summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-29 10:21:03 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-29 10:21:03 -0800
commit5d8daa1ba6132c7b35ef0c0caeb703844f3f06d9 (patch)
tree3601061669988a4c57f6ee2c9532305463027964
parentc7a0d8d09708f81f2bffc4c9e5867d9408556bdc (diff)
UpdateHEADmain
-rw-r--r--74399-0.txt2945
-rw-r--r--74399-h/74399-h.htm2
2 files changed, 2946 insertions, 1 deletions
diff --git a/74399-0.txt b/74399-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..a8d0b89
--- /dev/null
+++ b/74399-0.txt
@@ -0,0 +1,2945 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 74399 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 122 DE WEDRENNEN VAN YORK
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE WEDRENNEN VAN YORK
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+OP REIS NAAR YORK.
+
+
+Lord Lister, alias John C. Raffles, zat met het ochtendblad van een der
+vele Engelsche couranten die vóór hem lagen, in zijn ontbijtkamer
+geduldig te wachten, zonder dat hij een blik wierp op de kolommen druks
+die hij in zijn handen hield.
+
+Af en toe keek hij het mooie park in; een park in een der prachtigste
+buitenwijken van Londen, waar zijn luxe villa stond, en ademde met
+volle teugen het frissche morgenwindje in, dat door de geopende ramen
+naar binnen stroomde.
+
+De bloemen geurden met een bedwelmenden reuk, en ’t was alsof aan
+iederen stengel een diamanten druppel bengelde, zóó schitterde de dauw
+in het zonnelicht.
+
+’t Was een heerlijke Meimorgen.
+
+Lord Lister keek op zijn horloge en mompelde:—„Waar blijft Charly nu
+toch in ’s hemelsnaam?”
+
+Toen drukte hij op een electrische schel, waarop, even daarna, James,
+de oude getrouwe huisknecht, binnenkwam.
+
+Zwijgend boog hij voor zijn heer en meester.
+
+—Waar blijft master Brand, James?
+
+—Master Brand zal zoo aanstonds verschijnen, Lord.
+
+—Vraag hem spoed te maken.
+
+—Zeer goed, Lord.
+
+Geheimzinnig, zonder eenig gedruisch te maken, vertrok James om Mr.
+Charly Brand, secretaris en vriend van Lord Lister, te waarschuwen dat
+deze met het ontbijt op hem zat te wachten.
+
+Even later trad Charly de kamer binnen en vroeg met eenige verbazing in
+zijn stem, nog vóór dat hij „goeden morgen” had gezegd:
+
+—Wacht gij op mij, Edward?
+
+—Goeden morgen, mijn jongen—antwoordde Raffles.
+
+—Nu ja, goeden morgen,—kibbelde Charly tegen.—Wat overkomt mij dat mijn
+heer en meester op mij wacht? Anders zijt gij—vervolgde hij in gewonen
+toon—om dezen tijd reeds lang in het park.
+
+—Niet zoo sarcastisch, mijn waarde. Hedenmorgen wilde ik juist op je
+wachten.
+
+—Maar waarom dan?
+
+—Omdat gij geld moet halen van de bank...... Wij gaan heden op reis.
+
+—Op reis?!?... En wij zijn pas thuis. Gisteravond laat gearriveerd. Eén
+nacht thuis geslapen... Me dunkt wij mogen nu toch wel eenige vacantie
+nemen!
+
+—Later, mijn jongen. Nu niet. Ik wil op reis en je onmisbare hulp moet
+ik meenemen.
+
+—Waarheen?
+
+—Naar York!
+
+—Naar York?... Wat moet je in dat gat uitvoeren?
+
+—Den hoeveelsten hebben wij vandaag?
+
+—Wat heeft dat er mee te maken?—vroeg Charly, die, hoewel hij meer dan
+anderen Lord Lister’s manier van doen kende, thans toch wel wat al te
+zeer verbaasd was.
+
+—Beste jongen, je gedachten werken nog lang niet vlug genoeg. Ik spreek
+van York en vraag je bovendien den hoeveelsten hebben wij vandaag. Me
+dunkt dat is nogal duidelijk.
+
+Even was er stilte.
+
+Charly keek Lord Lister vragend aan.
+
+—Als men van York spreekt, waaraan denkt men dan?
+
+—Aan de wedrennen.
+
+—Juist. En die worden gehouden?
+
+—Gewoonlijk van 15 tot 18 Mei.
+
+—En vandaag is het?......
+
+—De veertiende!
+
+—Accoord! Nu zijn wij er.
+
+—Maar wat moet ge er dan gaan doen?... Wij die geen paarden bezitten om
+te rennen... die nooit wedden... die eigenlijk geen belang stellen in
+de hippische sport... gaan nu ineens naar York. Dát verbaast mij.
+
+—Herinnert gij je, Charly, wat verleden jaar bij dat vermaledijde
+gezwendel gebeurde?
+
+—Neen!...
+
+—Gij hebt het zelf in ons archief gebracht. Ziehier en lees!
+
+Meteen gaf Lord Lister aan Charly een courant met de woorden: „het
+roodomstreepte binnenin moet ge lezen”.
+
+Charly Brand greep de courant gretig aan en las:
+
+
+ DE REUZENZWENDEL TE YORK.
+
+ Reeds meermalen is er door particulieren, zoo ook in onze
+ wetgevende lichamen gewezen op den reuzenzwendel die gewoonlijk
+ plaats vindt bij de jaarlijksche wedrennen te York, zonder dat men
+ evenwel vermocht in te grijpen, om een einde te maken aan
+ weddenschappen, die menigeen te gronde hebben gebracht.
+
+ Wat toch is het geval?
+
+ Het is thans gebleken, dat een geheime club van oplichters, of hoe
+ men die personen gelieft te noemen, de weddenschappen met zorg
+ hebben voorbereid en er een trust van hebben gemaakt, waardoor het
+ mogelijk is dat alle sommen op een bepaald paard ingezet, vallen in
+ handen van één lid der weddersclub. Natuurlijk moeten de kerels in
+ contact staan met de jockey’s, die waarschijnlijk in de winst mogen
+ deelen.
+
+ Bijvoorbeeld.
+
+ Er zijn twee paarden op de baan, van wie vermoed wordt dat zij om
+ de eindbeslissing zullen moeten kampen. (Ter verduidelijking noemen
+ wij de paarden A en B. Red.)
+
+ De club der wedders heeft zijn agenten, die schreeuwend vertellen
+ dat zij willen wedden.
+
+ Honderden menschen—wedden is immers onze volksaard—loopen op de
+ kerels toe en zetten op A een bedrag. Tien tegen één. Goed, de
+ weddenschap gaat aan. De strijd begint. B is één lengte vóór. Dan
+ roept men den wedders toe dat de mogelijkheid bestaat om te
+ „wisselen”. Dat wil zeggen dat men de weddenschap op B kan zetten,
+ tegen een klein verlies. Dit gebeurt meestal. Dan—B heeft inmiddels
+ nog steeds „de baan gehouden”—begint A „op te halen”. Al meer en
+ meer verliest B baan, totdat A geheel vóór is en vrij gemakkelijk
+ als winner uit den eindwedstrijd te voorschijn komt.
+
+ Nu is dit al eenige jaren voorgekomen. Ook gisteren bij den
+ eindwedstrijd. Duizenden menschen, die bij de tweede ronde
+ „wisselden”, moesten bedragen betalen, véél hooger dan hun mogelijk
+ was, en werden dupe van onmeedoogende menschen.
+
+ De twee jockey’s werden na afloop der wedstrijden onmiddellijk in
+ hechtenis genomen, doch moesten na verhoor op vrije voeten gesteld
+ worden, omdat de politie geen zekerheid kon krijgen wat de oorzaak
+ was, dat het eerst winnende paard B verloor.
+
+ Het vermoeden werd geopperd dat John C. Raffles hierin de hand
+ heeft. Toen de politie van York haar rapporten zond aan Mr. Baxter,
+ hoofd van het Bureau Scotland Yard, opperde deze dadelijk dit
+ vermoeden en sprak deze den wensch uit, dat er volgend jaar nog
+ geen wet zou bestaan op deze weddenschappen. Mr. Baxter leeft in de
+ hoop, dat hij dan „den grooten onbekende” eindelijk eens vangen
+ zal.
+
+ Wij voor ons vermoeden niet dat Raffles hier aanwezig was, omdat,
+ zoolang als wij kennis dragen van de euveldaden van dezen
+ „gentleman-boef”, hij nooit zich vergreep aan de gelden der kleine
+ luyden.
+
+
+Charly legde de courant neer en keek zijn vriend opnieuw vragend aan.
+
+Deze zat blijkbaar in gedachten verdiept en staarde de blauwe
+rookkringetjes na die uit zijn pijp, welke hij steeds na het ontbijt
+rookte, naar boven stegen.
+
+Zwijgend wees Lord Lister even daarna naar een andere courant.
+
+Charly Brand nam ook deze op en, na onder de rubriek sport gezocht te
+hebben, las hij het volgende:
+
+
+ DE AANSTAANDE WEDRENNEN.
+
+ Morgen wordt te York de inschrijving geopend van paarden en
+ jockey’s, welke deel wenschen te nemen aan de jaarlijksche
+ wedrennen.
+
+ Men verwacht nog meer belangstelling dan andere jaren, omdat de
+ Londensche politie zich in verbinding heeft gesteld met de
+ autoriteiten te York en uitgebreide maatregelen neemt met het oog
+ op de weddenschappen.
+
+
+Lord Lister was opgestaan en toen hij bemerkte dat Charly gereed met
+lezen was, zeide hij:
+
+—Natuurlijk moeten wij dien Baxter weer opnieuw een lesje geven. Als er
+werkelijk zulk een zwendel is, dan ga ik er ook naar toe met de vaste
+begeerte en besliste zekerheid een einde te maken aan al dat gedoe, dat
+mij vreemd is.
+
+—Wat kan het je schelen?
+
+—Veel.
+
+—Och, de wereld wil immers zoo. Iedereen doet toch alles om zich ten
+koste van anderen te verrijken. Soms zelfs onder den schijn van
+philantropie of iets dergelijks. Waar bemoei je je mee. Ga op reis.
+Trek er uit. Laat den boel voor wat ze is en... geniet.
+
+—Charly! Charly! Wat sla je door! Zeker, ik denk ook wel eens: waarom
+leef ik niet als een gewoon man? Maar, beste jongen, ik geloof dat ik
+gauw dood zou gaan. Emotie moet ik hebben. Als iedere zenuw gespannen
+is, dan leef ik pas. Soms spijt het mij dat ik geen club heb opgericht.
+Een club die alle beroerde dingen bestreed, die opkwam voor de door het
+leven of de omstandigheden getrapten, die altijd zóó blijven als een
+slaaf... Ach, wat jij... jij hebt er vanmorgen uitstekend slag van om
+mij te stemmen tot tegenweer—vervolgde Raffles.—Wij zullen dit gesprek
+staken en onmiddellijk maatregelen nemen.
+
+—Welke?—vroeg Charly nu, die begreep dat Raffles niet van zijn plannen
+af te brengen was.
+
+—Zooveel mogelijk moet er bekend gemaakt worden, dat de Arabier Ben
+Amis met zijn hengst Aldabaran de wedstrijden zal meemaken.
+
+Vragend zag Charly Brand naar Lord Lister. Hij begreep er niet veel
+van. Raffles zag dit en zeide:
+
+—Mijn beste Charly, het blijkt mij dat gij slecht van geheugen zijt.
+Heb ik niet—zoo vervolgde hij in eenen adem door—direct na die
+bekendmaking, verleden jaar, gezorgd dat ik een edel rijdier kocht?
+Oefende ik mij niet? Is alles niet gereed voor de wedrennen?
+
+—En gij verkocht den hengst?
+
+—Ha! Ha!...—lachte Raffles,—ja, in schijn. Inderdaad staat hij thans te
+York op mij te wachten.
+
+—Wie moet het dier berijden?
+
+—Ik zelf.
+
+—Ge breekt den nek.
+
+—Misschien! Dan zijt gij meteen verlost van een lastig heer, Baxter van
+zijn nachtmerrie en de wereld van een onbekenden misdadiger, die er nu
+eenmaal behagen in schept met alles wat zoogenaamd recht en wet is, van
+ganscher harte te spotten.
+
+—Jij verweet mij dat ik in een kwade stemming was, doch vermeen te
+mogen opmerken dat ook gij niet ver van pessimisme zijt.
+
+—Dank je wel voor je gratis advies, Charly! Me dunkt, ge kunt nu wel
+even een chèque in klinkende munt omzetten, niet?
+
+Charly begreep dat hij gaan moest, wilde hij zijn heer en vriend niet
+al te zeer in een „booze bui” brengen.
+
+Hij stond op en ging heen, terwijl Lord Lister achter bleef, droomend
+voor zich uit starend in de blauwe lucht, die boven hem zich uitspande
+als een hemelsch schoon tapijt.
+
+Enkele minuten verliepen er.
+
+Toen stond Raffles op. Een zachte glimlach speelde hem om de lippen,
+terwijl hij mompelde: „Wat kunnen mij eigenlijk de menschen schelen?
+Hoofdzaak is dat ik gelukkig ben. Goddank behoef ik nooit te vragen om
+hulp of iets dergelijks. Als ik dood ga laat ik de wereld een naam na,
+of die goed of kwaad is, wat kan mij het schelen? Misschien noemen ze
+het krankzinnig... maar ik heb geleefd!...”
+
+Met deze woorden trad hij een soort van kleedkamer binnen.
+
+Een acteur die zich voor een bepaalde rol schminken moest, had hier
+alle middelen gevonden welke noodig waren zichzelf te veranderen in den
+een of anderen persoon, welke noodig was in en bij het tooneelspel.
+
+Raffles zette zich neder voor een kaptafel en nadat hij zich ontdaan
+had van jas en vest, begon hij zich langzaam en met zorg te schminken.
+
+Zoodra hij daarmede gereed was, kleedde hij zich in een Arabisch kleed,
+dat slechts een zeer klein onderdeel vormde van de uitgebreide
+collectie kleedingstukken in die kamer aanwezig.
+
+Een uur later, toen Charly terugkwam, zat Ben Amis in een salon te
+wachten.
+
+—Indien ik niet wist dat gij het waart, Edward, dan zou ik waarachtig
+denken dat een Arabier hier zat.
+
+—Van dit oogenblik af ben ik dat ook. Hebt ge alles gereed?
+
+—De koffers moet ik nog pakken.
+
+—Vlug dan. Vergeet vooral de uniform van politie-inspecteur niet.
+
+—Binnen een half uur is alles gereed.
+
+—Zorg er voor dat gij ook een Arabier zijt.
+
+—Ik?
+
+—Maakt gij al weer bezwaar?
+
+—Neen!... Maar... ik...
+
+—Ga maar mede. Ik zal je wel even helpen.
+
+
+
+Twee en een half uur later liepen twee Arabieren op het
+West-End-station te wachten op den trein die naar York ging.
+
+—Zou Baxter er al zijn?—vroeg Charly, die den naam droeg van Saraj.
+
+—Misschien wel—antwoordde Ben Amis, alias Raffles.—Let op! Daar is „de
+vloo”.
+
+Inderdaad stapte enkele seconden later Mr. Marholm, de secretaris van
+Mr. Baxter, langs de beide vrienden en keek hen onderzoekend aan.
