diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-25 08:13:18 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-25 08:13:18 -0800 |
| commit | 860067f7f91c6b15c718a7130b031b03ffd631b2 (patch) | |
| tree | 017aed9747910c6cbe15742855a4551fe9525a91 /old/69680-0.txt | |
| parent | b23d34392432b514410e04523ec67a29441625da (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/69680-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69680-0.txt | 2786 |
1 files changed, 0 insertions, 2786 deletions
diff --git a/old/69680-0.txt b/old/69680-0.txt deleted file mode 100644 index 55e1d4f..0000000 --- a/old/69680-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2786 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0018: Het geheim van -de verminkte kinderen, by Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen - -Authors: Kurt Matull - Theo Blakensee - -Release Date: January 1, 2023 [eBook #69680] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0018: HET -GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN *** - - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 18 HET GEHEIM DER VERMINKTE KINDEREN. - - - - - - - - -HET GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN. - -EERSTE HOOFDSTUK. - -DE MISLUKTE INBRAAK. - - -„Ik zou wel eens willen weten,” zei lord Lister tegen zijn vriend -Charly Brand, „waar de millioenen van den heer Pigott vandaan komen. Ik -herinner mij niet, dat de man ooit de een of andere zaak heeft -gedreven. Ook hoorde ik nooit, dat hij uit Indië of Afrika een rijke -erfenis heeft gekregen. Hij komt niet aan de Beurs, is ongetrouwd en -heeft in de tien jaren, dat ik hem ken, niets anders uitgevoerd dan -goed te eten, te drinken en te wonen. De een of andere sport of andere -bezigheid, waarmee hij z’n tijd doodt, kent hij niet. Ik moet dat -geheim toch zien te doorgronden.” - -Lord Lister zat, terwijl hij deze woorden sprak, in een makkelijken -fauteuil voor den schoorsteen van zijn huis in Londen. - -In deze woning bracht John Raffles, de Groote Onbekende, zijn vacantie -door. Hij had het huis gestoffeerd met allerlei kunstschatten uit vele -landen en er was wellicht geen tweede persoon te vinden, wiens woning -zoo weelderig was ingericht als die van lord Lister. - -De vensters aan den voorkant der straat van Regent-Park waren dicht -gesloten en alleen het gedeelte waar onder in het gebouw de oude -vertrouwde bediende woonde, toonde aan, dat het huis bewoond was. - -Aan den achterkant lag een klein, keurig aangelegd park en hier waren -alle vensters geopend om de milde winterlucht te laten binnenkomen. Van -af het balkon kon Raffles de villa van Pigott zien; het huis schemerde -ter linkerzijde door de boomen. - -Charly Brand, de secretaris van lord Lister, had zijn lectuur gestaakt -en opmerkzaam geluisterd naar wat hem zijn vriend en meester vertelde. -Hij keek eens naar het huis en antwoordde: - -„Ik geloof, Edward, dat de meeste menschen, die hier in Regent-Park in -vorstelijke woningen huizen, hun vermogen op vreemde wijze verworven -hebben.” - -„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles. „Maar deze Pigott boezemt mij -bijzonder veel belang in; ik zal hem daarom eens een bezoek gaan -brengen, want ik kan mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, ’t Is -nu vijf uur, we zullen nog een uurtje wachten, en zoodra het heelemaal -donker is, eens de woning van den millionnair wat nader gaan -beschouwen.” - -Het liep tegen zeven uur, toen Raffles op weg toog met Charly Brand. -Beiden waren hoogst eenvoudig gekleed, terwijl ze hun gelaat vermomd -hadden. Zonder de minste moeite sprongen ze over het hek, dat het -grondgebied van Pigott scheidde van dat van Raffles. - -Ook de villa van Pigott lag in een parkachtig aangelegden tuin, die -echter dubbel zoo groot was als de tuin van Raffles. Voorzichtig slopen -zij door de bosschages, terwijl de Groote Onbekende naar alle kanten -loerde. Een breede trap leidde uit het park naar een groote veranda, -die gedeeltelijk door een marquise gesloten was. Daardoor kon John -Raffles niet zien of er zich iemand in de serre bevond. Een oogenblik -bleef het tweetal staan, en dat was heel verstandig, want een bediende -kwam de serre binnen en zette een schemerlamp met rose zijden kap op -een tafeltje neer, waarna hij weer heenging. Uit het huis weerklonken -stemmen, doch niemand verscheen. - -Bijna twee uur lagen Raffles en Charly Brand op de loer, totdat de -bediende weer kwam en de lamp meenam. Ergens in de buurt sloeg een klok -tien uur en de villa was nu in volledige duisternis gehuld. - -„Vooruit,” fluisterde John Raffles, „laat ons nu de veranda -binnensluipen.” - -Als katten kropen zij de trap op. Daar stiet Charly Brand tegen een -tafeltje, waardoor eenig gedruisch ontstond. Lord Lister bleef een -oogenblik onbeweeglijk staan en stiet fluisterend een vloek uit, toen -plotseling door iemand het electrische licht in de veranda werd -opgedraaid en drie mannen met revolvers in de hand op den secretaris -toesprongen. - -De Groote Onbekende overzag oogenblikkelijk den geheelen toestand. Hij -stond in een vensternis van de veranda, waar de mannen hem niet -dadelijk ontdekken konden. - -„Vervloekte schelm!” schreeuwde Pigott, terwijl hij den indringer een -revolver onder den neus duwde, „ik heb je al beloerd, toen je twee uur -geleden mijn park bent binnengeslopen. Je kunt mij niet voor den gek -houden. Knevelt hem en roept de politie. Doe hem ook het masker voor -het gezicht weg.” - -Charly Brand weerde zich als een wanhopige, maar het hielp hem niets. -Tien minuten later was hij stevig gebonden. - -„Waar is je medeplichtige? Spreek op, jullie waart toch met je beiden?” - -Charly beet zich op de lippen. - -„Legt de schurk ergens in een hoek neer en laat ons dadelijk zijn maat -opzoeken, misschien vinden we hem nog,” riep Pigott vol ijver uit, toen -Charly hem niet antwoordde. „Wacht maar, kereltje, jou zal de lust wel -vergaan om hier nog eens in te breken. Brengt hem in huis.” - -De beide bedienden deden, wat hun bevolen werd en sleurden Charly, die -zich opnieuw verdedigde, het huis binnen. - -De millionnair vond er bij deze gelegenheid het grootste genoegen in om -den weerlooze onophoudelijk in den rug te stompen. Charly werd naar de -studeerkamer gebracht en daar op het tapijt neergelegd, terwijl Pigott -opnieuw beval een politieagent te halen. - -In hetzelfde oogenblik hoorde Charly Brand plotseling een zonderling -geluid. Hij lag met het rechteroor dicht op het tapijt en daardoor -drongen wonderlijke klanken tot hem door. Het was, alsof kleine -kinderen, die erge pijn hadden, schreiden. De secretaris spande zich in -om goed te kunnen hooren. Hij vergat geheel en al zijn hachelijke -positie en deed alle moeite om te vernemen, waar de geluiden vandaan -kwamen. - -Eerst dacht hij, dat het katten of honden waren, maar toen hoorde hij -door het tapijt heen de heesche stem van een vrouw, die met een vloed -van scheldwoorden het schreien overstemde. - -„Ellendige schooiers, leelijke schreeuwbek, miserabele kattekop!” - -Charly Brand dacht eerst, dat de kinderen van den millionnair zoo -schreiden, maar dat was onmogelijk. - -Terwijl de secretaris over het geheim nadacht, was een der bedienden -voor het huis gegaan, waar hij een surveilleerenden politie-agent -aanriep om een in huis verborgen inbreker te arresteeren. Toen de -politieagent binnentrad, kwam Pigott hem reeds tegemoet en zei, op -Charly Brand wijzend: - -„Die man daar wilde Raffles nadoen, maar wij hebben het hem belet. -Neemt hem mee naar Scotland Yard, opdat hij daar zijn rechtmatige straf -zal ondergaan.” - -„Allright,” antwoordde de politiedienaar, die op Brand toetrad en hem -een duw in de ribben gaf. - -„Sta op!” beval hij, „ik zal je een armbandje omdoen, want van zoo’n -schat als jij bent moet men zich goed verzekeren.” - -Hij haalde een paar boeien te voorschijn en sloot ze om Charly’s -polsen. - -„Ja, ja,” lachte Pigott en hij duwde den secretaris een diamanten ring -onder den neus, „kan ik je misschien ook met zoo’n steentje dienen?” - -„Vooruit!” beval de agent en stiet den geboeide voor zich uit, waarmee -hij het huis verliet. - -Het was intusschen nacht geworden, maar de geboeide bemerkte toch, dat -de agent hem niet stadwaarts, maar naar den kant van het park leidde. -En nog meer verbaasde hij zich, toen de agent voor het huis van John -Raffles bleef staan, haastig omkeek, naar beide kanten, een sleutel te -voorschijn haalde, de deur opende en Brand naar binnen duwde. Hij zelf -trad nu ook binnen en sloot de deur achter zich. - -Charly Brand wist niet, wat hij van deze geschiedenis moest zeggen. -Zijn verbazing steeg nog meer, toen de agent naar de studeerkamer van -zijn vriend ging en dit helder verlichte vertrek opende. - -In hetzelfde oogenblik hoorde Charly de lachende stem van Lister, die -uitriep: - -„Well, my boy, kom eens hier en steek een sigaret op. Als ik je eerst -de boeien heb afgenomen.” - -Charly keek verbaasd op, toen die woorden door den agent werden -uitgesproken, die nu behendig de boeien losmaakte en daarna in den -fauteuil voor den schoorsteenmantel ging zitten, waar hij een paar uur -geleden het plan had geopperd om een bezoek te brengen aan het huis van -den millionnair Pigott. - -„Dat was een aardig uitstapje,” zei hij, een sigaret opstekend, „over -een half uur zal ik het nog eens probeeren.” - -„Ik bedank er voor,” antwoordde zijn vriend, „ik ben blij, dat ik er -met een paar blauwe plekken ben afgekomen. Zou je je valschen baard nu -niet afnemen, Edward?” - -„Natuurlijk,” antwoordde Raffles, „dat had ik bijna vergeten.” - -Hij deed den baard af en had nu weer het gladgeschoren gelaat met den -spottend lachenden trek om den mond. - -„Ik waande mij al verloren, Edward. Hoe heb je mij zoo gauw kunnen -verlossen?” - -„Heel eenvoudig. Tijdens de worsteling tusschen jou en je aanvallers -lette niemand op mij en ik kon ongemerkt ontkomen. Ik hoorde, dat -Pigott om een politie-agent riep en toen was het voor mij makkelijk -werk. In een paar minuten was ik hier, verkleedde mij als politie-agent -en wandelde zoolang voor het huis van Pigott heen en weer, dat de -knecht mij in huis riep om je te arresteeren. - -„Nu ben ik van plan, dien Pigott nog eens te bezoeken. Die kerel is -ongetwijfeld een schurk.” - -„Waarom denk je dat?” - -„Heel eenvoudig! Die beide bedienden van Pigott zien er, ondanks hun -prachtige livrei, als een paar echte galgenvogels uit. Dat zijn zeker -een paar handlangers, die hun opleiding in Whitechapel ontvangen hebben -en ik durf wedden, dat ze minstens tien keer de strop verdiend hebben.