summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--6922-8.txt3627
-rw-r--r--6922-8.zipbin0 -> 43679 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/7dlrm10.txt3590
-rw-r--r--old/7dlrm10.zipbin0 -> 42819 bytes
-rw-r--r--old/8dlrm10.txt3590
-rw-r--r--old/8dlrm10.zipbin0 -> 43003 bytes
9 files changed, 10823 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/6922-8.txt b/6922-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..25254c3
--- /dev/null
+++ b/6922-8.txt
@@ -0,0 +1,3627 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
+the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
+to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
+
+Title: De Liereman
+
+Author: L. Schipper
+
+Posting Date: September 25, 2014 [EBook #6922]
+Release Date: November, 2004
+First Posted: February 11, 2003
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN ***
+
+
+
+
+Produced by Vital Debroey
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+Luimige en Ernstige
+MUZE.
+
+door
+
+L. SCHIPPER.
+
+
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+
+Vrienden! koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weêr liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?"
+'t Antwoord is: van 't beste allooi,
+Vol van vinding, gloed en leven,
+Immers, 'k heb ze zelf geschreven?
+En een hoofdpoëet als ik,
+Kent de rijmkunst op een' prik.
+
+Ergo, wie dees zangen laak',
+Heeft geen enkel greintje smaak;
+Weest dus op uw hoede, Heeren!
+Die mijn werk zult recenseren;
+Want, wie deze deuntjes fluit,
+Wijst zijn eigen vonnis uit.
+
+Koopt dan, koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weêr liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+De Liereman.
+Het Kaartspel.
+De Oude en Nieuwe Maat.
+De Droom.
+De Patrijzen.
+Jan.
+De twee Honden.
+De vrome Werkbaas.
+De Vlieg.
+Het Medaillon-Portret.
+De verdronken Acteur.
+Het Portret van den Dood.
+De Gekken.
+Stalen Pennen.
+Mijn Grootje.
+Gerust in de onstuime Baren.
+Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom.
+Voor Godsdienst en Vaderland.
+Deugd schept Vreugd.
+Elck wat Wils.
+Genoegh is meer.
+Elck zijn Waerom.
+Elck spiegele Hem Zelven.
+'t Kan Verkeeren.
+Hora ruit.
+Peut-être.
+Repos ailleurs.
+Vita mortalium vigilia.
+Getrouw.
+'t Uur is dáár.
+Huwelijks-Liedje.
+De Ooijevaars.
+Op den Dood van een' Landman.
+Aan een' rat.
+De Lach.
+Het Weesje.
+Huwelijksvereeniging.
+Drift.
+De Laster.
+Eenvoud.
+Aan een' blinden Toonkunstenaar.
+De Muis.
+t' Huiskomst.
+Wie?
+De Mensch.
+Aan een' Schilder.
+De Grafsteen.
+Toonkunst.
+Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_.
+Het levenspad.
+Het blinde Vinkje.
+Troost.
+
+
+
+
+
+WAARSCHUWING
+van eenen Onbevooroordeelde.
+
+
+Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap
+aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den
+zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.
+
+In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe
+snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.
+
+Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in
+handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.
+
+Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even
+vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te
+Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten--
+welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.)
+aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede
+sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."
+
+VORDEN,
+30 Sept. 1843.
+
+
+
+
+
+HET KAARTSPEL
+
+
+"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?
+"Erast, de nieuwe lichter,
+"Koopt steeds 't antiekste ameublement,
+"Maar blijft Gomaars betichter,
+"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,
+"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"
+
+Ik vonnis niet en haat den twist,
+Ja, laat aan elk zijn keuze,
+Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,
+De vrijheid zij mijn leuze!
+Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,
+In 't oud en nieuw is kwaad en goed!
+
+Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift
+Bragt heel mij van 't chapiter;
+Het kaartspel, luidt het bovenschrift,
+Voor 't kaartspel klink' de citer;
+Welaan, mijn zangster! men verbeidt,
+Zing luid van de oudste antiquiteit!
+
+1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',
+Om de eer haar rijk beschoren;
+Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel,
+Door 't schoonst genie geboren;
+En de allergrijste piramied,
+Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!
+
+2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat,
+Den schat van eigen vinding,
+En bragt, door hieroglyphen, 't blad,
+Met godsdienst in verbinding;
+Zoodat, van vromen geest bezield,
+Men kaartenspelend oefning hield!
+
+3. Sibyllen! uw orakelhol,
+Hadd' nooit van goud geblonken,
+Zoo niet de kaart, den vragersbol
+Het antwoord hadd' geschonken;
+Uw goochelkunst staat nog in eer,
+Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!
+
+4. Hoe! rukken Moor en Arabier
+Zoo plotsling uit het Oosten?
+U, Spanje! geldt het krijgsgetier,
+Maar 't zoetst geschenk zal troosten!
+De vijand biedt de kaart u aan,
+En gij--verwenscht heur naar de maan!
+
+5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland,
+'t Wou eerst ook dáár niet lukken,
+Maar--zesde Karel,--zijn verstand,
+Kreeg eensklaps bijstre nukken!
+De Vorst wordt meer dan stapel gek,
+En nu, nu komt de kaart in trek!
+
+6. De groote schilder Gringoneur,
+Een baas in 't portretteren,
+Liet in het spel, door frissche kleur,
+Geheel het hof spanceren;
+Dat deed den Koning zulk een deeg,
+Dat Gringoneur een lintje kreeg!
+
+7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,
+In vier verscheiden rijken;
+Hij had het opperbest geklaard,
+Elk stond er van te kijken!
+Geen mensch, die iets te vitten had,
+En, bij de Vorsten, zegt dat wat!
+
+8. Bourgondië verkreeg een ruit;
+De Frank, een schop, op 't plaatje;
+Een hart viel Orleans ten buit;
+Brittanje een klaverblaadje;
+Naauw was het af,--of zie, 't palet
+Schonk nu den hofstoet zijn portret!
+
+9. La Hire en Hector, o, hoe schoon
+Wist u de kunst te malen!
+Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,
+Kloekhafte Generalen!
+En wie de ronde boeren ziet,
+Miskent uw sprekend wezen niet!
+
+10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel,
+Het liefje van den Koning,
+'t Was met des Konings hoofd niet wel,
+Daarom dient hij verschooning,
+Geen ander Vorst, bij vol verstand,
+Heeft immers liefjes aan de hand?
+
+11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!
+Die streed voor 's Konings regten,
+Wie waagt niet liefst met u een kans
+In 't eten, dan in 't vechten?
+Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,
+Gij schopte menige _Goddem_!
+
+12. Wat majesteit, wat fiere bouw,
+Wat pracht van zijde lokken,
+O, overschoone klavervrouw!
+Gij hebt mijn oog getrokken!
+Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',
+Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.
+
+13. Wat lacht die freule harten wit,
+Haar hartje speelt in harten,
+Voor 't klooster had de maagd geen zit,
+Wis bragt ze er vreemde parten!
+Foei, Isabel van Beijren, foei!
+Uw goede naam krijgt nog een' knoei!
+
+14. Maar wie of schoppenheer mag zijn?
+Dat 's wel een uitgelezen!
+'t Is Isrels David--de Dauphin,
+Er schijnt iets joodsch in 't wezen!
+Hij is, gemeten met een zeef,
+Nog Koning Davids achterneef!
+
+Zoo biedt u elke pop het beeld
+Van eene onschatbre parel;
+En ieder, die een kaartje speelt,
+Speelt met het Hof van Karel!
+Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!
+Sla zelv' uw kunstverzaamling op.
+
+Wij keeren tot den Koning weêr,
+Hoor, 'k wil het niet verhelen,
+'t Was droevig toch, een Vorst en Heer,
+Met prentjes te zien spelen,
+Maar wonder, zonder wedergâ,
+Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!
+
+Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond
+Kwam 't kaartspel in de mode;
+Nu, daar een Koning 't aardig vond,
+Een zot, die 't niet vergoodde,
+En was het spel, het spel eens dwaas,
+'t Was toch ook 't spel eens grooten baas!
+
+Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!
+Wier kunst de tijd doet spoeijen;
+Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,
+Dat gekken zelfs kan boeijen,
+Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,
+Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!
+
+ * * * * *
+
+1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.
+
+2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun
+spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.
+
+3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de
+Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die
+haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door
+elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een
+antwoord moest zoeken.
+
+4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral
+onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den
+naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren,
+ten strengste verboden werden.
+
+5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel
+de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar
+staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.
+
+6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet
+weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen
+van het Hof, op de kaart te schilderen.
+
+7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.
+
+8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en
+Brittanje klaverkaart.
+
+9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in
+harten en ruitenboer werden afgebeeld.
+
+10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de
+benaming van Rachel.
+
+11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen
+streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart
+opgenomen.
+
+12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van
+Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in
+klavervrouw voorgesteld.
+
+13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in
+vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.
+
+14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende.
+Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op
+de kaart naar Israëls Vorst vernoemd.
+
+
+
+
+
+DE OUDE EN NIEUWE MAAT.
+
+
+De oude maten en gewigten
+Verlieten 't land;
+De nieuwe gaan hun dienst verrigten,
+En treên in stand;
+Dat gaf aan de eedle winkelieren,
+Een dolle pret,
+Maar hoe misnoegdheid moge tieren,
+Men vreest de wet!
+Het hoog bevel, had ook de scholen
+Voor wijd en zijd,
+Het nieuwe stelsel aanbevolen,
+Der school ten spijt:
+"Weg, met die leelke decimalen!"
+Zoo riep de jeugd,
+"De duivel mag die vinding halen,
+"Tot aller vreugd!"
+
+Eens kwam de meester met twee ellen,
+Één nieuw', één oud',
+"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,
+En wees niet stout!
+"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene
+Op de andre heeft,
+"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,
+"Zoo ge aandacht geeft!"
+
+Maar geene attentie is te winnen,
+Men meesmuilt slechts,
+En ziet, met afgedwaalde zinnen,
+Dan links, dan regts,
+Eén onder hen, een kleine snuiter,
+Die niets ontziet,
+Roept luid, van kop tot teen een muiter,
+"Ik leer dat niet!"
+
+"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!
+"Hoor ik het wel?
+"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"
+Hij dreigt met de el ...
+Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,
+Wat euveldaad,
+"Gij moogt mij met dees el niet meten!"--
+'t Was de oude maat!
+
+
+
+
+
+DE DROOM.
+
+
+Van mijn wandling moê en mat,
+Gaf ik me, onder 't beukenloover,
+Bij eens beekjes kabblend nat,
+Aan de rust op 't mosbed over,
+'k Viel in sluimring; maar, wat droom!
+Droomde ik aan dien oeverzoom?
+
+'t Was me, als gleed ik telkens meer
+In de diepe waterkolken,
+Bij het schubbig goedje neêr,
+Burgers, die den stroom bevolken!
+Enklen, uit hun element,
+Waren mij bij naam bekend.
+
+O! wat wereld leefde om mij!
+Welk een wriemlen, wat krioelen,
+In die vreemde maatschappij,
+Welk een trachten en bedoelen;
+Want, geen vischje was zoo dom,
+Dat niet wist waarom het zwom!
+
+Maar, door welk een vrees beklemd,
+Gaat dat kleine kaarsje dolen?
+Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!
+De angst houdt het in 't riet verholen,
+Had de groote u daar betrapt,
+Kleine! gij waart opgehapt.
+
+'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!"
+Riep ik, "dat gij, groote slokkers!
+"De arme kleine vischjes eet,
+"Schaamt u, leelke booze schrokkers!
+"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',
+"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"
+
+
+
+
+
+DE PATRIJZEN.
+
+
+"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen
+"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;
+"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of
+"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!
+"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek
+"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"
+
+De vluggert ijlt met slakke schreden,
+En meer en meerder krimpt zijn stap.
+"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,
+"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,
+"Maar zonder poozen, zulk een vracht,
+"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"
+
+Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen!
+Een half kwartier heeft de arme vent,
+Het telkens zwaardere present,
+Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen?
+Wel is de weg haast afgelegd,
+Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!
+
+Ras sluit de slaap zijn oogleên digt,
+Een guit, die hem in 't gras zag glijden,
+Werd zoo vervuld van medelijden,
+Dat hij des stakkers last verligt.
+"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot,
+"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!"
+
+En naauwlijks is een uur vervlogen,
+Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;
+Dan ach, de vogels zijn geschaakt!
+"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"
+Want waar het zoekend oog ook ziet,
+Het malsch gevleugelte is er niet!
+
+Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!
+Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,
+Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan.
+"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!
+"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,
+"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"
+
+Maar zie, tot overmaat van smarte,
+Treed onverwachts het aadlijk bloed,
+Hem, uit een zijlaan, te gemoet.
+Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!
+Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,
+Zijn halve boodschap den Baron.
+
+En nu--of Tom ook wist van beenen,
+Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,
+Maar Heer Baron roept hem terug.
+"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?
+"Ik zag je nooit zoo driftig vliên,
+"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."
+
+"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen!
+"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom,
+"De vlugtelingen zijn weêrom?
+"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen!
+"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief....
+"Het doode wild vloog in den brief!"
+
+
+
+
+
+JAN.
+
+
+"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde?
+"Waar klinkt er een van hooger waarde?
+1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon?
+"Droeg menig Jan geen Koningskroon?
+2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren,
+"Vóór zij dien toren had verloren,
+"Tot boven in de wolken gloren?
+"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end,
+"Is overal mijn naam Bekend!"
+
+Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt,
+Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd!
+Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen,
+Van de eer, waarop uw naam kan roemen.
+Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen!
+Uw onvolprezen naam, bevat
+Een' schat voor zee, en dorp, en stad;
+Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd';
+Hoe zou het onze taal gelukken,
+Door één woord, zóó veel uit te drukken?
+
+_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt
+Gij dat het juiste woord niet, vrind!
+Om rijp en groen,
+Fatsoen en geen fatsoen,
+Om vogels van allerlei zangen en veêren,
+Als in een volière te zien converseren?
+
+Zoo is uw oordeel ook het teeken,
+Waarmeê wij van rapalje spreken,
+Voorzeker duizendwerf gebleken,
+Daar niets uw vlug begrip ontgaat,
+_Jan rap en zijn maat_,
+_Janhagel van straat_,
+Geen naam, van welk een krachtgeluid,
+Drukte immer zóó 't kanaljen uit!
+
+En o! hoe vol beduidenis,
+Uw naam op 't golvend zeeveld is!
+Het zeeveld, waar de nijvre hand
+Goud oogstte voor het Vaderland.
+Wie onzer kent in ieder deel,
+Niet _Janmaat_ van het zeekasteel?
+
+Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest?
+'t Is immers de knecht, de gedienstige geest?
+Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd,
+Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!
+
+Er heerschte eens een groot Koning,
+In 't fier Brittannisch rijk;
+In magt en prachtvertooning,
+Geen Sultan hem gelijk!
+Maar wat den glans verhoogde
+Der schitterende ster,
+Waar 't meest de Vorst op boogde,
+3. Hij heette _Jean sans Terre_!
+
+Beeld der reinste huwlijkstrouw!
+Hulp der liefderijkste vrouw!
+Onvermoeide plasser!
+Nooit zie ik mijn schoolprent aan,
+Of mijn oog wijdt u een' traan,
+Wakkre _Jan de wasscher_!
+
+Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem,
+Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem',
+Wie immer zich deez' titel schaam',
+Gij prijst dien zuivelrijken naam!
+
+Wat gekwels, wat gekwels,
+Voor de kindren Israëls!
+Als de schimp zich durft vermeten,
+Honend, _Spek Jan_ hen te heeten,
+Wetend, dat der Joden wet,
+Hun dien vetten mond belet!
+
+Hoe menig kransjen ik reeds vlocht,
+'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht,
+Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht!
+
+En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden?
+In tegenspraak, zeker, de held aller helden!
+Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt,
+De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet!
+
+Zie, achter gindsche schuine deur,
+Woont weêr een _Jan_ van de eerste keur;
+Of noemt de mond, van oud tot ouder,
+Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder?
+
+Juich, weêr hebt gij juichensstof,
+Hecht aan de u geschonken' lof,
+Vol van dank, uw zegel!
+Zelfs een hof heeft zich vernoemd,
+Naar uw' puiknaam zoo beroemd
+'t Hof is 't van _Jan Vlegel_!
+
+Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken,
+Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam,
+Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken,
+_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_!
+
+Was hij een oude knaap,
+Als Zandvoorts Simon Paap,
+En daarom de Amstelstad,
+Met regt op hem zoo prat?
+Een prijsvraag dient geschreven,
+om 't duistre licht te geven!
+
+Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên!
+"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden,
+"Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden!
+"'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen."
+Dáár naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden?
+Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_!
+
+En koos niet zelfs Voltaire's luit,
+Uw' naam voor duizend anderen uit,
+En heeft zijn dichterlijke stift,
+Voor tijdgenoot en nageslacht,
+Niet schitterend uw' naam gegrift,
+4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_!
+
+Speelt iemand een geklijken rol,
+Van handel en wandel wat dol,
+Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen:
+Zijn rede is dan, zegt men, op hol,
+Hij schermt in het ronde, de bol,
+_Als malle Jan onder de kippen_!
+
+Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen,
+Dat strijdende voor pligt en eer,
+Een' lauwerkrans drukt op de slapen,
+Van wien het moedigst trekt van leer!
+Dat lemmer forsch en breed,
+Dat van geen zwichten weet,
+Op wier het is gebeten,
+Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten!
+
+Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd?
+De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken!
+Zij springen en dansen en dartlen van vreugd,
+Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken.
+Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd?
+
+Amsterdamsch Menagerie!
+'k Denk aan u met zoet ontroeren;
+Apentuin der tuinen, die
+Ook den schoonsten naam mag voeren.
+Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden,
+5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden?
+
+Ook voor den man, die graag de broek
+Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek,
+Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen,
+Klinkt weêr uw puiknaam in _Janhennen_!
+
+Nieuwe, flonkerende luister,
+Is weêr voor u opgedaagd!
+Neêrlands schrandre Pensionaris,
+Droeg den naam, dien gij thans draagt;
+Naam, als type van de staatkunst,
+(Wondere karaktrestiek!)
+Vele Jannen steeds gegeven,
+Om hun fijne politiek!
+Of, zijn het geen diplomaten,
+Vol verstand, vol kern en pit,
+Waar de lof van kan getuigen,
+Jongens zijn 't van _Jan de Wit_?
+
+Wat rare Jan treedt dáár te voren?
+Zijn phlegma schijnt hem aangeboren;
+Nooit kon de drift zijn rust verstoren;
+'t Is hem hetzelfde hoe het gaat,
+Neen, hij weet van den Prins geen kwaad!
+Hij is wat lijmig in zijn' praat;
+Een snuggre kop, die op hem staat!
+Het is _Jan Salie_, kameraad!
+
+Maar ook in 't zedelijk bestaan,
+Hoort men uw' naam den grondtoon slaan
+Of duidt hij niet den lichtmis aan,
+Zoo goed als 't Fransche bon-vivant,
+In 't enkel woordje, _'t is een Jan_!
+
+"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_!
+Want langzaam en zeker is Jantje's natuur,
+Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend,
+Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend,
+En wikkend en wegend met rijp overleg,
+Betreden zijn schreden den veiligsten weg!
+"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden,
+"'k Hecht steviger banden, die knellender binden,
+"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit;
+"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"
+
+Noem me op aarde een rijksgebied;
+Waar men dezen Jan niet ziet?
+Kijk, hij is een heele piet!
+Schoon zijn boêltje liep in 't riet,
+'t Baart zijn' boezem geen verdriet,
+"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied,
+Welke winkel kent u niet,
+Welke winkel, _Jan Crediet_?
+
+Wat onderwerp vol weidschen zwier,
+Zet, zangster! uw gemoed in vier,
+En boeit ons aan uwe elpen lier?
+"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_!
+Dien snellen wagen,
+Het welbehagen
+Der oude dagen!
+Die ook al verdween,
+Door mode bestreên,
+Maar toch om zijn' naam;
+Nog leeft door de Faam!
+
+Bij den Jan pleizier in aanzien,
+Als bij d' edelman de boer,
+Naakt het beeld des sjouwend' ezels,
+Weêr een wagen van vervoer,
+'t Is de _Malle Jan_, die kreunend,
+Vracht, bij vracht, wordt opgetast,
+Is dan Jan geen goeije slokker,
+Die zich bukt voor zulk een' last!
+
+Ei, zie eens, op mijne eer,
+Dat 's eerst een proper Heer!
+Gij vraagt: "wie hij mag wezen?"
+'t Is uit zijn oog te lezen!
+Mij dunkt, zijn eernaam staat
+In wat hij doet, of laat;
+En 'k dacht, hij schoot uw zinnen,
+Al reeds voor lang te binnen.
+Hoe suft uw schrandre kop?
+Hoor, volg deez' raad dan op:
+Uw allerrapste looper,
+Vlieg' naar den boekverkooper,
+6. En vraag den _Jan Perfekt_!
+Het raadsel is ontdekt.
+
+Wiens naam geeft men geniën milder,
+Geniën van het edelst soort?
+Ook Neêrlands kunsten kweekend oord,
+Gaf hem zijn' snaaksten schilder!
+Of zegt men niet met alle reên,
+Van schalksche en oolijke aardigheên,
+Ons onder 't lagchend oog getreên,
+_Het is een stukje van Jan Steen_?
+
+"Hoe 't valschheid misduid',
+"Al kost het, verbruid!
+"Ook haring of kuit,
+"Mijn tong, wie haar stuit--"
+Roept: _Jantje regt uit_!
+
+En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters,
+Wie noemt het tal dier gloriestichters?
+Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur
+De starren telt aan 't luchtazuur,
+Zoo min telt m' ook de lichten, die
+De _Jannen_ zijn der poëzie.
+
+En nu, vermoeid van al het Jannen,
+Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen,
+Voor ik het verdre van mijn taak,
+Door de allerschoonste kroon volmaak,
+O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein,
+Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein,
+'k Moet eerst maar wat op adem komen,
+En dan zij 't loflied weêr vernomen
+Van
+_Jan_.
+
+ * * * * *
+
+1. Sint Jan.
+
+2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.
+
+3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan
+zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene
+bezittingen naliet.
+
+4. Dichtstuk van Voltaire.
+
+5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.
+
+6. Een met lof bekende roman van dien naam.
+
+
+
+
+
+DE TWEE HONDEN.
+
+
+"Ei zeg, is dat nu reg?
+"Mijnheer heeft zoo een' ekel
+"Aan Lord, dien boozen rekel,"
+Sprak Piet, de brave knecht,
+"En toch, hij krijgt het meest!
+"Gaan niet de lekkre beenen
+"Altoos naar de ondeugd henen?
+"Daar heb je Does, dat beest,
+"De beste van de honden,
+"Die ergens wordt gevonden,
+"Die 't nimmer gortig maakt,
+"Bij al die vette beten,
+"Hoe trouw het dier ook waakt,
+"Wordt Doesje maar vergeten.
+"Dat 's onregt, op mijne eer!"
+
+"Wel, domoor!" sprak mijnheer
+Die Piet had afgeluisterd,
+Hoe zacht hij had gefluisterd,
+"Ik dacht je meerder leep!
+"Zeg, voel je niet de kneep?
+"Mijn beentjes te verspillen
+"Aan Does, wat dwaze grillen,
+"'k Zou hem niet trouwer willen;
+"De lobbes hoeft ze niet!
+"Maar Lord, die kwade rakker,
+"Die valsche kuitepakker,
+"Door kluifjes wordt hij makker,
+"Ik vrees zijn tanden, Piet!"
+
+
+
+
+
+DE VROME WERKBAAS.
+
+(_Vertelling aan Frans._)
+
+
+Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje!
+Zijne oefningsklub noemt hem het roompje
+Der heiligste regtzinnigheid,
+Wien lang de hemel is bereid!
+Vaak spreekt hij in geheimenissen,
+Waar 'k nooit de meening van kan gissen;
+'t Heeft wel iets van mystiekerij,
+Hij noemt het echter profezij!
+Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken,
+Om meê naar de oefening te trekken;
+Daar spraken ze allen, zei hij, Frans!
+De ware tale Kanaäns;
+Daar riep de zuivre Dordsche leere:
+"Bekeer, bekeer, u tot den Heere!
+"Want wie niet Orthodoks wordt, is
+"Een prooije der verdoemenis!"
+"Daar kwamen al de nieuwgeboren',
+"De van den Hemel uitverkoren',
+"En laafde aan manna-spijs hun ziel,
+"Zoo als er nooit voor Isrel viel,
+"Die God het kuddeke verleende,
+"Dat dáár zich in den geest vereende!"
+
+Hoe meer hij voortging met zijn preek,
+Hoe meer 'k zijn oefening ontweek;
+Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen,
+Dat staâg verkettren en verdoemen,
+Met al die duistre somberheid,
+Die nooit verstaat hetgeen ze zeit,
+Ik haat die leer met ziel en zinnen:
+"De Godheid bovenal te minnen,
+"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind!
+Die taal verstaat een grijze en kind!
+
+Maar wacht nog wat en spits uwe ooren,
+Want 'k moet u een geval doen hooren,
+Hetgeen mij gistren is ontmoet,
+En dat mij telkens lagchen doet:
+Weet, sinds de baas zijne oefeningen
+Mij vruchteloos zocht op te dringen,
+Heb ik het ieder' keer verbruid,
+Het mooije weêr is met ons uit!
+Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten,
+Dan ongemaklijk opgezeten!
+Mijn honger, kameraad! vergat,
+Dat ik nog niet gebeden had;
+Wat nooit mijne appetijt gebeurde,
+Hoe lekker ook de schotel geurde.
+Maar o, wat kwam ik slecht te pas!
+Of mij de baas de les ook las!
+Hij gaf me van de coteletten!
+"Godlooze! is dat uw ziel besmetten,
+"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt,
+"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond,
+"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake,
+"Die kruimel tot een vuurvlam make,
+"Die u nog eer den duivel geeft,
+"Waar uw geheele ziel voor leeft?
+"Leer, Heiden! leer het van de dieren,
+"Wat dankbaarheid u moest bestieren,
+"Zelfs voor den kleinsten waterdronk,
+"Die u de milde gever schonk!"
+
+"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel!
+"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel;
+"Ge zijt een regte domme klaas!
+"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas:
+"Zeg, laten ooit de vrome kippen,
+"Een druppel vocht naar binnen glippen,
+"Of rijst niet hun devote kop,
+"In warmen dank ten hemel op?"
+
+
+
+
+
+DE VLIEG.
+
+
+'k Draag geen haat in 't minnend harte;
+Aller welzijn is mijn beê;
+'k Leef met God en mensch in vreê,
+En stort tranen bij de smarte;
+Slechts één schepsel voedstert de aard',
+Dat mijn schrikbre gramschap baart!
+
+Afschuw walgt den naam te noemen,
+Van het monster zoo ontieg!
+'t Is--de vuile, vuige vlieg.
+Haar te noemen, is haar doemen!
+Felle wraak besnaart mijn lier,
+Voor die plaag van mensch en dier!
+
+'k Min u, zoele zomerluchten!
+Schaars het deel van ons klimaat!
+Vreugde lacht op elks gelaat,
+Bij uw zoete zielsgenugten,
+Doch, waarom verkleint ge uw gift,
+Door het voorwerp van mijn drift?
+
+'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren,
+Als haar dommelend gebrom,
+Mommelend rondsnort, om en om.
+Waar de mensch, die 't aan kan hooren?
+Niemand dan die zwarte draak,
+Vindt in 't zeur geneurie smaak!
+
+Uitgeleerd in booze treken,
+Rekt zij d' olifanten-snuit,
+Grijpende naar de onschuld uit:
+"Leelke vlieg! is dat daar steken,"
+Weg is ze, als de hand zich heft
+Die den dreiger zelv' nog treft!
+
+Noem de plek, waar ze ooit zich zette,
+'t Allermislijkst zamenstel,
+Dat haar vuilheid niet besmette?
+Tot een walglijk tijgervel,
+Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit
+Vaderlandsche zindlijkheid!
+
+En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel,
+Waar ge uw' dronk of bete plaatst,
+Nergens, waar haar snuit niet aast,
+Niets is veilig voor 't gebroedsel!
+Ja, is 't lijf eerst vet gemest,
+Dan bezoedlen zij de rest!
+
+Gistren, ('k zal het nooit vergeten!)
+Vloog er een afgrijslijk paar,
+Dartlend stoeijend met elkaar,
+Naar mijn aanzigt--wat vermeten!
+Ras herschiep haar lust en keus,
+Tot een huwlijks-spond mijn' neus.
+
+Weet de haat geen gif te zoeken,
+Dat den dood in de adren stort,
+En die pest verderflijk word',
+Door haar slimheid te verkloeken;
+Waarom is de wraak zoo traag,
+Tot de straf' dier helsche plaag?
+
+Komt, ons allen zaân verbonden,
+Wie der vliegen vijand zijt!
+Menschen, vogels, katten, honden,
+Slaat en pikt en krabt en bijt!
+help ook gij ons meê, natuur!
+Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur.
+
+Dat des winters stale krachten,
+Zich met onze kracht vereen';
+Stouter strijd zij nooit gestreên!
+Moge 't zelfde lot haar wachten,
+'t Lot, dat Napjes legertal,
+Eens, in Rusland, bragt ten val!
+
+
+
+
+
+HET MEDAILLON PORTRET.
+
+
+Wij kregen _Kareltje Amoureus_,
+Die dagelijks ons komt vervelen,
+Met ons zijn bijzijn meê te deelen,
+Eens alleraardigst bij den neus!
+Weet dan, zijn zotte liefdeklagt,
+Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken,
+En, schoon haar schalkheid hem belacht,
+Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!
+
+Zoo, stappende als een stootershaan,
+Kwam 't Heertje gistren bij ons aan,
+Alweêr verliefd tot over de ooren!
+"Zijn lieve attentie wilde eens hooren,
+"Hoe 't in den huisselijken kring,"
+Sprak hij, "met de gezondheid ging;
+"O! altoos sloeg zijn hart geruster,
+"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis,
+(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!)
+"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"
+
+De Don Quichot van geest en leden,
+Kwam 't woonvertrek dan ingegleden,
+Juist toen een medaillon portret,
+(Iets zweemend naar mijn zuster Jet)
+Ons aller aandacht hield gekluisterd,
+Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert:
+"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand,
+"Schiep u dit beeld ten minnepand!"
+En, van verrukking opgetogen,
+Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!
+
+"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon,
+"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen
+"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!"
+"Niet!" riep hij, en zijn taal verried,
+Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen:
+"Het is de schoonste van de vrouwen,
+"Die door eens schilders kunstpalet,
+"Nog ooit is op ivoor gezet!
+"Wat golvend goud omzweeft haar slapen!
+"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt!
+"Wie, die het niet in liefde ontsteekt?
+"Tot kussen schijnt die mond geschapen!
+"Wat blos versiert de blanke koon--
+"Neen, Venus was niet meerder schoon
+"In lijfsgestalte en wezenstrekken!
+"O! wie de min ten doel mogt strekken,
+"Van haar, die dit bekoorlijk beeld,
+"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld!
+"Eén zoentje van dien mond mogt stelen."
+
+"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen,"
+Sprak me oude grootmamatje ras,
+Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was!
+"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje,
+"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond,
+"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"
+
+Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.--
+
+
+
+
+
+DE VERDRONKEN ACTEUR.
+
+
+De Acteur Jeroen, meestal besist,
+Had zeker 's nachts de straat gemist;
+Want 's morgens werd hij opgevischt,
+Voor elks verwonderde oogen,
+Doch 't graantje had zoo sterk gegist,
+Dat hij, hoe door de gracht verfrischt,
+Van toeten noch van blazen wist,
+Ten spijt van ieders pogen!
+
+Maar stil, daar komt de snuggre Nol,
+Van wien er vier zijn op den hol,
+Daarbij zoo blind nog als een snol,
+Op 't driftigst aangestevend:
+"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol?
+"Zie, zóó natuurlijk speelt de bol!
+"Nooit stierf hij immers in zijn rol,
+"Of steeds werd hij weêr levend?"
+
+
+
+
+
+HET PORTRET VAN DEN DOOD.
+
+
+Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet,
+Is, Dood! dees beeldtnis uw portret?
+De Schilder wou u wis begekken!
+Hoe! dit uw houding? dit uw trekken?
+Gij groeide leelijk door uw haar,
+Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar!
+Noch bakkebaard, of zijns gelijken,
+Geen enkel donsje zie ik prijken,
+
+En waar uwe oogen moesten staan,
+Daar kijken holle gaten me aan!
+Uw neus is zeker uit logeren,--
+O! mogt hij spoedig wederkeeren;
+Want toch de gevel siert het huis!
+Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis:
+Die armen schijnen dorre takken,
+Die krachteloos ter neder zakken;
+
+Daar aan de hand, slechts knok en been,
+De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên!
+Uw borst lijkt wel een traliehokje,
+(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!)
+Waaraan het beestjen is ontvlugt;
+En, tot volmaking van de klucht,
+Kreegt gij voor beenen, lange fluiten;
+Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!
+
+Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is
+Verschrikklijk mooi, die beeldtenis!
+Het is u sprekend weêrgegeven!
+Geloof me, Dood! gij schijnt te leven!
+En dan dat heerlijk coloriet
+Des Schilders ... wit, al wat men ziet!
+Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend,
+Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend!
+Alleen, flatteert hij niet wat mild? ...
+Doch, gekheid op een stokje, wilt
+Gij over 't stuk en zonder fleemen,
+Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen,
+Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen:
+Hoor, 't is een guit, of brekebeen,
+Dat allerliefste Apelles Zoontje!
+'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje,
+Had dus zijn dom of schalksch palet,
+Vol wansmaak me op 't paneel gezet!
+
+Is dat het beeld van u, wiens krachten,
+Reeds zoo veel duizende geslachten,
+Met forschen arm en stalen vuist
+Tot stof en pulver hebt vergruisd?
+Is dat uw uitzigt, dat uw houding,
+Waar eeuw aan eeuwen geen verouding,
+Geen kreuk op hebben neêrgedrukt,
+De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt?
+En geeft dit misselijk geraamte,
+(O kladderij, der kunst tot schaamte!)
+Uw kloeke leest en aanschijn weêr?
+Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer!
+Uw wraak moet hem den kop verpletten,
+Die dus uw beeld ten toon dorst zetten,
+Zoo wage, een magtloos schilderworm,
+Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm!
+
+
+
+
+
+DE GEKKEN.
+
+
+En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen:
+Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad!
+Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad!
+"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen;
+Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht--
+Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt!
+
+Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig!
+Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud!
+Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout
+Een Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig!
+Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek,
+Den wijste der wijzen een' olijken trek!
