp hem dat? +Niemendal. Al keek hij nog zoolang in die koffer, daarmee zou hij de +verloren machine, waaraan hij jaren lang gewerkt had, niet terug +krijgen. Hij bukte zich om de koffer te sluiten en daarbij viel z’n oog +op ’n enveloppe met z’n adres erop. Toen hij ’t opnam, merkte hij dat +het ’n ongeopende brief was. Hoe kwam die nu in z’n koffer. Hij had er +’n eed op durven doen dat ie geen brief in z’n koffer had gedaan en dan +nog wel een, die niet geopend was! Bevend van haast en nieuwsgierigheid +scheurde hij de omslag open, nam het netjes gevouwen vel papier er uit +en las: + + + Hooggeachte professor, + + Ondergeteekende is zoo vrij geweest ook deze helft van uw + wondermachine voor eenige tijd van u te leenen. De andere helft + heeft hij al geleend zooals u nu wel begrijpen zult. + Ondergeteekende stelt zeer veel belang in uw uitvinding en alleen + uit een overgroot verlangen om er zelf proeven mee te nemen, kwam + hij er toe zich zonder uw toestemming van beide machines meester te + maken. U kan er op rekenen ze allebei ongeschonden terug te + ontvangen, zoodra ondergeteekende met z’n proefnemingen klaar is. + Als hij u een goeden raad mag geven, laat dan die ezel van ’n + Bumpkins en dat schaap van ’n Spigoletti er verder buiten en zeg + hen niets van dit briefje. Ze zijn alleen maar in staat de boel te + bederven en ze zijn lang niet slim genoeg om ondergeteekende te + pakken te krijgen. + + Met de meeste hoogachting Uw dienstwillige + + Jim Pimpelmees. + + +Professor Wells zat met het briefje in z’n hand terwijl allerlei +gedachten hem als ’n molentje in z’n hoofd ronddraaiden. Hij kon er +niet uit wijs worden. De moeilijkste uitvindingen had ie gedaan, maar +nu zat ie voor iets waar hij geen weg mee wist. Die Jim Pimpelmees was +’n brutale kerel en ’n eerste klas inbreker, dat stond vast. Maar James +Maccassy en Jesekia Blubberdub alias Bumpkins en Spigoletti waren +eerste klas detectives, dat stond niet minder vast. Hadden ze niet +onmiddellijk gezegd wie de dief moest zijn? Maar het was de vraag wie +er slimmer was, zij met hun beiden of Jim alleen. Hij noemde hen wel ’n +ezel en ’n schaap en hij had bovendien bewezen dat ie veel durfde, +zelfs vlak onder hun neus, doch misschien waren ze hem op de lange duur +toch nog de baas. Misschien was het wel ’n slimmigheidje van Jim dat ie +hem aanried niets van dat briefje aan de twee speurders te zeggen, maar +als dat zoo was waarom had ie het dan geschreven? En hij beloofde hem +z’n beide machines terug te geven als hij er niets van zei. Was zoo’n +inbreker te vertrouwen? Kon je hem op z’n woord gelooven? + +De arme professor Wells wist er geen raad mee. ’t Eene oogenblik wou +hij opstaan om dadelijk naar Bumpkins en Spigoletti te gaan en het +volgende oogenblik voelde hij er meer voor maar te doen wat Jim +Pimpelmees hem geraden had. En dat bleef zoo de heele avond en de +volgende dag en de dag daarna en toen ze eindelijk in Amsterdam waren +afgestapt in het Amstelhotel, had hij nog geen besluit genomen. Maar +hij had in die tusschentijd ’n prachtuitvinding gedaan, n.l. de +electrische fiets met één wiel, waar je binnen in zat. Hij had die +machine nog slechts bedacht, maar hij zou dat dingetje zoodra hij in +Amerika terug was, wel eventjes ten uitvoer brengen. Dat was maar ’n +peuleschilletje en heel wat gemakkelijker dan te beslissen of hij +Bumpkins en Spigoletti iets van dat briefje van Jim zou meedeelen of +niet. + +Die twee detectives hadden natuurlijk gedaan wat ze konden om op het +schip die brutale Jim Pimpelmees in handen te krijgen, doch ze waren +daar niet in geslaagd en die slimme dief had het klaargespeeld om met +de andere helft van de wondermachine te ontsnappen. Professor Wells was +daar zeer verdrietig om, doch Bumpkins en de Italiaan verzekerden hem +allebei, dat er geen reden was om er z’n humeur door te laten bederven, +want dat ze die Jim vast en zeker te pakken zouden krijgen. Professor +Wells begreep, dat ie er toch niets aan veranderen kon en liet dus de +twee Amerikanen hun gang maar gaan. + +En nu troffen die twee het al heel gelukkig, want de Nederlandsche +kranten hadden in die dagen juist allerlei berichten over het +onzichtbare varken, de haan en de telefoonpaal. Het had eerst in ’n +klein krantje gestaan en daarna was het terecht gekomen in ’n grootere +krant en eindelijk maakten ook de groote, het Handelsblad, de Telegraaf +en de Nieuwe Rotterdammer er melding van. + +De portier van het Amstelhotel had het juist gelezen toen Bumpkins en +Spigoletti bij hem kwamen om hem iets te vragen. De portier maakte ’n +praatje en vertelde, wat ie juist gelezen had. Hij vond het zoo’n gekke +geschiedenis, zei hij, maar Bumpkins en Spigoletti hadden hun ooren +gespitst en geen woord was hen ontgaan en daarna lieten ze de portier +het heele bericht voorlezen, natuurlijk in ’t Engelsch, wat die portier +heel vlot deed, want portiers in groote hotels kunnen je in heel wat +talen te woord staan. + +’n Half uur later zaten Bumpkins en Spigoletti in de trein die hen naar +de Veluwe reed. + +In de bagagewagen stonden twee splinternieuwe fietsen, die ze zich +hadden aangeschaft. + +„Wel,” zei Bumpkins toen ie z’n pijp opnieuw stopte, „hoe vindt je ’m?” + +„Prachtig.... ’t Is ’n fortuin waard. Ditmaal snappen we Jim.” + +„Met allebei de machines.” + +Spigoletti en Bumpkins deden ieder ’n lange haal aan hun pijp, knikten +vergenoegd waarna Bumpkins zei: + +„We boffen man.” + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + Waarin de veldwachter z’n sabel onzichtbaar wordt en Bumpkins z’n + fiets ziet wegracen zonder dat er iemand opzit. + + +Piet had de verdwijn-machine in het kippenschuurtje laten staan. Hij +had Koen ervan overtuigd dat daar de beste plaats voor het ding was, +omdat er nooit iemand anders dan hijzelf in dat schuurtje kwam. Koen +was er mee tevreden geweest en nu wachtte hij maar of z’n vader geen +brief of telegram uit Amerika kreeg. Zoodra dat gebeurde, dat had hij +zich nu vast voorgenomen, dan zou hij z’n vader alles wel vertellen. +Piet had op zijn beurt dat weer goedgevonden. + +M’nheer Bruggemans speurde al wat ie kon, nog harder dan de +dorpsveldwachter en de koddebeier en de twee rijksveldwachters. Hij +meende dat de machine weer in handen was van de oorspronkelijke dief. +En hij had er wat voor willen geven als hij die had kunnen ontdekken. +Hij had met de veldwachters samen willen werken maar die waren niet van +hem gediend. De veldwachters beweerden dat zoo’n stadsch m’nheertje +geen verstand had van dieven vangen. + +Nu, juist op de dag dat Bumpkins en Spigoletti naar de Veluwe spoorden +om Jim Pimpelmees te overrompelen, die volgens hen zeker en vast wel +wat zou gaan probeeren met de machine die hij onlangs gestolen had, was +er op de boerderij juist weer ’n opzienbarende verdwijning geschied. De +dorpsveldwachter was thuisgekomen van de boerderij waar hij ’s nachts +met ’n rijksveldwachter gesurveilleerd had en had als gewoonlijk z’n +sabel in ’n hoek van de kamer aan ’n spijker opgehangen. Daarna had hij +gegeten en was gaan slapen omdat ’n mensch zonder behoorlijk voedsel en +zonder behoorlijke nachtrust niet in ’t leven blijven kan. Toen was z’n +vrouw gekomen en had de sabel van de wand genomen en was er mee naar de +keuken gegaan om zooals ze iedere Vrijdag met dat wapen deed, het ding +tegelijk met het andere koper- tin- blik- en ijzerwerk glimmend te +poetsen. Het gevest van de sabel werd met poetspommade behandeld +evenals de koperen plaat van de koppel en het puntstuk van de scheede. +Daarna was ze gewoon de sabel uit de schee te trekken, altijd ’n beetje +voorzichtig ofschoon het wapen niet scherp geslepen was en dan werd het +blanke staal met vaseline ingesmeerd, want volgens de veldwachter die +in z’n jeugd soldaat geweest was, moest je je wapens altijd goed onder +’t vet houden, anders roestten ze maar. + +De vrouw trok de sabel naar gewoonte uit de schee en was daar al ’n +heel eind mee gevorderd toen ze bespeurde dat er achter het gevest +niets, niemendal uit de scheede te voorschijn kwam. Eerst keek ze +zonder te begrijpen en toen werden d’r oogen hoe langer hoe grooter en +toen ze met de linkerhand de scheede losgelaten had en onwillekeurig +met die hand naar de sabel voelde, liet ze plotseling het heele ding op +de aanrecht vallen, gaf ’n gil en stond ’n oogenblik later voor de +snurkende veldwachter te schreeuwen, die onmiddellijk uit z’n bed +sprong en vroeg of er brand was. Het duurde ’n heele tijd eer de vrouw +in plaats van te schreeuwen en te gillen ’n fatsoenlijk woord zeggen +kon en dat woord was natuurlijk: „S-sa-bel!” + +„Wat, sabel... wat klets je toch van m’n sabel!” + +„Is... weg.” + +„Je bent niet goed,” mopperde de veldwachter. „Kijk uit je oogen, ’t +ding hangt aan de spijker net als altijd. Ik heb ’m d’r zelf +neergehangen.” + +„Nee...” zei de vrouw... „dat is ’t niet. Je sabel is onzichtbaar.” + +„Mijn sabel!” mompelde de veldwachter... „mensch weet je ’t wel goed?” + +Met ’n paar groote stappen was de veldwachter in de kamer, waar hij z’n +wapen aan de nagel gehangen had en toen ie ’t daar niet zag of voelde, +ging hij naar de keuken. + +„Wat klets je toch,” riep hij z’n vrouw toe, die nog altijd in de +slaapkamer was. „M’n sabel ligt op de aanrecht.” + +Hij pakte z’n sabel op, die weer in de schee gegleden was, doch toen +kwam z’n vrouw voor de dag en zei: + +„Trek ’m uit de schee, dan zal je ’t zelf wel zien.” + +De veldwachter deed het en toen was het zijn beurt om met open mond z’n +wapen aan te staren. In de eene Hand had hij de scheede en in de andere +blijkbaar niets anders dan het gevest. + +„Da’s akelig!” zei de veldwachter eindelijk. „Ik ga dadelijk naar de +burgemeester.” + +De burgemeester bekeek en betastte de sabel nauwkeurig en zei daarna: + +„Ik begrijp niet wat jullie allemaal voor ezels bent. Nou zit je me +daar dag en nacht op die boerderij, je ontdekt niks en tenslotte wordt +je eigen sabel onzichtbaar. Nou begrijpt toch iedereen dat jullie daar +je tijd verslaapt, of niet? Als je wakker geweest was, zou niemand er +toch in geslaagd zijn, iets aan je sabel te doen? ’t Is ’n schandaal, +versta je dat, ’n schandaal! Ben jullie veldwachters? ’t Is me wat +moois! Veldsuffers ben jullie! Vooruit naar de boerderij. En vanavond +kom ik zelf! Doe je sabel om!” + +De veldwachter stond verslagen. Zoo’n standje ook. En ze hadden +heelemaal niet geslapen de heele nacht niet. Trouw hadden ze de ronde +gedaan en ’t eenige wat er op hem aan te merken zou kunnen zijn, was +dat ie z’n sabel de vorige avond ’n oogenblik had afgedaan omdat de +koppel hem zoo knelde om z’n buik. Hij had bij de boerin wat veel van +de spekpannekoeken gegeten en dan is het toch warempel geen wonder dat +je buik ’n beetje last heeft van zoo’n leeren riem, die je niet wijder +kan maken. Ja... waar had ie toen ook weer z’n sabel neergelegd? Buiten +op de regenbak en daarna waren ze de ronde gaan doen wel ’n kwartier +ver om de boerderij heen. Ze hadden zich overtuigd dat er geen levende +ziel te bekennen was en toen hij terug kwam, lag z’n sabel er nog net +zoo. + +Dat zei hij allemaal tegen de