summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69559-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69559-0.txt')
-rw-r--r--old/69559-0.txt2787
1 files changed, 0 insertions, 2787 deletions
diff --git a/old/69559-0.txt b/old/69559-0.txt
deleted file mode 100644
index 18650a0..0000000
--- a/old/69559-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2787 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Crito, by Plato
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Crito
- Een dialoog van Plato
-
-Author: Plato
-
-Translator: Michiel Jan Noordewier
-
-Release Date: December 16, 2022 [eBook #69559]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Wouter Franssen and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net (This book was produced from
- scanned images of public domain material from the Google
- Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK CRITO ***
-
-
-
- CRITO.
-
- EEN DIALOOG VAN PLATO.
-
- VERTAALD EN OPGEHELDERD
-
- DOOR
-
- Dr. =M. J. NOORDEWIER=,
- _Rector van ’t Plaatselijk Gymnasium te Winschoten_.
-
- [Illustratie]
-
- TE GRONINGEN, BIJ
- J. B. WOLTERS.
- 1846.
-
-
-
-
- _Gedrukt bij P. S. Barghoorn._
-
-
-
-
- VOORREDE.
-
- [Illustratie]
-
-
-_Met den hartelijksten dank aan die velen, die door hunne inteekening
-ons doel wel hebben willen bevorderen, bieden wij hun en onze verdere
-landgenooten Plato’s boekje aan._
-
-_Wat wij ter inleiding of opheldering er bijvoegden, ontleenden wij zoo
-veel mogelijk aan de Ouden, en meestal woordelijk. Bovendien hebben wij
-natuurlijk gebruik gemaakt van ’t geen anderen ons aanboden._
-
-_Mogt onze bewerking de goedkeuring van bevoegde beoordeelaren
-verwerven, dan hopen wij eveneens den Phaedo, den Protagoras en nog een
-paar stukken van Plato te doen volgen._
-
- N.
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
- INLEIDING.
-
- [Illustratie]
-
-
-De inval der aziatische vreemdelingen in Griekenland was teruggeslagen
-niet alleen, maar de perzische koning ook tot een’ schandelijken
-vrede genoodzaakt, en wel voornamelijk door atheensche veerkracht en
-heldenmoed. Zulke tijden van dreigend gevaar zijn het, die helden
-scheppen en alle geniën doen ontwaken: dan, vooral wanneer een bange
-strijd de zege heeft aangebragt, dan klopt de boezem van een hoog
-gevoel, en er ontstaan meesterstukken, die latere, kalmere, maar ook
-verslapte tijden bewonderen, maar niet meer evenaren. Zoo was te
-Athene door Aeschylus, Sophocles en Euripides het treurspel,--door
-Cratinus, Eupolis en Aristophanes het blijspel geschapen, ontwikkeld,
-volmaakt,--door andere meesters andere schoone kunstgewrochten
-daargesteld.
-
-Op de scheppingen der fantasie volgen de ontwikkelingen des verstands:
-Herodotus en Thucydides, Plato en Xenophon, Lysias en Isocrates
-schiepen het welligt nooit geëvenaarde attische proza, weldra,
-buiten de poëzij, de eenige heerschende taal. Door deze en andere
-omstandigheden was en bleef Athene het middelpunt van grieksche
-beschaving en grieksche wijsheid.
-
- * * * * *
-
-Der Grieken nadenken was eerst gerigt geweest op de natuur, en
-hunne wijsbegeerte was bloot natuurkunde. Later tot het bewustzijn
-geraakt, dat de menschelijke rede iets anders is en hooger staat dan
-natuurkracht, hadden zij nagedacht over de zedewet; die zij, bevangen,
-gelijk ze waren, door hun nadenken over de natuur, nog van deze niet
-konden scheiden. Maar nieuwe denkers traden op, en ontwikkelden de
-zedeleer in scherp contrast tegenover de leer der natuur, totdat het
-eeuwige streven van den menschelijken geest, het streven naar éénheid
-in weten en denken, eene bemiddeling tusschen beide zienswijzen
-vond, een band tusschen natuur- en zedeleer: de zamenstellingen en
-ontledingen des verstands.
-
-De man, die, het meest van allen, tijdgenoot en nakomeling dien band
-deed beseffen, die eischte, dat, wie iets wist of deed, van zijn weten
-of doen volledige rekenschap kon geven; die verstandige denker, die zoo
-vele anderen tot denkers vormde,--die man was Socrates.
-
-Socrates was geboren in 468 vóór onze jaartelling. Sophroniscus, zijn
-vader, was beeldhouwer; Phaenarete, zijne moeder, vroedvrouw. Zijne
-jeugd bragt hij door in de uitoefening van zijns vaders beroep: nog
-vijf eeuwen later zag men te Athene door hem gebeitelde gesluijerde
-gratiën.
-
-Hoewel hij geen opzettelijk onderwijs in de wijsbegeerte ontving,
-moesten evenwel mannen, als welke wij in den aanvang van ons opstel
-vermeldden, een’ magtigen invloed uitoefenen op een denkend hoofd
-gelijk Socrates, die de tijdgenoot was van de meesten hunner. Bovendien
-maakte hij zich de rijke gelegenheid te nutte, die Athene voor allerlei
-ontwikkeling aanbood.
-
-In ’t bedrijvige leven was hij een voorbeeld van standvastige
-vaderlandsliefde en een onverschrokken handhaver van waarheid en regt.
-Als burger zijner vaderstad woonde hij drie krijgstogten bij. Eerst ter
-zee tegen Potidaea: bij die gelegenheid redde hij Alcibiades met zijn
-schild, verwierf den prijs der dapperheid, maar stond dien vrijwillig
-af aan Alcibiades, die het zelf verhaalt in Plato’s Gastmaal. „Maar
-meer was het de moeite waard,” zoo gaat hij voort, „Socrates te zien,
-toen bij Delium (424, in Boeotië) ons leger vlugtende aftrok. Bij geval
-was ik er te paard tegenwoordig, en hij in zware rusting te voet.
-Toen de menigte reeds verstrooid was, trok Socrates, met den veldheer
-Laches, terug; ik tref hen aan en hen herkennende, spreek ik hun
-beiden moed in, en beloofde hen niet te zullen verlaten. Daar zag ik
-Socrates beter dan bij Potidaea; (ik was namelijk meer gerust, daar
-ik te paard zat;) vooreerst overtrof hij Laches verre in kalm beleid;
-verder trad hij trotsch daarheen, en zag rond naar vriend en vijand;
-’t was duidelijk voor ieder, ook van verre, dat, wie dezen man mogt
-aanvallen, eene geduchte tegenweer zou vinden. Daarom kwam hij zelf en
-de ander er behouden af”[1].
-
-Even eervol streed hij bij de nederlaag der Atheners bij Amphipolis.
-
-Behalve eenen feesttogt naar den Isthmus en de vermelde krijgstogten,
-verliet hij Athene niet, waaraan hij bijzonder gehecht was, vooral om
-de daar heerschende vrijheid van leven, die voor hem bijzondere waarde
-bezat. Uit zucht naar onafhankelijke vrijheid verkoos hij arm te zijn,
-en bemoeide hij zich niet met het staatsbestuur: onmogelijk kon hem ook
-de wufte onbestendigheid der atheensche volksregering behagen. Daarom
-bekleedde hij nooit eenige waardigheid, behalve dat hij eens lid van
-den raad werd. Bij toeval was toen de phyle of afdeeling Antiochis,
-waartoe Socrates behoorde, aan de beurt om ’t beleid der zaken te
-voeren. Juist had het volk besloten om acht opperbevelhebbers,
-die, door storm verhinderd, de lijken van de, in den zeeslag bij
-de arginusische eilanden, gesneuvelden de laatste eer niet hadden
-kunnen bewijzen, allen te gelijk te veroordeelen, geheel onwettig,
-gelijk ieder later inzag. Toen was Socrates onder de gezagvoerders de
-eenige, die zich tegen dien gruwel verzette; en hoewel de volksmenners
-gereed waren hem zelven aan te klagen, en ’t volk luide den dood der
-ongelukkigen eischte,--dacht het den standvastigen man beter, om,
-getrouw aan wet en regt, het gevaar te trotseren, dan te deelen in ’t
-onregt, uit vrees voor kerker of dood.--Voor ’t overige bleek bij deze
-gelegenheid zijne weinige geschiktheid voor de behandeling der openbare
-zaken; toen hij de stemmen moest opnemen werd hij uitgelagchen. Dit
-gebeurde onder de democratie.
-
-Toen deze voor de regering van weinigen had moeten wijken, ontboden de
-dertig tirannen Socrates met vier anderen, en bevalen hun, een’ zekeren
-Leon, een zeer rijk man en atheensch burger, maar om de tirannen
-uitgeweken naar Salamis, van daar te halen, om hem te Athene ter dood
-te brengen; gelijk zij dan ook vele anderen dergelijke geweldenarijen
-bevalen, om velen in hunne schuld te doen deelen. Toen bewees Socrates
-weder, dat hij niet in ’t minste den dood vreesde, maar het plegen van
-onregt boven alles. Op hem vermogt het schrikbewind, hoe gewelddadig
-ook, en buitendien op hem verbitterd, niet genoeg, om hem tot een’
-misdadigen stap te verleiden. De vier gingen naar Salamis en bragten
-Leon; en Socrates ging naar huis. Denkelijk zou ook hij vermoord zijn,
-ware het schrikbewind niet spoedig gevallen.
-
-Zoo was het geheele leven van Socrates een bewijs van liefde voor zijn
-vaderland en voor ’t regt. Dat hij nu niets deed, om invloed te krijgen
-op het bestuur, daarvan ligt de grond in zijne overtuiging, dat het
-zijne roeping was: het opkomende geslacht te vormen en op te voeden.
-„Wanneer,” zeide hij, „gelooft gij, dat ik meer deel neem aan de
-staatszaken, indien ik alleen er deel aan neem, of wanneer ik zorg zoo
-velen mogelijk geschikt te maken tot derzelver behandeling?”
-
-Waarschijnlijk had Socrates eerst op veertigjarigen ouderdom een
-meer duidelijk inzigt in deze zijne roeping gekregen: hij werd er
-allengskens meer van overtuigd, daar hij zag, dat zijn omgang de jonge
-menschen wezenlijk beter maakte. Zonder zich aan iemand op te dringen,
-veroorloofde hij ieder, ’t zij jong of oud, in zijn’ omgang te deelen.
-
-Zoo ontstond ’t geen anderen zijne school noemden, namelijk de gewoonte
-van velen om zoo veel mogelijk met hem te verkeeren en hem te hooren.
-Ook moest zijn geheele wezen wel de aandacht trekken: zijne gestalte
-was verre van schoon; Alcibiades vergelijkt hem, om zijnen ingebogen’
-wipneus, uitpuilende oogen en dikken buik, met Silenus. Zijne kleeding
-was, gelijk hij zelf, arm en gering; voeg hierbij veel ongewoons in
-zijne manieren,--dikwijls zag hij rond of bleef hij eensklaps staan.
-Maar hij deed meer dan bloot de aandacht wekken: zijn omgang boeide
-velen, die hij in moeijelijke omstandigheden met raad en daad wist bij
-te staan. En vooral lag er in ’t geen hij zeide, eene onweerstaanbare
-kracht. Zijn onderhoud liep veelal over huisselijk en openbaar leven,
-waarbij hij ieder tot nadenken bragt, maar voornamelijk iederen
-valschen waan van wijsheid, van wien dan ook, in zijne naaktheid
-onverbiddelijk ten toon stelde. Wat gemeen was en onrein, dat vervolgde
-hij met bijtenden, soms ruwen spot.--Zijne jongere vrienden bootsten
-gaarne de luimige scherts na, met welke hij zelf zich het voorkomen
-gaf van gaarne beter onderrigt te worden door hem, dien hij meende te
-moeten beschamen.
-
-In de hoogste mate bezat hij het vermogen om zich geheel naar de
-zienswijze en de begrippen van anderen te schikken, en met verzwijgen
-van eigene zienswijze, dikwijls met eene enkele aanwijzing, ieder
-slechts datgene te zeggen, wat hij begrijpen kon, en alleen zóó als hij
-het begrijpen kon[2].
-
-Daar hij zelf niets schreef, en in zijn spreken steeds scherts en
-ernst vereenigde, zonder zijne meening voluit te zeggen,--kon het bijna
-niet anders, of hij moest wel scheef en eenzijdig worden beoordeeld.
-
-Daarbij deelde hij in de meening van vroegere denkers, „dat één hoogste
-wezen het al bestuurt,” hoewel hij in leer en leven de volksgoden
-eerbiedigde. Maar vele ruwe denkbeelden over ’t wezen der godheid
-moest hij wel bestrijden: verhinderen kon hij niet, dat er onder zijne
-leerlingen waren, die de volksgodsdienst verachtten. Zoo ontstond er
-zeer natuurlijk eene verdenking tegen Socrates eerbied jegens de goden.
-
-Daarbij kwam, dat hij op eene eenigzins raadselachtige wijze sprak
-van eene soort van goddelijke ingeving, die men niet begreep of
-verkeerd uitleide. Over dezen bekenden Genius van Socrates is veel
-geschreven: wij houden het, met Ritter, voor een uitvloeisel van
-een zeer prikkelbaar gevoel in hem, eene soort van voorgevoel, een
-bijgeloof, dat hij deels van zijn volk had overgeërfd, deels uit
-eigene inwendige ervaring had opgevat. Socrates meende namelijk, dat
-de goden met hunnen bijstand de gebrekkige krachten van den brave te
-hulpe kwamen; daarbij lette hij naauwkeurig op zijne gewaarwordingen,
-van welke vele hem niet anders dan door bovennatuurlijke ingeving
-verklaarbaar waren. Aan ieder, dacht hij, die ’t wezenlijk wèl meende,
-gaven de goden dergelijke teekenen, hoewel niet aan ieder op dezelfde
-wijze.--Voorzeker zal de lezer, die zich zijner zwakheid bewust
-is, maar ook zijne kracht ten goede niet miskent „met den bijstand
-Gods,”--die zal Socrates gevoelen eerbiedigen.
-
-Zoo begrijpen wij nog beter, hoe de edele man zoo geheel en onverdeeld
-kon leven voor ’t geen hij als zijne roeping beschouwde: het _verstand_
-zijner tijdgenooten, vooral der jongeren, te vestigen op des menschen
-wezenlijke belangen, door hen tot nadenken op te wekken.
-
-Socrates tijdgenooten begrepen zijn daemonium niet.
-
-Hierbij kwam, dat er in zijn’ tijd een strijd was ontstaan tusschen
-het oude geloof aan der goden geduchte magt, dat vroeger door schrik
-en vreeze het volk in bedwang had gehouden, dat, zonder betwijfeld te
-worden, had geheerscht in de dagen der heldenkracht;--en tusschen eene
-nieuwe wijze van beschouwen, door wijsgeerig natuuronderzoek en door
-den rusteloozen voortgang van des menschen geest geboren: der vaderen
-goden waggelden op hunne troonen; de menschelijke deugd moest voortaan
-uit zedelijke overtuiging worden afgeleid, op wijsgeerige ontwikkeling
-van den geest gebouwd: zóó zou verstandige, zedelijke kracht het
-goede handhaven. Behalve den onverpoosden tred des tijds, had de
-ontzenuwing van het nationaal karakter en de zedelijke verwoestingen
-van een’ langdurigen burgeroorlog dien strijd aangewakkerd. Er waren
-vele welmeenende voorstanders van het oude, dat, verjaard, zijne kracht
-had verloren: Socrates gevoelde de onloochenbare behoefte aan de
-vergoeding van dat gemis, en de onmogelijkheid van de herlevendiging
-der denkbeelden van meer kinderlijke, vroegere dagen.
-
-Zijne overtuiging kostte hem het leven.