+
+Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen,
+Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd!
+Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd,
+Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen;
+En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee
+Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?"
+
+"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen,"
+Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf,
+"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!"
+"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen--
+En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet:
+"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret.
+
+Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken,
+Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ...
+Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor?
+Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken?
+"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!"
+Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol?
+
+Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen,
+Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ...
+"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen,
+"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen!
+"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft
+De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft!
+
+Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje,
+En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult?
+Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld!
+Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje:
+"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid,
+"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!"
+
+
+
+
+
+STALEN PENNEN.
+
+
+Wat! mijn hand zou ooit zich wennen,
+Aan die harde stalen pennen?
+Hoe de smaak ze hulde doet,
+'k Haat dat schriftbedervend goed!
+Telkens als haar punten sprikkelen,
+Spatten zij wel duizend spikkelen
+Op het hagelblanke vel,
+Tot uw tergend zielsgekwel!
+Dan, door vrekheid weêr gedreven,
+Willen zij geen' inkt meer geven,
+En, hoe forsch de hand ook drukt,
+'t Is een kerel, wien 't gelukt,
+'t Krabblend tuig tot deugd te schikken!
+Wordt gij driftig, aanstonds prikken
+Zij met scherp geslepen stift,
+Gat bij gat, in blad en schrift!
+
+Wisten onze voorgeslachten
+Anders dan van ganzenschachten?
+En, wat is ons vuil gevlek,
+Bij hun' zuivren pennetrek?
+Op wat rij van kunstenaren,
+Mogt het juichende oog niet staren,
+Kunstenaars, wier eedle zwier,
+(Of zij tooverde op 't papier!)
+Keur van letters deden vloeijen!
+Voor ons hanepooten knoeijen,
+Had, voorheen, een schoolknaap wat
+Duchtig met de plak gehad!
+Ja, de kunst van sierlijk schrijven,
+Zag men reeds zoo ver verdrijven,
+Dat men, draaglijk schrift, verheft
+Of het oog een wonder treft!
+
+Fraaije kunst! schoon 't staal u bande,
+Keer, o keer weêr in den lande!
+Breng ons, nutte ganzenveer!
+Breng ons de eedle schrijfkunst weêr!
+
+
+
+
+
+MIJN GROOTJE.
+
+
+Rees mijn Grootjen uit het graf,
+(Ach, voor vijf en dertig jaren
+Brak de draad haars levens af ...)
+Met wat oogen zou ze staren,
+Zag zij al de nieuwigheid,
+Hier en daar in 't rond verspreid!
+
+Ja, zij meende 't was een droom,
+Zag ze molens zonder wieken,
+Voortgestuwd door kracht van stoom,
+Met fabrijken en trafijken;
+En, in 't werken zóó gezwind,
+Dat het af schijnt eer 't begint!
+
+Zag ze schepen zonder zeil,
+Bliksemsnel langs 't water glijden,
+Tal van wagens op hun rail,
+Vliegend, zonder paarden, rijden;
+"Ik geloof me zelven niet,"
+Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!"
+
+Zag ze, met den knijpbril op,
+'t Luchtschip boven de aarde zweven,
+En, ten spijt van 't golvend sop,
+Als een peil door 't zwerk gedreven,
+(Wanneer vangt de proef weêr aan?)
+Hoe verbijsterd zou zij staan!
+
+Zag ze de onnaspeurbre kracht,
+Waar het goochlend magnetisme,
+'t Menschdom meê aan 't duizlen bragt,
+Of het toovrend galvanisme,--
+Zeker vroeg haar angstgekwel:
+"Is de Duivel ook in 't spel?"
+
+Sloeg zij eens de werking gâ,
+Der atmosferieke drukking,
+Die uw hooge geestverrukking
+Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_!
+Werking, waar de stoom voor zwicht ...
+Wie beschrijft haar aangezigt?
+
+Oxigéne-Microscoop!
+Bragt gij al de monsterdieren
+Die, in wriemelenden loop,
+Door één' druppel waters zwieren,
+Voor heur sidderenden blik,--
+Zij bestierf van louter schrik!
+
+Las zij, hoe ons Handelsblad (1),
+Ook de huwlijks-koersen teekent;
+Der verliefden beeld bevat!
+Teederder om weêrmin smeekend,
+Naar de markt is, laag, of hoog,--
+Schaamte sloot haar zedig oog!
+
+Doch, hoe turend keek ze wel,
+Als zij honden kaart zag spelen?
+Vlooijen op het krijgsbevel,
+In soldaten zich hertelen?
+Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,)
+Dienen ze eens het land in nood!
+
+'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas
+Kaars en olie wreed verbande;
+Nieuwheidszucht het oude, als was,
+Gansch herkneed heeft in den Lande;
+"Salomo," zoo riep zij wis,
+"Had het dan toch duchtig mis!"
+
+Maar, deed Grootjes liefdrijk hart,
+Broeders! eens de vraag aan de aarde:
+"Hebt ge, o aard! nu minder smart,
+"Dan vóór gij die wondren baarde?"
+Wat zou 't antwoord wezen, dat
+Grootje dan te wachten had?
+
+
+ * * * * *
+
+(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de
+huwelijks-aanvragen.
+
+
+
+
+
+GERUST IN DE ONSTUIME BAREN.
+
+(_Spreuk van Willem den Eerste._)
+
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren;
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+Cesar, prooi der woeste stroomen,
+Weet de vrees zijns volks te toomen,
+Door zijn kalm en rustig woord:
+"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen?
+"Hebt gij niet, in spijt der vlagen,
+"Cesar en 't geluk aan boord?"
+
+Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden,
+Deed zijn heir ten strijd ontbranden,
+Schoon aan d' afgrond van 't verderf;
+En Oranje's legervanen,
+Doen Albertus krijgsroem tanen,
+Maurits rust behoudt het erf.
+
+Eerste Willem, Neêrlands Vader!
+Zelfs bij 't lood van den verrader,
+Bleef uw spreuk uw trouwe tolk:
+Treffe een Gerards u moorddadig,--
+"Wees, o God! mijn ziel genadig,"
+Bidt gij--"en dit arme volk!"
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren,
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+
+
+
+
+EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM.
+
+(_Spreuk van Maurits._)
+
+
+De vrije Nederlanden
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag, aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard',--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver;
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+Het hemeltergend Spanje
+Hoont Neêrlands goed en bloed,
+Maar Neêrland en Oranje,
+Ontvlamt in Heldenmoed!
+"Wat! droppel aan den emmer!"
+Brult Spanjes schepterklemmer,
+"Wat wil uw ijdle droom?"
+Doch, drupjes worden vloeden,
+Die toomeloos vaak woeden,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De noeste Koopvaardije,
+Met welvaart op 't gelaat;
+De bloei der maatschappije,
+De zenuw van den staat!
+Wier altoos volle horen,
+Haar goud, bij goud trezoren,
+Ontlast met milden stroom;
+Ofschoon uit niet gesproten,
+Wie telt heur rijke vloten?
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Gij, landbouw en gij veeteelt,
+Gezegend tweelingpaar!
+Die zoo veel wellust meêdeelt,
+Waarheen het oog ook staar';
+Uw welige akkers bloeijen,
+Uw malsche kudden loeijen,
+En geven enkel room!
+Hoe klein gij zijt begonnen,
+Wat schat hebt gij gewonnen ...
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Zie, Kunst en Wetenschappen,
+Veredelen den geest!
+Wie hoog staat op heur trappen,
+Is ook eens laag geweest!
+Maar langzaam opgeklommen,
+Tot hare heiligdommen,
+Met telkens minder schroom;
+Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen,
+De kroon der eere glimmen,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De vrije Nederlanden,
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard,--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver,
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+
+
+
+
+VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND.
+
+(_Spreuk van Frederik Hendrik._)
+
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Was Fredrik Hendriks leus.
+Zijn trouwe deed die leus gestand,
+Die ridderlijke keus;
+Het lemmer aan zijn zijde,
+Vloog hij verrukt ten strijde,
+En toonde door zijn' moed,
+Den oorsprong van zijn bloed!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Verwoei zijn blikkrend zwaard;
+De vijand vlood met schade en schand',
+Voor 's Pruisen heldenaard!
+Laat Flips het zelf getuigen,
+Wat steden moesten buigen,
+Voor Nassau's wrekend staal,
+In dappre zegepraal!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland!
+Was naauw zijn' mond ontgleên,
+Of de onverbreekbaarste eendragtsband
+Bond Vorst en Volk aaneen!
+Uw tooverwoord, Oranje!
+Betemde 't matig Spanje,
+En Neêrland vocht zich vrij,
+Van snoode dwinglandij!
+
+
+
+
+
+DEUGD SCHEPT VREUGD.
+
+(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._)
+
+
+Deugd
+Schept vreugd;
+Heerlijk woord!
+Grijze en jeugd!
+Zegt het voort,--
+Wijs, die hoort!
+
+Baat
+Het kwaad;
+Kwaad teelt smart,
+Vroeg, of laat,
+Voor het hart;
+Dwaas, die 't tart!
+
+Houw
+En trouw,
+Aan de deugd!
+Op haar bouw',
+Grijze en jeugd,--
+Deugd schept vreugd!
+
+
+
+
+
+ELCK WAT WILS.
+
+(_Spreuk van Roemer Visscher._)
+
+
+Bart en Art en Art en Bart,
+Ruilden zamen hart voor hart!
+Maar hun vrijen zal niet baten,
+De Oudjes hebben 't in de gaten ...
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Jan en Griet, uw huwlijks-schip
+Zeilt nog vast op bank en klip!
+'t Laat zich uit uw oog wel lezen,
+Ieder wil graag hoofdmast wezen--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid
+"Zij ons zielesnoer geleid!"
+Maar, na weinige oogenblikken,
+Komt de twist dat snoer ontstrikken;
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Heerschers van het aardsch gebied,
+Stelt uw vreugd in d' oorlog niet!
+Spaar, o Groote Potentaten!
+Spaar het bloed der Onderzaten!
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+O! die spreuk van d' ouden Bard,
+Zij de spreuk van aller hart!
+Doch de lust leer' zich bestrijden,
+Van die spreuk niet te overschrijden--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Elk wat wils, maar, liefdrijk God!
+Niet in uw volmaakt gebod!
+Wilde dáár ook elk wat willen,
+'t Ware uw wijze leer bedillen...
+God! o hater des geschils,
+Zijn wij steeds met U éénswils!
+
+
+
+
+
+GENOEGH IS MEER.
+
+(_Spreuk van Anna Visscher._)
+
+
+Het daaglijksch brood--
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+Is hij slechts rijk,
+Wiens woekrend slijk,
+Al hooger klimt,
+Al heller glimt?
+
+Hij arm, wie niet
+Dien goudberg ziet?
+Wiens eerlijk zweet
+Hem kleedt en reedt?
+
+o Gij, beslis,
+Ervarenis!
+Uw wijze stem,
+heeft kracht en klem:
+
+"Tevredenheid,"
+Zegt zij, "bereidt
+"Het beste deel,--
+In weinig veel!"
+
+Het daaglijksch brood,
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+
+
+
+
+ELCK ZIJN WAEROM.
+
+(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._)
+
+
+Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ,
+En o! zij had het regt;
+Die spreuk is zonder wedergâ,
+De ervaring doet haar regt;
+Want hoe men cijfert, dit 's de som:
+Elk mensch op aard heeft zijn waarom!
+
+Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer
+En God zij dank en lof;
+Hij wierp ons niet op aarde neêr,
+Als wormen in het stof;
+Zijn vaderliefde rigt ons oog,
+Naar 't zielvereedlendst doel omhoog!
+
+Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft,
+Zijn' boezem ingeplant;
+Het hart eene andre rigting geeft,
+Tot eigen schade en schand!
+Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch,
+Misbruikt tot hoon van God en mensch!
+
+Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk
+Ons aller wenschend wit;
+Die spreuk zoo rein van smet en kreuk,
+Waar de eêlste les in zit!
+Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard,
+Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'!
+
+
+
+
+
+ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN.
+
+(_Spreuk van Jacob Cats._)
+
+
+Lieve Vader Cats! wat schat
+Niet uw schoone spreuk bevat!
+Onder welke luchtgewelven,
+Op wat land het oog ook staart,
+Elk spiegele zich zelven,
+Die spreuk geldt voor heel de aard'!
+
+Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad
+Onpartijdig met u raad;
+Durf in eigen boezem delven;
+Zie wiens beeldtenis gij draagt,--
+Elk spiegele zich zelven,
+Eer hij zijn lot beklaagt.
+
+Judas, die zijn' Heer verried,
+Spiegelde zich zelven niet;
+Hebzucht bande pligt en rede;
+Jezus jongrental werd elf ...
+Wacht u voor de eerste trede,
+Elk spiegele zich zelv'!
+
+
+
+
+
+'T KAN VERKEEREN.
+
+(_Spreuk van Bredero._)
+
+
+Niets bestendig,
+Alles endig,
+Wat de wislende aard' bevat;
+'t Kan verkeeren,--
+Dat te leeren,
+En, wie vreest Fortuna's rad?
+
+Lieve schoone!
+Die de kroone
+Der ontloken jongheid draagt,--
+Ach, de jaren,
+Die niets sparen,
+Hebben ras uw schoon gevaagd!
+
+Aardsche Magten,
+Die uw krachten,
+Onverwinbre krachten waant,--
+'k Zie uw rijken
+Reeds bezwijken,
+En uw glorie-zonne taant!
+
+o Hoe groeijend,
+o Hoe bloeijend,
+Was der Vadren Koopvaardij!
+Maar verzwonden
+Zijn die stonden,
+Zelfs geen schaduw bleef ons bij!
+
+Doch in eere,
+Wat verkeere,
+Blijve Neêrlands houw en trouw;
+Neêrlands rondheid,
+Neêrlands promptheid,
+Zij de steun van 't staatsgebouw!
+
+
+
+
+
+HORA RUIT (1).
+
+(_Spreuk van Hugo de Groot._)
+
+
+De tijd vervliegt,--
+Vlugger dan een paard,
+In zijn vleugelvaart,
+Door geen kracht te toornen!
+De tijd bedriegt,--
+Wie op hem betrouwt,
+heeft op zand gebouwd,
+Heeft geloofd aan droomen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Sneller dan het licht
+Van een' bliksemschicht,
+In het niet verdwenen!
+De tijd bedriegt,--
+Als een leugengeest,
+Die den mensch beleest,
+Lagchende in zijn weenen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Wakkere de Groot!
+Maar, hoe ras hij vlood,
+Kon hij u bedriegen?
+De tijd bedriegt,--
+Daarom nam uw keuz',
+Ook die spreuk ten leuz',
+Lettende op zijn vliegen!
+
+ * * * * *
+
+(1) De tijd vervliegt.
+
+
+
+
+
+PEUT-ETRE (1).
+
+(_Spreuk van Hendrik van Brederode._)
+
+
+Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind,
+Van welk eenen kant het moog' waaijen;
+Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind,
+Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen!
+Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên?
+ Misschien.
+
+Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt,
+De jongen is ganschlijk beteuterd;
+Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt,
+Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert!
+Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien?
+ Misschien.
+
+Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht,
+Hij leeft en beweegt in zijn glorie;
+Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt,
+Bekraait slechts zijn haan met victorie!
+Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien?
+ Misschien.
+
+De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol,
+Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen;
+'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol,
+Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen!
+Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'?
+ Misschien.
+
+ * * * * *
+
+(1) Misschien.
+
+
+
+
+
+REPOS-AILLEURS (1).
+
+(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._)
+
+
+Als de baren u vervaren,
+Op de onstuime zee,
+Laat de hoop uw' geest bedaren,
+Op een stille reê;
+Schoon de noodstorm u onthutst,
+ Elders rust.
+
+Pelgrim, door de dorre zanden,
+Van dees rarnpwoestijn!
+Laat de dorst uw keel verbranden,
+Doet de togt u pijn,--
+Ééns wordt al uw leed gesust,
+ Elders rust.
+
+Ja, het leven is doorweven,
+Met veel smart en rouw;
+Maar Gods woord is ons verbleven,
+En Gods woord is trouw;
+Worde ook 's levenslamp gebluscht,
+ Elders rust.
+
+ * * * * *
+
+(1) Elders rust.
+
+
+
+
+
+VITA MORTALIUM VIGILIA (1).
+
+(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._)
+
+
+Een nachtwake is het leven,
+De wieg grenst aan het graf;
+Wij jagen en wij streven,
+Door de aardsche disteldreven,
+Als brak het nimmer af!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Roemzuchtig oorlogsheld!
+Hoe hoog in magt verheven,
+Het is den dood om 't even,
+Ras ligt ook gij geveld!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Moed, lijdende onschuld! moed,
+Waartoe dat angstig beven?
+Uw webbe is haast geweven,
+De dood, uw redder, spoedt!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Meêdoogenlooze vrek!
+'t Gaat alles u begeven,
+Waaraan uw hart blijft kleven,
+Dra roept de dood: "vertrek!"
+
+Een nachtwake is het leven,
+Dat elk zijn ziel bereid'!
+Want o! er staat geschreven,
+In 't woord aan ons verbleven:
+"Op tijd, volgt eeuwigheid!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake.
+
+
+
+
+
+GETROUW.
+
+
+Foei, Hendrik! is dat mallen!
+Foei, is dat dartel kallen!
+Wat hebt gij ze in de mouw ...
+Gij stoeit altoos met Mina
+En gaaft uw woord aan Lina,
+Is, wufthoofd! dat getrouw?
+
+Gaat, jongen! gij in 't vrijen
+Reeds zoo het pad bezijen,
+Hoor, hoe ik het beschouw:
+Pas heeft u de echt verbonden,
+Of gij hebt d' echt geschonden,
+Uw liefde is niet getrouw!
+
+En maakt u 't huwlijk vader;
+Wie, die uw kroost ten rader,
+Zijn pligten het ontvouw'?
+Ach, naar uw' boozen handel,
+Rigt ook het kind zijn' wandel,
+Uw voorbeeld steeds getrouw!
+
+Uw snoode deugdonteering,
+Bant nering en hantering,
+Wat wordt van kroost en vrouw?
+Een worm moet u doorknagen,
+Als nooddruft hen doet klagen:
+"Gij waart ons niet getrouw!"
+
+Is dat uw burgerpligten,
+Betamelijk verrigten,
+Tot steun van 't staatsgebouw?
+Gij ziet door elk u haten,
+Als de ergste pest der staten,
+In niets zijt gij getrouw!
+
+O! laat uw jeugd nog raden!
+Vlied, vlied, de onkuische paden,
+Door tijdig naberouw!
+Gij weet, Gods woord verkondigt:
+"De straf volgt hem, die zondigt,"--
+Gods woord, het is getrouw!
+
+
+
+
+
+'T UUR IS DAAR!
+
+
+"'t Uur is dáár!
+"Moedig maar!
+"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje,
+"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje;
+"'t Uur is dáár,
+"Voor het toevend echtaltaar!"
+
+"'k Gaf mijn hand,
+"U ten pand,"
+Antwoord ze onder lieflijk blozen,
+"'k Heb voor duizend u verkozen,--
+"'t Uur is dáár,
+"Zegen ons, Alzegenaar!"
+
+En nu hecht,
+De eerbare echt,
+Trouwe Twee! uw zielen zamen;
+'s Priesters mond zegt plegtig, Amen!
+'t Uur is dáár,
+Veel geluk, beminlijk paar!
+
+Blijde stond!
+'t Jaar verzwond,
+En aan Elsjes blanken boezem,
+Prijkt een frissche huwlijksbloesem;
+'t Uur is dáár,
+'t Zaligst uur, voor hem en haar!
+
+Treft hun hart,
+'s Levenssmart,--
+Koen wijst Elsje naar den Hoogen,
+Zegt en wischt heur schreijende oogen;
+'t Uur is dáár,
+"Maar God helpt soms wonderbaar!"
+
+Als 't verdriet,
+Henenvliedt,--
+O! dan spreekt weêr Elsje teeder:
+"Knielen wij eerbiedig neder,
+"'t Uur is dáár,
+"Onzer dankbeê na 't gevaar!"
+
+Moet een pligt,
+Nog verrigt,--
+Beiden brengen, kloek van zinnen,
+Aan hun' geest dien pligt te binnen;
+"'t Uur is dáár!"
+Zeggen zij dan tot elkaár.
+
+Vroeg ontbood,
+Hen de Dood--
+Doet die roepstem hun niet beven?
+Neen, zij laten kalm het leven;
+'t Uur is dáár,--
+Maar tot de afreis zijn ze klaar!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKS-LIEDJE.
+
+
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar opent zich het hart;
+Daar geven zang en gulle kout,
+Het zielestreelendst onderhoud;
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar vlugten druk en smart!
+
+Klink' blij van geest,
+Dan op dit feest,
+En stem en citersnaar;
+Waar liefde en trouw verbonden sluit,
+Daar dreune en davre 't zanggeluid,
+Klink blij van geest,
+Dan op dit feest,
+Een lied voor 't jeugdig paar.
+
+Geluk en vreê,
+Is aller beê,
+Geliefden! voor uw lot;
+Ons hart blijft aan uw heil gehecht,
+Des Hoogsten zegen kroone uw' echt;
+Geluk en vreê,
+Is aller beê,
+Verhoor die bede, o God!
+
+
+
+
+
+DE OOIJEVAARS.
+
+
+Hoezee! daar komen de Ooijevaars
+Weêr fladdrende aangevlogen!
+Zijt welkom, lieve Klepperaars!
+Met vreugd zien u mijne oogen.
+Zijt welkom uit het vreemd gewest,
+Strijkt neder op het toevend nest!
+
+Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit:
+"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen?
+"De wintervorst is heengebruid,
+"De schepping staat herschapen!
+"De lente is daar, het huis ontvlugt,
+"Naar buiten, in Gods vrije lucht!"
+
+o Vogels! welk een bron van vreugd,
+Doet niet uw komst weêr stroomen!
+Een welkomthuis, zoo vol geneugt ...
+Wie had het kunnen droomen?
+'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart,
+Nog meerder giften schenkt aan de aard'!
+
+Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis
+Waarop ge uw' zetel stelde,
+Bevrijd van druk, bevrijd van kruis,
+Zoo als de faam vermeldde?
+Hoe 't zij, 't is zeker en gewis,
+Dat elk uw komst tot blijdschap is.
+
+Hoog wordt ge in Nederland geacht,
+Uw regten zijn er heilig;
+Waar ge ook uw woonstede overbragt,
+Zijt ge ergens meerder veilig?
+Want wee de hand, die in ons oord,
+Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!
+
+Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag
+U in zijn wapen leven?
+Daarheen wendt zich de blik zoo graag,
+Wanneer ge ons hebt begeven;
+Dan juicht het harte blij gezind!
+Gij zijt het sprekend, beste vrind!
+
+Doch, vogels! niet aan dos, of zang,
+Zijt gij die eer verschuldigd,
+Uw deugd voert u tot d' eersten rang,
+Uw deugd, die de aarde huldigt;
+Want kuischheid woont in uw gezin (1),
+Bij ouderliefde en kindrenmin.
+
+Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond
+Wordt lagchende u ontsloten,
+Geniet de weelde van deez' stond,
+Teêrminnende echtgenooten!
+Een frisch gepluimte, u beider beeld,
+Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!
+
+En als gij tegen 't koud saizoen,
+Met de uwen weêr gaat trekken,
+En we allen uitgeleide u doen,
+Zoo ver het oog kan strekken;
+Dan roept nog de echo duizend keer:
+"Geluk op reis, komt haastig weêr!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.
+
+
+
+
+
+OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN.
+
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+Hij droeg de grijze kroon
+Der zilverblanke opregtheid,--
+Geen Koningskroon zoo schoon!
+
+De nutte boerenstand,
+Werd aan zijn vlijt tot werkkring
+Beschikt van Hoogerhand!
+
+Was landbouw al zijn lust,--
+Nu scheen de schoot der aarde
+Na d' arbeid, zoete rust!
+
+Geen hartelijker vrind,
+Schonk immer de verkeering;
+Hem minde grijze en kind!
+
+Zijn leuze als echtgenoot,
+Als teederste aller vaders,
+Was: "trouw tot in den dood!"
+
+Hij stelde op eenvoud prijs,
+Aartsvaderlijke zeden!
+Gij waart zijn levenswijs.
+
+Ofschoon noch rijk, noch arm,
+Mogt hij de nooddruft steunen,
+Dan sloeg zijn harte warm.
+
+Naar hem de wet beval,
+Zóó minde hij zijn naasten,--
+Maar o, God bovenal!
+
+Op Christus zoenverbond,
+Was al zijn hoop gevestigd,
+Tot in zijn' jongsten stond!
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' FAT.
+
+
+Gij, zoo erbarmelijke Fat!
+Die uw kleedij het hoogste schat,
+U zelv' vergoodt en wendt en keert,
+En als een paauw in 't rond _spanceert_!
+Die, rusteloos, u elken dag
+Versiert met telkens bonter vlag;
+Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht
+Aan d' oorsprong van de kleederdragt?
+Hoe zij der zonde kenmerk is,
+Het toonbeeld der verdorvenis?
+
+En gij, o bontgetooide pop!
+Gij flikt en kwikt en strikt u op,
+En weet niet, dat u juist verneêrt,
+Hetgeen gij waant, dat u vereert ...
+Waardoor ontstond in 't paradijs
+Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.
+
+Geloof me, een waarlijk kloeke geest,
+Kiest zich een kleed naar vorm en leest;
+Naar jarental en luchtklimaat,
+Een eerbaar kleed, naar rang en staat!
+Een kleed, dat ieders achting wekt,
+En niet den spot ten lach verstrekt.
+
+
+
+
+
+DE LACH.
+
+
+'k Zing, door vreugd gedreven,
+De eêlste gift van 't leven;
+'k Juich, dat ik het mag!
+'k Zing het blijdschaps-teeken,
+(Wijkt, o tranen-beken!)
+'k Zing den lieven lach!
+
+Jongling! kent ge op aarde,
+Schat van grooter waarde,
+Dan den lach der min?
+Wat den boezem griefde,
+'t Lachje van de liefde,
+Balsemt ziel en zin!
+
+De eerste lach van 't wichtje,
+Op het lief gezigtje,
+Door het oog bespied,--
+Teedre lach van d' Engel ...
+God! wat heilgemengel!
+Ouders! gij geniet.
+
+Bij het leverschudden,
+Als de lach met mudden
+Vreugde en blijdschap meet,--
+'t Droevig stofgewemel,
+Wordt een blijde hemel,
+Waar is, aarde! uw leed?
+
+Troost! als ge onschulds smarte,
+In het treurend harte,
+Medelijdend sust,--
+Laat zich op haar wezen,
+'t Kalme lachje lezen,
+Dat in God berust.
+
+Zaagt gij ooit de dieren
+Lagchend vreugde vieren,
+Hoe verheugd van geest?
+Juich! ook 't lachvermogen,
+Mag u, mensch! verhoogen,
+Boven 't reedloos beest!
+
+Wie zijn strakke trekken,
+Nooit ten lach voelt wekken,
+Vlied den norschen draak!
+Schoon u 't purper kleedde,
+Wreede Flips de Tweede!
+Vlood de lach uw kaak (1).
+
+Lach! o te aller stonden,
+Waart gij naauw verbonden
+Aan de blanke deugd;
+De edelste der gaven,
+Smaken slechts de braven,
+'t Lachje van geneugt.
+
+Want, de lach der boosheid,
+Die der valsch- en loosheid,
+Waanzin, wanhoops-lach,--
+Wie dat lach kan heeten,
+Is den lach vergeten,
+En ziet nacht voor dag.
+
+Molmen bint en stutte,
+Van mijn leemen hutte,
+Dat de dood ze sloop',
+Moge, in 't laatst van 't leven,
+Slechts mij 't lachje omzweven,
+'t Lachje van de hoop.
+
+ * * * * *
+
+(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede
+nooit lachte.
+
+
+
+
+
+HET WEESJE.
+
+
+Zuigling van uw wieg af wees?
+Welk een booze ster verrees,
+Die uw' prilsten levens-stond,
+Zoo veel bittren rampspoed zond?
+Was uw eerste levenskreet,
+Dan een voorgevoel van 't leed,
+Dat u, van uw wiegjen af,
+Zou vervolgen tot aan 't graf?
+
+Jongske! hoor, er heerscht een magt
+Over 't menschelijk geslacht,
+Die met toorneloos geweld,
+Alles in haar boeijen knelt;
+Die geen medelijden voedt,
+In het altoos koud gemoed,
+Maar met onbewogen hart,
+Neêrziet op de diepste smart:
+Die de gâ, der gade ontrukt;
+d' Ouden staf, naar 't graf gebukt,
+Wreedelijk berooft van 't kroost,
+Al zijn steunsel nog en troost:
+Die, eer 't pasgeboren wicht,
+De oogjes opende voor 't licht,
+Reeds zijne ouders van hem nam ...
+'t Was uw lot, onschuldig lam!
+Kind! die schrikbre dwingeland,
+Die der wereld vreugd verbant,
+En slechts waarschuwt met den stoot,
+Is, (verbleekt gij?) is de dood!
+
+Wichtje! welk een zielsgenot
+Kroonde uw ouders huwlijkslot!
+Al de droomen hunner jeugd,
+(Zoete droomen, vol geneugt'!)
+Duizendwerf elkaar gezegd,
+Ja, nog meer, vervulde de echt!
+
+Zie, het zaligst levensuur,
+Zet hun volle borst in vuur,
+Nu het lagchende verschiet
+Nooit gesmaakten wellust biedt!
+O, een telg ... maar God! wat rouw
+Overvalt de blijde vrouw? ...
+Bange vrees en angst en schrik,
+Spreken uit uw moeders blik:
+"Dierbre gade!" gilt zij uit,
+Maar reeds mist hij zijn geluid,
+Plotsling zeeg haar zielsvriend neer,
+Kind! gij hebt geen' vader meer!
+
+Is het al niet--zwaarder ramp,
+Ongeboorne! wacht ten kamp,
+'t Uur van barensnood breekt aan,
+Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ...
+Angst en doodstrijd zijn gestreên,
+Arme Wees! gij staat alléén.
+
+Hulpelooze onnoozelheid!
+Knaapje! dat zoo bitter schreit,
+En slechts tranen drinkt voor zog,
+Ach! waartoe bestaat ge toch?
+Waarom velde de eigen hand,
+Niet met de ouders, ook het pand,
+'t Had, van rampen onbewust,
+Sluimrende aan hun borst gerust;
+Dood! waarom gescheiden, 't geen
+Wat het leven smolt tot één?
+
+Wie erbarmt zich uwer, kind?
+De aarde is vaak zoo schaars gezind,
+Tot meewarig helpen, van
+Wie zij hulp onttrekken kan.
+Geeft niet iedre wezenstrek,
+Een bewijs van uw gebrek?
+En het nijdig noodlot zendt,
+Honger, kommer, ziekte, ellend'!
+Hoe verlaten nooddruft kermt,
+Niemand, die zich 't wicht ontfermt!
+Niemand? Zwijg, Godlastrend woord,
+Eer de Hemel zich verstoort,
+Om uw schuldig albedil,--
+God is liefde! mensch, zwijg stil.
+Zie, het Alziend Vaderoog,
+Ziet genadig van omhoog,
+Op het klagend wichtje, dat
+Zonder God geen' redder had.
+Hij, die 't muschje niet vergeet,
+Zag des Weesjes droevig leed,
+En het lachje van genugt',
+Jaagt de traantjes op de vlugt!
+Eer vergeet de moederborst,
+'t Lesschen van des zuiglings dorst,
+Eer Hij de onschuld hulploos laat,
+Die ter prooi aan 't onheil staat!
+
+Moed dan, Weesje! God vertroost
+Steeds het ouderlooze kroost;
+Weert hun nooddruft, stilt hun pijn,
+En wil zelfs hun vader zijn!
+Ja, roept niet zijn eigen Zoon,
+Op den minnelijksten toon,
+In het teederst liefdeblijk,
+Kindren voor zijn Koningrijk?
+
+Vrage dan verblinde waan
+Naar het doel van uw bestaan,
+Om het grievende gemis,
+Dat uw jeugd beschoren is;--
+Kind! opregte Godvrucht staart
+Op een hooger wit dan de aard',
+Deernis voedende in uw' druk,
+Juicht zij toch in uw geluk!
+
+Nu dan, teedre bloesemknop!
+Groei en luik voorspoedig op!
+'t Schrikkelijke noodweêr vlugt
+Reeds voor zoeler, milder lucht:
+Zie, de beste Hovenier
+Geeft uw jeugdig leven tier,
+Hij bewaakt u en aanschouwt,
+Hoe ge uw bladertjes ontvouwt.
+Stel zijn zorgen niet te loor,--
+Breke straks het vruchtje door,
+Dat, met blosjes lief en zacht,
+Rijpende ieder tegenlacht!
+O dan wordt gij, jonge bloem!
+Eenmaal nog der wereld roem,
+En het juichende aardrijk looft,
+Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKSVEREENIGING.
+
+(_den 8 October 1842._)
+
+
+Wat hooge vreugd vervult den Koning?
+Wat innig heil de Koningin?
+Wat plegtigheid doordringt de woning,
+Van Neêrlands eerste huisgezin?
+Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ...
+Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?
+
+Het huwlijks-altaar staat te branden;
+Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt;
+De dienaar Gods heft hart en handen,
+Daar hemelsche aandrift hem bezielt:
+Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar,
+Den zegen van d' Alzegenaar!
+
+En zie, alsof een hand van boven,
+Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt,
+Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven,
+Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt,
+De priester hecht in 's Heeren naam,
+Door 't snoer des echts twee harten zaâm!
+
+Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'?
+Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk?
+Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren!
+Sophia, 's lands Prinsesse, schonk
+Aan Weimars Hertog, hart en hand;
+Geen schooner echt kwam ooit tot stand!
+
+Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders!
+Geluk in 't voorregt van uw kroost!
+Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders
+Maar o! deez' blijde dag schenkt troost!
+Heil u ook, pas verbonden Twee!
+'s Lands beê volgt u tot Weimar meê!
+
+
+
+
+
+DRIFT.
+
+
+Onbezonnen drift, versmoort
+Iedre vreugde-vonk, en stoort
+'s Levensheil op aarde;
+Hoe de glimp haar kwaad verbloemt,
+Liefderijke eensgezindheid doemt
+Die steeds tweedragt baarde.
+
+Zie, naauw is haar toorn ontbrand,
+Of oploopendheid verbant
+IJlings pligt en rede;
+Vreugde kent geen kortswijl meer,
+Als in 't lagchende weleer,
+Want haar leuze is: vrede!
+
+Maar smelt' laster ook heur' naam?
