summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75301-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75301-0.txt')
-rw-r--r--75301-0.txt7201
1 files changed, 7201 insertions, 0 deletions
diff --git a/75301-0.txt b/75301-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..33e8c0c
--- /dev/null
+++ b/75301-0.txt
@@ -0,0 +1,7201 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75301 ***
+
+
+
+
+
+ DE VERDWIJN-MACHINE
+
+
+ DOOR
+ KEES VALKENSTEIN.
+ MET ILLUSTRATIES VAN DEN SCHRIJVER.
+
+
+ W. DE HAAN—UTRECHT.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+ Waarin de lezer iets verneemt van de nieuwste uitvinding van
+ professor Wells en er achter komt, dat er in Nederland rare dingen
+ gaan gebeuren.
+
+
+Toen de wereldoorlog eindelijk uitgevochten was en de menschen genoeg
+hadden van al het moorden, vernielen en verbranden, dat ze eenige jaren
+achter elkaar tot groot verdriet van allen, die er aan deelnamen gedaan
+hadden, begonnen ze weer zoo langzamerhand belang te stellen in minder
+ijselijke dingen. Ze waren bezig de verwoeste landstreken weer te
+bebouwen en de geruïneerde steden te hernieuwen. De scheepvaart en de
+handel waren weer veilig en de groote onderzeeërs werden nu niet meer
+gebruikt om argelooze schepen naar de kelder te sturen, maar deden
+dienst als handelsvaartuigen. De knappe lui, die gedurende de oorlog
+aldoor hadden gedacht aan het uitvinden van vernielingsmachines
+gebruikten nu hun genie om dingen uit te vinden waar de wereld meer
+plezier van beleefde.
+
+Ze waren hevig aan ’t uitvinden gegaan, die knappe lui! Edison die voor
+de oorlog verreweg de knapste onder de uitvinders geweest was, had
+ondervonden, dat anderen hem de baas waren. Ze overvleugelden hem. Z’n
+grootste konkurrent was ’n verbazend knappe kerel, de bekende professor
+Daniël Wells, van Yale University, de beroemde universiteit, die de
+geleerdste bollen en de pootigste voetballers van Amerika voortbrengt.
+Niet van die tamme voetballers zooals wij ze kennen, maar echte
+rugby-voetballers, die om ’n gebroken been net zooveel geven als ’n
+gewone voetballer om ’n blauwe scheen.
+
+Professor Wells had dozijnen uitvindingen gedaan waar heel Amerika
+trotsch op was, maar zelf was hij het meest ingenomen met dat
+verbazingwekkende verdwijn-apparaat, dat maar enkele menschen gezien
+hadden en waar in Amerika de kranten kolommen en kolommen over hadden
+volgeschreven, en de Europeesche dagbladen hadden er eveneens melding
+van gemaakt, terwijl de geleerde tijdschriften in alle werelddeelen
+zich er mee hadden ingelaten.
+
+Natuurlijk waren de geleerden het er niet over eens. De een geloofde er
+aan en de ander niet. Maar de algemeene opinie van de gewone menschen
+was, dat ze de kat maar uit de boom zouden kijken en wachten, tot ze
+dat gekke toestel zelf eens onder de oogen kregen.
+
+Toen meldden de Amerikaansche kranten op ’n goeie dag, dat ’t nog wel
+’n tijdje zou duren eer professor Wells er mee voor de dag kon komen,
+want de helft van het verdwijn-apparaat was op geheimzinnige wijze zelf
+verdwenen. Het kon nu wel ’n paar jaar aanloopen eer de professor die
+verdwenen helft er weer had bijgemaakt. Zulke toestellen vervaardig je
+maar niet in ’n vloek en ’n zucht.
+
+„Wat is dat voor ’n ding?” vroegen de nieuwsgierigen, die slecht op de
+hoogte waren. En ze lazen met verbazing dat het ’n machine was, waarmee
+je heel eenvoudig ’n ding of ’n dier of zelfs ’n mensch onzichtbaar kon
+maken.
+
+„Neemaar, dat is nog nooit beleefd,” zeiden de meesten. „’t Is gewoon
+onmogelijk!” Maar er waren dan wel anderen die begonnen uit te leggen,
+dat het laten verdwijnen van iets al ’n heel, oud kunstje was. De
+fakirs in Indië, ’n soort toovenaars, of alleen maar handige
+goochelaars volgens de minder geloovigen, deden het voor duizend jaar
+al. Die lieten je ’n geldstuk of wat anders zien en dan verdween het
+voor je oogen. David Tobias Bamberg, de beroemde Nederlandsche
+goochelaar, kon het ook. Maar die was eerlijk genoeg om je er bij te
+vertellen, dat het maar ’n vingervlugheid was. Het ding was niet weg,
+maar ’t zat hier of daar in zoo’n goochelaarszak, die David Tobias
+Bamberg ongezien door de toeschouwers met z’n hand had weten te
+bereiken om het horloge of het geldstuk er in te laten glijden. De
+fakirs uit Indië lieten dus ’n voorwerp echt verdwijnen en grootvader
+Bamberg maar in schijn. Die gaf het je na afloop weer terug.
+
+Professor Wells was noch ’n fakir, noch grootpapa Bamberg. Hij was ’n
+geleerde, voor wie de natuur geen geheimen kon verbergen al had ze het
+ook nog zoo graag gedaan. Dat doet de natuur echter niet. Ieder die
+zich de moeite getroosten wil ijverig te onderzoeken en na te speuren
+kan alle geheimen der natuur doorgronden. En professor Wells was ’n
+natuurvorscher zooals er maar weinig gevonden worden. Alles wist hij,
+d.w.z. alles wat ’n mensch weten kan. Z’n hoofd was ’n magazijn van
+natuurkunde, scheikunde, wiskunde en nog ’n boel kunden meer. Van
+electriciteit was ie op de hoogte, als geen ander Amerikaan.
+Werktuigkunde had ie onder de knie, zooals ’n jongen de tafels van
+vermenigvuldiging.
+
+’t Spreekt dus vanzelf, dat hij om iets te laten verdwijnen niet deed
+als grootpapa Bamberg of als ’n fakir.
+
+Eigenlijk verdwenen de dingen door zijn machine ook niet. De naam
+verdwijn-machine was welbeschouwd glad verkeerd. De dingen verdwenen
+heelemaal niet. Ze werden alleen maar onzichtbaar, en waren dan net als
+de lucht, niet meer waar te nemen met onze oogen. ’n Tafel, die
+professor Wells liet verdwijnen, stond nog net zoo stevig op z’n pooten
+op dezelfde plek als voor de verdwijnkuur. Je kon het ding alleen maar
+niet meer waarnemen, behalve als je er tegen aan liep.
+
+’n Paar van z’n collega’s aan de universiteit van Yale hadden het
+gezien met hun eigen oogen, hoe de professor zat te schrijven met ’n
+onzichtbare pen. En die hadden het wereldkundig gemaakt. Ze noemden het
+’n triomf der wetenschap en zoo meer. Nou knap was het, verbazend knap,
+maar niemand begreep wat de menschen aan zoo’n malle uitvinding konden
+hebben. Dat begreep professor Wells zelf ook niet. Hij had eens ’n
+verbeterde naaimachine uitgevonden, waar ’n heele rol laken in ging en
+er aan de andere kant uitkwam in de vorm van jassen of pantalons of wat
+je maar wou, kant en klaar, met knoopen en al er aan. Dat was ’n
+nuttige uitvinding en de kleermakers waren hem er dankbaar voor. Ze
+maakten de naaimachine ’s morgen aan de gang en gingen dan zelf ’n pijp
+zitten rooken. ’n Knechtje zorgde er voor dat de pakken, die er uit
+kwamen, netjes opgevouwen werden. De kleermakers verdienden met die
+machine hun loon op d’r lui sloffen.
+
+Maar die verdwijn-machine! Wat had je daar nu aan?
+
+Professor Wells liet de menschen maar praten, ’t Kon hem niet schelen
+of iemand iets aan die machine had. Voor hem was het ’n uitvinding van
+belang. De menschen mochten er om lachen, ze mochten er aan gelooven of
+niet aan gelooven, dat liet hem koud. Hij was er van overtuigd, dat het
+de grootste uitvinding was, die op aarde ooit was uitgevonden en dat
+was hem genoeg.
+
+Het is dus heel goed te begrijpen, dat professor Wells leelijk op z’n
+neus keek toen op ’n morgen de helft van z’n wondermachine uit z’n
+werkplaats, of liever uit z’n laboratorium verdwenen was.
+
+En nog wel de voornaamste helft, namelijk die helft waarmee hij de
+dingen onzichtbaar maakte. De andere helft deed dienst om de
+onzichtbaar gemaakte voorwerpen zoo noodig weer voor gewone
+menschenoogen aanschouwelijk te maken. Beide werktuigen waren ieder
+opgeborgen in ’n stevig houten kistje en ze waren dus gemakkelijk mee
+te nemen, want erg zwaar waren ze geen van beiden.
+
+De dief of de dieven waren maar slecht bekend geweest met de
+uitvinding, want dan hadden ze natuurlijk beide kistjes meegenomen. Nu
+zat de professor met de onbruikbaarste helft. Want wat had ie aan ’n
+werktuig waarmee hij dingen zichtbaar maken kon, als hij ze niet eerst
+onzichtbaar kon laten worden?
+
+Professor Wells, die wist hoeveel tijd er mee heenging om ’n nieuwe
+machine te maken en daar waarschijnlijk ook erg tegen opzag, had
+dadelijk de slimste detectives aan het werk gezet om te trachten de
+verdwenen verdwijn-machine op te sporen. Het mocht kosten wat het
+wilde, hij moest die terughebben. De dief mocht wat hem betrof op vrije
+voeten blijven, als hij z’n kastje maar in bezit kreeg.
+
+Natuurlijk verschenen er in alle dagbladen van Amerika en Europa
+advertenties waarin ’n groote belooning werd uitgeloofd aan degene die
+het kistje terugbezorgde. En zoo kwam het dat er allerwegen weer over
+de rare uitvinding geschreven en gesproken werd.
+
+In Yale waar de professor woonde en werkte, geloofde iedereen dat de
+machine werkelijk bestond en gestolen was, maar hoe verder van die
+universiteitsstad je kwam, hoe minder geloof aan de echtheid van de
+uitvinding je er vond. In ons land bijvoorbeeld waren er geen tien
+menschen die er ’n woord van geloofden. Ze vonden het heele verhaal van
+die verdwijn-machine ’n mop. En ze meenden dat die professor Wells het
+heel slim overlegd had door nu maar rond te vertellen dat het ding
+gestolen was. Op die manier redde hij zich er aardig uit.
+
+Maar die ongeloovige Hollanders vermoedden niet, dat de wondermachine
+door ’n paar internationale gauwdieven juist naar hun land gebracht was
+en dat professor Wells dank zij de slimme Amerikaansche detectives, de
+dieven reeds op het spoor was en zich gereed maakte om met ’n paar van
+de meest gewiekste politiespeurders de oceaan even over te steken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Koen Bruggemans heel vreemde dingen beleeft waar hij niets
+ van begrijpt.
+
+
+De familie Bruggemans, vader, moeder en twee kinderen was met de
+vacantie naar de Veluwe getrokken. Daar hadden ze met hun vieren
+onderdak en goed eten gevonden bij ’n boer, die zelf wel ’n stuk of
+vier kinderen had en natuurlijk ’n heeleboel kippen, varkens, koeien en
+’n paard of twee.
+
+Koen Bruggemans had het daar uitstekend naar z’n zin en Berte z’n zusje
+niet minder. Ze stonden net als de leden van de boerenfamilie met het
+gekraai van de hanen op. Wel niet bij het eerste hanengekraai, maar
+toch heel héél vroeg, wat ze in de stad noemen vóór dag en vóór dauw.
+Vader en moeder Bruggemans zagen maar geen kans hen dat na te doen. „De
+ouwe lui hebben geen fut om zoo vroeg uit d’r mandje te komen,” zei
+Koen ’n beetje oneerbiedig.
+
+Hijzelf zou voor geen geld zoo lang geslapen hebben. „Je moet je
+vacantie zoo uitgerekt mogelijk maken,” zei hij tegen Piet, de derde
+zoon van de boer, die zoo wat van Koen’s leeftijd was. Koen was
+vijftien. Piet was dat volkomen met Koen eens, ofschoon hij met
+vacanties geen steek meer te maken had, want Piet was al van school af.
+Alleen bezocht hij ’s winters de avondschool en dat moet gezegd worden,
+hij deed dat met plezier. Piet was dan ook alles behalve dom.
+
+Berte had levenslange vriendschap gesloten met Mie, die net haar had
+als uitgeplozen touw, ’n paar leutige blauwe oogen en ruwe werkhanden
+al was ze pas dertien jaar. Bij de boeren kunnen de meisjes geen fijne
+zachte handjes gebruiken. Mie was ’n leukert die de heele dag lachte en
+zong. Deze wederzijdsche eeuwigdurende vriendschap werd bovendien
+uitgestrekt tot Flip de cypersche poes, die meeliep als ’n hondje, al
+ging je ook ’n uur ver de hei in of diep in het bosch. Hij ving jonge
+konijnen alsof het muizen waren en hij zag nooit ’n kuiken voor ’n
+huismusch aan. Flip was met Berte en Koen al heel gauw goeie maatjes
+geworden. ’n Poes heeft het gauw in de gaten of je van katten houdt of
+niet.
+
+Piet moest natuurlijk mee al het boerenwerk doen, net zoo goed als
+vader en de twee groote broers. Hij zou dat zelf niet anders gewild
+hebben ook, want als hij met die groote broers gelijkop werkte
+beschouwde hij zichzelf en zij hem als ’n ferme kerel. Ook zou vader
+hem wel mores geleerd hebben, als hij z’n knuisten niet goed gebruikt
+had.
+
+Nu de Bruggemans er waren, had Piet ook zoo’n soort vrijaf, d.w.z. hij
+werkte wel, maar er werden geen aanmerkingen gemaakt, als hij op
+verzoek van Koen eens met die stadsche jongen meeging het bosch of de
+hei in, of eens ’n werkje opzocht dat Koen graag deed. De boer liet dat
+dan oogluikend toe en de anderen vonden het ook best, want m’nneer
+Bruggemans betaalde goed.
+
+Met Mie stond het net eender.
+
+„Op die manier hebben er vier plezier,” zei de boer, „en het kost
+niks.”
+
+Maar toch gebeurde het wel dat Piet iets doen moest waar Koen geen
+steek aan vond en dan trok hij er maar alleen op uit. Koen hield van
+rondzwerven. Z’n vader vond wel, dat ie nu in de vacantie mooi de
+gelegenheid had om eens flink wat te lezen, doch Koen meende, dat ie in
+de vacantie geen boek in z’n handen behoorde te nemen. Hoe minder hij
+in die tijd van boeken zag, des te beter. Na de vacantie lagen er
+genoeg op hem te wachten.
+
+Bij zoo’n gelegenheid trok hij er dan maar alleen op uit, soms met
+Berte in ’t begin er bij, doch die keerde gewoonlijk nog al gauw terug
+met Flip of ze bleef hier of daar met dat lieve dier in ’t mos liggen.
+
+Bij zoo’n gelegenheid zwierf hij weer eens heel alleen in het
+schemerige bosch. Daar groeiden meest dennen, dikke kanjers van boomen.
+Maar er waren eiken en beuken genoeg en kreupelhout er onder om de
+eentonigheid van ’n sparrebosch weg te nemen. Je kon je daar best in de
+wildernis droomen, wat Koen dan ook onmiddellijk deed. Daarvoor moest
+hij altijd alleen zijn, want met Piet er bij ging dat nu eenmaal niet.
+Die jongen hield ook van het bosch, maar er ’n wildernis of ’n oerwoud
+met wilde dieren en desnoods wilde menschen van droomen, daar zag hij
+geen kans toe. Koen was er eens over begonnen, maar Piet had er niet
+van terug, zooals Koen het uitdrukte. D’r waren geen wilde menschen en
+geen wilde dieren en of je ze er bij dacht of niet, dat hielp allemaal
+geen steek, wat er niet was dat kon je er ook niet bij denken.
+
+„Weet je wàt er is?” zei Piet. „Als je heel stil zit en je hebt geduld
+dan komen de eekhoorns vlak bij je en de reeën, maar om die dicht bij
+je te krijgen, moet je als een beeld zoo bewegingloos zijn. En soms
+komen er ook wilde zwijnen. Maar de geringste beweging verjaagt ze
+allemaal. Ze vertrouwen de menschen geen steek.”
+
+„Nou, daar hebben ze maar groot gelijk aan,” meende Koen. „Gewoonlijk
+komen de menschen niet met de beste bedoelingen.”
+
+„Nee, ze schieten er leelijk op,” zei Piet. „Maar ze zijn d’r voor.”
+
+„Zoo, denk jij dat?”
+
+„En of.”
+
+Koen kon Piet geen gelijk geven. Hij vond het zonde om op die reeën te
+schieten. Met de wilde varkens zat ie ’n beetje, vooral toen Piet hem
+eens vertelde dat die zoo leelijk konden huishouden in de rogge en in
+de boekweit. Maar Koen redde er zich nogal handig uit door toe te geven
+dat in zoo’n geval sprake was van schadelijk gedierte en dat mocht je
+gerust uitroeien.
+
+Koen zat dus weer heel alleen in het schemerige bosch met z’n rug tegen
+’n reus van ’n den, die op ’n hoogte stond. Dat was ’n pracht van ’n
+plekje om op de eekhoorns en de rest te wachten.
+
+De konijnen kwamen het eerst voor de dag. Die hadden hem misschien niet
+zien aankomen, ofschoon het te vroeg op de dag was voor het algemeen
+konijnenspel. Hij zag er dan ook maar ’n paar.
+
+De eekhoorns, bruine en roode, hadden hem al bij z’n komst beloerd
+achter de boomen vandaan. Maar toen hij zoo doodstil bleef zitten wel
+’n kwartier lang, toen kregen ze wat meer vertrouwen in hem en lieten
+zich al heel gauw dichterbij bekijken. Eerst stak er een vlak bij Koen
+van de eene boom naar de andere over en klom toen ’n meter of wat
+omhoog, verdween aan de achterkant en loerde met z’n kraaloogjes heel
+slim om ’n hoekje. Daarna kwamen er meer en toen Koen ’n half uurtje
+gezeten had, zonder ’n vin te verroeren, namen ze bijna geen notitie
+meer van hem. Alleen maakten ze geen gebruik van de dikke den waartegen
+Koen zat.
+
+Daarna hoorde Koen ’n zacht gekraak. Hij had graag eens even om de boom
+geloerd, want hij meende dat het geluid achter de boom vandaan kwam.
+Maar dan verjoeg hij sekuur het beest, wat het dan ook zijn mocht. Nog
+even wachten dus. Misschien kreeg hij het dan wel te zien.
+
+Het was werkelijk ’n ree en wat Koen nog nooit gezien had, het was er
+een met ’n reegeitje bij zich. Het moedertje keek angstvallig rond en
+toen het Koen opmerkte, scheen het wel weg te willen springen. Het
+kleine beestje bleef vlak achter het oude dier. De ree keek
+nieuwsgierig naar Koen en scheen eindelijk de zaak niet zoo erg
+gevaarlijk te vinden. Koen hield zich prachtig. Hij knipte haast niet
+met z’n oogen. Maar ’t was ’n toer, want om de dieren goed te zien, had
+hij z’n hoofd moeten bewegen.
+
+Eindelijk stapte de ree met voorzichtige trippelpasjes, telkens ’n poot
+hoog optillend vooruit en gevolgd door het kleintje wandelde het vlak
+voor Koen heen. Nog nooit had ’n jongen zoo dichtbij ’n dier dat in ’t
+wild leefde voor zich gezien, maar hij had ook nog nooit zoo
+onbeweeglijk stil gezeten.
+
+De twee dieren wandelden heel bedaard het kreupelhout in en Koen tuurde
+strak naar het plekje, waar ze het hout waren ingegaan, om nog zoo lang
+mogelijk iets van de beesten te zien. Dat was echter nog maar ’n
+oogenblik en al spoedig hoorde hij ook al niets meer.
+
+Koen zat nog altijd stil. Maar toen werd z’n nieuwsgierigheid te groot.
+Hij wilde weten of de hertjes misschien onder die struiken waren gaan
+liggen om ’n slaapje te doen. Heel stilletjes stond hij op en voetje
+voor voetje naderde hij de plek, waar de ree met haar jong waren
+verdwenen. Hij boog heel zacht de takken van het lage hout uit elkaar
+en keek toen opeens nog verwonderder dan wanneer hij de dieren daar had
+zien liggen.
+
+Vlak voor hem onder de struiken lag ’n donker bruin leeren koffertje
+met ’n koperen beslag dat al groen begon te worden. Het moest dus al ’n
+tijdje in het bosch hebben gelegen.
+
+Natuurlijk was Koen nieuwsgierig. Je vindt niet elke dag van die
+koffertjes in de bosschen van de Veluwe. En vooral geen koffertjes die
+er zoo fijn uitzien. Koen knielde op de plek neer en begon dadelijk
+maar te probeeren of het open kon, wat gemakkelijk genoeg ging. ’t Was
+niet gesloten.
+
+Maar toen zag hij weer ’n ander koffertje, of eigenlijk ’n kistje van
+donker bruin hout, ook met koper beslagen en heel fijn afgewerkt. Om
+dit te kunnen openen, als het tenminste open te krijgen was, moest hij
+het uit het leeren koffertje halen, wat ie ook onmiddellijk deed.
+
+’t Zat sekuur op slot. Hij probeerde op alle manieren, die je bij zoo’n
+gelegenheid aanwendt als je poogt ’n kistje of zoo iets open te maken
+en die geen van alle baten. Een van die manieren is, dat je een voor
+een je eigen sleutels in het slot tracht te passen ook al weet je van
+te voren dat het toch niet helpt. Koen had twee sleuteltjes in z’n zak,
+een van ’n teekendoos dat hij nooit van z’n leven nog gebruikt had en
+een van het koffertje waarin hij z’n „spullen” meegenomen had voor de
+reis. ’t Eene was veel te klein en ’t andere te groot.
+
+Toen draaide hij het bruine kistje nog maar eens om en bekeek het weer
+van alle kanten, voor de zooveelste maal natuurlijk, zette het daarna
+voorzichtig, want het leek net ’n ding om voorzichtig te behandelen, op
+de grond. Daarna nam hij het koffertje waar het kistje had in gezeten
+weer ter hand en begon dat ding nog eens nauwkeurig te inspecteeren.
+
+„Goeie idee,” dacht ie, „d’r zit nog meer in.”
+
+In het koffertje was ’n soort zijzak en daaruit kwamen te voorschijn ’n
+omslag met papieren er in en heel onderuit ’n sleutel.
+
+Dat was de sleutel van het kistje, dat kon niet anders. Jawel, zoo was
+het. Zonder moeite kreeg Koen het open.
+
+Nou, de inhoud viel hem dan maar leelijk tegen. ’t Leek wel ’n soort
+machine en wat er te zien kwam, was allemaal heel sekuur met schroefjes
+vastgemaakt, zoodat je nog niet eens ’t plezier kon hebben die rommel
+eens in je hand te nemen.
+
+Wat het voor ’n machientje kon zijn, daar had Koen niet het flauwste
+begrip van. D’r zijn zoo veel soorten van machines en Koen wist van die
+dingen al heel weinig af. Hij zou het maar eens meenemen en het aan
+vader laten zien. Die wist misschien wel wat het te beduiden had en
+bovendien je moest toch probeeren de eigenaar, die het verloren of
+vergeten had, op te sporen. Het leek tenminste kostbaar genoeg om er ’n
+advertentie aan te wagen. Het geld dat je daaraan besteedde, kreeg je
+dan later wel weer van de eigenaar terug.
+
+„Maar wacht eens even,” dacht Koen, „misschien staat het wel in die zak
+met papieren wie de eigenaar is.”
+
+Hij ging nu tusschen de struiken zitten en maakte de omslag open. Hij
+keek dadelijk of er geen naam op stond, maar die vond hij niet zoo
+gauw. Toen bladerde hij eens om te zien of er soms geen naamkaartje
+tusschen zat. Dat was ook mis.
+
+Dan maar eens lezen wat er op die papieren geschreven was, misschien
+gaf dat wel de oplossing.
+
+’t Was engelsch.
+
+Dat viel Koen ’n beetje tegen, want ofschoon hij al ’n paar jaar
+engelsch leerde en er heel aardig mee terecht kon, had ie toch maar
+liever gehad dat het hollandsch was geweest. Je komt in ’t engelsch
+soms zulke rare woorden tegen en als je dan je woordenboek niet bij de
+hand hebt, zit je soms leelijk d’r mee.
+
+Hij kreeg zoo’n opwelling om ’t heele zaakje maar weer in ’t koffertje
+te stoppen en ’t naar huis te sjouwen. Dan moest vader maar zien wat ie
+er mee deed. Wat had hij nou aan die moeite om daar in dat mooie bosch
+engelsch te gaan lezen.
+
+Maar voor ie dat deed, keek hij toch eens even wat er boven stond, want
+er was ’n opschrift. Toen ie ’t gelezen had, bekeek hij opeens weer met
+groote belangstelling het kistje, dat nog altijd open voor hem stond.
+
+Koen had eerst eens moeten nadenken eer hij van dat opschrift iets
+maken kon, en daarna twijfelde hij nog of hij ’t wel goed begreep. Het
+was ook lang geen alledaagsch woord. Hij maakte er van:
+Verdwijn-machine. Maar wat was nou ’n verdwijn-machine? Hij had er
+nooit van gehoord en toen hij het rare ding nog eens bekeek, kwam hij
+tot de gevolgtrekking dat ie ’t woord waarschijnlijk wel verkeerd
+vertaald zou hebben.
+
+Om daar nu wat meer zekerheid van te hebben, begon hij maar te lezen
+wat er in die papieren stond. In het begin snapte hij daar ook al niet
+veel van. Doch hij las de zinnen herhaalde malen over, net zoo lang tot
+hij meende te begrijpen wat er in stond, Er kwamen woorden in voor die
+hij heelemaal niet door ’n hollandsch woord wist te vervangen. Maar
+zooveel begreep hij er toch langzamerhand wel van, dat die machine
+werkelijk iets te maken scheen te hebben met het verdwijnen van dingen,
+die je met dat apparaat behandelde. En eindelijk, maar dat had wel ’n
+uur moeielijk vertaalwerk gekost, meende hij begrepen te hebben hoe dat
+in z’n werk ging.
+
+Het was dus ’n ding om mee te goochelen. Koen had op school lang
+geleden bij gelegenheid van ’n schoolfeest eens ’n goochelaar aan ’t
+werk gezien en die had op dat gebied sterke toeren uitgehaald. Die had
+ook dingen, stukken krijt en zoo laten verdwijnen en geen van de
+jongens kon hem dat nadoen, hoe graag ze het ook gewild hadden. Koen
+wist nog heel goed dat ie dagen daarna nog geprobeerd had ’n cent in
+z’n mouw te laten verdwijnen, maar ’t was hem nooit gelukt. Nu met dat
+kistje moest het heel wat gemakkelijker gaan. Je had maar ’n rooie knop
+met het voorwerp dat verdwijnen moest in aanraking te brengen en dan
+was het weg. Kleine voorwerpen waren in ’n ommezien verdwenen, doch bij
+grootere duurde het wat langer.
+
+Zoo had Koen het tenminste begrepen uit wat ie in die papieren gelezen
+had.
+
+Hij wou er dadelijk de proef van nemen.
+
+En natuurlijk met ’n klein voorwerp, want dan kon hij spoedig het
+resultaat zien. Hij zou het dus maar eens probeeren met dat kleine
+sleuteltje van die teekendoos.
+
+Hij nam het sleuteltje in de linkerhand. Met de rechter, verschoof hij
+nu ’n koperen kruk. Hij had meenen te begrijpen, dat je dat eerst doen
+moest en daarna hield hij de rooie knop, die aan ’n tamelijk dik koord
+vastzat, tegen het sleuteltje aan.
+
+In gespannen verwachting keek hij naar z’n sleutel. Luisteren deed hij
+ook, maar de machine maakte niet het geringste geluid, geen gesnor of
+gezoem, geen gebrom, geen geratel, geen gesuis, niets dat op eenig
+geluid leek, kwam er uit het kistje.
+
+Aanvankelijk merkte hij aan z’n sleuteltje niets en hij begon al te
+gelooven dat er in die papieren maar wat onzin stond om lui die met het
+gebruik van het machientje niets te maken hadden, op ’n dwaalspoor te
+brengen.
+
+Doch na ’n minuut of vijf leek het dat z’n sleutel begon te veranderen.
+Maar dat kon ook evengoed verbeelding zijn. Hij zat er zoo strak op te
+turen en misschien was het dus wel gezichtsbedrog. Maar het kwam hem
+voor dat z’n sleutel bleeker werd, ’t leek niet meer op hard glimmend
+metaal.
+
+Koen kneep er eens stevig in. Want hij wilde het sleuteltje goed
+vasthouden. Ze zouden hem d’r niet tusschen nemen al was het dan ook
+nog zoo’n fijn uitgedacht goochelding, dat kistje. Dat bleeker worden
+hield aan, maar het moest toch bepaald gezichtsbedrog zijn, want hij
+voelde het sleuteltje nog evengoed. Het was nog net zoo hard als eerst.
+
+Maar opeens was het weg, hij zag het niet meer.
+
+Van schrik, tenminste het leek op schrik, liet hij die rooie knop los.
+Het sleuteltje bleef evengoed onzichtbaar.
+
+En toch voelde hij het tusschen z’n duim en vinger. Hij betastte het nu
+ook met de vingers van z’n rechterhand. Jawel die voelden het ook. Het
+was er dus nog.
+
+Voorzichtig legde hij het onzichtbare sleuteltje in het deksel van het
+tooverkistje, maar keek goed in welke hoek. Met zoo’n onzichtbaar ding
+moest je oppassen anders was je het voor goed kwijt.
+
+Koen stond op, om zich eens uit te rekken. Hij was stijf van dat
+gehurkt zitten geworden. Maar na ’n halve minuut zat hij alweer op z’n
+knieën bij het kistje en tastte voorzichtig naar z’n sleuteltje.
+
+Gekke gewaarwording gaf dat toch, toen hij het ding weer voelde, ’n
+ding dat je absoluut niet zien kon. Hij had er graag wat voor willen
+geven als er iemand bij tegenwoordig geweest was, Piet bijvoorbeeld of
+vader. Maar dat kon altijd nog gebeuren. Hij was heel niet van plan de
+vondst van dat kistje geheim te houden. Hij zou nu maar met z’n
+onzichtbare sleutel, naar huis gaan en de lui daar vertellen wat ie
+ondervonden had. Het kistje nam hij liever zelf niet mee. Je kon nooit
+weten. Het was misschien gevaarlijk. Wie weet of je dan zelf niet
+verdween onderweg. Maar nee, dat kon toch weer niet zoolang je niet
+voor langere duur in aanraking kwam met die rooie knop.
+
+„Weet je wat,” besloot Koen, „ik probeer ’t eerst nog eens met ’n
+grooter voorwerp en dan ga ik het vertellen aan vader.”
+
+Hij sneed ’n flinke knuppel, deed er de zijtakjes af, schilde hem en
+hield er de rooie knop tegen. Maar hij was nu erg voorzichtig met die
+knop, want hij vond het toch wel ’n beetje gevaarlijk voorwerp.
+
+’t Duurde veel langer dan bij het sleuteltje. ’t Moest minstens ’n
+kwartier zijn eer hij verandering begon te bemerken. Doch daarna ging
+het weer heel vlug en plotseling was ook de stok verdwenen d.w.z.
+onzichtbaar, want hij had hem stevig in de hand.
+
+’t Was wel degelijk ’n stok. Hij sloeg eens met het onzichtbare ding
+tegen z’n been en dat kon ie wat goed voelen. Ook kon ie de stok buigen
+als iedere andere stok. Het leek er dus veel op dat de stok slechts één
+eigenschap verloren had, de zichtbaarheid.
+
+Onder ’t terugwandelen naar de boerderij dacht hij er over na, dat het
+toch ’n wonderbaarlijke geschiedenis was, dat hij daar nu liep met ’n
+onzichtbare stok in z’n hand en ’n sleutel in z’n zak waar je evenmin
+iets van in de gaten kon krijgen. Maar welbeschouwd, wat was er nu
+eigenlijk voor vreemds aan? ’t Was onbegrijpelijk dat je met ’n machine
+iets onzichtbaar kon maken, maar voor de rest stond het er mee, alsof
+je ’n blinde was met ’n stok in de hand. ’n Blinde kon ook alleen de
+dingen maar voelen. Als die bijv. z’n stok liet vallen, zooals het Koen
+daar net overkwam, dan moest ie ook doen als Koen, namelijk op de tast
+de stok probeeren terug te vinden. Liep je in ’n pikdonkere nacht, dan
+was je er ook al niet veel beter aan toe.
+
+Met zulke gedachten in z’n hoofd kwam Koen op de boerderij en de eerste
+die hij daar tegen ’t lijf liep, was z’n vrind Piet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Koen het geheim aan Piet vertelt, waarna ze samen nog eens
+ ’n proef nemen en Piet met ’n onzichtbare pet thuis komt.
+
+
+„Waar kom jij vandaan?” vroeg Piet.
+
+„Uit het bosch natuurlijk.”
+
+„Zeg, wat doe je gek met je hand.... net of je met ’n wandelstok
+loopt.”
+
+„Doe ik ook.”
+
+„Hè?”
+
+„Kom maar es mee... dan zal ik je wat vertellen.... ’t is gewoon
+ongeloofelijk.”
+
+„Zal me benieuwen,” zij Piet lachend, en even daarna omkijkend: „Hé...
+ik dacht dat er iemand op m’n rug tikte.”
+
+„Dee ik.”
+
+„Jij?... Kom nou... zulke lange armen heb je niet.”
+
+„Met m’n stok.”
+
+„Nou voel dan maar,” en hij gaf Piet ’n stootje met het onzichtbare
+ding tegen z’n buik.
+
+„Waar doe je dat mee?”
+
+„Met m’n stok zei ik je toch.... Laten we hier even in de schuur
+gaan.... dan vertel ik het je.”
+
+In de schuur begon Koen haast fluisterend, want hij wou niet dat iemand
+anders dan Piet het hoorde:
+
+„Houd je hand es op en doe je oogen dicht.”
+
+Piet deed het.
+
+„Nou pak an.... Wat heb je nou in je hand.... niet kijken.”
+
+„’n Stok denk ik.”
+
+Piet voelde met beide handen langs den stok, boog hem eens en herhaalde
+toen nog eens:
+
+„’n Stok.”
+
+„Doe dan nou je oogen maar open en kijk wat je in je handen hebt.”
+
+Piet deed zooals hem gezegd werd, maar trok toen zoo’n raar gezicht,
+dat Koen er van in ’n lach schoot.
+
+„Ik heb toch wat in m’n hand en ik zie er niks van.”
+
+„Maar ’t is ’n stok hè?”
+
+„Ja.... op ’t gevoel wel.”
+
+Koen stak z’n hand in z’n vestzak en grabbelde naar het sleuteltje,
+hield daarna vinger en duim met het sleuteltje ertusschen omhoog en
+vroeg: „Wat heb ik hier?”
+
+„Nou, niks natuurlijk.”
+
+„Voel dan maar es.”
+
+„’k Voel... ’n sleuteltje of zooiets.”
+
+„Precies... ’t is ’n sleuteltje van m’n teekendoos.”
+
+„Ik snap er niks van... Hoe doe je dat?”
+
+„Ik weet wel hoe ik ’t gedaan heb, maar ik zeg d’r meteen bij, dat ik
+er ook niks van snap... Ik zal ’t je vertellen...”
+
+Piet luisterde met groote oogen naar het verhaal van het goochelkistje
+in ’t bosch en toen Koen alles had verteld wat ie wist, zei Piet:
+
+„Daar gaan we dadelijk weer naar toe. Dat moet ik zelf probeeren.”
+
+„Wacht dan even dan ga ik ’t vader zeggen... die moet ook mee.”
+
+„Nee... doe dat nou niet... Die kan je ’t later wel vertellen... Eerst
+moet ik ’t zien en zelf doen.”
+
+„O, je gelooft me niet!”
+
+„Ja zie je.... gelooven doe ik je wel.... van die stok en die sleutel
+tenminste. Ik zie ze wel niet, maar ik kan ze voelen.... maar toch zou
+ik dat kistje eerst aan ’t werk willen zien. Laten we maar dadelijk
+gaan. Ik kan nou best even mee.”
+
+„’t Is anders nog ’n heel eind.”
+
+„Dat weet ik wel. We loopen maar ’n stapje harder.”
+
+Ze gingen samen op stap en vonden het kistje nog net eender onder de
+struiken.
+
+„Daar ligt het,” zei Koen. „Wat zullen we onzichtbaar maken?”
+
+„M’n pet maar.”
+
+„Goed, neem ’m maar in je hand.”
+
+„Nee, dank je wel. Ik zal ’m voor me op de grond leggen.”
+
+„Ook goed.”
+
+„Wat moet ik nou doen?”
+
+„Nou nemen we eerst het kistje uit het koffertje... Kijk.... en dan
+nemen we die rooie knop en die houden we tegen je pet aan.”
+
+„Laat mij dat dan doen.”
+
+Nu zaten ze ’n poosje stil naar de pet te kijken. Piet beefde zelfs nu
+en dan ’n beetje, dat zag Koen heel duidelijk.
+
+Maar wat ze óók zagen was, dat er niets aan de pet veranderde.
+
+„D’r gebeurt niks,” zei Piet eindelijk.
+
+Dat zag Koen ook wel. Doch opeens kwam hij er achter waar dat in zat.
+
+„Zal wel waar zijn,” zei hij, „ik heb vergeten aan dat koperen ding te
+schuiven. Kijk zoo. Dat had ik eerst moeten doen. Hou nou maar weer die
+knop tegen je pet.”
+
+Piet deed het en toen wachtten ze maar weer geduldig.
+
+„Hij begint,” riep Koen.
+
+„Ik zie niks.”
+
+„Jawel, kijk maar goed. ’t Is net of je ’m al niet zoo duidelijk meer
+zien kunt.”
+
+„Ik geloof het warempel ook,” prevelde Piet.... „Hij gaat hoor...
+Jakkes, ’t is toch raar... Pats... weg is ie.”
+
+„Welnee, voel maar, hier heb je ’m. Zet ’m nou meteen maar weer op.
+Hierzoo.”
+
+Hij plakte Piet de pet op ’t hoofd en die voelde duidelijk dat ie ’m op
+had.
+
+„Zet jij ’m nou ook es op,” zei Piet.
+
+Hij nam Koen z’n strooien hoed af en zette z’n eigen onzichtbare pet er
+voor in de plaats.
+
+„Nou,” zei ie toen, „je hebt ’m op en ik zie er niks van. Maar hoe
+krijg ik m’n pet nou weer terug?”
+
+„Wel hier heb je ’m.”
+
+„Nee, zoo bedoel ’t niet. Ik moet ’m zien kunnen, want als ik vanavond
+zonder pet thuis kom, dan krijg ik op m’n kop. Denk je dat moeder zoo
+gek is me te gelooven als ik d’r vertel dat ik ’m op heb? Kan je
+begrijpen.”
+
+„Maar je kan d’r toch laten voelen dat ’t je pet is.”
+
+„Ja dat kan, maar of ze ’t dan gelooven zou? Zeg Koen, we moeten van
+dat ding thuis maar niks zeggen.”
+
+„Niks zeggen?.... En ik wou het vader vertellen.”
+
+„Niet doen jô... Ik weet zeker, dat moeder d’r niks van hebben moet. Ze
+zal d’r bang voor wezen.”
+
+„Maar we kunnen dat kistje toch maar niet hier laten in ’t bosch? Dan
+is ’t misschien morgen weg. Net zoo goed als ik het gevonden heb, kan
+’n ander het ook vinden.”
+
+„Da’s waar.... maar wat kan ons dat eigenlijk schelen?”
+
+„Nou mij wel.... Ik zou wel graag hebben dat vader ’n advertentie in de
+krant liet zetten om de eigenaar terug te vinden. Die zal dat mooie
+machientje wel niet graag kwijt zijn.”
