diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-29 10:21:03 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-29 10:21:03 -0800 |
| commit | 5d8daa1ba6132c7b35ef0c0caeb703844f3f06d9 (patch) | |
| tree | 3601061669988a4c57f6ee2c9532305463027964 | |
| parent | c7a0d8d09708f81f2bffc4c9e5867d9408556bdc (diff) | |
| -rw-r--r-- | 74399-0.txt | 2945 | ||||
| -rw-r--r-- | 74399-h/74399-h.htm | 2 |
2 files changed, 2946 insertions, 1 deletions
diff --git a/74399-0.txt b/74399-0.txt new file mode 100644 index 0000000..a8d0b89 --- /dev/null +++ b/74399-0.txt @@ -0,0 +1,2945 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 74399 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 122 DE WEDRENNEN VAN YORK + + + + + + + + +DE WEDRENNEN VAN YORK + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +OP REIS NAAR YORK. + + +Lord Lister, alias John C. Raffles, zat met het ochtendblad van een der +vele Engelsche couranten die vóór hem lagen, in zijn ontbijtkamer +geduldig te wachten, zonder dat hij een blik wierp op de kolommen druks +die hij in zijn handen hield. + +Af en toe keek hij het mooie park in; een park in een der prachtigste +buitenwijken van Londen, waar zijn luxe villa stond, en ademde met +volle teugen het frissche morgenwindje in, dat door de geopende ramen +naar binnen stroomde. + +De bloemen geurden met een bedwelmenden reuk, en ’t was alsof aan +iederen stengel een diamanten druppel bengelde, zóó schitterde de dauw +in het zonnelicht. + +’t Was een heerlijke Meimorgen. + +Lord Lister keek op zijn horloge en mompelde:—„Waar blijft Charly nu +toch in ’s hemelsnaam?” + +Toen drukte hij op een electrische schel, waarop, even daarna, James, +de oude getrouwe huisknecht, binnenkwam. + +Zwijgend boog hij voor zijn heer en meester. + +—Waar blijft master Brand, James? + +—Master Brand zal zoo aanstonds verschijnen, Lord. + +—Vraag hem spoed te maken. + +—Zeer goed, Lord. + +Geheimzinnig, zonder eenig gedruisch te maken, vertrok James om Mr. +Charly Brand, secretaris en vriend van Lord Lister, te waarschuwen dat +deze met het ontbijt op hem zat te wachten. + +Even later trad Charly de kamer binnen en vroeg met eenige verbazing in +zijn stem, nog vóór dat hij „goeden morgen” had gezegd: + +—Wacht gij op mij, Edward? + +—Goeden morgen, mijn jongen—antwoordde Raffles. + +—Nu ja, goeden morgen,—kibbelde Charly tegen.—Wat overkomt mij dat mijn +heer en meester op mij wacht? Anders zijt gij—vervolgde hij in gewonen +toon—om dezen tijd reeds lang in het park. + +—Niet zoo sarcastisch, mijn waarde. Hedenmorgen wilde ik juist op je +wachten. + +—Maar waarom dan? + +—Omdat gij geld moet halen van de bank...... Wij gaan heden op reis. + +—Op reis?!?... En wij zijn pas thuis. Gisteravond laat gearriveerd. Eén +nacht thuis geslapen... Me dunkt wij mogen nu toch wel eenige vacantie +nemen! + +—Later, mijn jongen. Nu niet. Ik wil op reis en je onmisbare hulp moet +ik meenemen. + +—Waarheen? + +—Naar York! + +—Naar York?... Wat moet je in dat gat uitvoeren? + +—Den hoeveelsten hebben wij vandaag? + +—Wat heeft dat er mee te maken?—vroeg Charly, die, hoewel hij meer dan +anderen Lord Lister’s manier van doen kende, thans toch wel wat al te +zeer verbaasd was. + +—Beste jongen, je gedachten werken nog lang niet vlug genoeg. Ik spreek +van York en vraag je bovendien den hoeveelsten hebben wij vandaag. Me +dunkt dat is nogal duidelijk. + +Even was er stilte. + +Charly keek Lord Lister vragend aan. + +—Als men van York spreekt, waaraan denkt men dan? + +—Aan de wedrennen. + +—Juist. En die worden gehouden? + +—Gewoonlijk van 15 tot 18 Mei. + +—En vandaag is het?...... + +—De veertiende! + +—Accoord! Nu zijn wij er. + +—Maar wat moet ge er dan gaan doen?... Wij die geen paarden bezitten om +te rennen... die nooit wedden... die eigenlijk geen belang stellen in +de hippische sport... gaan nu ineens naar York. Dát verbaast mij. + +—Herinnert gij je, Charly, wat verleden jaar bij dat vermaledijde +gezwendel gebeurde? + +—Neen!... + +—Gij hebt het zelf in ons archief gebracht. Ziehier en lees! + +Meteen gaf Lord Lister aan Charly een courant met de woorden: „het +roodomstreepte binnenin moet ge lezen”. + +Charly Brand greep de courant gretig aan en las: + + + DE REUZENZWENDEL TE YORK. + + Reeds meermalen is er door particulieren, zoo ook in onze + wetgevende lichamen gewezen op den reuzenzwendel die gewoonlijk + plaats vindt bij de jaarlijksche wedrennen te York, zonder dat men + evenwel vermocht in te grijpen, om een einde te maken aan + weddenschappen, die menigeen te gronde hebben gebracht. + + Wat toch is het geval? + + Het is thans gebleken, dat een geheime club van oplichters, of hoe + men die personen gelieft te noemen, de weddenschappen met zorg + hebben voorbereid en er een trust van hebben gemaakt, waardoor het + mogelijk is dat alle sommen op een bepaald paard ingezet, vallen in + handen van één lid der weddersclub. Natuurlijk moeten de kerels in + contact staan met de jockey’s, die waarschijnlijk in de winst mogen + deelen. + + Bijvoorbeeld. + + Er zijn twee paarden op de baan, van wie vermoed wordt dat zij om + de eindbeslissing zullen moeten kampen. (Ter verduidelijking noemen + wij de paarden A en B. Red.) + + De club der wedders heeft zijn agenten, die schreeuwend vertellen + dat zij willen wedden. + + Honderden menschen—wedden is immers onze volksaard—loopen op de + kerels toe en zetten op A een bedrag. Tien tegen één. Goed, de + weddenschap gaat aan. De strijd begint. B is één lengte vóór. Dan + roept men den wedders toe dat de mogelijkheid bestaat om te + „wisselen”. Dat wil zeggen dat men de weddenschap op B kan zetten, + tegen een klein verlies. Dit gebeurt meestal. Dan—B heeft inmiddels + nog steeds „de baan gehouden”—begint A „op te halen”. Al meer en + meer verliest B baan, totdat A geheel vóór is en vrij gemakkelijk + als winner uit den eindwedstrijd te voorschijn komt. + + Nu is dit al eenige jaren voorgekomen. Ook gisteren bij den + eindwedstrijd. Duizenden menschen, die bij de tweede ronde + „wisselden”, moesten bedragen betalen, véél hooger dan hun mogelijk + was, en werden dupe van onmeedoogende menschen. + + De twee jockey’s werden na afloop der wedstrijden onmiddellijk in + hechtenis genomen, doch moesten na verhoor op vrije voeten gesteld + worden, omdat de politie geen zekerheid kon krijgen wat de oorzaak + was, dat het eerst winnende paard B verloor. + + Het vermoeden werd geopperd dat John C. Raffles hierin de hand + heeft. Toen de politie van York haar rapporten zond aan Mr. Baxter, + hoofd van het Bureau Scotland Yard, opperde deze dadelijk dit + vermoeden en sprak deze den wensch uit, dat er volgend jaar nog + geen wet zou bestaan op deze weddenschappen. Mr. Baxter leeft in de + hoop, dat hij dan „den grooten onbekende” eindelijk eens vangen + zal. + + Wij voor ons vermoeden niet dat Raffles hier aanwezig was, omdat, + zoolang als wij kennis dragen van de euveldaden van dezen + „gentleman-boef”, hij nooit zich vergreep aan de gelden der kleine + luyden. + + +Charly legde de courant neer en keek zijn vriend opnieuw vragend aan. + +Deze zat blijkbaar in gedachten verdiept en staarde de blauwe +rookkringetjes na die uit zijn pijp, welke hij steeds na het ontbijt +rookte, naar boven stegen. + +Zwijgend wees Lord Lister even daarna naar een andere courant. + +Charly Brand nam ook deze op en, na onder de rubriek sport gezocht te +hebben, las hij het volgende: + + + DE AANSTAANDE WEDRENNEN. + + Morgen wordt te York de inschrijving geopend van paarden en + jockey’s, welke deel wenschen te nemen aan de jaarlijksche + wedrennen. + + Men verwacht nog meer belangstelling dan andere jaren, omdat de + Londensche politie zich in verbinding heeft gesteld met de + autoriteiten te York en uitgebreide maatregelen neemt met het oog + op de weddenschappen. + + +Lord Lister was opgestaan en toen hij bemerkte dat Charly gereed met +lezen was, zeide hij: + +—Natuurlijk moeten wij dien Baxter weer opnieuw een lesje geven. Als er +werkelijk zulk een zwendel is, dan ga ik er ook naar toe met de vaste +begeerte en besliste zekerheid een einde te maken aan al dat gedoe, dat +mij vreemd is. + +—Wat kan het je schelen? + +—Veel. + +—Och, de wereld wil immers zoo. Iedereen doet toch alles om zich ten +koste van anderen te verrijken. Soms zelfs onder den schijn van +philantropie of iets dergelijks. Waar bemoei je je mee. Ga op reis. +Trek er uit. Laat den boel voor wat ze is en... geniet. + +—Charly! Charly! Wat sla je door! Zeker, ik denk ook wel eens: waarom +leef ik niet als een gewoon man? Maar, beste jongen, ik geloof dat ik +gauw dood zou gaan. Emotie moet ik hebben. Als iedere zenuw gespannen +is, dan leef ik pas. Soms spijt het mij dat ik geen club heb opgericht. +Een club die alle beroerde dingen bestreed, die opkwam voor de door het +leven of de omstandigheden getrapten, die altijd zóó blijven als een +slaaf... Ach, wat jij... jij hebt er vanmorgen uitstekend slag van om +mij te stemmen tot tegenweer—vervolgde Raffles.—Wij zullen dit gesprek +staken en onmiddellijk maatregelen nemen. + +—Welke?—vroeg Charly nu, die begreep dat Raffles niet van zijn plannen +af te brengen was. + +—Zooveel mogelijk moet er bekend gemaakt worden, dat de Arabier Ben +Amis met zijn hengst Aldabaran de wedstrijden zal meemaken. + +Vragend zag Charly Brand naar Lord Lister. Hij begreep er niet veel +van. Raffles zag dit en zeide: + +—Mijn beste Charly, het blijkt mij dat gij slecht van geheugen zijt. +Heb ik niet—zoo vervolgde hij in eenen adem door—direct na die +bekendmaking, verleden jaar, gezorgd dat ik een edel rijdier kocht? +Oefende ik mij niet? Is alles niet gereed voor de wedrennen? + +—En gij verkocht den hengst? + +—Ha! Ha!...—lachte Raffles,—ja, in schijn. Inderdaad staat hij thans te +York op mij te wachten. + +—Wie moet het dier berijden? + +—Ik zelf. + +—Ge breekt den nek. + +—Misschien! Dan zijt gij meteen verlost van een lastig heer, Baxter van +zijn nachtmerrie en de wereld van een onbekenden misdadiger, die er nu +eenmaal behagen in schept met alles wat zoogenaamd recht en wet is, van +ganscher harte te spotten. + +—Jij verweet mij dat ik in een kwade stemming was, doch vermeen te +mogen opmerken dat ook gij niet ver van pessimisme zijt. + +—Dank je wel voor je gratis advies, Charly! Me dunkt, ge kunt nu wel +even een chèque in klinkende munt omzetten, niet? + +Charly begreep dat hij gaan moest, wilde hij zijn heer en vriend niet +al te zeer in een „booze bui” brengen. + +Hij stond op en ging heen, terwijl Lord Lister achter bleef, droomend +voor zich uit starend in de blauwe lucht, die boven hem zich uitspande +als een hemelsch schoon tapijt. + +Enkele minuten verliepen er. + +Toen stond Raffles op. Een zachte glimlach speelde hem om de lippen, +terwijl hij mompelde: „Wat kunnen mij eigenlijk de menschen schelen? +Hoofdzaak is dat ik gelukkig ben. Goddank behoef ik nooit te vragen om +hulp of iets dergelijks. Als ik dood ga laat ik de wereld een naam na, +of die goed of kwaad is, wat kan mij het schelen? Misschien noemen ze +het krankzinnig... maar ik heb geleefd!...” + +Met deze woorden trad hij een soort van kleedkamer binnen. + +Een acteur die zich voor een bepaalde rol schminken moest, had hier +alle middelen gevonden welke noodig waren zichzelf te veranderen in den +een of anderen persoon, welke noodig was in en bij het tooneelspel. + +Raffles zette zich neder voor een kaptafel en nadat hij zich ontdaan +had van jas en vest, begon hij zich langzaam en met zorg te schminken. + +Zoodra hij daarmede gereed was, kleedde hij zich in een Arabisch kleed, +dat slechts een zeer klein onderdeel vormde van de uitgebreide +collectie kleedingstukken in die kamer aanwezig. + +Een uur later, toen Charly terugkwam, zat Ben Amis in een salon te +wachten. + +—Indien ik niet wist dat gij het waart, Edward, dan zou ik waarachtig +denken dat een Arabier hier zat. + +—Van dit oogenblik af ben ik dat ook. Hebt ge alles gereed? + +—De koffers moet ik nog pakken. + +—Vlug dan. Vergeet vooral de uniform van politie-inspecteur niet. + +—Binnen een half uur is alles gereed. + +—Zorg er voor dat gij ook een Arabier zijt. + +—Ik? + +—Maakt gij al weer bezwaar? + +—Neen!... Maar... ik... + +—Ga maar mede. Ik zal je wel even helpen. + + + +Twee en een half uur later liepen twee Arabieren op het +West-End-station te wachten op den trein die naar York ging. + +—Zou Baxter er al zijn?—vroeg Charly, die den naam droeg van Saraj. + +—Misschien wel—antwoordde Ben Amis, alias Raffles.