summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69680-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-25 08:13:18 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-25 08:13:18 -0800
commit860067f7f91c6b15c718a7130b031b03ffd631b2 (patch)
tree017aed9747910c6cbe15742855a4551fe9525a91 /old/69680-0.txt
parentb23d34392432b514410e04523ec67a29441625da (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/69680-0.txt')
-rw-r--r--old/69680-0.txt2786
1 files changed, 0 insertions, 2786 deletions
diff --git a/old/69680-0.txt b/old/69680-0.txt
deleted file mode 100644
index 55e1d4f..0000000
--- a/old/69680-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2786 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0018: Het geheim van
-de verminkte kinderen, by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen
-
-Authors: Kurt Matull
- Theo Blakensee
-
-Release Date: January 1, 2023 [eBook #69680]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0018: HET
-GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN ***
-
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 18 HET GEHEIM DER VERMINKTE KINDEREN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN.
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE MISLUKTE INBRAAK.
-
-
-„Ik zou wel eens willen weten,” zei lord Lister tegen zijn vriend
-Charly Brand, „waar de millioenen van den heer Pigott vandaan komen. Ik
-herinner mij niet, dat de man ooit de een of andere zaak heeft
-gedreven. Ook hoorde ik nooit, dat hij uit Indië of Afrika een rijke
-erfenis heeft gekregen. Hij komt niet aan de Beurs, is ongetrouwd en
-heeft in de tien jaren, dat ik hem ken, niets anders uitgevoerd dan
-goed te eten, te drinken en te wonen. De een of andere sport of andere
-bezigheid, waarmee hij z’n tijd doodt, kent hij niet. Ik moet dat
-geheim toch zien te doorgronden.”
-
-Lord Lister zat, terwijl hij deze woorden sprak, in een makkelijken
-fauteuil voor den schoorsteen van zijn huis in Londen.
-
-In deze woning bracht John Raffles, de Groote Onbekende, zijn vacantie
-door. Hij had het huis gestoffeerd met allerlei kunstschatten uit vele
-landen en er was wellicht geen tweede persoon te vinden, wiens woning
-zoo weelderig was ingericht als die van lord Lister.
-
-De vensters aan den voorkant der straat van Regent-Park waren dicht
-gesloten en alleen het gedeelte waar onder in het gebouw de oude
-vertrouwde bediende woonde, toonde aan, dat het huis bewoond was.
-
-Aan den achterkant lag een klein, keurig aangelegd park en hier waren
-alle vensters geopend om de milde winterlucht te laten binnenkomen. Van
-af het balkon kon Raffles de villa van Pigott zien; het huis schemerde
-ter linkerzijde door de boomen.
-
-Charly Brand, de secretaris van lord Lister, had zijn lectuur gestaakt
-en opmerkzaam geluisterd naar wat hem zijn vriend en meester vertelde.
-Hij keek eens naar het huis en antwoordde:
-
-„Ik geloof, Edward, dat de meeste menschen, die hier in Regent-Park in
-vorstelijke woningen huizen, hun vermogen op vreemde wijze verworven
-hebben.”
-
-„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles. „Maar deze Pigott boezemt mij
-bijzonder veel belang in; ik zal hem daarom eens een bezoek gaan
-brengen, want ik kan mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, ’t Is
-nu vijf uur, we zullen nog een uurtje wachten, en zoodra het heelemaal
-donker is, eens de woning van den millionnair wat nader gaan
-beschouwen.”
-
-Het liep tegen zeven uur, toen Raffles op weg toog met Charly Brand.
-Beiden waren hoogst eenvoudig gekleed, terwijl ze hun gelaat vermomd
-hadden. Zonder de minste moeite sprongen ze over het hek, dat het
-grondgebied van Pigott scheidde van dat van Raffles.
-
-Ook de villa van Pigott lag in een parkachtig aangelegden tuin, die
-echter dubbel zoo groot was als de tuin van Raffles. Voorzichtig slopen
-zij door de bosschages, terwijl de Groote Onbekende naar alle kanten
-loerde. Een breede trap leidde uit het park naar een groote veranda,
-die gedeeltelijk door een marquise gesloten was. Daardoor kon John
-Raffles niet zien of er zich iemand in de serre bevond. Een oogenblik
-bleef het tweetal staan, en dat was heel verstandig, want een bediende
-kwam de serre binnen en zette een schemerlamp met rose zijden kap op
-een tafeltje neer, waarna hij weer heenging. Uit het huis weerklonken
-stemmen, doch niemand verscheen.
-
-Bijna twee uur lagen Raffles en Charly Brand op de loer, totdat de
-bediende weer kwam en de lamp meenam. Ergens in de buurt sloeg een klok
-tien uur en de villa was nu in volledige duisternis gehuld.
-
-„Vooruit,” fluisterde John Raffles, „laat ons nu de veranda
-binnensluipen.”
-
-Als katten kropen zij de trap op. Daar stiet Charly Brand tegen een
-tafeltje, waardoor eenig gedruisch ontstond. Lord Lister bleef een
-oogenblik onbeweeglijk staan en stiet fluisterend een vloek uit, toen
-plotseling door iemand het electrische licht in de veranda werd
-opgedraaid en drie mannen met revolvers in de hand op den secretaris
-toesprongen.
-
-De Groote Onbekende overzag oogenblikkelijk den geheelen toestand. Hij
-stond in een vensternis van de veranda, waar de mannen hem niet
-dadelijk ontdekken konden.
-
-„Vervloekte schelm!” schreeuwde Pigott, terwijl hij den indringer een
-revolver onder den neus duwde, „ik heb je al beloerd, toen je twee uur
-geleden mijn park bent binnengeslopen. Je kunt mij niet voor den gek
-houden. Knevelt hem en roept de politie. Doe hem ook het masker voor
-het gezicht weg.”
-
-Charly Brand weerde zich als een wanhopige, maar het hielp hem niets.
-Tien minuten later was hij stevig gebonden.
-
-„Waar is je medeplichtige? Spreek op, jullie waart toch met je beiden?”
-
-Charly beet zich op de lippen.
-
-„Legt de schurk ergens in een hoek neer en laat ons dadelijk zijn maat
-opzoeken, misschien vinden we hem nog,” riep Pigott vol ijver uit, toen
-Charly hem niet antwoordde. „Wacht maar, kereltje, jou zal de lust wel
-vergaan om hier nog eens in te breken. Brengt hem in huis.”
-
-De beide bedienden deden, wat hun bevolen werd en sleurden Charly, die
-zich opnieuw verdedigde, het huis binnen.
-
-De millionnair vond er bij deze gelegenheid het grootste genoegen in om
-den weerlooze onophoudelijk in den rug te stompen. Charly werd naar de
-studeerkamer gebracht en daar op het tapijt neergelegd, terwijl Pigott
-opnieuw beval een politieagent te halen.
-
-In hetzelfde oogenblik hoorde Charly Brand plotseling een zonderling
-geluid. Hij lag met het rechteroor dicht op het tapijt en daardoor
-drongen wonderlijke klanken tot hem door. Het was, alsof kleine
-kinderen, die erge pijn hadden, schreiden. De secretaris spande zich in
-om goed te kunnen hooren. Hij vergat geheel en al zijn hachelijke
-positie en deed alle moeite om te vernemen, waar de geluiden vandaan
-kwamen.
-
-Eerst dacht hij, dat het katten of honden waren, maar toen hoorde hij
-door het tapijt heen de heesche stem van een vrouw, die met een vloed
-van scheldwoorden het schreien overstemde.
-
-„Ellendige schooiers, leelijke schreeuwbek, miserabele kattekop!”
-
-Charly Brand dacht eerst, dat de kinderen van den millionnair zoo
-schreiden, maar dat was onmogelijk.
-
-Terwijl de secretaris over het geheim nadacht, was een der bedienden
-voor het huis gegaan, waar hij een surveilleerenden politie-agent
-aanriep om een in huis verborgen inbreker te arresteeren. Toen de
-politieagent binnentrad, kwam Pigott hem reeds tegemoet en zei, op
-Charly Brand wijzend:
-
-„Die man daar wilde Raffles nadoen, maar wij hebben het hem belet.
-Neemt hem mee naar Scotland Yard, opdat hij daar zijn rechtmatige straf
-zal ondergaan.”
-
-„Allright,” antwoordde de politiedienaar, die op Brand toetrad en hem
-een duw in de ribben gaf.
-
-„Sta op!” beval hij, „ik zal je een armbandje omdoen, want van zoo’n
-schat als jij bent moet men zich goed verzekeren.”
-
-Hij haalde een paar boeien te voorschijn en sloot ze om Charly’s
-polsen.
-
-„Ja, ja,” lachte Pigott en hij duwde den secretaris een diamanten ring
-onder den neus, „kan ik je misschien ook met zoo’n steentje dienen?”
-
-„Vooruit!” beval de agent en stiet den geboeide voor zich uit, waarmee
-hij het huis verliet.
-
-Het was intusschen nacht geworden, maar de geboeide bemerkte toch, dat
-de agent hem niet stadwaarts, maar naar den kant van het park leidde.
-En nog meer verbaasde hij zich, toen de agent voor het huis van John
-Raffles bleef staan, haastig omkeek, naar beide kanten, een sleutel te
-voorschijn haalde, de deur opende en Brand naar binnen duwde. Hij zelf
-trad nu ook binnen en sloot de deur achter zich.
-
-Charly Brand wist niet, wat hij van deze geschiedenis moest zeggen.
-Zijn verbazing steeg nog meer, toen de agent naar de studeerkamer van
-zijn vriend ging en dit helder verlichte vertrek opende.
-
-In hetzelfde oogenblik hoorde Charly de lachende stem van Lister, die
-uitriep:
-
-„Well, my boy, kom eens hier en steek een sigaret op. Als ik je eerst
-de boeien heb afgenomen.”
-
-Charly keek verbaasd op, toen die woorden door den agent werden
-uitgesproken, die nu behendig de boeien losmaakte en daarna in den
-fauteuil voor den schoorsteenmantel ging zitten, waar hij een paar uur
-geleden het plan had geopperd om een bezoek te brengen aan het huis van
-den millionnair Pigott.
-
-„Dat was een aardig uitstapje,” zei hij, een sigaret opstekend, „over
-een half uur zal ik het nog eens probeeren.”
-
-„Ik bedank er voor,” antwoordde zijn vriend, „ik ben blij, dat ik er
-met een paar blauwe plekken ben afgekomen. Zou je je valschen baard nu
-niet afnemen, Edward?”
-
-„Natuurlijk,” antwoordde Raffles, „dat had ik bijna vergeten.”
-
-Hij deed den baard af en had nu weer het gladgeschoren gelaat met den
-spottend lachenden trek om den mond.
-
-„Ik waande mij al verloren, Edward. Hoe heb je mij zoo gauw kunnen
-verlossen?”
-
-„Heel eenvoudig. Tijdens de worsteling tusschen jou en je aanvallers
-lette niemand op mij en ik kon ongemerkt ontkomen. Ik hoorde, dat
-Pigott om een politie-agent riep en toen was het voor mij makkelijk
-werk. In een paar minuten was ik hier, verkleedde mij als politie-agent
-en wandelde zoolang voor het huis van Pigott heen en weer, dat de
-knecht mij in huis riep om je te arresteeren.
-
-„Nu ben ik van plan, dien Pigott nog eens te bezoeken. Die kerel is
-ongetwijfeld een schurk.”
-
-„Waarom denk je dat?”
-
-„Heel eenvoudig! Die beide bedienden van Pigott zien er, ondanks hun
-prachtige livrei, als een paar echte galgenvogels uit. Dat zijn zeker
-een paar handlangers, die hun opleiding in Whitechapel ontvangen hebben
-en ik durf wedden, dat ze minstens tien keer de strop verdiend hebben.—
-— —Ik moest me al heel erg in dat tuig vergissen, als het geen
-spitsboeven zijn, waarvan ik een even groote vijand ben als inspecteur
-Baxter van Scotland Yard.”
-
-„Je kunt wel gelijk hebben,” antwoordde Charly, „ook mij is iets
-bijzonders opgevallen. Toen ik op het tapijt lag in Pigott’s
-studeerkamer, hoorde ik uit een vertrek onder mij duidelijk het
-schreien van kinderen en een vrouwenstem, die de kleinen met de
-gemeenste vloeken tot kalmte trachtte te brengen.”
-
-John Raffles boog zich over naar Charly en zijn oogen schoten vonken.
-
-„Vertel mij nog eens, wat je gehoord hebt,” zei hij.
-
-Charly deed het en toen hij had uitgesproken, sprong John Raffles
-vertoornd op.
-
-„Zoo’n schurk!” riep hij uit, „ik vermoedde, dat er in het huis van mr.
-Pigott voor mij wel een en ander te doen was. Dezen nacht nog zal ik
-mij zekerheid verschaffen.”
-
-Hij ging nu naar een deur, die achter een portière verborgen was en die
-slechts voor ingewijden was te bereiken. In een kamer daarachter hingen
-wel honderd kostuums en voor een grooten spiegel stonden vele doozen
-met alle soorten schmink; daarnaast lagen op een marmeren plaat
-allerlei pruiken en baarden. Het vertrek zag er uit als de kleedkamer
-van een acteur.
-
-John Raffles deed de uniform uit en nam een zwart wollen tricot, dat
-hem in den donkeren nacht bijna onzichtbaar maakte. Hij trok het aan en
-verborg het gelaat achter een nauwsluitend zwart masker. Toen nam hij
-een klein taschje, opende het en keek den inhoud na.
-
-Op het eerste gezicht hield men den inhoud voor de instrumenten van een
-dokter, kleine tangen, scharen en messen lagen naast elkander, terwijl
-aan den anderen kant kleine fleschjes en een pakje gaas lagen. Dit
-taschje echter diende niet voor operaties als hierboven bedoeld, maar
-bevatte de werktuigen van den vermetelen gentleman-dief.