— -— —Ik moest me al heel erg in dat tuig vergissen, als het geen -spitsboeven zijn, waarvan ik een even groote vijand ben als inspecteur -Baxter van Scotland Yard.” - -„Je kunt wel gelijk hebben,” antwoordde Charly, „ook mij is iets -bijzonders opgevallen. Toen ik op het tapijt lag in Pigott’s -studeerkamer, hoorde ik uit een vertrek onder mij duidelijk het -schreien van kinderen en een vrouwenstem, die de kleinen met de -gemeenste vloeken tot kalmte trachtte te brengen.” - -John Raffles boog zich over naar Charly en zijn oogen schoten vonken. - -„Vertel mij nog eens, wat je gehoord hebt,” zei hij. - -Charly deed het en toen hij had uitgesproken, sprong John Raffles -vertoornd op. - -„Zoo’n schurk!” riep hij uit, „ik vermoedde, dat er in het huis van mr. -Pigott voor mij wel een en ander te doen was. Dezen nacht nog zal ik -mij zekerheid verschaffen.” - -Hij ging nu naar een deur, die achter een portière verborgen was en die -slechts voor ingewijden was te bereiken. In een kamer daarachter hingen -wel honderd kostuums en voor een grooten spiegel stonden vele doozen -met alle soorten schmink; daarnaast lagen op een marmeren plaat -allerlei pruiken en baarden. Het vertrek zag er uit als de kleedkamer -van een acteur. - -John Raffles deed de uniform uit en nam een zwart wollen tricot, dat -hem in den donkeren nacht bijna onzichtbaar maakte. Hij trok het aan en -verborg het gelaat achter een nauwsluitend zwart masker. Toen nam hij -een klein taschje, opende het en keek den inhoud na. - -Op het eerste gezicht hield men den inhoud voor de instrumenten van een -dokter, kleine tangen, scharen en messen lagen naast elkander, terwijl -aan den anderen kant kleine fleschjes en een pakje gaas lagen. Dit -taschje echter diende niet voor operaties als hierboven bedoeld, maar -bevatte de werktuigen van den vermetelen gentleman-dief. - -Met de kleine loopertjes en tangen, die van het beste staal gemaakt -waren, opende de Groote Onbekende ieder slot. In de zilveren flesschen -was olie en chloroform. Het verbandgaas diende om er deze vloeistoffen -op te druppelen. - -Met een zwartlederen armband gespte lord Lister dit taschje aan zijn -linkerarm, zoodat hij het niet behoefde te dragen en aldus uitgerust, -verliet John Raffles de kleedkamer. Hij reikte Charly Brand de hand en -sprak: - -„Het kan zijn, dat ik tot morgenavond uitblijf, wees niet ongerust, my -boy.” - -„Groet Pigott van mij en wees voorzichtig”, antwoordde Charly. - -„Ik hoop het waar te nemen”, lachte de Groote Onbekende en verdween -langs zijn balkon in den donkeren nacht. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -RAFFLES AAN HET WERK. - - -In de prachtig gemeubelde eetkamer van den millionnair Pigott zat deze -met zijn beide bedienden en een bejaarde vrouw met afzichtig uiterlijk -aan tafel. Er heerschte een uitgelaten stemming. - -„Hahaha” lachte de millionnair met vette stem, „die kerel hebben we er -goed van langs gegeven.” - -„Het had voor ons wel eens slecht kunnen afloopen,” antwoordde een der -bedienden. „Wij moeten er op passen, dat we niet weer visite ontvangen -van iemand, die wel eens in deze zaak zou kunnen neuzen!” - -„Daar moeten we zeker voor oppassen”, antwoordde Pigott, „we zijn -verloren als ons zaakje door iemand wordt ontdekt.” - -„Proost”, riep het leelijke wijf, dat tegenover Pigott zat, „niemand -zal ooit iets ontdekken. Welke spitsboef zou er ooit aan denken om in -den kelder van een huis naar rijkdommen te zoeken? Ons zaakje bloeit -veilig in ’t verborgen.” - -„Ha!”, lachte Pigott, „wie zou ons nu iets kunnen bewijzen. Ik sta -bekend als een weldoener en als de politie op het dozijn verminkte -kinderen, die wij in den kelder verplegen, opmerkzaam gemaakt zou -worden, dan zou ik ze vertellen, dat ik die arme schepseltjes uit -louter menschlievendheid opvoed.” - -„Leve de weldoener”, krijschte het wijf, haar wijnglas opnieuw vullend -en de anderen tot drinken aanmoedigend. - -In hun uitgelaten stemming sloegen zij er geen acht op, dat een zwarte -schaduw geluidloos achter de portière van de deur gleed. - -Het was John Raffles, die door een openstaand venster onbemerkt was -binnengeklommen en nu het gesprek afluisterde. - -Terstond begreep de Groote Onbekende, dat hij zich niet vergist had en -dat de zoogenaamde bedienden niet anders waren dan de medeplichtigen -van een schurk. Hij was er nog niet achter gekomen, welke misdaden hier -werden bedreven en waarom de millionnair die verminkte kinderen in den -kelder hield opgesloten. Hij moest zich naar het verblijf onder de -straat begeven om daar ter plaatse zijn onderzoekingen voort te zetten. - -Geruischloos sloop hij weg en ging langs de spaarzaam verlichte trappen -naar den kelder. Een ijzeren deur sloot de benedenwoning van het -overige gedeelte af. Tevergeefs zocht Raffles naar een slot; er was -niets dergelijks te ontdekken en toch moest de deur geopend kunnen -worden. - -Lord Lister wendde al het mogelijke aan doch de zware deur week niet. -Hij besloot toen van buitenaf door het keldervenster zijn weg te -zoeken. Toen hij echter langs de trappen naar boven wilde terugkeeren, -hoorde hij, dat het wijf met een der bedienden van boven kwam. Hij -moest het tweetal dus ontmoeten. De trap was, zooals gezegd, slechts -matig verlicht en in het halfdonker smeedde Raffles een plan. Zijn -elasticiteit stelde hem in staat vier trappen te gelijk op te gaan en -als een bliksemstraal vloog hij langs het tweetal. In het volgend -oogenblik reeds was hij verdwenen. - -De oude begon luidkeels te gillen en greep in doodsangst den arm van -den knecht beet. - -„Wat was dat José?” riep zij uit, „heb je dat spook gezien, dat ons -voorbijvloog?” - -„Och, je bent dronken, Mary en ik zal ook te veel brandy gedronken -hebben. We hebben ons vergist, het was onze eigen schaduw, die het -licht van boven afwierp.” - -„Neen, neen, het was geen vergissing, het was een spook, want het -stootte mij op zij, ’t was de zwart verbrande duivel.” - -„Je bent zóó dronken, Mary, dat je de maan houdt voor een -zonsverduistering. Maar ga nu mee aan ’t werk.” - -Het wijf liep met knikkende knieën de trappen af en toen zij onder aan -de deur stond en naar boven keek, gilde zij opnieuw ut doodsangst en -riep uit: - -„Daar is het weer, José.” - -De bediende keek achter zich, maar hij kon niets ontdekken, want -Raffles, die een oogenblik over de trapleuning had gezien, had zich -bliksemsnel teruggetrokken. - -„Als je nog eens zoo schreeuwt, Mary, dat iemand hooren en zien -vergaat, dan word ik grof tegen je. Ik zal het zeker aan mr. Pigott -vertellen, opdat hij je ’s avonds geen brandy meer geeft.” - -John Raffles keek opnieuw heel voorzichtig over de trapleuning en zag -nu, hoe José op een knop drukte, die op een trede was aangebracht en -die naar een electrische geleiding voerde, waardoor de deur geopend -werd. - -Toen José dat had gedaan, zakte de ijzeren deur in den grond en werd -een tweede deur zichtbaar, die het wijf met een sleutel opende. - -Zij kwamen nu in een donkere gang. Raffles zag, hoe zij de deur sloten -en toen verrees ook weer de ijzeren deur uit den bodem en sloot zich -weer op dezelfde plaats. - -Geruischloos vloog de Groote Onbekende nu weer naar beneden en -probeerde voorzichtig de deur te openen. - -Zonderling! - -Hoewel hij den knop neerdrukte, scheen de electrische geleiding niet te -werken en bleef de deur boven. Na verscheiden vergeefsche pogingen kwam -hij tot de conclusie dat het onmogelijk was, zich toegang te -verschaffen, daar het tweetal aan den anderen kant de batterij had -uitgeschakeld. Hij moest dus probeeren om van buiten af zich toegang te -verschaffen tot de kelderruimte. - -Ongemerkt verliet hij het huis en sloop er omheen, maar hij zocht -tevergeefs naar een keldervenster. De openingen, die vroeger daarvoor -hadden bestaan, waren toegemetseld. Raffles begreep dit uit de nieuwe -kalk, die in de openingen was gesmeerd en begreep, dat deze maatregel -was genomen om een misdaad voor de wereld te verbergen. - -Uit zijn tasch nam hij nu eenige instrumenten en zette een draaiboor op -de toegemetselde plaats en als een vlijmscherpe diamant vloog het staal -door de kalk alsof dit weeke boter was. Hij had eenigen tijd noodig, -voordat de boor het werk gedaan had en nu kon John Raffles door een -kleine opening in het keldergewelf zien. Hij ontdekte een zwak -lichtschijnsel. De misdaden werden naar alle waarschijnlijkheid in een -ander gedeelte bedreven. - -Een walgelijke lucht kwam Raffles door de kleine opening tegemoet. In -een lijkenkelder kon de lucht niet verpestender zijn. - -Nu hoorde hij duidelijk de stem van het wijf: - -„Breng de blaag hier, José, ik kan daar zoo slecht zien en bij het -uitsteken van de oogen komt het er precies op aan, anders krepeert het -wurm dadelijk!” - -Als door een adder gestoken tuimelde lord Lister achteruit. - -Wat voerde dat wijf daar uit. Hij kon zich het vreeselijke niet -voorstellen. Zijn zoo algemeen bekende koelbloedigheid liet hem in den -steek, toen hij er aan dacht, dat men op slechts eenige meters afstand -van hem verwijderd een kind het beste ontnam, dat het bezat, het licht -der oogen. - -Hij spande zich nu opnieuw in om door de kleine opening in het -keldergewelf te kunnen zien en nu ontwaarde hij duidelijk het wijf en -den bediende, die José genoemd werd en die een kind, in lompen gehuld, -en hoogstens één jaar oud, op den arm droeg. - -„Houd het hoofd vast,” riep het wijf, „het wurm verzet zich!” - -Het hart stond Raffles bijna stil. Wat daar gebeurde was te erg. - -Het wijf maakte in een lamp, die zij in de hand hield, een breinaald -gloeiend en stak het kind de oogen uit. - -Bijna gelijktijdig met het kind stiet John Raffles, de man met de -stalen zenuwen, een kreet van ontzetting uit en deinsde hij terug, -alsof hij zelf de gloeiende breinaald in zijn gelaat had gevoeld. - -John Raffles dacht eenige seconden na. - -Dat was wel het vreeselijkste, wat hij ooit beleefd had. Wat zou hij -doen? De politie waarschuwen? Die zou Pigott niets kunnen bewijzen, -want hij zou doodgewoon verklaren, dat hij de ongelukkige, verminkte -kinderen alleen uit weldadigheid had opgenomen. - -Zijn kreet moest in huis zijn gehoord, want op de eerste etage werd een -venster geopend en Pigott’s tronie verscheen naast dat van den tweeden -bediende. - -„Ik heb al zoo vaak gezegd,” hoorde de Groote Onbekende de stem van -Pigott, „dat wij honden moeten houden.” - -Voor de eerste maal vervloekte Raffles zijn baantje. Als hij nog lord -Lister was geweest, zou een enkel woord van hem voldoende zijn geweest -om dit misdadigersnest uit te roeien. - -Maar nu? - -Men zou hem niet gelooven en hem bovendien arresteeren. Maar -desondanks—de misdaad was zoo vreeselijk en het lijden der onbekende -slachtoffers zoo afschuwelijk, dat hij besloot, als hij zijn doel niet -bereikte, om de misdadigers te straffen, naar den eersten den besten -rechter te gaan en daar te vertellen, wat er in de villa geschiedde, al -zou men hem ook arresteeren. Voor alles echter besloot hij persoonlijk -naar Pigott toe te gaan. - -Opnieuw sloop hij het huis binnen en verborg zich in den salon, daar -Pigott nog niet naar zijn slaapkamer was gegaan. Bijna twee uren bleef -hij er achter een gordijn verborgen staan, totdat in huis allen zich -ter ruste hadden begeven. Toen kwam hij te voorschijn. - -De slaapkamer van den millionnair lag op de bovenste verdieping en met -groote handigheid gelukte het Raffles, de sloten geruischloos te openen -en binnen te treden. - -In de kamer brandde een blauwachtig licht, dat een spookachtig -schijnsel over het vertrek wierp. In een kostbaar bed sliep de -millionnair en aan het hoofdeinde van de legerstede zag Raffles een in -den muur gemetselde geldkast. Met een tevreden lachje op zijn gelaat -lag de halfdronken deugniet in de zijden dekens, terwijl in zijn -onmiddellijke nabijheid onschuldige kinderen de ondragelijkste smarten -verduurden. Nog wist de Groote Onbekende niet, waarom die kinderen -verminkt werden; hij moest het geheim oplossen, voordat de millionnair -zijn rechtmatige straf kreeg. - -Lord Lister opende nu het taschje, nam daaruit een stuk verbandgaas en -drenkte dit met chloroform. Daarna legde hij het verdoovingsmiddel op -het gelaat van den slapende, waardoor van dezen mond en neus werden -bedekt. - -Aandachtig luisterde Raffles naar de ademhaling van den slapende om te -hooren, wanneer deze onder narcose zich bevond. Toen hij er zich van -overtuigd had, dat Pigott onder zware verdooving lag, nam hij hem het -gaas van het gelaat en wierp het op het tapijt. Hij trok na verscheiden -diamanten