+
+„Zal wel niet.... Maar hoe zou dat ding hier gekomen zijn? Verloren kan
+niet.”
+
+„Kan dat niet?”
+
+„Nee, dan moest het ergens op ’n pad liggen of tenminste er vlak bij.”
+
+„Dus jij denkt, dat ze ’t hier hebben neergezet?”
+
+„Ja hoe kan ’t anders hier komen? Zouen we ’t niet mee kunnen nemen
+naar huis?”
+
+„Dat moesten we maar doen. Vader moet dan maar beslissen wat er verder
+gebeuren moet met het ding. We kunnen ’t samen wel dragen denk ik.”
+
+„Dat kan ik alleen wel,” zei Piet.
+
+Hij nam het koffertje op z’n schouder, voelde nog eens of hij z’n pet
+nog op had en zoo ondernamen ze de terugtocht naar de boerderij.
+
+„Ik zou toch wel es willen weten, hoe dat kan,” zei Piet „met dat
+onzichtbaar worden. Ik vind ’t wel ’n beetje raar, jij ook niet?”
+
+„’t Lijkt iets onmogelijks,” vond Koen. „Maar toch kan ’t, al zal er
+wel geen mensch zijn die ’t gelooven wil, als we ’t hem vertellen.”
+
+„Vader lacht me uit als ik er over begin.”
+
+„Totdat ie ’t zelf ziet.”
+
+Ze liepen nu weer ’n poosje voort zonder wat te zeggen, doch toen kwam
+Piet ineens:
+
+„Je moet er nog maar niks van aan je vader zeggen. We zullen ’t ding
+wel zoolang hier of daar verstoppen, dat niemand het vinden kan.”
+
+„Niks aan vader vertellen?.... Waarom niet?”
+
+„Ik weet ’t zelf niet Koen.... Ik wou het eerst nog wel eris probeeren
+met iets dat leeft.”
+
+„Hè?... Met ’n beest?”
+
+„Ja.... Het moet dunkt me gek wezen zoo’n levend dier, dat je niet meer
+zien kan.”
+
+„Nou maar dat kunnen we toch wel klaar spelen al weet vader het.”
+
+„Koen, als je vader het weet, mogen wij er niet meer aan komen.”
+
+„Daar hebben we kans op.... Maar vader zou het kunnen doen. En dan zien
+we ’t toch.”
+
+„Daar weet je niks van. Je vader kan er wel heelemaal niks mee willen
+doen.”
+
+„Da’s waar.”
+
+„Laten we nou maar hier heen gaan, dan komen we achter ’t huis uit.
+Daar zet ik ’t ding zoolang onder de struiken en dan zal ik het
+vanavond wel binnen zien te smokkelen.”
+
+„Ik weet niet of we daar wel goed aan doen Piet. Ik vertelde het liever
+maar dadelijk aan vader.”
+
+„Moet jezelf weten. Je kan doen wat je wil. Jij hebt het gevonden. Zal
+ik het dan maar dadelijk aan je vader brengen?”
+
+„Ja.... nee... zet ’t maar onder de struiken. Je kon wel es gelijk
+hebben, dat vader d’r niks mee wou uitvoeren.... en ik zou ’t toch ook
+wel es willen probeeren met ’n beest. Wat voor ’n beest denk je?”
+
+„Nou, ik heb gedacht onze witte haan, die is zoo mak dat ik ’m op kan
+pakken.”
+
+„Zou die d’r niet van dood gaan?”
+
+„Dat weet ik niet.”
+
+„Dan moesten we ’t ook maar niet doen. Kunnen we ’t eerst niet eens
+probeeren met ’n ander dier, ’n vlieg of zoo iets? Aan ’n vlieg is niet
+veel verbeurd.”
+
+„’n Vlieg?” zei Piet lachend. „Hoe wil je d’r nou achter komen of zoo’n
+vlieg nog leeft als je ’m niet meer zien kan? Ik neem de haan. We
+hebben hanen genoeg, ik geloof drie of vier.”
+
+„Jakkes nee, die witte haan moet je niet nemen, da’s ’n veel te aardig
+beest.”
+
+„Zie jij dan ’n ander te pakken te krijgen.”
+
+„Je hebt goed praten. Je weet heel goed dat ik dat ook niet kan.”
+
+„Nou, dan nemen we Flip.”
+
+„Flip? Nou maar dat zal je wel laten. Zoo’n goeie kat!”
+
+„Goeie kat? Jij bent d’r ook achter. Je moet ’m maar es zien als ie
+jonge vogels uit het nest haalt.”
+
+„Dat doen alle katten. Nee, Flip doe je ’t niet. Neem dan je haan
+maar.”
+
+„Best.... Zie jij iemand achter ’t huis?”
+
+„Ik niet. Wat wou je gaan doen?”
+
+Piet had het koffertje onder ’n paar struiken verstopt en kwam nu
+aandragen met ’n laddertje. D’r was geen mensch te zien. ’t Leek daar
+aan de achterkant van de boerderij wel of er heelemaal geen menschen
+woonden. De kippen waren de eenige levende wezens die je te zien kreeg.
+
+Kippen hadden ze op de boerderij minstens ’n goeie honderd. Piet z’n
+moeder ging iedere week met ’n groote mand vol eieren naar de markt. En
+Koen telde in de gauwigheid zes hanen, jonge en oude. De witte was de
+oudste. Daar leek hij tenminste wel op. De grootste was ie zeker. En de
+baas was ie ook. Geen andere haan durfde erg dicht in z’n buurt komen.
+Zoodra haneman de jongens zag, kwam hij naar hen toegestapt en de
+jongere hanen waar hij op z’n wandeling toevallig langs kwam, maakten
+beenen zoodra de witte naderde.
+
+Piet zette het laddertje tegen de muur, vlak bij ’n klein venstertje.
+Dat venster was het raam van Koen’s slaapkamer waar hij met Piet samen
+sliep. De vrouw had er twee bedden neergezet, want om de familie
+Bruggemans te kunnen herbergen, had Koen er genoegen mee moeten nemen
+met Piet in één kamer te slapen. Berte moest evenzoo met Mie in een
+kamer aan de andere kant van de ruime zolder logeeren. M’nheer en
+mevrouw Bruggemans sliepen in de opkamer beneden boven de kelder. De
+broers van Koen sliepen in kamertjes boven de stal en de boerin en de
+boer sliepen in ’n groote bedstede met geruite gordijnen in de
+huiskamer. Over dag kon je niet zien dat daar ’n bedstede was, want er
+waren ook nog deuren voor, die dicht gedaan werden, zoodra er iemand op
+visite in die kamer kwam.
+
+Toen Piet het laddertje daar had neergezet, loerde hij eerst nog eens
+goed rond en keek ook in het achterhuis. Daarna haalde hij vlug het
+koffertje onder de heg vandaan en bracht het door het venstertje naar
+binnen.
+
+„Ziezoo,” zei hij, „nou ga jij maar binnen en je bergt het ding veilig
+ergens weg.”
+
+„In m’n koffer!” zei Koen. „Daar kan ’t best nog in.”
+
+„Doe ’t dan maar eerst, want als er bij ongeluk iemand komt kijken, dan
+moeten ze dat ding niet te zien krijgen.”
+
+„We doen toch niet goed,” zei Koen, terwijl hij naar binnen ging. „Ik
+had het liever aan vader gezegd.”
+
+„Dat kan morgen nog even goed,” riep Piet hem na toen hij het laddertje
+opnam om het weer te brengen waar hij ’t vandaan gehaald had. Want z’n
+vader hield van orde en alle dingen hadden in de boerderij en op het
+erf hun vaste plaats, zoodat je nooit naar iets hoefde te zoeken als je
+het noodig had.
+
+Koen stopte het wonderkistje veilig weg, ofschoon hij er toch wel ’n
+beetje het land aan had iets stiekems te doen. Dat was ie niet gewoon.
+Hij en Berte hadden nooit iets voor vader en moeder te verbergen. Hij
+trachtte zich wel gerust te stellen door het goede voornemen het de
+volgende dag te vertellen en dan, ’t was toch ook eigenlijk meer ’t
+drijven van Piet, die ’t nu eenmaal eerst nog eens probeeren wou met
+die witte haan.
+
+Piet was bij hem gekomen in het zolderkamertje en vond ook dat het
+kistje heel goed verborgen was in die koffer. Niemand zou daar licht in
+gaan snuffelen. En ze spraken af om als het kon nog diezelfde avond de
+proef te nemen met de haan.
+
+Maar voor ze daaraan konden beginnen, zag Koen kans er met z’n vader
+over te spreken. Hij vertelde wel niet dat hij en Piet in het bezit
+waren van die machine, doch hij wist, waar Piet bij was, het gesprek te
+brengen op allerlei uitvindingen en toen zei hij dat ie iets gelezen
+had over ’n uitvinding om de dingen te laten verdwijnen of liever
+onzichtbaar te maken.
+
+„O,” zei Berte, „dat konden de kabouters uit de sprookjes ook,
+tenminste zichzelf. Die hadden ’n kap aan hun jasje, die nevelkap
+genoemd werd en als ze die over hun hoofd trokken, kon je de heele
+kabouter niet meer zien.”
+
+„Nee dat bedoelt Koen niet,” zei vader. „Wat Koen meent is wat anders.
+Ik heb er indertijd ook wat van gelezen, maar ik weet niet meer waarin.
+Ik geloof in ’n krant. Je kan er echter op rekenen dat het boerenbedrog
+was hoor. Iets onzichtbaar maken, dat kan. Je kan ’n stuk hout bijv.
+laten verbranden. Dan verdwijnt het als hout. Het blijft echter toch
+wel bestaan. Het hout is alleen maar ontbonden in de stoffen waaruit
+het oorspronkelijk is samengesteld. Zoo kan je water ontbinden in
+waterstof en zuurstof, die beide onzichtbaar zijn. Maar iets, laten we
+zeggen, ’n stok, onzichtbaar maken, ik geloof niet dat zooiets mogelijk
+is.”
+
+„Ik herinner me er ook iets van,” zei moeder. „Het was ’n Amerikaansche
+professor, Wells heette hij geloof ik, die beweerde iets dergelijks
+uitgevonden te hebben, maar hij kon ’t niet bewijzen, want z’n
+instrument, waarmee hij dat deed, was verongelukt of zoo iets. Het
+rechte weet ik er ook niet meer van. Doch het is nog niet zoo lang
+geleden dat ik er wat van gelezen heb.”
+
+„Ja, ja,” zei vader lachend, „als ze er mee voor de dag moeten komen
+dan is het instrument kapot. Makkelijke manier om er af te komen.”
+
+Koen zat op heete kolen. Hij kon naar z’n kamertje gaan en het kistje
+halen en dan kon vader meteen zien dat het machientje of het instrument
+werkelijk bestond en dat het onzichtbaar maken van dingen niet
+onmogelijk was. Hij kon het dan meteen aan die professor in Amerika
+terug sturen, of er tenminste ’n brief over schrijven.
+
+Dat had ie ook moeten doen. Maar Piet vroeg hem of ie meeging. Die
+jongen had gedurende het gesprek heelemaal geen woord gezegd. Net
+gedaan of hem zooiets geen steek schelen kon. In werkelijkheid was ie
+zoo bang als de dood geweest dat Koen zich verpraten zou. Hij had het
+zich nu eenmaal in z’n hoofd gehaald om dat onzichtbaar maken toe te
+passen op ’n levend ding, en hij was bang dat z’n plannetje in het
+water zou vallen als m’nheer Bruggemans dat kistje in z’n vingers
+kreeg.
+
+Koen ging mee. En toen ze ’n eind weg waren, zei Piet:
+
+„Ik was bang dat je de boel verklappen zou Koen.”
+
+„Ik had het ook haast gedaan,” antwoordde die. „M’nheer Wells moet dat
+kistje terug hebben. Het is zeker wel ’n zeer kostbaar instrument en
+het is van hem en niet van ons.”
+
+„Hij krijgt het ook terug. Maar het zal er wel niet op ’n paar dagen op
+aan komen,” zei Piet lachend. „De haan moet er eerst aan gelooven. Ik
+moet weten of dat ook kan.”
+
+„Maar dan vertellen we het aan vader, hé?”
+
+Piet gaf daar geen antwoord op. Hij stelde voor om nu maar eens te gaan
+zien of de kust veilig was om met de witte te beginnen.
+
+Maar daar was nog geen sprake van. Er was voortdurend geloop over het
+erf waar de kippen liepen en Piet zag geen kans om met de haan
+ongemerkt naar de kamer te gaan. Ze gingen dus maar in de boomgaard om
+wat peren te eten en daar kwamen al heel gauw Berte en Mie vergezeld
+van Flip bij hen.
+
+Piet deed niet erg vriendelijk tegen z’n zusje, en die twee kregen
+bijna ruzie. Koen kwam tusschenbeide. Hij begreep wel dat Piet de
+meisjes weg wilde hebben maar hij kon toch niet velen dat ie daarom
+onhebbelijk werd tegen hen. Berte schold de jongens op haar beurt uit
+voor naarlingen en liep nijdig met Mie en Flip de boomgaard uit.
+
+„Ziezoo,” zei Piet, „die kunnen we missen. Laten we nou maar weer eens
+gaan kijken of we met de haan naar boven kunnen komen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK
+
+ Waarin de witte haan onzichtbaar wordt en de heele familie versteld
+ staat.
+
+
+’t Was al ’n beetje schemerig in het zolderkamertje, want Koen had de
+gordijntjes voor het venster toegeschoven. De kippen buiten gingen de
+een na de ander op stok. Het werd avond.
+
+Piet had het klaar gespeeld om de witte haan te pakken te krijgen
+zonder dat een van de huisgenooten er iets van gemerkt had. En nu zaten
+de twee proefnemers op hun hurken, Piet met de witte haan in z’n armen
+en Koen klaar met de rooie knop van professor Wells’ verdwijn-machine.
+De haan wou naar bed en probeerde nu en dan los te komen. Hij deed niet
+erg veel moeite, want hij voelde zich in Piet z’n armen heel goed
+thuis. Als die maar heel stil gezeten had, zou de haan wel in slaap
+gevallen zijn daar boven in Piet’s kamertje. Maar Piet nam de haan in
+z’n handen en dat was geen gemakkelijke positie voor het beest. De haan
+verzette zich hiertegen ’n klein beetje en kakelde zachtjes. Maar Piet
+hield ’m de snavel toe en zei ’n beetje ongeduldig tegen Koen: „Begin
+je haast?”
+
+„Jawel,” antwoordde die, maar hij scheen er niet heel veel zin in te
+hebben. Had ie misschien meelijden met het beest, dat op het punt stond
+voor goed onzichtbaar te worden?
+
+Want Koen had wel zooveel uit de papieren begrepen dat er ook nog ’n
+ander toestel bestond waarmee je de onzichtbaar gemaakte dingen weer
+zichtbaar kon maken, doch dat instrument hadden ze niet. De haan zou
+dus verdwijnen. Geen mensch zou hem ooit weer zien en z’n kippen, over
+wie de witte koning speelde en de andere hanen die hij tiranniseerde,
+hadden hem voor het laatst kunnen bekijken toen Piet er mee naar het
+zolderkamertje sloop.
+
+„Treuzel nou toch niet langer,” zei Piet ’n beetje grommig. Koen hield
+de rooie knop toen maar tegen de haan. Hij bedacht, toen hij daarna de
+haan scherp betuurde, dat het voor dat beest toen eigenlijk ’n geluk
+was als ie onzichtbaar werd. Hanen worden in de regel door de menschen
+ook onzichtbaar gemaakt eer de dieren te oud en te taai worden. Maar
+dan verdwijnen ze eerst in de pot en daarna in de onverzadelijke magen
+van de menschen. Als de witte haan onzichtbaar werd door professor
+Wells’ machine hing hem het gewone akelige hanennoodlot niet meer boven
+het hoofd. De moeder van Piet zou het wel nooit in d’r hoofd krijgen ’n
+onzichtbare haan te willen braden en de witte kon dus naar hartelust
+blijven leven.
+
+„Kijk es,” fluisterde Piet, „hij begint al. Of zou het komen omdat het
+duister wordt?”
+
+„Ik weet het niet,” antwoordde Koen even zacht. „Hij doet z’n oogen
+toe. Zou ie doodgaan?”
+
+„Welnee ... hij gaat gewoon slapen. Hij voelt er niks van, dat merk ik
+wel... Maar kijk nou es goed... Hij wordt toch al onzichtbaarder, vindt
+je ook niet?”
+
+„Ja.. ’t wordt net ’n schim.... zal ik er nu maar mee ophouen?”
+
+„Ophouen? Ben je mal. Houdt het ding er tegen aan. We blijven niet
+halfweg steken.” En na ’n oogenblik: „Hij gaat goed jô. Ik kan ’m al
+bijna niet meer zien.”
+
+„Ik ook niet.”
+
+Weer ’n poosje stilte. De jongens konden hun hart bijna hooren kloppen.
+De haan werd hoe langer hoe ijler. Maar ’t werd ook donkerder in het
+kamertje en alles werd zoo’n beetje vaag en nevelig.
+
+De eenige die er niets van merkte was de haan zelf. Die sliep.
+
+Eindelijk zagen ze geen van beiden van de haan iets meer. In ’t
+kamertje was het nu nagenoeg donker. Piet die met de onzichtbare haan
+in z’n handen zat, vroeg aan Koen het gordijn weg te schuiven, want
+buiten was er nog wel ’n beetje licht en toen dat naar binnen drong,
+zoodat er weer wat schemering was, zag Koen z’n kameraad
+oogenschijnlijk met leege handen staan.
+
+„Voel nou maar es,” fluisterde Piet hem toe. En Koen voelde duidelijk
+de haan, de gladde veeren van de vleugels en de lange kromme
+staartveeren, die zoo als ’n vlag konden wapperen in de wind.
+
+Piet zette de haan op de sport van ’n stoel. Het beest werd er
+misschien half wakker van, maar zoodra voelde het dat ronde hout onder
+z’n pooten of het zat al op stok en sliep waarschijnlijk weer door.
+
+„Ziezoo,” zei Piet, „die slaapt tot het dag wordt.”
+
+Nadat ze eerst beiden nog naar beneden geweest waren voor hun avondeten
+(bij de boeren eet je ook nog voor je naar bed gaat) gingen ze ook
+onder de wol en sliepen niettegenstaande de vreemde dingen die ze die
+dag hadden ondervonden, net als de haan onmiddellijk.
+
+Met het krieken van de morgen werd de haan op z’n ongewone slaapplaats
+wakker. Misschien had ie wel ’n vreemd gevoel, omdat ie zichzelf niet
+meer zien kon, want hij was erg onrustig. Hij sprong van z’n sport en
+liep over de planken zoodat de beide jongens al heel gauw ontwaakten
+door het getik van hanepooten op het hout. Koen was het eerst wakker en
+keek uit z’n bed en schrok ’n beetje toen hij het gescharrel van de
+haan hoorde, zonder dat ie van het beest ook maar ’n veertje te zien
+kon krijgen. Hij keek naar Piet. Die was ook wakker en keek net zoo
+verbaasd uit z’n bed als Koen.
+
+„’t Is toch raar hoor,” zei hij bij wijze van goeiemorgen en Koen zei
+niemendal.
+
+Ze stonden allebei op, waschten zich en trokken hun kleeren aan.
+
+Toen haalde Piet wat mais uit z’n broekzak en strooide de korrels voor
+zich op de grond. Dat was de haan gewoon van Piet en onmiddellijk kwam
+ie aanstappen. Gulzig, als hanen doen, wanneer er geen kippen bij zijn,
+pikte hij de korrels op en nu zagen de twee toeschouwers het gekste
+ding gebeuren, waaraan ze heelemaal niet gedacht hadden. De maiskorrels
+gingen omhoog, zakten achter elkaar omlaag en bleven ergens ’n eindje
+van de grond op ’n hoopje zitten. De mais die niet met de
+verdwijn-machine behandeld was, bleef zichtbaar!
+
+„Nou zit de mais in z’n krop,” zei Piet.
+
+„Zooiets geks heb ik nog nooit gezien,” vond Koen. „Wat zou er nou met
+die mais gebeuren?”
+
+„Ik denk,” antwoordde de boerenjongen die verstand van kippen had, „dat
+de mais net als altijd wel langzaam verteren zal en dan komt ze van z’n
+krop in z’n maag en dan zal d’r langzamerhand wel niks meer van te zien
+zijn.”
+
+De haan hoorde nu de kippen buiten, die uit het hok kwamen en ’n haan
+kraaide. Dat kon de voormalige witte niet uitstaan. Als er ’s morgens
+gekraaid moest worden dan behoorde hij dat te doen. Die andere hadden
+niks te kraaien zoolang hij er nog was. Gingen ze ver genoeg uit z’n
+buurt, dan kon het hem minder schelen, maar zoo vlak bij dat was
+majesteitsschennis. Hij vloog dus op de vensterbank, kraaide zoo hard
+hij kon, zoodat de haan daarbeneden, die het gewaagd had ’n bek open te
+doen, angstig omhoog keek, natuurlijk gereed om onmiddellijk de de
+vlucht nemen. Maar hij zag de gevreesde witte baas van de kippetjes
+heelemaal niet en bleef dus maar staan. Hij kraaide zelfs nog ’n
+keertje. Dat was iets te veel voor de onzichtbare en klappend met de
+vleugels vloog hij omlaag, tevergeefs nageoogd door Koen en Piet. Ze
+zagen beneden de kippen uit elkaar stuiven toen er daar zooiets uit de
+lucht over hen heen en tusschen hen door fladderde, dat ze niet zien
+konden. Maar de haan die gekraaid had en met z’n hals uitgerekt loerde
+naar z’n gevreesde tegenstander kwam er bekaaid af. Hij stond klaar om
+te vluchten, want hij hoorde de vijand aankomen, maar die had ’m eer
+hij nog ’n besluit had kunnen nemen welke kant ie uit zou gaan, al bij
+z’n kuif te pakken.
+
+De aangevallen haan was heelemaal de kluts kwijt en moest het toelaten
+dat de ander hem de kam leelijk havende. Doch toen pakte hij z’n biezen
+en poetste op goed geluk de plaat. Daar was het de witte om te doen. De
+jongens hoorden hem kraaien en met de vleugels slaan. De kippen om hem
+heen keken naar het scheen ’n beetje er van op. Ze draaiden tenminste
+hun halzen en koppen naar alle kanten. Opeens kreeg ’n ouwe kip, die
+het dichtst bij de onzichtbare haan was, blijkbaar de nog altijd
+zichtbare maiskorrels in de gaten. De kip prakkezeerde er niet over,
+dat die maiskorrels daar toch wel ’n beetje vreemd ’n eindje boven de
+aarde schenen te zweven. Maiskorrels zijn maiskorrels, al zweven ze ook
+in de lucht, meende misschien dat kippetje en ze pikte er naar. Maar ze
+pikte alleen de haan, die ze niet zag en die was zoo’n malle
+behandeling door z’n kippen niet gewend. Haneman pikte waarschijnlijk
+terug en de kip ging er onmiddellijk vandoor.
+
+Dat alles zagen de twee jongens uit hun zoldervenster afspelen. Ze
+moesten er om lachen of ze wilden of niet, want het leek wel of er daar
+beneden in de kippenwereld rare dingen gebeurden. Daar net had de
+onzichtbare weer ’n andere haan te pakken gehad, die ’n beetje
+vriendelijk deed tegen ’n kip. En ’n oogenblik later waren er twee
+kippen tegelijk tegen de onzichtbare aangewandeld, waarvan ze blijkbaar
+allebei schrokken. Hoe de witte haan er zich onder hield, was
+natuurlijk niet na te gaan. Maar Koen dacht er het zijne van en zei
+toen ze de kamer uitgingen:
+
+„’t Spijt me dat we dat met die haan gedaan hebben.”
+
+„Mij heelemaal niet,” antwoordde Piet. „De witte is alleen onzichtbaar
+geworden. Verder is er niks aan hem veranderd, dat weet ik vast.” En ’n
+oogenblik later: „Je moet er nog niks van aan je vader zeggen hoor.”
+
+„Ben je bang?” vroeg Koen.
+
+Maar Piet zei lachend:
+
+„Geen steek. Als ze d’r achter komen, lachen ze er allemaal om, dat zal
+je zien. Maar ik wou eerst es graag zien hoe de anderen het vinden
+zonder dat ze weten wat er eigenlijk aan de hand is.”
+
+„Ze zullen niet weten wat ze er van maken moeten,” meende Koen. Maar
+hij vond het voorstel van Piet nogal leuk en wat kwam ’t er ook op aan
+of ’t ’n dag langer verborgen bleef? ’t Was met de haan nou toch
+gebeurd en al vond ie dat toch eigenlijk ’n beetje ongezellig voor die
+haan, hij kon ’t toch niet ongedaan maken. Hij geloofde nu ook wel dat
+de witte er niets onder geleden had.
+
+M’nheer en mevrouw Bruggemans waren natuurlijk nog lang niet bij de
+hand, maar bij de boerenfamilie kon Koen al terecht. Dat deed ie iedere
+morgen dan ook. Berte stond ook niet zoo vroeg op, maar Mie wel. Koen
+at ’s morgens vroeg net als Piet en Mie ’n dikke boterham met spek,
+roggebrood natuurlijk. Hij kreeg er melk bij, maar Piet en Mie moesten
+het maar doen met ’n beetje nat, dat ze koffie noemden. Het rare goedje
+scheen hun best te smaken bij de dikke sneden roggemik, want ze dronken
+er altijd heel wat kommetjes van. De boer en de groote jongens zaten
+nog zoo’n beetje te geeuwen, maar moeder de vrouw liep al bezig in en
+uit. Toen stopte de boer z’n pijp, stak hem aan en zei opeens: „Kom,
+opschieten jongens.” Doch op datzelfde moment (de jongens en ook Piet
+stonden al op) kwam moeder voor de zooveelste maal binnen en zei:
+
+„Vader, kijk jij eris naar de kippen. Wat die mankeeren weet ik niet.
+Ze doen zoo vreemd.”
+
+„Daar heb je ’t al,” dacht Koen met ’n beetje angst, maar Piet zei
+doodleuk:
+
+„Dat heb ik ook al gemerkt moeder.”
+
+„Och wat,” zei de boer, „wat zou d’r nou met die kippen zijn. Niks
+natuurlijk.”
+
+De boer beschouwde de kippen als ’n soort minderwaardig vee, waar hij
+eigenlijk niets mee noodig had. Dat was werk van de vrouw. Die
+verzorgde ze en die verkocht de eieren. Hij bemoeide zich er niet mee.
+Hoogstens verkocht ie soms op verzoek van de vrouw wat jonge hanen of
+oude hennen, maar meestal liet ie dat ook nog over aan de jongens. Die
+kippen waren ’m om zoo te zeggen te min. Toch ging ie achter z’n vrouw
+naar buiten, gevolgd door de groote zoons en Mie, terwijl Piet en Koen
+’n beetje achteraan bleven.
+
+Nu was het zóó met de kippen, dat zoodra ’s morgens de vrouw buiten
+kwam, het heele kippenleger rumoerig naar haar toe kwam en op ’n
+kippedrafje achter haar aanmarcheerde overal waar ze heenging. Stond de
+vrouw stil dan stonden alle kippen en hanen om haar heen. Maar heel
+vooraan stond altijd de witte als rechtmatige aanvoerder van het
+regiment en de andere hanen hielden zich wijzelijk op de achtergrond.
+Dan strooide de vrouw uit ’n groote bak met volle handen het
+ochtendvoer, er voor zorgende dat ook de achterste hun rechtmatige
+portie kregen.
+
+„Wat is d’r nou met jouw kippies?” informeerde de boer.
+
+„Wel nou... kijk maar zelf, hoe mal ze hier vooraan doen... Enne...
+heeremetijd waar is de witte haan?”
+
+„De witte haan?” zei de boer. „Ja, waar is die witte haan?.... D’r
+zullen toch geen dieven op de werf geweest zijn vannacht?”
+
+„Ik heb niks gehoord,” zei de oudste zoon.
+
+„Ik ook niet,” bevestigde de tweede.
+
+„En we hadden ’t toch moeten hooren,” zei de eerste weer. „In de stal
+hoor je alles.”
+
+„Kiep, kiep, kiep, kiep!” riep de vrouw met ’n heel hooge stem. „Als ie
+in de buurt was, zou die nou wel komen,” voegde ze er bij.
+
+Maar de witte haan kwam niet, want hij stond vlak voor haar, het beest
+begreep zeker dat het om hem te doen was, want opeens hoorden ze
+allemaal vlakbij zijn „tok, tok, tok”.
+
+„Ik hoor ’m,” riep Mie en toen keken ze allemaal overal rond en de
+vrouw liet ’n onderzoekende blik gaan over het heele kippenleger, om te
+zien of de haan er toch niet ergens tusschen stond.
+
+Koen voelde zich ’n beetje raar. Hij moest het nu zeggen, dacht ie. En
+toen keek hij Piet eens aan. Maar die knipte enkel maar ’n oogje tegen
+hem en zette ’n gezicht of hij het verloop van de zaak erg naar z’n zin
+vond.
+
+De vrouw strooide toen maar het ochtendvoer uit, want ze had geen tijd
+om zich nog langer met de kippen bezig te houden. Het speet haar wel
+dat de witte er niet was, doch ’n kip meer of minder maakte op zoo’n
+groote hoop toch niet veel uit. Over zooiets kon je in het
+boerenbedrijf je niet zoo heel druk maken.
+
+Ze maakte al aanstalten om naar binnen te gaan en de boer stapte ook al
+op, toen Mie, die met ’n handjevol mais gehurkt zat om naar gewoonte de
+kippen, die tam genoeg waren uit haar hand te laten pikken, opeens
+riep:
+
+„Jakkes, wat is dat nou!”
+
+„Wat heb je?” zei moeder.
+
+„Wel... Kijk es... D’r pikt iets de korrels weg en ik weet niet wie het
+doet.”
+
+De kippen hadden ruimte gemaakt voor de haan die niemand zag. Het was
+zijn recht om er vooraan bij te zijn als er uit de hand gevoerd werd.
+En daar maakte hij ook thans gebruik van. Hij pikte wat ie maar kon.
+
+Moeder zag ook die rare beweging van maiskorrels en de boer kreeg het
+ook in de gaten. Die riep z’n oudste jongens erbij en toen zaten ze
+allemaal om de onzichtbare haan heen, die voortdurend maar korrels
+pikte.
+
+Toen greep de boer opeens naar de korrels die de onzichtbare haan in
+z’n krop had en kreeg natuurlijk de haan te pakken.
+
+„Wel allemachies!” zei de boer zacht. Maar hij liet de haan niet los,
+al vond ie ’t ook nog zoo eng iets in z’n hand te hebben, dat ie niet
+zien kon.
+
+„Wat heb je?” informeerde moeder nieuwsgierig.
+
+„Wat ik heb?... Dat weet ik niet... Maar ’t lijkt allemachies veel op
+’n haan. Ik voel z’n kop... en z’n staart ook.” De boer had de haan in
+de linkerhand en ze zagen allemaal hoe hij met de rechter al sprekend
+ergens overheen tastte.
+
+„Wat doe je toch gek,” zei de vrouw. „Wat klets je nou van ’n haan die
+je in je handen hebt en ik zie niks.”
+
+„Voel zelf maar es,” zei de boer.
+
+Maar daar had de vrouw voorloopig geen trek in naar het scheen. Doch de
+oudste zoon durfde beter.
+
+„Wat heb je toch?” zei ie tegen z’n vader. „Lâ mij ook es voelen.”
+
+„Nou nog mooier,” zei ie na ’n oogenblik met z’n hand gevoeld te
+hebben. „Maar dat lijkt op ’t gevoel net de witte. Zeg Piet voel jij
+es. Jij ken ’m beter dan wij.” Toen kwam Piet met ’n effen gezicht en
+voelde ook. „Geef ’m es hier,” zei hij daarna en hij nam de haan uit
+z’n vaders hand en droeg hem zooals ie dat zoo dikwijls deed en wat de
+haan heel prettig vond. Van plezier riep ie dan ook tok tok zoodat
+iedereen het hoorde.
+
+„’t Is vast de witte,” verklaarde Piet. „Dit is z’n kam. Voel maar,”
+voegde hij er bij, zich tot Mie wendend die de haan ook heel goed
+kende.
+
+„Hij is ’t,” bevestigde Mie. „Z’n staart is ’t ook.”
+
+„Jullie bent geen van allen goed,” zei de vrouw. Maar toen ze ook de
+hand uitgestoken had en het onzichtbare beest voelde, gaf ze haast ’n
+gil.
+
+„Gooi weg,” riep ze, „lâ los dat ding, Piet.”
+
+„De haan los laten?” zei Piet. „Wel daar gaat ie.”
+
+Ze zagen aan de kippen die uit elkaar stoven toen de onzichtbare
+tusschen hen in terecht kwam, dat het werkelijk de haan moest zijn, die
+ze gevoeld hadden, maar ze gaapten elkaar zwijgend aan, want natuurlijk
+begrepen ze er geen sikkepit van.
+
+Piet was de eerste die sprak.
+
+„Wat zou er met die haan gebeurd zijn?” vroeg hij met ’n onnoozel
+gezicht. „Hij is ’t sekuur. Kijk maar es daar heeft ie de zwarte te
+pakken.”
+
+Ze zagen het allemaal. Maar ’t was ’n mal gezicht die zwarte te zien,
+die precies deed alsof ie tegen ’n andere haan stond te vechten
+ofschoon hij ’t oogenschijnlijk deed tegen de leege ruimte. De zwarte
+sprong omhoog en pikte wat ie kon, maar de onzichtbare was verreweg de
+baas. Het bloed liep de zwarte al uit de kam. Tot opeens de zwarte er
+weer vandoor ging.
+
+Toen hoorden ze allemaal de onzichtbare witte luidop kraaien. Hij had
+het, net als altijd, weer gewonnen.
+
+„We staan hier onze tijd maar te verleuteren,” zei de boer eindelijk.
+„Vooruit aan ’t werk jongens.” En toen tegen Piet: „Je krijgt ’n
+dubbeltje als je dat... dat ding de nek omdraait.”
+
+De jongens gingen met elkaar pratend het land in en de boer volgde
+langzaam.
+
+De vrouw ging met Mie naar binnen en Piet, alleen gebleven met Koen,
+zei lachend: „Hoe was ’t ie?”
+
+„We moeten het zeggen,” zei Koen beslist.
+
+„En je zal ’t wel laten,” antwoordde Piet. „’t Wordt nou pas lollig.”
+
+„Noem jij ’t maar lollig. We staan te liegen dat de stukken er
+afvliegen.”
+
+„Liegen? Wie liegt er? Ikke niet. Ik zeg heelemaal niks... en jij hebt
+ook nog geen stom woord gezegd. Om te liegen moet je je mond opendoen.”
+
+„Je kan ook liegen met je mond dicht,” meende Koen.
+
+„Nee, dat bestaat niet. Dominee heeft ons geleerd dat onwaarheid zeggen
+liegen is. Hebben wij iets gezegd dat niet waar was?”
+
+„De waarheid verzwijgen, kan ook liegen zijn of tenminste net zoo erg.”
+
+„Zoo? Hoe leg jij dat uit?”
+
+„Wel als ’t noodig is dat je de waarheid zegt en je doet het niet...”
+
+„O... bedoel je ’t zoo! ’t Is heel niet noodig dat wij de waarheid nou
+al zeggen.”
+
+„Dat vind ik wel.”
+
+„Och jô, wat geeft ’t nou of we dat nog ’n poosje voor ons houen. We
+doen er immers geen mensch kwaad mee.”
+
+Koen wou daar weer tegen opkomen, want hij was het met Piet niet eens,
+dat ze er geen mensch kwaad mee deden. Doch op dat oogenblik kwam Mie
+met Berte en mevrouw en mijnheer Bruggemans de hoek van het huis om.
+Mie was de eenige die ernstig keek. M’nheer schaterde het uit. Mevrouw
+lachte niet zoo uitbundig, maar leek het toch ook erg grappig te vinden
+en Berte lachte haast net zoo hard als d’r vader.
+
+„Hahahaha... waar is die haan die geen mensch zien kan!” riep m’nheer
+Bruggemans al in de verte. En toen ie vlak bij was: „Neemaar ’t is om
+je dood te lachen. Hahahaha! ’n Onzichtbare haan!”
+
+„Ik wist niet dat er nog zulke bijgeloovige menschen waren,” zei nu ook
+mevrouw met ’n glimlach, „’t Is zonde... hoe komen ze er bij!”
+
+„Onzin,” riep m’nheer weer. „Inbeelding! Hahahaha... Onzichtbare hanen
+bestaan niet. Zeg Piet jij hebt er zeker gisteravond van verteld hè.
+Van die amerikaansche professor met z’n machine... Ze zullen gedroomd
+hebben!”
+
+„Mie heeft het ons verteld, jongens, van die onzichtbare haan die uit
+haar hand pikte,” zei Berte. „’t Kan toch niet hè... ’t Is allemaal
+gekheid.”
+
+„Ik heb ’m ook in m’n handen gehad,” zei Koen nu. „D’r is ’n
+onzichtbare haan.”
+
+„Hou je mond jongen met je nonsens... Begin jij nou ook al. Je komt mij
+maar niet met die dwaasheden aan boord hoor.”
+
+„’t Is toch waar m’nheer,” zei Piet. „Als u even wacht, zal ik de haan
+wel halen. ’t Is onze witte.”
+
+Piet liep weg en ging tusschen de kippen, scherp uitkijkend, want ’t
+was nu ’n toer om de witte te ontdekken. Piet riep zacht: „Kiep, kiep,
+kiep,” in de hoop dat de witte zich wel zou laten verlokken, zooals
+altijd. Toen bukte hij voorzichtig, stak z’n hand uit en greep naar
+iets. M’nheer Bruggemans, z’n vrouw en Berte keken nieuwsgierig en
+m’nheer zei toen ie zag wat wat Piet deed:
+
+„Die jongen is stapel. Kijk nou es, daar komt ie me waarachtig
+aanloopen net of ie iets draagt. Zou die aap nou werkelijk denken, dat
+ie mij wat wijs kan maken?”
+
+„Hier is de haan m’nheer,” zei Piet.
+
+„Jawel slimmerd, dat zie ik,” antwoordde m’nheer Bruggemans lachend.
+„Moet je vroeger opstaan hoor.”
+
+„Voel u maar,” zei Piet weer.
+
+„Kan je begrijpen.”
+
+„Mag ik eens voelen?” vroeg Berte lachend, en ze deed het meteen. Doch
+onmiddellijk zei ze: „Gunst, ’t is echt ’n haan.”
+
+„Wat?” kwam er uit Mijnheer Bruggemans’ mond en meteen stak hij zelf de
+hand uit. „Sapperloot!... Da’s vreemd... interessant... ’t Lijkt
+werkelijk ’n haan of zooiets. Laat mij dat ding eens vasthouden Piet.”
+
+„Asjeblieft,” zei Piet en hij gaf de haan over.
+
+M’nheer Bruggemans pakte het dier voorzichtig bij de vleugels op de
+manier van ’n kippenkoopman als ie ’n kip uit de mand neemt. Zoo werd
+echter de witte nooit aangepakt en hij protesteerde hevig door luid te
+tokken. Maar m’nheer Bruggemans stoorde zich aan dat hanenprotest niet
+en betastte de haan met z’n vrije hand van onder tot boven.
+
+„Pooten,” prevelde hij... „z’n staart... z’n buik... ’t is werkelijk ’n
+haan... au!”
+
+„Dat was z’n bek,” zei Piet lachend.
+
+„Man je bloedt!” riep mevrouw.
+
+M’nheer Bruggemans stond al met z’n bloedende vinger in z’n mond en de
+onzichtbare haan had ie van schrik losgelaten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin m’nheer Bruggemans ’n raar geweer te zien krijgt, ’n
+ telefoonpaal onzichtbaar wordt en de wondermachine zelf ook
+ verdwijnt.
