diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 6922-8.txt | 3627 | ||||
| -rw-r--r-- | 6922-8.zip | bin | 0 -> 43679 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7dlrm10.txt | 3590 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7dlrm10.zip | bin | 0 -> 42819 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/8dlrm10.txt | 3590 | ||||
| -rw-r--r-- | old/8dlrm10.zip | bin | 0 -> 43003 bytes |
9 files changed, 10823 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/6922-8.txt b/6922-8.txt new file mode 100644 index 0000000..25254c3 --- /dev/null +++ b/6922-8.txt @@ -0,0 +1,3627 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most +other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of +the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have +to check the laws of the country where you are located before using this ebook. + +Title: De Liereman + +Author: L. Schipper + +Posting Date: September 25, 2014 [EBook #6922] +Release Date: November, 2004 +First Posted: February 11, 2003 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN *** + + + + +Produced by Vital Debroey + + + + + + + + + +DE LIEREMAN. + +Luimige en Ernstige +MUZE. + +door + +L. SCHIPPER. + + + + + +DE LIEREMAN. + + +Vrienden! koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weêr liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + +Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?" +'t Antwoord is: van 't beste allooi, +Vol van vinding, gloed en leven, +Immers, 'k heb ze zelf geschreven? +En een hoofdpoëet als ik, +Kent de rijmkunst op een' prik. + +Ergo, wie dees zangen laak', +Heeft geen enkel greintje smaak; +Weest dus op uw hoede, Heeren! +Die mijn werk zult recenseren; +Want, wie deze deuntjes fluit, +Wijst zijn eigen vonnis uit. + +Koopt dan, koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weêr liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + + + + + +INHOUD. + +De Liereman. +Het Kaartspel. +De Oude en Nieuwe Maat. +De Droom. +De Patrijzen. +Jan. +De twee Honden. +De vrome Werkbaas. +De Vlieg. +Het Medaillon-Portret. +De verdronken Acteur. +Het Portret van den Dood. +De Gekken. +Stalen Pennen. +Mijn Grootje. +Gerust in de onstuime Baren. +Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom. +Voor Godsdienst en Vaderland. +Deugd schept Vreugd. +Elck wat Wils. +Genoegh is meer. +Elck zijn Waerom. +Elck spiegele Hem Zelven. +'t Kan Verkeeren. +Hora ruit. +Peut-être. +Repos ailleurs. +Vita mortalium vigilia. +Getrouw. +'t Uur is dáár. +Huwelijks-Liedje. +De Ooijevaars. +Op den Dood van een' Landman. +Aan een' rat. +De Lach. +Het Weesje. +Huwelijksvereeniging. +Drift. +De Laster. +Eenvoud. +Aan een' blinden Toonkunstenaar. +De Muis. +t' Huiskomst. +Wie? +De Mensch. +Aan een' Schilder. +De Grafsteen. +Toonkunst. +Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_. +Het levenspad. +Het blinde Vinkje. +Troost. + + + + + +WAARSCHUWING +van eenen Onbevooroordeelde. + + +Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap +aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den +zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is. + +In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe +snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken. + +Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in +handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering. + +Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even +vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te +Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten-- +welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.) +aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede +sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen." + +VORDEN, +30 Sept. 1843. + + + + + +HET KAARTSPEL + + +"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent? +"Erast, de nieuwe lichter, +"Koopt steeds 't antiekste ameublement, +"Maar blijft Gomaars betichter, +"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt, +"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!" + +Ik vonnis niet en haat den twist, +Ja, laat aan elk zijn keuze, +Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist, +De vrijheid zij mijn leuze! +Maar toch, ik zeg uit vol gemoed, +In 't oud en nieuw is kwaad en