+
+Mr. Marholm had den bijnaam van „de vloo” en was als zoodanig in het
+gansche politiecorps en bij de pers bekend. Ook Raffles wist dit en
+noemde hem nooit anders.
+
+—Waar „de vloo” is, zal ook de meester wel wezen!—meende Charly.
+
+—Zwijg, Saraj,—gebood Ben Amis.—Men let op ons. Opgepast. Speel je rol
+goed, mijn jongen!
+
+„De vloo” draaide om de beide vrienden als een mug om een kaars.
+Raffles merkte dit tot zijn genoegen op, want het was misschien een
+reden dat „de vloo” bij hen zou komen zitten. Tot overmaat van
+smart—tenminste voor „de vloo”—werd deze aangesproken door twee andere
+heeren.
+
+Raffles had hen nog nooit gezien, doch vermoedde intuitief dat het
+geheime agenten van Baxter waren.
+
+Langzaam kwam de trein, die op het enkele spoor, waaraan York,
+verscheidene mijlen verder, lag, het station binnen gerangeerd.
+
+Het was niet bijzonder druk. Wel zag men verschillende typen van
+paardenliefhebbers, paardenkooplieden, enzoovoort, enzoovoort, maar
+bijster veel belangstelling was er nog niet.
+
+Dat kwam overmorgen pas.
+
+Heden was het immers slechts inschrijving!
+
+Raffles met Charly talmden net zoo lang totdat zij wisten waar „de
+vloo” plaats genomen had en traden toen ook dezelfde coupé binnen.
+
+„De vloo” wreef zich vergenoegd de handen en keek triomfantelijk de
+beide Arabieren van ter zijde scherp aan.
+
+Rustig, flegmatiek, ging Raffles te werk, reikte den controleerenden
+beambte zwijgend zijn biljet over en rolde zich een cigarette met
+onmiskenbare handigheid.
+
+Even een snerpend fluitje, en de trein zette zich in beweging......
+
+—Nu gaat het er op los, heeren!—sprak „de vloo” tot zijn beide
+reismakkers, die eveneens tegenover Raffles en Charly zaten.
+
+—Ja! Mr. Marholm—antwoordde de een.—’t Zal mij werkelijk interesseeren
+of Raffles er is.
+
+—Mij ook. Hoewel ik—vervolgde „de vloo”—het niet geloof. Die meening
+van Mr. Baxter deel ik niet.
+
+Raffles wees naar buiten en sprak eenige Arabische woorden tot Charly,
+die teekenen van instemming gaf.
+
+—Wat moeten die snuiters?—fluisterde een der geheime agenten tot „de
+vloo”.
+
+—Weet ik niet—antwoordde deze terug.
+
+—Zouden zij Engelsch verstaan—informeerde de ander.
+
+Mr. Marholm of-te-wel „de vloo” gevoelde zijn roeping en zeide met
+tamelijk veel gewicht: „dat zullen wij eens vragen”.
+
+—Reist u naar York?—vroeg hij daarop aan Raffles.
+
+—Om u te dienen,—antwoordde deze in eenigszins gebroken Engelsch.
+
+—Deelnemer aan de wedrennen?—informeerde „de vloo”.
+
+—Mag ik u een weervraag stellen?—vroeg Ben Amis met een vreemden lach
+om de lippen. Ineens vervolgde hij:—Vraagt u dit, omdat gij zelf ook
+deel zal nemen aan de rennen?
+
+„De vloo” beet zich op de lippen.
+
+Hij had zulk een woord niet verwacht van den Arabier.
+
+Toen zeide hij:—Ik reis in mijn kwaliteit van politie-ambtenaar.
+
+—O! Heeft men hier daar de politie bij noodig? Bij ons in Alexandrië is
+dat gansch anders. Daar is het zelfs feest voor de politie als er
+wedrennen plaats hebben.
+
+Zoo écht kinderlijk, naïef had Raffles dit gezegd, dat geen der
+politiemannen er ook maar één minuut aan twijfelde, of deze man sprak
+in volle overtuiging.
+
+„De vloo” was gewonnen en toen Raffles met een onderdanige buiging hem
+een cigaret aanbood, was hij het die, met zeker air, vroeg naar de
+wedrennen van Alexandrië, naar de reis, naar paarden, kortom naar alles
+wat een Arabier belangrijks te vertellen weet aan een Westerling zooals
+Mr. Marholm was!...
+
+En Raffles antwoordde hem met beleefde voorkomendheid, zoodat de reis
+buitengewoon aangenaam en vlug verliep.
+
+York lag niet zoo heel ver van Londen en ware het niet dat hier
+jaarlijksche wedrennen werden gehouden die over de gansche
+wereld—vooral in de sportkringen—een grooten naam hadden gemaakt, zoo
+ware York een vergeten plaatsje geweest, zóó onbeduidend was het.
+
+Charly zat gedurende de gansche reis maar stil voor zich uit te zien.
+Hij lette goed op wat er gesproken werd en verbaasde zich er over dat
+Raffles weer met onnavolgbare handigheid den toestand beheerschte en
+met de politieambtenaren deed wat hij zelf wenschte.
+
+Toch was Raffles niet geheel tevreden. Hij vroeg zich af „waar Baxter
+toch wel wezen mocht”?
+
+Misschien ziek?
+
+Dat zou jammer wezen. Want hij—Raffles—had zich al verheugd in de
+mogelijkheid Mr. Baxter eens een nieuw avontuur te laten beleven.
+
+Vragen naar hem kon hij niet, zonder eenige verdenking op zich te
+laden.
+
+Zoo zat Raffles gedurende de laatste minuten te denken, toen hem
+plotseling een plan te binnen schoot.
+
+—Mag ik u een vraag doen?—vroeg Raffles onnoozel aan „de vloo”.
+
+—Met genoegen, en kan ik deze beantwoorden, dan zal zulks mij zeer
+aangenaam wezen.
+
+—Vanmorgen las ik deze courant—hierbij haalde Raffles een courant te
+voorschijn—dat de politie uit Londen maatregelen nam te York. Waarvoor
+is dat?
+
+„De vloo”, blijde dat hij een gewichtige houding aan kon nemen,
+vertelde Raffles de knoeierijen der weddenschappen en der jockey’s.
+
+—Rijdt een uwer paarden ook mee?—vroeg „de vloo” na zijn verhaal.
+
+—Ja. Mijn Arabische hengst „Aldabaran”—antwoordde Raffles.
+
+—Hebt u een Engelschen jockey?
+
+—Neen. Ik rijd zelf.
+
+—Men zal u willen omkoopen.
+
+Ben Amis’—alias Raffles—oogen glinsterden onheilspellend.
+
+—Ik ben niet om te koopen!—zeide hij norsch, zoodat „de vloo” zich
+haastte zijn verontschuldigingen aan te bieden.
+
+—Ik wilde u alleen maar even waarschuwen!
+
+—Dank u!—sprak Raffles.
+
+Nog enkele minuten... en de trein liep het station van York binnen.
+
+Het spel zou beginnen.
+
+Raffles voelde zich in „stemming”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+BAXTER VERGIST ZICH!
+
+
+Toen de trein stilstond en de portieren geopend waren, namen Raffles en
+Charly afscheid van „de vloo” en zijn makkers en stapten zij naar den
+uitgang, waar verschillende personen stonden te wachten.
+
+Raffles had een stil vermoeden dat er vele geheime agenten onder het
+aanwezige publiek waren en merkte al aanstonds op, dat juist op zijn
+persoon en dien van Charly alle aandacht gevestigd was.
+
+Doende alsof hij niets bemerkte, overhandigde hij den controleerenden
+beambte zijn biljetten en liep het plein op, vóór het station.
+
+Een commissionair, met gegalonneerde pet op, waar met gouden letters
+vermeld stond dat hij employé was van het „London Hotel”, trad op
+Raffles toe en vroeg:
+
+—Ben Amis uit Alexandrië?
+
+—Juist, vriend.
+
+—Uw auto staat gereed.
+
+—Is ’t ver naar het hotel?
+
+—Vijf minuten.
+
+—Dan loop ik. Zoo’n duivelsding wensch ik niet. Waarom geen paarden?
+
+De commissionair ging een weinig achteruit, omdat Raffles met forsche
+stem dit vroeg en den man gestreng aanzag.
+
+—Ik wist niet dat u een rijtuig wenschte. Zal ik er een ontbieden?
+
+—Niet noodig.
+
+Inmiddels hadden zich, zooals dit gewoonlijk gaat, vele menschen om
+Raffles verzameld, die allerlei opmerkingen te hooren gaven.
+
+—Hoor! Wat een kaffer!...
+
+—Hij denkt dat wij slaven zijn.
+
+—’t Is een echt aapmensch...
+
+—De kerel durft niet eens in een auto.
+
+—Dat belooft iets voor de wedrennen!
+
+Dergelijke uitroepen werden vernomen en Raffles genoot met volle
+teugen.—„Als Baxter dit nu eens zag”—dacht hij.
+
+Meteen werd zijn wensch vervuld. Geweldig proestend en blazend baande
+de dikke inspecteur Baxter, inspecteur en hoofd van Scotland Yard, zich
+een weg door de opeengehoopte volksmenigte en riep met groote stem:
+
+—Doorloopen! Volksoploopen zijn streng verboden. Wat is dat hier?
+
+Raffles keek hem onderzoekend aan.
+
+—Wie is u?—vroeg Ben Amis.
+
+—Wat?—schreeuwde Baxter, die ’s nachts slecht geslapen had en dien
+morgen buitengewoon prikkelbaar was.—Wat? Moet jij mij vragen wie ik
+ben? Zwartkop? Alo! Mee naar het bureau.
+
+—Naar welk bureau?—vroeg Raffles langzaam en met nadruk.
+
+De belangstelling van het publiek steeg met iedere seconde......
+
+Een snerpend fluitje weerklonk, doordat Baxter assistentie vroeg. Niet
+lang daarna kwamen enkele agenten aansnellen, die op Raffles toetraden.
+
+Charly stond doodsangsten uit.
+
+Thans was het spel toch wel wat al te gewaagd. Nu zou Raffles eindelijk
+vallen in de handen van zijn vijanden, dien hij zoo innig verachte—de
+politie.
+
+—Is het hier de gewoonte—riep Raffles—dat men met politie naar zijn
+hotel gebracht wordt?
+
+—Geen praatjes alsjeblieft—driftigde Baxter als een brieschende leeuw.
+
+Onmiddellijk gaf hij bevel tot uiteenjaging van den oploop en stuwden
+vier agenten Raffles voor zich uit, gewillig gevolgd door Charly.
+
+Als een overwinnaar die pas van het slagveld terugkomt, liep Baxter
+vooruit naar het bureau van politie te York.
+
+Hij zou dien kroeskop, dien nikker, eens mores leeren hém, Baxter! te
+ondervragen!
+
+—Tuig!... is het... allemaal... en als die vervloekte Raffles nu maar
+komt... Dezen keer ontsnapt hij mij niet... Enfin, dit is ook al een
+aardig voorval!... Straks even naar Londen seinen!... ’t Kan nooit
+kwaad dat men weet hoe actief ik ben!...
+
+Met dergelijke overpeinzingen liep Baxter voort en trad weinige minuten
+later het Yorksche bureau binnen.
+
+Hij zette zich neer achter een schrijfbureau en keek vreemd op dat hij
+inplaats van den Arabier, „de vloo” zag binnentreden.
+
+„De vloo” had gewacht totdat zijn heer en meester binnen was gekomen en
+was hem onmiddellijk gevolgd.
+
+—Goeden morgen, chef!
+
+—Jongmensch, ge komt als geroepen.
+
+—Dat wist ik, chef.
+
+—Wat wist jij?—beet Baxter hem nijdig toe.
+
+—Dat ik op tijd kwam.
+
+Baxter stond geslagen. Hij was opgesprongen en bleef voor „de vloo”
+staan. Hij pakte hem bij de schouders en riep:
+
+—Jongmensch!... ik waarschuw je! Pas op! Ik ben niet in een stemming om
+jou brutalen toon te verdragen. Op ’t oogenblik ben ik de baas.
+Begrepen?
+
+—Dat is u altijd, chef. Maar als ik u verzoeken mag, laat mij dan los.
+’t Is mijn eenige goede jas en mijn salaris is niet zóó hoog dat ik mij
+de weelde van een nieuw pak permitteeren kan!
+
+Baxter liet onmiddellijk „de vloo” los en zag hem uitdagend aan. Meteen
+vernam hij gedruisch van voetstappen en riep:
+
+—Let eens goed op, ezelsveulen, hoe je chef handelt. Wij hebben al een
+goede vangst gedaan!
+
+—Hebt u Raffles?—vroeg „de vloo” spottend.
+
+—Spreekt dien naam niet meer uit—brulde Baxter,—anders zou het je je
+baantje wel eens kunnen kosten.
+
+Nog was Baxter niet geheel uitgesproken of de deur werd geopend en
+omringd met en door de vier agenten, traden Raffles en Charly binnen!
+
+—Ah!—riep Raffles, zoodra hij „de vloo” zag,—dat noem ik een geluk. U,
+noch ik, had gedacht dat wij elkander zoo spoedig zouden weerzien.
+Vertel mij eens, wat ik u bidden mag, is dit de gewoonte in Engeland
+dat men vreemdelingen door de politie laat opbrengen?
+
+„De vloo” keek eerst naar Raffles, toen naar Charly, daarna naar Baxter
+en toen weer naar de beide Arabieren.
+
+Daarop barstte hij in een welgemeend lachen uit, wat Baxter zóó woedend
+maakte dat hij uitriep:
+
+—Er uit!... Er uit!... En voorgoed!... Jij ellendig mormel, parodie der
+menschheid, paskwil... ezelsveulen, moet jij lachen?... Hè?... Spreek
+op....
+
+„De vloo” maakte aanstalten om heen te gaan!...
+
+—Neen, blijf hier!... schreeuwde Baxter!...
+
+—En ik moet gaan.
+
+—Blijf!... gebood Baxter met harde stem.—En antwoord mij. Wie is
+dat?—Hierbij wees hij op Raffles.
+
+—Ik maakte met dezen charmanten Arabier kennis in den trein. Hij komt
+van Alexandrië en ik kan mij absoluut niet voorstellen wat u in hem
+„een goede vangst” noemt.
+
+—Zoo!... Hm!... Hm!... De kerel was onbeleefd.
+
+Raffles had tot heden toe gezwegen en zich een houding gegeven alsof
+hij absoluut niets van het geheele gesprek begreep. Hij schrok quasi op
+toen Baxter het woord tot hem richtte.
+
+—Uw naam?
+
+—Ben Amis.
+
+—En van uw makker?
+
+—Saraj.
+
+—Hoe?
+
+—S. a. r. a. j.—spelde Raffles.
+
+—Heidensche namen—bromde Baxter!—Waar vandaan?
+
+—Alexandrië.
+
+—Heb je papieren bij je?
+
+—Zeker heb ik die. Maar heb ik gestolen? Kwaad gedaan? Op het consulaat
+te Londen heeft men mij met alle eer behandeld. Ik zal een aanklacht
+indienen wegens deze behandeling. Een dienaar van koning Menes heeft
+recht op een betere behandeling.
+
+Baxter verschoot een weinig van kleur.
+
+„De vloo”, die zijn chef al zoo menigmaal had zien falen, en de
+agenten, die Baxter gedurende één dag kenden, doch hem niet konden
+respecteeren, genoten van de brutaliteit waarmede deze Arabier tegen
+den chef durfde optreden!