-
-Tot deze treurige ontknooping van het drama bragt ook deze
-omstandigheid het hare bij: twee mannen, die over Athene den meesten
-jammer hadden gebragt, Critias en Alcibiades, hadden gemeenzaam met
-Socrates geleefd. Na den terugkeer van de vorige orde der dingen,
-overdacht de geest de verledene rampen: om haren terugkeer te
-verhoeden, had men gaarne den bekrompen blik der dagen van ouds willen
-terugroepen.
-
-In het algemeen was daarenboven de openbare meening zeer ingenomen
-tegen de wijsgeeren. Behalve andere gronden, die ook wel in hunne
-personen kunnen gelegen hebben, zal er wel altijd bij de velen, die
-leven van den waan van ingebeelde waarde en verdienste, eene nu meer
-geheim gewordene verbittering blijven bestaan tegen de weinigen, die ze
-opschudden uit den dommel.
-
-Socrates _wekte_ zijne tijdgenooten: hij moest sterven.
-
-Meletos, een jong dichter, bragt (399 v. C.) tegen Socrates de
-beschuldiging in, dat hij in twee punten had misdaan: 1. door de goden
-van den staat niet aan te nemen en nieuwe daemonen in te voeren; 2.
-door de jongelingen te bederven.
-
-Anytos, een volksmenner, en Lycon, een redenaar, ondersteunden als
-medebeschuldigers de aanklagt, waarbij, volgens heerschend gebruik, de
-straf werd gevoegd, die de klager tegen ’t misdrijf meende te moeten
-eischen: hier _de dood_.
-
-Om de aangevoerde redenen scheen de aanklagt in ’t oog der volksregters
-niet van grond ontbloot.
-
-Daar treedt de aangeklaagde op.
-
-Beschuldigden plagten te Athene, door alle--ook lage en
-onkiesche--middelen, der regteren medelijden gaande te maken.
-
-Geheel anders Socrates: fier is zijne taal, diep vernederend voor
-aanklagers en regters; en toch wordt hij slechts met eene zeer geringe
-meerderheid schuldig verklaard. Daarop wordt hem, mede volgens
-atheensche gewoonte, gevraagd, welke straf hij meende verdiend te
-hebben.
-
-Zijn antwoord was zoo hooghartig, als ’t gevoel van onschuld maar immer
-kan ingeven.
-
-En tachtig van die regters, die zoo even zijne onschuld hadden
-verklaard, voegden zich vertoornd bij de meerderheid!--Welke
-regtspraak!
-
-„Het is,”--met deze woorden scheidde Socrates van zijne regters,--„het
-is tijd om heen te gaan, voor mij om te sterven, voor u om te leven; de
-God weet alleen, wat het beste is.”
-
-Socrates bleef nog dertig dagen in den kerker (Aant. 6). Dezen tijd
-bragt hij meest door in gesprekken met Crito en andere zijner vrienden.
-Crito bood aan, om hem buiten de gevangenis in veiligheid te brengen:
-hij wees dit aanbod van de hand. En toen de tijd daar was, dronk hij
-met onverschrokken gemoed den gifbeker en stierf, kalm, gelaten, helder
-van geest; en was „genezen, en gezond geworden in den hoogsten zin des
-woords, gezond voor eeuwig”[3].
-
-Crito was de oudste en een der rijkste vrienden van den veroordeelde.
-Drie dagen vóór de voltrekking van het vonnis had hij zich in de
-vroege morgenschemering naar den kerker begeven, om Socrates over te
-halen zich door de vlugt te redden. Plato heeft hun gesprek bij die
-gelegenheid vereeuwigd. Volgens zijne voorstelling ligt Socrates bij
-Crito’s binnentreden in een’ gerusten slaap. Crito is zwijgend naast
-hem gaan zitten, en bewondert de kalmte van zijnen slaap. Socrates
-ontwaakt, en vraagt zijn’ vriend, waarom hij zoo vroeg is gekomen.
-Crito zegt hem, wat hem met bewondering vervult, en berigt hem, dat
-hij hem de treurige tijding brengt van de op handen zijnde terugkomst
-van het heilige schip uit Delos; en dan zou hij moeten sterven. En
-daarom smeekt hij Socrates met de teederste liefde en den hartelijksten
-aandrang, om toch gebruik te maken van de gelegenheid om te ontvlugten:
-hij en zijne vrienden hadden daartoe alles voorbereid.
-
-Maar Socrates blijft zich zelven gelijk. Gedurende zijn gansche leven
-heeft hij alleen gevraagd naar pligt en regt--hij doet het ook nu.
-Bedaard luistert hij naar de redenen, door Crito aangevoerd; hij
-begint zijn antwoord met zijn’ vriend te herinneren, dat het in dezen
-bloot aankomt op de vraag, of zijne vlugt strookt met regt en pligt.
-Dan volgt er eene allerbelangrijkste uiteenzetting van de waarde der
-openbare meening, van de eenige gedragslijn, door den brave in het
-oog te houden; en vooral van de gehoorzaamheid, die ieder burger is
-verschuldigd aan de wetten van den staat.--Crito moet eindelijk zelf
-afkeuren, wat hij eerst heeft aangeraden.
-
-Let men op de inrigting en behandeling der zamenspraak, zegt een
-beroemd uitgever, dan blijkt ze een onberispelijk meesterstuk te
-zijn. Het _tooneel_ past uitnemend voor de zaak; de _handeling_
-loopt geregeld af; de _eenheid_ wordt nergens gestoord, zoodat ieder
-ten slotte ziet, dat des schrijvers _oogmerk_ is bereikt: 1. de
-ondergeschikte bedoeling, om door Socrates voorbeeld te bewijzen, dat
-de brave man altijd regtvaardig is en gehoorzaam aan de wet; en 2. de
-hoofdbedoeling, Socrates te verdedigen tegen de beschuldiging, dat hij
-de jeugd zou bederven. En beide heeft hij zoo innig verbonden, dat ze
-niet van elkander te scheiden zijn, en zonder dat de eenheid in ’t
-minste wordt benadeeld.--De _karakters_ zijn meesterlijk geteekend:
-Crito’s edele vriendschap roert evenzeer den lezer als de standvastige
-deugd van Socrates en zijn vrome eerbied voor ’s lands wetten. Beide
-spreken en handelen zoo, dat èn de weigering van Socrates, èn ’t
-verlangen van Crito u even edel schijnen. De _stijl_ is noch gezwollen,
-noch te alledaagsch, en zoo duidelijk, dat de dialoog voor ieder
-verstaanbaar is, en daardoor beantwoordt aan Plato’s doel, om door
-het grootere publiek begrepen te worden, en zoo zijn’ onvergetelijken
-leermeester te regtvaardigen.
-
-
- Voetnoten
-
-[Voetnoot 1: Volgens Diogenes van Laerte, redde hij hier ook Xenophon,
-die van het paard gevallen was. Zie voor het overige over de
-veldtogten, door Socrates bijgewoond, Casaubonus ad Athenaeum, lib. V,
-215 sq.]
-
-[Voetnoot 2: Veel beter, dan wij dat vermogen, is Socrates leerwijze
-geschilderd door Prof. P. Hofstede de Groot, in het Tijdschrift:
-„Waarheid in Liefde,” Jan. 1845, No. 1. Naar dat voortreffelijk stuk
-meenen wij den lezer ook te moeten verwijzen aangaande Socrates
-onvergetelijk sterven.]
-
-[Voetnoot 3: Woorden van Prof. de Groot in bovenaangehaalde
-Verhandeling.]
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
- CRITO.
-
- DIALOOG VAN PLATO.
-
- [Illustratie]
-
-
- _Personen_: SOCRATES _en_ CRITO.
-
- _Tooneel: De kerker._
-
-
- I.
-
- (_Socrates ligt in een’ diepen slaap; Crito is binnengekomen, en zit
- zwijgende hem te bewonderen; Socrates ontwaakt._)
-
-_Socrates._ Waarom zijt gij zoo vroeg gekomen, Crito? Of is ’t niet nog
-vroeg?
-
-_Crito._ Ja, wel zeker.
-
-_Socrates._ Hoe vroeg dan wel?
-
-_Crito._ ’t Is ’t eerste krieken.
-
-_Socrates._ ’t Verwondert mij, hoe ’t komt, dat de wachter der
-gevangenis u heeft willen binnenlaten[1].
-
-_Crito._ Hij is reeds aan mij gewend, Socrates! omdat ik dikwijls hier
-kom; en ik heb hem ook reeds wat goeds gedaan.
-
-_Socrates._ Komt gij zoo even eerst, of zijt gij reeds lang hier?
-
-_Crito._ Reeds vrij lang.
-
-_Socrates._ Wel, waarom hebt gij mij dan toch niet terstond gewekt,
-maar zijt gij zwijgend blijven zitten?
-
-_Crito._ Ik kon ’t niet van mij verkrijgen uwe rust te storen,
-Socrates! Ik zou zelf niet gaarne in eene zoo smartelijke slapeloosheid
-en rouwe willen verkeeren[2]. Bovendien verwonder ik mij reeds lang,
-daar ik merk, dat gij zoo heerlijk slaapt. En opzettelijk heb ik u niet
-gewekt, opdat gij zoo zoet mogelijk zoudt sluimeren. Dikwijls heb ik u
-ook reeds vroeger in uw geheele leven gelukkig geprezen[3] om uwe denk-
-en handelwijze; maar verre weg het meeste in het tegenwoordig ongeluk,
-dat gij er zoo zacht en kalm onder zijt.
-
-_Socrates._ Het zou immers ongerijmd zijn, Crito! en buiten de wijs[4],
-dat iemand op mijne jaren verdrietig ware, omdat hij reeds moest
-sterven[5].
-
-_Crito._ Ook anderen, o, Socrates! treft op deze jaren een dergelijk
-lot; maar hun leeftijd bevrijdt hen niet van mismoedigheid over de
-omstandigheid, waarin zij verkeeren.
-
-_Socrates._ Dat is zoo. Maar--om op mijne vraag terug te komen, waarom
-zijt gij toch zoo vroeg gekomen?
-
-_Crito._ Om eene tijding te brengen, Socrates; eene treurige; niet voor
-u, gelijk mij blijkt, maar voor mij en uwe vrienden alle, treurig en
-hard; en die mij, dunkt me, het zwaarste van alle moet vallen.
-
-_Socrates._ Wat is dat dan voor eene tijding? Of is het vaartuig uit
-Delos[6] aangekomen, na welks terugkeer ik moet sterven?
-
-_Crito._ Nog is ’t wel niet aangekomen; maar het zal, denk ik, heden
-komen, naar ’t zeggen van sommigen, die van Sunium[7] gekomen zijn en
-het daar gelaten hebben. Uit die berigten blijkt het derhalve, dat het
-van daag zal komen; en dan moet gij morgen reeds, o, Socrates! uw leven
-eindigen.
-
-
- II.
-
-_Socrates._ Nu dan, Crito! heil ons[8]! Indien het zoo den goden
-behaagt, dan zij het zoo. En toch geloof ik niet, dat het van daag zal
-komen.
-
-_Crito._ Waaruit gist gij dat?
-
-_Socrates._ Dat zal ik u zeggen. Daags na de aankomst van het schip,
-denk ik, moet ik sterven.
-
-_Crito._ Zoo zeggen althans die er over te beslissen hebben[9].
-
-_Socrates._ Toch geloof ik niet, dat het op den nu aanbrekenden dag zal
-komen, maar op den eerstvolgenden. Ik maak dat op uit een droomgezigt,
-dat ik zoo even[10] in dezen nacht gehad heb; gij schijnt wèl gedaan te
-hebben met mij niet te wekken.
-
-_Crito._ Wat was dat voor een’ droom?
-
-_Socrates._ Mij dacht, er naderde mij eene vrouw, schoon van gelaat
-en gestalte, in een hel-wit gewaad[11]; zij riep mij, en zeide:
-„overmorgen, o Socrates[12]! kunt gij welligt in het vruchtbare Phthia
-komen.”
-
-_Crito._ Wat vreemde droom, Socrates!
-
-_Socrates._ Maar ten minste toch duidelijk, dunkt mij, Crito!
-
-
- III.
-
-_Crito._ Al te zeer, zoo ’t schijnt. Maar, o waarde Socrates! luister
-nu nog[13] naar mij, en laat u redden. Voor mij zal uw dood niet
-één, niet een enkel ongeluk zijn; maar, behalve het verlies van
-een’ zoo heerlijk vriend, als ik er geen’ ooit weer zal vinden[14],
-zal ik daarenboven bij velen, die u en mij niet nader kennen, den
-schijn hebben, dat ik, hoewel in staat om u te redden, indien ik
-geld had willen besteden, het had verzuimd. En toch, welke blaam zou
-wel schandelijker wezen, dan den naam te hebben het geld hooger te
-achten[15], dan zijne vrienden? Gelooven toch zal de groote hoop het
-niet, dat gij zelf niet van hier hebt willen gaan, schoon wij het
-ernstig verlangden.
-
-_Socrates._ Maar wat gaat ons, mijn beste Crito! zoo zeer de meening
-van den grooten hoop[16] aan? De verstandigsten toch, aan welke het
-meer der moeite waard is zich te storen, zullen oordeelen, dat het zoo
-is geschied, als het geschied is.
-
-_Crito._ Evenwel ziet gij, Socrates, dat men zich ook aan de meening
-van den grooten hoop moet storen. Uit de plaats hebbende omstandigheden
-zelve blijkt het, dat het in de magt is van den grooten hoop, om niet
-het geringste, maar bijna het ergste kwaad te doen, wanneer men bij hen
-in kwaden naam is gebragt.
-
-_Socrates._ Mogt toch, o Crito! de groote hoop in staat zijn, om het
-ergste kwaad[17] aan te doen, opdat ze aan den anderen kant ook in
-staat mogten zijn het meeste goed te doen; dan zou het heerlijk staan:
-nu kunnen ze geen van beide: noch verstandig, noch onverstandig kunnen
-ze maken; zij doen zoo als ’t valt.
-
-
- IV.
-
-_Crito._ Dat moge nu wel zoo zijn; maar zeg mij dit eens, o Socrates!
-Gij zijt toch voor mij niet bekommerd en voor uwe andere vrienden,
-dat, wanneer gij hieruit komt, de Sycophanten[18] ons moeite zullen
-veroorzaken, omdat wij u heimelijk van hier verwijderd hadden;--en dat
-wij onvermijdelijk óf zelfs ons geheele vermogen, óf eene groote som
-gelds zullen verliezen, óf nog iets anders bovendien zullen ondergaan?
-Vreest gij toch iets van dien aard, laat dan die bezorgdheid varen. Het
-is immers billijk, dat wij voor uwe redding dit gevaar loopen, en, is
-’t noodig, nog grooter dan dit. Geloof mij dan, en doe niet anders, dan
-ik u aanraad.
-
-_Socrates._ En hierover ben ik bezorgd, Crito! en over vele andere
-dingen.
-
-_Crito._ Vrees daarvoor dan toch niet. Want het is niet veel geld,
-waarvoor sommigen u willen redden en van hier brengen. Daarenboven,
-ziet gij niet, hoe goedkoop die Sycophanten zijn, en dat er volstrekt
-niet veel geld voor hen behoeft besteed te worden? Eensdeels staat u
-mijn geld ten dienste, en dat is, geloof ik, genoegzaam; anderdeels,
-indien gij, uit bezorgdheid voor mij, van meening zijt, het mijne niet
-te moeten besteden, dan zijn de vreemdelingen[19] hier bereid, om de
-onkosten goed te maken. Eén enkele heeft hiertoe geld genoeg verschaft,
-Simmias van Thebe; gereed is ook Cebes en zeer vele anderen; daarom,
-zoo als ik zeg, geef[20], uit vreeze hiervoor, uwe redding niet op. Ook
-moet, ’t gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt[21], geen bezwaar voor
-u zijn, dat gij, in geval gij weggingt, niet zoudt weten, wat met u
-zelven aan te vangen. Op velerlei plaatsen toch, en waar gij ook elders
-heen gaat, zal men u gaarne ontvangen.--Wanneer gij naar Thessalië[22]
-wilt gaan, ik heb daar gastvrienden, die u hoog zullen schatten en voor
-uwe veiligheid zorgen, zoodat u niemand in Thessalië leed aandoet.