—Let op! Daar is „de +vloo”. + +Inderdaad stapte enkele seconden later Mr. Marholm, de secretaris van +Mr. Baxter, langs de beide vrienden en keek hen onderzoekend aan. + +Mr. Marholm had den bijnaam van „de vloo” en was als zoodanig in het +gansche politiecorps en bij de pers bekend. Ook Raffles wist dit en +noemde hem nooit anders. + +—Waar „de vloo” is, zal ook de meester wel wezen!—meende Charly. + +—Zwijg, Saraj,—gebood Ben Amis.—Men let op ons. Opgepast. Speel je rol +goed, mijn jongen! + +„De vloo” draaide om de beide vrienden als een mug om een kaars. +Raffles merkte dit tot zijn genoegen op, want het was misschien een +reden dat „de vloo” bij hen zou komen zitten. Tot overmaat van +smart—tenminste voor „de vloo”—werd deze aangesproken door twee andere +heeren. + +Raffles had hen nog nooit gezien, doch vermoedde intuitief dat het +geheime agenten van Baxter waren. + +Langzaam kwam de trein, die op het enkele spoor, waaraan York, +verscheidene mijlen verder, lag, het station binnen gerangeerd. + +Het was niet bijzonder druk. Wel zag men verschillende typen van +paardenliefhebbers, paardenkooplieden, enzoovoort, enzoovoort, maar +bijster veel belangstelling was er nog niet. + +Dat kwam overmorgen pas. + +Heden was het immers slechts inschrijving! + +Raffles met Charly talmden net zoo lang totdat zij wisten waar „de +vloo” plaats genomen had en traden toen ook dezelfde coupé binnen. + +„De vloo” wreef zich vergenoegd de handen en keek triomfantelijk de +beide Arabieren van ter zijde scherp aan. + +Rustig, flegmatiek, ging Raffles te werk, reikte den controleerenden +beambte zwijgend zijn biljet over en rolde zich een cigarette met +onmiskenbare handigheid. + +Even een snerpend fluitje, en de trein zette zich in beweging...... + +—Nu gaat het er op los, heeren!—sprak „de vloo” tot zijn beide +reismakkers, die eveneens tegenover Raffles en Charly zaten. + +—Ja! Mr. Marholm—antwoordde de een.—’t Zal mij werkelijk interesseeren +of Raffles er is. + +—Mij ook. Hoewel ik—vervolgde „de vloo”—het niet geloof. Die meening +van Mr. Baxter deel ik niet. + +Raffles wees naar buiten en sprak eenige Arabische woorden tot Charly, +die teekenen van instemming gaf. + +—Wat moeten die snuiters?—fluisterde een der geheime agenten tot „de +vloo”. + +—Weet ik niet—antwoordde deze terug. + +—Zouden zij Engelsch verstaan—informeerde de ander. + +Mr. Marholm of-te-wel „de vloo” gevoelde zijn roeping en zeide met +tamelijk veel gewicht: „dat zullen wij eens vragen”. + +—Reist u naar York?—vroeg hij daarop aan Raffles. + +—Om u te dienen,—antwoordde deze in eenigszins gebroken Engelsch. + +—Deelnemer aan de wedrennen?—informeerde „de vloo”. + +—Mag ik u een weervraag stellen?—vroeg Ben Amis met een vreemden lach +om de lippen. Ineens vervolgde hij:—Vraagt u dit, omdat gij zelf ook +deel zal nemen aan de rennen? + +„De vloo” beet zich op de lippen. + +Hij had zulk een woord niet verwacht van den Arabier. + +Toen zeide hij:—Ik reis in mijn kwaliteit van politie-ambtenaar. + +—O! Heeft men hier daar de politie bij noodig? Bij ons in Alexandrië is +dat gansch anders. Daar is het zelfs feest voor de politie als er +wedrennen plaats hebben. + +Zoo écht kinderlijk, naïef had Raffles dit gezegd, dat geen der +politiemannen er ook maar één minuut aan twijfelde, of deze man sprak +in volle overtuiging. + +„De vloo” was gewonnen en toen Raffles met een onderdanige buiging hem +een cigaret aanbood, was hij het die, met zeker air, vroeg naar de +wedrennen van Alexandrië, naar de reis, naar paarden, kortom naar alles +wat een Arabier belangrijks te vertellen weet aan een Westerling zooals +Mr. Marholm was!... + +En Raffles antwoordde hem met beleefde voorkomendheid, zoodat de reis +buitengewoon aangenaam en vlug verliep. + +York lag niet zoo heel ver van Londen en ware het niet dat hier +jaarlijksche wedrennen werden gehouden die over de gansche +wereld—vooral in de sportkringen—een grooten naam hadden gemaakt, zoo +ware York een vergeten plaatsje geweest, zóó onbeduidend was het. + +Charly zat gedurende de gansche reis maar stil voor zich uit te zien. +Hij lette goed op wat er gesproken werd en verbaasde zich er over dat +Raffles weer met onnavolgbare handigheid den toestand beheerschte en +met de politieambtenaren deed wat hij zelf wenschte. + +Toch was Raffles niet geheel tevreden. Hij vroeg zich af „waar Baxter +toch wel wezen mocht”? + +Misschien ziek? + +Dat zou jammer wezen. Want hij—Raffles—had zich al verheugd in de +mogelijkheid Mr. Baxter eens een nieuw avontuur te laten beleven. + +Vragen naar hem kon hij niet, zonder eenige verdenking op zich te +laden. + +Zoo zat Raffles gedurende de laatste minuten te denken, toen hem +plotseling een plan te binnen schoot. + +—Mag ik u een vraag doen?—vroeg Raffles onnoozel aan „de vloo”. + +—Met genoegen, en kan ik deze beantwoorden, dan zal zulks mij zeer +aangenaam wezen. + +—Vanmorgen las ik deze courant—hierbij haalde Raffles een courant te +voorschijn—dat de politie uit Londen maatregelen nam te York. Waarvoor +is dat? + +„De vloo”, blijde dat hij een gewichtige houding aan kon nemen, +vertelde Raffles de knoeierijen der weddenschappen en der jockey’s. + +—Rijdt een uwer paarden ook mee?—vroeg „de vloo” na zijn verhaal. + +—Ja. Mijn Arabische hengst „Aldabaran”—antwoordde Raffles. + +—Hebt u een Engelschen jockey? + +—Neen. Ik rijd zelf. + +—Men zal u willen omkoopen. + +Ben Amis’—alias Raffles—oogen glinsterden onheilspellend. + +—Ik ben niet om te koopen!—zeide hij norsch, zoodat „de vloo” zich +haastte zijn verontschuldigingen aan te bieden. + +—Ik wilde u alleen maar even waarschuwen! + +—Dank u!—sprak Raffles. + +Nog enkele minuten... en de trein liep het station van York binnen. + +Het spel zou beginnen. + +Raffles voelde zich in „stemming”. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +BAXTER VERGIST ZICH! + + +Toen de trein stilstond en de portieren geopend waren, namen Raffles en +Charly afscheid van „de vloo” en zijn makkers en stapten zij naar den +uitgang, waar verschillende personen stonden te wachten. + +Raffles had een stil vermoeden dat er vele geheime agenten onder het +aanwezige publiek waren en merkte al aanstonds op, dat juist op zijn +persoon en dien van Charly alle aandacht gevestigd was. + +Doende alsof hij niets bemerkte, overhandigde hij den controleerenden +beambte zijn biljetten en liep het plein op, vóór het station. + +Een commissionair, met gegalonneerde pet op, waar met gouden letters +vermeld stond dat hij employé was van het „London Hotel”, trad op +Raffles toe en vroeg: + +—Ben Amis uit Alexandrië? + +—Juist, vriend. + +—Uw auto staat gereed. + +—Is ’t ver naar het hotel? + +—Vijf minuten. + +—Dan loop ik. Zoo’n duivelsding wensch ik niet. Waarom geen paarden? + +De commissionair ging een weinig achteruit, omdat Raffles met forsche +stem dit vroeg en den man gestreng aanzag. + +—Ik wist niet dat u een rijtuig wenschte. Zal ik er een ontbieden? + +—Niet noodig. + +Inmiddels hadden zich, zooals dit gewoonlijk gaat, vele menschen om +Raffles verzameld, die allerlei opmerkingen te hooren gaven. + +—Hoor! Wat een kaffer!... + +—Hij denkt dat wij slaven zijn. + +—’t Is een echt aapmensch... + +—De kerel durft niet eens in een auto. + +—Dat belooft iets voor de wedrennen! + +Dergelijke uitroepen werden vernomen en Raffles genoot met volle +teugen.—„Als Baxter dit nu eens zag”—dacht hij. + +Meteen werd zijn wensch vervuld. Geweldig proestend en blazend baande +de dikke inspecteur Baxter, inspecteur en hoofd van Scotland Yard, zich +een weg door de opeengehoopte volksmenigte en riep met groote stem: + +—Doorloopen! Volksoploopen zijn streng verboden. Wat is dat hier? + +Raffles keek hem onderzoekend aan. + +—Wie is u?—vroeg Ben Amis. + +—Wat?—schreeuwde Baxter, die ’s nachts slecht geslapen had en dien +morgen buitengewoon prikkelbaar was.—Wat? Moet jij mij vragen wie ik +ben? Zwartkop? Alo! Mee naar het bureau. + +—Naar welk bureau?—vroeg Raffles langzaam en met nadruk. + +De belangstelling van het publiek steeg met iedere seconde...... + +Een snerpend fluitje weerklonk, doordat Baxter assistentie vroeg. Niet +lang daarna kwamen enkele agenten aansnellen, die op Raffles toetraden. + +Charly stond doodsangsten uit. + +Thans was het spel toch wel wat al te gewaagd. Nu zou Raffles eindelijk +vallen in de handen van zijn vijanden, dien hij zoo innig verachte—de +politie. + +—Is het hier de gewoonte—riep Raffles—dat men met politie naar zijn +hotel gebracht wordt? + +—Geen praatjes alsjeblieft—driftigde Baxter als een brieschende leeuw. + +Onmiddellijk gaf hij bevel tot uiteenjaging van den oploop en stuwden +vier agenten Raffles voor zich uit, gewillig gevolgd door Charly. + +Als een overwinnaar die pas van het slagveld terugkomt, liep Baxter +vooruit naar het bureau van politie te York. + +Hij zou dien kroeskop, dien nikker, eens mores leeren hém, Baxter! te +ondervragen! + +—Tuig!... is het... allemaal... en als die vervloekte Raffles nu maar +komt... Dezen keer ontsnapt hij mij niet... Enfin, dit is ook al een +aardig voorval!... Straks even naar Londen seinen!... ’t Kan nooit +kwaad dat men weet hoe actief ik ben!... + +Met dergelijke overpeinzingen liep Baxter voort en trad weinige minuten +later het Yorksche bureau binnen. + +Hij zette zich neer achter een schrijfbureau en keek vreemd op dat hij +inplaats van den Arabier, „de vloo” zag binnentreden. + +„De vloo” had gewacht totdat zijn heer en meester binnen was gekomen en +was hem onmiddellijk gevolgd. + +—Goeden morgen, chef! + +—Jongmensch, ge komt als geroepen. + +—Dat wist ik, chef. + +—Wat wist jij?—beet Baxter hem nijdig toe. + +—Dat ik op tijd kwam. + +Baxter stond geslagen. Hij was opgesprongen en bleef voor „de vloo” +staan. Hij pakte hem bij de schouders en riep: + +—Jongmensch!... ik waarschuw je! Pas op! Ik ben niet in een stemming om +jou brutalen toon te verdragen. Op ’t oogenblik ben ik de baas. +Begrepen? + +—Dat is u altijd, chef. Maar als ik u verzoeken mag, laat mij dan los. +’t Is mijn eenige goede jas en mijn salaris is niet zóó hoog dat ik mij +de weelde van een nieuw pak permitteeren kan! + +Baxter liet onmiddellijk „de vloo” los en zag hem uitdagend aan. Meteen +vernam hij gedruisch van voetstappen en riep: + +—Let eens goed op, ezelsveulen, hoe je chef handelt. Wij hebben al een +goede vangst gedaan! + +—Hebt u Raffles?—vroeg „de vloo” spottend. + +—Spreekt dien naam niet meer uit—brulde Baxter,—anders zou het je je +baantje wel eens kunnen kosten. + +Nog was Baxter niet geheel uitgesproken of de deur werd geopend en +omringd met en door de vier agenten, traden Raffles en Charly binnen! + +—Ah!—riep Raffles, zoodra hij „de vloo” zag,—dat noem ik een geluk. U, +noch ik, had gedacht dat wij elkander zoo spoedig zouden weerzien. +Vertel mij eens, wat ik u bidden mag, is dit de gewoonte in Engeland +dat men vreemdelingen door de politie laat opbrengen? + +„De vloo” keek eerst naar Raffles, toen naar Charly, daarna naar Baxter +en toen weer naar de beide Arabieren. + +Daarop barstte hij in een welgemeend lachen uit, wat Baxter zóó woedend +maakte dat hij uitriep: + +—Er uit!... Er uit!... En voorgoed!... Jij ellendig mormel, parodie der +menschheid, paskwil... ezelsveulen, moet jij lachen?... Hè?... Spreek +op.... + +„De vloo” maakte aanstalten om heen te gaan!... + +—Neen, blijf hier!... schreeuwde Baxter!... + +—En ik moet gaan. + +—Blijf!... gebood Baxter met harde stem.—En antwoord mij. Wie is +dat?—Hierbij wees hij op Raffles. + +—Ik maakte met dezen charmanten Arabier kennis in den trein. Hij komt +van Alexandrië en ik kan mij absoluut niet voorstellen wat u in hem +„een goede vangst” noemt. + +—Zoo!... Hm!... Hm!... De kerel was onbeleefd. + +Raffles had tot heden toe gezwegen en zich een houding gegeven alsof +hij absoluut niets van het geheele gesprek begreep. Hij schrok quasi op +toen Baxter het woord tot hem richtte. + +—Uw naam? + +—Ben Amis. + +—En van uw makker? + +—Saraj. + +—Hoe? + +—S. a. r. a. j.—spelde Raffles. + +—Heidensche namen—bromde Baxter!