ringen van de vingers van den slapende en ging daarop voor de -geldkast, die hij met zijn loopers opende. Een bedrag van 60,000 pond -sterling in bankpapier en goud viel hem in handen, maar tevergeefs -doorzocht hij de brandkast om papieren te vinden, die eenige -opheldering konden geven over die ontzettende misdaden. - -Slechts een klein briefje viel hem in handen, waarin eenige honderden -namen waren genoteerd en achter deze namen stonden sommen van 1000–2000 -pond vermeld. Ook dit briefje nam de Groote Onbekende met zich mee. -Toen ging hij naar een klein tafeltje, dat voor het bed stond, nam een -blad papier, pen en inkt en schreef: - - - „Mr. Pigott, ge zijt de grootste schurk, die er op aarde rondloopt. - Ik ben u op het spoor. Neem u in acht. - - JOHN C. RAFFLES.” - - -Hij wierp een blik vol gloeienden haat op den slaper en fluisterde: - -„Het zou maar het beste zijn om jou en je medeplichtigen de keel af te -snijden, maar ik wensch in dit geval den rechter niet voor te zijn.” - -Zachtjes sloot hij de slaapkamer en sloop naar de lagere verdieping, -waar hij een venster opende, naar beneden in den tuin sprong en -verdween. - -Het begon reeds te dagen, toen Raffles in zijn kamer terugkwam waar -zijn secretaris hem wachtte. - -Verschrikt sprong Charly Brand op toen zijn vriend, nadat deze het -zwarte pak had uitgetrokken, met verstoord gelaat voor den haard ging -zitten en zei: - -„Geef me een glas whisky, Charly, ik heb afschuwelijke dingen beleefd.” - -Zijn secretaris gaf hem het gevraagde en haastig dronk Raffles, geheel -tegen zijn gewoonte, twee glazen whisky achter elkander leeg. Daarna -stak hij een sigaret aan en bleef, in diep gepeins verzonken, minuten -lang voor zich uitstaren. - -„Wat is je overkomen?” Aldus verbrak Charly Brand de stilte. - -Lord Lister opende een grooten zijden zak, waarin hij de brillanten en -het geld had meegenomen en antwoordde: - -„Ik geef jou de ringen cadeau, die Pigott gisteravond voor je oogen -heeft laten schitteren. Verder heb ik hier ongeveer zestigduizend pond -sterling en ik verzoek je, dit geld eveneens te nemen op een klein -gedeelte na, dat ik zelf moet gebruiken. Het zou kunnen zijn beste -Charly, dat men mij in een der volgende dagen in Scotland Yard -vastzet.” - -Charly Brand staarde zijn meester verschrikt aan, die de laatste -woorden had geuit met een eigenaardigen glimlach en die zijn sigaret -zoo kalm rookte, alsof hij vertelde, dat hij een eindje ging wandelen. - -De groote onbekende haalde nu uit de tasch een klein zwart boekje te -voorschijn en begon daarin te bladeren. - -„Merkwaardig”, fluisterde hij, „wat zouden die namen toch wel -beteekenen. Namen, waarbij niets verder is aangeteekend, dan een zekere -som. Namen, die geen stand en geen woonplaats verraden. Dat is een -vraagstuk, voor mijn beroemden collega Sherlock Holmes om op te lossen. -En wat beteekenen die cijfers achter de namen? Willen die zeggen, dat -den lieden zoo en zooveel is betaald of dat zij deze som gestort -hebben. En hoe heeft dit alles iets te maken, met dat wat ik zag?” - -Toen lord Lister eindelijk zweeg vroeg Charly Brand: - -„Zou je me niet willen vertellen wat je zoo bezig houdt?” - -„Neen, my boy. Ik wil jou hersens niet pijnigen met het vreeselijke dat -mij thans bezig houdt.” - -„Wil je me dan misschien vertellen wat die woorden beteekenen, -betreffende je gevangenneming in Scotland Yard?” - -„Ook daarover kan ik je thans geen inlichtingen geven beste Charly, -maar misschien morgen reeds. En laat me nu een paar minuten nadenken.” - -Bijna een uur zat lord Lister bij den haard in diep gepeins verzonken. -Hij rookte daarbij wel een half dozijn cigaretten en scheen eindelijk -gevonden te hebben wat hij zocht. - -Hij stond op en zei: - -„Ik ga een half uurtje rusten en dan een bad nemen. Wil je er voor -zorgen dat tegen dien tijd het ontbijt gereed is. Na het ontbijt ga ik -uit.” - -Hij verdween in zijn slaapkamer en liet Charly Brand alleen, die nu de -kostbare steenen uit de gouden ringen ging breken en in een taschje -deed, dat hij in zijn borstzak droeg. Toen smolt hij de gouden ringen -in een kleine smeltkroes samen, die hij electrisch verhitte. Daarna -telde hij de banknoten na, stak ze in een portefeuille en deed ook het -goud in het taschje. - -Intusschen was Raffles uitgerust en Charly Brand hoorde dat hij naar de -badkamer was gegaan. - -De secretaris liet nu het ontbijt door den ouden dienaar opzetten en -juist toen het gereed stond kwam Lister weer binnen, wenschte Charly -goeden morgen en begon met benijdenswaardigen eetlust te ontbijten. -Hierna verdween hij in zijn kleedkamer en bleef daar wel een uur -vertoeven. Charly Brand las intusschen de ochtendbladen en vermaakte -zich met een bericht waarin gezegd werd dat het de redactie speet dat -men niets nieuws kon meedeelen over den Grooten Onbekende en dat deze -zich naar alle waarschijnlijkheid wel op reis had begeven om zich wat -te ontspannen. - -Charly Brand had de courant nog niet uit toen zijn vriend weer -binnentrad. Verschrikt sprong de secretaris op. Hij meende een vreemde -voor zich te zien, een oude verwaarloosde bedelaar uit het donkerste -Londen, in lompen gehuld en met afzichtelijk uiterlijk, het type van -een mensch, die in het vuilste slopje in een krot vol ongedierte woont -of die gelukkig is, als hij kan overnachten in het tehuis voor -dakloozen. In zoo’n creatuur had Raffles zich vermomd. - -„Ik zal nog een sigaret in je gezelschap rooken, my boy, en dan ga ik -op weg om te trachten het afschuwelijke geheim van dien Pigott op te -lossen. Je kunt tijdens mijn afwezigheid dit huis als het jouwe -beschouwen. Als er gevaar mocht dreigen en de politie huiszoeking doet -heb ik hier een kleine schuilplaats klaar gemaakt waarin je zeker bent -voor elken detective.” - -Hij bracht Charly Brand naar een dubbele deur en wees hem, hoe achter -het beschot een geheime veer zat waarop gedrukt moest worden. Dan kwam -een opening te voorschijn die zoo groot was, dat een mensch er -gemakkelijk in staan kon. - -De lord sloot de opening weer en zei: - -„In deze schuilplaats zal geen mensch je zoeken. Uit de couranten zal -je wel hooren waar ik ben. Laat overigens maar alles aan mij over en -bekommer je om niets.” - -Hij reikte zijn secretaris de hand en als deze niet geweten had, dat -dit de hand van zijn vriend en meester was, dan zou hij er voor gerild -hebben deze vieze, met een laag vuil bedekte hand aan te raken. En toch -zat onder dit vuil de slanke voorname, aristocratische hand van Raffles -verborgen. - -Charly Brand geleidde zijn vriend tot aan de huisdeur, en keek hem nog -eenige minuten na, totdat hij verdween in den nevel, die Londen zoo -dikwijls in den vroegen morgen geheel bedekt. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE JACHT OP RAFFLES. - - -Inspecteur Baxter zat in zijn werkkamer in Scotland Yard en dicteerde -detective Marholm een bericht, toen een agent binnentrad en meedeelde -dat een zekere Pigott, een millionnair die in Regent-park woonde, den -inspecteur wenschte te spreken. - -„Laat me met rust met je millionnairs!” riep Baxter uit op geërgerden -toon, „ik heb met die lui in de laatste jaren de ellendigste -ondervindingen opgedaan. Laat ze hun geld en hun kostbaarheden beter -bewaren. Eerst als ze bestolen zijn komen ze bij mij en zeuren me de -ooren vol en als ik het geld dan niet weer op zijn plaats breng, dan -loopen ze naar de couranten, die zich er over amuseeren en over mijn -onhandigheid schrijven.” - -Detective Marholm, door zijn collega’s bijgenaamd „de vloo”, glimlachte -ironisch over deze uitlating van zijn chef en vroeg: - -„Zeg eens, inspecteur Baxter, waar moeten de bestolenen dan heengaan om -hun klachten te uiten?” - -„Hou je mond, Marholm en bemoei je met je eigen werk,” snauwde Baxter; -„’t is al sinds jaren hetzelfde liedje als een millionnair in mijn -bureau komt.” - -„En hoe luidt dat liedje?” - -„Raffles!” schreeuwde de inspecteur. „Raffles! Want hij is het, die de -millionnairs bezoekt en deze op mij afstuurt. Vervloekt! Als ik dien -Raffles toch eens kon te pakken krijgen!” - -Hij liep als een ijsbeer zijn bureau op en neer en rolde woest met de -oogen. Zoodra hij aan Raffles dacht, verloor hij alle zelfbeheersching, -want die naam werkte op hem als een roode lap op een stier. - -„Wat sta je daar nog aan de deur?” vroeg hij den wachtenden agent op -boozen toon. - -„Ik wacht uw bevelen af,” antwoordde deze. - -„Breng den millionnair binnen,” antwoordde Baxter stroef. - -De agent verdween en de inspecteur ging aan zijn schrijftafel zitten. -Twee minuten verliepen. Toen ging de deur weer open en de agent diende -aan: - -„Mr. Pigott!” - -Baxter draaide zich eens op zijn stoel om en bekeek den binnentredende -met korten doch scherpen blik. Dan stond hij op, maakte een buiging en -zei: - -„Wilt ge gaan zitten?” - -Zwaar ademend nam mr. Pigott plaats. - -„Ik ben ten zeerste opgewonden,” zei mr. Pigott, die zich met een -zakdoek het zweet van het roode voorhoofd veegde, „ik ben vannacht -bestolen—mijn heele vermogen is naar de maan. Men heeft mijn brandkast -opengebroken en niets er in gelaten dan dit briefje.” - -Hij gaf Baxter een smal strookje papier. Er stond de naam van op van -John C. Raffles. Pigott had het strookje van den brief geknipt, daar -hij, heel begrijpelijk, het verdere liever niet liet lezen. - -Baxter keek eens naar het strookje, alsof het een gloeiende plaat was. -Voordat hij nog begon te lezen, wist hij al, wat er op stond. Op deze -manier handelde Raffles alleen en zonder groote verbazing las Baxter -dan ook den naam. Voorzichtig legde hij toen het strookje papier op -zijn schrijftafel en vroeg mr. Pigott: - -„Hoeveel heeft hij u ontstolen?” - -Zonder te aarzelen zei Pigott: - -„180,000 pond sterling.” - -Hij loog, want hij noemde het drievoud der gestolen som. - -„Hoeveel?” vroeg Baxter, alsof hij niet goed verstaan had en mr. Pigott -herhaalde de som. - -„Dat is kolossaal,” riep de inspecteur uit, „hoe kwaamt ge ook zoo -lichtzinnig om zoo’n groote som in huis te bewaren?” - -„Ik heb die gewoonten al sinds twintig jaren,” antwoordde Pigott, „ik -bewaarde het geld in een kast in den muur.” - -„Ge ziet, dat u dit niets heeft gebaat,” zei de inspecteur, „ik verbaas -er mij dan ook over, dat ge niet voorzichtiger zijt geweest, daar ge -toch wist, dat Raffles in Londen vertoeft. En vertel me nu eens, hoe de -heele zaak zich heeft toegedragen.” - -Pigott hapte eens naar lucht, en begon een verdicht verhaal op te -disschen. - -„Ik ging om elf uur naar mijn slaapkamer en sloot deze, naar gewoonte, -met de noodige voorzorgsmaatregelen. Vanmorgen moest mijn bediende mij -uit een diepen slaap wekken en in mijn hersens dreunt het nog, alsof ik -een dozijn flesschen champagne heb leeggedronken.” - -„Hadt ge een zoeten smaak in den mond, toen ge wakker werd?” vroeg -inspecteur Baxter. - -„Ja,” antwoordde Pigott, „en ik heb dien smaak eerst na een uur met -brandewijn en koffie kunnen wegspoelen.” - -„Men heeft u verdoofd!” knikte de inspecteur. „Raffles werkt altijd met -verdoovingsmiddelen.” - -Woedend sloeg de millionnair met de vuist op tafel en riep uit: - -„Die schurk moet gepakt worden! Ik betaal u duizend pond, inspecteur, -als ge mij mijn geld weer terug bezorgt! Die hond moet gehangen. Alsof -de eerlijke menschen alleen bestaan, om door zulke gauwdieven geplukt -te worden.” - -Marholm, die over zijn schrijfwerk zat gebogen, dacht bij zich zelven: - -„Wel, zoo heel eerlijk zie jij er ook niet uit en wie weet of je niet -een veel grootere spitsboef bent dan Raffles.” - -Marholm had namelijk voor zichzelven de