summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69726-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69726-0.txt')
-rw-r--r--old/69726-0.txt3077
1 files changed, 0 insertions, 3077 deletions
diff --git a/old/69726-0.txt b/old/69726-0.txt
deleted file mode 100644
index f948ac7..0000000
--- a/old/69726-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3077 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0019: De erfenis van
-Eaglestone, by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone
-
-Authors: Kurt Matull
- Theo Blakensee
-
-Release Date: January 7, 2023 [eBook #69726]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0019: DE
-ERFENIS VAN EAGLESTONE ***
-
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 19 DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE ZELFMOORDENAAR.
-
-
-In het zuidwesten van Londen strekt zich het Batterseapark uit. Aan de
-noordzijde reikt het tot de Theems, terwijl het aan de drie andere
-kanten door straten wordt begrensd; ongeveer een vijfde deel van het
-park wordt ingenomen door den vijver aan den noord-oostelijken kant
-gelegen.
-
-Het was omstreeks tien uur in den avond. Van het geraas der omliggende
-straten drongen slechts weinig geluiden in het park door, dat met zijn
-ruischende boomkruinen een oase geleek in het drukke stadsgewoel.
-
-Op een smal pad, dat zich kronkelde langs den vijver, wandelden twee
-heeren.
-
-Oogenschijnlijk waren beiden in hun gesprek verdiept. In ruime, donkere
-jassen gehuld, wandelden zij gearmd verder. De grootste van het tweetal
-lachte eens luid; de een of andere gedachte scheen zijn vroolijkheid te
-hebben opgewekt.
-
-Hij bleef een oogenblik staan en stak een nieuwe sigaret op. Toen begon
-hij:
-
-„Charly, ik had er een mooi ding voor over gehad als ik het gezicht van
-Baxter had gezien bij ons laatste zaakje.”
-
-De ander schudde het hoofd.
-
-„Ik weet het niet, Edward, maar ik geloof, dat jij je hebt ingelaten
-met dingen, die ons in ernstige ongelegenheid brengen.”
-
-Het tweetal wandelde verder door het stille Batterseapark.
-
-Op een eenzame bank zat een man ineengedoken, de elleboog op de knie
-geleund, het hoofd steunend in de hand. Hij staarde voor zich uit in
-het water van den vijver, waarover een vaalgrauwe nevel was
-neergestreken. Onbeweeglijk zat hij daar.
-
-Hij had daar zeker meer dan een uur gezeten, toen een diepe zucht zijn
-borst ontsnapte. Moeizaam stond hij thans op, de armen uitrekkend.
-
-Zachtjes fluisterde hij:
-
-„Geen enkele uitweg meer, geen enkele! Het moet!”
-
-Hij had een eind touw te voorschijn gehaald en ging dat nu met bevende
-vingers aan een stevigen boomtak bevestigen.
-
-Toen dit geschied was, maakte hij een strik in het neerhangende
-gedeelte, klom op de bank en sloeg het om zijn hals. Toen sprong hij
-naar beneden en een oogenblik later zweefde hij vrij tusschen hemel en
-aarde. De zwaarte van het lichaam had den strik dichtgetrokken; een
-gorgelend geluid ontsnapte zijn mond en langzaam verloor hij het
-bewustzijn. — — —
-
-Druk redeneerend waren de beide heeren doorgeloopen. Bij een buiging
-van een voetpad zei een hunner:
-
-„Kijk eens, Edward, wij schijnen hier toch niet alleen te zijn. Daar
-beweegt zich iemand!”
-
-Hij wees met uitgestrekte hand voor zich uit.
-
-„Hallo, Charly! Ik geloof, dat daar iets voor ons te doen is! Gauw!”
-
-De heeren liepen zoo vlug als zij konden, naar de plaats, waar de
-levensmoede een eind aan zijn leven trachtte te maken.
-
-„Kijk, Edward!” riep huiverend de jongste, terwijl hij het licht van
-zijn electrische zaklantaarn op het lichaam liet vallen.
-
-Zijn vriend had met een enkelen blik den geheelen toestand overzien,
-zijn mes te voorschijn gehaald en den levensmoede afgesneden. Charly
-hield het lichaam van den zelfmoordenaar vast om het voor vallen te
-behoeden.
-
-Toen de redder den strop had doorgesneden, ontsnapte een diepe zucht de
-lippen van den bewustelooze. Beide vrienden werkten nu ijverig om de
-levensgeesten in het ontzielde lichaam terug te roepen en spoedig werd
-hun moeite beloond. Een zacht, doch regelmatig ademhalen werd gehoord
-en al spoedig sloeg de vreemde de oogen op.
-
-Onwillekeurig tastte hij naar den hals, als wilde hij zich ervan
-overtuigen, dat er geen strop meer om zat.
-
-De heeren knielden naast den ongelukkige en Charly lichtte hem met de
-zaklantaarn in het gelaat. De vreemde telde ongeveer vijftig jaren. Het
-hoofdhaar was aan de slapen licht vergrijsd. In het gebruinde, doch
-ingevallen gelaat tintelden een paar levendige verstandige oogen. De
-neus was fraai gebogen; om mond en oogen lagen diepe rimpels, die wezen
-op velerlei zorg en teleurstelling. De man had een gespierde gestalte.
-
-Toen de onbekende de oogen had opgeslagen, keek hij een oogenblik met
-starenden blik om zich heen. Spoedig echter begreep hij zijn toestand
-en zijn blik scheen zijn redders te vragen:
-
-„Waarom hebt ge mij aan de vergetelheid ontrukt?”
-
-De heer, die den zelfmoordenaar had afgesneden, boog zich thans tot hem
-over en zei:
-
-„Wij weten niet, wat u tot dien onzaligen stap heeft gedreven. Als de
-nood op het hoogst is, is de redding nabij. Maar zeg ons eens, waar
-kunnen wij u thans heenbrengen? Hebt ge bloedverwanten?”
-
-De ongelukkige keek nog steeds met verwarden blik naar zijn redders.
-
-„Ik weet niet, of ik u moet danken,” begon hij eindelijk, „voor wat ge
-voor mij hebt gedaan. In ieder geval dank ik u voor het medelijden met
-ongelukkigen, waarvan ge hebt blijk gegeven. Ik heb niemand en niets
-meer, ik sta alleen op de wereld.”
-
-De eerste spreker nam thans weer het woord,
-
-„Wel, beste vriend, als toch niemand op u wacht, kunt ge ons nog wel
-wat van uw gezelschap laten profiteeren. Ga mee. Wij willen een café
-opzoeken, waar het gezelliger is dan hier in de nachtelijke koelte.”
-
-Hij nam den arm van den weerstrevenden man en trok hem met zich mede.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-NOODLOT.
-
-
-Op den hoek van Kingsroad vonden de drie wandelaars een klein lokaal,
-dat op dezen tijd nog niet druk werd bezocht.
-
-De grootste der beide heeren, die den ongelukkige hadden gevonden,
-bestelde een uitgebreid avondeten en warme dranken voor het drietal.
-
-De onbekende was als ’t ware willoos; hij liet als een klein kind voor
-zich zorgen en had nog nauwelijks een woord gesproken. Zijn blikken
-echter zeiden des te meer en vol dankbaarheid hingen zij aan zijn beide
-redders, die zich beijverden om door vroolijk gebabbel over alle
-mogelijke onverschillige dingen zijn onaangename gedachten op de vlucht
-te drijven.
-
-Toen de grootste der beide vrienden zijn jas had uitgedaan, zag men een
-elegante, buigzame gestalte. Het gelaat was fijn besneden en verried
-hooge intelligentie. Iedere beweging wees erop dat deze persoon van
-omstreeks dertig jarigen leeftijd behoorde tot de hoogste kringen.
-
-Zijn vriend was jonger. Een kleine snor versierde diens bovenlip en in
-het frissche gelaat keken een paar blauwe oogen goedmoedig de wereld
-in.
-
-Toen het drietal het avondeten had gebruikt, zei de oudste der beide
-vrienden:
-
-„Wij hebben thans den inwendigen mensch zoo’n beetje versterkt; nu is
-het zaak om eens verder te praten. Wij wenschen ons niet aan u op te
-dringen, maar wenschen u te helpen. Ik verzoek u dus, als ge daartoe
-genegen zijt, ons iets naders omtrent uw persoon mee te deelen.”
-
-De spreker reikte den vreemdeling de hand, die deze greep en vol
-dankbare ontroering drukte. Toen zei hij met diepe stem:
-
-„Ik dank u van ganscher harte voor de goedheid, die ge mij hebt
-bewezen. Ge hebt er recht op, iets omtrent mij te vernemen. Ik wil mijn
-noodlot geheel en al in uw handen leggen; gij zult over mijn verder
-leven beslissen.”
-
-„Dat is goed. Opdat ge echter weet, wie ge uw vertrouwen schenkt, wil
-ik u eerst zeggen, wie wij zijn. Ik ben lord Edward Lister en dat is
-mijn vriend Charly Brand.”
-
-De vreemde stond op en boog.
-
-„Mijn naam is Harry Leyden, en thans, heeren, luistert naar het verhaal
-van mijn noodlot.”
-
-En hij begon:
-
-„Aan de westkust van Schotland ligt het graafschap Argyll, een ruw
-berglandschap.”
-
-Lord Lister knikte en sprak:
-
-„Dat weet ik; die buurt is mij bekend.”
-
-„Goed,” sprak Leyden, „dan behoef ik u niet te vermoeien met de
-beschrijving van het landschap. Op ongeveer zes uren afstands van de
-hoofdstad Inverary ligt, tusschen ruwe rotsen het kasteel Eaglestone.
-Tot het midden van de zeventiende eeuw behoorde het aan de Schotsche
-familie Campbell, die nog heden den titel graaf Argyll voert. Toen op
-den 27sten Mei 1661 Archibald, graaf Argyll, een vriend van Cromwell,
-als koningsmoordenaar werd onthoofd, viel het kasteel Eaglestone aan de
-Kroon. In 1680 ging de bezitting over aan het geslacht Danby. De
-beteekenis van dit geslacht voor de geschiedenis van Engeland zal u
-zeker bekend zijn. Eaglestone is sindsdien tot op den huidigen dag in
-het bezit van het geslacht Danby gebleven. Juist heden voor tien jaren,
-op zijn 65sten geboortedag, stierf lord Robert Danby.”
-
-Bij de laatste woorden smoorde de spreker een snik en heete tranen
-ontrolden zijn oogen.
-
-Lord Lister legde de hand met bemoedigend gebaar op Leyden’s arm en
-deze vervolgde op meer vasten toon:
-
-„Ge zult er u over verbazen, heeren, dat deze zaak mij zoo ontroert
-Maar—lord Robert was mijn vader. Ik heet eigenlijk: Harry Danby, graaf
-van Eaglestone.”
-
-Harry Danby vervolgde thans opgewonden:
-
-„Toen ik veertien jaren oud was, stierf mijn moeder. Nadat mijn vader
-de overledene vier jaren oprecht betreurd had, trouwde hij op
-39-jarigen leeftijd met Ethel Vanderford. Zij had de kunst verstaan,
-mijn vader door allerlei vrouwelijke trucs in te palmen. Hij was steeds
-een oprecht karakter geweest en begreep niet dat de liefde van lady
-Ethel slechts gehuicheld was; dat het haar slechts te doen was om zijn
-rijke bezitting.
-
-„Nauwelijks een jaar na het huwelijk werd een zoon geboren en sinds dat
-oogenblik deed mijn stiefmoeder alles om mij, wien de bezitting eens
-ten deel moest vallen, te verdringen. Ik begreep in den beginne niets
-van al de sluwe streken dier listige vrouw, maar later werd mij haar
-handelwijze volkomen duidelijk.
-
-„Het was haar er om te doen, het hart van mijn vader hoe langer hoe
-meer van mij te vervreemden en dit werd haar des te gemakkelijker
-gemaakt, wijl ik haar zelf daartoe in de gelegenheid stelde.
-
-„Door vrienden was ik in gezelschap verzeild geraakt, waar men het
-grootste levensgenot zoekt in spel en weddenschap. Ik geraakte al
-spoedig in den maalstroom en met de gedachte, dat ik toch eens een
-rijke erfgenaam zou zijn, zag ik op geen geld; het goud rolde mij door
-de vingers.
-
-„Lady Ethel had, bezorgd als zij was voor haar zoon, aan wien deze
-anders zoo liefdelooze vrouw hing met geheel haar hart, mijn vader
-steeds weer op mijn verkwistende leefwijze opmerkzaam gemaakt. Het kwam
-tusschen hem en mij tot hevige uitbarstingen en hij verklaarde mij ten
-slotte, dat hij geen schulden meer van mij wenschte te betalen.
-
-„Ik moest hem de hand erop geven, soliede te worden en slechts onder
-deze voorwaarden betaalde hij mijn schulden.
-
-„Lady Ethel speelde een onwaardig spel. Terwijl zij achter mijn rug
-mijn vader voortdurend tegen mij opzette, deed zij zich aan mij steeds
-voor als een liefhebbende moeder.
-
-„Op zekeren dag echter vielen mij de schellen van de oogen en ik
-bemerkte vol ontzetting, welk een slechte vrouw zij was.
-
-„Hoewel ik mijn vader mijn woord had gegeven, mij te zullen beteren,
-was ik toch weer gaan spelen en moest een schuld van twaalf duizend
-gulden binnen 24 uren afdoen. Ik waagde het niet, vader dit te
-bekennen, want ik vreesde zijn rechtmatigen toorn. En in mijn grooten
-angst wendde ik mij tot mijn stiefmoeder.
-
-„Zij, die zich steeds zoo hulpvaardig had betoond, beloofde ook thans,
-mij te helpen en mijn dankbaarheid kende geen grenzen. Ik viel voor
-haar op de knieën en kuste haar handen. Zij verscheen mij als een goede
-engel en was toch inderdaad de zwartste duivel die ooit op aarde
-rondwandelde. Des avonds wilde zij mij het geld brengen.
-
-„In dien tijd logeerde een groot jachtgezelschap op het kasteel, dat
-den volgenden morgen een drijfjacht zou ondernemen.
-
-„Vol ongeduld wachtte ik het oogenblik, waarin mijn stiefmoeder mij de
-duizend pond sterling zou brengen. Het werd al later en later. Ik was,
-volgens afspraak, op mijn kamer gebleven en brak mij het hoofd over de
-vraag, waar lady Ethel die groote som toch vandaan zou halen, maar
-tenslotte vergenoegde ik mij met de zekerheid, dat ik spoedig in het
-bezit zou zijn van de vereischte som en mijn schulden kon delgen,
-zonder dat vader iets vernam van mijn nieuw vergrijp.
-
-„Het was reeds elf uur, toen zacht aan mijn deur werd geklopt. Ik
-opende en mijn stiefmoeder duwde mij vlug een portefeuille in de hand.
-Zij legde den vinger op den mond, mij tot zwijgen dwingend en ging snel
-weer heen.
-
-„Ik deed de portefeuille open en vond daarin tot mijn onuitsprekelijke
-vreugde de ronde som van duizend pond. Ik kuste de portefeuille en
-dacht daarbij vol dankbaarheid aan de edele geefster. Daarna ontkleedde
-ik mij en legde mij ter ruste. De portefeuille had ik op het
-nachttafeltje gelegd.
-
-„Met de gelukkige zorgeloosheid der jeugd sliep ik in en vertoefde al
-dra in het land der droomen.
-
-„Ongeveer een uur had ik geslapen, toen ik door luid rumoer gewekt
-werd.
-
-„Ik sloeg de oogen op, en zag mijn vader, die met een zijner vrienden
-in mijn kamer stond. Zij waren gekomen om mij te wekken, want het
-volgende was er voorgevallen.”
-
-Leyden, of beter gezegd lord Danby hield even op en bedekte het gelaat
-met de handen. Een diepe zucht ontsnapte zijn borst.
-
-Na een korte pauze vervolgde Danby zijn verhaal.