—Waar vandaan? + +—Alexandrië. + +—Heb je papieren bij je? + +—Zeker heb ik die. Maar heb ik gestolen? Kwaad gedaan? Op het consulaat +te Londen heeft men mij met alle eer behandeld. Ik zal een aanklacht +indienen wegens deze behandeling. Een dienaar van koning Menes heeft +recht op een betere behandeling. + +Baxter verschoot een weinig van kleur. + +„De vloo”, die zijn chef al zoo menigmaal had zien falen, en de +agenten, die Baxter gedurende één dag kenden, doch hem niet konden +respecteeren, genoten van de brutaliteit waarmede deze Arabier tegen +den chef durfde optreden! + +Heel wat kalmer dan zooeven vroeg Baxter de reden van den volksoploop. + +—Kan ik het helpen—vroeg Raffles—dat het publiek mij aangaapt met een +bijzondere belangstelling? Is het mijn schuld dat men nooit een Arabier +heeft gezien? Ligt het aan mij dat de bediende van het „London Hotel” +mij in een auto—een duivelsding!—wilde stoppen, wat ik niet verkoos? Uw +optreden, mijnheer, was ongerechtvaardigd. U kende mij niet. Evenmin ik +u. Als u in uniform geweest waart, dan had ik gezien dat u een +autoriteit was. Nu vermoedde ik dat gij een nieuwsgierige waart. Dat +moest u bedacht hebben. De Engelsche politie, vooral die uit Londen, +heeft in de wereld een goeden naam, en wij hadden nooit kunnen denken +dat wij deze ervaring zouden opdoen. Uw schuld is het, mijnheer de +inspecteur, dat de couranten zullen vermelden dat Ben Amis, de grootste +paardenbezitter van Alexandrië, door Engelsche politie-beambten is +opgebracht. Dat zal men u nooit vergeven en ik zal u aanklagen. + +—Ja maar...—hakkelde Baxter uit het veld geslagen... + +—Neen!... Neen!... Neen!... mijnheer, eenige vergissing is mogelijk, +maar niet een zooals deze. Zoekt u een misdadiger? Iemand die hier is +of komen zal? Maar, bij Mohamed’s baard, zie ik er dan uit als een +misdadiger? + +Het geval werd tragisch. + +Baxter transpireerde groote druppels zweet. + +Hij werd angstig. + +Het gelaat van „de vloo” stond in spanning. Ieder oogenblik had hij +willen uitbarsten in lachen. + +Raffles’ gelaat stond onheilspellend donker. + +—Rukt uit!—commandeerde Baxter tot de vier agenten, die nog steeds +stonden te wachten. + +Glimlachend verwijderden zij zich. + +Toen stond de inspecteur op en zeide zichtbaar geroerd: + +—Mijnheer Ben... Ben... Ben!... hoe is ’t ook weer?... Eh... Ben... +Amos.... + +—Ben Amis—verbeterde „de vloo”. + +—Houd je mond, vlegel!—brulde Baxter, blij dat hij zijn toorn op een +onschuldige kon doen losbranden!—’t Is jouw ezelachtige schuld dat ik +deze onschuldige lieden arresteeren liet. + +—Mijn... schuld? Nu nog mooier! + +—Zeker, stommerd! Jij had het je tot plicht moeten rekenen mij direct +in kennis te stellen van je reis. Dan had dit alles niet kunnen +gebeuren. Jij zult nooit leeren! Nooit wordt jij een goed politieman. +Jij en die... die... Raffles zijn twee ellendelingen! + +Ben Amis, alias Raffles, voelde ineens veel sympathie voor „de vloo”. + +Baxter ging voort: + +—U, mijnheer Ben Amis, bied ik mijne verontschuldigingen aan. + +—Geef mij dat op schrift. + +—Dat kan ik niet. + +—Dan klaag ik u aan. + +—Ga uw gang, mijnheer. Gij zult dan ervaren wie Baxter is en wat voor +invloed hij heeft. + +Raffles sprak eenige onverstaanbare woorden tot Charly en beiden +maakten aanstalten om heen te gaan. + +„De vloo” schoot toe om de deur te openen, doch de inspecteur voorkwam +hem. + +—Eén oogenblik! Wat wenscht u met dat geschrevene te doen? + +—Meenemen als een bijzondere herinnering. + +—Anders niet? + +—Anders niet. + +—Mr. Marholm!—gebood Baxter—schrijf even een verontschuldiging. + +—Neen! Pardon! U zelf moet dit schrijven—sprak Raffles. + +Na eenig tegenstribbelen zette Baxter zich neer; een oogenblik zat hij +te denken en toen schreef hij met groote lompe letters: + + + L. S. + + Ik, ondergeteekende, inspecteur en hoofd van „Scotland Yard”, thans + gedetacheerd in York, ter gelegenheid van de jaarlijksche + wedrennen, verklaar, dat door een noodlottige vergissing Ben Amis, + komende van Alexandrië, door mij is gearresteerd geworden. Ik + verplicht mij hem op alle mogelijke wijzen te rehabiliteeren. + + BAXTER. + + York, 14 Mei 1880. + + +Glimlachend nam Raffles dit geschreven bewijs van Baxter aan en bergde +het in zijn wijd opperkleed. + +Toen boog hij hoffelijk en vertrok zonder één woord te spreken, met +Charly naar het London Hotel! + +Zoodra de beide Arabieren vertrokken waren, openden zich de „sluizen” +van Baxter’s toorn en al vloekende beweerde hij dat alles kwam „door +dien vermaledijden boef „Raffles”.” + +Dit werd alles nog veel erger toen de postbeambte een brief, uit Londen +afkomstig, voor inspecteur Baxter bezorgde van den volgenden inhoud: + + + Geachte Heer Baxter! + + Uit de dagbladen bemerkte ik dat u de meening is toegedaan, dat ik + te York aanwezig zou zijn tijdens de wedrennen. + + Ten einde u niet nog beschaamder te doen staan tegenover hen die u + als onovertreffelijk beschouwen, deel ik u mede dat ik thans, en + wel voor het eerst van mijn leven, het genoegen zal hebben naar + York te komen. + + Misschien is het wel zeer interessant. + + Geheel de uwe, + + RAFFLES. + + +Van dat oogenblik af was Baxter wanhopig en liet hij iedereen, die te +York aankwam, bij zich komen, hen onderwerpende aan een zeer scherp +verhoor. + +Doch Ben Amis was reeds lang in het „London Hotel” aangekomen. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +LORD BENTFIELD ONTMASKERD. + + +Raffles en Charly werden als Ben Amis en Saraj verwelkomd door den +beheerder van het „London Hotel”, die zijn leedwezen uitsprak omtrent +het gebeurde en mededeelde dat de commissionnair, door wiens toedoen +het voorgevallene gebeurd was, direct ontslagen was. + +—Dat is niet goed—antwoordde Ben Amis driftig.—Ge moet dien man +onmiddellijk in dienst terug nemen. ’t Was zijn schuld niet. + +Deze onverwachte wending had den hotelier niet verwacht en hij gaf de +verzekering dat de man in dienst zou blijven evenals Ben Amis dit had +bevolen! + +Daarop togen beide vrienden naar de voor hen gereserveerde kamers en +wierp Ben Amis zijn overtollige kleedingstukken uit. + +—Nu, Charly! Wat zeg je er van, mijn jongen? + +—Dat het ditmaal nooit goed met ons afloopt. + +—Charly, neem eens een frisch bad, maar kom direct weer bij mij terug +om je opnieuw te grimeeren. + +—Wat is dat nu weer voor malligheid? + +—Wel, beste jongen, ’t lijkt mij toe, dat gij wat moê zijt, of +zwaarmoedig! Een goed koud stortbad, dat je op je huid prikkelt, is een +uitstekende medicijn! + +—Dank je wel! ’t Is geen zwaarmoedigheid van me, wanneer ik vrees dat +’t ditmaal niet goed afloopt. + +—Waarom denkt gij dat? + +—York is een klein gat.... + +—Met, morgen, eenige tienduizenden bezoekers,—viel Raffles in. + +—Wat zou dat? Baxter heeft ons reeds eenmaal gezien... + +—Juist en daarom is van hem geen gevaar meer te vreezen. + +—En die krankzinnige brief dan?... + +—Is het middel hem op dwaalwegen te brengen. Wedden dat hij op ’t +oogenblik alle treinen onderzoeken zal? + +—Best mogelijk. Maar nog nooit heb ik een angstig voorgevoel gehad voor +je ondernemingen. Nu wel! + +—Dat komt omdat gij niets te doen hebt. Ledigheid is altijd verkeerd. +Het brengt gedachten of herinneringen, die niet goed en óók niet noodig +zijn. Ge moet iets doen! Jij gaat thans op verkenning uit en zoekt in +aanraking te komen met de wedders. + +—Moet ik dit doen? + +—Ja. Ik ga met spoed naar het inschrijvingsbureau en zal mij daarna +naar mijn vurigen Aldabaran begeven. Tot straks, Charly! + +Charly begreep dat er niets aan te doen was. En ziende hoe zijn heer en +vriend gestemd was, begreep hij dat het niet zoo’n vaart loopen zou met +alles, en toog hij tamelijk opgewekt naar buiten. + +’t Allereerste ging hij naar de plaats waar de wedrennen gehouden +werden en zag dat verscheidene handen bezig waren om de laatste +toebereidselen te maken voor de zoo gewichtige gebeurtenis—de +jaarlijksche rennen. + +Reeds gedurende vele jaren werden ieder jaar te York, eenige mijlen van +Londen, wedrennen gehouden, uitgeschreven door een daartoe aangewezen +internationale commissie. + +Van heinde en ver kwamen ze, de eigenaars, jockey’s en paarden om hier +te midden van uitgestrekte landerijen te genieten van een +sportdemonstratie of de krachten met anderen te meten. + +Op het terrein vóór de renbanen, die keurig netjes opgeharkt waren en +zorgvuldig afgezet te blakeren lagen in het helle zonlicht, waren reeds +vele kramen opgeslagen. Kramen voor verfrissching, voor eetwaren, voor +uitspanning en vermaak, kortom ’t was er alsof het kermis ware. + +Weer dichterbij vond men de kleine houten kantoortjes waar men de +postal orders [1] in depôt gaf, wanneer men een weddenschap aanging. + +Hier stonden ook de waarnemingsborden en de namen der paarden, waardoor +men steeds den stand der wedrennen volgen kon. + +En dan rondom de renbanen de reusachtige tribunes, de loopgangen voor +de wedagenten, de loges voor de eigenaars, de logementen voor de +jockey’s en de stallen voor de edele paarden. + +Zoodra Charly op deze plaats rondliep, zich gereedhoudende om actief op +te treden, genoot hij ook, evenals op het stationsplein, verbazend veel +belangstelling. Langzaam, doch elastisch, zooals Raffles hem gezegd +had, liep hij als een echte Arabier langs dit alles heen en genoot van +de algemeene opmerkingen die men omtrent hem ten beste gaf. + +Charly’s aandacht viel op een tweetal mannen die nevens een tent +stonden te wachten en hem onophoudelijk aankeken. + +Wachtte men op hém? + +Inderdaad! Eén der mannen trad op hem toe en vroeg: + +—Zoekt u iets? + +—Neen! Ik neem alleen alles eens in oogenschouw. + +—Is mijnheer jockey? + +—Neen! + +—Komt mijnheer van zóó ver uit belangstelling? + +—Hoe weet u dat ik van verre kom?—vroeg Charly.—Wonen er te Londen geen +Arabieren? + +—Niet van zoo donkere gelaatstint als u—antwoordde de man +complimenteus. + +—Gij hebt gelijk. Ik kom uit Alexandrië. Ge kent het? Ik heb mijn +meester Ben Amis en diens renpaard vergezeld. + +De kerel, met wien Charly sprak, knipoogde tegen zijn kameraad zonder +te vermoeden dat de Arabier dit bemerkte. + +—Maar dan rijdt u toch? + +—Mijn meester rijdt zelf! + +—Hoe is de naam van ’t paard? + +—Aldabaran. + +—Vlug? + +—Als water, wegvliegend uit een rots. + +—Sterk? + +—Als de bergen van den Ararat! + +—Jong? + +—Als de zon die opkomt uit de nevelen van den nacht. + +De kerels waren er stil van! + +Op hun korte vragen had Charly—die nu pleizier in de geschiedenis +kreeg—echt dichterlijk geantwoord. + +De beide mannen zagen elkander aan en na eenige minuten vroeg er een: + +—Heeft dat paard al meer gewonnen? + +—Van de twee en twintig wedrennen, gehouden tusschen de beste paarden +van Arabië, heeft Aldabaran er niet één verloren. Mijn meester is +schatrijk door hém! + +Weer zweeg men en daarna vroeg de ander: + +—Waar is uw meester? + +—In het London Hotel. + +—En waar het paard? + +—In een specialen stal. + +—Kunnen wij dat dier eens zien? + +—Niet vóór de wedrennen. + +—Waarom nu niet? + +—Mijn meester wenscht dat niet. + +—Jammer! Kunnen wij uw meester spreken? + +—Vraagt het hem zelf. + +—Ge zoudt kunnen verdienen. + +—Ik verdien genoeg. + +Nijdig keerden de kerels zich om en vertrokken. + +Charly had eerst nog gehoopt dat zij terug waren gekomen, omdat hij +thans niet veel te rapporteeren had aan Raffles, maar hij werd in zijn +veronderstelling bedrogen. + +De kerels waren achter de kraam of tent verdwenen en bleven weg. + + + +Zoodra de beide mannen, die met Charly gesproken hadden, uit ’t gezicht +van de menschen, die bij en om de renbanen liepen, verdwenen waren, +zeide de een tot den ander: + +—Dat is dat vreemde paard. + +—Er moet ingegrepen worden,—meende de ander. + +—Natuurlijk. Maar hoe? + +—Oogenblikkelijk beginnen. We zullen dan vanavond aan de club kunnen +mededeelen dat wij goede zaken hebben gedaan. Er is iets extra’s te +verdienen. + +—Wat wil je doen? + +—Of ’t paard onschadelijk maken òf dien vreemden snoeshaan overhalen +tot medewerking. + +—Dat is gewaagd! + +—Ach wat! Goud verblindt. Met geld doe je alles, kun je hemel en aarde +bewegen! We zullen eens zien!... + + + +Inmiddels was Charly weer teruggedwaald en begaf zich naar het „London +Hotel”. + +Zijn meester en vriend was nog niet terug, redenen waarom Charly zich +rustig neerzette in de zitkamer, door Raffles gehuurd tijdens de +wedrennen. + +Raffles was even na Charly weggegaan en had zich allereerst in laten +schrijven als deelnemer aan de wedrennen en als eigenaar van den +volbloed Arabischen hengst Aldabaran. + +Toen dit afgeloopen was, begaf hij zich naar den stal waar Aldabaran +stond. + +Enkele dagen geleden had Raffles dit edele rijdier met twee zijner +getrouwe bedienden naar hier gezonden en in een speciaal voor Aldabaran +gehuurden stal neergezet. + +Het gebeurde immers wel eens dat een paard, buiten de weddenschappen +staande, zoodanig mishandeld werd, dat op den dag der rennen het dier +niets waard was. + +En Raffles’ plannen waren ook zoodanig ingericht, dat iedereen brandde +van nieuwsgierigheid. + +Hij vond Aldabaran met zijn twee bewakers Tim en Jack in de beste orde +en streelde het edele ros zacht over de huid. + +Zorgvuldig hadden Tim en Jack alle belangen behartigd en Raffles’ +bevelen tot in de fijnste onderdeelen toe uitgevoerd. + +Raffles gaf zijn goedkeuring te kennen en drukte hun nogmaals op het +hart, toch vooral niemand tot Aldabaran toe te laten. + +Daarna vertrok hij en liep evenals Charly gedaan had, nog even langs de +stallen bij de renbanen. + +Sommige deuren waren gesloten, andere stonden open en overal was er +drukte en beweging. + +Raffles’ aandacht werd opeens getroffen door enkele teekens die met +krijt op een deur van een der laatste stallen geteekend waren. + +Dichterbij gekomen zag Raffles dat het de zoogenaamde dieventaal was, +en aangezien hij verschillende stelsels bestudeerd had, las hij het +„bericht” gemakkelijk: „Hedenavond elf uur spoedbijeenkomst”. + +Drommels, waar zou die bijeenkomst wezen? En was dit heden geschreven? + +Raffles naderde ongemerkt de deur en keek scherp toe. Het krijt was +versch, dus heden geschreven! + +Om rustiger hierover te kunnen nadenken, begaf Raffles zich naar het +hotel en vond Charly op hem wachten. + +Charly vertelde, terwijl Raffles cigaret na cigaret „verslond”, zijn +wedervaren en besloot met de mededeeling: + +—Meer kon ik heden niet te weten komen. + +—Waar bleven de kerels? + +—Weet ik niet. + +—Je hebt wel eenigszins dom gehandeld, want ik vermoed dat dit toch de +sleutel wezen zal, noodig om toegang te hebben tot die geheimzinnige +club der wedders. Bovendien ware het belangrijk geweest omdat er +hedenavond een vergadering of bijeenkomst is. + +—Hoe weet jij dat? + +—Gelezen. + +—Waar? + +—Op de staldeur nummer zeventien. Ge ziet mij weer zoo echt naïef aan. +Je weet ik let gewoonlijk op alles. En de dieventaal ken ik ook een +weinig. + +—En waar is die vergadering? + +—Dat is de vraag, Charly! De club heeft natuurlijk haar geheim lokaal. +Dat moet ik uitvinden. + +—Hoe wilt gij dat doen? + +—Nog onbekend, doch ik vertrouw op mijn gelukkig gesternte! Laten wij +eerst eens iets nuttigen. Mijn maag herinnert mij aan stoffelijke +dingen, vriendlief. Roep den kellner! + +Charly drukte op een electrische schel en enkele oogenblikken later +verscheen een kellner, aan wien Raffles opdroeg zoo vlug mogelijk voor +een diner te zorgen. + +Een uur later lag Raffles te genieten van een fijne Havana en dacht hij +diep na. + +Bescheiden werd er op de deur geklopt. Raffles hoorde het niet, doch +Charly riep „Binnen!” + +Een hotelbediende trad binnen en zeide: + +—Mijnheer, daar is een heer bij onzen chef gekomen of hier een Arabier, +die een paard bezit met den naam Aldabaran, gelogeerd is. Wij vermoeden +dat het Ben Amis wezen kan en werd mij opgedragen u te verzoeken dit +aan uw meester mee te deelen. + +—Hoe heet die vreemde heer? + +—Lord Bentfield, mijnheer. Hier is het kaartje. + +—Verzoekt die man toegang tot Ben Amis? + +—Indien Ben Amis eigenaar is van Aldabaran. + +—Dat is zoo! Ik zal mijn meester verwittigen. + +Raffles, die op het breede balcon zat, had weinig van deze boodschap +gehoord, doch toen Charly hem alles had gezegd, riep hij: + +—Laat onmiddellijk dien Lord Bentfield binnen! + +Raffles bekeek zichzelf in den spiegel en gaf zich een ongedwongen en +gemakkelijke houding. + +Charly leidde Lord Bentfield binnen. + +Raffles stond op. + +—Wat verschaft mij het genoegen Uwe Lordschap te mogen ontvangen? + +—Niets meer en niets minder dan enkele, misschien brutale, vragen. + +—En die zijn?—vroeg Raffles kortaf. + +—Heden was ik bij de inschrijving tegenwoordig en ik bemerkte daar dat +u Ben Amis, een volbloed Arabischen hengst, Aldabaran geheeten, in de +baan brengt. + +—Dat is zoo! Een gansch éénig paard, een dier zooals er geen tweede is! +’t Heeft mij reeds twee en twintig rennen doen winnen. ’t Is een +buitengewoon edel dier en een geschenk van koning Menes aan mij voor +bewezen diensten. Ik hoorde van de wedrennen te York. Las, hoe hier +schier uit alle oorden der wereld renners naar toe kwamen en vatte het +plan op om ook Aldabaran eens op Engelschen bodem te doen kampen. Hebt +u verstand van paarden?—vroeg Raffles ineens in een gansch anderen +toon. + +—Gelukkig ja! En het is ook enkel en alleen belangstelling die u lastig +valt in mijn persoonlijk bezoek. Ik zelf heb zeer veel gereden en zou +zoo gaarne dit buitengewone dier zien. + +Raffles sprong op. + +—Is niet te zien, mijnheer!—riep Raffles driftig. —Wie garandeert mij +dat u geen revolver, geen mes of wat ook bij u hebt, waarmede gij mijn +trouwen Aldabaran treffen zou! Ah! wij Arabieren houden van onze dieren +en beschouwen zulk een paard als ’t licht onzer oogen... Overmorgen +zult gij Aldabaran zien! U is toch bij de wedrennen? + +Lord Bentfield scheen wel wat geschrokken. Hij zweeg althans enkele +minuten, terwijl hij zenuwachtig met zijn hoed heen en weer draaide. + +In dien tusschentijd had Raffles gelegenheid te over om Lord Bentfield +op te nemen. Daarbij bemerkte Raffles dat de kerel geschminkt was en +een pruik droeg. Ook de handen wezen er op dat dit onmogelijk een lord +wezen kon. + +—Ziet u eens,—zoo begon Lord Bentfield weer—ik ben voorzitter van de +„Paardensport-vereeniging” en stel het zéér op prijs wanneer u van mijn +diensten gebruik zult willen maken. Ik ben allereerst gekomen om uw +Aldabaran te mogen zien. Dit is mij niet gelukt. Van zelf spijt dit +mij. Toch wil ik er in berusten, zonder rancunemaatregelen te nemen. +Doch mag ik u waarschuwen? + +—Indien dit noodig is, zelfs zeer gaarne. + +—’t Is de eerste maal dat u te York komt? + +—Ja. + +—U kent dus de gewoonten niet? + +—Hoe zou ik ze kennen?—vroeg Raffles, die nieuwsgierig was waar de man +heen wilde. + +—Ziet u eens. Als u als eigenaar rijden wilt, is er gevaar. + +—Dat is wel eens aangenaam. + +—Gevaar voor uw leven—zeide de man met klem, omdat hij boos werd dat +zijn woorden zoo weinig indruk maakten op den Arabier. + +—Mijn leven is in Mohamed’s hand, Lord Bentfield, en daarbij blijf ik. +Is mijn tijd gekomen, dan moet ik gaan en daarmee afgeloopen. + +Lord Bentfield stond woedend op. + +—U moet het zelf ervaren—sprak hij met een merkbare trilling in zijn +stem—hoe het dan gaan zal. + +—Zeer geëerde Lord—hernam Raffles—indien u met geen andere voorstellen +tot mij komen kunt, is uw tocht doelloos geweest. U denkt +waarschijnlijk dat ik, omdat ik een andere gelaatskleur heb dan u, ook +dommer wezen moet. Gerust, u vergist zich! Ik twijfel bijvoorbeeld niet +dat u Lord Bentfield is, maar vraag mezelf toch af wat de reden wezen +mag dat u tot mij komt met een vermomming... + +Lord Bentfield gaf een lichten kreet en greep meteen naar zijn pruik. + +Te laat...... + +Hij was ontdekt...... + +Raffles keerde zich om en deed precies alsof hij iets doodgewoons +gezegd had en lette niet op de wanhopige pogingen welke Lord Bentfield +deed om zich te herstellen. + +Charly verkneukelde zich van pret en zag met genoegen hoeveel moeite +Lord Bentfield deed om een weg te vinden om heen te gaan. + +Lord Bentfield keek van Raffles naar Charly en van dezen weer naar +Raffles. + +Toen hoorde hij zich toevoegen door Raffles’ stem: + +—Daar hebt u een spiegel, Lord!—Raffles drukte sterk op het laatste +woord.—Maak alles in orde en verdwijn! + +—Zult u geen maatregelen nemen? + +—Bij ons schiet men zoo iemand òf dood, òf men koopt de schuld af. Wat +ik thans moet doen weet ik nog niet. Trouwens York wemelt op ’t +oogenblik van geheime agenten van politie. Ik zou het hun mee kunnen +deelen en u hier zoolang doen bewaken. Wie de gevaren der woestijn en +der bergen kent, weet altijd te handelen, Lord! + +—Ik ben bereid schadeloosstelling te geven!—stamelde Lord Bentfield. + +—Voor wat? Mij deed en doet ge geen schade, wèl u zelf. Vertel mij wat +uw eigenlijk doel was. Want ik kan mij moeilijk voorstellen dat gij +alleen kwam voor hetgeen gij thans gezegd hebt. Is er meer belang bij +voor u dan voor mij? Heeft u reeds weddenschappen genomen op andere +paarden? Verwissel ze dan op mijn paard en ik geef u de verzekering dat +gij winnen zult. Hebt gij een eigen paard? Wilt gij een mijner +getrouwen als jockey? Komt u zichzelf aanbieden als zoodanig? Spreek +vrijuit. Ik ben dat ook gewoon te doen. Niets haat ik meer dan die +vormelijke belangstelling in het heil of geluk van anderen, dat niets +meer of minder beteekent dan eigen egoïsme nog beter te kunnen +bevoordeelen of te dienen. Wilt gij mij uw plannen zeggen? + +Lord Bentfield zag wanhopig rond en besloot schijnbaar om zich gewonnen +te geven. + +Na minuten lang zwijgen zeide Lord Bentfield: + +—Inderdaad, Ben Amis, ik ben met andere plannen gekomen. + +—En die zijn? + +—Sta mij toe, u dit morgen te zeggen. + +—Waarom dan pas? + +—Ik ben niet alleen. Nog enkele heeren en kennissen van mij hebben een +club gevormd, die zich ten doel stelt de weddenschappen zoodanig te +doen zijn, dat er een kleine winst, zonder risico, gewonnen kan worden. +Dat is al! En wanneer u met uw paard komt, zal alles natuurlijk hooger +gaan mèt minder winst. Verschillende jockey’s zijn bij ons aangesloten. + +—Dat begrijp ik,—viel Raffles in.—Er is dus, met andere woorden, geld +te verdienen? + +—Jawel.—Haperend zeide Lord Bentfield dit. + +—En hierover moet u met uwe makkers beraadslagen? + +—U raadt het ongeveer. + +—Laten wij een einde er aan maken. Dit gedraai om de zaak heen verveelt +mij. Wat betalen de heeren als ik hun de weddenschap met goed succes +bezorg? + +Lord Bentfield keek ongerust op. Met dezen Arabier was het geen +gekscheren. Men moest met hem oppassen. Als hij nu maar eerst bij de +kameraden was. Misschien was er met dezen man te handelen. + +—Ik wil—vervolgde Raffles—desnoods met u meegaan! + +—Goed, gaat met mij meê. Om elf uur is het onze bijeenkomst. Ik zal u +wachten bij de stallen der baan. + +—Mooi—lachte Raffles.—Ik zal er zijn. + +—Het wachtwoord is Aldabaran. + +—Prachtig. + +—Ik waarschuw u verder dat u geen politie-maatregelen neemt, anders kon +het u wel eens berouwen. + +—Gewoonlijk handel ik zèlf. Ook nu. + +Lord Bentfield vertrok en Raffles wreef zich vergenoegd in de handen. + +Het zaakje marcheerde prachtig. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +BAXTER WORDT ARABIER. + + +Voordat Raffles wegging zette hij zich neder en schreef het volgende +briefje: + + + Mijnheer. + + Vanmiddag, toen ik bij de stallen was, gelegen bij de renbanen, + bemerkte ik uit de verte twee mannen, die mijn aandacht trokken. Ik + stelde mij verdekt op, wetende dat in deze tijden zoo veel + misdadigers los loopen. Dichterbij gekomen, hoorde ik fluisteren en + verstond dat er hedenavond een bijeenkomst zal plaats vinden van de + zoogenaamde weddersclub. Ook hoorde ik den naam van Raffles en + besloot men vooral maatregelen te nemen tegen een Arabier, Ben + Amis, welke hier met een paard aanwezig is. + + Misschien kunt u met deze weinige gegevens—meer kon ik er niet + bekomen—iets bereiken. + + Ik was zelf gaarne gekomen, maar moet heden voor zaken weg. + + Hoogachtend, + + JACKSON. + + +Hij—Raffles—nam een couvert en schreef het adres: + + + Aan + + den WelEdel Gestrengen Heer + + BAXTER + + uit Londen, + Hoofd der Politie, + + YORK. + + +Daarop liet hij Charly den brief naar een estafet aan het station +brengen om den brief onmiddellijk te brengen op het Bureau van Politie. + +Dit gebeurde en drie kwartier later liep inspecteur Baxter heen en weer +te „ijsberen” in het bureau. + +Den brief van Jackson hield hij geopend in zijn hand en „de vloo” keek +zijn chef met groote oogen aan. + +—De man wordt nu stellig gek—mompelde „de vloo”. + +—Wat brom je daar weer?—stoof Baxter op.—Uilskuiken! In plaats dat je +mij helpt denken, zit je daar suf neer! Wat voer je eigenlijk uit? + +„De vloo” stond op en „ijsbeerde” oogenblikkelijk mee met zijn chef. + +En nu vertoonde zich het belachelijke feit dat Baxter met den +wijsvinger aan het hoofd, „de vloo” precies eender, heen en weer stapte +door het bureau. + +Stond Baxter stil... „de vloo” stond als een paal. + +Zuchtte Baxter... „de vloo” scheen aan pijn te lijden, want hij zuchtte +zóó aandoenlijk dat wie het gehoord had, hem ondersteund zou hebben. + +Slaakte Baxter een kreet, alsof hij een ontdekking deed, „de vloo” +stiet een vreugdegeluid uit, precies alsof hij een schat vond van +groote waarde. + +En dan maar weer... acht passen heen!... acht passen terug... +stilstaan,... zucht... vooruit... wéér stilstaan... kreet... + +—Wat voer je in hemelsnaam uit?