+'k Hoor haar deugden door de Faam
+Toch zoo luidkeels prijzen:
+"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad,
+"Goed van inborst, schuwt ze een daad,
+"Die haar ziel doet ijzen!"
+
+IJzen? Wie der lippen wacht,
+In zijn razernij veracht,
+Doet beraad hem spreken?
+Welk geheim de heethoofd weet,
+'t Staat al loerende gereed
+Uit den mond te breken!
+
+Drift is als een dolle hond,
+Die wreedaardig ieder wondt,
+In zijn blindlingsch woeden;
+Ach! zij deed met fellen beet,
+Zoo meêdoogenloos als wreed,
+Menig harte bloeden ...
+
+Wie verstandig heeten wil,
+Wie goedhartig, haat de gril,
+Om, bij beuzelingen,
+Elk tot spotternij en schrik,
+Plotsling, ieder oogenblik,
+Uit zijn vel te springen!
+
+
+
+
+
+DE LASTER.
+
+
+Hoe de laster smaal',
+En door vuige taal,
+Deugd haar kroon bezwalke,--
+'t Schendend lipvenijn,
+Schoon het de aard' verschalke,
+God verblindt geen schijn!
+
+Zie, de nevel zwicht,
+Voor het zonnelicht,
+Dat de waarheid bloot leit;
+En de pest der aard',
+Staat, in al zijn snoodheid,
+Naakt geöpenbaard.
+
+Wat zijn helsche togt,
+Gruwlijks zamenwrocht,
+Tot zijn naastens smarte,--
+'t Plet zijn' eigen kop--
+God doorzag zijn harte,
+En stond wrekend op!
+
+
+
+
+
+EENVOUD (1).
+
+
+Eenvoud, beminlijke schoone!
+Nog nooit naar verdienste geschat;
+Van iedre schoone de kroone,
+En toch op uw schoonheid niet prat;
+Die zinloozen pronk kunt versmaden,
+Hoe wansmaak er gapende op tuur,--
+U hullende in eigen gewaden,
+In 't hemelsche kleed der Natuur!
+
+De gordel der liefelijkheden,
+Die Ciprus haar tooverkracht gaf,
+Versiert uw bevallige leden,
+Zij stond, bereidvaardig, dien af:
+"U," sprak zij, "u moet hij omhullen,
+"Wie meerder dan gij is hem waard?
+"Die zoo veel geluk zult vervullen,
+Tot zegen der jubelende aard!"
+
+En evenwel, weinige aanbidders
+Voor u in het blinkende staal;
+Bestegen de meeste der ridders,
+Voor vreemdere kleur niet het zaal?
+Waar 't letterveld ook wordt ontsloten,
+Voor strijders verhit op den krans,
+Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten,
+Schaars breekt men voor Eenvoud een lans!
+
+Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde,
+Het leven had vreugdvoller loop;
+Wie ooit op uw weldaden bouwde,
+Beschaamdet gij nooit in zijn hoop!
+Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven,
+Of waar zich uw voetdruk bevindt,
+'t Krijgt alles een krachtiger leven,
+Een lieflijker aanschijn en tint.
+
+Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt,
+In lusthof, in bosschen en beemd,
+Een meer dan Arkadische schoonheid,
+Die 't kluistervaste oog er verneemt;
+Had bouwlust in steden en dorpen,
+Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt,
+Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen,
+Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht!
+
+Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde
+Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst!
+Wie gij tot het priesterschap wijdde,
+In 't heerlijk gebied van de kunst!
+Wat lauwer op aarde verdorde,
+Zijn eerloof tart tijden en lot,
+Met regt prijkt een Cats in uwe orde,
+Maar Swaanenburgs naam werd ten spot!
+
+Door Eenvoud is Neêrland verrezen
+Uit modderig slijk en moeras;
+Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezen
+Zoo groeijend en bloeijend als 't was;
+Den weg, door de Vadren betreden,
+Wijst Eenvoud het nakroost nog aan,
+Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden,
+En welvaart, en kunstschoon ontstaan!
+
+ * * * * *
+
+(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met
+mijn doel overeenkomt.
+
+
+
+
+
+AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR.
+
+
+Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt,
+Uw geestlijk oog aanschouwt een licht,
+Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister:
+Gij voert, door 't zuiverst toongeschal,
+U in dat rijk, waar hemelval
+Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister!
+
+
+
+
+
+DE MUIS.
+
+
+In mijn' leuningstoel gedoken,
+Bij het scheemren der Natuur,
+Voor de gure winterspoken,
+Veilig bij mijn haardsteê-vuur,
+Door verbeelding, in 't verleden,
+In de toekomst en het heden,
+Tooverende rondgeleid,
+In het groot geheel verloren ...
+Wat geridsel laat zich hooren,
+In mijn peinzende eenzaamheid?
+
+Uit een klein behangselgaatje,
+Kruipt, door honger aangespoord,
+Trillende als een popelblaadje,
+Een vreesachtig Muisje voort:
+In en uit heur holtje sluipend,
+Luistrend om zich henen gluipend,
+Wordt het telkens meerder vrij;
+Turende met grage blikken,
+Of er ook iets valt te bikken,
+Komt het na en nader bij!
+
+Angst en vreeze vloden henen;
+Zie, de dartelende Muis,
+Is in de etenskast verdwenen,
+En voelt zich zoo goed als t' huis!
+O! wat nooit gesmaakte weelde,
+Nu haar jeukend maagje streelde,
+In dat rijk luilekkerland!
+'t Beestje kan zich wel begraven,
+In de keur van lekkre gaven,--
+Alles is er naar zijn' tand!
+
+"Maar, ei zie! dat traliehokje,
+"Wat hangt dáár voor lekkers in?
+"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje,
+"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!"
+'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ...
+Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen,
+Hoor, wat slag! de valklep sluit! ...
+Muisje! door te veel te willen,
+Moest gij al uw heil verspillen,--
+Trek, o Mensch! er leering uit.
+
+
+
+
+
+TEHUISKOMST.
+
+
+Overdierbaar plekje grond!
+Vorden, 'k mag u weêr betreden!
+Stort u uit, mijn dankbre beden,
+Die mijn' boezemtogt verkondt!
+Stort u uit om Hem te prijzen,
+Die met de eêlste gunstbewijzen,
+Mij begiftigde op deez' stond!
+
+'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch,
+Weêr het lagchend oord genaken,
+Waar ik zoo veel heil mogt smaken,
+Waar mijn wellust was en is!
+Was en is en zal beklijven,
+Tot mij 't schoone schoon zal blijven,
+Tot ik kracht en leven miss'!
+
+Maar, van waar dat blij gedruisch?
+Vriendschap komt op vlugge voeten
+Mij, van wijd en zijd, begroeten,
+En geleidt me in vreugd naar huis!
+Trouwe vriendschap, die mij de aarde
+Meê herschept ten bloemengaarde,
+Lieflijk klinkt uw stemgeruisch!
+
+Komt nu, dierbren! komt nu snel
+Naar mijn landelijke woning;
+Dat ook dáár de vreugdbetooning,
+Als van ouds ons weêr verzell'!
+Hospes! stoot mijn kamers open,
+'k Ben de stad voor 't land ontloopen,
+Zeg, is alles bij u wèl?
+
+'k Ben weêr thuis, vivat! vivat!
+_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden!
+Zoekt een plaatsje en gij zult vinden,
+De etiquette's zijn in stad!
+Nader, Langhals, uit den kelder!
+Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder,
+Huldigt Bacchus heerlijk nat!
+
+"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,--
+o, Hij maakt me vreugdedronken,
+'t Wachtend glas weêr ingeschonken;
+Want ik heb een' toast er bij:
+_Vordens groei en bloei en leven;
+Dat het, tot de laatste neven,
+Rijk door God bevoorregt zij!_
+
+Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt;
+Laat ons buiten, vrienden! buiten!
+Wat de ziel gevoelt, ontsluiten,
+Buiten, in de vrije lucht!
+Hoort, en Vink en Filomeeltje
+Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje,
+Zij die dank ook onze zucht!
+
+God! wat is uw Schepping schoon!
+Onnaspeurbre hemelzegen,
+Spreidt uw goedheid allerwegen,
+Aan de juichende aard' ten toon!
+En de geur van bloem en kruiden,
+Komen, op de wiek van 't Zuiden,
+Stoeijende af en aan gevloôn!
+
+Broeders! ja, ons heil is groot!
+Staan wij, zeg, in de eigen streken,
+Die mijn hart voor twintig weken,
+Zijn meêwarig afscheid bood?
+Toen ik alles zag versagen,
+Voor de gramme najaarsvlagen,
+En zag worstlen met den dood!
+
+Als een Feniks, o Natuur!
+Zijt ge glansrijk weêr verrezen,
+En uw jong, aanvallig wezen,
+Zet mijn volle borst in vuur!
+Naauw aan 's Winters boei onttogen,
+Ben ik naar u toegevlogen,
+In het allerwenschlijkst uur!
+
+'k Heb u, Lente! dag en nacht,
+Van bewondring opgetogen,
+Aangestaard met turende oogen,
+Waar de wil van 't lot mij bragt;
+Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken,
+De innigste uwer tooverblikken,
+Heeft me in Vorden toegelacht!
+
+Vorden! Vorden! neem mijn lied ...
+Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)?
+Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden,
+Dat ik luistere en geniet!
+o, Met regt, begaafde zangster!
+Zijt gij hier mijn plaatsvervangster!
+Dat u milde dichtaâr vliet!
+
+Onvergeetbre levensstond!
+Nooit gesmaakte zegeningen!
+'k Hoor mijn Vordens lof voldingen,
+Door den liefelijksten mond!
+God! verhoor nu nog deez' bede:
+Geef, dat eens mijne asch, in vrede
+Rusten moge, in Vordens grond!
+
+ * * * * *
+
+(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten.
+
+(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld,
+van eene Dame mijner kennis.
+
+
+
+
+
+WIE?
+
+
+Ai, zie! de afgrijsbre komt,
+En aller mond verstomt,
+Hij spreekt, en op zijn woord
+Zijn lust en rust verstoord;
+De keel voelt zich beklemd,
+De boezem zich ontstemd,
+En nooit gekende smart,
+Wordt meester van het hart.
+Hij steelt het edelst goed
+Aan uw geschokt gemoed,
+En geeft, wat hij belooft,
+U niets, voor 't geen hij rooft.
+
+Die ééns hem heeft gezien,
+Wenscht altoos hem te ontvliên,
+En voelt zich zóó bevreesd,--
+Alsof een booze geest
+Met eindeloos gekwel
+Hem aangrijnsde uit de hel!
+
+Wie, zangster! is 't gedrogt,
+Wiens vuigen boezemtogt,
+Den schrik verspreidt door 't bloed?
+Wiens naam reeds siddren doet?
+En somber trilt' heur snaar:
+"Het heet? Godslasteraar!"
+
+
+
+
+
+DE MENSCH.
+
+
+Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt?
+Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt?
+Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt?
+ O God der Goden!
+Gewisselijk, een schepsel onbesmet,
+Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet,
+Wiens neigend oor, steeds onderworpen let
+ Op Uw geboden!
+Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt!
+(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...)
+Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt,
+ Hem ten verderve!
+Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed,
+Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed;
+En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed,
+ Genâ verwerve!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' SCHILDER.
+
+
+Wie boeit mijn turende oogen,
+Door 't onbegrensd vermogen,
+Van 't scheppende penseel?
+Wie doet door keur van verwen,
+Mij 't hoogst genot verwerven,
+In 't liefelijkst tafreel?
+
+Wiens geestkracht mag 't gelukken,
+Natuur den palm te ontrukken,
+Door de overmagt der kunst?
+Gij, puik der toovenaren!
+Genie, waarop wij staren!
+Bestraalt ons met die gunst.
+
+Neen, 't is geen schijn, 't is leven!
+Die beemden, bosschen, dreven,
+Die jagt en wildernis,
+Dees vleugelvlugge honden ...
+'t Moet al uw' roem verkonden,
+Die spreekt, het zij! en 't is.
+
+o, Oogbetoovrend schilder!
+Waar werden gaven milder
+Een' sterveling verpand?
+God schraag' nog lang uw krachten,
+Tot vreugd voor die u achten,
+Tot roem van 't Vaderland!
+
+
+
+
+
+DE GRAFSTEEN.
+
+
+Hun edel harte slechts tot gids,
+Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk,
+Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits,
+Naar 's Heeren sombre grafspelonk;
+Om nog met kostbre specerijen,
+Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.
+
+En nu het doel al nader treedt,
+Daar, plotsling, breekt het zwijgen al:
+"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet,
+"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?"
+Dat had heur ijvren niet bezonnen,
+Toen zij den vromen togt begonnen.
+
+Geen bliksemschicht treft meerder snel,
+Geen donderslag slaat zóó ter neêr,
+Gelijk dat woord vol zielsgekwel!
+Toch geeft de liefde voor den Heer,
+haar moed en kracht om voort te treden,
+Hoe fel door angst en vrees bestreden.
+
+Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred!
+De steen, die 's Heilands grafplaats drukt,
+En u de teedre borst verplet,--
+God spreekt--die steen is afgerukt!
+Hij zal de zijnen niet begeven,
+Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!
+
+o Liefde Gods, die wondren doet!
+o Heilgenade, ondenkbaar groot!
+Hoe menig steen drukt nog 't gemoed,
+Dien de Almagt afwendt in den nood,
+Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken?
+Een Engel daalt, de steenen wijken!
+
+
+
+
+
+TOONKUNST.
+
+
+'k Min u, muzikale woorden,
+Taal der Toonkunst, 'k min u teêr!
+U, zielroerbre klank-akkoorden,
+Die uw' oorsprong hebt uit oorden,
+Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!
+
+Die het hart als was kunt kneden,
+Aan uw meesterschap ten buit;
+Lachjes, tranen en gebeden,
+Heldenmoed en teederheden,
+Opwekt naar den wil der luit!
+
+Grijpt de geestdrift der geniën,
+'t Goddelijke speeltuig: hoor!
+Strijdrumoeren, elegiën,
+Liefdes zachte melodiën,
+Roeren, schokken, 't luistrend oor!
+
+Orpheus Cither speel--verbeden
+Is de nooit verbidbre dood!
+Op den klank uw harp ontgleden,
+Vlijt zich steen op steen, en steden
+Staan, Amphion! trots ten toon!
+
+Doch geen fabel schenkt u luister!
+Hooger, Toonkunst, klimt uw lof!
+(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?)
+Vrij, ontdaan van aardsche kluister,
+Klinkt uw stem in 't geestenhof.
+
+Als de rei der Hemellingen,
+Om Gods heilgen troon gestuwd,
+Hem, den oorsprong aller dingen,
+'t Heilig, heilig, heilig, zingen,
+Is hun lied en snaar gehuwd!
+
+Goddelijke Harpenaren!
+Stort den schoonsten hemelval!
+Dank moet mensch en Engel paren!
+Voor de gift der gouden snaren,
+Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!
+
+
+
+
+
+GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_.
+
+
+Met diep ontroerd gemoed,
+Wijde ik uw graf mijn' groet,
+Te vroeg ontslapen zanger!
+Gij, Staring! de aarde ontrukt ...
+Waar is de plaatsvervanger,
+Die uwen voetstap drukt?
+
+Treur, achtbre Wildenborch!
+Uw bloei was al zijn zorg;
+Hij gaf u vreugd en leven;--
+Uw heldre zon zeeg neêr;
+'t Werd somber in uw dreven ...
+Uw Landheer is niet meer!
+
+De trots van Gelderland,
+Wien braafheid en verstand
+Met schoonen glans mogt sieren,--
+Zijn levensdraad brak af ...
+Schonk hem de kunst laurieren,
+Nu weeklaagt ze op zijn graf.
+
+Nu zwijgt zijn citertoon,
+Zoo krachtig, kunstig, schoon,
+En Febus Priesterscharen,
+Staan in het kunstenkoor
+Den lievling na te staren,
+Dien het te vroeg verloor.
+
+Weêr heeft het Vaderland,
+Een' kostbren diamant
+Uit de achtbre kroon verloren!
+En gade en minnend kroost
+Staan, bij der dichtren koren,
+Weemoedig, zonder troost!
+
+Maar welk een treffend woord
+Lokt mij naar 's kerkhofs poort,
+En schenkt den geest bedaring:
+"Uit nacht rijst morgenrood (1),"
+Het was uw spreuk, o Staring!
+"Het leven uit den dood."
+
+ * * * * *
+
+(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden,
+waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.
+
+
+
+
+
+HET LEVENSPAD.
+
+
+Allen op des levens paân,
+Vallen, staan weêr op en vallen;
+Zelfs de trotschheid durft niet brallen:
+Ik kan zonder struiklen gaan!
+Steen, op steen, verrast den voet,
+Waar men zich aan stooten moet!
+
+Maar hoe telkens uitgegleên,
+Broeders! toch weêr opgekropen;
+Homplen, stromplen wij in 't loopen,
+Meer oplettend voortgetreên;
+Aan het einde van ons pad,
+Ligt de goede Vader-stad!
+
+Matte Pelgrim! dáár is rust,
+Van uw hobbelige wegen!
+Dáár stroomt nooit gekende zegen,
+Nooit gesmaakte levenslust!
+Dáár is 't eind der aardsche smart,
+Hemelvreugd vervult er 't hart!
+
+Voor den togt dan niet versaagd;
+Welberaden voortgewandeld;
+Naar gebod en pligt gehandeld;
+Struiklen wij, God zelve schraagt!
+En, is 't doel der reis volbragt,
+o, De blijde Heilstad wacht!
+
+
+
+
+
+HET BLINDE VINKJE.
+
+
+Vinkje! welk een gruwzaam monster,
+Vreemd aan alle menschlijkheid,
+Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,
+Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,
+Heeft u 't foltrendst leed bereid?
+
+Eens zoo vrij en vrank op aarde,
+Nu gedoemd tot de enge kooi;
+Nu, door gloeijend erts uwe oogen
+Aan het vriendlijk licht onttogen,
+Nu des euveldaders prooi!
+
+Werd het u noodlottig ijzer,
+Slechts de duistre groeve ontrukt,
+Om, der snoodheid ten believen,
+Dus uw argloos hart te grieven?
+Dan is 't euvel wèl gelukt!
+
+Doch, o neen! niet tot dien gruwel
+Opent zich de schoot der mijn;
+Maar de boosheid keert den zegen,
+Uit Gods milde hand verkregen,
+Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.
+
+Wat is 't u, of zich de schepping
+Nu net lente-siersels hult?
+Niet voor u zal de aard' zich tooijen,
+Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,
+Nimmer 't schoone aanschouwen zult!
+
+Ach, waar zijn de blijde dagen?
+Van het lagchende verleên?
+Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,
+Woelt het heir herinneringen,
+Door uw mijmrend kopje heên!
+
+Mooglijk waart gij aan een gaaike,
+Aan een teederminnend kroost,
+Op het liefderijkst verbonden ...
+Wreed werd dan de band geschonden,
+Die uw blijdschap was en troost!
+
+Niets is u van 't heil gebleven,
+Waar uw borstje zoo van zwol;
+Uw gelukzon is verdwenen,
+Heeft voor altijd uitgeschenen,
+Blind en in een kerkerhol!
+
+o, Mijn teêrgevoelig harte,
+Doet uw rampental zoo zeer!
+Kon het innigst medelijden,
+U van jammeren bevrijden,
+'k Zag u 't beeld der vreugde weêr!
+
+IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje!
+Schal met pletterend geluid,
+Schal en schater den vervloekte,
+Die uw' lust en rust verkloekte,
+Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!
+
+Doch uw toovrend orgelkeeltje,
+Wanhoop nam het kracht en klem;
+Nooit ... maar wat welluidend kwelen,
+Komt mijn luistrende ooren streelen!
+Lieve vogel! is 't uw stem?
+
+"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!"
+Zingt het Vinkje op zoeten toon,
+"'k Laat, getuigen het mijn zangen,
+"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,
+"Welk een rouw mijn borst bewoon'!
+
+"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?
+"Heelen ze ooit de wond van 't hart?
+"Véél verloor ik--maar, mijn roover
+"Liet mij toch mijn stem nog over,
+"o, Die vreugde troost mijn smart!
+
+"Drage ik dan mijn lot gelaten,
+"'k Heb nog ruime dankensstof;
+"Om het goede mij gebleven,
+"Min ik nog het lieve leven,
+"En zing luid mijns Scheppers lof!
+
+
+
+
+
+TROOST.
+
+
+"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"
+Dat hartdoorvlijmend woord,
+Dat zoo veel vreugd verstoort,
+Het was den mond van d' Arts ontgleden,
+Maar 't klonk als niet gehoord,
+
+Het kon het oor der vrouw niet boeijen;
+Nog lonkt de hoop haar aan;
+Zoo schrikklijk zal de orkaan
+Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,
+En bloem, bij bloem verslaan.
+
+"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,
+"Neen, dierbare echtgenoot!
+"Zoo ras ontbindt de dood
+"Dien vastgelegden knoop niet weder,
+"Die 't huwelijk pas sloot!"
+
+En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,
+Naar 't liefelijk gezigt
+Van 't sluimerende wicht,--
+Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!
+"Zijns Vaders levenslicht!"
+
+"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..."
+Maar, God! wat raauwe gil!
+Zij voelt het doodlijk kil
+Op 's ega's ingezonken kaken,
+Zijn ademtogt staat stil.
+
+Haar zoete hoop vervloeide in tranen
+Van bittre zielesmart;
+Gebroken is haar hart;
+Wel spoedig ging haar heilzon tanen,
+En liet haar 't nachtlijk zwart.
+
+Ze rigt het schreijende oog naar boven:
+"Wat lot," snikt zij, "wat lot,
+"Na twee jaar echtvreugd ... God!
+"Waarom moest ik een' droom gelooven,
+"Waarmeê de ontwaking spot?"
+
+Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?
+Uw wichtje, als 't onverpoosd
+U vleijend kust en koost?
+Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,
+Voor uw gemoed geen troost!
+
+Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,
+Ja, Troost in d' eêlsten zin,
+Dringt tot haar' boezem in;
+Zij kust Gods vaderlijke roede,
+De Weduwe is Christin!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN ***
+
+***** This file should be named 6922-8.txt or 6922-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/6/9/2/6922/
+
+Produced by Vital Debroey
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
+States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
+specific permission. If you do not charge anything for copies of this
+eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
+for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
+performances and research. They may be modified and printed and given
+away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
+not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
+trademark license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country outside the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you'll have to check the laws of the country where you
+ are located before using this ebook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
+Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
+trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
+mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
+volunteers and employees are scattered throughout numerous
+locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
+Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
+date contact information can be found at the Foundation's web site and
+official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
diff --git a/6922-8.zip b/6922-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..b0897ab
--- /dev/null
+++ b/6922-8.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5b406f8
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #6922 (https://www.gutenberg.org/ebooks/6922)
diff --git a/old/7dlrm10.txt b/old/7dlrm10.txt
new file mode 100644
index 0000000..672fb5e
--- /dev/null
+++ b/old/7dlrm10.txt
@@ -0,0 +1,3590 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: De Liereman
+
+Author: L. Schipper
+
+Release Date: November, 2004 [EBook #6922]
+[This file was first posted on February 11, 2003]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN ***
+
+
+
+
+This eBook was produced by Vital Debroey
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+Luimige en Ernstige
+MUZE.
+
+door
+
+L. SCHIPPER.
+
+
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+
+Vrienden! koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weer liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?"
+'t Antwoord is: van 't beste allooi,
+Vol van vinding, gloed en leven,
+Immers, 'k heb ze zelf geschreven?
+En een hoofdpoeet als ik,
+Kent de rijmkunst op een' prik.
+
+Ergo, wie dees zangen laak',
+Heeft geen enkel greintje smaak;
+Weest dus op uw hoede, Heeren!
+Die mijn werk zult recenseren;
+Want, wie deze deuntjes fluit,
+Wijst zijn eigen vonnis uit.
+
+Koopt dan, koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weer liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+De Liereman.
+Het Kaartspel.
+De Oude en Nieuwe Maat.
+De Droom.
+De Patrijzen.
+Jan.
+De twee Honden.
+De vrome Werkbaas.
+De Vlieg.
+Het Medaillon-Portret.
+De verdronken Acteur.
+Het Portret van den Dood.
+De Gekken.
+Stalen Pennen.
+Mijn Grootje.
+Gerust in de onstuime Baren.
+Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom.
+Voor Godsdienst en Vaderland.
+Deugd schept Vreugd.
+Elck wat Wils.
+Genoegh is meer.
+Elck zijn Waerom.
+Elck spiegele Hem Zelven.
+'t Kan Verkeeren.
+Hora ruit.
+Peut-etre.
+Repos ailleurs.
+Vita mortalium vigilia.
+Getrouw.
+'t Uur is daar.
+Huwelijks-Liedje.
+De Ooijevaars.
+Op den Dood van een' Landman.
+Aan een' rat.
+De Lach.
+Het Weesje.
+Huwelijksvereeniging.
+Drift.
+De Laster.
+Eenvoud.
+Aan een' blinden Toonkunstenaar.
+De Muis.
+t' Huiskomst.
+Wie?
+De Mensch.
+Aan een' Schilder.
+De Grafsteen.
+Toonkunst.
+Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_.
+Het levenspad.
+Het blinde Vinkje.
+Troost.
+
+
+
+
+
+WAARSCHUWING
+van eenen Onbevooroordeelde.
+
+
+Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap
+aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den
+zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.
+
+In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe
+snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.
+
+Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in
+handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.
+
+Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even
+vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te
+Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten--
+welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen No 9, voor Julij 1843.)
+aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede
+sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."
+
+VORDEN,
+30 Sept. 1843.
+
+
+
+
+
+HET KAARTSPEL
+
+
+"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?
+"Erast, de nieuwe lichter,
+"Koopt steeds 't antiekste ameublement,
+"Maar blijft Gomaars betichter,
+"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,
+"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"
+
+Ik vonnis niet en haat den twist,
+Ja, laat aan elk zijn keuze,
+Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,
+De vrijheid zij mijn leuze!
+Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,
+In 't oud en nieuw is kwaad en goed!
+
+Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift
+Bragt heel mij van 't chapiter;
+Het kaartspel, luidt het bovenschrift,
+Voor 't kaartspel klink' de citer;
+Welaan, mijn zangster! men verbeidt,
+Zing luid van de oudste antiquiteit!
+
+1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',
+Om de eer haar rijk beschoren;
+Daar, daar is 't eerste kaartenspel,
+Door 't schoonst genie geboren;
+En de allergrijste piramied,
+Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!
+
+2. Hoe juichte Egypte in d'eelsten schat,
+Den schat van eigen vinding,
+En bragt, door hieroglyphen, 't blad,
+Met godsdienst in verbinding;
+Zoodat, van vromen geest bezield,
+Men kaartenspelend oefning hield!
+
+3. Sibyllen! uw orakelhol,
+Hadd' nooit van goud geblonken,
+Zoo niet de kaart, den vragersbol
+Het antwoord hadd' geschonken;
+Uw goochelkunst staat nog in eer,
+Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!
+
+4. Hoe! rukken Moor en Arabier
+Zoo plotsling uit het Oosten?
+U, Spanje! geldt het krijgsgetier,
+Maar 't zoetst geschenk zal troosten!
+De vijand biedt de kaart u aan,
+En gij--verwenscht heur naar de maan!
+
+5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland,
+'t Wou eerst ook daar niet lukken,
+Maar--zesde Karel,--zijn verstand,
+Kreeg eensklaps bijstre nukken!
+De Vorst wordt meer dan stapel gek,
+En nu, nu komt de kaart in trek!
+
+6. De groote schilder Gringoneur,
+Een baas in 't portretteren,
+Liet in het spel, door frissche kleur,
+Geheel het hof spanceren;
+Dat deed den Koning zulk een deeg,
+Dat Gringoneur een lintje kreeg!
+
+7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,
+In vier verscheiden rijken;
+Hij had het opperbest geklaard,
+Elk stond er van te kijken!
+Geen mensch, die iets te vitten had,
+En, bij de Vorsten, zegt dat wat!
+
+8. Bourgondie verkreeg een ruit;
+De Frank, een schop, op 't plaatje;
+Een hart viel Orleans ten buit;
+Brittanje een klaverblaadje;
+Naauw was het af,--of zie, 't palet
+Schonk nu den hofstoet zijn portret!
+
+9. La Hire en Hector, o, hoe schoon
+Wist u de kunst te malen!
+Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,
+Kloekhafte Generalen!
+En wie de ronde boeren ziet,
+Miskent uw sprekend wezen niet!
+
+10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel,
+Het liefje van den Koning,
+'t Was met des Konings hoofd niet wel,
+Daarom dient hij verschooning,
+Geen ander Vorst, bij vol verstand,
+Heeft immers liefjes aan de hand?
+
+11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!
+Die streed voor 's Konings regten,
+Wie waagt niet liefst met u een kans
+In 't eten, dan in 't vechten?
+Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,
+Gij schopte menige _Goddem_!
+
+12. Wat majesteit, wat fiere bouw,
+Wat pracht van zijde lokken,
+O, overschoone klavervrouw!
+Gij hebt mijn oog getrokken!
+Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',
+Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.
+
+13. Wat lacht die freule harten wit,
+Haar hartje speelt in harten,
+Voor 't klooster had de maagd geen zit,
+Wis bragt ze er vreemde parten!
+Foei, Isabel van Beijren, foei!
+Uw goede naam krijgt nog een' knoei!
+
+14. Maar wie of schoppenheer mag zijn?
+Dat 's wel een uitgelezen!
+'t Is Isrels David--de Dauphin,
+Er schijnt iets joodsch in 't wezen!
+Hij is, gemeten met een zeef,
+Nog Koning Davids achterneef!
+
+Zoo biedt u elke pop het beeld
+Van eene onschatbre parel;
+En ieder, die een kaartje speelt,
+Speelt met het Hof van Karel!
+Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!
+Sla zelv' uw kunstverzaamling op.
+
+Wij keeren tot den Koning weer,
+Hoor, 'k wil het niet verhelen,
+'t Was droevig toch, een Vorst en Heer,
+Met prentjes te zien spelen,
+Maar wonder, zonder wederga,
+Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!
+
+Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond
+Kwam 't kaartspel in de mode;
+Nu, daar een Koning 't aardig vond,
+Een zot, die 't niet vergoodde,
+En was het spel, het spel eens dwaas,
+'t Was toch ook 't spel eens grooten baas!
+
+Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!
+Wier kunst de tijd doet spoeijen;
+Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,
+Dat gekken zelfs kan boeijen,
+Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,
+Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!
+
+ * * * * *
+
+1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.
+
+2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun
+spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.
+
+3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de
+Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die
+haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door
+elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een
+antwoord moest zoeken.
+
+4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral
+onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den
+naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren,
+ten strengste verboden werden.
+
+5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel
+de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar
+staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.
+
+6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet
+weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen
+van het Hof, op de kaart te schilderen.
+
+7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.
+
+8. Bourgondie was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en
+Brittanje klaverkaart.
+
+9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in
+harten en ruitenboer werden afgebeeld.
+
+10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de
+benaming van Rachel.
+
+11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen
+streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart
+opgenomen.
+
+12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van
+Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in
+klavervrouw voorgesteld.
+
+13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in
+vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.
+
+14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende.
+Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op
+de kaart naar Israels Vorst vernoemd.
+
+
+
+
+
+DE OUDE EN NIEUWE MAAT.
+
+
+De oude maten en gewigten
+Verlieten 't land;
+De nieuwe gaan hun dienst verrigten,
+En treen in stand;
+Dat gaf aan de eedle winkelieren,
+Een dolle pret,
+Maar hoe misnoegdheid moge tieren,
+Men vreest de wet!
+Het hoog bevel, had ook de scholen
+Voor wijd en zijd,
+Het nieuwe stelsel aanbevolen,
+Der school ten spijt:
+"Weg, met die leelke decimalen!"
+Zoo riep de jeugd,
+"De duivel mag die vinding halen,
+"Tot aller vreugd!"
+
+Eens kwam de meester met twee ellen,
+Een nieuw', een oud',
+"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,
+En wees niet stout!
+"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene
+Op de andre heeft,
+"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,
+"Zoo ge aandacht geeft!"
+
+Maar geene attentie is te winnen,
+Men meesmuilt slechts,
+En ziet, met afgedwaalde zinnen,
+Dan links, dan regts,
+Een onder hen, een kleine snuiter,
+Die niets ontziet,
+Roept luid, van kop tot teen een muiter,
+"Ik leer dat niet!"
+
+"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!
+"Hoor ik het wel?
+"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"
+Hij dreigt met de el ...
+Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,
+Wat euveldaad,
+"Gij moogt mij met dees el niet meten!"--
+'t Was de oude maat!
+
+
+
+
+
+DE DROOM.
+
+
+Van mijn wandling moe en mat,
+Gaf ik me, onder 't beukenloover,
+Bij eens beekjes kabblend nat,
+Aan de rust op 't mosbed over,
+'k Viel in sluimring; maar, wat droom!
+Droomde ik aan dien oeverzoom?
+
+'t Was me, als gleed ik telkens meer
+In de diepe waterkolken,
+Bij het schubbig goedje neer,
+Burgers, die den stroom bevolken!
+Enklen, uit hun element,
+Waren mij bij naam bekend.
+
+O! wat wereld leefde om mij!
+Welk een wriemlen, wat krioelen,
+In die vreemde maatschappij,
+Welk een trachten en bedoelen;
+Want, geen vischje was zoo dom,
+Dat niet wist waarom het zwom!
+
+Maar, door welk een vrees beklemd,
+Gaat dat kleine kaarsje dolen?
+Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!
+De angst houdt het in 't riet verholen,
+Had de groote u daar betrapt,
+Kleine! gij waart opgehapt.
+
+'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!"
+Riep ik, "dat gij, groote slokkers!
+"De arme kleine vischjes eet,
+"Schaamt u, leelke booze schrokkers!
+"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',
+"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"
+
+
+
+
+
+DE PATRIJZEN.
+
+
+"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen
+"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;
+"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of
+"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!
+"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek
+"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"
+
+De vluggert ijlt met slakke schreden,
+En meer en meerder krimpt zijn stap.
+"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,
+"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,
+"Maar zonder poozen, zulk een vracht,
+"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"
+
+Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen!
+Een half kwartier heeft de arme vent,
+Het telkens zwaardere present,
+Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen?
+Wel is de weg haast afgelegd,
+Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!
+
+Ras sluit de slaap zijn oogleen digt,
+Een guit, die hem in 't gras zag glijden,
+Werd zoo vervuld van medelijden,
+Dat hij des stakkers last verligt.