-
-„Toen het jachtgezelschap tegen middernacht zich naar de slaapkamers
-had begeven, ontdekte een der gasten, dat hij een portefeuille met 1000
-pond sterling miste. Hij begon zijn kamer te doorzoeken en ging toen
-naar de eetzaal terug, waar hij mijn vader aantrof. Hij achtte zich
-verplicht, den gastheer het gebeurde mede te deelen en deze was ten
-zeerste ontsteld, dat zoo iets in zijn huis had plaats gevonden.
-
-„Men wilde terstond de dienstboden ondervragen. Als zoon des huizes zou
-ik den heeren daarbij behulpzaam zijn en daarom kwam mijn vader mij
-wekken.
-
-„Het is onmogelijk te beschrijven, wat thans gebeurde.—Toen men licht
-in mijn slaapkamer had gebracht, zag de eigenaar terstond de hem
-behoorende portefeuille op het nachttafeltje liggen. Mijn vader was
-buiten zich zelven. Hij wilde mij te lijf om mij te worgen.
-
-„In mijn angst en verwarring bekende ik alles: mijn lichtzinnigheid,
-mijn speelschulden. Ik vertelde ook, dat mijn stiefmoeder mij deze
-portefeuille gebracht had en dat ik ze had aangenomen, in de
-veronderstelling, dat lady Ethel mij wilde helpen.
-
-„Mijn vader liet lady Ethel terstond ontbieden. Sidderend wachtte ik
-haar komst, opdat die afschuwelijke verdenking zoodra mogelijk van mij
-zou worden afgewend. Zij verscheen al heel spoedig—en—ik dacht mijn
-verstand te verliezen—zij—ontkende alles.— —
-
-„Koud, met een hoonlach op het gelaat, zei ze mij, dat ik wel gedroomd
-moest hebben. Nooit had zij zich op eenige wijze ingelaten met den
-lichtzinnigen zoon; nog veel minder eraan gedacht, hem op eenigerlei
-wijze te steunen of voor hem een gast te bestelen. Het was schandelijk
-van mij, haar van zooiets te beschuldigen.
-
-„Mijn vader, die nu niets anders kon gelooven, dan dat ik den gast had
-bestolen om mijn schulden te betalen en dat ik nu nog zijn echtgenoote
-op schandelijke wijze verdacht wilde maken, vloog in toomelooze woede
-op mij af. Plotseling sloeg hij met zijn handen in de lucht en stortte
-ter aarde; een beroerte had zijn rechterzijde verlamd.”— — — — — —
-
-Met doffe stem vervolgde Harry Danby:
-
-„Nu nog zie ik alles voor mij. Vader, worstelend met den dood, lag op
-den vloer; zijn oogen, waaruit ontzetting, woede en schaamte spraken,
-waren op mij gericht. Dra was hij door vrienden omringd en op den
-achtergrond stond, koel, hoogopgericht, de vrouw, die mijn grenzelooze
-vertwijfeling zag en maar glimlachte, zooals dat slechts de duivel kan.
-Met een laatste krachtsinspanning wees vader mij de deur.— — — —
-
-„Ik was geheel buiten mijzelven. Ik kon mijn gedachten niet bij elkaar
-houden en, als door furiën achtervolgd, vloog ik bij nacht en ontij de
-deur uit. Ik rende door velden en weiden, zonder te weten waarheen,
-totdat ik aan den rand van een sloot uitgeput neerviel.
-
-„Hier vond een arme kolenbrander mij den volgenden morgen. Hij nam mij
-mede en verpleegde mij, want hevige zenuwkoortsen hadden mij
-aangegrepen.
-
-„Toen ik eindelijk weer beterde en de crisis voorbij was, schreef ik
-mijn vader. Ik legde hem nog eens alles uit en zwoer hem, bij de
-nagedachtenis van mijn gestorven moeder, dat ik onschuldig was. Ik
-kreeg geen antwoord. Drie dagen wachtte ik. Toen ging ik naar het
-kasteel. Ik werd echter niet ontvangen. Den volgenden dag echter
-ontving ik een brief. Mijn hart klopte van blijde verwachting. Toen ik
-de enveloppe opende, vielen er eenige bankbiljetten uit, maar er was
-geen letter bijgevoegd.
-
-„Ik was wanhopig.
-
-„Nadat ik eenigszins tot kalmte was gekomen, nam ik zooveel van het
-geld, als ik voor de reis naar Londen noodig had. De rest liet ik den
-armen kolenbrander voor zijn zorgvuldige verpleging. Ik nam afscheid
-van de menschen, die mij zoo liefdevol hadden opgenomen en vertrok naar
-Londen. Daar liet ik mij op een schip aanmonsteren, dat naar Australië
-ging en was voor mijn familie dood en vergeten.
-
-„Bij mijn vlucht had ik geen papieren meegenomen en ik was dus niet in
-staat, mijn identiteit te bewijzen.
-
-„Het eenige, wat ik nog bezit, is dit medaillon. Het is een aandenken
-aan mijn overleden moeder, die het mij op haar sterfbed om den hals
-hing.”
-
-Bij deze woorden, haalde Harry Danby een medaillon te voorschijn en
-reikte het lord Lister. Het was een klein, ovaal voorwerp, dat aan den
-voorkant het familiewapen der Danby’s toonde: een springende leeuw en
-een hert. Daarboven zweefde een adelaar met uitgebreide vleugels. In
-het medaillon waren de miniatuur-portretten van Danby’s vader en
-moeder.
-
-Lord Lister liet Charly Brand het medaillon zien en gaf het toen den
-eigenaar terug.
-
-Harry Danby vervolgde nu zijn verhaal.
-
-„Wat moet ik nog verder vertellen, heeren? Toen ik in Australië op een
-boerderij werk had gevonden, schreef ik mijn vader nogmaals een
-uitvoerigen brief, maar wederom kreeg ik geen antwoord. Ik ben er thans
-van overtuigd, dat mijn vader nooit mijn brieven heeft ontvangen. Die
-satansche vrouw heeft ze onderschept. Als haar boosaardig plan wilde
-gelukken, dan mochten mijn brieven, die vaders oordeel konden wijzigen,
-hem nooit onder de oogen komen. Ik, haar stiefzoon, moest voor de
-familie dood zijn en blijven, opdat haar eigen zoon, Arthur, alles zou
-ten deel vallen.
-
-„Mijn laatste dertig jaren waren vreeselijk voor mij. Het was alsof de
-vadervloek, die zoo geheel onverdiend over mij was uitgesproken, alle
-geluk had vernietigd. Ondanks alle moeite heb ik nooit eenig
-noemenswaard kapitaal kunnen verwerven. Ik kon nauwelijks in eigen
-onderhoud voorzien.
-
-„Den naam Harry Leyden, dien ik bij mijn vlucht uit Europa had
-aangenomen, behield ik. Later leerde ik nog Azië, Afrika en Amerika
-kennen, maar alle aangewende moeite was tevergeefsch. Ik keerde twee
-jaar geleden naar Engeland terug. Hier ging het mij nog slechter.
-Ofschoon de verleiding mij vele keeren in verzoeking bracht, ben ik tot
-het laatste uur stipt eerlijk gebleven en heb mij aan geen enkele
-misdaad schuldig gemaakt. Daar ik echter uit deze ellende geen uitweg
-meer zag, wilde ik een einde maken aan mijn ellendig bestaan. Toen zijt
-gij gekomen en hebt mij teruggeroepen tot dit aardsche tranendal.”
-
-Lord Lister scheen diep getroffen door alles, wat hij gehoord had,
-evenals Charly. De donkere oogen van den lord gloeiden van toorn en hij
-zei tot zijn secretaris:
-
-„Dat is wat voor ons, mijn jongen. Die vrouw moet gestraft en deze
-ongelukkige in eer hersteld worden.”
-
-Charly drukte zijn vriend de hand.
-
-„Ik ben het ditmaal volkomen met je eens, Edward, en wil van ganscher
-harte helpen, voor zoover het in mijn macht is.”
-
-Harry Danby schudde bij deze woorden droef het hoofd en zei op triesten
-toon:
-
-„Ik dank u hartelijk voor deze deelneming, maar ik verzoek u, geen tijd
-en moeite voor mij te verspillen. Mijn leven is toch geknakt, ik geef
-niets meer om het bezit van rijkdommen. Mijn stiefbroeder Arthur mag
-alles behouden. Wat mij zoozeer ter neder drukt is de gedachte, dat
-mijn vader gestorven is, zonder overtuigd te zijn van mijn onschuld.”
-
-„Neen”, zei lord Lister, „ge zult en moogt niet zoo spreken. Hoe ge met
-uw onschuldigen stiefbroeder wilt handelen, moet gij weten, maar uw
-onschuld moet klaar worden bewezen. Leeft die vrouw nog?”
-
-„Ja! Ik heb van tijd tot tijd inlichtingen ingewonnen en weet, dat ze
-voor korten tijd nog leefde!”
-
-„Goed. Dan moet ze haar schuld bekennen en u in eer herstellen. Men
-heeft u in uw geboorteplaats nooit teruggezien en weet niets van u af.
-Ik zelf zal, als Harry Danby, mij in het hol van den leeuw wagen. Mijn
-vriend volgt mij en het zal ons beiden zeker gelukken, u in uw rechten
-te herstellen. Wilt ge uw lot in mijn handen leggen?”
-
-Lord Lister stak zijn hand over de tafel uit. Harry sloeg er in en zei:
-
-„Ge hebt mij het leven gered, ik ben u dank verschuldigd Ge kunt doen,
-wat ge wilt.”
-
-„Dan moet ge naar Londen gaan. Hier zijn honderd pond voor uw eerste
-uitgaven.”
-
-Harry Danby weerde het a£.
-
-Lord Lister echter zei:
-
-„Neem dit, beste vriend, als ge in het bezit van uw rechtmatig eigendom
-zijt gekomen, kunt ge mij het geleende wel terugbetalen. Ik heb u
-noodig voor de uitvoering van mijn plan; ge moet daarvoor gezond en
-frisch zijn. Wij zullen briefwisseling met elkander houden, want uw
-inlichtingen kunnen voor mij van het grootste belang zijn. Kom mij
-morgen vroeg bezoeken en vertel mij dan, waar ge woont. Ik denk, dat we
-reeds vanavond kunnen afreizen.”
-
-Lord Lister gaf Harry zijn adres en vroeg hem om het kleine medaillon.
-
-„Ik wil u nog iets zeggen”, sprak hij toen. „Ik heb mij tegenover u
-lord Lister genoemd. Dat komt uit. Maar men kent mij nog onder een
-anderen naam, waarvan de klank allesbehalve aangenaam is voor mijn
-vrienden van Scotland Yard. Ik ben John Raffles.”
-
-Zonder een antwoord af te wachten, verdwenen lord Lister en Charly.
-
-Verbluft keek Harry het tweetal na. De naam van dien man was hem wel
-bekend en hij wist, dat deze er een sport van maakte, onrechtmatig
-verkregen goed door geweld weer terug te bezorgen aan den rechtmatigen
-eigenaar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE BEIDE VRIENDEN
-
-
-Inverary, de hoofdstad van het graafschap Argyll, ligt diep tusschen
-ruwe, kale rotsblokken. Een weinig noordelijk van de hoofdstad strekt
-een kleine landtong zich uit naar het Zuiden.
-
-Op een der meest ontoegankelijke rotsen verheft zich een oud slot, dat
-met zijn tinnen het ruwe bergland geheel beheerscht. Trots verheffen
-zich de kanteelen van Eaglestone (Steen van den adelaar).
-
-De geschiedenis van het kasteel Eaglestone gaat terug tot in de
-twaalfde eeuw. Sinds 1680 was het, zooals wij reeds lazen, in het bezit
-van het geslacht Danby, waarvan de oudste zoon graaf van Eaglestone
-was.
-
-In den loop der eeuwen is het uitwendige van het kasteel eenigszins
-veranderd. In den vroegsten tijd bestond de burcht slechts uit hooge
-gewelven, onderaardsche gangen en holen, die in de harde rotsen waren
-uitgehouwen.
-
-In later tijden is het eigenlijke kasteel op deze overoude grondvesten
-opnieuw opgebouwd, zoodat er feitelijk een samenstelling is ontstaan
-van den ouden burcht en het nieuwe kasteel. De totaal-indruk heeft
-daardoor echter geenszins geleden, want ook de nieuwste opbouw is reeds
-vier eeuwen oud en de tijd, die alles uitvaagt, heeft ervoor gezorgd,
-dat ook dit gedeelte er grijs en verweerd uitziet.
-
-De weg, die naar den burcht voert, is uiterst moeilijk.
-
-Een goed voetganger kan dezen weg niet afleggen in korter tijd dan vijf
-à zes uren. Als men dezen weg ten einde is gekomen, ziet men plotseling
-een peilloozen afgrond aan zijn voeten, die ongeveer negen meter breed
-is. Op de tegenover liggende rotsen verheft zich de poort van het
-kasteel. Eerst als de geweldige ophaalbrug wordt neergelaten, kan men
-het inwendige van die onverwinbare vesting betreden. Dit is de eenige
-officieele toegang tot het kasteel. Er is echter nog een kleine poort,
-die ongeveer tegenover den hoofdingang is gelegen en naar een smal pad
-voert, dat voortslingert over de kam van het gebergte. Deze weg wordt
-echter niet gebruikt.
-
-In den volksmond leefde nog de sage voort, dat een onderaardsche gang
-dwars door de rotsen zou loopen en uitkomen op het kerkhof van
-Inverary. Men zou langs dezen weg in zeer korten tijd van het kasteel
-naar Inverary kunnen komen. Eenigen beweerden, dat die weg slechts een
-uur duurde, anderen waren de meening toegedaan, dat men er nog wel twee
-à drie uren voor noodig had. In elk geval werd van dezen onderaardschen
-weg slechts bij overlevering gesproken en geen sterveling wist te
-zeggen, waar op het kerkhof van Inverary dan eigenlijk die gang wel zou
-uitmonden.
-
-In het Schotsche plaatsje heerschte heden eenige opgewondenheid. In het
-hotel „De Koningin van Schotland” waren twee vreemde heeren aangekomen.
-
-Den weinigen gasten, die in den namiddag in de gelagkamer bij elkander
-zaten, vertelde de vrachtrijder op hun nieuwsgierige vragen, dat de
-beide heeren met den trein van Edinburg waren gekomen en nog wel in een
-coupé eerste klasse. Hij veronderstelde, dat het wel heel voorname
-heeren moesten zijn, die waarschijnlijk iets op het slot te doen
-hadden.
-
-De beide heeren hadden twee der voornaamste kamers op de eerste
-verdieping van het hotel genomen. De waard, die hen persoonlijk naar de
-kamers had gebracht, wilde juist met een buiging zich verwijderen, toen
-een der gasten zei:
-
-„Breng ons een goede flesch! Wij zouden graag eenige inlichtingen van u
-willen hebben; breng dus ook een derde glas mee en blijf ons wat
-gezelschap houden. Wij kunnen dan gezellig wat babbelen en zijn er
-meteen van overtuigd, dat de wijn drinkbaar is.”
-
-De waard, een klein manneke met vrij ronden buik en kleine
-varkensoogjes, grijnsde vergenoegd en zei, zich de handen wrijvend:
-
-„’t Is een groote eer voor mij, heeren, maar ge kunt geheel onbezorgd
-zijn, geheel onbezorgd, mijn wijnen zijn uitstekend.”
-
-„We zullen zien”, antwoordde de grootste der beide heeren, terwijl hij
-een sigaret uit zijn koker nam. De waard kwam behulpzaam met een
-lucifer aan.
-
-„Welke wijnsoort verlangt ge, mylord?”
-
-„De beste, die ge in den kelder hebt.”
-
-„Daar kunt ge op rekenen—op rekenen. De heeren zullen goed bediend
-worden—goed bediend worden.”
-
-De waard boog herhaaldelijk en ging heen.
-
-Toen de deur gesloten was, begon de jongste der beide vrienden
-smakelijk te lachen.
-
-„Wat is dat een komische kerel, Edward! Die zegt alles dubbel!”