opmerking gemaakt, dat de -Groote Onbekende het liefst te velde trok tegen groote schelmen, die -echter zoo geslepen hun handwerk uitoefenen, dat zij noch door de -politie, noch door iemand anders konden worden betrapt. - -Baxter wendde zich tot den detective en zei: - -„Schrijf nauwkeurig op, wat mr. Pigott verteld heeft en dan gaan we -naar de villa om daar op de plaats van de misdaad een en ander te -controleeren.” - -„Dat is toch heelemaal niet noodig,” begon de millionnair, „of ge mijn -kamers ziet of niet, daarmee brengt ge mijn geld niet terug. Probeer -liever den Grooten Onbekende te pakken.” - -Baxter werd boos en stak een sigaar op. - -Wat mr. Pigott hem daar zei, had al menig benadeelde hem toegevoegd. - -Detective Marholm keek den millionnair eens aan met scherpen blik, daar -hij vermoedde, dat de bestolene liever niet had, dat men in zijn villa -kwam. - -Baxter echter lette daar niet op en antwoordde: - -„Ge hebt gelijk, mr. Pigott. Behalve het briefje zal Raffles wel niets -in uw woning hebben achtergelaten.” - -„Neen, heelemaal niets”, riep Pigott uit, „zelfs geen banknoot van -duizend pond!” - -„Dat had hij feitelijk wel mogen doen”, viel Marholm in, „bij zoo’n som -zal het Raffles niet veel kunnen schelen, een beetje provisie achter te -laten!” - -Pigott keek den spotter woedend aan, maar Marholm vertrok zijn gelaat -niet. - -De millionnair stond thans op en vroeg: - -„Ik heb hier nu niets meer te doen, inspecteur. Als ge iets gewaar -wordt, hoor ik het wel van u. Mijn telefoonnummer is 1607. Het is maar -beter, dat ge telefoneert, anders kondt ge misschien een vergeefschen -weg naar mijn huis maken.” - -Deze woorden versterkten nog de argwaan van detective Marholm en toen -Pigott was heengegaan, zei hij tot Baxter: - -„Die man lijkt me heel verdacht, inspecteur.” - -„Je bent gek, Marholm”, antwoordde Baxter, „je begint waarempel weer je -oude liedje en gaat natuurlijk beweren, dat die man er veel verdachter -uitziet dan Raffles. Jij schijnt alle millionnairs te wantrouwen.” - -Marholm lachte. - -„Bewijs mij eens het tegendeel, inspecteur. Ik kan het niet helpen, -maar ik gevoel sympathie voor Raffles en niet de minste voor al die -lieden, die door hem bestolen worden”. - -„Hou je mond”, donderde Baxter, „ik begeer van jou geen -sympathiebetuigingen met een dief. Je schijnt je beroep te zijn -misgeloopen.” - -Marholm lachte nog eens. - -„O, als ik zoo handig was als de Groote Onbekende, zou ik graag mijn -beroep met het zijne ruilen, al was ’t maar alleen om de collega’s -telkens weer bij den neus te nemen en ook u, inspecteur Baxter.” - -Deze woorden maakten Baxter woest. - -Hij ging naar Marholm toe, greep hem bij de keel, en schudde hem heen -en weer. - -„Ik zeg je”, en zijn gezicht werd rood van woede, „dat ik je met deze -vuisten kon worgen, want de eigenlijke Raffles maakt mij al gek”. - -Marholm bleef doodkalm en hijgde eens. - -Toen gaf hij den inspecteur een ribbestoot, zoodat deze achteruit -vloog. - -„Ik hoop, inspecteur”, zeide hij, „dat ge inderdaad nog eens den -Grooten Onbekende hier bij u op uw kantoor krijgt. Ik ben er alleen -maar wat bang voor, dat ge eerst weet, wie bij u was, als de man -Scotland Yard al lang weer achter den rug heeft”. - -„Hou nu maar op met je praatjes, Marholm, en geef de verschillende -politie-bureaux de noodige inlichtingen over de zaak Pigott.” - -„Och, laat ons dat toch niet doen, inspecteur. Ik geloof, dat wij nu al -in achttien zaken bezig zijn, naar Raffles te zoeken. We kunnen ons -vandaag best die moeite sparen!” - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -IN DE DIEVENKROEG. - - -In een der vele nauwe en donkere straten van Whitechapel rijen zich de -kroegjes nauw aaneen. - -Daarin leeft het uitvaagsel der groote stad. - -In lompen gehuld, verminkt en afzichtelijk van ellende, staan of zitten -de rampzaligen daar bij elkander in de ruimten, waar tabakswalm en -brandewijnlucht de atmosfeer verpesten. - -Een van deze kroegjes trad Raffles binnen en vroeg den waard met een -stem, die door het overmatig gebruik van brandewijn heesch was -geworden, een glas jenever. - -Vol argwaan keek de waard naar den vreemden gast, zette de jenever voor -hem neer, maar hield het glas zoo lang vast, totdat Raffles een penny -voor den drank had betaald. - -Het duurde een heelen tijd, voordat John Raffles uit een viezen, vuilen -zak het geldstuk had opgediept. - -Dit zoeken naar den penny maakte den kroeghouder, die in den bezoeker -een politiespion zag, minder achterdochtig. - -Hij wist niet, dat John Raffles in staat was, zijn rol tot in de -kleinste bijzonderheden vol te houden. - -Eindelijk had de Groote Onbekende het geldstuk te pakken en gaf het den -waard. Hij maakte daarbij een gebaar, alsof hij den man een heel -kapitaal overhandigde voor het glas brandewijn. - -Daarna sloeg hij den allergemeensten jenever door het keelgat en bleef -voor de toonbank staan, alsof hij het nog niet met zichzelve eens was, -of hij nog een penny voor een tweede glas zou betalen. - -De waard, die hem scherp aankeek, zei: - -„Die jenever is best. Als je nog meer geld hebt, kun je hier zooveel -drinken, tot je den weg niet meer uit de kroeg vindt”. - -Raffles, die met gulzige oogen naar het glaasje keek, mompelde een paar -onverstaanbare woorden en begon opnieuw naar een penny in zijn zakken -te zoeken. - -Maar hij scheen tevergeefs te zoeken, want met een hartgrondigen vloek -hoorde de waard hem zeggen: - -„’k Heb waarachtig niet eens meer wat voor een spatje”. - -„Je schijnt je beroep ook niet al te goed te verstaan. Je moest over -een heel kapitaal kunnen beschikken. Ik ken bedelaars, die eigen huizen -hebben, maar jij schijnt nog te groen te zijn.” - -„Yes, yes!” antwoordde John Raffles, „ik kom van New-York en ben pas -sinds vier dagen in Londen. Er valt hier ook een bedroefd beetje te -verdienen”. - -„Kom je van New-York? Waarvan heb je dan den overtocht betaald?” - -„’k Had zooveel gespaard”. - -„Zoo? Heb je nog meer geld?” - -„Waarom?” - -„Dan zal ik je een raad geven, hoe je elken dag twee pond kunt -verdienen.” - -„Maak dat een ander wijs! Voor zoo’n raad wil ik je graag 500 dollar -betalen!” - -„Dat geloof ik!” - -„Maar misschien kun je mij een anderen raad geven.” - -„En dat is?” - -„Ik wil je graag wat laten verdienen, maar ik kan het je hier niet -zeggen. Je klanten kijken te veel naar ons.” - -„Ik ben nieuwsgierig om te vernemen, wat je op het hart hebt. Kom maar -achter de toonbank.” - -De waard, een groote vierkante kerel, deed een klein deurtje open en -liet den schooier binnen in een klein donker vertrekje, achter de kroeg -gelegen. De man stak een walmende petroleumlamp aan. - -Hier scheen de slaapkamer te zijn van den kroegjesbaas. - -„Maak het kort”, sprak hij, „ik kan mijn klanten niet lang alleen -laten. Ze zouden mij binnen een paar minuten allen brandewijn hebben -leeggedronken, zonder dat ik er een penny betaling voor had gekregen”. - -Lord Lister keek eens schuw om zich heen, of niemand luisteren kon en -keek ook eens onder het bed. - -„Geen nood”, zeide de waard, „hier is niemand, vertel maar op, zoeken -de hondenvangers van Scotland Yard je misschien? Als je geld hebt, wil -ik je verbergen”. - -„Neen, kerel, maar sinds ik in Londen ben, heb ik geen warme hap -gegeten en ik smacht naar een stuk gebraden vleesch. Hoe kom ik eraan?” - -„Niet door mij, kale jakhals! Of dacht je soms, dat ik je op lekkere -beetjes zou trakteeren? Steel het en vreet het op, als je ’t hebt, dat -is mijn raad”. - -„Dat behoef ik niet te doen. Ik heb—ik heb—” hij hield op en keek weer -om zich heen. - -„Voor den duivel! Wat heb je?” - -„Ik heb geld. Maar ik kan het niet uitgeven”. - -„Je hebt gestolen papieren, die ik voor je moet bewaren? Denk er aan, -dat de helft voor mij is”. - -„Ik heb geen gestolen geld, maar toen ik van New-York vertrok, haalde -ik mijn spaarduiten van de Bank en die betaalde ze mij uit in hooge -banknoten. Nu weet ik niet, waar ik die papieren zal wisselen. Je wordt -daarbij zoo gauw ingepakt, want geen sterveling gelooft, dat het -eerlijk verdiend geld is”. - -„Hoe groot is de banknoot?” - -„Tien dollar”. - -„Tien dollar? En noem je dat hoog? Mijn klanten wisselen wel eens -biljetten van honderd pond.” - -„Zoover heb ik het nog niet gebracht”, sprak Raffles, en hij begon zijn -gelapte jas los te knoopen, „maar misschien komt het nog een zoover met -mij. Wacht even! Ik moet het geld onder mijn hemd vandaan halen”. - -Verscheiden seconden verliepen, voordat Raffles een groot pak -bankbiljetten te voorschijn haalde, dat met een lang eind garen was -saamgebonden en waaruit hij een biljet haalde van tien dollar. - -Zonder dat de kroeghouder het bemerkte, sloeg de Groote Onbekende den -waard aandachtig gade en hij zag, dat diens oogen van hebzucht -fonkelden. - -„Ik zie, dat je meer hebt, dan ik dacht”, zei de kroegjesbaas. „Je bent -een ezel, dat je het niet gebruikt voor een zaakje, waardoor je -kapitaal in een paar weken verdubbelt.” - -„Ik moet je eerst eens beter leeren kennen, voordat ik daarop inga”, -antwoordde Raffles ontwijkend. - -„Mij leeren kennen? Mij?” stoof de herbergier op, „vraag het ieder, -dien je wilt, of ik geen doodeerlijke kerel ben? Je kunt me gerust -vertrouwen, en ik zal je het biljet van tien dollars wisselen. Een -vierde gedeelte daarvan is voor mij!” - -„Allright!” zei Raffles, „geef op het geld, want ik heb een vervloekten -honger en wil vannacht eens ergens anders slapen dan onder den blooten -hemel”. - -„Slapen kun je hier. Ik heb voor mijn klanten altijd nog een plaatsje. -Je kunt al je ongedierte gratis warmen”. - -De waard ging naar een kast en haalde er een leeren zak met geld uit. - -Voorzichtig telde hij daaruit de som van een pond en zes shilling in -kleine geldstukjes en legde die voor Raffles op tafel neer. - -„Geef op je biljet van tien dollar”, zei nu de herbergier, „maar raak -het geld niet aan, vóórdat ik er mij van overtuigd heb, dat je mij geen -valsch biljet in de hand hebt gestopt”. - -John Raffles gaf het gevraagde en de waard hield het biljet tegen het -licht. - -„In orde!” zei hij toen, „strijk je geld maar op”. - -Nu nam de Groote Onbekende de geldstukken op, die hij een voor een op -de tafel gooide om te onderzoeken, of ze wel echt waren. - -„Mijn geld is goed”, zei de waard, die dit niet aanstond. - -Raffles echter nam vier shillingstukken en trok daarmee een zwarten -streep op een stuk krantenpapier. - -„Wat bedoel je?” vroeg de waard. - -„Dat is lood!” - -„Onzin! Je kunt het best uitgeven. Hadt je maar een paar duizend van -die dingetjes? Een van mijn klanten verkoopt je voor één pond vijf pond -van die dingetjes. Betere zaken kun je toch moeilijk maken”. - -Raffles stak het geld in den zak. - -Voordat het tweetal de kamer uitging, zeide de herbergier nog eens: - -„Wees niet gek en steek je geld in een zaak die ik je wil aanraden. ’t -Is eerlijke winst”. - -„Ik zal er eens over nadenken”, antwoordde Raffles, en verliet de -kamer. Toen dronk hij nog een glas jenever en verliet de kroeg. - -Op straat haalde hij verruimd adem in de buitenlucht, al was deze ook -in dit stadsgedeelte nog met allerlei onfrissche geuren bezwangerd. - -Het was hem, alsof hij uit een varkensstal kwam. Maar toch had het -toeval hem niet in deze kroeg gebracht. - -In het boek, dat hij Pigott had ontstolen, stond de naam „Blue inn” -(Blauwe kroeg) verscheiden keeren opgeteekend. Hij veronderstelde -daarom, dat de herbergier in nauwe relatie stond met den millionnair. - -Bijna den ganschen dag had hij naar de kroeg gezocht. - -Waar hij maar een bedelaar zag, had hij kennis met deze gemaakt