+"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit een schot,
+"Maar 't loopt mij mee, dees jagt gaat vlot!"
+
+En naauwlijks is een uur vervlogen,
+Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;
+Dan ach, de vogels zijn geschaakt!
+"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"
+Want waar het zoekend oog ook ziet,
+Het malsch gevleugelte is er niet!
+
+Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!
+Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,
+Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan.
+"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!
+"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,
+"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"
+
+Maar zie, tot overmaat van smarte,
+Treed onverwachts het aadlijk bloed,
+Hem, uit een zijlaan, te gemoet.
+Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!
+Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,
+Zijn halve boodschap den Baron.
+
+En nu--of Tom ook wist van beenen,
+Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,
+Maar Heer Baron roept hem terug.
+"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?
+"Ik zag je nooit zoo driftig vlien,
+"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."
+
+"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen!
+"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom,
+"De vlugtelingen zijn weerom?
+"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen!
+"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief....
+"Het doode wild vloog in den brief!"
+
+
+
+
+
+JAN.
+
+
+"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde?
+"Waar klinkt er een van hooger waarde?
+1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon?
+"Droeg menig Jan geen Koningskroon?
+2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren,
+"Voor zij dien toren had verloren,
+"Tot boven in de wolken gloren?
+"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end,
+"Is overal mijn naam Bekend!"
+
+Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt,
+Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd!
+Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen,
+Van de eer, waarop uw naam kan roemen.
+Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen!
+Uw onvolprezen naam, bevat
+Een' schat voor zee, en dorp, en stad;
+Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd';
+Hoe zou het onze taal gelukken,
+Door een woord, zoo veel uit te drukken?
+
+_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt
+Gij dat het juiste woord niet, vrind!
+Om rijp en groen,
+Fatsoen en geen fatsoen,
+Om vogels van allerlei zangen en veeren,
+Als in een voliere te zien converseren?
+
+Zoo is uw oordeel ook het teeken,
+Waarmee wij van rapalje spreken,
+Voorzeker duizendwerf gebleken,
+Daar niets uw vlug begrip ontgaat,
+_Jan rap en zijn maat_,
+_Janhagel van straat_,
+Geen naam, van welk een krachtgeluid,
+Drukte immer zoo 't kanaljen uit!
+
+En o! hoe vol beduidenis,
+Uw naam op 't golvend zeeveld is!
+Het zeeveld, waar de nijvre hand
+Goud oogstte voor het Vaderland.
+Wie onzer kent in ieder deel,
+Niet _Janmaat_ van het zeekasteel?
+
+Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest?
+'t Is immers de knecht, de gedienstige geest?
+Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifieerd,
+Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!
+
+Er heerschte eens een groot Koning,
+In 't fier Brittannisch rijk;
+In magt en prachtvertooning,
+Geen Sultan hem gelijk!
+Maar wat den glans verhoogde
+Der schitterende ster,
+Waar 't meest de Vorst op boogde,
+3. Hij heette _Jean sans Terre_!
+
+Beeld der reinste huwlijkstrouw!
+Hulp der liefderijkste vrouw!
+Onvermoeide plasser!
+Nooit zie ik mijn schoolprent aan,
+Of mijn oog wijdt u een' traan,
+Wakkre _Jan de wasscher_!
+
+Schoon ook vol spijt op Neerlands roem,
+Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem',
+Wie immer zich deez' titel schaam',
+Gij prijst dien zuivelrijken naam!
+
+Wat gekwels, wat gekwels,
+Voor de kindren Israels!
+Als de schimp zich durft vermeten,
+Honend, _Spek Jan_ hen te heeten,
+Wetend, dat der Joden wet,
+Hun dien vetten mond belet!
+
+Hoe menig kransjen ik reeds vlocht,
+'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht,
+Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht!
+
+En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden?
+In tegenspraak, zeker, de held aller helden!
+Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt,
+De wijsheid in pacht heeft, alleen het maar weet!
+
+Zie, achter gindsche schuine deur,
+Woont weer een _Jan_ van de eerste keur;
+Of noemt de mond, van oud tot ouder,
+Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder?
+
+Juich, weer hebt gij juichensstof,
+Hecht aan de u geschonken' lof,
+Vol van dank, uw zegel!
+Zelfs een hof heeft zich vernoemd,
+Naar uw' puiknaam zoo beroemd
+'t Hof is 't van _Jan Vlegel_!
+
+Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken,
+Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam,
+Komt weer mijn peinzende aandacht wekken,
+_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_!
+
+Was hij een oude knaap,
+Als Zandvoorts Simon Paap,
+En daarom de Amstelstad,
+Met regt op hem zoo prat?
+Een prijsvraag dient geschreven,
+om 't duistre licht te geven!
+
+Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woen!
+"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden,
+"Die zoo mij te lastren zich dorst onderwinden!
+"'t Duel zal beslissen en eer geen verzoen."
+Daar naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden?
+Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_!
+
+En koos niet zelfs Voltaire's luit,
+Uw' naam voor duizend anderen uit,
+En heeft zijn dichterlijke stift,
+Voor tijdgenoot en nageslacht,
+Niet schitterend uw' naam gegrift,
+4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_!
+
+Speelt iemand een geklijken rol,
+Van handel en wandel wat dol,
+Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen:
+Zijn rede is dan, zegt men, op hol,
+Hij schermt in het ronde, de bol,
+_Als malle Jan onder de kippen_!
+
+Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen,
+Dat strijdende voor pligt en eer,
+Een' lauwerkrans drukt op de slapen,
+Van wien het moedigst trekt van leer!
+Dat lemmer forsch en breed,
+Dat van geen zwichten weet,
+Op wier het is gebeten,
+Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten!
+
+Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd?
+De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken!
+Zij springen en dansen en dartlen van vreugd,
+Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken.
+Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd?
+
+Amsterdamsch Menagerie!
+'k Denk aan u met zoet ontroeren;
+Apentuin der tuinen, die
+Ook den schoonsten naam mag voeren.
+Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden,
+5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden?
+
+Ook voor den man, die graag de broek
+Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek,
+Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen,
+Klinkt weer uw puiknaam in _Janhennen_!
+
+Nieuwe, flonkerende luister,
+Is weer voor u opgedaagd!
+Neerlands schrandre Pensionaris,
+Droeg den naam, dien gij thans draagt;
+Naam, als type van de staatkunst,
+(Wondere karaktrestiek!)
+Vele Jannen steeds gegeven,
+Om hun fijne politiek!
+Of, zijn het geen diplomaten,
+Vol verstand, vol kern en pit,
+Waar de lof van kan getuigen,
+Jongens zijn 't van _Jan de Wit_?
+
+Wat rare Jan treedt daar te voren?
+Zijn phlegma schijnt hem aangeboren;
+Nooit kon de drift zijn rust verstoren;
+'t Is hem hetzelfde hoe het gaat,
+Neen, hij weet van den Prins geen kwaad!
+Hij is wat lijmig in zijn' praat;
+Een snuggre kop, die op hem staat!
+Het is _Jan Salie_, kameraad!
+
+Maar ook in 't zedelijk bestaan,
+Hoort men uw' naam den grondtoon slaan
+Of duidt hij niet den lichtmis aan,
+Zoo goed als 't Fransche bon-vivant,
+In 't enkel woordje, _'t is een Jan_!
+
+"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_!
+Want langzaam en zeker is Jantje's natuur,
+Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend,
+Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend,
+En wikkend en wegend met rijp overleg,
+Betreden zijn schreden den veiligsten weg!
+"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden,
+"'k Hecht steviger banden, die knellender binden,
+"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit;
+"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"
+
+Noem me op aarde een rijksgebied;
+Waar men dezen Jan niet ziet?
+Kijk, hij is een heele piet!
+Schoon zijn boeltje liep in 't riet,
+'t Baart zijn' boezem geen verdriet,
+"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied,
+Welke winkel kent u niet,
+Welke winkel, _Jan Crediet_?
+
+Wat onderwerp vol weidschen zwier,
+Zet, zangster! uw gemoed in vier,
+En boeit ons aan uwe elpen lier?
+"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_!
+Dien snellen wagen,
+Het welbehagen
+Der oude dagen!
+Die ook al verdween,
+Door mode bestreen,
+Maar toch om zijn' naam;
+Nog leeft door de Faam!
+
+Bij den Jan pleizier in aanzien,
+Als bij d' edelman de boer,
+Naakt het beeld des sjouwend' ezels,
+Weer een wagen van vervoer,
+'t Is de _Malle Jan_, die kreunend,
+Vracht, bij vracht, wordt opgetast,
+Is dan Jan geen goeije slokker,
+Die zich bukt voor zulk een' last!
+
+Ei, zie eens, op mijne eer,
+Dat 's eerst een proper Heer!
+Gij vraagt: "wie hij mag wezen?"
+'t Is uit zijn oog te lezen!
+Mij dunkt, zijn eernaam staat
+In wat hij doet, of laat;
+En 'k dacht, hij schoot uw zinnen,
+Al reeds voor lang te binnen.
+Hoe suft uw schrandre kop?
+Hoor, volg deez' raad dan op:
+Uw allerrapste looper,
+Vlieg' naar den boekverkooper,
+6. En vraag den _Jan Perfekt_!
+Het raadsel is ontdekt.
+
+Wiens naam geeft men genien milder,
+Genien van het edelst soort?
+Ook Neerlands kunsten kweekend oord,
+Gaf hem zijn' snaaksten schilder!
+Of zegt men niet met alle reen,
+Van schalksche en oolijke aardigheen,
+Ons onder 't lagchend oog getreen,
+_Het is een stukje van Jan Steen_?
+
+"Hoe 't valschheid misduid',
+"Al kost het, verbruid!
+"Ook haring of kuit,
+"Mijn tong, wie haar stuit--"
+Roept: _Jantje regt uit_!
+
+En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters,
+Wie noemt het tal dier gloriestichters?
+Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur
+De starren telt aan 't luchtazuur,
+Zoo min telt m' ook de lichten, die
+De _Jannen_ zijn der poezie.
+
+En nu, vermoeid van al het Jannen,
+Dien 'k eerst mijn kracht weer zaam te spannen,
+Voor ik het verdre van mijn taak,
+Door de allerschoonste kroon volmaak,
+O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein,
+Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein,
+'k Moet eerst maar wat op adem komen,
+En dan zij 't loflied weer vernomen
+Van
+_Jan_.
+
+ * * * * *
+
+1. Sint Jan.
+
+2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.
+
+3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan
+zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene
+bezittingen naliet.
+
+4. Dichtstuk van Voltaire.
+
+5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.
+
+6. Een met lof bekende roman van dien naam.
+
+
+
+
+
+DE TWEE HONDEN.
+
+
+"Ei zeg, is dat nu reg?
+"Mijnheer heeft zoo een' ekel
+"Aan Lord, dien boozen rekel,"
+Sprak Piet, de brave knecht,
+"En toch, hij krijgt het meest!
+"Gaan niet de lekkre beenen
+"Altoos naar de ondeugd henen?
+"Daar heb je Does, dat beest,
+"De beste van de honden,
+"Die ergens wordt gevonden,
+"Die 't nimmer gortig maakt,
+"Bij al die vette beten,
+"Hoe trouw het dier ook waakt,
+"Wordt Doesje maar vergeten.
+"Dat 's onregt, op mijne eer!"
+
+"Wel, domoor!" sprak mijnheer
+Die Piet had afgeluisterd,
+Hoe zacht hij had gefluisterd,
+"Ik dacht je meerder leep!
+"Zeg, voel je niet de kneep?
+"Mijn beentjes te verspillen
+"Aan Does, wat dwaze grillen,
+"'k Zou hem niet trouwer willen;
+"De lobbes hoeft ze niet!
+"Maar Lord, die kwade rakker,
+"Die valsche kuitepakker,
+"Door kluifjes wordt hij makker,
+"Ik vrees zijn tanden, Piet!"
+
+
+
+
+
+DE VROME WERKBAAS.
+
+(_Vertelling aan Frans._)
+
+
+Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje!
+Zijne oefningsklub noemt hem het roompje
+Der heiligste regtzinnigheid,
+Wien lang de hemel is bereid!
+Vaak spreekt hij in geheimenissen,
+Waar 'k nooit de meening van kan gissen;
+'t Heeft wel iets van mystiekerij,
+Hij noemt het echter profezij!
+Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken,
+Om mee naar de oefening te trekken;
+Daar spraken ze allen, zei hij, Frans!
+De ware tale Kanaans;
+Daar riep de zuivre Dordsche leere:
+"Bekeer, bekeer, u tot den Heere!
+"Want wie niet Orthodoks wordt, is
+"Een prooije der verdoemenis!"
+"Daar kwamen al de nieuwgeboren',
+"De van den Hemel uitverkoren',
+"En laafde aan manna-spijs hun ziel,
+"Zoo als er nooit voor Isrel viel,
+"Die God het kuddeke verleende,
+"Dat daar zich in den geest vereende!"
+
+Hoe meer hij voortging met zijn preek,
+Hoe meer 'k zijn oefening ontweek;
+Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen,
+Dat staag verkettren en verdoemen,
+Met al die duistre somberheid,
+Die nooit verstaat hetgeen ze zeit,
+Ik haat die leer met ziel en zinnen:
+"De Godheid bovenal te minnen,
+"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind!
+Die taal verstaat een grijze en kind!
+
+Maar wacht nog wat en spits uwe ooren,
+Want 'k moet u een geval doen hooren,
+Hetgeen mij gistren is ontmoet,
+En dat mij telkens lagchen doet:
+Weet, sinds de baas zijne oefeningen
+Mij vruchteloos zocht op te dringen,
+Heb ik het ieder' keer verbruid,
+Het mooije weer is met ons uit!
+Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten,
+Dan ongemaklijk opgezeten!
+Mijn honger, kameraad! vergat,
+Dat ik nog niet gebeden had;
+Wat nooit mijne appetijt gebeurde,
+Hoe lekker ook de schotel geurde.
+Maar o, wat kwam ik slecht te pas!
+Of mij de baas de les ook las!
+Hij gaf me van de coteletten!
+"Godlooze! is dat uw ziel besmetten,
+"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt,
+"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond,
+"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake,
+"Die kruimel tot een vuurvlam make,
+"Die u nog eer den duivel geeft,
+"Waar uw geheele ziel voor leeft?
+"Leer, Heiden! leer het van de dieren,
+"Wat dankbaarheid u moest bestieren,
+"Zelfs voor den kleinsten waterdronk,
+"Die u de milde gever schonk!"
+
+"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel!
+"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel;
+"Ge zijt een regte domme klaas!
+"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas:
+"Zeg, laten ooit de vrome kippen,
+"Een druppel vocht naar binnen glippen,
+"Of rijst niet hun devote kop,
+"In warmen dank ten hemel op?"
+
+
+
+
+
+DE VLIEG.
+
+
+'k Draag geen haat in 't minnend harte;
+Aller welzijn is mijn bee;
+'k Leef met God en mensch in vree,
+En stort tranen bij de smarte;
+Slechts een schepsel voedstert de aard',
+Dat mijn schrikbre gramschap baart!
+
+Afschuw walgt den naam te noemen,
+Van het monster zoo ontieg!
+'t Is--de vuile, vuige vlieg.
+Haar te noemen, is haar doemen!
+Felle wraak besnaart mijn lier,
+Voor die plaag van mensch en dier!
+
+'k Min u, zoele zomerluchten!
+Schaars het deel van ons klimaat!
+Vreugde lacht op elks gelaat,
+Bij uw zoete zielsgenugten,
+Doch, waarom verkleint ge uw gift,
+Door het voorwerp van mijn drift?
+
+'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren,
+Als haar dommelend gebrom,
+Mommelend rondsnort, om en om.
+Waar de mensch, die 't aan kan hooren?
+Niemand dan die zwarte draak,
+Vindt in 't zeur geneurie smaak!
+
+Uitgeleerd in booze treken,
+Rekt zij d' olifanten-snuit,
+Grijpende naar de onschuld uit:
+"Leelke vlieg! is dat daar steken,"
+Weg is ze, als de hand zich heft
+Die den dreiger zelv' nog treft!
+
+Noem de plek, waar ze ooit zich zette,
+'t Allermislijkst zamenstel,
+Dat haar vuilheid niet besmette?
+Tot een walglijk tijgervel,
+Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit
+Vaderlandsche zindlijkheid!
+
+En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel,
+Waar ge uw' dronk of bete plaatst,
+Nergens, waar haar snuit niet aast,
+Niets is veilig voor 't gebroedsel!
+Ja, is 't lijf eerst vet gemest,
+Dan bezoedlen zij de rest!
+
+Gistren, ('k zal het nooit vergeten!)
+Vloog er een afgrijslijk paar,
+Dartlend stoeijend met elkaar,
+Naar mijn aanzigt--wat vermeten!
+Ras herschiep haar lust en keus,
+Tot een huwlijks-spond mijn' neus.
+
+Weet de haat geen gif te zoeken,
+Dat den dood in de adren stort,
+En die pest verderflijk word',
+Door haar slimheid te verkloeken;
+Waarom is de wraak zoo traag,
+Tot de straf' dier helsche plaag?
+
+Komt, ons allen zaan verbonden,
+Wie der vliegen vijand zijt!
+Menschen, vogels, katten, honden,
+Slaat en pikt en krabt en bijt!
+help ook gij ons mee, natuur!
+Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur.
+
+Dat des winters stale krachten,
+Zich met onze kracht vereen';
+Stouter strijd zij nooit gestreen!
+Moge 't zelfde lot haar wachten,
+'t Lot, dat Napjes legertal,
+Eens, in Rusland, bragt ten val!
+
+
+
+
+
+HET MEDAILLON PORTRET.
+
+
+Wij kregen _Kareltje Amoureus_,
+Die dagelijks ons komt vervelen,
+Met ons zijn bijzijn mee te deelen,
+Eens alleraardigst bij den neus!
+Weet dan, zijn zotte liefdeklagt,
+Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken,
+En, schoon haar schalkheid hem belacht,
+Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!
+
+Zoo, stappende als een stootershaan,
+Kwam 't Heertje gistren bij ons aan,
+Alweer verliefd tot over de ooren!
+"Zijn lieve attentie wilde eens hooren,
+"Hoe 't in den huisselijken kring,"
+Sprak hij, "met de gezondheid ging;
+"O! altoos sloeg zijn hart geruster,
+"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis,
+(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!)
+"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"
+
+De Don Quichot van geest en leden,
+Kwam 't woonvertrek dan ingegleden,
+Juist toen een medaillon portret,
+(Iets zweemend naar mijn zuster Jet)
+Ons aller aandacht hield gekluisterd,
+Naauw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert:
+"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand,
+"Schiep u dit beeld ten minnepand!"
+En, van verrukking opgetogen,
+Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!
+
+"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon,
+"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen
+"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!"
+"Niet!" riep hij, en zijn taal verried,
+Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen:
+"Het is de schoonste van de vrouwen,
+"Die door eens schilders kunstpalet,
+"Nog ooit is op ivoor gezet!
+"Wat golvend goud omzweeft haar slapen!
+"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt!
+"Wie, die het niet in liefde ontsteekt?
+"Tot kussen schijnt die mond geschapen!
+"Wat blos versiert de blanke koon--
+"Neen, Venus was niet meerder schoon
+"In lijfsgestalte en wezenstrekken!
+"O! wie de min ten doel mogt strekken,
+"Van haar, die dit bekoorlijk beeld,
+"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld!
+"Een zoentje van dien mond mogt stelen."
+
+"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen,"
+Sprak me oude grootmamatje ras,
+Wier beeld (voor vijftig jaar) het was!
+"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje,
+"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond,
+"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"
+
+Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.--
+
+
+
+
+
+DE VERDRONKEN ACTEUR.
+
+
+De Acteur Jeroen, meestal besist,
+Had zeker 's nachts de straat gemist;
+Want 's morgens werd hij opgevischt,
+Voor elks verwonderde oogen,
+Doch 't graantje had zoo sterk gegist,
+Dat hij, hoe door de gracht verfrischt,
+Van toeten noch van blazen wist,
+Ten spijt van ieders pogen!
+
+Maar stil, daar komt de snuggre Nol,
+Van wien er vier zijn op den hol,
+Daarbij zoo blind nog als een snol,
+Op 't driftigst aangestevend:
+"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol?
+"Zie, zoo natuurlijk speelt de bol!
+"Nooit stierf hij immers in zijn rol,
+"Of steeds werd hij weer levend?"
+
+
+
+
+
+HET PORTRET VAN DEN DOOD.
+
+
+Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet,
+Is, Dood! dees beeldtnis uw portret?
+De Schilder wou u wis begekken!
+Hoe! dit uw houding? dit uw trekken?
+Gij groeide leelijk door uw haar,
+Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar!
+Noch bakkebaard, of zijns gelijken,
+Geen enkel donsje zie ik prijken,
+
+En waar uwe oogen moesten staan,
+Daar kijken holle gaten me aan!
+Uw neus is zeker uit logeren,--
+O! mogt hij spoedig wederkeeren;
+Want toch de gevel siert het huis!
+Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis:
+Die armen schijnen dorre takken,
+Die krachteloos ter neder zakken;
+
+Daar aan de hand, slechts knok en been,
+De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleen!
+Uw borst lijkt wel een traliehokje,
+(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!)
+Waaraan het beestjen is ontvlugt;
+En, tot volmaking van de klucht,
+Kreegt gij voor beenen, lange fluiten;
+Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!
+
+Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is
+Verschrikklijk mooi, die beeldtenis!
+Het is u sprekend weergegeven!
+Geloof me, Dood! gij schijnt te leven!
+En dan dat heerlijk coloriet
+Des Schilders ... wit, al wat men ziet!
+Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend,
+Behoefde een verw slechts ... 't is benijdend!
+Alleen, flatteert hij niet wat mild? ...
+Doch, gekheid op een stokje, wilt
+Gij over 't stuk en zonder fleemen,
+Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen,
+Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen:
+Hoor, 't is een guit, of brekebeen,
+Dat allerliefste Apelles Zoontje!
+'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje,
+Had dus zijn dom of schalksch palet,
+Vol wansmaak me op 't paneel gezet!
+
+Is dat het beeld van u, wiens krachten,
+Reeds zoo veel duizende geslachten,
+Met forschen arm en stalen vuist
+Tot stof en pulver hebt vergruisd?
+Is dat uw uitzigt, dat uw houding,
+Waar eeuw aan eeuwen geen verouding,
+Geen kreuk op hebben neergedrukt,
+De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt?
+En geeft dit misselijk geraamte,
+(O kladderij, der kunst tot schaamte!)
+Uw kloeke leest en aanschijn weer?
+Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer!
+Uw wraak moet hem den kop verpletten,
+Die dus uw beeld ten toon dorst zetten,
+Zoo wage, een magtloos schilderworm,
+Zich nooit weer aan uw' achtbren vorm!
+
+
+
+
+
+DE GEKKEN.
+
+
+En Koen reed weer huiswaarts met ledige wagen:
+Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad!
+Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad!
+"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen;
+Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht--
+Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt!
+
+Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig!
+Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud!
+Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout
+Een Garde-Champetre, maar zotten zijn grappig!
+Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek,
+Den wijste der wijzen een' olijken trek!
+
+Doch nu, hij herleeft weer, de vrees vlood zijn wielen,
+Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd!
+Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd,
+Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen;
+En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee
+Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u mee?"
+
+"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen,"
+Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf,
+"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!"
+"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen--
+En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet:
+"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret.
+
+Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken,
+Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ...
+Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor?
+Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken?
+"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!"
+Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol?
+
+Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen,
+Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ...
+"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen,
+"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen!
+"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft
+De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft!
+
+Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje,
+En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult?
+Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld!
+Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje:
+"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid,
+"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!"
+
+
+
+
+
+STALEN PENNEN.
+
+
+Wat! mijn hand zou ooit zich wennen,
+Aan die harde stalen pennen?
+Hoe de smaak ze hulde doet,
+'k Haat dat schriftbedervend goed!
+Telkens als haar punten sprikkelen,
+Spatten zij wel duizend spikkelen
+Op het hagelblanke vel,
+Tot uw tergend zielsgekwel!
+Dan, door vrekheid weer gedreven,
+Willen zij geen' inkt meer geven,
+En, hoe forsch de hand ook drukt,
+'t Is een kerel, wien 't gelukt,
+'t Krabblend tuig tot deugd te schikken!
+Wordt gij driftig, aanstonds prikken
+Zij met scherp geslepen stift,
+Gat bij gat, in blad en schrift!
+
+Wisten onze voorgeslachten
+Anders dan van ganzenschachten?
+En, wat is ons vuil gevlek,
+Bij hun' zuivren pennetrek?
+Op wat rij van kunstenaren,
+Mogt het juichende oog niet staren,
+Kunstenaars, wier eedle zwier,
+(Of zij tooverde op 't papier!)
+Keur van letters deden vloeijen!
+Voor ons hanepooten knoeijen,
+Had, voorheen, een schoolknaap wat
+Duchtig met de plak gehad!
+Ja, de kunst van sierlijk schrijven,
+Zag men reeds zoo ver verdrijven,
+Dat men, draaglijk schrift, verheft
+Of het oog een wonder treft!
+
+Fraaije kunst! schoon 't staal u bande,
+Keer, o keer weer in den lande!
+Breng ons, nutte ganzenveer!
+Breng ons de eedle schrijfkunst weer!
+
+
+
+
+
+MIJN GROOTJE.
+
+
+Rees mijn Grootjen uit het graf,
+(Ach, voor vijf en dertig jaren
+Brak de draad haars levens af ...)
+Met wat oogen zou ze staren,
+Zag zij al de nieuwigheid,
+Hier en daar in 't rond verspreid!
+
+Ja, zij meende 't was een droom,
+Zag ze molens zonder wieken,
+Voortgestuwd door kracht van stoom,
+Met fabrijken en trafijken;
+En, in 't werken zoo gezwind,
+Dat het af schijnt eer 't begint!
+
+Zag ze schepen zonder zeil,
+Bliksemsnel langs 't water glijden,
+Tal van wagens op hun rail,
+Vliegend, zonder paarden, rijden;
+"Ik geloof me zelven niet,"
+Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!"
+
+Zag ze, met den knijpbril op,
+'t Luchtschip boven de aarde zweven,
+En, ten spijt van 't golvend sop,
+Als een peil door 't zwerk gedreven,
+(Wanneer vangt de proef weer aan?)
+Hoe verbijsterd zou zij staan!
+
+Zag ze de onnaspeurbre kracht,
+Waar het goochlend magnetisme,
+'t Menschdom mee aan 't duizlen bragt,
+Of het toovrend galvanisme,--
+Zeker vroeg haar angstgekwel:
+"Is de Duivel ook in 't spel?"
+
+Sloeg zij eens de werking ga,
+Der atmosferieke drukking,
+Die uw hooge geestverrukking
+Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_!
+Werking, waar de stoom voor zwicht ...
+Wie beschrijft haar aangezigt?
+
+Oxigene-Microscoop!
+Bragt gij al de monsterdieren
+Die, in wriemelenden loop,
+Door een' druppel waters zwieren,
+Voor heur sidderenden blik,--
+Zij bestierf van louter schrik!
+
+Las zij, hoe ons Handelsblad (1),
+Ook de huwlijks-koersen teekent;
+Der verliefden beeld bevat!
+Teederder om weermin smeekend,
+Naar de markt is, laag, of hoog,--
+Schaamte sloot haar zedig oog!
+
+Doch, hoe turend keek ze wel,
+Als zij honden kaart zag spelen?
+Vlooijen op het krijgsbevel,
+In soldaten zich hertelen?
+Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,)
+Dienen ze eens het land in nood!
+
+'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas
+Kaars en olie wreed verbande;
+Nieuwheidszucht het oude, als was,
+Gansch herkneed heeft in den Lande;
+"Salomo," zoo riep zij wis,
+"Had het dan toch duchtig mis!"
+
+Maar, deed Grootjes liefdrijk hart,
+Broeders! eens de vraag aan de aarde:
+"Hebt ge, o aard! nu minder smart,
+"Dan voor gij die wondren baarde?"
+Wat zou 't antwoord wezen, dat
+Grootje dan te wachten had?
+
+
+ * * * * *
+
+(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de
+huwelijks-aanvragen.
+
+
+
+
+
+GERUST IN DE ONSTUIME BAREN.
+
+(_Spreuk van Willem den Eerste._)
+
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren;
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+Cesar, prooi der woeste stroomen,
+Weet de vrees zijns volks te toomen,
+Door zijn kalm en rustig woord:
+"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen?
+"Hebt gij niet, in spijt der vlagen,
+"Cesar en 't geluk aan boord?"
+
+Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden,
+Deed zijn heir ten strijd ontbranden,
+Schoon aan d' afgrond van 't verderf;
+En Oranje's legervanen,
+Doen Albertus krijgsroem tanen,
+Maurits rust behoudt het erf.
+
+Eerste Willem, Neerlands Vader!
+Zelfs bij 't lood van den verrader,
+Bleef uw spreuk uw trouwe tolk:
+Treffe een Gerards u moorddadig,--
+"Wees, o God! mijn ziel genadig,"
+Bidt gij--"en dit arme volk!"
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren,
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+
+
+
+
+EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM.
+
+(_Spreuk van Maurits._)
+
+
+De vrije Nederlanden
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag, aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard',--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver;
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+Het hemeltergend Spanje
+Hoont Neerlands goed en bloed,
+Maar Neerland en Oranje,
+Ontvlamt in Heldenmoed!
+"Wat! droppel aan den emmer!"
+Brult Spanjes schepterklemmer,
+"Wat wil uw ijdle droom?"
+Doch, drupjes worden vloeden,
+Die toomeloos vaak woeden,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De noeste Koopvaardije,
+Met welvaart op 't gelaat;
+De bloei der maatschappije,
+De zenuw van den staat!
+Wier altoos volle horen,
+Haar goud, bij goud trezoren,
+Ontlast met milden stroom;
+Ofschoon uit niet gesproten,
+Wie telt heur rijke vloten?
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Gij, landbouw en gij veeteelt,
+Gezegend tweelingpaar!
+Die zoo veel wellust meedeelt,
+Waarheen het oog ook staar';
+Uw welige akkers bloeijen,
+Uw malsche kudden loeijen,
+En geven enkel room!
+Hoe klein gij zijt begonnen,
+Wat schat hebt gij gewonnen ...
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Zie, Kunst en Wetenschappen,
+Veredelen den geest!
+Wie hoog staat op heur trappen,
+Is ook eens laag geweest!
+Maar langzaam opgeklommen,
+Tot hare heiligdommen,
+Met telkens minder schroom;
+Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen,
+De kroon der eere glimmen,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De vrije Nederlanden,
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard,--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver,
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+
+
+
+
+VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND.
+
+(_Spreuk van Frederik Hendrik._)
+
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Was Fredrik Hendriks leus.
+Zijn trouwe deed die leus gestand,
+Die ridderlijke keus;
+Het lemmer aan zijn zijde,
+Vloog hij verrukt ten strijde,
+En toonde door zijn' moed,
+Den oorsprong van zijn bloed!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Verwoei zijn blikkrend zwaard;
+De vijand vlood met schade en schand',
+Voor 's Pruisen heldenaard!
+Laat Flips het zelf getuigen,
+Wat steden moesten buigen,
+Voor Nassau's wrekend staal,
+In dappre zegepraal!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland!
+Was naauw zijn' mond ontgleen,
+Of de onverbreekbaarste eendragtsband
+Bond Vorst en Volk aaneen!
+Uw tooverwoord, Oranje!
+Betemde 't matig Spanje,
+En Neerland vocht zich vrij,
+Van snoode dwinglandij!
+
+
+
+
+
+DEUGD SCHEPT VREUGD.
+
+(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._)
+
+
+Deugd
+Schept vreugd;
+Heerlijk woord!
+Grijze en jeugd!
+Zegt het voort,--
+Wijs, die hoort!
+
+Baat
+Het kwaad;
+Kwaad teelt smart,
+Vroeg, of laat,
+Voor het hart;
+Dwaas, die 't tart!
+
+Houw
+En trouw,
+Aan de deugd!
+Op haar bouw',
+Grijze en jeugd,--
+Deugd schept vreugd!
+
+
+
+
+
+ELCK WAT WILS.
+
+(_Spreuk van Roemer Visscher._)
+
+
+Bart en Art en Art en Bart,
+Ruilden zamen hart voor hart!
+Maar hun vrijen zal niet baten,
+De Oudjes hebben 't in de gaten ...
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Jan en Griet, uw huwlijks-schip
+Zeilt nog vast op bank en klip!
+'t Laat zich uit uw oog wel lezen,
+Ieder wil graag hoofdmast wezen--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid
+"Zij ons zielesnoer geleid!"
+Maar, na weinige oogenblikken,
+Komt de twist dat snoer ontstrikken;
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Heerschers van het aardsch gebied,
+Stelt uw vreugd in d' oorlog niet!
+Spaar, o Groote Potentaten!
+Spaar het bloed der Onderzaten!
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+O! die spreuk van d' ouden Bard,
+Zij de spreuk van aller hart!
+Doch de lust leer' zich bestrijden,
+Van die spreuk niet te overschrijden--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Elk wat wils, maar, liefdrijk God!
+Niet in uw volmaakt gebod!
+Wilde daar ook elk wat willen,
+'t Ware uw wijze leer bedillen...
+God! o hater des geschils,
+Zijn wij steeds met U eenswils!
+
+
+
+
+
+GENOEGH IS MEER.
+
+(_Spreuk van Anna Visscher._)
+
+
+Het daaglijksch brood--
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+Is hij slechts rijk,
+Wiens woekrend slijk,
+Al hooger klimt,
+Al heller glimt?
+
+Hij arm, wie niet
+Dien goudberg ziet?
+Wiens eerlijk zweet
+Hem kleedt en reedt?
+
+o Gij, beslis,
+Ervarenis!
+Uw wijze stem,
+heeft kracht en klem:
+
+"Tevredenheid,"
+Zegt zij, "bereidt
+"Het beste deel,--
+In weinig veel!"
+
+Het daaglijksch brood,
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+
+
+
+
+ELCK ZIJN WAEROM.
+
+(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._)
+
+
+Elk zijn waarom, sprak Tesselscha,
+En o! zij had het regt;
+Die spreuk is zonder wederga,
+De ervaring doet haar regt;
+Want hoe men cijfert, dit 's de som:
+Elk mensch op aard heeft zijn waarom!
+
+Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer
+En God zij dank en lof;
+Hij wierp ons niet op aarde neer,
+Als wormen in het stof;
+Zijn vaderliefde rigt ons oog,
+Naar 't zielvereedlendst doel omhoog!
+
+Maar, wee hem! die dat doel weerstreeft,
+Zijn' boezem ingeplant;
+Het hart eene andre rigting geeft,
+Tot eigen schade en schand!
+Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch,
+Misbruikt tot hoon van God en mensch!
+
+Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk
+Ons aller wenschend wit;
+Die spreuk zoo rein van smet en kreuk,
+Waar de eelste les in zit!
+Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard,
+Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'!
+
+
+
+
+
+ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN.
+
+(_Spreuk van Jacob Cats._)
+
+
+Lieve Vader Cats! wat schat
+Niet uw schoone spreuk bevat!
+Onder welke luchtgewelven,
+Op wat land het oog ook staart,
+Elk spiegele zich zelven,
+Die spreuk geldt voor heel de aard'!
+
+Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad
+Onpartijdig met u raad;
+Durf in eigen boezem delven;
+Zie wiens beeldtenis gij draagt,--
+Elk spiegele zich zelven,
+Eer hij zijn lot beklaagt.
+
+Judas, die zijn' Heer verried,
+Spiegelde zich zelven niet;
+Hebzucht bande pligt en rede;
+Jezus jongrental werd elf ...
+Wacht u voor de eerste trede,
+Elk spiegele zich zelv'!
+
+
+
+
+
+'T KAN VERKEEREN.
+
+(_Spreuk van Bredero._)
+
+
+Niets bestendig,
+Alles endig,
+Wat de wislende aard' bevat;
+'t Kan verkeeren,--
+Dat te leeren,
+En, wie vreest Fortuna's rad?
+
+Lieve schoone!
+Die de kroone
+Der ontloken jongheid draagt,--
+Ach, de jaren,
+Die niets sparen,
+Hebben ras uw schoon gevaagd!
+
+Aardsche Magten,
+Die uw krachten,
+Onverwinbre krachten waant,--
+'k Zie uw rijken
+Reeds bezwijken,
+En uw glorie-zonne taant!
+
+o Hoe groeijend,
+o Hoe bloeijend,
+Was der Vadren Koopvaardij!
+Maar verzwonden
+Zijn die stonden,
+Zelfs geen schaduw bleef ons bij!
+
+Doch in eere,
+Wat verkeere,
+Blijve Neerlands houw en trouw;
+Neerlands rondheid,
+Neerlands promptheid,
+Zij de steun van 't staatsgebouw!
+
+
+
+
+
+HORA RUIT (1).
+
+(_Spreuk van Hugo de Groot._)
+
+
+De tijd vervliegt,--
+Vlugger dan een paard,
+In zijn vleugelvaart,
+Door geen kracht te toornen!
+De tijd bedriegt,--
+Wie op hem betrouwt,
+heeft op zand gebouwd,
+Heeft geloofd aan droomen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Sneller dan het licht
+Van een' bliksemschicht,
+In het niet verdwenen!
+De tijd bedriegt,--
+Als een leugengeest,
+Die den mensch beleest,
+Lagchende in zijn weenen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Wakkere de Groot!
+Maar, hoe ras hij vlood,
+Kon hij u bedriegen?
+De tijd bedriegt,--
+Daarom nam uw keuz',
+Ook die spreuk ten leuz',
+Lettende op zijn vliegen!
+
+ * * * * *
+
+(1) De tijd vervliegt.
+
+
+
+
+
+PEUT-ETRE (1).
+
+(_Spreuk van Hendrik van Brederode._)
+
+
+Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind,
+Van welk eenen kant het moog' waaijen;
+Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind,
+Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen!
+Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebien?
+ Misschien.
+
+Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt,
+De jongen is ganschlijk beteuterd;
+Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt,
+Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert!
+Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien?
+ Misschien.
+
+Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht,
+Hij leeft en beweegt in zijn glorie;
+Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt,
+Bekraait slechts zijn haan met victorie!
+Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien?
+ Misschien.
+
+De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol,
+Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen;
+'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol,
+Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen!
+Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'?
+ Misschien.
+
+ * * * * *
+
+(1) Misschien.
+
+
+
+
+
+REPOS-AILLEURS (1).
+
+(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._)
+
+
+Als de baren u vervaren,
+Op de onstuime zee,
+Laat de hoop uw' geest bedaren,
+Op een stille ree;
+Schoon de noodstorm u onthutst,
+ Elders rust.
+
+Pelgrim, door de dorre zanden,
+Van dees rarnpwoestijn!
+Laat de dorst uw keel verbranden,
+Doet de togt u pijn,--
+Eens wordt al uw leed gesust,
+ Elders rust.
+
+Ja, het leven is doorweven,
+Met veel smart en rouw;
+Maar Gods woord is ons verbleven,
+En Gods woord is trouw;
+Worde ook 's levenslamp gebluscht,
+ Elders rust.
+
+ * * * * *
+
+(1) Elders rust.
+
+
+
+
+
+VITA MORTALIUM VIGILIA (1).
+
+(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._)
+
+
+Een nachtwake is het leven,
+De wieg grenst aan het graf;
+Wij jagen en wij streven,
+Door de aardsche disteldreven,
+Als brak het nimmer af!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Roemzuchtig oorlogsheld!
+Hoe hoog in magt verheven,
+Het is den dood om 't even,
+Ras ligt ook gij geveld!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Moed, lijdende onschuld! moed,
+Waartoe dat angstig beven?
+Uw webbe is haast geweven,
+De dood, uw redder, spoedt!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Meedoogenlooze vrek!
+'t Gaat alles u begeven,
+Waaraan uw hart blijft kleven,
+Dra roept de dood: "vertrek!"
+
+Een nachtwake is het leven,
+Dat elk zijn ziel bereid'!
+Want o! er staat geschreven,
+In 't woord aan ons verbleven:
+"Op tijd, volgt eeuwigheid!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake.
+
+
+
+
+
+GETROUW.
+
+
+Foei, Hendrik! is dat mallen!
+Foei, is dat dartel kallen!
+Wat hebt gij ze in de mouw ...
+Gij stoeit altoos met Mina
+En gaaft uw woord aan Lina,
+Is, wufthoofd! dat getrouw?
+
+Gaat, jongen! gij in 't vrijen
+Reeds zoo het pad bezijen,
+Hoor, hoe ik het beschouw:
+Pas heeft u de echt verbonden,
+Of gij hebt d' echt geschonden,
+Uw liefde is niet getrouw!
+
+En maakt u 't huwlijk vader;
+Wie, die uw kroost ten rader,
+Zijn pligten het ontvouw'?
+Ach, naar uw' boozen handel,
+Rigt ook het kind zijn' wandel,
+Uw voorbeeld steeds getrouw!
+
+Uw snoode deugdonteering,
+Bant nering en hantering,
+Wat wordt van kroost en vrouw?
+Een worm moet u doorknagen,
+Als nooddruft hen doet klagen:
+"Gij waart ons niet getrouw!"
+
+Is dat uw burgerpligten,
+Betamelijk verrigten,
+Tot steun van 't staatsgebouw?
+Gij ziet door elk u haten,
+Als de ergste pest der staten,
+In niets zijt gij getrouw!
+
+O! laat uw jeugd nog raden!
+Vlied, vlied, de onkuische paden,
+Door tijdig naberouw!
+Gij weet, Gods woord verkondigt:
+"De straf volgt hem, die zondigt,"--
+Gods woord, het is getrouw!
+
+
+
+
+
+'T UUR IS DAAR!
+
+
+"'t Uur is daar!
+"Moedig maar!
+"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje,
+"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje;
+"'t Uur is daar,
+"Voor het toevend echtaltaar!"
+
+"'k Gaf mijn hand,
+"U ten pand,"
+Antwoord ze onder lieflijk blozen,
+"'k Heb voor duizend u verkozen,--
+"'t Uur is daar,
+"Zegen ons, Alzegenaar!"
+
+En nu hecht,
+De eerbare echt,
+Trouwe Twee! uw zielen zamen;
+'s Priesters mond zegt plegtig, Amen!
+'t Uur is daar,
+Veel geluk, beminlijk paar!
+
+Blijde stond!
+'t Jaar verzwond,
+En aan Elsjes blanken boezem,
+Prijkt een frissche huwlijksbloesem;
+'t Uur is daar,
+'t Zaligst uur, voor hem en haar!
+
+Treft hun hart,
+'s Levenssmart,--
+Koen wijst Elsje naar den Hoogen,
+Zegt en wischt heur schreijende oogen;
+'t Uur is daar,
+"Maar God helpt soms wonderbaar!"
+
+Als 't verdriet,
+Henenvliedt,--
+O! dan spreekt weer Elsje teeder:
+"Knielen wij eerbiedig neder,
+"'t Uur is daar,
+"Onzer dankbee na 't gevaar!"
+
+Moet een pligt,
+Nog verrigt,--
+Beiden brengen, kloek van zinnen,
+Aan hun' geest dien pligt te binnen;
+"'t Uur is daar!"
+Zeggen zij dan tot elkaar.
+
+Vroeg ontbood,
+Hen de Dood--
+Doet die roepstem hun niet beven?
+Neen, zij laten kalm het leven;
+'t Uur is daar,--
+Maar tot de afreis zijn ze klaar!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKS-LIEDJE.
+
+
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar opent zich het hart;
+Daar geven zang en gulle kout,
+Het zielestreelendst onderhoud;
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar vlugten druk en smart!
+
+Klink' blij van geest,
+Dan op dit feest,
+En stem en citersnaar;
+Waar liefde en trouw verbonden sluit,
+Daar dreune en davre 't zanggeluid,
+Klink blij van geest,
+Dan op dit feest,
+Een lied voor 't jeugdig paar.
+
+Geluk en vree,
+Is aller bee,
+Geliefden! voor uw lot;
+Ons hart blijft aan uw heil gehecht,
+Des Hoogsten zegen kroone uw' echt;
+Geluk en vree,
+Is aller bee,
+Verhoor die bede, o God!
+
+
+
+
+
+DE OOIJEVAARS.
+
+
+Hoezee! daar komen de Ooijevaars
+Weer fladdrende aangevlogen!
+Zijt welkom, lieve Klepperaars!
+Met vreugd zien u mijne oogen.
+Zijt welkom uit het vreemd gewest,
+Strijkt neder op het toevend nest!
+
+Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit:
+"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen?
+"De wintervorst is heengebruid,
+"De schepping staat herschapen!
+"De lente is daar, het huis ontvlugt,
+"Naar buiten, in Gods vrije lucht!"
+
+o Vogels! welk een bron van vreugd,
+Doet niet uw komst weer stroomen!
+Een welkomthuis, zoo vol geneugt ...
+Wie had het kunnen droomen?
+'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart,
+Nog meerder giften schenkt aan de aard'!
+
+Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis
+Waarop ge uw' zetel stelde,
+Bevrijd van druk, bevrijd van kruis,
+Zoo als de faam vermeldde?
+Hoe 't zij, 't is zeker en gewis,
+Dat elk uw komst tot blijdschap is.
+
+Hoog wordt ge in Nederland geacht,
+Uw regten zijn er heilig;
+Waar ge ook uw woonstede overbragt,
+Zijt ge ergens meerder veilig?
+Want wee de hand, die in ons oord,
+Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!
+
+Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag
+U in zijn wapen leven?
+Daarheen wendt zich de blik zoo graag,
+Wanneer ge ons hebt begeven;
+Dan juicht het harte blij gezind!
+Gij zijt het sprekend, beste vrind!
+
+Doch, vogels! niet aan dos, of zang,
+Zijt gij die eer verschuldigd,
+Uw deugd voert u tot d' eersten rang,
+Uw deugd, die de aarde huldigt;
+Want kuischheid woont in uw gezin (1),
+Bij ouderliefde en kindrenmin.
+
+Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond
+Wordt lagchende u ontsloten,
+Geniet de weelde van deez' stond,
+Teerminnende echtgenooten!
+Een frisch gepluimte, u beider beeld,
+Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!
+
+En als gij tegen 't koud saizoen,
+Met de uwen weer gaat trekken,
+En we allen uitgeleide u doen,
+Zoo ver het oog kan strekken;
+Dan roept nog de echo duizend keer:
+"Geluk op reis, komt haastig weer!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.
+
+
+
+
+
+OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN.
+
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+Hij droeg de grijze kroon
+Der zilverblanke opregtheid,--
+Geen Koningskroon zoo schoon!
+
+De nutte boerenstand,
+Werd aan zijn vlijt tot werkkring
+Beschikt van Hoogerhand!
+
+Was landbouw al zijn lust,--
+Nu scheen de schoot der aarde
+Na d' arbeid, zoete rust!
+
+Geen hartelijker vrind,
+Schonk immer de verkeering;
+Hem minde grijze en kind!
+
+Zijn leuze als echtgenoot,
+Als teederste aller vaders,
+Was: "trouw tot in den dood!"
+
+Hij stelde op eenvoud prijs,
+Aartsvaderlijke zeden!
+Gij waart zijn levenswijs.
+
+Ofschoon noch rijk, noch arm,
+Mogt hij de nooddruft steunen,
+Dan sloeg zijn harte warm.
+
+Naar hem de wet beval,
+Zoo minde hij zijn naasten,--
+Maar o, God bovenal!
+
+Op Christus zoenverbond,
+Was al zijn hoop gevestigd,
+Tot in zijn' jongsten stond!
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' FAT.
+
+
+Gij, zoo erbarmelijke Fat!
+Die uw kleedij het hoogste schat,
+U zelv' vergoodt en wendt en keert,
+En als een paauw in 't rond _spanceert_!
+Die, rusteloos, u elken dag
+Versiert met telkens bonter vlag;
+Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht
+Aan d' oorsprong van de kleederdragt?
+Hoe zij der zonde kenmerk is,
+Het toonbeeld der verdorvenis?
+
+En gij, o bontgetooide pop!
+Gij flikt en kwikt en strikt u op,
+En weet niet, dat u juist verneert,
+Hetgeen gij waant, dat u vereert ...
+Waardoor ontstond in 't paradijs
+Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.
+
+Geloof me, een waarlijk kloeke geest,
+Kiest zich een kleed naar vorm en leest;
+Naar jarental en luchtklimaat,
+Een eerbaar kleed, naar rang en staat!
+Een kleed, dat ieders achting wekt,
+En niet den spot ten lach verstrekt.
+
+
+
+
+
+DE LACH.
+
+
+'k Zing, door vreugd gedreven,
+De eelste gift van 't leven;
+'k Juich, dat ik het mag!
+'k Zing het blijdschaps-teeken,
+(Wijkt, o tranen-beken!)
+'k Zing den lieven lach!
+
+Jongling! kent ge op aarde,
+Schat van grooter waarde,
+Dan den lach der min?
+Wat den boezem griefde,
+'t Lachje van de liefde,
+Balsemt ziel en zin!
+
+De eerste lach van 't wichtje,
+Op het lief gezigtje,
+Door het oog bespied,--
+Teedre lach van d' Engel ...
+God! wat heilgemengel!
+Ouders! gij geniet.
+
+Bij het leverschudden,
+Als de lach met mudden
+Vreugde en blijdschap meet,--
+'t Droevig stofgewemel,
+Wordt een blijde hemel,
+Waar is, aarde! uw leed?
+
+Troost! als ge onschulds smarte,
+In het treurend harte,
+Medelijdend sust,--
+Laat zich op haar wezen,
+'t Kalme lachje lezen,
+Dat in God berust.
+
+Zaagt gij ooit de dieren
+Lagchend vreugde vieren,
+Hoe verheugd van geest?
+Juich! ook 't lachvermogen,
+Mag u, mensch! verhoogen,
+Boven 't reedloos beest!
+
+Wie zijn strakke trekken,
+Nooit ten lach voelt wekken,
+Vlied den norschen draak!
+Schoon u 't purper kleedde,
+Wreede Flips de Tweede!
+Vlood de lach uw kaak (1).
+
+Lach! o te aller stonden,
+Waart gij naauw verbonden
+Aan de blanke deugd;
+De edelste der gaven,
+Smaken slechts de braven,
+'t Lachje van geneugt.
+
+Want, de lach der boosheid,
+Die der valsch- en loosheid,
+Waanzin, wanhoops-lach,--
+Wie dat lach kan heeten,
+Is den lach vergeten,
+En ziet nacht voor dag.
+
+Molmen bint en stutte,
+Van mijn leemen hutte,
+Dat de dood ze sloop',
+Moge, in 't laatst van 't leven,
+Slechts mij 't lachje omzweven,
+'t Lachje van de hoop.
+
+ * * * * *
+
+(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede
+nooit lachte.
+
+
+
+
+
+HET WEESJE.
+
+
+Zuigling van uw wieg af wees?
+Welk een booze ster verrees,
+Die uw' prilsten levens-stond,
+Zoo veel bittren rampspoed zond?
+Was uw eerste levenskreet,
+Dan een voorgevoel van 't leed,
+Dat u, van uw wiegjen af,
+Zou vervolgen tot aan 't graf?
+
+Jongske! hoor, er heerscht een magt
+Over 't menschelijk geslacht,
+Die met toorneloos geweld,
+Alles in haar boeijen knelt;
+Die geen medelijden voedt,
+In het altoos koud gemoed,
+Maar met onbewogen hart,
+Neerziet op de diepste smart:
+Die de ga, der gade ontrukt;
+d' Ouden staf, naar 't graf gebukt,
+Wreedelijk berooft van 't kroost,
+Al zijn steunsel nog en troost:
+Die, eer 't pasgeboren wicht,
+De oogjes opende voor 't licht,
+Reeds zijne ouders van hem nam ...
+'t Was uw lot, onschuldig lam!
+Kind! die schrikbre dwingeland,
+Die der wereld vreugd verbant,
+En slechts waarschuwt met den stoot,
+Is, (verbleekt gij?) is de dood!
+
+Wichtje! welk een zielsgenot
+Kroonde uw ouders huwlijkslot!
+Al de droomen hunner jeugd,
+(Zoete droomen, vol geneugt'!)
+Duizendwerf elkaar gezegd,
+Ja, nog meer, vervulde de echt!
+
+Zie, het zaligst levensuur,
+Zet hun volle borst in vuur,
+Nu het lagchende verschiet
+Nooit gesmaakten wellust biedt!
+O, een telg ... maar God! wat rouw
+Overvalt de blijde vrouw? ...
+Bange vrees en angst en schrik,
+Spreken uit uw moeders blik:
+"Dierbre gade!" gilt zij uit,
+Maar reeds mist hij zijn geluid,
+Plotsling zeeg haar zielsvriend neer,
+Kind! gij hebt geen' vader meer!
+
+Is het al niet--zwaarder ramp,
+Ongeboorne! wacht ten kamp,
+'t Uur van barensnood breekt aan,
+Kon uw moeder 't wee weerstaan? ...
+Angst en doodstrijd zijn gestreen,
+Arme Wees! gij staat alleen.
+
+Hulpelooze onnoozelheid!
+Knaapje! dat zoo bitter schreit,
+En slechts tranen drinkt voor zog,
+Ach! waartoe bestaat ge toch?
+Waarom velde de eigen hand,
+Niet met de ouders, ook het pand,
+'t Had, van rampen onbewust,
+Sluimrende aan hun borst gerust;
+Dood! waarom gescheiden, 't geen
+Wat het leven smolt tot een?
+
+Wie erbarmt zich uwer, kind?
+De aarde is vaak zoo schaars gezind,
+Tot meewarig helpen, van
+Wie zij hulp onttrekken kan.
+Geeft niet iedre wezenstrek,
+Een bewijs van uw gebrek?
+En het nijdig noodlot zendt,
+Honger, kommer, ziekte, ellend'!
+Hoe verlaten nooddruft kermt,
+Niemand, die zich 't wicht ontfermt!
+Niemand? Zwijg, Godlastrend woord,
+Eer de Hemel zich verstoort,
+Om uw schuldig albedil,--
+God is liefde! mensch, zwijg stil.
+Zie, het Alziend Vaderoog,
+Ziet genadig van omhoog,
+Op het klagend wichtje, dat
+Zonder God geen' redder had.
+Hij, die 't muschje niet vergeet,
+Zag des Weesjes droevig leed,
+En het lachje van genugt',
+Jaagt de traantjes op de vlugt!
+Eer vergeet de moederborst,
+'t Lesschen van des zuiglings dorst,
+Eer Hij de onschuld hulploos laat,
+Die ter prooi aan 't onheil staat!
+
+Moed dan, Weesje! God vertroost
+Steeds het ouderlooze kroost;
+Weert hun nooddruft, stilt hun pijn,
+En wil zelfs hun vader zijn!
+Ja, roept niet zijn eigen Zoon,
+Op den minnelijksten toon,
+In het teederst liefdeblijk,
+Kindren voor zijn Koningrijk?
+
+Vrage dan verblinde waan
+Naar het doel van uw bestaan,
+Om het grievende gemis,
+Dat uw jeugd beschoren is;--
+Kind! opregte Godvrucht staart
+Op een hooger wit dan de aard',
+Deernis voedende in uw' druk,
+Juicht zij toch in uw geluk!
+
+Nu dan, teedre bloesemknop!
+Groei en luik voorspoedig op!
+'t Schrikkelijke noodweer vlugt
+Reeds voor zoeler, milder lucht:
+Zie, de beste Hovenier
+Geeft uw jeugdig leven tier,
+Hij bewaakt u en aanschouwt,
+Hoe ge uw bladertjes ontvouwt.
+Stel zijn zorgen niet te loor,--
+Breke straks het vruchtje door,
+Dat, met blosjes lief en zacht,
+Rijpende ieder tegenlacht!
+O dan wordt gij, jonge bloem!
+Eenmaal nog der wereld roem,
+En het juichende aardrijk looft,
+Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKSVEREENIGING.
+
+(_den 8 October 1842._)
+
+
+Wat hooge vreugd vervult den Koning?
+Wat innig heil de Koningin?
+Wat plegtigheid doordringt de woning,
+Van Neerlands eerste huisgezin?
+Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ...
+Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?
+
+Het huwlijks-altaar staat te branden;
+Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt;
+De dienaar Gods heft hart en handen,
+Daar hemelsche aandrift hem bezielt:
+Hij smeekt voor 't neergeknielde paar,
+Den zegen van d' Alzegenaar!
+
+En zie, alsof een hand van boven,
+Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt,
+Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven,
+Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt,
+De priester hecht in 's Heeren naam,
+Door 't snoer des echts twee harten zaam!
+
+Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'?
+Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk?
+Wie? Neerland! laat uw' juichtoon hooren!
+Sophia, 's lands Prinsesse, schonk
+Aan Weimars Hertog, hart en hand;
+Geen schooner echt kwam ooit tot stand!
+
+Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders!
+Geluk in 't voorregt van uw kroost!
+Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders
+Maar o! deez' blijde dag schenkt troost!
+Heil u ook, pas verbonden Twee!
+'s Lands bee volgt u tot Weimar mee!
+
+
+
+
+
+DRIFT.
+
+
+Onbezonnen drift, versmoort
+Iedre vreugde-vonk, en stoort
+'s Levensheil op aarde;
+Hoe de glimp haar kwaad verbloemt,
+Liefderijke eensgezindheid doemt
+Die steeds tweedragt baarde.
+
+Zie, naauw is haar toorn ontbrand,
+Of oploopendheid verbant
+IJlings pligt en rede;
+Vreugde kent geen kortswijl meer,
+Als in 't lagchende weleer,
+Want haar leuze is: vrede!
+
+Maar smelt' laster ook heur' naam?
+'k Hoor haar deugden door de Faam
+Toch zoo luidkeels prijzen:
+"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad,
+"Goed van inborst, schuwt ze een daad,
+"Die haar ziel doet ijzen!"
+
+IJzen? Wie der lippen wacht,
+In zijn razernij veracht,
+Doet beraad hem spreken?
+Welk geheim de heethoofd weet,
+'t Staat al loerende gereed
+Uit den mond te breken!
+
+Drift is als een dolle hond,
+Die wreedaardig ieder wondt,
+In zijn blindlingsch woeden;
+Ach! zij deed met fellen beet,
+Zoo meedoogenloos als wreed,
+Menig harte bloeden ...
+
+Wie verstandig heeten wil,
+Wie goedhartig, haat de gril,
+Om, bij beuzelingen,
+Elk tot spotternij en schrik,
+Plotsling, ieder oogenblik,
+Uit zijn vel te springen!
+
+
+
+
+
+DE LASTER.
+
+
+Hoe de laster smaal',
+En door vuige taal,
+Deugd haar kroon bezwalke,--
+'t Schendend lipvenijn,
+Schoon het de aard' verschalke,
+God verblindt geen schijn!
+
+Zie, de nevel zwicht,
+Voor het zonnelicht,
+Dat de waarheid bloot leit;
+En de pest der aard',
+Staat, in al zijn snoodheid,
+Naakt geopenbaard.
+
+Wat zijn helsche togt,
+Gruwlijks zamenwrocht,
+Tot zijn naastens smarte,--
+'t Plet zijn' eigen kop--
+God doorzag zijn harte,
+En stond wrekend op!
+
+
+
+
+
+EENVOUD (1).
+
+
+Eenvoud, beminlijke schoone!
+Nog nooit naar verdienste geschat;
+Van iedre schoone de kroone,
+En toch op uw schoonheid niet prat;
+Die zinloozen pronk kunt versmaden,
+Hoe wansmaak er gapende op tuur,--
+U hullende in eigen gewaden,
+In 't hemelsche kleed der Natuur!
+
+De gordel der liefelijkheden,
+Die Ciprus haar tooverkracht gaf,
+Versiert uw bevallige leden,
+Zij stond, bereidvaardig, dien af:
+"U," sprak zij, "u moet hij omhullen,
+"Wie meerder dan gij is hem waard?
+"Die zoo veel geluk zult vervullen,
+Tot zegen der jubelende aard!"
+
+En evenwel, weinige aanbidders
+Voor u in het blinkende staal;
+Bestegen de meeste der ridders,
+Voor vreemdere kleur niet het zaal?
+Waar 't letterveld ook wordt ontsloten,
+Voor strijders verhit op den krans,
+Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten,
+Schaars breekt men voor Eenvoud een lans!
+
+Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde,
+Het leven had vreugdvoller loop;
+Wie ooit op uw weldaden bouwde,
+Beschaamdet gij nooit in zijn hoop!
+Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven,
+Of waar zich uw voetdruk bevindt,
+'t Krijgt alles een krachtiger leven,
+Een lieflijker aanschijn en tint.
+
+Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt,
+In lusthof, in bosschen en beemd,
+Een meer dan Arkadische schoonheid,
+Die 't kluistervaste oog er verneemt;
+Had bouwlust in steden en dorpen,
+Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt,
+Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen,
+Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht!
+
+Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde
+Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst!
+Wie gij tot het priesterschap wijdde,
+In 't heerlijk gebied van de kunst!
+Wat lauwer op aarde verdorde,
+Zijn eerloof tart tijden en lot,
+Met regt prijkt een Cats in uwe orde,
+Maar Swaanenburgs naam werd ten spot!
+
+Door Eenvoud is Neerland verrezen
+Uit modderig slijk en moeras;
+Door Eenvoud, kan Neerland weer wezen
+Zoo groeijend en bloeijend als 't was;
+Den weg, door de Vadren betreden,
+Wijst Eenvoud het nakroost nog aan,
+Daar slechts kan, bij deeglijke zeden,
+En welvaart, en kunstschoon ontstaan!
+
+ * * * * *
+
+(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met
+mijn doel overeenkomt.
+
+
+
+
+
+AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR.
+
+
+Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt,
+Uw geestlijk oog aanschouwt een licht,
+Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister:
+Gij voert, door 't zuiverst toongeschal,
+U in dat rijk, waar hemelval
+Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister!
+
+
+
+
+
+DE MUIS.
+
+
+In mijn' leuningstoel gedoken,
+Bij het scheemren der Natuur,
+Voor de gure winterspoken,
+Veilig bij mijn haardstee-vuur,
+Door verbeelding, in 't verleden,
+In de toekomst en het heden,
+Tooverende rondgeleid,
+In het groot geheel verloren ...
+Wat geridsel laat zich hooren,
+In mijn peinzende eenzaamheid?
+
+Uit een klein behangselgaatje,
+Kruipt, door honger aangespoord,
+Trillende als een popelblaadje,
+Een vreesachtig Muisje voort:
+In en uit heur holtje sluipend,
+Luistrend om zich henen gluipend,
+Wordt het telkens meerder vrij;
+Turende met grage blikken,
+Of er ook iets valt te bikken,
+Komt het na en nader bij!
+
+Angst en vreeze vloden henen;
+Zie, de dartelende Muis,
+Is in de etenskast verdwenen,
+En voelt zich zoo goed als t' huis!
+O! wat nooit gesmaakte weelde,
+Nu haar jeukend maagje streelde,
+In dat rijk luilekkerland!
+'t Beestje kan zich wel begraven,
+In de keur van lekkre gaven,--
+Alles is er naar zijn' tand!
+
+"Maar, ei zie! dat traliehokje,
+"Wat hangt daar voor lekkers in?
+"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje,
+"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!"
+'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ...
+Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen,
+Hoor, wat slag! de valklep sluit! ...
+Muisje! door te veel te willen,
+Moest gij al uw heil verspillen,--
+Trek, o Mensch! er leering uit.
+
+
+
+
+
+TEHUISKOMST.
+
+
+Overdierbaar plekje grond!
+Vorden, 'k mag u weer betreden!
+Stort u uit, mijn dankbre beden,
+Die mijn' boezemtogt verkondt!
+Stort u uit om Hem te prijzen,
+Die met de eelste gunstbewijzen,
+Mij begiftigde op deez' stond!
+
+'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch,
+Weer het lagchend oord genaken,
+Waar ik zoo veel heil mogt smaken,
+Waar mijn wellust was en is!
+Was en is en zal beklijven,
+Tot mij 't schoone schoon zal blijven,
+Tot ik kracht en leven miss'!
+
+Maar, van waar dat blij gedruisch?
+Vriendschap komt op vlugge voeten
+Mij, van wijd en zijd, begroeten,
+En geleidt me in vreugd naar huis!
+Trouwe vriendschap, die mij de aarde
+Mee herschept ten bloemengaarde,
+Lieflijk klinkt uw stemgeruisch!
+
+Komt nu, dierbren! komt nu snel
+Naar mijn landelijke woning;
+Dat ook daar de vreugdbetooning,
+Als van ouds ons weer verzell'!
+Hospes! stoot mijn kamers open,
+'k Ben de stad voor 't land ontloopen,
+Zeg, is alles bij u wel?
+
+'k Ben weer thuis, vivat! vivat!
+_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden!
+Zoekt een plaatsje en gij zult vinden,
+De etiquette's zijn in stad!
+Nader, Langhals, uit den kelder!
+Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder,
+Huldigt Bacchus heerlijk nat!
+
+"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,--
+o, Hij maakt me vreugdedronken,
+'t Wachtend glas weer ingeschonken;
+Want ik heb een' toast er bij:
+_Vordens groei en bloei en leven;
+Dat het, tot de laatste neven,
+Rijk door God bevoorregt zij!_
+
+Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt;
+Laat ons buiten, vrienden! buiten!
+Wat de ziel gevoelt, ontsluiten,
+Buiten, in de vrije lucht!
+Hoort, en Vink en Filomeeltje
+Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje,
+Zij die dank ook onze zucht!
+
+God! wat is uw Schepping schoon!
+Onnaspeurbre hemelzegen,
+Spreidt uw goedheid allerwegen,
+Aan de juichende aard' ten toon!
+En de geur van bloem en kruiden,
+Komen, op de wiek van 't Zuiden,
+Stoeijende af en aan gevloon!
+
+Broeders! ja, ons heil is groot!
+Staan wij, zeg, in de eigen streken,
+Die mijn hart voor twintig weken,
+Zijn meewarig afscheid bood?
+Toen ik alles zag versagen,
+Voor de gramme najaarsvlagen,
+En zag worstlen met den dood!
+
+Als een Feniks, o Natuur!
+Zijt ge glansrijk weer verrezen,
+En uw jong, aanvallig wezen,
+Zet mijn volle borst in vuur!
+Naauw aan 's Winters boei onttogen,
+Ben ik naar u toegevlogen,
+In het allerwenschlijkst uur!
+
+'k Heb u, Lente! dag en nacht,
+Van bewondring opgetogen,
+Aangestaard met turende oogen,
+Waar de wil van 't lot mij bragt;
+Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken,
+De innigste uwer tooverblikken,
+Heeft me in Vorden toegelacht!
+
+Vorden! Vorden! neem mijn lied ...
+Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)?
+Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden,
+Dat ik luistere en geniet!
+o, Met regt, begaafde zangster!
+Zijt gij hier mijn plaatsvervangster!
+Dat u milde dichtaar vliet!
+
+Onvergeetbre levensstond!
+Nooit gesmaakte zegeningen!
+'k Hoor mijn Vordens lof voldingen,
+Door den liefelijksten mond!
+God! verhoor nu nog deez' bede:
+Geef, dat eens mijne asch, in vrede
+Rusten moge, in Vordens grond!
+
+ * * * * *
+
+(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten.
+
+(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld,
+van eene Dame mijner kennis.
+
+
+
+
+
+WIE?
+
+
+Ai, zie! de afgrijsbre komt,
+En aller mond verstomt,
+Hij spreekt, en op zijn woord
+Zijn lust en rust verstoord;
+De keel voelt zich beklemd,
+De boezem zich ontstemd,
+En nooit gekende smart,
+Wordt meester van het hart.
+Hij steelt het edelst goed
+Aan uw geschokt gemoed,
+En geeft, wat hij belooft,
+U niets, voor 't geen hij rooft.
+
+Die eens hem heeft gezien,
+Wenscht altoos hem te ontvlien,
+En voelt zich zoo bevreesd,--
+Alsof een booze geest
+Met eindeloos gekwel
+Hem aangrijnsde uit de hel!
+
+Wie, zangster! is 't gedrogt,
+Wiens vuigen boezemtogt,
+Den schrik verspreidt door 't bloed?
+Wiens naam reeds siddren doet?
+En somber trilt' heur snaar:
+"Het heet? Godslasteraar!"
+
+
+
+
+
+DE MENSCH.
+
+
+Wie is hij, dat Gij zijner zoo gedenkt?
+Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt?
+Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt?
+ O God der Goden!
+Gewisselijk, een schepsel onbesmet,
+Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet,
+Wiens neigend oor, steeds onderworpen let
+ Op Uw geboden!
+Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt!
+(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...)
+Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt,
+ Hem ten verderve!
+Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed,
+Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed;
+En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed,
+ Gena verwerve!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' SCHILDER.
+
+
+Wie boeit mijn turende oogen,
+Door 't onbegrensd vermogen,
+Van 't scheppende penseel?
+Wie doet door keur van verwen,
+Mij 't hoogst genot verwerven,
+In 't liefelijkst tafreel?