-
-Met de kleine loopertjes en tangen, die van het beste staal gemaakt
-waren, opende de Groote Onbekende ieder slot. In de zilveren flesschen
-was olie en chloroform. Het verbandgaas diende om er deze vloeistoffen
-op te druppelen.
-
-Met een zwartlederen armband gespte lord Lister dit taschje aan zijn
-linkerarm, zoodat hij het niet behoefde te dragen en aldus uitgerust,
-verliet John Raffles de kleedkamer. Hij reikte Charly Brand de hand en
-sprak:
-
-„Het kan zijn, dat ik tot morgenavond uitblijf, wees niet ongerust, my
-boy.”
-
-„Groet Pigott van mij en wees voorzichtig”, antwoordde Charly.
-
-„Ik hoop het waar te nemen”, lachte de Groote Onbekende en verdween
-langs zijn balkon in den donkeren nacht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-RAFFLES AAN HET WERK.
-
-
-In de prachtig gemeubelde eetkamer van den millionnair Pigott zat deze
-met zijn beide bedienden en een bejaarde vrouw met afzichtig uiterlijk
-aan tafel. Er heerschte een uitgelaten stemming.
-
-„Hahaha” lachte de millionnair met vette stem, „die kerel hebben we er
-goed van langs gegeven.”
-
-„Het had voor ons wel eens slecht kunnen afloopen,” antwoordde een der
-bedienden. „Wij moeten er op passen, dat we niet weer visite ontvangen
-van iemand, die wel eens in deze zaak zou kunnen neuzen!”
-
-„Daar moeten we zeker voor oppassen”, antwoordde Pigott, „we zijn
-verloren als ons zaakje door iemand wordt ontdekt.”
-
-„Proost”, riep het leelijke wijf, dat tegenover Pigott zat, „niemand
-zal ooit iets ontdekken. Welke spitsboef zou er ooit aan denken om in
-den kelder van een huis naar rijkdommen te zoeken? Ons zaakje bloeit
-veilig in ’t verborgen.”
-
-„Ha!”, lachte Pigott, „wie zou ons nu iets kunnen bewijzen. Ik sta
-bekend als een weldoener en als de politie op het dozijn verminkte
-kinderen, die wij in den kelder verplegen, opmerkzaam gemaakt zou
-worden, dan zou ik ze vertellen, dat ik die arme schepseltjes uit
-louter menschlievendheid opvoed.”
-
-„Leve de weldoener”, krijschte het wijf, haar wijnglas opnieuw vullend
-en de anderen tot drinken aanmoedigend.
-
-In hun uitgelaten stemming sloegen zij er geen acht op, dat een zwarte
-schaduw geluidloos achter de portière van de deur gleed.
-
-Het was John Raffles, die door een openstaand venster onbemerkt was
-binnengeklommen en nu het gesprek afluisterde.
-
-Terstond begreep de Groote Onbekende, dat hij zich niet vergist had en
-dat de zoogenaamde bedienden niet anders waren dan de medeplichtigen
-van een schurk. Hij was er nog niet achter gekomen, welke misdaden hier
-werden bedreven en waarom de millionnair die verminkte kinderen in den
-kelder hield opgesloten. Hij moest zich naar het verblijf onder de
-straat begeven om daar ter plaatse zijn onderzoekingen voort te zetten.
-
-Geruischloos sloop hij weg en ging langs de spaarzaam verlichte trappen
-naar den kelder. Een ijzeren deur sloot de benedenwoning van het
-overige gedeelte af. Tevergeefs zocht Raffles naar een slot; er was
-niets dergelijks te ontdekken en toch moest de deur geopend kunnen
-worden.
-
-Lord Lister wendde al het mogelijke aan doch de zware deur week niet.
-Hij besloot toen van buitenaf door het keldervenster zijn weg te
-zoeken. Toen hij echter langs de trappen naar boven wilde terugkeeren,
-hoorde hij, dat het wijf met een der bedienden van boven kwam. Hij
-moest het tweetal dus ontmoeten. De trap was, zooals gezegd, slechts
-matig verlicht en in het halfdonker smeedde Raffles een plan. Zijn
-elasticiteit stelde hem in staat vier trappen te gelijk op te gaan en
-als een bliksemstraal vloog hij langs het tweetal. In het volgend
-oogenblik reeds was hij verdwenen.
-
-De oude begon luidkeels te gillen en greep in doodsangst den arm van
-den knecht beet.
-
-„Wat was dat José?” riep zij uit, „heb je dat spook gezien, dat ons
-voorbijvloog?”
-
-„Och, je bent dronken, Mary en ik zal ook te veel brandy gedronken
-hebben. We hebben ons vergist, het was onze eigen schaduw, die het
-licht van boven afwierp.”
-
-„Neen, neen, het was geen vergissing, het was een spook, want het
-stootte mij op zij, ’t was de zwart verbrande duivel.”
-
-„Je bent zóó dronken, Mary, dat je de maan houdt voor een
-zonsverduistering. Maar ga nu mee aan ’t werk.”
-
-Het wijf liep met knikkende knieën de trappen af en toen zij onder aan
-de deur stond en naar boven keek, gilde zij opnieuw ut doodsangst en
-riep uit:
-
-„Daar is het weer, José.”
-
-De bediende keek achter zich, maar hij kon niets ontdekken, want
-Raffles, die een oogenblik over de trapleuning had gezien, had zich
-bliksemsnel teruggetrokken.
-
-„Als je nog eens zoo schreeuwt, Mary, dat iemand hooren en zien
-vergaat, dan word ik grof tegen je. Ik zal het zeker aan mr. Pigott
-vertellen, opdat hij je ’s avonds geen brandy meer geeft.”
-
-John Raffles keek opnieuw heel voorzichtig over de trapleuning en zag
-nu, hoe José op een knop drukte, die op een trede was aangebracht en
-die naar een electrische geleiding voerde, waardoor de deur geopend
-werd.
-
-Toen José dat had gedaan, zakte de ijzeren deur in den grond en werd
-een tweede deur zichtbaar, die het wijf met een sleutel opende.
-
-Zij kwamen nu in een donkere gang. Raffles zag, hoe zij de deur sloten
-en toen verrees ook weer de ijzeren deur uit den bodem en sloot zich
-weer op dezelfde plaats.
-
-Geruischloos vloog de Groote Onbekende nu weer naar beneden en
-probeerde voorzichtig de deur te openen.
-
-Zonderling!
-
-Hoewel hij den knop neerdrukte, scheen de electrische geleiding niet te
-werken en bleef de deur boven. Na verscheiden vergeefsche pogingen kwam
-hij tot de conclusie dat het onmogelijk was, zich toegang te
-verschaffen, daar het tweetal aan den anderen kant de batterij had
-uitgeschakeld. Hij moest dus probeeren om van buiten af zich toegang te
-verschaffen tot de kelderruimte.
-
-Ongemerkt verliet hij het huis en sloop er omheen, maar hij zocht
-tevergeefs naar een keldervenster. De openingen, die vroeger daarvoor
-hadden bestaan, waren toegemetseld. Raffles begreep dit uit de nieuwe
-kalk, die in de openingen was gesmeerd en begreep, dat deze maatregel
-was genomen om een misdaad voor de wereld te verbergen.
-
-Uit zijn tasch nam hij nu eenige instrumenten en zette een draaiboor op
-de toegemetselde plaats en als een vlijmscherpe diamant vloog het staal
-door de kalk alsof dit weeke boter was. Hij had eenigen tijd noodig,
-voordat de boor het werk gedaan had en nu kon John Raffles door een
-kleine opening in het keldergewelf zien. Hij ontdekte een zwak
-lichtschijnsel. De misdaden werden naar alle waarschijnlijkheid in een
-ander gedeelte bedreven.
-
-Een walgelijke lucht kwam Raffles door de kleine opening tegemoet. In
-een lijkenkelder kon de lucht niet verpestender zijn.
-
-Nu hoorde hij duidelijk de stem van het wijf:
-
-„Breng de blaag hier, José, ik kan daar zoo slecht zien en bij het
-uitsteken van de oogen komt het er precies op aan, anders krepeert het
-wurm dadelijk!”
-
-Als door een adder gestoken tuimelde lord Lister achteruit.
-
-Wat voerde dat wijf daar uit. Hij kon zich het vreeselijke niet
-voorstellen. Zijn zoo algemeen bekende koelbloedigheid liet hem in den
-steek, toen hij er aan dacht, dat men op slechts eenige meters afstand
-van hem verwijderd een kind het beste ontnam, dat het bezat, het licht
-der oogen.
-
-Hij spande zich nu opnieuw in om door de kleine opening in het
-keldergewelf te kunnen zien en nu ontwaarde hij duidelijk het wijf en
-den bediende, die José genoemd werd en die een kind, in lompen gehuld,
-en hoogstens één jaar oud, op den arm droeg.
-
-„Houd het hoofd vast,” riep het wijf, „het wurm verzet zich!”
-
-Het hart stond Raffles bijna stil. Wat daar gebeurde was te erg.
-
-Het wijf maakte in een lamp, die zij in de hand hield, een breinaald
-gloeiend en stak het kind de oogen uit.
-
-Bijna gelijktijdig met het kind stiet John Raffles, de man met de
-stalen zenuwen, een kreet van ontzetting uit en deinsde hij terug,
-alsof hij zelf de gloeiende breinaald in zijn gelaat had gevoeld.
-
-John Raffles dacht eenige seconden na.
-
-Dat was wel het vreeselijkste, wat hij ooit beleefd had. Wat zou hij
-doen? De politie waarschuwen? Die zou Pigott niets kunnen bewijzen,
-want hij zou doodgewoon verklaren, dat hij de ongelukkige, verminkte
-kinderen alleen uit weldadigheid had opgenomen.
-
-Zijn kreet moest in huis zijn gehoord, want op de eerste etage werd een
-venster geopend en Pigott’s tronie verscheen naast dat van den tweeden
-bediende.
-
-„Ik heb al zoo vaak gezegd,” hoorde de Groote Onbekende de stem van
-Pigott, „dat wij honden moeten houden.”
-
-Voor de eerste maal vervloekte Raffles zijn baantje. Als hij nog lord
-Lister was geweest, zou een enkel woord van hem voldoende zijn geweest
-om dit misdadigersnest uit te roeien.
-
-Maar nu?
-
-Men zou hem niet gelooven en hem bovendien arresteeren. Maar
-desondanks—de misdaad was zoo vreeselijk en het lijden der onbekende
-slachtoffers zoo afschuwelijk, dat hij besloot, als hij zijn doel niet
-bereikte, om de misdadigers te straffen, naar den eersten den besten
-rechter te gaan en daar te vertellen, wat er in de villa geschiedde, al
-zou men hem ook arresteeren. Voor alles echter besloot hij persoonlijk
-naar Pigott toe te gaan.
-
-Opnieuw sloop hij het huis binnen en verborg zich in den salon, daar
-Pigott nog niet naar zijn slaapkamer was gegaan. Bijna twee uren bleef
-hij er achter een gordijn verborgen staan, totdat in huis allen zich
-ter ruste hadden begeven. Toen kwam hij te voorschijn.
-
-De slaapkamer van den millionnair lag op de bovenste verdieping en met
-groote handigheid gelukte het Raffles, de sloten geruischloos te openen
-en binnen te treden.
-
-In de kamer brandde een blauwachtig licht, dat een spookachtig
-schijnsel over het vertrek wierp. In een kostbaar bed sliep de
-millionnair en aan het hoofdeinde van de legerstede zag Raffles een in
-den muur gemetselde geldkast. Met een tevreden lachje op zijn gelaat
-lag de halfdronken deugniet in de zijden dekens, terwijl in zijn
-onmiddellijke nabijheid onschuldige kinderen de ondragelijkste smarten
-verduurden. Nog wist de Groote Onbekende niet, waarom die kinderen
-verminkt werden; hij moest het geheim oplossen, voordat de millionnair
-zijn rechtmatige straf kreeg.
-
-Lord Lister opende nu het taschje, nam daaruit een stuk verbandgaas en
-drenkte dit met chloroform. Daarna legde hij het verdoovingsmiddel op
-het gelaat van den slapende, waardoor van dezen mond en neus werden
-bedekt.
-
-Aandachtig luisterde Raffles naar de ademhaling van den slapende om te
-hooren, wanneer deze onder narcose zich bevond. Toen hij er zich van
-overtuigd had, dat Pigott onder zware verdooving lag, nam hij hem het
-gaas van het gelaat en wierp het op het tapijt. Hij trok na verscheiden
-diamanten ringen van de vingers van den slapende en ging daarop voor de
-geldkast, die hij met zijn loopers opende. Een bedrag van 60,000 pond
-sterling in bankpapier en goud viel hem in handen, maar tevergeefs
-doorzocht hij de brandkast om papieren te vinden, die eenige
-opheldering konden geven over die ontzettende misdaden.
-
-Slechts een klein briefje viel hem in handen, waarin eenige honderden
-namen waren genoteerd en achter deze namen stonden sommen van 1000–2000
-pond vermeld. Ook dit briefje nam de Groote Onbekende met zich mee.
-Toen ging hij naar een klein tafeltje, dat voor het bed stond, nam een
-blad papier, pen en inkt en schreef:
-
-
- „Mr. Pigott, ge zijt de grootste schurk, die er op aarde rondloopt.
- Ik ben u op het spoor. Neem u in acht.
-
- JOHN C. RAFFLES.”
-
-
-Hij wierp een blik vol gloeienden haat op den slaper en fluisterde:
-
-„Het zou maar het beste zijn om jou en je medeplichtigen de keel af te
-snijden, maar ik wensch in dit geval den rechter niet voor te zijn.”
-
-Zachtjes sloot hij de slaapkamer en sloop naar de lagere verdieping,
-waar hij een venster opende, naar beneden in den tuin sprong en
-verdween.