+
+
+De boerenfamilie had het de heele dag over niets anders gehad dan over
+de witte haan, die hoewel uit het gezicht verdwenen er toch nog scheen
+te zijn. De boer zelf zei het minst van allen. Hij wreef maar aldoor
+langs z’n kin, wat ie altijd deed als hij over ’n moeilijkheid zat te
+tobben. De groote jongens waren van oordeel dat het onmogelijk was,
+maar dat je het toch gelooven moest als je zoo’n haan, die je niet zag,
+dan toch maar tusschen je vingers had. Mie vond het eng voor zichzelf
+en naar voor de witte. Moeders mond had er de heele dag niet over stil
+gestaan en het slot was, dat ze verklaarde niet in ’n huis te willen
+blijven waar zulke dingen plaats hadden. De boer had daarop maar
+wijselijk geen antwoord gegeven, want je kon toch maar zoo je heele
+hebben en houden niet in de steek laten, omdat er ’n onzichtbare witte
+haan rondliep. D’r zijn zooveel onzichtbare dingen om je heen, waarvoor
+je toch niet verhuizen gaat.
+
+Piet was de eenige die heelemaal niets zei. Hij had het kunnen
+verklaren, als ie gewild had, maar toen Koen hem aanspoorde het te
+doen, gaf Piet ten antwoord dat z’n vader er dan onmiddellijk ’n finaal
+einde aan maken zou door het tooverkistje op z’n minst stuk te trappen.
+
+En toen legde Koen er zich maar weer bij neer, want het kistje van
+professor Wells door ’n paar boerenklompen te laten behandelen, leek
+hem toch wel wat kras.
+
+Maar hij hield er z’n mond ook over tegen z’n eigen vader, waar Piet
+ook al de oorzaak van was. Want die hield vol dat m’nheer Bruggemans
+het weer niet verzwijgen zou voor de boer en dan ging het toch naar de
+maan. Als zijn vader zich eenmaal voorgenomen had iets stuk te trappen,
+dan werd het ook stukgetrapt.
+
+„Maar heeft je vader dan gezegd, dat ie het zou stuktrappen?”
+
+„Nee, dat heeft ie niet, maar dat kon ik aan z’n gezicht wel zien en
+dat is net ’t zelfde.”
+
+„Dan zal ik er ook maar niks van aan vader zeggen,” gaf Koen toe. „Maar
+we doen er ook niks mee hoor.”
+
+„Misschien wel niet,” antwoordde Piet... „Ik had anders iets
+geprakkezeerd, waar we lol mee konden hebben. We zullen nog wel es zien
+hè?”
+
+„Wat had je dan geprakkezeerd?” vroeg Koen nieuwsgierig.
+
+„Kom mee dan zal ik het je uitleggen.”
+
+Ze wandelden samen het veld in.
+
+Toen ze terugkwamen, zat de heele boerenfamilie bij de familie
+Bruggemans in het tuintje voor het huis waar achter de groene doornheg
+de dahlia’s bloeiden en de hooge zonnebloemen. Dat voortuintje was
+zoolang de familie Bruggemans er was, voor deze bestemd. De boeren
+kwamen er nooit anders dan om onkruid te wieden, behalve Mie natuurlijk
+en Piet.
+
+Er moest dus wat aan de hand zijn, volgens Koen en Piet, die de
+vergadering al in de gaten hadden toen ze nog ’n eind van de boerderij
+af waren.
+
+„Ze hebben ’t over de witte,” zei Piet lachend. „Daar wil ik om
+wedden.”
+
+„Misschien hebben ze het kistje ontdekt,” zei Koen met ’n beetje angst.
+
+„Als dat maar niet waar is,” zei Piet, die ook plotseling ’n beetje
+benauwd werd.
+
+„Ik ga niet naar huis,” verklaarde Koen.
+
+„Maar ik wel,” zei Piet. „Ik wil best weten waar ze ’t over hebben.”
+
+Toen ze in het tuintje kwamen, was m’nheer Bruggemans aan ’t woord.
+
+„Nou moeten jullie je niet overstuur maken,” legde m’nheer uit. „Ik
+geef toe dat het vreemd is. Maar er is zooveel vreemds in de wereld. We
+weten niet hoe het met die haan in z’n werk gegaan is. Doch als we
+daarachter komen, zullen we wel weer zien dat het heel natuurlijk was.”
+
+„Noemt u dat natuurlijk?” zei de boerin. „Nou ik noem het heel
+onnatuurlijk.”
+
+„Laat mij jullie nou es vertellen wat ik er van weet. Toevallig vond ik
+vandaag de krant waar het in stond. D’r is ’n professor in Amerika die
+’n toestel heeft uitgevonden, waarmee naar hij beweerde, de dingen
+onzichtbaar konden worden. Ik wou ’t eerst niet gelooven, maar nou die
+haan van jullie onzichtbaar geworden is, geloof ik het wel. Vanzelf
+wordt een haan niet onzichtbaar, da’s duidelijk hè. Dus moet er iemand
+met zoo’n toestel hier aan ’t werk geweest zijn.”
+
+Toen Koen z’n vader zoo hoorde praten, voelde hij zich allesbehalve op
+z’n gemak. Het ontbrak er nog maar aan dat ie zei: „Koen heeft het”.
+Piet gaf hem ongemerkt ’n duwtje en dat kon niet anders beteekenen dan
+„Houd je mond”. En het plannetje dat Piet hem had medegedeeld was zoo
+verlokkend, dat ie toch ook maar liever z’n mond dicht hield. Als z’n
+vader tenminste het kistje al niet gevonden had.
+
+Doch toen mijnheer Bruggemans doorpraatte, werd die vrees weggenomen.
+M’nheer Bruggemans wist niemendal.
+
+„Ik zou jullie aanraden eens goed op te letten,” ging hij voort, „of er
+geen vreemd volk op de boerderij komt. Het kon wel eens wezen dat de
+een of de ander die in het bezit van dat instrument is, er hier proeven
+mee neemt. Dat moet wel want de onzichtbare haan is er het bewijs van.
+Ik zelf zal ook ’n oogje in ’t zeil houden en ik zal onmiddellijk aan
+die Amerikaan schrijven, want die is het ding kwijt.”
+
+„Als het is als je zegt m’nheer,” zei de boer, „van dat toestel, dan
+zou ik wel es willen weten wie d’r hier op de werf zou willen komen met
+zoo’n ding zonder dat we hem in de gaten krijgen! Heeft een van jullie
+iemand vreemds hier gezien moeder? Jullie bent de heele dag bij huis.”
+
+De boerin verklaarde dat er buiten de postbode en ’n koopman die ze
+heel goed kende, niemand op de werf geweest was.
+
+„Ho, ho,” zei m’nheer Bruggemans, „ze zullen wel zoo dom niet zijn er
+overdag mee hier te komen. Als ze zoo iets doen, doen ze het ’s nachts,
+dat begrijp je toch zeker wel.”
+
+„Dan zullen we vannacht maar eens de wacht houen,” zei de boer.
+
+„Laat mij dat maar es opknappen,” zei de oudste zoon. „De eerste de
+beste die ik onder m’n vingers krijg, komt er niet heel meer tusschen
+uit.”
+
+„Behalve als die je onderhand onzichtbaar maakt,” zei Piet opeens.
+
+„Jakkes,” riep de boerin, „waar haalt die jongen ’t vandaan.”
+
+Maar de anderen zaten zwijgend, totdat de oudste eindelijk zei: „Nou
+dat mot ie dan maar es probeeren.”
+
+„Flink!” zei m’neer Bruggemans, „met jou kan ik praten.”
+
+Zoo werd er dan besloten dat Klaas die nacht de wacht zou houden en
+m’nheer Bruggemans gaf de boerin de ouwe krant mee waarin ze zelf lezen
+kon over de uitvinding van professor Wells.
+
+Toen de boerenfamilie weg was, zei m’nheer Bruggemans: „Die menschen
+zouden in staat zijn aan hekserij te gaan gelooven.”
+
+„’t Ligt voor de hand hè,” antwoordde mevrouw, „als er zulke
+geheimzinnige dingen in je huis gebeuren. Gelukkig maar dat je die
+krant nog had. Nu hoeven ze zich niet zoo ongerust te maken. Maar ’n
+beetje griezelig vind ik het zelf toch ook.”
+
+„Och kom,” zei m’nheer. „Groote gekheid. ’t Is heel natuurlijk. Maar we
+moeten de dader zien te ontdekken.”
+
+Daarna ging m’nheer Bruggemans in huis om papier voor z’n brief aan
+professor Wells in Amerika te halen.
+
+Koen en Piet gingen de tuin uit en toen ze buiten het gehoor van de
+familie waren zei Koen:
+
+„Nou wordt het toch gevaarlijk, Piet, om dat ding nog langer geheim te
+houden en er verder proeven mee te nemen. Dat zal je zelf moeten
+toestemmen.”
+
+„Hoezoo gevaarlijk?” zei Piet met ’n onnoozel gezicht. „’t Is niks
+gevaarlijker dan gisteren.”
+
+„Ik meen het gevaar van ontdekt te worden.”
+
+„O, meen je dat. Nou, als ze ’t ontdekken dan is ’t nog niet erg. Ze
+komen er vandaag of morgen toch achter.”
+
+„Begin je dat ook in de gaten te krijgen? Laten we het dan nu maar
+dadelijk aan vader gaan zeggen, dan kan ie dat meteen aan die
+amerikaansche professor schrijven.”
+
+„Ben je mal jô... We vertellen er heelemaal nog niks van. Waarom zouen
+we dat nou al doen? ’t Wordt nou pas lollig. Je zal eens zien hoe fijn
+ik er m’n broer vannacht mee tusschen neem.”
+
+„Wat??... Moeten we ’t nou nog al niet vertellen? Maar ik laat me door
+jou niet langer tegenhouen. Ik ga ’t zeggen.”
+
+„Da’s flauw hoor. Maar als jij ’t vertellen wil, ga je gang. Je zal
+zien dat je vader ’t kistje inpakt en dadelijk wegstuurt.”
+
+„Nou, dat is toch ook de bedoeling dat die professor z’n eigendom weer
+terugkrijgt.”
+
+„Krijgt ie ’t dan niet terug als wij er eerst nog die telefoonpaal mee
+onzichtbaar maken, zooals we afgesproken hebben?”
+
+„Jawel, maar nou vader d’r zoo ver achter is, dat het instrument hier
+in de buurt moet zijn, hield ik er maar liever mee op.”
+
+„Laten we ’t dan morgenochtend vertellen. Ik zou ’t zoo lollig vinden
+als we er die opschepper van ’n Klaas eerst nog eens mee konden foppen.
+Je hebt zelf gehoord wat ie zei.”
+
+„Ja ’n beetje opschepperig was het wel,” gaf Koen lachend toe. „Met dat
+machientje zouen wij ’m onzichtbaar kunnen maken, zonder dat ie er zelf
+wat van merkte.”
+
+„O zoo. Maar dat wil ik nog niet eens. Laat mij maar es begaan met ’m.
+Je kan d’r op rekenen, dat ie niet in slaap zal vallen en om ’m zelf
+onzichtbaar te maken zou die minstens moeten slapen, want anders had ie
+ons met ’t kistje zoo in de smiezen.”
+
+„Da’s nog al duidelijk.”
+
+„Maar we kunnen misschien wel wat anders onzichtbaar maken. Help jij?”
+
+„Ik wel. Maar ik ben toch ’n beetje bang voor je broer, dat wil ik je
+wel zeggen.”
+
+„O, ik ook, daar niet van. Je kan er op aan als ie iemand in z’n
+knuisten kreeg vannacht, zou die ’t slecht hebben. Klaas is zoo sterk
+als ’n os. En bang is ie ook niet. Dat zijn we bij ons geen van allen.
+Als we wat met hem uithalen, moet ie er niks van in de gaten krijgen.
+Maar die paal moet er eerst aan gelooven. Dat doen we vanavond als
+Klaas slaapt.”
+
+„En hij zou waken?”
+
+„Doet ie ook, maar dan gaat ie eerst ’n paar uur maffen. Hij zal wel
+opstaan als de anderen naar bed gaan. Met die paal komen we klaar
+zonder dat we d’r bij zijn.”
+
+„Zonder dat we d’r bij zijn?”
+
+„Ja zeker, ’t zal me nog al geen tijdje duren eer zoo’n dikke paal
+verdwenen is. Als wij daar bij moesten blijven met dat ding, dan hadden
+we alle kans dat we ontdekt werden. Moet ik niks van hebben.”
+
+„Dus je wou dat kistje bij de paal zetten vanavond?”
+
+„Ja dat wou ik en we binden die rooie knop aan de paal vast. Dan kan ie
+op z’n eentje onzichtbaar worden.”
+
+„Maar als de een of andere op die manier het kistje eens ontdekte?”
+
+„Ook niet erg... zijn we meteen overal af. Hoeven we heelemaal niks te
+zeggen.”
+
+„Dan wou ik maar dat vader het kistje daar vond.”
+
+„Ik niet hoor. Je zal morgenochtend eens wat beleven als die paal
+verdwenen is zonder dat Klaas er iets van gemerkt heeft.”
+
+„Maar hoe wou jij dat kistje weer in huis halen als je broer overal
+rondsluipt, misschien wel met ’n geweer. Daar heb jij zeker ook niet
+aan gedacht.”
+
+„Jawel... komt wel in orde. Dat doen we waar Klaas bij is.”
+
+„Je maakt me nieuwsgierig Piet.... maar ’t lijkt me toch wel lollig
+ook. Hoe doe je dat dan?”
+
+„Ga maar mee dan zal ik ’t je vertellen.”
+
+Zij gingen samen naar huis terug en naar het zolderkamertje waar het
+geheimzinnig kistje klaar gezet moest worden voor het gebruik dat ze er
+die avond van dachten te maken. Piet liep op z’n teenen eerst even naar
+de stal om te kijken of Klaas soms al sliep. Maar de slaapplaats op de
+stal was nog leeg. Piet lachte stilletjes en nam vlug het geweer mee
+dat boven het bed van Klaas hing.
+
+Koen keek verwonderd toen hij Piet terug zag komen met het geweer, maar
+hij begreep al gauw wat de bedoeling was toen hij zag dat Piet het
+kistje voor de dag haalde.
+
+„Ga je dat geweer onzichtbaar maken?” vroeg hij lachend.
+
+„En of en meteen eens probeeren of het ding werkt als je er niet bij
+bent. Kijk nu bind ik die rooie knop tegen het geweer. Maak jij nou
+maar de machine aan de gang. Ziezoo en nou hangen we er wat voor of we
+leggen er wat overheen en dan gaan we naar beneden.”
+
+„Wat moeten we er overheen gooien... die blauwe kiel van jou?”
+
+„Leg maar over, dat ding van jou ook maar, hoe heet dat ook weer.”
+
+„M’n cape.”
+
+„Nou kan geen mensch er meer wat van zien. Ga nou maar mee.”
+
+„’t Is gevaarlijk,” vond Koen. „Als er eens iemand boven kwam, werd het
+zoo ontdekt.”
+
+„Loop rond,” zei Piet. „D’r komt toch ’s avonds nooit iemand hier
+boven.”
+
+Toen ze in het groote woonvertrek kwamen, zat de heele familie koffie
+te drinken, wat ze natuurlijk iedere avond om die tijd deden. Nadat dat
+afgeloopen was, begonnen moeder en Mie voor het avondeten te zorgen en
+daarna werd er gegeten en dan ging de heele familie naar bed. Klaas was
+er niet bij die avond. Die was ’n uurtje op één oor gaan liggen, zei
+Mie. Als de anderen naar bed gingen, zou hij geroepen worden om op
+wacht te trekken.
+
+„Is ie naar bed?” vroeg Piet, die heel goed wist dat ie niet naar bed
+was.
+
+„Welnee,” zei de andere broer, „hij ligt in ’t hooi.”
+
+„Waarom doet ie dat?” vroeg Koen.
+
+„Wel jongen,” zei de boerin, „je komt makkelijker uit het hooi dan uit
+je bed.”
+
+„Hij liever dan ik,” zei de broer. „Ik mot er niks van hebben om zoo’n
+nachtje op te blijven als er zulke rare dingen gebeuren.”
+
+Na het koffiedrinken verdwenen Koen en Piet weer stilletjes naar het
+zolderkamertje om te gaan kijken of het geweer van Klaas al onzichtbaar
+geworden was.
+
+Doch daar deden ze ’n vreemde ontdekking. De kolf was verdwenen maar de
+rest van het geweer was nog net even zichtbaar als te voren.
+
+„Da’s gek,” zei Piet. „Kijk es je kan die ijzeren schroeven allemaal
+zien zitten en dat glimmende ijzer onder tegen de kolf ook. ’t Is net
+of het allemaal in de lucht zweeft.”
+
+„Net als met de mais,” zei Koen. „Om ’t heelemaal onzichtbaar te
+hebben, zouen we die stukken metaal ook nog eens moeten behandelen. Ik
+merk dat je met die machine alleen dingen onzichtbaar kunt maken die
+uit één stuk zijn, een geheel zie je.”
+
+„Dat kan wel Koen, maar ’t wordt op die manier ’n raar geweer. Maar nou
+ga ik ’t eerst eventjes weer boven Klaas z’n bed hangen.”
+
+„Och jô, hij ziet het toch dadelijk, nou ’t er zoo uitziet.”
+
+„Mô je niet gelooven. Als Klaas z’n geweer gaat halen, is ’t
+pikkedonker. En zoek dan onderhand ’n stuk touw op, want we moeten zoo
+meteen het kistje uit het raam laten zakken.”
+
+„Wat is dat nou weer?”
+
+„O, wil jij ’t soms onder je arm nemen en er zoo de deur mee uit
+wandelen als we naar de telefoonpaal gaan?”
+
+„Nee dat kan niet, daar heb je gelijk aan.”
+
+Even later had Koen ’n flink eind touw en Piet had het rare geweer
+boven het bed gehangen.
+
+Ze zaten nu in het kamertje, terwijl het al begon te schemeren, een
+gunstig oogenblik af te wachten om er met het kistje vandoor te gaan,
+zonder dat iemand het merkte. Het werd om de boerderij al stiller en
+stiller. M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten zeker met Berte aan de
+andere kant van het huis in het tuintje. Daar zaten ze iedere avond
+soms heel lang. En de andere menschen waren in de groote
+boeren-huiskamer. Dat was ook iedere avond zoo.
+
+„Nou moeten we ’t maar es probeeren,” zei Piet. „Ik ga naar beneden en
+dan laat jij het ding zakken. Maar ik zal eerst es kijken of het veilig
+is.”
+
+Piet sloop weg en ’n oogenblik later zag Koen hem beneden op het erf
+rondloeren. Even daarna wenkte Piet naar boven en Koen liet het leeren
+koffertje met ’t wonderkistje er in behoedzaam uit het venster zakken.
+
+Piet greep het en was er in ’n ommezien mee tusschen de struiken. Koen
+ging nu ook naar beneden en volgde Piet op z’n geheimzinnige tocht door
+het kreupelhout. Op die manier kwamen ze zonder door iemand gezien te
+worden bij de paal van de rijkstelefoon die op ’n afstand van ’n paar
+honderd meter van het huis verwijderd aan de weg stond.
+
+„’t Zal wel lang duren,” meende Koen. „’t Is ’n heel stuk hout zoo’n
+paal.”
+
+„Hindert niet,” antwoordde Piet. „We zetten het heele toestel hier maar
+neer en we binden die rooie knop tegen de paal aan. Wij gaan naar
+huis.”
+
+„En wou jij dan het koffertje hier laten?”
+
+„Wel ja, waarom niet? D’r komt hier geen mensch voorbij en al kwam er
+iemand dan zien ze in het donker het ding nog niet.”
+
+„En wanneer halen wij ’t dan weer terug?”
+
+„Vanavond laat. Laat mij daar maar voor zorgen.”
+
+„Als Klaas hier rondloopt met z’n geladen geweer?”
+
+„Ja. Ik ga hem ’n poosje gezelschap houen. Dat vindt ie wel lollig.”
+
+„Dus jij wilt vroeg opstaan om het kistje te halen.”
+
+„Nee ik wil niet vroeg opstaan, tenminste niet vroeger dan anders. Ik
+ga niet naar bed.”
+
+„O, zeg die knop zit prachtig tegen die paal hè?”
+
+„Fijn hoor. Laten we nou maar hard naar huis hollen, anders krijgen we
+weer ’n standje. Ze zullen al wel aan de pap zitten.”
+
+Bij de boer aten ze elke avond pap met stroop en Koen deed er trouw aan
+mee, al was ’t heelemaal geen stadsche gewoonte. Maar Koen vond die
+boerenmanier van leven zoo slecht nog niet.
+
+Ze kwamen net nog vroeg genoeg, ofschoon moeder al had opgeschept en
+Klaas was er ook. Vader bepraatte met hem wat ie doen moest als ie iets
+ontdekte die nacht. Hij moest in dat geval maar gauw komen waarschuwen,
+dan zouen ze die baas, die van die gekke kunsten op het erf durfde
+uithalen wel mores leeren. M’nheer Bruggemans had ook beloofd dat ie
+dadelijk bij de hand zou zijn als ze hem noodig hadden. Klaas meende
+dat ie ’t wel alleen af zou kunnen. Hij zou z’n jachtgeweer maar
+meenemen. Met dat jachtgeweer schoot ie in de winter nog wel es stiekem
+’n konijn of ’n haas. Dat mag wel niet, maar de boeren zien in zoo’n
+beetje stroopen geen kwaad. Die beesten eten onze vruchten op, zeien ze
+en dus mogen wij hen wel weer opeten.
+
+Klaas had net uitgesproken toen er aan de deur werd getikt en m’nheer
+Bruggemans binnentrad. Dat deed ie anders nooit. Maar nu kwam hij even
+zeggen dat ie ook nog ’n poosje op wou blijven om met Klaas de ronde te
+doen. Hij wou zelf wel es kijken of er ’t een of ander gebeuren zou.
+
+De boer vond dat erg aardig van m’nheer en de vrouw niet minder. Klaas
+had er ook niemendal op tegen, want al zei hij er niets van, hij vond
+het nu het heelemaal donker was geworden buiten toch wel ’n beetje
+angstig. Niet dat ie bang was in donker. Daar had ie heelemaal geen
+last van. Maar met die onzichtbare dingen was ’t toch niet pluis. Hij
+had in de krant van mevrouw Bruggemans gelezen van die amerikaansche
+uitvinding, maar hij geloofde het nog maar half en dat die dingen nu
+net bij hen op ’t erf moesten gebeuren... nee ’t was toch niet alles al
+had je ’n geweer bij je. Je kon ’t maar nooit weten. En daarom was ie
+toch blij dat m’nheer Bruggemans zoo vriendelijk was om hem ’n poosje
+gezelschap te houden. De eerste uren waren de naarste. Dan moest je er
+nog zoo heelemaal aan wennen.
+
+„Nou,” zei de boer, dan gaan wij maar onder de wol. Als m’nheer zoo
+vrindelijk wil zijn Klaas ’n poosje gezelschap te houen, dat vonden ze
+dan allemaal maar wat aardig.
+
+„Dan betrekken wij de wacht maar, Klaas. Heb je voor mij ook soms niet
+’n geweer?”
+
+„Jawel,” zei Klaas. „Je kan ’t mijne krijgen. Das ’n heel beste spuit.
+Ik kan vader z’n geweer wel vatten.”
+
+Koen voelde dat Piet hem onder de tafel aanhoudend zat aan te stooten.
+En als ie dan even opkeek naar Piet z’n gezicht dan zag ie maar al te
+duidelijk dat z’n kameraad het heele geval erg naar z’n zin vond. Maar
+Koen had er minder schik van. Hij kon het nog maar niet zoo aardig
+vinden dat z’n vader met dat rare geweer zou gaan loopen. Zoolang ie er
+mee in donker bleef was ’t niemendal. Maar als Klaas ’t nu dadelijk
+ging halen, dan kwam de heele zaak onmiddellijk al aan de dag en hij
+voelde wel dat ie zich niet goed zou kunnen houden. Vooral niet als er
+misschien aan hem iets zou gevraagd worden, want liegen daar deed ie
+niet aan. ’t Liefst had ie alles nu toch maar verteld, maar die Piet
+hield ’m er van terug. Morgen, had Piet gezegd, tenminste zooiets. Maar
+hij nam zich voor om er morgen in ieder geval ’n eind aan te maken. Dat
+geheimdoen was toch niks voor hem.
+
+Gelukkig ging Klaas het geweer niet halen. Dat gebeurde pas toen ze
+allemaal met m’nheer Bruggemans naar buiten gingen. Toen zei Koen z’n
+vader:
+
+„Nou menschen gaan jullie maar gerust naar bed. Ik zal met Klaas dat
+zaakje wel eris opknappen. Ga nou je spuit maar halen.”
+
+Koen en Piet waren naar hun zolderkamertje gevlogen en lagen daar uit
+het venster te loeren. De boer was met de anderen ook weer naar binnen
+gegaan. M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en liep wat heen en weer.
+Klaas kwam ook nog niet gauw terug. Maar eindelijk kwam ie toch en de
+jongens hoorden hem zeggen:
+
+„Asjeblieft m’nheer, hier heb je mijn geweer. Ik heb dat van vader.
+Maar ik kon ’t zoo gauw niet vinden. ’t Mijne heb ik altijd zoo. Dat
+hangt altijd boven me bed.”
+
+„Geef maar op Klaas,” hoorden de jongens m’nheer Bruggemans zeggen. „Is
+’t geladen?”
+
+„Nou en of!”
+
+Koen en Piet zagen dadelijk daarop het vuurpuntje van de sigaar
+opgloeien. M’nheer Bruggemans had zeker ’n hevige trek aan z’n sigaar
+gedaan. Daarna hoorden ze Klaas vragen of ze geen lantaarn zouden
+aansteken, waarop m’nheer Bruggemans antwoordde dat ie z’n
+fietslantaarn bij zich had, maar dat ze die wel zouden aansteken als
+het noodig mocht zijn. Ze moesten de zaak in de duisternis onderzoeken.
+
+„Nou,” fluisterde Koen, „dan mogen ze ook wel wat zachter praten,
+anders hooren de boosdoeners toch alles.”
+
+En Piet zei daarop lachend maar ook heel zacht:
+
+„En die boosdoeners zitten veilig hier op zolder. Ga je mee naar
+beneden?”
+
+„Naar beneden?” zei Koen verbaasd. „Ik moet naar bed jô!”
+
+„Maar we moeten toch eens gaan kijken wat ze uitvoeren. Verbeeld je dat
+ze het koffertje vinden bij die paal.”
+
+„Zouen ze daarheen gaan?”
+
+„Welnee jô, ze blijven hier op het erf.”
+
+„Waarvoor zouden wij dan gaan kijken? Ik ga veel liever slapen ook.”
+
+„Ga jij dan maar slapen. Ik klim het raam uit.”
+
+„’t Raam uit? Hoe doe je dat? Je hebt het laddertje toch niet laten
+staan?”
+
+„Nee, ’t laddertje is er niet. Dan kreeg ik van vader op me kop. Ik
+weet er wel wat anders op.”
+
+Hij haalde ’n touw ergens vandaan. Koen begreep dat ie dat expres voor
+dat doel daar had geborgen, maar Piet legde hem uit dat z’n broers,
+vooral Klaas, daarvan vroeger ’s winters gebruik maakten, wanneer ze ’s
+nachts zonder dat vader het wist gingen stroopen.
+
+„Doen ze dat ’s nachts ook al?” vroeg Koen.
+
+„Met de lichtbak,” zei Piet. „Vader wil niet hebben dat ze er ’s nachts
+op uit gaan, maar ze doen ’t toch wel es. En dan moeten ze hieruit,
+want vader sluit de deuren zelf en dan neemt ie de sleutels mee.”
+
+Koen vond zoo’n klimpartij aan ’n touw toch wel leuk en ofschoon hij
+wist dat z’n vader het wel heel niet zou goedkeuren, ging ie toch maar
+langs het touw naar beneden. Piet was al voorgegaan en samen slopen ze
+nu langs het achterhuis naar het voortuintje. Als m’nheer Bruggemans
+die tuin ingegaan was met Klaas dan moest ie al heel gauw ontdekken dat
+z’n geweer er ’n beetje raar uitzag, want de lamp brandde nog in de
+voorkamer waar mevrouw Bruggemans nog zat te lezen. De jongens konden
+uit hun schuilplaats tusschen een paar struiken net in de kamer zien.
+Er was niemand als Koen z’n moeder die heel stil telkens ’n blad van
+haar boek omsloeg. De twee nachtwakers waren zeker de andere kant
+opgegaan en nu wachtten de jongens geduldig tot ze terug zouden komen
+van hun ronde. Piet had wel eerst naar de telefoonpaal gewild maar Koen
+had het afgeraden. Je kon nooit weten of ze die kant niet ’n eindje
+waren opgeloopen en als ze hen ontdekten liep het mis.
+
+Eindelijk hoorden ze stemmen. M’nheer Bruggemans praatte voor ’n
+schildwacht veel te luid en de jongens kropen een beetje verder onder
+de struiken toen de stem al duidelijker werd. Klaas konden ze niet zoo
+goed hooren. Die sprak wat zachter. Maar die was ook meer ’s nachts er
+op uit geweest en die wist dat je in den nacht ’n stem heel ver hooren
+kunt. M’nheer Bruggemans konden ze heel duidelijk verstaan.
+
+„Drommels,” zei m’nheer Bruggemans, „m’n vrouw is warempel nog op. Die
+vergeet altijd de klok als ze zit te lezen. Klaas ik zal haar even gaan
+zeggen dat het al over tienen is.”
+
+„Nou komt ie met z’n geweer in ’t licht,” fluisterde Piet, „zal je wat
+beleven.” Ze loerden samen door de blaren en zagen m’nheer met Klaas de
+tuin in loopen. „Daar heb je ’t al,” zei Koen. „Klaas merkt ’t.”
+
+Klaas was plotseling in het smalle paadje blijven staan en gaapte z’n
+geweer aan of tenminste dat gedeelte van het geweer dat zichtbaar
+gebleven was.
+
+„Wat heb je?” vroeg m’nheer Bruggemans zich omkeerend. „Wat kijk je
+beteuterd. Waar kijk je zoo naar?”
+
+Maar de jongens hoorden geen antwoord van Klaas. Die scheen zoo
+verbouwereerd dat ie geen woord kon uitbrengen. M’nheer Bruggemans keek
+Klaas aan en begon toen zichzelf ook eens te bekijken en hij keek
+natuurlijk het eerst naar z’n rechterbeen omdat ie dacht dat Klaas daar
+wat aan zag. Doch m’nheer Bruggemans had nog nergens erg in, want hij
+droeg het geweer aan de riem.
+
+„Wat is er toch met me?” vroeg m’nheer Bruggemans nog eens. Terwijl hij
+dat zei nam hij zonder er bij te denken het geweer van z’n schouder en
+toen zag hij het natuurlijk ook.
+
+„Lieve hemel,” zei m’nheer Bruggemans, „wat ’s dat voor ’n ding. Ik heb
+de kolf verloren!”
+
+Doch ’n oogenblik later zag hij dat de draagriem nergens meer aan vast
+zat en toch net deed of er wat aan hing.
+
+„’t Is half weg.” zei Klaas opeens. „M’nheer ze hebben onderweg het
+geweer half onzichtbaar gemaakt.”
+
+M’nheer Bruggemans betastte het heele geweer en merkte dat het nog
+heelemaal aanwezig was, maar dat je het gedeelte dat van hout gemaakt
+was niet meer zien kon. Voelen kon je het daarentegen net als altijd.
+Ook merkte hij nu dat het metaal onder aan de kolf nog wèl zichtbaar
+was en hij zag ook de schroeven.
+
+„Da’s ’n gekke geschiedenis,” prevelde m’nheer, zoo zacht dat de twee
+in de struiken het ternauwernood konden hooren. En daarna zei hij wat
+luider:
+
+„Heb jij dat geweer boven je bed vandaan gehaald?”
+
+„Ja m’nheer en toen was het er nog heelemaal.”
+
+„Het is er nu ook nog heelemaal. Maar heb jij het heelemaal gezien?”
+
+„Ik heb het heel niet gezien,” zei Klaas. „Ik heb het in de donker maar
+zoo meegepakt.”
+
+„Dan kan het wel vroeger onzichtbaar gemaakt zijn,” zei m’nheer.
+„Onderweg kan het onmogelijk gebeurd zijn. Ik heb niks gevoeld. Laten
+we even in huis gaan bij m’n vrouw. Ik moet dat geweer eens wat
+nauwkeuriger bekijken.”
+
+Ze gingen samen naar binnen en toen trok Piet Koen mee.
+
+„Waar ga je heen?” fluisterde die.
+
+„Kijken,” fluisterde Piet terug.
+
+„Dan zien ze ons.”
+
+„Nee, ga maar mee.”
+
+Piet ging vooruit en zoo slopen ze als ’n paar inbrekers langs het huis
+tot ze bijna bij het open venster waren waarachter mevrouw Bruggemans
+had zitten lezen. Toen bukte Piet en zat ’n oogenblik later onder het
+venster met Koen naast zich. Als er iemand in de kamer z’n hoofd naar
+buiten gestoken had zou hij onmiddellijk de jongens hebben kunnen zien.
+Maar daarbinnen hadden ze het zoo druk met het half onzichtbare geweer
+dat niemand er aan dacht naar buiten te zien en bovendien dachten ze
+geen van drieën in de verste verte aan Koen of Piet, net zoomin als dat
+ze vermoeden konden, dat die twee jongens meer wisten van dat
+geheimzinnige onzichtbaar worden dan zij met hun allen.
+
+Koen hoorde z’n moeder allerlei uitroepen doen van verbazing, hij
+hoorde Klaas nu en dan wat mompelen dat ie niet verstaan kon en hij
+hoorde z’n vader volhouden dat er die dag iemand in de boerderij moest
+geweest zijn die het geweer gedeeltelijk onzichtbaar gemaakt had.
+M’nheer hield verder vol dat die man of wat het dan ook mocht geweest
+zijn, bepaald in z’n werk gestoord was anders had ie het geweer wel
+heelemaal onzichtbaar gemaakt.
+
+Weer kreeg Koen groote lust op te staan en aan z’n vader alles te
+vertellen. Maar hij deed het toch weer niet, want Piet trok hem aan z’n
+mouw en sloop weg. Koen volgde.
+
+„Nou moeten we gauw naar de telefoonpaal,” fluisterde Piet toen ze weer
+veilig ’n hoek van het huis om waren.
+
+„Goed,” antwoordde Koen, maar hij had er niet veel zin in.
+
+Ze slopen om het huis heen en wilden juist in de struiken kruipen toen
+Klaas als ’n donkere schim van de tegenovergestelde kant kwam. De
+jongens stonden plotseling doodstil. Geen vin verroerden ze meer.
+Wachten tot Klaas weg was, dat was alles wat ze te doen hadden. Ze
+hielden de adem in, Klaas kwam dichterbij. Nu was ie geen vier stappen
+meer van hen af. Nog ’n paar seconden, dan was ie voorbij. Opeens
+scheen Klaas zich te bedenken. Hij stond stil. Koen kreeg ’n gevoel in
+z’n keel of hij hoesten moest en hij kneep z’n lippen stijf op elkaar.
+Z’n oogen wendde hij niet van de donkere schaduw af die Klaas was. Soms
+zag hij hem heel duidelijk, doch dan opeens leek de heele Klaas wel
+verdwenen, was alles gelijk zwart. Tot Klaas weer ’n beweging maakte,
+dan zag ie ’m weer duidelijk.
+
+Wat duurde dat lang! Waarom talmde die Klaas daar nou zoo lang? Koen
+kon bijna niet meer stil staan.
+
+Dat duurde zoo nog ’n heele tijd. Hoe lang dat wist Koen niet. Maar ’t
+leek heel erg lang. En toen ging Klaas opeens zitten op ’n omgekeerde
+tobbe die daar stond. Piet stiet Koen zacht aan. Dat beteekende zeker
+dat ie zich nog stiller moest houden dan ie al deed. Koen vond het
+alles behalve lollig. Klaas zat daar vlak voor hen met het geweer dwars
+op z’n knieën. Ze konden nu niet meer weg. En als Klaas zoo zitten
+bleef, moesten zij daar blijven staan en als het dan zoo meteen dag
+werd waren ze er gloeiend bij. Nee, het was geen aangename positie.
+
+Opeens trok Piet hem weer aan z’n mouw en toen kwam Piet met z’n hoofd
+heel dicht bij Koen z’n oor en Koen hoorde Piet fluisteren: „Hij maft.”
+
+Meteen verdween Piet onhoorbaar tusschen de struiken en Koen was er
+gauw bij om hetzelfde te doen.
+
+’n Oogenblik later stonden ze op de weg en gingen ze voorzichtig naar
+de paal. Ze wisten precies waar die stond en bovendien hoorden ze boven
+zich het gezoem van de twee draden die altijd ’n liedje zongen als er
+’n beetje wind was. Maar het was zoo pikkedonker dat ze van de paal
+geen steek konden zien.
+
+„Hier heb ik ’m,” fluisterde Piet.
+
+„Ik voel ’m ook,” zei Koen.
+
+„Hij zal nou wel heel onzichtbaar zijn,” meende Piet. „De machine heeft
+nu minstens twee uur gewerkt.”
+
+„Denk ik ook wel,” zei Koen.
+
+„Zeg,” fluisterde Piet, „da’s ook wat... ik voel de machine nergens,
+voel jij es”.
+
+„Ik voel niks,” zei Koen. „’t Heele ding is weg.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin mijnheer Bruggemans met de verdwijn-machine begint te werken
+ en de boer en de boerin iets onmogelijks zien.
+
+
+Zwijgend waren ze naar de boerderij teruggekeerd en langs het touw
+hadden ze veilig hun zolderkamertje bereikt. Onder het uitkleeden had
+Piet nog gezegd: „’t Is gestolen.”
+
+En Koen had geantwoord: „We hadden het daar niet zoo alleen moeten
+laten staan. ’t Was stom.”
+
+Toen lagen ze allebei onder de wol en vergaten het heele kistje. Ze
+hadden slaap.
+
+Klaas zat nog altijd op de omgekeerde tobbe te slapen met het geweer
+dwars op z’n knieën.
+
+De eenige die nog op was en klaar wakker, dat was m’nheer Bruggemans en
+die zat in de voorkamer bij het tuintje met de luiken dicht vlak bij de
+tafel waarboven de petroleumlamp brandde en voor hem stond het leeren
+koffertje met de verdwijn-machine van professor Wells en m’nheer zat
+aandachtig te lezen in de papieren die Koen maar met moeite en ten
+deele had kunnen ontcijferen. M’nheer Bruggemans had er niet zooveel
+moeite mee als Koen. Hij las dat engelsch net zoo gemakkelijk als
+hollandsch.
+
+M’nheer Bruggemans was met z’n fietslantaarn er op uitgetrokken toen
+Klaas op de tobbe zat en de twee jongens daar zoo doodstil onder de
+struiken stonden. Hij had het half onzichtbare geweer maar thuis
+gelaten en toen hij eenmaal het tuintje uit was had ie het in z’n hoofd
+gekregen de lantaarn aan te steken.
+
+Hij vond het wel wat erg donker en je kon nooit weten of die
+geheimzinnige baas met de machine van professor Wells niet om de
+boerderij rondsloop. Met het licht van z’n lantaarn wilde hij wel eens
+de omtrek verkennen. Het was ’n sterke lantaarn die ’n heel eind de
+omtrek verlichtte. Toen de lantaarn aan was voelde m’nheer Bruggemans
+zich wel zoo op z’n gemak. Hij liet de lichtbundel voor zich uit langs
+de weg spelen en kon wel twee honderd meter ver alles duidelijk
+onderscheiden. Als ’n zoeklicht gleed de dikke lichtkegel eerst langs
+de weg en daarna aan weerskanten over het veld. De lichtstralen raakten
+de telefoondraden en toen werd mijnheer Bruggemans aandacht getrokken
+naar de witte porceleinen isolators die op hun gegalvaniseerd ijzeren
+stangen aan de paal waren bevestigd. Natuurlijk moest toen ook de
+fietslantaarn de paal zichtbaar maken maar tot m’nheer Bruggemans
+groote verwondering was er geen paal te bekennen. Toch liepen de draden
+met ’n bocht omhoog naar de porceleinen dingen, die in de lucht leken
+te hangen.