en -verteld, dat een vriend hem in de Blauwe kroeg wilde spreken, maar dat -hij niet wist, waar deze was. - -Op de Waterloo-brug had hij een kreupele ontmoet, die een afzichtelijk, -meelijwekkend kind droeg. Dat kind was blind en had geen voeten. - -Raffles zag dat bijna iedere voorbijganger een geldstuk legde op het -tinnen bordje, dat dit allerrampzaligste schepseltje in haar handjes -vooruitstak. - -De Groote Onbekende zag ook dat de kreupele, op wiens schoot het kind -zat, het geld terstond bij zich stak. Van dezen man kreeg John Raffles -het adres van de blauwe kroeg. - -Toen hij het verminkte kind en den bedelaar wat langer bekeek werd hem -plotseling het geheim van mr. Pigott helder. - -Deze schurk, aldus redeneerde lord Lister, liet kinderen verminken en -verhuurde of verkocht ze dan aan een bedelaar voor een zekere som -gelds. - -Raffles kromp ineen, als hij bedacht, hoeveel misdaden, aan de -onschuldige wezentjes begaan, Pigott wel niet op zijn geweten moest -hebben. - -Hij moest nu alleen nog maar het overtuigend bewijs van Pigotts -misdaden hebben en, zoo mogelijk, zoo’n verminkt kind van hem koopen. - -Dat hoopte hij in de „Blauwe kroeg” te kunnen doen. Hij ging daarom nog -eens naar de kroeg terug om elf uur des avonds, toen allerlei kerels en -wijven, zelfs kinderen er rond krioelden. - -Meisjes en jongens van zeven, acht jaren dronken op tegen volwassenen -en sloegen de liederlijkste taal uit. - -Toen de waard zijn klant van dien middag zag, vroeg hij: - -„Wel, heb je nog wat gegeten?” - -„Yes”, antwoordde Raffles, „ik heb het er eens van genomen, hoewel ik -den heelen dag maar twee penny heb opgehaald. - -„Hier in Londen ligt het geld ook al niet op de keien.” - -„Je bent een ongeluksvogel”, antwoordde de herbergier, „maar ik heb je -toch geraden om op mijn voorstel in te gaan. Dan kun je geld verdienen, -zooveel als je maar wilt.” - -De herbergier zag duidelijk dat John Raffles hem achterdochtig aankeek. - -De Groote Onbekende dronk zwijgend het glas jenever uit, dat voor hem -stond en waarvoor de herbergier nu niet weer terstond het geldstuk -verlangde. Hij vertrouwde Raffles nu. - -Lord Lister dronk verscheidene glaasjes leeg en ook de waard liet zich -niet onbetuigd. De krijtstreepjes zette hij alle voor Raffles op de -tafel neer. - -Toen beiden een dozijn gedronken hadden, legde Raffles twee shilling op -tafel. Daarvan was de eene valsch. - -„Ik krijg nog zes pence van je,” zei de waard, „dien shilling neem ik -voor de helft, omdat je een klant bent.” - -Raffles legde het gevraagde neer met een handbeweging, alsof hij -dronken was. - -Daarbij mompelde hij eenige onverstaanbare woorden en de waard achtte -nu den tijd gekomen om Raffles den voorslag te doen voor het zaakje. - -„Ga mee naar mijn kantoor”, zei hij. - -Met ietwat zwaaiende gang volgde lord Lister hem achter de toonbank en -ging de slaapkamer van den waard binnen, die hem een stoel bood, de -lamp opstak en tegenover zijn klant ging zitten. - -„Kijk eens, vriend,” begon de herbergier, „kijk eens, ik heb gezien, -dat je genoeg geld bij je hebt om een winstgevend baantje te kunnen -opzetten.” - -„Ik— —ik— —ik heb— —geen geld”, stotterde de Groote Onbekende. - -„Je bent dronken, my boy”, antwoordde de ander, „ik heb je zelf nog een -bankbiljet gewisseld. Heb je dat nou al vergeten met je brandewijn-kop” - -„Kijk nou ereis”, vervolgde hij, „ik ken een vrouw, die heel veel -ongeluk in haar leven heeft gehad. In haar jeugd is ze naar New-York -ontvoerd. Toen is ze naar Londen gegaan en nu leeft ze hier in -Whitechapel. Deze vrouw heeft een kind—wel, waarom zou ze geen kind -hebben, en dat wurm werd verminkt geboren. De vrouw heeft dat kind -verkocht aan een millionnair, die voor menschlievend wil doorgaan en -deze wil er nu graag weer af.” - -Als begreep hij de zaak niet goed, staarde Raffles met een onnoozel -gelaat den man aan. - -„Wat— —wat moet ik— —met een kind!— —Ik— —ik ben blij— —dat ik geen -heb!” - -„Idioot”, brulde de ander, „dank den hemel, dat je dit kind kunt -koopen. Je kunt er geld mee verdienen— —als water— —Begrijp je dan -niet, wat ik bedoel?” - -John Raffles leek zoo dronken, dat hij den man niet meer begreep. - -„Ik zal het je uitleggen,” zei de waard, „het kind is totaal verminkt -Ik geloof, dat het geen armen, geen beenen en geen oogen heeft. Het kan -hooren noch spreken.” - -„Het ontbreekt er nog maar aan, dat het geen hoofd heeft ook,” dacht -Raffles. - -„Goed, goed!” zei hij echter overluid, „maar dat is vreeselijk!” - -De waard lachte met ruw geluid en antwoordde: - -„Vreeselijk? Een zaakje is het, beste kerel, een uitstekend zaakje en -ik verzeker je, dat, als ik niet zooveel verdiende, dan ging ik met dat -misbaksel de straat op. En ik verwed tien pond tegen een shilling, dat -ik twee pond per dag zou verdienen.” - -„Ja— —ja— —” lachte Raffles, „twee pond sterling verdienen. -Jij—jij—hebt gelijk. Hoe— —hoeveel kost dat kind?” - -„Hoeveel geld heb je? Ik raad je aan, verstandig te zijn, want de blaag -is niet goedkoop!” - -Raffles scheen na te denken. - -Toen hakkelde hij: - -„Ik—ik—ik heb— —340 dollar bij mij!” - -„340 dollar?” - -„Ja.” - -„Niets meer?” - -„Neen—neen!” - -„Zeg, lieg je niet?” - -„Waarachtig niet!” - -„Dan heb je niet genoeg! Maar ik zal je een voorstel doen. Je betaalt -340 dollar en dan betaal je verder elken dag 10 shilling af. Onder 200 -pond krijg je het kreng toch niet.” - -„Tweehonderd pond?” bromde Raffles en het scheen, alsof hij langzaam -ontwaakte uit de brandewijnroes. - -„Ja. Vooruit, doe het maar. Ik leen je het wurm op afbetaling. Als je -niet betaalt, neem ik je het kind weer af.” - -De waard ging naar een kast en haalde er een vieze portefeuille uit. -Toen nam hij papier, pen en inkt en schreef daar iets op, dat hij zijn -klant voorlegde en beval: - -„Onderteeken!” - -„Ik moet het toch eerst lezen”, zeide de Groote Onbekende met dubbele -tong. En langzaam ontcijferde hij: - - - „Ik, de eerste onderteekenaar, huur hierbij van mister Thomson, - Milton Street 16, het hem toebehoorende kind tot een huurprijs van - 10 shilling, totdat de koopsom van 200 pond is afbetaald. - - Als ik een dag in gebreke blijf, den huurprijs te betalen, verlies - ik alle recht op het bezit van het kind.” - - -De Groote Onbekende las de overeenkomst nog eens en vroeg toen: - -„Wat—wat—is—dat dan—voor een kind?” - -„Vervloekt!” brulde de waard, „een verminkt kind!” - -„Ik—ik—ik bedoel—een jongen of een meisje?” - -„Dat weet ik niet, kerel! Maar dat komt er toch ook heelemaal niet op -aan! Het is hoogstens twee jaren. Als je ’t hebben wilt, moet je nu -toehappen, want morgen vroeg verwacht ik andere klanten!” - -Raffles scheen nog eens na te denken en nogmaals moedigde de herbergier -hem aan met al de overredingskracht, waarover hij beschikte. - -Eindelijk dan toch haalde Raffles het geld te voorschijn, teekende het -papier en zei: - -„Hier hebt ge het geld, mr. Thomson, maar dit papier behoud ik, totdat -ik het kind heb.” - -„Dat kun je,” zei de waard, „morgen zullen we het gaan halen.” - -John Raffles betaalde hem het geld en liet zich daarvoor door mr. -Thomson een kwitantie geven. Toen stak hij een en ander in den zak en -verliet met den waard diens kantoor. - -Deze wees Raffles in een hoek een slaapplaats aan en in de walgelijkste -omgeving legde de Groote Onbekende zich ter ruste. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -EEN KIND GEKOCHT. - - -In denzelfden nacht, dien Raffles doorbracht in de „Blauwe Kroeg” was -mr. Pigott met een van zijn meest vertrouwde bondgenooten, zekeren -Thomas Jackson, naar de woning gegaan van een arme naaister, Mary Grant -geheeten. - -Deze had een kind, een knaapje van twee jaren. Zij had een advertentie -in de krant geplaatst, dat zij haar kind gaarne zou willen afstaan aan -kinderlooze echtelieden. - -Deze soort advertenties zocht mr. Pigott iederen morgen in de kranten. - -Toen zij de woning der naaister binnentraden, zag mr. Pigott met een -enkelen blik den ellendigen toestand der bewoonster. - -In een bed, waarover een deken, uit lompen saamgeflanst, lag een -bleeke, hoestende vrouw, waaraan iedereen kon zien, dat zij nog slechts -korten tijd te leven had. Tering sprak uit haar ingevallen -gelaatstrekken en holle oogen. - -De kamer was gevuld met armelijk huisraad; ondanks de koude brandde -geen vuur en in een kist, met stroo gevuld, lag een slapend knaapje. - -In tegenstelling tot de moeder, straalde dit kind van gezondheid. De -slaap had zijn wangen rood gekleurd en een gelukkig lachje speelde om -den kleinen mond. Blonde lokken omgolfden het liefelijke kindergelaat -en de fijne trekken zouden een kind van aristocratische huize eer -hebben aangedaan. - -Pigott bekeek den knaap met onderzoekenden blik. - -Moeizaam had de naaister zich in haar bed opgericht en met fluisterende -stem vroeg zij, wat de vreemde heeren verlangden. - -Pigott vertrok zijn vet gelaat tot een minzaam lachje. deed zijn -kostbare pels wat open en ging naar het bed der zieke. - -„Ik kom op de advertentie”, sprak hij, „is dat het kind, waarvan ge -afstand wenscht te doen?” - -De zieke vouwde de handen en fluisterde, nauw hoorbaar: - -„Ja!” - -Pigott keek nog eens naar het kind en berekende terstond, dat diens -buitengewone schoonheid hem schitterende voordeelen zou kunnen -bezorgen. - -„Ge ziet”, begon de moeder, „dat ik niet meer in staat ben om te -werken. - -„Ik zelf zou graag honger willen lijden, als het kind maar voedsel had. -Maar ik kan hem niets meer bezorgen en wilde daarom, dat mijn jongen, -voordat ik sterf, in goede handen komt.” - -„Dat komt hij”, beweerde Pigott, „ik beloof u, dat ik het kind als mijn -eigen zal groot brengen en daar ik millionnair ben, zal hij eens mijn -heele vermogen erven.” - -De zieke zag niet den spottenden lach, die in het halfdonker der kamer -over het gelaat vloog van Thomas Jackson, toen hij deze woorden uit -Pigotts mond hoorde. - -Pigott lachte in zijn vuistje. - -Hij begreep, dat hij voor weinig geld het knaapje zou kunnen krijgen. -Volgens zijn meening had de moeder niet langer dan nog twee weken te -leven. - -„Leeft de vader van het kind nog?” vroeg Pigott. - -„O, ja”, hijgde de moeder, „hij leeft nog, maar hij erkent het kind -niet als zijn eigen. - -„Als ik dood ben, zult ge de noodige papieren over den vader van mijn -Freddy vinden en misschien gelukt het u, hem de bekentenis af te -dwingen, dat hij de vader is.—Ge zult hem wel kennen!