burgemeester, want als ’t er op aankwam, +dan was ie ook niet op z’n mondje gevallen. Maar de burgemeester +snauwde hem nijdig toe: + +„Doe je sabel om en snij uit.” + +Hij dee niets liever dan „uitsnijen”, dan was ie van die standjes af. +Maar z’n sabel omdoen, dat was wat anders. Voor geen geld van de wereld +wou ie dat akelige ding aan z’n lijf hebben. + +Doch toen ie dat ook tegen de burgemeester zei, werd deze zoo woedend +en zei zulke leelijke dingen tegen de veldwachter dat die dappere +politieman bleek van ontsteltenis de plaat poetste met achterlating van +z’n onzichtbaar geworden sabel. Buiten gekomen sprong de arme man op +z’n fiets en race-te als ’n wielrenner het dorp door, regelrecht naar +de boerderij. Met z’n neus op het stuur trapte hij zonder op te kijken +maar door. Bellen deed ie niet en de fietsers en voetgangers die hem +ontmoetten, maakten dat ze uit de weg kwamen. En de dorpelingen die hem +nakeken, zeien tegen elkaar: „Hij zit ze na hoor!” + +„Hij krijgt ze te pakken,” zei ’n ander. „Als ie zoo doorfietst, heeft +ie ze ingehaald voor ze er om denken.” + +De dorpelingen die zoo praatten, bedoelden Bumpkins en Spigoletti die +op hun nieuwe fietsen nog geen tien minuten geleden het dorp waren +doorgekomen en ook op weg waren naar de boerderij. Ze hadden goed +geïnformeerd bij de stationchef in Apeldoorn, die hen had kunnen +inlichten in hun eigen taal en nu trapten ze er vroolijk op los. Ze +zouen nu wel gauw die Jim te pakken hebben, meenden ze. De dorpelingen +hadden die twee vreemdelingen natuurlijk allemaal nagekeken en toen ze +’n poosje later hun eigen veldwachter zoo razend over de weg zagen +stuiven, meenden ze natuurlijk, dat ie die twee vreemde snoeshanen +achterna zat. + +Als de veldwachter niet zoo van zijn stukken geweest was door het +ongemanierde standje van z’n burgemeester, had ie wel beter uitgekeken +en dan had ie natuurlijk daar ver vooruit op het fietspad die twee +Amerikanen moeten zien. Maar zooals nu de zaken stonden, zag hij +niemendal en race-te maar door. Totdat hij met een vaartje van twintig +kilometer in het uur de twee Amerikanen onderstboven reed, waarbij hij +zelf natuurlijk ook ’n rare tuimeling maakte. Ze buitelden alle drie op +’n vreemde manier over elkaar heen en kwamen dank zij de zachte berm +van de weg er met wat schrammen en blauwe plekken af. En daarna zaten +ze alle drie elkaar aan te staren en merkten in ’t eerst niet eens op, +dat ze om de onzichtbare telefoonpaal heen zaten. Wonder boven wonder +waren ze geen van drieën met dat onzichtbare ding in aanraking gekomen. +Ze keken er alle drie glad doorheen, maar de veldwachter was de eerste, +die boven zich de porceleinen potten in de gaten kreeg en omdat ie die +dag juist ’n erge afschuw had van al die onzichtbaar geworden dingen, +riep hij in z’n ontsteltenis: „Ai... de paal!” + +De detectives verstonden van die uitroep geen letter, maar ze werden nu +ook opmerkzaam en keken omhoog zooals de veldwachter nog altijd deed. + +De veldwachter hoorde toen plotseling allerlei vreemde geluiden, die +uit de monden van die twee kerels kwamen en hij zag dat Bumpkins naar +de onzichtbare paal kroop en die begon te betasten. Daarna deed +Spigoletti het ook en onderwijl spraken ze opgewonden en druk. Doch dat +bleef voor de veldwachter alles maar geluid, waarvan hij niets begreep. + +Doch één ding werd de veldwachter duidelijk en dat kwam zoo plotseling +als ’n bliksemstraal die insloeg: Hij had daar voor zich de lui die al +die onzichtbare dingen op hun geweten hadden. En terwijl hem dat zoo +plotseling klaar werd als de dag, stonden z’n haren haast rechtop van +schrik en benauwdheid. Die schurken konden hem beetpakken en dan konden +ze hem onzichtbaar maken, wie weet. Dat ging misschien in ’n paar +sekonden. Het angstzweet brak hem uit. + +Bumpkins en Spigoletti namen echter heel geen notitie van hem. Ze +hadden het te druk met de paal en de veldwachter had nog net +tegenwoordigheid van geest genoeg om z’n fiets te grijpen, het ding +overeind te sjorren, er op te springen en weg te rennen. Het kon hem +niet schelen welke kant ie opging. Zooals de fiets stond, reed ie weg +en zoo kwam het dat ie tien minuten later weer full speed het dorp +doorrace-te en weer bij de burgemeester terechtkwam. + +„Hallo,” zei Bumpkins toen hij de veldwachter zag wegracen, „die vent +is stapelgek.” + +„Gaat ons niet aan,” antwoordde Spigoletti. + +„Je hebt gelijk, wat dunkt jou van die paal?” + +„Wel die paal is in orde. Ik ben er voor om nu eens te gaan zoeken naar +de machine. Jim heeft er hier mee gewerkt.” + +„Maar hoe lang geleden? Jim was op de boot. Hij is dus eerst hier +geweest en naar Amerika teruggegaan, waarschijnlijk om de andere helft. +Die heeft ie te pakken gekregen op de boot en nu is ie weer hier heen.” + +„Precies. Hij is hier in de buurt met allebei de machines.” + +„En nu zijn wij zoo dom hier aan de openbare weg te zitten zoodat +iedereen ons zien kan. Als Jim hier in de buurt is, moeten we oppassen. +Hij is slim.” + +„Dat is ie zeker. Ik stel voor om onze fietsen ergens te verstoppen, +daar in dat bosch bijvoorbeeld en dan gaan we eens neuzen of we wat van +onze Jim ontdekken kunnen.” + +„Goeie idee,” zei Bumpkins. „Vooruit dan maar.” + +Ze pakten hun fietsen op en geen twee minuten later hadden ze die +netjes verborgen, waarna ze er op uit gingen om Jim Pimpelmees te +ontdekken of tenminste ’t een of ander dat hen op ’t rechte spoor zou +kunnen brengen. + +Ze hadden hun fietsen zoo verstopt onder de struiken, dat niemand die +licht ontdekken zou, als ie niet gezien had dat daar fietsen verborgen +werden. Doch dat was nu juist wel het geval. Piet en Koen waren daar +net in de buurt. Ze hadden de twee Amerikanen het bosch in zien gaan +met hun fietsen en ’n poosje later zagen ze hen wegsluipen zonder hun +karretjes. Natuurlijk gingen toen de twee jongens aan ’t zoeken en ’t +duurde niet lang of ze vonden de rijwielen. + +„Spiksplinternieuwe karren,” zei Koen. „Fongers.” + +„Gestolen?” zei Piet. + +„Dat weet ik niet. Maar waarom zouen ze die dingen hier neer gezet +hebben?” + +„Nogal duidelijk, als ze die tenminste niet gestolen hebben. Als ze +gestolen zijn, hebben ze ze hier verstopt, maar anders hebben ze ’t +zeker gedaan omdat ze hier in de buurt wat tusschen de struiken willen +wandelen. Misschien zijn ’t wel van die plantenzoekers. Die komen hier +wel meer.” + +„Nee dat zijn ’t niet, want dan moesten ze zoo’n plantenbus bij zich +hebben.” + +„Stil even,” zei Piet, „daar komen ze al weer an.” + +Hij hoorde duidelijk de geluiden die iemand veroorzaakt als hij zich +door het kreupelhout heenwerkt. In ’n wip was Piet verder het +kreupelhout ingegaan en Koen volgde z’n voorbeeld. Ze waren +nieuwsgierig en Koen vooral want die had plotseling de idee gekregen, +dat die twee vreemdelingen misschien wel uit Amerika konden zijn. Ze +zagen er zoo heelemaal niet hollandsch uit. Als dat nou eens professor +Wells was. Die eene met z’n witte baard kon best ’n professor zijn. + +Het geluid was nu vlakbij en ’n oogenblik later zagen de jongens de +takken bij de fietsen uit elkaar gaan, zooals ze doen als iemand er +door wil en ze met z’n twee handen opzij duwt. Doch ze zagen geen +mensch. + +Toen gebeurde er iets zoo vreemds, dat de jongens er allebei +hartkloppingen van schrik door kregen. Een van de fietsen maakte ’n +beweging alsof iemand het stuur gegrepen had en begon alleen weg te +rijden. ’n Fiets rijdt echter niet gemakkelijk tusschen de struiken en +Koen en Piet zagen de fiets ’n oogenblik later van de grond getild en +het bosch uitgaan alsof iemand hem droeg op z’n schouder. + +De jongens waren stom van verbazing, maar niet zoo geschrokken of ze +gingen zoo snel ze konden die vreemd doende fiets na. De weg ging op +die plaats vlak voorbij het bosch en Koen en Piet zagen de fiets +wegrijden zonder dat er iemand opzat. + +„Nou,” zei Piet, „dát heb ik nog nooit gezien. ’n Fiets die zelf het +bosch uitgaat en alleen wegrijdt.” + +„Kan niet,” zei Koen. „D’r moet iemand op zitten.” + +„Maar d’r zat niemand op!” + +„Hoe weet jij dat? D’r kan iemand op gezeten hebben die onzichtbaar +was.” + +„Iemand die onzichtbaar was? ’n Onzichtbare man?” + +„Ja, d’r is toch ’n onzichtbaar varken, ’n onzichtbare haan en ’n +onzichtbare telefoonpaal. Dan kan er ook wel ’n onzichtbaar mensch +wezen.” + +„Dat kan,” gaf Piet toe, „maar wie zou ’t wezen. Wij hebben de +machine.” + +„Misschien is ’t die professor Wells zelf wel!” + +Piet had geen tijd om te antwoorden. Op de weg kwamen de twee +vreemdelingen die hun fietsen in ’t bosch hadden verborgen, aangehold. +Zulk loopen had Piet noch Koen ooit aanschouwd. Die kerels liepen +letterlijk als hazen en die met de witte baard won het nog stukken van +de zwarte. + +De ouwe heer was het eerst op de plek en ging zonder dralen het bosch +in om er ’n paar sekonden later met de overgebleven fiets uit te komen. +Hij sprong op de de kar en terwijl hij wegrace-te in de richting waar +de andere fiets alleen heen gegaan was, riep hij nog ’n paar woorden +tegen de zwarte, die toen weer wat terugriep. + +De zwarte heer keek de jongens ’n oogenblik aan, doch zei niets tegen +hen, maar liep de weg op en verdween toen weer in ’t bosch. + +„Kon jij verstaan wat ie riep?” vroeg Piet. + +„Verstaan niet, enkel maar ’n paar woorden. Ze spreken engelsch. ’t +Zijn bepaald Amerikanen en ze hebben vast wat te maken met die +verdwijn-machine.” + +„Spreken ze in Amerika dan geen amerikaansch?” vroeg Piet. + +„Och jô, weet je dat nog niet, amerikaansch is engelsch.” + +„Wist ik heelemaal niet.” + +„Laten we nou maar gauw naar huis gaan Piet... Ik moet het nu toch aan +vader zeggen van die fiets en van die Amerikanen en als ze komen, +moeten we die machine dadelijk geven.” + +„Natuurlijk geven we die machine dadelijk aan de eigenaar. Jouw vader +zal ook wel zoo slim zijn om ’m maar niet aan de eerste de beste te +geven die er om komt. Verbeeld je dat de dief of de dieven die ’m +gestolen hebben eens kwamen!” + +„Daar heb je gelijk aan. We moesten nu maar eerst aan vader vertellen +wat we hier gezien hebben van die fiets en dan zeggen we meteen maar, +dat wij de machine in ’t kippenhok bewaren.” + +„Dat zal ’t beste wel zijn. Zeg ik zou wel eens willen weten, wat de +veldwachter zei toen ie z’n sabel miste.” + +„’t Is de vraag of ie ’t ding al gemist heeft,” zei Koen lachend. „Hij +zal ook niet elk oogenblik z’n sabel trekken.” + +„Komt er ook niet opaan. Vandaag of morgen ziet ie ’t en dan schrikt ie +zich ’n aap. Hij is zoo bijgeloovig als ’n oud wijf.” + +Ze stapten stevig aan om thuis te komen, want ze begrepen allebei dat +het nu wel op ’n eind zou loopen met de machine in hun bezit. Het kon +niet lang meer duren eer de oplossing kwam. En ze waren er benieuwd +naar, want die fiets had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie zou daar +onzichtbaar op gezeten hebben? Piet meende dat het de professor zelf +moest zijn, doch dan moesten die twee vreemden waarvan er een zoo +haastig was geweest met het achtervolgen van de fiets die er schijnbaar +alleen van door was, de dieven zijn. Koen daarentegen hield