+
+Heel wat kalmer dan zooeven vroeg Baxter de reden van den volksoploop.
+
+—Kan ik het helpen—vroeg Raffles—dat het publiek mij aangaapt met een
+bijzondere belangstelling? Is het mijn schuld dat men nooit een Arabier
+heeft gezien? Ligt het aan mij dat de bediende van het „London Hotel”
+mij in een auto—een duivelsding!—wilde stoppen, wat ik niet verkoos? Uw
+optreden, mijnheer, was ongerechtvaardigd. U kende mij niet. Evenmin ik
+u. Als u in uniform geweest waart, dan had ik gezien dat u een
+autoriteit was. Nu vermoedde ik dat gij een nieuwsgierige waart. Dat
+moest u bedacht hebben. De Engelsche politie, vooral die uit Londen,
+heeft in de wereld een goeden naam, en wij hadden nooit kunnen denken
+dat wij deze ervaring zouden opdoen. Uw schuld is het, mijnheer de
+inspecteur, dat de couranten zullen vermelden dat Ben Amis, de grootste
+paardenbezitter van Alexandrië, door Engelsche politie-beambten is
+opgebracht. Dat zal men u nooit vergeven en ik zal u aanklagen.
+
+—Ja maar...—hakkelde Baxter uit het veld geslagen...
+
+—Neen!... Neen!... Neen!... mijnheer, eenige vergissing is mogelijk,
+maar niet een zooals deze. Zoekt u een misdadiger? Iemand die hier is
+of komen zal? Maar, bij Mohamed’s baard, zie ik er dan uit als een
+misdadiger?
+
+Het geval werd tragisch.
+
+Baxter transpireerde groote druppels zweet.
+
+Hij werd angstig.
+
+Het gelaat van „de vloo” stond in spanning. Ieder oogenblik had hij
+willen uitbarsten in lachen.
+
+Raffles’ gelaat stond onheilspellend donker.
+
+—Rukt uit!—commandeerde Baxter tot de vier agenten, die nog steeds
+stonden te wachten.
+
+Glimlachend verwijderden zij zich.
+
+Toen stond de inspecteur op en zeide zichtbaar geroerd:
+
+—Mijnheer Ben... Ben... Ben!... hoe is ’t ook weer?... Eh... Ben...
+Amos....
+
+—Ben Amis—verbeterde „de vloo”.
+
+—Houd je mond, vlegel!—brulde Baxter, blij dat hij zijn toorn op een
+onschuldige kon doen losbranden!—’t Is jouw ezelachtige schuld dat ik
+deze onschuldige lieden arresteeren liet.
+
+—Mijn... schuld? Nu nog mooier!
+
+—Zeker, stommerd! Jij had het je tot plicht moeten rekenen mij direct
+in kennis te stellen van je reis. Dan had dit alles niet kunnen
+gebeuren. Jij zult nooit leeren! Nooit wordt jij een goed politieman.
+Jij en die... die... Raffles zijn twee ellendelingen!
+
+Ben Amis, alias Raffles, voelde ineens veel sympathie voor „de vloo”.
+
+Baxter ging voort:
+
+—U, mijnheer Ben Amis, bied ik mijne verontschuldigingen aan.
+
+—Geef mij dat op schrift.
+
+—Dat kan ik niet.
+
+—Dan klaag ik u aan.
+
+—Ga uw gang, mijnheer. Gij zult dan ervaren wie Baxter is en wat voor
+invloed hij heeft.
+
+Raffles sprak eenige onverstaanbare woorden tot Charly en beiden
+maakten aanstalten om heen te gaan.
+
+„De vloo” schoot toe om de deur te openen, doch de inspecteur voorkwam
+hem.
+
+—Eén oogenblik! Wat wenscht u met dat geschrevene te doen?
+
+—Meenemen als een bijzondere herinnering.
+
+—Anders niet?
+
+—Anders niet.
+
+—Mr. Marholm!—gebood Baxter—schrijf even een verontschuldiging.
+
+—Neen! Pardon! U zelf moet dit schrijven—sprak Raffles.
+
+Na eenig tegenstribbelen zette Baxter zich neer; een oogenblik zat hij
+te denken en toen schreef hij met groote lompe letters:
+
+
+ L. S.
+
+ Ik, ondergeteekende, inspecteur en hoofd van „Scotland Yard”, thans
+ gedetacheerd in York, ter gelegenheid van de jaarlijksche
+ wedrennen, verklaar, dat door een noodlottige vergissing Ben Amis,
+ komende van Alexandrië, door mij is gearresteerd geworden. Ik
+ verplicht mij hem op alle mogelijke wijzen te rehabiliteeren.
+
+ BAXTER.
+
+ York, 14 Mei 1880.
+
+
+Glimlachend nam Raffles dit geschreven bewijs van Baxter aan en bergde
+het in zijn wijd opperkleed.
+
+Toen boog hij hoffelijk en vertrok zonder één woord te spreken, met
+Charly naar het London Hotel!
+
+Zoodra de beide Arabieren vertrokken waren, openden zich de „sluizen”
+van Baxter’s toorn en al vloekende beweerde hij dat alles kwam „door
+dien vermaledijden boef „Raffles”.”
+
+Dit werd alles nog veel erger toen de postbeambte een brief, uit Londen
+afkomstig, voor inspecteur Baxter bezorgde van den volgenden inhoud:
+
+
+ Geachte Heer Baxter!
+
+ Uit de dagbladen bemerkte ik dat u de meening is toegedaan, dat ik
+ te York aanwezig zou zijn tijdens de wedrennen.
+
+ Ten einde u niet nog beschaamder te doen staan tegenover hen die u
+ als onovertreffelijk beschouwen, deel ik u mede dat ik thans, en
+ wel voor het eerst van mijn leven, het genoegen zal hebben naar
+ York te komen.
+
+ Misschien is het wel zeer interessant.
+
+ Geheel de uwe,
+
+ RAFFLES.
+
+
+Van dat oogenblik af was Baxter wanhopig en liet hij iedereen, die te
+York aankwam, bij zich komen, hen onderwerpende aan een zeer scherp
+verhoor.
+
+Doch Ben Amis was reeds lang in het „London Hotel” aangekomen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+LORD BENTFIELD ONTMASKERD.
+
+
+Raffles en Charly werden als Ben Amis en Saraj verwelkomd door den
+beheerder van het „London Hotel”, die zijn leedwezen uitsprak omtrent
+het gebeurde en mededeelde dat de commissionnair, door wiens toedoen
+het voorgevallene gebeurd was, direct ontslagen was.
+
+—Dat is niet goed—antwoordde Ben Amis driftig.—Ge moet dien man
+onmiddellijk in dienst terug nemen. ’t Was zijn schuld niet.
+
+Deze onverwachte wending had den hotelier niet verwacht en hij gaf de
+verzekering dat de man in dienst zou blijven evenals Ben Amis dit had
+bevolen!
+
+Daarop togen beide vrienden naar de voor hen gereserveerde kamers en
+wierp Ben Amis zijn overtollige kleedingstukken uit.
+
+—Nu, Charly! Wat zeg je er van, mijn jongen?
+
+—Dat het ditmaal nooit goed met ons afloopt.
+
+—Charly, neem eens een frisch bad, maar kom direct weer bij mij terug
+om je opnieuw te grimeeren.
+
+—Wat is dat nu weer voor malligheid?
+
+—Wel, beste jongen, ’t lijkt mij toe, dat gij wat moê zijt, of
+zwaarmoedig! Een goed koud stortbad, dat je op je huid prikkelt, is een
+uitstekende medicijn!
+
+—Dank je wel! ’t Is geen zwaarmoedigheid van me, wanneer ik vrees dat
+’t ditmaal niet goed afloopt.
+
+—Waarom denkt gij dat?
+
+—York is een klein gat....
+
+—Met, morgen, eenige tienduizenden bezoekers,—viel Raffles in.
+
+—Wat zou dat? Baxter heeft ons reeds eenmaal gezien...
+
+—Juist en daarom is van hem geen gevaar meer te vreezen.
+
+—En die krankzinnige brief dan?...
+
+—Is het middel hem op dwaalwegen te brengen. Wedden dat hij op ’t
+oogenblik alle treinen onderzoeken zal?
+
+—Best mogelijk. Maar nog nooit heb ik een angstig voorgevoel gehad voor
+je ondernemingen. Nu wel!
+
+—Dat komt omdat gij niets te doen hebt. Ledigheid is altijd verkeerd.
+Het brengt gedachten of herinneringen, die niet goed en óók niet noodig
+zijn. Ge moet iets doen! Jij gaat thans op verkenning uit en zoekt in
+aanraking te komen met de wedders.
+
+—Moet ik dit doen?
+
+—Ja. Ik ga met spoed naar het inschrijvingsbureau en zal mij daarna
+naar mijn vurigen Aldabaran begeven. Tot straks, Charly!
+
+Charly begreep dat er niets aan te doen was. En ziende hoe zijn heer en
+vriend gestemd was, begreep hij dat het niet zoo’n vaart loopen zou met
+alles, en toog hij tamelijk opgewekt naar buiten.
+
+’t Allereerste ging hij naar de plaats waar de wedrennen gehouden
+werden en zag dat verscheidene handen bezig waren om de laatste
+toebereidselen te maken voor de zoo gewichtige gebeurtenis—de
+jaarlijksche rennen.
+
+Reeds gedurende vele jaren werden ieder jaar te York, eenige mijlen van
+Londen, wedrennen gehouden, uitgeschreven door een daartoe aangewezen
+internationale commissie.
+
+Van heinde en ver kwamen ze, de eigenaars, jockey’s en paarden om hier
+te midden van uitgestrekte landerijen te genieten van een
+sportdemonstratie of de krachten met anderen te meten.
+
+Op het terrein vóór de renbanen, die keurig netjes opgeharkt waren en
+zorgvuldig afgezet te blakeren lagen in het helle zonlicht, waren reeds
+vele kramen opgeslagen. Kramen voor verfrissching, voor eetwaren, voor
+uitspanning en vermaak, kortom ’t was er alsof het kermis ware.
+
+Weer dichterbij vond men de kleine houten kantoortjes waar men de
+postal orders [1] in depôt gaf, wanneer men een weddenschap aanging.
+
+Hier stonden ook de waarnemingsborden en de namen der paarden, waardoor
+men steeds den stand der wedrennen volgen kon.
+
+En dan rondom de renbanen de reusachtige tribunes, de loopgangen voor
+de wedagenten, de loges voor de eigenaars, de logementen voor de
+jockey’s en de stallen voor de edele paarden.
+
+Zoodra Charly op deze plaats rondliep, zich gereedhoudende om actief op
+te treden, genoot hij ook, evenals op het stationsplein, verbazend veel
+belangstelling. Langzaam, doch elastisch, zooals Raffles hem gezegd
+had, liep hij als een echte Arabier langs dit alles heen en genoot van
+de algemeene opmerkingen die men omtrent hem ten beste gaf.
+
+Charly’s aandacht viel op een tweetal mannen die nevens een tent
+stonden te wachten en hem onophoudelijk aankeken.
+
+Wachtte men op hém?
+
+Inderdaad! Eén der mannen trad op hem toe en vroeg:
+
+—Zoekt u iets?
+
+—Neen! Ik neem alleen alles eens in oogenschouw.
+
+—Is mijnheer jockey?
+
+—Neen!
+
+—Komt mijnheer van zóó ver uit belangstelling?
+
+—Hoe weet u dat ik van verre kom?—vroeg Charly.—Wonen er te Londen geen
+Arabieren?
+
+—Niet van zoo donkere gelaatstint als u—antwoordde de man
+complimenteus.
+
+—Gij hebt gelijk. Ik kom uit Alexandrië. Ge kent het? Ik heb mijn
+meester Ben Amis en diens renpaard vergezeld.
+
+De kerel, met wien Charly sprak, knipoogde tegen zijn kameraad zonder
+te vermoeden dat de Arabier dit bemerkte.
+
+—Maar dan rijdt u toch?
+
+—Mijn meester rijdt zelf!
+
+—Hoe is de naam van ’t paard?
+
+—Aldabaran.
+
+—Vlug?
+
+—Als water, wegvliegend uit een rots.
+
+—Sterk?
+
+—Als de bergen van den Ararat!
+
+—Jong?
+
+—Als de zon die opkomt uit de nevelen van den nacht.
+
+De kerels waren er stil van!
+
+Op hun korte vragen had Charly—die nu pleizier in de geschiedenis
+kreeg—echt dichterlijk geantwoord.
+
+De beide mannen zagen elkander aan en na eenige minuten vroeg er een:
+
+—Heeft dat paard al meer gewonnen?
+
+—Van de twee en twintig wedrennen, gehouden tusschen de beste paarden
+van Arabië, heeft Aldabaran er niet één verloren. Mijn meester is
+schatrijk door hém!
+
+Weer zweeg men en daarna vroeg de ander:
+
+—Waar is uw meester?
+
+—In het London Hotel.
+
+—En waar het paard?
+
+—In een specialen stal.
+
+—Kunnen wij dat dier eens zien?
+
+—Niet vóór de wedrennen.
+
+—Waarom nu niet?
+
+—Mijn meester wenscht dat niet.
+
+—Jammer! Kunnen wij uw meester spreken?
+
+—Vraagt het hem zelf.
+
+—Ge zoudt kunnen verdienen.
+
+—Ik verdien genoeg.
+
+Nijdig keerden de kerels zich om en vertrokken.
+
+Charly had eerst nog gehoopt dat zij terug waren gekomen, omdat hij
+thans niet veel te rapporteeren had aan Raffles, maar hij werd in zijn
+veronderstelling bedrogen.
+
+De kerels waren achter de kraam of tent verdwenen en bleven weg.
+
+
+
+Zoodra de beide mannen, die met Charly gesproken hadden, uit ’t gezicht
+van de menschen, die bij en om de renbanen liepen, verdwenen waren,
+zeide de een tot den ander:
+
+—Dat is dat vreemde paard.
+
+—Er moet ingegrepen worden,—meende de ander.
+
+—Natuurlijk. Maar hoe?
+
+—Oogenblikkelijk beginnen. We zullen dan vanavond aan de club kunnen
+mededeelen dat wij goede zaken hebben gedaan. Er is iets extra’s te
+verdienen.
+
+—Wat wil je doen?
+
+—Of ’t paard onschadelijk maken òf dien vreemden snoeshaan overhalen
+tot medewerking.
+
+—Dat is gewaagd!
+
+—Ach wat! Goud verblindt. Met geld doe je alles, kun je hemel en aarde
+bewegen! We zullen eens zien!...
+
+
+
+Inmiddels was Charly weer teruggedwaald en begaf zich naar het „London
+Hotel”.
+
+Zijn meester en vriend was nog niet terug, redenen waarom Charly zich
+rustig neerzette in de zitkamer, door Raffles gehuurd tijdens de
+wedrennen.
+
+Raffles was even na Charly weggegaan en had zich allereerst in laten
+schrijven als deelnemer aan de wedrennen en als eigenaar van den
+volbloed Arabischen hengst Aldabaran.
+
+Toen dit afgeloopen was, begaf hij zich naar den stal waar Aldabaran
+stond.
+
+Enkele dagen geleden had Raffles dit edele rijdier met twee zijner
+getrouwe bedienden naar hier gezonden en in een speciaal voor Aldabaran
+gehuurden stal neergezet.
+
+Het gebeurde immers wel eens dat een paard, buiten de weddenschappen
+staande, zoodanig mishandeld werd, dat op den dag der rennen het dier
+niets waard was.