goed! + +Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift +Bragt heel mij van 't chapiter; +Het kaartspel, luidt het bovenschrift, +Voor 't kaartspel klink' de citer; +Welaan, mijn zangster! men verbeidt, +Zing luid van de oudste antiquiteit! + +1. Met regt, dat Memphis boezem zwell', +Om de eer haar rijk beschoren; +Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel, +Door 't schoonst genie geboren; +En de allergrijste piramied, +Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet! + +2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat, +Den schat van eigen vinding, +En bragt, door hieroglyphen, 't blad, +Met godsdienst in verbinding; +Zoodat, van vromen geest bezield, +Men kaartenspelend oefning hield! + +3. Sibyllen! uw orakelhol, +Hadd' nooit van goud geblonken, +Zoo niet de kaart, den vragersbol +Het antwoord hadd' geschonken; +Uw goochelkunst staat nog in eer, +Groei, bloei, o kaartenleggren-heer! + +4. Hoe! rukken Moor en Arabier +Zoo plotsling uit het Oosten? +U, Spanje! geldt het krijgsgetier, +Maar 't zoetst geschenk zal troosten! +De vijand biedt de kaart u aan, +En gij--verwenscht heur naar de maan! + +5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland, +'t Wou eerst ook dáár niet lukken, +Maar--zesde Karel,--zijn verstand, +Kreeg eensklaps bijstre nukken! +De Vorst wordt meer dan stapel gek, +En nu, nu komt de kaart in trek! + +6. De groote schilder Gringoneur, +Een baas in 't portretteren, +Liet in het spel, door frissche kleur, +Geheel het hof spanceren; +Dat deed den Koning zulk een deeg, +Dat Gringoneur een lintje kreeg! + +7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart, +In vier verscheiden rijken; +Hij had het opperbest geklaard, +Elk stond er van te kijken! +Geen mensch, die iets te vitten had, +En, bij de Vorsten, zegt dat wat! + +8. Bourgondië verkreeg een ruit; +De Frank, een schop, op 't plaatje; +Een hart viel Orleans ten buit; +Brittanje een klaverblaadje; +Naauw was het af,--of zie, 't palet +Schonk nu den hofstoet zijn portret! + +9. La Hire en Hector, o, hoe schoon +Wist u de kunst te malen! +Gij spreidt het beeld van Mars ten toon, +Kloekhafte Generalen! +En wie de ronde boeren ziet, +Miskent uw sprekend wezen niet! + +10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel, +Het liefje van den Koning, +'t Was met des Konings hoofd niet wel, +Daarom dient hij verschooning, +Geen ander Vorst, bij vol verstand, +Heeft immers liefjes aan de hand? + +11. Wie, Pallas, maagd van Orleans! +Die streed voor 's Konings regten, +Wie waagt niet liefst met u een kans +In 't eten, dan in 't vechten? +Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein, +Gij schopte menige _Goddem_! + +12. Wat majesteit, wat fiere bouw, +Wat pracht van zijde lokken, +O, overschoone klavervrouw! +Gij hebt mijn oog getrokken! +Maar dat mijn min zich zelv' verwinn', +Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin. + +13. Wat lacht die freule harten wit, +Haar hartje speelt in harten, +Voor 't klooster had de maagd geen zit, +Wis bragt ze er vreemde parten! +Foei, Isabel van Beijren, foei! +Uw goede naam krijgt nog een' knoei! + +14. Maar wie of schoppenheer mag zijn? +Dat 's wel een uitgelezen! +'t Is Isrels David--de Dauphin, +Er schijnt iets joodsch in 't wezen! +Hij is, gemeten met een zeef, +Nog Koning Davids achterneef! + +Zoo biedt u elke pop het beeld +Van eene onschatbre parel; +En ieder, die een kaartje speelt, +Speelt met het Hof van Karel! +Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop! +Sla zelv' uw kunstverzaamling op. + +Wij keeren tot den Koning weêr, +Hoor, 'k wil het niet verhelen, +'t Was droevig toch, een Vorst en Heer, +Met prentjes te zien spelen, +Maar wonder, zonder wedergâ, +Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na! + +Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond +Kwam 't kaartspel in de mode; +Nu, daar een Koning 't aardig vond, +Een zot, die 't niet vergoodde, +En was het spel, het spel eens dwaas, +'t Was toch ook 't spel eens grooten baas! + +Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart! +Wier kunst de tijd doet spoeijen; +Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard, +Dat gekken zelfs kan boeijen, +Lof, lof, aan de oudste antiquiteit, +Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt! + + * * * * * + +1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte. + +2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun +spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg. + +3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de +Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die +haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door +elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een +antwoord moest zoeken. + +4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral +onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den +naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren, +ten strengste verboden werden. + +5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel +de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar +staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden. + +6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet +weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen +van het Hof, op de kaart te schilderen. + +7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken. + +8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en +Brittanje klaverkaart. + +9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in +harten en ruitenboer werden afgebeeld. + +10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de +benaming van Rachel. + +11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen +streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart +opgenomen. + +12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van +Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in +klavervrouw voorgesteld. + +13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in +vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd. + +14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende. +Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op +de kaart naar Israëls Vorst vernoemd. + + + + + +DE OUDE EN NIEUWE MAAT. + + +De oude maten en gewigten +Verlieten 't land; +De nieuwe gaan hun dienst verrigten, +En treên in stand; +Dat gaf aan de eedle winkelieren, +Een dolle pret, +Maar hoe misnoegdheid moge tieren, +Men vreest de wet! +Het hoog bevel, had ook de scholen +Voor wijd en zijd, +Het nieuwe stelsel aanbevolen, +Der school ten spijt: +"Weg, met die leelke decimalen!" +Zoo riep de jeugd, +"De duivel mag die vinding halen, +"Tot aller vreugd!" + +Eens kwam de meester met twee ellen, +Één nieuw', één oud', +"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen, +En wees niet stout! +"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene +Op de andre heeft, +"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene, +"Zoo ge aandacht geeft!" + +Maar geene attentie is te winnen, +Men meesmuilt slechts, +En ziet, met afgedwaalde zinnen, +Dan links, dan regts, +Eén onder hen, een kleine snuiter, +Die niets ontziet, +Roept luid, van kop tot teen een muiter, +"Ik leer dat niet!" + +"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen! +"Hoor ik het wel? +"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!" +Hij dreigt met de el ... +Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten, +Wat euveldaad, +"Gij moogt mij met dees el niet meten!"-- +'t Was de oude maat! + + + + + +DE DROOM. + + +Van mijn wandling moê en mat, +Gaf ik me, onder 't beukenloover, +Bij eens beekjes kabblend nat, +Aan de rust op 't mosbed over, +'k Viel in sluimring; maar, wat droom! +Droomde ik aan dien oeverzoom? + +'t Was me, als gleed ik telkens meer +In de diepe waterkolken, +Bij het schubbig goedje neêr, +Burgers, die den stroom bevolken! +Enklen, uit hun element, +Waren mij bij naam bekend. + +O! wat wereld leefde om mij! +Welk een wriemlen, wat krioelen, +In die vreemde maatschappij, +Welk een trachten en bedoelen; +Want, geen vischje was zoo dom, +Dat niet wist waarom het zwom! + +Maar, door welk een vrees beklemd, +Gaat dat kleine kaarsje dolen? +Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt! +De angst houdt het in 't riet verholen, +Had de groote u daar betrapt, +Kleine! gij waart opgehapt. + +'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!" +Riep ik, "dat gij, groote slokkers! +"De arme kleine vischjes eet, +"Schaamt u, leelke booze schrokkers! +"Neemt een voorbeeld toch aan de aard', +"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!" + + + + + +DE