+
+Wiens geestkracht mag 't gelukken,
+Natuur den palm te ontrukken,
+Door de overmagt der kunst?
+Gij, puik der toovenaren!
+Genie, waarop wij staren!
+Bestraalt ons met die gunst.
+
+Neen, 't is geen schijn, 't is leven!
+Die beemden, bosschen, dreven,
+Die jagt en wildernis,
+Dees vleugelvlugge honden ...
+'t Moet al uw' roem verkonden,
+Die spreekt, het zij! en 't is.
+
+o, Oogbetoovrend schilder!
+Waar werden gaven milder
+Een' sterveling verpand?
+God schraag' nog lang uw krachten,
+Tot vreugd voor die u achten,
+Tot roem van 't Vaderland!
+
+
+
+
+
+DE GRAFSTEEN.
+
+
+Hun edel harte slechts tot gids,
+Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk,
+Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits,
+Naar 's Heeren sombre grafspelonk;
+Om nog met kostbre specerijen,
+Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.
+
+En nu het doel al nader treedt,
+Daar, plotsling, breekt het zwijgen al:
+"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet,
+"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?"
+Dat had heur ijvren niet bezonnen,
+Toen zij den vromen togt begonnen.
+
+Geen bliksemschicht treft meerder snel,
+Geen donderslag slaat zoo ter neer,
+Gelijk dat woord vol zielsgekwel!
+Toch geeft de liefde voor den Heer,
+haar moed en kracht om voort te treden,
+Hoe fel door angst en vrees bestreden.
+
+Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred!
+De steen, die 's Heilands grafplaats drukt,
+En u de teedre borst verplet,--
+God spreekt--die steen is afgerukt!
+Hij zal de zijnen niet begeven,
+Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!
+
+o Liefde Gods, die wondren doet!
+o Heilgenade, ondenkbaar groot!
+Hoe menig steen drukt nog 't gemoed,
+Dien de Almagt afwendt in den nood,
+Zou, Neergeboogne! uw hart bezwijken?
+Een Engel daalt, de steenen wijken!
+
+
+
+
+
+TOONKUNST.
+
+
+'k Min u, muzikale woorden,
+Taal der Toonkunst, 'k min u teer!
+U, zielroerbre klank-akkoorden,
+Die uw' oorsprong hebt uit oorden,
+Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!
+
+Die het hart als was kunt kneden,
+Aan uw meesterschap ten buit;
+Lachjes, tranen en gebeden,
+Heldenmoed en teederheden,
+Opwekt naar den wil der luit!
+
+Grijpt de geestdrift der genien,
+'t Goddelijke speeltuig: hoor!
+Strijdrumoeren, elegien,
+Liefdes zachte melodien,
+Roeren, schokken, 't luistrend oor!
+
+Orpheus Cither speel--verbeden
+Is de nooit verbidbre dood!
+Op den klank uw harp ontgleden,
+Vlijt zich steen op steen, en steden
+Staan, Amphion! trots ten toon!
+
+Doch geen fabel schenkt u luister!
+Hooger, Toonkunst, klimt uw lof!
+(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?)
+Vrij, ontdaan van aardsche kluister,
+Klinkt uw stem in 't geestenhof.
+
+Als de rei der Hemellingen,
+Om Gods heilgen troon gestuwd,
+Hem, den oorsprong aller dingen,
+'t Heilig, heilig, heilig, zingen,
+Is hun lied en snaar gehuwd!
+
+Goddelijke Harpenaren!
+Stort den schoonsten hemelval!
+Dank moet mensch en Engel paren!
+Voor de gift der gouden snaren,
+Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!
+
+
+
+
+
+GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_.
+
+
+Met diep ontroerd gemoed,
+Wijde ik uw graf mijn' groet,
+Te vroeg ontslapen zanger!
+Gij, Staring! de aarde ontrukt ...
+Waar is de plaatsvervanger,
+Die uwen voetstap drukt?
+
+Treur, achtbre Wildenborch!
+Uw bloei was al zijn zorg;
+Hij gaf u vreugd en leven;--
+Uw heldre zon zeeg neer;
+'t Werd somber in uw dreven ...
+Uw Landheer is niet meer!
+
+De trots van Gelderland,
+Wien braafheid en verstand
+Met schoonen glans mogt sieren,--
+Zijn levensdraad brak af ...
+Schonk hem de kunst laurieren,
+Nu weeklaagt ze op zijn graf.
+
+Nu zwijgt zijn citertoon,
+Zoo krachtig, kunstig, schoon,
+En Febus Priesterscharen,
+Staan in het kunstenkoor
+Den lievling na te staren,
+Dien het te vroeg verloor.
+
+Weer heeft het Vaderland,
+Een' kostbren diamant
+Uit de achtbre kroon verloren!
+En gade en minnend kroost
+Staan, bij der dichtren koren,
+Weemoedig, zonder troost!
+
+Maar welk een treffend woord
+Lokt mij naar 's kerkhofs poort,
+En schenkt den geest bedaring:
+"Uit nacht rijst morgenrood (1),"
+Het was uw spreuk, o Staring!
+"Het leven uit den dood."
+
+ * * * * *
+
+(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden,
+waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.
+
+
+
+
+
+HET LEVENSPAD.
+
+
+Allen op des levens paan,
+Vallen, staan weer op en vallen;
+Zelfs de trotschheid durft niet brallen:
+Ik kan zonder struiklen gaan!
+Steen, op steen, verrast den voet,
+Waar men zich aan stooten moet!
+
+Maar hoe telkens uitgegleen,
+Broeders! toch weer opgekropen;
+Homplen, stromplen wij in 't loopen,
+Meer oplettend voortgetreen;
+Aan het einde van ons pad,
+Ligt de goede Vader-stad!
+
+Matte Pelgrim! daar is rust,
+Van uw hobbelige wegen!
+Daar stroomt nooit gekende zegen,
+Nooit gesmaakte levenslust!
+Daar is 't eind der aardsche smart,
+Hemelvreugd vervult er 't hart!
+
+Voor den togt dan niet versaagd;
+Welberaden voortgewandeld;
+Naar gebod en pligt gehandeld;
+Struiklen wij, God zelve schraagt!
+En, is 't doel der reis volbragt,
+o, De blijde Heilstad wacht!
+
+
+
+
+
+HET BLINDE VINKJE.
+
+
+Vinkje! welk een gruwzaam monster,
+Vreemd aan alle menschlijkheid,
+Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,
+Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,
+Heeft u 't foltrendst leed bereid?
+
+Eens zoo vrij en vrank op aarde,
+Nu gedoemd tot de enge kooi;
+Nu, door gloeijend erts uwe oogen
+Aan het vriendlijk licht onttogen,
+Nu des euveldaders prooi!
+
+Werd het u noodlottig ijzer,
+Slechts de duistre groeve ontrukt,
+Om, der snoodheid ten believen,
+Dus uw argloos hart te grieven?
+Dan is 't euvel wel gelukt!
+
+Doch, o neen! niet tot dien gruwel
+Opent zich de schoot der mijn;
+Maar de boosheid keert den zegen,
+Uit Gods milde hand verkregen,
+Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.
+
+Wat is 't u, of zich de schepping
+Nu net lente-siersels hult?
+Niet voor u zal de aard' zich tooijen,
+Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,
+Nimmer 't schoone aanschouwen zult!
+
+Ach, waar zijn de blijde dagen?
+Van het lagchende verleen?
+Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,
+Woelt het heir herinneringen,
+Door uw mijmrend kopje heen!
+
+Mooglijk waart gij aan een gaaike,
+Aan een teederminnend kroost,
+Op het liefderijkst verbonden ...
+Wreed werd dan de band geschonden,
+Die uw blijdschap was en troost!
+
+Niets is u van 't heil gebleven,
+Waar uw borstje zoo van zwol;
+Uw gelukzon is verdwenen,
+Heeft voor altijd uitgeschenen,
+Blind en in een kerkerhol!
+
+o, Mijn teergevoelig harte,
+Doet uw rampental zoo zeer!
+Kon het innigst medelijden,
+U van jammeren bevrijden,
+'k Zag u 't beeld der vreugde weer!
+
+IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje!
+Schal met pletterend geluid,
+Schal en schater den vervloekte,
+Die uw' lust en rust verkloekte,
+Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!
+
+Doch uw toovrend orgelkeeltje,
+Wanhoop nam het kracht en klem;
+Nooit ... maar wat welluidend kwelen,
+Komt mijn luistrende ooren streelen!
+Lieve vogel! is 't uw stem?
+
+"Ja, mijn stem, meelijdend vreemdling!"
+Zingt het Vinkje op zoeten toon,
+"'k Laat, getuigen het mijn zangen,
+"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,
+"Welk een rouw mijn borst bewoon'!
+
+"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?
+"Heelen ze ooit de wond van 't hart?
+"Veel verloor ik--maar, mijn roover
+"Liet mij toch mijn stem nog over,
+"o, Die vreugde troost mijn smart!
+
+"Drage ik dan mijn lot gelaten,
+"'k Heb nog ruime dankensstof;
+"Om het goede mij gebleven,
+"Min ik nog het lieve leven,
+"En zing luid mijns Scheppers lof!
+
+
+
+
+
+TROOST.
+
+
+"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"
+Dat hartdoorvlijmend woord,
+Dat zoo veel vreugd verstoort,
+Het was den mond van d' Arts ontgleden,
+Maar 't klonk als niet gehoord,
+
+Het kon het oor der vrouw niet boeijen;
+Nog lonkt de hoop haar aan;
+Zoo schrikklijk zal de orkaan
+Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,
+En bloem, bij bloem verslaan.
+
+"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,
+"Neen, dierbare echtgenoot!
+"Zoo ras ontbindt de dood
+"Dien vastgelegden knoop niet weder,
+"Die 't huwelijk pas sloot!"
+
+En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,
+Naar 't liefelijk gezigt
+Van 't sluimerende wicht,--
+Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!
+"Zijns Vaders levenslicht!"
+
+"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..."
+Maar, God! wat raauwe gil!
+Zij voelt het doodlijk kil
+Op 's ega's ingezonken kaken,
+Zijn ademtogt staat stil.
+
+Haar zoete hoop vervloeide in tranen
+Van bittre zielesmart;
+Gebroken is haar hart;
+Wel spoedig ging haar heilzon tanen,
+En liet haar 't nachtlijk zwart.
+
+Ze rigt het schreijende oog naar boven:
+"Wat lot," snikt zij, "wat lot,
+"Na twee jaar echtvreugd ... God!
+"Waarom moest ik een' droom gelooven,
+"Waarmee de ontwaking spot?"
+
+Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?
+Uw wichtje, als 't onverpoosd
+U vleijend kust en koost?
+Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,
+Voor uw gemoed geen troost!
+
+Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,
+Ja, Troost in d' eelsten zin,
+Dringt tot haar' boezem in;
+Zij kust Gods vaderlijke roede,
+De Weduwe is Christin!
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN ***
+
+This file should be named 7dlrm10.txt or 7dlrm10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7dlrm11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7dlrm10a.txt
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04
+
+Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/7dlrm10.zip b/old/7dlrm10.zip
new file mode 100644
index 0000000..972418c
--- /dev/null
+++ b/old/7dlrm10.zip
Binary files differ
diff --git a/old/8dlrm10.txt b/old/8dlrm10.txt
new file mode 100644
index 0000000..1c03803
--- /dev/null
+++ b/old/8dlrm10.txt
@@ -0,0 +1,3590 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: De Liereman
+
+Author: L. Schipper
+
+Release Date: November, 2004 [EBook #6922]
+[This file was first posted on February 11, 2003]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: iso-8859-15
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN ***
+
+
+
+
+This eBook was produced by Vital Debroey
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+Luimige en Ernstige
+MUZE.
+
+door
+
+L. SCHIPPER.
+
+
+
+
+
+DE LIEREMAN.
+
+
+Vrienden! koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weêr liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?"
+'t Antwoord is: van 't beste allooi,
+Vol van vinding, gloed en leven,
+Immers, 'k heb ze zelf geschreven?
+En een hoofdpoëet als ik,
+Kent de rijmkunst op een' prik.
+
+Ergo, wie dees zangen laak',
+Heeft geen enkel greintje smaak;
+Weest dus op uw hoede, Heeren!
+Die mijn werk zult recenseren;
+Want, wie deze deuntjes fluit,
+Wijst zijn eigen vonnis uit.
+
+Koopt dan, koopt! wie koopen kan,
+Koopt wat van den Liereman;
+'k Heb weêr liedjes van elks gading,
+'k Breng een schip met rijke lading,
+Zoekt maar uit den vollen hoop,
+'k Heb er nog genoeg te koop.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+De Liereman.
+Het Kaartspel.
+De Oude en Nieuwe Maat.
+De Droom.
+De Patrijzen.
+Jan.
+De twee Honden.
+De vrome Werkbaas.
+De Vlieg.
+Het Medaillon-Portret.
+De verdronken Acteur.
+Het Portret van den Dood.
+De Gekken.
+Stalen Pennen.
+Mijn Grootje.
+Gerust in de onstuime Baren.
+Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom.
+Voor Godsdienst en Vaderland.
+Deugd schept Vreugd.
+Elck wat Wils.
+Genoegh is meer.
+Elck zijn Waerom.
+Elck spiegele Hem Zelven.
+'t Kan Verkeeren.
+Hora ruit.
+Peut-être.
+Repos ailleurs.
+Vita mortalium vigilia.
+Getrouw.
+'t Uur is dáár.
+Huwelijks-Liedje.
+De Ooijevaars.
+Op den Dood van een' Landman.
+Aan een' rat.
+De Lach.
+Het Weesje.
+Huwelijksvereeniging.
+Drift.
+De Laster.
+Eenvoud.
+Aan een' blinden Toonkunstenaar.
+De Muis.
+t' Huiskomst.
+Wie?
+De Mensch.
+Aan een' Schilder.
+De Grafsteen.
+Toonkunst.
+Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_.
+Het levenspad.
+Het blinde Vinkje.
+Troost.
+
+
+
+
+
+WAARSCHUWING
+van eenen Onbevooroordeelde.
+
+
+Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap
+aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den
+zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.
+
+In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe
+snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.
+
+Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in
+handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.
+
+Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even
+vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te
+Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten--
+welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.)
+aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede
+sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."
+
+VORDEN,
+30 Sept. 1843.
+
+
+
+
+
+HET KAARTSPEL
+
+
+"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?
+"Erast, de nieuwe lichter,
+"Koopt steeds 't antiekste ameublement,
+"Maar blijft Gomaars betichter,
+"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,
+"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"
+
+Ik vonnis niet en haat den twist,
+Ja, laat aan elk zijn keuze,
+Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,
+De vrijheid zij mijn leuze!
+Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,
+In 't oud en nieuw is kwaad en goed!
+
+Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift
+Bragt heel mij van 't chapiter;
+Het kaartspel, luidt het bovenschrift,
+Voor 't kaartspel klink' de citer;
+Welaan, mijn zangster! men verbeidt,
+Zing luid van de oudste antiquiteit!
+
+1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',
+Om de eer haar rijk beschoren;
+Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel,
+Door 't schoonst genie geboren;
+En de allergrijste piramied,
+Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!
+
+2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat,
+Den schat van eigen vinding,
+En bragt, door hieroglyphen, 't blad,
+Met godsdienst in verbinding;
+Zoodat, van vromen geest bezield,
+Men kaartenspelend oefning hield!
+
+3. Sibyllen! uw orakelhol,
+Hadd' nooit van goud geblonken,
+Zoo niet de kaart, den vragersbol
+Het antwoord hadd' geschonken;
+Uw goochelkunst staat nog in eer,
+Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!
+
+4. Hoe! rukken Moor en Arabier
+Zoo plotsling uit het Oosten?
+U, Spanje! geldt het krijgsgetier,
+Maar 't zoetst geschenk zal troosten!
+De vijand biedt de kaart u aan,
+En gij--verwenscht heur naar de maan!
+
+5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland,
+'t Wou eerst ook dáár niet lukken,
+Maar--zesde Karel,--zijn verstand,
+Kreeg eensklaps bijstre nukken!
+De Vorst wordt meer dan stapel gek,
+En nu, nu komt de kaart in trek!
+
+6. De groote schilder Gringoneur,
+Een baas in 't portretteren,
+Liet in het spel, door frissche kleur,
+Geheel het hof spanceren;
+Dat deed den Koning zulk een deeg,
+Dat Gringoneur een lintje kreeg!
+
+7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,
+In vier verscheiden rijken;
+Hij had het opperbest geklaard,
+Elk stond er van te kijken!
+Geen mensch, die iets te vitten had,
+En, bij de Vorsten, zegt dat wat!
+
+8. Bourgondië verkreeg een ruit;
+De Frank, een schop, op 't plaatje;
+Een hart viel Orleans ten buit;
+Brittanje een klaverblaadje;
+Naauw was het af,--of zie, 't palet
+Schonk nu den hofstoet zijn portret!
+
+9. La Hire en Hector, o, hoe schoon
+Wist u de kunst te malen!
+Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,
+Kloekhafte Generalen!
+En wie de ronde boeren ziet,
+Miskent uw sprekend wezen niet!
+
+10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel,
+Het liefje van den Koning,
+'t Was met des Konings hoofd niet wel,
+Daarom dient hij verschooning,
+Geen ander Vorst, bij vol verstand,
+Heeft immers liefjes aan de hand?
+
+11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!
+Die streed voor 's Konings regten,
+Wie waagt niet liefst met u een kans
+In 't eten, dan in 't vechten?
+Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,
+Gij schopte menige _Goddem_!
+
+12. Wat majesteit, wat fiere bouw,
+Wat pracht van zijde lokken,
+O, overschoone klavervrouw!
+Gij hebt mijn oog getrokken!
+Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',
+Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.
+
+13. Wat lacht die freule harten wit,
+Haar hartje speelt in harten,
+Voor 't klooster had de maagd geen zit,
+Wis bragt ze er vreemde parten!
+Foei, Isabel van Beijren, foei!
+Uw goede naam krijgt nog een' knoei!
+
+14. Maar wie of schoppenheer mag zijn?
+Dat 's wel een uitgelezen!
+'t Is Isrels David--de Dauphin,
+Er schijnt iets joodsch in 't wezen!
+Hij is, gemeten met een zeef,
+Nog Koning Davids achterneef!
+
+Zoo biedt u elke pop het beeld
+Van eene onschatbre parel;
+En ieder, die een kaartje speelt,
+Speelt met het Hof van Karel!
+Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!
+Sla zelv' uw kunstverzaamling op.
+
+Wij keeren tot den Koning weêr,
+Hoor, 'k wil het niet verhelen,
+'t Was droevig toch, een Vorst en Heer,
+Met prentjes te zien spelen,
+Maar wonder, zonder wedergâ,
+Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!
+
+Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond
+Kwam 't kaartspel in de mode;
+Nu, daar een Koning 't aardig vond,
+Een zot, die 't niet vergoodde,
+En was het spel, het spel eens dwaas,
+'t Was toch ook 't spel eens grooten baas!
+
+Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!
+Wier kunst de tijd doet spoeijen;
+Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,
+Dat gekken zelfs kan boeijen,
+Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,
+Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!
+
+ * * * * *
+
+1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.
+
+2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun
+spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.
+
+3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de
+Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die
+haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door
+elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een
+antwoord moest zoeken.
+
+4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral
+onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den
+naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren,
+ten strengste verboden werden.
+
+5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel
+de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar
+staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.
+
+6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet
+weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen
+van het Hof, op de kaart te schilderen.
+
+7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.
+
+8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en
+Brittanje klaverkaart.
+
+9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in
+harten en ruitenboer werden afgebeeld.
+
+10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de
+benaming van Rachel.
+
+11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen
+streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart
+opgenomen.
+
+12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van
+Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in
+klavervrouw voorgesteld.
+
+13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in
+vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.
+
+14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende.
+Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op
+de kaart naar Israëls Vorst vernoemd.
+
+
+
+
+
+DE OUDE EN NIEUWE MAAT.
+
+
+De oude maten en gewigten
+Verlieten 't land;
+De nieuwe gaan hun dienst verrigten,
+En treên in stand;
+Dat gaf aan de eedle winkelieren,
+Een dolle pret,
+Maar hoe misnoegdheid moge tieren,
+Men vreest de wet!
+Het hoog bevel, had ook de scholen
+Voor wijd en zijd,
+Het nieuwe stelsel aanbevolen,
+Der school ten spijt:
+"Weg, met die leelke decimalen!"
+Zoo riep de jeugd,
+"De duivel mag die vinding halen,
+"Tot aller vreugd!"
+
+Eens kwam de meester met twee ellen,
+Één nieuw', één oud',
+"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,
+En wees niet stout!
+"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene
+Op de andre heeft,
+"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,
+"Zoo ge aandacht geeft!"
+
+Maar geene attentie is te winnen,
+Men meesmuilt slechts,
+En ziet, met afgedwaalde zinnen,
+Dan links, dan regts,
+Eén onder hen, een kleine snuiter,
+Die niets ontziet,
+Roept luid, van kop tot teen een muiter,
+"Ik leer dat niet!"
+
+"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!
+"Hoor ik het wel?
+"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"
+Hij dreigt met de el ...
+Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,
+Wat euveldaad,
+"Gij moogt mij met dees el niet meten!"--
+'t Was de oude maat!
+
+
+
+
+
+DE DROOM.
+
+
+Van mijn wandling moê en mat,
+Gaf ik me, onder 't beukenloover,
+Bij eens beekjes kabblend nat,
+Aan de rust op 't mosbed over,
+'k Viel in sluimring; maar, wat droom!
+Droomde ik aan dien oeverzoom?
+
+'t Was me, als gleed ik telkens meer
+In de diepe waterkolken,
+Bij het schubbig goedje neêr,
+Burgers, die den stroom bevolken!
+Enklen, uit hun element,
+Waren mij bij naam bekend.
+
+O! wat wereld leefde om mij!
+Welk een wriemlen, wat krioelen,
+In die vreemde maatschappij,
+Welk een trachten en bedoelen;
+Want, geen vischje was zoo dom,
+Dat niet wist waarom het zwom!
+
+Maar, door welk een vrees beklemd,
+Gaat dat kleine kaarsje dolen?
+Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!
+De angst houdt het in 't riet verholen,
+Had de groote u daar betrapt,
+Kleine! gij waart opgehapt.
+
+'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!"
+Riep ik, "dat gij, groote slokkers!
+"De arme kleine vischjes eet,
+"Schaamt u, leelke booze schrokkers!
+"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',
+"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"
+
+
+
+
+
+DE PATRIJZEN.
+
+
+"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen
+"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;
+"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of
+"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!
+"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek
+"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"
+
+De vluggert ijlt met slakke schreden,
+En meer en meerder krimpt zijn stap.
+"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,
+"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,
+"Maar zonder poozen, zulk een vracht,
+"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"
+
+Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen!
+Een half kwartier heeft de arme vent,
+Het telkens zwaardere present,
+Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen?
+Wel is de weg haast afgelegd,
+Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!
+
+Ras sluit de slaap zijn oogleên digt,
+Een guit, die hem in 't gras zag glijden,
+Werd zoo vervuld van medelijden,
+Dat hij des stakkers last verligt.
+"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot,
+"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!"
+
+En naauwlijks is een uur vervlogen,
+Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;
+Dan ach, de vogels zijn geschaakt!
+"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"
+Want waar het zoekend oog ook ziet,
+Het malsch gevleugelte is er niet!
+
+Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!
+Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,
+Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan.
+"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!
+"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,
+"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"
+
+Maar zie, tot overmaat van smarte,
+Treed onverwachts het aadlijk bloed,
+Hem, uit een zijlaan, te gemoet.
+Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!
+Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,
+Zijn halve boodschap den Baron.
+
+En nu--of Tom ook wist van beenen,
+Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,
+Maar Heer Baron roept hem terug.
+"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?
+"Ik zag je nooit zoo driftig vliên,
+"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."
+
+"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen!
+"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom,
+"De vlugtelingen zijn weêrom?
+"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen!
+"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief....
+"Het doode wild vloog in den brief!"
+
+
+
+
+
+JAN.
+
+
+"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde?
+"Waar klinkt er een van hooger waarde?
+1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon?
+"Droeg menig Jan geen Koningskroon?
+2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren,
+"Vóór zij dien toren had verloren,
+"Tot boven in de wolken gloren?
+"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end,
+"Is overal mijn naam Bekend!"
+
+Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt,
+Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd!
+Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen,
+Van de eer, waarop uw naam kan roemen.
+Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen!
+Uw onvolprezen naam, bevat
+Een' schat voor zee, en dorp, en stad;
+Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd';
+Hoe zou het onze taal gelukken,
+Door één woord, zóó veel uit te drukken?
+
+_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt
+Gij dat het juiste woord niet, vrind!
+Om rijp en groen,
+Fatsoen en geen fatsoen,
+Om vogels van allerlei zangen en veêren,
+Als in een volière te zien converseren?
+
+Zoo is uw oordeel ook het teeken,
+Waarmeê wij van rapalje spreken,
+Voorzeker duizendwerf gebleken,
+Daar niets uw vlug begrip ontgaat,
+_Jan rap en zijn maat_,
+_Janhagel van straat_,
+Geen naam, van welk een krachtgeluid,
+Drukte immer zóó 't kanaljen uit!
+
+En o! hoe vol beduidenis,
+Uw naam op 't golvend zeeveld is!
+Het zeeveld, waar de nijvre hand
+Goud oogstte voor het Vaderland.
+Wie onzer kent in ieder deel,
+Niet _Janmaat_ van het zeekasteel?
+
+Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest?
+'t Is immers de knecht, de gedienstige geest?
+Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd,
+Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!
+
+Er heerschte eens een groot Koning,
+In 't fier Brittannisch rijk;
+In magt en prachtvertooning,
+Geen Sultan hem gelijk!
+Maar wat den glans verhoogde
+Der schitterende ster,
+Waar 't meest de Vorst op boogde,
+3. Hij heette _Jean sans Terre_!
+
+Beeld der reinste huwlijkstrouw!
+Hulp der liefderijkste vrouw!
+Onvermoeide plasser!
+Nooit zie ik mijn schoolprent aan,
+Of mijn oog wijdt u een' traan,
+Wakkre _Jan de wasscher_!
+
+Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem,
+Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem',
+Wie immer zich deez' titel schaam',
+Gij prijst dien zuivelrijken naam!
+
+Wat gekwels, wat gekwels,
+Voor de kindren Israëls!
+Als de schimp zich durft vermeten,
+Honend, _Spek Jan_ hen te heeten,
+Wetend, dat der Joden wet,
+Hun dien vetten mond belet!
+
+Hoe menig kransjen ik reeds vlocht,
+'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht,
+Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht!
+
+En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden?
+In tegenspraak, zeker, de held aller helden!
+Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt,
+De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet!
+
+Zie, achter gindsche schuine deur,
+Woont weêr een _Jan_ van de eerste keur;
+Of noemt de mond, van oud tot ouder,
+Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder?
+
+Juich, weêr hebt gij juichensstof,
+Hecht aan de u geschonken' lof,
+Vol van dank, uw zegel!
+Zelfs een hof heeft zich vernoemd,
+Naar uw' puiknaam zoo beroemd
+'t Hof is 't van _Jan Vlegel_!
+
+Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken,
+Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam,
+Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken,
+_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_!
+
+Was hij een oude knaap,
+Als Zandvoorts Simon Paap,
+En daarom de Amstelstad,
+Met regt op hem zoo prat?
+Een prijsvraag dient geschreven,
+om 't duistre licht te geven!
+
+Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên!
+"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden,
+"Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden!
+"'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen."
+Dáár naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden?
+Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_!
+
+En koos niet zelfs Voltaire's luit,
+Uw' naam voor duizend anderen uit,
+En heeft zijn dichterlijke stift,
+Voor tijdgenoot en nageslacht,
+Niet schitterend uw' naam gegrift,
+4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_!
+
+Speelt iemand een geklijken rol,
+Van handel en wandel wat dol,
+Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen:
+Zijn rede is dan, zegt men, op hol,
+Hij schermt in het ronde, de bol,
+_Als malle Jan onder de kippen_!
+
+Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen,
+Dat strijdende voor pligt en eer,
+Een' lauwerkrans drukt op de slapen,
+Van wien het moedigst trekt van leer!
+Dat lemmer forsch en breed,
+Dat van geen zwichten weet,
+Op wier het is gebeten,
+Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten!
+
+Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd?
+De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken!
+Zij springen en dansen en dartlen van vreugd,
+Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken.
+Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd?
+
+Amsterdamsch Menagerie!
+'k Denk aan u met zoet ontroeren;
+Apentuin der tuinen, die
+Ook den schoonsten naam mag voeren.
+Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden,
+5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden?
+
+Ook voor den man, die graag de broek
+Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek,
+Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen,
+Klinkt weêr uw puiknaam in _Janhennen_!
+
+Nieuwe, flonkerende luister,
+Is weêr voor u opgedaagd!
+Neêrlands schrandre Pensionaris,
+Droeg den naam, dien gij thans draagt;
+Naam, als type van de staatkunst,
+(Wondere karaktrestiek!)
+Vele Jannen steeds gegeven,
+Om hun fijne politiek!
+Of, zijn het geen diplomaten,
+Vol verstand, vol kern en pit,
+Waar de lof van kan getuigen,
+Jongens zijn 't van _Jan de Wit_?
+
+Wat rare Jan treedt dáár te voren?
+Zijn phlegma schijnt hem aangeboren;
+Nooit kon de drift zijn rust verstoren;
+'t Is hem hetzelfde hoe het gaat,
+Neen, hij weet van den Prins geen kwaad!
+Hij is wat lijmig in zijn' praat;
+Een snuggre kop, die op hem staat!
+Het is _Jan Salie_, kameraad!
+
+Maar ook in 't zedelijk bestaan,
+Hoort men uw' naam den grondtoon slaan
+Of duidt hij niet den lichtmis aan,
+Zoo goed als 't Fransche bon-vivant,
+In 't enkel woordje, _'t is een Jan_!
+
+"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_!
+Want langzaam en zeker is Jantje's natuur,
+Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend,
+Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend,
+En wikkend en wegend met rijp overleg,
+Betreden zijn schreden den veiligsten weg!
+"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden,
+"'k Hecht steviger banden, die knellender binden,
+"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit;
+"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"
+
+Noem me op aarde een rijksgebied;
+Waar men dezen Jan niet ziet?
+Kijk, hij is een heele piet!
+Schoon zijn boêltje liep in 't riet,
+'t Baart zijn' boezem geen verdriet,
+"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied,
+Welke winkel kent u niet,
+Welke winkel, _Jan Crediet_?
+
+Wat onderwerp vol weidschen zwier,
+Zet, zangster! uw gemoed in vier,
+En boeit ons aan uwe elpen lier?
+"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_!
+Dien snellen wagen,
+Het welbehagen
+Der oude dagen!
+Die ook al verdween,
+Door mode bestreên,
+Maar toch om zijn' naam;
+Nog leeft door de Faam!
+
+Bij den Jan pleizier in aanzien,
+Als bij d' edelman de boer,
+Naakt het beeld des sjouwend' ezels,
+Weêr een wagen van vervoer,
+'t Is de _Malle Jan_, die kreunend,
+Vracht, bij vracht, wordt opgetast,
+Is dan Jan geen goeije slokker,
+Die zich bukt voor zulk een' last!
+
+Ei, zie eens, op mijne eer,
+Dat 's eerst een proper Heer!
+Gij vraagt: "wie hij mag wezen?"
+'t Is uit zijn oog te lezen!
+Mij dunkt, zijn eernaam staat
+In wat hij doet, of laat;
+En 'k dacht, hij schoot uw zinnen,
+Al reeds voor lang te binnen.
+Hoe suft uw schrandre kop?
+Hoor, volg deez' raad dan op:
+Uw allerrapste looper,
+Vlieg' naar den boekverkooper,
+6. En vraag den _Jan Perfekt_!
+Het raadsel is ontdekt.
+
+Wiens naam geeft men geniën milder,
+Geniën van het edelst soort?
+Ook Neêrlands kunsten kweekend oord,
+Gaf hem zijn' snaaksten schilder!
+Of zegt men niet met alle reên,
+Van schalksche en oolijke aardigheên,
+Ons onder 't lagchend oog getreên,
+_Het is een stukje van Jan Steen_?
+
+"Hoe 't valschheid misduid',
+"Al kost het, verbruid!
+"Ook haring of kuit,
+"Mijn tong, wie haar stuit--"
+Roept: _Jantje regt uit_!
+
+En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters,
+Wie noemt het tal dier gloriestichters?
+Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur
+De starren telt aan 't luchtazuur,
+Zoo min telt m' ook de lichten, die
+De _Jannen_ zijn der poëzie.
+
+En nu, vermoeid van al het Jannen,
+Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen,
+Voor ik het verdre van mijn taak,
+Door de allerschoonste kroon volmaak,
+O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein,
+Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein,
+'k Moet eerst maar wat op adem komen,
+En dan zij 't loflied weêr vernomen
+Van
+_Jan_.
+
+ * * * * *
+
+1. Sint Jan.
+
+2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.
+
+3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan
+zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene
+bezittingen naliet.
+
+4. Dichtstuk van Voltaire.
+
+5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.
+
+6. Een met lof bekende roman van dien naam.
+
+
+
+
+
+DE TWEE HONDEN.
+
+
+"Ei zeg, is dat nu reg?
+"Mijnheer heeft zoo een' ekel
+"Aan Lord, dien boozen rekel,"
+Sprak Piet, de brave knecht,
+"En toch, hij krijgt het meest!
+"Gaan niet de lekkre beenen
+"Altoos naar de ondeugd henen?
+"Daar heb je Does, dat beest,
+"De beste van de honden,
+"Die ergens wordt gevonden,
+"Die 't nimmer gortig maakt,
+"Bij al die vette beten,
+"Hoe trouw het dier ook waakt,
+"Wordt Doesje maar vergeten.
+"Dat 's onregt, op mijne eer!"
+
+"Wel, domoor!" sprak mijnheer
+Die Piet had afgeluisterd,
+Hoe zacht hij had gefluisterd,
+"Ik dacht je meerder leep!
+"Zeg, voel je niet de kneep?
+"Mijn beentjes te verspillen
+"Aan Does, wat dwaze grillen,
+"'k Zou hem niet trouwer willen;
+"De lobbes hoeft ze niet!
+"Maar Lord, die kwade rakker,
+"Die valsche kuitepakker,
+"Door kluifjes wordt hij makker,
+"Ik vrees zijn tanden, Piet!"
+
+
+
+
+
+DE VROME WERKBAAS.
+
+(_Vertelling aan Frans._)
+
+
+Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje!