—brulde Baxter opeens, toen dit spel al +meer dan een kwartier geduurd had. + +—Ik help u denken, chef—antwoordde „de vloo”. + +—Ruk uit... + +—Chef? + +—Wat moet je? + +—Als we eens.... + +—Raffles zochten, wil je zeggen, hè? + +—Juist, chef.... + +—Jonge man, ik bewonder je doorzicht... Maar hoe? Waar vinden wij dien +kerel. + +—Bij die wedclub. + +—Maar waar vinden wij die? + +—Chef, als ik nu eens iets zeggen mag? + +—Ga je gang, Marholm. Geneer je niet.... + +—Als wij nu eerst eens naar dien Ben Amis gingen. Hij wordt in dien +lammen brief van Jackson genoemd. Misschien heeft de Arabier ook wel +een brief gekregen. + +—Wat denk je van dien Jackson? + +—Dat is een ezel, chef. + +—Op zijn minst genomen een ezelsveulen. Wij zullen uitvinden waar die +kerel woont en hem behoorlijk straffen. De vent had mij, Baxter! +onmiddellijk in kennis moeten stellen van dit feit. Zaken... zaken?... +Politie gaat altijd voor... Naar Ben Amos, zeg je, hè?... Waarom lach +je, hondsvot? + +—’t Is Ben Amis, chef. + +—Nu ja!... Ben Amis dan... Goed, laten wij er heen gaan, en de kerel +moet al heel weinig praatjes maken of ik reken hem in. + +—Maar chef, de kerel is toch volkomen correct geweest! + +—Zwijg, ik kan de zwarte tronie van dien vent niet uitstaan.... + +„De vloo” zweeg en toog met inspecteur Baxter op weg naar het „London +Hotel”, waar zij Ben Amis te spreken vroegen. + +Raffles had dit bezoek eenigszins verwacht, want natuurlijk zou Baxter +toch wel onderzoeken of Ben Amis hem nieuws meedeelen kon. + +Toen Baxter met „de vloo” binnenkwam, trad Ben Amis hen eenigszins +gereserveerd tegemoet en vroeg met gedempte stem: + +—Heb ik opnieuw beleedigd? + +—Integendeel... waarde heer—viel Baxter uiterst vriendelijk Raffles in +de rede.—Ik kwam juist even bij u om te toonen dat wij u wenschen te +beschermen. + +—Ook al beschermen?—vroeg Raffles, alias Ben Amis, met lichten +spot.—Ben ik hier aangeland in een gekkenhuis? U wenscht mij te +beschermen... Lord Bentfield wenscht mij te beschermen, wat moet ik +daarvan denken? + +—Mijnheer—sprak Baxter geërgerd—ik verzoek u eenigen eerbied te hebben +voor mijn waardigheid. + +—Met genoegen! Maar u zult mij toestemmen dat het mij wel zéér vreemd +voorkomt al dat beschermen. Wij doen dat gewoonlijk zèlf. + +—Maar hier is het een ander land. Ik ben bijvoorbeeld onmisbaar... +omdat ik juist de burgers beschermen moet. + +„Aangenaam”, dacht Raffles, „de kerel geniet dat hij over zichzelf +spreken kan.” + +—Wie is Lord Bentfield—vroeg Baxter daarop, probeerende, zooveel als +maar mogelijk was, gewichtig te doen! + +—Een vreemd heer. Een man die met een pruik op en verf op zijn +gezicht.... + +—Raffles—riepen Baxter en „de vloo” tegelijk. + +—Veel van gehoord—merkte Ben Amis alias Raffles lakoniek op. + +—Maar man... beste bruinhuid... lieve, goede Arabier... dat is de man +dien wij zoeken. Waarheen is die Lord Bentfield gegaan? + +In vervoering greep Baxter „de vloo” vast, omhelsde hem en danste als +een bezetene de kamer rond. + +—O „vlooitje”—riep Baxter.—Hou me vast!... Eindelijk!... Hij is hier in +dit kleine nest. Hij kan niet weg. Alle wegen laten wij afzetten! Hij +kan niet weg!!... Jij bent een engel, Marholm, een genie... Als ik +Baxter niet was.... + +—Zou u Marholm willen zijn—zeide „de vloo” droog weg. + +—Kerel, je gaat vooruit. Je bent veel vlugger van begrip... Lord +Bentfield!!... Wie had dat gedacht... Ik zal hem „fielden”... De ure +der wrake is daar. + +Waarschijnlijk zou dit nog langer geduurd hebben, ware het niet dat +Charly binnen was gekomen en aller aandacht ineens op hem +geconcentreerd was. + +—Weet gij iets naders, Saraj?—vroeg Ben Amis. + +—Ik ben hem gevolgd, meester. In stal zeventien ging hij binnen en kwam +enkele minuten later met twee andere mannen naar buiten. Zij liepen +weer naar het marktplein terug, sloegen een steeg in en daalden in +nummer drie naar beneden. + +—Goed gedaan, Saraj! Dank je wel. Blijf hier. Misschien hebben de +heeren jou nog iets te vragen. + +Charly boog het hoofd en trad enkele schreden terug. + +Baxter en „de vloo” gingen nu rustig zitten, want de manier van +optreden, getoond door Ben Amis, was werkelijk imponeerend. + +Ben Amis presenteerde den heeren een sigaar, zette zich tegenover +Baxter neer en zeide: + +—Het doet mij toch zulk een innig genoegen, dat u zoo prettig hier +tegenover mij zit. Dit had ik waarlijk nooit gedroomd. Ter zake. ’t Zal +zoowat een uur of twee geleden zijn, dat bij mij aangediend werd en +binnentrad Lord Bentfield. Hij wilde mijn Aldabaran zien. Ik stemde +niet toe. Ik vertrouwde hem niet. Toen vroeg hij mij of hij mij een +jockey mocht aanbevelen. Alles zonder resultaat. Ik rijd immers zelf. +Toen bemerkte ik dat hij met verf besmeerd was, en ander haar droeg dan +hij van moeder natuur gekregen had. Ik maakte hem hierop opmerkzaam met +het gevolg dat hij mij aanbood mede te werken tot een goeden afloop in +de aanstaande weddenschappen. + +—Hij is het!—stiet Baxter uit. + +—Natuurlijk—meende Raffles, terwijl een ondeugend glimlachje hem langs +de lippen vloog.—Ik voor mij ben in vergelijking van u slechts een leek +op het gebied van politiezaken, maar me dunkt dat... eh!.... + +—Raffles—viel Baxter dringend in. + +—Juist, Raffles,—hernam Ben Amis—zit er achter. Jongmensch—vervolgde +hij tot „de vloo”—u mag wel goed les nemen bij uwen chef die zoo groot +man is en blijkt te zijn. + +Baxter glom van genoegen. Hij zegende Ben Amis duizend maal en dacht, +eerlijk gezegd, niet meer om Raffles, zóó was zijn eigenliefde en +eigendunk bezig hem in te palmen. + +Eindelijk dacht Baxter om zijn plicht en meteen riep hij uit: + +—Waarde Ben Amis, waarom hebt ge mij niet eerder gewaarschuwd. + +Raffles, alias Ben Amis, had deze vraag reeds veel eerder verwacht en +daarom antwoordde hij onmiddellijk: + +—Daar had ik geen gelegenheid voor en nam dientengevolge zelf +maatregelen. + +—Welke? + +—Ik hoop, o groote man op het terrein der politie, dat het uwe +goedkeuring zal wegdragen. + +—Natuurlijk!—stemde Baxter al bij voorbaat toe. + +Raffles genoot in alle opzichten. + +—Wat deedt gij?—vroeg Baxter. + +—Ik liet mijn Saraj hem volgen en gij zelf hebt gehoord welk een +mededeeling de trouwe jongeling deed. + +—Zij zijn dus in een huis gegaan?—vroeg Baxter aan Charly, alias Saraj. + +—O ja, heer!—antwoordde deze. + +—Herinnert gij u nog welk huis? + +—Wanneer ik als gids dienen mag, zal ik de heeren veilig daar brengen. + +—Prachtig. + +—Gaat u alleen, chef?—vroeg „de vloo”. + +—Neen, jonge man, ik zal er wel alleen binnengaan en Raffles met zijn +vlegels arresteeren, maar er moeten eenige agenten binnenkomen als ik +er eenmaal ben. + +—Zou het geen overweging verdienen, mijnheer de inspecteur, om de +kerels voor goed te vangen? Ik bedoel door hen zichzelf zoo vast te +laten werken dat zij nooit meer vrij uit kunnen gaan? Wanneer u nu alle +netten uitzet, zullen de vogels ongetwijfeld gevangen worden, tenzij u +nu natuurlijk zulke maatregelen te nemen weet, dat zij niet vrij uit +gaan. Wij, Arabieren, houden niet van hinderlagen. Wij vechten met open +vizier. En me dunkt, als u daar binnen komt, kunnen er wel zooveel +mannen aanwezig zijn, met zooveel middelen tot ontvluchten, dat u de +dupe wordt. + +—Wanneer zij mij zien, zegt dat reeds genoeg, mijn waarde Ben Amis. + +—Toch zou ik voorzorgsmaatregelen nemen. + +Ook „de vloo” raadde dit sterk aan en Baxter liet zich overhalen. + +—Waarom—zoo vroeg Raffles,—zoudt u niet met dezelfde maat meten als +zij. Verf u ook en trek andere kleederen aan. + +—Ja. Dat is een idee. Maar welke? + +—Ik weet—hernam Ben Amis—goeden raad. Gij waart zoo vriendelijk mij te +beschermen. Ik stel dat op zeer hoogen prijs nu! Waarom zou ik u mijn +diensten niet aanbieden? Lord Bentfield is bij mij gekomen. Hij kent +mij dus. Hij deed mij zeer mooie financieele voorstellen. Geef u uit +voor Ben Amis en begin de zaak uit te hooren. + +—Waarde Ben Amis—zeide Baxter diepbewogen—ik ben getroffen door uw +wijze van optreden! Het is mij buitengewoon aangenaam met u kennis te +hebben gemaakt. Ik zal uw naam blijven zegenen! Uw aanbod is zeer +aannemelijk, doch hoe kom ik bij die vlegels binnen? + +—Saraj!—riep Ben Amis. + +—Ja, heer!—antwoordde deze direct. + +—Ga naar het huis van die steeg, welke gij gezien hebt. Klop aan en +vraag wanneer uw heer verwacht wordt. Voeg er bij dat ik de plannen van +Lord Bentfield aanneem. + +Meteen gaf Ben Amis, alias Raffles, Saraj, alias Charly, een wenk +zonder dat deze door Baxter of „de vloo” opgemerkt werd. + +Buigend vertrok Charly en keerde ongeveer een half uur later terug. Hij +was niet buiten het hotel geweest, want Raffles’ wenk had hij volkomen +begrepen! + +Inmiddels had Baxter een costuum van een Arabier aangetrokken en zijn +gelaat en handen bruin gemaakt met een kleurenmengsel dat een +hotelbediende in de eenige apotheek die York bezat, gehaald had. + +Charly trad op Baxter toe, boog en zeide: + +—Heden om half twaalf wordt gij verwacht in de Jasonsteeg nummer drie. +Tweemaal kloppen, eenmaal fluiten, driemaal „Aldabaran” zeggen. + +—Goede hemel, dat is een gansche les. Schrijf me dat even op, Marholm. + +Marholm, of-te-wel „de vloo”, schreef het op, en alles was gereed tot +vertrek. + +Baxter was ongeduldig. + +Hij wilde maar direct weggaan, zou zich verdekt opstellen om op die +manier te weten te komen, hoeveel mannen daar binnengingen. + +Aldus gebeurde. + +Even half elf vertrok Baxter met „de vloo”, uit geleide gedaan door +Saraj. + +Raffles maakte zich gereed om heen te gaan naar stal nummer zeventien. + +Baxter liep als Arabier door de stille straten van het kleine York. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EEN WOELIGE BIJEENKOMST. + + +Raffles, die inderdaad Lord Bentfield had laten volgen en dus wist waar +de bijeenkomst plaats zou vinden, had reeds lang zijn werkplan +vastgesteld en spoedde zich nu met snelle schreden naar stal nummer +zeventien bij de renbanen, waar over enkele uren—overmorgen—alles één +leven en beweging wezen zou! + +Toen Raffles naderde trad een donkere gedaante op hem toe, en hoorde +hij een stem zeggen: + +—Wat is er? + +—Aldabaran—antwoordde Raffles. + +—Voor wie? + +—Voor Lord Bentfield. + +—Gaat binnen! + +—Beste kameraad—zeide Raffles—er is onraad, roep om hemelswil Lord +Bentfield. + +—Hier ben ik, Ben Amis—antwoordde een stem.—Ik hoorde u. Braaf dat ge +gekomen zijt. + +—Beste Lord, er moet gehandeld worden! Ik ben waarachtig meer uw vriend +dan gij misschien wel denken kunt. + +—Spreek! Vlug! Niet te luid! Wat is er? + +—De politie heeft ons ontdekt. + +—Onmogelijk. + +—Toen gij bij mij waart, heeft men ons beluisterd. Naast mij is een +inspecteur uit Londen gelogeerd. Deze was thuis en heeft woord voor +woord verstaan! + +—Baxter!