-
-Het begon reeds te dagen, toen Raffles in zijn kamer terugkwam waar
-zijn secretaris hem wachtte.
-
-Verschrikt sprong Charly Brand op toen zijn vriend, nadat deze het
-zwarte pak had uitgetrokken, met verstoord gelaat voor den haard ging
-zitten en zei:
-
-„Geef me een glas whisky, Charly, ik heb afschuwelijke dingen beleefd.”
-
-Zijn secretaris gaf hem het gevraagde en haastig dronk Raffles, geheel
-tegen zijn gewoonte, twee glazen whisky achter elkander leeg. Daarna
-stak hij een sigaret aan en bleef, in diep gepeins verzonken, minuten
-lang voor zich uitstaren.
-
-„Wat is je overkomen?” Aldus verbrak Charly Brand de stilte.
-
-Lord Lister opende een grooten zijden zak, waarin hij de brillanten en
-het geld had meegenomen en antwoordde:
-
-„Ik geef jou de ringen cadeau, die Pigott gisteravond voor je oogen
-heeft laten schitteren. Verder heb ik hier ongeveer zestigduizend pond
-sterling en ik verzoek je, dit geld eveneens te nemen op een klein
-gedeelte na, dat ik zelf moet gebruiken. Het zou kunnen zijn beste
-Charly, dat men mij in een der volgende dagen in Scotland Yard
-vastzet.”
-
-Charly Brand staarde zijn meester verschrikt aan, die de laatste
-woorden had geuit met een eigenaardigen glimlach en die zijn sigaret
-zoo kalm rookte, alsof hij vertelde, dat hij een eindje ging wandelen.
-
-De groote onbekende haalde nu uit de tasch een klein zwart boekje te
-voorschijn en begon daarin te bladeren.
-
-„Merkwaardig”, fluisterde hij, „wat zouden die namen toch wel
-beteekenen. Namen, waarbij niets verder is aangeteekend, dan een zekere
-som. Namen, die geen stand en geen woonplaats verraden. Dat is een
-vraagstuk, voor mijn beroemden collega Sherlock Holmes om op te lossen.
-En wat beteekenen die cijfers achter de namen? Willen die zeggen, dat
-den lieden zoo en zooveel is betaald of dat zij deze som gestort
-hebben. En hoe heeft dit alles iets te maken, met dat wat ik zag?”
-
-Toen lord Lister eindelijk zweeg vroeg Charly Brand:
-
-„Zou je me niet willen vertellen wat je zoo bezig houdt?”
-
-„Neen, my boy. Ik wil jou hersens niet pijnigen met het vreeselijke dat
-mij thans bezig houdt.”
-
-„Wil je me dan misschien vertellen wat die woorden beteekenen,
-betreffende je gevangenneming in Scotland Yard?”
-
-„Ook daarover kan ik je thans geen inlichtingen geven beste Charly,
-maar misschien morgen reeds. En laat me nu een paar minuten nadenken.”
-
-Bijna een uur zat lord Lister bij den haard in diep gepeins verzonken.
-Hij rookte daarbij wel een half dozijn cigaretten en scheen eindelijk
-gevonden te hebben wat hij zocht.
-
-Hij stond op en zei:
-
-„Ik ga een half uurtje rusten en dan een bad nemen. Wil je er voor
-zorgen dat tegen dien tijd het ontbijt gereed is. Na het ontbijt ga ik
-uit.”
-
-Hij verdween in zijn slaapkamer en liet Charly Brand alleen, die nu de
-kostbare steenen uit de gouden ringen ging breken en in een taschje
-deed, dat hij in zijn borstzak droeg. Toen smolt hij de gouden ringen
-in een kleine smeltkroes samen, die hij electrisch verhitte. Daarna
-telde hij de banknoten na, stak ze in een portefeuille en deed ook het
-goud in het taschje.
-
-Intusschen was Raffles uitgerust en Charly Brand hoorde dat hij naar de
-badkamer was gegaan.
-
-De secretaris liet nu het ontbijt door den ouden dienaar opzetten en
-juist toen het gereed stond kwam Lister weer binnen, wenschte Charly
-goeden morgen en begon met benijdenswaardigen eetlust te ontbijten.
-Hierna verdween hij in zijn kleedkamer en bleef daar wel een uur
-vertoeven. Charly Brand las intusschen de ochtendbladen en vermaakte
-zich met een bericht waarin gezegd werd dat het de redactie speet dat
-men niets nieuws kon meedeelen over den Grooten Onbekende en dat deze
-zich naar alle waarschijnlijkheid wel op reis had begeven om zich wat
-te ontspannen.
-
-Charly Brand had de courant nog niet uit toen zijn vriend weer
-binnentrad. Verschrikt sprong de secretaris op. Hij meende een vreemde
-voor zich te zien, een oude verwaarloosde bedelaar uit het donkerste
-Londen, in lompen gehuld en met afzichtelijk uiterlijk, het type van
-een mensch, die in het vuilste slopje in een krot vol ongedierte woont
-of die gelukkig is, als hij kan overnachten in het tehuis voor
-dakloozen. In zoo’n creatuur had Raffles zich vermomd.
-
-„Ik zal nog een sigaret in je gezelschap rooken, my boy, en dan ga ik
-op weg om te trachten het afschuwelijke geheim van dien Pigott op te
-lossen. Je kunt tijdens mijn afwezigheid dit huis als het jouwe
-beschouwen. Als er gevaar mocht dreigen en de politie huiszoeking doet
-heb ik hier een kleine schuilplaats klaar gemaakt waarin je zeker bent
-voor elken detective.”
-
-Hij bracht Charly Brand naar een dubbele deur en wees hem, hoe achter
-het beschot een geheime veer zat waarop gedrukt moest worden. Dan kwam
-een opening te voorschijn die zoo groot was, dat een mensch er
-gemakkelijk in staan kon.
-
-De lord sloot de opening weer en zei:
-
-„In deze schuilplaats zal geen mensch je zoeken. Uit de couranten zal
-je wel hooren waar ik ben. Laat overigens maar alles aan mij over en
-bekommer je om niets.”
-
-Hij reikte zijn secretaris de hand en als deze niet geweten had, dat
-dit de hand van zijn vriend en meester was, dan zou hij er voor gerild
-hebben deze vieze, met een laag vuil bedekte hand aan te raken. En toch
-zat onder dit vuil de slanke voorname, aristocratische hand van Raffles
-verborgen.
-
-Charly Brand geleidde zijn vriend tot aan de huisdeur, en keek hem nog
-eenige minuten na, totdat hij verdween in den nevel, die Londen zoo
-dikwijls in den vroegen morgen geheel bedekt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE JACHT OP RAFFLES.
-
-
-Inspecteur Baxter zat in zijn werkkamer in Scotland Yard en dicteerde
-detective Marholm een bericht, toen een agent binnentrad en meedeelde
-dat een zekere Pigott, een millionnair die in Regent-park woonde, den
-inspecteur wenschte te spreken.
-
-„Laat me met rust met je millionnairs!” riep Baxter uit op geërgerden
-toon, „ik heb met die lui in de laatste jaren de ellendigste
-ondervindingen opgedaan. Laat ze hun geld en hun kostbaarheden beter
-bewaren. Eerst als ze bestolen zijn komen ze bij mij en zeuren me de
-ooren vol en als ik het geld dan niet weer op zijn plaats breng, dan
-loopen ze naar de couranten, die zich er over amuseeren en over mijn
-onhandigheid schrijven.”
-
-Detective Marholm, door zijn collega’s bijgenaamd „de vloo”, glimlachte
-ironisch over deze uitlating van zijn chef en vroeg:
-
-„Zeg eens, inspecteur Baxter, waar moeten de bestolenen dan heengaan om
-hun klachten te uiten?”
-
-„Hou je mond, Marholm en bemoei je met je eigen werk,” snauwde Baxter;
-„’t is al sinds jaren hetzelfde liedje als een millionnair in mijn
-bureau komt.”
-
-„En hoe luidt dat liedje?”
-
-„Raffles!” schreeuwde de inspecteur. „Raffles! Want hij is het, die de
-millionnairs bezoekt en deze op mij afstuurt. Vervloekt! Als ik dien
-Raffles toch eens kon te pakken krijgen!”
-
-Hij liep als een ijsbeer zijn bureau op en neer en rolde woest met de
-oogen. Zoodra hij aan Raffles dacht, verloor hij alle zelfbeheersching,
-want die naam werkte op hem als een roode lap op een stier.
-
-„Wat sta je daar nog aan de deur?” vroeg hij den wachtenden agent op
-boozen toon.
-
-„Ik wacht uw bevelen af,” antwoordde deze.
-
-„Breng den millionnair binnen,” antwoordde Baxter stroef.
-
-De agent verdween en de inspecteur ging aan zijn schrijftafel zitten.
-Twee minuten verliepen. Toen ging de deur weer open en de agent diende
-aan:
-
-„Mr. Pigott!”
-
-Baxter draaide zich eens op zijn stoel om en bekeek den binnentredende
-met korten doch scherpen blik. Dan stond hij op, maakte een buiging en
-zei:
-
-„Wilt ge gaan zitten?”
-
-Zwaar ademend nam mr. Pigott plaats.
-
-„Ik ben ten zeerste opgewonden,” zei mr. Pigott, die zich met een
-zakdoek het zweet van het roode voorhoofd veegde, „ik ben vannacht
-bestolen—mijn heele vermogen is naar de maan. Men heeft mijn brandkast
-opengebroken en niets er in gelaten dan dit briefje.”
-
-Hij gaf Baxter een smal strookje papier. Er stond de naam van op van
-John C. Raffles. Pigott had het strookje van den brief geknipt, daar
-hij, heel begrijpelijk, het verdere liever niet liet lezen.
-
-Baxter keek eens naar het strookje, alsof het een gloeiende plaat was.
-Voordat hij nog begon te lezen, wist hij al, wat er op stond. Op deze
-manier handelde Raffles alleen en zonder groote verbazing las Baxter
-dan ook den naam. Voorzichtig legde hij toen het strookje papier op
-zijn schrijftafel en vroeg mr. Pigott:
-
-„Hoeveel heeft hij u ontstolen?”
-
-Zonder te aarzelen zei Pigott:
-
-„180,000 pond sterling.”
-
-Hij loog, want hij noemde het drievoud der gestolen som.
-
-„Hoeveel?” vroeg Baxter, alsof hij niet goed verstaan had en mr. Pigott
-herhaalde de som.
-
-„Dat is kolossaal,” riep de inspecteur uit, „hoe kwaamt ge ook zoo
-lichtzinnig om zoo’n groote som in huis te bewaren?”
-
-„Ik heb die gewoonten al sinds twintig jaren,” antwoordde Pigott, „ik
-bewaarde het geld in een kast in den muur.”
-
-„Ge ziet, dat u dit niets heeft gebaat,” zei de inspecteur, „ik verbaas
-er mij dan ook over, dat ge niet voorzichtiger zijt geweest, daar ge
-toch wist, dat Raffles in Londen vertoeft. En vertel me nu eens, hoe de
-heele zaak zich heeft toegedragen.”
-
-Pigott hapte eens naar lucht, en begon een verdicht verhaal op te
-disschen.
-
-„Ik ging om elf uur naar mijn slaapkamer en sloot deze, naar gewoonte,
-met de noodige voorzorgsmaatregelen. Vanmorgen moest mijn bediende mij
-uit een diepen slaap wekken en in mijn hersens dreunt het nog, alsof ik
-een dozijn flesschen champagne heb leeggedronken.”
-
-„Hadt ge een zoeten smaak in den mond, toen ge wakker werd?” vroeg
-inspecteur Baxter.
-
-„Ja,” antwoordde Pigott, „en ik heb dien smaak eerst na een uur met
-brandewijn en koffie kunnen wegspoelen.”
-
-„Men heeft u verdoofd!” knikte de inspecteur. „Raffles werkt altijd met
-verdoovingsmiddelen.”
-
-Woedend sloeg de millionnair met de vuist op tafel en riep uit:
-
-„Die schurk moet gepakt worden! Ik betaal u duizend pond, inspecteur,
-als ge mij mijn geld weer terug bezorgt! Die hond moet gehangen. Alsof
-de eerlijke menschen alleen bestaan, om door zulke gauwdieven geplukt
-te worden.”
-
-Marholm, die over zijn schrijfwerk zat gebogen, dacht bij zich zelven:
-
-„Wel, zoo heel eerlijk zie jij er ook niet uit en wie weet of je niet
-een veel grootere spitsboef bent dan Raffles.”
-
-Marholm had namelijk voor zichzelven de opmerking gemaakt, dat de
-Groote Onbekende het liefst te velde trok tegen groote schelmen, die
-echter zoo geslepen hun handwerk uitoefenen, dat zij noch door de
-politie, noch door iemand anders konden worden betrapt.
-
-Baxter wendde zich tot den detective en zei:
-
-„Schrijf nauwkeurig op, wat mr. Pigott verteld heeft en dan gaan we
-naar de villa om daar op de plaats van de misdaad een en ander te
-controleeren.”
-
-„Dat is toch heelemaal niet noodig,” begon de millionnair, „of ge mijn
-kamers ziet of niet, daarmee brengt ge mijn geld niet terug. Probeer
-liever den Grooten Onbekende te pakken.”
-
-Baxter werd boos en stak een sigaar op.
-
-Wat mr. Pigott hem daar zei, had al menig benadeelde hem toegevoegd.
-
-Detective Marholm keek den millionnair eens aan met scherpen blik, daar
-hij vermoedde, dat de bestolene liever niet had, dat men in zijn villa
-kwam.
-
-Baxter echter lette daar niet op en antwoordde:
-
-„Ge hebt gelijk, mr. Pigott. Behalve het briefje zal Raffles wel niets
-in uw woning hebben achtergelaten.”