+Zijne oefningsklub noemt hem het roompje
+Der heiligste regtzinnigheid,
+Wien lang de hemel is bereid!
+Vaak spreekt hij in geheimenissen,
+Waar 'k nooit de meening van kan gissen;
+'t Heeft wel iets van mystiekerij,
+Hij noemt het echter profezij!
+Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken,
+Om meê naar de oefening te trekken;
+Daar spraken ze allen, zei hij, Frans!
+De ware tale Kanaäns;
+Daar riep de zuivre Dordsche leere:
+"Bekeer, bekeer, u tot den Heere!
+"Want wie niet Orthodoks wordt, is
+"Een prooije der verdoemenis!"
+"Daar kwamen al de nieuwgeboren',
+"De van den Hemel uitverkoren',
+"En laafde aan manna-spijs hun ziel,
+"Zoo als er nooit voor Isrel viel,
+"Die God het kuddeke verleende,
+"Dat dáár zich in den geest vereende!"
+
+Hoe meer hij voortging met zijn preek,
+Hoe meer 'k zijn oefening ontweek;
+Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen,
+Dat staâg verkettren en verdoemen,
+Met al die duistre somberheid,
+Die nooit verstaat hetgeen ze zeit,
+Ik haat die leer met ziel en zinnen:
+"De Godheid bovenal te minnen,
+"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind!
+Die taal verstaat een grijze en kind!
+
+Maar wacht nog wat en spits uwe ooren,
+Want 'k moet u een geval doen hooren,
+Hetgeen mij gistren is ontmoet,
+En dat mij telkens lagchen doet:
+Weet, sinds de baas zijne oefeningen
+Mij vruchteloos zocht op te dringen,
+Heb ik het ieder' keer verbruid,
+Het mooije weêr is met ons uit!
+Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten,
+Dan ongemaklijk opgezeten!
+Mijn honger, kameraad! vergat,
+Dat ik nog niet gebeden had;
+Wat nooit mijne appetijt gebeurde,
+Hoe lekker ook de schotel geurde.
+Maar o, wat kwam ik slecht te pas!
+Of mij de baas de les ook las!
+Hij gaf me van de coteletten!
+"Godlooze! is dat uw ziel besmetten,
+"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt,
+"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond,
+"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake,
+"Die kruimel tot een vuurvlam make,
+"Die u nog eer den duivel geeft,
+"Waar uw geheele ziel voor leeft?
+"Leer, Heiden! leer het van de dieren,
+"Wat dankbaarheid u moest bestieren,
+"Zelfs voor den kleinsten waterdronk,
+"Die u de milde gever schonk!"
+
+"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel!
+"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel;
+"Ge zijt een regte domme klaas!
+"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas:
+"Zeg, laten ooit de vrome kippen,
+"Een druppel vocht naar binnen glippen,
+"Of rijst niet hun devote kop,
+"In warmen dank ten hemel op?"
+
+
+
+
+
+DE VLIEG.
+
+
+'k Draag geen haat in 't minnend harte;
+Aller welzijn is mijn beê;
+'k Leef met God en mensch in vreê,
+En stort tranen bij de smarte;
+Slechts één schepsel voedstert de aard',
+Dat mijn schrikbre gramschap baart!
+
+Afschuw walgt den naam te noemen,
+Van het monster zoo ontieg!
+'t Is--de vuile, vuige vlieg.
+Haar te noemen, is haar doemen!
+Felle wraak besnaart mijn lier,
+Voor die plaag van mensch en dier!
+
+'k Min u, zoele zomerluchten!
+Schaars het deel van ons klimaat!
+Vreugde lacht op elks gelaat,
+Bij uw zoete zielsgenugten,
+Doch, waarom verkleint ge uw gift,
+Door het voorwerp van mijn drift?
+
+'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren,
+Als haar dommelend gebrom,
+Mommelend rondsnort, om en om.
+Waar de mensch, die 't aan kan hooren?
+Niemand dan die zwarte draak,
+Vindt in 't zeur geneurie smaak!
+
+Uitgeleerd in booze treken,
+Rekt zij d' olifanten-snuit,
+Grijpende naar de onschuld uit:
+"Leelke vlieg! is dat daar steken,"
+Weg is ze, als de hand zich heft
+Die den dreiger zelv' nog treft!
+
+Noem de plek, waar ze ooit zich zette,
+'t Allermislijkst zamenstel,
+Dat haar vuilheid niet besmette?
+Tot een walglijk tijgervel,
+Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit
+Vaderlandsche zindlijkheid!
+
+En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel,
+Waar ge uw' dronk of bete plaatst,
+Nergens, waar haar snuit niet aast,
+Niets is veilig voor 't gebroedsel!
+Ja, is 't lijf eerst vet gemest,
+Dan bezoedlen zij de rest!
+
+Gistren, ('k zal het nooit vergeten!)
+Vloog er een afgrijslijk paar,
+Dartlend stoeijend met elkaar,
+Naar mijn aanzigt--wat vermeten!
+Ras herschiep haar lust en keus,
+Tot een huwlijks-spond mijn' neus.
+
+Weet de haat geen gif te zoeken,
+Dat den dood in de adren stort,
+En die pest verderflijk word',
+Door haar slimheid te verkloeken;
+Waarom is de wraak zoo traag,
+Tot de straf' dier helsche plaag?
+
+Komt, ons allen zaân verbonden,
+Wie der vliegen vijand zijt!
+Menschen, vogels, katten, honden,
+Slaat en pikt en krabt en bijt!
+help ook gij ons meê, natuur!
+Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur.
+
+Dat des winters stale krachten,
+Zich met onze kracht vereen';
+Stouter strijd zij nooit gestreên!
+Moge 't zelfde lot haar wachten,
+'t Lot, dat Napjes legertal,
+Eens, in Rusland, bragt ten val!
+
+
+
+
+
+HET MEDAILLON PORTRET.
+
+
+Wij kregen _Kareltje Amoureus_,
+Die dagelijks ons komt vervelen,
+Met ons zijn bijzijn meê te deelen,
+Eens alleraardigst bij den neus!
+Weet dan, zijn zotte liefdeklagt,
+Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken,
+En, schoon haar schalkheid hem belacht,
+Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!
+
+Zoo, stappende als een stootershaan,
+Kwam 't Heertje gistren bij ons aan,
+Alweêr verliefd tot over de ooren!
+"Zijn lieve attentie wilde eens hooren,
+"Hoe 't in den huisselijken kring,"
+Sprak hij, "met de gezondheid ging;
+"O! altoos sloeg zijn hart geruster,
+"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis,
+(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!)
+"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"
+
+De Don Quichot van geest en leden,
+Kwam 't woonvertrek dan ingegleden,
+Juist toen een medaillon portret,
+(Iets zweemend naar mijn zuster Jet)
+Ons aller aandacht hield gekluisterd,
+Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert:
+"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand,
+"Schiep u dit beeld ten minnepand!"
+En, van verrukking opgetogen,
+Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!
+
+"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon,
+"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen
+"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!"
+"Niet!" riep hij, en zijn taal verried,
+Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen:
+"Het is de schoonste van de vrouwen,
+"Die door eens schilders kunstpalet,
+"Nog ooit is op ivoor gezet!
+"Wat golvend goud omzweeft haar slapen!
+"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt!
+"Wie, die het niet in liefde ontsteekt?
+"Tot kussen schijnt die mond geschapen!
+"Wat blos versiert de blanke koon--
+"Neen, Venus was niet meerder schoon
+"In lijfsgestalte en wezenstrekken!
+"O! wie de min ten doel mogt strekken,
+"Van haar, die dit bekoorlijk beeld,
+"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld!
+"Eén zoentje van dien mond mogt stelen."
+
+"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen,"
+Sprak me oude grootmamatje ras,
+Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was!
+"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje,
+"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond,
+"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"
+
+Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.--
+
+
+
+
+
+DE VERDRONKEN ACTEUR.
+
+
+De Acteur Jeroen, meestal besist,
+Had zeker 's nachts de straat gemist;
+Want 's morgens werd hij opgevischt,
+Voor elks verwonderde oogen,
+Doch 't graantje had zoo sterk gegist,
+Dat hij, hoe door de gracht verfrischt,
+Van toeten noch van blazen wist,
+Ten spijt van ieders pogen!
+
+Maar stil, daar komt de snuggre Nol,
+Van wien er vier zijn op den hol,
+Daarbij zoo blind nog als een snol,
+Op 't driftigst aangestevend:
+"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol?
+"Zie, zóó natuurlijk speelt de bol!
+"Nooit stierf hij immers in zijn rol,
+"Of steeds werd hij weêr levend?"
+
+
+
+
+
+HET PORTRET VAN DEN DOOD.
+
+
+Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet,
+Is, Dood! dees beeldtnis uw portret?
+De Schilder wou u wis begekken!
+Hoe! dit uw houding? dit uw trekken?
+Gij groeide leelijk door uw haar,
+Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar!
+Noch bakkebaard, of zijns gelijken,
+Geen enkel donsje zie ik prijken,
+
+En waar uwe oogen moesten staan,
+Daar kijken holle gaten me aan!
+Uw neus is zeker uit logeren,--
+O! mogt hij spoedig wederkeeren;
+Want toch de gevel siert het huis!
+Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis:
+Die armen schijnen dorre takken,
+Die krachteloos ter neder zakken;
+
+Daar aan de hand, slechts knok en been,
+De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên!
+Uw borst lijkt wel een traliehokje,
+(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!)
+Waaraan het beestjen is ontvlugt;
+En, tot volmaking van de klucht,
+Kreegt gij voor beenen, lange fluiten;
+Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!
+
+Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is
+Verschrikklijk mooi, die beeldtenis!
+Het is u sprekend weêrgegeven!
+Geloof me, Dood! gij schijnt te leven!
+En dan dat heerlijk coloriet
+Des Schilders ... wit, al wat men ziet!
+Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend,
+Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend!
+Alleen, flatteert hij niet wat mild? ...
+Doch, gekheid op een stokje, wilt
+Gij over 't stuk en zonder fleemen,
+Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen,
+Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen:
+Hoor, 't is een guit, of brekebeen,
+Dat allerliefste Apelles Zoontje!
+'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje,
+Had dus zijn dom of schalksch palet,
+Vol wansmaak me op 't paneel gezet!
+
+Is dat het beeld van u, wiens krachten,
+Reeds zoo veel duizende geslachten,
+Met forschen arm en stalen vuist
+Tot stof en pulver hebt vergruisd?
+Is dat uw uitzigt, dat uw houding,
+Waar eeuw aan eeuwen geen verouding,
+Geen kreuk op hebben neêrgedrukt,
+De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt?
+En geeft dit misselijk geraamte,
+(O kladderij, der kunst tot schaamte!)
+Uw kloeke leest en aanschijn weêr?
+Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer!
+Uw wraak moet hem den kop verpletten,
+Die dus uw beeld ten toon dorst zetten,
+Zoo wage, een magtloos schilderworm,
+Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm!
+
+
+
+
+
+DE GEKKEN.
+
+
+En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen:
+Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad!
+Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad!
+"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen;
+Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht--
+Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt!
+
+Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig!
+Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud!
+Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout
+Een Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig!
+Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek,
+Den wijste der wijzen een' olijken trek!
+
+Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen,
+Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd!
+Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd,
+Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen;
+En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee
+Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?"
+
+"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen,"
+Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf,
+"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!"
+"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen--
+En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet:
+"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret.
+
+Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken,
+Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ...
+Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor?
+Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken?
+"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!"
+Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol?
+
+Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen,
+Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ...
+"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen,
+"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen!
+"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft
+De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft!
+
+Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje,
+En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult?
+Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld!
+Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje:
+"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid,
+"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!"
+
+
+
+
+
+STALEN PENNEN.
+
+
+Wat! mijn hand zou ooit zich wennen,
+Aan die harde stalen pennen?
+Hoe de smaak ze hulde doet,
+'k Haat dat schriftbedervend goed!
+Telkens als haar punten sprikkelen,
+Spatten zij wel duizend spikkelen
+Op het hagelblanke vel,
+Tot uw tergend zielsgekwel!
+Dan, door vrekheid weêr gedreven,
+Willen zij geen' inkt meer geven,
+En, hoe forsch de hand ook drukt,
+'t Is een kerel, wien 't gelukt,
+'t Krabblend tuig tot deugd te schikken!
+Wordt gij driftig, aanstonds prikken
+Zij met scherp geslepen stift,
+Gat bij gat, in blad en schrift!
+
+Wisten onze voorgeslachten
+Anders dan van ganzenschachten?
+En, wat is ons vuil gevlek,
+Bij hun' zuivren pennetrek?
+Op wat rij van kunstenaren,
+Mogt het juichende oog niet staren,
+Kunstenaars, wier eedle zwier,
+(Of zij tooverde op 't papier!)
+Keur van letters deden vloeijen!
+Voor ons hanepooten knoeijen,
+Had, voorheen, een schoolknaap wat
+Duchtig met de plak gehad!
+Ja, de kunst van sierlijk schrijven,
+Zag men reeds zoo ver verdrijven,
+Dat men, draaglijk schrift, verheft
+Of het oog een wonder treft!
+
+Fraaije kunst! schoon 't staal u bande,
+Keer, o keer weêr in den lande!
+Breng ons, nutte ganzenveer!
+Breng ons de eedle schrijfkunst weêr!
+
+
+
+
+
+MIJN GROOTJE.
+
+
+Rees mijn Grootjen uit het graf,
+(Ach, voor vijf en dertig jaren
+Brak de draad haars levens af ...)
+Met wat oogen zou ze staren,
+Zag zij al de nieuwigheid,
+Hier en daar in 't rond verspreid!
+
+Ja, zij meende 't was een droom,
+Zag ze molens zonder wieken,
+Voortgestuwd door kracht van stoom,
+Met fabrijken en trafijken;
+En, in 't werken zóó gezwind,
+Dat het af schijnt eer 't begint!
+
+Zag ze schepen zonder zeil,
+Bliksemsnel langs 't water glijden,
+Tal van wagens op hun rail,
+Vliegend, zonder paarden, rijden;
+"Ik geloof me zelven niet,"
+Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!"
+
+Zag ze, met den knijpbril op,
+'t Luchtschip boven de aarde zweven,
+En, ten spijt van 't golvend sop,
+Als een peil door 't zwerk gedreven,
+(Wanneer vangt de proef weêr aan?)
+Hoe verbijsterd zou zij staan!
+
+Zag ze de onnaspeurbre kracht,
+Waar het goochlend magnetisme,
+'t Menschdom meê aan 't duizlen bragt,
+Of het toovrend galvanisme,--
+Zeker vroeg haar angstgekwel:
+"Is de Duivel ook in 't spel?"
+
+Sloeg zij eens de werking gâ,
+Der atmosferieke drukking,
+Die uw hooge geestverrukking
+Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_!
+Werking, waar de stoom voor zwicht ...
+Wie beschrijft haar aangezigt?
+
+Oxigéne-Microscoop!
+Bragt gij al de monsterdieren
+Die, in wriemelenden loop,
+Door één' druppel waters zwieren,
+Voor heur sidderenden blik,--
+Zij bestierf van louter schrik!
+
+Las zij, hoe ons Handelsblad (1),
+Ook de huwlijks-koersen teekent;
+Der verliefden beeld bevat!
+Teederder om weêrmin smeekend,
+Naar de markt is, laag, of hoog,--
+Schaamte sloot haar zedig oog!
+
+Doch, hoe turend keek ze wel,
+Als zij honden kaart zag spelen?
+Vlooijen op het krijgsbevel,
+In soldaten zich hertelen?
+Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,)
+Dienen ze eens het land in nood!
+
+'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas
+Kaars en olie wreed verbande;
+Nieuwheidszucht het oude, als was,
+Gansch herkneed heeft in den Lande;
+"Salomo," zoo riep zij wis,
+"Had het dan toch duchtig mis!"
+
+Maar, deed Grootjes liefdrijk hart,
+Broeders! eens de vraag aan de aarde:
+"Hebt ge, o aard! nu minder smart,
+"Dan vóór gij die wondren baarde?"
+Wat zou 't antwoord wezen, dat
+Grootje dan te wachten had?
+
+
+ * * * * *
+
+(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de
+huwelijks-aanvragen.
+
+
+
+
+
+GERUST IN DE ONSTUIME BAREN.
+
+(_Spreuk van Willem den Eerste._)
+
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren;
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+Cesar, prooi der woeste stroomen,
+Weet de vrees zijns volks te toomen,
+Door zijn kalm en rustig woord:
+"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen?
+"Hebt gij niet, in spijt der vlagen,
+"Cesar en 't geluk aan boord?"
+
+Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden,
+Deed zijn heir ten strijd ontbranden,
+Schoon aan d' afgrond van 't verderf;
+En Oranje's legervanen,
+Doen Albertus krijgsroem tanen,
+Maurits rust behoudt het erf.
+
+Eerste Willem, Neêrlands Vader!
+Zelfs bij 't lood van den verrader,
+Bleef uw spreuk uw trouwe tolk:
+Treffe een Gerards u moorddadig,--
+"Wees, o God! mijn ziel genadig,"
+Bidt gij--"en dit arme volk!"
+
+Hoe de nood-orkanen woeden,
+Hoe, op 's levens holle vloeden,
+Speelbal van het wislend lot,--
+Laat geen vrees uw hart vervaren,
+Rustig op de onstuime baren,
+En gelaten 't oog op God.
+
+
+
+
+
+EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM.
+
+(_Spreuk van Maurits._)
+
+
+De vrije Nederlanden
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag, aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard',--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver;
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+Het hemeltergend Spanje
+Hoont Neêrlands goed en bloed,
+Maar Neêrland en Oranje,
+Ontvlamt in Heldenmoed!
+"Wat! droppel aan den emmer!"
+Brult Spanjes schepterklemmer,
+"Wat wil uw ijdle droom?"
+Doch, drupjes worden vloeden,
+Die toomeloos vaak woeden,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De noeste Koopvaardije,
+Met welvaart op 't gelaat;
+De bloei der maatschappije,
+De zenuw van den staat!
+Wier altoos volle horen,
+Haar goud, bij goud trezoren,
+Ontlast met milden stroom;
+Ofschoon uit niet gesproten,
+Wie telt heur rijke vloten?
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Gij, landbouw en gij veeteelt,
+Gezegend tweelingpaar!
+Die zoo veel wellust meêdeelt,
+Waarheen het oog ook staar';
+Uw welige akkers bloeijen,
+Uw malsche kudden loeijen,
+En geven enkel room!
+Hoe klein gij zijt begonnen,
+Wat schat hebt gij gewonnen ...
+Het spruitje wordt een boom!
+
+Zie, Kunst en Wetenschappen,
+Veredelen den geest!
+Wie hoog staat op heur trappen,
+Is ook eens laag geweest!
+Maar langzaam opgeklommen,
+Tot hare heiligdommen,
+Met telkens minder schroom;
+Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen,
+De kroon der eere glimmen,--
+Het spruitje wordt een boom!
+
+De vrije Nederlanden,
+Met regt alom vermaard,
+Wier vlag aan alle stranden,
+Beroemd is over de aard,--
+Ontwoekerd aan de plassen,
+Aan wier en aan moerassen,
+Door 't volk zoo vroed als vroom;
+Door ongehoorden nijver,
+Het pronkjuweel van d' ijver,--
+Het spruitje wordt een boom.
+
+
+
+
+
+VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND.
+
+(_Spreuk van Frederik Hendrik._)
+
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Was Fredrik Hendriks leus.
+Zijn trouwe deed die leus gestand,
+Die ridderlijke keus;
+Het lemmer aan zijn zijde,
+Vloog hij verrukt ten strijde,
+En toonde door zijn' moed,
+Den oorsprong van zijn bloed!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland,
+Verwoei zijn blikkrend zwaard;
+De vijand vlood met schade en schand',
+Voor 's Pruisen heldenaard!
+Laat Flips het zelf getuigen,
+Wat steden moesten buigen,
+Voor Nassau's wrekend staal,
+In dappre zegepraal!
+
+Voor Godsdienst en voor Vaderland!
+Was naauw zijn' mond ontgleên,
+Of de onverbreekbaarste eendragtsband
+Bond Vorst en Volk aaneen!
+Uw tooverwoord, Oranje!
+Betemde 't matig Spanje,
+En Neêrland vocht zich vrij,
+Van snoode dwinglandij!
+
+
+
+
+
+DEUGD SCHEPT VREUGD.
+
+(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._)
+
+
+Deugd
+Schept vreugd;
+Heerlijk woord!
+Grijze en jeugd!
+Zegt het voort,--
+Wijs, die hoort!
+
+Baat
+Het kwaad;
+Kwaad teelt smart,
+Vroeg, of laat,
+Voor het hart;
+Dwaas, die 't tart!
+
+Houw
+En trouw,
+Aan de deugd!
+Op haar bouw',
+Grijze en jeugd,--
+Deugd schept vreugd!
+
+
+
+
+
+ELCK WAT WILS.
+
+(_Spreuk van Roemer Visscher._)
+
+
+Bart en Art en Art en Bart,
+Ruilden zamen hart voor hart!
+Maar hun vrijen zal niet baten,
+De Oudjes hebben 't in de gaten ...
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Jan en Griet, uw huwlijks-schip
+Zeilt nog vast op bank en klip!
+'t Laat zich uit uw oog wel lezen,
+Ieder wil graag hoofdmast wezen--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid
+"Zij ons zielesnoer geleid!"
+Maar, na weinige oogenblikken,
+Komt de twist dat snoer ontstrikken;
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Heerschers van het aardsch gebied,
+Stelt uw vreugd in d' oorlog niet!
+Spaar, o Groote Potentaten!
+Spaar het bloed der Onderzaten!
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+O! die spreuk van d' ouden Bard,
+Zij de spreuk van aller hart!
+Doch de lust leer' zich bestrijden,
+Van die spreuk niet te overschrijden--
+Elk wat wils, elk wat wils,
+Dan voorkomt men veel geschils!
+
+Elk wat wils, maar, liefdrijk God!
+Niet in uw volmaakt gebod!
+Wilde dáár ook elk wat willen,
+'t Ware uw wijze leer bedillen...
+God! o hater des geschils,
+Zijn wij steeds met U éénswils!
+
+
+
+
+
+GENOEGH IS MEER.
+
+(_Spreuk van Anna Visscher._)
+
+
+Het daaglijksch brood--
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+Is hij slechts rijk,
+Wiens woekrend slijk,
+Al hooger klimt,
+Al heller glimt?
+
+Hij arm, wie niet
+Dien goudberg ziet?
+Wiens eerlijk zweet
+Hem kleedt en reedt?
+
+o Gij, beslis,
+Ervarenis!
+Uw wijze stem,
+heeft kracht en klem:
+
+"Tevredenheid,"
+Zegt zij, "bereidt
+"Het beste deel,--
+In weinig veel!"
+
+Het daaglijksch brood,
+Wat gift, hoe groot,
+O Opperheer!
+Genoeg is meer!
+
+
+
+
+
+ELCK ZIJN WAEROM.
+
+(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._)
+
+
+Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ,
+En o! zij had het regt;
+Die spreuk is zonder wedergâ,
+De ervaring doet haar regt;
+Want hoe men cijfert, dit 's de som:
+Elk mensch op aard heeft zijn waarom!
+
+Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer
+En God zij dank en lof;
+Hij wierp ons niet op aarde neêr,
+Als wormen in het stof;
+Zijn vaderliefde rigt ons oog,
+Naar 't zielvereedlendst doel omhoog!
+
+Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft,
+Zijn' boezem ingeplant;
+Het hart eene andre rigting geeft,
+Tot eigen schade en schand!
+Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch,
+Misbruikt tot hoon van God en mensch!
+
+Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk
+Ons aller wenschend wit;
+Die spreuk zoo rein van smet en kreuk,
+Waar de eêlste les in zit!
+Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard,
+Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'!
+
+
+
+
+
+ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN.
+
+(_Spreuk van Jacob Cats._)
+
+
+Lieve Vader Cats! wat schat
+Niet uw schoone spreuk bevat!
+Onder welke luchtgewelven,
+Op wat land het oog ook staart,
+Elk spiegele zich zelven,
+Die spreuk geldt voor heel de aard'!
+
+Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad
+Onpartijdig met u raad;
+Durf in eigen boezem delven;
+Zie wiens beeldtenis gij draagt,--
+Elk spiegele zich zelven,
+Eer hij zijn lot beklaagt.
+
+Judas, die zijn' Heer verried,
+Spiegelde zich zelven niet;
+Hebzucht bande pligt en rede;
+Jezus jongrental werd elf ...
+Wacht u voor de eerste trede,
+Elk spiegele zich zelv'!
+
+
+
+
+
+'T KAN VERKEEREN.
+
+(_Spreuk van Bredero._)
+
+
+Niets bestendig,
+Alles endig,
+Wat de wislende aard' bevat;
+'t Kan verkeeren,--
+Dat te leeren,
+En, wie vreest Fortuna's rad?
+
+Lieve schoone!
+Die de kroone
+Der ontloken jongheid draagt,--
+Ach, de jaren,
+Die niets sparen,
+Hebben ras uw schoon gevaagd!
+
+Aardsche Magten,
+Die uw krachten,
+Onverwinbre krachten waant,--
+'k Zie uw rijken
+Reeds bezwijken,
+En uw glorie-zonne taant!
+
+o Hoe groeijend,
+o Hoe bloeijend,
+Was der Vadren Koopvaardij!
+Maar verzwonden
+Zijn die stonden,
+Zelfs geen schaduw bleef ons bij!
+
+Doch in eere,
+Wat verkeere,
+Blijve Neêrlands houw en trouw;
+Neêrlands rondheid,
+Neêrlands promptheid,
+Zij de steun van 't staatsgebouw!
+
+
+
+
+
+HORA RUIT (1).
+
+(_Spreuk van Hugo de Groot._)
+
+
+De tijd vervliegt,--
+Vlugger dan een paard,
+In zijn vleugelvaart,
+Door geen kracht te toornen!
+De tijd bedriegt,--
+Wie op hem betrouwt,
+heeft op zand gebouwd,
+Heeft geloofd aan droomen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Sneller dan het licht
+Van een' bliksemschicht,
+In het niet verdwenen!
+De tijd bedriegt,--
+Als een leugengeest,
+Die den mensch beleest,
+Lagchende in zijn weenen!
+
+De tijd vervliegt,--
+Wakkere de Groot!
+Maar, hoe ras hij vlood,
+Kon hij u bedriegen?
+De tijd bedriegt,--
+Daarom nam uw keuz',
+Ook die spreuk ten leuz',
+Lettende op zijn vliegen!
+
+ * * * * *
+
+(1) De tijd vervliegt.
+
+
+
+
+
+PEUT-ETRE (1).
+
+(_Spreuk van Hendrik van Brederode._)
+
+
+Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind,
+Van welk eenen kant het moog' waaijen;
+Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind,
+Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen!
+Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên?
+ Misschien.
+
+Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt,
+De jongen is ganschlijk beteuterd;
+Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt,
+Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert!
+Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien?
+ Misschien.
+
+Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht,
+Hij leeft en beweegt in zijn glorie;
+Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt,
+Bekraait slechts zijn haan met victorie!
+Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien?
+ Misschien.
+
+De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol,
+Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen;
+'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol,
+Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen!
+Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'?
+ Misschien.
+
+ * * * * *
+
+(1) Misschien.
+
+
+
+
+
+REPOS-AILLEURS (1).
+
+(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._)
+
+
+Als de baren u vervaren,
+Op de onstuime zee,
+Laat de hoop uw' geest bedaren,
+Op een stille reê;
+Schoon de noodstorm u onthutst,
+ Elders rust.
+
+Pelgrim, door de dorre zanden,
+Van dees rarnpwoestijn!
+Laat de dorst uw keel verbranden,
+Doet de togt u pijn,--
+Ééns wordt al uw leed gesust,
+ Elders rust.
+
+Ja, het leven is doorweven,
+Met veel smart en rouw;
+Maar Gods woord is ons verbleven,
+En Gods woord is trouw;
+Worde ook 's levenslamp gebluscht,
+ Elders rust.
+
+ * * * * *
+
+(1) Elders rust.
+
+
+
+
+
+VITA MORTALIUM VIGILIA (1).
+
+(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._)
+
+
+Een nachtwake is het leven,
+De wieg grenst aan het graf;
+Wij jagen en wij streven,
+Door de aardsche disteldreven,
+Als brak het nimmer af!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Roemzuchtig oorlogsheld!
+Hoe hoog in magt verheven,
+Het is den dood om 't even,
+Ras ligt ook gij geveld!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Moed, lijdende onschuld! moed,
+Waartoe dat angstig beven?
+Uw webbe is haast geweven,
+De dood, uw redder, spoedt!
+
+Een nachtwake is het leven,
+Meêdoogenlooze vrek!
+'t Gaat alles u begeven,
+Waaraan uw hart blijft kleven,
+Dra roept de dood: "vertrek!"
+
+Een nachtwake is het leven,
+Dat elk zijn ziel bereid'!
+Want o! er staat geschreven,
+In 't woord aan ons verbleven:
+"Op tijd, volgt eeuwigheid!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake.
+
+
+
+
+
+GETROUW.
+
+
+Foei, Hendrik! is dat mallen!
+Foei, is dat dartel kallen!
+Wat hebt gij ze in de mouw ...
+Gij stoeit altoos met Mina
+En gaaft uw woord aan Lina,
+Is, wufthoofd! dat getrouw?
+
+Gaat, jongen! gij in 't vrijen
+Reeds zoo het pad bezijen,
+Hoor, hoe ik het beschouw:
+Pas heeft u de echt verbonden,
+Of gij hebt d' echt geschonden,
+Uw liefde is niet getrouw!
+
+En maakt u 't huwlijk vader;
+Wie, die uw kroost ten rader,
+Zijn pligten het ontvouw'?
+Ach, naar uw' boozen handel,
+Rigt ook het kind zijn' wandel,
+Uw voorbeeld steeds getrouw!
+
+Uw snoode deugdonteering,
+Bant nering en hantering,
+Wat wordt van kroost en vrouw?
+Een worm moet u doorknagen,
+Als nooddruft hen doet klagen:
+"Gij waart ons niet getrouw!"
+
+Is dat uw burgerpligten,
+Betamelijk verrigten,
+Tot steun van 't staatsgebouw?
+Gij ziet door elk u haten,
+Als de ergste pest der staten,
+In niets zijt gij getrouw!
+
+O! laat uw jeugd nog raden!
+Vlied, vlied, de onkuische paden,
+Door tijdig naberouw!
+Gij weet, Gods woord verkondigt:
+"De straf volgt hem, die zondigt,"--
+Gods woord, het is getrouw!
+
+
+
+
+
+'T UUR IS DAAR!
+
+
+"'t Uur is dáár!
+"Moedig maar!
+"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje,
+"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje;
+"'t Uur is dáár,
+"Voor het toevend echtaltaar!"
+
+"'k Gaf mijn hand,
+"U ten pand,"
+Antwoord ze onder lieflijk blozen,
+"'k Heb voor duizend u verkozen,--
+"'t Uur is dáár,
+"Zegen ons, Alzegenaar!"
+
+En nu hecht,
+De eerbare echt,
+Trouwe Twee! uw zielen zamen;
+'s Priesters mond zegt plegtig, Amen!
+'t Uur is dáár,
+Veel geluk, beminlijk paar!
+
+Blijde stond!
+'t Jaar verzwond,
+En aan Elsjes blanken boezem,
+Prijkt een frissche huwlijksbloesem;
+'t Uur is dáár,
+'t Zaligst uur, voor hem en haar!
+
+Treft hun hart,
+'s Levenssmart,--
+Koen wijst Elsje naar den Hoogen,
+Zegt en wischt heur schreijende oogen;
+'t Uur is dáár,
+"Maar God helpt soms wonderbaar!"
+
+Als 't verdriet,
+Henenvliedt,--
+O! dan spreekt weêr Elsje teeder:
+"Knielen wij eerbiedig neder,
+"'t Uur is dáár,
+"Onzer dankbeê na 't gevaar!"
+
+Moet een pligt,
+Nog verrigt,--
+Beiden brengen, kloek van zinnen,
+Aan hun' geest dien pligt te binnen;
+"'t Uur is dáár!"
+Zeggen zij dan tot elkaár.
+
+Vroeg ontbood,
+Hen de Dood--
+Doet die roepstem hun niet beven?
+Neen, zij laten kalm het leven;
+'t Uur is dáár,--
+Maar tot de afreis zijn ze klaar!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKS-LIEDJE.
+
+
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar opent zich het hart;
+Daar geven zang en gulle kout,
+Het zielestreelendst onderhoud;
+Waar blijdschap woont,
+Waar vreugde troont,
+Daar vlugten druk en smart!
+
+Klink' blij van geest,
+Dan op dit feest,
+En stem en citersnaar;
+Waar liefde en trouw verbonden sluit,
+Daar dreune en davre 't zanggeluid,
+Klink blij van geest,
+Dan op dit feest,
+Een lied voor 't jeugdig paar.
+
+Geluk en vreê,
+Is aller beê,
+Geliefden! voor uw lot;
+Ons hart blijft aan uw heil gehecht,
+Des Hoogsten zegen kroone uw' echt;
+Geluk en vreê,
+Is aller beê,
+Verhoor die bede, o God!
+
+
+
+
+
+DE OOIJEVAARS.
+
+
+Hoezee! daar komen de Ooijevaars
+Weêr fladdrende aangevlogen!
+Zijt welkom, lieve Klepperaars!
+Met vreugd zien u mijne oogen.
+Zijt welkom uit het vreemd gewest,
+Strijkt neder op het toevend nest!
+
+Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit:
+"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen?
+"De wintervorst is heengebruid,
+"De schepping staat herschapen!
+"De lente is daar, het huis ontvlugt,
+"Naar buiten, in Gods vrije lucht!"
+
+o Vogels! welk een bron van vreugd,
+Doet niet uw komst weêr stroomen!
+Een welkomthuis, zoo vol geneugt ...
+Wie had het kunnen droomen?
+'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart,
+Nog meerder giften schenkt aan de aard'!
+
+Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis
+Waarop ge uw' zetel stelde,
+Bevrijd van druk, bevrijd van kruis,
+Zoo als de faam vermeldde?
+Hoe 't zij, 't is zeker en gewis,
+Dat elk uw komst tot blijdschap is.
+
+Hoog wordt ge in Nederland geacht,
+Uw regten zijn er heilig;
+Waar ge ook uw woonstede overbragt,
+Zijt ge ergens meerder veilig?
+Want wee de hand, die in ons oord,
+Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!
+
+Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag
+U in zijn wapen leven?
+Daarheen wendt zich de blik zoo graag,
+Wanneer ge ons hebt begeven;
+Dan juicht het harte blij gezind!