+
+„Hé!” mompelde m’nheer Bruggemans en met groote stappen beende hij de
+weg op tot ie met z’n neus haast tegen de onzichtbare paal aan liep.
+Hij stak de hand uit en bevoelde de paal. Die was er. Maar zien kon je
+er niets meer van. Het ijzeren plaatje met het nummer scheen daar boven
+m’nheer Bruggemans hoofd in de lucht te zweven en nog wat hooger deden
+de isolators hetzelfde. Maar het malste was dat je nu ook ’n gat in de
+grond zag, ’n diep gat. Ook dat stuk van de telefoonpaal was
+onzichtbaar geworden. Doch toen zag m’nheer Bruggemans ook de roode
+knop en het touwtje waarmee Piet de knop tegen de paal gebonden had. En
+natuurlijk ook het koffertje met het kistje erin.
+
+In ’n ommezien zat m’nheer Bruggemans op z’n knieën en bekeek met z’n
+neus bijna op het koffertje aandachtig het heele toestel. Z’n lantaarn
+verlichtte nu enkel nog het kleine plekje op de grond waar het
+koffertje stond.
+
+Na eenige oogenblikken richtte m’nheer Bruggemans zich ’n beetje op
+liet het licht van z’n lantaarn de heele omtrek nauwkeurig langzaam
+afspeuren. Hij bemerkte blijkbaar niets dat op onraad leek. Daarna
+bukte hij zich weer over het koffertje, haalde ’n nagelschaartje uit
+z’n vestzak en knipte voorzichtig het touw door waarmee de roode knop
+tegen de paal gebonden was. Nog voorzichtiger plaatste hij de knop in
+het kistje, alsof hij bang was dat het ding hem oogenblikkelijk
+onzichtbaar zou maken. Toen blies hij z’n lantaarn uit, nam het
+koffertje bij het hengsel en m’nheer Bruggemans draafde er bijna mee
+naar huis.
+
+Voor de deur die op ’n kier stond, trok hij z’n schoenen uit, stapte
+onhoorbaar naar binnen en keek om de hoek van de deur of hij mevrouw
+Bruggemans ook nog zag. Die was echter al naar bed en toen sloot
+m’nheer Bruggemans de deur van de slaapkamer, ging weer naar buiten en
+sloot de luiken.
+
+„Ziezoo,” prevelde m’nheer Bruggemans, „nu zullen we eens zien wat we
+daar opgedaan hebben. Het is bepaald het wondermachien van die
+professor en degeen die het daar bij de paal gezet heeft zal wel raar
+opkijken als ie terugkomt om z’n machientje te halen.”
+
+Voorzichtig deed ie het koffertje weer open, nam het kistje er uit en
+bekeek het nogeens nauwkeurig onder de lamp. Toen kreeg hij evenals
+Koen de papieren in de gaten.
+
+„Ah!” zei m’nheer Bruggemans bijna hardop. „Papieren!”
+
+Een oogenblik later zat hij verdiept in de lectuur. En hij las al de
+bladen achter elkaar door. Onder het lezen had ie verscheiden malen met
+het hoofd geknikt alsof hij er alles van begreep en toen hij aan ’t
+eind was, nam hij z’n notitieboekje en begon verschillende dingen uit
+de papieren op te teekenen.
+
+„Ziezoo,” zei m’nheer Bruggemans in zichzelf, „nu weet ik er alles van.
+Morgen schrijf ik weer aan die professor dat z’n uitvinding terecht is.
+Maar eerst zal ik er zelf toch eens ’n paar proeven mee nemen. Het is
+haast te wonderlijk om het te gelooven en als ik die haan en dat geweer
+en nu die telefoonpaal weer niet zelf onder m’n neus gehad had, zou ik
+er om lachen.”
+
+Hij zat ’n oogenblik in gedachten en keek onderzoekend de kamer rond.
+Hij was nieuwsgierig om te weten hoe ’t in z’n werk ging en zocht nu
+naar iets waarop hij de kracht van de machine zou kunnen beproeven. Wat
+zou hij nemen? ’n Oogenblik keek hij naar ’n vaasje op de
+schoorsteenmantel. Maar als dat onzichtbaar werd zouden ze het dadelijk
+missen en m’nheer Bruggemans was niet van plan aan iemand anders dan
+aan professor Wells iets van het vinden der machine te vertellen. Hij
+had besloten de zaak geheim te houden, zelfs tegenover mevrouw
+Bruggemans. Als hij er niemand iets van meedeelde, kreeg hij ook geen
+last met de dieven, die ’t bij de paal gezet hadden en geen vervelende
+drukte met de politie. Hoofdzaak was, dat Professor Wells z’n kistje
+terugkreeg en daar zou hij voor zorgen.
+
+Zoo dacht m’nheer Bruggemans erover en toen besloot hij maar iets
+onzichtbaar te maken, dat hij in z’n zak kon bewaren. Dan merkte
+niemand er iets van en hij had toch aan z’n nieuwsgierigheid voldaan.
+Hij voelde in z’n zak en het eerste voorwerp dat hij aanraakte leek hem
+al heel geschikt voor de proef. Het was ’n barnsteenen sigarenpijp.
+M’nheer Bruggemans legde de pijp voor zich op tafel en begon de
+bewerking zooals hij die gelezen had in de papieren uit het koffertje.
+
+Het kwam precies allemaal uit zooals het in die papieren stond en de
+pijp was binnen vijf minuten onzichtbaar. Toen was m’nheer Bruggemans
+tevreden. Hij deed het kistje met de papieren weer in het koffertje en
+daarna deed hij na eenig nadenken hetzelfde wat Koen en Piet gedaan
+hadden. Hij verstopte het koffertje van professor Wells in ’n
+kleerenkoffer.
+
+M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en rookte die uit z’n onzichtbare
+pijp. Hij vond het toch buitengewoon. Z’n sigaar scheen ’n eindje voor
+z’n mond in de lucht te zweven en als hij ’n trekje deed zag hij ’n dun
+rookstreepje. Dat pijpje was ’n wonderding, dat ie zuinig zou bewaren.
+Wat zouden z’n kennissen in de stad daar gek van opkijken als hij op
+die manier ’n sigaar zat te rooken.
+
+Slaap had m’nheer Bruggemans heelemaal niet. Hij zat te denken over de
+uitvinding van professor Wells en hij keek zoo af en toe eens in z’n
+notitieboekje, waarin hij aanteekeningen gemaakt had uit de papieren in
+het koffertje. „Sjonge, sjonge,” dacht m’nheer Bruggemans, „je kan er
+alles mee onzichtbaar maken... En met die andere machine die hij ook
+heeft uitgevonden kan je daarna de dingen weer zichtbaar maken ook. Als
+ik die andere machine ook had zou ik het wel eens willen probeeren met
+mezelf. Het moet toch verbazend leuk zijn als je onzichtbaar rondloopen
+kon. Kom, ik schrijf nog maar dadelijk aan die professor in Yale. Die
+man zal blij zijn met mijn brief.”
+
+M’nheer Bruggemans ging aan ’t pennen en schreef door tot het heele vel
+papier vol was. Hij had de professor alles meegedeeld, hoe hij het
+koffertje gevonden had en dat ie zoo vrij geweest was de papieren eens
+door te lezen. Dat ie daarna ’n sigarenpijp onzichtbaar gemaakt had,
+maar hij schreef ook dat er al ’n onzichtbare haan op het boerenerf
+rondliep en dat er ’n onzichtbare telefoonpaal aan de weg stond.
+Degenen die het kistje voor hem in bezit gehad hadden waren er dus ook
+al mee aan ’t werk geweest en m’nheer Bruggemans schreef dat het
+vermoedelijk de dieven waren die het kistje gestolen hadden, maar dat
+het nu veilig in ’n koffer opgeborgen was en dat hij het veilig zou
+bewaren tot de eigenaar het terug kwam halen.
+
+„Ziezoo, morgen vroeg gaat die brief op de post en dan heeft hij ’m
+over acht dagen.”
+
+M’nheer Bruggemans deed de brief in ’n envelop, schreef er het adres op
+en stak hem in z’n portefeuille. Daarna blies hij de lamp uit en ging
+naar bed.
+
+Toen Piet en Koen wakker werden liepen de kippen al over het erf en had
+de onzichtbare witte al ’n paar keeren z’n zwarte tegenstander bij de
+kam gehad.
+
+De jongens hadden zich ’n beetje verslapen. Op ’n andere tijd zou
+vader, Klaas of iemand anders gestuurd hebben om Piet uit bed te
+trommelen, want verslapen was iets waar vader niet van hield. Er was ’n
+tijd van opstaan en aan ’t werk gaan en daar had ieder op de boerderij
+zich maar aan te houden. Doch die morgen was Klaas half uitgeslapen op
+z’n omgekeerde tobbe wakker geworden en herinnerde zich dadelijk alles
+van de vorige avond. Toen was ie gauw om het huis heen geloopen en vond
+daar de voordeur open, die m’nheer vergeten had te sluiten, en het half
+onzichtbare geweer tegen de muur in de gang. Deuren openlaten is iets
+verschrikkelijks bij de boeren. Overdag mag je open laten wat je wil,
+maar als je naar bed gaat, moet alles potdicht.
+
+Klaas bedacht gauw dat ie van die open voordeur maar niks aan vader zou
+zeggen, want dan kreeg hij natuurlijk op z’n kop. Ook zou ie ’t maar
+verzwijgen dat ie bijna de heele nacht had zitten slapen op de tobbe.
+Dat wist toch geen mensch dacht ie. Maar het rare geweer nam ie mee en
+toen hij weer bij het achterhuis kwam, hoorde hij al gestommel binnen.
+De lui waren dus op.
+
+Klaas ging naar binnen en ’t eerste wat ie deed was z’n vader, z’n
+moeder, z’n broer en Mie het geweer onder de neus te houden. En die
+keken mal!
+
+„Wa’s dat nou weer?” informeerde moeder.
+
+En Klaas legde haar uit dat het zijn geweer was.
+
+Vader betastte het en Dirk de andere broer ook. Maar moeder wou het
+voor geen geld aanraken en Mie deed het toen ook maar niet. Klaas deed
+onderhand ’n omstandig verhaal van z’n wacht, dat ie niks verdachts
+gezien of gehoord had en dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan
+was.
+
+Toen ie zoover was, kwamen Koen en Piet binnen. Ze zeiden maar
+niemendal. Dat was het veiligst en ze snapten al gauw dat Klaas althans
+van het koffertje niets afwist. Ze bekeken het rare geweer alsof ze het
+nooit van hun leven gezien hadden en Piet deed zoo verbaasd als ie maar
+kon. Zoo ’n huichelaar! Niemand had dan ook het minste argwaan tegen
+die twee.
+
+Klaas sprak niet van de onzichtbare telefoonpaal. Hij scheen daar dus
+ook niets van te weten. Als je uit het venster van de kamer keek kon je
+die paal net nog boven ’n paar appelboomen uit zien steken. Koen en
+Piet hadden dat tersluiks al gedaan. Ze zagen de draden en de witte
+porceleinen potten in de lucht hangen, doch de anderen hadden het zoo
+druk over het geweer en Klaas z’n wachthouderij dat ze niet een enkele
+keer het venster uitkeken. Als ze het gedaan hadden zouden ze misschien
+toch de paal niet dadelijk gemist hebben. Dingen die je altijd voor je
+neus hebt staan, zie je niet meer en je mist ze ook niet onmiddellijk
+als ze weg zijn.
+
+Terwijl de oudere jongens de melkemmers opnamen om te gaan melken in
+het weiland dat het verst van de boerderij lag, stonden Piet en Koen al
+op vader te wachten die altijd zelf de koeien molk die dichtbij liepen
+in ’n stuk land in de buurt van de telefoonpaal. Piet molk al mee en
+Koen stond er gewoonlijk bij te kijken. Hij had dat melken ook al eens
+geprobeerd, maar dat was hem niet erg meegevallen. Vooreerst had ie ’t
+al niet erg lekker gevonden dat je zoo met je hoofd tegen zoo’n koeien
+lijf zat en toen de koe hem ’n oogenblik later tot groot vermaak van
+Piet ondersteboven gooide had Koen het melken maar voor goed opgegeven.
+Toch ging hij iedere morgen graag mee en nu ze langs die onzichtbare
+paal moesten deed ie ’t nog liever. Dat kon goed worden.
+
+Als de boeren ’s morgens gaan melken hoor je wel het geklos van hun
+klompen zoolang ze nog niet in ’t zachte gras loopen en het gerinkel
+van de emmers aan de kettingen van het juk. Maar praten hoor je de
+boeren zelden. Ze hebben elkaar niet veel te vertellen en misschien
+zijn ze ook nog niet heelemaal goed wakker. Vader liep ook zwijgend
+vooruit, puffend aan z’n pijp. De blauwe rookwolken krinkelden boven
+z’n pet uit. Piet droeg het juk met de emmers. Als ze vol waren droeg
+vader ze zelf. Piet en Koen waren vol aandacht voor de boer die
+zwijgend en dampend voor hen uitliep. Hij naderde hoe langer hoe meer
+de paal. Nou moest ie ’t toch gauw merken dat ’t ding weg was. Maar tot
+groote verwondering van Koen en Piet stapte de boer de onzichtbare paal
+voorbij zonder op te kijken.
+
+„Wa’s dat nou?” zei Koen zacht. „Hij ziet het niet!”
+
+„Wacht maar even” zei Piet even zacht.
+
+Vlak voor de paal bleef Piet staan en Koen natuurlijk ook. Piet keek
+aandachtig in de lucht. De boer liep door.
+
+„Vader!”
+
+De boer draaide zich om.
+
+„Nou? Kom, vort!”
+
+Kom vort beteekende: kom vooruit, maar Piet kwam niet, keek aldoor in
+de lucht.
+
+„Wat sta je te kijken?”
+
+„De paal!” zei Piet.
+
+„Paal?”
+
+De boer kwam met groote stappen terug. Hij begreep wat er aan de hand
+was.
+
+„De paal is weg,” zei Piet.
+
+„Hij staat er nog,” zei Koen, „maar hij is onzichtbaar.”
+
+„Dat bedoel ik ook,” zei Piet weer.
+
+„Te deksel,” mompelde de boer, „’t wordt erg. Piet ga je moeder
+roepen.”
+
+„Moeten we eerst niet gaan melken?” vroeg Piet.
+
+„Doe wat ik je zeg, ga je moeder halen.”
+
+Piet holde weg en ’n oogenblik later kwam ie alweer aanhollen, terwijl
+de boerin ’n beetje langzamer achter hem aankwam. Maar dat ze zich
+haastte, kon je wel zien. Ze droogde d’r handen aan haar voorschoot af
+onder het loopen.
+
+Toen ze bij de paal stond, ze stonden er met hun vieren omheen,
+herhaalde de boer nog eens: „’t Wordt te erg.”
+
+En de boerin zei haast huilend: „Als ’t zoo door gaat, is er over ’n
+week niks meer.”
+
+Piet streek eens met z’n hand langs de onzichtbare paal en zei: „Je kan
+’m alleen maar niet meer zien, maar anders is ie nog net als vroeger.
+Voel zelf maar.”
+
+Doch de boerin had er geen zin in, maar de boer pakte resoluut de paal
+beet.
+
+„Piet heeft gelijk moeder,” zei de boer en toen zei Piet weer:
+
+„Kijk maar moeder ik kan er in klimmen,” en hij begon ook meteen maar.
+
+Koen zag hem omhoog gaan en dat leek ’m nou net iets om na te doen.
+Klimmen in ’n paal die je niet zag. Hij deed het meteen.
+
+De boer en z’n vrouw zagen met sprakelooze verbazing de jongens omhoog
+gaan langs niemendal. ’t Was zoo’n gek gezicht, dat ze geen van tweeën
+’n woord konden uitbrengen.
+
+Toen liet Koen zich naar beneden glijden en Piet kwam vlak achter hem
+aan. De boerin gaf ’n gil en de boer zei: „Hè!” Maar Piet en Koen
+lachten allebei.
+
+„Dat moest vader zien,” zei Koen, „maar hij is nog niet op.”
+
+„Kom,” zei de boer, „de koeien staan al te wachten.”
+
+„Ik kan niet zeggen hoe akelig ik het vind” zei de boerin. „Ik blijf
+hier geen dag meer. ’t Was net of die jongens zoo maar uit de lucht
+kwamen vallen.”
+
+De boer gaf daar geen antwoord op. Hij stak z’n pijp aan en Piet nam de
+melkemmers weer op. De boer marcheerde zwijgend naar het weiland en
+liet de vrouw gewoon staan. Maar die bleef daar niet. Ze maakte
+rechtsomkeert en liep haastig naar huis terug.
+
+Piet molk zwijgend ’n paar koeien. Hij was er nog niet zoo vlug mee als
+vader of de oudere broers. De boer molk er in dezelfde tijd wel vier.
+Maar die zei onder het werk óók niemendal. Bij dat werk werd nooit
+gepraat. Alleen hoorde Koen die in de buurt wat rondscharrelde zoo nu
+en dan de stem van de boer of van Piet als die grommig wat riepen tegen
+de koe die niet rustig wou blijven. Koen liep te denken over het
+verdwijnen van de verdwijn-machine. Wie zou dat ding op de kop getikt
+hebben? Het was toch wel heel toevallig dat er net iemand langs die
+telefoonpaal moest komen en nog wel in de donker dat koffertje moest
+ontdekken. Als z’n vader met Klaas het gevonden hadden, dan was het
+begrijpelijk. Maar Klaas had van het koffertje niet gerept en van de
+onzichtbare telefoonpaal wist ie ook niets af. En Klaas had nog gezegd
+dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was. Dat hadden ze net
+nog gehoord toen ze die morgen de kamer binnenkwamen. Koen z’n vader
+had het dus ook niet ontdekt zonder dat Klaas er bij was. Misschien had
+’n voorbijkomende fietser het bij het licht van z’n fietslantaarn in de
+gaten gekregen. Wie weet. Maar in ieder geval waren ze ’t kwijt en
+professor Wells kreeg het nu misschien nooit terug. En opnieuw had Koen
+spijt dat ie zich telkens door Piet had laten overhalen om er z’n vader
+voorloopig niets van te vertellen. Hij kon niet ontkennen dat het nu
+zijn schuld was als de eigenaar het nooit meer terugzag. Piet had ook
+meegedaan, dat was waar, maar hij had het gevonden en hij had daarvan
+dadelijk kennis moeten geven aan z’n vader. Nu was het evenwel te laat.
+Er was niets meer aan te doen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n
+ onzichtbaar varken ziet.
+
+
+Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was
+iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.
+
+„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader
+zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.
+
+„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die
+telefoonpaal.”
+
+Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder
+terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de
+onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord,
+alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.
+
+„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.
+
+M’nheer Bruggemans knikte.
+
+„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.
+
+„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht
+geweest zijn.”
+
+„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.
+
+„Dat wil ik graag gelooven.”
+
+„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.
+
+„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”
+
+„Gaat u fietsen?”
+
+„Even ’n boodschap.”
+
+Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief
+aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer
+en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal.
+Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t
+ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de
+boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei
+niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen
+gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was,
+wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de
+wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.
+
+Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die
+akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je op
+klaarlichten dag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar
+zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.
+
+En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer
+Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld
+was.
+
+M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij
+zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.
+
+De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer
+Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet
+lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.
+
+M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien
+’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare
+sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna
+hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens
+blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij
+z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje
+haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van
+die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en
+er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er
+uit hebben, want dat kon je zien.
+
+De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans
+met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed.
+Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen,
+want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden
+goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van
+rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie de
+verdwijn-machine mee genomen had.
+
+Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord
+te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.
+
+„Je vader heit ’m.”
+
+„Ja,” zei Koen, „blij toe.”
+
+„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”
+
+„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”
+
+„Stom van ’m.... maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die
+er niks van zeggen?”
+
+„Weet ik niet.”
+
+„Waar zou die ’m bewaren?”
+
+„Weet ik ook niet.”
+
+„Moeten we es afloere.”
+
+„Afloeren?”
+
+Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m
+wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.
+
+„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb
+ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor
+die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht,
+zal je zien.”
+
+„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”
+
+„Weet ik niet. Ik denk van niet.”
+
+Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis.
+Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder
+’t gaan zei Piet:
+
+„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die
+pijp.”
+
+„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens
+van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine
+gehad hebben.”
+
+Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze dadelijk mee naar de
+roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen
+hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te
+denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens
+naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan,
+brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet
+langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden
+voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook
+gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de
+pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren
+kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op
+hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n
+middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg
+uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter
+zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de
+stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de
+anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het
+zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend
+heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal
+groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze
+uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer
+melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen
+en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke
+roggemikboterhammen al weer te wachten en die smaakten Koen weer net
+zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.
+
+Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee
+boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk
+van de heele dag, de rogge thuis halen.
+
+Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden.
+Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen
+stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en
+Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg
+zwaaiden... M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en
+Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op
+het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en
+ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen
+hun warme slaapplaats... Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in
+het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen
+als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar
+de paar korreltjes die zij noodig hadden.
+
+De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de
+Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.
+
+Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd
+meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over
+dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de
+boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed
+ging nog even bij de familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of
+ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren
+van het achterhuis sekuur op slot.
+
+M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de
+dahlia’s.
+
+Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat
+opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond
+dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om
+ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie
+nog ’n paar brieven te schrijven had.
+
+Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van
+brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de
+onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.
+
+Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te
+worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen,
+luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur
+van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar
+linnen pantoffels met touw-zoolen aan.
+
+Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje
+kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken
+toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde
+om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin
+sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde
+daarbinnen.
+
+M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche
+sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de
+rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo
+zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor
+Wells terug.
+
+Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij
+heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later
+stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken
+lag.
+
+Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de
+boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet
+te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand
+in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de
+landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.
+
+’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n
+verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus
+merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans
+had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n
+neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en
+bleef minstens ’n uur binnen.
+
+Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche
+nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil
+staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.
+
+Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij had het benauwd gehad.
+M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te
+maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak
+boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker
+warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de
+verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast
+op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer
+Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd
+de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het
+taai volgehouden tot ie niet meer kon.
+
+Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel
+zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en
+keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En
+tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het
+hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het
+koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar
+te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist
+m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor
+ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer
+Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke
+werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken
+evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij
+daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.
+
+Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar bed gewild, maar ’t was net
+of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook
+eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat
+luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk
+ruiken en dan was ie toch verraden.
+
+„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik
+laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het
+merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”
+
+Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om
+uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t
+donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.
+
+De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het
+waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen
+maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom
+werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep,
+begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.
+
+M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het
+eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch.
+Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was
+bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig
+naar het varken.
+
+M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:
+
+„Je hebt je jas nog niet aan.”
+
+Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de
+tuin laten liggen.”
+
+„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”
+
+„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt
+naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch
+was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens
+eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal
+af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden
+ze het wel niet ruiken.
+
+Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook
+niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed
+geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.
+
+Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was
+natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen
+zou ’t wel weten.
+
+„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als
+zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.
+
+„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij
+verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in
+de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin
+ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het
+varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch
+niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.
+
+Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer
+zei dat ie ’n eindje ging wandelen. Hij stapte het tuintje uit en
+slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar
+het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de
+schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook
+geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken
+onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.
+
+„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het
+was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel
+achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil,
+’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”
+
+„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”
+
+Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te
+brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.
+
+„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met
+planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen
+te knorren.
+
+„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het
+zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder
+gemaakt was.
+
+„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De
+biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”
+
+„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken
+keek.
+
+De boerin ging weer naar het achterhuis en m’nheer Bruggemans wandelde
+de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of
+er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou
+zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de
+modder er af was, wat dan?
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er
+ de veldwachter bij te halen.
+
+
+Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot,
+dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van
+onder tot boven in de modder.”
+
+„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die
+afvallen.”
+
+„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg
+hier achter in het land.”
+
+„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.
+
+„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”
+
+Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat
+ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.
+
+De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten
+stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n
+varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n
+zindelijke slaapplaats.
+
+Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.
+
+Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg
+wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan.
+Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.
+
+Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders
+te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.
+
+Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de
+rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug
+hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking
+als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan
+bedoelden ze altijd maar die eene.
+
+„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.
+
+„Is dat zooveel?” vroeg Koen.
+
+„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”
+
+„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”
+
+„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”
+
+De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al
+spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van
+het malsche groen af.
+
+„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar
+huis.
+
+„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet
+slaapt.”
+
+Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.
+
+En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren,
+op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t
+hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in
+het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo
+zichtbaar als het altijd geweest was.
+
+Maar de volgende morgen was dat al anders.
+
+Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het
+varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er
+door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek:
+„ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin
+goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen
+Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan
+anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n
+wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen
+stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven
+varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder
+maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t
+slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por
+van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die
+kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen
+en ze drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze
+dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan
+trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.
+
+Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide
+als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van
+aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie
+zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd,
+dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.
+
+Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r
+emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de
+emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten
+had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes
+zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich
+open.
+
+Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende
+het achterhuis binnen.
+
+De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig
+de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of
+zooiets.
+
+„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie
+en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:
+
+„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”
+
+„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”
+
+Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze
+knikte maar. Doch toen ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze
+nog altijd hijgend:
+
+„’t Heeft nog maar drie pooten.”
+
+De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de
+tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.
+
+Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met
+de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:
+
+„En is ’t al dood?”
+
+„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de
+biggen!”
+
+„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t
+toch dood!”
+
+„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”
+
+„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”
+
+„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”
+
+„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”
+
+Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar
+nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote
+varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.
+
+Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen
+toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het
+gebruik is nu ’n fijn dutje deed.
+
+„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien
+klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.
+
+„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde er onmiddellijk bij:
+„Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”
+
+Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker
+geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die
+nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.
+
+Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en
+toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te
+huilen.
+
+„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en
+’n halve kop, wat ’n akelig beest!”
+
+„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t
+beest zat.
+
+„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.
+
+Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen
+naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo
+heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag
+dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot
+kijken en in die halve kop. ’t Was net ’n varken dat van ’n dun laagje
+modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en
+daar waar de modder al afschilferde.
+
+„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij
+zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk
+thuis komen.”
+
+Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het
+was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met
+z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de
+boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van
+het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde
+het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het
+iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden.
+Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken
+dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de
+verdwijn-machine.
+
+De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten de rogge
+in de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar
+de boerderij.
+
+Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar
+het land waar het varken was.
+
+Ze deden er niet lang over.
+
+Toen ze bij het varken stonden zei Piet:
+
+„Da’s gemeen van je vader, Koen. Van dat varken waar we mee naar de
+tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met
+een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”
+
+Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar
+varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te
+doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe
+beter.
+
+Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:
+
+„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft
+hoor.”
+
+Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer
+Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van
+zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als
+je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n
+rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je
+om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar
+zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was
+ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan
+onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar
+hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan
+had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer
+Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook
+wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.
+
+Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat
+het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n
+vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders
+kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.
+
+Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook
+vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt
+hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis
+uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet
+tenminste ook z’n behoorlijke portie.
+
+Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de beurt van Piet om ’n
+poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader
+zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te
+jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee
+begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling
+die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie
+de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig
+onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover
+kwam.
+
+Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.
+
+Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers
+gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de
+zaak te verzwijgen.
+
+„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer
+dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”
+
+„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet... Maar zouden jullie het niet
+naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”
+
+„Welnee jô... die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor
+bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”
+
+„Je houdt je mond hè?”
+
+„Ik beloof het je Koen.”
+
+Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:
+
+„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als de haan en de
+telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”
+
+„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n
+varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n
+ramp.”
+
+Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man
+verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer
+was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de
+landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en
+hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man
+ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het
+tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.
+
+„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m
+in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”
+
+’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot
+en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat
+het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om
+dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer
+had.
+
+De boeren keken het na en de vader zei:
+
+„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden,
+dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen.
+En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik
+ga vanavond zelf naar de burgemeester. Het moet nou maar es uit zijn
+met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”
+
+Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het
+varken aan liepen.
+
+Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester
+en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles
+onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar
+had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader
+geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van
+alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog
+bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen,
+het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan
+dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester
+staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie
+maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan
+tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.
+
+Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug
+beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken
+en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden
+toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak
+af te kijken.
+
+Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar
+toen het afgeloopen was had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar
+stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat
+alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer.
+De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken
+bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele
+beest heen kijken.
+
+Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker
+dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder
+gewoonte achter d’r aan.
+
+„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n
+mirakels mispunt.”
+
+„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent
+had, die ’t ’m gelapt heeft.”
+
+„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer, „en vraag of ie
+dadelijk hier komt.”
+
+Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het
+roggeveld.
+
+Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter
+en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek,
+maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks
+zouen vragen.
+
+„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”
+
+„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af
+wist. Maar zoo slim is ie niet.”
+
+„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar
+het veld.”
+
+„Wat ga jij dan doen?”
+
+„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag
+komt.”
+
+„O,... ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”
+
+„Da’s goed.”
+
+Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee
+jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de
+jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij
+het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het
+hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem
+gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en
+mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:
+
+„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook.
+Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt
+het zeker ook wel naar hè?”
+
+Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend
+gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige
+jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om
+het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij
+vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de
+tentoonstelling konden.
+
+Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe
+langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter
+gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan
+aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles
+hooren. Want die ging het toch het meest aan.
+
+M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed gehoord, want hij riep
+Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele
+historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering
+van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te
+lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij
+kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.
+
+Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van
+de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te
+kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet
+eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij
+aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs,
+die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie
+toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.
+
+„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij
+dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen
+moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de
+andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem
+geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar
+willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.
+
+„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar
+als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r
+gloeiend bij.”
+
+„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.
+
+„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin de veldwachter rare dingen beleeft, de burgemeester
+ ongeloovig blijkt en de dorpelingen op onderzoek uitgaan, waarbij
+ ze allemaal raar terecht komen.
+
+
+De veldwachter had natuurlijk van het heele verhaal, dat Klaas hem
+gedaan had, geen steek begrepen. De goeie man was wel niet zoo’n
+buitengewone slimmerd maar hij liet zich dan toch maar zoo niet op
+klaarlichten dag wijs maken, dat er onzichtbare varkens konden bestaan.
+En dan nog wel ’n varken dat onzichtbaar werd waar je bijstond! ’t Was
+zeker ’n mop van die boerenjongens die hem er eens tusschen wouen
+nemen. Doch dan moesten ze vroeger opstaan. D’r was er in de heele
+gemeente niet een glad genoeg, die hem d’r in liet vliegen.
+
+„Zoo, zoo,” zei de veldwachter lachend, „en is dat die groote zeug van
+je vader?”
+
+„Ja die is het,” antwoordde Klaas. „En moeder is d’r heelemaal kapot
+van.”
+
+„Dat wil ik wel gelooven,” zei de veldwachter nog altijd lachend. „Maar
+weet jij wel Klaas dat het ’n strafbaar feit is als je bij de politie
+met valsche aangiften aan boord komt?”
+
+„Valsche aangiften?” zei Klaas. „Denk jij dat ik je wat sta voor te
+liegen? Ga dan maar dadelijk mee dan kan je het zelf zien. ’t Varken is
+nog niet heelemaal onzichtbaar. D’r loopen nog ’n paar pooten van ’m in
+’t land.”
+
+De veldwachter lachte opeens niet meer. Hij keek Klaas eens aan en vond
+dat ie erg mal deed. Die arme jongen was bepaald stapelgek geworden. De
+veldwachter knikte alsof ie ’t met zichzelf eens geworden was. Hij zou
+Klaas naar huis brengen en dan konden ze de dokter laten komen. En daar
+hij gelezen had, dat je zeer zachtzinnig met gekken moet omgaan,
+besloot hij erg vriendelijk tegen hem te doen en hem maar gelijk te
+geven al vertelde hij hem ook nog zulke dwaze dingen.
+
+Maar voor alle gebeurlijkheden stak hij de handboeien in z’n zak en
+deed ie z’n sabel om. Je kon nooit weten. Klaas mocht onderweg eens
+onverwachts ’n woeste bui krijgen.
+
+„Zoo Klaas,” zei hij toen hij even binnen geweest was om die dingen te
+krijgen en z’n vrouw gezegd had wat ie ging doen, „dan ga ik maar
+dadelijk met je mee. Ik wil dat onzichtbare varken toch ook wel es
+zien.”
+
+„Nou,” antwoordde Klaas terwijl ze stevig doorstapten, terwijl de vrouw
+van de veldwachter achter de gordijntjes van de voorkamer hen nakeek,
+„misschien is d’r nog wel ’n stukkie van over als we d’r gauw bij zijn.
+Laten we maar dadelijk naar ’t land gaan waar ’t varken loopt.”
+
+„Nee Klaas,” zei de veldwachter, „dat mot je nou es aan mij over laten.
+We gaan eerst naar je huis. Ik moet je vader d’r eerst nog es over
+spreken.”
+
+„Moet jij weten,” zei Klaas weer. „Maar as je niet gauw maakt dat je er
+bij bent, is al ’t slik d’r af en dan is ’t varken niet meer te zien.”
+
+De veldwachter antwoordde maar niets. Op zoo’n onzin dee je maar beter
+je mond te houen. Maar hij dacht: „Sjonge, sjonge, wat heit die Klaas
+het te pakken. En wat is toch een mensch die ze niet meer alle vijf bij
+mekaar heit!” Maar na ’n poosje zei ie: „Zeg Klaas zijn ze van jullie
+niet in het roggeveld?”
+
+„Jawel,” antwoordde Klaas.
+
+„Nou, dan moesten we daar langs gaan. ’t Ligt toch bijna in onze weg.
+We hoeven er om zoo te zeggen niks voor om te loopen.”
+
+„Mij goed,” zei Klaas. „Dan kan vader meteen met ons meegaan.”
+
+„De zaak marcheert boven verwachting,” dacht de veldwachter. „Ik heb ’t
+er niks op begrepen om lang alleen met zoo’n jongen te loopen. Als ie
+verkeerd wou, zat ik er leelijk mee. ’t Is ’n stevige knaap die Klaas
+en ik zou de handen vol aan ’m hebben als ie verkeerd wou.”
+
+Ze liepen stevig door en kwamen tot groote opluchting van de
+veldwachter binnen ’n paar minuten aan ’t roggeveld waar de boer en
+Dirk stevig aan de arbeid waren.
+
+Toen ze de veldwachter met Klaas zagen aankomen, lieten ze ’t werk
+rusten en de boer begon dadelijk:
+
+„Zoo veldwachter da’s aardig van je dâ je zoo dadelijk mee gekomen
+bent. Ja man, d’r gebeuren hier rare dingen. Daar zal je van opkijken.
+’t Begon met de witte haan en toen was de telefoonpaal weg. Maar dat
+zal Klaas je al wel verteld hebben.”
+
+De opluchting die de veldwachter gevoeld had, toen ie op ’t roggeveld
+kwam, was ineens weg. Hij kreeg het tamelijk benauwd. Die boer had het
+nog erger te pakken dan Klaas. Die had alleen maar gesproken van het
+groote varken. Maar nou moest je die boer hooren.
+
+„Ja, wat zal ik je zeggen,” zei de veldwachter. „Misschien was het ’t
+beste dat ik er eerst de burgemeester van in kennis stelde, vindt je
+ook niet?”
+
+De veldwachter dacht: „Als ik maar eerst hier vandaan ben.”
+
+Doch de boer antwoordde:
+
+„Nee veldwachter ga jij nou eerst mee, dan kan je ’t zelf verbaliseeren
+voor ’t varken heelemaal weg is.”
+
+„Weet je wat,” dacht de veldwachter, „ik zal ’m z’n zin maar geven.
+Tegen drie man ben ik toch niet opgewassen en als ’t heelemaal verkeerd
+gaat, sla ik d’r met m’n lat op in.”
+
+Hij ging dus mee.
+
+Maar de boer nam hem niet dadelijk mee naar het land waar de zeug liep.
+Hij ging eerst naar huis.
+
+Dat was wel niet erg naar de zin van de veldwachter, die zich
+voorgenomen had zoo gauw mogelijk te maken, dat ie weg kwam. Doch er
+was niets aan te doen, hij durfde niet weigeren. Hij hoopte nu maar dat
+de boerin tenminste nog goed bij d’r verstand zou zijn.
+
+Maar dat viel hem niet mee. De boerin was volgens hem nog gekker dan de
+rest. Ze begon ook al dadelijk over het varken en over de witte haan en
+de telefoonpaal en de veldwachter was blij, toen m’nheer Bruggemans,
+die hij ’n paar maal op het dorp gezien had, binnenkwam. Nu kreeg hij
+in ieder geval hulp als ’t er op aankwam.
+
+Toen m’nheer Bruggemans z’n mond evenwel opendeed, vond de veldwachter
+dat m’nheer Bruggemans het nog erger te pakken had dan de overigen.
+M’nheer Bruggemans zat hem namelijk uit te leggen, dat die
+verdwijningen heel natuurlijk waren en de veldwachter, die er geen kop
+of staart aan kon vastmaken, zei maar aldoor:
+
+„Ja, dat zal wel,” of „daar heb je gelijk aan.”
+
+Maar het zweet van benauwdheid stond hem op z’n voorhoofd en nog nooit
+had hij zoo vurig gewenscht ergens vandaan te komen.
+
+Om er ’n eind aan te maken, hij was vast van plan zoodra hij buiten
+kwam gewoon op de vlucht te slaan, stelde hij maar voor, eens te gaan
+kijken naar het varken en ze stonden allemaal haast tegelijk op om mee
+te gaan. Met hun allen, m’nheer Bruggemans bleef ook niet achter,
+liepen ze naar het land en de veldwachter zag geen kans aan z’n
+voornemen om op de vlucht te gaan gevolg te geven, want ze omringden
+hem alsof hij hun gevangene was. Tenminste dat dacht de veldwachter.
+Piet en Koen waren ook al van de partij.
+
+De veldwachter meende, dat ie in ’t land ’n gewoon kompleet varken zou
+te zien krijgen en dat al die gekken hem zouden trachten wijs te maken
+dat ze het geen van allen zagen. Doch hij was nog nauwelijks het hek
+door of hij bleef verschrikt en beteuterd staan. Hij zag duidelijk
+dertien biggen, doch daarvoor liep één donkere varkenspoot.
+
+„Zie je ’t nou,” zei de boer. „D’r is nog één poot van zichtbaar omdat
+er modder op zit.”
+
+De veldwachter veegde met z’n groote rooie zakdoek langs z’n gezicht.
+Zoo iets raars had ie nog nooit gezien. Doch er kwam geen woord over
+z’n lippen. Hij begon in te zien dat die menschen die hij allemaal voor
+gek versleten had, volkomen bij hun verstand waren. Maar wat ie daar
+voor z’n neus zag, dat was nog erger dan ’n heel huis vol gekken. Wie
+had daar nou ooit van gehoord, dat je op klaarlichten dag in ’n wei ’n
+varkenspoot zou zien loopen met dertien biggen. En dan wou die stadsche
+m’nheer ’m nog wijsmaken dat het de natuurlijkste zaak van de wereld
+was en dat de een of ander het gedaan had met ’n verdwijn-machine.
+
+„M’nheer,” zei de veldwachter eindelijk, „je mag praten wat je wilt,
+maar ik vind het de onnatuurlijkste zaak die je maar bedenken kunt. En
+van je verdwijn-machine geloof ik geen steek. Weet je wat ik vind? Ik
+vind het rechtaf akelig. En ik geloof heelemaal niet dat aan die poot
+nog meer van ’n varken zit.”
+
+„Maar dat heb je dan toch leelijk mis,” zei de boer. „Ik zal je
+dadelijk overtuigen. Piet breng jij de zeug es hier.”
+
+Piet en Koen gingen naar de poot en ’n oogenblik later had Piet het
+touw vast dat aan ’n onzichtbare achterpoot gebonden was. Dat touw had
+de veldwachter nog heelemaal niet gezien omdat het tusschen het gras
+lag. De zeug liet zich gewillig door Piet en Koen voortdrijven, want
+het beest was erg mak. Alleen de biggen holden weer weg. Even later
+stonden ze allemaal om het varken heen en de veldwachter kon nu zelf
+voelen dat de zeug werkelijk bestond. Eerst was hij ’n beetje huiverig
+om ’t beest aan te raken, maar toen de anderen het ook deden, vermande
+hij zich.