-
-„Beste Charly”, zei Raffles, „hij vindt zich zelven zeker zóó
-interessant, dat hij denkt, dat men hem wel twee keer kan hooren.”
-
-Charly deed zijn koffer open en haalde er een doosje uit, dat hij
-Raffles gaf.
-
-„Overtuig je er nu zelf van, dat de pruik uitstekend gelukt is.
-Romanroad heeft zichzelven overtroffen.”
-
-John Raffles deed de doos open. Hij haalde het kleine medaillon, dat
-Harry Danby hem gegeven had, uit den zak en vergeleek portret en pruik.
-Hij knikte tevreden.
-
-„Inderdaad uitstekend! Ik geloof zeker, dat, mèt den baard, Harry zelf
-mij voor zijn gestorven vader zal houden. Ik hoop, dat dit kunstwerkje
-ons uitstekende diensten zal bewijzen.”
-
-Er werd geklopt.
-
-John Raffles deed de pruik weer in de doos en riep toen:
-
-„Binnen!”
-
-De deur ging open en de waard trad binnen met een vriendelijk lachje.
-Hij droeg drie wijnglazen op een blad en onder den linkerarm een flesch
-wijn.
-
-Hij zette het blaadje met de glazen op tafel en hield de flesch met
-zegevierend gebaar omhoog.
-
-„Ge zult tevreden zijn—tevreden zijn. ’t Is de beste, dien ik heb—dien
-ik heb.”
-
-Hij had het stof van de flesch geveegd en vulde nu de drie glazen.
-
-Raffles proefde den wijn, nadat hij het glas tegen het licht had
-gehouden en vol welbehagen genoot hij van het heerlijke bouquet.
-
-De waard keek in gespannen aandacht naar de bewegingen van zijn
-voornamen gast En toen zei hij zegevierend:
-
-„Nu, had ik geen gelijk—geen gelijk?”
-
-„De wijn is goed—ik ben tevreden”, antwoordde Raffles.
-
-Het drietal klonk en de waard zei met een grappige buiging:
-
-„Op uw welzijn! Opdat het u in mijn huis nog langen tijd moge
-bevallen—moge bevallen.”
-
-Charly kon zich niet weerhouden den waard na te doen en zei lachend:
-
-„Daarop is alle kans—alle kans.”
-
-Lord Lister bood den waard, die een beetje gekrenkt was over Charly’s
-scherts, zijn sigarettenkoker.
-
-Toen begon hij:
-
-„Zeg eens, kunt ge ons niet eenige bijzonderheden meedeelen over de
-lieden, die op Eaglestone wonen?”
-
-De waard krabde zich eens het hoofd en keek Raffles verlegen aan.
-
-Deze vervolgde:
-
-„Ik zou gaarne iets omtrent hun doen en laten weten. Wij waren langen
-tijd in het buitenland en komen nu uit Londen om eenige gewichtige
-dingen met de bewoners te bespreken; het is dan altijd goed, dat men
-van te voren een weinig is ingelicht.”
-
-„Ah zoo, ah zoo!—Dan kan ik u helpen—u helpen! Lord Arthur is een beste
-heer—een beste heer. Kwam hier vroeger dikwijls—heel dikwijls. Nu hij
-getrouwd is, ziet men hem zelden meer—zelden meer. Men vertelt——”
-
-Verschrikt hield de waard op.
-
-Raffles schonk het glas van den waard nog eens vol en vroeg:
-
-„Nu, wat zegt men? Ge kunt gerust spreken.”
-
-„Och, het is niet erg—niet erg. Lady Mabel moet nogal eigenzinnig
-zijn—eigenzinnig zijn. Lord Arthur was vroeger zoo vroolijk—zoo
-vroolijk en nu—en nu—”
-
-„Is hij nu niet meer vroolijk?”
-
-„Neen, heelemaal niet—heelemaal niet. Altijd bedroefd—altijd bedroefd.”
-
-„En”, vervolgde lord Lister, „wat is lady Ethel voor een dame?”
-
-Toen de waard dezen naam hoorde, schrikte hij zichtbaar. Hij keek het
-venster uit en zei zoo onbevangen mogelijk:
-
-„Daar komt de stoomboot van Lochgalphaed.”
-
-„Dat is inderdaad heel belangwekkend voor u, maar ik zou liever iets
-over lady Ethel hooren.”
-
-Toen Raffles opnieuw den naam van lady Ethel uitsprak, was het, alsof
-de kleine dikkerd een stortbad kreeg. Hij zei op klagelijken toon:
-
-„Ach heeren, daarvan weet ik niets te vertellen—niets te vertellen.”
-
-„Ge behoeft ons alleen te vertellen, wat de lieden over het algemeen
-beweren.—Is lady Ethel gezond?”
-
-„Neen, heelemaal niet—heelemaal niet. Ze is al sinds jaren ziekelijk.”
-
-„Nu—en verder?”
-
-De waard haalde de schouders op en antwoordde niets.
-
-Raffles begreep, dat hij op deze manier geen stap verder kwam. Hij
-roerde vooreerst het onderwerp niet meer aan en dronk zijn glas leeg.
-Toen vroeg hij, of er nog een flesch van hetzelfde merk te krijgen was.
-De waard antwoordde bevestigend en verdween snel om de bestelling uit
-te voeren.
-
-Toen de deur gesloten was, zei Raffles glimlachend:
-
-„Ik had niet gedacht, dat de man zoo goed kon zwijgen, maar ik zal zijn
-tong wel los maken.”
-
-De waard verscheen spoedig met de tweede flesch en Raffles begon nu
-ijverig in te schenken en tevens druk te redeneeren over allerlei
-onverschillige dingen.
-
-Toen vroeg lord Lister plotseling:
-
-„Lady Ethel is zeker heel vroom?”
-
-„Die vroom—die vroom? Een duivel is ze—een duivel!”
-
-Toen scheen hij tot bezinning te komen en zei:
-
-„Vergeef mij, heeren, de lieden zeggen het ten minste—zeggen het.”
-
-Raffles zette den kleinen man weer op den stoel en antwoordde:
-
-„Kom, kerel, wees verstandig en vertel eens, wat de menschen zeggen. Ge
-kunt ons ten volle vertrouwen; wij zullen er geen woord over
-vertellen”.
-
-In zijn grappig taaltje vertelde nu de waard, dat de oude lady in den
-geheelen omtrek gehaat en gevreesd was. Men vertelde, dat zij een
-verbond met den duivel had gesloten en kon heksen. De knechts der
-leveranciers moesten verschrikkelijke kreten gehoord hebben en wisten
-te vertellen van spookachtige verschijningen, van honden met vurige
-oogen en andere ondieren.
-
-Toen de waard zijn vertelling had geëindigd, dankte Raffles hem en
-lachte om het bijgeloof en de dwaze praatjes. De waard verzekerde
-echter plechtig, dat iets van deze geschiedenis waar moest zijn. In
-ieder geval was het niet zuiver op het kasteel!
-
-Raffles vroeg, of de waard er een knecht op nahield, die den volgenden
-morgen een brief naar het kasteel zou kunnen brengen.
-
-De waard antwoordde bevestigend en Raffles beval, dat de knecht om
-zeven uur gereed moest zijn.
-
-De Groote Onbekende bestelde toen een rijkelijk souper op zijn kamer,
-nam schrijfgereedschap en zei tegen Charly, toen de waard vertrokken
-was:
-
-„En nu, beste jongen, zullen we lady Ethel ons bezoek aankondigen en
-ons dan morgen in het hol van den leeuw wagen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-UIT DEN DOODE HERREZEN.
-
-
-Schril klonk de toon van een electrische bel door de kamer. Een
-bejaarde vrouw stond op uit den leunstoel en ging naar de deur. De bel
-klonk nu voor de tweede maal.
-
-„Tweemaal—dat is voor jou, John”.
-
-De oude man knikte en verliet de kamer. Hij was ongeveer vijf-en-zestig
-jaren oud.
-
-Zijn gelaat was glad geschoren en spaarzaam grijs haar bedekte zijn
-schedel.
-
-Met een vlugheid, die men hem niet zou hebben toegedacht, beklom hij de
-treden der wenteltrap, die naar de eerste verdieping leidde. Hij klopte
-aan een lage deur van gesneden eikenhout en trad eenige oogenblikken
-later binnen.
-
-In het vertrek stond een dame van omstreeks vijftig jaren tegen de
-tafel geleund. Heur haar was grijs, haar gestalte groot en opvallend
-mager; haar oogen waren van een glinsterend zwart en hadden een
-stekende uitdrukking. De vastopeengesloten lippen werden overwelfd door
-een sterk krommenden, smallen neus, waardoor het gelaat een
-roofvogelachtige uitdrukking kreeg.
-
-John was in de deur blijven staan.
-
-De dame wendde nu het hoofd om en vroeg met snijdend-scherpe stem:
-
-„Wie heeft dien brief gebracht?”
-
-„De zoon van den waard uit „De Koningin van Schotland” heeft hem een
-half uur geleden afgegeven. Mevrouw was er niet en daarom heb ik den
-brief, als gewoonlijk, op tafel gelegd”.
-
-Lady Ethel antwoordde niet. Zij gooide den brief met beleedigd gebaar
-op tafel en ging naar het venster. Eenige oogenblikken keek zij
-nadenkend naar buiten en sprak toen op korten, bevelenden toon:
-
-„Laat Lady Mabel dadelijk hier komen!”
-
-John boog zwijgend en verdween door een kleine deur, die links van de
-torenkamer naar het inwendige van het kasteel voerde.
-
-Lady Ethel was naar de tafel teruggegaan, nam den brief weer op en ging
-in een leunstoel zitten. Nogmaals begon zij woord voor woord te lezen.
-
-De brief was maar kort en luidde als volgt:
-
-
- „Lady Ethel!
-
- Ik ben van mijn wereldreizen naar Schotland teruggekeerd.
- Hedenmiddag zal ik het slot van mijn vader bezoeken en ik verheug
- mij er reeds op, mijn stiefbroeder, die mijn erfenis zoo trouw
- heeft beheerd, te kunnen begroeten.
-
- Ik wensch echter u alleen te spreken. Een vriend van mij, die van
- alles op de hoogte is, heeft mij naar Inverary vergezeld. Ik meld u
- dit, opdat ge de maatregelen, die ge misschien wilt aanwenden,
- daarnaar kunt treffen.
-
- Om drie uur kom ik aan de kleine poort, die voert naar den
- Bernhard-pas, en ik wensch, dat ge mij vandaar naar u zult doen
- geleiden.
-
- Harry Danby, Graaf van Eaglestone.”
-
-
-Nogmaals en nogmaals las lady Ethel dezen brief. Donkere wolken lagen
-om haar slapen. Zij knikte en fluisterde:
-
-„Mijn droom! Mijn droom! Ik zag de graven zich openen en de dooden van
-Eaglestone weer opstaan! Ja, ja, de dooden staan weer op!”
-
-Er werd geklopt en een dame trad het vertrek binnen.
-
-Het was een verschijning, die de aandacht trok. Op een middelmatig
-groote, slanke figuur stond een hoofd, dat men schoon had kunnen
-noemen, als niet een trek van koele berekening het gelaat ontsierd en
-de harmonie der edele reine trekken verstoord had.
-
-Goudblonde vlechten lagen als een kroon om het voorhoofd en den
-blanken, vollen hals sierde een kostbaar snoer van paarlen en
-briljanten, terwijl kostbare ringen flonkerden aan de kleine, smalle
-handen.
-
-Met een sierlijke hoofdneiging trad zij het vertrek binnen en zei:
-
-„Goeden morgen, mama! Ge hebt mij laten roepen?”
-
-Mabel, de echtgenoote van lord Arthur, was naar lady Ethel gegaan, had
-haar de hand gekust en was toen op een laag stoeltje aan de voeten der
-oude dame gaan zitten.
-
-Lady Ethel beantwoordde den morgengroet van haar schoondochter met een
-lichten hoofdknik. Peinzend staarde zij door het venster, zij scheen de
-aanwezigheid der jonge vrouw nauwelijks te bemerken.
-
-Na een poos zei Mabel, terwijl een spottend glimlachje over haar gelaat
-gleed:
-
-„Wel, mama, zoo heelemaal in gepeins verdiept? Ik dacht, dat ge mij
-heel belangrijke dingen hadt mee te deelen, omdat ge mij zoo overhaast
-hebt laten roepen”.
-
-Lady Ethel scheen op te schrikken uit haar gedachten, toen haar
-schoondochter haar toesprak. Een diepe zucht ontsnapte haar borst en
-zij sprak, op ieder woord den klemtoon leggend:
-
-„Je hebt mij gisteren niet willen gelooven, toen ik beweerde, dat ons
-huis door ongeluk wordt bedreigd. Ik had gelijk!”
-
-Mabel lachte even.
-
-„Maar mama! Ik bid u! Hoe kan iemand zóó bijgeloovig zijn?”
-
-Toen antwoordde zij:
-
-„Ik weet, wat ik zeg. Ik zag in mijn droom, hoe de dooden om het
-kasteel spookten. Toen werd een machtige, zwarte hand opgeheven, die
-den bliksem in het slot zwaaide. Ik zag echter geen vlammen; slechts
-dichten walm en zwarten rook. Steeds zwarter werden de wolken en toen
-zij waren opgetrokken, was bet kasteel verdwenen, slechts Arthur zat op
-een steen en weende. Achter hem echter stond een gebaarde man, die in
-zijn hand het kasteel Eaglestone hield, dat belachelijk klein was
-geworden.”
-
-Lady Mabel was van haar zitplaats opgesprongen. Zij draaide in een
-kring rond, klapte in haar handen en riep lachend:
-
-„Dat moet wel een aardig handje zijn geweest, mama, dat een heelen berg
-droeg!”
-
-„Spot niet, Mabel! Ik weet, dat de dooden weer op zullen staan”,
-antwoordde lady Ethel op bezorgden toon.
-
-Haar hand greep den noodlottigen brief, toen vervolgde zij:
-
-„Je weet, dat de stiefbroeder van je man al bijna dertig jaar verdwenen
-is...”
-
-„Ja, hij is als een dief door vader verjaagd en toen te gronde gegaan.”
-
-Lady Ethel was bij de woorden van haar schoondochter een weinig bleeker
-geworden. Zij klemde den brief krampachtig tusschen haar vingers en
-sprak langzaam en toonloos:
-
-„Harry Danby is thans in Inverary en zal over een paar uren hier zijn
-om zijn erfenis te aanvaarden”.
-
-Als door een adder gestoken, sprong lady Mabel op.
-
-„Wat, deze dief, die landlooper durft naar hier terug te keeren?”
-schreeuwde zij uit met schrille stem.
-
-„Ja, mijn kind, ik heb daarjuist zijn brief ontvangen”.
-
-Lady Ethel sprak wederom met grooten nadruk en Mabel staarde haar
-schoonmoeder als verdwaasd aan.
-
-Toen vroeg zij:
-
-„Blijft ge daaronder zoo kalm, mama?”
-
-„Wij zullen dien landlooper natuurlijk niet ontvangen!”
-
-„Dat zal moeilijk gaan. Ik geloof, dat het maar beter is, als wij
-trachten, met hem op een goeden voet te komen.”
-
-„Wat zegt ge, met een dief...?”
-
-„Weet je zoo zeker, dat hij een dief is?”
-
-Langzaam waren deze woorden over de lippen der oude dame gekomen.
-
-Mabel keek haar schoonmoeder verbaasd aan.
-
-„Er mag komen, mama, wat er wil! In ieder geval zal ik nooit...”
-
-Lady Ethel viel haar schoondochter scherp in de rede:
-
-„Je zult hem vriendelijk ontvangen, als ik het verlang. En ik wil het!”
-
-De oude lady had zich hoog opgericht en met gebiedenden blik keek zij
-haar schoondochter aan.
-
-Mabel haalde de schouders op.
-
-Zij waagde het echter niet, tegen te spreken, en zei slechts op licht
-spotten den toon:
-
-„Ik zou wel eens willen weten, mama, waarom ge plotseling zoo toegevend
-gestemd zijt!”