vol, dat de +dief onzichtbaar was en dat die witte m’nheer de professor moest zijn. + +Intusschen was Bumpkins de onzichtbare man achterna gefietst. De weg +was eenzaam tot aan het het dorp waar hij door moest. Maar daar was +alles in rep en roer en de menschen vlogen op zij toen Bumpkins in +volle vaart langs de smederij stoof, waar de menschen bij elkaar +stonden om het wonderbare geval te bespreken, dat de meesten van hen +met eigen oogen aanschouwd hadden, de fiets die alleen reed. Van alle +wonderen waarvan ze in de laatste tijd getuigen waren geweest, was dit +wel het meest wonderbaarlijke. Natuurlijk, de onzichtbare sabel van hun +eigen veldwachter was ook geen kleinigheid, maar dit, nee, dat sloeg nu +gewoon alles. En de vrouw van de smid was het dichtste bij datgene wat +ze allemaal voelden, toen ze zei dat het was om er naar van te worden. + +Toen ze nu Bumpkins in razende vaart voorbij zagen racen, (James +Maccassy was altijd ’n eerste klas wielrenner geweest) riep de smid, +terwijl ze uit elkaar stoven als schrikkende kippen: „Die hoort er ook +bij, da’s een van de twee vreemde snoeshanen die we vanmorgen hier door +zagen komen en die de veldwachter bij de paal heeft zien zitten.” + +Die dorpsmenschen wisten altijd dadelijk alles van elkaar. Ze waren dus +al op de hoogte van het geval met de sabel en van de rare ontmoeting +van hun veldwachter met die twee vreemdelingen. + +„Ik ga ’m achterna,” riep de smid. „Wie gaat er mee?” + +Hij ging z’n smederij binnen en was ’n oogenblik later buiten met z’n +fiets. + +Dadelijk waren de meeste mannen die op het dorp woonden bereid en ze +draafden naar alle kanten om hun tweewielers te gaan halen. De smid +hoefde niet lang te wachten of er waren minstens ’n stuk of vijftien +dorpelingen, die achter de smid aan wegrenden. De smid had er al +dadelijk ’n flink gangetje ingezet. Hij had de leiding. De kleermaker +was vlak naast hem. Die had ’n goeie fiets, die licht reed anders had +ie het niet kunnen bolwerken tegen de reuzenspieren, die de smid in z’n +kuiten had. Daar vlak achter kwam de klompenmaker op ’n armzalig +wieltje met onmogelijk gelapte banden. Maar de man had zelden pech en +iedereen verwonderde zich er altijd over, dat ie met zoo’n rotkar niet +twintigmaal per dag met leege banden stond. Bij de klompenmaker reed de +bakker op ’n vreeselijk zware kar, met twee stangen in het frame en ’n +ijzeren bagagedrager met ’n groote broodmand voor aan het stuur. Dan +volgden de metselaar op klompen met ’n paar rammelende spatborden en +anderhalf pedaal, de schoenmaker-barbier op ’n race-karretje en de rest +van de deelnemers op rijwielen die allemaal min of meer de gebreken van +de ouderdom vertoonden. + +Na ’n minuut of tien viel de metselaar uit. Z’n achterband was met ’n +knal gesprongen. De anderen lachten hem uit en lieten hem aan de weg +staan. Hij kon alleen de terugtocht ondernemen. De schoenmaker was uit +de achterste gelederen naar voren gekomen en had de kleermaker +verdrongen, zoodat ie nu naast de smid reed. Hij wou die smid eens +probeeren en met z’n handen bijna op de grond en z’n neus over het +stuur trapte hij uit al z’n macht en z’n pedalen gingen rond of ze aan +’n stoommachine zaten. Maar de smid kon het schoenmakertje wel aan. Hij +had ’n fiets met ’n groote versnelling en z’n beenen waren zoo sterk of +ze van ijzer waren. Hij hoefde zich niet eens voorover te buigen om het +schoenmakertje bij te houen. En hij werd er niet eens kortademig van +zooals de schoenmaker, die bek-af werd en met ’n rooie kop waar het +zweet afdroop al heel gauw begon te verslappen, waarbij de lachende +smid hem voorbijschoot en de schoenmaker toeriep: „Toe schoenlapper +opschieten!” + +De heele troep kwam bij tweeën en drieën achteraan, maar ze bleven toch +zoowat bij elkaar en zoo reden ze Apeldoorn in, waar ze niet hoefden te +vragen waar ze heen moesten, want langs de weg waar de losse fiets en +de Amerikaan achter elkaar heen gekomen waren, stonden overal menschen +te kijken en het gekke geval te bepraten. Velen liepen ook op ’n drafje +dezelfde weg op en al gauw waren er ’n vijftig fietsers achter de +dorpelingen aan. Het was ’n heel eskadron geworden. Maar op het plein +voor het station konden ze niet verder, want het was daar zwart van de +menschen, waarvan de meesten niet wisten wat er aan de hand was. De +smid maakte niet veel omslag maar drong met fiets en al gewoon door de +menigte en kwam vooraan, waar vlak bij het station de Amerikaan met +twee fietsen stond, benevens ’n paar politieagenten, waarvan er een met +Bumpkins trachtte te praten. + +Bumpkins verstond evenwel geen woord van wat de agent zei en die +natuurlijk niets van Bumpkins. De agenten hadden de fiets die alleen +reed, niet zien komen en ze geloofden geen woord van sommige +omstanders, die het wel gezien hadden. + +Die agenten waren ongeloovige Tomassen en een van hen beweerde, dat ie +die onzin gelooven zou als ie ’t zelf zag en toen wilden de menschen de +fiets er weer alleen vandoor laten gaan, doch zoodra ze de fiets +loslieten, viel ie om zooals elke fatsoenlijke fiets gewoon is te doen. + +De agenten maanden dus de menschen tot doorloopen aan, want ze wisten +er geen touw aan vast te knoopen. Bumpkins gesticuleerde en praatte en +het gevolg was dat de twee agenten Bumpkins met z’n twee fietsen +meenamen naar ’t politiebureau, vergezeld door honderden menschen +waaronder ook de smid met z’n volgelingen. + +Op het bureau was ’n inspecteur die engelsch verstond en daar Bumpkins +alleen zei dat de fietsen van hem waren en de eene gestolen was, en de +dief waarschijnlijk met de trein vertrokken, vond de inspecteur het +goed Bumpkins met z’n twee fietsen te laten heengaan. + +Hij had ’n beetje moeite met z’n beide fietsen door de menigte te +komen, doch ’n paar agenten hielpen hem en zoo kwam hij veilig er +tusschen uit. Hij sprong vlug op de fiets en met de andere aan de hand +trapte hij weg. + +Maar op de terugweg naar het dorp waren de smid en de andere vlak +achter hem. + +Dat vond de Amerikaan niet erg naar z’n zin, maar hij kon er niets aan +doen. Toen hij evenwel het dorp bereikt had, zette hij er de sokken in +en reed in eens door naar het bosch waar Spigoletti op hem wachtte. De +smid vond het niet geraden hem nog verder te volgen en de menschen die +altijd hun smid in zulke dingen nadeden, bleven dus ook maar achter en +vertelden toen wat ze in Apeldoorn gezien hadden. Het heele dorp was er +de heele dag door van streek. + +Het was ook te gek, ’n fiets die eerst alleen ’n tochtje deed en later +bleek niet meer op z’n eigen beenen te kunnen staan. Daar had nog nooit +iemand van gehoord. + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en + als echte inbrekers te werk gaan. + + +Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester +besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak +door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle +geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er +waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden +zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en +daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee +zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij +wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een +paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En +de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die +beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika, +dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter +en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee +vreemde kerels eenvoudig maar in te pikken en de burgemeester besloot +na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er +niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken, +moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester, +maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat +onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de +veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch +immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de +veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n +sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had. + +Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de +vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch +zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de +dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar +alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te +kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten +gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die +vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid +eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al +vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel +de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er +minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de +arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus +in het geval dat de politie het niet alleen af kon. + +„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we +kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.” + +„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat +er van terecht komt.” + +Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds +toen het gevecht op het hevigst was. + +Want het was ’n gevecht geworden. + +De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen. +De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals +hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die +veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw +vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te +voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of +Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de +pot wou stoppen? + +De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan +en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder +voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor +brullen: „Ik heb je man!” + +In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem +aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als +amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke +misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor +’n klein geruchtje vervaard. Hij stond ordentelijk z’n man in ’n gewone +worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. +Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee aanranders, want +daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar +opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe +zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist +los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De +koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan +in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen +nog maar vurige sterren. + +Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw +de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De +arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. +Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter +van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m +niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed +ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, +maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten +en grijpende handen. + +Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de +veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere +vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de +dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes +hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n +nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot +ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag +daar iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort +geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De +metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen +en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar +aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef. + +Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets +anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. +Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de +burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand. + +De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden +de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam +achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der +Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen +opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat +beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de +metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd +door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond +zwart van de menschen voor het gemeentehuis. + +Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n +tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de +gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd +worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de +burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de +burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer +Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem +te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen. + +M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n +leien dakje. + +De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu +weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. +Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, +deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, +gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen. + +De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n +fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en +dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat +weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te +spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die +aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de +burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was +voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er +professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze +dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor +Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief. + +De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te +brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. +Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de +portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de +telefoon wilde komen. + +Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer +waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het +volgende gesprek: + +„Is professor Wells daar zelf?” + +„Ja. Wells van Yale.” + +„U spreekt met de burgemeester van Deelen.” + +„Wat zegt u ... van Yale?” + +„Van Deelen .... op de Veluwe .... provincie Gelderland.” + +„O .... doet me genoegen .... gaat u verder.” + +„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .... allerlei +dingen zijn onzichtbaar geworden... waarschijnlijk met uw machine.... +en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.... waarschijnlijk de +dieven zelf.... doch ze beweren dat ze detectives zijn ... Heeft u twee +detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?” + +„Ja zeker.... de beroemdste die ik vinden kon.... De eene heet Bumpkins +uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft +de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar +dadelijk loslaten.” + +„Wil u die namen nog eens opgeven?” + +„Jawel.... Bumpkins.... Bump-kins.... schrijft u het misschien op?” + +„Ja professor, daar ben ik mee bezig.” + +„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. +Spi-go-let-ti.” + +„Dank u wel... Wat zegt u... Heet de werkelijke dief Jim Pimpelmees... +Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed +vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.... Dag professor.” + +M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie +met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de +rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan +later naar de gevangenis gebracht worden. + +Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. +Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook +maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele +misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond +het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de +werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die +erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich +heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de +amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op +hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed +vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat +aangaat niet ongerust te zijn. + +In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te +overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die +toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van +’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken +waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk +genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim +anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n +paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets +gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had. + +Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd +was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere +helft van de machine te stelen. + +„We moeten hier uit,” zei Maccassy. + +„Dat moet,” zei Blubberdub. + +„We moeten die Jim te pakken krijgen.” + +„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen...... als ie weg kan +komen met die twee machines......” + +„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk +genoeg..... en als ie zich met die twee machines naar believen +zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.” + +„En we snappen hem niet meer.” + +„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.” + +„Hij had niks bij zich?” + +„Nee niemendal..... of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.” + +„Dus niet de machine?” + +„Nee, niet de machine.” + +„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?” + +„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.” + +„Heb ik ook al gemerkt.” + +„Kunnen we ’t niet los krijgen?” + +„Nee en opensteken gaat ook niet..... er is geen sleutelgat aan deze +kant.” + +„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.” + +„Nee gaat ook niet.” + +„Wat dan?” + +„Ja wat dan.” + +Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en +donkerder. + +Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.” + +„Komt hierheen,” zei Maccassy. + +Er werd ’n sleutel in het slot gestoken. + +„Eindelijk,” zei Blubberdub. + +Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester +vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde +daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel +af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid. + +De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. +Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde +niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de +gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden. + +Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der +amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig +geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang +afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood +en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond +zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n +eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans +had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen bonden ze +ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. +Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem +liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur +sloten. + +De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen +en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem +uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de +maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar +wezen kan. + +Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde +’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. +Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet +gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen +fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar +Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog +in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen +uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu +waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. +Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien +vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten +in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en +Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op +naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te +hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat +kunstje kenden ze ook. + +Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker. + +„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.” + +Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de +achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde +langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof +het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was +niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n +inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze +waren er allebei. + +’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht +het dorp uit. + +De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren. + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarin professor Wells de onzichtbare man tegenover zich heeft en + met hem op reis gaat om de verdwijn-machine terug te krijgen. + + +Professor Wells zat in z’n kamer en keek maar zoo’n beetje het raam +uit. ’t Begon al donker te worden en op de breede Amstel waar hij op +uitkeek, kwam al hier en daar ’n lichtje te voorschijn. Hij keek er +naar hoe die lichtjes zich als levende vuurslangen in het water +spiegelden en onderhand dacht ie er aan waar toch z’n twee detectives +gebleven mochten zijn. Hij had hen de heele dag