-
-
- V.
-
-Nog meer, Socrates! Niet eens regtvaardig schijnt mij toe, wat gij
-onderneemt, u zelven ten verderve over te geven, terwijl gij u kunt
-redden. En gij maakt er uw werk van, dat u iets overkome, wat uwe
-vijanden willen bewerken, en reeds bewerkt hebben om u ongelukkig te
-maken.--Daarenboven schijnt gij mij althans ook uwe eigene zonen[23]
-prijs te geven, welke gij, terwijl het in uwe magt staat hen te
-onderhouden en op te voeden, u haast te verlaten; en, voor zoo ver ’t
-van u afhangt, zal, wat het toeval aanbrengt, hun lot zijn. Overkomen
-zal hun waarschijnlijk, wat gewoonlijk der weezen lot[24] wordt. Of
-men moest toch geene kinderen verwekken, óf ten einde toe het leed
-mede dragen voor hun onderhoud en opvoeding. Maar gij schijnt mij het
-gemakkelijkste te kiezen. Nu moet wat een braaf en moedig man zou
-kiezen, de keuze zijn althans van iemand, die juist beweert de deugd
-zijn gansche leven door ter harte te hebben genomen.--Zoo ben ik én
-over u, én over ons, uwe vrienden, beschaamd en bezorgd, dat het den
-schijn zal hebben, als of de geheele zaak met u door zekere lafheid
-van onze zijde is voorgevallen; en de ingang van ’t geding voor ’t
-gerigt,--hoe gij zijt opgekomen[25], terwijl ’t u vrij stond niet te
-verschijnen; en het pleit zelf, zoo als ’t heeft plaats gehad; en dan
-juist deze uitslag, gelijk eene belagchelijke ontknooping van het stuk,
-dat het uit zekere lafheid en gebrek aan mannenmoed van onzen kant,
-zonder dat wij het merkten, zoo schijnt gekomen te zijn, daar wij u
-niet hebben gered, evenmin als gij u zelven[26], terwijl het mogelijk
-was en uitvoerbaar, indien wij slechts een weinigje waarde bezaten.
-Zie derhalve toe, o Socrates, dat dit niet, tegelijk met de schade ook
-tot schande worde voor u en voor ons; overleg dan, of liever, er is
-geen tijd meer om te overleggen; het besluit moet reeds genomen zijn.
-Er is slechts één te nemen: want in den nu volgenden nacht moet alles
-geschied zijn. Aarzelen wij nog, dan is ’t onmogelijk en ondoenlijk.
-Daarom, om alles bid ik u, Socrates! luister naar mij en doe niet
-anders.
-
-
- VI.
-
-_Socrates._ Beste Crito! uw goedwillig ijveren is mij veel waard,
-indien het met de pligtmatigheid is overeen te brengen; zoo niet, dan
-is het, hoe grooter, ook des te bezwaarlijker[27]. Wij moeten derhalve
-zien, of wij dit moeten doen of niet. Niet alleen nu toch, maar altijd
-heb ik het zoo over mij, dat, van al wat mij aangaat, ik aan niets
-anders gehoor geef, dan aan het inzigt[28], ’t welk mij bij redenering
-het beste voorkomt. De inzigten dan, welke ik vroeger heb uitgedrukt,
-kan ik nu niet verbannen, nadat mij dit ongeval is overgekomen; maar
-zij schijnen mij ten naastebij gelijk; dezelfde inzigten[29] acht en
-vereer ik, als vroeger. Kunnen wij niets beter voor dezelve zeggen in
-den tegenwoordigen tijd, wees dan overtuigd, dat ik u volstrekt niet
-zal toegeven, zelfs dan niet, indien ons, als kinderen, vreesselijker
-schrikbeelden[30] dan nu door de magt van den grooten hoop worden
-voorgehouden, die boei en dood en verbeurdverklaring van goederen tegen
-ons loslaat. En hoe kunnen wij dit het doelmatigste nagaan?[31]
-
-Indien wij eerst diezelfde redenering weer opvatten, die gij te
-berde brengt, over de meeningen; of de bewering altijd geldig is, of
-niet[32]: dat men op sommige meeningen acht moet geven, op andere niet;
-en of, voordat ik sterven moest, dat wel geredeneerd was; maar het nu
-duidelijk blijkt, dat het zoo maar heen, om den schijn werd gezegd,
-maar inderdaad kinderachtige beuzelpraat was.
-
-Ik wensch dan, Crito! gemeenschappelijk met u na te gaan, of dat inzigt
-mij, in mijne tegenwoordige omstandigheden, eenigzins anders zal
-voorkomen, en of ’t hetzelfde is gebleven: dan zullen wij het laten
-varen, of dien overeenkomstig handelen.
-
-Telkens kwam, geloof ik, de redenering van hen, die meenden iets te
-zeggen, neer op ’t gene ik reeds zeide: dat van de meeningen, welke de
-menschen zich vormen, men sommige hoog moet schatten en andere niet.
-Schijnt u, bij de goden! dit beweerde, o Crito! gegrond? Gij zijt toch,
-menschelijker wijze gesproken, buiten het gevaar van morgen te sterven,
-en u kan het tegenwoordige ongeval niet misleiden. Onderzoek het dan:
-dunkt u niet, dat men te regt beweert, niet alle meeningen der menschen
-te moeten ontzien; maar sommige wel, en andere niet? en ook niet van
-alle menschen, maar van sommige wel, en van andere niet? Wat zegt gij?
-Beweert men dit niet te regt?
-
-_Crito._ Ja, te regt.
-
-_Socrates._ Derhalve, de verstandige meeningen moet men ontzien, en de
-verkeerde niet?
-
-_Crito._ Wel zeker.
-
-_Socrates._ Verstandige meeningen, zijn dat niet die van verstandige
-menschen? en de verkeerde die van onverstandigen?
-
-_Crito._ Hoe kan dat anders zijn?
-
-
- VII.
-
-_Socrates._ Welaan dan: in welken zin werd dit beweerd? Een man, die
-zich ernstig op ligchaamsoefeningen[33] toelegt, zal die letten op
-ieders lof of blaam of meening, of slechts van dien éénen, die den
-leefregel voorschrijft of opziener is bij die oefeningen, of wie hij
-zijn mag?
-
-_Crito._ Van den éénen slechts.
-
-_Socrates._ Derhalve: vreezen moet hij den blaam, en streven naar den
-lof van dien éénen, en niet van den grooten hoop?
-
-_Crito._ Dat is duidelijk.
-
-_Socrates._ Zoo moet hij derhalve handelen en zich oefenen, en eten en
-drinken, als het die ééne eischt, de opziener en deskundige, meer dan
-gelijk alle anderen te zamen het wenschen?
-
-_Crito._ Dat is waar.
-
-_Socrates._ Dat houden we dus voor uitgemaakt. Maar--is hij
-ongehoorzaam aan den éénen, en versmaadt hij diens inzigt en lofspraak,
-en ontziet hij die der menigte, welke er geene kennis van heeft, zal
-hem er dan geen kwaad van overkomen?
-
-_Crito._ Hoe kan dat anders?
-
-_Socrates._ Wat is dat voor een kwaad? en waarop heeft het betrekking,
-en waaraan zal het zigtbaar worden bij hem, die ongehoorzaam is?
-
-_Crito._ Natuurlijk aan zijn ligchaam; want dit verwoest hij.
-
-_Socrates._ Wel gesproken. Zoo gaat het dan eveneens met het overige,
-om niet alles te doorloopen. En met name ook ten opzigte van regt
-en onregt, van schande en eer, van goed en kwaad, waarover wij nu
-beraadslagen;--moeten wij daarin de meening van den grooten hoop volgen
-en ze vreezen, of die des Eenen[34], indien er een kenner bestaat,
-welken wij en eerbiedigen en vreezen moeten, meer dan alle anderen te
-zamen?--door welken niet te gehoorzamen wij datgene zullen verderven
-en verlagen, ’t welk door regtvaardigheid beter werd en door onregt
-verloren ging? Of bestaat er niets zoodanigs?
-
-_Crito._ Ik geloof ja, Socrates!
-
-
- VIII.
-
-_Socrates._ Wel nu, indien wij ’t gene door gezondheid beter wordt en
-door ziekte vergaat, indien we dat verwoesten, door gehoor te geven
-niet aan de meening van deskundigen, maar aan die van onverstandigen;
-heeft het leven dan wel iets aanlokkelijks voor ons, wanneer dat is
-verwoest? En is dat welligt het ligchaam of niet?
-
-_Crito._ Wel zeker.
-
-_Socrates._ Heeft dan het leven met een ellendig en verwoest ligchaam
-nog iets bekoorlijks?[35]
-
-_Crito._ Geenszins.
-
-_Socrates._ Maar hebben wij wel genot van ’t leven, wanneer datgene
-bedorven is, ’t welk door onregt benadeeld, door regtvaardigheid
-bevoordeeld wordt? Of houden wij, welk deel van ons wezen ’t ook zijn
-moge, dat met regt en onregt in betrekking staat, voor geringer dan het
-ligchaam?
-
-_Crito._ Geenszins.
-
-_Socrates._ Dus voor kostelijker[36].
-
-_Crito._ Verre weg.
-
-_Socrates._ Dus hebben wij ons, mijn beste, in ’t geheel zoo niet te
-bekreunen om ’t gene de groote hoop van ons zal zeggen; maar om ’t
-gene de kenner van regt en onregt, de Eéne, en de waarheid zelve zegt:
-zoodat gij dadelijk van ’t begin af, van eene verkeerde stelling zijt
-uitgegaan, door te beginnen met de bewering, dat wij ons moesten storen
-aan de meening van den grooten hoop over regt, en eer, en deugd, en het
-tegendeel.
-
-Maar, zou men kunnen zeggen, het staat toch in de magt van den grooten
-hoop om ons te dooden?
-
-_Crito._ Ook dat voorwaar blijkt; wel zou men dat kunnen zeggen,
-Socrates!
-
-_Socrates._ Gij zegt de waarheid. Maar, mijn wonderlijke vriend! deze
-redenering, die wij hebben doorgeloopen, schijnt mij althans nog
-dezelfde als de vorige[37].--Ga nu ook deze eens weder na, of ze voor
-ons geldig blijft of niet: „dat wij niet het _leven_ het hoogste moeten
-schatten, maar _wèl_ te leven.”
-
-_Crito._ Wel, ze blijft geldig.
-
-_Socrates._ Dat _wèl_ te leven, en edel en regtvaardig te leven, dat
-dit hetzelfde is, blijft dat geldig of niet?
-
-_Crito._ Dat blijft geldig.
-
-
- IX.
-
-_Socrates._ Naar ’t gene wij toegeven, moeten wij dus zien, of het
-regtvaardig is, dat ik, zonder toestemming der Atheners, tracht hier
-uit te komen, of niet regtvaardig; en indien het regtvaardig blijkt te
-zijn, dan willen wij het beproeven; en zoo niet, dan willen wij het
-laten.
-
-De bedenkingen, die gij ter bane hebt gebragt over ’t besteden van
-geld, en over goeden naam, en over kinderopvoeding, die vrees ik dat
-inderdaad bedenkingen zijn van lieden, die u ligtelijk zouden willen
-dooden, en in hun eigen belang in ’t leven terugroepen, indien zij
-konden, zonder eenigen grond; namelijk van dien grooten hoop. Voor ons
-daarentegen, daar de rede het zoo eischt, valt denkelijk niets anders
-te overwegen, dan ’t gene wij nu reeds zeiden: of wij regtvaardig
-zullen handelen, door geld te betalen aan wie mij hieruit zullen
-brengen, en dank; of we wèl zullen doen, zoo wel die zelve mij uit den
-kerker willen voeren, als ik, die mij er uit zou laten brengen;--en, of
-wij werkelijk onregtvaardig zullen handelen, door dit alles te doen. En
-zoo het blijkt, dat het onregtvaardig van ons gehandeld is, dan moeten
-wij denkelijk niet in aanmerking nemen, noch of wij moeten sterven door
-hier te blijven en ons stil te houden, noch of wij, wat dan ook, zullen
-lijden, vóór wij hebben gezien of wij ook misschien onregt doen.
-
-_Crito._ Heerlijk gesproken, dunkt mij, Socrates! Zie nu, wat wij
-zullen doen.
-
-_Socrates._ Onderzoeken wij dat gemeenschappelijk, mijn beste! en hebt
-gij ergens iets tegen in te brengen, terwijl ik spreek, spreek mij dan
-tegen, en ik zal naar u luisteren; zoo niet, houd dan op, o gelukkige!
-mij dikwerf hetzelfde te zeggen, dat ik, tegen den wil der Atheners,
-van hier moet gaan. Ik reken het toch van veel belang, dat gij mij
-overreedt dit te doen, maar niet tegen mijnen zin[38].
-
-Beoordeel dan het begin van het onderzoek, of gij er mede tevreden
-zijt, en tracht op mijne vragen te antwoorden, zoo als u het beste
-dunkt.
-
-_Crito._ Dat zal ik trachten te doen.
-
-
- X.
-
-_Socrates._ Zeggen wij, dat men op geenerlei wijze willens en wetens
-onregt mag doen;--of op de eene wijze wel, en op de andere niet?--of is
-het plegen van onregt op geenerlei wijze noch goed, noch schoon, gelijk
-door ons meermalen ook vroeger is toegegeven, en ook nog onlangs gezegd
-is? Of is ons dat alles, wat wij te voren toegestemd hebben, in deze
-weinige dagen ontvloeid? en hebben wij, Crito! zoo bejaarde mannen,
-bij onze ernstige gesprekken, sedert lang, zonder het zelve te weten,
-niets hooger gestaan dan kinderen?--of is het alleszins zoo als toen
-door ons gezegd werd: is, het zij de groote hoop het zegt, of niet,
-het zij wij een nog zwaarder, of ook een zachter lot dan dit hebben te
-ondergaan, evenwel het plegen van onregt, voor wie ’t doet, én slecht
-én schandelijk in ieder opzigt? Zeggen wij dat, of niet?
-
-_Crito._ Wij zeggen het.
-
-_Socrates._ Op geenerlei wijze derhalve mag men onregt doen.
-
-_Crito._ Voorzeker niet.
-
-_Socrates._ Evenmin mag, wie onregt lijdt, het weerom doen[39], zoo als
-de groote hoop meent, dewijl men toch in geen geval onregt mag doen.
-
-_Crito._ Neen; dat is klaarblijkelijk.
-
-_Socrates._ En hoe nu? Mag men kwaad doen, Crito, of niet?
-
-_Crito._ Neen, zeker niet, Socrates.
-
-_Socrates._ Wat dan? aangedaan kwaad met kwaad vergelden, zoo als de
-groote hoop zegt, is dat regtvaardig of niet?
-
-_Crito._ Op geenerlei wijze.
-
-_Socrates._ Denkelijk verschilt het niets den menschen kwaad te doen,
-en onregt te plegen.
-
-_Crito._ Gij hebt gelijk.
-
-_Socrates._ Dus mag men inderdaad geene verongelijkingen vergelden,
-noch eenig mensch kwaad doen, zelfs niet, wanneer men, wat dan ook,
-van hen lijdt. Zie wel toe, Crito! dat gij, door dit toe te stemmen,
-het niet tegen uwe meening toegeeft. Ik weet immers, dat weinigen zoo
-denken en denken zullen; en voor hen, die zoo denken, en voor wie ’t
-anders beschouwen, bestaat er geen gemeenschappelijk beraadslagen;
-maar noodwendig moeten zij elkander verachten, wanneer zij elkanders
-inzigten leeren kennen. Overweeg derhalve ook gij toch wel, of gij
-met mij overeenstemt in inzigt, en laat ons met deze bewering ons
-beraadslagen beginnen, dat het nooit regt is onregt te doen, noch
-het te vergelden; noch mishandelingen af te weren door zelf weder
-te mishandelen;--of ziet gij van dat grondbeginsel af, en deelt gij
-er niet in?--Ik voor mij heb reeds lang zoo gedacht, en denk nog
-zoo; is uw inzigt eenigzins veranderd, zeg het mij dan, en onderrigt
-mij. Blijft gij evenwel bij uwe vorige gevoelens, hoor dan de
-gevolgtrekkingen, die er uit voortvloeijen.