+
+En Raffles’ plannen waren ook zoodanig ingericht, dat iedereen brandde
+van nieuwsgierigheid.
+
+Hij vond Aldabaran met zijn twee bewakers Tim en Jack in de beste orde
+en streelde het edele ros zacht over de huid.
+
+Zorgvuldig hadden Tim en Jack alle belangen behartigd en Raffles’
+bevelen tot in de fijnste onderdeelen toe uitgevoerd.
+
+Raffles gaf zijn goedkeuring te kennen en drukte hun nogmaals op het
+hart, toch vooral niemand tot Aldabaran toe te laten.
+
+Daarna vertrok hij en liep evenals Charly gedaan had, nog even langs de
+stallen bij de renbanen.
+
+Sommige deuren waren gesloten, andere stonden open en overal was er
+drukte en beweging.
+
+Raffles’ aandacht werd opeens getroffen door enkele teekens die met
+krijt op een deur van een der laatste stallen geteekend waren.
+
+Dichterbij gekomen zag Raffles dat het de zoogenaamde dieventaal was,
+en aangezien hij verschillende stelsels bestudeerd had, las hij het
+„bericht” gemakkelijk: „Hedenavond elf uur spoedbijeenkomst”.
+
+Drommels, waar zou die bijeenkomst wezen? En was dit heden geschreven?
+
+Raffles naderde ongemerkt de deur en keek scherp toe. Het krijt was
+versch, dus heden geschreven!
+
+Om rustiger hierover te kunnen nadenken, begaf Raffles zich naar het
+hotel en vond Charly op hem wachten.
+
+Charly vertelde, terwijl Raffles cigaret na cigaret „verslond”, zijn
+wedervaren en besloot met de mededeeling:
+
+—Meer kon ik heden niet te weten komen.
+
+—Waar bleven de kerels?
+
+—Weet ik niet.
+
+—Je hebt wel eenigszins dom gehandeld, want ik vermoed dat dit toch de
+sleutel wezen zal, noodig om toegang te hebben tot die geheimzinnige
+club der wedders. Bovendien ware het belangrijk geweest omdat er
+hedenavond een vergadering of bijeenkomst is.
+
+—Hoe weet jij dat?
+
+—Gelezen.
+
+—Waar?
+
+—Op de staldeur nummer zeventien. Ge ziet mij weer zoo echt naïef aan.
+Je weet ik let gewoonlijk op alles. En de dieventaal ken ik ook een
+weinig.
+
+—En waar is die vergadering?
+
+—Dat is de vraag, Charly! De club heeft natuurlijk haar geheim lokaal.
+Dat moet ik uitvinden.
+
+—Hoe wilt gij dat doen?
+
+—Nog onbekend, doch ik vertrouw op mijn gelukkig gesternte! Laten wij
+eerst eens iets nuttigen. Mijn maag herinnert mij aan stoffelijke
+dingen, vriendlief. Roep den kellner!
+
+Charly drukte op een electrische schel en enkele oogenblikken later
+verscheen een kellner, aan wien Raffles opdroeg zoo vlug mogelijk voor
+een diner te zorgen.
+
+Een uur later lag Raffles te genieten van een fijne Havana en dacht hij
+diep na.
+
+Bescheiden werd er op de deur geklopt. Raffles hoorde het niet, doch
+Charly riep „Binnen!”
+
+Een hotelbediende trad binnen en zeide:
+
+—Mijnheer, daar is een heer bij onzen chef gekomen of hier een Arabier,
+die een paard bezit met den naam Aldabaran, gelogeerd is. Wij vermoeden
+dat het Ben Amis wezen kan en werd mij opgedragen u te verzoeken dit
+aan uw meester mee te deelen.
+
+—Hoe heet die vreemde heer?
+
+—Lord Bentfield, mijnheer. Hier is het kaartje.
+
+—Verzoekt die man toegang tot Ben Amis?
+
+—Indien Ben Amis eigenaar is van Aldabaran.
+
+—Dat is zoo! Ik zal mijn meester verwittigen.
+
+Raffles, die op het breede balcon zat, had weinig van deze boodschap
+gehoord, doch toen Charly hem alles had gezegd, riep hij:
+
+—Laat onmiddellijk dien Lord Bentfield binnen!
+
+Raffles bekeek zichzelf in den spiegel en gaf zich een ongedwongen en
+gemakkelijke houding.
+
+Charly leidde Lord Bentfield binnen.
+
+Raffles stond op.
+
+—Wat verschaft mij het genoegen Uwe Lordschap te mogen ontvangen?
+
+—Niets meer en niets minder dan enkele, misschien brutale, vragen.
+
+—En die zijn?—vroeg Raffles kortaf.
+
+—Heden was ik bij de inschrijving tegenwoordig en ik bemerkte daar dat
+u Ben Amis, een volbloed Arabischen hengst, Aldabaran geheeten, in de
+baan brengt.
+
+—Dat is zoo! Een gansch éénig paard, een dier zooals er geen tweede is!
+’t Heeft mij reeds twee en twintig rennen doen winnen. ’t Is een
+buitengewoon edel dier en een geschenk van koning Menes aan mij voor
+bewezen diensten. Ik hoorde van de wedrennen te York. Las, hoe hier
+schier uit alle oorden der wereld renners naar toe kwamen en vatte het
+plan op om ook Aldabaran eens op Engelschen bodem te doen kampen. Hebt
+u verstand van paarden?—vroeg Raffles ineens in een gansch anderen
+toon.
+
+—Gelukkig ja! En het is ook enkel en alleen belangstelling die u lastig
+valt in mijn persoonlijk bezoek. Ik zelf heb zeer veel gereden en zou
+zoo gaarne dit buitengewone dier zien.
+
+Raffles sprong op.
+
+—Is niet te zien, mijnheer!—riep Raffles driftig. —Wie garandeert mij
+dat u geen revolver, geen mes of wat ook bij u hebt, waarmede gij mijn
+trouwen Aldabaran treffen zou! Ah! wij Arabieren houden van onze dieren
+en beschouwen zulk een paard als ’t licht onzer oogen... Overmorgen
+zult gij Aldabaran zien! U is toch bij de wedrennen?
+
+Lord Bentfield scheen wel wat geschrokken. Hij zweeg althans enkele
+minuten, terwijl hij zenuwachtig met zijn hoed heen en weer draaide.
+
+In dien tusschentijd had Raffles gelegenheid te over om Lord Bentfield
+op te nemen. Daarbij bemerkte Raffles dat de kerel geschminkt was en
+een pruik droeg. Ook de handen wezen er op dat dit onmogelijk een lord
+wezen kon.
+
+—Ziet u eens,—zoo begon Lord Bentfield weer—ik ben voorzitter van de
+„Paardensport-vereeniging” en stel het zéér op prijs wanneer u van mijn
+diensten gebruik zult willen maken. Ik ben allereerst gekomen om uw
+Aldabaran te mogen zien. Dit is mij niet gelukt. Van zelf spijt dit
+mij. Toch wil ik er in berusten, zonder rancunemaatregelen te nemen.
+Doch mag ik u waarschuwen?
+
+—Indien dit noodig is, zelfs zeer gaarne.
+
+—’t Is de eerste maal dat u te York komt?
+
+—Ja.
+
+—U kent dus de gewoonten niet?
+
+—Hoe zou ik ze kennen?—vroeg Raffles, die nieuwsgierig was waar de man
+heen wilde.
+
+—Ziet u eens. Als u als eigenaar rijden wilt, is er gevaar.
+
+—Dat is wel eens aangenaam.
+
+—Gevaar voor uw leven—zeide de man met klem, omdat hij boos werd dat
+zijn woorden zoo weinig indruk maakten op den Arabier.
+
+—Mijn leven is in Mohamed’s hand, Lord Bentfield, en daarbij blijf ik.
+Is mijn tijd gekomen, dan moet ik gaan en daarmee afgeloopen.
+
+Lord Bentfield stond woedend op.
+
+—U moet het zelf ervaren—sprak hij met een merkbare trilling in zijn
+stem—hoe het dan gaan zal.
+
+—Zeer geëerde Lord—hernam Raffles—indien u met geen andere voorstellen
+tot mij komen kunt, is uw tocht doelloos geweest. U denkt
+waarschijnlijk dat ik, omdat ik een andere gelaatskleur heb dan u, ook
+dommer wezen moet. Gerust, u vergist zich! Ik twijfel bijvoorbeeld niet
+dat u Lord Bentfield is, maar vraag mezelf toch af wat de reden wezen
+mag dat u tot mij komt met een vermomming...
+
+Lord Bentfield gaf een lichten kreet en greep meteen naar zijn pruik.
+
+Te laat......
+
+Hij was ontdekt......
+
+Raffles keerde zich om en deed precies alsof hij iets doodgewoons
+gezegd had en lette niet op de wanhopige pogingen welke Lord Bentfield
+deed om zich te herstellen.
+
+Charly verkneukelde zich van pret en zag met genoegen hoeveel moeite
+Lord Bentfield deed om een weg te vinden om heen te gaan.
+
+Lord Bentfield keek van Raffles naar Charly en van dezen weer naar
+Raffles.
+
+Toen hoorde hij zich toevoegen door Raffles’ stem:
+
+—Daar hebt u een spiegel, Lord!—Raffles drukte sterk op het laatste
+woord.—Maak alles in orde en verdwijn!
+
+—Zult u geen maatregelen nemen?
+
+—Bij ons schiet men zoo iemand òf dood, òf men koopt de schuld af. Wat
+ik thans moet doen weet ik nog niet. Trouwens York wemelt op ’t
+oogenblik van geheime agenten van politie. Ik zou het hun mee kunnen
+deelen en u hier zoolang doen bewaken. Wie de gevaren der woestijn en
+der bergen kent, weet altijd te handelen, Lord!
+
+—Ik ben bereid schadeloosstelling te geven!—stamelde Lord Bentfield.
+
+—Voor wat? Mij deed en doet ge geen schade, wèl u zelf. Vertel mij wat
+uw eigenlijk doel was. Want ik kan mij moeilijk voorstellen dat gij
+alleen kwam voor hetgeen gij thans gezegd hebt. Is er meer belang bij
+voor u dan voor mij? Heeft u reeds weddenschappen genomen op andere
+paarden? Verwissel ze dan op mijn paard en ik geef u de verzekering dat
+gij winnen zult. Hebt gij een eigen paard? Wilt gij een mijner
+getrouwen als jockey? Komt u zichzelf aanbieden als zoodanig? Spreek
+vrijuit. Ik ben dat ook gewoon te doen. Niets haat ik meer dan die
+vormelijke belangstelling in het heil of geluk van anderen, dat niets
+meer of minder beteekent dan eigen egoïsme nog beter te kunnen
+bevoordeelen of te dienen. Wilt gij mij uw plannen zeggen?
+
+Lord Bentfield zag wanhopig rond en besloot schijnbaar om zich gewonnen
+te geven.
+
+Na minuten lang zwijgen zeide Lord Bentfield:
+
+—Inderdaad, Ben Amis, ik ben met andere plannen gekomen.
+
+—En die zijn?
+
+—Sta mij toe, u dit morgen te zeggen.
+
+—Waarom dan pas?
+
+—Ik ben niet alleen. Nog enkele heeren en kennissen van mij hebben een
+club gevormd, die zich ten doel stelt de weddenschappen zoodanig te
+doen zijn, dat er een kleine winst, zonder risico, gewonnen kan worden.
+Dat is al! En wanneer u met uw paard komt, zal alles natuurlijk hooger
+gaan mèt minder winst. Verschillende jockey’s zijn bij ons aangesloten.
+
+—Dat begrijp ik,—viel Raffles in.—Er is dus, met andere woorden, geld
+te verdienen?
+
+—Jawel.—Haperend zeide Lord Bentfield dit.
+
+—En hierover moet u met uwe makkers beraadslagen?
+
+—U raadt het ongeveer.
+
+—Laten wij een einde er aan maken. Dit gedraai om de zaak heen verveelt
+mij. Wat betalen de heeren als ik hun de weddenschap met goed succes
+bezorg?
+
+Lord Bentfield keek ongerust op. Met dezen Arabier was het geen
+gekscheren. Men moest met hem oppassen. Als hij nu maar eerst bij de
+kameraden was. Misschien was er met dezen man te handelen.
+
+—Ik wil—vervolgde Raffles—desnoods met u meegaan!
+
+—Goed, gaat met mij meê. Om elf uur is het onze bijeenkomst. Ik zal u
+wachten bij de stallen der baan.
+
+—Mooi—lachte Raffles.—Ik zal er zijn.
+
+—Het wachtwoord is Aldabaran.
+
+—Prachtig.
+
+—Ik waarschuw u verder dat u geen politie-maatregelen neemt, anders kon
+het u wel eens berouwen.
+
+—Gewoonlijk handel ik zèlf. Ook nu.
+
+Lord Bentfield vertrok en Raffles wreef zich vergenoegd in de handen.
+
+Het zaakje marcheerde prachtig.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+BAXTER WORDT ARABIER.
+
+
+Voordat Raffles wegging zette hij zich neder en schreef het volgende
+briefje:
+
+
+ Mijnheer.
+
+ Vanmiddag, toen ik bij de stallen was, gelegen bij de renbanen,
+ bemerkte ik uit de verte twee mannen, die mijn aandacht trokken. Ik
+ stelde mij verdekt op, wetende dat in deze tijden zoo veel
+ misdadigers los loopen. Dichterbij gekomen, hoorde ik fluisteren en
+ verstond dat er hedenavond een bijeenkomst zal plaats vinden van de
+ zoogenaamde weddersclub. Ook hoorde ik den naam van Raffles en
+ besloot men vooral maatregelen te nemen tegen een Arabier, Ben
+ Amis, welke hier met een paard aanwezig is.
+
+ Misschien kunt u met deze weinige gegevens—meer kon ik er niet
+ bekomen—iets bereiken.
+
+ Ik was zelf gaarne gekomen, maar moet heden voor zaken weg.
+
+ Hoogachtend,
+
+ JACKSON.
+
+
+Hij—Raffles—nam een couvert en schreef het adres:
+
+
+ Aan
+
+ den WelEdel Gestrengen Heer
+
+ BAXTER
+
+ uit Londen,
+ Hoofd der Politie,
+
+ YORK.
+
+
+Daarop liet hij Charly den brief naar een estafet aan het station
+brengen om den brief onmiddellijk te brengen op het Bureau van Politie.
+
+Dit gebeurde en drie kwartier later liep inspecteur Baxter heen en weer
+te „ijsberen” in het bureau.
+
+Den brief van Jackson hield hij geopend in zijn hand en „de vloo” keek
+zijn chef met groote oogen aan.
+
+—De man wordt nu stellig gek—mompelde „de vloo”.
+
+—Wat brom je daar weer?—stoof Baxter op.—Uilskuiken! In plaats dat je
+mij helpt denken, zit je daar suf neer! Wat voer je eigenlijk uit?
+
+„De vloo” stond op en „ijsbeerde” oogenblikkelijk mee met zijn chef.
+
+En nu vertoonde zich het belachelijke feit dat Baxter met den
+wijsvinger aan het hoofd, „de vloo” precies eender, heen en weer stapte
+door het bureau.
+
+Stond Baxter stil... „de vloo” stond als een paal.
+
+Zuchtte Baxter... „de vloo” scheen aan pijn te lijden, want hij zuchtte
+zóó aandoenlijk dat wie het gehoord had, hem ondersteund zou hebben.