niet gezien. Hij vond +het eigenlijk niet erg aangenaam, dat die politiemannen hem zoo overal +buiten lieten. Op die manier had hij evengoed in Amerika kunnen +blijven. Hij wou zelf meedoen, zelf ’n werkzaam aandeel hebben in het +terugkrijgen van z’n verdwijn-machine. Maar het leek er weinig op, dat +ie z’n machine gauw weer in z’n bezit zou hebben. Hij was er verder af +dan ooit te voren, peinsde hij. Zoolang hij in Amerika was, had ie +tenminste de eene helft er nog van, doch sedert z’n verblijf op dat +mooie oceaanschip had ie niemendal meer over van z’n wonderbare +uitvinding. Hij begreep nog maar altijd niet hoe die machine op het +schip gestolen kon zijn uit z’n hut. En de twee beroemde detectives +snapten er evenmin iets van, dat was zoo duidelijk als iets. + +Midden in z’n overpeinzingen werd hij gestoord door ’n tik op de deur. +Professor Wells keek dadelijk op, want de deur ging tegelijk met het +tikken open. Degeen die geklopt had, vond het zeker niet noodig te +wachten tot professor Wells „binnen” riep. + +’t Was in de kamer wel ’n beetje schemerig maar toch nog licht genoeg +om iemand te kunnen onderscheiden die binnenkwam. En dat was het nu +juist wat professor Wells ten zeerste verwonderde, hij zag wel de deur +open en dicht gaan, doch hij zag niemand binnen treden. + +„Die heeft zich zeker vergist,” dacht hij en keek maar weer het venster +uit, doch slechts ’n oogenblik, want hij hoorde vlak bij zich „h-hm” +alsof daar iemand stond die ’n beetje verlegen was en niet goed wist +hoe hij beginnen moest. + +Professor Wells zag niemand en hij had dat „h-hm” toch zoo duidelijk +gehoord. Hij keek de heele kamer door maar niets was er te ontdekken, +dat „h-hm” kon zeggen. Er was geen levende ziel. De kamer was leeg. + +’n Mensch kan soms heel duidelijk droomen en dan hoor je dikwijls +stemmen, die er toch ook niet zijn. Maar dan slaap je. Als je wakker +bent, komt dat bij ’n gezond mensch niet voor. En professor Wells was +zoo gezond als ’n visch. + +„Professor.” + +Professor Wells vloog oogenblikkelijk uit z’n stoel overeind. Dat was +nou toch te gek. Hij hoorde duidelijk dat iemand hem aansprak, iemand +natuurlijk. Als je aangesproken werd met „professor” dan was er iemand, +maar hij zag niemand. Professor Wells was met twee stappen bij het +knopje van het electrische licht. Knip! De kamer was daghelder. Er was +niemand aanwezig dan hijzelf. + +„Professor mag ik u even lastig vallen? ’n Oogenblikje maar.” + +’t Was precies of iemand vlak voor hem stond die dat zei. + +Professor Wells was niet heel bang, maar dat was nu toch eerlijk gezegd +’n klein beetje griezelig, dat er zoo maar uit de leege lucht ’n stem +tegen je zei: „Professor mag ik je even lastig vallen.” Hij kreeg er +kippevel van en hij voelde iets op z’n kale hoofd alsof daar z’n haren +recht overeind gingen staan. Hij wou iets antwoorden, doch er kwam geen +geluid over z’n lippen. Z’n tong leek wel aan z’n gehemelte +vastgekleefd en in z’n keel voelde hij ook iets. Bovendien begon z’n +hart ook nog erg hard te kloppen. En hij staarde met groote oogen ’n +beetje hulpeloos voor zich uit. + +„Professor ik ben Jim Pimpelmees, de dief van uw verdwijn-machine.” + +Nauwelijks had professor Wells het woord verdwijn-machine vernomen of +hij had al z’n tegenwoordigheid van geest weer terug. Hij draaide zich +plotseling om en deed de deur van z’n kamer op slot. + +„Prachtig,” zei de onzichtbare. „Nu kan ik er niet uit.” + +„Nee,” zei professor Wells, „en je komt er ook niet weer uit. Waar zijn +mijn machines?” + +„Professor u kan die deur gerust openmaken. Ik ben heel niet van plan +er van door te gaan. ’t Zou je trouwens niet helpen. Wat belet me u +onverwachts met ’n stoel op je hoofd te slaan? Kan u dat voorkomen? Nee +hè? Nu sta ik vlak achter je. Ik kan u maar zoo in uw nek grijpen als +ik dat wil, voel maar.” + +En professor Wells sprong plotseling opzij, want hij voelde ’n +onzichtbare hand in z’n nek. + +Professor Wells begreep het en zei: + +„Je hebt gelijk, maar geef me eerst antwoord op m’n vraag: Waar zijn +m’n machines?” + +„Dat komt terecht professor, laten we er bij gaan zitten. Hier neem +deze stoel.” + +Er kwam ’n stoel naar hem toe en professor Wells nam plaats. + +„Ziezoo,” zei de onzichtbare, „nu kunnen we praten. Heeft u ook soms ’n +goeie sigaar voor me? Dank u.... Ik heb de heele dag nog niet gerookt +en ik ben er ’n liefhebber van, zooals de meeste Hollanders. Mag ik nog +om ’n lucifer verzoeken ook. Dank u.” + +Professor zat nu tegenover ’n sigaar, die met ’n vuurpuntje begon te +branden, hij zag ’n rookwolkje wegblazen. + +„Goeie sigaar,” zei de onzichtbare, „dat smaakt hoor. Maar laat ik u +eerst de geschiedenis vertellen: Ik stal uw verdwijn-machine. De helft +maar.... Ik wist niet dat die andere kist er ook bij hoorde, anders had +ik die natuurlijk ook meegenomen.” + +„Zoo, had je die dan ook meegenomen?” + +„Natuurlijk, wat heb je aan die eene helft.... Dat ziet u aan mij. Ik +heb mezelf onzichtbaar gemaakt en nu kan ik me niet weer zichtbaar +maken.” + +„Maar je hebt toch op de boot de andere helft ook gestolen?” + +„Ja dat heb ik.... Doch ik weet niet hoe ik daar mee aan moet. D’r +waren geen papieren bij zooals bij die andere helft.” + +„Ah, en nu kwam je hier maar brutaal binnen om de papieren te stelen? +Da’s mooi. Maar daar zal je geen plezier aan beleven Jim Pimpelmees, +die papieren liggen in Yale in de brandkast.” + +„Nee professor ik kwam niet om te stelen. Ik kwam om u vriendelijk te +verzoeken mij weer zichtbaar te maken. Ik heb er genoeg van. ’t Lijkt +erg aardig.... maar als je voortdurend onzichtbaar moet blijven, is de +aardigheid er gauw af. Je kan voor niemendal met de spoor reizen +bijvoorbeeld. Dat lijkt erg leuk zou je zoo zeggen. Je stapt het +station binnen. Je hoeft heelemaal geen kaartje te koopen. Je kan zoo +maar voorbij de controleur heen wandelen. Op het perron wandel je ’n +poosje heen en weer tot de trein wegrijdt. Dan stap je gauw in ’n +eerste klas en je reist voor niemendal. Maar je kan niet rooken, want +waar moet je je sigaren of je pijp bergen?” + +„In je sigarenkoker natuurlijk,” zei professor Wells. + +„Ja... en die?” + +„In je jaszak.” + +„Dan moet je vooreerst ’n onzichtbare jas aanhebben ... je moet ’n +onzichtbare sigarenkoker hebben en je sigaren dienen ook onzichtbaar te +zijn.” + +„Natuurlijk, natuurlijk... dat kan ook allemaal met mijn machine.” + +„Jawel... maar kijk nu eens naar deze sigaar... die is heelemaal +zichtbaar... Wat zou u er van zien als ie onzichtbaar gemaakt was met +uw machine?” + +„Niemendal.” + +„Mis professor. Zoodra je zoo’n onzichtbare sigaar aansteekt, wordt het +vuur zichtbaar en dan de asch. Dat is niet meer hetzelfde als de sigaar +en daarom wordt het zichtbaar.” + +„Drommels ja.... je hebt gelijk.... daar had ik zoo gauw niet aan +gedacht.” + +„U ziet dus, rooken kan niet als je onzichtbaar wil blijven... en eten +ook niet.” + +„Eten ook niet?” + +„Welnee professor zoolang dat voedsel in je maag niet verteerd is, +blijft het zichtbaar. Ik eet alleen ’s avonds voor ik naar bed ga.... +behalve als ik zichtbaar ben.” + +„Wat vertel je me nu.... als je zichtbaar bent? En je kan niet +zichtbaar worden omdat je niet weet hoe je die machien moet hanteeren?” + +„Dat weet ik ook niet en echt zichtbaar ben ik dan ook nooit. Maar ik +kan zichtbare kleeren aantrekken en ’n fijn gezicht kan ik schilderen.” + +„Je gezicht schilderen?” + +„Ja, zooals ze op ’t tooneel doen en zooals Maccassy en Blubberdub doen +als ze zich vermommen.” + +„O... bedoel je dat? Ja dat zou kunnen.” + +„Als professor zoo vriendelijk wil zijn even de deur open te maken, dan +kan ik laten zien hoe dat gaat. Maccassy en Blubberdub hebben alles wat +daarvoor noodig is in hun kamers.” + +„Nee dat doe ik niet. Je komt hier niet vandaan. Je wilt ontvluchten.” + +„Heelemaal niet professor. Bovendien heb ik u al gezegd dat ik u de +baas ben. Ik kan u onvoorziens aangrijpen en ben sterker dan u.” + +„Nu goed dan,” antwoordde professor Wells. „Ik zal de deur opendoen, +maar ik ga met je mee.” + +„Best professor.” + +Ze gingen nu samen naar de kamer van Blubberdub die het dichtst bij was +en daar nam de onzichtbare Jim Pimpelmees ’n doos en bracht die naar de +kamer van professor Wells. Die doos zette hij geopend voor zich op +tafel. Het leek ’n soort kapdoos met ’n spiegel aan de binnenkant van +het deksel. In de doos waren potjes en doosjes en ’n heeleboel +verfstiften. + +Professor Wells keek met verbazing toe toen de onzichtbare aan ’t werk +ging. Eerst zag hij ’n vleeschkleurige stift omhoog gaan, zich heen en +weer bewegen en langzaam kwam de vorm van ’n voorhoofd te voorschijn. +Daarna ontstonden ’n paar oogleden en ’n neus. Toen wangen en ’n kin. +Daarna, maar dat duurde wat langer, ’n paar ooren. De onzichtbare nam +vervolgens ’n roode stift en begon zich ’n paar roode lippen te maken +en van hetzelfde rood smeerde hij ook ’n weinig op zijn wangen die nog +’n beetje bleek schenen. Ze kregen nu ’n mooi blosje. Met z’n +onzichtbare vingers wreef hij de kleuren ’n beetje door elkaar, +professor Wells zag opeens ’n paar gekleurde vingertoppen, en daarna +maakte Jim zich met ’n dun bruin stiftje ’n paar mooie wenkbrauwen. + +„Ziet u,” zei Jim, „als ik echte haren wenkbrauwen bij de hand had, kon +ik het veel natuurlijker maken. Doch nu moet het maar zoo.” + +Professor Wells zat met verbazing te staren naar dat gezichtsmasker +zonder oogen dat zich daar voor hem in de lucht scheen te bewegen. + +„Nu ga ik m’n hals verven,” zei het masker en professor Wells zag het +gebeuren. + +„En nu ga ik ’n pruik van Blubberdub opzetten. Die detectives hebben +altijd van die vermommingen bij de hand. Ik ken ze al zoo lang. En dan +zal ik als u het goedvindt ook maar zoolang wat kleeren van Maccassy +aantrekken. Die is net zoo groot als ik. Ze passen me precies.” + +„En dan ga je er vandoor hè?” + +„Nee professor... ik ga er niet vandoor. Tenminste niet voor ik u de +machines terug bezorgd heb. Ik ben nooit van plan geweest om die dingen +te houden. Ik wou er alleen maar proeven mee nemen op mezelf. Zooals u +ziet heb ik dat gedaan, maar ’t is ’n beetje verkeerd uitgevallen.” + +„Vooruit dan maar,” zei professor Wells, „ik zal je maar gelooven. En +ik beloof je dat ik je weer zichtbaar zal maken, zoodra ik de twee +machines terug heb.” + +„Afgesproken,” zei het masker en ging naar de deur. + +Professor Wells ging nu niet mee. Hij had besloten die onzichtbare Jim +Pimpelmees maar ’n beetje te vertrouwen, omdat het toch niet anders +kon. Misschien ging ie er vandoor. Maar daar kon hij toch ook niets aan +doen. Je had geen houvast aan zoo’n onzichtbare inbreker. + +Maar Jim Pimpelmees was na ’n paar minuten alweer terug en ditmaal +geleek hij op ’n gewoon mensch. De kleeren van Maccassy pasten hem +precies alsof ze voor hem gemaakt waren. Hij had ’n pruik op en +handschoenen aan. En ’n donkere bril met groote glazen verborg tamelijk +goed die leege oogkassen. + +„Ziezoo professor, als u nu niet al te nauwkeurig kijkt, kan ik er mee +door. Ik wil u wel zeggen, dat ik me al veel plezieriger voel nu ik +maar zoo nagemaakt