-
-_Crito._ Wel, ik blijf er bij, en ben ’t met u eens. Spreek dan.
-
-_Socrates._ Ik zeg dan wat er uit voortvloeit, of liever, ik vraag u:
-moet men, wat men iemand heeft beloofd, omdat het regtvaardig was[40],
-moet men dat doen, of bedriegelijk verbreken?
-
-_Crito._ Men moet het doen.
-
-
- XI.
-
-_Socrates._ Zie dan naauwkeurig toe, wat er van uit dit standpunt volgt.
-
-Wanneer wij van hier gaan, zonder den staat te overreden, doen wij dan
-niet iemand kwaad, en wel wien dat het allerminste past, of doen we ’t
-niet? En blijven wij dan getrouw aan ’t gene wij hebben beloofd, omdat
-het regtvaardig was, of niet?
-
-_Crito._ Ik heb geen antwoord op uwe vraag, Socrates, want ik begrijp
-ze niet.
-
-_Socrates._ Beschouw het dan zoo. Gesteld: wanneer wij voornemens waren
-van hier weg te loopen, of hoe men ’t dan noemen moet; en de wetten en
-de staat kwamen bij ons, en vroegen[41]: „zeg, Socrates! wat hebt gij
-in den zin te doen? Dwalen wij, of zijt gij voornemens door ’t gene
-gij onderneemt, ons, de wetten en den geheelen staat te vernietigen,
-voor zoo ver ’t in uwe magt staat? Of meent gij, dat een staat nog
-kan blijven bestaan, en niet onderstboven gekeerd ligt, in welken de
-gevelde vonnissen geenerlei kracht hebben, maar door enkele burgers
-krachteloos worden, en vernietigd?”--Wat zullen wij, o Crito! op deze
-en dergelijke redenen zeggen? Veel zou menigeen, voornamelijk een
-redenaar, kunnen zeggen over ’t vernietigen der wet, die bepaalt, dat
-gewezen vonnissen van kracht zullen zijn. Of zullen wij er misschien op
-antwoorden: „de staat behandelde ons immers onregtvaardig en besliste
-het geding verkeerd?” Zullen wij dit zeggen, of iets anders?
-
-_Crito._ Dit voorwaar, o Socrates!
-
-
- XII.
-
-_Socrates._ „Wat dan?” zouden de wetten zeggen; „behoort voorwaar ook
-dit regten over den staat tot het verdrag tusschen ons en u[42], of
-brengt dat verdrag mede, dat gij u zoudt houden aan de gewijsden van
-den staat?”--Verwonderden wij ons dan over hare taal, dan zouden zij
-denkelijk zeggen: „Socrates! verwonder u niet over ’t gene wij zeggen;
-maar antwoord; gij zijt immers gewoon aan het vragen en antwoorden.
-Welaan dan! wat hebt gij tegen ons en den staat in te brengen, dat
-gij tracht ons te vernietigen? Hebben wij niet in de eerste plaats
-u het aanzijn gegeven? en heeft niet uw vader door onze bemiddeling
-uwe moeder ten huwelijk genomen, en u verwekt? Overweeg derhalve:
-berispt gij iets in die wetten onder ons, die over ’t huwelijk zijn
-vastgesteld, dat ze niet goed zijn?” „Ik berisp ze niet,”--zou ik
-zeggen.--„Dan op de bepalingen, op de opvoeding en de vorming van het
-kroost, volgens welke gij ook zijt opgevoed? Of hebben diegene onzer,
-de wetten op dit stuk gegeven, die uwen vader gebieden u in de muzijk
-en gymnastiek[43] op te voeden, dit niet goed geregeld?”--„Goed,” zou
-ik zeggen. „Dat dan daar gelaten; nadat gij geboren en groot gebragt
-en opgevoed waart, zoudt gij ten eersten kunnen beweren, dat gij niet
-onze nakomeling en lijfeigene[44] waart, gij zelf en uwe voorvaderen?
-En indien dit zoo is, gelooft gij dan, dat hetzelfde regt geldt voor u
-en voor ons? en meent gij, dat, al wat wij ondernemen u te doen, gij
-het met hetzelfde regt weêrom moogt doen? of hadt gij geen gelijk regt
-jegens uw’ vader, en jegens uwen heer, indien gij er eenen hadt, zoodat
-ge, al wat ge ondergingt, dat _niet_ ook weêrom mogt doen, noch tegen
-te spreken, wanneer gij harde woorden hooren moest, noch ontvangene
-slagen weêrom te geven, en evenmin in andere dergelijke gevallen; maar
-zou het wel vrijstaan jegens het vaderland en de wetten, zoodat, indien
-wij ondernemen, u ter dood te brengen, omdat wij ’t voor regtvaardig
-houden, ook gij ons, de wetten en het vaderland, voor zoo ver ge
-kunt, zult beproeven op uwe beurt te vernietigen;--en zult ge zeggen
-door dat te doen, goed te handelen, gij, die inderdaad werk maakt van
-de deugd? Of zijt ge wijs in dien zin, dat ge niet weet, dat, meer
-dan uwe moeder en uw vader en al uwe voorvaderen, het vaderland iets
-kostelijks is, meer eerbiedwaardig en heilig en van hoogere waarde in
-’t oog van goden en van verstandige menschen? En dat men meer vereering
-en gehoorzaamheid en onderdanigheid moet hebben voor ’t vaderland,
-wanneer het toornig is? En dat gij het óf beter moest inlichten, óf
-doen, wat het beveelt, en ondergaan, wat het u gebiedt te ondergaan, en
-kalm zelfs slagen en boeijen moet verdragen? Indien het u ten oorloge
-drijft om wonden te ontvangen of den dood te lijden, dat gij dit doen
-moet, en dat dit billijk is? en men niet mag wijken, noch terugtreden,
-noch zijn’ post verlaten; maar én in den oorlog én voor ’t gerigt, en
-overal moet doen, wat de staat gebiedt en het vaderland, of het anders
-te overtuigen van den eigenlijken aard van het regt? Dat geweld te
-gebruiken[45] noch geoorloofd is jegens uwe moeder, noch jegens uwen
-vader, en nog veel minder jegens het vaderland?” Wat zullen we hierop
-zeggen, Crito! dat de wetten waarheid spreken of niet?
-
-_Crito._ Mij dunkt, ja!
-
-
- XIII.
-
-_Socrates._ „Zie nu eens, Socrates!” zouden welligt de wetten zeggen,
-„of wij ook in deze bewering gelijk hebben, dat gij onregtvaardig
-jegens ons tracht te handelen, in ’t gene gij nu onderneemt. Wij
-namelijk, na u in het leven geroepen en gehouden, en u opgevoed, en u
-aandeel gegeven te hebben aan al het goede, dat in onze magt stond,
-aan u en al de andere burgers; wij verklaren echter,--door ’t verlof,
-dat wij verleenen aan ieder’ Athener, die wil, nadat hij burger
-is geworden[46], en den staat van zaken en ons, de wetten, heeft
-gezien;--dat, wien wij niet mogten behagen, het hem vrijstaat, om met
-het zijne heen te gaan, werwaarts hij wil. En geene van ons, de wetten,
-verhindert noch verbiedt iemand uwer, indien wij en de staat hem niet
-behagen, naar eene van ’s lands volkplantingen te verhuizen, of wanneer
-hij onder vreemden zich ergens elders wil gaan neêrzetten, met zijne
-bezittingen daar heen te gaan, werwaarts hij wil. Maar wie uwer blijft,
-terwijl hij de wijze ziet, op welke wij gedingen beslissen en voor
-’t overige den staat regelen;--dan zeggen wij, dat deze inderdaad een
-verdrag met ons heeft aangegaan, te zullen doen, wat wij ook mogen
-gebieden; en wie niet gehoorzaamt, dien beweren wij, dat drievoudig
-misdoet[47]: door niet te gehoorzamen aan ons, die hem in het leven
-hebben geroepen,--aan ons, die hem hebben opgevoed;--en dat hij, bij
-verdrag beloofd hebbende zeer zeker te gehoorzamen, noch gehoorzaamt,
-noch ook tracht ons te overtuigen, indien wij iets verkeerds doen;
-terwijl wij slechts voorstellen, en niet woest gebieden, te doen, wat
-wij bevelen, maar van twee het eene laten kiezen: óf ons te overtuigen,
-óf te gehoorzamen, waarvan hij geen van beide doet.”
-
-
- XIV.
-
-„Onder deze schuld dan, verklaren wij, zult gij liggen, o Socrates! en
-niet het minst, maar van alle Atheners het meest, indien gij althans
-doet, wat gij voor hebt.”
-
-Indien ik dan zeide: „hoe dat dan?” zouden zij met regt mij laken, en
-zeggen, dat ik een van die Atheners ben, die het nadrukkelijkst dit
-verdrag heb aangegaan. Zij zouden toch zeggen: „o Socrates! gewigtige
-bewijzen hebben wij er voor, dat wij u bevielen, wij en de staat.
-Nooit zoudt gij toch met meer voorkeur dan alle andere Atheners er uw
-verblijf gehouden hebben, indien hij u niet bij uitnemendheid beviel;
-en gij zijt nooit, zelfs ter bijwoning van spelen en feesten, uit de
-stad geweest[48], behalve eens naar den Isthmus; noch ergens elders
-heen, behalve wegens een’ of ander veldtogt: ook hebt gij geenerlei
-andere reis gedaan zoo als de andere menschen; ook beving u niet de
-lust naar een’ anderen staat of naar andere wetten om ze te leeren
-kennen; maar wij en onze staat waren u genoegzaam: zoo zeer gaaft
-gij ons de voorkeur, en beloofdet gij, als bij verdrag u volgens
-ons in den staat te gedragen; dat blijkt onder anderen daaruit, dat
-gij kinderen in denzelven hebt verwekt, ten bewijze, dat de staat u
-beviel.--Daarenboven stond het u onder ’t geding zelf vrij, u tot
-ballingschap te veroordeelen[49], wanneer gij wildet, en, wat gij nu
-tegen den wil des staats onderneemt, toen met zijne toestemming te
-doen. Gij hebt u toen wel is waar groot gehouden, als of gij niet
-bedroefd waart, indien gij moest sterven; maar gij verkoost, zoo als
-gij zeidet, boven de ballingschap den dood. Nu daarentegen schaamt
-gij u niet over die beweringen, evenmin als gij u bekreunt om ons,
-de wetten, die gij tracht te niet te doen, en gij handelt, gelijk
-de gemeenste slaaf zou doen; daar gij tracht weg te loopen, tegen
-overeenkomst en verdrag aan, waarnaar gij met ons zijt overeengekomen
-u in den staat te gedragen. Antwoord in de eerste plaats derhalve
-hierop, of wij de waarheid zeggen, wanneer wij beweren, dat gij,
-inderdaad en niet voor de leus, bij verdrag hebt beloofd u als burger
-aan ons te houden; of is ’t niet waar?” Wat zullen wij hierop zeggen,
-Crito! Moeten wij ’t niet volstrekt toestemmen?
-
-_Crito._ Volstrekt, o Socrates!
-
-_Socrates._ „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de
-overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit
-nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt
-binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor
-u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet
-bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij
-gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch
-telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde
-staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan
-kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u
-klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de
-wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu
-evenwel u niet aan de verdragen houden?--Ja, gij zult het, indien gij
-ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn
-door de stad te verlaten.”
-
-
- XV.
-
-„Bedenk toch eens, wanneer gij die verdragen overtreedt, en u hierin
-misgaat, wat voordeel gij zult bewerken voor u zelven, of voor uwe
-vrienden. Dat deze toch gevaar zullen loopen van zelve verbannen te
-worden, en verstoken van ’t verblijf in den staat, of hun vermogen te
-verliezen, dat is ten naastebij klaarblijkelijk. Maar gij zelf in de
-eerste plaats:--wanneer gij naar eene der naastbijgelegene steden gaat,
-of naar Thebe of naar Megara--want beide zij wèl geregeld--; dan zult
-gij, o Socrates! als een vijand van hunne staatsregeling komen, en
-allen, die ’t belang hunner steden ter harte nemen, zullen u verdenken,
-daar ze u zullen houden voor een’ vernietiger van de wetten;--en voor
-de regters zult gij de openbare meening bevestigen, dat ze regtvaardig
-hebben gevonnisd. Al wie toch de wetten om verre werpt, die moet
-ook noodwendig doorgaan voor een’ bederver van jonge en onbezonnene
-menschen.--Zult gij derhalve de wèl ingerigte staten en de zamenleving
-der braafste menschen vermijden? En zal zoo doende het leven nog
-iets bekoorlijks voor u behouden?--Of zult gij u bij hen vervoegen,
-en, onbescheiden genoeg zijn om in gesprek te treden? En waarover,
-Socrates? over de onderwerpen, die gij hier in den mond hadt, dat deugd
-en regtvaardigheid de meeste waarde hebben voor de menschen? en wat
-wettig is, en de wetten? En gelooft gij niet, dat dan de handelwijze
-van Socrates onedel zal schijnen? Men moet het althans gelooven.
-
-„Maar, uit die plaatsen zult gij u verwijderen en naar Thessalië
-gaan, naar Crito’s gastvrienden. Daar heerscht namelijk de meeste
-ordeloosheid en losbandigheid; en denkelijk zouden zij gaarne van u
-hooren, hoe belagchelijk gij uit de gevangenis waart weggeloopen in
-eene of andere vermomming; een herderskleed of iets anders, ’t welk
-wegloopers plegen in het werk te stellen, genomen en zoo uw voorkomen
-veranderd hebbende.
-
-„Maar dat gij, een oud man, nu gij waarschijnlijk nog slechts weinig
-tijds te leven hebt, het van u kondt verkrijgen, om, met overtreding
-der gewigtigste wetten, zoo verkleefd aan het leven te hangen, zal
-daarover niemand spreken? Misschien niet, wanneer gij niemand krenkt;
-anders zult gij, o Socrates! veel hooren, en dat uwer onwaardig is:
-kruipende voor alle menschen zult gij leven als hun slaaf. Wat zult
-gij in Thessalië anders doen dan smullen? even als of gij om een
-gastmaal naar Thessalië waart verhuisd.--En uwe redeneringen over
-regtvaardigheid en de overige deugden, waar zullen die blijven?
-
-„Maar, zult gij zeggen, om mijner kinderen wille wil ik leven,
-om hen groot te brengen en op te voeden?--Hoe? wilt gij hen naar
-Thessalië voeren, en hen dáár groot brengen en opvoeden, en hen tot
-vreemdelingen maken, opdat ze u ook dit te danken hebben?--Of, dit zal
-nu wel niet plaats hebben: maar zullen zij, hier opgevoed, terwijl gij
-leeft, beter gevormd en opgeleid worden, hoewel gij niet bij hen zijt?
-Uwe naaste betrekkingen zullen immers voor hen zorgen!--Of zullen zij,
-wanneer gij naar Thessalië verhuist, hen verzorgen, maar verhuist gij
-naar Hades woningen[52], zullen zij hen dan niet verzorgen? Indien zij
-althans eenige waarde bezitten, die zich uwe vrienden noemen, dan moet
-men het wel gelooven.”
-
-
- XVI.
-
-„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe
-kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt
-is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die
-daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer
-gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u,
-of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;--noch
-zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen
-gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de
-wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo
-schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding
-van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een
-booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en
-uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd
-zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in
-den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd
-ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.
-
-„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer
-wij.”
-
-
- XVII.
-
-Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even
-als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in
-mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere
-kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij
-iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet
-te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.
-
-_Crito._ Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.
-
-_Socrates._ Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel
-opvolgen[54].
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
- AANTEEKENINGEN.
-
-
-
-
- AANTEEKENINGEN.