-
-„Dat is mijn zaak! Ga nu, ik wacht bezoek; zorg ervoor, dat Arthur
-niets merkt en wacht beiden, totdat...”
-
-Zij zweeg. Een andere gedachte scheen haar door het hoofd te flitsen,
-en na eenigen tijd vervolgde zij:
-
-„...Wacht, tot ik je laat roepen. Ik wil ook niet, dat je Arthur iets
-zegt, van wat ik je daarjuist heb meegedeeld. Ga!”
-
-Mabel keek haar schoonmoeder aan met loerenden blik; zij wilde
-heengaan, doch eensklaps riep lady Ethel haar terug en sprak op
-wonderlijk weeken toon:
-
-„Je hebt eigenlijk gelijk, kind. Het is voor ons misschien beter, als
-wij hem niet terug zien. Ik zal eens denken, wat ons te doen staat.
-Zorg er echter voor, dat Arthur niets hoort. Ga nu!”
-
-Mabel boog zich over de hand, die haar schoonmoeder haar ten afscheid
-had gereikt en verliet toen het vertrek.
-
-Lady Ethel drukte op den knop van een electrische schel en eenige
-oogenblikken later trad John binnen.
-
-Zij streek den brief glad, dien zij een oogenblik tevoren weer had
-geknoeid, reikte hem haar vertrouwden bediende en ging toen naar het
-venster.
-
-Minutenlang keek zij naar buiten, en zei toen op half luiden toon:
-
-„Mijn droom, mijn droom! Ik zag de graven zich openen en de dooden van
-Eaglestone rond het kasteel spoken!”
-
-„Het was slechts een droom, mevrouw, die zeker niets te beteekenen
-had”.
-
-Lady Ethel haalde de schouders op en ging naar het venster toe. Haar
-gelaat vertrok zich tot een duivelschen glimlach, toen zij op
-halfluiden toon fluisterde:
-
-„Harry vertrouwt mij niet. Nu, wij zullen zien, wie overwint! Al ben ik
-ook dertig jaar ouder geworden, zal ik ook heden nog de kracht bezitten
-om je te verpletteren. De dooden moeten in hun graven terug! Ik zal je
-verbannen!”
-
-Zij wendde zich weder tot John, die nog steeds naast de deur stond.
-
-„John, ik weet, dat je mij genegen bent. Reeds tientallen van jaren heb
-ik je trouw op de proef gesteld en je weet, dat ik mij nooit ondankbaar
-heb betoond voor de bewezen diensten. Ik voel, dat ik niet lang meer te
-leven heb en daarom wil ik mijn werk niet nog te gronde zien gaan. Ik
-reken op je beproefde trouw en stilzwijgendheid.”
-
-De oude dienaar boog voor zijn gebiedster en kuste haar eerbiedig de
-rechterhand.
-
-Lady Ethel vervolgde:
-
-„Dus, John, je moet om drie uur aan de kleine poort zijn, die naar den
-bergpas voert. Dan breng je hem dadelijk door de gang rechts naar hier.
-Zoodra hij hier is, sluit je de deur, die naar de verbindingsgang
-voert, van buiten af, en stel je het „vreemdelingenbed” op.”
-
-Toen Ethel de laatste woorden sprak, vloog een leelijke grijns over het
-gelaat van den ouden dienaar.
-
-„Het „vreemdelingenbed” zal opgericht worden. Vuur of water?”
-
-„Dat weet ik nog niet. Ga nu op je post.”
-
-John boog en ging heen.
-
-Lady Ethel ging naar een kast en haalde daar een vreemd, klein toestel
-uit te voorschijn, dat zij op tafel zette.
-
-Het apparaat was niet grooter dan een lucifersdoosje. Het onderdeel
-bestond uit een klein pannetje met een onevenredig langen steel. Aan
-dezen steel schroefde lady Ethel een mondstuk vast, dat ontelbare fijne
-gaatjes, bevatte.
-
-Toen nam zij het goedsluitende dekseltje eraf en schudde uit een
-doosje, dat zij eveneens uit de kast had genomen, een weinig van een
-rood poeder in het pannetje.
-
-Nadat zij uit een fleschje drie druppels van een violette vloeistof op
-het poeder had laten loopen, opende zij het venster van de torenkamer
-en de deur, die zich daar tegenover bevond.
-
-Daarna bond lady Ethel een zakdoek stevig om haar mond en neus, nam het
-contactstopje van de electrische leiding, die zich aan het toestel
-bevond en stak het in de opening, die aan den tafelpoot bevestigd was.
-
-Zij drukte op een kleinen knop en op hetzelfde oogenblik kwam uit de
-openingen van het toestel een rookwolk te voorschijn, die het vertrek
-met een bedwelmende lucht vulde.
-
-Lady Ethel knikte voldaan.
-
-Door den sterken tocht was de damp spoedig vervluchtigd en zij sloot
-vensters en deur weer. Vervolgens nam zij den doek, die haar mond en
-neus had omgeven en legde hem naast zich op tafel. Zij plaatste het
-kleine toestel zoodanig, dat het precies kwam te staan voor den
-persoon, die plaats zou nemen op den stoel dicht bij de deur.
-
-Daarbij legde zij, als toevallig, eenige tijdschriften en couranten
-over het vreemde toestelletje, zoodat een onwetende niets van de
-aanwezigheid ervan kon vermoeden.
-
-Juist was zij klaar met de toebereidselen, toen John binnentrad om haar
-te melden, dat de vreemdeling gekomen was.
-
-„Is het vreemdelingenbed in orde?”
-
-„Ja.”
-
-„Laat hem binnenkomen.”
-
-Lady Ethel bleef bij de tafel staan met haar rug naar het venster,
-zoodat haar gelaat in de schaduw was, terwijl het volle licht op den
-binnentredende viel.
-
-De deur werd geopend en lord Lister trad binnen.
-
-Met een snellen blik nam hij de gestalte der dame op en sprak, een
-hoffelijke buiging makende.
-
-„Mylady heeft mijn brief ontvangen, zooals ik begreep uit de ontvangst
-aan de kleine poort. Ik ben Harry Danby, graaf van Eaglestone.”
-
-De lady scheen door de verschijning van den gewaanden Harry Danby
-onaangenaam verrast te zijn. Zij had wel iemand verwacht, die door het
-noodlot zwaar beproefd was, een geknakte, die smeekend tot haar kwam en
-nu zag zij tegenover zich een man, die aan de manieren van een man van
-de wereld een flink optreden, groote wilskracht en zelfbewustzijn
-paarde.
-
-Zij wees op den stoel, die het dichtst bij de deur stond en sprak, zelf
-plaats nemende:
-
-„Ik heb den brief ontvangen met de daarin door u uitgesproken
-wenschen.”
-
-„Ik dank u, mylady!” zei Raffles, terwijl hij plaats nam.
-
-„Gij hebt geen reden tot dankbaarheid. Een vreemdeling komt hier en
-beweert Harry Danby te zijn. Hoe wilt ge bewijzen, dat ge het inderdaad
-zijt? Onze familie weet slechts, dat Harry sinds dertig jaren verdwenen
-en naar alle waarschijnlijkheid dood is.”
-
-„O, neen, mylady”, antwoordde lord Lister op vroolijken toon, „hij
-leeft en verheugt zich in een uitstekende gezondheid!”
-
-Hij kon dit met groote zekerheid zeggen, want vóór zijn vertrek uit het
-hotel had hij van Harry Danby nog bericht ontvangen.
-
-„Om u zekerheid te verschaffen, mylady, wil ik u iets toonen, dat u
-zeker wel zal overtuigen. Kent ge dit medaillon en deze portretten?”
-
-Lord Lister had het medaillon, dat hij van den echten Harry Danby
-gekregen had, te voorschijn gehaald en toonde het thans lady Ethel.
-
-Zij wierp er slechts een blik op en sprak toen zachtjes:
-
-„Hij is het inderdaad.”
-
-Lord Lister had leedvermaak over haar schrik.
-
-Eindelijk begon de lady weder te spreken en op korten, scherpen toon
-zeide zij:
-
-„En wat wilt ge nu eigenlijk hier?”
-
-„Dat is inderdaad een wonderlijke vraag, mylady; ik wil mijn erfenis
-aanvaarden!”
-
-„Ge schijnt te hebben vergeten om welke reden ge dertig jaar geleden
-het ouderlijke huis moest verlaten!”
-
-„O neen, dit geschiedde, omdat een wraakzuchtige, slechte vrouw
-zichzelve tot dievegge had verlaagd om mij eer, naam, recht en bezit te
-ontnemen. Thans, mylady, is het uur der vergelding gekomen. Dertig
-jaren lang heb ik onschuldig geleden, thans echter zult ge de
-rechtmatige straf niet ontgaan.”
-
-Lord Lister was opgesprongen. Zijn gelaat gloeide in edelen toorn. Zijn
-oogen schoten bliksemstralen.
-
-Lady Ethel was bij die aanklacht in elkander gekrompen, alsof haar
-zweepslagen waren toegediend. Thans keek zij op naar Raffles, die als
-een god der wrake voor haar stond en een duivelsch glimlachje ontsierde
-haar gelaat. Zij greep vlug naar den doek, dien zij te voren om mond en
-neus had gedragen en terzelfdertijd drukte zij met haar linkerhand op
-het knopje.
-
-Een geweldige dampwolk vloog uit het kleine toestel, dat voor lord
-Lister stond, omhulde deze in een oogenblik en verbreidde een
-bedwelmenden geur door het geheele vertrek.
-
-Dit alles geschiedde zoo plotseling, dat Raffles geen tijd had tot
-nadenken. Instinctmatig drukte hij zijn zakdoek, dien hij in de hand
-hield, tegen den mond, doch in het volgende oogenblik verloor hij het
-bewustzijn en met een doffen slag viel hij ter aarde.
-
-De lady rukte het venster open. Toen liet zij op een zilveren fluitje
-een signaalteeken hooren.
-
-Een oogenblik later trad John de kamer binnen. Ook hij had neus en mond
-dichtgebonden. De lady wees hem op den man, die op den vloer lag.
-
-John drukte op een veer naast de deur en al spoedig vertoonde zich een
-opening in den rechtermuur vlak bij den vloer.
-
-Men zag nu het begin van een stijl afdalende glijbaan. Hierop stond
-bovenaan bij een opening in den muur een soort kleine slede.
-
-John nam het lichaam van den bewustelooze, bracht het naar de opening
-en schoof het er in. Vervolgens lichtte hij een hefboom op en met
-huiveringwekkende snelheid vloog het lichaam van den ongelukkige in de
-afgrijselijke diepte.
-
-Alsof er niets gebeurd was, sloot John de klep in den muur en vroeg
-toen aan zijn gebiedster:
-
-„Wat gebiedt mylady, water of vuur?”
-
-De lady had met de armen over elkander aan het venster gestaan en had
-het verloop met koude onverschilligheid gevolgd.
-
-„Water zal het bloed van dien ellendeling het spoedigste koelen. Ik
-verwacht, dat ik nu voor goed van hem verlost ben! Hebt ge mij
-begrepen?”
-
-John boog en verliet het vertrek.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE PLEK DER MISDAAD.
-
-
-Met razende snelheid gleed de slede, waarop de bewustelooze lord Lister
-lag, langs de glooiende baan naar beneden. Plotseling volgde een hevige
-schok, de slede was met den voorkant tegen een tamelijk hooge dwarsbalk
-gestooten.
-
-Door dezen stoot werd de slede van haar last bevrijd en werd toen door
-middel van een zeer vernuftig aangebrachte machinerie weer
-teruggeslingerd.
-
-Bij dezen slag moest natuurlijk het lichaam van den ongelukkige
-vooruitvliegen. Hij maakte tweemaal een buiteling in de lucht en vloog
-toen in de richting van een tamelijk ruime opening in de rots.
-
-Men hoorde het geluid als van opspringend water en daarna bleef alles
-doodstil.......
-
-Maar wat was dat?
-
-Een klotsend geluid verbrak de stilte en plotseling vlamde een licht
-op.
-
-John Raffles lag op de knieën en hield in de rechterhand zijn
-electrische zaklantaarn om rondom zich heen te zien. Wat hij
-aanschouwde, was ontzettend. Door de vreeselijke slingering, die zijn
-lichaam door de botsing der dwarsbalken ondervonden had, was hij tot in
-den rechterhoek van het rotsachtige hol geslingerd.
-
-De grond was op deze plaats zeer steil. Er bevond zich daar tamelijk
-veel water. Als Raffles op den rotsachtigen bodem was terecht gekomen,
-had hij onvermijdelijk eenige ribben, wellicht zijn nek gebroken. Het
-water had echter de kracht van de botsing getemperd. Het had ook nog
-een andere goede werking; de koele bedding deed den bewustelooze uit
-zijn verdooving ontwaken.
-
-Daar de Groote Onbekende instinctmatig zijn zakdoek in den mond had
-gestopt, toen het kleine toestel zijn verderfelijke werking begon, was
-de verdooving niet zoo erg geweest als lady Ethel veronderstelde. Het
-koude water deed zijn uitwerking en daarom geraakte Raffles spoedig
-weer uit zijn verdooving en kwam hij tot zichzelven.
-
-Nadat hij eerst den zakdoek uit zijn mond had genomen, kreeg hij
-spoedig zijn electrische zaklantaarn te voorschijn, om zich te
-overtuigen, waar hij eigenlijk was.
-
-Hij bevond zich in een ruimte, die wel tien meter in ’t vierkant was.
-
-Er was geen venster, dat licht gaf of licht kon binnenlaten. Ongeveer
-zes meter over den aardbodem zag hij aan een der muren een donkere
-opening. Dat was het einde van de glijbaan, waarop hij zoo snel van de
-torenkamer in de vreeselijke diepte gegleden was.
-
-De atmosfeer in deze gruwelijke gevangenis was om te stikken en er
-heerschte een vochtige, verschrikkelijke ontbindingslucht.
-
-Raffles had zich uit zijn knielende houding opgericht en bewoog zich nu
-langzaam voorwaarts.
-
-Plotseling stootte zijn voet op een voorwerp. Toen hij het licht der
-electrische lantaarn daarheen richtte, zag hij tot zijn ontsteltenis
-het skelet van een mensch, waaruit bij het ongewone lichtverschijnsel
-eenige ratten de vlucht namen. Walging en schrik maakten zich van hem
-meester.
-
-Plotseling werd zijn opmerkzaamheid door een aanhoudend gorgelend
-gedruisch getrokken. Hij ging naar de plaats terug, waarheen hij was
-geslingerd en vanwaar het geluid was gekomen. Tot zijn verbazing
-bemerkte hij, dat het water, dat hem bij de val zulke groote diensten
-had bewezen, bijna verdwenen was.
-
-Een ronde, ijzeren klep was in de diepte gezonken. Hij begreep nu ook,
-waarom hij in de voeten een sterke, stekende pijn gevoelde. Bij den val
-uit de hoogte was hij met volle kracht met de voeten tegen die klep
-geslagen en deze had zich naar buiten geopend, waardoor het water kon
-afvloeien.
-
-Raffles ging dadelijk een en ander eens wat nader onderzoeken en kwam
-tot de ontdekking, dat deze klep van onderen te openen was en wel door
-een ketting, die, over raderen geleid, in een smalle rotskloof voerde.
-
-Lord Lister was op de steenen gaan zitten en lichtte met zijn lantaarn
-in het gat achter het luik. Tot zijn verbazing ontdekte hij, dat er
-eenige traptreden achter schenen te liggen. Hij wilde reeds door het
-luik gaan om een en ander te onderzoeken, toen een klaterend geluid
-achter hem zijn opmerkzaamheid trok. Hij keerde zich om en zag tot zijn
-verbazing, dat plotseling uit twee pijpen, die hij tevoren niet had
-opgemerkt, waterstralen plasten.
-
-Als een bliksemstraal flitste hem de gedachte door het brein, dat de
-duivelsche vrouw hem wilde laten verdrinken.
-
-Steeds sterker rolden de waterstralen van de hoogte neer. Als Raffles
-niet in zijn val het luik had opengestooten, zou het water in vijf
-minuten wel tot manshoogte zijn geklommen. Thans echter vloeide het
-even snel naar beneden af als het van boven neer ruischte.