zichtbaar ben. Het is niks gedaan voor ’n mensch om +onzichtbaar te zijn.” + +„En vertel me nu eens hoe je van plan bent om me die verdwijn-machine +terug te bezorgen. Maccassy en Blubberdub zijn er zooals je misschien +weet ook al op uit.” + +„Ja dat weet ik professor.... ik heb ze vandaag allebei nog gezien. Ze +zijn er achter gekomen in welke buurt uw machine uithangt. Maar dat was +geen kunst, want het stond in de kranten.” + +„In de kranten? Wat weten de kranten daarvan?” + +„O dat kan ik u wel ophelderen. De een of ander heeft uw +verdwijn-machine gevonden, ik had het kistje namelijk in ’n bosch +verstopt, en die heeft er mee gewerkt. Die heeft er ’n telefoonpaal mee +laten verdwijnen en ’n varken en nog meer dingen geloof ik en dat wordt +gauw ruchtbaar.” + +„Dus is de machine niet meer waar jij hem verstopt hebt?” zei professor +Wells opgewonden. + +„Nee professor... Toen ik er naar ging kijken, was ie weg.” + +„Maar man,” riep professor Wells, „wat ben je toch voor ’n idioot.... +hoe kan je mij nu mijn machine terug brengen als je niet weet waar ie +is.” + +„Ho even professor,” zei Jim lachend, „ik was daar onzichtbaar, nog +voor Maccassy en Blubberdub er waren en zoo kon ik op die boerderij +waar die dingen onzichtbaar geworden waren alles op m’n gemak +nasnuffelen. Uw verdwijn-machine staat veilig opgeborgen in het +kippenhok.” + +Professor Wells zei daar niets op. Hij zat na te denken. Kon hij die +rare snuiter die daar met ’n geschilderd gezicht tegenover hem zat, +vertrouwen? Natuurlijk niet. ’t Was ’n dief, misschien ’n +vreemdsoortige dief, die altijd alleen maar vreemdsoortige dingen stal +en geen geld of kostbaarheden. Maar ’n inbreker was ie en bleef ie. Kon +je nu zoo’n vent vertrouwen? + +„Waarom heb je die verdwijn-machine maar niet dadelijk hier heen +gebracht, toen je ’t kistje in dat kippenhok ontdekt had?” vroeg +professor Wells eindelijk. + +„Wel professor dat ging toch niet? Hoe kon ik nu zoo onzichtbaar als ik +was met dat ding gaan loopen? Bovendien wordt die boerderij dag en +nacht bewaakt door de politie.... neen, neen, dat ging absoluut niet.” + +„Hoe kan ik weten, dat je me niet bedriegt?” + +„Ja, dat weet ik niet. Maar professor u kan er de proef van nemen. We +gaan samen naar die boerderij. Ik wijs u de plaats waar de +verdwijn-machine is en u neemt uw eigendom weer in bezit. Als u zegt +wie u bent dan kan niemand u dat beletten. Maar u maakt me eerst weer +zichtbaar. De andere helft van uw machine heb ik hier in de buurt.” + +„Nee,” zei professor Wells. „Ik maak je niet eerst zichtbaar. Eerst +breng je me de machine die je op het schip gestolen hebt. Dan gaan we +samen naar die boerderij en je bezorgt me ook die andere machine terug +en dan maak ik je weer tot ’n gewoon mensch.” + +„Daar komt niets van,” zei Jim Pimpelmees. „Ik heb er genoeg van om +onzichtbaar rond te loopen of zoo half zichtbaar als ik nu ben. Toe +professor doe ’t maar. Binnen vijf minuten heb ik die machine hier.” + +„Ik doe het niet Jim Pimpelmees. Eerst die andere machine of jij blijft +tot aan je dood onzichtbaar. Kom man, we gaan dadelijk op reis, wij +samen en morgen ben je weer zichtbaar, zoo waar als ik Wells heet.” + +„Hebt u ’n spoorboekje hier,” vroeg Jim Pimpelmees na ’n oogenblikje +nadenken. + +„Jawel hier is het.” + +Jim Pimpelmees bladerde haastig in het boekje en zei toen: „Als we ons +haasten, kunnen we net nog de laatste trein halen.” + +„Waar moeten we heen?” + +„Naar Apeldoorn.” + +„Best. Ik ben klaar. Maar jij haalt eerst die machine. Kan dat?” + +„Jawel professor,” antwoordde Jim lachend. „Ik logeer hier ook in het +hotel.” + +„Wat? Hier in het Amstelhotel.... vlak in de buurt van Maccassy en +Blubberdub?” + +„Jawel Professor, voor die twee was ik niet bang. Maar ik wou graag in +uw nabijheid blijven, ziet u, vanwege dat zichtbaar maken.” + +„Vooruit dan. Ik wacht je hier.” + +’n Kwartier later zaten ze in de trein naar Apeldoorn. + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarin m’nheer Bruggemans ergens achter komt en Maccassy en + Blubberdub inbrekers worden. + + +M’nheer Bruggemans was thuisgekomen van het gemeentehuis en had +dadelijk de boerenfamilie verteld dat de vermoedelijke dieven van de +verdwijn-machine gesnapt waren en dat het dus nu wel uit zou zijn met +al die akeligheid. Koen en Piet waren er bij en ze vroegen of het die +oude heer was met de witte baard en die andere met het zwarte haar en +de zwarte snor, die zij bij het bosch gezien hadden. M’nheer Bruggemans +die niets van witte baarden en zwarte snorren afwist, zei natuurlijk +dat die het niet waren, maar hij vroeg de jongens het een en ander +omtrent die twee vreemdelingen die zij bedoelden en toen kwam hij tot +de gevolgtrekking dat het de twee detectives wel konden zijn, waarover +professor Wells hem in de telefoon gesproken had. + +„Komt professor Wells hier?” vroeg Koen. + +„Dat weet ik niet jongen. Waarom vraag je dat?” + +„Och zoo maar,” antwoordde Koen. „Denkt u dat die detectives hier +gekomen zijn om naar de verdwijn-machine te zoeken?” + +„Ik denk dat ze eerder naar de dief zullen zoeken,” zei m’nheer +Bruggemans lachend. + +Op dat oogenblik kwam Klaas binnen die naar het dorp geweest was en die +viel, zooals het spreekwoord zegt, zoo maar met de deur in huis: + +„Weten jullie ’t al dat ze die rare kerels in de toren gestopt hebben? +Ze hebben d’r allemaal aan meegedaan om ze te vangen, want ze vochten +als duvels. Maar de smid pakte de een bij z’n nek en toen verloor die +z’n haar en z’n baard en de ander had ook al ’n pruik op en ’n +nagemaakte snor.” + +„Wat zeg je?” zei m’nheer Bruggemans. „Weet je ’t zeker?” + +„Nou wat goed, de smid heeft het me zelf verteld.” + +„Wel nou nog mooier,” mompelde m’nheer Bruggemans.... „nou zullen het +toch de detectives zijn.” + +M’nheer Bruggemans ging zonder verder ’n woord te zeggen de kamer uit, +sprong op z’n fiets en reed zoo snel hij kon regelrecht naar de +burgemeester. + +„Wat mankeert er aan jouw vader?” zei Piet toen ie met Koen ’n paar +minuten later buiten was. + +„Ik weet het niet.... ik hoorde hem zeggen: Nou zullen het toch de +detectives zijn.” + +„Hoe zei je dat, detec?” + +„Detectives... dat zijn ’n soort geheime politieagenten, die +misdadigers opsporen.” + +„O.... nou ik geloof wel dat het zoo is.... Toen die eene vanmiddag +achter die fiets aanholde.... waar die onzichtbare kerel op zat... dat +zal de dief wel geweest zijn, denk je ook niet?” + +„Dat kan best... ’n onzichtbare dief... ’t wordt hoe langer hoe +mooier.” + +„Leelijker wil je zeggen. Weet je wat we doen moesten Koen? We moesten +hem maar weer stiekem naar het bosch zien te brengen op dat plekje waar +jij hem gevonden hebt.” + +„Maar jô,” zei Koen, „we zouen de verdwijn-machine aan professor Wells +terugbezorgen en die is, dat heb je toch zelf gehoord, al in Amsterdam. +Vader heeft hem gescheven, dat weet je toch ook.” + +„Da’s allemaal goed en wel Koen, maar ik geloof dat we beter doen als +we dat ding brengen waar we ’t vandaan gehaald hebben. Ik heb er niks +mee op.” + +„Maar als we hem eens schreven, dat we die machine hebben.... als ik +het nou aan vader vertelde, dan kon die...” + +„Nee Koen, dat doen we niet. Ik ben bang voor die onzichtbare kerel, +da’s één. En ik ben bang voor vader, da’s twee. Laten we die machine +weer maar brengen, waar we hem gevonden hebben.” + +Koen was het er wel niet mee eens, doch hij liet zich ouder gewoonte +weer door Piet belezen. + +Doch hoe moesten ze hem dat lappen? ’t Moest nog diezelfde avond +gebeuren of als dat mislukte in ieder geval de volgende morgen vroeg. +En natuurlijk zonder dat iemand er erg in had. + +Die avond kwam er niets van. + +M’nheer Bruggemans was zoo hard ie kon naar de burgemeester gefietst. +En onder het fietsen had ie aldoor maar gedacht aan de twee Amerikanen, +die nu als dieven in de toren opgesloten zaten en die waarschijnlijk +amerikaansche detectives waren. + +Hoe meer hij er over dacht, des te zekerder leek het hem. Waarom had +die burgemeester hem ook niet gezegd dat die gevangenen er anders +uitgezien hadden dan toen hij ze zag? Hij herinnerde zich nu heel goed, +dat ie zooiets als ’n witte pruik met ’n dito baard en ’n zwarte pruik +op de groene tafel voor de burgemeester had zien liggen. Doch hij had +er verder niet op gelet. Spigoletti heette de een. Dat klonk erg +italiaansch en die eene moet er italiaansch hebben uitgezien met z’n +zwarte pruik. + +M’nheer Bruggemans schelde aan bij de burgemeester. + +Of de burgemeester thuis was, vroeg ie aan het dienstmeisje. + +„Jawel m’nheer... of nee ik weet het niet. Ik zal eens gaan hooren.” + +Ze wist het wel, maar de burgemeester deed na het eten altijd een dutje +en wou niet graag in z’n dutje gestoord worden. Dan was ie grommig. + +De meid kwam terug met de boodschap dat burgemeester niet te spreken +was. Of m’nheer over ’n half uurtje niet terug kon komen? + +Nee dat kon niet. Er was groote haast bij. M’nheer Bruggemans moest de +burgemeester noodzakelijk spreken. Het leed geen uitstel. ’t Was over +die vreemdelingen. + +De meid ging weer naar binnen en bleef nogal lang weg. Doch toen ze +eindelijk verscheen. zei ze m’nheer Bruggemans dat ie maar zoolang in +de spreekkamer zou gaan. Burgemeester zou onmiddellijk komen. + +Erg onmiddellijk was het niet. Er gingen nog wel tien minuten voorbij +en m’nheer Bruggemans hoorde nog duidelijk ’n luide geeuw eer de deur +openging en de burgemeester binnentrad. + +De burgemeester keek m’nheer Bruggemans ’n beetje slaperig aan, maar +toen deze hem zei dat ie kwam om over die twee vreemdelingen in de +toren te spreken, was de burgemeester op slag heelemaal wakker en +heelemaal nijdig. + +„M’nheer,” zei de burgemeester, „ik begrijp niet hoe u er toe komt om +me daarvoor uit m’n werk te komen halen, uit m’n werk verstaat u? Ik +kan m’n tijd beter gebruiken dan me nog verder te bemoeien met ’n paar +boeven, die de geheele gemeente in rep en roer gebracht hebben.” + +„Maar m’nheer,” antwoordde mijnheer Bruggemans, nu ook ’n beetje boos, +„ik vermoed dat u je vergist. Het zijn geen boeven, maar amerikaansche +detectives.” + +„Kan me niet schelen m’nheer, detectives of niet, ze zitten in de bak +en ze blijven er in.” + +„En intusschen loopt de echte dief vrij rond en haalt wie weet wat voor +streken uit. Weet u wel dat de echte dief—die Jim Pimpelmees moet +heeten, dat zei professor Wells me vanmiddag in de telefoon—dat die +onzichtbaar is? Naar wat ik hoor, had een van de detectives hem vandaag +bijna te pakken.... en zoo’n man sluit u in de toren op? Waarom heeft u +me vanmiddag niets gezegd van die pruiken en baarden? Dan was alles +dadelijk opgehelderd geweest. Maar u moet zelf weten wat u doet... Ik +heb u gewaarschuwd.” + +M’nheer Bruggemans stapte naar de deur om heen te gaan. Hij vond dat ie +nu alles gedaan had wat ie doen kon. Wou de burgemeester niet, nu dat +moest die man dan maar verantwoorden. + +„Wacht u es even m’nheer.... wacht u toch es even.... Wat u daar +zegt.... dat brengt me tot nadenken m’nheer.... U kon waarempel wel +eens gelijk hebben m’nheer.... Als dat werkelijk van die detectives +zijn.... en