-
- [Illustratie]
-
-
-[Voetnoot 1: _U heeft willen binnenlaten._ ... Socrates verwondert
-zich, dat Crito door den wachter zoo vroeg is binnengelaten, omdat er
-niet vroeg opengedaan werd.]
-
-[Voetnoot 2: _Ik zou--niet--willen verkeeren_ ... namelijk, indien
-geschieden kon, wat nu niet kan; daarom kon ik het niet van mij
-verkrijgen.]
-
-[Voetnoot 3: _Gelukkig geprezen._ ... Zoo zegt ook Phaedo: „gelukkig
-scheen mij de man om zijn gemoed en om zijne taal, dat hij zoo zonder
-vrees, zoo edel stierf. De gedachte kwam bij mij op, dat hij niet
-zonder goddelijk bestel naar de onderwereld afdaalde, en dat hij daar
-zalig worden moest.”--En Socrates zelf in hetzelfde gesprek: „Koesterde
-ik niet de hoop, bij wijze en goedige goden te komen, en bij gestorvene
-menschen, die beter zijn, dan hier, dan ware ’t niet goed, dat ik niet
-treurde over den dood. Nu daarentegen heb ik de blijde verwachting, dat
-er ook nog voor gestorvenen een leven is, en wel voor goeden een beter
-dan voor slechten.”
-
-En in zijne Verdediging: „dit eene moet gij bedenken als ontwijfelbaar
-zeker, dat er voor den edelen geen kwaad bestaat, noch bij zijn leven,
-noch na den dood; en dat zijne zaak geenszins door de goden wordt uit
-het oog verloren. Ook mijn tegenwoordig lot komt niet zoo van zelf; in
-tegendeel, ’t is mij klaarblijkelijk, dat sterven mij gewin is.”]
-
-[Voetnoot 4: _Buiten de wijs._ ... Plato zegt eigenlijk: „tegen
-de melodie”--Het leven des braven is als eene muzijk, in welke
-overeenstemming en welluidendheid heerschen, en zelfs schijnbare
-dissonanten zich oplossen in harmonie. De grondstellingen, voor hem
-uit zijne inzigten van waar en goed en schoon voortgevloeid, zijn
-het thema, dat als in zuivere variatiën, zijn leven in lief en leed
-doorgalmt. Zoo zegt Socrates: „ik houd het voor beter, dat mijne lier
-ontstemd ware, en wanklank deed hooren met het koor, dat ik bestuurde,
-en dat de meeste menschen niet met mij overeenstemden, maar mij
-tegenspraken; dan dat ik alleen met mij zelven niet in harmonie ware en
-mij tegensprak.”]
-
-[Voetnoot 5: _Op mijne jaren--moest sterven._ ... Socrates was in zijn
-zeventigste jaar.]
-
-[Voetnoot 6: _Het vaartuig uit Delos._ ... In den beroemden dialoog
-over de Onsterfelijkheid betuigt Echecrates aan Phaedo zijne
-verwondering, dat Socrates zoo lang na zijne veroordeeling den
-dood heeft ondergaan. „_Phaedo._ Dat kwam door eene bijzondere
-omstandigheid. Den dag namelijk vóór het vonnis was juist de
-achtersteven bekranst van het vaartuig, dat de Atheners jaarlijks
-naar Delos zenden. _Echecr._ Wat is dat dan? _Ph._ Dat is, volgens
-de Atheners, het schip, met hetwelk Theseus eens naar Creta voer, om
-er de veertien[A] heen te brengen, die hij redde en zich zelven ook.
-Aan Apollo deden zij toen de gelofte, zegt men, om, zoo zij behouden
-bleven, t’elken jare een plegtig gezantschap ter bijwoning der feesten
-te zullen zenden ter zijner eere op Delos. Dit gezantschap dan zenden
-zij ook nu nog sedert dien tijd t’elken jare ter eere van den god.
-Nadat nu die zending begonnen is, is ’t bij hen wet, gedurende dien
-tijd de stad rein te houden, en van staatswege niemand ter dood te
-brengen, vóórdat het vaartuig in Delos is gekomen, en van daar weer
-hier. Dit houdt somwijlen een’ geruimen tijd aan, wanneer bij toeval
-de winden hen ophouden. Het begin der zending wordt gerekend van het
-oogenblik af, dat de priester van Apollo den achtersteven van het
-vaartuig heeft bekranst. Dit had juist plaats gehad daags vóór het
-vellen van het vonnis, en daarom bleef Socrates lang in de gevangenis
-tusschen zijn vonnis en zijn’ dood”[B].--(Dertig dagen.)]
-
-[Voetnoot 7: _Sunium_, een voorgebergte van Attica, thans Cabo di
-Colonna. Het had op de kruin een’ tempel van Minerva, en onder aan de
-kust eene haven. Ook stond hier een kasteel, ’t welk door opgestane
-slaven een’ tijd lang werd bezet gehouden, die Attica plunderden.
-(Athenaeus).]
-
-[Voetnoot 8: _Heil ons!_ De oorspronkelijke uitdrukking gebruikten
-de Grieken veel in den zin van een goed voorteeken. Zoo min vreest
-Socrates den dood, dat hij, bij de tijding, dat hij ze moet ondergaan,
-het sterven als een wenschelijk goed beschouwt. De volgende woorden:
-_zoo het den goden_ enz., heeft Epictetus overgenomen onder de
-spreuken, waarmede hij zijn _Handboek_ besluit.]
-
-[Voetnoot 9: _Die er over te beslissen hebben._ Crito beaamt hiermede
-het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope
-koestert, hem te zullen redden: _zoo zeggen althans, die_ ...
-Voor het overige worden hier bedoeld de _Elfmannen_, die te Athene het
-opzigt hadden over alle gevangenen. ’t Is misschien niet onbelangrijk
-bij dit ligchaam eenigzins langer stil te staan.
-
-Hoogelijk werd te Athene de onschendbaarheid der burgers geëerbiedigd:
-lijfsdwang werd alleen jegens slaven voor oirbaar gehouden, zoodat het
-openbaar eergevoel iemand, tegen wien het aangewend was, niet meer
-als een’ burger van gelijken stand beschouwde. De raad moest--dewijl
-_atimie_, met onze eerloosverklaring te vergelijken, het lot werd van
-den eens tot gevangenis veroordeelde--zweren, geen’ burger in boeijen
-te zullen slaan, behalve wie iets tegen den staat misdeed.
-
-Spoedig regt vereischten intusschen de zaken van koophandel; eveneens
-tegen allerlei woekeraars. Buitendien moest de gevangenisstraf wel
-toegepast worden tegen misdrijven, die ’t algemeene belang en de
-openbare veiligheid in gevaar schenen te brengen: ieder burger mogt dan
-ook als wreker van de geschonden regten des staats optreden, waarbij
-persoonlijke vijandschap dikwijls hare rekening vond, en de Elfmannen
-drukke bezigheid. Het gevangenzetten, waarbij de beschuldigde geboeid
-werd, diende òf tot straf, òf tot waarborg tegen veroordeelden, heen
-ter tijde aan het vonnis voldaan, en tegen beschuldigden, totdat hunne
-zaak zou uitgemaakt zijn. Maar bijna altijd kon de veroordeelde met
-eene geldboete vrij, die men, om de atimie te ontgaan, liever betaalde.
-Ter verzwaring echter der boete werd ook de gevangenisstraf toegepast,
-vooral tegen schuldenaren van den staat; zij bleven geboeid, totdat de
-schuld was voldaan.
-
-Het beheer eener zoodanige inrigting met hare velerhande ondergeschikte
-bedienden vereischte reeds veel werkzaamheid. Gewigtiger evenwel was de
-taak der Elfmannen, jegens de gevangenen zelve te vervullen. Deze waren
-geheel in hunne magt gegeven, in zeker opzigt hunne slaven. Zij waren
-voor hen verantwoordelijk. Waarschijnlijk hielden zij aanteekening
-van wie gevangen geweest was, dewijl anders diens atimie met der tijd
-onbewijsbaar kon worden.--Aan den ter dood veroordeelde lieten zij zoo
-spoedig mogelijk het vonnis voltrekken, behalve wanneer de wet den tijd
-bepaalde, of godsdienstige gebruiken het verhinderden. De vorm bragt
-mede, dat zij telkens in persoon den veroordeelde van de overheden
-overnamen, en hem naar de gevangenis geleidden. Nu beheerschten zij
-hem geheel en al; of hij al dan niet in bijzijn van vriend of maag zou
-sterven, hing van hen af. Was de dag bepaald, dan begaven zij zich tot
-den veroordeelde, namen hem de boeijen af, en zeiden hem den dood aan.
-
-De oprigting van het ligchaam der Elfmannen, zoo als wij het gedurende
-den bloei der democratie te Athene kennen, schijnt te vallen in den
-tijd van Aristides en Themistocles, en geduurd te hebben tot kort na
-den dood van Alexander den Groote. Zij werden bij ’t lot gekozen,
-één uit iederen stam; een elfde werd hun--als secretaris, zouden wij
-zeggen--toegevoegd. Vóór de aanvaarding van hun ambt moesten zij een
-onderzoek ondergaan, en na de aftreding rekenschap afleggen. Zeer
-waarschijnlijk ontvingen zij eene aanzienlijke jaarwedde.]
-
-[Voetnoot 10: _Een droomgezigt,--zoo even in dezen nacht_ ... Reeds
-bij Homerus wordt aan de droomen een voorspellend gewigt gehecht: „ook
-de droom toch komt van Zeus!”--Bekend is ’t, hoe een droom, van Zeus
-gezonden, Agamemnon misleidt; en hoe een ander, op last van Athene,
-Penelope moed inspreekt. Ook de treurspeldichters spreken van droomen,
-als niet zonder voorbeduidende kracht. Bedenkt men nu, hoe zeer de
-beschaafde Griek vertrouwd was met zijne helden- en treurspeldichters,
-dan bevreemdt ons de droom van Socrates en zijne gedachte daarover
-niet; om niet te spreken van den bijzonderen toestand, waarin de edele
-man zich bevindt.
-
-Een droomgezigt, _zoo even_ ... De Ouden hielden de droomen na
-middernacht voor de belangrijkste; en niet zonder psychologischen
-grond; de droomen in den voornacht betreffen meest ’t gene de ziel
-gedurende den dag heeft bezig gehouden; daarom hielden zij meer die na
-middernacht voor goddelijke ingeving en onthulling der toekomst.]
-
-[Voetnoot 11: _In een hel-wit gewaad_ ... Droomgestalten werden voor
-goddelijk gehouden: daarom dacht men ze schooner, grooter en verhevener
-dan den mensch, en in blinkend witte kleederen. Zoo ook de bijbelsche
-verschijningen.]
-
-[Voetnoot 12: _Overmorgen, o Socrates!_ ... Woorden van Achilles, die,
-door Agamemnon beleedigd, van Troje naar huis terug wil keeren. „Indien
-mij welligt,” zegt hij tot Ulysses, de doorluchtige aardschudder,
-„Poseidon eene gelukkige vaart wil verleenen, dan kan ik in drie
-dagen het vruchtbare Phthia bereiken,” d. i. zijn vaderland. Socrates
-verstaat onder Phthia de woonplaats der ziel na hare slaking uit den
-kerker des stofs, de oorden, die des menschen eigenlijk vaderland zijn.
-
-„Bevreemdend is het,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat geen
-uitlegger er op let, hoe de jeugdige heldengestalte van Achilles,
-die uit vrije keuze een kort, maar roemvol leven verkoos boven een
-lang leven vol genietingen, Socrates hier voor oogen zweeft, en hem
-als tot gelijke gezindheid bezielt. Dit is immers het troostrijke in
-’t ontzagchelijke treurspel der geschiedenis, dat de menschen niet
-alleen bij elkander zijn, wanneer zij ’t zijn, dat ook de van ons
-verwijderde, de overledene voor ons leeft, en zijn leven en sterven
-ons ten spiegel wordt, waarin wij ons gaarne beschouwen.”--Socrates
-zelf zegt in zijne Verdediging: „men zou kunnen zeggen: „„bloost gij
-niet, Socrates! over de keuze van een bedrijf, waardoor gij nu gevaar
-loopt van te sterven?”” „Met grond zou ik antwoorden: niet schoon is
-dat gesproken, man! indien gij meent, dat een man, die nog een weinig
-waarde bezit, het gevaar van leven of sterven in aanmerking moet nemen.
-Niet daarop alleen moet men zien, wat men onderneemt, maar of men iets
-regtvaardigs doet, of het tegendeel; het werk van een’ braaf, of van
-een’ slecht mensch. Laag zouden, naar uwe redenering, de halve goden
-zijn, die bij Troja sneuvelden, ook Thetis’ zoon; en die verachtte zoo
-zeer het gevaar, in vergelijking van eene schandelijke handelwijze,
-dat,--toen hij wenschte Hector te dooden, en zijne moeder, eene godin,
-hem zoo ongeveer, geloof ik, toesprak: „„mijn zoon, wreekt gij den dood
-van uwen vriend Patroclus, en doodt gij Hector, dan zult gij sterven;
-(want terstond na Hector is uw sterflot bepaald)””--„hij dood en gevaar
-verachtte.----„„Terstond,”” zeide hij, „„zou ik willen sterven, na den
-onverlaat te hebben doen boeten, opdat ik niet hier blijf, bij de
-hooge stevens der schepen, om uitgelagchen te worden, als een nutteloos
-pak der aarde.””]
-
-[Voetnoot 13: _Luister nu nog naar mij_ ... Derhalve had Crito vroeger
-reeds vruchteloos getracht, Socrates over te halen, om zich door de
-vlugt te redden.]
-
-[Voetnoot 14: _Er geen’ ooit weer zal vinden_ ... Cicero had deze
-plaats voor oogen in zijn werkje over de Vriendschap, waar hij Laelius
-over Scipio laat zeggen: „het doet mij aan, dat ik van een’ zoo
-heerlijk vriend beroofd ben, als, naar mijn oordeel, er niemand ooit
-weer zal bestaan.”]
-
-[Voetnoot 15: _Het geld hooger te achten_ ... „Niemand zou,” zegt
-Demosthenes in zijne redevoering over den Vrede, „kunnen zeggen, dat
-mijne handelingen als staatsman eenige winst bedoelen. En daarom toont
-zich mij zuiver en gelijk het is, het belang van den staat, ’t welk
-immer uit de zaken voortvloeit. Maar, _wanneer men aan de andere zijde,
-als op eene schaal, er geld bijlegt, dan slaat het op eens door, en
-trekt de bewijsgronden mede naar beneden; en wie dit doet, kan niet
-meer, noch iets waars, noch iets gezonds meer denken, over geene enkele
-zaak_.”]
-
-[Voetnoot 16: _Den grooten hoop_ ... „Die tallooze, oneenige, oproerige
-menigte, nooit zich zelve magtig, met gelijke onberadenheid gereed tot
-eigen of tot eens anders ongeluk,”--zegt Seneca--is door vele ouden
-naar waarde gegispt.--„Wie zou zich gelukkig gevoelen,” zegt Plato
-ergens, „met te leven naar den grooten hoop, om te worden toegejuicht
-en gevierd, als een speelbal van ’t volk geslingerd, uitgefloten,
-gestraft, gedood en beklaagd?”--„Vraagt mij (Horatius) het volk,
-waarom ik niet zoek of mijd, wat het zelf bemint of haat; dan wil ik
-antwoorden, gelijk eertijds de sluwe vos den zieken leeuw: „„omdat ik
-schrik van de voetstappen, alle naar u toe gerigt, en geene terug. Gij
-zijt een veelkoppig monster: waaraan toch zal ik mij houden, of aan
-wien?””]