—Ik was bij een -der eerste Londensche families kamenier.” - -„Allright,” antwoordde mr. Pigott, „ik zal alles probeeren om hem te -vinden, dat beloof ik u.” - -„Ik dank u.” - -„En dan heb ik hier een contract meegebracht, waarin staat, dat ik u -tot uw dood een bedrag van tien pond wekelijks zal uitkeeren.” - -De zieke sloot de oogen. - -„Ik dank den hemel,” fluisterde zij, „dat gij tot mij komt, en hoe -zwaar het mij ook valt te scheiden van het liefste, wat ik bezit, toch -dwingt de nood mij, hiertoe over te gaan, daar mij geen andere keus -blijft!” - -Haar oogen vulden zich met tranen en diep bedroefd viel zij op haar -ellendige legerstede neer. - -Mr. Pigott haalde een bankbiljet van tien pond te voorschijn en legde -dat in de handen der zieke. - -Toen sprak hij tot Jackson: - -„Haal de bontdeken uit de auto—wij zullen het kind er in wikkelen en -mee naar huis nemen!” - -De moeder richtte zich weer op en riep uit: - -„Neen! Neen! Laat mijn kind nog een paar dagen hier! O! Het valt mij -zoo vreeselijk zwaar!” - -Jackson ging heen om het bevel van zijn meester op te volgen. - -„Houd u kalm, mrs. Grant,” zei de millionnair, „’t is zoo het beste. Ge -zult toch zelf wel inzien, dat de kleine hier niet kan blijven en als -ge weer opknapt, sta ik u toe, uw jongen dikwijls te komen zien.” - -De zieke klampte zich vast aan dezen stroohalm. Haar hersens werkten -koortsachtig. Misschien kon zij weer gezond worden en gevoelde zij zich -slechts door wekenlange ontbering zoo afgemat. - -„Geef mij Freddy dan nog eens bij mij,” smeekte de ongelukkige. - -Mr. Pigott nam den knaap. - -Deze keek hem een oogenblik slaapdronken aan met zijn zwarte oogen. - -De moeder sloeg den arm om den hals van het kind, klemde het tegen zich -aan en bedekte zijn gezichtje met kussen. - -Onverschillig, zonder de minste aandoening, keek de schurk naar dit -roerende afscheid, terwijl hij in stilte vloekte over de weekhartigheid -der vrouwen. - -Het kind had zijn armpjes om den hals der moeder geslagen. - -„Waarom schrei je, moedertje? Is dat een stoute oom?” - -„Neen, neen, kind, dat is een lieve oom, die je voor een tijdje mee -neemt en je mooi speelgoed zal geven.” - -„Ook een spoortrein?” - -„Ja, ook een spoortrein.” - -Jackson kwam binnen met de warme deken. De millionnair spreidde ze op -het bed uit en zei: - -„Kom, ventje, dan zal ik je in de warme deken wikkelen en je naar al -het mooie speelgoed brengen.” - -De kleine begreep niet, dat hij van zijn moeder moest scheiden en -zonder zich te verzetten, liet hij zich inpakken. - -Jackson nam het kind en droeg het de kamer uit. Hij was aan dergelijke -tooneeltjes wel gewend en wist zoo goed als Pigott, dat vlug handelen -het beste middel was. - -„Hier hebt ge mijn adres”, zei de millionnair, „en houd u nu kalm, neem -rust en goed voedsel, opdat ge uw kind spoedig kunt terugzien.” - -Zonder zich verder te bekommeren om de schreiende vrouw zette hij zijn -hoed op, deed zijn pels dicht en verliet deze plaats der ellende. - -Voor het huis wachtte zijn auto. - -Jackson was al ingestapt en toen nu ook de millionnair was gaan zitten, -joeg de chauffeur die de derde in het complot was er van door. - -In de villa werden zij door het oude wijf ontvangen. - -„Wel, hebt ge het kind?” vroeg zij. - -„Yes”, lachte de dikke en hij gaf haar het knaapje. „Ik denk, dat je -met dit exemplaar uitstekende zaakjes zult maken. Is er nog iets -gebeurd?” - -„Mr. Thomson heeft getelephoneerd. Hij komt morgen vroeg hier met een -klant.” - -„Het wordt tijd”, antwoordde Pigott, „die vervloekte Raffles heeft al -mijn geld gestolen.” - -Dit gesprek werd gevoerd in de vestibule en het kind, dat beefde in -zijn dunne kieltje, wilde nu Pigott volgen naar de eetkamer. - -Het wijf lachte ruw en pakte het knaapje bij den arm. - -„Daar heb je niets te maken! Ga mee! Ik heb voor jou een extra mooien -salon.—Wat zullen we met hem doen?” - -„Daarover zullen we morgen wel eens praten. Berg hem voorloopig maar -op.” - -Het wijf greep het kind bij zijn armpje en de knaap, die stelselmatig -voelde, dat het booze wijf niets goeds met hem voor had, begon te -huilen. - -„Vervloekte aap!” schold de vrouw, „leelijke kleine aap. Hou je bek! Ik -zal je wijzen, hoe ik je klein krijg!” - -Zij greep het kind bij zijn blonde haren en sleurde hem de keldertrap -af. - -Te vergeefs riep het kind om zijn moeder. Niemand behalve mr. Pigott en -zijn medeplichtigen, die aan de welvoorziene tafel hadden plaats -genomen, hoorde de jammerklacht. - -Het wijf was intusschen met het kind beneden aangeland; daar had zij -een hok met vuil, stinkend stroo opengedaan en de kleine erin geduwd. -De deur werd stevig gegrendeld en de boosdoenster ging naar boven om -mee te smullen. - -Jammerend riep de kleine gevangene om zijn moeder en in den donkeren, -kouden kelder hurkte hij neer, totdat hij, doodelijk vermoeid van het -schreien, insliep. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Het was omstreeks tien uur in den morgen, toen Thomson, de eigenaar van -de „Blauwe Kroeg”, met John Raffles de villa van Pigott binnentrad. - -Een half uur later verscheen de millionnair, die den heelen nacht had -gedronken. - -Thomson deelde het doel van de komst mee. - -„Ja, ik heb een kind van zijn moeder gekocht”, zei Pigott, „maar het -geeft mij hier in huis te veel drukte. Ik kan als vrijgezel geen -kinderen gebruiken en ik ben blij, dat ge mij er weer af wilt helpen. - -„Gaat maar mee naar beneden, heeren, om het kind te zien. Ik heb het in -den kelder moeten opsluiten, omdat ik zijn geschreeuw niet kon -verdragen.” - -Hij schelde en het oude wijf verscheen. - -„Wij willen naar beneden. Mr. Thomson wil den blaag meenemen, maar -eerst moet ge mij honderd pond sterling betalen.” - -„Natuurlijk, hier is het geld!” - -Hij haalde een stapeltje banknoten voor den dag en gaf ze Pigott. - -Deze nam het geld en zei toen: - -„Komt nu mee!” - -Alsof hij moeizaam voorthinkte volgde Raffles. - -Het wijf had intusschen de koopwaar, een ellendig verminkt meisje van -nog geen twee jaren, uit een hok gehaald. Het kind kon slechts een -heesch geluid voortbrengen. Haar oogen waren met pleisters bedekt, daar -zij volgens den millionnair door een oogziekte blind was geworden. - -Raffles kromp het hart in een, toen hij dat rampzalige wezentje zag, -maar tegelijkertijd keek hij scherp rond om de omgeving nauwkeurig op -te nemen. Van achter een houten beschot hoorde hij duidelijk het huilen -en kermen van kinderen. - -„Staat het wurm je aan?” vroeg Thomson, „nou, heb ik je teveel gezegd?” - -Raffles deed, alsof hij het kind onderzoekend bekeek. - -Daar hoorde hij plotseling een kinderstem, die uitriep: - -„Moedertje lief, goed moedertje, help toch!” - -Deze woorden deden lord Lister alle koelbloedigheid verliezen. - -Met één sprong was hij bij de deur, schoof den grendel weg, zag een -knaap met blond haar, greep hem, nam hem op den arm en onder den -uitroep: „Dezen wil ik koopen!” vloog hij naar de trap. - -Dit alles geschiedde zoo bliksemsnel, dat noch Pigott noch Thomson iets -konden doen om Raffles deze handeling te beletten. - -Reeds was de Groote Onbekende op de trap, toen de stem van Pigott -klonk: - -„Pakt den schurk!” - -Maar het was te laat. - -John Raffles, die het huis kende, was door de eetkamer naar de veranda -gevlogen en toen in het park gesprongen. - -Hij rende door de paden, sprong over het hek en kwam in den tuin van -zijn eigen villa. - -Hijgende stormde hij de kamer binnen, waar Charly Brand verschrikt was -opgesprongen en voor dezen legde hij het kind op het tapijt neer. - -De kleine Freddy schreeuwde, alsof hij aan het spit werd gebraden. - -Lord Lister stond op uit den stoel, waarin hij was neergevallen en zei: - -„Ik heb geen tijd te verliezen, Charly, zorg goed voor den knaap, ik -moet weer weg.” - -Hij ging zijn kleedkamer binnen en eenige oogenblikken later kwam hij -er, als heer gekleed, weer uit. - -Charly had intusschen het kind in een warme deken gewikkeld en bij het -vuur gelegd, terwijl een dienaar melk en koek bracht. - -Lord Lister trad even naar den knaap toe en streelde hem het blonde -haar: - -„Nu wordt alles goed, ventje en ik geloof, dat wij goede vrienden -zullen worden. Hoe heet je?” - -„Freddy”, stamelde het kind. - -In hetzelfde oogenblik hoorde Raffles het geroep van mannenstemmen in -het park van zijn villa. - -„Dat zullen mijn vervolgers zijn”, sprak hij, „ik geloof, dat ze over -den muur zijn geklommen.” - -Hij deed de balkondeuren open en zag op eenige meters afstand Pigott en -Jackson. - -„Wat wilt ge?” vroeg Lister. - -Verschrikt keken de heeren naar den aristocratischen heer, die daar in -rokcostuum stond en hen door zijn monocle scherp aankeek. - -Pigott antwoordde: - -„Wij zoeken een inbreker!” - -„Ga dadelijk van mijn grondgebied en laat de politie voor u naar -inbrekers zoeken!” - -Pigott en Jackson wisten met hun houding geen raad. Zij aarzelden nog -een oogenblik en verlieten toen vloekend het park. - -„Ellendige schurken!” mompelde Raffles, „wacht maar, ik zal jullie -krijgen!” - -Hij ging weer de kleedkamer binnen en trok een lange overjas aan. In -plaats van den hoogen zette hij een ronden, zwarten hoed op. - -Hij sprak met Charly Brand nog een en ander betreffende den knaap en -verliet toen het huis. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -INSPECTEUR BAXTER. - - -Elf uur ’s morgens. - -In Scotland Yard gaat, op inspecteur Baxters schrijfbureau, de telefoon -over. - -Onwillig nam deze den hoorn op. - -„Hallo!” - -„Is daar inspecteur Baxter?” - -„Ja.” - -„Hier Pigott, Regent-Park.” - -„Goeden morgen!” - -„Morgen!” - -„Wat is er van uw verlangen?” - -„Kom alstublieft dadelijk met eenige detectives. Ik heb John Raffles -ontdekt, hij moet gearresteerd.” - -„Wat zegt ge? Weet ge het zeker?” - -„Beslist!” - -„Allright! Over tien minuten zijn we bij u.” - -Baxter legde den hoorn op het toestel en schreeuwde: - -„Marholm! Detective Marholm!” - -„Ja, dadelijk, inspecteur!” - -Daar kwam „de vloo” al aangedraafd. - -„Wat blieft u, inspecteur?” - -„Haal onze tien beste detectives en laat een auto voorkomen.” - -„Allright!” - -„Haast je wat!” - -„Natuurlijk!” - -Maar Marholm haastte zich allerminst. Op z’n dooie gemak stak hij een -sigaar op en deed toen, alsof hij met zijn tijd geen raad wist, wat -zijn chef hem had bevolen. Daarna ging hij Baxter meedeelen, dat alles -in orde was. - -„Uitstekend!” - -Marholm grijnsde eens met breeden lach. Toen dacht hij zoo bij zich -zelf: - -„Ik verwed mijn hoofd tegen een broeksknoop, dat de chef weer eens op -Raffles gaat jagen. Die haast komt mij wel wat verdacht voor. Enfin, ik -zal het me maar een beetje makkelijk maken op zijn sofa.” - -En Marholm rekte zich lui uit en rookte vol welbehagen zijn sigaartje. - -Baxter had Marholm, een der snuggerste detectives, tot zijn secretaris -benoemd; Marholm’s spottende opmerkingen over Raffles kon Baxter niet -goed verdragen en nu was de spotter tenminste geen ooggetuige meer van -al de nederlagen van den inspecteur. - -Binnen een half uur was de auto met de detectives aan de villa in -Regent-Park. - -Pigott ontving Baxter in zijn vorstelijk gemeubelde studeerkamer en -bood hem een goede sigaar, terwijl de detectives voor de deur in de -auto wachtten. - -„Ik zal u vertellen,” begon de millionnair, „wat er gebeurd is. Vandaag -kwam een bedelaar, die mij voor mijn huis om een aalmoes vroeg. Ik had -medelijden met den armen kerel, nam hem mee naar binnen en liet hem in -de keuken wat eten geven. Daar werd toevallig een gouden tafelservies -schoongemaakt. Plotseling pakte de kerel een zware, gouden kan beet en -de schooier, die zich eerst op krukken moeilijk had voortbewogen, -verdween in volle vaart met zijn buit. Mijn bediende en ik volgden hem. -Hij vluchtte door het park, sprong over een muur en vluchtte in een -huis, waarvan ik dacht, dat het al sinds jaren niet bewoond werd. Ge -weet welk huis ik bedoel. Het is dat van den verscheiden jaren geleden -ontvluchten lord Lister. Mijn bediende en ik volgden den vluchteling en -kwamen op het vreemde terrein, waar ons door een man werd bevolen stil -te staan, die op het balkon van de villa stond en zei, dat wij dadelijk -den tuin moesten verlaten. In het eerste oogenblik herkende ik hem -niet, maar toen ook begreep ik dadelijk, dat het lord Lister, de -gevreesde Raffles, of, zooals de pers hem noemt, de Groote Onbekende -was.” - -„Waarom hebt ge hem dan niet dadelijk gearresteerd?” - -Pigott lachte eens. - -„Dacht ge, dat ik lust had om door een pistoolschot een eind aan mijn -leven te zien gemaakt? Neen, inspecteur, dat laat ik den politiemannen -over. Hebt gij lust Raffles te vangen? Ik niet!” - -Baxter dacht eenige seconden na. - -Hij dacht nog eens na over het verhaal, hem door Pigott gedaan en kon -natuurlijk allerminst vermoeden, dat