PATRIJZEN. + + +"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen +"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof; +"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of +"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen! +"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek +"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!" + +De vluggert ijlt met slakke schreden, +En meer en meerder krimpt zijn stap. +"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap, +"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden, +"Maar zonder poozen, zulk een vracht, +"Geen Simson zelfs bezat die kracht!" + +Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen! +Een half kwartier heeft de arme vent, +Het telkens zwaardere present, +Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen? +Wel is de weg haast afgelegd, +Maar hoor, natuur heeft ook haar regt! + +Ras sluit de slaap zijn oogleên digt, +Een guit, die hem in 't gras zag glijden, +Werd zoo vervuld van medelijden, +Dat hij des stakkers last verligt. +"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot, +"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!" + +En naauwlijks is een uur vervlogen, +Of vlugge Tom is reeds ontwaakt; +Dan ach, de vogels zijn geschaakt! +"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!" +Want waar het zoekend oog ook ziet, +Het malsch gevleugelte is er niet! + +Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen! +Halfdood zal Lekkerbek hem slaan, +Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan. +"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen! +"'k Geef aan de poort den brief gaauw af, +"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!" + +Maar zie, tot overmaat van smarte, +Treed onverwachts het aadlijk bloed, +Hem, uit een zijlaan, te gemoet. +Tom zit er in, hoe heeft zijn harte! +Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon, +Zijn halve boodschap den Baron. + +En nu--of Tom ook wist van beenen, +Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug, +Maar Heer Baron roept hem terug. +"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen? +"Ik zag je nooit zoo driftig vliên, +"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien." + +"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen! +"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom, +"De vlugtelingen zijn weêrom? +"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen! +"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief.... +"Het doode wild vloog in den brief!" + + + + + +JAN. + + +"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde? +"Waar klinkt er een van hooger waarde? +1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon? +"Droeg menig Jan geen Koningskroon? +2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren, +"Vóór zij dien toren had verloren, +"Tot boven in de wolken gloren? +"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end, +"Is overal mijn naam Bekend!" + +Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt, +Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd! +Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen, +Van de eer, waarop uw naam kan roemen. +Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen! +Uw onvolprezen naam, bevat +Een' schat voor zee, en dorp, en stad; +Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd'; +Hoe zou het onze taal gelukken, +Door één woord, zóó veel uit te drukken? + +_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt +Gij dat het juiste woord niet, vrind! +Om rijp en groen, +Fatsoen en geen fatsoen, +Om vogels van allerlei zangen en veêren, +Als in een volière te zien converseren? + +Zoo is uw oordeel ook het teeken, +Waarmeê wij van rapalje spreken, +Voorzeker duizendwerf gebleken, +Daar niets uw vlug begrip ontgaat, +_Jan rap en zijn maat_, +_Janhagel van straat_, +Geen naam, van welk een krachtgeluid, +Drukte immer zóó 't kanaljen uit! + +En o! hoe vol beduidenis, +Uw naam op 't golvend zeeveld is! +Het zeeveld, waar de nijvre hand +Goud oogstte voor het Vaderland. +Wie onzer kent in ieder deel, +Niet _Janmaat_ van het zeekasteel? + +Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest? +'t Is immers de knecht, de gedienstige geest? +Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd, +Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert! + +Er