-
-[Voetnoot 17: _Het ergste kwaad_ ... Er is volgens Plato slechts één
-kwaad: _gebrek aan inzigt_, en slechts één goed: _verstand_. Ten
-bewijze een paar plaatsen van de door Nüsslin verzamelde: „waarin
-iemand verstandig is, daarin is hij goed; waarin iemand onverstandig
-is, daarin is hij slecht.--Alle pogen en volharden der ziel, door
-verstand bestuurd, brengt zegen; met onverstand het tegendeel.”--Met
-Plato houden voorzeker de onbekrompen-verlichte onder onze landgenooten
-_gebrek aan inzigt_ voor het hoogste kwaad; want inderdaad, de mensch
-wil wel het goede, zoodra hij slechts vastelijk overtuigd is, dat
-het wezenlijk goed is. Eene ware stelling! maar die door sommige ook
-welmeenende Christenen niet wordt toegegeven!]
-
-[Voetnoot 18: _Sycophanten_ ... eigenlijk: vijgenaangevers, verklikkers
-van wie vijgen uitvoert, ’t welk in Attica verboden was. (Athenaeus.)
-In ’t algemeen: wie valsche geruchten van anderen verbreidt, en
-anderen tegen elkander ophitst, of uit winzucht anderen aanklaagt,
-_chicaneur_. Festus geeft eene andere verklaring. Zie ook C. Sigon. de
-republ. Athen., en Suidas.]
-
-[Voetnoot 19: _De vreemdelingen_ ... Om niemand te Athene aan eenig
-gevaar bloot te stellen van beschuldigd te worden Socrates uit de
-gevangenis te hebben willen ontvoeren, vermeldt Plato hier alleen
-vreemdelingen. Crito zelf was door zijne positie en zijn’ ouderdom
-het meest tegen onaangename gevolgen beveiligd, en is denkelijk
-kort na Socrates overleden. _Cebes_, die hier genoemd wordt, heet
-doorgaans, maar zonder genoegzamen grond, de schrijver te zijn van eene
-zedekundige verhandeling: de Schilderij. Wie evenwel de schrijver moge
-zijn, men vindt er den hoogen ernst en de warmte van Socrates.
-
-_Simmias_ van Thebe, gelijk ook Cebes, waren beide leerlingen van
-Critolaus, een beroemd Pythagoreër, en beide warme vrienden van
-Socrates.
-
-Onder de hier vermelden kunnen ook behoord hebben: _Phaedondes_,
-eveneens van Thebe, en _Euclides_ van Megara, niet met den
-alexandrijner te verwarren; en _Terpsion_; en _Echecrates_ van Phlius,
-in Sicyonië; en _Phaedo_, uit Elis.]
-
-[Voetnoot 20: _Geef--uwe redding niet op_ ... Wel weet Crito, hoe
-Socrates over het sterven denkt; maar in zijne warme vriendschap denkt
-hij, al te overijld, dat de liefde tot het leven, die al wat leeft, is
-aangeboren, zich ook nog bij Socrates krachtig doet gelden.]
-
-[Voetnoot 21: _’t Gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt_ ... „Zou
-ik”--dit was, volgens Plato, zijne taal--„mij verbanning waardig
-keuren? Daarmede zoudt gij welligt genoegen nemen. Maar veel liefde zou
-ik voor het leven moeten hebben, o Atheners! indien ik zoo onverstandig
-ware, om niet te kunnen berekenen, dat gij, mijne medeburgers, mijne
-leefwijze en mijne taal niet kondt verdragen, maar ze u bezwaarlijk en
-hatelijk zijn geworden, zoodat gij tracht er af te komen; en zullen
-voorwaar anderen ze gemakkelijk dulden? Verre van daar, o atheensche
-mannen! Een heerlijk leven zou het derhalve voor mij zijn, wanneer
-ik, zoo bejaard, uit de stad ging, om, telkens verjaagd, de eene stad
-met de andere te verwisselen. Want ik weet vast, dat, waar ik kom, de
-jongere menschen naar mijne taal zullen hooren, gelijk hier. En wijs ik
-hen van de hand, dan zullen zij mij verdrijven en de ouderen daartoe
-overreden.”]
-
-[Voetnoot 22: _Naar Thessalië_ ... Onbedachtzaam noemt Crito juist
-Thessalië. Zie hoofdstuk 15. Dat land stond in kwaad geruchte, als
-het land van sluwe list en bedrog en ongebondenheid, waarvan J. C.
-Scaliger een voorbeeld aanhaalt. Bij Athenaeus hebben zij altijd
-honger; hunne vraatzucht wordt bij wijze van spreekwoord aangehaald.
-Zij zouden de Perzen, even weelderig als zij zelve, naar Griekenland
-hebben uitgenoodigd; en later door Philippus met gastmalen zijn
-gewonnen. Xenophon schrijft de verdorvenheid van Critias, het hoofd der
-dertig tirannen, mede toe aan zijn verblijf als balling in Thessalië.
-Ten tijde van Horatius was het berucht wegens zijne giftmengers en
-toovenaars.]
-
-[Voetnoot 23: _Uwe zonen_ ... Men vindt er drie vermeld: Lamprocles,
-Sophroniscus en Menexenus, de twee laatste verwekt bij Myrto, de
-dochter van Aristides den regtvaardige.--Zoo lang men de beantwoording
-van Crito’s bedenkingen door Socrates niet heeft gehoord, weet men
-niet, wat deze zal aanvoeren tegen ’t gene hier zoo roerend en met
-zoo veel aandrang wordt bijgebragt, om Socrates’ vaderlijk gevoel te
-schokken, en om zijne eigenliefde in beweging te brengen. Crito’s al
-te dringende, bijna onbescheidene taal vindt hare verontschuldiging in
-zijne warme vriendschap en zijn vurig verlangen om Socrates te redden.]
-
-[Voetnoot 24: _Der weezen lot_ ... „De dag, die ’t kind tot een wees
-maakt, berooft hem van al zijne speelgenooten; overal slaat hij de
-oogen neder; tranen biggelen langs zijne wangen. In zijne behoefte gaat
-het kind naar zijns vaders vrienden, en trekt hen bij het kleed; van
-diegene onder hen, die medelijden met hem hebben, reikt hem iemand een’
-kleinen beker; en zoo bevochtigt hij wel zijne lippen, maar niet zijn
-gehemelte. De knaap, wiens beide ouders nog in leven zijn, jaagt hem
-van het gastmaal, en slaat hem, en graauwt hem toe: „„ga zoo heen! uw
-vader eet immers niet met ons!”” (Homerus.)]
-
-[Voetnoot 25: _Voor ’t gerigt--zijt opgekomen_ ... Forster, bij
-Buttmann aangehaald, zegt, dat hier misschien bedoeld wordt eene wet
-bij Lysias vermeld: „dat het den beklaagde, die zijne zaak wantrouwde,
-vrijstond, zich door de vlugt aan de gevolgen van derzelver behandeling
-te onttrekken.” Of men moet het op Anytos toepassen, die, volgens
-Libanius, in zijne Verdediging van Socrates, na de door hem ingestelde
-beschuldiging, met den beklaagde zich wilde verzoenen. Maar dit is zeer
-twijfelachtig; waar is het, dat, wanneer partijen, vóór de beslissing
-van het pleit, zich met elkander verzoenden, in verschillende gevallen
-de zaak werd bijgelegd. De aanklager had dan duizend drachmen boete te
-betalen. (Wachsmuth, II, 1, 285.)
-
-In het volgende wordt de loop van het regtsgeding vergeleken met de
-drie hoofddeelen van een drama: het verschijnen voor ’t gerigt met de
-inleiding en de opgave van ’t onderwerp;--het voeren van ’t geding met
-de handeling en hare verwikkelingen;--en de uitspraak van het vonnis
-met de ontknooping. Wat Crito laakt, is het verschijnen van Socrates
-voor den regter; wat hem grieft, is de uitslag van het treurspel, dien
-hij aan gebrek aan inzigt bij hem zelven en zijne vrienden toeschrijft.]
-
-[Voetnoot 26: _Even min als gij u zelven_ ... Dit bijvoegsel verwacht
-men hier niet bij Crito’s klagen over de achteloosheid en lafheid
-van de vrienden van Socrates, en niet van Socrates zelven. Maar als
-onwillekeurig ontsnapt hem daarbij eene ligte berisping tegen den
-leermeester zelven; dat komt voort uit eene edele verontwaardiging, dat
-Socrates niet is gered, en zich nu niet wil laten redden.]
-
-[Voetnoot 27: _Des te bezwaarlijker_ ... Volgens Leo is de meening van
-Socrates: „des te minder kan ik uwe zorg goedkeuren en er gebruik van
-maken,” in tegenstelling met: „uw ijveren is mij _veel waard_, dewijl
-het als lofwaardig zeer aannemelijk is.”--Ons schijnt Socrates toe te
-willen zeggen: „de aandrang, met welken gij mij tot de vlugt aanspoort,
-ontroert mij als een blijk uwer warme liefde; en uit onwillekeurigen
-afkeer van den dood, die in ieder schepsel leeft, zou ik uwe voorslagen
-gehoor geven, indien slechts mijn pligt het toelaat: maar zoo niet,
-dan kost het mij én om uwe liefde, én om dien afkeer, slechts te meer
-moeite, uwen aandrang te weerstaan en standvastig te blijven sterven.”]
-
-[Voetnoot 28: _Aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt_ ...
-„Want,” zegt Socrates elders bij Plato, „de man, voor wien al wat
-tot geluk voert, alleen van hem zelven afhangt, voor wien het niet,
-verknocht aan voor- of tegenspoed, van anderen noodwendig afhankelijk
-wordt en geheel onzeker; die man heeft zich den besten levensweg
-bereid: die is de zelfstandige, de dappere, de wijze; dien zal men,
-bij ’t verwerven of verliezen van kinderen, of van geld en goed, zich
-noch te zeer zien verblijden noch bedroeven, dewijl hij al zijne hoop
-stelt op zich zelven.”--„En die zelfstandige man,” zegt Epictetus, „was
-Socrates, die van al wat hem voorkwam, op niets anders lette dan op de
-rede, d. i. op zijne heilige, innige overtuiging van pligt.”]
-
-[Voetnoot 29: _Dezelfde inzigten_ ... Namelijk over burgerpligt en
-verachting van den dood.]
-
-[Voetnoot 30: _Schrikbeelden_ ... De oorspronkelijke uitdrukking
-beteekent: „een kind met zekere gebaren en onder het uitspreken van het
-woord _Mormo_ bang maken; dan: iemand bang maken door schrikbeelden, en
-in ’t algemeen: iemand (een’ meest ongegronden) schrik aanjagen.”]
-
-[Voetnoot 31: _Hoe kunnen wij_ ... Buttmann, Leo en de meeste andere
-uitleggers leggen Crito deze vraag in den mond. Wij volgden Stallbaum:
-de rede wordt er te vuriger door.]
-
-[Voetnoot 32: _Of de bewering altijd geldig is, of niet_ ... Namelijk
-of _niet geldig_. Drievoudig is de vraag: 1º. of de bewering gegrond
-is; 2º. of ze ongegrond is; 3º. of ze vroeger gegrond was, maar nu
-niet meer. (Buttmann.)]
-
-[Voetnoot 33: _Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt_ ... Bekend
-is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne
-nationale feesten voor een gewigtig deel in dezelve bestonden, en haar
-zoo een bijzonder gewigt bijzetten in de oogen des volks. Levendig
-begrepen zij, hoe veel de gezondheid en de volledige ontwikkeling van
-de kracht des ligchaams toebrengt tot die der ziel. Verg. aant. 53.]
-
-[Voetnoot 34: _Die des Eenen_ ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter
-dezer plaatse, „dat Socrates hier _God_ meent.” Eenige plaatsen bij
-Plato, die hij ten bewijze aanvoert, laten wij hier volgen:
-
-„Een is wijzer dan alle; die alleen is de maatstaf.--God zij onze regel
-in alles, meer dan eenig mensch.--Niemand is wijs, dan (de) God; de
-menschelijke wijsheid is weinig waard; en onder de menschen is hij
-de wijsste, die dit met Socrates heeft ingezien.--Men moet Gode zoo
-veel mogelijk gelijkvormig worden; die gelijkvormigheid bestaat in
-verstandig, braaf en vroom te zijn.--Twee voorbeelden hebben wij: het
-goddelijke, dat van het hoogste geluk; het niet-goddelijke, dat der
-rampzaligheid.”]
-
-[Voetnoot 35: _Heeft--het leven--iets bekoorlijks?_ ... Men wane
-niet--zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou
-kunnen zijn,--dat Socrates hier zijlings den zelfmoord verdedigt. In
-tegendeel: volgens hem staat ieder mensch hier op eenen post, hem door
-God aangewezen, en dien hij zonder het hoogst bevel niet mag verlaten.]
-
-[Voetnoot 36: _(Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker._ „Onder
-alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel
-het goddelijkste.” En: „hoe veel geringer een ongeluk is het met een
-ziekelijk ligchaam te leven, dan met eene bedorvene, onheilige ziel!”
-Meer gelijkluidende plaatsen heeft Nüsslin bijeengebragt.]
-
-[Voetnoot 37: _De vorige_ ... „De redenering, welke wij hebben
-doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt
-nog dezelfde,” verschilt niets van die, welke wij vroeger hebben
-uiteengezet, toen ik nog niet was aangeklaagd. Hierop schijnen de
-woorden _de vorige_ te doelen. Anderen vatten de plaats anders op.]
-
-[Voetnoot 38: _Niet tegen mijnen zin_ ... De edele vriendschap, met
-welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins
-hoog; maar, daar ik mij door geen’ invloed van buiten laat leiden,
-_moet gij toch mijn inzigt behoorlijk laten gelden_.]
-
-[Voetnoot 39: _Wie onregt lijdt, het weerom doen_ ... Nüsslin trekt
-uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat
-men te overijld den Ouden _alle begrip_ van liefde jegens vijanden
-heeft ontzegd; en dat in de meeste plaatsen hunner schriften, waar
-haat jegens vijanden wordt gebillijkt, de vijand in den oorlog wordt
-bedoeld.--_Alle begrip_ ... dit is te veel gezegd; maar alleen Socrates
-en de zijnen stonden met enkele edelen hooger dan de groote hoop; en
-Socrates zelf is in zijne Verdediging zoo schamper, zijne taal zoo
-vernederend voor regters en tegenpartij, dat daarbij het denken aan
-_wraak_ natuurlijk bij u opkomt. Buitendien moet men niet vergeten, hoe
-weinig algemeenen invloed bij de Ouden de wijsgeerige school had op de
-praktiek des levens. (Verg. onze inleiding.) Deze spreekt veeleer bij
-de dramatische dichters: het tooneel en het leven der Ouden stond in
-veel naauwer verband dan bij ons. En uit deze blijkt, dat wraak bij de
-Ouden niet alleen geoorloofd was, maar zelfs eene zaak van eer. „Eene
-groote zaak versta ik,” zegt Archilochus, „hem, die mij kwaad gedaan
-heeft, met vreesselijk kwaad te vergelden.” Dat bij ’t volk _wraak_ de
-leuze was, blijkt eveneens uit vele plaatsen bij de treurspeldichters;
-in ’t algemeen eischten de Grieken van den _man_ in staat te zijn om
-zijn vaderland nuttig, zijn’ vijand geducht te zijn. Zij kennen den
-_man_, den _burger_; aan het goddelijke Christendom was en blijft het
-voorbehouden den _mensch_ te leeren zegenen, wie hem vloekt.]
-
-[Voetnoot 40: _Beloofd, omdat het regtvaardig was_ ... Het niet nakomen
-van eene vrijwillige belofte berokkende--bij de Romeinen althans--in
-zekere mate _eerloosheid_.]
-
-[Voetnoot 41: _En de wetten -- -- vroegen_ ... Dit welsprekend leenen
-van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij
-Buttmann vindt men eene dergelijke plaats aangehaald uit de: „Oeuvres
-de Frédéric II, publiées du vivant de l’auteur.”]
-
-[Voetnoot 42: _Tot het verdrag tusschen ons en u_ ... Leo gelooft, dat
-Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten
-afleggen, van dezen inhoud: „aan de wetten, die vastgesteld worden, zal
-ik gehoorzamen, en aan alle andere, welke het volk met gemeen overleg
-zal vaststellen;--en indien iemand de wetten vernietigt, of ze niet
-gehoorzaamt, dat zal ik niet toelaten, maar tegengaan, zoo wel alleen,
-als met allen.”]