-
-Raffles had zich in een hoek van het hol teruggetrokken, waar hij
-volkomen droog bleef. Hij begreep heel terecht, dat die waterval wel
-eens zou ophouden.
-
-Om zich den tijd wat te verdrijven, wilde hij een sigaret opsteken,
-maar hij bemerkte tot zijn teleurstelling dat deze in zijn etui
-kletsnat en dus onbruikbaar waren geworden. Hij wierp de sigaretten op
-den grond en de kleine, witte rolletjes werden door den stroom in den
-afgrond gespoeld.
-
-Zijn goed humeur zegevierde echter spoedig en hij mompelde:
-
-„Als ik toch die lekkere douche krijg, zal ik mij maar een beetje gaan
-wasschen.”
-
-Hij rekte de armen uit, schoof z’n manchetten wat in de hoogte en begon
-z’n vuile handen te wasschen.
-
-Na ruim drie minuten werd de waterval al minder en minder en hield
-eindelijk geheel op.
-
-Lord Lister keek op zijn horloge en zag, dat het half vijf was.
-
-Vroolijk mompelde hij:
-
-„Het zal u tegenvallen, lady Ethel, als ge denkt, van mij bevrijd te
-zijn. Neen, mijn waarde, John Raffles heeft een taai leven. Zijn goed
-gesternte straalt en spoedig zult ge het genoegen hebben, mij weer te
-zien.
-
-„Laat ons nu eens beproeven, zoo gauw mogelijk deze behaaglijk
-ingerichte „vreemdenkamer” te ontruimen, voordat misschien een nieuwe
-verrassing komt. ’t Is eigenlijk heelemaal niet beleefd, lady Ethel, om
-gasten zoo’n vochtig bed te geven.”
-
-Hij boog zich wederom naar het luik voorover, lichtte in de diepte en
-stelde vast, dat er inderdaad eenige traptreden naar beneden voerden.
-
-Hij nam de lantaarn tusschen de tanden en ging in de diepte.
-
-Hij voelde vasten bodem, liet de handen voorzichtig los, greep de
-lantaarn en lichtte eens in het rond.
-
-De drie traptreden leidden naar een donkere gang, die scheen voort te
-loopen. De gang was droog; het water moest dus in de rotsspleten
-wegvloeien. De lucht was ook hier nog drukkend, maar Raffles bedacht
-zich geen oogenblik en ging snel voorwaarts.
-
-Nadat hij nauwelijks twintig schreden had geloopen, bemerkte hij, dat
-de gang zich vertakte. Welken weg moest hij nu volgen?
-
-Moest hij naar links of rechts uitgaan?
-
-Hij redeneerde aldus:
-
-„Ik weet niet of ik rechtuit of naar links vlugger in vrijheid komen
-zal. De weg links schijnt gemakkelijker te zijn, die rechtuit echter
-steil naar beneden te voeren. Waarom moet de mensch zich het leven
-onaangenaam maken, als dit niet absoluut noodig is? Laat ons dus naar
-links gaan.”
-
-En hij ging naar deze richting.
-
-Nadat hij ongeveer tweehonderd schreden had afgelegd, boog de gang
-scherp naar rechtsom en spoedig stond Raffles voor een kleine trap, die
-in de rotsen was uitgehouwen en die naar een met ijzer beslagen poort
-voerde.
-
-Raffles bekeek die deur.
-
-Waar zou ze heenvoeren? Hij overtuigde zich ervan, dat hij zijn pistool
-bij zich had, nam deze in de hand en wilde juist probeeren de poort te
-openen, toen hij bedacht, dat het pistool zeker niet meer al te
-betrouwbaar zou zijn. Zijn sigaretten waren immers nat geworden; zijn
-patronen konden immers ook vochtig zijn geworden, zoodat ze zouden
-weigeren.
-
-Dit oogenblik van aarzelen was uitstekend voor lord Lister, want
-plotseling hoorde hij achter de poortdeur stemmen. Hij kroop in een
-hoek en doofde zijn lantaarn.
-
-De deur scheen heel dik te zijn, want hoewel hij zijn uiterste krachten
-inspande, kon hij slechts weinig verstaan.
-
-„Hij hoorde, dat een diepe stem over „vlammen” en „vonken” sprak,
-hoorde ook, dat twee andere stemmen antwoordden, was echter niet in
-staat, den inhoud van het gesprokene te verstaan.
-
-„’t Is goed,” overdacht hij, „misschien heb ik op den anderen weg meer
-geluk. Het geheim, dat hierachter steekt, zal ik later wel uitvorschen.
-Ik moet nu eerst weer het daglicht zien.”
-
-Hij ging den gekomen weg weer terug en was spoedig wederom op de plek,
-waar de gang zich vertakte.
-
-Langzaam en voorzichtig voortloopend constateerde hij nu inderdaad, dat
-deze gang inderdaad loodrecht in de diepte voerde. Aan den rechterkant
-was een stevige ijzeren ketting aangebracht, die zeker als steunpunt
-diende, opdat men op den gladden bodem niet zou uitglijden.
-
-Zoo vlug mogelijk zocht Raffles in de gang voorwaarts te dringen en
-plotseling stond hij recht tegenover een steilen rotswand. Hij
-overtuigde er zich van, dat hij ongeveer drie kwartier voor zijn
-afdaling had gebruikt. Toen lichtte hij met zijn lantaarn langs den
-muur.
-
-Hij begreep, dat hier ergens een uitgang moest zijn.
-
-Toen begon hij langs den muur te kloppen en heel onder aan verried een
-holle klank, dat een der steenen niet vastzat.
-
-Raffles spande nu alle krachten in en het gelukte hem tenslotte
-inderdaad het kleine rotsblok te verwijderen.
-
-Nu lichtte hij opnieuw met de lantaarn in de ruimte, die thans ontstaan
-was. Alles was duister.
-
-Hij vond, dat zijn toestand langzamerhand heel onaangenaam begon te
-worden.
-
-Maar toch kroop hij door de opening en liet toen wederom het licht van
-de lantaarn in het rond vallen.
-
-Een huivering beving hem.
-
-Hij stond op een lijkkist. Verderop stonden twee doodkisten dwars. Hij
-begreep, dat hij in een familiegraf stond.
-
-Voorzichtig stapte hij van de doodkist af en zocht verder naar een
-uitgang. Nu zou hij spoedig in vrijheid zijn, want de deur, die naar
-het familiegraf leidde, moest wel gemakkelijk te openen zijn.
-
-Nadat Raffles met de grootste moeite het rotsblok weer op zijn plaats
-had geborgen, ging hij naar de deur, die naar het grafgewelf voerde.
-Deze ging gemakkelijk open en na enkele minuten bevond Raffles zich
-weder in vrijheid.
-
-Met diepe halen ademde hij de vrije lucht in. Toen rekte hij zich uit
-om zijn ledematen wederom de oude buigzaamheid terug te geven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-HET GEHEIM VAN DE DOODKIST.
-
-
-De avondschemering was gevallen. In het westen daalde de zon in
-oranjekleurigen gloed en een zachte avondkoelte ruischte door de
-boomtoppen. In majestueuze rust breidde zich de doodenakker voor
-Raffles uit.
-
-Zijn scherp oor vernam nu naderende schreden en een oogenblik later
-doemde een welbekende gestalte op.
-
-Lord Lister durfde zijn oogen nauwelijks te gelooven. Het was Charly
-Brand, die het kerkhof te Inverary had opgezocht, in de hoop, iets te
-ontdekken van de geheimzinnige, onderaardsche gang, waarvan de waard
-had verteld.
-
-Daar stond hij plotseling tegenover zijn besten vriend.
-
-Charly kon in het eerst geen woorden vinden, toen hij Raffles voor zich
-zag, die in zijn vuile kleeren met het verwarde haar nauwelijks te
-herkennen was.
-
-Raffles lachte om de verbazing van zijn vriend en zei:
-
-„Ja, beste Charly, zóó ziet er nu iemand uit, die twee keer bijna
-verdronken was en door rotspartijen heele buitelingen heeft gemaakt.”
-
-Op Charly’s verbaasde vragen vertelde lord Lister zijn avontuur.
-
-Toen hij vertelde van zijn onvrijwillig bad, drong Charly er op aan,
-naar huis te gaan, want zijn vriend vreesde, dat Lister ziek kon
-worden.
-
-„Wees onbezorgd, Charly, ik voel mij zoo gezond als een visch in het
-water. Wij gaan nog niet naar huis. Ik ben blij, dat ik je zoo
-onverwacht ontmoet heb. Ik zal je nu eerst den ingang van het hol
-wijzen, men kan nooit weten waarvoor het goed is, dat je georiënteerd
-bent. Heb je je zaklantaarn bij je?”
-
-Charly knikte bevestigend.
-
-„Des te beter. Wij hebben dus dubbel licht en zullen het grafgewelf nog
-eens gaan onderzoeken.”
-
-De beide vrienden gingen terug naar het gewelf.
-
-Raffles klom het eerst weer op de doodkist, die aan den rotsmuur stond.
-
-Bij het scherpe licht bemerkte Raffles, dat een veel grootere steen op
-de kleinere lag, waardoor de eigenlijke ingang naar het gewelf was
-afgesloten.
-
-„Ik geloof, dat ik me vergist heb, Charly. Ik dacht eerst, dat deze
-toegang al wel een halve eeuw of nog ouder was, maar nu zie ik, dat de
-ijzeren handvatsels van veel nieuweren datum zijn. Het is heel
-duidelijk, dat menschenhanden van tijd tot tijd regelmatig deze
-handvatsels hebben aangepakt.”
-
-„Je kunt wel gelijk hebben, Edward.”
-
-Raffles was weer van de doodkist afgestapt en bekeek haar nauwkeurig.
-
-„Het is wel zeker, dat hier veel voetstappen gestaan hebben, Charly.”
-
-Toen de groote onbekende den lichtbundel van zijn lantaarn verder over
-de doodkist liet glijden, ontsnapte plotseling een kreet van verrukking
-zijn lippen.
-
-Hij had aan den eenen kant een stukje roode stof ontdekt, die bij het
-sluiten van het deksel tusschen de doodkist was geklemd.
-
-„Hola, jongen! Ik geloof niet, dat men de dooden hier in een rood kleed
-begraven heeft, dat bovendien nog zoo nieuw schijnt, dat er niet eens
-vocht is ingedrongen. Ik zou wel eens willen weten of er hier niet een
-vreemde doode rust! Dat moeten we onderzoeken. Ben je misschien bang?”
-
-„Maar Edward! Houdt je mij voor zoo’n hazenhart? Vooruit, aan ’t werk!”
-
-Raffles had zijn werktuigen te voorschijn gehaald en begon nu de
-schroeven los te maken, waarmee het deksel van de doodkist was
-bevestigd.
-
-Aan de gemakkelijkheid waarmee de schroeven waren los te draaien,
-bemerkte men onmiddellijk, dat zij dikwijls en zeker nog voor korten
-tijd geopend waren.
-
-Spoedig was de arbeid geëindigd.
-
-Beide vrienden grepen het deksel, hieven het op en lieten het op den
-grond glijden. Toen namen zij de lantaarns en lichtten in het binnenste
-der kist
-
-Raffles barstte in een schaterlach uit, toen hij den inhoud zag.
-
-Het hoofdeinde der doodkist, dat door een plank was af gedeeld, was met
-goud- en zilverstukken opgevuld. In de overige ruimte van de doodkist
-lagen in een rooden doek gewikkeld, verscheiden andere metalen.
-
-Bij nadere beschouwing bleek, dat deze stukken metaal deels uit gedegen
-goud en zilver bestonden, deels uit gouden ringen, armbanden,
-medaillons, enzoovoorts, waar de juweelen, die als versiering er in
-hadden gezeten, waren uitgenomen. Naar alle waarschijnlijkheid was deze
-voorraad metaal bestemd om te worden saamgesmolten.
-
-Charly had eenige van de blinkende munten in de hand genomen en bekeek
-ze opmerkzaam. Raffles trad nader en bekeek ze eveneens. Zijn scherpen
-blik ontging het niet, dat hij hier vervalschingen voor zich had.
-
-„Dat is dus het geheim van de doodkist. Het schijnt de schatkist van
-een bende valsche munters te zijn.”
-
-Raffles dacht nog eens scherp na.
-
-„Nu begrijp ik ook Charly, wat die stem sprak, die ik achter de deur
-hoorde en die over vlammen en vonken sprak.”
-
-Charly had intusschen den doek te voorschijn gehaald, waarin de munten
-hadden gelegen; er kwam een onaangename geur uit.
-
-„Aha”, zei Raffles, „daarom dus die zonderlinge bergplaats. De doek is
-in een zuur gedrenkt en dit moet, samen met de vochtige lucht in het
-grafgewelf, den munten een oud uitzien geven. Het valsche geld kan ons
-niet van nut zijn, maar het gedegen goud en zilver kan ons goede
-diensten bewijzen bij onze tochten in Londen en onze arme vrienden uit
-den nood helpen.”
-
-Met kennersblik bekeek de Groote Onbekende de stukken en liet toen
-alles van waarde in zijn zakken glijden.
-
-Toen deze arbeid volbracht was, sloten de beide vrienden de doodkist
-weder.
-
-„En nu, Charly, willen we eens gaan onderzoeken, wie dezen grafkelder
-behoort.”
-
-Zij verlieten de ruimte, waarin zij zulke belangrijke ontdekkingen
-hadden gedaan en zulke groote schatten hadden gevonden.
-
-Op een steen aan den ingang, die weder stevig werd gesloten stond:
-
-
- Grafkelder van de familie Webster.
-
-
-„Wie is Webster?” fluisterde Raffles en de beide vrienden haastten zich
-om zoo snel mogelijk de herberg in Inverary te bereiken, die ongeveer
-tien minuten van het kerkhof lag verwijderd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-VALSCH GELD.
-
-
-Op het politie-bureau in Scotland-Yard heerschte groote opwinding.
-Ongeveer twee weken geleden waren op de verschillende Banken in Londen
-valsche gouden en zilveren munten in omloop gekomen.
-
-Tevergeefs waren alle dievenholen, alle bekende boevenkroegjes en
-helersnesten doorzocht. De politie had geen moeite ontzien om de
-valsche munters op het spoor te komen, maar alles bleef zonder eenig
-resultaat.
-
-De som van de in omloop gekomen valsche munten moest niet heel groot
-zijn, want er waren geen aanmeldingen meer ingekomen en het groote
-publiek dacht allang niet meer aan de alarmeerende berichten.
-
-„De duivel schijnt vandaag losgebroken,” vloekte inspecteur Baxter,
-toen hij, voor den twintigsten keer in een uur aan de telefoon werd
-geroepen.
-
-Telegraaf en telefoon stonden vandaag niet stil. De beambten wisten
-niet, waar zij heen moesten.
-
-Uit Birmingham, Bristol, Plymouth, Hull, zelfs uit Dublin in
-Londonderry kwamen berichten in, dat er wederom gouden en zilveren
-munten waren aangehouden en dat alles erop wees, dat de sporen der
-valsche munters naar Londen wezen.
-
-De berichten kwamen binnen in zoo groot aantal, dat men er geen raad
-mee wist.
-
-„Zoo’n brutaliteit is nog niet voorgekomen. Ik zou wel eens willen
-weten, hoe die bende dat heeft aangelegd. Die moeten wel een
-bondgenootschap met den duivel hebben gesloten. Het lijkt wel, alsof
-zij over de gezamenlijke koninkrijken een regen van valsch geld hebben
-neergestrooid. Wat denkt gij er van, Marholm?”
-
-De toegesprokene scheen de eenige te zijn, die in de algemeene
-opwinding zijn kalmte bewaard had.
-
-Hij stak het laatste hapje van zijn avondboterham in den mond en zei
-lachend:
-
-„Het is mij voorloopig totaal onverschillig, waarde Baxter, hoe de
-kerels het hebben aangelegd.”