-
-„Neen, heelemaal niets”, riep Pigott uit, „zelfs geen banknoot van
-duizend pond!”
-
-„Dat had hij feitelijk wel mogen doen”, viel Marholm in, „bij zoo’n som
-zal het Raffles niet veel kunnen schelen, een beetje provisie achter te
-laten!”
-
-Pigott keek den spotter woedend aan, maar Marholm vertrok zijn gelaat
-niet.
-
-De millionnair stond thans op en vroeg:
-
-„Ik heb hier nu niets meer te doen, inspecteur. Als ge iets gewaar
-wordt, hoor ik het wel van u. Mijn telefoonnummer is 1607. Het is maar
-beter, dat ge telefoneert, anders kondt ge misschien een vergeefschen
-weg naar mijn huis maken.”
-
-Deze woorden versterkten nog de argwaan van detective Marholm en toen
-Pigott was heengegaan, zei hij tot Baxter:
-
-„Die man lijkt me heel verdacht, inspecteur.”
-
-„Je bent gek, Marholm”, antwoordde Baxter, „je begint waarempel weer je
-oude liedje en gaat natuurlijk beweren, dat die man er veel verdachter
-uitziet dan Raffles. Jij schijnt alle millionnairs te wantrouwen.”
-
-Marholm lachte.
-
-„Bewijs mij eens het tegendeel, inspecteur. Ik kan het niet helpen,
-maar ik gevoel sympathie voor Raffles en niet de minste voor al die
-lieden, die door hem bestolen worden”.
-
-„Hou je mond”, donderde Baxter, „ik begeer van jou geen
-sympathiebetuigingen met een dief. Je schijnt je beroep te zijn
-misgeloopen.”
-
-Marholm lachte nog eens.
-
-„O, als ik zoo handig was als de Groote Onbekende, zou ik graag mijn
-beroep met het zijne ruilen, al was ’t maar alleen om de collega’s
-telkens weer bij den neus te nemen en ook u, inspecteur Baxter.”
-
-Deze woorden maakten Baxter woest.
-
-Hij ging naar Marholm toe, greep hem bij de keel, en schudde hem heen
-en weer.
-
-„Ik zeg je”, en zijn gezicht werd rood van woede, „dat ik je met deze
-vuisten kon worgen, want de eigenlijke Raffles maakt mij al gek”.
-
-Marholm bleef doodkalm en hijgde eens.
-
-Toen gaf hij den inspecteur een ribbestoot, zoodat deze achteruit
-vloog.
-
-„Ik hoop, inspecteur”, zeide hij, „dat ge inderdaad nog eens den
-Grooten Onbekende hier bij u op uw kantoor krijgt. Ik ben er alleen
-maar wat bang voor, dat ge eerst weet, wie bij u was, als de man
-Scotland Yard al lang weer achter den rug heeft”.
-
-„Hou nu maar op met je praatjes, Marholm, en geef de verschillende
-politie-bureaux de noodige inlichtingen over de zaak Pigott.”
-
-„Och, laat ons dat toch niet doen, inspecteur. Ik geloof, dat wij nu al
-in achttien zaken bezig zijn, naar Raffles te zoeken. We kunnen ons
-vandaag best die moeite sparen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-IN DE DIEVENKROEG.
-
-
-In een der vele nauwe en donkere straten van Whitechapel rijen zich de
-kroegjes nauw aaneen.
-
-Daarin leeft het uitvaagsel der groote stad.
-
-In lompen gehuld, verminkt en afzichtelijk van ellende, staan of zitten
-de rampzaligen daar bij elkander in de ruimten, waar tabakswalm en
-brandewijnlucht de atmosfeer verpesten.
-
-Een van deze kroegjes trad Raffles binnen en vroeg den waard met een
-stem, die door het overmatig gebruik van brandewijn heesch was
-geworden, een glas jenever.
-
-Vol argwaan keek de waard naar den vreemden gast, zette de jenever voor
-hem neer, maar hield het glas zoo lang vast, totdat Raffles een penny
-voor den drank had betaald.
-
-Het duurde een heelen tijd, voordat John Raffles uit een viezen, vuilen
-zak het geldstuk had opgediept.
-
-Dit zoeken naar den penny maakte den kroeghouder, die in den bezoeker
-een politiespion zag, minder achterdochtig.
-
-Hij wist niet, dat John Raffles in staat was, zijn rol tot in de
-kleinste bijzonderheden vol te houden.
-
-Eindelijk had de Groote Onbekende het geldstuk te pakken en gaf het den
-waard. Hij maakte daarbij een gebaar, alsof hij den man een heel
-kapitaal overhandigde voor het glas brandewijn.
-
-Daarna sloeg hij den allergemeensten jenever door het keelgat en bleef
-voor de toonbank staan, alsof hij het nog niet met zichzelve eens was,
-of hij nog een penny voor een tweede glas zou betalen.
-
-De waard, die hem scherp aankeek, zei:
-
-„Die jenever is best. Als je nog meer geld hebt, kun je hier zooveel
-drinken, tot je den weg niet meer uit de kroeg vindt”.
-
-Raffles, die met gulzige oogen naar het glaasje keek, mompelde een paar
-onverstaanbare woorden en begon opnieuw naar een penny in zijn zakken
-te zoeken.
-
-Maar hij scheen tevergeefs te zoeken, want met een hartgrondigen vloek
-hoorde de waard hem zeggen:
-
-„’k Heb waarachtig niet eens meer wat voor een spatje”.
-
-„Je schijnt je beroep ook niet al te goed te verstaan. Je moest over
-een heel kapitaal kunnen beschikken. Ik ken bedelaars, die eigen huizen
-hebben, maar jij schijnt nog te groen te zijn.”
-
-„Yes, yes!” antwoordde John Raffles, „ik kom van New-York en ben pas
-sinds vier dagen in Londen. Er valt hier ook een bedroefd beetje te
-verdienen”.
-
-„Kom je van New-York? Waarvan heb je dan den overtocht betaald?”
-
-„’k Had zooveel gespaard”.
-
-„Zoo? Heb je nog meer geld?”
-
-„Waarom?”
-
-„Dan zal ik je een raad geven, hoe je elken dag twee pond kunt
-verdienen.”
-
-„Maak dat een ander wijs! Voor zoo’n raad wil ik je graag 500 dollar
-betalen!”
-
-„Dat geloof ik!”
-
-„Maar misschien kun je mij een anderen raad geven.”
-
-„En dat is?”
-
-„Ik wil je graag wat laten verdienen, maar ik kan het je hier niet
-zeggen. Je klanten kijken te veel naar ons.”
-
-„Ik ben nieuwsgierig om te vernemen, wat je op het hart hebt. Kom maar
-achter de toonbank.”
-
-De waard, een groote vierkante kerel, deed een klein deurtje open en
-liet den schooier binnen in een klein donker vertrekje, achter de kroeg
-gelegen. De man stak een walmende petroleumlamp aan.
-
-Hier scheen de slaapkamer te zijn van den kroegjesbaas.
-
-„Maak het kort”, sprak hij, „ik kan mijn klanten niet lang alleen
-laten. Ze zouden mij binnen een paar minuten allen brandewijn hebben
-leeggedronken, zonder dat ik er een penny betaling voor had gekregen”.
-
-Lord Lister keek eens schuw om zich heen, of niemand luisteren kon en
-keek ook eens onder het bed.
-
-„Geen nood”, zeide de waard, „hier is niemand, vertel maar op, zoeken
-de hondenvangers van Scotland Yard je misschien? Als je geld hebt, wil
-ik je verbergen”.
-
-„Neen, kerel, maar sinds ik in Londen ben, heb ik geen warme hap
-gegeten en ik smacht naar een stuk gebraden vleesch. Hoe kom ik eraan?”
-
-„Niet door mij, kale jakhals! Of dacht je soms, dat ik je op lekkere
-beetjes zou trakteeren? Steel het en vreet het op, als je ’t hebt, dat
-is mijn raad”.
-
-„Dat behoef ik niet te doen. Ik heb—ik heb—” hij hield op en keek weer
-om zich heen.
-
-„Voor den duivel! Wat heb je?”
-
-„Ik heb geld. Maar ik kan het niet uitgeven”.
-
-„Je hebt gestolen papieren, die ik voor je moet bewaren? Denk er aan,
-dat de helft voor mij is”.
-
-„Ik heb geen gestolen geld, maar toen ik van New-York vertrok, haalde
-ik mijn spaarduiten van de Bank en die betaalde ze mij uit in hooge
-banknoten. Nu weet ik niet, waar ik die papieren zal wisselen. Je wordt
-daarbij zoo gauw ingepakt, want geen sterveling gelooft, dat het
-eerlijk verdiend geld is”.
-
-„Hoe groot is de banknoot?”
-
-„Tien dollar”.
-
-„Tien dollar? En noem je dat hoog? Mijn klanten wisselen wel eens
-biljetten van honderd pond.”
-
-„Zoover heb ik het nog niet gebracht”, sprak Raffles, en hij begon zijn
-gelapte jas los te knoopen, „maar misschien komt het nog een zoover met
-mij. Wacht even! Ik moet het geld onder mijn hemd vandaan halen”.
-
-Verscheiden seconden verliepen, voordat Raffles een groot pak
-bankbiljetten te voorschijn haalde, dat met een lang eind garen was
-saamgebonden en waaruit hij een biljet haalde van tien dollar.
-
-Zonder dat de kroeghouder het bemerkte, sloeg de Groote Onbekende den
-waard aandachtig gade en hij zag, dat diens oogen van hebzucht
-fonkelden.
-
-„Ik zie, dat je meer hebt, dan ik dacht”, zei de kroegjesbaas. „Je bent
-een ezel, dat je het niet gebruikt voor een zaakje, waardoor je
-kapitaal in een paar weken verdubbelt.”
-
-„Ik moet je eerst eens beter leeren kennen, voordat ik daarop inga”,
-antwoordde Raffles ontwijkend.
-
-„Mij leeren kennen? Mij?” stoof de herbergier op, „vraag het ieder,
-dien je wilt, of ik geen doodeerlijke kerel ben? Je kunt me gerust
-vertrouwen, en ik zal je het biljet van tien dollars wisselen. Een
-vierde gedeelte daarvan is voor mij!”
-
-„Allright!” zei Raffles, „geef op het geld, want ik heb een vervloekten
-honger en wil vannacht eens ergens anders slapen dan onder den blooten
-hemel”.
-
-„Slapen kun je hier. Ik heb voor mijn klanten altijd nog een plaatsje.
-Je kunt al je ongedierte gratis warmen”.
-
-De waard ging naar een kast en haalde er een leeren zak met geld uit.
-
-Voorzichtig telde hij daaruit de som van een pond en zes shilling in
-kleine geldstukjes en legde die voor Raffles op tafel neer.
-
-„Geef op je biljet van tien dollar”, zei nu de herbergier, „maar raak
-het geld niet aan, vóórdat ik er mij van overtuigd heb, dat je mij geen
-valsch biljet in de hand hebt gestopt”.
-
-John Raffles gaf het gevraagde en de waard hield het biljet tegen het
-licht.
-
-„In orde!” zei hij toen, „strijk je geld maar op”.
-
-Nu nam de Groote Onbekende de geldstukken op, die hij een voor een op
-de tafel gooide om te onderzoeken, of ze wel echt waren.
-
-„Mijn geld is goed”, zei de waard, die dit niet aanstond.
-
-Raffles echter nam vier shillingstukken en trok daarmee een zwarten
-streep op een stuk krantenpapier.
-
-„Wat bedoel je?” vroeg de waard.
-
-„Dat is lood!”
-
-„Onzin! Je kunt het best uitgeven. Hadt je maar een paar duizend van
-die dingetjes? Een van mijn klanten verkoopt je voor één pond vijf pond
-van die dingetjes. Betere zaken kun je toch moeilijk maken”.
-
-Raffles stak het geld in den zak.
-
-Voordat het tweetal de kamer uitging, zeide de herbergier nog eens:
-
-„Wees niet gek en steek je geld in een zaak die ik je wil aanraden. ’t
-Is eerlijke winst”.
-
-„Ik zal er eens over nadenken”, antwoordde Raffles, en verliet de
-kamer. Toen dronk hij nog een glas jenever en verliet de kroeg.
-
-Op straat haalde hij verruimd adem in de buitenlucht, al was deze ook
-in dit stadsgedeelte nog met allerlei onfrissche geuren bezwangerd.
-
-Het was hem, alsof hij uit een varkensstal kwam. Maar toch had het
-toeval hem niet in deze kroeg gebracht.
-
-In het boek, dat hij Pigott had ontstolen, stond de naam „Blue inn”
-(Blauwe kroeg) verscheiden keeren opgeteekend. Hij veronderstelde
-daarom, dat de herbergier in nauwe relatie stond met den millionnair.
-
-Bijna den ganschen dag had hij naar de kroeg gezocht.
-
-Waar hij maar een bedelaar zag, had hij kennis met deze gemaakt en
-verteld, dat een vriend hem in de Blauwe kroeg wilde spreken, maar dat
-hij niet wist, waar deze was.
-
-Op de Waterloo-brug had hij een kreupele ontmoet, die een afzichtelijk,
-meelijwekkend kind droeg. Dat kind was blind en had geen voeten.
-
-Raffles zag dat bijna iedere voorbijganger een geldstuk legde op het
-tinnen bordje, dat dit allerrampzaligste schepseltje in haar handjes
-vooruitstak.
-
-De Groote Onbekende zag ook dat de kreupele, op wiens schoot het kind
-zat, het geld terstond bij zich stak. Van dezen man kreeg John Raffles
-het adres van de blauwe kroeg.
-
-Toen hij het verminkte kind en den bedelaar wat langer bekeek werd hem
-plotseling het geheim van mr. Pigott helder.
-
-Deze schurk, aldus redeneerde lord Lister, liet kinderen verminken en
-verhuurde of verkocht ze dan aan een bedelaar voor een zekere som
-gelds.