+
+„’t Is warempel ’n heel varken,” prevelde hij, „’n compleet varken,
+maar je ziet er geen spat van. En jullie zegt dat je zoo’n haan ook
+hebt en dat die telefoonpaal ook zoo is? Dat wil ik dan ook wel eris
+constateeren, want ik moet het dadelijk aan de burgemeester
+rapporteeren.”
+
+„Dat kan,” zei de boer, „ga maar mee.”
+
+Ze lieten hem de onzichtbare haan betasten die Piet voor hem ving en
+daarna gingen ze in optocht naar de paal.
+
+„Sjonge, sjonge, daar heb ik niet van terug hoor,” verklaarde de
+veldwachter. „En wat denken jullie nou te doen? Want neem me niet
+kwalijk, maar volgens mij kan dat zoo niet voortgaan. Daar moet wat
+tegen gedaan worden.”
+
+„Juist,” antwoordde de boer. „Zoo mag ik het hooren. D’r moet wat tegen
+gedaan worden. Jij bent van de politie en jij moest nou eris ’n paar
+nachten de wacht hier houen. Misschien snap jij die lui. Jij hebt daar
+meer verstand van dan wij.”
+
+„Tja... dat zal niet gaan... Ik heb over dag m’n dienst zie je en ’s
+nachts ben ik graag thuis, dat begrijp je ook wel. Maar ik zal d’r eens
+met de burgemeester over parlementeeren en wat die gelast dat zullen we
+dan doen.”
+
+„Best veldwachter, dan ga ik vanavond zelf ook nog es naar de
+burgemeester.”
+
+„Nou... as ik jou was, dee ik dat niet... laat het maar liever aan mij
+over.”
+
+„Nee ik wil de burgemeester zelf d’r wel eris over onderhouen.”
+
+„Zooals je wilt,” zei de veldwachter, „maar ’t is eigenlijk mijn werk.”
+
+De veldwachter ging heen met z’n handen op z’n rug. Je kon aan hem
+zien, dat ie over het vreemde geval liep na te denken.
+
+„Zie je nou wel,” zei Piet toen ie met Koen alleen was. „Hij heeft niks
+gevraagd.”
+
+„Nee, maar dat zal de burgemeester wel doen als ie vanavond komt. Die
+zal ’t wel anders aanpakken denk ik.”
+
+„Dat zullen we afwachten. Jouw vader lijkt me niks bang voor
+veldwachters, Koen. Ik ben nieuwsgierig hoe die tegen de burgemeester
+doen zal. Geloof jij, dat ie vertellen zal, dat hij ’t gedaan heeft?”
+
+„Dat weet ik niet Piet, maar liegen zal ie er niet om. Dat weet ik
+vast.”
+
+„Hoe weet jij dat nou?”
+
+„Omdat vader ’n hekel heeft aan liegen. Hij werd altijd gloeiend nijdig
+als wij ’t deden al was het ook nog zoo’n klein leugentje voor de
+grap.”
+
+„Dan zal hij er wel mee voor de dag moeten komen als de burgemeester
+hem ondervraagt. De burgemeester is niet zoo stom als de veldwachter
+zie je.”
+
+Koen was nu werkelijk ’n beetje ongerust over z’n vader. Maar m’nheer
+Bruggemans zelf scheen heelemaal niet ongerust. Die deed net als
+altijd. Hij lag in de hangmat te lezen maar hij ging ’n keer of wat
+naar het varken kijken, doch niemand zag daar iets vreemds in. Zooiets
+komt niet elken dag voor en dan is het zeer begrijpelijk als je er ’n
+beetje nieuwsgierig naar bent. Heel veel was er echter aan het varken
+niet meer te zien. Niet meer dan het touw dat achter het beest
+aansleepte.
+
+De veldwachter was naar de burgemeester gegaan om rapport uit te
+brengen zooals hij dat noemde. Toen-ie begon, had de burgemeester kalm
+geluisterd. Dat deed ie altijd als de veldwachter kwam om wat te
+vertellen. Maar toen de veldwachter ’n poosje aan de praat was,
+onderbrak de burgemeester hem en zei, dat ie met zulke malle smoesjes
+niet bij hem moest aankomen. Daar was burgemeester niet van gediend.
+Hij wist allang dat de boeren bijgeloovig waren. Maar ’n veldwachter
+behoorde daaraan niet mee te doen. Die moest wijzer wezen.
+
+„Maar burgemeester het is echt waar. Ik heb het toch zelf gezien,” zei
+de veldwachter ’n beetje in z’n eer getast omdat de burgemeester er
+blijkbaar geen woord van geloofde.
+
+„Wat heb jij gezien? ’n Onzichtbaar varken? Dat kan je niet zien.”
+
+„D’r liep nog één poot van burgemeester. Ik heb m’n oogen niet in m’n
+zak. Wat ik zie, dat zie ik.”
+
+„Dat kan wel, maar hou nou asjeblieft je mond. Als je me niks anders te
+vertellen hebt, ruk je maar uit. Begrepen?.... Enne.... wat ik nog
+zeggen wou.... je gaat naar die boer en je zegt hem, dat ik niet te
+spreken ben voor hem als ie me ook met dat flauwe vertelseltje aan
+boord wil komen. Daarvoor ben ik geen burgemeester om bakersprookjes
+aan te hooren.”
+
+De veldwachter kwam heelemaal uit het veld geslagen bij z’n vrouw.
+Eerst zei hij geen stom woord, maar z’n vrouw, die wel zag dat er wat
+aan haperde, begon hem uit te vragen, zooals ze altijd deed als er wat
+bizonders aan de hand was, dat ze ook graag weten wou en toen kwam de
+veldwachter langzamerhand los.
+
+De vrouw smulde van het verhaal. Dat was nou eens iets echt griezeligs.
+Zooiets hadden ze in geen jaren in de gemeente beleefd. Dat zou ze eens
+gauw aan d’r buurvrouw vertellen.
+
+Maar de veldwachter die al lang zenuwachtig was, sloeg opeens met z’n
+vuist op de tafel, wat ie wel durfde bij z’n vrouw maar niet bij de
+burgemeester, en hij verbood nijdig, dat z’n vrouw er iets van zou
+vertellen tegen wie ook. „Het moest ’n geheim blijven.”
+
+„Nou, nou,” suste de vrouw, „maak je maar niet overstuur. Jij bent
+altijd nijdig hier als je met de burgemeester wat gehad hebt. Sla dáár
+op de tafel.”
+
+En ze liep meteen de deur uit om het toch maar te gaan vertellen aan de
+buurvrouw. De veldwachter had gezegd, dat het ’n geheim was en dat zei
+ze dan ook aan de buurvrouw. Ze vertelde het in vertrouwen en het moest
+„onder ons” blijven.
+
+Dat beloofde de buurvrouw onmiddellijk en toen de veldwachtersvrouw weg
+was, ging ze er dadelijk mee het dorp in, zoodat de historie van de
+onzichtbare haan, de telefoonpaal en het groote varken dezelfde avond
+al tweemaal de ronde gedaan had in het dorp.
+
+Iedereen was er van op de hoogte en toen de arbeid was afgeloopen en de
+mannen, die van hun werk kwamen er ook mee in kennis gesteld waren, kon
+je op het dorp overal groepjes menschen zien staan die het
+wonderverhaal stonden te bespreken.
+
+De grootste hoop stond voor de smidse, en de smid zelf was de president
+van de vergadering. De zwarte smid stond tegen de deurpost van de
+smederij geleund met z’n gespierde armen over elkaar. Andere avonden
+ging hij zich altijd eerst wasschen voor hij buiten kwam, maar bij deze
+gelegenheid had ie zich geen tijd gegund. Hij was zoo van achter het
+aambeeld naar buiten gekomen.
+
+Die smid was op het dorp ’n soort orakel, dat overal raad op wist. Hij
+had volgens z’n eigen zeggen allerlei wonderlijke dingen beleefd en als
+iemand ’s avonds een of andere griezelige historie vertelde, wist de
+smid er altijd een die nog griezeliger was.
+
+Doch nu stond ie gebluft. Zoo iets wonderlijks als het verhaal van de
+veldwachter, daar stond ie paf van. En toen zei ie maar, dat de
+burgemeester wel gelijk zou hebben, dat er van het heele zaakje niets
+aan kon zijn.
+
+Maar ’n jonge kerel, die heel wat keertjes bij nacht en ontij er op uit
+geweest was om konijnen te stroopen en dus niet bang was in ’t donker,
+vond dat ze het zaakje met hun allen best eens konden gaan onderzoeken.
+De telefoonpaal wisten ze allemaal te staan en nu vond hij het ’t
+eenvoudigste om eens even te gaan zien of het ding er nog stond of
+niet.
+
+Dat waren verscheidene dorpelingen met hem eens, doch toen zei er een
+dat ie ’s middags nog langs die weg gekomen was op de fiets en dat ie
+toen niks gemerkt had.
+
+„Zag jij de paal dan?” vroeg de smid.
+
+„Nee dat niet... ik heb aan die heele paal niet gedacht. Maar als ie er
+niet meer gestaan had, zou ik het gezien moeten hebben. Zooiets merk je
+wel.”
+
+„Da’s nog zoo zeker niet,” zei ’n ander. „Ik ga kijken, wie gaat er
+mee?”
+
+De smid was dadelijk bereid met nog ’n stuk of zes anderen. De rest
+vond het wat te ver uit de buurt.
+
+„Och wat,” zei de smid, „in twintig minuten zijn we d’r.”
+
+Maar de anderen waren niet mee te troonen en dus gingen ze met hun
+zessen op het pad. Toen ze het dorp doorgingen, sloten zich nog eenige
+nieuwsgierigen bij hen aan en die wisten te vertellen dat de
+veldwachter er al op uit was met de rijksveldwachter en de koddebeier.
+
+Toen ze bij de paal kwamen, was het pikkedonker. Ze vonden allemaal dat
+het nog zelden zoo donker geweest was als die avond. Maar de strooper
+hield vol, dat ie nog heel goed alles kon onderscheiden.
+
+„Dan heb jij zeker katteoogen,” zei de smid. „Ik zie geen snars.”
+
+„Nou,” zei weer ’n ander, „als jij nog zoo goed kan zien, moet jij mij
+es vertellen of je de telefoonpaal ziet of niet.”
+
+„Nee,” antwoordde de strooper, „zien doe ik ’m niet maar ik voel ’m en
+als jullie nou een van allen ’n lucifertje aansteekt, dan wed ik, dat
+we ’m allemaal zien kunnen ook. Hier staat het ding nog net als altijd,
+wat ik je brom.”
+
+Er werden minstens vier lucifers tegelijk aangestoken en zoodra die
+vlammetjes hun beetje licht gaven, riep de strooper:
+
+„Verroest, ’t ding is d’r niet en toch hou ik er m’n hand tegen.”
+
+Ze hadden allemaal die hand gezien met niets d’r in. En nu bleven ze
+aan ’t lucifers aanstrijken en ze zagen het allemaal dat de paal weg
+was. Toen kwam er een op de idee ’n krant, die hij in z’n zak had in
+brand te steken en bij die flambouw konden ze de draden in de lucht
+zien en de porceleinen potten die nergens houvast aan schenen te hebben
+en toch daar maar hoog boven stijf bleven staan.
+
+De man die de krant aangestoken had, brandde z’n vingers omdat ie al
+maar naar boven keek. Hij riep „au” en liet het restje van de krant
+vallen, dat even hoog opflikkerde en op de grond met ’n beetje roode
+gloed uitdoofde. Daarna was het nog donkerder dan te voren en de zes
+dorpelingen stonden daar doodstil in de plotselinge duisternis en zeien
+geen stom woord.
+
+Tot er een het lichtschijnsel uit de boerderij opmerkte en toen niets
+beter te zeggen wist dan:
+
+„In de boerderij hebben ze nog licht op.”
+
+Het flauwe lichtschijnsel dat uit de kamer van m’nheer Bruggemans kwam,
+die de luiken niet dicht had, kikkerde de zes moedige mannen dadelijk
+’n heeleboel op. Toen ze zoo plotseling in de duisternis gestaan hadden
+bij die onzichtbare paal, waren ze allemaal ’n tikje benauwd geweest.
+Zelfs de strooper had het te pakken gekregen.
+
+De smid verbrak het eerst het stilzwijgen:
+
+„Nou weten we ’t en nou ga ik naar huis.”
+
+De anderen dachten er net zoo over en ze togen weer huiswaarts.
+
+De strooper wist ’n weggetje door het bosch waarlangs ze volgens hem in
+tien minuten thuis konden zijn. Ze kenden allemaal dat paadje, maar de
+strooper wist daar ook bij nacht bescheid. De anderen namen dat pad
+weleens als ze die kant uit moesten overdag, doch niemand zou het in
+z’n hoofd krijgen daar gebruik van te maken als het zoo donker was als
+op die avond. Ze wilden echter wel graag gauw thuis zijn en ze wisten,
+dat de strooper die smalle boschpaadjes goed kende, omdat ie er ’t
+liefst gebruik van maakte als ie er ’s nachts op uit trok. Ze gingen
+dan ook gerust met hun vijven achter hem aan.
+
+Om op dat boschpaadje te komen moesten ze voorbij de boerderij en dat
+was de oorzaak, dat, in plaats van vroeger thuis te komen, ze leelijk
+aan ’t dwalen raakten.
+
+Toen ze namelijk voorbij de boerderij kwamen stapten daar net heel
+zacht de rijksveldwachter, de koddebeier en de dorpsveldwachter de
+achterdeur uit. Zoodra die drie mannen van de wet het geloop van die
+menschen hoorden, stiet de rijksveldwachter de anderen aan en hij
+fluisterde: „Hooren jullie dat?”
+
+De anderen hoorden het, wat geen wonder was want de zes dorpelingen
+deden geen moeite om zich onhoorbaar te maken, wat de strooper anders
+op z’n nachtelijke tochten wel deed. Ze hadden geen kwaad in de zin en
+dus hoefden ze geen voorzorgen te nemen om niet ontdekt te worden.
+
+Nu hadden de drie veldwachters met de boer en de boerin het
+geheimzinnige geval lang en breed zitten bepraten terwijl ze aanhoudend
+maar koffie dronken met schijven zoete koek. En het gevolg was dat de
+politiemannen beloofd hadden ’n paar nachten de wacht te houden om te
+probeeren of ze de dader of de daders niet te pakken konden krijgen. De
+burgemeester wist er wel niets van, maar dat was volgens de
+rijksveldwachter ook niet noodig.
+
+De rijksveldwachter en de koddebeier waren geen van tweeën erg bang
+uitgevallen. Die hadden al heel dikwijls samen van die nachtelijke
+karweitjes opgeknapt. Het waren meestal stroopers die ze dan
+achtervolgden en dat waren soms brutale heeren die ook voor geen klein
+geruchtje vervaard waren. Ze hadden er zelfs wel eens om moeten vechten
+wie de baas zou blijven en daar waren ze niet altijd zonder
+kleerscheuren afgekomen. Maar ze hadden dan ook menige strooper
+geknipt, en ze stonden er voor bekend, dat er niet met hen te
+gekscheren viel.
+
+„Hooren jullie dat?”
+
+Toen de rijksveldwachter dat fluisterde, stonden de koddebeier, die ze
+zoo noemden, maar hij heette eigenlijk jachtopziener, en de
+rijksveldwachter zelf net als ’n paar jachthonden die wild ruiken met
+hun neus in de wind.
+
+De dorpsveldwachter, die meer gewoon was boodschappen voor de
+burgemeester te doen als ’t nog dag was en ’s nachts liever behoorlijk
+in bed lag, had evenwel niets van ’n jachthond op dat oogenblik. Hij
+hoopte maar dat het niet tot ’n gevecht of zoo iets zou komen en hij
+nam zich in stilte voor, als er iets van dien aard zou gaan gebeuren,
+zich ’n klein beetje achteraf te houen.
+
+„Hierheen,” fluisterde de rijksveldwachter, na ’n klein poosje
+geluisterd hebben, „die snappen we.”
+
+De dorpsveldwachter bleef in de achterhoede.
+
+Het duurde niet heel lang of de strooper die de aanvoerder was der vijf
+dorpelingen hoorde iets. Hij had scherpe ooren en was gewoon op alle
+geluiden te letten.
+
+„Stop,” zei hij heel zacht en toen ze stilstonden hoorden ze het ook
+allemaal.
+
+„Daar komt wat aan,” zei de strooper weer en aangezien hij liever niet
+gesnapt werd bij nacht in dat bosch verdween hij onmiddellijk in de
+struiken. De andere vijf met de dappere smid voorop gingen aan de haal
+langs het smalle paadje. Ze dachten niet aan veldwachters, zooals de
+strooper, het kwam heel niet in hun hoofden op dat er veldwachters hen
+op de hielen konden zitten. Zij dachten meer aan de onzichtbare paal en
+brachten het geluid van voetstappen, dat ze toch duidelijk gehoord
+hadden in verband met dat geheimzinnige onzichtbare ding en ze
+vluchtten weg met de schrik in hun beenen. Het leek hen of ze maar niet
+vooruit kwamen en ze liepen toch als hazen. Al heel gauw begonnen ze te
+struikelen over boomwortels en raakten nu en dan in de struiken verward
+en na vijf minuten wist de een niet meer waar de ander was. Ze waren
+elkaar kwijt en ieder zocht op z’n eigen houtje ’n goed heenkomen. Het
+was ’n gekraak en gekreun zooals het bosch nog niet beleefd had en de
+achtervolgers wisten niet meer hoe ze ’t hadden want ze hoorden aan
+alle kanten geluid. Tot eindelijk de rijksveldwachter over iets heen
+viel dat naderhand bleek de dorpssmid te zijn.
+
+De rijksveldwachter greep onmiddellijk toe en hield vast.
+
+„Jou heb ik tenminste,” mompelde hij.
+
+De smid was te verbouwereerd om iets te antwoorden, of zich te
+verzetten. Maar na ’n paar sekonden kwam hij weer ’n beetje bij van de
+schrik en daarmede ook tot het besef, dat ie toch iets doen moest om
+zich vrij te maken van degeen die hem zoo overvallen had. Hij had er
+geen idee van dat het de rijksveldwachter was, anders had ie hem wel
+gauw verteld, wie hij was. Nu zei hij maar niemendal en begon te
+worstelen om los te komen. Sterk was ie en de rijksveldwachter begon al
+gauw in te zien, dat ie de handen vol zou krijgen om dat ventje er
+onder te houden. De rijksveldwachter dacht er evenmin aan dat ie ’n
+eerzaam dorpeling als de smid te pakken had. Hij meende, dat ie ’n
+goeie slag geslagen had en dat het minstens iemand was die in verband
+stond met die vreemde geschiedenis op de boerderij.
+
+Het was ’n rare worstelpartij in de duisternis en niet erg aangenaam,
+noch voor de smid, noch voor de rijksveldwachter, want de takken der
+struiken sloegen hen telkens in het gezicht. De rijksveldwachter begon
+te voelen, dat ie ’t niet lang meer zou kunnen bolwerken. Hij werd moe
+en hijgde naar adem. Maar loslaten wou hij niet, terwijl z’n gevangene
+niets anders deed dan probeeren los te komen.
+
+Toen kwam de rijksveldwachter op de idee om te zeggen wie hij was.
+
+„Geef je over,” hijgde hij, „ik ben de rijksveldwachter.”
+
+Dat hielp. De smid ontspande z’n sterke knuisten, waarmee hij de ander
+stevig te pakken had en liet hem los.
+
+„O, ben jij de rijksveldwachter,” antwoordde de smid, „had me dat
+eerder gezeid.”
+
+„Ben jij de smid?” zei de rijksveldwachter op zijn beurt, toen hij de
+bekende stem hoorde, „wat doe je hier?”
+
+„Wel, we waren gaan kijken naar die paal.... met ons zessen.”
+
+„O.... zit dat zoo....”
+
+„Ja we waren hier heen gegaan om gauwer thuis te zijn,” zei de smid
+lachend. „Ik denk dat we allemaal wel later thuis zullen komen.”
+
+„Dat denk ik ook wel,” zei de rijksveldwachter. „Ik zal even met m’n
+electrische lantaarn bijlichten, dan kunnen we zien of we ’t pad terug
+kunnen vinden.”
+
+Daar was de smid erg blij mee. En bij het licht van het lantaarntje
+gelukte het hen nog al gauw het pad weer te vinden, maar ze wisten geen
+van beiden of ze links of rechts moesten. Ze besloten toen maar op goed
+geluk samen te gaan.
+
+’n Poosje later ontmoetten ze de koddebeier, die op het licht afkwam.
+Hij had niemand te pakken kunnen krijgen en was zeer verwonderd de smid
+te zien. Hij lachte ook maar toen de smid vertelde hoe de hark aan de
+steel zat en gingen met hun drieën verder.
+
+De smid trof het. Ze waren voor hem de goede kant uitgegaan en tien
+minuten later stond hij voor zijn smederij. De twee politiemannen
+gingen weer naar de boerderij terug die ze bewaken zouden.
+
+De dorpsveldwachter was toen de jacht begon ’n beetje achtergebleven.
+Hij moest niks van al die gekheid hebben. Maar in het donker wist ie
+niet al te best de weg en hij bevond zich ook op het boschpaadje. Hij
+besloot maar rechtsomkeert te maken en het gewisse voor het ongewisse
+te nemen. Verdwalen daar had ie geen zin in en wie weet wat je op dat
+paadje nog tegen kon komen ook. Hij vond het erg vervelend dat het zoo
+pikkedonker was. Je zag geen hand voor je oogen. Na ’n poos voelde hij
+eens met z’n voet of ie nog op ’t pad was en toen dat geen oplossing
+gaf, ging hij op z’n hurken zitten om met z’n hand de grond te
+betasten. Hij kon er niet uit wijs worden. Dan maar ’n lucifertje
+aansteken. Hij zou ’t wel voorzichtig doen, want je moest in zoo’n
+bosch altijd de noodige voorzorgen nemen met vuur. Je had gauw genoeg
+’n boschbrand.
+
+’t Lucifertje brandde en de veldwachter keek gauw, maar hij zag wel het
+vlammetje, doch verder ook niemendal. Het gaf geen licht genoeg om hem
+bij te lichten.
+
+Dan nog maar eentje geprobeerd en dat hield ie vlak bij de grond. Op ’n
+pad was hij nog wel, maar of hij nog op ’t rechte was, dat wist ie ook
+niet. Hij hoopte maar van wel en dan moest ie gauw genoeg de boerderij
+bereiken. Doorloopen maar. Hij nam groote stappen en raakte gelukkig
+het bosch uit. Maar van de boerderij zag hij geen spoor. Wel liep hij
+al gauw tegen prikkeldraad aan. Dat kon nergens anders wezen dan bij de
+wei waar het onzichtbare varken liep. Hij had dus toch ’n verkeerd pad
+genomen en was nu ergens aangeland waar hij om de waarheid te zeggen
+voor geen geld wezen wou. Stel je voor dat ie daar nou die poot van dat
+groote varken tegenkwam. Het was bij dag al akelig genoeg geweest om er
+naar te kijken maar bij nacht was het iets om van weg te loopen, al was
+het dan ook volgens die stadsche m’nheer de natuurlijkste zaak van de
+wereld. Van zulke natuurlijke zaken had hij niet terug.
+
+De dappere dorpsveldwachter stond stil voor het prikkeldraad. Wat moest
+ie doen? Hij kon er best overheen stappen en dat zou hij anders ook wel
+dadelijk gedaan hebben. Hij meende in de verte het witte hek te zien
+schemeren. Daar had ie ’n gemakkelijke weg. Hij kon nu ook wel langs
+het bosch, zoo tusschen prikkeldraad en bosch in, de weg bereiken, maar
+dan moest ie voortdurend in kreupelhout en bremstruiken marcheeren en
+daar had ie ook niet veel zin in. Na rijp overleg besloot hij maar over
+het prikkeldraad heen te stappen. Hij kon de kant van het weiland
+houden. Dat was toch precies ’t zelfde of hij nu aan deze of aan de
+andere kant van het prikkeldraad liep.
+
+Hij stapte dus over de draadversperring heen, die bestond uit kippegaas
+van onder, met ’n prikkeldraad er bovenlangs.
+
+Hij liep haastig door. Zag hij daar niet ’n geschemer van lichte dingen
+en waren dat niet de biggen? Kwamen ze naar hem toe? Hij stond even
+stil. Jawel ’t kwam op hem af. ’t Was te donker om te zien of de biggen
+dichtbij waren, doch dat moest wel anders kon hij ze in de duisternis
+niet gewaarworden. Doorloopen, gauw doorloopen. Hij moest er eerder
+zijn dan de biggen, want die zouden wel achter dat akelige, onzichtbare
+beest aanloopen. Plotseling schrok hij zich haast halfdood. Hij
+struikelde ergens over en hij rolde in het gras, terwijl ’n harde
+varkensschreeuw gevolgd door nijdig geknor vlak bij hem als uit de
+grond oprees. Hij was over het onzichtbare varken gevallen en ofschoon
+hij dat ook gedaan zou hebben al was het varken nog net geweest als
+vroeger, omdat ie ’t in het donker evenmin zou gezien hebben, nu schrok
+hij er geweldig van. Z’n haren gingen op z’n hoofd onder z’n pet
+rechtop staan en er ging ’n rilling langs z’n rug.
+
+Maar gauw overeind was ie en heel gauw weg ook. En hij wipte over ’t
+hek als ’n jongen. Hij wist zelf niet, dat ie nog tot zulke gymnastiek
+in staat was. En toen ging het er vandoor, niet naar de boerderij maar
+naar huis en ’n kwartier lang liep hij op ’n draf en was doornat en
+bek-af toen hij met moeite de sleutel in het slot van z’n huisdeur
+stak.
+
+De strooper was ook gauw thuis geweest. Die kende het bosch van buiten.
+Maar de andere vier kwamen een voor een toen het dag was erg verhavend
+en een, de kleermaker, zelfs zonder pet, in het dorp terug.
+
+Die dag wist het heele dorp wat er ’s nachts was voorgevallen en de
+burgemeester liet zich, zoodra hij ervan hoorde, verslag uitbrengen
+door de veldwachter, die alles haarfijn wist te vertellen, omdat ie er
+zelf bij was geweest en alleen maar oversloeg, wat hem zelf was
+overkomen in het land met de biggen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor
+ m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet
+ hem niet gered hadden.
+
+
+De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die
+nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met
+ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken,
+hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en
+iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen
+verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten
+eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De
+anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan
+vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken
+gevallen was.
+
+Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige
+dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog
+gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog
+dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het
+woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval
+maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”
+
+Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit
+naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op
+de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te
+genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in
+drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare
+varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij
+aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.
+
+Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met
+allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde
+beantwoorden.
+
+Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun
+beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was
+bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan
+met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de
+jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan
+ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n
+kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al
+gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de
+waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren.
+Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen
+bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor
+elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst
+hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom
+te houden, maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over
+wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.
+
+Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte
+al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar
+opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.
+
+De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte
+het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als
+’t liep te eten.
+
+Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om
+maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.
+
+Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze
+konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar
+gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je
+niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om
+dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.
+
+In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de
+porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het
+scheen.
+
+De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n
+dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle
+bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n
+eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan
+was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen
+wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet
+voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells,
+noch van diens wonderbare uitvinding gehoord en dus was het hem niet
+kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.
+
+Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de
+troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens
+gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en
+zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien
+vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het
+weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden
+van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte
+van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije
+toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu
+en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de
+rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.
+
+Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij
+dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je
+dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar
+iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende
+telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed,
+namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch
+ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats
+toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was
+plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken
+allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen
+draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te
+betasten. Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal
+werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd,
+heel vreemd.”
+
+Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed
+naar de boerderij.
+
+De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem
+in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw
+Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar
+binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten
+eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote
+huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof
+waar de burgemeester in plaats nam en begon:
+
+„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die
+paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis..... en hebben jullie nu ook nog ’n
+onzichtbare haan?”
+
+De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de
+familie dood was en de boer antwoordde:
+
+„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”
+
+„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter... enne... je kan niet
+gissen wie je dat lapt?”
+
+„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”
+
+„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.
+
+„Tja... dat kan ik me begrijpen.”
+
+„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het
+allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen
+van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”
+
+„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van
+gehoord.”
+
+Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te
+lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei,
+dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch
+wel ’n beetje benauwd om het hart.
+
+„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.
+
+De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de
+burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en
+stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die
+burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal
+niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer
+uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de
+burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar
+Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je
+ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig
+voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar
+niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef
+echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.
+
+Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar
+van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die
+uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er
+van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin
+teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was
+er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat
+er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin
+wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf
+geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.
+
+Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem
+meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te
+onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.
+
+De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op
+het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier
+en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie
+politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen
+de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden
+daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen
+gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de
+buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.
+
+Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het
+varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp
+waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het
+gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders
+kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon
+het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er
+niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens
+meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze
+gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het
+verhaal van de porceleinen isolators van de telefoonpaal die je daar
+zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich
+langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere
+kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te
+voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden
+beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters
+te laten komen om de orde te handhaven.
+
+Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem
+in ’n mand en liet ’m bekijken voor ’n kwartje. Het was eigenlijk
+„voelen”, maar hij noemde het „kijken”.
+
+De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de
+volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er
+achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop
+Koen met groote mooie letters had geteekend:
+
+
+ DE ONZICHTBARE HAAN.
+ 25 ct. entree!
+ Maïsvoeren 10 ct. extra.
+
+
+M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer
+vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij
+de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste
+dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich
+vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje
+maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en
+Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen
+zooveel nieuwsgierigen, dat de onzichtbare witte het soms toch niet
+bolwerken kon.
+
+Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare
+varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die
+kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en
+naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat
+leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten
+geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer
+schik.
+
+De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van
+Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles
+alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van
+hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde,
+gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel
+moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij
+de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel
+tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei
+moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de
+entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de
+haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.
+
+Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en
+niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de
+menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd
+zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon
+bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis
+om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er
+was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar
+geworden.
+
+De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en
+was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die
+m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.
+
+Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger
+was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat
+m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n
+stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam,
+tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van
+die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen,
+maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van
+die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had
+eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde,
+doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer
+Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De
+inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te
+merken.
+
+Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer
+Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die
+m’nheer te letten.
+
+Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n
+rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde
+de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.
+
+„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die
+m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is
+van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje
+ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en
+de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem
+al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan
+zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen
+brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak
+stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in
+zijn bezit zijn.”
+
+„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”
+
+Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl
+ze zich gereed maakten om in bed te stappen.
+
+Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó
+van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was
+onmiddellijk bij de hand met ’n idee.
+
+„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw
+vader vinden..... Kan je niet meer praten?”
+
+„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van
+geschrokken!”
+
+„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”
+
+„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden
+ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens
+in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles
+nagekeken om te zien waar het zijn kon.”
+
+„En kunnen wij in die koffer komen?”
+
+„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?”
+
+„Ja ’t moet toch.”
+
+„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t
+beste zijn.”
+
+„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”
+
+„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.”
+
+„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij
+moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze
+’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”
+
+„Maar hoe komen we d’r aan?”
+
+„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”
+
+Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n
+vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als
+degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk
+was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en
+bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in
+staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken,
+sliepen ze al.
+
+Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die
+gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag
+tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en als die dan
+deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er
+misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.
+
+„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo
+goed wist als Koen.
+
+„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”
+
+„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht
+uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”
+
+„Ja.”
+
+„En dan gaat ie in de kast.”
+
+„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.
+
+„Kan je zoo meteen nog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg,
+als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg
+ik van vader op m’n kop.”
+
+Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet,
+dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat
+natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest
+Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie
+die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid.
+Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu
+niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest,
+had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok
+begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie
+zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de
+voorkamer of ie ook gemakkelijk bij die koffer van zijn vader komen
+kon.
+
+„Waarvoor?” zei Koen.
+
+„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”
+
+Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist
+wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker
+werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt
+zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets
+vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n
+hekel.
+
+Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor
+dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog
+altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de
+boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de
+familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land
+hadden ze er aan.
+
+Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij
+z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t
+mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De
+gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer
+opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond
+en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen
+koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.
+
+’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom
+om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo
+voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.
+
+Koen sloop naar de kast, deed de koffer open... Hij schrok er zelf van.
+Daar was de machine van professor Wells!
+
+De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding
+weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie
+snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote
+koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.
+
+Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de
+kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet
+vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.
+
+„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”
+
+Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan
+was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om
+weer in de kippenstal te komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n
+amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo,
+want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar
+bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”
+
+En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.
+
+„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t
+werk was in de kippenmest.
+
+Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n
+„beroerd” werk vond.
+
+„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”
+
+„Niet, wat is het dan?”
+
+„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”
+
+„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”
+
+„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend.
+„Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat
+kistje vinden zal hè?”
+
+„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor
+’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet
+zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem
+terug te bezorgen.”
+
+„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en
+dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”
+
+„Zou het?”
+
+„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad
+had,” antwoordde Piet lachend.
+
+Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer,
+van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten
+neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed
+bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het
+kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet
+bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten
+voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar
+het terug kwam halen.
+
+„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.
+
+„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”
+
+„O.... Zeg ik dee het liever ergens anders.”
+
+„Nee jô.... ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.... niet voor
+die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt
+het niet terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken.
+Dat kan die immers?”
+
+„Ik geloof het wel.”
+
+„Je had het toch gelezen?”
+
+„Ja, dat wel.... maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als
+ie eindelijk hier komt.”
+
+„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”
+
+„Amerika is niet naast de deur, jô.”
+
+„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan
+terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”
+
+Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met
+het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat
+hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou
+met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er
+bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.
+
+Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine
+voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens
+gingen gerust heen.
+
+In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n
+rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de
+burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de
+hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie
+naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit
+om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester
+hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden
+de afloop van die zaak van nabij meemaken. Ze hoopten maar, dat m’nheer
+Bruggemans hen niet zou wegzenden.
+
+Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de
+jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester
+gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester
+stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De
+rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de
+dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n
+gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus
+die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in
+de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de
+rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten
+altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge
+gezichten begon te zetten.
+
+Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans
+stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus
+ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang
+in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen
+hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was,
+ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken
+en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die
+heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden
+wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de
+rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet,
+misschien die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden
+wegvoeren.
+
+De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij
+vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam
+lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij
+begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte
+op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij
+verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek
+in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in
+de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen
+zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te
+brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n
+onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want
+het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.
+
+M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie
+niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel
+in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht
+kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er
+was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin
+dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien
+zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t
+wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man
+van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie
+er niet achter ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet
+doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!
+
+M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee
+naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n
+onderzoek.
+
+En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans
+en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het
+venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de
+slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw
+weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens
+begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat
+m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer
+stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg
+wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en
+wat andere rommel. Wilt u kijken?
+
+„Nee.... of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”
+
+M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De
+burgemeester keek over zijn schouder.
+
+„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets
+verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer
+Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester
+nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.... ’t was
+maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”
+
+„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer Bruggemans, en hij
+liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer
+en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles
+overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken
+of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten
+op z’n knieën.
+
+Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had
+opgemerkt.
+
+„Hoe was ie?” vroeg Piet.
+
+„Prachtig... Zag je vader voor die koffer zitten?”
+
+„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.
+
+„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er
+toch maar fijn doorgerold.”
+
+„En of.”
+
+Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het
+dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.
+
+Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:
+
+De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde
+Staten van Noord-Amerika.
+
+„Da’s de derde,” zei Koen.
+
+„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.
+
+„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen
+antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”
+
+„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”
+
+„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n
+machine wel waard zijn.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin professor Wells met twee detectives naar Amsterdam reist,
+ maar op de boot leelijk bestolen wordt en de twee politiemannen in
+ Nederland al dadelijk boffen.
+
+
+M’nheer Bruggemans had twee brieven geschreven en dit was de derde.
+Maar professor Wells had er geen een van in z’n handen gekregen. Midden
+in de Atlantische Oceaan was ie vlak voorbij de twee brieven gevaren,
+die in een van de honderden postzakken zaten, die ’n groote mailstoomer
+naar Amerika bracht, terwijl professor Wells op het dek zat van ’n
+andere stoomboot, die van Amerika naar Europa voer.
+
+Die beide brieven waren ’n poosje later aan z’n huis in Yale in de
+brievenbus gestopt of ze lagen misschien wel in de postbus aan ’t
+postkantoor in Yale, waarvan de professor zelf ’t sleuteltje had en
+waar dus niemand anders dan hij zelf de brieven kon uithalen.
+
+In ieder geval lag de professor toen juist voor ’t eerst in Amsterdam
+lekker onder de wol in het Amstelhotel, waar hij die dag juist was
+aangekomen in gezelschap van zijn twee slimme detectives, die van plan
+waren de volgende dag dadelijk met hun nasporingen te beginnen of
+liever die voort te zetten, want ze waren er al lang van te voren in
+Yale mee begonnen.
+
+Nu is het bekend dat amerikaansche detectives de slimste zijn van de
+heele aardbodem. Dat is zoo bekend, dat je niet eens het beroemde boek
+van Mark Twain „De gestolen Witte Olifant” behoeft te lezen om dat te
+weten. En van al die slimme speurders in z’n land had professor Wells
+de twee beroemdste uitgezocht. Het waren James Maccassy van New York en
+Jesekia Blubberdub van Chicago.
+
+Er was geen misdadiger in New York of Chicago, die niet de heele dag
+van streek was als hij ’s nachts van James Maccassy of Jesekia
+Blubberdub gedroomd had. Alle boosdoeners in Amerika kenden dan ook die
+twee, maar die twee kenden ook alle misdadigers. Dat wil zeggen
+diegenen onder de dieven en roovers, die de moeite waard waren, want
+met het kleine goed, van die diefjes die ’n stuk lood van je dak kwamen
+stelen, of er met ’n baal koffieboonen vandoor gingen, die per ongeluk
+’n goeie paraplu meenamen of uit de gang je beste overjas op de kop
+tikten, daar hielden zij zich niet mee bezig. Als je bij James Maccassy
+of Jesekia Blubberdub aankwam om te vertellen dat je fiets gestolen was
+zoo maar onder je neus weg, terwijl je even in ’n winkel ging om ’n
+doos sigaretten te koopen, dan antwoordde James Maccassy je
+onveranderlijk, dat er op de hoek van de straat wel ’n politieagent zou
+staan om zoo’n snertboodschap aan te hooren en Jesekia Blubberdub had
+de gewoonte, om in zoo’n geval je ’n adreskaart te overhandigen van een
+of andere fietsenwinkel, waar je je ’n nieuw rijwiel kon aanschaffen,
+als je dan toch met alle geweld per fiets naar huis wou.
+
+Doch kwam je bij hen met de treurige mededeeling dat er ’s nachts bij
+je was ingebroken en dat de dieven al je kostbaarheden en al je geld
+hadden gestolen en ook de zilveren lepels en vorken niet vergeten
+hadden, dan kon je op ’n vriendelijke ontvangst rekenen. Je kon er ook
+op rekenen, dat zoowel James Maccassy als Jesekia Blubberdub in dat
+geval niet alleen bereid waren je tot het eind van je verhaal aan te
+hooren maar ook, dat ze daarna dadelijk met je meegingen om de zaak bij
+je thuis te onderzoeken en dan wisten ze je gewoonlijk onmiddellijk te
+vertellen wie ’t gedaan had, want dat zagen ze aan de manier van werken
+en omdat ze alle booswichten en hun manier van werken op hun duimpje
+kenden, was dat voor hen maar ’n kleinigheid.
+
+Toen professor Wells dan ook eerst bij James Maccassy en daarna bij
+Jesekia Blubberdub aanklopte, was hij er erg mee ingenomen dat ze
+allebei tot dezelfde conclusie kwamen, namelijk, dat de wondermachine
+gestolen moest zijn door Jim Pimpelmees, ’n Hollander van afkomst en de
+raarste dief, die je maar bedenken kon. Jim Pimpelmees stal namelijk
+nooit geld of kostbaarheden of zooiets, doch als er hier of daar iets
+vreemds of buitengewoons vermist werd, kon je er op rekenen dat Jim er
+achter zat. Maar Jim was verbazend slim ook nog en het was zelfs nooit
+gelukt aan James Maccassy of Jesekia Blubberdub om Jim Pimpelmees te
+pakken te krijgen.