+Gij zijt het sprekend, beste vrind!
+
+Doch, vogels! niet aan dos, of zang,
+Zijt gij die eer verschuldigd,
+Uw deugd voert u tot d' eersten rang,
+Uw deugd, die de aarde huldigt;
+Want kuischheid woont in uw gezin (1),
+Bij ouderliefde en kindrenmin.
+
+Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond
+Wordt lagchende u ontsloten,
+Geniet de weelde van deez' stond,
+Teêrminnende echtgenooten!
+Een frisch gepluimte, u beider beeld,
+Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!
+
+En als gij tegen 't koud saizoen,
+Met de uwen weêr gaat trekken,
+En we allen uitgeleide u doen,
+Zoo ver het oog kan strekken;
+Dan roept nog de echo duizend keer:
+"Geluk op reis, komt haastig weêr!"
+
+ * * * * *
+
+(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.
+
+
+
+
+
+OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN.
+
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+Hij droeg de grijze kroon
+Der zilverblanke opregtheid,--
+Geen Koningskroon zoo schoon!
+
+De nutte boerenstand,
+Werd aan zijn vlijt tot werkkring
+Beschikt van Hoogerhand!
+
+Was landbouw al zijn lust,--
+Nu scheen de schoot der aarde
+Na d' arbeid, zoete rust!
+
+Geen hartelijker vrind,
+Schonk immer de verkeering;
+Hem minde grijze en kind!
+
+Zijn leuze als echtgenoot,
+Als teederste aller vaders,
+Was: "trouw tot in den dood!"
+
+Hij stelde op eenvoud prijs,
+Aartsvaderlijke zeden!
+Gij waart zijn levenswijs.
+
+Ofschoon noch rijk, noch arm,
+Mogt hij de nooddruft steunen,
+Dan sloeg zijn harte warm.
+
+Naar hem de wet beval,
+Zóó minde hij zijn naasten,--
+Maar o, God bovenal!
+
+Op Christus zoenverbond,
+Was al zijn hoop gevestigd,
+Tot in zijn' jongsten stond!
+
+Hij was een brave man!
+Wel hem, van wien de waarheid
+Dien lof getuigen kan!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' FAT.
+
+
+Gij, zoo erbarmelijke Fat!
+Die uw kleedij het hoogste schat,
+U zelv' vergoodt en wendt en keert,
+En als een paauw in 't rond _spanceert_!
+Die, rusteloos, u elken dag
+Versiert met telkens bonter vlag;
+Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht
+Aan d' oorsprong van de kleederdragt?
+Hoe zij der zonde kenmerk is,
+Het toonbeeld der verdorvenis?
+
+En gij, o bontgetooide pop!
+Gij flikt en kwikt en strikt u op,
+En weet niet, dat u juist verneêrt,
+Hetgeen gij waant, dat u vereert ...
+Waardoor ontstond in 't paradijs
+Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.
+
+Geloof me, een waarlijk kloeke geest,
+Kiest zich een kleed naar vorm en leest;
+Naar jarental en luchtklimaat,
+Een eerbaar kleed, naar rang en staat!
+Een kleed, dat ieders achting wekt,
+En niet den spot ten lach verstrekt.
+
+
+
+
+
+DE LACH.
+
+
+'k Zing, door vreugd gedreven,
+De eêlste gift van 't leven;
+'k Juich, dat ik het mag!
+'k Zing het blijdschaps-teeken,
+(Wijkt, o tranen-beken!)
+'k Zing den lieven lach!
+
+Jongling! kent ge op aarde,
+Schat van grooter waarde,
+Dan den lach der min?
+Wat den boezem griefde,
+'t Lachje van de liefde,
+Balsemt ziel en zin!
+
+De eerste lach van 't wichtje,
+Op het lief gezigtje,
+Door het oog bespied,--
+Teedre lach van d' Engel ...
+God! wat heilgemengel!
+Ouders! gij geniet.
+
+Bij het leverschudden,
+Als de lach met mudden
+Vreugde en blijdschap meet,--
+'t Droevig stofgewemel,
+Wordt een blijde hemel,
+Waar is, aarde! uw leed?
+
+Troost! als ge onschulds smarte,
+In het treurend harte,
+Medelijdend sust,--
+Laat zich op haar wezen,
+'t Kalme lachje lezen,
+Dat in God berust.
+
+Zaagt gij ooit de dieren
+Lagchend vreugde vieren,
+Hoe verheugd van geest?
+Juich! ook 't lachvermogen,
+Mag u, mensch! verhoogen,
+Boven 't reedloos beest!
+
+Wie zijn strakke trekken,
+Nooit ten lach voelt wekken,
+Vlied den norschen draak!
+Schoon u 't purper kleedde,
+Wreede Flips de Tweede!
+Vlood de lach uw kaak (1).
+
+Lach! o te aller stonden,
+Waart gij naauw verbonden
+Aan de blanke deugd;
+De edelste der gaven,
+Smaken slechts de braven,
+'t Lachje van geneugt.
+
+Want, de lach der boosheid,
+Die der valsch- en loosheid,
+Waanzin, wanhoops-lach,--
+Wie dat lach kan heeten,
+Is den lach vergeten,
+En ziet nacht voor dag.
+
+Molmen bint en stutte,
+Van mijn leemen hutte,
+Dat de dood ze sloop',
+Moge, in 't laatst van 't leven,
+Slechts mij 't lachje omzweven,
+'t Lachje van de hoop.
+
+ * * * * *
+
+(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede
+nooit lachte.
+
+
+
+
+
+HET WEESJE.
+
+
+Zuigling van uw wieg af wees?
+Welk een booze ster verrees,
+Die uw' prilsten levens-stond,
+Zoo veel bittren rampspoed zond?
+Was uw eerste levenskreet,
+Dan een voorgevoel van 't leed,
+Dat u, van uw wiegjen af,
+Zou vervolgen tot aan 't graf?
+
+Jongske! hoor, er heerscht een magt
+Over 't menschelijk geslacht,
+Die met toorneloos geweld,
+Alles in haar boeijen knelt;
+Die geen medelijden voedt,
+In het altoos koud gemoed,
+Maar met onbewogen hart,
+Neêrziet op de diepste smart:
+Die de gâ, der gade ontrukt;
+d' Ouden staf, naar 't graf gebukt,
+Wreedelijk berooft van 't kroost,
+Al zijn steunsel nog en troost:
+Die, eer 't pasgeboren wicht,
+De oogjes opende voor 't licht,
+Reeds zijne ouders van hem nam ...
+'t Was uw lot, onschuldig lam!
+Kind! die schrikbre dwingeland,
+Die der wereld vreugd verbant,
+En slechts waarschuwt met den stoot,
+Is, (verbleekt gij?) is de dood!
+
+Wichtje! welk een zielsgenot
+Kroonde uw ouders huwlijkslot!
+Al de droomen hunner jeugd,
+(Zoete droomen, vol geneugt'!)
+Duizendwerf elkaar gezegd,
+Ja, nog meer, vervulde de echt!
+
+Zie, het zaligst levensuur,
+Zet hun volle borst in vuur,
+Nu het lagchende verschiet
+Nooit gesmaakten wellust biedt!
+O, een telg ... maar God! wat rouw
+Overvalt de blijde vrouw? ...
+Bange vrees en angst en schrik,
+Spreken uit uw moeders blik:
+"Dierbre gade!" gilt zij uit,
+Maar reeds mist hij zijn geluid,
+Plotsling zeeg haar zielsvriend neer,
+Kind! gij hebt geen' vader meer!
+
+Is het al niet--zwaarder ramp,
+Ongeboorne! wacht ten kamp,
+'t Uur van barensnood breekt aan,
+Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ...
+Angst en doodstrijd zijn gestreên,
+Arme Wees! gij staat alléén.
+
+Hulpelooze onnoozelheid!
+Knaapje! dat zoo bitter schreit,
+En slechts tranen drinkt voor zog,
+Ach! waartoe bestaat ge toch?
+Waarom velde de eigen hand,
+Niet met de ouders, ook het pand,
+'t Had, van rampen onbewust,
+Sluimrende aan hun borst gerust;
+Dood! waarom gescheiden, 't geen
+Wat het leven smolt tot één?
+
+Wie erbarmt zich uwer, kind?
+De aarde is vaak zoo schaars gezind,
+Tot meewarig helpen, van
+Wie zij hulp onttrekken kan.
+Geeft niet iedre wezenstrek,
+Een bewijs van uw gebrek?
+En het nijdig noodlot zendt,
+Honger, kommer, ziekte, ellend'!
+Hoe verlaten nooddruft kermt,
+Niemand, die zich 't wicht ontfermt!
+Niemand? Zwijg, Godlastrend woord,
+Eer de Hemel zich verstoort,
+Om uw schuldig albedil,--
+God is liefde! mensch, zwijg stil.
+Zie, het Alziend Vaderoog,
+Ziet genadig van omhoog,
+Op het klagend wichtje, dat
+Zonder God geen' redder had.
+Hij, die 't muschje niet vergeet,
+Zag des Weesjes droevig leed,
+En het lachje van genugt',
+Jaagt de traantjes op de vlugt!
+Eer vergeet de moederborst,
+'t Lesschen van des zuiglings dorst,
+Eer Hij de onschuld hulploos laat,
+Die ter prooi aan 't onheil staat!
+
+Moed dan, Weesje! God vertroost
+Steeds het ouderlooze kroost;
+Weert hun nooddruft, stilt hun pijn,
+En wil zelfs hun vader zijn!
+Ja, roept niet zijn eigen Zoon,
+Op den minnelijksten toon,
+In het teederst liefdeblijk,
+Kindren voor zijn Koningrijk?
+
+Vrage dan verblinde waan
+Naar het doel van uw bestaan,
+Om het grievende gemis,
+Dat uw jeugd beschoren is;--
+Kind! opregte Godvrucht staart
+Op een hooger wit dan de aard',
+Deernis voedende in uw' druk,
+Juicht zij toch in uw geluk!
+
+Nu dan, teedre bloesemknop!
+Groei en luik voorspoedig op!
+'t Schrikkelijke noodweêr vlugt
+Reeds voor zoeler, milder lucht:
+Zie, de beste Hovenier
+Geeft uw jeugdig leven tier,
+Hij bewaakt u en aanschouwt,
+Hoe ge uw bladertjes ontvouwt.
+Stel zijn zorgen niet te loor,--
+Breke straks het vruchtje door,
+Dat, met blosjes lief en zacht,
+Rijpende ieder tegenlacht!
+O dan wordt gij, jonge bloem!
+Eenmaal nog der wereld roem,
+En het juichende aardrijk looft,
+Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!
+
+
+
+
+
+HUWELIJKSVEREENIGING.
+
+(_den 8 October 1842._)
+
+
+Wat hooge vreugd vervult den Koning?
+Wat innig heil de Koningin?
+Wat plegtigheid doordringt de woning,
+Van Neêrlands eerste huisgezin?
+Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ...
+Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?
+
+Het huwlijks-altaar staat te branden;
+Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt;
+De dienaar Gods heft hart en handen,
+Daar hemelsche aandrift hem bezielt:
+Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar,
+Den zegen van d' Alzegenaar!
+
+En zie, alsof een hand van boven,
+Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt,
+Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven,
+Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt,
+De priester hecht in 's Heeren naam,
+Door 't snoer des echts twee harten zaâm!
+
+Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'?
+Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk?
+Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren!
+Sophia, 's lands Prinsesse, schonk
+Aan Weimars Hertog, hart en hand;
+Geen schooner echt kwam ooit tot stand!
+
+Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders!
+Geluk in 't voorregt van uw kroost!
+Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders
+Maar o! deez' blijde dag schenkt troost!
+Heil u ook, pas verbonden Twee!
+'s Lands beê volgt u tot Weimar meê!
+
+
+
+
+
+DRIFT.
+
+
+Onbezonnen drift, versmoort
+Iedre vreugde-vonk, en stoort
+'s Levensheil op aarde;
+Hoe de glimp haar kwaad verbloemt,
+Liefderijke eensgezindheid doemt
+Die steeds tweedragt baarde.
+
+Zie, naauw is haar toorn ontbrand,
+Of oploopendheid verbant
+IJlings pligt en rede;
+Vreugde kent geen kortswijl meer,
+Als in 't lagchende weleer,
+Want haar leuze is: vrede!
+
+Maar smelt' laster ook heur' naam?
+'k Hoor haar deugden door de Faam
+Toch zoo luidkeels prijzen:
+"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad,
+"Goed van inborst, schuwt ze een daad,
+"Die haar ziel doet ijzen!"
+
+IJzen? Wie der lippen wacht,
+In zijn razernij veracht,
+Doet beraad hem spreken?
+Welk geheim de heethoofd weet,
+'t Staat al loerende gereed
+Uit den mond te breken!
+
+Drift is als een dolle hond,
+Die wreedaardig ieder wondt,
+In zijn blindlingsch woeden;
+Ach! zij deed met fellen beet,
+Zoo meêdoogenloos als wreed,
+Menig harte bloeden ...
+
+Wie verstandig heeten wil,
+Wie goedhartig, haat de gril,
+Om, bij beuzelingen,
+Elk tot spotternij en schrik,
+Plotsling, ieder oogenblik,
+Uit zijn vel te springen!
+
+
+
+
+
+DE LASTER.
+
+
+Hoe de laster smaal',
+En door vuige taal,
+Deugd haar kroon bezwalke,--
+'t Schendend lipvenijn,
+Schoon het de aard' verschalke,
+God verblindt geen schijn!
+
+Zie, de nevel zwicht,
+Voor het zonnelicht,
+Dat de waarheid bloot leit;
+En de pest der aard',
+Staat, in al zijn snoodheid,
+Naakt geöpenbaard.
+
+Wat zijn helsche togt,
+Gruwlijks zamenwrocht,
+Tot zijn naastens smarte,--
+'t Plet zijn' eigen kop--
+God doorzag zijn harte,
+En stond wrekend op!
+
+
+
+
+
+EENVOUD (1).
+
+
+Eenvoud, beminlijke schoone!
+Nog nooit naar verdienste geschat;
+Van iedre schoone de kroone,
+En toch op uw schoonheid niet prat;
+Die zinloozen pronk kunt versmaden,
+Hoe wansmaak er gapende op tuur,--
+U hullende in eigen gewaden,
+In 't hemelsche kleed der Natuur!
+
+De gordel der liefelijkheden,
+Die Ciprus haar tooverkracht gaf,
+Versiert uw bevallige leden,
+Zij stond, bereidvaardig, dien af:
+"U," sprak zij, "u moet hij omhullen,
+"Wie meerder dan gij is hem waard?
+"Die zoo veel geluk zult vervullen,
+Tot zegen der jubelende aard!"
+
+En evenwel, weinige aanbidders
+Voor u in het blinkende staal;
+Bestegen de meeste der ridders,
+Voor vreemdere kleur niet het zaal?
+Waar 't letterveld ook wordt ontsloten,
+Voor strijders verhit op den krans,
+Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten,
+Schaars breekt men voor Eenvoud een lans!
+
+Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde,
+Het leven had vreugdvoller loop;
+Wie ooit op uw weldaden bouwde,
+Beschaamdet gij nooit in zijn hoop!
+Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven,
+Of waar zich uw voetdruk bevindt,
+'t Krijgt alles een krachtiger leven,
+Een lieflijker aanschijn en tint.
+
+Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt,
+In lusthof, in bosschen en beemd,
+Een meer dan Arkadische schoonheid,
+Die 't kluistervaste oog er verneemt;
+Had bouwlust in steden en dorpen,
+Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt,
+Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen,
+Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht!
+
+Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde
+Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst!
+Wie gij tot het priesterschap wijdde,
+In 't heerlijk gebied van de kunst!
+Wat lauwer op aarde verdorde,
+Zijn eerloof tart tijden en lot,
+Met regt prijkt een Cats in uwe orde,
+Maar Swaanenburgs naam werd ten spot!
+
+Door Eenvoud is Neêrland verrezen
+Uit modderig slijk en moeras;
+Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezen
+Zoo groeijend en bloeijend als 't was;
+Den weg, door de Vadren betreden,
+Wijst Eenvoud het nakroost nog aan,
+Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden,
+En welvaart, en kunstschoon ontstaan!
+
+ * * * * *
+
+(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met
+mijn doel overeenkomt.
+
+
+
+
+
+AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR.
+
+
+Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt,
+Uw geestlijk oog aanschouwt een licht,
+Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister:
+Gij voert, door 't zuiverst toongeschal,
+U in dat rijk, waar hemelval
+Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister!
+
+
+
+
+
+DE MUIS.
+
+
+In mijn' leuningstoel gedoken,
+Bij het scheemren der Natuur,
+Voor de gure winterspoken,
+Veilig bij mijn haardsteê-vuur,
+Door verbeelding, in 't verleden,
+In de toekomst en het heden,
+Tooverende rondgeleid,
+In het groot geheel verloren ...
+Wat geridsel laat zich hooren,
+In mijn peinzende eenzaamheid?
+
+Uit een klein behangselgaatje,
+Kruipt, door honger aangespoord,
+Trillende als een popelblaadje,
+Een vreesachtig Muisje voort:
+In en uit heur holtje sluipend,
+Luistrend om zich henen gluipend,
+Wordt het telkens meerder vrij;
+Turende met grage blikken,
+Of er ook iets valt te bikken,
+Komt het na en nader bij!
+
+Angst en vreeze vloden henen;
+Zie, de dartelende Muis,
+Is in de etenskast verdwenen,
+En voelt zich zoo goed als t' huis!
+O! wat nooit gesmaakte weelde,
+Nu haar jeukend maagje streelde,
+In dat rijk luilekkerland!
+'t Beestje kan zich wel begraven,
+In de keur van lekkre gaven,--
+Alles is er naar zijn' tand!
+
+"Maar, ei zie! dat traliehokje,
+"Wat hangt dáár voor lekkers in?
+"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje,
+"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!"
+'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ...
+Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen,
+Hoor, wat slag! de valklep sluit! ...
+Muisje! door te veel te willen,
+Moest gij al uw heil verspillen,--
+Trek, o Mensch! er leering uit.
+
+
+
+
+
+TEHUISKOMST.
+
+
+Overdierbaar plekje grond!
+Vorden, 'k mag u weêr betreden!
+Stort u uit, mijn dankbre beden,
+Die mijn' boezemtogt verkondt!
+Stort u uit om Hem te prijzen,
+Die met de eêlste gunstbewijzen,
+Mij begiftigde op deez' stond!
+
+'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch,
+Weêr het lagchend oord genaken,
+Waar ik zoo veel heil mogt smaken,
+Waar mijn wellust was en is!
+Was en is en zal beklijven,
+Tot mij 't schoone schoon zal blijven,
+Tot ik kracht en leven miss'!
+
+Maar, van waar dat blij gedruisch?
+Vriendschap komt op vlugge voeten
+Mij, van wijd en zijd, begroeten,
+En geleidt me in vreugd naar huis!
+Trouwe vriendschap, die mij de aarde
+Meê herschept ten bloemengaarde,
+Lieflijk klinkt uw stemgeruisch!
+
+Komt nu, dierbren! komt nu snel
+Naar mijn landelijke woning;
+Dat ook dáár de vreugdbetooning,
+Als van ouds ons weêr verzell'!
+Hospes! stoot mijn kamers open,
+'k Ben de stad voor 't land ontloopen,
+Zeg, is alles bij u wèl?
+
+'k Ben weêr thuis, vivat! vivat!
+_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden!
+Zoekt een plaatsje en gij zult vinden,
+De etiquette's zijn in stad!
+Nader, Langhals, uit den kelder!
+Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder,
+Huldigt Bacchus heerlijk nat!
+
+"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,--
+o, Hij maakt me vreugdedronken,
+'t Wachtend glas weêr ingeschonken;
+Want ik heb een' toast er bij:
+_Vordens groei en bloei en leven;
+Dat het, tot de laatste neven,
+Rijk door God bevoorregt zij!_
+
+Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt;
+Laat ons buiten, vrienden! buiten!
+Wat de ziel gevoelt, ontsluiten,
+Buiten, in de vrije lucht!
+Hoort, en Vink en Filomeeltje
+Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje,
+Zij die dank ook onze zucht!
+
+God! wat is uw Schepping schoon!
+Onnaspeurbre hemelzegen,
+Spreidt uw goedheid allerwegen,
+Aan de juichende aard' ten toon!
+En de geur van bloem en kruiden,
+Komen, op de wiek van 't Zuiden,
+Stoeijende af en aan gevloôn!
+
+Broeders! ja, ons heil is groot!
+Staan wij, zeg, in de eigen streken,
+Die mijn hart voor twintig weken,
+Zijn meêwarig afscheid bood?
+Toen ik alles zag versagen,
+Voor de gramme najaarsvlagen,
+En zag worstlen met den dood!
+
+Als een Feniks, o Natuur!
+Zijt ge glansrijk weêr verrezen,
+En uw jong, aanvallig wezen,
+Zet mijn volle borst in vuur!
+Naauw aan 's Winters boei onttogen,
+Ben ik naar u toegevlogen,
+In het allerwenschlijkst uur!
+
+'k Heb u, Lente! dag en nacht,
+Van bewondring opgetogen,
+Aangestaard met turende oogen,
+Waar de wil van 't lot mij bragt;
+Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken,
+De innigste uwer tooverblikken,
+Heeft me in Vorden toegelacht!
+
+Vorden! Vorden! neem mijn lied ...
+Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)?
+Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden,
+Dat ik luistere en geniet!
+o, Met regt, begaafde zangster!
+Zijt gij hier mijn plaatsvervangster!
+Dat u milde dichtaâr vliet!
+
+Onvergeetbre levensstond!
+Nooit gesmaakte zegeningen!
+'k Hoor mijn Vordens lof voldingen,
+Door den liefelijksten mond!
+God! verhoor nu nog deez' bede:
+Geef, dat eens mijne asch, in vrede
+Rusten moge, in Vordens grond!
+
+ * * * * *
+
+(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten.
+
+(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld,
+van eene Dame mijner kennis.
+
+
+
+
+
+WIE?
+
+
+Ai, zie! de afgrijsbre komt,
+En aller mond verstomt,
+Hij spreekt, en op zijn woord
+Zijn lust en rust verstoord;
+De keel voelt zich beklemd,
+De boezem zich ontstemd,
+En nooit gekende smart,
+Wordt meester van het hart.
+Hij steelt het edelst goed
+Aan uw geschokt gemoed,
+En geeft, wat hij belooft,
+U niets, voor 't geen hij rooft.
+
+Die ééns hem heeft gezien,
+Wenscht altoos hem te ontvliên,
+En voelt zich zóó bevreesd,--
+Alsof een booze geest
+Met eindeloos gekwel
+Hem aangrijnsde uit de hel!
+
+Wie, zangster! is 't gedrogt,
+Wiens vuigen boezemtogt,
+Den schrik verspreidt door 't bloed?
+Wiens naam reeds siddren doet?
+En somber trilt' heur snaar:
+"Het heet? Godslasteraar!"
+
+
+
+
+
+DE MENSCH.
+
+
+Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt?
+Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt?
+Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt?
+ O God der Goden!
+Gewisselijk, een schepsel onbesmet,
+Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet,
+Wiens neigend oor, steeds onderworpen let
+ Op Uw geboden!
+Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt!
+(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...)
+Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt,
+ Hem ten verderve!
+Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed,
+Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed;
+En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed,
+ Genâ verwerve!
+
+
+
+
+
+AAN EEN' SCHILDER.
+
+
+Wie boeit mijn turende oogen,
+Door 't onbegrensd vermogen,
+Van 't scheppende penseel?
+Wie doet door keur van verwen,
+Mij 't hoogst genot verwerven,
+In 't liefelijkst tafreel?
+
+Wiens geestkracht mag 't gelukken,
+Natuur den palm te ontrukken,
+Door de overmagt der kunst?
+Gij, puik der toovenaren!
+Genie, waarop wij staren!
+Bestraalt ons met die gunst.
+
+Neen, 't is geen schijn, 't is leven!
+Die beemden, bosschen, dreven,
+Die jagt en wildernis,
+Dees vleugelvlugge honden ...
+'t Moet al uw' roem verkonden,
+Die spreekt, het zij! en 't is.
+
+o, Oogbetoovrend schilder!
+Waar werden gaven milder
+Een' sterveling verpand?
+God schraag' nog lang uw krachten,
+Tot vreugd voor die u achten,
+Tot roem van 't Vaderland!
+
+
+
+
+
+DE GRAFSTEEN.
+
+
+Hun edel harte slechts tot gids,
+Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk,
+Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits,
+Naar 's Heeren sombre grafspelonk;
+Om nog met kostbre specerijen,
+Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.
+
+En nu het doel al nader treedt,
+Daar, plotsling, breekt het zwijgen al:
+"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet,
+"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?"
+Dat had heur ijvren niet bezonnen,
+Toen zij den vromen togt begonnen.
+
+Geen bliksemschicht treft meerder snel,
+Geen donderslag slaat zóó ter neêr,
+Gelijk dat woord vol zielsgekwel!
+Toch geeft de liefde voor den Heer,
+haar moed en kracht om voort te treden,
+Hoe fel door angst en vrees bestreden.
+
+Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred!
+De steen, die 's Heilands grafplaats drukt,
+En u de teedre borst verplet,--
+God spreekt--die steen is afgerukt!
+Hij zal de zijnen niet begeven,
+Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!
+
+o Liefde Gods, die wondren doet!
+o Heilgenade, ondenkbaar groot!
+Hoe menig steen drukt nog 't gemoed,
+Dien de Almagt afwendt in den nood,
+Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken?
+Een Engel daalt, de steenen wijken!
+
+
+
+
+
+TOONKUNST.
+
+
+'k Min u, muzikale woorden,
+Taal der Toonkunst, 'k min u teêr!
+U, zielroerbre klank-akkoorden,
+Die uw' oorsprong hebt uit oorden,
+Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!
+
+Die het hart als was kunt kneden,
+Aan uw meesterschap ten buit;
+Lachjes, tranen en gebeden,
+Heldenmoed en teederheden,
+Opwekt naar den wil der luit!
+
+Grijpt de geestdrift der geniën,
+'t Goddelijke speeltuig: hoor!
+Strijdrumoeren, elegiën,
+Liefdes zachte melodiën,
+Roeren, schokken, 't luistrend oor!
+
+Orpheus Cither speel--verbeden
+Is de nooit verbidbre dood!
+Op den klank uw harp ontgleden,
+Vlijt zich steen op steen, en steden
+Staan, Amphion! trots ten toon!
+
+Doch geen fabel schenkt u luister!
+Hooger, Toonkunst, klimt uw lof!
+(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?)
+Vrij, ontdaan van aardsche kluister,
+Klinkt uw stem in 't geestenhof.
+
+Als de rei der Hemellingen,
+Om Gods heilgen troon gestuwd,
+Hem, den oorsprong aller dingen,
+'t Heilig, heilig, heilig, zingen,
+Is hun lied en snaar gehuwd!
+
+Goddelijke Harpenaren!
+Stort den schoonsten hemelval!
+Dank moet mensch en Engel paren!
+Voor de gift der gouden snaren,
+Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!
+
+
+
+
+
+GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_.
+
+
+Met diep ontroerd gemoed,
+Wijde ik uw graf mijn' groet,
+Te vroeg ontslapen zanger!
+Gij, Staring! de aarde ontrukt ...
+Waar is de plaatsvervanger,
+Die uwen voetstap drukt?
+
+Treur, achtbre Wildenborch!
+Uw bloei was al zijn zorg;
+Hij gaf u vreugd en leven;--
+Uw heldre zon zeeg neêr;
+'t Werd somber in uw dreven ...
+Uw Landheer is niet meer!
+
+De trots van Gelderland,
+Wien braafheid en verstand
+Met schoonen glans mogt sieren,--
+Zijn levensdraad brak af ...
+Schonk hem de kunst laurieren,
+Nu weeklaagt ze op zijn graf.
+
+Nu zwijgt zijn citertoon,
+Zoo krachtig, kunstig, schoon,
+En Febus Priesterscharen,
+Staan in het kunstenkoor
+Den lievling na te staren,
+Dien het te vroeg verloor.
+
+Weêr heeft het Vaderland,
+Een' kostbren diamant
+Uit de achtbre kroon verloren!
+En gade en minnend kroost
+Staan, bij der dichtren koren,
+Weemoedig, zonder troost!
+
+Maar welk een treffend woord
+Lokt mij naar 's kerkhofs poort,
+En schenkt den geest bedaring:
+"Uit nacht rijst morgenrood (1),"
+Het was uw spreuk, o Staring!
+"Het leven uit den dood."
+
+ * * * * *
+
+(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden,
+waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.
+
+
+
+
+
+HET LEVENSPAD.
+
+
+Allen op des levens paân,
+Vallen, staan weêr op en vallen;
+Zelfs de trotschheid durft niet brallen:
+Ik kan zonder struiklen gaan!
+Steen, op steen, verrast den voet,
+Waar men zich aan stooten moet!
+
+Maar hoe telkens uitgegleên,
+Broeders! toch weêr opgekropen;
+Homplen, stromplen wij in 't loopen,
+Meer oplettend voortgetreên;
+Aan het einde van ons pad,
+Ligt de goede Vader-stad!
+
+Matte Pelgrim! dáár is rust,
+Van uw hobbelige wegen!
+Dáár stroomt nooit gekende zegen,
+Nooit gesmaakte levenslust!
+Dáár is 't eind der aardsche smart,
+Hemelvreugd vervult er 't hart!
+
+Voor den togt dan niet versaagd;
+Welberaden voortgewandeld;
+Naar gebod en pligt gehandeld;
+Struiklen wij, God zelve schraagt!
+En, is 't doel der reis volbragt,
+o, De blijde Heilstad wacht!
+
+
+
+
+
+HET BLINDE VINKJE.
+
+
+Vinkje! welk een gruwzaam monster,
+Vreemd aan alle menschlijkheid,
+Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,
+Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,
+Heeft u 't foltrendst leed bereid?
+
+Eens zoo vrij en vrank op aarde,
+Nu gedoemd tot de enge kooi;
+Nu, door gloeijend erts uwe oogen
+Aan het vriendlijk licht onttogen,
+Nu des euveldaders prooi!
+
+Werd het u noodlottig ijzer,
+Slechts de duistre groeve ontrukt,
+Om, der snoodheid ten believen,
+Dus uw argloos hart te grieven?
+Dan is 't euvel wèl gelukt!
+
+Doch, o neen! niet tot dien gruwel
+Opent zich de schoot der mijn;
+Maar de boosheid keert den zegen,
+Uit Gods milde hand verkregen,
+Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.
+
+Wat is 't u, of zich de schepping
+Nu net lente-siersels hult?
+Niet voor u zal de aard' zich tooijen,
+Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,
+Nimmer 't schoone aanschouwen zult!
+
+Ach, waar zijn de blijde dagen?
+Van het lagchende verleên?
+Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,
+Woelt het heir herinneringen,
+Door uw mijmrend kopje heên!
+
+Mooglijk waart gij aan een gaaike,
+Aan een teederminnend kroost,
+Op het liefderijkst verbonden ...
+Wreed werd dan de band geschonden,
+Die uw blijdschap was en troost!
+
+Niets is u van 't heil gebleven,
+Waar uw borstje zoo van zwol;
+Uw gelukzon is verdwenen,
+Heeft voor altijd uitgeschenen,
+Blind en in een kerkerhol!
+
+o, Mijn teêrgevoelig harte,
+Doet uw rampental zoo zeer!
+Kon het innigst medelijden,
+U van jammeren bevrijden,
+'k Zag u 't beeld der vreugde weêr!
+
+IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje!
+Schal met pletterend geluid,
+Schal en schater den vervloekte,
+Die uw' lust en rust verkloekte,
+Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!
+
+Doch uw toovrend orgelkeeltje,
+Wanhoop nam het kracht en klem;
+Nooit ... maar wat welluidend kwelen,
+Komt mijn luistrende ooren streelen!
+Lieve vogel! is 't uw stem?
+
+"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!"
+Zingt het Vinkje op zoeten toon,
+"'k Laat, getuigen het mijn zangen,
+"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,
+"Welk een rouw mijn borst bewoon'!
+
+"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?
+"Heelen ze ooit de wond van 't hart?
+"Véél verloor ik--maar, mijn roover
+"Liet mij toch mijn stem nog over,
+"o, Die vreugde troost mijn smart!
+
+"Drage ik dan mijn lot gelaten,
+"'k Heb nog ruime dankensstof;
+"Om het goede mij gebleven,
+"Min ik nog het lieve leven,
+"En zing luid mijns Scheppers lof!
+
+
+
+
+
+TROOST.
+
+
+"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"
+Dat hartdoorvlijmend woord,
+Dat zoo veel vreugd verstoort,
+Het was den mond van d' Arts ontgleden,
+Maar 't klonk als niet gehoord,
+
+Het kon het oor der vrouw niet boeijen;
+Nog lonkt de hoop haar aan;
+Zoo schrikklijk zal de orkaan
+Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,
+En bloem, bij bloem verslaan.
+
+"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,
+"Neen, dierbare echtgenoot!
+"Zoo ras ontbindt de dood
+"Dien vastgelegden knoop niet weder,
+"Die 't huwelijk pas sloot!"
+
+En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,
+Naar 't liefelijk gezigt
+Van 't sluimerende wicht,--
+Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!
+"Zijns Vaders levenslicht!"
+
+"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..."
+Maar, God! wat raauwe gil!
+Zij voelt het doodlijk kil
+Op 's ega's ingezonken kaken,
+Zijn ademtogt staat stil.
+
+Haar zoete hoop vervloeide in tranen
+Van bittre zielesmart;
+Gebroken is haar hart;
+Wel spoedig ging haar heilzon tanen,
+En liet haar 't nachtlijk zwart.
+
+Ze rigt het schreijende oog naar boven:
+"Wat lot," snikt zij, "wat lot,
+"Na twee jaar echtvreugd ... God!
+"Waarom moest ik een' droom gelooven,
+"Waarmeê de ontwaking spot?"
+
+Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?
+Uw wichtje, als 't onverpoosd
+U vleijend kust en koost?
+Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,
+Voor uw gemoed geen troost!
+
+Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,
+Ja, Troost in d' eêlsten zin,
+Dringt tot haar' boezem in;
+Zij kust Gods vaderlijke roede,
+De Weduwe is Christin!
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN ***
+
+This file should be named 8dlrm10.txt or 8dlrm10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8dlrm11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8dlrm10a.txt
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04
+
+Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/8dlrm10.zip b/old/8dlrm10.zip
new file mode 100644
index 0000000..33fc533
--- /dev/null
+++ b/old/8dlrm10.zip
Binary files differ