-
-Raffles kromp ineen, als hij bedacht, hoeveel misdaden, aan de
-onschuldige wezentjes begaan, Pigott wel niet op zijn geweten moest
-hebben.
-
-Hij moest nu alleen nog maar het overtuigend bewijs van Pigotts
-misdaden hebben en, zoo mogelijk, zoo’n verminkt kind van hem koopen.
-
-Dat hoopte hij in de „Blauwe kroeg” te kunnen doen. Hij ging daarom nog
-eens naar de kroeg terug om elf uur des avonds, toen allerlei kerels en
-wijven, zelfs kinderen er rond krioelden.
-
-Meisjes en jongens van zeven, acht jaren dronken op tegen volwassenen
-en sloegen de liederlijkste taal uit.
-
-Toen de waard zijn klant van dien middag zag, vroeg hij:
-
-„Wel, heb je nog wat gegeten?”
-
-„Yes”, antwoordde Raffles, „ik heb het er eens van genomen, hoewel ik
-den heelen dag maar twee penny heb opgehaald.
-
-„Hier in Londen ligt het geld ook al niet op de keien.”
-
-„Je bent een ongeluksvogel”, antwoordde de herbergier, „maar ik heb je
-toch geraden om op mijn voorstel in te gaan. Dan kun je geld verdienen,
-zooveel als je maar wilt.”
-
-De herbergier zag duidelijk dat John Raffles hem achterdochtig aankeek.
-
-De Groote Onbekende dronk zwijgend het glas jenever uit, dat voor hem
-stond en waarvoor de herbergier nu niet weer terstond het geldstuk
-verlangde. Hij vertrouwde Raffles nu.
-
-Lord Lister dronk verscheidene glaasjes leeg en ook de waard liet zich
-niet onbetuigd. De krijtstreepjes zette hij alle voor Raffles op de
-tafel neer.
-
-Toen beiden een dozijn gedronken hadden, legde Raffles twee shilling op
-tafel. Daarvan was de eene valsch.
-
-„Ik krijg nog zes pence van je,” zei de waard, „dien shilling neem ik
-voor de helft, omdat je een klant bent.”
-
-Raffles legde het gevraagde neer met een handbeweging, alsof hij
-dronken was.
-
-Daarbij mompelde hij eenige onverstaanbare woorden en de waard achtte
-nu den tijd gekomen om Raffles den voorslag te doen voor het zaakje.
-
-„Ga mee naar mijn kantoor”, zei hij.
-
-Met ietwat zwaaiende gang volgde lord Lister hem achter de toonbank en
-ging de slaapkamer van den waard binnen, die hem een stoel bood, de
-lamp opstak en tegenover zijn klant ging zitten.
-
-„Kijk eens, vriend,” begon de herbergier, „kijk eens, ik heb gezien,
-dat je genoeg geld bij je hebt om een winstgevend baantje te kunnen
-opzetten.”
-
-„Ik— —ik— —ik heb— —geen geld”, stotterde de Groote Onbekende.
-
-„Je bent dronken, my boy”, antwoordde de ander, „ik heb je zelf nog een
-bankbiljet gewisseld. Heb je dat nou al vergeten met je brandewijn-kop”
-
-„Kijk nou ereis”, vervolgde hij, „ik ken een vrouw, die heel veel
-ongeluk in haar leven heeft gehad. In haar jeugd is ze naar New-York
-ontvoerd. Toen is ze naar Londen gegaan en nu leeft ze hier in
-Whitechapel. Deze vrouw heeft een kind—wel, waarom zou ze geen kind
-hebben, en dat wurm werd verminkt geboren. De vrouw heeft dat kind
-verkocht aan een millionnair, die voor menschlievend wil doorgaan en
-deze wil er nu graag weer af.”
-
-Als begreep hij de zaak niet goed, staarde Raffles met een onnoozel
-gelaat den man aan.
-
-„Wat— —wat moet ik— —met een kind!— —Ik— —ik ben blij— —dat ik geen
-heb!”
-
-„Idioot”, brulde de ander, „dank den hemel, dat je dit kind kunt
-koopen. Je kunt er geld mee verdienen— —als water— —Begrijp je dan
-niet, wat ik bedoel?”
-
-John Raffles leek zoo dronken, dat hij den man niet meer begreep.
-
-„Ik zal het je uitleggen,” zei de waard, „het kind is totaal verminkt
-Ik geloof, dat het geen armen, geen beenen en geen oogen heeft. Het kan
-hooren noch spreken.”
-
-„Het ontbreekt er nog maar aan, dat het geen hoofd heeft ook,” dacht
-Raffles.
-
-„Goed, goed!” zei hij echter overluid, „maar dat is vreeselijk!”
-
-De waard lachte met ruw geluid en antwoordde:
-
-„Vreeselijk? Een zaakje is het, beste kerel, een uitstekend zaakje en
-ik verzeker je, dat, als ik niet zooveel verdiende, dan ging ik met dat
-misbaksel de straat op. En ik verwed tien pond tegen een shilling, dat
-ik twee pond per dag zou verdienen.”
-
-„Ja— —ja— —” lachte Raffles, „twee pond sterling verdienen.
-Jij—jij—hebt gelijk. Hoe— —hoeveel kost dat kind?”
-
-„Hoeveel geld heb je? Ik raad je aan, verstandig te zijn, want de blaag
-is niet goedkoop!”
-
-Raffles scheen na te denken.
-
-Toen hakkelde hij:
-
-„Ik—ik—ik heb— —340 dollar bij mij!”
-
-„340 dollar?”
-
-„Ja.”
-
-„Niets meer?”
-
-„Neen—neen!”
-
-„Zeg, lieg je niet?”
-
-„Waarachtig niet!”
-
-„Dan heb je niet genoeg! Maar ik zal je een voorstel doen. Je betaalt
-340 dollar en dan betaal je verder elken dag 10 shilling af. Onder 200
-pond krijg je het kreng toch niet.”
-
-„Tweehonderd pond?” bromde Raffles en het scheen, alsof hij langzaam
-ontwaakte uit de brandewijnroes.
-
-„Ja. Vooruit, doe het maar. Ik leen je het wurm op afbetaling. Als je
-niet betaalt, neem ik je het kind weer af.”
-
-De waard ging naar een kast en haalde er een vieze portefeuille uit.
-Toen nam hij papier, pen en inkt en schreef daar iets op, dat hij zijn
-klant voorlegde en beval:
-
-„Onderteeken!”
-
-„Ik moet het toch eerst lezen”, zeide de Groote Onbekende met dubbele
-tong. En langzaam ontcijferde hij:
-
-
- „Ik, de eerste onderteekenaar, huur hierbij van mister Thomson,
- Milton Street 16, het hem toebehoorende kind tot een huurprijs van
- 10 shilling, totdat de koopsom van 200 pond is afbetaald.
-
- Als ik een dag in gebreke blijf, den huurprijs te betalen, verlies
- ik alle recht op het bezit van het kind.”
-
-
-De Groote Onbekende las de overeenkomst nog eens en vroeg toen:
-
-„Wat—wat—is—dat dan—voor een kind?”
-
-„Vervloekt!” brulde de waard, „een verminkt kind!”
-
-„Ik—ik—ik bedoel—een jongen of een meisje?”
-
-„Dat weet ik niet, kerel! Maar dat komt er toch ook heelemaal niet op
-aan! Het is hoogstens twee jaren. Als je ’t hebben wilt, moet je nu
-toehappen, want morgen vroeg verwacht ik andere klanten!”
-
-Raffles scheen nog eens na te denken en nogmaals moedigde de herbergier
-hem aan met al de overredingskracht, waarover hij beschikte.
-
-Eindelijk dan toch haalde Raffles het geld te voorschijn, teekende het
-papier en zei:
-
-„Hier hebt ge het geld, mr. Thomson, maar dit papier behoud ik, totdat
-ik het kind heb.”
-
-„Dat kun je,” zei de waard, „morgen zullen we het gaan halen.”
-
-John Raffles betaalde hem het geld en liet zich daarvoor door mr.
-Thomson een kwitantie geven. Toen stak hij een en ander in den zak en
-verliet met den waard diens kantoor.
-
-Deze wees Raffles in een hoek een slaapplaats aan en in de walgelijkste
-omgeving legde de Groote Onbekende zich ter ruste.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-EEN KIND GEKOCHT.
-
-
-In denzelfden nacht, dien Raffles doorbracht in de „Blauwe Kroeg” was
-mr. Pigott met een van zijn meest vertrouwde bondgenooten, zekeren
-Thomas Jackson, naar de woning gegaan van een arme naaister, Mary Grant
-geheeten.
-
-Deze had een kind, een knaapje van twee jaren. Zij had een advertentie
-in de krant geplaatst, dat zij haar kind gaarne zou willen afstaan aan
-kinderlooze echtelieden.
-
-Deze soort advertenties zocht mr. Pigott iederen morgen in de kranten.
-
-Toen zij de woning der naaister binnentraden, zag mr. Pigott met een
-enkelen blik den ellendigen toestand der bewoonster.
-
-In een bed, waarover een deken, uit lompen saamgeflanst, lag een
-bleeke, hoestende vrouw, waaraan iedereen kon zien, dat zij nog slechts
-korten tijd te leven had. Tering sprak uit haar ingevallen
-gelaatstrekken en holle oogen.
-
-De kamer was gevuld met armelijk huisraad; ondanks de koude brandde
-geen vuur en in een kist, met stroo gevuld, lag een slapend knaapje.
-
-In tegenstelling tot de moeder, straalde dit kind van gezondheid. De
-slaap had zijn wangen rood gekleurd en een gelukkig lachje speelde om
-den kleinen mond. Blonde lokken omgolfden het liefelijke kindergelaat
-en de fijne trekken zouden een kind van aristocratische huize eer
-hebben aangedaan.
-
-Pigott bekeek den knaap met onderzoekenden blik.
-
-Moeizaam had de naaister zich in haar bed opgericht en met fluisterende
-stem vroeg zij, wat de vreemde heeren verlangden.
-
-Pigott vertrok zijn vet gelaat tot een minzaam lachje. deed zijn
-kostbare pels wat open en ging naar het bed der zieke.
-
-„Ik kom op de advertentie”, sprak hij, „is dat het kind, waarvan ge
-afstand wenscht te doen?”
-
-De zieke vouwde de handen en fluisterde, nauw hoorbaar:
-
-„Ja!”
-
-Pigott keek nog eens naar het kind en berekende terstond, dat diens
-buitengewone schoonheid hem schitterende voordeelen zou kunnen
-bezorgen.
-
-„Ge ziet”, begon de moeder, „dat ik niet meer in staat ben om te
-werken.
-
-„Ik zelf zou graag honger willen lijden, als het kind maar voedsel had.
-Maar ik kan hem niets meer bezorgen en wilde daarom, dat mijn jongen,
-voordat ik sterf, in goede handen komt.”
-
-„Dat komt hij”, beweerde Pigott, „ik beloof u, dat ik het kind als mijn
-eigen zal groot brengen en daar ik millionnair ben, zal hij eens mijn
-heele vermogen erven.”
-
-De zieke zag niet den spottenden lach, die in het halfdonker der kamer
-over het gelaat vloog van Thomas Jackson, toen hij deze woorden uit
-Pigotts mond hoorde.
-
-Pigott lachte in zijn vuistje.
-
-Hij begreep, dat hij voor weinig geld het knaapje zou kunnen krijgen.
-Volgens zijn meening had de moeder niet langer dan nog twee weken te
-leven.
-
-„Leeft de vader van het kind nog?” vroeg Pigott.
-
-„O, ja”, hijgde de moeder, „hij leeft nog, maar hij erkent het kind
-niet als zijn eigen.
-
-„Als ik dood ben, zult ge de noodige papieren over den vader van mijn
-Freddy vinden en misschien gelukt het u, hem de bekentenis af te
-dwingen, dat hij de vader is.—Ge zult hem wel kennen!—Ik was bij een
-der eerste Londensche families kamenier.”
-
-„Allright,” antwoordde mr. Pigott, „ik zal alles probeeren om hem te
-vinden, dat beloof ik u.”
-
-„Ik dank u.”
-
-„En dan heb ik hier een contract meegebracht, waarin staat, dat ik u
-tot uw dood een bedrag van tien pond wekelijks zal uitkeeren.”
-
-De zieke sloot de oogen.
-
-„Ik dank den hemel,” fluisterde zij, „dat gij tot mij komt, en hoe
-zwaar het mij ook valt te scheiden van het liefste, wat ik bezit, toch
-dwingt de nood mij, hiertoe over te gaan, daar mij geen andere keus
-blijft!”
-
-Haar oogen vulden zich met tranen en diep bedroefd viel zij op haar
-ellendige legerstede neer.
-
-Mr. Pigott haalde een bankbiljet van tien pond te voorschijn en legde
-dat in de handen der zieke.
-
-Toen sprak hij tot Jackson:
-
-„Haal de bontdeken uit de auto—wij zullen het kind er in wikkelen en
-mee naar huis nemen!”
-
-De moeder richtte zich weer op en riep uit:
-
-„Neen! Neen! Laat mijn kind nog een paar dagen hier! O! Het valt mij
-zoo vreeselijk zwaar!”
-
-Jackson ging heen om het bevel van zijn meester op te volgen.
-
-„Houd u kalm, mrs. Grant,” zei de millionnair, „’t is zoo het beste. Ge
-zult toch zelf wel inzien, dat de kleine hier niet kan blijven en als
-ge weer opknapt, sta ik u toe, uw jongen dikwijls te komen zien.”
-
-De zieke klampte zich vast aan dezen stroohalm. Haar hersens werkten
-koortsachtig. Misschien kon zij weer gezond worden en gevoelde zij zich
-slechts door wekenlange ontbering zoo afgemat.
-
-„Geef mij Freddy dan nog eens bij mij,” smeekte de ongelukkige.