+
+Slaakte Baxter een kreet, alsof hij een ontdekking deed, „de vloo”
+stiet een vreugdegeluid uit, precies alsof hij een schat vond van
+groote waarde.
+
+En dan maar weer... acht passen heen!... acht passen terug...
+stilstaan,... zucht... vooruit... wéér stilstaan... kreet...
+
+—Wat voer je in hemelsnaam uit?—brulde Baxter opeens, toen dit spel al
+meer dan een kwartier geduurd had.
+
+—Ik help u denken, chef—antwoordde „de vloo”.
+
+—Ruk uit...
+
+—Chef?
+
+—Wat moet je?
+
+—Als we eens....
+
+—Raffles zochten, wil je zeggen, hè?
+
+—Juist, chef....
+
+—Jonge man, ik bewonder je doorzicht... Maar hoe? Waar vinden wij dien
+kerel.
+
+—Bij die wedclub.
+
+—Maar waar vinden wij die?
+
+—Chef, als ik nu eens iets zeggen mag?
+
+—Ga je gang, Marholm. Geneer je niet....
+
+—Als wij nu eerst eens naar dien Ben Amis gingen. Hij wordt in dien
+lammen brief van Jackson genoemd. Misschien heeft de Arabier ook wel
+een brief gekregen.
+
+—Wat denk je van dien Jackson?
+
+—Dat is een ezel, chef.
+
+—Op zijn minst genomen een ezelsveulen. Wij zullen uitvinden waar die
+kerel woont en hem behoorlijk straffen. De vent had mij, Baxter!
+onmiddellijk in kennis moeten stellen van dit feit. Zaken... zaken?...
+Politie gaat altijd voor... Naar Ben Amos, zeg je, hè?... Waarom lach
+je, hondsvot?
+
+—’t Is Ben Amis, chef.
+
+—Nu ja!... Ben Amis dan... Goed, laten wij er heen gaan, en de kerel
+moet al heel weinig praatjes maken of ik reken hem in.
+
+—Maar chef, de kerel is toch volkomen correct geweest!
+
+—Zwijg, ik kan de zwarte tronie van dien vent niet uitstaan....
+
+„De vloo” zweeg en toog met inspecteur Baxter op weg naar het „London
+Hotel”, waar zij Ben Amis te spreken vroegen.
+
+Raffles had dit bezoek eenigszins verwacht, want natuurlijk zou Baxter
+toch wel onderzoeken of Ben Amis hem nieuws meedeelen kon.
+
+Toen Baxter met „de vloo” binnenkwam, trad Ben Amis hen eenigszins
+gereserveerd tegemoet en vroeg met gedempte stem:
+
+—Heb ik opnieuw beleedigd?
+
+—Integendeel... waarde heer—viel Baxter uiterst vriendelijk Raffles in
+de rede.—Ik kwam juist even bij u om te toonen dat wij u wenschen te
+beschermen.
+
+—Ook al beschermen?—vroeg Raffles, alias Ben Amis, met lichten
+spot.—Ben ik hier aangeland in een gekkenhuis? U wenscht mij te
+beschermen... Lord Bentfield wenscht mij te beschermen, wat moet ik
+daarvan denken?
+
+—Mijnheer—sprak Baxter geërgerd—ik verzoek u eenigen eerbied te hebben
+voor mijn waardigheid.
+
+—Met genoegen! Maar u zult mij toestemmen dat het mij wel zéér vreemd
+voorkomt al dat beschermen. Wij doen dat gewoonlijk zèlf.
+
+—Maar hier is het een ander land. Ik ben bijvoorbeeld onmisbaar...
+omdat ik juist de burgers beschermen moet.
+
+„Aangenaam”, dacht Raffles, „de kerel geniet dat hij over zichzelf
+spreken kan.”
+
+—Wie is Lord Bentfield—vroeg Baxter daarop, probeerende, zooveel als
+maar mogelijk was, gewichtig te doen!
+
+—Een vreemd heer. Een man die met een pruik op en verf op zijn
+gezicht....
+
+—Raffles—riepen Baxter en „de vloo” tegelijk.
+
+—Veel van gehoord—merkte Ben Amis alias Raffles lakoniek op.
+
+—Maar man... beste bruinhuid... lieve, goede Arabier... dat is de man
+dien wij zoeken. Waarheen is die Lord Bentfield gegaan?
+
+In vervoering greep Baxter „de vloo” vast, omhelsde hem en danste als
+een bezetene de kamer rond.
+
+—O „vlooitje”—riep Baxter.—Hou me vast!... Eindelijk!... Hij is hier in
+dit kleine nest. Hij kan niet weg. Alle wegen laten wij afzetten! Hij
+kan niet weg!!... Jij bent een engel, Marholm, een genie... Als ik
+Baxter niet was....
+
+—Zou u Marholm willen zijn—zeide „de vloo” droog weg.
+
+—Kerel, je gaat vooruit. Je bent veel vlugger van begrip... Lord
+Bentfield!!... Wie had dat gedacht... Ik zal hem „fielden”... De ure
+der wrake is daar.
+
+Waarschijnlijk zou dit nog langer geduurd hebben, ware het niet dat
+Charly binnen was gekomen en aller aandacht ineens op hem
+geconcentreerd was.
+
+—Weet gij iets naders, Saraj?—vroeg Ben Amis.
+
+—Ik ben hem gevolgd, meester. In stal zeventien ging hij binnen en kwam
+enkele minuten later met twee andere mannen naar buiten. Zij liepen
+weer naar het marktplein terug, sloegen een steeg in en daalden in
+nummer drie naar beneden.
+
+—Goed gedaan, Saraj! Dank je wel. Blijf hier. Misschien hebben de
+heeren jou nog iets te vragen.
+
+Charly boog het hoofd en trad enkele schreden terug.
+
+Baxter en „de vloo” gingen nu rustig zitten, want de manier van
+optreden, getoond door Ben Amis, was werkelijk imponeerend.
+
+Ben Amis presenteerde den heeren een sigaar, zette zich tegenover
+Baxter neer en zeide:
+
+—Het doet mij toch zulk een innig genoegen, dat u zoo prettig hier
+tegenover mij zit. Dit had ik waarlijk nooit gedroomd. Ter zake. ’t Zal
+zoowat een uur of twee geleden zijn, dat bij mij aangediend werd en
+binnentrad Lord Bentfield. Hij wilde mijn Aldabaran zien. Ik stemde
+niet toe. Ik vertrouwde hem niet. Toen vroeg hij mij of hij mij een
+jockey mocht aanbevelen. Alles zonder resultaat. Ik rijd immers zelf.
+Toen bemerkte ik dat hij met verf besmeerd was, en ander haar droeg dan
+hij van moeder natuur gekregen had. Ik maakte hem hierop opmerkzaam met
+het gevolg dat hij mij aanbood mede te werken tot een goeden afloop in
+de aanstaande weddenschappen.
+
+—Hij is het!—stiet Baxter uit.
+
+—Natuurlijk—meende Raffles, terwijl een ondeugend glimlachje hem langs
+de lippen vloog.—Ik voor mij ben in vergelijking van u slechts een leek
+op het gebied van politiezaken, maar me dunkt dat... eh!....
+
+—Raffles—viel Baxter dringend in.
+
+—Juist, Raffles,—hernam Ben Amis—zit er achter. Jongmensch—vervolgde
+hij tot „de vloo”—u mag wel goed les nemen bij uwen chef die zoo groot
+man is en blijkt te zijn.
+
+Baxter glom van genoegen. Hij zegende Ben Amis duizend maal en dacht,
+eerlijk gezegd, niet meer om Raffles, zóó was zijn eigenliefde en
+eigendunk bezig hem in te palmen.
+
+Eindelijk dacht Baxter om zijn plicht en meteen riep hij uit:
+
+—Waarde Ben Amis, waarom hebt ge mij niet eerder gewaarschuwd.
+
+Raffles, alias Ben Amis, had deze vraag reeds veel eerder verwacht en
+daarom antwoordde hij onmiddellijk:
+
+—Daar had ik geen gelegenheid voor en nam dientengevolge zelf
+maatregelen.
+
+—Welke?
+
+—Ik hoop, o groote man op het terrein der politie, dat het uwe
+goedkeuring zal wegdragen.
+
+—Natuurlijk!—stemde Baxter al bij voorbaat toe.
+
+Raffles genoot in alle opzichten.
+
+—Wat deedt gij?—vroeg Baxter.
+
+—Ik liet mijn Saraj hem volgen en gij zelf hebt gehoord welk een
+mededeeling de trouwe jongeling deed.
+
+—Zij zijn dus in een huis gegaan?—vroeg Baxter aan Charly, alias Saraj.
+
+—O ja, heer!—antwoordde deze.
+
+—Herinnert gij u nog welk huis?
+
+—Wanneer ik als gids dienen mag, zal ik de heeren veilig daar brengen.
+
+—Prachtig.
+
+—Gaat u alleen, chef?—vroeg „de vloo”.
+
+—Neen, jonge man, ik zal er wel alleen binnengaan en Raffles met zijn
+vlegels arresteeren, maar er moeten eenige agenten binnenkomen als ik
+er eenmaal ben.
+
+—Zou het geen overweging verdienen, mijnheer de inspecteur, om de
+kerels voor goed te vangen? Ik bedoel door hen zichzelf zoo vast te
+laten werken dat zij nooit meer vrij uit kunnen gaan? Wanneer u nu alle
+netten uitzet, zullen de vogels ongetwijfeld gevangen worden, tenzij u
+nu natuurlijk zulke maatregelen te nemen weet, dat zij niet vrij uit
+gaan. Wij, Arabieren, houden niet van hinderlagen. Wij vechten met open
+vizier. En me dunkt, als u daar binnen komt, kunnen er wel zooveel
+mannen aanwezig zijn, met zooveel middelen tot ontvluchten, dat u de
+dupe wordt.
+
+—Wanneer zij mij zien, zegt dat reeds genoeg, mijn waarde Ben Amis.
+
+—Toch zou ik voorzorgsmaatregelen nemen.
+
+Ook „de vloo” raadde dit sterk aan en Baxter liet zich overhalen.
+
+—Waarom—zoo vroeg Raffles,—zoudt u niet met dezelfde maat meten als
+zij. Verf u ook en trek andere kleederen aan.
+
+—Ja. Dat is een idee. Maar welke?
+
+—Ik weet—hernam Ben Amis—goeden raad. Gij waart zoo vriendelijk mij te
+beschermen. Ik stel dat op zeer hoogen prijs nu! Waarom zou ik u mijn
+diensten niet aanbieden? Lord Bentfield is bij mij gekomen. Hij kent
+mij dus. Hij deed mij zeer mooie financieele voorstellen. Geef u uit
+voor Ben Amis en begin de zaak uit te hooren.
+
+—Waarde Ben Amis—zeide Baxter diepbewogen—ik ben getroffen door uw
+wijze van optreden! Het is mij buitengewoon aangenaam met u kennis te
+hebben gemaakt. Ik zal uw naam blijven zegenen! Uw aanbod is zeer
+aannemelijk, doch hoe kom ik bij die vlegels binnen?
+
+—Saraj!—riep Ben Amis.
+
+—Ja, heer!—antwoordde deze direct.
+
+—Ga naar het huis van die steeg, welke gij gezien hebt. Klop aan en
+vraag wanneer uw heer verwacht wordt. Voeg er bij dat ik de plannen van
+Lord Bentfield aanneem.
+
+Meteen gaf Ben Amis, alias Raffles, Saraj, alias Charly, een wenk
+zonder dat deze door Baxter of „de vloo” opgemerkt werd.
+
+Buigend vertrok Charly en keerde ongeveer een half uur later terug. Hij
+was niet buiten het hotel geweest, want Raffles’ wenk had hij volkomen
+begrepen!
+
+Inmiddels had Baxter een costuum van een Arabier aangetrokken en zijn
+gelaat en handen bruin gemaakt met een kleurenmengsel dat een
+hotelbediende in de eenige apotheek die York bezat, gehaald had.
+
+Charly trad op Baxter toe, boog en zeide:
+
+—Heden om half twaalf wordt gij verwacht in de Jasonsteeg nummer drie.
+Tweemaal kloppen, eenmaal fluiten, driemaal „Aldabaran” zeggen.
+
+—Goede hemel, dat is een gansche les. Schrijf me dat even op, Marholm.
+
+Marholm, of-te-wel „de vloo”, schreef het op, en alles was gereed tot
+vertrek.
+
+Baxter was ongeduldig.
+
+Hij wilde maar direct weggaan, zou zich verdekt opstellen om op die
+manier te weten te komen, hoeveel mannen daar binnengingen.
+
+Aldus gebeurde.
+
+Even half elf vertrok Baxter met „de vloo”, uit geleide gedaan door
+Saraj.
+
+Raffles maakte zich gereed om heen te gaan naar stal nummer zeventien.
+
+Baxter liep als Arabier door de stille straten van het kleine York.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN WOELIGE BIJEENKOMST.
+
+
+Raffles, die inderdaad Lord Bentfield had laten volgen en dus wist waar
+de bijeenkomst plaats zou vinden, had reeds lang zijn werkplan
+vastgesteld en spoedde zich nu met snelle schreden naar stal nummer
+zeventien bij de renbanen, waar over enkele uren—overmorgen—alles één
+leven en beweging wezen zou!
+
+Toen Raffles naderde trad een donkere gedaante op hem toe, en hoorde
+hij een stem zeggen:
+
+—Wat is er?
+
+—Aldabaran—antwoordde Raffles.
+
+—Voor wie?
+
+—Voor Lord Bentfield.
+
+—Gaat binnen!
+
+—Beste kameraad—zeide Raffles—er is onraad, roep om hemelswil Lord
+Bentfield.
+
+—Hier ben ik, Ben Amis—antwoordde een stem.—Ik hoorde u. Braaf dat ge
+gekomen zijt.
+
+—Beste Lord, er moet gehandeld worden! Ik ben waarachtig meer uw vriend
+dan gij misschien wel denken kunt.
+
+—Spreek! Vlug! Niet te luid! Wat is er?
+
+—De politie heeft ons ontdekt.
+
+—Onmogelijk.
+
+—Toen gij bij mij waart, heeft men ons beluisterd. Naast mij is een
+inspecteur uit Londen gelogeerd. Deze was thuis en heeft woord voor
+woord verstaan!
+
+—Baxter!—stamelde Lord Bentfield.
+
+—Juist. De naam doet er thans weinig toe. Ik heb maatregelen genomen en
+gij kunt u redden.
+
+—Hoe?
+
+—Ik heb dien inspecteur zoo omgepraat dat hij als Ben Amis bij u komen
+zal. Hij scheen te weten waar uw vergaderlokaal is en gaat daarheen.
+Hij is gekleed evenals ik, zijn gelaat is bruin geverfd. Geef hem een
+gevoelige les en ga er van door. Kom morgen gewoon als jockey bij mij.
+Het geld moet goed verdeeld worden.
+
+Ademloos had Lord Bentfield geluisterd en zoodra hij alles gehoord had,
+floot hij driemaal op een eigenaardige manier, waarop een man te
+voorschijn kwam.
+
+—Vlug. Allen naar de Jasonsteeg. Met maskers. Ik dank u, Ben Amis—sprak
+de kerel—morgen spreken wij nader.
+
+—’t Zal mij aangenaam wezen—zeide Raffles, terwijl hij naar York terug
+wandelde.