-
-„Nu ja, u is alles onverschillig,” viel Baxter in. „Ik heb je al
-honderd keer gezegd, dat je absoluut geen aanleg hebt voor detective.”
-
-Op doodkalmen toon antwoordde Marholm:
-
-„Ik meende slechts, dat het van veel grooter belang is om te weten, wie
-de kerels zijn, dan hoe ze het hebben aangelegd.”
-
-In dit oogenblik trad een beambte binnen, die een klein pakje bracht,
-dat aan Baxter was geadresseerd.
-
-Baxter nam het pakje in ontvangst en bekeek het poststempel met groote
-opmerkzaamheid.
-
-Hij las den naam Edinburg. Nadenkend draaide hij het pakje heen en
-weer. Het handschrift kwam hem bekend voor, en toch kon hij het niet
-thuis brengen. Eindelijk besloot hij het te openen. In het papier zat
-wederom een papier, dat met een draad stevig was dichtgebonden. Door
-het papier heen voelde Baxter duidelijk zware, ronde voorwerpen.
-Hoofdschuddend sneed hij den draad door en opende het tweede papier.
-
-Toen hij dit gedaan had, ontsnapte hem een kreet van verbazing. Vóór
-hem lagen twee gouden en een zilveren munt.
-
-Baxter schoof de goudstukken ter zijde en vouwde een brief open, die er
-onder lag. Bij het lezen werd zijn gezicht steeds langer en langer. De
-toornader zwol op zijn voorhoofd. Met een zwaren vloek sprong hij
-plotseling op en sloeg met de gebalde vuist zóó heftig op de tafel, dat
-de drie geldstukken omhoog sprongen.
-
-Marholm draaide zich verschrikt om en vroeg:
-
-„Maar mr. Baxter, wat is er gebeurd?”
-
-Deze liep als door een wesp gestoken in het kantoor heen en weer. Zijn
-gelaat gloeide van opwinding:
-
-„Dat is een grenzelooze brutaliteit! Ik geloof, dat ik mijn verstand
-verloren heb!”
-
-„Maar mr. Baxter vertel toch eens!”
-
-„Zoo’n onbeschaamdheid, Marholm. Zóó’n onbeschaamdheid!”
-
-Baxter nam den brief, die bij de geldstukken in het pakje had gezeten
-en las:
-
-
- Den Heer Politie-Inspecteur Baxter, Londen.
-
- Tot mijn groote spijt was ik dikwijls genoodzaakt u allerlei kleine
- teleurstellingen te bereiden.
-
- Heden ben ik zoo gelukkig u daarvoor een weinig schadeloos te
- stellen.
-
- Ik zend u bijgaand twee gouden en een zilveren munt. Dit stelt
- echter niet de schadeloosstelling voor. Ik zou die nooit durven
- aanbieden aan zulk een verdienstelijk beambte!
-
- Maar ik heb een voor u gewichtige ontdekking gedaan! Deze munten
- komen bijna direct uit de werkplaats van de bende valsche munters,
- die op het oogenblik geheel Engeland overstroomt met hun fabricaat.
-
- Ik weet dus, waar die schurken te vinden zijn.
-
- Het spijt mij, u op het oogenblik geen nadere inlichtingen te
- kunnen verstrekken, want ik moet zelf nog in die buurt werkzaam
- zijn.
-
- Ik verzoek u echter, over drie dagen op het postkantoor te Edinburg
- een aan u geadresseerden brief af te halen. Hierin zult gij
- nauwkeurig vinden aangeduid, waar gij de valsche munters te zoeken
- hebt.
-
- Ik hoop, U hiermee een dienst te bewijzen en blijf gaarne
- hoogachtend,
-
- JOHN C. RAFFLES.
-
-
-Baxter was bij het lezen steeds woedender geworden. Marholm daarentegen
-hield zich, bijna stikkende van het lachen, aan de tafel vast.
-
-Vol woede hijgde Baxter:
-
-„Wat beteekent dat domme gelach? Gij moest liever probeeren, dien
-schurk, dien Raffles, onschadelijk te maken.”
-
-„Kalm, kalm, mijn waarde. Gij hebt hem zeker al een dozijn keeren laten
-ontsnappen, al was hij ook nog zoo dicht bij u. Wie kan het mij dan
-kwalijk nemen, dat ik hem niet pak? Het doet mij bijna genoegen, dat de
-man ons voor den gek houdt; hij moet een geestige kerel zijn.”
-
-„Kom, Marholm, ben je nu heelemaal krankzinnig geworden?”
-
-„Waarom? Hij brengt ons immers op het spoor der valsche munters.”
-
-„Daaraan geloof ik nog niet. In elk geval zal ik mij niet aan zijn
-aanwijzing storen, maar dadelijk naar Schotland vertrekken.”
-
-„Ziet gij, dat zou ik niet doen, mr. Baxter. Ik ben ervan overtuigd,
-dat gij niets vindt, als Raffles het niet wil.”
-
-„Je dwepen met Raffles staat mij werkelijk tegen!”
-
-Mopperend ging Baxter aan een schrijftafel zitten, terwijl Marholm,
-vroolijk glimlachend, zijn glas nog eens volschonk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-HET SPOOK.
-
-
-Toen Raffles en Charly het kerkhof te Inverary verlieten, was de
-schemering reeds gevallen. Het gelukte hun daardoor de herberg te
-bereiken, zonder door iemand te worden gezien.
-
-Nadat zij in hun kamer licht hadden aangestoken, begon Lord Lister
-eerst de sporen van het avontuur uit te wisschen. Toen hij zich had
-verkleed en gewasschen, sprak hij, terwijl hij een sigarette aanstak:
-
-„Nu, mijn lieve Charly, moeten wij eens te zamen overleggen, wat er nu
-te doen valt om ons doel te bereiken.”
-
-„Ik verzoek je dringend, Edward, waag je leven niet verder. Je hebt
-vandaag immers gezien, dat men daar voor niets terugdeinst. Laat ons
-vertrekken.”
-
-„Heb je ooit gemerkt, dat ik iets half heb gedaan? Neen. Ik rust niet,
-voordat ik mijn doel heb bereikt. Opdat het niet opvalle, dat wij ons
-zoo weinig laten zien, moet je naar beneden in de eetzaal gaan en daar
-allereerst trachten te weten te komen, wie de familie Webster is, in
-wier grafkelder de geheime gang uitkomt. Ik zal intusschen een beetje
-gaan rusten en erover nadenken, wat ons te doen staat.”
-
-Terwijl Charly zich naar de eetzaal begaf, strekte Lord Lister zich uit
-op een rustbed en gaf zich over aan het genot van zijn sigaretten, die
-hij zoo lang had moeten missen, daar de sigaretten bij het
-onvrijwillige stortbad nat waren geworden.
-
-Hij had misschien een kwartiertje zoo gelegen, toen hij plotseling
-haastig opstond. Hij scheen nu een besluit te hebben genomen. In een
-oogenblik had hij twee brieven geschreven en juist was hij bezig, ze te
-sluiten, toen Charly weer binnentrad.
-
-„Nu, wat heb je voor nieuws?”
-
-„De familie Webster heeft langen tijd hier gewoond. Nu leeft nog alleen
-een zekere John Webster, die bij Lady Ethel de betrekking van
-kamerdienaar bekleedt. Hij is gehuwd en woont op het kasteel met zijn
-vrouw Bessie, die daar portiersdiensten verricht. John Webster laat
-zich bijna nooit in de stad zien. Hij schijnt steeds zeer gesloten en
-schijnt wegens zijn spreekwoordelijke gierigheid weinig bemind te
-zijn.”
-
-John Raffles volgde het bericht van zijn vriend oplettend, zonder hem
-in de rede te vallen. Daarop sprak hij op schertsenden toon:
-
-„Charly, ik geloof, dat ik al kennis met dien John Webster heb gemaakt.
-Het zal zeker die man zijn geweest, die bij de kleine poort op mij
-wachtte en dien ik ook, na den aanval, dien de lady op mij waagde, nog
-even in de kamer zag.
-
-„In ieder geval moet ik terstond handelen, als ik iets wil bereiken.”
-
-Helder en duidelijk zette de Groote Onbekende zijn vriend uiteen, wat
-hij van plan was. Hij liet Charly verscheiden voorwerpen in een kleinen
-handkoffer pakken, terwijl hij zich zelf door schminken, pruik en baard
-onkenbaar maakte.
-
-Toen hij vermomd was, vroeg hij Charly, hoe de vermomming gelukt was.
-
-„Uitstekend, Edward. Ik denk, dat lady Ethel door de gelijkenis
-overdonderd wordt.”
-
-„Dat hoop ik, dan zal ook de gewenschte uitwerking niet uitblijven.
-Laten wij ons nu echter haasten, opdat we het huis kunnen verlaten,
-voordat het gesloten wordt.”
-
-Raffles hulde zich in een langen, zwarten mantel en drukte den hoed
-diep in het gezicht. Ook Charly kleedde zich aldus en beide vrienden
-verlieten het huis, den koffer met de verschillende voorwerpen
-meenemend.— — —
-
-Het was een maanlichte nacht.
-
-Inverary lag in diepe rust en zoo kwamen de vrienden ongezien op het
-kerkhof. Zij liepen hier haastig langs en hadden spoedig het grafgewelf
-bereikt en de poort geopend.
-
-Doffe slagen van een kerktoren verkondigden thans het tiende avonduur.
-
-„Wij moeten ons haasten,” zei Raffles, „als ik heden nog mijn doel wil
-bereiken, want wij hebben minstens een uur noodig, voordat wij mijn
-gevangenis hebben bereikt.”
-
-Spoedig werd nu de zware steen verwijderd, die tot toegang diende en de
-vrienden klommen nu snel naar boven.
-
-Een blik op zijn horloge overtuigde Raffles ervan, dat het een paar
-minuten over elf was, toen zij de ruimte bereikten, die de slechte
-vrouw als zijn graf had aangewezen.
-
-Charly opende den kleinen koffer, dien het tweetal had meegenomen en
-nam er een stevig touw en een touwladder uit. Raffles bevestigde het
-touw aan de dwarsbalk, die den stoot der slede had veroorzaakt. Toen
-bevestigde hij de touwladder hieraan en trok haar naar boven. Charly
-ging met de voeten op het touw staan om het afglijden te verhinderen en
-hield het bovendien nog met beide handen vast.
-
-Nu kon John Raffles makkelijk tot het einde der glijbaan naar boven
-gaan. Boven gekomen bevestigde hij de touwladder, die nu een
-makkelijken toegang bood. Toen onderzocht hij de inrichting der slede.
-Deze was zeer eenvoudig. Een gewicht van ongeveer negentig pond trok de
-slede op de hellende baan steeds naar boven. Als zij echter door een
-zwaarderen last werd bezwaard, moest zij wel naar beneden suizen om
-dan, als de last er weer van was afgenomen, weer naar boven te glijden.
-
-Raffles schoof nu, langzaam naar beneden loopend, het gewicht naar
-boven. Halverwege moest dan de slede hem tegemoetkomen. Toen ging hij
-erop zitten en trok zich aan het touw, dat het gewicht droeg, naar
-boven.
-
-Toen Raffles boven was aangekomen, lichtte hij met de electrische
-zaklantaarn bij het luik, dat, zooals hij wist, naar de vertrekken van
-lady Ethel voerde. Het luik was gemakkelijkste openen.
-
-Hij luisterde. Niets verroerde zich. Raffles haalde een fijne boor te
-voorschijn en maakte een gat, waardoor hij in het vertrek kon kijken.
-
-Hij zag de lady aan tafel zitten. Voor haar stond een ijzeren kistje,
-dat zij geopend had.
-
-Het hoofd in de hand geleund, las zij in eenige papieren.
-
-Er werd aan de kamerdeur geklopt en lady Ethel vroeg:
-
-„Wie is daar?”
-
-Een stem antwoordde:
-
-„Ik ben het, John.”
-
-De lady stond op, ging naar de deur en schoof den grendel terug.
-
-John trad binnen.
-
-„Wat wil je?”
-
-„Lord Arthur verzocht u, een oogenblik bij hem te komen. Hij voelt zich
-niet al te wel.”
-
-„Ik kom dadelijk. Ook ik gevoel mij onwel. Het plotseling verschijnen
-van dien man heeft mij meer opgewonden dan ik dacht. Ja, ja, men wordt
-oud. Mijn droom plaagt mij. Ik kan het denkbeeld niet van mij afzetten,
-John, dat ons huis een ongeluk dreigt. Heb je goed voor alles gezorgd?”
-
-„Mylady kan geheel op mij vertrouwen; hij zal uw rust niet meer
-storen.”
-
-Raffles, die dit tweegesprek hoorde, balde onwillekeurig de vuist bij
-deze woorden.
-
-Lady Ethel vervolgde:
-
-„Ik ben van je trouw overtuigd, maar toch kan ik den angst niet van mij
-afzetten. Ik geloof, dat het beter is, als ik die papieren vernietig.
-Daar juist nog las ik den brief, dien mijn echtgenoot aan Harry had
-geschreven om hem terug te roepen. Ik moest den brief onderscheppen,
-wilde ik niet den ellendeling, dien ik haatte, hier als heer en meester
-zien binnentrekken. Maar laat ik nu naar mijn geliefden zoon Arthur
-gaan.”
-
-Lady Ethel sloot de ijzeren cassette en zette ze weder in de muurkast,
-waaruit zij het apparaat en het poeder had genomen. Toen verliet zij
-met John de kamer.
-
-Raffles wachtte eenigen tijd, of er niet iemand terugkwam. Toen opende
-hij onhoorbaar de klep en glipte de kamer binnen. Hij snelde naar de
-kast, die de lady had opengelaten en maakte met een breekijzer de
-cassette open.
-
-Een perkamentpapier, dat hij reeds in het hotel in orde had gemaakt,
-haalde hij te voorschijn en legde het in de cassette. Toen ging hij
-naar zijn schuilhoek terug.
-
-Hij behoefde daar niet lang te wachten, toen de deur geopend werd en
-lady Ethel, gevolgd door John, de kamer binnentrad. Deze moest de lady,
-die zich nauwelijks op de been kon houden, ondersteunen. Zwaar liet zij
-zich in een leunstoel vallen en zij steunde diep.
-
-„John, wat is dat! Ik geloof, dat mijn einde nadert. Dat angstgevoel!”
-
-„Zal ik een bode naar de stad zenden, om den dokter te halen?”
-
-„Neen, neen. Dat zou maar opzien baren en ik wil niet, dat mijn zoon
-hoort dat ik niet wel ben. Misschien gaat het ook wel weer over. Zeg je
-vrouw, John, dat zij gekleed te bed moet gaan. Als ik haar noodig heb,
-zal ik haar schellen. Ga nu.”
-
-John verdween. Lady Ethel deed het licht uit en ging naar bed.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Van den kerktoren in Inverary weerklonken twaalf slagen door den
-helderen nacht.
-
-Zachtjes werd het luik in den muur van de torenkamer geopend en er kwam
-een gedaante uit, die in een zwarten mantel was gehuld. Grauw haar en
-een grijze baard omlijstten een bleek gelaat, dat als uit steen scheen
-gehouwen.
-
-Geluidloos zweefde de gedaante naar het bed van lady Ethel en boog zich
-heen over de slapende.
-
-De lady scheen door zware droomen te worden gepijnigd, want een zacht
-steunen ontsnapte haar lippen. Plotseling vloog zij met een kreet van
-schrik overeind en staarde met wijd opengesperde oogen naar de
-gedaante, die aan haar bed stond.
-
-Spookachtig viel het maanlicht door de vensterruiten en op het gelaat
-van den man.
-
-In starre ontzetting keek lady Ethel naar de onbeweeglijke gedaante.
-
-„Henry, jij? Kom je om mij te halen?” kwam het steunend van haar
-lippen.