-
-[Voetnoot 43: _Muzijk en gymnastiek_ ... Volledige ontwikkeling naar
-ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen
-zin de beoefening bevat van al wat het ligchaam kracht, vlugheid en
-bevalligheid kan bijzetten; zoo verstonden de Grieken onder muzijk--der
-Muzen wetenschap--de schoone wetenschappen, poëzij, welsprekendheid,
-wijsbegeerte, de eigenlijke muzijk; in één woord, al wat den smaak voor
-’t schoone ontwikkelt en de ziel veredelt. Tot eene opvoeding, die wij
-fatsoenlijk zouden noemen, behoorden: letterkunde in ruimen zin, muzijk
-en gymnastiek. Wie b. v. niet in eigenlijke muzijk ervaren was, werd
-niet voor een’ beschaafd man gehouden.
-
-Protagoras schildert de opvoeding der atheensche jeugd aldus: „Van de
-teerste kindschheid af aan, zoo lang de naaste betrekkingen leven,
-onderwijzen en vermanen zij het kind. Zoodra het, wat er gezegd
-wordt, kan begrijpen, doen de minne en de moeder en de oppasser en
-de vader zelf hun best, dat het kind zoo goed mogelijk worde, en
-onderrigten hem bij ieder woord of daad, en toonen hem, dat het eene
-regtvaardig, het andere onregtvaardig is, en schoon of niet, en vroom
-of goddeloos; en dat hij het eene doe, het andere niet. En gehoorzaamt
-hij vrijwillig, dan is ’t wèl; zoo niet, dan brengen ze hem, als een
-kromgegroeid rijsje, teregt door dreigen en slaan. Daarna zenden zij
-hem naar school, en drukken het den meester veel meer op het hart, om
-te zorgen voor de zedigheid der kinderen, dan voor hun lezen en hun
-spelen op de lier. De meesters zorgen hiervoor; en wanneer zij dan
-het lezen geleerd hebben, en weldra het geschrevene zullen verstaan,
-gelijk vroeger den toon, dan geven zij hun op de banken de werken van
-voortreffelijke dichters te lezen, en laten ze hen van buiten leeren,
-welke vele teregtwijzingen bevatten, en vele verhalen van de deugden
-van de mannen van ouds, die ze roemen en verheffen; opdat de knaap
-naijverig hen navolge, en trachte even zoo voortreffelijk te worden. De
-muzijkmeesters dragen eveneens op dergelijke wijze zorg voor zedigheid,
-en dat de knapen geen kwaad doen; daarenboven, wanneer zij geleerd
-hebben de lier te bespelen, leeren zij hun weder gedichten van andere
-dichters, van lierdichters, die ze op muzijk brengen; en zij dwingen
-maat en harmonie in de ziel der knapen, opdat zij zachter worden, en,
-meer aan maat en regel gewend, geschikt voor woord en daad. Want het
-geheele leven van den mensch behoeft maat en gepasten toon.--Dan zendt
-men hen nog naar den meester in ligchaamsoefeningen, opdat zij met een
-beter ontwikkeld ligchaam, ook eene edele denkwijze kunnen opvolgen,
-en niet genoodzaakt worden lafhartig te handelen wegens gemis aan
-ligchamelijke kracht en vlugheid en in oorlog en in andere bedrijven.
-Dit doen de meest vermogenden, wier kinderen het vroegst en het langst
-de scholen bezoeken.”
-
-Dus: huisselijke opvoeding;--lezen en de beginselen der
-muzijk, dichtstukken van buiten leeren;--eigenlijke muzijk en
-lierdicht;--ligchaamsoefeningen; terwijl overal orde en zedigheid
-streng werd geëischt; dit was, naar Solons instellingen, de gang der
-voorbereidende vorming der jeugd. Wat wij nog meer hebben genoemd,
-leerde de verder gevorderde jongeling van mannen als Protagoras en
-anderen.]
-
-[Voetnoot 44: _Lijfeigene_ ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes
-zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen
-heerscht de wet, aan welke zij meer dan de uwen aan u gehoorzamen.”]
-
-[Voetnoot 45: _Geweld te gebruiken_ ... Niet alleen dit was snood; maar
-de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde,
-werd van alle ambten uitgesloten.]
-
-[Voetnoot 46: _Burger is geworden_ ... De jonge Athener, die ’t
-volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar
-eerst moest hij een onderzoek ondergaan over afkomst, wettige geboorte,
-in één woord over ’t gene als vereischte voor het burgerregt werd
-aangemerkt. (Stallbaum, Buttmann, Schleiermacher.--Maar Leo volgt eene
-andere lezing, die volgens St. slechts in een hdsch. voorkomt, maar
-vroeger algemeen werd gevolgd.)]
-
-[Voetnoot 47: _Drievoudig misdoet_ ... Jegens de wetten: 1. als de
-oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit
-onredelijke gebiedsters, die slechts _voorstellen_ ... Keuren en
-wetsbepalingen werden, vóór de bekrachtiging, openlijk ten toon
-gesteld; om ze door ieder te laten lezen en beoordeelen, of ook iemand
-iets beters had voor te stellen.]
-
-[Voetnoot 48: _Nooit -- -- uit de stad geweest_ ... Zie de Inleiding.]
-
-[Voetnoot 49: _U tot ballingschap te veroordeelen_ ... De aanklager
-gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op,
-die naar zijn inzigt de beklaagde door zijn misdrijf had verdiend. Was
-dan de zaak geregtelijk onderzocht, dan vroeg de overheid, in gevalle
-de beklaagde werd veroordeeld, den veroordeelde, welke straf hij zelf
-meende verdiend te hebben. Het antwoord van Socrates vindt de lezer in
-meergemelde verhandeling van Prof. P. Hofstede de Groot.]
-
-[Voetnoot 50: _Noch uit nood_ ... De sprekend ingevoerde wetten
-ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van
-een aangegaan verdrag kunnen worden ingebragt. (Jacobs.)]
-
-[Voetnoot 51: _Lacedaemon -- -- Creta_ ... In Plato’s werk: „Over
-den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste
-geprezen (VIII, 544 c.), en zoo op meer plaatsen, bij Buttmann
-verzameld. Xenophon, gelijk bekend is, zeer met Lacedaemon ingenomen,
-prijst hare staatsinrigting, onder anderen, wegens de voorbeeldige
-gehoorzaamheid der burgers, en de hooge achting jegens grijsaards.
-Plato prijst als eene der voortreffelijkste verordeningen in Creta
-en Sparta, dat het jonge menschen verboden was hunne wijsheid uit te
-kramen over eenige wet, of ze goed was of niet. Had een bejaard man er
-eenige aanmerking op te maken, dan had hij het der overheid mede te
-deelen, mits niet in tegenwoordigheid van jonge lieden.]
-
-[Voetnoot 52: _Hades woningen_ ... der dooden verblijf.]
-
-[Voetnoot 53: _Wie de ooren suizen_ ... Er staat: „die de
-Corybanten-ongesteldheid hebben.” _Corybanten_ waren priesters, die,
-zoo ze dachten, vol van de godheid, dansten. _Corybanten-ziekte_, eene
-ingebeelde ongesteldheid, waarbij men meende fluiten-muzijk te hooren,
-en die men waande van de Corybanten te komen. De zieken werden daarbij
-door geweldige onrust gejaagd, en gekweld door eene slapeloosheid, die
-door muzijk genezen werd.--Schleiermacher’s opvatting van deze plaats
-scheen ons de voorkeur te verdienen, boven ’t geen anderen hebben, b.
-v. _Corybanten in geestdrift, de Corybantiasten_, enz.]
-
-[Voetnoot 54: _Der goden bevel opvolgen_ ... Hoe geheel Socrates zich
-aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van
-heerlijke plaatsen, door Nüsslin bijeengebragt.]
-
-
- Voetnoten
-
-[Voetnoot A: Veertien kinderen, die de Atheners jaarlijks aan Minos
-van Creta moesten zenden, tot boete voor den moord, aan zijnen zoon
-Androgeus gepleegd.]
-
-[Voetnoot B: Het woord _theorie_, dat wij hier hebben vertaald door
-_gezantschap_, _zending_, beteekent eigenlijk: eene verrigting _ter
-vereering van den god_.]
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
- NAAMLIJST
-
- DER
-
- INTEEKENAREN.
-
- [Illustratie]
-
-
- Z. M. DE KONING DER NEDERLANDEN. 12 Expl.
-
- Z. K. H. PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. 10 Expl.
-
- Adriani, N. van der Tuuk, predikant te _Brielle_.
-
- Amshoff, M. A., predikant te _Groningen_.
-
- Bakker, J., predikant te _Sappemeer_.
-
- Bakker, Mr. A. C. H., arr. direct. der belast. te _Winschoten_.
-
- Banck, J., aldaar.
-
- Bank, M. A. van der, pred. bij de waalsche gem. te _Utrecht_.
-
- Bazendijk, P. M., boekhandelaar te _Rotterdam_. 2 expl.
-
- Berg, P. F. van den, aldaar.
-
- Bisdom, Mr. D. A., griffier te _Wageningen_.
-
- Blaauw, H., theol. cand. te _Groningen_.
-
- Bleijenberg, H., predikant te _Zwolle_.
-
- Boer Ez., J. de, te _Groningen_.
-
- Boom, C., wethouder te _Tholen_.
-
- Borgesius, J. G., theol. cand. te _Groningen_.
-
- Bos, Wed. N. H., te _Winschoten_.
-
- Bosch, J. van den, stads-schoolonderwijzer te _Tholen_.
-
- Broecke, Mr. Ph. van den, rijks-advokaat te _Middelburg_.
-
- Broek, P. W. van den, predikant te _Rotterdam_.
-
- Broekman, G. H., notaris, voor het leesgezelschap: Tot Nut en
- Uitspanning, te _Rotterdam_.
-
- Broese & Comp., boekhandelaars te _Breda_.
-
- Bronsema, R., steen- en pannefabrijkant te _Winschoten_.
-
- Brouwer, G., boekhandelaar te _Deventer_.
-
- Brugsma, A. L., litt. hum. cand. te _Middelstum_.
-
- Brugsma, B., onderwijzer te _Groningen_.
-
- Buddingh, D., leeraar aan de koninklijke academie te _Delft_.
-
- Buning, H. C., student te _Groningen_.
-
- Burger, D., te _Rotterdam_.
-
- Burgerhoudt, J. J., te _Utrecht_.
-
- Busman, C. Star, lid van de tweede kamer der staten-generaal, pres.
- der arr.-regtb. te _Groningen_.
-
- Busscher, H., apotheker te _Winschoten_.
-
- Callenfels, J. W., med. doct. te _Vlissingen_.
-
- Cannegieter J. Jz., D., predikant te _Tjum_.
-
- Cannegieter, Mr. T., president der arr.-regtbank te _Winschoten_.
-
- Cate, H. Iszn. ten, predikant te _Pieterzijl_.
-
- Chateleux, P. A. de, ontv. der in- en uitgaande regten te _Bath_.
-
- Cock, H. G. de, bew. van hypoth. en het kadaster te _Winschoten_.
-
- Cock, R. T. de, ontvanger der registratie aldaar.
-
- Coevorden, C. N. Diepenheim van, te _Amsterdam_.
-
- Cohen, L. Ali, med. doct. te _Groningen_.
-
- Cornelissen, Mr. J., te _Steenwijk_.
-
- Costerus, Dr. P. J., rector der lat. scholen te _Sneek_.
-
- Croese, R., boekhandelaar te _Amsterdam_.
-
- Crull, P. Hofstede, med. doct. te _Meppel_.
-
- Daalen, Mr. H. B. van, notaris en secret. der stad _Wageningen_. 2 ex.
-
- Daenius, A., litt. cand. te _Assen_.
-
- Dageus, D., predikant te _Rijsom_.
-
- Dam, H. W. van, te _Rotterdam_. 5 expl.
-
- Dapper, L. S. P., te _Vianen_.
-
- Delprat, G. H. M., predikant te _Rotterdam_. 2 expl.
-
- Diephuis, Mr. G., regter in de arr.-regtb. te _Winschoten_.
-
- Dikema, L., instituteur te _Hoogezand_.
-
- Dikkers, H., rijks-ontvanger te _Delden_.
-
- Doesburgh, H. G. J. van, predikant te _Rotterdam_.
-
- Doorn, E. C. U. van, te _Utrecht_.
-
- Duinen, M. J. van, kostschoolhouderes te _Winschoten_.
-
- Duinen, T. van, predikant te _Surhuisterveen_.
-
- Dull, Mr. C. W., regter in de arr.-regtb. te _Winschoten_. 2 expl.
-
- Dijk, Egge van, logementhouder aldaar.
-
- Dijk, Wed., aldaar.
-
- Ebens, B., aldaar.
-
- Edelink, H., jur. cand. te _Groningen_.
-
- Eekma, O. J., te _Zalt-Bommel_.
-
- Emmen, Mr. W. R., procureur te _Winschoten_.
-
- Engelkens, Mr. H. J., burgemeester aldaar. 4 expl.
-
- Engers, M. S., negotiant aldaar.
-
- Eijk, J. P. Sprenger van, predikant te _Rotterdam_.
-
- Fabius, A. N., student te _Groningen_.
-
- Fabius, A. N., te _Steenwijk_.
-
- Faille, J. Baart de la, hoogleeraar te _Groningen_.
-
- Feenstra Pz., P., predikant te _Sappemeer_.
-
- Feenstra T. S., boekhandelaar te _Sneek_. 2 expl.
-
- Feis, R., mr, kleermaker te _Winschoten_.
-
- Feis, Rz., W., koopman in manufacturen aldaar.
-
- Folkers, F., aldaar.
-
- Folkers, R., goud- en zilversmid aldaar.
-
- Folmer, H. T., med. doct. te _Assen_.
-
- Fremery, Mr. J. W. F. de, advokaat te _Groningen_.
-
- Fruitier, Mr. J. A., lid der gedeput. staten van de prov. _Groningen_.
-
- Ganderheijden, Mr. A. A., griff. bij het prov. geregtsh. v.
- _Groningen_.
-
- Gerlings, Mr. J., advokaat te _Utrecht_.
-
- Gesseler, Jhr. Mr. Th. van, rijks-ontvanger te _Winschoten_.
-
- Gevers, A., te _Leijden_.
-
- Gevers Deynoot, Mr. W. T., te _Rotterdam_.
-
- Glavimans, G. J., aldaar.
-
- Gockinga, Mr. J., presid, van het prov. geregtsh. van _Groningen_.
-
- Görlitz, C. L., litt. cand. te _Winschoten_.
-
- Görlitz, F. H., te _Rotterdam_.
-
- Görlitz, P. K., fransch stads-kostschoolhouder te _Rotterdam_. 2 ex.
-
- Groeneveld, A. E., negotiant te _Winschoten_.
-
- Groeneveld, G. J., negotiant aldaar.
-
- Groenier, U. J., negotiant aldaar.
-
- Groot, P. Hofstede de, hoogleeraar enz. te _Groningen_.
-
- Gulpen, W. van, predikant te _Barendrecht_.
-
- Haanebeek, F. H., grossier te _’s Gravenhage_.
-
- Hardenbergh, W. H. van, doctor in de lett., directeur eener bijzondere
- inrigting te _Haastrecht_.
-
- Harderwijk, Cs. A., phil. stud. te _Amersfoort_.
-
- Haspels, E. J., postdirecteur te _Wageningen_.
-
- Have, A. ten, te _Amsterdam_.
-
- Hemsing, J. C., student te _Groningen_.
-
- Hendriksz, D., theol. stud. aldaar.
-
- Hessel Jr, F., med. stud. aldaar.
-
- Hiddingh, Mr. C., controleur te _Assen_.
-
- Hien en Dodewaard, het depart., der Maatsch, tot N. van ’t Alg.
-
- Hoekzema, geb. Meuron, Mejufvr. de wed., fransche kostschoolhouderes
- te _Groningen_.