deze een handige leugen had -verzonnen, omdat het in zijn belang was, dat Raffles zoo spoedig -mogelijk werd gearresteerd. - -Hij stond op en zei: - -„Ik zal dadelijk het huis laten doorzoeken.” - -Hij gaf zijn lieden het bevel, dat de eene helft in het park van lord -Lister moest gaan om het huis te bewaken, terwijl hij zelf en de andere -helft van de straat af het huis zou binnengaan. - -Charly Brand zat met Freddy, waarmee hij heel gauw vriendschap had -gesloten, in lord Lister’s studeerkamer en speelde met den knaap, toen -de oude kamerdienaar verschrikt binnentrad. - -„Vlucht spoedig! De politie wenscht te worden binnengelaten!” - -Zonder te aarzelen vloog Charly Brand met de kleine naar den -schuilhoek, hem door Raffles gewezen. De ruimte was groot genoeg voor -beiden. Charly moest er nu slechts voor zorgen, dat het kind door het -een of andere geluid den boel niet verried. - -„Hou je mond, ventje, anders pakt die oude, stoute vrouw ons,” -fluisterde hij. - -De herinnering aan dat wijf deed de kleine zwijgen. Angstig sloeg hij -zijn armpjes om den hals van zijn beschermer en verborg zijn hoofdje -aan diens schouder. - -Door den houten wand hoorde Charly de stemmen van de detectives en van -Baxter. - -„Ik zocht hier eens voor jaren,” zei deze „en toen lukte het Raffles -door die klok te ontsnappen en mij en mijn collega’s in deze slaapkamer -op te sluiten. Het lijkt hier wel een vossenhol en de duivel mag weten, -of wij hem ooit zullen vinden. Destijds hebben wij op alle muren van -deze kamer geklopt, alle schilderijen van den muur gehaald, de tapijten -opgenomen, maar er was niets te vinden, net zoo weinig als nu. Het -verbaast mij, wat dat speelgoed daar doet bij den haard. Wij zullen het -in elk geval maar meenemen.” - -Een der detectives nam het speelgoed, dat Charly voor kleinen Freddy -had voor den dag gehaald en stak het in den zak. - -Bijna een uur doorzochten zij het huis, maar — — John Raffles was er -niet te vinden. - -Zonder den millionnair iets te berichten, reed Baxter met zijn mannen -naar Scotland Yard terug en stoorde daar Marholm in zijn heerlijken -sluimer. - -De inspecteur wekte hem met een stoot en verweet hem op luiden toon, -dat hij zijn plichten zoozeer verzaakte. - -De vloo keek zijn chef met een spotlach aan. - -Baxter deelde den detective noode den loop van het onderzoek mede, maar -het was noodig, wijl Marholm het protocol moest opmaken. - -Toen Marholm het kinderspeelgoed zag, nam hij een trekpoppetje in de -hand en barstte uit in luid lachen. - -„John Raffles is een filosoof, inspecteur!” - -„Hoezoo?” - -In plaats van eenig antwoord te geven, zong Marholm uit volle borst: - - - „O zalig, o zalig, een kind nog te zijn!” - - -„Je bent een groote gek,” zei Baxter, „hou op met dat zingen en raad -mij liever eens, wat te doen in zoo’n geval!” - -Marholm dacht eenige seconden na. - -„Ik geloof dat het maar het beste is, als ge eens met dien Pigott, die -beweert Raffles zoo goed te kennen, door de straten van Londen gaat -wandelen om den Grooten Onbekende te zoeken!” - -„Die raad is niet slecht,” zei Baxter en hij verliet met twee van zijn -mannen het bureau. - -Marholm lachte in zijn vuistje. Hij kon zijn onderbroken slaapje nu -voortzetten. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Pigott was heelemaal niets ingenomen met het voorstel van Baxter om -verscheiden uren door Londen te gaan slenteren en te probeeren Raffles -te ontdekken. - -Maar hij vreesde Raffles te zeer om niet alles in het werk te stellen, -ten einde den man te ontdekken. - -En deze poging, oogenschijnlijk zoo dwaas, zou inderdaad beloond -worden. - -Baxter dacht er juist over na, of hij niet met Pigott naar „Hotel -Cecil” zou gaan dineeren, toen plotseling de millionnair met doodsbleek -gelaat den arm van Baxter greep en naar een persoon wees, die, in een -grijze jas, langzaam voortliep, een sigaret rookte en het hotel -binnentrad. - -„Wat is er?” vroeg de inspecteur, „ziet ge een spook?” - -„Neen! Geen spook, maar Raffles!” - -„Ge vergist u,” zei Baxter, „waar is hij?” - -„Dáár! Hij is „Hotel Cecil” binnengegaan; ik herkende hem dadelijk!” - -Het tweetal haastte zich en zag nog juist den rug met de grijze jas, -die in de vestibule van het hotel verdween. - -Nog eens herhaalde Pigott: - -„Dat is Raffles!” - -Maar zoo groot was in Baxter de angst voor Raffles, dat hem nu, waar -hij hem zoo nabij was, de knieën knikten. - -Hij was niet in staat, een stap te loopen. - -Eindelijk was hij weer zoover op streek gekomen, dat hij zijn beide -detectives riep van de andere zijde der straat. - -„Hebt ge een heer gezien in een grijze jas?” vroeg Baxter den portier -van het hotel. - -„Ja,” antwoordde deze, „hij is de leeszaal binnengegaan.” - -Baxter ging naar de aangeduide zaal aan het einde der gang. - -„Dank u!” - -Hier was lord Lister. - -Toen Baxter de zaal wilde binnengaan, verliet Lister dezen om een -adresboek te gaan halen en toen hij den politieinspecteur zag, -overlegde hij bliksemsnel bij zichzelven, wat hem te doen stond. - -„Daar is hij!” schreeuwde Baxter. - -Maar Raffles was in hetzelfde oogenblik een aangrenzend zaaltje, den -theesalon, binnengestapt, draaide den sleutel om en liep het terras -over, dat naar de breede straat langs de Theems leidde. - -En terwijl op deze handige manier de Groote Onbekende wel opzien baarde -in den theesalon, maar toch ook behouden en wel op straat belandde, -morrelden Baxter en zijn mannen aan den buitenkant der deur en riepen -door het sleutelgat waar de man met de grijze jas was gebleven. - -„Naar den Theemsoever gegaan,” antwoordde men hem. - -„Vooruit!” beval Baxter, „hem dadelijk achterna.” - -Raffles had een voorsprong van verscheiden duizenden meters. Het was -omstreeks vijf uur in den middag en het begon al wat te schemeren. - -De drukte aan den Theemsoever was om dezen tijd al bijzonder groot en -Raffles durfde niet al te vlug te loopen om geen opzien te baren. - -Baxter en zijn mannen echter renden er van door en naderden steeds -dichter. - -Ieder oogenblik riep Baxter: „Halt of ik schiet!” - -Maar er waren te veel menschen tusschen hem en Raffles, die het zaakje -met belangstelling gadesloegen, waarom Baxter echter niet kon schieten. - -Plotseling bemerkte Raffles, dat een politieagent, een kerel als een -boom, zich aansloot bij het publiek en hem vlak op de hielen was. -Haastig had hij zijn jas uitgetrokken en toen de agent hem wilde -grijpen, wierp hij dezen het kleedingstuk in het gelaat, zoodat de man -niets kon zien. - -Reeds voelde Raffles, dat zijn krachten hem begaven. - -Maar eensklaps gleed een spotlach over zijn strak gelaat. Hij bleef een -oogenblik staan en Baxter meende reeds dat Raffles, die vlak bij den -Theemsoever stond, zich gevangen zou geven. Hij wilde hem reeds grijpen -maar Raffles liep weer vooruit en opnieuw begon de jacht langs de -rivier. - -Baxter echter zag, dat de vervolgde uitgeput geraakte en dit spelletje -wel niet lang meer zou kunnen volhouden. - -Reeds strekten allen de handen uit om Raffles te pakken, maar— —zij -grepen in de lucht, in de ijle ruimte. Met een grooten sprong, zijn -hoed tot afscheid zwaaiend tegen Baxter, sprong Raffles in de Theems en -riep: - -„Goeden dag, inspecteur, ’t is jammer voor mijn lakschoen!” - -Toen sloten de golven zich over zijn hoofd. - -Baxter rende als een gek aan den oever heen en weer en schreeuwde: - -„Een boot, een boot! Touwen en haken! Wij moeten hem ophalen! Wij -moeten hem hebben!” - -Hij vloog met zijn lieden naar de brug om daar in een reddingboot te -stappen. Daarin roeide hij in aller ijl naar de plaats, waar Raffles in -de Theems was gesprongen. - -Maar niets was van hem te ontdekken.— — — - -Niet ver van de plaats werd een uur later in de duisternis door een -heer een cab aangeroepen, die in een donkere portiek stond. - -De koetsier kon door de duisternis zijn „vrachie” niet nader bekijken. - -„Regent-Park 14”, zei de reiziger en de cab bracht hem daarheen. - -Toen de koetsier voor de villa stilhield, verbaasde hij er zich over, -dat zijn passagier in het koude weer geen overjas droeg. De vreemdeling -gaf hem een goede fooi en verdween toen in de villa. Het was de villa -van lord Lister en Raffles zelf was het, die zich naar huis had laten -rijden. - -Hij was niet verdronken in de Theems zooals Baxter en de grinnikende -Pigott meenden. - -Toen hij vervolgd werd, bedacht hij onderwijl, dat een groote buis in -de Theems uitmondde en op deze plaats was hij in de rivier gesprongen. - -Hij was een uitstekend zwemmer en kon zich gemakkelijk door de buis -naar boven werken, tot waar deze op de straat uitmondde. - -In deze buis bleef hij totdat de duisternis was ingevallen; toen hief -hij het deksel op en stond op straat. - -Met een cab liet hij zich naar zijn huis brengen om daar van kleeren te -wisselen. - -Toen hoorde hij van Charly Brand, dat zijn huis te vergeefs door de -detectives was bezocht Hij keek nog eens naar den slapenden Freddy en -kuste den knaap op het voorhoofd. - -„Ga mee, Charly, maak je klaar.” - -Een paar minuten later slenterde Raffles in een elegante pels, -onverschillig een sigaret rookend, met Charly Brand door de straten van -Londen en luisterde met de grootste belangstelling naar de -krantenjongens, die in extra-uitgaven zijn dood in de Theems meldden. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -BIJ DEN LORD-MAYOR. - - -Voor het huis van den lord-mayor van Londen liepen twee schildwachten -der Iersche garde op en neer. - -De groote berenmutsen hadden zij wegens de koude iets dieper dan -gewoonlijk over de oogen getrokken en zij surveilleerden bijna in -looppas. - -Plotseling bleef een van hen staan en riep: - -„Halt!” - -Twee heeren in elegante pelsjassen stonden voor hen en verlangden te -worden binnengelaten. - -Het waren lord Lister en Charly Brand. - -„Wij wenschen den lord-mayor te spreken,” zei Raffles. - -„Voor zaken of particulier?” - -„Voor zaken”, antwoordde Raffles. - -„De werkuren van den lord-mayor zijn om vijf uur des middags -afgeloopen”, antwoordde de schildwacht. - -„Dien mij dan als particulier aan”, zei de lord. - -„Ook dat is onmogelijk”, zei de schildwacht, „de lord ontvangt vandaag -niet, omdat hij nog te werken heeft.” - -„Het is goed”, zei lord Lister, en hij ging met Charly Brand verder. - -Aan den overkant der straat bleef hij staan en keek eens naar het -groote gebouw, waarin de lord-mayor van Londen woonde en een licht op -de eerste verdieping verried Raffles de kamer, waar naar alle -waarschijnlijkheid de lord-mayor zat te werken. - -Eenige oogenblikken later zei hij tot Charly Brand: - -„Ga jij nu naar huis, mijn jongen! Goeden nacht!” - -„En wat ben jij van plan?” vroeg Charly Brand. - -„Ik wil den lord-mayor van Londen spreken.” - -„Maar dat is toch niet mogelijk naar je gehoord hebt.” - -„Niets is onmogelijk.” - -Hij reikte Charly Brand nog eens de hand en deze zag, hoe Lister met -elastischen tred over het plaveisel liep, een lucifer aanstak en -daarmee een sigaret ontgloeide. - -Daarna zag Charly, dat hij het huis van den lord-mayor voorbijging en -daarna het huis er naast binnentrad. - -Charly ging heen. Hij kon maar niet begrijpen, wat Raffles daar in dat -gebouw had te zoeken.