ik geloof nu ook, dat het zoo is.... dan moeten we die +menschen dadelijk op vrije voeten stellen.... We moeten die menschen +zelfs helpen om die andere dief.... Jan Stempeldoos zei u immers?.... +te pakken te krijgen.... Gaat u even mee.... u spreekt amerikaansch.... +ik ga dadelijk naar de veldwachter om de sleutel van de toren....” + +„Met genoegen,” zei m’nheer Bruggemans. „Hoe eer we dat in orde brengen +hoe beter.” + +„We doen ’t dadelijk m’nheer....” + +De burgemeester en m’nheer Bruggemans fietsten samen naar het huis van +de veldwachter. + +De vrouw vertelde hen, dat de veldwachter naar de toren was om die twee +daar brood en drinken te brengen. + +„Zoo dat treft,” zei de burgemeester, „dan gaan we dadelijk daar maar +naar toe.” + +De vrouw vergat te zeggen, dat haar man al minstens ’n uur geleden +daarheen gegaan was. + +Toen ze voor de toren van hun fietsen stapten, zagen ze beiden tegelijk +geen veldwachter, maar wel de sleutel, die nog in ’t slot stak. ’t Was +’n ouderwetsche sleutel, een die wel minstens ’n pond woog en hij zat +met een touw vast aan ’n stevig stuk hout, voor ’t wegraken. + +„Heb je nou ooit zoo’n schapekop gezien als die vent?” zei de +burgemeester nijdig. „Nou laat ie me waarempel de sleutel zoo maar in +het slot zitten.” + +„Hij zal wel hier in de buurt zijn,” meende m’nheer Bruggemans. „Roept +u maar es.” + +„Hallo, veldwachter... hallo!” riep de burgemeester. + +Maar er kwam geen antwoord. + +„Hij ’s weg,” zei de burgemeester.... „We moesten hem eerst maar gaan +opzoeken hè? Vindt u ook niet?” + +„Welnee,” zei m’nheer Bruggemans, „de sleutel is er en dat is alles wat +we noodig hebben. De veldwachter kunnen we best missen. Zal ik de deur +maar opendoen?” + +„Zooals u wilt.... Wacht ik zal u met m’n fietslamp bijlichten.” + +Dit laatste zei de burgemeester toen m’nheer Bruggemans de deur al open +had. + +Die dorps-gevangenis, het arrestantenlokaal zooals het heette, leek ’n +donker hol, waarin niets was dan duisternis, doch toen het scherpe +licht van de carbidlamp er in viel, zagen ze het allebei tegelijk. In +’n hoek tegen de ruwe muur zat de veldwachter met ’n allerongelukkigst +gezicht en uit z’n mond hingen ’n paar punten van ’n zakdoek. ’t Was te +akelig om er naar te zien. Bumpkins en Blubberdub hadden hun werk goed +gedaan. Alle moeite, die de geboeide veldwachter had aangewend om zich +los te wringen, was vergeefs geweest. Z’n beenen en z’n armen waren nog +stevig geboeid. + +De burgemeester was in ’n wip bij hem en trok de doek uit z’n mond. +M’nheer Bruggemans sneed de boeien van z’n beenen en armen door met z’n +mes en toen vroeg de burgemeester streng: + +„Wat is hier gebeurd veldwachter?” + +Met horten en stooten kwam het verhaal er uit en de burgemeester en +m’nheer Bruggemans keken elkaar eens aan. + +„Wat denkt u daarvan?” zei de burgemeester eindelijk. + +„Ik weet niet wat ik ervan denken moet burgemeester.” + +„Maar ik wel,” antwoordde de burgemeester. „Ik denk, dat ik ’t bij ’t +verkeerde eind had met te denken dat het detectives waren. ’t Zijn +gewone gauwdieven, dat zijn het.” + +„En of,” zei de veldwachter. + +„Er wordt jou niks gevraagd,” zei de burgemeester. „Jij bent ’n ezel om +die twee zoo maar te laten ontsnappen.” + +Daarna richtte hij zich weer tot m’nheer Bruggemans: „’t Was toch goed +dat u gekomen bent, al had u ’t dan ook mis. Anders had deze man morgen +nog in dit hok gezeten. Veldwachter jij gaat dadelijk de +rijksveldwachter en de koddebeier opzoeken, en de smid en de +metselaar.... enfin al die lui die ons vanmiddag zoo goed geholpen +hebben. We gaan die twee heeren achtervolgen. Ze kunnen nog niet ver +weg zijn.” + +„Nee,” zei de veldwachter, „want hun fietsen staan in ’t gemeentehuis.” + +„Ik vraag jou niemendal.... Doe wat je gelast is.... en kom met die +menschen op ’t gemeentehuis. Gaat u mee m’nheer Bruggemans?” + +M’nheer Bruggemans zei dat ie daar niets op tegen had en toen stelde de +burgemeester voor, dat ze eerst bij hem thuis even ’n kop thee zouden +gaan drinken. + +„Ik denk,” zei de burgemeester toen ze wegfietsten, „dat we een taaie +nacht tegemoet gaan. Ze ontkomen ons niet, dat verzeker ik u.” + +Ze deden niet lang over hun kopje thee en toen ze ’n kwartier later bij +het gemeentehuis kwamen, vonden ze daar reeds de koddebeier staan +wachten. De veldwachter was nog op de andere lui uit. + +„Goed,” zei de burgemeester, „dan gaan wij maar vast naar binnen. Jij +hebt zeker je fiets bij je?” + +„Jawel burgemeester.” + +„Als er soms een komt zonder fiets, zeg hem dan dat ie dadelijk z’n kar +gaat halen. Ze moeten allemaal hun fiets bij zich hebben.” + +„Goed burgemeester.” + +„Je blijft zeker hier wel wachten hè?” + +„Jawel burgemeester.” + +De burgemeester en m’nheer Bruggemans traden binnen en rookten ’n +sigaar terwijl ze bij de groene tafel zaten, waarop nog de pruiken en +de rest van de vermomming van Bumpkins en Blubberdub lagen. M’nheer +Bruggemans bekeek die dingen en zei toen: + +„U neemt me niet kwalijk burgemeester, maar ik houd toch vol, dat ik +gelijk heb.” + +„Best m’nheer... we zullen zien. U zegt ’t zijn eerlijke detectives... +ik zeg ’t zijn gemeene gauwdieven.” + +Na ’n kwartiertje werd er op de deur getikt en ’n rijksveldwachter met +streepen om z’n mouw, ’t was ’n brigadier, trad binnen. Hij tikte aan +z’n pet. + +„Burgemeester ze zijn d’r allemaal.” + +„Goed brigadier....” + +„Burgemeester d’r is ingebroken in ’t gemeentehuis.... Ze hebben hun +fietsen gestolen.” + +„Wat zeg je brigadier.... Hebben ze ingebroken hier in ’t +gemeentehuis?” + +„Jawel burgemeester... Raam opengeschoven aan de achterkant....” + +„En hun eigen fietsen? Nou vraag ik je m’nheer heb ik nu gelijk of +niet.... Ze breken hier in.... in ’t gemeentehuis.... en ze stelen hun +eigen fietsen.... Zijn dat gauwdieven of niet?” + +M’nheer Bruggemans vond ’t niet zoo’n gauwdievenstreek dat die +detectives zich weer meester gemaakt hadden van hun eigen karretjes, +doch hij zei niemendal. + +„Dat ziet er leelijk uit brigadier. Ik denk, dat we nu niet veel kans +zullen hebben die lui te snappen.” + +„Denk ik ook niet burgemeester, maar we kunnen ’t probeeren. Ik +veronderstel dat ze naar Apeldoorn zijn om met de trein weg te komen.” + +„Dat zou mogelijk zijn...” + +„En er gaat geen trein meer vanavond.” + +„Dat is waar.” + +„Dan zijn ze misschien nog in Apeldoorn op te sporen.” + +„’t Zou mogelijk zijn burgemeester.” + +„Nou willen jullie ’t probeeren?” + +„Jawel burgemeester met plezier.... maar we hebben de smid en die +andere lui daar niet bij noodig.... en de veldwachter ook niet.” + +„Vanmiddag konden jullie ’t toch ook niet alleen af?” + +„Dat is waar burgemeester, maar nou kennen we de lui en kunnen onze +maatregelen nemen.” + +„Goed dan. Maar ik ga mee naar Apeldoorn... Gaat u ook mee m’nheer +Bruggemans? Als we ’t geluk hebben die lui te snappen, kunt u ons goede +diensten bewijzen als tolk.” + +„Met genoegen burgemeester,” zei m’nheer Bruggemans. „Maar dan wou ik +toch wel even thuis aan m’n vrouw zeggen, waar ik heen ga.” + +„Natuurlijk, natuurlijk. We komen u dan wel halen als we voorbij +komen.” + +M’nheer Bruggemans fietste naar de boerderij terug. + +Het was eigenlijk al lang bedtijd voor de boerenfamilie, maar ze waren +allemaal nog op. Ze hadden het erg druk gehad over de twee +vreemdelingen, die gevangen zaten in de toren en ’t meest nog over die +alleenrijdende fiets. Koen en Piet hadden dat zelf gezien en konden er +dus over meepraten. Toen kwam m’nheer Bruggemans thuis en die vertelde +dat de lui ontsnapt waren.... Hij zei er meteen bij, dat ie niet +geloofde, dat ’t misdadigers waren, doch detectives, dus menschen van +de politie en dat ie met de burgemeester en de rijksveldwachter +meeging. + +Mevrouw wou ’t niet hebben, maar m’nheer Bruggemans hield voet bij stuk +en toen hij het schellen hoorde van de burgemeester en de veldwachters, +die langs de boerderij reden, sprong hij op z’n fiets en ging mee. + +Van de heele boerenfamilie ging er die avond niemand te ruste, als Mie +die met Berte naar bed gestuurd werd. + +Ze hielden met hun allen de wacht. + + + + + + + + +LAATSTE HOOFDSTUK. + + Waarin professor Wells z’n verdwijn-machine terugkrijgt en alles + weer zichtbaar wordt, behalve het sigarenpijpje van m’nheer + Bruggemans. + + +Professor Wells en Jim Pimpelmees arriveerden met de laatste trein in +Apeldoorn. De professor droeg zelf ’n klein koffertje, dat ie geen +oogenblik gedurende de reis uit het oog verloren had. Hij had ’t zelfs +niet eens losgelaten toen ’t naast hem op de bank stond. ’t Kistje leek +sprekend op dat wat in ’t kippenhok stond. ’t Was de andere helft van +de verdwijn-machine, die Jim Pimpelmees hem teruggegeven had. + +Nu gingen ze het andere koffertje halen. Jim Pimpelmees had beloofd het +aan professor Wells te bezorgen en professor Wells had daarvoor Jim +beloofd hem weer gewoon zichtbaar te zullen maken. + +Professor Wells had schik en Jim Pimpelmees ook. + +Jim Pimpelmees had op z’n neus, die alleen uit verf bestond, ’n bril +met donkere glazen. Zoo leek hij als je niet al te nauwkeurig keek, op +’n gewoon mensch. Natuurlijk droeg ie ook handschoenen. + +Jim Pimpelmees had in Apeldoorn willen overnachten, maar professor wou +van geen uitstel hooren. Hij huurde onmiddellijk ’n auto en Jim moest +wel mee al was ’t ook tegen z’n zin. Hij beweerde dat zoo’n eerlijke +zaak als het terughalen van die machine veel beter bij dag kon +gebeuren. Professor Wells voerde daartegen in, dat ie z’n machine zoo +gauw mogelijk weer in z’n bezit wou hebben. Hij had ’t nu al lang +genoeg zonder moeten doen en bovendien deed die machine in vreemde +handen meer kwaad dan goed naar het scheen. Jim Pimpelmees moest naast +de chauffeur gaan zitten. Jim sprak hollandsch en wist de weg. + +Na vijf minuten vroeg professor Wells of ’t niet ’n beetje vlugger kon +en toen de chauffeur aan dat verzoek voldaan had, duurde het geen vijf +minuten of professor Wells vond dat het nog te langzaam ging. Maar de +chauffeur weigerde nog harder te rijden. Hij beweerde dat ie al +minstens tachtig kilometer reed en dat vond ie welletjes. Professor +Wells mopperde en zei dat ie nog nooit in zoo’n miserabele kar had +gezeten. Jim Pimpelmees lachte maar eens en zei tegen de chauffeur dat +de professor heel tevreden was. + +Toen ze zoowat ’n kwartier gereden hadden, schakelde de chauffeur +plotseling de motor uit. De auto liep door z’n eigen vaart voort en +professor Wells riep: + +„Wat is dat nou?” + +„D’r is ginds wat op de weg,” zei de chauffeur. „Ik rijd niet graag de +een of ander overhoop.” + +„Fietsen,” zei Jim Pimpelmees, „’t zijn carbidlampen.” + +„Maar die rijen niet,” zei de chauffeur, „die lampen staan stil.” + +„Nou wat zou dat dan?” vroeg Jim Pimpelmees. + +„Rij op,” riep professor Wells... „Dat geleuter, daar schiet ik niks +mee op.” + +De auto had nog ’n aardig vaartje en ze naderden nog tamelijk snel de +plek waar de fietslantarens brandden. De chauffeur zat gereed om te +remmen. Hij keek scherp voor zich uit. Jim Pimpelmees zat voorover +gebogen en deed ook z’n best om te zien wat daar voor hen op de weg +gebeurde. Professor