—stamelde Lord Bentfield. + +—Juist. De naam doet er thans weinig toe. Ik heb maatregelen genomen en +gij kunt u redden. + +—Hoe? + +—Ik heb dien inspecteur zoo omgepraat dat hij als Ben Amis bij u komen +zal. Hij scheen te weten waar uw vergaderlokaal is en gaat daarheen. +Hij is gekleed evenals ik, zijn gelaat is bruin geverfd. Geef hem een +gevoelige les en ga er van door. Kom morgen gewoon als jockey bij mij. +Het geld moet goed verdeeld worden. + +Ademloos had Lord Bentfield geluisterd en zoodra hij alles gehoord had, +floot hij driemaal op een eigenaardige manier, waarop een man te +voorschijn kwam. + +—Vlug. Allen naar de Jasonsteeg. Met maskers. Ik dank u, Ben Amis—sprak +de kerel—morgen spreken wij nader. + +—’t Zal mij aangenaam wezen—zeide Raffles, terwijl hij naar York terug +wandelde. + +In ieder geval wilde hij den afloop der geschiedenis bijwonen en begaf +hij zich zonder eenige haast te toonen naar een restaurant op de markt, +dicht bij de Jasonsteeg. + +Niettegenstaande York maar een klein plaatsje was, waren de restaurants +thans nog open wegens het jaarlijksche bezoek van verscheidene +sportmenschen. + +Raffles zette zich neer in een aangenaam hoekje, bestelde zich een +drank, stak een fijne sigaar aan en wachtte de dingen af die komen +zouden. + + + +Lord Bentfield en zijn makkers waren vergaderd in de achterkamer, +uitkomende in den tuin van het groote huis, bekend onder nummer drie in +de Jasonsteeg. + +Hier woonde een lid van de wedders-club en hij had met medeweten en +goedkeuring op kosten van de leden der club de achterkamer geheel als +vergaderlokaal ingericht met inachtneming van alle maatregelen om het +vergaderlokaal volkomen geluidloos te maken en te doen zijn. + +Hier waren op ’t oogenblik een twaalftal mannen bijeen, de een al +ongunstiger type dan de andere. + +Af en toe ging de deur mechaniek open en trad er weer iemand binnen, +totdat er ongeveer een twintigtal personen aanwezig waren, onder wie +een zestal jockey’s, die deel zouden nemen aan de jaarlijksche +wedrennen van York. + +Zoodra Lord Bentfield binnen was gekomen—hij was een der +laatste—overzag hij den kring zijner vrienden en nam plaats aan ’t +hoofd der lange tafel, die in ’t midden der kamer stond. + +Hij noodigde allen uit om plaats te nemen en sprak daarna in een zeer +vlug tempo:—Kameraden! Er is een onheil over ons gekomen. Op ’t +oogenblik is het mij niet te doen om te onderzoeken wie van ons iets +heeft laten ontvallen, dat de politie achter onze schuilplaats en onze +geheimen is gekomen. + +Hierop ontstond een geweldig tumult. Iedereen pleitte zich vrij, +iedereen zag zijn buurman voor een verrader aan, iedereen raasde en +tierde. + +Lord Bentfield hamerde geweldig en verzocht of allen, met het oog op de +komst der politie, kalm wilden zijn en zoo noodig handelen. + +—Ik heb, dank zij ontzaggelijk veel moeite, beslag weten te leggen op +een man, die ons veel zorg heeft gebaard. Ben Amis uit Alexandrië, +eigenaar en berijder van den Arabischen hengst Aldabaran, komt tot ons +over. Hij heeft mij evenwel op ’t oogenblik al den zeer grooten dienst +bewezen om onzen vijand—de politie—aan ons over te leveren. + +Hierop verhaalde Lord Bentfield de geheele geschiedenis welke Raffles +hem had medegedeeld. + +Een toornig gemompel werd vernomen. Allen hadden een meening, ieder +vond zijn idee het beste voor uitvoering vatbaar. + +—Wij moeten—zoo sprak Lord Bentfield—in de allereerste plaats de +politie, die verschijnen zal in de gedaante van den dikken Baxter, een +poosje hier houden. Wij kunnen ons vermaken.... Maskers vóór, gebood +Lord Bentfield een oogenblik later, want driemaal werd er gefloten op +een instrument dat in de zoldering was aangebracht, en in verbinding +stond met den portier. + +De maskers werden voorgedaan. + +Er naderden voetstappen, die voor de deur van het vergaderlokaal stil +hielden. + +Tweemaal hoorden de aanwezigen op de deur kloppen. Toen een gefluit. + +Het lid der vergadering belast met de opening en sluiting der +binnendeur, stond op en vroeg op luiden toon: + +—Wie daar? + +Driemalen klonk toen Baxter’s stem:—Aldabaran! Aldabaran! Aldabaran! + +De deur opende zich als vanzelf en Baxter’s welgedane lichaam, omkleed +met Arabische kleederen, trad binnen in de vergaderzaal, waar niets +anders dan gemaskerde mannen zaten die bijna geen notitie van den +binnentredende namen. + +—Lord Bentfield!—riep Baxter op een gebiedenden toon, waar desniettemin +een trilling van angst in was waar te nemen. + +—Welkom! Ben Amis! Welkom in de vergadering van de club der +wedders—zeide Lord Bentfield. + +Baxter herademde! Alleen die beroerde maskers! Wie was Raffles nu? +Zeker die Lord Bentfield. „Wacht maar, mannetjes, Baxter is er nu en +zal zijn slag slaan,” mompelde hij bij zichzelf. + +—Mijne heeren—zoo vervolgde Lord Bentfield.—Het doet mij innig genoegen +dat ik u mag voorstellen den eigenaar en berijder van den schoonen +hengst „Aldabaran”. Ja, mijne broeders, Ben Amis zal ons, wanneer wij +hem een gunstig aanbod zullen doen, in de gelegenheid stellen goede +zaken te maken. Neemt u plaats, Ben Amis, en wij zullen uw voorstellen +overwegen. + +Baxter was een beroerte nabij. + +Waar bleven nu de agenten? + +Waar „de vloo”. + +Hier kwam hij nooit uit. + +En dan die boeventronies. + +Hij vervloekte het uur waarop hij hier binnengekomen was. + +Natuurlijk begreep hij volkomen dat hij wilde er eenig succes op zijn +pogen komen, mee moest doen. + +Tot zijn groote ontsteltenis herinnerde hij zich evenwel dat Ben Amis +hem wel gesproken had van plannen door Lord Bentfield geopperd, maar +niet welke. + +Als men hem dus vroeg om eenig antwoord, dan zou hij òf niet kunnen +antwoorden òf het gansch verkeerd doen. + +Daar had men ’t al. + +Lord Bentfield vroeg:—Heeft Ben Amis nagedacht over hetgeen ik hem +zeide bij mijn bezoek in zijn Hotel? + +—Ja!—stamelde de verschrikte Baxter—maar eh!... eh!... ik wilde nog wel +eens opnieuw hooren wat de voorstellen eigenlijk zijn. + +—Me dunkt dat ik duidelijk genoeg gesproken heb. Ben Amis behoeft zich +niet te verschuilen achter eenig masker, want wij hebben bij zijn +binnenkomen geconstateerd, dat hij evenals wij, zich gemaskerd heeft. + +Baxter rilde! + +De kerels sprongen woedend op en schreeuwden van alles door elkander. + +—’t Is een verrader!... Maakt hem van kant!... Weg met hem!... + +Het koude angstzweet parelde Baxter op zijn voorhoofd. + +Waarom kwam „de vloo” niet met de agenten? + +Ah! zijn bevelen waren natuurlijk weer in den wind geslagen. + +Lord Bentfield hamerde met zijn voorzittershamer verschrikkelijk op de +tafel en bezwoer voor enkele minuten den storm van verontwaardiging, +welke er dreigde los te breken in de vergaderzaal der wedders. + +—Mijne heeren,—zoo riep Lord Bentfield—laten wij eerst eens kalm +overleggen wat wij doen moeten. + +—Schiet hem dood!...—brulde er een. + +—Genade!... kermde het hoofd van Scotland Yard. + +—Kleedt hem uit en geeselt hem—opperde een ander. + +—Om Godswil, laat mij vrij—smeekte Baxter, die bemerkte dat hier alles +bloedige ernst was. + +—Houdt hem gevangen tot na de wedrennen—sprak een derde,—daarna leveren +wij hem over aan de Londensche politie met de boodschap er bij, dat hij +het is die de weddenschappen gewonnen heeft. + +’t Was alsof een afgrond zich vóór Baxter opende. Hij las de kolommen +vol over „Baxter als oplichter”. Hij zag zijn ondergeschikten met +wreeden grijnslach op ’t gelaat. De menschen genieten immers over ’t +algemeen van leedvermaak! Hij zag „de vloo” fijntjes lachen om deze +nieuwe truc van Raffles. Natuurlijk! natuurlijk!... Lord Bentfield was +Raffles. ’t Kon niet anders. ’t Was zoo! En zóó dicht bij dien sloeber +te zitten en hem niet gevangen kunnen nemen. + +Baxter barstte van nijd. + +—Me dunkt—hoorde Baxter opnieuw zeggen...—me dunkt dat wij allereerst +moeten beginnen met te zien wie of Ben Amis eigenlijk is. Wie weet, +waarde kameraden, is het nog een goede kennis van ons, die ons een grap +wil doen beleven. + +—Goed!—klonk het van alle kanten. + +—Breng water en zeep!—gebood Lord Bentfield. + +Verscheidene personen kwamen in botsing met elkander doordat men +allerwegen opstond om het verlangde te gaan halen. + +Verwenschingen werden gehoord en de verwarring was volkomen. + +Baxter’s ledematen weigerden dienst te doen. Als van den bliksem +getroffen zat hij terneer. + +Eindelijk luwde het rumoer en er werd water en zeep gebracht. + +Twee stevige kerels grepen Baxter aan en hielden hem vast. + +Toen trad Lord Bentfield nader, greep Baxter bij zijn pruik en rukte +deze met woeste kracht af. + +—In Arabië heeft men een zonderlingen haardos!—grappigde Lord +Bentfield. + +Meteen wierp hij de pruik neer en nu ontstond er zulk een koddig +tooneel, dat zelfs Baxter een oogenblik moest glimlachen. + +Zoodra de pruik op den grond lag, vielen enkele mannen er met een waar +Indianengehuil op af en worstelde men om het bezit der pruik. + +Nu eens was zij in deze, dan in gene handen, zoodat de vlokken haar er +afvlogen. + +En toen ten slotte een hunner de pruik voor goed bemachtigd had, zette +hij het ding, gehavend en wel, op het hoofd, wat zulk een potsierlijk +gezicht was dat er een donderend lachsalvo weerklonk uit de kelen der +aanwezigen. + +Lord Bentfield ging nu over tot het bewerken van Baxter’s gelaat. + +Baxter’s hoofd werd als met ijzeren tangen door twee paren handen +vastgehouden en Lord Bentfield overgoot zijn gelaat met veel water, +waarna hij met een stuk zeep begon te werken. + +Baxter steunde!... raasde!!... tierde!!... vloekte als een ketter, +zwoer bij hemel en aarde dat hij een geheel regiment politie-agenten op +het „adderengebroedsel” los zou laten en brulde dat men op zou houden. + +Lord Bentfield bleef „door zeepen”. + +Baxter’s gelaat was onherkenbaar. + +Het schuim zat hem in ooren, neus, oogen en mond, sijpelde in zijn +hals, op zijn rug en borst, en nog steeds zeepte Lord Bentfield +voort... als een razende Roland.... + +De mannen brulden van ’t lachen... sloegen zich op de knieën van pret +en moedigden met allerlei kreten hun voorzitter aan om verder te gaan. + +Eindelijk,—Baxter’s gelaat geleek nu wel een waschtobbe vól +schuim—hield Lord Bentfield op. + +Baxter zat als een toonbeeld van ellende neer en schreeuwde het uit van +pijn. + +Hij deed wanhopige pogingen om zich in de oogen te wrijven, maar zijn +handen werden vastgehouden. + +—Emmers water!—gebood Lord Bentfield.—Wij zullen hem even afspoelen. + +—Zet hem op de plaats onder de pomp!—schreeuwden verscheidene stemmen! + +—Hoera!... Hoera!... Dat is een goed idee! Aangenomen, kameraden. ’t +Zal hem meteen opfrisschen. + +Baxter voelde zich optillen en wegdragen. Verzet kon hij niet meer +plegen. Hij voelde zich op en geslagen! Wat er met hem gebeuren zou, ’t +was ál precies eender, hij moest. + +Enkele seconden later voelde hij de koude nachtlucht om zich heen +waaien en bemerkte hij dat hij buiten was. + +De zeep beet hem in de oogen en zijn gansche gelaat deed hem pijn. + +Men was thans bij de pomp. + +Baxter’s hoofd werd onder de waterbuis gehouden en een piepend geluid +bewees, dat de hefboom, waaraan de zuiger der pomp bevestigd was, in +werking werd gesteld. + +Een kouden waterstraal voelde Baxter op zijn gelaat. + +Het water plaste en gutste op zijn gansche hoofd. + +—Br!... houdt op!... Br!... Ik ga dood... Br!... Genade!... + +Nadat de pomp gedurende een aantal minuten ettelijke liters water op +Baxter’s hoofd had doen stroomen, hield men op en droeg men het hoofd +van Scotland Yard weer naar binnen. + +Met handdoeken werd zijn hoofd zoodanig „bewerkt”, dat een gloeiende +hitte zich verspreidde over zijn gansche bovenlichaam. + +Doch ook hieraan kwam een einde en toen men ophield en Baxter’s dik, +bol, opgezet gelaat was waar te nemen in het volle licht, riep men +eenparig: + +—Baxter!!— — + +Baxter zelf was niet bij machte om iets te zeggen. Een gevoel van slaap +kwam bij hem op en alles vond hij op dat oogenblik goed. + +De mannen besloten Baxter gevangen te houden en twee hunner werden +aangewezen om hem te bewaken. + +Daarna vertrok men zoo geheimzinnig mogelijk. + +Baxter sliep, gelegen in een hoek, den slaap des rechtvaardigen. + + + +Zoodra Raffles gezien had dat Baxter naar binnen was gegaan in het huis +nummer drie van de Jasonsteeg, was hij naar de telefooncel geloopen en +had verbinding gevraagd en gekregen met het politie-bureau. + +Baxter had immers „de vloo” weggestuurd toen zij samen op weg waren met +het doel naar de bijeenkomst der wedders te gaan, met het bevel: „Kom +over een uur met veertig agenten daar naar toe.” + +Raffles vermoedde dit en thans deed hij precies alsof hij Baxter was. +Zoo men weet verstond Raffles uitstekend de kunst om Baxter te +imiteeren. + +—Hallo! Met mr. Marholm? + +—Roept hem dan even! + +—Mr. Marholm? Met Baxter! Zeg eens, uilskuiken, je moet niet komen. Ik +heb een schitterende ontdekking gedaan. Gaat onmiddellijk naar Londen +en breng twintig agenten van Scotland Yard meê. Groote kerels, +begrepen? Overmorgen terug. Ik heb ze in de val. Maar ik moet nog meer +succes hebben. + +—Wat zeg je? Brutaal? Vlegel, doe direct wat ik beveel. Zeg niets tegen +dien Ben Amos. Ik wil het alleen eens klaarspelen. + +Mr. Marholm, die gewoon was aan dergelijke nukken van zijn chef, +besloot dan maar in hemelsnaam te gehoorzamen, ontbond den door hem +geformeerden troep politie-agenten en vertrok den volgenden morgen naar +Londen, zich afvragende waar zijn chef wel wezen mocht. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE PLANNEN. + + +Raffles was, toen het hem te lang duurde, naar het „London Hotel” +gegaan, om zich ter ruste te begeven. + +Charly alias Saraj, lag reeds op één oor en spoedig waren de kamers der +beide Arabieren volkomen in rust. + +Den volgenden morgen vroeg stond Raffles uitgerust op, en verzorgde +zijn uiterlijk weer geheel volgens de eischen, die hij zichzelf daaraan +stelde. + +Even na het ontbijt werd Lord Bentfield aangediend en onmiddellijk +toegelaten tot Raffles’ kamers. + +Reeds dadelijk bemerkte Raffles dat Lord Bentfield zich uitmuntend van +zijn taak gekweten had en toen deze het verhaal deed, hoe men met +Baxter gehandeld had, lachte hij totdat de tranen hem in de oogen +kwamen. + +Het was, volgens hem, kostelijk. + +Juist de wetenschap dat hij nu vrij handelen kon, deed hem zeer veel +genoegen. + +Baxter was geborgen... de kerels waren gerust... het kon niet mooier. + +—En nu onze plannen—begon Raffles. + +—Ben Amis—hernam Lord Bentfield—er is geld voor u te verdienen. + +—Mooi! Hoeveel? + +—Voordat ik dit zeg, moet ik uiteen zetten hoe de zaak geregeld moet +worden. Morgen is het rennen en waarschijnlijk zal uw Aldabaran in den +eindwedstrijd uitkomen. + +—Niet waarschijnlijk, maar zéker. + +—Goed, zeker dan. Nu moet uw paard, wil u geld verdienen.... verliezen. + +—Wat?—stoof Ben Amis op—mijn prachtpaard verliezen? Waarom? + +—Let goed op, Ben Amis. Wanneer uw paard in de arena komt, zal iedere +wedder een som op Aldabaran zetten. + +—Natuurlijk. + +—Wij zullen hooge bedragen inzetten op het andere paard, dat „Mary” +wezen zal. Dit is al uitgemaakt door onze club. „Aldabaran” tegen +„Mary”. Het publiek wedt op uw paard, wij op „Mary”. Als u uw paard +minder snel laat loopen wint Mary het, en de weddenschap is ons. Vooral +wanneer u de tweede rondte éérste zijt, wedt het publiek tot abnormaal +hooge bedragen. + +Raffles had stil toegeluisterd. + +Niets verried wat voor plannen hij smeedde. + +Hij keek Lord Bentfield aan en vroeg toen bijna fluisterend: + +—Hoeveel geeft mij dat? + +—Duizend pond sterling! + +—Wanneer uitbetalen? + +—Direct nà afloop der rennen. + +Langen tijd zweeg Raffles. Hij wilde den schijn opwekken of hij er +ernstig over nadacht, niettegenstaande hij reeds lang wist wat hij +zeggen zou. + +—Ik wil het aannemen—zeide hij geruimen tijd later—op deze voorwaarde +dat mij heden duizend pond wordt uitbetaald. Het is—vervolgde hij +snel—geen gemakkelijk werk en Aldabaran is niet zoo spoedig te +regeeren. Voor mij is het een levensquaestie. Want Aldabaran zal zich +niet zonder tegenstribbelen tot een nederlaag laten dwingen. + +Lord Bentfield draaide onrustig op zijn stoel heen en weer. + +—Alleen op voorwaarde dat u mij heden het genoemde bedrag ter hand +stelt, zal ik het aannemen, maar op geen andere manier dan ik wil! + +—Vijfhonderd pond dan—zeide Lord Bentfield. + +—Duizend—antwoordde Raffles kalm—geen penning minder. ’t Is toch al een +klein bedrag in verhouding van het groote feit, dat u van mij eischt. +Ik verlies tot mijn spijt toch ook de eer en de medaille. Won ik, dan +kreeg ik bovendien nog duizend pond. + +Lord Bentfield stond op en maakte aanstalten om heen te gaan. + +—Vijfhonderd pond, meer niet, Ben Amis. + +—Laten wij de onderhandelingen als afgebroken beschouwen. + +—Goed!—hernam Lord Bentfield.—Tenslotte kunnen wij toch ook op uw paard +wedden. + +—Zeker. Maar vergeet niet dat wie eenmaal mijn paard heeft gezien, op +geen andere wedden zal en uw plannen vallen in duigen. + +Lord Bentfield werd boos en grof. + +—Wie zegt mij dat u wel zulk een paard bezit? Laat mij uw paard zien en +ik zal u duizend pond betalen. + +—Houdt gij uw woord? + +—Ja! + +—Weet als gij uw woord niet houdt, gij geen stap meer uit mijn stal +doet. + +—Aangenomen. + +Raffles ging daarop met Lord Bentfield mee naar den stal waar +„Aldabaran” stond. + +Voorzichtig, geheimzinnig, als gold het een heilig iets, opende Raffles +de deur, en liet Lord Bentfield binnen. + +En daar aanschouwde deze een zóó buitengewoon edel dier, dat hij al +aanstonds berekende hoeveel duizenden ponden sterling dit edele dier +wel verdienen kon. Inderdaad, als het publiek dit paard zag, zou men +ongetwijfeld hoog gaan wedden. Dit dier moest winnen. Alle paarden +vielen daarbij in ’t niet. + +—Nu?—vroeg Raffles. + +—Geeft gij uw woord dat gij niet zult winnen? + +—Ja. + +—Bedenk dat, als gij valschelijk met ons omgaat, gij niet levend uit +York vertrekt. + +—Geef mij de duizend pond. Wed zoo hoog mogelijk en gij zult een +aangename verrassing krijgen. + +—Accoord. Ik neem het aan. + +Raffles zag hoe Lord Bentfield een portefeuille uit zijn binnenzak +haalde, waarin precies duizend pond sterling aanwezig was. + +—Loopt u altijd met zooveel geld in uw zak?—vroeg Raffles terloops, +terwijl hij het geld in zijn zak stak. + +—Neen. Gewoonlijk niet. + +—Dus u rekende er toch wel eenigszins op, dat ik met dit voorstel komen +zou? + +—Ja, wel eenigszins. + +—Zooveel te beter. Zóó is het ook veel aangenamer. + +Nog zeer langen tijd bleef Lord Bentfield bij Raffles, en toen hij +eindelijk vertrok, wees alles er op dat de man bergen van oneerlijke +winst voor zich zag. + + + +Natuurlijk was Lord Bentfield bij enkele zijner makkers gekomen en hij +deelde hun mede wat er gebeurd was. In een geestdriftige speech +vertelde hij van het wonderpaard „Aldabaran” en rekende hun voor +hoeveel winst dit dier hun brengen zou. + +—Alles goed en wel!—mopperde er een.—Maar duizend pond is geen +kleinigheid. + +—Wat ben jij een uil! Begrijp je dan niet—aldus sprak Lord +Bentfield—dat als de wedrennen zijn afgeloopen, wij dien Ben Amis +feestelijk uitnoodigen en hem aan ’t verstand brengen dat hij dit +bedrag terug moet betalen wil hij niet dezelfde kuur ondergaan als +onzen geëerden Baxter? + +—Dat is een pracht-idee! Nu, dan neem ik er genoegen mee. + + + +Raffles zat in dien tusschentijd met Charly in het hotel. + +—Het groote moment nadert, mijn jongen. Er moet snel gewerkt worden. +Zorg er voor dat jij goede weddenschappen afsluit met die kerels die op +„Mary” wedden. Laat hen zuiver teekenen en op de wed-bureaux moet alles +goed beschreven worden. Zijn de wedrennen afgeloopen, dan neem ik de +leiding weer wel van je over. Dan moet men binnen enkele uren de hand +van Raffles voelen! + +—Moet ik nergens anders voor zorgen? + +—Neen. Baxter zit veilig. „De vloo” komt nà de wedrennen en de rest zal +te Londen afgewikkeld worden. + +—Wat zijt ge van plan? + +—Dat is een geheim, Charly. Maar ’t zal een goed lesje worden voor +onzen goeden vriend Baxter. Hij heeft in lang niets gehad. Londen moet +weer eens lachen! En nu, beste jongen, gaan wij rusten. Alles is +gereed. Ik ben vol goeden moed. + +Intusschen brachten reeds extra-treinen vele belangstellenden naar York +om de wedrennen bij te wonen. + +Het rustige plaatsje was thans een internationaal punt geworden, want +allerlei talen hoorde men.... + +York zou morgen in alle organen van Europa genoemd worden. + +Alles was gereed voor de jaarlijksche wedrennen!... + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE WEDRENNEN. + + +Er heerschte reeds vroeg in den morgen een buitengewoon groote drukte +op den weg die van York naar de renbanen liep. + +Duizenden menschen verdrongen zich voor de bureaux van plaatsbewijzen +en langzaam aan stroomden de tribunes vol met bezoekers en bezoeksters +van de meest uiteenloopende karakters en typen. + +De commissarissen van orde liepen druk heen en weer, wezen de menschen +den weg en hadden het zoo druk, dat zij bijna over hun eigen beenen +struikelden. + +De jury met de keuringscommissie stonden nog met elkander te praten, +terwijl de agenten van de wed-bureaux reeds bezig waren verschillende +namen in te vullen op de voor de weddenschap benoodigde formulieren. + +Het was een fantastisch gezicht, kleuren van allerlei schakeering +boeiden het oog en bedrogen de voorteekenen niet, dan zou men getuige +zijn van een spannenden wedstrijd. + +Ben Amis en „Aldabaran”, dàt waren de twee namen, die op aller lippen +waren en men hunkerde naar het tijdstip, waarop de stallen geopend +zouden worden. + +Raffles, alias Ben Amis, had ’s morgens zeer vroeg zijn Aldabaran in +een stal bij de renbanen gebracht, omdat men vóór den wedstrijd de +paarden, welke deel wenschten te nemen aan de wedrennen, keuren moest. + +Ook daarbij bestonden prijzen en het was nu reeds bekend geworden, dat +de keuringscommissie, bestaande uit de beste veeartsen van Engeland, in +overeenstemming met de jury, besloten had, met algemeene stemmen, de +eere-prijzen voor vorm, gezondheid, kleur en leeftijd toe te kennen aan +den volbloed Arabischen hengst „Aldabaran”. + +Raffles genoot in stilte en bemerkte zeer goed, dat Lord Bentfield zich +verheugde in dit alles. Het zou immers de zaken der wedclub ten goede +komen? + + + +Elf uur! + +Een schot viel!... + +Twee en twintig staldeuren werden geopend en even zooveel paarden, +bereden door in allerlei kleuren uitgedoste jockey’s vlogen naar de +loge der jury, waar de startlijn gespannen was. + +Kreten van opwinding, van blijdschap, van verrukking, van geluk, werden +vernomen en aller halzen rekten zich uit om toch vooral niets te +verliezen van alles wat er gebeuren ging. + +Toch verheugde zich niemand meer dan Ben Amis in de algemeene +belangstelling. + +Fier, rechtop, zat in kleurig met goud afgezet costuum Raffles op den +rug van „Aldabaran”. + +De bruine, gouden kleur van Aldabaran’s huid glom als een spiegel, de +ranke pooten werden regelmatig opgetild en neergezet, de kop werd +trotsch opgeheven, de oogen schoten vuur, de neusgaten waren wijd +opengesperd. + +„Aldabaran” was een toonbeeld van fierheid, kracht en schoonheid. + +Een gejuich steeg op toen Raffles met de hand aan zijn hoofddoek +salueerde. + +Nogmaals werd door een der juryleden het reglement op de wedrennen +voorgelezen, waarna de deelnemers zich ten rij schaarden voor de lijn. + +Ademlooze stilte. + +Iedereen lette op de twee en twintig paarden in verschillende kleuren, +van ongeveer dezelfde grootte. + +Het oogenblik van afrit was daar. + +Weer klonk een schot... + +Als door onzichtbare handen werd de startlijn weggenomen,... de +paardenlichamen strekten zich en voort ging het. + +Donderend weergalmde het uit duizenden kelen „hoera”.... + +De wedrennen waren begonnen. + +De twee en twintig paarden moesten driemaal de baan rennen. Wie deze +drie „rondes” in een bepaalden tijd had afgelegd, werd gevoegd in de +tweede groep. De tweede groep reed een half uur later weer af, op +dezelfde wijze. Dan werd de derde groep gevormd. Daarna de vierde en +ten slotte de eindwedstrijd, waar het ging om het feit wie van de +deelnemers het éérst de drie „rondes” had afgelegd. + +Reeds spoedig bemerkte men, dat de strijd vinnig worden zou. + +Snuivend vlogen de paarden over de baan. De lichamen gestrekt, de +pooten ver vooruit werpend, liepen zij in snellen gang voort. + +De jockey’s vuurden hun dieren aan, door woorden, door gebaren, alleen +Raffles zat kalm op „Aldabaran”’s rug en liet het edele dier den vrijen +teugel. + +Twee „rondes” waren al gereden... de derde kwam aan... Verschillende +jockey’s waren nog niet aangekomen van hun tweede baan, toen de anderen +voor de derde maal de baan opvlogen. + + + +De derde was geëindigd.... + +Een half uur pauze! + +Twaalf paarden, van wie „Aldabaran” nummer één, hadden binnen den +vastgestelden tijd de banen afgerend. De anderen werden uitgeschakeld. + +De tweede groep kwam in ’t veld, en weer renden de paarden, weer +vuurden de jockey’s hun dieren aan... weer juichte, stampte, schreeuwde +het publiek en weer vielen er een aantal paarden af. + +De derde groep moest beginnen met acht paarden, van wie andermaal +„Aldabaran” nummer één. + +—De kerel rijdt uitmuntend—merkte Lord Bentfield op. + +—Als hij ons maar niet bedriegt—merkte een ander gemelijk op. + +—Heb je gezien—vroeg een derde—dat dat paard nog geen vermoeienis +toont? + +—De groote pauze komt nog. Daarna de weddenschappen. „Mary” houdt zich +óók goed. En ik vertrouw op Ben Amis,—besloot Lord Bentfield. + +De vierde groep was inmiddels op de baan gekomen met vier paarden. +„Aldabaran” was en bleef nummer één en toen de groote pauze kwam, vóór +de eindbeslissing, waren er nog overgebleven voor den kamp „Aldabaran”, +„Mary” en „Tom Tit”. Drie paarden op wie aller aandacht gevestigd was. + +En in de groote pauze, die tot half vier duren zou, begonnen de +weddenschappen al. + +Het publiek was dol! + +Iedereen wilde wedden op... „Aldabaran”. + +De agenten, leden van de club der wedders, op „Mary”. + +—Een tegen tien... tien tegen dertig... dertig tegen zestig... vijf en +twintig tegen vijftig... honderd tegen duizend.... + +Van alles hoorde men roepen en de formulieren gingen van hand tot hand. + +Duizenden menschen wedden... kleinere en grootere bedragen... en men +zag allerwegen opgewonden gezichten.... + +Charly wedde