+
+In ieder geval wilde hij den afloop der geschiedenis bijwonen en begaf
+hij zich zonder eenige haast te toonen naar een restaurant op de markt,
+dicht bij de Jasonsteeg.
+
+Niettegenstaande York maar een klein plaatsje was, waren de restaurants
+thans nog open wegens het jaarlijksche bezoek van verscheidene
+sportmenschen.
+
+Raffles zette zich neer in een aangenaam hoekje, bestelde zich een
+drank, stak een fijne sigaar aan en wachtte de dingen af die komen
+zouden.
+
+
+
+Lord Bentfield en zijn makkers waren vergaderd in de achterkamer,
+uitkomende in den tuin van het groote huis, bekend onder nummer drie in
+de Jasonsteeg.
+
+Hier woonde een lid van de wedders-club en hij had met medeweten en
+goedkeuring op kosten van de leden der club de achterkamer geheel als
+vergaderlokaal ingericht met inachtneming van alle maatregelen om het
+vergaderlokaal volkomen geluidloos te maken en te doen zijn.
+
+Hier waren op ’t oogenblik een twaalftal mannen bijeen, de een al
+ongunstiger type dan de andere.
+
+Af en toe ging de deur mechaniek open en trad er weer iemand binnen,
+totdat er ongeveer een twintigtal personen aanwezig waren, onder wie
+een zestal jockey’s, die deel zouden nemen aan de jaarlijksche
+wedrennen van York.
+
+Zoodra Lord Bentfield binnen was gekomen—hij was een der
+laatste—overzag hij den kring zijner vrienden en nam plaats aan ’t
+hoofd der lange tafel, die in ’t midden der kamer stond.
+
+Hij noodigde allen uit om plaats te nemen en sprak daarna in een zeer
+vlug tempo:—Kameraden! Er is een onheil over ons gekomen. Op ’t
+oogenblik is het mij niet te doen om te onderzoeken wie van ons iets
+heeft laten ontvallen, dat de politie achter onze schuilplaats en onze
+geheimen is gekomen.
+
+Hierop ontstond een geweldig tumult. Iedereen pleitte zich vrij,
+iedereen zag zijn buurman voor een verrader aan, iedereen raasde en
+tierde.
+
+Lord Bentfield hamerde geweldig en verzocht of allen, met het oog op de
+komst der politie, kalm wilden zijn en zoo noodig handelen.
+
+—Ik heb, dank zij ontzaggelijk veel moeite, beslag weten te leggen op
+een man, die ons veel zorg heeft gebaard. Ben Amis uit Alexandrië,
+eigenaar en berijder van den Arabischen hengst Aldabaran, komt tot ons
+over. Hij heeft mij evenwel op ’t oogenblik al den zeer grooten dienst
+bewezen om onzen vijand—de politie—aan ons over te leveren.
+
+Hierop verhaalde Lord Bentfield de geheele geschiedenis welke Raffles
+hem had medegedeeld.
+
+Een toornig gemompel werd vernomen. Allen hadden een meening, ieder
+vond zijn idee het beste voor uitvoering vatbaar.
+
+—Wij moeten—zoo sprak Lord Bentfield—in de allereerste plaats de
+politie, die verschijnen zal in de gedaante van den dikken Baxter, een
+poosje hier houden. Wij kunnen ons vermaken.... Maskers vóór, gebood
+Lord Bentfield een oogenblik later, want driemaal werd er gefloten op
+een instrument dat in de zoldering was aangebracht, en in verbinding
+stond met den portier.
+
+De maskers werden voorgedaan.
+
+Er naderden voetstappen, die voor de deur van het vergaderlokaal stil
+hielden.
+
+Tweemaal hoorden de aanwezigen op de deur kloppen. Toen een gefluit.
+
+Het lid der vergadering belast met de opening en sluiting der
+binnendeur, stond op en vroeg op luiden toon:
+
+—Wie daar?
+
+Driemalen klonk toen Baxter’s stem:—Aldabaran! Aldabaran! Aldabaran!
+
+De deur opende zich als vanzelf en Baxter’s welgedane lichaam, omkleed
+met Arabische kleederen, trad binnen in de vergaderzaal, waar niets
+anders dan gemaskerde mannen zaten die bijna geen notitie van den
+binnentredende namen.
+
+—Lord Bentfield!—riep Baxter op een gebiedenden toon, waar desniettemin
+een trilling van angst in was waar te nemen.
+
+—Welkom! Ben Amis! Welkom in de vergadering van de club der
+wedders—zeide Lord Bentfield.
+
+Baxter herademde! Alleen die beroerde maskers! Wie was Raffles nu?
+Zeker die Lord Bentfield. „Wacht maar, mannetjes, Baxter is er nu en
+zal zijn slag slaan,” mompelde hij bij zichzelf.
+
+—Mijne heeren—zoo vervolgde Lord Bentfield.—Het doet mij innig genoegen
+dat ik u mag voorstellen den eigenaar en berijder van den schoonen
+hengst „Aldabaran”. Ja, mijne broeders, Ben Amis zal ons, wanneer wij
+hem een gunstig aanbod zullen doen, in de gelegenheid stellen goede
+zaken te maken. Neemt u plaats, Ben Amis, en wij zullen uw voorstellen
+overwegen.
+
+Baxter was een beroerte nabij.
+
+Waar bleven nu de agenten?
+
+Waar „de vloo”.
+
+Hier kwam hij nooit uit.
+
+En dan die boeventronies.
+
+Hij vervloekte het uur waarop hij hier binnengekomen was.
+
+Natuurlijk begreep hij volkomen dat hij wilde er eenig succes op zijn
+pogen komen, mee moest doen.
+
+Tot zijn groote ontsteltenis herinnerde hij zich evenwel dat Ben Amis
+hem wel gesproken had van plannen door Lord Bentfield geopperd, maar
+niet welke.
+
+Als men hem dus vroeg om eenig antwoord, dan zou hij òf niet kunnen
+antwoorden òf het gansch verkeerd doen.
+
+Daar had men ’t al.
+
+Lord Bentfield vroeg:—Heeft Ben Amis nagedacht over hetgeen ik hem
+zeide bij mijn bezoek in zijn Hotel?
+
+—Ja!—stamelde de verschrikte Baxter—maar eh!... eh!... ik wilde nog wel
+eens opnieuw hooren wat de voorstellen eigenlijk zijn.
+
+—Me dunkt dat ik duidelijk genoeg gesproken heb. Ben Amis behoeft zich
+niet te verschuilen achter eenig masker, want wij hebben bij zijn
+binnenkomen geconstateerd, dat hij evenals wij, zich gemaskerd heeft.
+
+Baxter rilde!
+
+De kerels sprongen woedend op en schreeuwden van alles door elkander.
+
+—’t Is een verrader!... Maakt hem van kant!... Weg met hem!...
+
+Het koude angstzweet parelde Baxter op zijn voorhoofd.
+
+Waarom kwam „de vloo” niet met de agenten?
+
+Ah! zijn bevelen waren natuurlijk weer in den wind geslagen.
+
+Lord Bentfield hamerde met zijn voorzittershamer verschrikkelijk op de
+tafel en bezwoer voor enkele minuten den storm van verontwaardiging,
+welke er dreigde los te breken in de vergaderzaal der wedders.
+
+—Mijne heeren,—zoo riep Lord Bentfield—laten wij eerst eens kalm
+overleggen wat wij doen moeten.
+
+—Schiet hem dood!...—brulde er een.
+
+—Genade!... kermde het hoofd van Scotland Yard.
+
+—Kleedt hem uit en geeselt hem—opperde een ander.
+
+—Om Godswil, laat mij vrij—smeekte Baxter, die bemerkte dat hier alles
+bloedige ernst was.
+
+—Houdt hem gevangen tot na de wedrennen—sprak een derde,—daarna leveren
+wij hem over aan de Londensche politie met de boodschap er bij, dat hij
+het is die de weddenschappen gewonnen heeft.
+
+’t Was alsof een afgrond zich vóór Baxter opende. Hij las de kolommen
+vol over „Baxter als oplichter”. Hij zag zijn ondergeschikten met
+wreeden grijnslach op ’t gelaat. De menschen genieten immers over ’t
+algemeen van leedvermaak! Hij zag „de vloo” fijntjes lachen om deze
+nieuwe truc van Raffles. Natuurlijk! natuurlijk!... Lord Bentfield was
+Raffles. ’t Kon niet anders. ’t Was zoo! En zóó dicht bij dien sloeber
+te zitten en hem niet gevangen kunnen nemen.
+
+Baxter barstte van nijd.
+
+—Me dunkt—hoorde Baxter opnieuw zeggen...—me dunkt dat wij allereerst
+moeten beginnen met te zien wie of Ben Amis eigenlijk is. Wie weet,
+waarde kameraden, is het nog een goede kennis van ons, die ons een grap
+wil doen beleven.
+
+—Goed!—klonk het van alle kanten.
+
+—Breng water en zeep!—gebood Lord Bentfield.
+
+Verscheidene personen kwamen in botsing met elkander doordat men
+allerwegen opstond om het verlangde te gaan halen.
+
+Verwenschingen werden gehoord en de verwarring was volkomen.
+
+Baxter’s ledematen weigerden dienst te doen. Als van den bliksem
+getroffen zat hij terneer.
+
+Eindelijk luwde het rumoer en er werd water en zeep gebracht.
+
+Twee stevige kerels grepen Baxter aan en hielden hem vast.
+
+Toen trad Lord Bentfield nader, greep Baxter bij zijn pruik en rukte
+deze met woeste kracht af.
+
+—In Arabië heeft men een zonderlingen haardos!—grappigde Lord
+Bentfield.
+
+Meteen wierp hij de pruik neer en nu ontstond er zulk een koddig
+tooneel, dat zelfs Baxter een oogenblik moest glimlachen.
+
+Zoodra de pruik op den grond lag, vielen enkele mannen er met een waar
+Indianengehuil op af en worstelde men om het bezit der pruik.
+
+Nu eens was zij in deze, dan in gene handen, zoodat de vlokken haar er
+afvlogen.
+
+En toen ten slotte een hunner de pruik voor goed bemachtigd had, zette
+hij het ding, gehavend en wel, op het hoofd, wat zulk een potsierlijk
+gezicht was dat er een donderend lachsalvo weerklonk uit de kelen der
+aanwezigen.
+
+Lord Bentfield ging nu over tot het bewerken van Baxter’s gelaat.
+
+Baxter’s hoofd werd als met ijzeren tangen door twee paren handen
+vastgehouden en Lord Bentfield overgoot zijn gelaat met veel water,
+waarna hij met een stuk zeep begon te werken.
+
+Baxter steunde!... raasde!!... tierde!!... vloekte als een ketter,
+zwoer bij hemel en aarde dat hij een geheel regiment politie-agenten op
+het „adderengebroedsel” los zou laten en brulde dat men op zou houden.
+
+Lord Bentfield bleef „door zeepen”.
+
+Baxter’s gelaat was onherkenbaar.
+
+Het schuim zat hem in ooren, neus, oogen en mond, sijpelde in zijn
+hals, op zijn rug en borst, en nog steeds zeepte Lord Bentfield
+voort... als een razende Roland....
+
+De mannen brulden van ’t lachen... sloegen zich op de knieën van pret
+en moedigden met allerlei kreten hun voorzitter aan om verder te gaan.
+
+Eindelijk,—Baxter’s gelaat geleek nu wel een waschtobbe vól
+schuim—hield Lord Bentfield op.
+
+Baxter zat als een toonbeeld van ellende neer en schreeuwde het uit van
+pijn.
+
+Hij deed wanhopige pogingen om zich in de oogen te wrijven, maar zijn
+handen werden vastgehouden.
+
+—Emmers water!—gebood Lord Bentfield.—Wij zullen hem even afspoelen.
+
+—Zet hem op de plaats onder de pomp!—schreeuwden verscheidene stemmen!
+
+—Hoera!... Hoera!... Dat is een goed idee! Aangenomen, kameraden. ’t
+Zal hem meteen opfrisschen.
+
+Baxter voelde zich optillen en wegdragen. Verzet kon hij niet meer
+plegen. Hij voelde zich op en geslagen! Wat er met hem gebeuren zou, ’t
+was ál precies eender, hij moest.
+
+Enkele seconden later voelde hij de koude nachtlucht om zich heen
+waaien en bemerkte hij dat hij buiten was.
+
+De zeep beet hem in de oogen en zijn gansche gelaat deed hem pijn.
+
+Men was thans bij de pomp.
+
+Baxter’s hoofd werd onder de waterbuis gehouden en een piepend geluid
+bewees, dat de hefboom, waaraan de zuiger der pomp bevestigd was, in
+werking werd gesteld.
+
+Een kouden waterstraal voelde Baxter op zijn gelaat.
+
+Het water plaste en gutste op zijn gansche hoofd.
+
+—Br!... houdt op!... Br!... Ik ga dood... Br!... Genade!...
+
+Nadat de pomp gedurende een aantal minuten ettelijke liters water op
+Baxter’s hoofd had doen stroomen, hield men op en droeg men het hoofd
+van Scotland Yard weer naar binnen.
+
+Met handdoeken werd zijn hoofd zoodanig „bewerkt”, dat een gloeiende
+hitte zich verspreidde over zijn gansche bovenlichaam.
+
+Doch ook hieraan kwam een einde en toen men ophield en Baxter’s dik,
+bol, opgezet gelaat was waar te nemen in het volle licht, riep men
+eenparig:
+
+—Baxter!!— —
+
+Baxter zelf was niet bij machte om iets te zeggen. Een gevoel van slaap
+kwam bij hem op en alles vond hij op dat oogenblik goed.
+
+De mannen besloten Baxter gevangen te houden en twee hunner werden
+aangewezen om hem te bewaken.
+
+Daarna vertrok men zoo geheimzinnig mogelijk.
+
+Baxter sliep, gelegen in een hoek, den slaap des rechtvaardigen.
+
+
+
+Zoodra Raffles gezien had dat Baxter naar binnen was gegaan in het huis
+nummer drie van de Jasonsteeg, was hij naar de telefooncel geloopen en
+had verbinding gevraagd en gekregen met het politie-bureau.
+
+Baxter had immers „de vloo” weggestuurd toen zij samen op weg waren met
+het doel naar de bijeenkomst der wedders te gaan, met het bevel: „Kom
+over een uur met veertig agenten daar naar toe.”
+
+Raffles vermoedde dit en thans deed hij precies alsof hij Baxter was.
+Zoo men weet verstond Raffles uitstekend de kunst om Baxter te
+imiteeren.
+
+—Hallo! Met mr. Marholm?
+
+—Roept hem dan even!
+
+—Mr. Marholm? Met Baxter! Zeg eens, uilskuiken, je moet niet komen. Ik
+heb een schitterende ontdekking gedaan. Gaat onmiddellijk naar Londen
+en breng twintig agenten van Scotland Yard meê. Groote kerels,
+begrepen? Overmorgen terug. Ik heb ze in de val. Maar ik moet nog meer
+succes hebben.
+
+—Wat zeg je? Brutaal? Vlegel, doe direct wat ik beveel. Zeg niets tegen
+dien Ben Amos. Ik wil het alleen eens klaarspelen.
+
+Mr. Marholm, die gewoon was aan dergelijke nukken van zijn chef,
+besloot dan maar in hemelsnaam te gehoorzamen, ontbond den door hem
+geformeerden troep politie-agenten en vertrok den volgenden morgen naar
+Londen, zich afvragende waar zijn chef wel wezen mocht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE PLANNEN.