Wells stond in de wagen en tuurde ook. + +„Daar loopen lui hard heen en weer,” zei de chauffeur. + +„Ze vechten,” riep Jim... „Kijk daar hebben ze er een te pakken.” + +„Hij is weer los,” zei de chauffeur. + +„Toen hoorden ze wat roepen en er klonk ’n schot. + +„Ik ga terug,” zei de chauffeur. + +„Dat zal je wel laten,” zei Jim. + +Maar de chauffeur remde al. + +„Doorrijen!” schreeuwde professor Wells. „Doorrijen! Vooruit +doorrijen.” + +„Rijen!” gebood Jim. + +„Ik verdraai het,” zei de chauffeur. „Ik rij niet. Denk je dat ik ’n +kogel in m’n lichaam hebben wil? Dank je wel hoor.” + +De wagen stond stil en de chauffeur stapte uit. + +„Nou, als jij niet rijen wil, zal ik het wel doen,” zei Jim. + +Hij ging doodbedaard op de chauffeur z’n plaats zitten, trapte even met +z’n voet op ’n pedaal en de auto ging weer vooruit. Maar nu sprong de +chauffeur op de treeplank en begon te remmen en Jim zag geen kans hem +met z’n eene hand dat heelemaal te beletten. Zoo kon je niet rijden. +Hij stopte dus maar weer. + +„Maak nou maar geen herrie,” zei hij tegen de chauffeur. „We moeten +verder. We hebben geen zin om hier te blijven staan.” + +„En ik rij niet,” riep de chauffeur, „’t zal niet gebeuren.” + +Maar ze waren met de auto toch weer ’n eindje vooruitgekomen en zagen +bij hun sterke autolampen, dat daar voor hen werkelijk iets gebeurde +dat op ’n gevecht leek. + +Jim Pimpelmees zei tegen professor Wells, dat ie er niets aan doen kon +of hij moest geweld gebruiken. Hij vond dat ze met hun beiden best die +chauffeur aan konden. ’t Was maar ’n klein kereltje. Doch daarvan wilde +professor Wells niets weten. Hij zei aan Jim Pimpelmees, dat ie de +chauffeur tien dollar extra zou geven als hij doorreed. + +„Tien dollar!” zei de chauffeur toen Jim hem de woorden vertaald had in +’t hollandsch. „Tien dollar... dat is vijf en twintig gulden?” + +„Juist, dat is vijf en twintig gulden. Zoo’n fooi krijg je niet iedere +nacht hè.” + +„Ik doe ’t,” besloot de chauffeur. „Voor vijf en twintig gulden rijd ik +daar de heele vechtpartij onderste boven. Op zij.” + +Jim Pimpelmees schoof op zij en de chauffeur ging weer voor ’t +stuurwiel zitten. Doch nauwelijks reed de auto weer, of professor Wells +riep: „Stop! Stop! Ze hebben Blubberdub en Maccassy te pakken. Stop +Jim. Stop.” + +Maar Jim riep: „Rij door chauffeur, rij door! Doorrijen.” + +Jim Pimpelmees had ook gezien wie ze daar op de weg te pakken hadden, +doch daar hij geen speciale vriend was van die twee detectives wou hij +maar doorrijen. Wat was er gebeurd? + +Maccassy en Blubberdub waren op hun fietsen zonder licht weggeraced op +goed geluk af. Ze wisten de weg niet. Doch hun allereerste zorg was ’n +eind weg te komen; waarheen, dat deed er op ’t oogenblik minder toe. Ze +waren echter aan ’t dwalen geraakt in de duisternis en toen ze +eindelijk de groote weg weer te pakken kregen, reden ze ongelukkig +genoeg de burgemeester met de veldwachters in de armen. + +Ze werden onmiddellijk herkend en zij van hun kant twijfelden er geen +oogenblik aan dat ’t om hen te doen was. + +Die amerikaansche detectives waren echter voor geen klein geruchtje +vervaard, ze sprongen van hun fietsen en boksten er oogenblikkelijk op +los, maar toen de brigadier ’n revolver voor den dag haalde en ’n schot +in de lucht loste, begrepen ze dat ’t meenens werd en daar ze zelf geen +vuurwapens bij zich hadden, gingen ze er oogenblikkelijk vandoor. Aan +weerskanten van de weg waren dichte bosschen en ze sprongen vlug als +katten het kreupelhout in. Wat ze echter niet wisten, was dat heel veel +bosschen op de Veluwe door ijzergaas van manshoogte zijn afgesloten en +ze holden dus tegen zulk ijzergaas aan. En hoe ze ook liepen overal +stond dat ijzergaas voor hun neus. Ze konden niet weg. Ze probeerden er +over te klauteren, maar toen hadden de veldwachters hen weer te pakken. +Maccassy en Blubberdub moesten het onderspit delven. + +Toen ’t zoover was, naderde net de auto en schreeuwde professor Wells: +„stop! stop!” en riep Jim Pimpelmees: „rij door! rij door!” + +Professor Wells bewerkte de chauffeur met z’n vuisten, toen deze niet +gauw genoeg deed wat ie verlangde en om geen ongeluk te krijgen liet de +chauffeur de auto met ’n ruk stilstaan. Jim Pimpelmees schoot er uit en +professor Wells hing over de chauffeur heen. + +’t Was ’n rare vertooning. Maar Maccassy stevig door de veldwachter en +de burgemeester vastgehouden, herkende onmiddellijk de professor en +niet minder snel Jim Pimpelmees, al had ie ’n donkere bril op. Dit +kunnen detectives nu eenmaal. + +M’nheer Bruggemans stond ’n eindje verder bij de brigadier, die met z’n +revolver Blubberdub in bedwang hield en wist niet hoe hij ’t had, toen +die auto daar zoo plotseling stopte en Jim Pimpelmees er uitvloog. Hij +wist natuurlijk niet wie dat was. + +Professor Wells werkte zich uit z’n rare positie overeind en riep: + +„Maccassy en Blubberdub wat gebeurt hier toch?” + +Toen begreep m’nheer Bruggemans als bij ingeving, dat daar in die auto +professor Wells stond en hij trad op hem toe: + +„Is u professor Wells van Yale?” + +„Ja m’nheer, die ben ik.” + +„Mijn naam is Bruggemans.... Ik had vanmiddag het genoegen met u te +telefoneeren.” + +„O.... was u dat.... nu.... wat verder?” + +„Als u toen de ware namen van deze twee heeren had genoemd, was dit +niet gebeurd. Ze zijn nu als dieven gevangen genomen, ontvlucht en weer +gepakt.” + +„Prachtig,” zei Jim Pimpelmees. + +Maar nog nauwelijks had ie dat gezegd of Blubberdub riep: „Pak die +vent, dat is de dief.” + +Doch de veldwachters verstonden geen engelsch en ze pakten Jim niet. + +En toen zei professor Wells: „Er hoeft hier niemand gepakt te worden +Blubberdub. Deze Jim Pimpelmees bezorgt me mijn machine terug en +daarmee is de zaak afgedaan.” + +„Dat zullen we dan eerst nog eens zien,” mompelde Maccassy. + +„Nee, nee,” zei professor Wells, „de zaak is hiermee uit.... Ik +verklaar dat Jim Pimpelmees geen gewone dief is, maar ’n... nu ja, wat +ie wel is, daar moet ik eerst nog eens over prakkezeeren.” + +De heer Bruggemans haastte zich de heele zaak uit te leggen aan de +burgemeester en de veldwachters, die er maar half tevreden mee waren, +want ze hadden ze nu toch maar te pakken. De burgemeester zei echter, +dat ze onmiddellijk die twee Amerikanen moesten loslaten. + +„Ziezoo,” zei professor Wells, „en nu gaan we de machine halen.” + +„Wat?” zei m’nheer Bruggemans. „Waar is dat ding dan?” + +„In ’t kippenhok,” zei Jim Pimpelmees lachend. + +’n Kwartier later kwam de heele stoet op de boerderij aan en de +boerenfamilie wist niet wat er aan de hand was. De burgemeester en +m’nheer Bruggemans wilden net beginnen met hen de zaak duidelijk te +maken, toen de boer in de gaten kreeg, dat Jim Pimpelmees regelrecht op +het kippenhok aanstapte met professor Wells achter zich. + +„Ho, ho,” zei de boer. „Wat mòt dat? Vooruit van m’n kippenhok +vandaan.” + +„O jé,” fluisterde Koen tot Piet... „die vreemde kerel weet er alles +van. Nou zijn we d’r bij.” + +„Ssst”.... deed Piet. „Hou je mond jô.” + +M’nheer Bruggemans kwam nu tusschenbeide en Piet die de sleutel had, +moest ’t kippenhok open maken. Jim Pimpelmees ging er binnen en kwam ’n +oogenblik later met het koffertje te voorschijn, dat hij aan professor +Wells overhandigde. De vreugde stond op professor Wells z’n gezicht en +hij zei: + +„Ziezoo.... dat heb ik terug en ik scheid er m’n heele leven niet meer +van. Hier hebben we niets meer te maken. Kom Maccassy en Blubberdub en +jij ook Jim, jullie rijdt in de auto mee terug. En morgen vertrekken we +naar Amerika.” + +Doch nu kwam m’nheer Bruggemans nog eens tusschenbeide: + +„Professor,” zei hij, „ik heb nog ’n vriendelijk verzoek aan u. Zoudt u +die telefoonpaal en de haan en het groote varken niet eerst weer +zichtbaar willen maken? Die menschen hier hebben veel onrust uitgestaan +door uw machine en de boer wilde toch zoo graag met het varken naar de +tentoonstelling.” + +„Wel,” antwoordde professor Wells, „met plezier. Waar is die haan?” + +„In ’t kippenhok natuurlijk,” zei Piet toen m’nheer Bruggemans de +woorden van professor Wells in ’t hollandsch had overgebracht. + +„Haal ’m er uit zei,” de professor. + +„Ik kan ’m niet vinden,” zei Piet. „’t Is nou te donker.” + +„Eerst ’t varken,” zei de boer, en bij ’t licht van ’n carbidlamp +gingen ze allemaal naar het land. Professor Wells had beide koffertjes +bij zich. Hij had er wel maar één noodig, doch dat andere wilde hij +niet uit ’t oog verliezen. Toen ze ’t touw hadden gegrepen, dat aan ’t +onzichtbare varken z’n poot zat, dreven ze het naar professor Wells toe +en die begon dadelijk. Er gebeurde eigenlijk niemendal. Alleen hield +hij weer zoo’n knop tegen het varken aan. Maar iedereen kon zien, dat +’t langzamerhand zichtbaarder werd en na ’n half uur was ’t beest weer +kant en klaar. + +„’t Is grooter geworden, zou ik zeggen,” zei Klaas. + +„Grooter niet, maar wel vetter,” zei de boer. „Jongens daar krijgen we +de volgende week vast de eerste prijs mee.” + +De rest kon de boer niemendal schelen. Hij keek er niet naar uit toen +professor Wells de paal weer zichtbaar maakte. + +Maar de haan bleef onzichtbaar. Piet zei dat ie ’m niet vinden kon en +professor Wells wou de volgende dag niet terugkomen. + +„Ik kon ’m wel vinden,” zei Piet de volgende dag tegen Koen, „want hij +zit altijd vooraan.” + +„Waarom dee je ’t dan niet?” + +„Och jô.... ’n zichtbare haan kan je niet voor geld laten kijken, maar +’n onzichtbare wel. Begrijp je ’t nou?” + +„O,” zei Koen, „zit ’t zoo. Wij zijn er anders goed afgekomen hè?” + +„Ja,” zei Piet. „Als je je mond maar kan houen, kom je er altijd goed +af.” + +„Toch vind ik, dat we verkeerd gedaan hebben, we hadden ’t moeten +zeggen, dadelijk al.” + +„Je moet es in m’n spaarpot kijken,” zei Piet, „allemaal centen van die +witte.” + +„Ja als ’t om centen te doen is.” + +De burgemeester gaf de veldwachter ’n nieuwe sabel en hij hield de +onzichtbare. Maar hij bewaarde hem in ’n vochtige kast er toen hij ’m +’n poos daarna aan iemand wou vertoonen, zat de sabel dik onder de +roest en was toen toch weer zichtbaar. + +M’nheer Bruggemans had z’n onzichtbare pijp heel stiekem bewaard en nam +’m mee naar Amsterdam. Maar reeds de eerste avond liet hij ’t pijpje in +’n aschbakje liggen en de volgende morgen was ’t weg. De meid had het +aschbakje leeggemaakt zonder ’n pijp te zien natuurlijk. + +Jim Pimpelmees werd door professor Wells weer gewoon zichtbaar gemaakt +en maakte toen dat ie wegkwam. Hij was ’n beetje bang voor Maccassy en +Blubberdub vanwege de vreemde dingen, die hij van vroeger nog op z’n +geweten had. + +Zoo was dan de witte haan nog ’t eenige onzichtbare ding in Nederland. +Doch reeds na ’n maand kreeg Koen ’n briefkaart van Piet en die luidde: + + + Waarde Vriend, + + Deze is dienende om u te melden, alsdat de witte haan door Klaas + doodgegooid is. Hij smeet met z’n klomp naar de kat, die uit de + melkemmer likte en hij raakte de witte. Hij lag op z’n rug vlak bij + de emmer, want toen ie dood was, kon je ’m weer zien. Het is erg + jammer. Vele groeten van + + Piet. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75301 *** |