-
-Mr. Pigott nam den knaap.
-
-Deze keek hem een oogenblik slaapdronken aan met zijn zwarte oogen.
-
-De moeder sloeg den arm om den hals van het kind, klemde het tegen zich
-aan en bedekte zijn gezichtje met kussen.
-
-Onverschillig, zonder de minste aandoening, keek de schurk naar dit
-roerende afscheid, terwijl hij in stilte vloekte over de weekhartigheid
-der vrouwen.
-
-Het kind had zijn armpjes om den hals der moeder geslagen.
-
-„Waarom schrei je, moedertje? Is dat een stoute oom?”
-
-„Neen, neen, kind, dat is een lieve oom, die je voor een tijdje mee
-neemt en je mooi speelgoed zal geven.”
-
-„Ook een spoortrein?”
-
-„Ja, ook een spoortrein.”
-
-Jackson kwam binnen met de warme deken. De millionnair spreidde ze op
-het bed uit en zei:
-
-„Kom, ventje, dan zal ik je in de warme deken wikkelen en je naar al
-het mooie speelgoed brengen.”
-
-De kleine begreep niet, dat hij van zijn moeder moest scheiden en
-zonder zich te verzetten, liet hij zich inpakken.
-
-Jackson nam het kind en droeg het de kamer uit. Hij was aan dergelijke
-tooneeltjes wel gewend en wist zoo goed als Pigott, dat vlug handelen
-het beste middel was.
-
-„Hier hebt ge mijn adres”, zei de millionnair, „en houd u nu kalm, neem
-rust en goed voedsel, opdat ge uw kind spoedig kunt terugzien.”
-
-Zonder zich verder te bekommeren om de schreiende vrouw zette hij zijn
-hoed op, deed zijn pels dicht en verliet deze plaats der ellende.
-
-Voor het huis wachtte zijn auto.
-
-Jackson was al ingestapt en toen nu ook de millionnair was gaan zitten,
-joeg de chauffeur die de derde in het complot was er van door.
-
-In de villa werden zij door het oude wijf ontvangen.
-
-„Wel, hebt ge het kind?” vroeg zij.
-
-„Yes”, lachte de dikke en hij gaf haar het knaapje. „Ik denk, dat je
-met dit exemplaar uitstekende zaakjes zult maken. Is er nog iets
-gebeurd?”
-
-„Mr. Thomson heeft getelephoneerd. Hij komt morgen vroeg hier met een
-klant.”
-
-„Het wordt tijd”, antwoordde Pigott, „die vervloekte Raffles heeft al
-mijn geld gestolen.”
-
-Dit gesprek werd gevoerd in de vestibule en het kind, dat beefde in
-zijn dunne kieltje, wilde nu Pigott volgen naar de eetkamer.
-
-Het wijf lachte ruw en pakte het knaapje bij den arm.
-
-„Daar heb je niets te maken! Ga mee! Ik heb voor jou een extra mooien
-salon.—Wat zullen we met hem doen?”
-
-„Daarover zullen we morgen wel eens praten. Berg hem voorloopig maar
-op.”
-
-Het wijf greep het kind bij zijn armpje en de knaap, die stelselmatig
-voelde, dat het booze wijf niets goeds met hem voor had, begon te
-huilen.
-
-„Vervloekte aap!” schold de vrouw, „leelijke kleine aap. Hou je bek! Ik
-zal je wijzen, hoe ik je klein krijg!”
-
-Zij greep het kind bij zijn blonde haren en sleurde hem de keldertrap
-af.
-
-Te vergeefs riep het kind om zijn moeder. Niemand behalve mr. Pigott en
-zijn medeplichtigen, die aan de welvoorziene tafel hadden plaats
-genomen, hoorde de jammerklacht.
-
-Het wijf was intusschen met het kind beneden aangeland; daar had zij
-een hok met vuil, stinkend stroo opengedaan en de kleine erin geduwd.
-De deur werd stevig gegrendeld en de boosdoenster ging naar boven om
-mee te smullen.
-
-Jammerend riep de kleine gevangene om zijn moeder en in den donkeren,
-kouden kelder hurkte hij neer, totdat hij, doodelijk vermoeid van het
-schreien, insliep. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Het was omstreeks tien uur in den morgen, toen Thomson, de eigenaar van
-de „Blauwe Kroeg”, met John Raffles de villa van Pigott binnentrad.
-
-Een half uur later verscheen de millionnair, die den heelen nacht had
-gedronken.
-
-Thomson deelde het doel van de komst mee.
-
-„Ja, ik heb een kind van zijn moeder gekocht”, zei Pigott, „maar het
-geeft mij hier in huis te veel drukte. Ik kan als vrijgezel geen
-kinderen gebruiken en ik ben blij, dat ge mij er weer af wilt helpen.
-
-„Gaat maar mee naar beneden, heeren, om het kind te zien. Ik heb het in
-den kelder moeten opsluiten, omdat ik zijn geschreeuw niet kon
-verdragen.”
-
-Hij schelde en het oude wijf verscheen.
-
-„Wij willen naar beneden. Mr. Thomson wil den blaag meenemen, maar
-eerst moet ge mij honderd pond sterling betalen.”
-
-„Natuurlijk, hier is het geld!”
-
-Hij haalde een stapeltje banknoten voor den dag en gaf ze Pigott.
-
-Deze nam het geld en zei toen:
-
-„Komt nu mee!”
-
-Alsof hij moeizaam voorthinkte volgde Raffles.
-
-Het wijf had intusschen de koopwaar, een ellendig verminkt meisje van
-nog geen twee jaren, uit een hok gehaald. Het kind kon slechts een
-heesch geluid voortbrengen. Haar oogen waren met pleisters bedekt, daar
-zij volgens den millionnair door een oogziekte blind was geworden.
-
-Raffles kromp het hart in een, toen hij dat rampzalige wezentje zag,
-maar tegelijkertijd keek hij scherp rond om de omgeving nauwkeurig op
-te nemen. Van achter een houten beschot hoorde hij duidelijk het huilen
-en kermen van kinderen.
-
-„Staat het wurm je aan?” vroeg Thomson, „nou, heb ik je teveel gezegd?”
-
-Raffles deed, alsof hij het kind onderzoekend bekeek.
-
-Daar hoorde hij plotseling een kinderstem, die uitriep:
-
-„Moedertje lief, goed moedertje, help toch!”
-
-Deze woorden deden lord Lister alle koelbloedigheid verliezen.
-
-Met één sprong was hij bij de deur, schoof den grendel weg, zag een
-knaap met blond haar, greep hem, nam hem op den arm en onder den
-uitroep: „Dezen wil ik koopen!” vloog hij naar de trap.
-
-Dit alles geschiedde zoo bliksemsnel, dat noch Pigott noch Thomson iets
-konden doen om Raffles deze handeling te beletten.
-
-Reeds was de Groote Onbekende op de trap, toen de stem van Pigott
-klonk:
-
-„Pakt den schurk!”
-
-Maar het was te laat.
-
-John Raffles, die het huis kende, was door de eetkamer naar de veranda
-gevlogen en toen in het park gesprongen.
-
-Hij rende door de paden, sprong over het hek en kwam in den tuin van
-zijn eigen villa.
-
-Hijgende stormde hij de kamer binnen, waar Charly Brand verschrikt was
-opgesprongen en voor dezen legde hij het kind op het tapijt neer.
-
-De kleine Freddy schreeuwde, alsof hij aan het spit werd gebraden.
-
-Lord Lister stond op uit den stoel, waarin hij was neergevallen en zei:
-
-„Ik heb geen tijd te verliezen, Charly, zorg goed voor den knaap, ik
-moet weer weg.”
-
-Hij ging zijn kleedkamer binnen en eenige oogenblikken later kwam hij
-er, als heer gekleed, weer uit.
-
-Charly had intusschen het kind in een warme deken gewikkeld en bij het
-vuur gelegd, terwijl een dienaar melk en koek bracht.
-
-Lord Lister trad even naar den knaap toe en streelde hem het blonde
-haar:
-
-„Nu wordt alles goed, ventje en ik geloof, dat wij goede vrienden
-zullen worden. Hoe heet je?”
-
-„Freddy”, stamelde het kind.
-
-In hetzelfde oogenblik hoorde Raffles het geroep van mannenstemmen in
-het park van zijn villa.
-
-„Dat zullen mijn vervolgers zijn”, sprak hij, „ik geloof, dat ze over
-den muur zijn geklommen.”
-
-Hij deed de balkondeuren open en zag op eenige meters afstand Pigott en
-Jackson.
-
-„Wat wilt ge?” vroeg Lister.
-
-Verschrikt keken de heeren naar den aristocratischen heer, die daar in
-rokcostuum stond en hen door zijn monocle scherp aankeek.
-
-Pigott antwoordde:
-
-„Wij zoeken een inbreker!”
-
-„Ga dadelijk van mijn grondgebied en laat de politie voor u naar
-inbrekers zoeken!”
-
-Pigott en Jackson wisten met hun houding geen raad. Zij aarzelden nog
-een oogenblik en verlieten toen vloekend het park.
-
-„Ellendige schurken!” mompelde Raffles, „wacht maar, ik zal jullie
-krijgen!”
-
-Hij ging weer de kleedkamer binnen en trok een lange overjas aan. In
-plaats van den hoogen zette hij een ronden, zwarten hoed op.
-
-Hij sprak met Charly Brand nog een en ander betreffende den knaap en
-verliet toen het huis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-INSPECTEUR BAXTER.
-
-
-Elf uur ’s morgens.
-
-In Scotland Yard gaat, op inspecteur Baxters schrijfbureau, de telefoon
-over.
-
-Onwillig nam deze den hoorn op.
-
-„Hallo!”
-
-„Is daar inspecteur Baxter?”
-
-„Ja.”
-
-„Hier Pigott, Regent-Park.”
-
-„Goeden morgen!”
-
-„Morgen!”
-
-„Wat is er van uw verlangen?”
-
-„Kom alstublieft dadelijk met eenige detectives. Ik heb John Raffles
-ontdekt, hij moet gearresteerd.”
-
-„Wat zegt ge? Weet ge het zeker?”
-
-„Beslist!”
-
-„Allright! Over tien minuten zijn we bij u.”
-
-Baxter legde den hoorn op het toestel en schreeuwde:
-
-„Marholm! Detective Marholm!”
-
-„Ja, dadelijk, inspecteur!”
-
-Daar kwam „de vloo” al aangedraafd.
-
-„Wat blieft u, inspecteur?”
-
-„Haal onze tien beste detectives en laat een auto voorkomen.”
-
-„Allright!”
-
-„Haast je wat!”
-
-„Natuurlijk!”
-
-Maar Marholm haastte zich allerminst. Op z’n dooie gemak stak hij een
-sigaar op en deed toen, alsof hij met zijn tijd geen raad wist, wat
-zijn chef hem had bevolen. Daarna ging hij Baxter meedeelen, dat alles
-in orde was.
-
-„Uitstekend!”
-
-Marholm grijnsde eens met breeden lach. Toen dacht hij zoo bij zich
-zelf:
-
-„Ik verwed mijn hoofd tegen een broeksknoop, dat de chef weer eens op
-Raffles gaat jagen. Die haast komt mij wel wat verdacht voor. Enfin, ik
-zal het me maar een beetje makkelijk maken op zijn sofa.”
-
-En Marholm rekte zich lui uit en rookte vol welbehagen zijn sigaartje.
-
-Baxter had Marholm, een der snuggerste detectives, tot zijn secretaris
-benoemd; Marholm’s spottende opmerkingen over Raffles kon Baxter niet
-goed verdragen en nu was de spotter tenminste geen ooggetuige meer van
-al de nederlagen van den inspecteur.
-
-Binnen een half uur was de auto met de detectives aan de villa in
-Regent-Park.
-
-Pigott ontving Baxter in zijn vorstelijk gemeubelde studeerkamer en
-bood hem een goede sigaar, terwijl de detectives voor de deur in de
-auto wachtten.
-
-„Ik zal u vertellen,” begon de millionnair, „wat er gebeurd is. Vandaag
-kwam een bedelaar, die mij voor mijn huis om een aalmoes vroeg. Ik had
-medelijden met den armen kerel, nam hem mee naar binnen en liet hem in
-de keuken wat eten geven. Daar werd toevallig een gouden tafelservies
-schoongemaakt. Plotseling pakte de kerel een zware, gouden kan beet en
-de schooier, die zich eerst op krukken moeilijk had voortbewogen,
-verdween in volle vaart met zijn buit. Mijn bediende en ik volgden hem.
-Hij vluchtte door het park, sprong over een muur en vluchtte in een
-huis, waarvan ik dacht, dat het al sinds jaren niet bewoond werd. Ge
-weet welk huis ik bedoel. Het is dat van den verscheiden jaren geleden
-ontvluchten lord Lister. Mijn bediende en ik volgden den vluchteling en
-kwamen op het vreemde terrein, waar ons door een man werd bevolen stil
-te staan, die op het balkon van de villa stond en zei, dat wij dadelijk
-den tuin moesten verlaten. In het eerste oogenblik herkende ik hem
-niet, maar toen ook begreep ik dadelijk, dat het lord Lister, de
-gevreesde Raffles, of, zooals de pers hem noemt, de Groote Onbekende
-was.”
-
-„Waarom hebt ge hem dan niet dadelijk gearresteerd?”
-
-Pigott lachte eens.
-
-„Dacht ge, dat ik lust had om door een pistoolschot een eind aan mijn
-leven te zien gemaakt? Neen, inspecteur, dat laat ik den politiemannen
-over. Hebt gij lust Raffles te vangen? Ik niet!”
-
-Baxter dacht eenige seconden na.
-
-Hij dacht nog eens na over het verhaal, hem door Pigott gedaan en kon
-natuurlijk allerminst vermoeden, dat deze een handige leugen had
-verzonnen, omdat het in zijn belang was, dat Raffles zoo spoedig
-mogelijk werd gearresteerd.