+
+Jesekia Blubberdub vertelde aan professor Wells als ’n bewijs van Jim’s
+ongeëvenaarde slimheid, de geschiedenis van de beruchte diefstal bij
+Barnum en Baily. Uit dat reuzecircus was in ’t jaar 1907 te Melbourne
+in Australië de beroemde hond Gipsy vermist, die geen achterpooten had
+en gewoon op z’n twee voorpooten liep. Dat was het eerste zaakje dat
+James Maccassy en Jesekia Blubberdub samen opgeknapt hadden.
+
+„Barnum en Baily hadden zich onmiddellijk gewend tot ons beiden,” zei
+Blubberdub, „om die zaak tot klaarheid te brengen. We gingen dan ook
+dadelijk aan ’t werk en hadden het geluk Jim Pimpelmees op ’t spoor te
+komen. We reisden hem in ’t geheim na, want de kerel was te slim om
+niet alle voorzorgsmaatregelen te nemen. We volgden hem van Melbourne
+naar Kaapstad, vervolgens naar Buenos-Aires en dwars door Zuid-Amerika
+heen naar Peru. Overal waar hij geweest was, namen wij informaties naar
+hem en de hond zonder achterpooten. En in San Francisco kregen we hem
+te pakken, ’t was immers San Francisco?”
+
+„’t Was in San Francisco,” bevestigde James Maccassy, „ga voort.”
+
+„Nu dan, in San Francisco kregen we hem te pakken. ’t Werd tijd, want
+wat we van de hond zonder achterpooten vernamen, klonk niet erg
+bemoedigend voor ons of voor Barnum en Baily.”
+
+„Was ’t beest dood?” vroeg professor Wells nieuwsgierig.
+
+„Nee, dat nu juist niet, ’t beest was springlevend, maar ’t was ’n
+zeehond.”
+
+„Hè?” zei professor Wells.
+
+„Ja,” bevestigde James Maccassy, „’n gewone zeehond. En toen konden wij
+hem natuurlijk niets maken. Want er was geen zeehond bij Barnum en
+Baily gestolen, maar ’n gewone hond zonder achterpooten.”
+
+„Maar die hond van Barnum en Baily dan?”
+
+„Ja, dat is altijd ’n raadsel gebleven. Daar hebben ze nooit iets meer
+van vernomen.”
+
+„U ziet,” zei James Maccassy, „dat we te doen hebben met een
+uitgeslapen gauwdief.”
+
+Professor Wells was dat volkomen met hen eens. Hij vroeg aan de twee
+beroemde detectives of ze bereid waren voor hem die Jim Pimpelmees op
+te sporen.
+
+„Met plezier, professor,” zeiden ze allebei.
+
+Of ze er zeker van waren, dat die Jim de machine gestolen had?
+
+„Zoo zeker als twee maal twee vier is,” verklaarden ze tegelijk.
+
+„Goed,” zei de professor, „dan beginnen we dadelijk.”
+
+Reeds de volgende morgen kwamen ze hem meedeelen, dat ze de zaak hadden
+onderzocht en dat ze er achter gekomen waren, dat Jim Pimpelmees naar
+Europa was op reis gegaan en wel naar Amsterdam en dat ze van plan
+waren hem onmiddellijk daarheen te volgen. Professor Wells was erg blij
+met die goede tijding en besloot met hen mee te gaan. James Maccassy
+vond het niet noodig en Jesekia Blubberdub ook niet, maar ze konden het
+de professor moeielijk beletten, en dus spraken ze af dat ze elkaar
+weer zouden ontmoeten aan boord van „De Prinses,” de nieuwste boot van
+de Holland-Amerika-Lijn, die de volgende dag zou vertrekken.
+
+Professor Wells kwam haast te laat. Dat was zoo z’n gewoonte overal net
+op ’t nippertje te komen. Hij keek dadelijk uit naar James Maccassy en
+Jesekia Blubberdub, maar die waren geen van beiden te vinden, ofschoon
+professor Wells het dek bespiedde van voor naar achter en van achter
+naar voor. Na ’n uur, toen ze al lang van de kade waren weggestoomd,
+had ie nog geen spoor van z’n twee detectives ontdekt. Maar misschien
+waren ze wel in hun hut en hij besloot eens bij ’n hofmeester te
+informeeren. Die hofmeester was heel gedienstig. Hij ging de
+passagierslijst raadplegen en kwam terug met de tijding, dat er geen
+personen aan boord waren die James Mocassin of Jesekia Bulderput
+heetten.
+
+„Och man,” zei de professor gemelijk, „zoo heeten ze heelemaal niet. Ik
+zal zelf de lijst wel eens nakijken.” En dat deed hij onmiddellijk,
+terwijl de hofmeester naast hem stond. Maar de professor kon de namen
+ook niet vinden.
+
+„Wat is dat nou voor gekheid,” mompelde de professor, en daarna ging
+hij zonder verder notitie te nemen van de hofmeester naar z’n hut, waar
+hij bleef tot het tijd was voor het diner.
+
+De heele middag had hij in z’n hut zitten mopperen over de afwezigheid
+van z’n twee detectives. Hij begreep niet waarom ze zoo gedaan hadden.
+En hij zat er nu maar mee. Wat moest hij alleen in Holland doen? Toen
+besloot hij nog even voor het eten ’n telegram te zenden met betaald
+antwoord aan James Maccassy te New York. Hij ging op ’n bank zitten op
+het promenadedek en schreef op ’n blaadje uit z’n notitieboekje:
+
+
+ James Maccassy, New York, No. 11, 43ste étage.
+
+ Waarom is u niet hier?
+
+ Wells.
+
+
+„Maar professor ik ben wel hier,” hoorde hij over z’n schouder zeggen,
+en toen hij verrast omkeek over de leuning van de bank zag hem ’n
+vriendelijke oude heer lachend aan. Hij had ’n mooie witte baard en
+spierwit haar, dat ’m heel goed stond onder z’n groote panama. En naast
+de spierwitte heer stond ’n soort Italiaan met pikzwarte krullen en ’n
+dito snorretje met fijn opgedraaide punten en die zei op zijn beurt:
+„Ik ben er ook. U hoeft niet naar Chicago te telegrafeeren.”
+
+Professor Wells zat stom van verbazing. Dat moesten z’n twee detectives
+zijn. Maar ze waren totaal onherkenbaar. Z’n eigen verdwijn-machine had
+ze niet onkenbaarder kunnen maken.
+
+„Wel,” zei professor Wells, maar verder kwam hij niet.
+
+„Mijn naam is Bumpkins, Nataniel Bumpkins van Dawson-City. U staat me
+zeker toe ’n oogenblik naast u op de bank plaats te nemen?”
+
+Professor Wells zei niemendal en hij liet toe, dat de grijze heer naast
+hem ging zitten. Hij zei ook niemendal toen de Italiaan zich aan hem
+voorstelde als Octavio Spigoletti van Milaan en aan de andere kant
+naast hem plaats nam.
+
+„Zoo moeten wij dat in ons vak altijd doen,” fluisterde Bumpkins, „we
+kunnen niet te voorzichtig zijn.”
+
+„Nee,” zei de Italiaan uit Milaan zachtjes, „voorzichtigheid is de
+moeder van de porceleinkast.”
+
+„Als ze wisten, dat James Maccassy en Jesekia Blubberdub op weg waren
+naar Amsterdam,” fluisterde de grijze weer, „dan konden we er zeker van
+zijn, dat Jim gevlogen was als wij er aankwamen.”
+
+„Met uw kostbare machine,” mompelde de Italiaan.
+
+„Zoo,” zei professor Wells, „zoo... zit dat zoo in elkaar. Hoe heeten
+jullie ook weer?”
+
+„Bumpkins, om u te dienen, van Dawson-City.”
+
+„En u?”
+
+„Spigoletti van Milaan.”
+
+„Wij kennen elkaar heel niet,” zei Bumpkins. „Ik ken Spigoletti niet en
+ik ken professor Wells niet en u kent ons niet.”
+
+„O!”
+
+„En als we in Holland zijn, heeten we weer anders.”
+
+„O... en zien jullie er dan weer anders uit ook?”
+
+„Natuurlijk.”
+
+„Maar hoe ken ik jullie dan?”
+
+„Heel eenvoudig,” fluisterde de Italiaan, „we houen u op de hoogte.”
+
+„We zijn altijd bij u, ook al denkt u dat we er er niet zijn.”
+
+„Zooals vandaag,” zei de Italiaan weer.
+
+„Jullie zullen het wel het beste weten,” zei professor Wells, „en dus
+leg ik me er maar bij neer. Ik laat de leiding verder dan maar
+heelemaal aan de heeren over.”
+
+„Dat is ook onze bedoeling,” zei Bumpkins en ze lieten de professor
+alleen op z’n bank.
+
+Professor Wells vond dat nu eigenlijk wel ’n beetje vervelend. Hij had
+gedacht zich op de boot de tijd te korten met de verhalen van de
+lotgevallen en de avonturen der twee beroemde detectives. En nu moest
+ie ’n dag of zes, zeven op dat schip doorbrengen zonder ’n enkele
+kennis. Er was niemand op het schip die hij ooit tevoren gezien had.
+Hij besloot z’n tijd dus maar te besteden aan een of andere nieuwe
+uitvinding. In z’n hut of op het dek of ergens anders op die mooie boot
+kon hij best ’n hoekje vinden, waar hij ongestoord kon nadenken. Er
+waren nog ’n massa dingen die nog niet waren uitgevonden. Hij hoefde
+dus z’n tijd niet te verluieren.
+
+Professor Wells zag dus Bumpkins en de Italiaan maar zelden. Alleen als
+er gegeten werd. En dan deden ze net of ze elkaar wildvreemd waren. Ze
+zaten altijd ’n heel eind van elkaar af.
+
+Op de derde dag van de reis echter zag professor Wells hen de heele dag
+niet. Ze waren zeker ongesteld. Hij mocht wel niet tegen hen spreken,
+maar hij kon hen toch iedere dag zien en nu had hij hen al de heele dag
+gemist. Dat was ’n beetje onplezierig. Professor Wells wist niet hoe
+het kwam, maar hij vond het alles behalve aangenaam. ’t Was net of hem
+’n ongeluk boven het hoofd hing.
+
+Dat voorgevoel bedroog hem niet. Er was iets vreemds gebeurd, wel geen
+ongeluk maar iets dat misschien nog veel erger was.
+
+Het was al donker toen er zonder kloppen iemand bij hem binnentrad in
+de hut. ’t Was James Maccassy in eigen persoon. Niet de heer Nataniel
+Bumpkins uit Dawson-City met z’n witte baard en zilveren haar, maar de
+detective uit New York met z’n eigen glad geschoren gezicht en z’n
+eigen kortgeknipte zwarte haar.
+
+„Wel!” zei professor Wells ten hoogste verwonderd.
+
+„St!” kwam James Maccassy en hij hield z’n vinger voor z’n lippen.
+
+Professor Wells zweeg verder als ’n mof en keek James Maccassy alleen
+maar verbaasd aan. Deze sloot zorgvuldig de deur van de hut en zei
+daarna bijna onhoorbaar:
+
+„Jim Pimpelmees is hier aan boord.”
+
+„Jim Pim.... de man die volgens u mijn verdwijn-machine gestolen
+heeft?”
+
+„Ja, dezelfde.”
+
+„Maar lieve help, man hoe weet je dat? Heb je ’m gezien?”
+
+„Nee... gezien hebben we hem geen van beiden, maar hij heeft vannacht
+mijn witte baard en mijn pruik gestolen en van Jesekia Blubberdub heeft
+ie z’n zwarte Italiaansche snor en z’n zwarte haren gekaapt.”
+
+„Maar man... jullie hebt die dingen zeker gisterenavond in ’n verkeerd
+valies opgeborgen. Wat heeft iemand er nu aan om pruiken en snorren te
+stelen?”
+
+„Dat is het juist... Niemand heeft er wat aan en geen enkele dief zou
+het ooit in z’n hoofd krijgen in iemands hut in te breken om zulke
+zaken te stelen. Daardoor weten we dat Jim Pimpelmees aan boord is. Die
+steelt altijd van die malle dingen.”
+
+„Dus die Jim Pimpelmees wist dat jullie hier aan boord waren en ook hoe
+je vermomd was?”
+
+„Dat is juist het wonderbaarlijke. Hij kon dat niet weten. Niemand wist
+er iets van. Geen mensch in heel Amerika weet zelfs dat we op reis zijn
+naar Nederland.”
+
+„Dan begrijp ik er niks van. Hoe ziet die Jim Pimpelmees d’r uit?”
+
+„O, da’s ’n leelijke vent met rood haar. Maar nu ie hier op de boot is,
+ziet ie er natuurlijk heel anders uit. We hebben alle lui goed bekeken.
+Noch onder de passagiers, noch onder het scheepsvolk hebben we hem
+gezien. En toch moet ie er zijn. Dat kan niet anders.”
+
+„Maar wat zou hij hier op de boot doen? Is ie er toevallig?”
+
+„Dat weten we niet. Maar toeval zal ’t wel niet zijn. Daarom kwam ik
+juist hier. We kunnen ons nu overdag niet laten zien nu we onze pruiken
+en haren kwijt zijn en daarom heb ik gewacht tot het avond was.”
+
+„Dat begrijp ik niet... Je kunt je toch wel laten zien zooals je nu
+bent?”
+
+„Nee, dat kan juist niet. We zijn ingeschreven als Bumpkins en
+Spigoletti en als we nu verschenen als Maccassy en Blubberdub, die
+iedereen kent, dan eh ...”
+
+„Ja wat dan?”
+
+„Wel dan deden we iets, dat heelemaal in strijd is met de beginselen
+van ons vak. ’n Detective die ’n dief wil vangen mijnheer, doet dat
+altijd vermomd. Dat kan u in alle boeken vinden waarin detectives
+voorkomen.”
+
+„Maar als jullie niet voor de dag kan komen hoe krijg je dan eten?”
+
+„O, professor daar hebben we al voor gezorgd. We hebben ’n hofmeester
+in het geheim genomen. We betalen hem goed en dus houdt ie z’n mond.
+Maar om nu op Jim Pimpelmees terug te komen, de meest voor de hand
+liggende reden van z’n aanwezigheid hier aan boord kan natuurlijk niets
+anders zijn dan z’n verlangen om ook de andere helft van uw
+wondermachine te pakken te krijgen. Die heeft professor toch bij zich?”
+
+„Zeker heb ik die bij me. Die zit veilig achter slot daar in die
+koffer. Kijk maar.”
+
+Terwijl professor Wells de sleutel van z’n koffer zocht uit de sleutels
+die hij uit zijn zak opdiepte, zei hij nog:
+
+„Maar dan begrijp ik toch niet wat die Jim-hoe-heet-ie-ook-weer er mee
+voor had jullie pruiken en baarden te stelen, als het hem te doen is om
+mijn machine. Hij heeft daardoor toch z’n aanwezigheid hier verraden?”
+
+„Ja dat heeft ie. Maar die Jim doet altijd van die rare dingen.”
+
+Professor Wells opende z’n koffer, doch liet hem van schrik weer dicht
+vallen. Ook James Maccassy had met z’n scherpe oogen waarmee hij over
+de linkerschouder van professor Wells in de koffer gekeken had, gezien
+waardoor de professor zoo geschrokken was. De detective haalde z’n
+eigen gestolen pruik en z’n baard en de zwarte haren en het
+Italiaansche snorretje van z’n collega er uit, maar de machine vonden
+ze niet meer in de koffer.
+
+„Wel, dat is brutaal,” zei James Maccassy en hij snelde de hut uit en
+was ’n oogenblik later terug met Jesekia Blubberdub en nog ’n oogenblik
+later hadden ze hun pruiken en verdere haren weer aangedaan en stonden
+ze weer voor de oogen van de ontdane professor als Bumpkins van
+Dawson-City en Signor Spigoletti van Milaan.
+
+Spigoletti nam het eerst het woord.
+
+„Professor, dat is ’n zeer geheimzinnig geval.”
+
+„Zeer geheimzinnig,” echode Bumpkins.
+
+„Er moet iemand in uw hut geweest zijn,” vervolgde Spigoletti. „Heeft u
+er ’n idee van wie dat geweest kan zijn?”
+
+„Ik?” zei de professor Wells. „Welnee behalve ikzelf is er niemand hier
+geweest als de hofmeester.”
+
+„Ah!” zei Bumpkins, „welke hofmeester?”
+
+„’n Nette man, zwart haar, klein zwart snorretje, blauwe oogen.”
+
+„Dat moet dezelfde zijn die wij in ’t geheim genomen hebben,” zei
+Bumpkins. „Die kan ’t dus niet wezen.”
+
+„Nee,” zei Spigoletti, „die kan ’t niet wezen, maar om zeker te zijn
+kunnen we hem even hier laten komen. Professor mag ik even de
+hofmeester schellen?”
+
+„Ga je gang.”
+
+Spigoletti drukte op de knop van het electrische schelletje en ’n
+oogenblik later verscheen de hofmeester, dezelfde aan wie professor
+Wells gevraagd had of de twee detectives aan boord waren.
+
+„Ah,” zei de hofmeester met ’n verheugd gezicht toen hij binnentrad,
+„hebben de heeren het vermiste al terug! Zeer verheugd.”
+
+„Ja,” zei Bumpkins, „onze baarden hebben we terug, maar nu is de
+professor ’n zeer waardevol voorwerp kwijt. Onze pruiken en baarden
+lagen in zijn koffer en zijn daarin gelegd blijkbaar door de dief zelf,
+die meteen het bedoelde voorwerp daaruit genomen moet hebben.”
+
+„Zoo... hm... tja.” Anders scheen de hofmeester op dat moment niet te
+weten.
+
+„Professor beweert dat jij de eenige persoon bent, die hier binnen
+geweest is,” zei Spigoletti.
+
+„Als dat waar is heeren,” zei de hofmeester met ’n glimlach, „dan moet
+ik ook bij u de baarden gestolen hebben en de pruiken.”
+
+„Dat moet dan wel,” zei Bumpkins, „maar dan moest je ook Jim Pimpelmees
+zijn, en dat ben je niet.”
+
+„Wie zegt u?” vroeg de hofmeester.
+
+„Jim Pimpelmees.”
+
+„Jim Pimpelmees. Jim Pimpelmees... Waar heb ik die naam meer gehoord,”
+prevelde de hofmeester. „Komt me zeer bekend voor.”
+
+„Zal wel waar zijn,” zei Spigoletti lachend, „dat is de gekste dief uit
+heel de Vereenigde Staten, je hebt z’n naam zeker wel eens in ’n krant
+gelezen.”
+
+„Dat zal ’t zijn,” antwoordde de hofmeester met ’n zeer nadenkend
+gezicht. „En denkt u dat die man hier aan boord is?”
+
+„Vast,” zei Bumpkins.
+
+„Sekuur,” zei Spigoletti.
+
+„Hoe ziet hij er uit?” vroeg de hofmeester.
+
+„Leelijke kerel, rood haar, maar hier ziet hij er anders uit, dat
+begrijp je wel hè.”
+
+„Dan zal ’t moeilijk zijn hem te ontdekken.”
+
+„Heel moeielijk, maar we ontdekken hem.”
+
+„Dat doen we zeker,” bevestigde Bumpkins. „En stellig nu de professor
+niemand hier in of nabij z’n hut gezien heeft die er verdacht uitzag.”
+
+„Ho, dat heb ik niet gezegd,” zei professor Wells. „Ik heb wel vijftig
+menschen hier in de buurt gezien en nu ik m’n machine kwijt ben, moet
+ik zeggen dat ze er allemaal even verdacht uitzagen.”
+
+„Maar ik heb wel iemand gezien, die op verdachte wijze hier in de buurt
+rondsloop,” zei de hofmeester. „En nu ik me goed herinner, leek het me
+dat ie iets in de hand had in papier gewikkeld.”
+
+„Onze haren,” zei Bumpkins, „’t papier ligt nog in de koffer van
+professor Wells.”
+
+„Hoe zag die persoon er uit?” vroeg de andere detective.
+
+„Heel gewoon ’n derde klasse-passagier of zooiets. ’k Heb hem verder
+niet zoo nauwkeurig opgenomen.”
+
+„Daar hebben wij niet veel aan, hè Bumpkins?”
+
+„Nee, de aanwijzing is te vaag. We zullen hem zelf moeten opsporen,” en
+toen, zich wendend tot professor Wells, die met ’n verdrietig gezicht
+het onderhoud gevolgd had: „Moed houen professor, u krijgt uw beide
+machines terug, alle twee, zoowaar ik Bumpkins heet!”
+
+„Maar zoo heet je niet,” zei de professor.
+
+„Professor,” zei Bumpkins van Dawson-City, plechtig, „hier heet ik
+Bumpkins. James Maccassy is nog altijd in New York, ligt met ’n zware
+verkoudheid in bed en is voor niemand te spreken.”
+
+„En Jesekia Blubberdub mag in Chicago eveneens z’n bed niet uit, want
+hij heeft z’n voet verstuikt,” zei Spigoletti.
+
+„Slim ... buitengewoon slim,” zei de hofmeester met ’n glimlach ...
+
+De hofmeester ging heen en ’n oogenblik later verdwenen ook Bumpkins en
+Spigoletti. Die gingen ’n plan verzinnen om Jim Pimpelmees te pakken te
+krijgen en professor Wells bleef alleen achter in ’n zeer naargeestige
+stemming. De onderneming begon dan al heel slecht. In plaats dat ie z’n
+gestolen machine terugkreeg, was nu de andere helft ook verdwenen.
+Mistroostig staarde hij in z’n koffer. Maar wat hielp hem dat?
+Niemendal. Al keek hij nog zoolang in die koffer, daarmee zou hij de
+verloren machine, waaraan hij jaren lang gewerkt had, niet terug
+krijgen. Hij bukte zich om de koffer te sluiten en daarbij viel z’n oog
+op ’n enveloppe met z’n adres erop. Toen hij ’t opnam, merkte hij dat
+het ’n ongeopende brief was. Hoe kwam die nu in z’n koffer. Hij had er
+’n eed op durven doen dat ie geen brief in z’n koffer had gedaan en dan
+nog wel een, die niet geopend was! Bevend van haast en nieuwsgierigheid
+scheurde hij de omslag open, nam het netjes gevouwen vel papier er uit
+en las:
+
+
+ Hooggeachte professor,
+
+ Ondergeteekende is zoo vrij geweest ook deze helft van uw
+ wondermachine voor eenige tijd van u te leenen. De andere helft
+ heeft hij al geleend zooals u nu wel begrijpen zult.
+ Ondergeteekende stelt zeer veel belang in uw uitvinding en alleen
+ uit een overgroot verlangen om er zelf proeven mee te nemen, kwam
+ hij er toe zich zonder uw toestemming van beide machines meester te
+ maken. U kan er op rekenen ze allebei ongeschonden terug te
+ ontvangen, zoodra ondergeteekende met z’n proefnemingen klaar is.
+ Als hij u een goeden raad mag geven, laat dan die ezel van ’n
+ Bumpkins en dat schaap van ’n Spigoletti er verder buiten en zeg
+ hen niets van dit briefje. Ze zijn alleen maar in staat de boel te
+ bederven en ze zijn lang niet slim genoeg om ondergeteekende te
+ pakken te krijgen.
+
+ Met de meeste hoogachting Uw dienstwillige
+
+ Jim Pimpelmees.
+
+
+Professor Wells zat met het briefje in z’n hand terwijl allerlei
+gedachten hem als ’n molentje in z’n hoofd ronddraaiden. Hij kon er
+niet uit wijs worden. De moeilijkste uitvindingen had ie gedaan, maar
+nu zat ie voor iets waar hij geen weg mee wist. Die Jim Pimpelmees was
+’n brutale kerel en ’n eerste klas inbreker, dat stond vast. Maar James
+Maccassy en Jesekia Blubberdub alias Bumpkins en Spigoletti waren
+eerste klas detectives, dat stond niet minder vast. Hadden ze niet
+onmiddellijk gezegd wie de dief moest zijn? Maar het was de vraag wie
+er slimmer was, zij met hun beiden of Jim alleen. Hij noemde hen wel ’n
+ezel en ’n schaap en hij had bovendien bewezen dat ie veel durfde,
+zelfs vlak onder hun neus, doch misschien waren ze hem op de lange duur
+toch nog de baas. Misschien was het wel ’n slimmigheidje van Jim dat ie
+hem aanried niets van dat briefje aan de twee speurders te zeggen, maar
+als dat zoo was waarom had ie het dan geschreven? En hij beloofde hem
+z’n beide machines terug te geven als hij er niets van zei. Was zoo’n
+inbreker te vertrouwen? Kon je hem op z’n woord gelooven?
+
+De arme professor Wells wist er geen raad mee. ’t Eene oogenblik wou
+hij opstaan om dadelijk naar Bumpkins en Spigoletti te gaan en het
+volgende oogenblik voelde hij er meer voor maar te doen wat Jim
+Pimpelmees hem geraden had. En dat bleef zoo de heele avond en de
+volgende dag en de dag daarna en toen ze eindelijk in Amsterdam waren
+afgestapt in het Amstelhotel, had hij nog geen besluit genomen. Maar
+hij had in die tusschentijd ’n prachtuitvinding gedaan, n.l. de
+electrische fiets met één wiel, waar je binnen in zat. Hij had die
+machine nog slechts bedacht, maar hij zou dat dingetje zoodra hij in
+Amerika terug was, wel eventjes ten uitvoer brengen. Dat was maar ’n
+peuleschilletje en heel wat gemakkelijker dan te beslissen of hij
+Bumpkins en Spigoletti iets van dat briefje van Jim zou meedeelen of
+niet.
+
+Die twee detectives hadden natuurlijk gedaan wat ze konden om op het
+schip die brutale Jim Pimpelmees in handen te krijgen, doch ze waren
+daar niet in geslaagd en die slimme dief had het klaargespeeld om met
+de andere helft van de wondermachine te ontsnappen. Professor Wells was
+daar zeer verdrietig om, doch Bumpkins en de Italiaan verzekerden hem
+allebei, dat er geen reden was om er z’n humeur door te laten bederven,
+want dat ze die Jim vast en zeker te pakken zouden krijgen. Professor
+Wells begreep, dat ie er toch niets aan veranderen kon en liet dus de
+twee Amerikanen hun gang maar gaan.
+
+En nu troffen die twee het al heel gelukkig, want de Nederlandsche
+kranten hadden in die dagen juist allerlei berichten over het
+onzichtbare varken, de haan en de telefoonpaal. Het had eerst in ’n
+klein krantje gestaan en daarna was het terecht gekomen in ’n grootere
+krant en eindelijk maakten ook de groote, het Handelsblad, de Telegraaf
+en de Nieuwe Rotterdammer er melding van.
+
+De portier van het Amstelhotel had het juist gelezen toen Bumpkins en
+Spigoletti bij hem kwamen om hem iets te vragen. De portier maakte ’n
+praatje en vertelde, wat ie juist gelezen had. Hij vond het zoo’n gekke
+geschiedenis, zei hij, maar Bumpkins en Spigoletti hadden hun ooren
+gespitst en geen woord was hen ontgaan en daarna lieten ze de portier
+het heele bericht voorlezen, natuurlijk in ’t Engelsch, wat die portier
+heel vlot deed, want portiers in groote hotels kunnen je in heel wat
+talen te woord staan.
+
+’n Half uur later zaten Bumpkins en Spigoletti in de trein die hen naar
+de Veluwe reed.
+
+In de bagagewagen stonden twee splinternieuwe fietsen, die ze zich
+hadden aangeschaft.
+
+„Wel,” zei Bumpkins toen ie z’n pijp opnieuw stopte, „hoe vindt je ’m?”
+
+„Prachtig.... ’t Is ’n fortuin waard. Ditmaal snappen we Jim.”
+
+„Met allebei de machines.”
+
+Spigoletti en Bumpkins deden ieder ’n lange haal aan hun pijp, knikten
+vergenoegd waarna Bumpkins zei:
+
+„We boffen man.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin de veldwachter z’n sabel onzichtbaar wordt en Bumpkins z’n
+ fiets ziet wegracen zonder dat er iemand opzit.
+
+
+Piet had de verdwijn-machine in het kippenschuurtje laten staan. Hij
+had Koen ervan overtuigd dat daar de beste plaats voor het ding was,
+omdat er nooit iemand anders dan hijzelf in dat schuurtje kwam. Koen
+was er mee tevreden geweest en nu wachtte hij maar of z’n vader geen
+brief of telegram uit Amerika kreeg. Zoodra dat gebeurde, dat had hij
+zich nu vast voorgenomen, dan zou hij z’n vader alles wel vertellen.
+Piet had op zijn beurt dat weer goedgevonden.
+
+M’nheer Bruggemans speurde al wat ie kon, nog harder dan de
+dorpsveldwachter en de koddebeier en de twee rijksveldwachters. Hij
+meende dat de machine weer in handen was van de oorspronkelijke dief.
+En hij had er wat voor willen geven als hij die had kunnen ontdekken.
+Hij had met de veldwachters samen willen werken maar die waren niet van
+hem gediend. De veldwachters beweerden dat zoo’n stadsch m’nheertje
+geen verstand had van dieven vangen.
+
+Nu, juist op de dag dat Bumpkins en Spigoletti naar de Veluwe spoorden
+om Jim Pimpelmees te overrompelen, die volgens hen zeker en vast wel
+wat zou gaan probeeren met de machine die hij onlangs gestolen had, was
+er op de boerderij juist weer ’n opzienbarende verdwijning geschied. De
+dorpsveldwachter was thuisgekomen van de boerderij waar hij ’s nachts
+met ’n rijksveldwachter gesurveilleerd had en had als gewoonlijk z’n
+sabel in ’n hoek van de kamer aan ’n spijker opgehangen. Daarna had hij
+gegeten en was gaan slapen omdat ’n mensch zonder behoorlijk voedsel en
+zonder behoorlijke nachtrust niet in ’t leven blijven kan. Toen was z’n
+vrouw gekomen en had de sabel van de wand genomen en was er mee naar de
+keuken gegaan om zooals ze iedere Vrijdag met dat wapen deed, het ding
+tegelijk met het andere koper- tin- blik- en ijzerwerk glimmend te
+poetsen. Het gevest van de sabel werd met poetspommade behandeld
+evenals de koperen plaat van de koppel en het puntstuk van de scheede.
+Daarna was ze gewoon de sabel uit de schee te trekken, altijd ’n beetje
+voorzichtig ofschoon het wapen niet scherp geslepen was en dan werd het
+blanke staal met vaseline ingesmeerd, want volgens de veldwachter die
+in z’n jeugd soldaat geweest was, moest je je wapens altijd goed onder
+’t vet houden, anders roestten ze maar.
+
+De vrouw trok de sabel naar gewoonte uit de schee en was daar al ’n
+heel eind mee gevorderd toen ze bespeurde dat er achter het gevest
+niets, niemendal uit de scheede te voorschijn kwam. Eerst keek ze
+zonder te begrijpen en toen werden d’r oogen hoe langer hoe grooter en
+toen ze met de linkerhand de scheede losgelaten had en onwillekeurig
+met die hand naar de sabel voelde, liet ze plotseling het heele ding op
+de aanrecht vallen, gaf ’n gil en stond ’n oogenblik later voor de
+snurkende veldwachter te schreeuwen, die onmiddellijk uit z’n bed
+sprong en vroeg of er brand was. Het duurde ’n heele tijd eer de vrouw
+in plaats van te schreeuwen en te gillen ’n fatsoenlijk woord zeggen
+kon en dat woord was natuurlijk: „S-sa-bel!”
+
+„Wat, sabel... wat klets je toch van m’n sabel!”
+
+„Is... weg.”
+
+„Je bent niet goed,” mopperde de veldwachter. „Kijk uit je oogen, ’t
+ding hangt aan de spijker net als altijd. Ik heb ’m d’r zelf
+neergehangen.”
+
+„Nee...” zei de vrouw... „dat is ’t niet. Je sabel is onzichtbaar.”
+
+„Mijn sabel!” mompelde de veldwachter... „mensch weet je ’t wel goed?”
+
+Met ’n paar groote stappen was de veldwachter in de kamer, waar hij z’n
+wapen aan de nagel gehangen had en toen ie ’t daar niet zag of voelde,
+ging hij naar de keuken.
+
+„Wat klets je toch,” riep hij z’n vrouw toe, die nog altijd in de
+slaapkamer was. „M’n sabel ligt op de aanrecht.”
+
+Hij pakte z’n sabel op, die weer in de schee gegleden was, doch toen
+kwam z’n vrouw voor de dag en zei:
+
+„Trek ’m uit de schee, dan zal je ’t zelf wel zien.”
+
+De veldwachter deed het en toen was het zijn beurt om met open mond z’n
+wapen aan te staren. In de eene Hand had hij de scheede en in de andere
+blijkbaar niets anders dan het gevest.
+
+„Da’s akelig!” zei de veldwachter eindelijk. „Ik ga dadelijk naar de
+burgemeester.”
+
+De burgemeester bekeek en betastte de sabel nauwkeurig en zei daarna:
+
+„Ik begrijp niet wat jullie allemaal voor ezels bent. Nou zit je me
+daar dag en nacht op die boerderij, je ontdekt niks en tenslotte wordt
+je eigen sabel onzichtbaar. Nou begrijpt toch iedereen dat jullie daar
+je tijd verslaapt, of niet? Als je wakker geweest was, zou niemand er
+toch in geslaagd zijn, iets aan je sabel te doen? ’t Is ’n schandaal,
+versta je dat, ’n schandaal! Ben jullie veldwachters? ’t Is me wat
+moois! Veldsuffers ben jullie! Vooruit naar de boerderij. En vanavond
+kom ik zelf! Doe je sabel om!”
+
+De veldwachter stond verslagen. Zoo’n standje ook. En ze hadden
+heelemaal niet geslapen de heele nacht niet. Trouw hadden ze de ronde
+gedaan en ’t eenige wat er op hem aan te merken zou kunnen zijn, was
+dat ie z’n sabel de vorige avond ’n oogenblik had afgedaan omdat de
+koppel hem zoo knelde om z’n buik. Hij had bij de boerin wat veel van
+de spekpannekoeken gegeten en dan is het toch warempel geen wonder dat
+je buik ’n beetje last heeft van zoo’n leeren riem, die je niet wijder
+kan maken. Ja... waar had ie toen ook weer z’n sabel neergelegd? Buiten
+op de regenbak en daarna waren ze de ronde gaan doen wel ’n kwartier
+ver om de boerderij heen. Ze hadden zich overtuigd dat er geen levende
+ziel te bekennen was en toen hij terug kwam, lag z’n sabel er nog net
+zoo.
+
+Dat zei hij allemaal tegen de burgemeester, want als ’t er op aankwam,
+dan was ie ook niet op z’n mondje gevallen. Maar de burgemeester
+snauwde hem nijdig toe:
+
+„Doe je sabel om en snij uit.”
+
+Hij dee niets liever dan „uitsnijen”, dan was ie van die standjes af.
+Maar z’n sabel omdoen, dat was wat anders. Voor geen geld van de wereld
+wou ie dat akelige ding aan z’n lijf hebben.
+
+Doch toen ie dat ook tegen de burgemeester zei, werd deze zoo woedend
+en zei zulke leelijke dingen tegen de veldwachter dat die dappere
+politieman bleek van ontsteltenis de plaat poetste met achterlating van
+z’n onzichtbaar geworden sabel. Buiten gekomen sprong de arme man op
+z’n fiets en race-te als ’n wielrenner het dorp door, regelrecht naar
+de boerderij. Met z’n neus op het stuur trapte hij zonder op te kijken
+maar door. Bellen deed ie niet en de fietsers en voetgangers die hem
+ontmoetten, maakten dat ze uit de weg kwamen. En de dorpelingen die hem
+nakeken, zeien tegen elkaar: „Hij zit ze na hoor!”
+
+„Hij krijgt ze te pakken,” zei ’n ander. „Als ie zoo doorfietst, heeft
+ie ze ingehaald voor ze er om denken.”
+
+De dorpelingen die zoo praatten, bedoelden Bumpkins en Spigoletti die
+op hun nieuwe fietsen nog geen tien minuten geleden het dorp waren
+doorgekomen en ook op weg waren naar de boerderij. Ze hadden goed
+geïnformeerd bij de stationchef in Apeldoorn, die hen had kunnen
+inlichten in hun eigen taal en nu trapten ze er vroolijk op los. Ze
+zouen nu wel gauw die Jim te pakken hebben, meenden ze. De dorpelingen
+hadden die twee vreemdelingen natuurlijk allemaal nagekeken en toen ze
+’n poosje later hun eigen veldwachter zoo razend over de weg zagen
+stuiven, meenden ze natuurlijk, dat ie die twee vreemde snoeshanen
+achterna zat.
+
+Als de veldwachter niet zoo van zijn stukken geweest was door het
+ongemanierde standje van z’n burgemeester, had ie wel beter uitgekeken
+en dan had ie natuurlijk daar ver vooruit op het fietspad die twee
+Amerikanen moeten zien. Maar zooals nu de zaken stonden, zag hij
+niemendal en race-te maar door. Totdat hij met een vaartje van twintig
+kilometer in het uur de twee Amerikanen onderstboven reed, waarbij hij
+zelf natuurlijk ook ’n rare tuimeling maakte. Ze buitelden alle drie op
+’n vreemde manier over elkaar heen en kwamen dank zij de zachte berm
+van de weg er met wat schrammen en blauwe plekken af. En daarna zaten
+ze alle drie elkaar aan te staren en merkten in ’t eerst niet eens op,
+dat ze om de onzichtbare telefoonpaal heen zaten. Wonder boven wonder
+waren ze geen van drieën met dat onzichtbare ding in aanraking gekomen.
+Ze keken er alle drie glad doorheen, maar de veldwachter was de eerste,
+die boven zich de porceleinen potten in de gaten kreeg en omdat ie die
+dag juist ’n erge afschuw had van al die onzichtbaar geworden dingen,
+riep hij in z’n ontsteltenis: „Ai... de paal!”
+
+De detectives verstonden van die uitroep geen letter, maar ze werden nu
+ook opmerkzaam en keken omhoog zooals de veldwachter nog altijd deed.
+
+De veldwachter hoorde toen plotseling allerlei vreemde geluiden, die
+uit de monden van die twee kerels kwamen en hij zag dat Bumpkins naar
+de onzichtbare paal kroop en die begon te betasten. Daarna deed
+Spigoletti het ook en onderwijl spraken ze opgewonden en druk. Doch dat
+bleef voor de veldwachter alles maar geluid, waarvan hij niets begreep.
+
+Doch één ding werd de veldwachter duidelijk en dat kwam zoo plotseling
+als ’n bliksemstraal die insloeg: Hij had daar voor zich de lui die al
+die onzichtbare dingen op hun geweten hadden. En terwijl hem dat zoo
+plotseling klaar werd als de dag, stonden z’n haren haast rechtop van
+schrik en benauwdheid. Die schurken konden hem beetpakken en dan konden
+ze hem onzichtbaar maken, wie weet. Dat ging misschien in ’n paar
+sekonden. Het angstzweet brak hem uit.
+
+Bumpkins en Spigoletti namen echter heel geen notitie van hem. Ze
+hadden het te druk met de paal en de veldwachter had nog net
+tegenwoordigheid van geest genoeg om z’n fiets te grijpen, het ding
+overeind te sjorren, er op te springen en weg te rennen. Het kon hem
+niet schelen welke kant ie opging. Zooals de fiets stond, reed ie weg
+en zoo kwam het dat ie tien minuten later weer full speed het dorp
+doorrace-te en weer bij de burgemeester terechtkwam.
+
+„Hallo,” zei Bumpkins toen hij de veldwachter zag wegracen, „die vent
+is stapelgek.”
+
+„Gaat ons niet aan,” antwoordde Spigoletti.
+
+„Je hebt gelijk, wat dunkt jou van die paal?”