ook. + +—Honderd tegen duizend op „Mary”—voegde de agent hem toe, die niet wist +dat Charly alles wist. + +—Dank je. Ik wed op „Aldabaran”. + +—Goed. Hoeveel? + +—Duizend tegen tienduizend! + +De agent sprong achteruit en brulde: „Een dief!” + +Onmiddellijk waren verscheidene politie-agenten aanwezig. Met groot +misbaar deelde de agent mede wat hem zóó schrikken liet. + +Charly opende evenwel een portefeuille en toonde onder enorme +belangstelling tien banknoten van duizend pond sterling. + +De politie was tevreden en de agent hapte gretig toe, sloot een +contract af op „Mary” tegen „Aldabaran” en zag zich al eigenaar van +tien duizend pond sterling. + +Doch wat Charly bij dien eenen agent had gedaan, deed hij ook bij de +anderen en toen de groote pauze om was, hadden de leden der club een +bedrag van zes en zeventig duizend pond gezet op „Mary”, doch het +publiek achthonderd negen en negentig duizend pond op „Aldabaran”. + +Zelfs adellijke lieden, tegenwoordig bij de wedrennen, hadden voor zeer +aanzienlijke bedragen gewed en Lord Bentfield bedacht bij zich zelf dat +hij Ben Amis de duizend pond belooning best zou kunnen schenken. + + + +Men was gereed voor de eindbeslissing. „Aldabaran” stond naast „Mary” +en deze naast „Tom Tit”. + +Het publiek hijgde van inspanning. + +De jury nam plaats.... + +Het schot klonk over de banen... + +Het touw viel.... + +De paarden schoten vooruit. + +Raffles reed met dezelfde gemakkelijke houding als ’s morgens en het +scheen wel alsof de hengst nog vlugger was dan toen. + +„Mary” hield hem aanvankelijk bij, maar bij de eerste halve ronde +schoot „Aldabaran” vooruit, zoodat de beide anderen achterbleven. + +Bij de tweede ronde viel „Tom Tit” uit, doordat het dier een spat kreeg +aan een der achterpooten en dus niet meer meê kon doen. + +De clubleden zagen, evenals het publiek, gestadig in klimmende spanning +naar de beide paarden. + +De tweede ronde was begonnen en „Mary” werd op een wanhopige manier +voortgezweept. + +Raffles zat onbewegelijk. + +Niets wees er op, wat hij in zijn schild voerde. + +Langzaam verminderde „Aldabaran” vaart.... + +„Mary” haalde òp.... + +Het publiek werd wild. + +—Toe, Arabier... geef den teugel... Vooruit!... + +Onbeschrijfelijk was de opwinding. + +De clubleden begonnen te smalen, zeker als zij meenden te zijn van hun +overwinning. + +Want nog steeds won „Mary”. + +De spanning werd angstig!... + +Het publiek begon op Ben Amis te schelden; alleen Charly bleef rustig +en zeide tegen een heer, die naast hem zat: + +—Let op. Straks gebeurt er iets. + +De derde „ronde”.... + +Reeds was de baan half afgelegd, en nog was „Mary” voor. + +De leden der club genoten! + +Toen, iedereen was er van overtuigd dat „Mary” winnen zou, een +oorverdoovend gejuich.... + +„Aldabaran” steigerde hoog op en vloog daarna als een pijl uit den boog +voort. + +Zijn lichaam raakte bijna den grond. + +Steeds sneller ging het... + +Ben Amis was één met het edele dier, dat al maar meer inliep op +„Mary”... + +Zijn kop was bij „Mary”’s achterpooten... + +„Mary”’s berijder hief zijn zweep op en sloeg naar „Aldabaran”, die +toen juist „Mary” voorbij stoof. + +Nu kende de verontwaardiging van het publiek geen grenzen meer. Men +brulde van moord en doodslag en de politie had handen vol werk om te +zorgen dat het publiek de balustrades niet overkwam om „Mary”’s jockey +te straffen voor zijn euveldaad. + +Raffles had dit evenwel verwacht en met ijzeren vuist had hij de +teugels gegrepen toen de slag op „Aldabaran” ’s lichaam neerkwam. + +Als een wervelwind rende het paard voort en had, toen Raffles het tot +stilstand bracht, de wedrennen glansrijk gewonnen!... + +Als een koning werd Raffles toegejuicht, „Mary”’s jockey werd +onmiddellijk gevangen genomen en toen het publiek een stormloop +ondernam op de bureaux van de wed-agenten, was er niemand te vinden, +die van uitbetalen wist. + +Ondanks het oordeelkundig optreden der politie, werden er vele +gebouwtjes en tenten vernield. + +Enkelen waren verstandiger en redeneerden: + +—Wij hebben niets gewonnen, maar ook niets verloren.... + + + +Ben Amis’ naam werd dien dag luide gezegend. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +BAXTER.... ÈN DE ONTKNOOPING. + + +Zoodra de leden der wedclub gezien hadden wat er gebeurd was, en +getuige waren van het feit dat de Arabier winnen ging, achtten zij het +hoog noodig een goed heenkomen te zoeken. + +Zij verlieten zoo spoedig mogelijk de banen en kwamen later te zamen in +hun geheim clubgebouw, waar nog steeds Baxter gevangen zat. + +Juist toen de wedrennen waren afgeloopen, ging men over tot het +beraadslagen „wat te doen”. + +Lord Bentfield was woedend en zwoer een duren eed, dat hij zich op „Ben +Amis” wreken zou. + +Alle leden waren het roerend met hem eens. + +Dit moest gebeuren. En wel zoo spoedig mogelijk. + +Men besloot een lid naar het „London Hotel” te zenden, om Ben Amis te +complimenteeren en meteen moest deze den Arabier treffen. + +Alles werd daartoe in gereedheid gebracht, evenals alle maatregelen om +daarna zoo spoedig mogelijk te vertrekken. + +Iedereen grimeerde zich, iedereen gaf zich een ander uiterlijk, opdat +niemand zich herkend zou zien door het publiek. + +Toen men gereed was, dacht men aan Baxter. + +Wat daarmee gedaan? + +—Ik weet een prachtig plan. Wij zullen hem grimeeren en een ander +costuum aantrekken! + +Prachtig vond men dit voorstel en al werd er ieder oogenblik gevloekt +en getierd om al den tegenslag en schade, die Ben Amis hun veroorzaakt +had, dit was toch een kleine vergoeding.... + +Baxter werd onder veel tegenstribbelingen naar voren gebracht en een +half uur later was hij onherkenbaar gemaakt door baard en knevel, die +zóó vast waren gemaakt, dat hij minstens een uur met water betten moest +om het gegrimeerde los te maken. + +En water was er niet. + + + +Raffles ging, nadat hij „Aldabaran” had toevertrouwd aan de zorgen van +Tom en Jack, die het dier onmiddellijk naar Londen vervoerden in een +daarvoor speciaal gemaakte auto, naar het hotel, vroeg zijn rekening en +vertrok met Saraj naar het station, om per eerste gelegenheid naar +Londen te kunnen gaan. + +Haast maakte Ben Amis niet, want zijn werk was nog niet geëindigd. + +Hij wachtte „de vloo”..... + +Deze moest nu arriveeren, want toen Raffles als Baxter door de telefoon +met „de vloo” gesproken had, had hij juist dezen tijd genoemd. + +En werkelijk. + +Aan het hoofd van een groot aantal stoere agenten van „Scotland Yard” +kwam „de vloo” aangemarcheerd. + +Ben Amis trad op hem toe, en vertelde hem de wonderlijke geschiedenis +van Baxter’s verdwijning. Zelfs het publiek had,—volgens Ben +Amis—gemompeld, dat Raffles eigenlijk Baxter was en dat deze thans met +de wedders gevlucht was. + +Zóó overtuigend was Ben Amis’ betoog, dat „de vloo” uitriep: + +—Ik heb altijd wel gezegd dat mijn chef eens een dwazen streek zou +doen. + +—Doe een inval, mr. Marholm—riep Raffles—in het huis der wedders. Maak +geen onderscheid. Neem iedereen gevangen. Breng ze naar Londen en ik +zal bij mijn consulaat uw naam noemen als een der beste +politie-ambtenaren. + +„De vloo” bloosde. + +—Niemand, al noemt hij zich Baxter!—zoo riep hij uit—komt vrij. Weet u +dat huis? + +—Ik niet, maar Saraj wèl. + +—Mag hij mij den weg wijzen? + +—Gaarne! + +Vlug marcheerden de mannen nu voort. + +„De vloo” was in actie. + +Vele nieuwsgierigen liepen mee. + +Saraj bracht „de vloo” bij het huis nummer drie Jasonsteeg. + +Onmiddellijk werd het huis omsingeld en alle uitgangen bezet. Door +middel van den toegang van andere huizen, slaagde men er in den tuin +ook af te zetten. + +Toen drongen met groot geweld verscheidene politie-agenten naar binnen. + +De clubleden hoorden het geraas, en niet verdacht op zulk een inval, +openden zij de deur om te zien, wat of er gaande was. + +Toen men de deur eenmaal geopend had, was het te laat. De agenten +drongen voorwaarts, grepen met kracht de mannen aan en de mechanieke +boeien bewezen uitstekende diensten. + +Boven alles uit hoorde men Baxter’s geluid. + +—Goed zoo, mannen! Laat er niet één vrij... Helpt mij! Ik ben immers +Baxter,—riep hij, toen niemand op hem meer lette dan op de anderen. + +—Houd je muil, Raffles!—beet „de vloo” hem toe. + +—Mr. Marholm!... kent ge mij niet meer? Ik ben, ’t is waar, wel eens +ruw tegen je, maar ’t zal nooit meer gebeuren! + +—Zoo—lachte „de vloo”.—Neen, Raffles, op mij moet je je kunsten niet +probeeren. Mijn chef laat ik er buiten. Dien kan jij bedotten, omdat ’t +zelf zoo’n ezel is. Maar mij zul je leeren kennen, vriend! + +Baxter was geen mensch meer. + +Hij schold op het „ezelsveulen van een Marholm”, dat het hooren en zien +verging, maar hoe hij ook sprak, niemand geloofde hem. + +Hij werd met de andere leden der club naar buiten gebracht, waar het +publiek schold en jouwde op de oplichters. + +Drie uren later kwam de bende aan op „Scotland Yard”, waar een +hoofdambtenaar van justitie aanwezig was. + +Want Raffles had zich reeds eerder naar Londen begeven—met het oog op +de wedrennen reden er dien dag vele extra-treinen,—en had als Ben Amis +de geheele toedracht der zaak verteld. + +Op het Paleis van Justitie was men van meening, dat dit toch te ver +ging met inspecteur Baxter en men wilde thans grondig ingelicht worden, +hoe alles gebeurd was. + +Groot was de ontzetting van Baxter, toen hij dezen ambtenaar zag +zitten. + +—Waar is het hoofd van Scotland Yard?—vroeg de ambtenaar gestreng. + +—Die ben ik!—piepte Baxter. + +—Geen praatjes hier. Al hebt gij mij menigmaal doen schudden van +lachen, Raffles, eens komt er een einde aan dit alles. Gij hebt met +Baxter, die een groote nul is, menigmaal gespeeld als een kat met een +muis; ik wil thans weten waar de man is. + +—Maar hij staat voor u. + +—Bedenk wel, dat gij uw straf verzwaart! + +—Maar ik... ik ben Baxter zelf. Geef mij water!... + +—O! ik stik.... en ik zal u bewijzen dat ik Baxter ben!...... + +Hierop vertelde hij onder groote hilariteit het gebeurde en toen hij na +ernstige pogingen er in slaagde de grime los te maken, kwam Baxter +beschaamd te voorschijn. + +Van dat oogenblik af liep alles goed van stapel. De mannen, leden der +club, werden verhoord en gevangen genomen. + +Men meende nu eindelijk in Lord Bentfield Raffles gevonden te hebben. + +Groot was evenwel de woede, en de verbazing toen Baxter en de ambtenaar +van justitie een kort briefje ontvingen van denzelfden inhoud: + + + Geachte Heer. + + Ben Amis vleit zich, dat hij een bende oplichters die niet, zooals + ondergeteekende, een daad doen tot heil van ’t algemeen of van den + enkeling, in uw handen heeft gevoerd. Hij wilde meteen zijn dank + betuigen voor de bescherming, die hij te York genoot van het hoofd + van Scotland Yard. + + Evenwel was het noodig hem, in verband met plannen, die hij alleen + kon uitvoeren, voor een tijdje te doen verdwijnen. + + Dat men hem aanzag voor Raffles, verheugt niemand meer dan + + RAFFLES.... zèlf. + + +„De vloo” maakte zich angstig uit de voeten.... Baxter zat geslagen en +de ambtenaar stamelde: + +—„Ben Amis... wàs Raffles”. + + + +Den volgenden morgen schreeuwden de couranten-jongens: „Ben Amis bij de +wedrennen van York. Baxter is Raffles! Opzienbare arrestatie van het +hoofd van Scotland Yard.” + +Gansch Londen had dagen lang pret van deze geschiedenis, die voor +Baxter een verschrikking, voor Raffles een prettige herinnering was. + +Drie maanden later behandelde het Lagerhuis een wetsvoorstel tot +regeling van weddenschappen, die door het Hoogerhuis werd aangenomen en +bekrachtigd. + +Sinds dien tijd mag er in Engeland, dank zij Raffles’ optreden, niet +meer gewed worden. + +Doet men het toch, dan wordt alles administratief in ’t buitenland +geregeld. + + + + + + + + +NOTES + + +[1] Wettig betaalmiddel in Engeland. Zooveel als bij ons de papieren +guldens en rijksdaalders. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 74399 *** diff --git a/74399-h/74399-h.htm b/74399-h/74399-h.htm index fa33b58..cd288de 100644 --- a/74399-h/74399-h.htm +++ b/74399-h/74399-h.htm @@ -2,7 +2,7 @@ <!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2024-09-10T17:59:52Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> <html lang="nl"> <head> -<title>Lord Lister No. 122: De wedrennen van York</title> +<title>Lord Lister No. 122: De wedrennen van York | Project Gutenberg</title> <meta charset="utf-8"> <meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> <meta name="author" content="Felix Hageman (1877–1966)"> |