heerschte eens een groot Koning, +In 't fier Brittannisch rijk; +In magt en prachtvertooning, +Geen Sultan hem gelijk! +Maar wat den glans verhoogde +Der schitterende ster, +Waar 't meest de Vorst op boogde, +3. Hij heette _Jean sans Terre_! + +Beeld der reinste huwlijkstrouw! +Hulp der liefderijkste vrouw! +Onvermoeide plasser! +Nooit zie ik mijn schoolprent aan, +Of mijn oog wijdt u een' traan, +Wakkre _Jan de wasscher_! + +Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem, +Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem', +Wie immer zich deez' titel schaam', +Gij prijst dien zuivelrijken naam! + +Wat gekwels, wat gekwels, +Voor de kindren Israëls! +Als de schimp zich durft vermeten, +Honend, _Spek Jan_ hen te heeten, +Wetend, dat der Joden wet, +Hun dien vetten mond belet! + +Hoe menig kransjen ik reeds vlocht, +'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht, +Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht! + +En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden? +In tegenspraak, zeker, de held aller helden! +Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt, +De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet! + +Zie, achter gindsche schuine deur, +Woont weêr een _Jan_ van de eerste keur; +Of noemt de mond, van oud tot ouder, +Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder? + +Juich, weêr hebt gij juichensstof, +Hecht aan de u geschonken' lof, +Vol van dank, uw zegel! +Zelfs een hof heeft zich vernoemd, +Naar uw' puiknaam zoo beroemd +'t Hof is 't van _Jan Vlegel_! + +Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken, +Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam, +Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken, +_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_! + +Was hij een oude knaap, +Als Zandvoorts Simon Paap, +En daarom de Amstelstad, +Met regt op hem zoo prat? +Een prijsvraag dient geschreven, +om 't duistre licht te geven! + +Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên! +"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden, +"Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden! +"'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen." +Dáár naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden? +Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_! + +En koos niet zelfs Voltaire's luit, +Uw' naam voor duizend anderen uit, +En heeft zijn dichterlijke stift, +Voor tijdgenoot en nageslacht, +Niet schitterend uw' naam gegrift, +4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_! + +Speelt iemand een geklijken rol, +Van handel en wandel wat dol, +Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen: +Zijn rede is dan, zegt men, op hol, +Hij schermt in het ronde, de bol, +_Als malle Jan onder de kippen_! + +Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen, +Dat strijdende voor pligt en eer, +Een' lauwerkrans drukt op de slapen, +Van wien het moedigst trekt van leer! +Dat lemmer forsch en breed, +Dat van geen zwichten weet, +Op wier het is gebeten, +Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten! + +Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd? +De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken! +Zij springen en dansen en dartlen van vreugd, +Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken. +Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd? + +Amsterdamsch Menagerie! +'k Denk aan u met zoet ontroeren; +Apentuin der tuinen, die +Ook den schoonsten naam mag voeren. +Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden, +5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden? + +Ook voor den man, die graag de broek +Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek, +Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen, +Klinkt weêr uw puiknaam in _Janhennen_! + +Nieuwe, flonkerende luister, +Is weêr voor u opgedaagd! +Neêrlands schrandre Pensionaris, +Droeg den naam, dien gij thans draagt; +Naam, als type van de staatkunst, +(Wondere karaktrestiek!) +Vele Jannen steeds gegeven, +Om hun fijne politiek! +Of, zijn het geen diplomaten, +Vol verstand, vol kern en pit, +Waar de lof van kan getuigen, +Jongens zijn 't van _Jan de Wit_? + +Wat rare Jan treedt dáár te voren? +Zijn phlegma schijnt hem