+
+„Wel die paal is in orde. Ik ben er voor om nu eens te gaan zoeken naar
+de machine. Jim heeft er hier mee gewerkt.”
+
+„Maar hoe lang geleden? Jim was op de boot. Hij is dus eerst hier
+geweest en naar Amerika teruggegaan, waarschijnlijk om de andere helft.
+Die heeft ie te pakken gekregen op de boot en nu is ie weer hier heen.”
+
+„Precies. Hij is hier in de buurt met allebei de machines.”
+
+„En nu zijn wij zoo dom hier aan de openbare weg te zitten zoodat
+iedereen ons zien kan. Als Jim hier in de buurt is, moeten we oppassen.
+Hij is slim.”
+
+„Dat is ie zeker. Ik stel voor om onze fietsen ergens te verstoppen,
+daar in dat bosch bijvoorbeeld en dan gaan we eens neuzen of we wat van
+onze Jim ontdekken kunnen.”
+
+„Goeie idee,” zei Bumpkins. „Vooruit dan maar.”
+
+Ze pakten hun fietsen op en geen twee minuten later hadden ze die
+netjes verborgen, waarna ze er op uit gingen om Jim Pimpelmees te
+ontdekken of tenminste ’t een of ander dat hen op ’t rechte spoor zou
+kunnen brengen.
+
+Ze hadden hun fietsen zoo verstopt onder de struiken, dat niemand die
+licht ontdekken zou, als ie niet gezien had dat daar fietsen verborgen
+werden. Doch dat was nu juist wel het geval. Piet en Koen waren daar
+net in de buurt. Ze hadden de twee Amerikanen het bosch in zien gaan
+met hun fietsen en ’n poosje later zagen ze hen wegsluipen zonder hun
+karretjes. Natuurlijk gingen toen de twee jongens aan ’t zoeken en ’t
+duurde niet lang of ze vonden de rijwielen.
+
+„Spiksplinternieuwe karren,” zei Koen. „Fongers.”
+
+„Gestolen?” zei Piet.
+
+„Dat weet ik niet. Maar waarom zouen ze die dingen hier neer gezet
+hebben?”
+
+„Nogal duidelijk, als ze die tenminste niet gestolen hebben. Als ze
+gestolen zijn, hebben ze ze hier verstopt, maar anders hebben ze ’t
+zeker gedaan omdat ze hier in de buurt wat tusschen de struiken willen
+wandelen. Misschien zijn ’t wel van die plantenzoekers. Die komen hier
+wel meer.”
+
+„Nee dat zijn ’t niet, want dan moesten ze zoo’n plantenbus bij zich
+hebben.”
+
+„Stil even,” zei Piet, „daar komen ze al weer an.”
+
+Hij hoorde duidelijk de geluiden die iemand veroorzaakt als hij zich
+door het kreupelhout heenwerkt. In ’n wip was Piet verder het
+kreupelhout ingegaan en Koen volgde z’n voorbeeld. Ze waren
+nieuwsgierig en Koen vooral want die had plotseling de idee gekregen,
+dat die twee vreemdelingen misschien wel uit Amerika konden zijn. Ze
+zagen er zoo heelemaal niet hollandsch uit. Als dat nou eens professor
+Wells was. Die eene met z’n witte baard kon best ’n professor zijn.
+
+Het geluid was nu vlakbij en ’n oogenblik later zagen de jongens de
+takken bij de fietsen uit elkaar gaan, zooals ze doen als iemand er
+door wil en ze met z’n twee handen opzij duwt. Doch ze zagen geen
+mensch.
+
+Toen gebeurde er iets zoo vreemds, dat de jongens er allebei
+hartkloppingen van schrik door kregen. Een van de fietsen maakte ’n
+beweging alsof iemand het stuur gegrepen had en begon alleen weg te
+rijden. ’n Fiets rijdt echter niet gemakkelijk tusschen de struiken en
+Koen en Piet zagen de fiets ’n oogenblik later van de grond getild en
+het bosch uitgaan alsof iemand hem droeg op z’n schouder.
+
+De jongens waren stom van verbazing, maar niet zoo geschrokken of ze
+gingen zoo snel ze konden die vreemd doende fiets na. De weg ging op
+die plaats vlak voorbij het bosch en Koen en Piet zagen de fiets
+wegrijden zonder dat er iemand opzat.
+
+„Nou,” zei Piet, „dát heb ik nog nooit gezien. ’n Fiets die zelf het
+bosch uitgaat en alleen wegrijdt.”
+
+„Kan niet,” zei Koen. „D’r moet iemand op zitten.”
+
+„Maar d’r zat niemand op!”
+
+„Hoe weet jij dat? D’r kan iemand op gezeten hebben die onzichtbaar
+was.”
+
+„Iemand die onzichtbaar was? ’n Onzichtbare man?”
+
+„Ja, d’r is toch ’n onzichtbaar varken, ’n onzichtbare haan en ’n
+onzichtbare telefoonpaal. Dan kan er ook wel ’n onzichtbaar mensch
+wezen.”
+
+„Dat kan,” gaf Piet toe, „maar wie zou ’t wezen. Wij hebben de
+machine.”
+
+„Misschien is ’t die professor Wells zelf wel!”
+
+Piet had geen tijd om te antwoorden. Op de weg kwamen de twee
+vreemdelingen die hun fietsen in ’t bosch hadden verborgen, aangehold.
+Zulk loopen had Piet noch Koen ooit aanschouwd. Die kerels liepen
+letterlijk als hazen en die met de witte baard won het nog stukken van
+de zwarte.
+
+De ouwe heer was het eerst op de plek en ging zonder dralen het bosch
+in om er ’n paar sekonden later met de overgebleven fiets uit te komen.
+Hij sprong op de de kar en terwijl hij wegrace-te in de richting waar
+de andere fiets alleen heen gegaan was, riep hij nog ’n paar woorden
+tegen de zwarte, die toen weer wat terugriep.
+
+De zwarte heer keek de jongens ’n oogenblik aan, doch zei niets tegen
+hen, maar liep de weg op en verdween toen weer in ’t bosch.
+
+„Kon jij verstaan wat ie riep?” vroeg Piet.
+
+„Verstaan niet, enkel maar ’n paar woorden. Ze spreken engelsch. ’t
+Zijn bepaald Amerikanen en ze hebben vast wat te maken met die
+verdwijn-machine.”
+
+„Spreken ze in Amerika dan geen amerikaansch?” vroeg Piet.
+
+„Och jô, weet je dat nog niet, amerikaansch is engelsch.”
+
+„Wist ik heelemaal niet.”
+
+„Laten we nou maar gauw naar huis gaan Piet... Ik moet het nu toch aan
+vader zeggen van die fiets en van die Amerikanen en als ze komen,
+moeten we die machine dadelijk geven.”
+
+„Natuurlijk geven we die machine dadelijk aan de eigenaar. Jouw vader
+zal ook wel zoo slim zijn om ’m maar niet aan de eerste de beste te
+geven die er om komt. Verbeeld je dat de dief of de dieven die ’m
+gestolen hebben eens kwamen!”
+
+„Daar heb je gelijk aan. We moesten nu maar eerst aan vader vertellen
+wat we hier gezien hebben van die fiets en dan zeggen we meteen maar,
+dat wij de machine in ’t kippenhok bewaren.”
+
+„Dat zal ’t beste wel zijn. Zeg ik zou wel eens willen weten, wat de
+veldwachter zei toen ie z’n sabel miste.”
+
+„’t Is de vraag of ie ’t ding al gemist heeft,” zei Koen lachend. „Hij
+zal ook niet elk oogenblik z’n sabel trekken.”
+
+„Komt er ook niet opaan. Vandaag of morgen ziet ie ’t en dan schrikt ie
+zich ’n aap. Hij is zoo bijgeloovig als ’n oud wijf.”
+
+Ze stapten stevig aan om thuis te komen, want ze begrepen allebei dat
+het nu wel op ’n eind zou loopen met de machine in hun bezit. Het kon
+niet lang meer duren eer de oplossing kwam. En ze waren er benieuwd
+naar, want die fiets had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie zou daar
+onzichtbaar op gezeten hebben? Piet meende dat het de professor zelf
+moest zijn, doch dan moesten die twee vreemden waarvan er een zoo
+haastig was geweest met het achtervolgen van de fiets die er schijnbaar
+alleen van door was, de dieven zijn. Koen daarentegen hield vol, dat de
+dief onzichtbaar was en dat die witte m’nheer de professor moest zijn.
+
+Intusschen was Bumpkins de onzichtbare man achterna gefietst. De weg
+was eenzaam tot aan het het dorp waar hij door moest. Maar daar was
+alles in rep en roer en de menschen vlogen op zij toen Bumpkins in
+volle vaart langs de smederij stoof, waar de menschen bij elkaar
+stonden om het wonderbare geval te bespreken, dat de meesten van hen
+met eigen oogen aanschouwd hadden, de fiets die alleen reed. Van alle
+wonderen waarvan ze in de laatste tijd getuigen waren geweest, was dit
+wel het meest wonderbaarlijke. Natuurlijk, de onzichtbare sabel van hun
+eigen veldwachter was ook geen kleinigheid, maar dit, nee, dat sloeg nu
+gewoon alles. En de vrouw van de smid was het dichtste bij datgene wat
+ze allemaal voelden, toen ze zei dat het was om er naar van te worden.
+
+Toen ze nu Bumpkins in razende vaart voorbij zagen racen, (James
+Maccassy was altijd ’n eerste klas wielrenner geweest) riep de smid,
+terwijl ze uit elkaar stoven als schrikkende kippen: „Die hoort er ook
+bij, da’s een van de twee vreemde snoeshanen die we vanmorgen hier door
+zagen komen en die de veldwachter bij de paal heeft zien zitten.”
+
+Die dorpsmenschen wisten altijd dadelijk alles van elkaar. Ze waren dus
+al op de hoogte van het geval met de sabel en van de rare ontmoeting
+van hun veldwachter met die twee vreemdelingen.
+
+„Ik ga ’m achterna,” riep de smid. „Wie gaat er mee?”
+
+Hij ging z’n smederij binnen en was ’n oogenblik later buiten met z’n
+fiets.
+
+Dadelijk waren de meeste mannen die op het dorp woonden bereid en ze
+draafden naar alle kanten om hun tweewielers te gaan halen. De smid
+hoefde niet lang te wachten of er waren minstens ’n stuk of vijftien
+dorpelingen, die achter de smid aan wegrenden. De smid had er al
+dadelijk ’n flink gangetje ingezet. Hij had de leiding. De kleermaker
+was vlak naast hem. Die had ’n goeie fiets, die licht reed anders had
+ie het niet kunnen bolwerken tegen de reuzenspieren, die de smid in z’n
+kuiten had. Daar vlak achter kwam de klompenmaker op ’n armzalig
+wieltje met onmogelijk gelapte banden. Maar de man had zelden pech en
+iedereen verwonderde zich er altijd over, dat ie met zoo’n rotkar niet
+twintigmaal per dag met leege banden stond. Bij de klompenmaker reed de
+bakker op ’n vreeselijk zware kar, met twee stangen in het frame en ’n
+ijzeren bagagedrager met ’n groote broodmand voor aan het stuur. Dan
+volgden de metselaar op klompen met ’n paar rammelende spatborden en
+anderhalf pedaal, de schoenmaker-barbier op ’n race-karretje en de rest
+van de deelnemers op rijwielen die allemaal min of meer de gebreken van
+de ouderdom vertoonden.
+
+Na ’n minuut of tien viel de metselaar uit. Z’n achterband was met ’n
+knal gesprongen. De anderen lachten hem uit en lieten hem aan de weg
+staan. Hij kon alleen de terugtocht ondernemen. De schoenmaker was uit
+de achterste gelederen naar voren gekomen en had de kleermaker
+verdrongen, zoodat ie nu naast de smid reed. Hij wou die smid eens
+probeeren en met z’n handen bijna op de grond en z’n neus over het
+stuur trapte hij uit al z’n macht en z’n pedalen gingen rond of ze aan
+’n stoommachine zaten. Maar de smid kon het schoenmakertje wel aan. Hij
+had ’n fiets met ’n groote versnelling en z’n beenen waren zoo sterk of
+ze van ijzer waren. Hij hoefde zich niet eens voorover te buigen om het
+schoenmakertje bij te houen. En hij werd er niet eens kortademig van
+zooals de schoenmaker, die bek-af werd en met ’n rooie kop waar het
+zweet afdroop al heel gauw begon te verslappen, waarbij de lachende
+smid hem voorbijschoot en de schoenmaker toeriep: „Toe schoenlapper
+opschieten!”
+
+De heele troep kwam bij tweeën en drieën achteraan, maar ze bleven toch
+zoowat bij elkaar en zoo reden ze Apeldoorn in, waar ze niet hoefden te
+vragen waar ze heen moesten, want langs de weg waar de losse fiets en
+de Amerikaan achter elkaar heen gekomen waren, stonden overal menschen
+te kijken en het gekke geval te bepraten. Velen liepen ook op ’n drafje
+dezelfde weg op en al gauw waren er ’n vijftig fietsers achter de
+dorpelingen aan. Het was ’n heel eskadron geworden. Maar op het plein
+voor het station konden ze niet verder, want het was daar zwart van de
+menschen, waarvan de meesten niet wisten wat er aan de hand was. De
+smid maakte niet veel omslag maar drong met fiets en al gewoon door de
+menigte en kwam vooraan, waar vlak bij het station de Amerikaan met
+twee fietsen stond, benevens ’n paar politieagenten, waarvan er een met
+Bumpkins trachtte te praten.
+
+Bumpkins verstond evenwel geen woord van wat de agent zei en die
+natuurlijk niets van Bumpkins. De agenten hadden de fiets die alleen
+reed, niet zien komen en ze geloofden geen woord van sommige
+omstanders, die het wel gezien hadden.
+
+Die agenten waren ongeloovige Tomassen en een van hen beweerde, dat ie
+die onzin gelooven zou als ie ’t zelf zag en toen wilden de menschen de
+fiets er weer alleen vandoor laten gaan, doch zoodra ze de fiets
+loslieten, viel ie om zooals elke fatsoenlijke fiets gewoon is te doen.
+
+De agenten maanden dus de menschen tot doorloopen aan, want ze wisten
+er geen touw aan vast te knoopen. Bumpkins gesticuleerde en praatte en
+het gevolg was dat de twee agenten Bumpkins met z’n twee fietsen
+meenamen naar ’t politiebureau, vergezeld door honderden menschen
+waaronder ook de smid met z’n volgelingen.
+
+Op het bureau was ’n inspecteur die engelsch verstond en daar Bumpkins
+alleen zei dat de fietsen van hem waren en de eene gestolen was, en de
+dief waarschijnlijk met de trein vertrokken, vond de inspecteur het
+goed Bumpkins met z’n twee fietsen te laten heengaan.
+
+Hij had ’n beetje moeite met z’n beide fietsen door de menigte te
+komen, doch ’n paar agenten hielpen hem en zoo kwam hij veilig er
+tusschen uit. Hij sprong vlug op de fiets en met de andere aan de hand
+trapte hij weg.
+
+Maar op de terugweg naar het dorp waren de smid en de andere vlak
+achter hem.
+
+Dat vond de Amerikaan niet erg naar z’n zin, maar hij kon er niets aan
+doen. Toen hij evenwel het dorp bereikt had, zette hij er de sokken in
+en reed in eens door naar het bosch waar Spigoletti op hem wachtte. De
+smid vond het niet geraden hem nog verder te volgen en de menschen die
+altijd hun smid in zulke dingen nadeden, bleven dus ook maar achter en
+vertelden toen wat ze in Apeldoorn gezien hadden. Het heele dorp was er
+de heele dag door van streek.
+
+Het was ook te gek, ’n fiets die eerst alleen ’n tochtje deed en later
+bleek niet meer op z’n eigen beenen te kunnen staan. Daar had nog nooit
+iemand van gehoord.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bumpkins en Spigoletti weer Maccassy en Blubberdub worden en
+ als echte inbrekers te werk gaan.
+
+
+Het geheele dorp wist het van de veldwachter, dat de burgemeester
+besloten had ’n eind aan de zaak te maken. De gemeente kwam in opspraak
+door al die geheimzinnige dingen en nu was er nog bijgekomen die malle
+geschiedenis van de fiets die alleen reed. Wat was dat nu weer? Er
+waren minstens dertig menschen die de fiets alleen door ’t dorp hadden
+zien komen. ’n Heele partij was er achteraan naar Apeldoorn gefietst en
+daarna hadden de menschen op ’t dorp die vreemde oude heer er weer mee
+zien terugkeeren. Maar toen reed ie niet meer op z’n eigen houtje. Hij
+wist niet meer wat ie er van maken moest. Dat stond evenwel als een
+paal boven water, die vreemdelingen hadden er iets mee uit te staan. En
+de burgemeester was geneigd de rijks veldwachter gelijk te geven; die
+beweerde dat, als er iets aan was van die verdwijn-machine uit Amerika,
+dan hadden ze nu de dieven van dat ding vlak bij. De rijksveldwachter
+en de koddebeier waren van oordeel dat het geen kwaad kon die twee
+vreemde kerels eenvoudig maar in te pikken en de burgemeester besloot
+na rijp beraad dat dan ook maar te doen. De dorpsveldwachter had er
+niet veel puf op, zooals hij ’t noemde en toen ze er op uit trokken,
+moest ie nog wel die akelige sabel omdoen ook. Dat wou de burgemeester,
+maar de veldwachter liep gewoon te rillen als ie maar aan dat
+onzichtbare ding in z’n sabelscheede dacht. De burgemeester lachte de
+veldwachter uit om z’n bangheid en hij zei bovendien dat de sabel toch
+immers altijd onzichtbaar was wanneer ’t ding in de schee zat. Maar de
+veldwachter antwoordde, dat ’t allemaal goed en wel was, doch dat ’n
+sabel aan één onzichtbaarheid genoeg had.
+
+Toen de burgemeester er met de veldwachters op uit trok om de
+vreemdelingen te gaan arresteeren, als ze tenminste nog in dat bosch
+zaten en er niet reeds weer op hun fietsen vandoor waren, wat de
+dorpsveldwachter in z’n hart hoopte, waren de meeste dorpelingen daar
+alweer getuigen van. Ze keken de dappere troep na en de smid gaf te
+kennen, dat het ’n schande was, dat ze die veldwachters alleen lieten
+gaan met de burgemeester en dat het hun aller plicht was om bij die
+vangerij ’n handje te helpen. De metselaar was dat dadelijk met de smid
+eens, doch de schoenmaker had bedenkingen en de kleermaker kneep er al
+vast stiekem tusschen uit. ’n Paar flinke jonge kerels vielen evenwel
+de smid en de metselaar bij, en geen vijf minuten later trokken er
+minstens tien man op uit om ’n werkzaam aandeel te gaan nemen in de
+arrestatie van de vreemdelingen wanneer zulks noodig mocht blijken, dus
+in het geval dat de politie het niet alleen af kon.
+
+„We moeten wat aanstappen,” zei de smid onderweg, „anders hebben we
+kans dat alles afgeloopen is als wij aankomen.”
+
+„Dat zou jammer zijn,” zei de metselaar. „Ik ben doodnieuwsgierig wat
+er van terecht komt.”
+
+Ze stapten toen allemaal wat steviger door en kwamen juist bijtijds
+toen het gevecht op het hevigst was.
+
+Want het was ’n gevecht geworden.
+
+De burgemeester had niet lang hoeven te zoeken naar de vreemdelingen.
+De twee amerikaansche detectives waren lustig aan het speuren zooals
+hun beroep meebracht, toen ze opeens de burgemeester met al die
+veldwachters achter zich hadden. Natuurlijk hadden ze geen flauw
+vermoeden, dat die politiemacht er op uit was hen gevankelijk weg te
+voeren. Hoe zou ’n amerikaansche beroemde detective als Maccassy of
+Blubberdub nu ook kunnen veronderstellen dat ’n burgemeester hen in de
+pot wou stoppen?
+
+De burgemeester liet, zooals het behoorde, de veldwachters vooraan gaan
+en zoo gebeurde het dat Bumpkins plotseling ’n hand op z’n schouder
+voelde, (het was de hand van de koddebeier) en hij hoorde in z’n oor
+brullen: „Ik heb je man!”
+
+In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem
+aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als
+amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke
+misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor
+’n klein geruchtje vervaard. Hij stond ordentelijk z’n man in ’n gewone
+worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser.
+Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee aanranders, want
+daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar
+opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe
+zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist
+los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De
+koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan
+in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen
+nog maar vurige sterren.
+
+Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw
+de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De
+arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken.
+Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter
+van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m
+niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed
+ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid,
+maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten
+en grijpende handen.
+
+Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de
+veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere
+vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de
+dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes
+hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n
+nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot
+ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag
+daar iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort
+geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De
+metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen
+en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar
+aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.
+
+Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets
+anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing.
+Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de
+burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.
+
+De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden
+de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam
+achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der
+Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen
+opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat
+beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de
+metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd
+door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond
+zwart van de menschen voor het gemeentehuis.
+
+Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n
+tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de
+gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd
+worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de
+burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de
+burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer
+Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem
+te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.
+
+M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n
+leien dakje.
+
+De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu
+weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op.
+Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden,
+deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives,
+gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.
+
+De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n
+fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en
+dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat
+weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te
+spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die
+aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de
+burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was
+voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er
+professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze
+dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor
+Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.
+
+De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te
+brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan.
+Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de
+portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de
+telefoon wilde komen.
+
+Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer
+waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het
+volgende gesprek:
+
+„Is professor Wells daar zelf?”
+
+„Ja. Wells van Yale.”
+
+„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”
+
+„Wat zegt u ... van Yale?”
+
+„Van Deelen .... op de Veluwe .... provincie Gelderland.”
+
+„O .... doet me genoegen .... gaat u verder.”
+
+„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .... allerlei
+dingen zijn onzichtbaar geworden... waarschijnlijk met uw machine....
+en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.... waarschijnlijk de
+dieven zelf.... doch ze beweren dat ze detectives zijn ... Heeft u twee
+detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”
+
+„Ja zeker.... de beroemdste die ik vinden kon.... De eene heet Bumpkins
+uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft
+de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar
+dadelijk loslaten.”
+
+„Wil u die namen nog eens opgeven?”
+
+„Jawel.... Bumpkins.... Bump-kins.... schrijft u het misschien op?”
+
+„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”
+
+„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti.
+Spi-go-let-ti.”
+
+„Dank u wel... Wat zegt u... Heet de werkelijke dief Jim Pimpelmees...
+Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed
+vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.... Dag professor.”
+
+M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie
+met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de
+rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan
+later naar de gevangenis gebracht worden.
+
+Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives.
+Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook
+maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele
+misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond
+het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de
+werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die
+erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich
+heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de
+amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op
+hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed
+vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat
+aangaat niet ongerust te zijn.
+
+In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te
+overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die
+toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van
+’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken
+waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk
+genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim
+anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n
+paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets
+gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.
+
+Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd
+was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere
+helft van de machine te stelen.
+
+„We moeten hier uit,” zei Maccassy.
+
+„Dat moet,” zei Blubberdub.
+
+„We moeten die Jim te pakken krijgen.”
+
+„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen...... als ie weg kan
+komen met die twee machines......”
+
+„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk
+genoeg..... en als ie zich met die twee machines naar believen
+zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”
+
+„En we snappen hem niet meer.”
+
+„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”
+
+„Hij had niks bij zich?”
+
+„Nee niemendal..... of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”
+
+„Dus niet de machine?”
+
+„Nee, niet de machine.”
+
+„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”
+
+„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”
+
+„Heb ik ook al gemerkt.”
+
+„Kunnen we ’t niet los krijgen?”
+
+„Nee en opensteken gaat ook niet..... er is geen sleutelgat aan deze
+kant.”
+
+„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”
+
+„Nee gaat ook niet.”
+
+„Wat dan?”
+
+„Ja wat dan.”
+
+Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en
+donkerder.
+
+Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”
+
+„Komt hierheen,” zei Maccassy.
+
+Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.
+
+„Eindelijk,” zei Blubberdub.
+
+Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester
+vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde
+daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel
+af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.
+
+De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open.
+Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde
+niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de
+gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.
+
+Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der
+amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig
+geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang
+afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood
+en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond
+zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n
+eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans
+had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen bonden ze
+ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af.
+Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem
+liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur
+sloten.
+
+De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen
+en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem
+uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de
+maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar
+wezen kan.
+
+Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde
+’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een.
+Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet
+gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen
+fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar
+Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog
+in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen
+uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu
+waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters.
+Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien
+vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten
+in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en
+Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op
+naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te
+hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat
+kunstje kenden ze ook.
+
+Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.
+
+„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”
+
+Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de
+achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde
+langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof
+het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was
+niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n
+inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze
+waren er allebei.
+
+’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht
+het dorp uit.
+
+De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin professor Wells de onzichtbare man tegenover zich heeft en
+ met hem op reis gaat om de verdwijn-machine terug te krijgen.
+
+
+Professor Wells zat in z’n kamer en keek maar zoo’n beetje het raam
+uit. ’t Begon al donker te worden en op de breede Amstel waar hij op
+uitkeek, kwam al hier en daar ’n lichtje te voorschijn. Hij keek er
+naar hoe die lichtjes zich als levende vuurslangen in het water
+spiegelden en onderhand dacht ie er aan waar toch z’n twee detectives
+gebleven mochten zijn. Hij had hen de heele dag niet gezien. Hij vond
+het eigenlijk niet erg aangenaam, dat die politiemannen hem zoo overal
+buiten lieten. Op die manier had hij evengoed in Amerika kunnen
+blijven. Hij wou zelf meedoen, zelf ’n werkzaam aandeel hebben in het
+terugkrijgen van z’n verdwijn-machine. Maar het leek er weinig op, dat
+ie z’n machine gauw weer in z’n bezit zou hebben. Hij was er verder af
+dan ooit te voren, peinsde hij. Zoolang hij in Amerika was, had ie
+tenminste de eene helft er nog van, doch sedert z’n verblijf op dat
+mooie oceaanschip had ie niemendal meer over van z’n wonderbare
+uitvinding. Hij begreep nog maar altijd niet hoe die machine op het
+schip gestolen kon zijn uit z’n hut. En de twee beroemde detectives
+snapten er evenmin iets van, dat was zoo duidelijk als iets.
+
+Midden in z’n overpeinzingen werd hij gestoord door ’n tik op de deur.
+Professor Wells keek dadelijk op, want de deur ging tegelijk met het
+tikken open. Degeen die geklopt had, vond het zeker niet noodig te
+wachten tot professor Wells „binnen” riep.
+
+’t Was in de kamer wel ’n beetje schemerig maar toch nog licht genoeg
+om iemand te kunnen onderscheiden die binnenkwam. En dat was het nu
+juist wat professor Wells ten zeerste verwonderde, hij zag wel de deur
+open en dicht gaan, doch hij zag niemand binnen treden.
+
+„Die heeft zich zeker vergist,” dacht hij en keek maar weer het venster
+uit, doch slechts ’n oogenblik, want hij hoorde vlak bij zich „h-hm”
+alsof daar iemand stond die ’n beetje verlegen was en niet goed wist
+hoe hij beginnen moest.
+
+Professor Wells zag niemand en hij had dat „h-hm” toch zoo duidelijk
+gehoord. Hij keek de heele kamer door maar niets was er te ontdekken,
+dat „h-hm” kon zeggen. Er was geen levende ziel. De kamer was leeg.
+
+’n Mensch kan soms heel duidelijk droomen en dan hoor je dikwijls
+stemmen, die er toch ook niet zijn. Maar dan slaap je. Als je wakker
+bent, komt dat bij ’n gezond mensch niet voor. En professor Wells was
+zoo gezond als ’n visch.
+
+„Professor.”
+
+Professor Wells vloog oogenblikkelijk uit z’n stoel overeind. Dat was
+nou toch te gek. Hij hoorde duidelijk dat iemand hem aansprak, iemand
+natuurlijk. Als je aangesproken werd met „professor” dan was er iemand,
+maar hij zag niemand. Professor Wells was met twee stappen bij het
+knopje van het electrische licht. Knip! De kamer was daghelder. Er was
+niemand aanwezig dan hijzelf.
+
+„Professor mag ik u even lastig vallen? ’n Oogenblikje maar.”
+
+’t Was precies of iemand vlak voor hem stond die dat zei.
+
+Professor Wells was niet heel bang, maar dat was nu toch eerlijk gezegd
+’n klein beetje griezelig, dat er zoo maar uit de leege lucht ’n stem
+tegen je zei: „Professor mag ik je even lastig vallen.” Hij kreeg er
+kippevel van en hij voelde iets op z’n kale hoofd alsof daar z’n haren
+recht overeind gingen staan. Hij wou iets antwoorden, doch er kwam geen
+geluid over z’n lippen. Z’n tong leek wel aan z’n gehemelte
+vastgekleefd en in z’n keel voelde hij ook iets. Bovendien begon z’n
+hart ook nog erg hard te kloppen. En hij staarde met groote oogen ’n
+beetje hulpeloos voor zich uit.
+
+„Professor ik ben Jim Pimpelmees, de dief van uw verdwijn-machine.”
+
+Nauwelijks had professor Wells het woord verdwijn-machine vernomen of
+hij had al z’n tegenwoordigheid van geest weer terug. Hij draaide zich
+plotseling om en deed de deur van z’n kamer op slot.
+
+„Prachtig,” zei de onzichtbare. „Nu kan ik er niet uit.”
+
+„Nee,” zei professor Wells, „en je komt er ook niet weer uit. Waar zijn
+mijn machines?”
+
+„Professor u kan die deur gerust openmaken. Ik ben heel niet van plan
+er van door te gaan. ’t Zou je trouwens niet helpen. Wat belet me u
+onverwachts met ’n stoel op je hoofd te slaan? Kan u dat voorkomen? Nee
+hè? Nu sta ik vlak achter je. Ik kan u maar zoo in uw nek grijpen als
+ik dat wil, voel maar.”
+
+En professor Wells sprong plotseling opzij, want hij voelde ’n
+onzichtbare hand in z’n nek.
+
+Professor Wells begreep het en zei:
+
+„Je hebt gelijk, maar geef me eerst antwoord op m’n vraag: Waar zijn
+m’n machines?”
+
+„Dat komt terecht professor, laten we er bij gaan zitten. Hier neem
+deze stoel.”
+
+Er kwam ’n stoel naar hem toe en professor Wells nam plaats.
+
+„Ziezoo,” zei de onzichtbare, „nu kunnen we praten. Heeft u ook soms ’n
+goeie sigaar voor me? Dank u.... Ik heb de heele dag nog niet gerookt
+en ik ben er ’n liefhebber van, zooals de meeste Hollanders. Mag ik nog
+om ’n lucifer verzoeken ook. Dank u.”
+
+Professor zat nu tegenover ’n sigaar, die met ’n vuurpuntje begon te
+branden, hij zag ’n rookwolkje wegblazen.
+
+„Goeie sigaar,” zei de onzichtbare, „dat smaakt hoor. Maar laat ik u
+eerst de geschiedenis vertellen: Ik stal uw verdwijn-machine. De helft
+maar.... Ik wist niet dat die andere kist er ook bij hoorde, anders had
+ik die natuurlijk ook meegenomen.”
+
+„Zoo, had je die dan ook meegenomen?”
+
+„Natuurlijk, wat heb je aan die eene helft.... Dat ziet u aan mij. Ik
+heb mezelf onzichtbaar gemaakt en nu kan ik me niet weer zichtbaar
+maken.”
+
+„Maar je hebt toch op de boot de andere helft ook gestolen?”
+
+„Ja dat heb ik.... Doch ik weet niet hoe ik daar mee aan moet. D’r
+waren geen papieren bij zooals bij die andere helft.”
+
+„Ah, en nu kwam je hier maar brutaal binnen om de papieren te stelen?
+Da’s mooi. Maar daar zal je geen plezier aan beleven Jim Pimpelmees,
+die papieren liggen in Yale in de brandkast.”
+
+„Nee professor ik kwam niet om te stelen. Ik kwam om u vriendelijk te
+verzoeken mij weer zichtbaar te maken. Ik heb er genoeg van. ’t Lijkt
+erg aardig.... maar als je voortdurend onzichtbaar moet blijven, is de
+aardigheid er gauw af. Je kan voor niemendal met de spoor reizen
+bijvoorbeeld. Dat lijkt erg leuk zou je zoo zeggen. Je stapt het
+station binnen. Je hoeft heelemaal geen kaartje te koopen. Je kan zoo
+maar voorbij de controleur heen wandelen. Op het perron wandel je ’n
+poosje heen en weer tot de trein wegrijdt. Dan stap je gauw in ’n
+eerste klas en je reist voor niemendal. Maar je kan niet rooken, want
+waar moet je je sigaren of je pijp bergen?”
+
+„In je sigarenkoker natuurlijk,” zei professor Wells.
+
+„Ja... en die?”
+
+„In je jaszak.”
+
+„Dan moet je vooreerst ’n onzichtbare jas aanhebben ... je moet ’n
+onzichtbare sigarenkoker hebben en je sigaren dienen ook onzichtbaar te
+zijn.”
+
+„Natuurlijk, natuurlijk... dat kan ook allemaal met mijn machine.”
+
+„Jawel... maar kijk nu eens naar deze sigaar... die is heelemaal
+zichtbaar... Wat zou u er van zien als ie onzichtbaar gemaakt was met
+uw machine?”
+
+„Niemendal.”
+
+„Mis professor. Zoodra je zoo’n onzichtbare sigaar aansteekt, wordt het
+vuur zichtbaar en dan de asch. Dat is niet meer hetzelfde als de sigaar
+en daarom wordt het zichtbaar.”
+
+„Drommels ja.... je hebt gelijk.... daar had ik zoo gauw niet aan
+gedacht.”
+
+„U ziet dus, rooken kan niet als je onzichtbaar wil blijven... en eten
+ook niet.”
+
+„Eten ook niet?”
+
+„Welnee professor zoolang dat voedsel in je maag niet verteerd is,
+blijft het zichtbaar. Ik eet alleen ’s avonds voor ik naar bed ga....
+behalve als ik zichtbaar ben.”
+
+„Wat vertel je me nu.... als je zichtbaar bent? En je kan niet
+zichtbaar worden omdat je niet weet hoe je die machien moet hanteeren?”
+
+„Dat weet ik ook niet en echt zichtbaar ben ik dan ook nooit. Maar ik
+kan zichtbare kleeren aantrekken en ’n fijn gezicht kan ik schilderen.”
+
+„Je gezicht schilderen?”
+
+„Ja, zooals ze op ’t tooneel doen en zooals Maccassy en Blubberdub doen
+als ze zich vermommen.”
+
+„O... bedoel je dat? Ja dat zou kunnen.”
+
+„Als professor zoo vriendelijk wil zijn even de deur open te maken, dan
+kan ik laten zien hoe dat gaat. Maccassy en Blubberdub hebben alles wat
+daarvoor noodig is in hun kamers.”
+
+„Nee dat doe ik niet. Je komt hier niet vandaan. Je wilt ontvluchten.”
+
+„Heelemaal niet professor. Bovendien heb ik u al gezegd dat ik u de
+baas ben. Ik kan u onvoorziens aangrijpen en ben sterker dan u.”
+
+„Nu goed dan,” antwoordde professor Wells. „Ik zal de deur opendoen,
+maar ik ga met je mee.”
+
+„Best professor.”
+
+Ze gingen nu samen naar de kamer van Blubberdub die het dichtst bij was
+en daar nam de onzichtbare Jim Pimpelmees ’n doos en bracht die naar de
+kamer van professor Wells. Die doos zette hij geopend voor zich op
+tafel. Het leek ’n soort kapdoos met ’n spiegel aan de binnenkant van
+het deksel. In de doos waren potjes en doosjes en ’n heeleboel
+verfstiften.
+
+Professor Wells keek met verbazing toe toen de onzichtbare aan ’t werk
+ging. Eerst zag hij ’n vleeschkleurige stift omhoog gaan, zich heen en
+weer bewegen en langzaam kwam de vorm van ’n voorhoofd te voorschijn.
+Daarna ontstonden ’n paar oogleden en ’n neus. Toen wangen en ’n kin.
+Daarna, maar dat duurde wat langer, ’n paar ooren. De onzichtbare nam
+vervolgens ’n roode stift en begon zich ’n paar roode lippen te maken
+en van hetzelfde rood smeerde hij ook ’n weinig op zijn wangen die nog
+’n beetje bleek schenen. Ze kregen nu ’n mooi blosje. Met z’n
+onzichtbare vingers wreef hij de kleuren ’n beetje door elkaar,
+professor Wells zag opeens ’n paar gekleurde vingertoppen, en daarna
+maakte Jim zich met ’n dun bruin stiftje ’n paar mooie wenkbrauwen.
+
+„Ziet u,” zei Jim, „als ik echte haren wenkbrauwen bij de hand had, kon
+ik het veel natuurlijker maken. Doch nu moet het maar zoo.”
+
+Professor Wells zat met verbazing te staren naar dat gezichtsmasker
+zonder oogen dat zich daar voor hem in de lucht scheen te bewegen.
+
+„Nu ga ik m’n hals verven,” zei het masker en professor Wells zag het
+gebeuren.
+
+„En nu ga ik ’n pruik van Blubberdub opzetten. Die detectives hebben
+altijd van die vermommingen bij de hand. Ik ken ze al zoo lang. En dan
+zal ik als u het goedvindt ook maar zoolang wat kleeren van Maccassy
+aantrekken. Die is net zoo groot als ik. Ze passen me precies.”
+
+„En dan ga je er vandoor hè?”
+
+„Nee professor... ik ga er niet vandoor. Tenminste niet voor ik u de
+machines terug bezorgd heb. Ik ben nooit van plan geweest om die dingen
+te houden. Ik wou er alleen maar proeven mee nemen op mezelf. Zooals u
+ziet heb ik dat gedaan, maar ’t is ’n beetje verkeerd uitgevallen.”
+
+„Vooruit dan maar,” zei professor Wells, „ik zal je maar gelooven. En
+ik beloof je dat ik je weer zichtbaar zal maken, zoodra ik de twee
+machines terug heb.”
+
+„Afgesproken,” zei het masker en ging naar de deur.
+
+Professor Wells ging nu niet mee. Hij had besloten die onzichtbare Jim
+Pimpelmees maar ’n beetje te vertrouwen, omdat het toch niet anders
+kon. Misschien ging ie er vandoor. Maar daar kon hij toch ook niets aan
+doen. Je had geen houvast aan zoo’n onzichtbare inbreker.
+
+Maar Jim Pimpelmees was na ’n paar minuten alweer terug en ditmaal
+geleek hij op ’n gewoon mensch. De kleeren van Maccassy pasten hem
+precies alsof ze voor hem gemaakt waren. Hij had ’n pruik op en
+handschoenen aan. En ’n donkere bril met groote glazen verborg tamelijk
+goed die leege oogkassen.
+
+„Ziezoo professor, als u nu niet al te nauwkeurig kijkt, kan ik er mee
+door. Ik wil u wel zeggen, dat ik me al veel plezieriger voel nu ik
+maar zoo nagemaakt zichtbaar ben. Het is niks gedaan voor ’n mensch om
+onzichtbaar te zijn.”
+
+„En vertel me nu eens hoe je van plan bent om me die verdwijn-machine
+terug te bezorgen. Maccassy en Blubberdub zijn er zooals je misschien
+weet ook al op uit.”
+
+„Ja dat weet ik professor.... ik heb ze vandaag allebei nog gezien. Ze
+zijn er achter gekomen in welke buurt uw machine uithangt. Maar dat was
+geen kunst, want het stond in de kranten.”
+
+„In de kranten? Wat weten de kranten daarvan?”
+
+„O dat kan ik u wel ophelderen. De een of ander heeft uw
+verdwijn-machine gevonden, ik had het kistje namelijk in ’n bosch
+verstopt, en die heeft er mee gewerkt. Die heeft er ’n telefoonpaal mee
+laten verdwijnen en ’n varken en nog meer dingen geloof ik en dat wordt
+gauw ruchtbaar.”
+
+„Dus is de machine niet meer waar jij hem verstopt hebt?” zei professor
+Wells opgewonden.