+
+
+Raffles was, toen het hem te lang duurde, naar het „London Hotel”
+gegaan, om zich ter ruste te begeven.
+
+Charly alias Saraj, lag reeds op één oor en spoedig waren de kamers der
+beide Arabieren volkomen in rust.
+
+Den volgenden morgen vroeg stond Raffles uitgerust op, en verzorgde
+zijn uiterlijk weer geheel volgens de eischen, die hij zichzelf daaraan
+stelde.
+
+Even na het ontbijt werd Lord Bentfield aangediend en onmiddellijk
+toegelaten tot Raffles’ kamers.
+
+Reeds dadelijk bemerkte Raffles dat Lord Bentfield zich uitmuntend van
+zijn taak gekweten had en toen deze het verhaal deed, hoe men met
+Baxter gehandeld had, lachte hij totdat de tranen hem in de oogen
+kwamen.
+
+Het was, volgens hem, kostelijk.
+
+Juist de wetenschap dat hij nu vrij handelen kon, deed hem zeer veel
+genoegen.
+
+Baxter was geborgen... de kerels waren gerust... het kon niet mooier.
+
+—En nu onze plannen—begon Raffles.
+
+—Ben Amis—hernam Lord Bentfield—er is geld voor u te verdienen.
+
+—Mooi! Hoeveel?
+
+—Voordat ik dit zeg, moet ik uiteen zetten hoe de zaak geregeld moet
+worden. Morgen is het rennen en waarschijnlijk zal uw Aldabaran in den
+eindwedstrijd uitkomen.
+
+—Niet waarschijnlijk, maar zéker.
+
+—Goed, zeker dan. Nu moet uw paard, wil u geld verdienen.... verliezen.
+
+—Wat?—stoof Ben Amis op—mijn prachtpaard verliezen? Waarom?
+
+—Let goed op, Ben Amis. Wanneer uw paard in de arena komt, zal iedere
+wedder een som op Aldabaran zetten.
+
+—Natuurlijk.
+
+—Wij zullen hooge bedragen inzetten op het andere paard, dat „Mary”
+wezen zal. Dit is al uitgemaakt door onze club. „Aldabaran” tegen
+„Mary”. Het publiek wedt op uw paard, wij op „Mary”. Als u uw paard
+minder snel laat loopen wint Mary het, en de weddenschap is ons. Vooral
+wanneer u de tweede rondte éérste zijt, wedt het publiek tot abnormaal
+hooge bedragen.
+
+Raffles had stil toegeluisterd.
+
+Niets verried wat voor plannen hij smeedde.
+
+Hij keek Lord Bentfield aan en vroeg toen bijna fluisterend:
+
+—Hoeveel geeft mij dat?
+
+—Duizend pond sterling!
+
+—Wanneer uitbetalen?
+
+—Direct nà afloop der rennen.
+
+Langen tijd zweeg Raffles. Hij wilde den schijn opwekken of hij er
+ernstig over nadacht, niettegenstaande hij reeds lang wist wat hij
+zeggen zou.
+
+—Ik wil het aannemen—zeide hij geruimen tijd later—op deze voorwaarde
+dat mij heden duizend pond wordt uitbetaald. Het is—vervolgde hij
+snel—geen gemakkelijk werk en Aldabaran is niet zoo spoedig te
+regeeren. Voor mij is het een levensquaestie. Want Aldabaran zal zich
+niet zonder tegenstribbelen tot een nederlaag laten dwingen.
+
+Lord Bentfield draaide onrustig op zijn stoel heen en weer.
+
+—Alleen op voorwaarde dat u mij heden het genoemde bedrag ter hand
+stelt, zal ik het aannemen, maar op geen andere manier dan ik wil!
+
+—Vijfhonderd pond dan—zeide Lord Bentfield.
+
+—Duizend—antwoordde Raffles kalm—geen penning minder. ’t Is toch al een
+klein bedrag in verhouding van het groote feit, dat u van mij eischt.
+Ik verlies tot mijn spijt toch ook de eer en de medaille. Won ik, dan
+kreeg ik bovendien nog duizend pond.
+
+Lord Bentfield stond op en maakte aanstalten om heen te gaan.
+
+—Vijfhonderd pond, meer niet, Ben Amis.
+
+—Laten wij de onderhandelingen als afgebroken beschouwen.
+
+—Goed!—hernam Lord Bentfield.—Tenslotte kunnen wij toch ook op uw paard
+wedden.
+
+—Zeker. Maar vergeet niet dat wie eenmaal mijn paard heeft gezien, op
+geen andere wedden zal en uw plannen vallen in duigen.
+
+Lord Bentfield werd boos en grof.
+
+—Wie zegt mij dat u wel zulk een paard bezit? Laat mij uw paard zien en
+ik zal u duizend pond betalen.
+
+—Houdt gij uw woord?
+
+—Ja!
+
+—Weet als gij uw woord niet houdt, gij geen stap meer uit mijn stal
+doet.
+
+—Aangenomen.
+
+Raffles ging daarop met Lord Bentfield mee naar den stal waar
+„Aldabaran” stond.
+
+Voorzichtig, geheimzinnig, als gold het een heilig iets, opende Raffles
+de deur, en liet Lord Bentfield binnen.
+
+En daar aanschouwde deze een zóó buitengewoon edel dier, dat hij al
+aanstonds berekende hoeveel duizenden ponden sterling dit edele dier
+wel verdienen kon. Inderdaad, als het publiek dit paard zag, zou men
+ongetwijfeld hoog gaan wedden. Dit dier moest winnen. Alle paarden
+vielen daarbij in ’t niet.
+
+—Nu?—vroeg Raffles.
+
+—Geeft gij uw woord dat gij niet zult winnen?
+
+—Ja.
+
+—Bedenk dat, als gij valschelijk met ons omgaat, gij niet levend uit
+York vertrekt.
+
+—Geef mij de duizend pond. Wed zoo hoog mogelijk en gij zult een
+aangename verrassing krijgen.
+
+—Accoord. Ik neem het aan.
+
+Raffles zag hoe Lord Bentfield een portefeuille uit zijn binnenzak
+haalde, waarin precies duizend pond sterling aanwezig was.
+
+—Loopt u altijd met zooveel geld in uw zak?—vroeg Raffles terloops,
+terwijl hij het geld in zijn zak stak.
+
+—Neen. Gewoonlijk niet.
+
+—Dus u rekende er toch wel eenigszins op, dat ik met dit voorstel komen
+zou?
+
+—Ja, wel eenigszins.
+
+—Zooveel te beter. Zóó is het ook veel aangenamer.
+
+Nog zeer langen tijd bleef Lord Bentfield bij Raffles, en toen hij
+eindelijk vertrok, wees alles er op dat de man bergen van oneerlijke
+winst voor zich zag.
+
+
+
+Natuurlijk was Lord Bentfield bij enkele zijner makkers gekomen en hij
+deelde hun mede wat er gebeurd was. In een geestdriftige speech
+vertelde hij van het wonderpaard „Aldabaran” en rekende hun voor
+hoeveel winst dit dier hun brengen zou.
+
+—Alles goed en wel!—mopperde er een.—Maar duizend pond is geen
+kleinigheid.
+
+—Wat ben jij een uil! Begrijp je dan niet—aldus sprak Lord
+Bentfield—dat als de wedrennen zijn afgeloopen, wij dien Ben Amis
+feestelijk uitnoodigen en hem aan ’t verstand brengen dat hij dit
+bedrag terug moet betalen wil hij niet dezelfde kuur ondergaan als
+onzen geëerden Baxter?
+
+—Dat is een pracht-idee! Nu, dan neem ik er genoegen mee.
+
+
+
+Raffles zat in dien tusschentijd met Charly in het hotel.
+
+—Het groote moment nadert, mijn jongen. Er moet snel gewerkt worden.
+Zorg er voor dat jij goede weddenschappen afsluit met die kerels die op
+„Mary” wedden. Laat hen zuiver teekenen en op de wed-bureaux moet alles
+goed beschreven worden. Zijn de wedrennen afgeloopen, dan neem ik de
+leiding weer wel van je over. Dan moet men binnen enkele uren de hand
+van Raffles voelen!
+
+—Moet ik nergens anders voor zorgen?
+
+—Neen. Baxter zit veilig. „De vloo” komt nà de wedrennen en de rest zal
+te Londen afgewikkeld worden.
+
+—Wat zijt ge van plan?
+
+—Dat is een geheim, Charly. Maar ’t zal een goed lesje worden voor
+onzen goeden vriend Baxter. Hij heeft in lang niets gehad. Londen moet
+weer eens lachen! En nu, beste jongen, gaan wij rusten. Alles is
+gereed. Ik ben vol goeden moed.
+
+Intusschen brachten reeds extra-treinen vele belangstellenden naar York
+om de wedrennen bij te wonen.
+
+Het rustige plaatsje was thans een internationaal punt geworden, want
+allerlei talen hoorde men....
+
+York zou morgen in alle organen van Europa genoemd worden.
+
+Alles was gereed voor de jaarlijksche wedrennen!...
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE WEDRENNEN.
+
+
+Er heerschte reeds vroeg in den morgen een buitengewoon groote drukte
+op den weg die van York naar de renbanen liep.
+
+Duizenden menschen verdrongen zich voor de bureaux van plaatsbewijzen
+en langzaam aan stroomden de tribunes vol met bezoekers en bezoeksters
+van de meest uiteenloopende karakters en typen.
+
+De commissarissen van orde liepen druk heen en weer, wezen de menschen
+den weg en hadden het zoo druk, dat zij bijna over hun eigen beenen
+struikelden.
+
+De jury met de keuringscommissie stonden nog met elkander te praten,
+terwijl de agenten van de wed-bureaux reeds bezig waren verschillende
+namen in te vullen op de voor de weddenschap benoodigde formulieren.
+
+Het was een fantastisch gezicht, kleuren van allerlei schakeering
+boeiden het oog en bedrogen de voorteekenen niet, dan zou men getuige
+zijn van een spannenden wedstrijd.
+
+Ben Amis en „Aldabaran”, dàt waren de twee namen, die op aller lippen
+waren en men hunkerde naar het tijdstip, waarop de stallen geopend
+zouden worden.
+
+Raffles, alias Ben Amis, had ’s morgens zeer vroeg zijn Aldabaran in
+een stal bij de renbanen gebracht, omdat men vóór den wedstrijd de
+paarden, welke deel wenschten te nemen aan de wedrennen, keuren moest.
+
+Ook daarbij bestonden prijzen en het was nu reeds bekend geworden, dat
+de keuringscommissie, bestaande uit de beste veeartsen van Engeland, in
+overeenstemming met de jury, besloten had, met algemeene stemmen, de
+eere-prijzen voor vorm, gezondheid, kleur en leeftijd toe te kennen aan
+den volbloed Arabischen hengst „Aldabaran”.
+
+Raffles genoot in stilte en bemerkte zeer goed, dat Lord Bentfield zich
+verheugde in dit alles. Het zou immers de zaken der wedclub ten goede
+komen?
+
+
+
+Elf uur!
+
+Een schot viel!...
+
+Twee en twintig staldeuren werden geopend en even zooveel paarden,
+bereden door in allerlei kleuren uitgedoste jockey’s vlogen naar de
+loge der jury, waar de startlijn gespannen was.
+
+Kreten van opwinding, van blijdschap, van verrukking, van geluk, werden
+vernomen en aller halzen rekten zich uit om toch vooral niets te
+verliezen van alles wat er gebeuren ging.
+
+Toch verheugde zich niemand meer dan Ben Amis in de algemeene
+belangstelling.
+
+Fier, rechtop, zat in kleurig met goud afgezet costuum Raffles op den
+rug van „Aldabaran”.
+
+De bruine, gouden kleur van Aldabaran’s huid glom als een spiegel, de
+ranke pooten werden regelmatig opgetild en neergezet, de kop werd
+trotsch opgeheven, de oogen schoten vuur, de neusgaten waren wijd
+opengesperd.
+
+„Aldabaran” was een toonbeeld van fierheid, kracht en schoonheid.
+
+Een gejuich steeg op toen Raffles met de hand aan zijn hoofddoek
+salueerde.
+
+Nogmaals werd door een der juryleden het reglement op de wedrennen
+voorgelezen, waarna de deelnemers zich ten rij schaarden voor de lijn.
+
+Ademlooze stilte.
+
+Iedereen lette op de twee en twintig paarden in verschillende kleuren,
+van ongeveer dezelfde grootte.
+
+Het oogenblik van afrit was daar.
+
+Weer klonk een schot...
+
+Als door onzichtbare handen werd de startlijn weggenomen,... de
+paardenlichamen strekten zich en voort ging het.
+
+Donderend weergalmde het uit duizenden kelen „hoera”....
+
+De wedrennen waren begonnen.
+
+De twee en twintig paarden moesten driemaal de baan rennen. Wie deze
+drie „rondes” in een bepaalden tijd had afgelegd, werd gevoegd in de
+tweede groep. De tweede groep reed een half uur later weer af, op
+dezelfde wijze. Dan werd de derde groep gevormd. Daarna de vierde en
+ten slotte de eindwedstrijd, waar het ging om het feit wie van de
+deelnemers het éérst de drie „rondes” had afgelegd.
+
+Reeds spoedig bemerkte men, dat de strijd vinnig worden zou.
+
+Snuivend vlogen de paarden over de baan. De lichamen gestrekt, de
+pooten ver vooruit werpend, liepen zij in snellen gang voort.
+
+De jockey’s vuurden hun dieren aan, door woorden, door gebaren, alleen
+Raffles zat kalm op „Aldabaran”’s rug en liet het edele dier den vrijen
+teugel.
+
+Twee „rondes” waren al gereden... de derde kwam aan... Verschillende
+jockey’s waren nog niet aangekomen van hun tweede baan, toen de anderen
+voor de derde maal de baan opvlogen.
+
+
+
+De derde was geëindigd....
+
+Een half uur pauze!
+
+Twaalf paarden, van wie „Aldabaran” nummer één, hadden binnen den
+vastgestelden tijd de banen afgerend. De anderen werden uitgeschakeld.
+
+De tweede groep kwam in ’t veld, en weer renden de paarden, weer
+vuurden de jockey’s hun dieren aan... weer juichte, stampte, schreeuwde
+het publiek en weer vielen er een aantal paarden af.
+
+De derde groep moest beginnen met acht paarden, van wie andermaal
+„Aldabaran” nummer één.
+
+—De kerel rijdt uitmuntend—merkte Lord Bentfield op.
+
+—Als hij ons maar niet bedriegt—merkte een ander gemelijk op.
+
+—Heb je gezien—vroeg een derde—dat dat paard nog geen vermoeienis
+toont?
+
+—De groote pauze komt nog. Daarna de weddenschappen. „Mary” houdt zich
+óók goed. En ik vertrouw op Ben Amis,—besloot Lord Bentfield.
+
+De vierde groep was inmiddels op de baan gekomen met vier paarden.
+„Aldabaran” was en bleef nummer één en toen de groote pauze kwam, vóór
+de eindbeslissing, waren er nog overgebleven voor den kamp „Aldabaran”,
+„Mary” en „Tom Tit”. Drie paarden op wie aller aandacht gevestigd was.
+
+En in de groote pauze, die tot half vier duren zou, begonnen de
+weddenschappen al.
+
+Het publiek was dol!
+
+Iedereen wilde wedden op... „Aldabaran”.
+
+De agenten, leden van de club der wedders, op „Mary”.