-
-Hij stond op en zei:
-
-„Ik zal dadelijk het huis laten doorzoeken.”
-
-Hij gaf zijn lieden het bevel, dat de eene helft in het park van lord
-Lister moest gaan om het huis te bewaken, terwijl hij zelf en de andere
-helft van de straat af het huis zou binnengaan.
-
-Charly Brand zat met Freddy, waarmee hij heel gauw vriendschap had
-gesloten, in lord Lister’s studeerkamer en speelde met den knaap, toen
-de oude kamerdienaar verschrikt binnentrad.
-
-„Vlucht spoedig! De politie wenscht te worden binnengelaten!”
-
-Zonder te aarzelen vloog Charly Brand met de kleine naar den
-schuilhoek, hem door Raffles gewezen. De ruimte was groot genoeg voor
-beiden. Charly moest er nu slechts voor zorgen, dat het kind door het
-een of andere geluid den boel niet verried.
-
-„Hou je mond, ventje, anders pakt die oude, stoute vrouw ons,”
-fluisterde hij.
-
-De herinnering aan dat wijf deed de kleine zwijgen. Angstig sloeg hij
-zijn armpjes om den hals van zijn beschermer en verborg zijn hoofdje
-aan diens schouder.
-
-Door den houten wand hoorde Charly de stemmen van de detectives en van
-Baxter.
-
-„Ik zocht hier eens voor jaren,” zei deze „en toen lukte het Raffles
-door die klok te ontsnappen en mij en mijn collega’s in deze slaapkamer
-op te sluiten. Het lijkt hier wel een vossenhol en de duivel mag weten,
-of wij hem ooit zullen vinden. Destijds hebben wij op alle muren van
-deze kamer geklopt, alle schilderijen van den muur gehaald, de tapijten
-opgenomen, maar er was niets te vinden, net zoo weinig als nu. Het
-verbaast mij, wat dat speelgoed daar doet bij den haard. Wij zullen het
-in elk geval maar meenemen.”
-
-Een der detectives nam het speelgoed, dat Charly voor kleinen Freddy
-had voor den dag gehaald en stak het in den zak.
-
-Bijna een uur doorzochten zij het huis, maar — — John Raffles was er
-niet te vinden.
-
-Zonder den millionnair iets te berichten, reed Baxter met zijn mannen
-naar Scotland Yard terug en stoorde daar Marholm in zijn heerlijken
-sluimer.
-
-De inspecteur wekte hem met een stoot en verweet hem op luiden toon,
-dat hij zijn plichten zoozeer verzaakte.
-
-De vloo keek zijn chef met een spotlach aan.
-
-Baxter deelde den detective noode den loop van het onderzoek mede, maar
-het was noodig, wijl Marholm het protocol moest opmaken.
-
-Toen Marholm het kinderspeelgoed zag, nam hij een trekpoppetje in de
-hand en barstte uit in luid lachen.
-
-„John Raffles is een filosoof, inspecteur!”
-
-„Hoezoo?”
-
-In plaats van eenig antwoord te geven, zong Marholm uit volle borst:
-
-
- „O zalig, o zalig, een kind nog te zijn!”
-
-
-„Je bent een groote gek,” zei Baxter, „hou op met dat zingen en raad
-mij liever eens, wat te doen in zoo’n geval!”
-
-Marholm dacht eenige seconden na.
-
-„Ik geloof dat het maar het beste is, als ge eens met dien Pigott, die
-beweert Raffles zoo goed te kennen, door de straten van Londen gaat
-wandelen om den Grooten Onbekende te zoeken!”
-
-„Die raad is niet slecht,” zei Baxter en hij verliet met twee van zijn
-mannen het bureau.
-
-Marholm lachte in zijn vuistje. Hij kon zijn onderbroken slaapje nu
-voortzetten.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Pigott was heelemaal niets ingenomen met het voorstel van Baxter om
-verscheiden uren door Londen te gaan slenteren en te probeeren Raffles
-te ontdekken.
-
-Maar hij vreesde Raffles te zeer om niet alles in het werk te stellen,
-ten einde den man te ontdekken.
-
-En deze poging, oogenschijnlijk zoo dwaas, zou inderdaad beloond
-worden.
-
-Baxter dacht er juist over na, of hij niet met Pigott naar „Hotel
-Cecil” zou gaan dineeren, toen plotseling de millionnair met doodsbleek
-gelaat den arm van Baxter greep en naar een persoon wees, die, in een
-grijze jas, langzaam voortliep, een sigaret rookte en het hotel
-binnentrad.
-
-„Wat is er?” vroeg de inspecteur, „ziet ge een spook?”
-
-„Neen! Geen spook, maar Raffles!”
-
-„Ge vergist u,” zei Baxter, „waar is hij?”
-
-„Dáár! Hij is „Hotel Cecil” binnengegaan; ik herkende hem dadelijk!”
-
-Het tweetal haastte zich en zag nog juist den rug met de grijze jas,
-die in de vestibule van het hotel verdween.
-
-Nog eens herhaalde Pigott:
-
-„Dat is Raffles!”
-
-Maar zoo groot was in Baxter de angst voor Raffles, dat hem nu, waar
-hij hem zoo nabij was, de knieën knikten.
-
-Hij was niet in staat, een stap te loopen.
-
-Eindelijk was hij weer zoover op streek gekomen, dat hij zijn beide
-detectives riep van de andere zijde der straat.
-
-„Hebt ge een heer gezien in een grijze jas?” vroeg Baxter den portier
-van het hotel.
-
-„Ja,” antwoordde deze, „hij is de leeszaal binnengegaan.”
-
-Baxter ging naar de aangeduide zaal aan het einde der gang.
-
-„Dank u!”
-
-Hier was lord Lister.
-
-Toen Baxter de zaal wilde binnengaan, verliet Lister dezen om een
-adresboek te gaan halen en toen hij den politieinspecteur zag,
-overlegde hij bliksemsnel bij zichzelven, wat hem te doen stond.
-
-„Daar is hij!” schreeuwde Baxter.
-
-Maar Raffles was in hetzelfde oogenblik een aangrenzend zaaltje, den
-theesalon, binnengestapt, draaide den sleutel om en liep het terras
-over, dat naar de breede straat langs de Theems leidde.
-
-En terwijl op deze handige manier de Groote Onbekende wel opzien baarde
-in den theesalon, maar toch ook behouden en wel op straat belandde,
-morrelden Baxter en zijn mannen aan den buitenkant der deur en riepen
-door het sleutelgat waar de man met de grijze jas was gebleven.
-
-„Naar den Theemsoever gegaan,” antwoordde men hem.
-
-„Vooruit!” beval Baxter, „hem dadelijk achterna.”
-
-Raffles had een voorsprong van verscheiden duizenden meters. Het was
-omstreeks vijf uur in den middag en het begon al wat te schemeren.
-
-De drukte aan den Theemsoever was om dezen tijd al bijzonder groot en
-Raffles durfde niet al te vlug te loopen om geen opzien te baren.
-
-Baxter en zijn mannen echter renden er van door en naderden steeds
-dichter.
-
-Ieder oogenblik riep Baxter: „Halt of ik schiet!”
-
-Maar er waren te veel menschen tusschen hem en Raffles, die het zaakje
-met belangstelling gadesloegen, waarom Baxter echter niet kon schieten.
-
-Plotseling bemerkte Raffles, dat een politieagent, een kerel als een
-boom, zich aansloot bij het publiek en hem vlak op de hielen was.
-Haastig had hij zijn jas uitgetrokken en toen de agent hem wilde
-grijpen, wierp hij dezen het kleedingstuk in het gelaat, zoodat de man
-niets kon zien.
-
-Reeds voelde Raffles, dat zijn krachten hem begaven.
-
-Maar eensklaps gleed een spotlach over zijn strak gelaat. Hij bleef een
-oogenblik staan en Baxter meende reeds dat Raffles, die vlak bij den
-Theemsoever stond, zich gevangen zou geven. Hij wilde hem reeds grijpen
-maar Raffles liep weer vooruit en opnieuw begon de jacht langs de
-rivier.
-
-Baxter echter zag, dat de vervolgde uitgeput geraakte en dit spelletje
-wel niet lang meer zou kunnen volhouden.
-
-Reeds strekten allen de handen uit om Raffles te pakken, maar— —zij
-grepen in de lucht, in de ijle ruimte. Met een grooten sprong, zijn
-hoed tot afscheid zwaaiend tegen Baxter, sprong Raffles in de Theems en
-riep:
-
-„Goeden dag, inspecteur, ’t is jammer voor mijn lakschoen!”
-
-Toen sloten de golven zich over zijn hoofd.
-
-Baxter rende als een gek aan den oever heen en weer en schreeuwde:
-
-„Een boot, een boot! Touwen en haken! Wij moeten hem ophalen! Wij
-moeten hem hebben!”
-
-Hij vloog met zijn lieden naar de brug om daar in een reddingboot te
-stappen. Daarin roeide hij in aller ijl naar de plaats, waar Raffles in
-de Theems was gesprongen.
-
-Maar niets was van hem te ontdekken.— — —
-
-Niet ver van de plaats werd een uur later in de duisternis door een
-heer een cab aangeroepen, die in een donkere portiek stond.
-
-De koetsier kon door de duisternis zijn „vrachie” niet nader bekijken.
-
-„Regent-Park 14”, zei de reiziger en de cab bracht hem daarheen.
-
-Toen de koetsier voor de villa stilhield, verbaasde hij er zich over,
-dat zijn passagier in het koude weer geen overjas droeg. De vreemdeling
-gaf hem een goede fooi en verdween toen in de villa. Het was de villa
-van lord Lister en Raffles zelf was het, die zich naar huis had laten
-rijden.
-
-Hij was niet verdronken in de Theems zooals Baxter en de grinnikende
-Pigott meenden.
-
-Toen hij vervolgd werd, bedacht hij onderwijl, dat een groote buis in
-de Theems uitmondde en op deze plaats was hij in de rivier gesprongen.
-
-Hij was een uitstekend zwemmer en kon zich gemakkelijk door de buis
-naar boven werken, tot waar deze op de straat uitmondde.
-
-In deze buis bleef hij totdat de duisternis was ingevallen; toen hief
-hij het deksel op en stond op straat.
-
-Met een cab liet hij zich naar zijn huis brengen om daar van kleeren te
-wisselen.
-
-Toen hoorde hij van Charly Brand, dat zijn huis te vergeefs door de
-detectives was bezocht Hij keek nog eens naar den slapenden Freddy en
-kuste den knaap op het voorhoofd.
-
-„Ga mee, Charly, maak je klaar.”
-
-Een paar minuten later slenterde Raffles in een elegante pels,
-onverschillig een sigaret rookend, met Charly Brand door de straten van
-Londen en luisterde met de grootste belangstelling naar de
-krantenjongens, die in extra-uitgaven zijn dood in de Theems meldden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DEN LORD-MAYOR.
-
-
-Voor het huis van den lord-mayor van Londen liepen twee schildwachten
-der Iersche garde op en neer.
-
-De groote berenmutsen hadden zij wegens de koude iets dieper dan
-gewoonlijk over de oogen getrokken en zij surveilleerden bijna in
-looppas.
-
-Plotseling bleef een van hen staan en riep:
-
-„Halt!”
-
-Twee heeren in elegante pelsjassen stonden voor hen en verlangden te
-worden binnengelaten.
-
-Het waren lord Lister en Charly Brand.
-
-„Wij wenschen den lord-mayor te spreken,” zei Raffles.
-
-„Voor zaken of particulier?”
-
-„Voor zaken”, antwoordde Raffles.
-
-„De werkuren van den lord-mayor zijn om vijf uur des middags
-afgeloopen”, antwoordde de schildwacht.
-
-„Dien mij dan als particulier aan”, zei de lord.
-
-„Ook dat is onmogelijk”, zei de schildwacht, „de lord ontvangt vandaag
-niet, omdat hij nog te werken heeft.”
-
-„Het is goed”, zei lord Lister, en hij ging met Charly Brand verder.
-
-Aan den overkant der straat bleef hij staan en keek eens naar het
-groote gebouw, waarin de lord-mayor van Londen woonde en een licht op
-de eerste verdieping verried Raffles de kamer, waar naar alle
-waarschijnlijkheid de lord-mayor zat te werken.
-
-Eenige oogenblikken later zei hij tot Charly Brand:
-
-„Ga jij nu naar huis, mijn jongen! Goeden nacht!”
-
-„En wat ben jij van plan?” vroeg Charly Brand.
-
-„Ik wil den lord-mayor van Londen spreken.”
-
-„Maar dat is toch niet mogelijk naar je gehoord hebt.”
-
-„Niets is onmogelijk.”
-
-Hij reikte Charly Brand nog eens de hand en deze zag, hoe Lister met
-elastischen tred over het plaveisel liep, een lucifer aanstak en
-daarmee een sigaret ontgloeide.
-
-Daarna zag Charly, dat hij het huis van den lord-mayor voorbijging en
-daarna het huis er naast binnentrad.
-
-Charly ging heen. Hij kon maar niet begrijpen, wat Raffles daar in dat
-gebouw had te zoeken.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Lord Abercron, lord-mayor van Londen, zat met zijn secretaris in zijn
-studeerkamer te werken. Hij was verdiept in de stukken, die voor hem
-lagen, zoodat hij er niet op lette, toen zijn kamerdeur werd geopend en
-eerst verschrikt opkeek, toen zijn secretaris plotseling opsprong en
-met luider stem uitriep:
-
-„Wie zijt ge, wat wilt ge?”
-
-Lord Abercron stond eveneens op en keek naar de deur.
-
-Daar stond de slanke gestalte van een vreemdeling, het type van een
-gentleman.