+
+„Nee professor... Toen ik er naar ging kijken, was ie weg.”
+
+„Maar man,” riep professor Wells, „wat ben je toch voor ’n idioot....
+hoe kan je mij nu mijn machine terug brengen als je niet weet waar ie
+is.”
+
+„Ho even professor,” zei Jim lachend, „ik was daar onzichtbaar, nog
+voor Maccassy en Blubberdub er waren en zoo kon ik op die boerderij
+waar die dingen onzichtbaar geworden waren alles op m’n gemak
+nasnuffelen. Uw verdwijn-machine staat veilig opgeborgen in het
+kippenhok.”
+
+Professor Wells zei daar niets op. Hij zat na te denken. Kon hij die
+rare snuiter die daar met ’n geschilderd gezicht tegenover hem zat,
+vertrouwen? Natuurlijk niet. ’t Was ’n dief, misschien ’n
+vreemdsoortige dief, die altijd alleen maar vreemdsoortige dingen stal
+en geen geld of kostbaarheden. Maar ’n inbreker was ie en bleef ie. Kon
+je nu zoo’n vent vertrouwen?
+
+„Waarom heb je die verdwijn-machine maar niet dadelijk hier heen
+gebracht, toen je ’t kistje in dat kippenhok ontdekt had?” vroeg
+professor Wells eindelijk.
+
+„Wel professor dat ging toch niet? Hoe kon ik nu zoo onzichtbaar als ik
+was met dat ding gaan loopen? Bovendien wordt die boerderij dag en
+nacht bewaakt door de politie.... neen, neen, dat ging absoluut niet.”
+
+„Hoe kan ik weten, dat je me niet bedriegt?”
+
+„Ja, dat weet ik niet. Maar professor u kan er de proef van nemen. We
+gaan samen naar die boerderij. Ik wijs u de plaats waar de
+verdwijn-machine is en u neemt uw eigendom weer in bezit. Als u zegt
+wie u bent dan kan niemand u dat beletten. Maar u maakt me eerst weer
+zichtbaar. De andere helft van uw machine heb ik hier in de buurt.”
+
+„Nee,” zei professor Wells. „Ik maak je niet eerst zichtbaar. Eerst
+breng je me de machine die je op het schip gestolen hebt. Dan gaan we
+samen naar die boerderij en je bezorgt me ook die andere machine terug
+en dan maak ik je weer tot ’n gewoon mensch.”
+
+„Daar komt niets van,” zei Jim Pimpelmees. „Ik heb er genoeg van om
+onzichtbaar rond te loopen of zoo half zichtbaar als ik nu ben. Toe
+professor doe ’t maar. Binnen vijf minuten heb ik die machine hier.”
+
+„Ik doe het niet Jim Pimpelmees. Eerst die andere machine of jij blijft
+tot aan je dood onzichtbaar. Kom man, we gaan dadelijk op reis, wij
+samen en morgen ben je weer zichtbaar, zoo waar als ik Wells heet.”
+
+„Hebt u ’n spoorboekje hier,” vroeg Jim Pimpelmees na ’n oogenblikje
+nadenken.
+
+„Jawel hier is het.”
+
+Jim Pimpelmees bladerde haastig in het boekje en zei toen: „Als we ons
+haasten, kunnen we net nog de laatste trein halen.”
+
+„Waar moeten we heen?”
+
+„Naar Apeldoorn.”
+
+„Best. Ik ben klaar. Maar jij haalt eerst die machine. Kan dat?”
+
+„Jawel professor,” antwoordde Jim lachend. „Ik logeer hier ook in het
+hotel.”
+
+„Wat? Hier in het Amstelhotel.... vlak in de buurt van Maccassy en
+Blubberdub?”
+
+„Jawel Professor, voor die twee was ik niet bang. Maar ik wou graag in
+uw nabijheid blijven, ziet u, vanwege dat zichtbaar maken.”
+
+„Vooruit dan. Ik wacht je hier.”
+
+’n Kwartier later zaten ze in de trein naar Apeldoorn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin m’nheer Bruggemans ergens achter komt en Maccassy en
+ Blubberdub inbrekers worden.
+
+
+M’nheer Bruggemans was thuisgekomen van het gemeentehuis en had
+dadelijk de boerenfamilie verteld dat de vermoedelijke dieven van de
+verdwijn-machine gesnapt waren en dat het dus nu wel uit zou zijn met
+al die akeligheid. Koen en Piet waren er bij en ze vroegen of het die
+oude heer was met de witte baard en die andere met het zwarte haar en
+de zwarte snor, die zij bij het bosch gezien hadden. M’nheer Bruggemans
+die niets van witte baarden en zwarte snorren afwist, zei natuurlijk
+dat die het niet waren, maar hij vroeg de jongens het een en ander
+omtrent die twee vreemdelingen die zij bedoelden en toen kwam hij tot
+de gevolgtrekking dat het de twee detectives wel konden zijn, waarover
+professor Wells hem in de telefoon gesproken had.
+
+„Komt professor Wells hier?” vroeg Koen.
+
+„Dat weet ik niet jongen. Waarom vraag je dat?”
+
+„Och zoo maar,” antwoordde Koen. „Denkt u dat die detectives hier
+gekomen zijn om naar de verdwijn-machine te zoeken?”
+
+„Ik denk dat ze eerder naar de dief zullen zoeken,” zei m’nheer
+Bruggemans lachend.
+
+Op dat oogenblik kwam Klaas binnen die naar het dorp geweest was en die
+viel, zooals het spreekwoord zegt, zoo maar met de deur in huis:
+
+„Weten jullie ’t al dat ze die rare kerels in de toren gestopt hebben?
+Ze hebben d’r allemaal aan meegedaan om ze te vangen, want ze vochten
+als duvels. Maar de smid pakte de een bij z’n nek en toen verloor die
+z’n haar en z’n baard en de ander had ook al ’n pruik op en ’n
+nagemaakte snor.”
+
+„Wat zeg je?” zei m’nheer Bruggemans. „Weet je ’t zeker?”
+
+„Nou wat goed, de smid heeft het me zelf verteld.”
+
+„Wel nou nog mooier,” mompelde m’nheer Bruggemans.... „nou zullen het
+toch de detectives zijn.”
+
+M’nheer Bruggemans ging zonder verder ’n woord te zeggen de kamer uit,
+sprong op z’n fiets en reed zoo snel hij kon regelrecht naar de
+burgemeester.
+
+„Wat mankeert er aan jouw vader?” zei Piet toen ie met Koen ’n paar
+minuten later buiten was.
+
+„Ik weet het niet.... ik hoorde hem zeggen: Nou zullen het toch de
+detectives zijn.”
+
+„Hoe zei je dat, detec?”
+
+„Detectives... dat zijn ’n soort geheime politieagenten, die
+misdadigers opsporen.”
+
+„O.... nou ik geloof wel dat het zoo is.... Toen die eene vanmiddag
+achter die fiets aanholde.... waar die onzichtbare kerel op zat... dat
+zal de dief wel geweest zijn, denk je ook niet?”
+
+„Dat kan best... ’n onzichtbare dief... ’t wordt hoe langer hoe
+mooier.”
+
+„Leelijker wil je zeggen. Weet je wat we doen moesten Koen? We moesten
+hem maar weer stiekem naar het bosch zien te brengen op dat plekje waar
+jij hem gevonden hebt.”
+
+„Maar jô,” zei Koen, „we zouen de verdwijn-machine aan professor Wells
+terugbezorgen en die is, dat heb je toch zelf gehoord, al in Amsterdam.
+Vader heeft hem gescheven, dat weet je toch ook.”
+
+„Da’s allemaal goed en wel Koen, maar ik geloof dat we beter doen als
+we dat ding brengen waar we ’t vandaan gehaald hebben. Ik heb er niks
+mee op.”
+
+„Maar als we hem eens schreven, dat we die machine hebben.... als ik
+het nou aan vader vertelde, dan kon die...”
+
+„Nee Koen, dat doen we niet. Ik ben bang voor die onzichtbare kerel,
+da’s één. En ik ben bang voor vader, da’s twee. Laten we die machine
+weer maar brengen, waar we hem gevonden hebben.”
+
+Koen was het er wel niet mee eens, doch hij liet zich ouder gewoonte
+weer door Piet belezen.
+
+Doch hoe moesten ze hem dat lappen? ’t Moest nog diezelfde avond
+gebeuren of als dat mislukte in ieder geval de volgende morgen vroeg.
+En natuurlijk zonder dat iemand er erg in had.
+
+Die avond kwam er niets van.
+
+M’nheer Bruggemans was zoo hard ie kon naar de burgemeester gefietst.
+En onder het fietsen had ie aldoor maar gedacht aan de twee Amerikanen,
+die nu als dieven in de toren opgesloten zaten en die waarschijnlijk
+amerikaansche detectives waren.
+
+Hoe meer hij er over dacht, des te zekerder leek het hem. Waarom had
+die burgemeester hem ook niet gezegd dat die gevangenen er anders
+uitgezien hadden dan toen hij ze zag? Hij herinnerde zich nu heel goed,
+dat ie zooiets als ’n witte pruik met ’n dito baard en ’n zwarte pruik
+op de groene tafel voor de burgemeester had zien liggen. Doch hij had
+er verder niet op gelet. Spigoletti heette de een. Dat klonk erg
+italiaansch en die eene moet er italiaansch hebben uitgezien met z’n
+zwarte pruik.
+
+M’nheer Bruggemans schelde aan bij de burgemeester.
+
+Of de burgemeester thuis was, vroeg ie aan het dienstmeisje.
+
+„Jawel m’nheer... of nee ik weet het niet. Ik zal eens gaan hooren.”
+
+Ze wist het wel, maar de burgemeester deed na het eten altijd een dutje
+en wou niet graag in z’n dutje gestoord worden. Dan was ie grommig.
+
+De meid kwam terug met de boodschap dat burgemeester niet te spreken
+was. Of m’nheer over ’n half uurtje niet terug kon komen?
+
+Nee dat kon niet. Er was groote haast bij. M’nheer Bruggemans moest de
+burgemeester noodzakelijk spreken. Het leed geen uitstel. ’t Was over
+die vreemdelingen.
+
+De meid ging weer naar binnen en bleef nogal lang weg. Doch toen ze
+eindelijk verscheen. zei ze m’nheer Bruggemans dat ie maar zoolang in
+de spreekkamer zou gaan. Burgemeester zou onmiddellijk komen.
+
+Erg onmiddellijk was het niet. Er gingen nog wel tien minuten voorbij
+en m’nheer Bruggemans hoorde nog duidelijk ’n luide geeuw eer de deur
+openging en de burgemeester binnentrad.
+
+De burgemeester keek m’nheer Bruggemans ’n beetje slaperig aan, maar
+toen deze hem zei dat ie kwam om over die twee vreemdelingen in de
+toren te spreken, was de burgemeester op slag heelemaal wakker en
+heelemaal nijdig.
+
+„M’nheer,” zei de burgemeester, „ik begrijp niet hoe u er toe komt om
+me daarvoor uit m’n werk te komen halen, uit m’n werk verstaat u? Ik
+kan m’n tijd beter gebruiken dan me nog verder te bemoeien met ’n paar
+boeven, die de geheele gemeente in rep en roer gebracht hebben.”
+
+„Maar m’nheer,” antwoordde mijnheer Bruggemans, nu ook ’n beetje boos,
+„ik vermoed dat u je vergist. Het zijn geen boeven, maar amerikaansche
+detectives.”
+
+„Kan me niet schelen m’nheer, detectives of niet, ze zitten in de bak
+en ze blijven er in.”
+
+„En intusschen loopt de echte dief vrij rond en haalt wie weet wat voor
+streken uit. Weet u wel dat de echte dief—die Jim Pimpelmees moet
+heeten, dat zei professor Wells me vanmiddag in de telefoon—dat die
+onzichtbaar is? Naar wat ik hoor, had een van de detectives hem vandaag
+bijna te pakken.... en zoo’n man sluit u in de toren op? Waarom heeft u
+me vanmiddag niets gezegd van die pruiken en baarden? Dan was alles
+dadelijk opgehelderd geweest. Maar u moet zelf weten wat u doet... Ik
+heb u gewaarschuwd.”
+
+M’nheer Bruggemans stapte naar de deur om heen te gaan. Hij vond dat ie
+nu alles gedaan had wat ie doen kon. Wou de burgemeester niet, nu dat
+moest die man dan maar verantwoorden.
+
+„Wacht u es even m’nheer.... wacht u toch es even.... Wat u daar
+zegt.... dat brengt me tot nadenken m’nheer.... U kon waarempel wel
+eens gelijk hebben m’nheer.... Als dat werkelijk van die detectives
+zijn.... en ik geloof nu ook, dat het zoo is.... dan moeten we die
+menschen dadelijk op vrije voeten stellen.... We moeten die menschen
+zelfs helpen om die andere dief.... Jan Stempeldoos zei u immers?....
+te pakken te krijgen.... Gaat u even mee.... u spreekt amerikaansch....
+ik ga dadelijk naar de veldwachter om de sleutel van de toren....”
+
+„Met genoegen,” zei m’nheer Bruggemans. „Hoe eer we dat in orde brengen
+hoe beter.”
+
+„We doen ’t dadelijk m’nheer....”
+
+De burgemeester en m’nheer Bruggemans fietsten samen naar het huis van
+de veldwachter.
+
+De vrouw vertelde hen, dat de veldwachter naar de toren was om die twee
+daar brood en drinken te brengen.
+
+„Zoo dat treft,” zei de burgemeester, „dan gaan we dadelijk daar maar
+naar toe.”
+
+De vrouw vergat te zeggen, dat haar man al minstens ’n uur geleden
+daarheen gegaan was.
+
+Toen ze voor de toren van hun fietsen stapten, zagen ze beiden tegelijk
+geen veldwachter, maar wel de sleutel, die nog in ’t slot stak. ’t Was
+’n ouderwetsche sleutel, een die wel minstens ’n pond woog en hij zat
+met een touw vast aan ’n stevig stuk hout, voor ’t wegraken.
+
+„Heb je nou ooit zoo’n schapekop gezien als die vent?” zei de
+burgemeester nijdig. „Nou laat ie me waarempel de sleutel zoo maar in
+het slot zitten.”
+
+„Hij zal wel hier in de buurt zijn,” meende m’nheer Bruggemans. „Roept
+u maar es.”
+
+„Hallo, veldwachter... hallo!” riep de burgemeester.
+
+Maar er kwam geen antwoord.
+
+„Hij ’s weg,” zei de burgemeester.... „We moesten hem eerst maar gaan
+opzoeken hè? Vindt u ook niet?”
+
+„Welnee,” zei m’nheer Bruggemans, „de sleutel is er en dat is alles wat
+we noodig hebben. De veldwachter kunnen we best missen. Zal ik de deur
+maar opendoen?”
+
+„Zooals u wilt.... Wacht ik zal u met m’n fietslamp bijlichten.”
+
+Dit laatste zei de burgemeester toen m’nheer Bruggemans de deur al open
+had.
+
+Die dorps-gevangenis, het arrestantenlokaal zooals het heette, leek ’n
+donker hol, waarin niets was dan duisternis, doch toen het scherpe
+licht van de carbidlamp er in viel, zagen ze het allebei tegelijk. In
+’n hoek tegen de ruwe muur zat de veldwachter met ’n allerongelukkigst
+gezicht en uit z’n mond hingen ’n paar punten van ’n zakdoek. ’t Was te
+akelig om er naar te zien. Bumpkins en Blubberdub hadden hun werk goed
+gedaan. Alle moeite, die de geboeide veldwachter had aangewend om zich
+los te wringen, was vergeefs geweest. Z’n beenen en z’n armen waren nog
+stevig geboeid.
+
+De burgemeester was in ’n wip bij hem en trok de doek uit z’n mond.
+M’nheer Bruggemans sneed de boeien van z’n beenen en armen door met z’n
+mes en toen vroeg de burgemeester streng:
+
+„Wat is hier gebeurd veldwachter?”
+
+Met horten en stooten kwam het verhaal er uit en de burgemeester en
+m’nheer Bruggemans keken elkaar eens aan.
+
+„Wat denkt u daarvan?” zei de burgemeester eindelijk.
+
+„Ik weet niet wat ik ervan denken moet burgemeester.”
+
+„Maar ik wel,” antwoordde de burgemeester. „Ik denk, dat ik ’t bij ’t
+verkeerde eind had met te denken dat het detectives waren. ’t Zijn
+gewone gauwdieven, dat zijn het.”
+
+„En of,” zei de veldwachter.
+
+„Er wordt jou niks gevraagd,” zei de burgemeester. „Jij bent ’n ezel om
+die twee zoo maar te laten ontsnappen.”
+
+Daarna richtte hij zich weer tot m’nheer Bruggemans: „’t Was toch goed
+dat u gekomen bent, al had u ’t dan ook mis. Anders had deze man morgen
+nog in dit hok gezeten. Veldwachter jij gaat dadelijk de
+rijksveldwachter en de koddebeier opzoeken, en de smid en de
+metselaar.... enfin al die lui die ons vanmiddag zoo goed geholpen
+hebben. We gaan die twee heeren achtervolgen. Ze kunnen nog niet ver
+weg zijn.”
+
+„Nee,” zei de veldwachter, „want hun fietsen staan in ’t gemeentehuis.”
+
+„Ik vraag jou niemendal.... Doe wat je gelast is.... en kom met die
+menschen op ’t gemeentehuis. Gaat u mee m’nheer Bruggemans?”
+
+M’nheer Bruggemans zei dat ie daar niets op tegen had en toen stelde de
+burgemeester voor, dat ze eerst bij hem thuis even ’n kop thee zouden
+gaan drinken.
+
+„Ik denk,” zei de burgemeester toen ze wegfietsten, „dat we een taaie
+nacht tegemoet gaan. Ze ontkomen ons niet, dat verzeker ik u.”
+
+Ze deden niet lang over hun kopje thee en toen ze ’n kwartier later bij
+het gemeentehuis kwamen, vonden ze daar reeds de koddebeier staan
+wachten. De veldwachter was nog op de andere lui uit.
+
+„Goed,” zei de burgemeester, „dan gaan wij maar vast naar binnen. Jij
+hebt zeker je fiets bij je?”
+
+„Jawel burgemeester.”
+
+„Als er soms een komt zonder fiets, zeg hem dan dat ie dadelijk z’n kar
+gaat halen. Ze moeten allemaal hun fiets bij zich hebben.”
+
+„Goed burgemeester.”
+
+„Je blijft zeker hier wel wachten hè?”
+
+„Jawel burgemeester.”
+
+De burgemeester en m’nheer Bruggemans traden binnen en rookten ’n
+sigaar terwijl ze bij de groene tafel zaten, waarop nog de pruiken en
+de rest van de vermomming van Bumpkins en Blubberdub lagen. M’nheer
+Bruggemans bekeek die dingen en zei toen:
+
+„U neemt me niet kwalijk burgemeester, maar ik houd toch vol, dat ik
+gelijk heb.”
+
+„Best m’nheer... we zullen zien. U zegt ’t zijn eerlijke detectives...
+ik zeg ’t zijn gemeene gauwdieven.”
+
+Na ’n kwartiertje werd er op de deur getikt en ’n rijksveldwachter met
+streepen om z’n mouw, ’t was ’n brigadier, trad binnen. Hij tikte aan
+z’n pet.
+
+„Burgemeester ze zijn d’r allemaal.”
+
+„Goed brigadier....”
+
+„Burgemeester d’r is ingebroken in ’t gemeentehuis.... Ze hebben hun
+fietsen gestolen.”
+
+„Wat zeg je brigadier.... Hebben ze ingebroken hier in ’t
+gemeentehuis?”
+
+„Jawel burgemeester... Raam opengeschoven aan de achterkant....”
+
+„En hun eigen fietsen? Nou vraag ik je m’nheer heb ik nu gelijk of
+niet.... Ze breken hier in.... in ’t gemeentehuis.... en ze stelen hun
+eigen fietsen.... Zijn dat gauwdieven of niet?”
+
+M’nheer Bruggemans vond ’t niet zoo’n gauwdievenstreek dat die
+detectives zich weer meester gemaakt hadden van hun eigen karretjes,
+doch hij zei niemendal.
+
+„Dat ziet er leelijk uit brigadier. Ik denk, dat we nu niet veel kans
+zullen hebben die lui te snappen.”
+
+„Denk ik ook niet burgemeester, maar we kunnen ’t probeeren. Ik
+veronderstel dat ze naar Apeldoorn zijn om met de trein weg te komen.”
+
+„Dat zou mogelijk zijn...”
+
+„En er gaat geen trein meer vanavond.”
+
+„Dat is waar.”
+
+„Dan zijn ze misschien nog in Apeldoorn op te sporen.”
+
+„’t Zou mogelijk zijn burgemeester.”
+
+„Nou willen jullie ’t probeeren?”
+
+„Jawel burgemeester met plezier.... maar we hebben de smid en die
+andere lui daar niet bij noodig.... en de veldwachter ook niet.”
+
+„Vanmiddag konden jullie ’t toch ook niet alleen af?”
+
+„Dat is waar burgemeester, maar nou kennen we de lui en kunnen onze
+maatregelen nemen.”
+
+„Goed dan. Maar ik ga mee naar Apeldoorn... Gaat u ook mee m’nheer
+Bruggemans? Als we ’t geluk hebben die lui te snappen, kunt u ons goede
+diensten bewijzen als tolk.”
+
+„Met genoegen burgemeester,” zei m’nheer Bruggemans. „Maar dan wou ik
+toch wel even thuis aan m’n vrouw zeggen, waar ik heen ga.”
+
+„Natuurlijk, natuurlijk. We komen u dan wel halen als we voorbij
+komen.”
+
+M’nheer Bruggemans fietste naar de boerderij terug.
+
+Het was eigenlijk al lang bedtijd voor de boerenfamilie, maar ze waren
+allemaal nog op. Ze hadden het erg druk gehad over de twee
+vreemdelingen, die gevangen zaten in de toren en ’t meest nog over die
+alleenrijdende fiets. Koen en Piet hadden dat zelf gezien en konden er
+dus over meepraten. Toen kwam m’nheer Bruggemans thuis en die vertelde
+dat de lui ontsnapt waren.... Hij zei er meteen bij, dat ie niet
+geloofde, dat ’t misdadigers waren, doch detectives, dus menschen van
+de politie en dat ie met de burgemeester en de rijksveldwachter
+meeging.
+
+Mevrouw wou ’t niet hebben, maar m’nheer Bruggemans hield voet bij stuk
+en toen hij het schellen hoorde van de burgemeester en de veldwachters,
+die langs de boerderij reden, sprong hij op z’n fiets en ging mee.
+
+Van de heele boerenfamilie ging er die avond niemand te ruste, als Mie
+die met Berte naar bed gestuurd werd.
+
+Ze hielden met hun allen de wacht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+LAATSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin professor Wells z’n verdwijn-machine terugkrijgt en alles
+ weer zichtbaar wordt, behalve het sigarenpijpje van m’nheer
+ Bruggemans.
+
+
+Professor Wells en Jim Pimpelmees arriveerden met de laatste trein in
+Apeldoorn. De professor droeg zelf ’n klein koffertje, dat ie geen
+oogenblik gedurende de reis uit het oog verloren had. Hij had ’t zelfs
+niet eens losgelaten toen ’t naast hem op de bank stond. ’t Kistje leek
+sprekend op dat wat in ’t kippenhok stond. ’t Was de andere helft van
+de verdwijn-machine, die Jim Pimpelmees hem teruggegeven had.
+
+Nu gingen ze het andere koffertje halen. Jim Pimpelmees had beloofd het
+aan professor Wells te bezorgen en professor Wells had daarvoor Jim
+beloofd hem weer gewoon zichtbaar te zullen maken.
+
+Professor Wells had schik en Jim Pimpelmees ook.
+
+Jim Pimpelmees had op z’n neus, die alleen uit verf bestond, ’n bril
+met donkere glazen. Zoo leek hij als je niet al te nauwkeurig keek, op
+’n gewoon mensch. Natuurlijk droeg ie ook handschoenen.
+
+Jim Pimpelmees had in Apeldoorn willen overnachten, maar professor wou
+van geen uitstel hooren. Hij huurde onmiddellijk ’n auto en Jim moest
+wel mee al was ’t ook tegen z’n zin. Hij beweerde dat zoo’n eerlijke
+zaak als het terughalen van die machine veel beter bij dag kon
+gebeuren. Professor Wells voerde daartegen in, dat ie z’n machine zoo
+gauw mogelijk weer in z’n bezit wou hebben. Hij had ’t nu al lang
+genoeg zonder moeten doen en bovendien deed die machine in vreemde
+handen meer kwaad dan goed naar het scheen. Jim Pimpelmees moest naast
+de chauffeur gaan zitten. Jim sprak hollandsch en wist de weg.
+
+Na vijf minuten vroeg professor Wells of ’t niet ’n beetje vlugger kon
+en toen de chauffeur aan dat verzoek voldaan had, duurde het geen vijf
+minuten of professor Wells vond dat het nog te langzaam ging. Maar de
+chauffeur weigerde nog harder te rijden. Hij beweerde dat ie al
+minstens tachtig kilometer reed en dat vond ie welletjes. Professor
+Wells mopperde en zei dat ie nog nooit in zoo’n miserabele kar had
+gezeten. Jim Pimpelmees lachte maar eens en zei tegen de chauffeur dat
+de professor heel tevreden was.
+
+Toen ze zoowat ’n kwartier gereden hadden, schakelde de chauffeur
+plotseling de motor uit. De auto liep door z’n eigen vaart voort en
+professor Wells riep:
+
+„Wat is dat nou?”
+
+„D’r is ginds wat op de weg,” zei de chauffeur. „Ik rijd niet graag de
+een of ander overhoop.”
+
+„Fietsen,” zei Jim Pimpelmees, „’t zijn carbidlampen.”
+
+„Maar die rijen niet,” zei de chauffeur, „die lampen staan stil.”
+
+„Nou wat zou dat dan?” vroeg Jim Pimpelmees.
+
+„Rij op,” riep professor Wells... „Dat geleuter, daar schiet ik niks
+mee op.”
+
+De auto had nog ’n aardig vaartje en ze naderden nog tamelijk snel de
+plek waar de fietslantarens brandden. De chauffeur zat gereed om te
+remmen. Hij keek scherp voor zich uit. Jim Pimpelmees zat voorover
+gebogen en deed ook z’n best om te zien wat daar voor hen op de weg
+gebeurde. Professor Wells stond in de wagen en tuurde ook.
+
+„Daar loopen lui hard heen en weer,” zei de chauffeur.
+
+„Ze vechten,” riep Jim... „Kijk daar hebben ze er een te pakken.”
+
+„Hij is weer los,” zei de chauffeur.
+
+„Toen hoorden ze wat roepen en er klonk ’n schot.
+
+„Ik ga terug,” zei de chauffeur.
+
+„Dat zal je wel laten,” zei Jim.
+
+Maar de chauffeur remde al.
+
+„Doorrijen!” schreeuwde professor Wells. „Doorrijen! Vooruit
+doorrijen.”
+
+„Rijen!” gebood Jim.
+
+„Ik verdraai het,” zei de chauffeur. „Ik rij niet. Denk je dat ik ’n
+kogel in m’n lichaam hebben wil? Dank je wel hoor.”
+
+De wagen stond stil en de chauffeur stapte uit.
+
+„Nou, als jij niet rijen wil, zal ik het wel doen,” zei Jim.
+
+Hij ging doodbedaard op de chauffeur z’n plaats zitten, trapte even met
+z’n voet op ’n pedaal en de auto ging weer vooruit. Maar nu sprong de
+chauffeur op de treeplank en begon te remmen en Jim zag geen kans hem
+met z’n eene hand dat heelemaal te beletten. Zoo kon je niet rijden.
+Hij stopte dus maar weer.
+
+„Maak nou maar geen herrie,” zei hij tegen de chauffeur. „We moeten
+verder. We hebben geen zin om hier te blijven staan.”
+
+„En ik rij niet,” riep de chauffeur, „’t zal niet gebeuren.”
+
+Maar ze waren met de auto toch weer ’n eindje vooruitgekomen en zagen
+bij hun sterke autolampen, dat daar voor hen werkelijk iets gebeurde
+dat op ’n gevecht leek.
+
+Jim Pimpelmees zei tegen professor Wells, dat ie er niets aan doen kon
+of hij moest geweld gebruiken. Hij vond dat ze met hun beiden best die
+chauffeur aan konden. ’t Was maar ’n klein kereltje. Doch daarvan wilde
+professor Wells niets weten. Hij zei aan Jim Pimpelmees, dat ie de
+chauffeur tien dollar extra zou geven als hij doorreed.
+
+„Tien dollar!” zei de chauffeur toen Jim hem de woorden vertaald had in
+’t hollandsch. „Tien dollar... dat is vijf en twintig gulden?”
+
+„Juist, dat is vijf en twintig gulden. Zoo’n fooi krijg je niet iedere
+nacht hè.”
+
+„Ik doe ’t,” besloot de chauffeur. „Voor vijf en twintig gulden rijd ik
+daar de heele vechtpartij onderste boven. Op zij.”
+
+Jim Pimpelmees schoof op zij en de chauffeur ging weer voor ’t
+stuurwiel zitten. Doch nauwelijks reed de auto weer, of professor Wells
+riep: „Stop! Stop! Ze hebben Blubberdub en Maccassy te pakken. Stop
+Jim. Stop.”
+
+Maar Jim riep: „Rij door chauffeur, rij door! Doorrijen.”
+
+Jim Pimpelmees had ook gezien wie ze daar op de weg te pakken hadden,
+doch daar hij geen speciale vriend was van die twee detectives wou hij
+maar doorrijen. Wat was er gebeurd?
+
+Maccassy en Blubberdub waren op hun fietsen zonder licht weggeraced op
+goed geluk af. Ze wisten de weg niet. Doch hun allereerste zorg was ’n
+eind weg te komen; waarheen, dat deed er op ’t oogenblik minder toe. Ze
+waren echter aan ’t dwalen geraakt in de duisternis en toen ze
+eindelijk de groote weg weer te pakken kregen, reden ze ongelukkig
+genoeg de burgemeester met de veldwachters in de armen.
+
+Ze werden onmiddellijk herkend en zij van hun kant twijfelden er geen
+oogenblik aan dat ’t om hen te doen was.
+
+Die amerikaansche detectives waren echter voor geen klein geruchtje
+vervaard, ze sprongen van hun fietsen en boksten er oogenblikkelijk op
+los, maar toen de brigadier ’n revolver voor den dag haalde en ’n schot
+in de lucht loste, begrepen ze dat ’t meenens werd en daar ze zelf geen
+vuurwapens bij zich hadden, gingen ze er oogenblikkelijk vandoor. Aan
+weerskanten van de weg waren dichte bosschen en ze sprongen vlug als
+katten het kreupelhout in. Wat ze echter niet wisten, was dat heel veel
+bosschen op de Veluwe door ijzergaas van manshoogte zijn afgesloten en
+ze holden dus tegen zulk ijzergaas aan. En hoe ze ook liepen overal
+stond dat ijzergaas voor hun neus. Ze konden niet weg. Ze probeerden er
+over te klauteren, maar toen hadden de veldwachters hen weer te pakken.
+Maccassy en Blubberdub moesten het onderspit delven.
+
+Toen ’t zoover was, naderde net de auto en schreeuwde professor Wells:
+„stop! stop!” en riep Jim Pimpelmees: „rij door! rij door!”
+
+Professor Wells bewerkte de chauffeur met z’n vuisten, toen deze niet
+gauw genoeg deed wat ie verlangde en om geen ongeluk te krijgen liet de
+chauffeur de auto met ’n ruk stilstaan. Jim Pimpelmees schoot er uit en
+professor Wells hing over de chauffeur heen.
+
+’t Was ’n rare vertooning. Maar Maccassy stevig door de veldwachter en
+de burgemeester vastgehouden, herkende onmiddellijk de professor en
+niet minder snel Jim Pimpelmees, al had ie ’n donkere bril op. Dit
+kunnen detectives nu eenmaal.
+
+M’nheer Bruggemans stond ’n eindje verder bij de brigadier, die met z’n
+revolver Blubberdub in bedwang hield en wist niet hoe hij ’t had, toen
+die auto daar zoo plotseling stopte en Jim Pimpelmees er uitvloog. Hij
+wist natuurlijk niet wie dat was.
+
+Professor Wells werkte zich uit z’n rare positie overeind en riep:
+
+„Maccassy en Blubberdub wat gebeurt hier toch?”
+
+Toen begreep m’nheer Bruggemans als bij ingeving, dat daar in die auto
+professor Wells stond en hij trad op hem toe:
+
+„Is u professor Wells van Yale?”
+
+„Ja m’nheer, die ben ik.”
+
+„Mijn naam is Bruggemans.... Ik had vanmiddag het genoegen met u te
+telefoneeren.”
+
+„O.... was u dat.... nu.... wat verder?”
+
+„Als u toen de ware namen van deze twee heeren had genoemd, was dit
+niet gebeurd. Ze zijn nu als dieven gevangen genomen, ontvlucht en weer
+gepakt.”
+
+„Prachtig,” zei Jim Pimpelmees.
+
+Maar nog nauwelijks had ie dat gezegd of Blubberdub riep: „Pak die
+vent, dat is de dief.”
+
+Doch de veldwachters verstonden geen engelsch en ze pakten Jim niet.
+
+En toen zei professor Wells: „Er hoeft hier niemand gepakt te worden
+Blubberdub. Deze Jim Pimpelmees bezorgt me mijn machine terug en
+daarmee is de zaak afgedaan.”
+
+„Dat zullen we dan eerst nog eens zien,” mompelde Maccassy.
+
+„Nee, nee,” zei professor Wells, „de zaak is hiermee uit.... Ik
+verklaar dat Jim Pimpelmees geen gewone dief is, maar ’n... nu ja, wat
+ie wel is, daar moet ik eerst nog eens over prakkezeeren.”
+
+De heer Bruggemans haastte zich de heele zaak uit te leggen aan de
+burgemeester en de veldwachters, die er maar half tevreden mee waren,
+want ze hadden ze nu toch maar te pakken. De burgemeester zei echter,
+dat ze onmiddellijk die twee Amerikanen moesten loslaten.
+
+„Ziezoo,” zei professor Wells, „en nu gaan we de machine halen.”
+
+„Wat?” zei m’nheer Bruggemans. „Waar is dat ding dan?”
+
+„In ’t kippenhok,” zei Jim Pimpelmees lachend.
+
+’n Kwartier later kwam de heele stoet op de boerderij aan en de
+boerenfamilie wist niet wat er aan de hand was. De burgemeester en
+m’nheer Bruggemans wilden net beginnen met hen de zaak duidelijk te
+maken, toen de boer in de gaten kreeg, dat Jim Pimpelmees regelrecht op
+het kippenhok aanstapte met professor Wells achter zich.
+
+„Ho, ho,” zei de boer. „Wat mòt dat? Vooruit van m’n kippenhok
+vandaan.”
+
+„O jé,” fluisterde Koen tot Piet... „die vreemde kerel weet er alles
+van. Nou zijn we d’r bij.”
+
+„Ssst”.... deed Piet. „Hou je mond jô.”
+
+M’nheer Bruggemans kwam nu tusschenbeide en Piet die de sleutel had,
+moest ’t kippenhok open maken. Jim Pimpelmees ging er binnen en kwam ’n
+oogenblik later met het koffertje te voorschijn, dat hij aan professor
+Wells overhandigde. De vreugde stond op professor Wells z’n gezicht en
+hij zei:
+
+„Ziezoo.... dat heb ik terug en ik scheid er m’n heele leven niet meer
+van. Hier hebben we niets meer te maken. Kom Maccassy en Blubberdub en
+jij ook Jim, jullie rijdt in de auto mee terug. En morgen vertrekken we
+naar Amerika.”
+
+Doch nu kwam m’nheer Bruggemans nog eens tusschenbeide:
+
+„Professor,” zei hij, „ik heb nog ’n vriendelijk verzoek aan u. Zoudt u
+die telefoonpaal en de haan en het groote varken niet eerst weer
+zichtbaar willen maken? Die menschen hier hebben veel onrust uitgestaan
+door uw machine en de boer wilde toch zoo graag met het varken naar de
+tentoonstelling.”
+
+„Wel,” antwoordde professor Wells, „met plezier. Waar is die haan?”
+
+„In ’t kippenhok natuurlijk,” zei Piet toen m’nheer Bruggemans de
+woorden van professor Wells in ’t hollandsch had overgebracht.
+
+„Haal ’m er uit zei,” de professor.
+
+„Ik kan ’m niet vinden,” zei Piet. „’t Is nou te donker.”
+
+„Eerst ’t varken,” zei de boer, en bij ’t licht van ’n carbidlamp
+gingen ze allemaal naar het land. Professor Wells had beide koffertjes
+bij zich. Hij had er wel maar één noodig, doch dat andere wilde hij
+niet uit ’t oog verliezen. Toen ze ’t touw hadden gegrepen, dat aan ’t
+onzichtbare varken z’n poot zat, dreven ze het naar professor Wells toe
+en die begon dadelijk. Er gebeurde eigenlijk niemendal. Alleen hield
+hij weer zoo’n knop tegen het varken aan. Maar iedereen kon zien, dat
+’t langzamerhand zichtbaarder werd en na ’n half uur was ’t beest weer
+kant en klaar.
+
+„’t Is grooter geworden, zou ik zeggen,” zei Klaas.
+
+„Grooter niet, maar wel vetter,” zei de boer. „Jongens daar krijgen we
+de volgende week vast de eerste prijs mee.”
+
+De rest kon de boer niemendal schelen. Hij keek er niet naar uit toen
+professor Wells de paal weer zichtbaar maakte.
+
+Maar de haan bleef onzichtbaar. Piet zei dat ie ’m niet vinden kon en
+professor Wells wou de volgende dag niet terugkomen.
+
+„Ik kon ’m wel vinden,” zei Piet de volgende dag tegen Koen, „want hij
+zit altijd vooraan.”
+
+„Waarom dee je ’t dan niet?”
+
+„Och jô.... ’n zichtbare haan kan je niet voor geld laten kijken, maar
+’n onzichtbare wel. Begrijp je ’t nou?”
+
+„O,” zei Koen, „zit ’t zoo. Wij zijn er anders goed afgekomen hè?”
+
+„Ja,” zei Piet. „Als je je mond maar kan houen, kom je er altijd goed
+af.”
+
+„Toch vind ik, dat we verkeerd gedaan hebben, we hadden ’t moeten
+zeggen, dadelijk al.”
+
+„Je moet es in m’n spaarpot kijken,” zei Piet, „allemaal centen van die
+witte.”
+
+„Ja als ’t om centen te doen is.”
+
+De burgemeester gaf de veldwachter ’n nieuwe sabel en hij hield de
+onzichtbare. Maar hij bewaarde hem in ’n vochtige kast er toen hij ’m
+’n poos daarna aan iemand wou vertoonen, zat de sabel dik onder de
+roest en was toen toch weer zichtbaar.
+
+M’nheer Bruggemans had z’n onzichtbare pijp heel stiekem bewaard en nam
+’m mee naar Amsterdam. Maar reeds de eerste avond liet hij ’t pijpje in
+’n aschbakje liggen en de volgende morgen was ’t weg. De meid had het
+aschbakje leeggemaakt zonder ’n pijp te zien natuurlijk.
+
+Jim Pimpelmees werd door professor Wells weer gewoon zichtbaar gemaakt
+en maakte toen dat ie wegkwam. Hij was ’n beetje bang voor Maccassy en
+Blubberdub vanwege de vreemde dingen, die hij van vroeger nog op z’n
+geweten had.
+
+Zoo was dan de witte haan nog ’t eenige onzichtbare ding in Nederland.
+Doch reeds na ’n maand kreeg Koen ’n briefkaart van Piet en die luidde:
+
+
+ Waarde Vriend,
+
+ Deze is dienende om u te melden, alsdat de witte haan door Klaas
+ doodgegooid is. Hij smeet met z’n klomp naar de kat, die uit de
+ melkemmer likte en hij raakte de witte. Hij lag op z’n rug vlak bij
+ de emmer, want toen ie dood was, kon je ’m weer zien. Het is erg
+ jammer. Vele groeten van
+
+ Piet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75301 ***