aangeboren; +Nooit kon de drift zijn rust verstoren; +'t Is hem hetzelfde hoe het gaat, +Neen, hij weet van den Prins geen kwaad! +Hij is wat lijmig in zijn' praat; +Een snuggre kop, die op hem staat! +Het is _Jan Salie_, kameraad! + +Maar ook in 't zedelijk bestaan, +Hoort men uw' naam den grondtoon slaan +Of duidt hij niet den lichtmis aan, +Zoo goed als 't Fransche bon-vivant, +In 't enkel woordje, _'t is een Jan_! + +"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_! +Want langzaam en zeker is Jantje's natuur, +Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend, +Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend, +En wikkend en wegend met rijp overleg, +Betreden zijn schreden den veiligsten weg! +"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden, +"'k Hecht steviger banden, die knellender binden, +"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit; +"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!" + +Noem me op aarde een rijksgebied; +Waar men dezen Jan niet ziet? +Kijk, hij is een heele piet! +Schoon zijn boêltje liep in 't riet, +'t Baart zijn' boezem geen verdriet, +"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied, +Welke winkel kent u niet, +Welke winkel, _Jan Crediet_? + +Wat onderwerp vol weidschen zwier, +Zet, zangster! uw gemoed in vier, +En boeit ons aan uwe elpen lier? +"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_! +Dien snellen wagen, +Het welbehagen +Der oude dagen! +Die ook al verdween, +Door mode bestreên, +Maar toch om zijn' naam; +Nog leeft door de Faam! + +Bij den Jan pleizier in aanzien, +Als bij d' edelman de boer, +Naakt het beeld des sjouwend' ezels, +Weêr een wagen van vervoer, +'t Is de _Malle Jan_, die kreunend, +Vracht, bij vracht, wordt opgetast, +Is dan Jan geen goeije slokker, +Die zich bukt voor zulk een' last! + +Ei, zie eens, op mijne eer, +Dat 's eerst een proper Heer! +Gij vraagt: "wie hij mag wezen?" +'t Is uit zijn oog te lezen! +Mij dunkt, zijn eernaam staat +In wat hij doet, of laat; +En 'k dacht, hij schoot uw zinnen, +Al reeds voor lang te binnen. +Hoe suft uw schrandre kop? +Hoor, volg deez' raad dan op: +Uw allerrapste looper, +Vlieg' naar den boekverkooper, +6. En vraag den _Jan Perfekt_! +Het raadsel is ontdekt. + +Wiens naam geeft men geniën milder, +Geniën van het edelst soort? +Ook Neêrlands kunsten kweekend oord, +Gaf hem zijn' snaaksten schilder! +Of zegt men niet met alle reên, +Van schalksche en oolijke aardigheên, +Ons onder 't lagchend oog getreên, +_Het is een stukje van Jan Steen_? + +"Hoe 't valschheid misduid', +"Al kost het, verbruid! +"Ook haring of kuit, +"Mijn tong, wie haar stuit--" +Roept: _Jantje regt uit_! + +En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters, +Wie noemt het tal dier gloriestichters? +Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur +De starren telt aan 't luchtazuur, +Zoo min telt m' ook de lichten, die +De _Jannen_ zijn der poëzie. + +En nu, vermoeid van al het Jannen, +Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen, +Voor ik het verdre van mijn taak, +Door de allerschoonste kroon volmaak, +O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein, +Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein, +'k Moet eerst maar wat op adem komen, +En dan zij 't loflied weêr vernomen +Van +_Jan_. + + * * * * * + +1. Sint Jan. + +2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt. + +3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan +zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene +bezittingen naliet. + +4. Dichtstuk van Voltaire. + +5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede. + +6. Een met lof bekende roman van dien naam. + + + + + +DE TWEE HONDEN. + + +"Ei zeg, is dat nu reg? +"Mijnheer heeft zoo een' ekel +"Aan Lord, dien boozen rekel," +Sprak Piet, de brave knecht, +"En toch, hij krijgt het meest! +"Gaan niet de lekkre beenen +"Altoos naar de ondeugd henen? +"Daar heb je Does, dat beest, +"De beste van de honden, +"Die ergens wordt gevonden, +"Die 't nimmer gortig maakt, +"Bij al die vette beten, +"Hoe trouw het dier ook waakt, +"Wordt Doesje maar vergeten. +"Dat 's onregt, op mijne eer!" + +"Wel, domoor!" sprak mijnheer +Die Piet had afgeluisterd, +Hoe zacht hij had gefluisterd, +"Ik dacht je meerder leep! +"Zeg, voel je niet de kneep? +"Mijn