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Lord Abercron, lord-mayor van Londen, zat met zijn secretaris in zijn -studeerkamer te werken. Hij was verdiept in de stukken, die voor hem -lagen, zoodat hij er niet op lette, toen zijn kamerdeur werd geopend en -eerst verschrikt opkeek, toen zijn secretaris plotseling opsprong en -met luider stem uitriep: - -„Wie zijt ge, wat wilt ge?” - -Lord Abercron stond eveneens op en keek naar de deur. - -Daar stond de slanke gestalte van een vreemdeling, het type van een -gentleman. - -„Wat verlangt ge?” vroeg Abercron, „en hoe is het mogelijk, dat men u -heeft binnengelaten?” - -De vreemdeling naderde en zei: - -„Pardon. Maar als ik den koning wensch te spreken, dan ook word ik -toegelaten. Ik kom overal binnen, waar ik wil en geen wacht of beambte -kan mij daarin den weg versperren.” - -Deze woorden bezorgden lord Abercron een lichte rilling.—„Was dat een -gek of een spook?” - -„Ik begrijp u niet,” sprak hij, „maar daar ik het bewijs van uwe -bewering voor mij zie, wilt ge zeker wel de goedheid hebben, mij nader -te verklaren, wien ik de eer heb te spreken.” - -De vreemdeling boog met een vriendelijk lachje en zei: - -„Mijn naam is John C. Raffles.” - -De lord-mayor en zijn secretaris vlogen van schrik achteruit. Een -bovenaardsche verschijning had op hen geen schrikkelijker uitwerking -kunnen hebben. - -De lord kreeg het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug en zei: - -„Schertst ge of wat praat ge anders voor onzin?” - -„Geen onzin,” antwoordde Raffles, „of denkt ge, dat ik voor mijn -pleizier over de daken naar hier ben geklauterd?” - -„Over de daken?” herhaalde lord Abercron. - -„Ja,” antwoordde Raffles, „ik ben van hiernaast bij u overgesprongen. -Dat was een heele waaghalzerij.” - -„Als ge geen slechte bedoeling hebt,” sprak Abercron, „al zijt ge ook -de veelbesproken Raffles, waarom komt ge dan midden in den nacht bij -mij?” - -„Omdat mijn boodschap geen uitstel kan lijden,” antwoordde de Groote -Onbekende, „ik kom om met de hulp van uwe lordschap het vreeselijke -lijden van ongelukkige schepsels te verzachten. Ik kom zelfs, op gevaar -af, dat ge mij laat arresteeren en in de gevangenis werpen.” - -Nu keek lord Abercron in gespannen aandacht naar Raffles en zich -herinnerend dat lord Lister, voordat hij zich aan de inbrekerssport -wijdde, zijn standgenoot was, zei hij: - -„Ga zitten, lord Lister. Het moet wel een belangrijk iets zijn, dat u -er toe drijft, u te wagen in het hol van den leeuw.— —Zal ik mijn -secretaris wegzenden?” - -„Dat laat ik geheel aan u over, sta mij toe, dat ik u thans mijn -verhaal doe.” - -En lord Lister begon hem de geschiedenis van mr. Pigott te vertellen - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Terwijl lord Lister bij den lord-mayor zich bevond, was Baxter naar -Scotland Yard teruggekeerd—het was tegen negen uur des avonds—om den -nachtdienst over te geven aan zijn collega Thomas. Daar ging de -telefoon over en Marholm nam den hoorn van het toestel. - -„Hier Baxter, Scotland Yard!” - -„Hier Hittner, de secretaris van lord Abercron.” - -„Wat belieft u?” - -„Lord Abercron beveelt, dadelijk mr. Pigott, Regent-Park 12, te -arresteeren en naar Scotland Yard te brengen om verhoord te worden. -Zijn lordschap zal daar zelf komen.” - -„Uitstekend,” zei Marholm en hij legde den hoorn weer neer. - -„Wat is er?” vroeg Baxter, die haast had om naar huis te komen. - -„De lord-mayor verzoekt u, inspecteur Baxter, om mr. Pigott hier te -brengen, opdat zijne lordschap hem persoonlijk in verhoor kan nemen.” - -„Alle duivels! Wat moet dat beteekenen?” - -Marholm haalde de schouders op. - -„Ga mee, Marholm, het bevel luidt immers, dat Pigott direct moet -gearresteerd worden? Wat ter wereld heeft lord Abercron met dien Pigott -te maken? ’t Is vreemd!” - -Het tweetal spoedde zich naar Pigott. Verschrikt sprong deze op, toen -Marholm en Baxter zijn eetkamer binnentraden en hem meedeelden, dat hij -dadelijk naar Scotland Yard moest komen. - -„Wat is er? Wat moet ik? Hebt ge Raffles misschien uit de Theems -gehaald?” - -Over het gelaat van Marholm vloog een spotlach en om Pigott tot wat -spoed aan te drijven sprak hij: - -„Ja, wij hebben hem er uit gehaald.” - -Die woorden hielpen. Hij kleedde zich haastig en verliet met Baxter en -Marholm de villa. De lord-mayor was nog niet verschenen. - -Daar ging de deur open. - -Een heer in pelsjas kwam binnen, fixeerde Baxter eenigen tijd en vroeg: - -„Inspecteur Baxter?” - -„Jawel! Met wien heb ik het genoegen?” - -Daar weerklonk een vreeselijke gil en Pigott schreeuwde: - -„Raffles! Raffles! Een spook! Help!—” - -Die woorden werkten als een bom. - -Allen, behalve Marholm, wilden vluchten. Glimlachend keek Raffles toe -en zei: - -„Die man heeft gelijk. Ik ben Raffles!” - -Nu brulde Baxter: - -„Sluit hem in boeien! Vooruit! Het is Raffles!” - -En terwijl allen, behalve „de vloo”, zich op Raffles wierpen, riep -Baxter maar uit: - -„We hebben hem! Gelukkig! Eindelijk! Nu zal hij op water en brood -zitten, totdat hij alles heeft teruggegeven, wat hij gestolen heeft.” - -Daar ging de deur nogmaals open en een onder-officier van de Iersche -garde meldde met luider stemme: - -„De lord-mayor van Londen, lord Abercron”. - -Deze trad binnen met een vriendelijk „goeden avond”, klopte toen -Raffles eens joviaal op den schouder en zei: - -„Goeden avond, waarde lord. Ik zie, dat ze u een paar ijzeren -handschoenen hebben aangetrokken.” - -„Ja”, lachte Raffles, „aan beleefdheid heeft het mij hier niet -ontbroken.” - -Als een bliksemstraal troffen deze woorden al de omstanders en hun -verbazing kende geen grenzen, toen Abercron gelastte: - -„Neem den lord de handboeien af!” - -Marholm haastte zich, het bevel op te volgen. - -„En doe dien heer de boeien aan”, beval de lord-mayor en hij wees naar -mr. Pigott. - -Deze brulde als een stier, toen hij die woorden hoorde en stevig werd -beetgepakt. - -In een oogwenk was hij geboeid. - -„Ga met uw beambten”, beval thans de lord-mayor, „naar de villa van -dezen man, waarheen ge hem moet meenemen. Lord Lister zal in dit proces -optreden als getuige en als zoodanig staat hij ook onder de speciale -bescherming van de Kroon. Ge moogt hem dus niet het minste aandoen.” - -Baxter en alle detectives bogen diep en de heele stoet van Scotland -Yard, met mr. Pigott in hun midden, trok erop uit, terwijl zich nog -eenige doktoren bij hen hadden gevoegd. Zoo trok men, met lord Lister -aan het hoofd, naar de villa in Regent-Park. - -Marholm, die naast den geboeiden Pigott in de auto zat, merkte op, dat -deze, toen men voor zijn villa was aangekomen, eensklaps een luiden -schreeuw wilde slaken om zijn medeplichtigen te waarschuwen. Maar dit -geschiedde niet, want toen Marholm zag, wat Pigott wilde beginnen, -drukte hij hem bliksemsnel de hand op den mond en de schreeuw werd -gesmoord. Zijn hand nam Marholm eerst weer weg, toen de deur der villa -geopend was. - -Jackson stond op den drempel en te laat zag deze, dat men gesnapt was, -want reeds werd hij gegrepen en geboeid. - -Het viel nu niet zoo heel moeilijk om ook de derde medeplichtige en het -wijf te arresteeren. Lord Lister ging nu de anderen voor naar den -kelder. Het gelukte hem nu al heel spoedig om de geheime deur te -openen, waarvan hij het mechanisme kende, en de heeren belandden dus -vrij spoedig in de kelderruimte, waar zich zulke afgrijzelijke -tooneelen voor hun oogen afspeelden, dat zij meenden in de hel te zijn -verplaatst. - -Uit vieze, vuile hokken, op hoopen stroo, dat maanden lang reeds lag te -rotten en waarin het ongedierte hoogtij vierde, haalden de doctoren -schepseltjes te voorschijn, die men op de meest wreedaardige wijze -kunstmatig had verminkt. - -Het waren kinderen, jongens en meisjes tot drie-jarigen leeftijd, die -men alle opzettelijk verminkt en van hun ledematen beroofd had. Met -gloeiende ijzers werden de stompen afgebrand en dan weer zoo goed en -zoo kwaad als het ging genezen. Bleef het ongelukkige kind leven dan -werd het, zooals wij dat bij Raffles en mr. Thomson zagen, verkocht aan -den een of anderen bedelaar uit Londen, stierf het, tengevolge van de -vreeselijke pijnen, dan werd het in een onderaardschen put geworpen. De -aanwezige doctoren bemoeiden zich terstond met de arme stumperdjes en -lieten ze naar de ziekenhuizen brengen. - -Uit het onderaardsche kerkhof haalden de doktoren zeventig geraamten of -in verregaanden staat van ontbinding verkeerende lijkjes te voorschijn. -Verscheiden detectives vielen flauw, toen zij al die ellende zagen en -Raffles beweerde, dat hij zelfs niet op de slagvelden van Egypte of -Zuid-Afrika zulke vreeselijke tooneelen had bijgewoond als de aanblik -gaf van deze onschuldig vermoorde wezentjes. - -Terwijl de doktoren en eenige detectives den kelder ontruimden, begaven -de lord-mayor en Raffles zich naar de slaapkamer van mr. Pigott, die -zij doorzochten. In een jaszak van den millionnair vonden zij de krant, -waarin de arme naaister Mary Grant haar zoontje te koop aanbood. Deze -advertentie had Pigott met blauw potlood aangehaald. - -Raffles nam deze krant en verzocht toen den lord-mayor en Baxter om hem -te volgen naar de naastbij gelegen woning. - -Charly Brand, die met het grootste ongeduld wachtte op de terugkomst -van lord Lister en in de grootste zenuwachtigheid verkeerde, schrikte -niet weinig, toen hij plotseling de huisbel hoorde overgaan en vreemde -stemmen vernam. Hij was op het punt om zich opnieuw te verbergen in den -door Raffles aangeduiden schuilhoek, toen hij lord Lister’s stem -hoorde, die zei: - -„Hierheen, heeren, deze trap op!” - -Eenige minuten later werd de deur geopend en lord Lister trad binnen, -vergezeld van lord Abercron en detective Marholm. - -Vol verbazing en bewondering keek lord Abercron om zich heen. Dat was -dus het veel beruchte dievenhol, waar het zoo echt gezellig en -gemakkelijk uitzag. - -Maar Raffles liet hem niet al te lang den tijd. Hij bracht hem naar de -slaapkamer en toonde hem daar het blonde knaapje. Rustig sluimerde het -kind, en een lachje speelde om zijn lippen. - -„Hier is de kleine,” zei Raffles, „dien ik den schurk heb ontstolen en -bovendien—hij wendde zich tot Charly Brand—heb ik dien man voor 60,000 -pond sterling beroofd, die ik thans aan u overdraag met het vriendelijk -verzoek, deze geldsom te besteden in het belang van de ongelukkige -slachtoffers, de verminkte kinderen.” - -Hij liet Charly de geldsom uitbetalen. - -Lord Abercron nam het geld, keek er eenige seconden naar en toen keek -hij naar Raffles. Daarop reikte hij dezen de hand en zei: - -„Ik benijd u om uw sport, lord Lister en, te oordeelen naar het -resultaat, dat ge mij vandaag van uw werken hebt gegeven, zou ik -wenschen een Raffles te zijn.”— — - -Daarmee gaf hij hem nogmaals de hand. - -„Ik moet gaan, het is al laat geworden!” - -„Toch nog niet te laat om iemand groote vreugde te bereiden. Ik zal de -moeder van dit kind gaan opzoeken en haar het knaapje terugbrengen.” - -„Ik zal voor moeder en kind zorgen,” zei lord Abercron. „Kom morgen bij -mij en zeg mij, wat ik doen kan.” - -Lord Lister boog. - -„Staat ge mij toe,” vroeg hij, „dat ik u nog één verlangen van mij -kenbaar maak?” - -„En dat is?” - -„Ik heb hier in huis nog een paar uitstekende touwen. Ik geloof, dat -inspecteur Baxter ze indertijd heeft gekocht bij een touwslager, met de -bedoeling om er mij aan op te hangen en ze hier thuis heeft -achtergelaten. Dat voornemen van Baxter is tot nog toe niet ten uitvoer -gebracht. Zoudt gij die touwen misschien willen meenemen als geschenk -van mij voor mr. Pigott en zijn collega’s?”— - -Lord Abercron lachte. Het was zijn eerste glimlach op dezen avond en -ook detective Marholm lachte, toen lord Lister een verwarde kluwen touw -te voorschijn haalde. - -Hij gaf ze den lord-mayor van Londen met de woorden: - -„Een echte Rafflesstrop voor Pigott en zijn medeplichtigen.” - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0018: HET -GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