+
+—Een tegen tien... tien tegen dertig... dertig tegen zestig... vijf en
+twintig tegen vijftig... honderd tegen duizend....
+
+Van alles hoorde men roepen en de formulieren gingen van hand tot hand.
+
+Duizenden menschen wedden... kleinere en grootere bedragen... en men
+zag allerwegen opgewonden gezichten....
+
+Charly wedde ook.
+
+—Honderd tegen duizend op „Mary”—voegde de agent hem toe, die niet wist
+dat Charly alles wist.
+
+—Dank je. Ik wed op „Aldabaran”.
+
+—Goed. Hoeveel?
+
+—Duizend tegen tienduizend!
+
+De agent sprong achteruit en brulde: „Een dief!”
+
+Onmiddellijk waren verscheidene politie-agenten aanwezig. Met groot
+misbaar deelde de agent mede wat hem zóó schrikken liet.
+
+Charly opende evenwel een portefeuille en toonde onder enorme
+belangstelling tien banknoten van duizend pond sterling.
+
+De politie was tevreden en de agent hapte gretig toe, sloot een
+contract af op „Mary” tegen „Aldabaran” en zag zich al eigenaar van
+tien duizend pond sterling.
+
+Doch wat Charly bij dien eenen agent had gedaan, deed hij ook bij de
+anderen en toen de groote pauze om was, hadden de leden der club een
+bedrag van zes en zeventig duizend pond gezet op „Mary”, doch het
+publiek achthonderd negen en negentig duizend pond op „Aldabaran”.
+
+Zelfs adellijke lieden, tegenwoordig bij de wedrennen, hadden voor zeer
+aanzienlijke bedragen gewed en Lord Bentfield bedacht bij zich zelf dat
+hij Ben Amis de duizend pond belooning best zou kunnen schenken.
+
+
+
+Men was gereed voor de eindbeslissing. „Aldabaran” stond naast „Mary”
+en deze naast „Tom Tit”.
+
+Het publiek hijgde van inspanning.
+
+De jury nam plaats....
+
+Het schot klonk over de banen...
+
+Het touw viel....
+
+De paarden schoten vooruit.
+
+Raffles reed met dezelfde gemakkelijke houding als ’s morgens en het
+scheen wel alsof de hengst nog vlugger was dan toen.
+
+„Mary” hield hem aanvankelijk bij, maar bij de eerste halve ronde
+schoot „Aldabaran” vooruit, zoodat de beide anderen achterbleven.
+
+Bij de tweede ronde viel „Tom Tit” uit, doordat het dier een spat kreeg
+aan een der achterpooten en dus niet meer meê kon doen.
+
+De clubleden zagen, evenals het publiek, gestadig in klimmende spanning
+naar de beide paarden.
+
+De tweede ronde was begonnen en „Mary” werd op een wanhopige manier
+voortgezweept.
+
+Raffles zat onbewegelijk.
+
+Niets wees er op, wat hij in zijn schild voerde.
+
+Langzaam verminderde „Aldabaran” vaart....
+
+„Mary” haalde òp....
+
+Het publiek werd wild.
+
+—Toe, Arabier... geef den teugel... Vooruit!...
+
+Onbeschrijfelijk was de opwinding.
+
+De clubleden begonnen te smalen, zeker als zij meenden te zijn van hun
+overwinning.
+
+Want nog steeds won „Mary”.
+
+De spanning werd angstig!...
+
+Het publiek begon op Ben Amis te schelden; alleen Charly bleef rustig
+en zeide tegen een heer, die naast hem zat:
+
+—Let op. Straks gebeurt er iets.
+
+De derde „ronde”....
+
+Reeds was de baan half afgelegd, en nog was „Mary” voor.
+
+De leden der club genoten!
+
+Toen, iedereen was er van overtuigd dat „Mary” winnen zou, een
+oorverdoovend gejuich....
+
+„Aldabaran” steigerde hoog op en vloog daarna als een pijl uit den boog
+voort.
+
+Zijn lichaam raakte bijna den grond.
+
+Steeds sneller ging het...
+
+Ben Amis was één met het edele dier, dat al maar meer inliep op
+„Mary”...
+
+Zijn kop was bij „Mary”’s achterpooten...
+
+„Mary”’s berijder hief zijn zweep op en sloeg naar „Aldabaran”, die
+toen juist „Mary” voorbij stoof.
+
+Nu kende de verontwaardiging van het publiek geen grenzen meer. Men
+brulde van moord en doodslag en de politie had handen vol werk om te
+zorgen dat het publiek de balustrades niet overkwam om „Mary”’s jockey
+te straffen voor zijn euveldaad.
+
+Raffles had dit evenwel verwacht en met ijzeren vuist had hij de
+teugels gegrepen toen de slag op „Aldabaran” ’s lichaam neerkwam.
+
+Als een wervelwind rende het paard voort en had, toen Raffles het tot
+stilstand bracht, de wedrennen glansrijk gewonnen!...
+
+Als een koning werd Raffles toegejuicht, „Mary”’s jockey werd
+onmiddellijk gevangen genomen en toen het publiek een stormloop
+ondernam op de bureaux van de wed-agenten, was er niemand te vinden,
+die van uitbetalen wist.
+
+Ondanks het oordeelkundig optreden der politie, werden er vele
+gebouwtjes en tenten vernield.
+
+Enkelen waren verstandiger en redeneerden:
+
+—Wij hebben niets gewonnen, maar ook niets verloren....
+
+
+
+Ben Amis’ naam werd dien dag luide gezegend.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+BAXTER.... ÈN DE ONTKNOOPING.
+
+
+Zoodra de leden der wedclub gezien hadden wat er gebeurd was, en
+getuige waren van het feit dat de Arabier winnen ging, achtten zij het
+hoog noodig een goed heenkomen te zoeken.
+
+Zij verlieten zoo spoedig mogelijk de banen en kwamen later te zamen in
+hun geheim clubgebouw, waar nog steeds Baxter gevangen zat.
+
+Juist toen de wedrennen waren afgeloopen, ging men over tot het
+beraadslagen „wat te doen”.
+
+Lord Bentfield was woedend en zwoer een duren eed, dat hij zich op „Ben
+Amis” wreken zou.
+
+Alle leden waren het roerend met hem eens.
+
+Dit moest gebeuren. En wel zoo spoedig mogelijk.
+
+Men besloot een lid naar het „London Hotel” te zenden, om Ben Amis te
+complimenteeren en meteen moest deze den Arabier treffen.
+
+Alles werd daartoe in gereedheid gebracht, evenals alle maatregelen om
+daarna zoo spoedig mogelijk te vertrekken.
+
+Iedereen grimeerde zich, iedereen gaf zich een ander uiterlijk, opdat
+niemand zich herkend zou zien door het publiek.
+
+Toen men gereed was, dacht men aan Baxter.
+
+Wat daarmee gedaan?
+
+—Ik weet een prachtig plan. Wij zullen hem grimeeren en een ander
+costuum aantrekken!
+
+Prachtig vond men dit voorstel en al werd er ieder oogenblik gevloekt
+en getierd om al den tegenslag en schade, die Ben Amis hun veroorzaakt
+had, dit was toch een kleine vergoeding....
+
+Baxter werd onder veel tegenstribbelingen naar voren gebracht en een
+half uur later was hij onherkenbaar gemaakt door baard en knevel, die
+zóó vast waren gemaakt, dat hij minstens een uur met water betten moest
+om het gegrimeerde los te maken.
+
+En water was er niet.
+
+
+
+Raffles ging, nadat hij „Aldabaran” had toevertrouwd aan de zorgen van
+Tom en Jack, die het dier onmiddellijk naar Londen vervoerden in een
+daarvoor speciaal gemaakte auto, naar het hotel, vroeg zijn rekening en
+vertrok met Saraj naar het station, om per eerste gelegenheid naar
+Londen te kunnen gaan.
+
+Haast maakte Ben Amis niet, want zijn werk was nog niet geëindigd.
+
+Hij wachtte „de vloo”.....
+
+Deze moest nu arriveeren, want toen Raffles als Baxter door de telefoon
+met „de vloo” gesproken had, had hij juist dezen tijd genoemd.
+
+En werkelijk.
+
+Aan het hoofd van een groot aantal stoere agenten van „Scotland Yard”
+kwam „de vloo” aangemarcheerd.
+
+Ben Amis trad op hem toe, en vertelde hem de wonderlijke geschiedenis
+van Baxter’s verdwijning. Zelfs het publiek had,—volgens Ben
+Amis—gemompeld, dat Raffles eigenlijk Baxter was en dat deze thans met
+de wedders gevlucht was.
+
+Zóó overtuigend was Ben Amis’ betoog, dat „de vloo” uitriep:
+
+—Ik heb altijd wel gezegd dat mijn chef eens een dwazen streek zou
+doen.
+
+—Doe een inval, mr. Marholm—riep Raffles—in het huis der wedders. Maak
+geen onderscheid. Neem iedereen gevangen. Breng ze naar Londen en ik
+zal bij mijn consulaat uw naam noemen als een der beste
+politie-ambtenaren.
+
+„De vloo” bloosde.
+
+—Niemand, al noemt hij zich Baxter!—zoo riep hij uit—komt vrij. Weet u
+dat huis?
+
+—Ik niet, maar Saraj wèl.
+
+—Mag hij mij den weg wijzen?
+
+—Gaarne!
+
+Vlug marcheerden de mannen nu voort.
+
+„De vloo” was in actie.
+
+Vele nieuwsgierigen liepen mee.
+
+Saraj bracht „de vloo” bij het huis nummer drie Jasonsteeg.
+
+Onmiddellijk werd het huis omsingeld en alle uitgangen bezet. Door
+middel van den toegang van andere huizen, slaagde men er in den tuin
+ook af te zetten.
+
+Toen drongen met groot geweld verscheidene politie-agenten naar binnen.
+
+De clubleden hoorden het geraas, en niet verdacht op zulk een inval,
+openden zij de deur om te zien, wat of er gaande was.
+
+Toen men de deur eenmaal geopend had, was het te laat. De agenten
+drongen voorwaarts, grepen met kracht de mannen aan en de mechanieke
+boeien bewezen uitstekende diensten.
+
+Boven alles uit hoorde men Baxter’s geluid.
+
+—Goed zoo, mannen! Laat er niet één vrij... Helpt mij! Ik ben immers
+Baxter,—riep hij, toen niemand op hem meer lette dan op de anderen.
+
+—Houd je muil, Raffles!—beet „de vloo” hem toe.
+
+—Mr. Marholm!... kent ge mij niet meer? Ik ben, ’t is waar, wel eens
+ruw tegen je, maar ’t zal nooit meer gebeuren!
+
+—Zoo—lachte „de vloo”.—Neen, Raffles, op mij moet je je kunsten niet
+probeeren. Mijn chef laat ik er buiten. Dien kan jij bedotten, omdat ’t
+zelf zoo’n ezel is. Maar mij zul je leeren kennen, vriend!
+
+Baxter was geen mensch meer.
+
+Hij schold op het „ezelsveulen van een Marholm”, dat het hooren en zien
+verging, maar hoe hij ook sprak, niemand geloofde hem.
+
+Hij werd met de andere leden der club naar buiten gebracht, waar het
+publiek schold en jouwde op de oplichters.
+
+Drie uren later kwam de bende aan op „Scotland Yard”, waar een
+hoofdambtenaar van justitie aanwezig was.
+
+Want Raffles had zich reeds eerder naar Londen begeven—met het oog op
+de wedrennen reden er dien dag vele extra-treinen,—en had als Ben Amis
+de geheele toedracht der zaak verteld.
+
+Op het Paleis van Justitie was men van meening, dat dit toch te ver
+ging met inspecteur Baxter en men wilde thans grondig ingelicht worden,
+hoe alles gebeurd was.
+
+Groot was de ontzetting van Baxter, toen hij dezen ambtenaar zag
+zitten.
+
+—Waar is het hoofd van Scotland Yard?—vroeg de ambtenaar gestreng.
+
+—Die ben ik!—piepte Baxter.
+
+—Geen praatjes hier. Al hebt gij mij menigmaal doen schudden van
+lachen, Raffles, eens komt er een einde aan dit alles. Gij hebt met
+Baxter, die een groote nul is, menigmaal gespeeld als een kat met een
+muis; ik wil thans weten waar de man is.
+
+—Maar hij staat voor u.
+
+—Bedenk wel, dat gij uw straf verzwaart!
+
+—Maar ik... ik ben Baxter zelf. Geef mij water!...
+
+—O! ik stik.... en ik zal u bewijzen dat ik Baxter ben!......
+
+Hierop vertelde hij onder groote hilariteit het gebeurde en toen hij na
+ernstige pogingen er in slaagde de grime los te maken, kwam Baxter
+beschaamd te voorschijn.
+
+Van dat oogenblik af liep alles goed van stapel. De mannen, leden der
+club, werden verhoord en gevangen genomen.
+
+Men meende nu eindelijk in Lord Bentfield Raffles gevonden te hebben.
+
+Groot was evenwel de woede, en de verbazing toen Baxter en de ambtenaar
+van justitie een kort briefje ontvingen van denzelfden inhoud:
+
+
+ Geachte Heer.
+
+ Ben Amis vleit zich, dat hij een bende oplichters die niet, zooals
+ ondergeteekende, een daad doen tot heil van ’t algemeen of van den
+ enkeling, in uw handen heeft gevoerd. Hij wilde meteen zijn dank
+ betuigen voor de bescherming, die hij te York genoot van het hoofd
+ van Scotland Yard.
+
+ Evenwel was het noodig hem, in verband met plannen, die hij alleen
+ kon uitvoeren, voor een tijdje te doen verdwijnen.
+
+ Dat men hem aanzag voor Raffles, verheugt niemand meer dan
+
+ RAFFLES.... zèlf.
+
+
+„De vloo” maakte zich angstig uit de voeten.... Baxter zat geslagen en
+de ambtenaar stamelde:
+
+—„Ben Amis... wàs Raffles”.
+
+
+
+Den volgenden morgen schreeuwden de couranten-jongens: „Ben Amis bij de
+wedrennen van York. Baxter is Raffles! Opzienbare arrestatie van het
+hoofd van Scotland Yard.”
+
+Gansch Londen had dagen lang pret van deze geschiedenis, die voor
+Baxter een verschrikking, voor Raffles een prettige herinnering was.
+
+Drie maanden later behandelde het Lagerhuis een wetsvoorstel tot
+regeling van weddenschappen, die door het Hoogerhuis werd aangenomen en
+bekrachtigd.
+
+Sinds dien tijd mag er in Engeland, dank zij Raffles’ optreden, niet
+meer gewed worden.
+
+Doet men het toch, dan wordt alles administratief in ’t buitenland
+geregeld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NOTES
+
+
+[1] Wettig betaalmiddel in Engeland. Zooveel als bij ons de papieren
+guldens en rijksdaalders.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 74399 ***
diff --git a/74399-h/74399-h.htm b/74399-h/74399-h.htm
index fa33b58..cd288de 100644
--- a/74399-h/74399-h.htm
+++ b/74399-h/74399-h.htm
@@ -2,7 +2,7 @@
<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2024-09-10T17:59:52Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
<html lang="nl">
<head>
-<title>Lord Lister No. 122: De wedrennen van York</title>
+<title>Lord Lister No. 122: De wedrennen van York | Project Gutenberg</title>
<meta charset="utf-8">
<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
<meta name="author" content="Felix Hageman (1877–1966)">