beentjes te verspillen +"Aan Does, wat dwaze grillen, +"'k Zou hem niet trouwer willen; +"De lobbes hoeft ze niet! +"Maar Lord, die kwade rakker, +"Die valsche kuitepakker, +"Door kluifjes wordt hij makker, +"Ik vrees zijn tanden, Piet!" + + + + + +DE VROME WERKBAAS. + +(_Vertelling aan Frans._) + + +Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje! +Zijne oefningsklub noemt hem het roompje +Der heiligste regtzinnigheid, +Wien lang de hemel is bereid! +Vaak spreekt hij in geheimenissen, +Waar 'k nooit de meening van kan gissen; +'t Heeft wel iets van mystiekerij, +Hij noemt het echter profezij! +Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken, +Om meê naar de oefening te trekken; +Daar spraken ze allen, zei hij, Frans! +De ware tale Kanaäns; +Daar riep de zuivre Dordsche leere: +"Bekeer, bekeer, u tot den Heere! +"Want wie niet Orthodoks wordt, is +"Een prooije der verdoemenis!" +"Daar kwamen al de nieuwgeboren', +"De van den Hemel uitverkoren', +"En laafde aan manna-spijs hun ziel, +"Zoo als er nooit voor Isrel viel, +"Die God het kuddeke verleende, +"Dat dáár zich in den geest vereende!" + +Hoe meer hij voortging met zijn preek, +Hoe meer 'k zijn oefening ontweek; +Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen, +Dat staâg verkettren en verdoemen, +Met al die duistre somberheid, +Die nooit verstaat hetgeen ze zeit, +Ik haat die leer met ziel en zinnen: +"De Godheid bovenal te minnen, +"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind! +Die taal verstaat een grijze en kind! + +Maar wacht nog wat en spits uwe ooren, +Want 'k moet u een geval doen hooren, +Hetgeen mij gistren is ontmoet, +En dat mij telkens lagchen doet: +Weet, sinds de baas zijne oefeningen +Mij vruchteloos zocht op te dringen, +Heb ik het ieder' keer verbruid, +Het mooije weêr is met ons uit! +Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten, +Dan ongemaklijk opgezeten! +Mijn honger, kameraad! vergat, +Dat ik nog niet gebeden had; +Wat nooit mijne appetijt gebeurde, +Hoe lekker ook de schotel geurde. +Maar o, wat kwam ik slecht te pas! +Of mij de baas de les ook las! +Hij gaf me van de coteletten! +"Godlooze! is dat uw ziel besmetten, +"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt, +"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond, +"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake, +"Die kruimel tot een vuurvlam make, +"Die u nog eer den duivel geeft, +"Waar uw geheele ziel voor leeft? +"Leer, Heiden! leer het van de dieren, +"Wat dankbaarheid u moest bestieren, +"Zelfs voor den kleinsten waterdronk, +"Die u de milde gever schonk!" + +"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel! +"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel; +"Ge zijt een regte domme klaas! +"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas: +"Zeg, laten ooit de vrome kippen, +"Een druppel vocht naar binnen glippen, +"Of rijst niet hun devote kop, +"In warmen dank ten hemel op?" + + + + + +DE VLIEG. + + +'k Draag geen haat in 't minnend harte; +Aller welzijn is mijn beê; +'k Leef met God en mensch in vreê, +En stort tranen bij de smarte; +Slechts één schepsel voedstert de aard', +Dat mijn schrikbre gramschap baart! + +Afschuw walgt den naam te noemen, +Van het monster zoo ontieg! +'t Is--de vuile, vuige vlieg. +Haar te noemen, is haar doemen! +Felle wraak besnaart mijn lier, +Voor die plaag van mensch en dier! + +'k Min u, zoele zomerluchten! +Schaars het deel van ons klimaat! +Vreugde lacht op elks gelaat, +Bij uw zoete zielsgenugten, +Doch, waarom verkleint ge uw gift, +Door het voorwerp van mijn drift? + +'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren, +Als haar dommelend gebrom, +Mommelend rondsnort, om en om. +Waar de mensch, die 't aan kan hooren? +Niemand dan die zwarte draak, +Vindt in 't zeur geneurie smaak! + +Uitgeleerd in booze treken, +Rekt zij d' olifanten-snuit, +Grijpende naar de onschuld uit: +"Leelke vlieg! is dat daar steken," +Weg is ze, als de hand zich heft +Die den dreiger zelv' nog treft! + +Noem de plek, waar ze ooit zich zette, +'t Allermislijkst zamenstel, +Dat haar vuilheid niet besmette? +Tot een walglijk tijgervel, +Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit +Vaderlandsche zindlijkheid! + +En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel, +Waar ge