-
-„Wat verlangt ge?” vroeg Abercron, „en hoe is het mogelijk, dat men u
-heeft binnengelaten?”
-
-De vreemdeling naderde en zei:
-
-„Pardon. Maar als ik den koning wensch te spreken, dan ook word ik
-toegelaten. Ik kom overal binnen, waar ik wil en geen wacht of beambte
-kan mij daarin den weg versperren.”
-
-Deze woorden bezorgden lord Abercron een lichte rilling.—„Was dat een
-gek of een spook?”
-
-„Ik begrijp u niet,” sprak hij, „maar daar ik het bewijs van uwe
-bewering voor mij zie, wilt ge zeker wel de goedheid hebben, mij nader
-te verklaren, wien ik de eer heb te spreken.”
-
-De vreemdeling boog met een vriendelijk lachje en zei:
-
-„Mijn naam is John C. Raffles.”
-
-De lord-mayor en zijn secretaris vlogen van schrik achteruit. Een
-bovenaardsche verschijning had op hen geen schrikkelijker uitwerking
-kunnen hebben.
-
-De lord kreeg het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug en zei:
-
-„Schertst ge of wat praat ge anders voor onzin?”
-
-„Geen onzin,” antwoordde Raffles, „of denkt ge, dat ik voor mijn
-pleizier over de daken naar hier ben geklauterd?”
-
-„Over de daken?” herhaalde lord Abercron.
-
-„Ja,” antwoordde Raffles, „ik ben van hiernaast bij u overgesprongen.
-Dat was een heele waaghalzerij.”
-
-„Als ge geen slechte bedoeling hebt,” sprak Abercron, „al zijt ge ook
-de veelbesproken Raffles, waarom komt ge dan midden in den nacht bij
-mij?”
-
-„Omdat mijn boodschap geen uitstel kan lijden,” antwoordde de Groote
-Onbekende, „ik kom om met de hulp van uwe lordschap het vreeselijke
-lijden van ongelukkige schepsels te verzachten. Ik kom zelfs, op gevaar
-af, dat ge mij laat arresteeren en in de gevangenis werpen.”
-
-Nu keek lord Abercron in gespannen aandacht naar Raffles en zich
-herinnerend dat lord Lister, voordat hij zich aan de inbrekerssport
-wijdde, zijn standgenoot was, zei hij:
-
-„Ga zitten, lord Lister. Het moet wel een belangrijk iets zijn, dat u
-er toe drijft, u te wagen in het hol van den leeuw.— —Zal ik mijn
-secretaris wegzenden?”
-
-„Dat laat ik geheel aan u over, sta mij toe, dat ik u thans mijn
-verhaal doe.”
-
-En lord Lister begon hem de geschiedenis van mr. Pigott te vertellen
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Terwijl lord Lister bij den lord-mayor zich bevond, was Baxter naar
-Scotland Yard teruggekeerd—het was tegen negen uur des avonds—om den
-nachtdienst over te geven aan zijn collega Thomas. Daar ging de
-telefoon over en Marholm nam den hoorn van het toestel.
-
-„Hier Baxter, Scotland Yard!”
-
-„Hier Hittner, de secretaris van lord Abercron.”
-
-„Wat belieft u?”
-
-„Lord Abercron beveelt, dadelijk mr. Pigott, Regent-Park 12, te
-arresteeren en naar Scotland Yard te brengen om verhoord te worden.
-Zijn lordschap zal daar zelf komen.”
-
-„Uitstekend,” zei Marholm en hij legde den hoorn weer neer.
-
-„Wat is er?” vroeg Baxter, die haast had om naar huis te komen.
-
-„De lord-mayor verzoekt u, inspecteur Baxter, om mr. Pigott hier te
-brengen, opdat zijne lordschap hem persoonlijk in verhoor kan nemen.”
-
-„Alle duivels! Wat moet dat beteekenen?”
-
-Marholm haalde de schouders op.
-
-„Ga mee, Marholm, het bevel luidt immers, dat Pigott direct moet
-gearresteerd worden? Wat ter wereld heeft lord Abercron met dien Pigott
-te maken? ’t Is vreemd!”
-
-Het tweetal spoedde zich naar Pigott. Verschrikt sprong deze op, toen
-Marholm en Baxter zijn eetkamer binnentraden en hem meedeelden, dat hij
-dadelijk naar Scotland Yard moest komen.
-
-„Wat is er? Wat moet ik? Hebt ge Raffles misschien uit de Theems
-gehaald?”
-
-Over het gelaat van Marholm vloog een spotlach en om Pigott tot wat
-spoed aan te drijven sprak hij:
-
-„Ja, wij hebben hem er uit gehaald.”
-
-Die woorden hielpen. Hij kleedde zich haastig en verliet met Baxter en
-Marholm de villa. De lord-mayor was nog niet verschenen.
-
-Daar ging de deur open.
-
-Een heer in pelsjas kwam binnen, fixeerde Baxter eenigen tijd en vroeg:
-
-„Inspecteur Baxter?”
-
-„Jawel! Met wien heb ik het genoegen?”
-
-Daar weerklonk een vreeselijke gil en Pigott schreeuwde:
-
-„Raffles! Raffles! Een spook! Help!—”
-
-Die woorden werkten als een bom.
-
-Allen, behalve Marholm, wilden vluchten. Glimlachend keek Raffles toe
-en zei:
-
-„Die man heeft gelijk. Ik ben Raffles!”
-
-Nu brulde Baxter:
-
-„Sluit hem in boeien! Vooruit! Het is Raffles!”
-
-En terwijl allen, behalve „de vloo”, zich op Raffles wierpen, riep
-Baxter maar uit:
-
-„We hebben hem! Gelukkig! Eindelijk! Nu zal hij op water en brood
-zitten, totdat hij alles heeft teruggegeven, wat hij gestolen heeft.”
-
-Daar ging de deur nogmaals open en een onder-officier van de Iersche
-garde meldde met luider stemme:
-
-„De lord-mayor van Londen, lord Abercron”.
-
-Deze trad binnen met een vriendelijk „goeden avond”, klopte toen
-Raffles eens joviaal op den schouder en zei:
-
-„Goeden avond, waarde lord. Ik zie, dat ze u een paar ijzeren
-handschoenen hebben aangetrokken.”
-
-„Ja”, lachte Raffles, „aan beleefdheid heeft het mij hier niet
-ontbroken.”
-
-Als een bliksemstraal troffen deze woorden al de omstanders en hun
-verbazing kende geen grenzen, toen Abercron gelastte:
-
-„Neem den lord de handboeien af!”
-
-Marholm haastte zich, het bevel op te volgen.
-
-„En doe dien heer de boeien aan”, beval de lord-mayor en hij wees naar
-mr. Pigott.
-
-Deze brulde als een stier, toen hij die woorden hoorde en stevig werd
-beetgepakt.
-
-In een oogwenk was hij geboeid.
-
-„Ga met uw beambten”, beval thans de lord-mayor, „naar de villa van
-dezen man, waarheen ge hem moet meenemen. Lord Lister zal in dit proces
-optreden als getuige en als zoodanig staat hij ook onder de speciale
-bescherming van de Kroon. Ge moogt hem dus niet het minste aandoen.”
-
-Baxter en alle detectives bogen diep en de heele stoet van Scotland
-Yard, met mr. Pigott in hun midden, trok erop uit, terwijl zich nog
-eenige doktoren bij hen hadden gevoegd. Zoo trok men, met lord Lister
-aan het hoofd, naar de villa in Regent-Park.
-
-Marholm, die naast den geboeiden Pigott in de auto zat, merkte op, dat
-deze, toen men voor zijn villa was aangekomen, eensklaps een luiden
-schreeuw wilde slaken om zijn medeplichtigen te waarschuwen. Maar dit
-geschiedde niet, want toen Marholm zag, wat Pigott wilde beginnen,
-drukte hij hem bliksemsnel de hand op den mond en de schreeuw werd
-gesmoord. Zijn hand nam Marholm eerst weer weg, toen de deur der villa
-geopend was.
-
-Jackson stond op den drempel en te laat zag deze, dat men gesnapt was,
-want reeds werd hij gegrepen en geboeid.
-
-Het viel nu niet zoo heel moeilijk om ook de derde medeplichtige en het
-wijf te arresteeren. Lord Lister ging nu de anderen voor naar den
-kelder. Het gelukte hem nu al heel spoedig om de geheime deur te
-openen, waarvan hij het mechanisme kende, en de heeren belandden dus
-vrij spoedig in de kelderruimte, waar zich zulke afgrijzelijke
-tooneelen voor hun oogen afspeelden, dat zij meenden in de hel te zijn
-verplaatst.
-
-Uit vieze, vuile hokken, op hoopen stroo, dat maanden lang reeds lag te
-rotten en waarin het ongedierte hoogtij vierde, haalden de doctoren
-schepseltjes te voorschijn, die men op de meest wreedaardige wijze
-kunstmatig had verminkt.
-
-Het waren kinderen, jongens en meisjes tot drie-jarigen leeftijd, die
-men alle opzettelijk verminkt en van hun ledematen beroofd had. Met
-gloeiende ijzers werden de stompen afgebrand en dan weer zoo goed en
-zoo kwaad als het ging genezen. Bleef het ongelukkige kind leven dan
-werd het, zooals wij dat bij Raffles en mr. Thomson zagen, verkocht aan
-den een of anderen bedelaar uit Londen, stierf het, tengevolge van de
-vreeselijke pijnen, dan werd het in een onderaardschen put geworpen. De
-aanwezige doctoren bemoeiden zich terstond met de arme stumperdjes en
-lieten ze naar de ziekenhuizen brengen.
-
-Uit het onderaardsche kerkhof haalden de doktoren zeventig geraamten of
-in verregaanden staat van ontbinding verkeerende lijkjes te voorschijn.
-Verscheiden detectives vielen flauw, toen zij al die ellende zagen en
-Raffles beweerde, dat hij zelfs niet op de slagvelden van Egypte of
-Zuid-Afrika zulke vreeselijke tooneelen had bijgewoond als de aanblik
-gaf van deze onschuldig vermoorde wezentjes.
-
-Terwijl de doktoren en eenige detectives den kelder ontruimden, begaven
-de lord-mayor en Raffles zich naar de slaapkamer van mr. Pigott, die
-zij doorzochten. In een jaszak van den millionnair vonden zij de krant,
-waarin de arme naaister Mary Grant haar zoontje te koop aanbood. Deze
-advertentie had Pigott met blauw potlood aangehaald.
-
-Raffles nam deze krant en verzocht toen den lord-mayor en Baxter om hem
-te volgen naar de naastbij gelegen woning.
-
-Charly Brand, die met het grootste ongeduld wachtte op de terugkomst
-van lord Lister en in de grootste zenuwachtigheid verkeerde, schrikte
-niet weinig, toen hij plotseling de huisbel hoorde overgaan en vreemde
-stemmen vernam. Hij was op het punt om zich opnieuw te verbergen in den
-door Raffles aangeduiden schuilhoek, toen hij lord Lister’s stem
-hoorde, die zei:
-
-„Hierheen, heeren, deze trap op!”
-
-Eenige minuten later werd de deur geopend en lord Lister trad binnen,
-vergezeld van lord Abercron en detective Marholm.
-
-Vol verbazing en bewondering keek lord Abercron om zich heen. Dat was
-dus het veel beruchte dievenhol, waar het zoo echt gezellig en
-gemakkelijk uitzag.
-
-Maar Raffles liet hem niet al te lang den tijd. Hij bracht hem naar de
-slaapkamer en toonde hem daar het blonde knaapje. Rustig sluimerde het
-kind, en een lachje speelde om zijn lippen.
-
-„Hier is de kleine,” zei Raffles, „dien ik den schurk heb ontstolen en
-bovendien—hij wendde zich tot Charly Brand—heb ik dien man voor 60,000
-pond sterling beroofd, die ik thans aan u overdraag met het vriendelijk
-verzoek, deze geldsom te besteden in het belang van de ongelukkige
-slachtoffers, de verminkte kinderen.”
-
-Hij liet Charly de geldsom uitbetalen.
-
-Lord Abercron nam het geld, keek er eenige seconden naar en toen keek
-hij naar Raffles. Daarop reikte hij dezen de hand en zei:
-
-„Ik benijd u om uw sport, lord Lister en, te oordeelen naar het
-resultaat, dat ge mij vandaag van uw werken hebt gegeven, zou ik
-wenschen een Raffles te zijn.”— —
-
-Daarmee gaf hij hem nogmaals de hand.
-
-„Ik moet gaan, het is al laat geworden!”
-
-„Toch nog niet te laat om iemand groote vreugde te bereiden. Ik zal de
-moeder van dit kind gaan opzoeken en haar het knaapje terugbrengen.”
-
-„Ik zal voor moeder en kind zorgen,” zei lord Abercron. „Kom morgen bij
-mij en zeg mij, wat ik doen kan.”
-
-Lord Lister boog.
-
-„Staat ge mij toe,” vroeg hij, „dat ik u nog één verlangen van mij
-kenbaar maak?”
-
-„En dat is?”
-
-„Ik heb hier in huis nog een paar uitstekende touwen. Ik geloof, dat
-inspecteur Baxter ze indertijd heeft gekocht bij een touwslager, met de
-bedoeling om er mij aan op te hangen en ze hier thuis heeft
-achtergelaten. Dat voornemen van Baxter is tot nog toe niet ten uitvoer
-gebracht. Zoudt gij die touwen misschien willen meenemen als geschenk
-van mij voor mr. Pigott en zijn collega’s?”—
-
-Lord Abercron lachte. Het was zijn eerste glimlach op dezen avond en
-ook detective Marholm lachte, toen lord Lister een verwarde kluwen touw
-te voorschijn haalde.
-
-Hij gaf ze den lord-mayor van Londen met de woorden:
-
-„Een echte Rafflesstrop voor Pigott en zijn medeplichtigen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0018: HET
-GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.