-
- Hoekzema, D., te _Assen_.
-
- Hoet, C. ten, boekhandelaar te _Nijmegen_.
-
- Hoëvell, Mr. J. D. baron van, rector te _Dordrecht_.
-
- Hofstede, Mr. P., subst. officier van justitie te _Assen_.
-
- Homan, J. L., jur. stud. te _Groningen_.
-
- Hoogstraten Jz., A. van, boekhandelaar te _’s Gravenhage_.
-
- Horneman-Folkers, Mej. J., te _Rotterdam_.
-
- Horst, G. ter, notaris te _Delden_.
-
- Huguenin, Mr. H. U., lid der arrond.-regtbank te _Sneek_.
-
- Huisingh, H. V., boekhandelaar te _Winschoten_. 2 expl.
-
- Hurgronje, J. J. Snouck, te _Tholen_.
-
- Huijsman, Mr. A. E., schoolopziener te _Brielle_.
-
- Imhoff, Mr. G. W. H. baron van, raadsheer in het prov. geregtshof te
- _Groningen_.
-
- St. Jacobi Parochi, het departement, der Maatsch. t. N. v. ’t Algem.
-
- Jacobs en Meijers, boekhandelaars te _Amersfoort_.
-
- Jonge, Dr. H. de, secretaris der stad _Meppel_.
-
- Jongsma, Mr. Hiddema, president van de arrond.-regtbank te _Sneek_.
-
- Kampen, P. N. van, boekhandelaar, te _Amsterdam_. 10 Expl.
-
- Koch, J. R. Eilers, evang. luth. predikant te _Wildervank_.
-
- Kerzman, directeur van het athenaeum te _Maastricht_.
-
- Kessens, J. W., te _Winschoten_.
-
- Klaasesz, J., te _Steenwijk_.
-
- Klunder, J. G., onderwijzer te _Sappemeer_.
-
- Kuottnerus, J., te _Winschoten_.
-
- Koning, E., jur. stud. te _Groningen_.
-
- Koning, Mr. J. S. G., procureur te _Wedde_.
-
- Kooiman, J. A., litt. hum. stud. te _Groningen_.
-
- Koops Lz., A., koopman te _Winschoten_.
-
- Korteweg, Mr. A. J., advokaat te _’s Hertogenbosch_.
-
- Kramer, J. A., evang. luth. predikant te _’s Gravenhage_.
-
- Kremer, H. A., theol. stud. te _Groningen_.
-
- Kroese, J. G. Stenfert, boekhandelaar te _Arnhem_.
-
- Kymmell, J. H., te _Winschoten_.
-
- Lagerweij, J., te _Wageningen_.
-
- Lange, M. M. de, te _Tholen_.
-
- Lechner, J., candidaat notaris te _Schiedam_.
-
- Ledeboer, C., te _Haastrecht_.
-
- Leopold, J. H., logementhouder te _Groningen_.
-
- Leuringh, J., te _Winschoten_.
-
- Lichtenvoort, Mr. V. Heringa Star, advokaat te _Kleinemeer_.
-
- Liebau, C., te _Amsterdam_.
-
- Lodewijks, J., deurwaarder te _Winschoten_.
-
- Loeterbagh, J. P., te _Brielle_.
-
- Lohman, Jhr. Mr. W. H. de Savornin, rijks-ontv. te _Groningen_.
-
- Loon, J. Marissen van, theol. student aldaar.
-
- Ludeking, W. E., te _Brielle_.
-
- Lutteke, L., koopman in manufacturen te _Winschoten_.
-
- Mansvelt, ..... van, te _Utrecht_.
-
- Manuel, E. C., jur. student te _Leyden_.
-
- Maurik, Justus van, te _Amsterdam_.
-
- Meder, Joh., student te _Groningen_.
-
- Meder, Mr. J. J., procureur te _Winschoten_.
-
- Mees, B. D., aldaar.
-
- Meesters, J. R., te _Steenwijk_.
-
- Meesters, S. Tromp, aldaar.
-
- Meijer, W. J., theol. cand. te _Groningen_.
-
- Merkes, W., te _Wageningen_.
-
- Messchaert, N., te _Rotterdam_.
-
- Mesting, J., te _Winschoten_.
-
- Meuleman, J., litt. hum. cand. te _Jellum_.
-
- Meijboom, Mej. A. G. C., te _Buitenpost_.
-
- Middelberg, G. A., te _Boskoop_.
-
- Middendorp, H. J., te _Amsterdam_.
-
- Milders, Mr. A. S., te _Rotterdam_.
-
- Minervae sacrum, het leesgezelschap: te _Breda_.
-
- Minne, A. C. van der, med. doct. te _Brielle_.
-
- Mioulet, A. D. J., te ’s _Gravenhage_.
-
- Modderman, Mr. H. J. H., lid van de tweede kamer der staten-generaal
- en kantonregter te _Winschoten_.
-
- Modderman Hz., T., phil. theor. litt. hum. cand. te _Groningen_.
-
- Molenaar, ..... te _Ysselmonde_.
-
- Moll, J. G., controleur te _Winschoten_.
-
- Moreau, D., presid. van de directie der bewaarsch. te _Delfshaven_.
-
- Moulin, Jurriaan, deurwaarder te _Kampen_.
-
- Mulder, Hs., negotiant te _Winschoten_.
-
- Mulder, J. A., hoogleeraar te _Utrecht_.
-
- Nassau, Dr. H. J., rector enz. te _Assen_. 3 expl.
-
- Nies, A. S., herbergier te _Winschoten_.
-
- Nolet, J. D., boekhandelaar te _Utrecht_. 9 expl.
-
- Numan, A., hoogleeraar aldaar.
-
- Numan, Mr. C. Star, hoogleeraar te _Groningen_.
-
- Nijsingh, Mr. A. J., raadsheer in het prov. geregtshof van Drenthe, te
- _Assen_.
-
- Oosting, H. J., burgemeester der stad _Assen_.
-
- Oosting, Mr. J., procureur aldaar.
-
- Ott, J. P., voor den ring van _Vianen_.
-
- Ottema, Dr. J. G., te _Leeuwarden_.
-
- Ottolander, Corn., te _Boskoop_.
-
- Panhuijs, Jhr. Mr. J. E., lid van de tweede kamer der staten-generaal
- en regter in de arrond.-regtb. te _Winschoten_.
-
- Pareau, L., G., hoogleeraar te _Groningen_.
-
- Pel, C, M. H., 2de luit. bij het 2de reg. infanterie te _Maastricht_.
-
- Phaff, J. H., te _Winschoten_.
-
- Piccardt, Mr. H., advokaat aldaar.
-
- Plantinus, D., pred. bij de doopsgez. gem. te _Uithuizen_.
-
- Poortman, Mr. K. A., advokaat en notaris te _Schiedam_.
-
- Post Hz., E., negotiant te _Winschoten_.
-
- Pots, J., te _Leeuwarden_.
-
- Pott, P. M., aldaar.
-
- Prins, J. Alingh, theol. cand. te _Groningen_.
-
- Quintus, Jhr. Mr. J. D. Lewe, griffier bij het kantongeregt te
- _Winschoten_.
-
- Raadgeep, W. J., boekhandelaar te _Doetinchem_.
-
- Rademaker, D. C., evang. luthersch predikant te _Winschoten_.
-
- Ras, Mr. P., pres. van het hoog militair geregtshof te _Utrecht_.
-
- Ras, Mr. W. J., pres. der arrond.-regtbank aldaar.
-
- Reddingius, T. Folmer, te _Winschoten_.
-
- Rengers, W. F. L. baron, gouverneur van de prov. _Groningen_. 2 ex.
-
- Rengers, R. L. baron van Welderen, te _Winschoten_.
-
- Reijn, G. van, te _Rotterdam_.
-
- Ridder, C. N. de, rijks-ontvanger te _Wamel_.
-
- Roldanus, W. J. W., predikant te _Katwijk_ aan den Rijn.
-
- Romeny, H. J., predikant te _Zwolle_.
-
- Rooseboom, W., adj. houtvester op het Munnikenhof bij _Vianen_.
-
- Rose, A., te _Utrecht_.
-
- Rovers, J., hoogleeraar te _Groningen_.
-
- Rijkens, R. G., onderwijzer aldaar.
-
- Schaap, Mr. J. L., advokaat aldaar.
-
- Scheer, H. J. van der, te _Winschoten_.
-
- Schellekens, Dr. J. A., med. doct. te _Rotterdam_.
-
- Scheveningen, het depart. der Maatsch. t. N. v. ’t Algem. 2 expl.
-
- Scholten, J. G., te _Haarlem_.
-
- Schönfeld, J. F. P., med. doct. te _Winschoten_.
-
- Schönfeld, J. C., aldaar.
-
- Schreuder, B., inspecteur te _Maastricht_.
-
- Schüller, Mr. C. L., advokaat te _Utrecht_.
-
- Schultze, J. B., predikant te _Beers & Jellum_.
-
- Selle, F. W., directeur van het postkantoor te _Utrecht_.
-
- Servaas Jr., M., koopman te _Winschoten_.
-
- Siegman, E. L., predikant te _Delden_.
-
- Siertsema, H. S., onderwijzer te _Kleinemeer_.
-
- Sitter, Mr. J. H. de, lid der arrond.-regtbank te _Sneek_.
-
- Sitter, Mr. R. de, notaris te _Winschoten_.
-
- Slot, J. E., burgemeester der stad _Meppel_.
-
- Sluiter, J. W., te _Rotterdam_. 2 expl.
-
- Smith, H. F., brood-, koek- en banketbakker te _Winschoten_.
-
- Smith, F. H., brood-, koek- en banketbakker aldaar.
-
- Snoek, H. J., israëlitisch onderwijzer aldaar.
-
- Spat, C. J., aldaar.
-
- Sperwer, C., stads fransch-kostschoolhouderes te _Groningen_.
-
- Spijker, Dr. H. J., predikant te _Amsterdam_.
-
- Stheeman Hz., A. E., apotheker te _Winschoten_.
-
- Stirum, O. C. G. van Limburg, aldaar.
-
- Stokhuijzen, W., boekhandelaar te _Gorinchem_.
-
- Strauss, Mej. H, W., schoolhouderes te _Groningen_.
-
- Swiers, J. J., predikant te _Havelte_. 2 expl.
-
- Swinderen, Mr. Th. van, schoolopziener enz. te _Groningen_.
-
- Sijpkens, Mr. H., officier van justitie te _Winschoten_.
-
- Takens, J. L., aldaar.
-
- Terpstra, D., conrector te _Gouda_.
-
- Thieme, J. F., boekhandelaar te _Nijmegen_.
-
- Tiddens, H., te _Groningen_.
-
- Tonckens, Mr. W. J., kantonregter te _Meppel_.
-
- Tresling, J. Bosman, med. doct. te _Winschoten_.
-
- Tresling, M., te _Utrecht_.
-
- Uges, U., procureur te _Winschoten_.
-
- Uges, H. C. C. Dronrijp, phil. theol. litt. hum. cand. en pred. bij de
- doopsgezinde gemeente van de _Noord-Zijpe_.
-
- Uithuizen, het departement, der Maatsch. tot N. v. ’t Algemeen.
-
- Valkenburg, het departement, der Maatsch. tot N. v. ’t Algemeen.
-
- Venema, J. Post van, gem.-ontvanger te _Winschoten_.
-
- Vernede, Mr. A., advokaat te _Schiedam_.
-
- Verweij, W., predikant te _Winschoten_.
-
- Verweij-Mejan, W., te _Assen_.
-
- Viëtor, Mr. J. Fresemann,. lid der prov. staten van Groningen, te
- _Winschoten_.
-
- Viëtor, Mr. B. Haitzema, notaris aldaar.
-
- Visscher, L. G., hoogleeraar te _Utrecht_.
-
- Visser, C. de, predikant te _Tholen_.
-
- Vissering, J. D., predikant bij de doopsgez. gem. te _Groningen_.
-
- Vliegenthart, G. W., te _Brielle_.
-
- Vollenhoven, Jb. van, te _Rotterdam_.
-
- Vos, H. M., te _Amsterdam_.
-
- Vries, P. Draisma de, fabrikant te _Achlum_.
-
- Vroom, L., predikant te _Zwolle_.
-
- Wageningen, het depart., der Maatsch. tot N. v. ’t Algem. 3 expl.
-
- Wagtho, T. A., jur. stud. te _Groningen_.
-
- Wal, E. van der, voor het depart. Goënga enz.
-
- Wal, Mr. J. de, subst. advokaat fiskaal bij het hoog militair
- geregtshof te _Utrecht_.
-
- Warfemius, W. A., koopman te _Winschoten_.
-
- Weurdinge, J. J. Ehl, theol. student te _Groningen_.
-
- Weijers, F. Vermouten, te _Wageningen_.
-
- Weijting & v. d. Haart, boekhandelaren te _Amsterdam_.
-
- Wichers, Mr. B., vice-presid. v. het prov. geregtsh. van _Groningen_.
-
- Wichers, J. C. S., te _Winschoten_.
-
- Wichers, J. V. C., jur. student te _Groningen_.
-
- Wichers, L. Eijssonius, student aldaar.
-
- Wichers, S. H., te _Winschoten_.
-
- Wildervanck, W. H., aldaar.
-
- Wisseman, S. H., logementhouder aldaar.
-
- Wind, Mr. S. de, vice-president bij het prov. geregtshof in Zeeland,
- te _Middelburg_.
-
- With, J. M. de, litt. hum. student te _Groningen_.
-
- With, V. de, te _Winschoten_.
-
- Woldringh, Mr. W., griffier der arrond.-regtbank aldaar.
-
- Wolthers, Dr. H., med. doct. te _Groningen_.
-
- Wijbelingh, R. M. J., theol. cand. te _Grijpskerk_.
-
- Wijbelingh, H., theol. cand. te _Groningen_.
-
- Wijchgel, A. P. P. van, te _Winschoten_.
-
- Wijnne, J. A., te _Assen_.
-
- Wijsman, B., te _Amsterdam_.
-
- Ysselsteijn, J. L. van, opzigter van ’s rijks waterstaat te _Bath_.
-
- Zee, P. E. van der, predikant te _Andijk_. 2 expl.
-
-
- NAGEKOMENE INTEEKENAREN.
-
- Alma, A., notaris te _Bergum_.
-
- Alma, L., apotheker te _Amsterdam_.
-
- Andriessen, A., voorzanger der evang. luth. gemeente aldaar.
-
- Baarslag, W., med. doct. aldaar.
-
- Born, J. Æ., med. doct. te _Bergum_.
-
- Buma, B. H., student te _Groningen_.
-
- Fiedeldeij, H. P. G., te _Amsterdam_.
-
- Ferf, H. Nieubuur, schoolopz. van het 4de distrikt in Friesland, te
- _Bergum_.
-
- Fransen, F. H., te _Amsterdam_.
-
- Gavere, Mr. P. L. de, te _Groningen_.
-
- Heukelom J. P., te _Amsterdam_.
-
- Ligny, A. D. Thuyn de, theol. stud. te _Groningen_.
-
- Boekeren, W. van, boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Eekhoff Hz., H., boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Folkers, N., boekdrukker te _Groningen_.
-
- Meijer, C. P., boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Oomkens Jz., J., boekhandelaar te _Groningen_. 2 expl.
-
- Schierbeek, R. J., boekhandelaar te _Groningen_. 2 expl.
-
- Scholtens, A. L., boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Wilkens, F., boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Wouters, G., boekhandelaar te _Groningen_.
-
- Zweeden, P. van, boekhandelaar te _Groningen_.
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
- Colofon
-
-
- Duidelijke zetfouten in de originele tekst zijn verbeterd. De Lijst
- met Intekenaren is achteraan gezet. Daarnaast is aangepast:
-
- Pagina Origineel Aangepast
- ix manufakturen manufacturen
- 54 Thetis Thetis'
- 59 Socrates Socrates'
- 59 misschie misschien
- 70 fluitenmuzijk fluiten-muzijk
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK CRITO ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.