-
-Onbeweeglijk, als een marmeren beeld, stond de gestalte. Zelfs de
-lippen schenen zich niet te bewegen, toen het met doffen graftoon aan
-het oor der lady klonk:
-
-„Ja. Ik ben Henry. Uw uren zijn geteld. Ik kom om u te waarschuwen. Ge
-hebt een zware schuld te boeten. Doe het terstond! Anders is het te
-laat en zijt ge vervloekt! In uw cassette zult ge een schrijven vinden,
-dat uw schuldbekentenis bevat. Zet er uw handteekening onder. Spoedig!
-Ge hebt niet veel tijd! Anders wee u, wee u, wee u!”
-
-Langzaam achteruit gaande, verdween de gestalte achter de gordijnen van
-het ledikant.
-
-Lady Ethel Had in namelooze ontzetting neergelegen. Thans nu de
-verschijning verdwenen was, verdween de beklemming. Zij vloog overeind
-en drukte op den knop van de electrische schel, die boven haar bed was
-aangebracht.
-
-Half opgericht riep zij uit:
-
-„Bessie! Bessie! John!”
-
-Eenige minuten later werd de deur geopend en de portierster Bessie
-rende de kamer binnen, gevolgd door haar man, John Webster.
-
-De lady was op het bed neergezonken. Haar adem was zwaar.
-
-Bessie liep naar het bed harer gebiedster:
-
-„Wat scheelt mevrouw?”
-
-„Daar, daar! Het spook! Zoek, zoek!”
-
-John, die het bijgeloof en den angst voor spoken van zijn meesteres
-kende, hechtte niet veel waarde aan deze kreten en sprak:
-
-„Mevrouw heeft gedroomd. Wil mevrouw een poeder nemen?”
-
-Lady Ethel knikte zwijgend. Bessie had snel een poeder in een glas
-water geschud en bood dit haar meesteres aan.
-
-Zij dronk een weinig en sprak daarna op doffen toon:
-
-„De geest van mijn echtgenoot, van Lord Henry, was hier! Zoekt!”
-
-John haalde de schouders op en keek in het vertrek rond. Er was niets
-te zien. Plotseling riep de lady uit:
-
-„De cassette, geef mij de cassette!”
-
-John gehoorzaamde. De lady had met koortsachtige haast het slot
-geopend. Bovenop lag een vel perkament. Zij wierp er een blik op en
-zonk met een diepen zucht in de kussens.
-
-De inhoud bewees haar, dat dit werkelijk de bekentenis was, die zij
-volgens den wil van het spook moest onderteekenen. In haar
-bijgeloovigen angst was zij er nu vast van overtuigd, dat die
-verschijning werkelijk de geest van den gestorven Lord was geweest.
-
-„Inkt! Een pen!” hijgde zij.
-
-Toen men haar het verlangde had gebracht, zette zij haar naam met een
-laatste krachtsinspanning onder het document, legde het op zijn plaats
-en wierp het deksel der cassette dicht.
-
-Bessie nam het zware ijzeren kistje van het ziekbed en zette het op
-tafel. Toen zij zich over haar meesteres neerboog, hoorde zij haar
-onregelmatige ademhaling. De lippen der lady waren blauw en koud.
-
-Plotseling richtte deze zich op en riep angstig uit:
-
-„Ik weet het, de dooden staan weer op. Ik kom, Henry, ik kom!”
-
-Met de hand op het hart gedrukt, zonk zij weer achterover en een zacht
-gerochel klonk van de lippen der stervende.
-
-„Snel, John, wek lord Arthur. Het loopt af!” drong Bessie. „Ik zal
-dadelijk naar lady Mabel gaan. Wij mogen geen tijd verliezen!”
-
-Bessie en John verlieten snel de kamer.
-
-In dit oogenblik werd het luik in den muur weer geopend en Raffles, die
-zijn vermomming had afgelegd, werd zichtbaar.
-
-Snel naderde hij de tafel en greep de cassette.
-
-Lady Ethel sloeg nog eenmaal de oogen op. Toen zij Raffles zag in het
-zwakke licht, kwam het haar voor, alsof de geest van haar stiefzoon,
-dien zij door verdrinken aan den dood had opgeofferd, was verschenen en
-met een afschuwelijken kreet viel zij in de kussens achterover.
-
-Raffles wierp nog een langen blik op de doode, daarop mompelde hij:
-
-„Dit is het beste! Nu zijt gij aan den aardschen rechter ontkomen!”
-
-Daarop verdween hij met de cassette in de donkere gang.
-
-De slede, door zijn bekwame hand bestuurd, bracht hem snel en zeker
-naar de plek, waar Charly hem wachtte.
-
-De groote onbekende opende daar de cassette en nam er de papieren uit,
-die zoo gewichtig waren voor den echten Harry Danby. Ook de brief van
-den vader aan Harry werd gevonden. Raffles liet den verderen inhoud der
-cassette onaangeroerd.
-
-Hoewel de zending nu vervuld was, voelde hij zich toch niet innig
-verblijd. De plotselinge dood der lady drukte op hem.
-
-De beide vrienden verlieten de geheime gang en waren spoedig weer in
-hun hotel in Inverary aangekomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DE VALSCHE MUNTERS.
-
-
-Inspecteur Baxter had van zijn chef in Londen verlof gekregen om naar
-Edinburg te reizen, teneinde de valsche munters op het spoor te komen
-en zoo mogelijk den onvindbaren Raffles bij deze gelegenheid te pakken
-te krijgen.
-
-Detective Marholm, met wien Baxter in de meeste gevallen samenwerkte,
-was hem als hulp meegegeven.
-
-Het politiebureau van Scotland Yard had zich in verbinding gesteld met
-de chefs van politie in Edinburg door middel van uitvoerige telegrammen
-en deze stelde een inspecteur en tien agenten ter beschikking, zoodat
-Baxter twaalf man tot zijn dienst had.
-
-De groote Engelsche en Schotsche couranten, vooral echter de Londensche
-bladen, meldden in lange berichten, dat de beroemde inspecteur Baxter
-bezig was, de groote bende valsche munters te ontmaskeren.
-Onomstootelijke bewijzen omtrent de herkomst van het valsche geld waren
-in handen der politie.
-
-Het was Baxter ook reeds gelukt, door zijn groote slimheid vast te
-stellen, dat de valsche munters niet in Londen te vinden waren. Nadere
-mededeelingen werden echter nog geheim gehouden. De geheele pers was
-het er echter over eens, dat Baxter de grootste lof toekwam.
-
-Hoewel de inspecteur wist, dat deze lof hem eigenlijk niet toekwam, was
-hij toch niet weinig trotsch, weer het middelpunt van de algemeene
-belangstelling te zijn.
-
-Op de gemeenschappelijke reis der beide beambten naar Edinburg sprak
-Marholm herhaaldelijk als zijn meening uit, dat de reis doelloos zou
-zijn. Hij bleef bij zijn eenmaal opgevatte meening, dat zij hoewel hun
-bekend was, uit welke streek de valsche munters kwamen, niets zouden
-vinden, als Raffles zijn woord niet hield en hun verder den weg wees.
-
-Baxter daarentegen was er vast van overtuigd, dat het hem met zijn
-groote scherpzinnigheid wel moest gelukken, het goede spoor te vinden.
-Voor de woorden van Marholm had hij slechts een minachtend
-schouderophalen over.
-
-„Beste Marholm, ik ben ervan overtuigd, dat wij binnen de 24 uur de
-bende in handen hebben.
-
-„En even zeker ben ik ervan, dat deze schurk Raffles mij niet weer zal
-ontsnappen. De kerel behoort zeker zelf tot de valsche munters en wij
-zullen hem met het geheele gezelschap pakken. Dacht je werkelijk, dat
-ik zoo dom was, te zullen wachten totdat hij zich eerst in veiligheid
-heeft gebracht?”
-
-„Ik geloof niet dat Raffles iets te maken heeft met de valsche
-munters.”
-
-„Maar wat is er dan? Welke nieuwe streek haalt hij dan weer uit?”
-
-„Mr. Baxter, ik geloof, dat ge veel te verwoed zijt tegenover Raffles,
-omdat hij tot nog toe door uw vingers is geglipt.”
-
-Opgewonden viel Baxter hem in de rede:
-
-„En uw voorliefde voor den „genialen dief,” zooals ge hem noemt, heeft
-je al heelemaal verblind!”
-
-„Wind u toch niet zoo op, inspecteur. Bedenk toch, dat John Raffles bij
-al z’n streken steeds de gentleman is gebleven. Hij heeft nog nooit een
-gemeene streek uitgehaald. Hij heeft alleen steeds andere boeven
-gestraft en het grootste deel van dat, wat hij dien lieden afhandig
-maakte, aan armen en behoeftigen besteed. Raffles zal nooit een valsche
-munter worden. Hij begaat slechts misdaden om anderen te wreken en de
-armen te helpen; hij is op en d’op een gentleman”.
-
-„Je bent gek,” bromde Baxter en hij ging in een hoek zitten.
-
-Al spoedig echter zou Baxter bespeuren, dat Marholm gelijk had. Hij
-trachtte in Edinburg iets te ontdekken, maar alle moeite was
-tevergeefsch.
-
-Alle spelonken en holen werden afgezocht; alle postkantoren werden
-streng bewaakt, daar men meende, op deze manier den man te kunnen
-arresteeren, die den brief, aan Baxter geadresseerd, zou bezorgen.
-
-Maar alles bleef zonder eenig resultaat.
-
-De opwinding van Baxter had het toppunt bereikt.
-
-Zoodra hij in Marholms buurt kwam, werd hij zenuwachtig, want het kwam
-hem voor, dat diens gelaat voortdurend een spotachtigen trek vertoonde.
-
-Daar alle nasporingen tevergeefsch waren, besloot Baxter den namiddag
-van den derden dag onafgebroken op het station te blijven.
-
-Het werd al later en later. De door Raffles aangekondigde brief kwam
-niet. In zenuwachtige onrust keek Baxter rond. Marholm zat behaaglijk
-in een stoel aan het venster en keek de straat langs.
-
-Telkens als Baxter langs Marholm liep, trof dezen een blik vol woede.
-Baxter was inderdaad boos op Marholm, omdat deze daar zoo kalm zat,
-alsof de heele zaak hem niets aanging, terwijl hij zelf bijna berstte
-van innerlijke woede.
-
-Eindelijk kon hij zich niet langer inhouden en zei:
-
-„Ik begrijp niet, hoe iemand zoo onverschillig kan zijn.”
-
-Glimlachend wendde zich Marholm tot hem en antwoordde:
-
-„Maar beste vriend, waarvoor zou ik me zoo opwinden? Raffles zal ons
-den rechten weg wel wijzen, zoo gauw als de tijd daarvoor is gekomen.”
-
-„Je schijnt niet te weten, dat het al elf uur in den avond is en dat er
-nog steeds geen boodschap is gekomen. De schurk heeft ons voor den mal
-gehouden en mij haar Schotland gelokt. Wie weet, wat er intusschen in
-Londen gebeurt. Hij is bang voor mij en wilde mij daarom uit de stad
-weg hebben.”
-
-Marholm glimlachte boosaardig.
-
-„Wel, Baxter, eerlijk gezegd heb ik nooit iets gemerkt van eenige vrees
-van Raffles voor u. Vertrouw er echter gerust op, dat wij bericht
-hebben, voordat de derde dag is verstreken. De man is edelman en houdt
-zijn woord zeker.”
-
-Baxter wilde opnieuw opstuiven, toen een beambte binnentrad en den
-inspecteur een brief overhandigde.
-
-Deze brief was met den juist binnengeloopen laatsten trein uit Oban
-aangekomen en toonde het poststempel van Inverary, de hoofdstad van het
-graafschap Argyll.
-
-„Ziet ge, Baxter, dat ik gelijk heb,” riep Marholm goedmoedig lachend
-uit.
-
-De inspecteur antwoordde niets.
-
-Hij opende den brief en las:
-
-
- Mijn waarde Heer Baxter!
-
- Het spijt mij dat ge, naar ik gehoord heb u zooveel onnoodige
- moeite heb veroorzaakt. Ik had u toch geschreven, dat ge voor het
- einde van den derden dag niets zoudt hooren!
-
- Dezen brief zend ik met den laatsten trein uit Oban. Dit is noodig,
- omdat ge anders in uw overgrooten ijver hier eerder zoudt
- verschijnen, dan ik u kan veroorloven, daar ge eerst morgenochtend
- om acht uur ter plaatse kunt zijn.
-
- Neem den eersten trein uit Edinburg en rijd tot Dalmally. Vandaar
- met een extra postkar door het gebergte, totdat ge aan den
- straatweg komt, die van den Branderpas bijna rechtaan loopt op het
- kasteel Eaglestone. Aan de kleine poort van het kasteel zal een
- oude, doove dienaar op u wachten, die u naar het hol van de valsche
- munters zal brengen. Neem een flink getal beambten mee. Maak echter
- vooral geen lawaai; daar dan niemand van uw mannen zijn leven zeker
- is. De oude dienaar, die helaas, zooals gezegd, volkomen doof is,
- zal u zeker geleiden.
-
- Ik hoop, u morgenavond zelf te zien en te spreken en hoop door deze
- aanwijzing op uw welwillendheid te kunnen rekenen.
-
- Met verschuldigde hoogachting,
-
- JOHN C. RAFFLES.
-
-
-Baxter was bleek geworden, toen hij den brief las.
-
-Hij reikte hem Marholm en zei:
-
-„Die brutaliteit stijgt ten top. De kerel wil mij niet alleen zien,
-maar spreken ook. Hij denkt zeker, mij ook nog te kunnen ontsnappen.
-Wacht maar, kereltje! Ditmaal heb ik je zoo zeker als dat je reeds
-achter de ijzeren tralies zit!”
-
-Marholm antwoordde niets en schudde alleen eens heel bedenkelijk het
-hoofd.
-
-
-
-Daar er geen andere verbinding van uit Edinburg was, moest Baxter er
-wel toe overgaan de aanwijzing te volgen, die Raffles hem had gegeven.
-
-Op zijn verzoek waren de beambten mee naar Dalmally gegaan. Daar werd
-het personeel nog met drie man verstrekt, zoodat Baxter nu het bevel
-voerde over 15 man.
-
-Om half negen des avonds kwam de expeditie aan de kleine rotspoort.
-
-Baxter was de eerste, die de poort bereikte. Toen hij de hand op de
-klink wilde leggen, ging de deur open en in de donkere opening
-verscheen een stokoude, witharige man. Hij was gekleed in een wijden,
-kaftanachtigen rok en een witte, wollige baard hing hem over de borst.
-De oogen waren achter een grooten, blauwen bril verborgen.
-
-Baxter, vroeg terstond:
-
-„Waar is Raffles?”
-
-De oude keek hem een oogenblik strak aan; toen zeide hij, zich op
-vertrouwelijke wijze tot Baxter overbuigend:
-
-„Lepels? Neen, ze maken geld.”
-
-„Ik vraag, waar lord Lister is.”
-
-„Ja”, knikte de oude vriendelijk, „het zijn beesten.”
-
-„Wil je me voor den gek houden?” riep Baxter boos uit.
-
-Nu waren Marholm en de overige beambten genaderd, die tot Baxter zei:
-
-„Kalm, kalm, inspecteur. Ge hebt toch gelezen, dat de oude doof is.”
-
-De oude had met ingespannen aandacht de woorden van Marholm’s lippen
-gelezen en zei met een vriendelijken hoofdknik:
-
-„Of het diefstal is? Natuurlijk is alles gestolen. Ga nu mee, heeren,
-ik zal u geleiden.”
-
-Toen alle beambten in de donkere gang waren, sloot de oude man de
-straatdeur zorgvuldig. Baxter, Marholm en nog eenige beambten hadden
-dadelijk eenige electrische zaklantaarns laten ontvlammen om vast te
-stellen, waar ze waren en om zich, zoo noodig, bij een mogelijken
-aanval te verdedigen.
-
-Het was helder als de dag in de gang.
-
-De oude scheen te gelooven, dat de beambten hem wilden bijlichten en
-met een piepstem zei hij:
-
-„Dank u wel, heeren, dank u vriendelijk. Ik zie al genoeg.”
-
-Langzaam op een stok geleund, ging de grijsaard op weg.
-
-Baxter zou in zijn ongeduld graag zoo vlug mogelijk zijn
-vooruitgeloopen maar de grijsaard strompelde slechts met kleine pasjes
-voorwaarts, zoodat Baxter zijn ongeduld moest beheerschen.
-
-Geluidloos trok de kleine groep door verscheiden gangen verder.
-
-Voor een zware, met ijzer beslagen deur bleef de oude staan en zei z’n
-stem tot fluisteren latende dalen:
-
-„Gaat nu naar beneden, heeren, heel zachtjes, heel zachtjes.”
-
-Hij opende de deur en de beambten zagen een smalle wenteltrap, die in
-de rotsen uitgehouwen, in een gruwelijke diepte voerde.
-
-De zenuwen der beambten waren tot op het uiterste gespannen. Ieder had
-zijn brandende electrische zaklantaarn in den gordel hangen, den
-politiestok in de rechterhand, in de linker het geladen pistool. Zoo
-trok de stoet, door den grijsaard geleid, naar de diepte.
-
-Onwillekeurig telde ieder de treden, die men neerdaalde. Het waren er
-235. Toen de trap was afgedaald bevond men zich in een kleine ruimte,
-die echter groot genoeg was om plaats te bieden voor acht personen.
-
-De grijsaard had herhaaldelijk den vinger op den mond gelegd, ten
-teeken, dat niemand mocht spreken. Nu wees hij met stom gebaar voor een
-deur in den rechterhoek van de kleine ruimte en duidde door teekens
-aan, dat de beambten deze deur moesten openen.
-
-Uit de daarachter gelegen ruimte hoorde men een stampend, steunend
-geluid. Af en toe konden de luisterenden iets verstaan. Baxter, die den
-oude steeds op den voet was gevolgd, beduidde door een teeken den
-beambten, hoe zij zich moesten opstellen. Toen ging hij naar de deur,
-legde zijn hand zwaar op de klink en stiet de deur, die niet gesloten
-was, met één ruk open.
-
-De beambten, die naast hem stonden, drongen terstond de ruimte binnen,
-terwijl de achtersten zich haastten om te naderen.
-
-Men zag hier een tamelijk groote, onderaardsche ruimte, die in de
-rotsen was uitgehouden. In een haard die naar boven een rookuitgang
-scheen te hebben, brandde een reusachtig vuur. Rondom stonden vele
-machines en op de tafel allerlei vormen met metaal en daarnaast
-stapeltjes gemunt goud en zilver.
-
-Toen de politiemannen zoo plotseling binnendrongen, waren drie mannen
-druk aan den arbeid. Door het stampen der machines hadden zij in het
-eerste oogenblik het openen der deur niet gehoord.
-
-De eerste, die het gevaar bemerkte, was de oude dienaar van lady Ethel,
-John Webster, die juist een pan met gesmolten zilver van het vuur wilde
-nemen.
-
-„Verraad!” schreeuwde hij met luider stemme en terzelfdertijd gooide
-hij een pan vol gloeiend metaal naar een der politiebeambten, die het
-meest op den voorgrond waren gedrongen.
-
-Hoogop spatte het metaal, dat de beenen van den ongelukkige trof, die
-van pijn brulde als een dier en toen neerzonk.
-
-In hetzelfde oogenblik, dat Webster deze daad verrichtte, had Baxter
-zijn pistool afgedrukt en John stortte, midden in het hoofd getroffen,
-ruggelings in het haardvuur.
-
-Toen de andere beambten Websters daad zagen, weerklonk een schreeuw van
-woede. In een oogenblik hadden zij zich op de andere valsche munters
-gestort en deze gebonden.
-
-Websters lijk was van den haard gegleden. Zijn kleeren hadden vuur
-gevat. Een deel der beambten was bezig, den beginnenden brand te
-blusschen, die voor allen gewisse dood beteekende.
-
-De grijsaard, die de politiemannen zoo zeker had geleid, ging nu naar
-Baxter en vroeg:
-
-„Is deze brief voor u, waarde heer? Zijt gij mr. Baxter?”
-
-Baxter knikte, nam een brief uit de hand van den oude en deed dezen
-open.
-
-Hij las de volgende regels:
-
-
- Heer politie-inspecteur!
-
- Ik heb mijn woord gehouden. Ge hebt het hol met de valsche munters
- gevonden en bovendien heb ik het genoegen gesmaakt u te kunnen
- zien, en spreken, want ik zelf heb u geleid.
-
- JOHN C. RAFFLES.
-
-
-Baxter’s gelaat werd vertrokken van machtelooze woede. De schellen
-vielen van zijn oogen. Nu wist hij, wie de oude, doove dienaar was
-geweest. Hij keek naar hem om—de oude was verdwenen.
-
-Daar zag hij plotseling, vlak naast den haard, een kleine deur open
-staan, die hij tevoren niet had gezien. Hij begreep dadelijk, dat
-Raffles hierdoor verdwenen was. Met een enkelen sprong was hij
-verdwenen. Hij zag, dat de deur naar een lage gang voerde.
-
-Kort besloten beval hij:
-
-„Vijf man blijven hier voor de gewonden, de gevangenen en om den brand
-te blusschen, de anderen volgen mij!”
-
-In groote haast werd zijn bevel opgevolgd.
-
-Zonder om te zien, ging Baxter voorwaarts in de gang, die, zooals wij
-uit het eerste avontuur van Raffles weten, zich verderop in tweeën
-vertakte.
-
-Na enkele ogenblikken stond Baxter aan het kruispunt.
-
-Waar moest hij nu heen?
-
-Intusschen waren de andere beambten hem gevolgd. Hij besloot, dat de
-helft den weg moest volgen, die naar de rotsholte voerde, waarin
-Raffles door den verdrinkingsdood was bedreigd.
-
-Baxter zelf volgde met eenige andere beambten de gang, die naar het
-graf op het kerkhof te Inverary voerde.
-
-Daar deze gang zeer steil was, konden de beambten slechts langzaam
-voorwaarts gaan. Ongeveer duizend schreden verder struikelde Baxter
-plotseling over een hinderpaal. Toen de beambten met hun electrische
-zaklantaarns bijlichtten, zagen zij Baxter languit op den grond liggen.
-Onder hem lag, zooals het scheen, een oude man. Met beide handen greep
-Baxter naar het hoofd om dit op te richten, maar hij hield slechts het
-witte haar in de hand, een grijze pruik, een valschen baard en een
-leege jas.
-
-Met een schreeuw van woede slingerde Baxter de pruik in den hoek.
-
-„Alweer ontsnapt!” klonk van zijn lippen.
-
-Marholm, die hem op den voet gevolgd was, kon niet nalaten in een
-schaterlach uit te barsten.
-
-Maar inspecteur Baxter liet zich niet ontmoedigen. Vlug sprong hij op
-en snelde verder de gang door.
-
-De beambten volgden hem en weldra was het einde van de gang bereikt.
-Maar daar stonden de vervolgers voor nieuwe hinderpalen.
-
-Hoe vlug Raffles ook met zijn vriend Charly was weggevlucht, had hij
-toch niet verzuimd den uitgang van de geheime gang naar het familiegraf
-stevig af te sluiten.
-
-Op zeker oogenblik wisten de beambten dan ook niet, waar ze heen
-moesten.
-
-Radeloos stonden allen voor den muur en belichtten de vochtige steenen
-met hun lantaarns en fakkels.
-
-„De schurk kan toch niet van de aarde zijn verdwenen,” beweerde Baxter,
-„hier moet dus ergens een uitweg zijn.”
-
-„Zou Raffles ons niet in een val hebben gelokt en langs een anderen
-uitweg zijn verdwenen?” vroeg Marholm.
-
-Woedend wendde Baxter zich tot hem. Zijn oogen schoten vonken.
-
-De beambten gingen nu overal zoeken en met hun lantaarns lichtten zij
-de muren af. Ten slotte ging Baxter plat op den grond liggen en klopte
-overal tegen den muur.
-
-Zijn pogingen werden ten slotte met goed gevolg bekroond, maar daar de
-inspecteur te groote kracht had aangewend, suisde niet alleen de groote
-steen met kracht naar beneden, maar ook de inspecteur gleed door het
-gat.
-
-Hij stiet een luiden kreet uit en trachtte zich met de handen vast te
-houden. Dit gelukte hem echter niet en met een luiden smak sloeg zijn
-lichaam neer op de doodkist.
-
-Het hout kon dien stoot niet weerstaan en barstte krakend uit elkander.
-
-Baxter was niet zoo heel gauw bang, maar toen hij de doodkist uit
-elkaar zag splinteren, schreeuwde hij het toch uit, want hij dacht op
-een lijk te liggen.
-
-Groot was daarom zijn verbazing, toen er geen menschelijke beenderen,
-zooals hij dat verwacht had, maar glinsterende gouden en zilveren
-munten door de ruimte vlogen.
-
-Snel was hij van zijn verbazing bekomen en had hij zich weer opgericht
-uit zijn benarde positie. Hij riep den anderen beambten toe, hem zoodra
-mogelijk te volgen.
-
-Dat ging goed tot dat de dikke Marholm aan de beurt kwam. Deze kwam
-nauwelijks met zijn beenen door de opening, maar zijn dikke buik kon
-niet door de opening.
-
-Zoo bleef er niets over dan dat de kameraden met veel inspanning het
-zware lichaam weer naar boven schoven.
-
-„En zoo iemand wil detective zijn!” bromde Baxter, „ik heb wel altijd
-gezegd, dat de man onbruikbaar is.”
-
-Al spoedig echter bleek, dat Marholm dit verstand rijkelijk bezat, wat
-hem ontbrak aan lichamelijke geschiktheid. Hij ontdekte de geheime
-inrichting van den uitgang en nu ging de groote steen los, die
-feitelijk als toegang diende.
-
-Baxter hield zich niet lang bezig met het onderzoeken van de
-geheimzinnige doodkist, maar spoedde zich naar de stad.
-
-Het duurde niet lang of de politiemannen wisten, dat de gezochte
-logeerde in het hotel „De Koningin van Schotland”. Men spoedde zich
-terstond daarheen, maar moest daar vernemen, dat de Groote Onbekende
-reeds met zijn geleider vertrokken was.
-
-Baxter telegrafeerde terstond naar het spoorwegstation van Oban.
-
-Vele uren van angstige spanning volgden thans voor den inspecteur en
-ten slotte kwam uit Oban het bericht, dat men den gezochte niet had
-gevonden.
-
-Al kon Baxter ook tot zijn groote teleurstelling den gentleman-dief
-niet vatten, toch troostte hem de lof der Engelsche pers, dat het hem
-gelukt was, zoo spoedig de bende valsche munters te arresteeren.
-
-Uit het verhoor der beide overlevende valsche munters bleek dat lady
-Ethel, die door haar spoedigen dood de aardsche straf was ontgaan, de
-beschermster was geweest van een internationale bende dieven en valsche
-munters.
-
-En tevens bleek, dat lady Mabel, de echtgenoote van lord Arthur, alles
-had geweten van het werken van haar schoonmoeder en deze zelfs in haar
-misdadige onderneming had gesteund.
-
-De vrouwen hadden zich in de ontoegankelijke rotsholte veilig gewaand;
-toen het onheil zoo snel naderde, werd de mooie Mabel aangegrepen door
-grenzelooze vertwijfeling. Lady Ethel had het tijdelijke met het
-eeuwige verwisseld.
-
-Met haar echtgenoot leefde Mabel als steeds in onmin, daar het nobele,
-oprechte karakter van lord Arthur in lijnrechten strijd was met het
-wraakzuchtige gemoed van zijn vrouw.
-
-Wien moest zij dus om raad en daad vragen?
-
-Zij wist, dat haar het tuchthuis wachtte en die schande wilde zij niet
-overleven.
-
-Zij greep dus naar het laatste middel, dat haar overbleef en
-vergiftigde zich.—
-
-Lord Lister was natuurlijk niet naar Londen teruggekeerd, daar hij de
-vervolgingen der politie vreesde. Hij zond van uit Leith (havenplaats
-van Edinburg) aan den echten Harry Danby een brief met alle documenten
-en een groote geldsom en deelde daarin mede, dat hij van plan was, voor
-eenigen tijd uit Engeland te verdwijnen.
-
-
-
-Harry had nog steeds getwijfeld aan de goede gevolgen der onderneming
-en hij kon dan ook ternauwernood zijn oogen gelooven, toen hij
-tenslotte de documenten in handen hield, die hem zijn goeden, eerlijken
-naam teruggaven niet alleen, maar die hem ook maakten tot een rijk
-erfgenaam.
-
-Tranen van vreugde rolden den armen, zwaarbeproefden jongen langs de
-wangen en in oprechte dankbaarheid dacht hij steeds aan lord Lister,
-die op zoo onbaatzuchtige, edelmoedige wijze voor de zooveelste maal
-een verworpeling der maatschappij, een schandelijk miskend en
-onschuldig persoon wederom in zijn rechten had doen treden, waarop hij
-door geboorte de volle aanspraak had.
-
-En daar Harry thans kon bewijzen, dat de smet, de blaam, die vele
-tientallen van jaren op hem had gekleefd en zijn leven had vergald, ten
-onrechte op hem gerust had, maakte hij zich zoodra mogelijk op naar
-Eaglestone.
-
-Arthur ontving zijn stiefbroeder met open armen. Deze ongelukkige man
-was in korten tijd van bloeiend, levenskrachtig mensch tot gebogen
-grijsaard bijna geworden, want loodzwaar drukte op hem het onrecht
-gepleegd door zijn moeder en vrouw.
-
-Hij geloofde, die vreeselijke schande niet te kunnen overleven en greep
-in wanhoop naar de revolver.
-
-Gelukkig kwam Harry nog tijdig genoeg tusschenbeiden om de volvoering
-van dit vreeselijke plan te kunnen beletten.
-
-Hij had buiten, in de groote, wijde wereld wel ervaren, dat de
-zoogenaamde „eer” niet wordt behouden, doordat men achteloos met het
-leven speelt, waarin nog zooveel is goed te maken.
-
-En door langdurige redeneering wist hij ook Arthur tot deze
-levensbeschouwing over te halen.
-
-Door het groote proces, dat tegen de valsche munters was gevoerd, was
-het den broeders onmogelijk geworden, in Engeland te blijven.
-
-Arthur sloot zich gaarne aan bij Harry en toen deze voorstelde om naar
-Australië te vertrekken en daar een groote boerderij te vestigen,
-volgde hij hem met dankbaarheid.
-
-De vele kennis, die Harry had opgedaan in den moeilijksten tijd van
-zijn leven, toen hij te kampen had gehad met zorgen, zou den broeders
-in het verre werelddeel van zeer veel nut zijn.
-
-Arthur had alle allures van edelman heel spoedig afgelegd en was,
-eveneens zijn stiefbroeder, een echte boer geworden
-
-Toen het den broeders gelukt was, het kasteel Eaglestone te verkoopen
-voor goeden prijs, werd het geld besteed ter vergrooting der boerderij.
-
-Zoozeer Harry vroeger door het ongeluk was achtervolgd, zoo rijkelijk
-bloeide thans het geluk voor hem op. Het was, alsof een zware berg van
-hem was gewenteld, die vroeger als ’t ware al zijn werkkracht had
-verlamd.
-
-Ook voor Arthur verdween mettertijd de herinnering aan de zware slagen,
-die hem eens waren toegebracht door moeder en echtgenoote. Hij wijdde
-zich geheel en al aan zijn beroep. Den adellijken naam evenals den
-titel had hij afgelegd en, als zijn broeder, noemde hij zich eenvoudig
-Arthur Leyden.
-
-De boerderij bloeide prachtig en de producten van de bezittingen der
-gebroeders Leyden worden thans op de wereldmarkt op hooge waarde
-geschat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0019: DE
-ERFENIS VAN EAGLESTONE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase “Project
-Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg™ License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg™ electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
-Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
-on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
-phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
-Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg™.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg™ License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
-other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg™ website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
-Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
-provided that:
-
-• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.”
-
-• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
- works.
-
-• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-• You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg™ works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
-of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™
-
-Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg™ and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg™,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.