uw' dronk of bete plaatst, +Nergens, waar haar snuit niet aast, +Niets is veilig voor 't gebroedsel! +Ja, is 't lijf eerst vet gemest, +Dan bezoedlen zij de rest! + +Gistren, ('k zal het nooit vergeten!) +Vloog er een afgrijslijk paar, +Dartlend stoeijend met elkaar, +Naar mijn aanzigt--wat vermeten! +Ras herschiep haar lust en keus, +Tot een huwlijks-spond mijn' neus. + +Weet de haat geen gif te zoeken, +Dat den dood in de adren stort, +En die pest verderflijk word', +Door haar slimheid te verkloeken; +Waarom is de wraak zoo traag, +Tot de straf' dier helsche plaag? + +Komt, ons allen zaân verbonden, +Wie der vliegen vijand zijt! +Menschen, vogels, katten, honden, +Slaat en pikt en krabt en bijt! +help ook gij ons meê, natuur! +Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur. + +Dat des winters stale krachten, +Zich met onze kracht vereen'; +Stouter strijd zij nooit gestreên! +Moge 't zelfde lot haar wachten, +'t Lot, dat Napjes legertal, +Eens, in Rusland, bragt ten val! + + + + + +HET MEDAILLON PORTRET. + + +Wij kregen _Kareltje Amoureus_, +Die dagelijks ons komt vervelen, +Met ons zijn bijzijn meê te deelen, +Eens alleraardigst bij den neus! +Weet dan, zijn zotte liefdeklagt, +Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken, +En, schoon haar schalkheid hem belacht, +Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken! + +Zoo, stappende als een stootershaan, +Kwam 't Heertje gistren bij ons aan, +Alweêr verliefd tot over de ooren! +"Zijn lieve attentie wilde eens hooren, +"Hoe 't in den huisselijken kring," +Sprak hij, "met de gezondheid ging; +"O! altoos sloeg zijn hart geruster, +"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis, +(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!) +"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!" + +De Don Quichot van geest en leden, +Kwam 't woonvertrek dan ingegleden, +Juist toen een medaillon portret, +(Iets zweemend naar mijn zuster Jet) +Ons aller aandacht hield gekluisterd, +Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert: +"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand, +"Schiep u dit beeld ten minnepand!" +En, van verrukking opgetogen, +Hing heel zijn ziel aan 't medaillon! + +"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon, +"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen +"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!" +"Niet!" riep hij, en zijn taal verried, +Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen: +"Het is de schoonste van de vrouwen, +"Die door eens schilders kunstpalet, +"Nog ooit is op ivoor gezet! +"Wat golvend goud omzweeft haar slapen! +"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt! +"Wie, die het niet in liefde ontsteekt? +"Tot kussen schijnt die mond geschapen! +"Wat blos versiert de blanke koon-- +"Neen, Venus was niet meerder schoon +"In lijfsgestalte en wezenstrekken! +"O! wie de min ten doel mogt strekken, +"Van haar, die dit bekoorlijk beeld, +"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld! +"Eén zoentje van dien mond mogt stelen." + +"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen," +Sprak me oude grootmamatje ras, +Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was! +"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje, +"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond, +"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!" + +Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.-- + + + + + +DE VERDRONKEN ACTEUR. + + +De Acteur Jeroen, meestal besist, +Had zeker 's nachts de straat gemist; +Want 's morgens werd hij opgevischt, +Voor elks verwonderde oogen, +Doch 't graantje had zoo sterk gegist, +Dat hij, hoe door de gracht verfrischt, +Van toeten noch van blazen wist, +Ten spijt van ieders pogen! + +Maar stil, daar komt de snuggre Nol, +Van wien er vier zijn op den hol, +Daarbij zoo blind nog als een snol, +Op 't driftigst aangestevend: +"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol? +"Zie, zóó natuurlijk speelt de bol! +"Nooit stierf hij immers in zijn rol, +"Of steeds werd hij weêr levend?" + + + + + +HET PORTRET VAN DEN DOOD. + + +Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet, +Is, Dood! dees beeldtnis uw portret? +De Schilder wou u wis begekken! +Hoe! dit uw houding? dit uw trekken? +Gij groeide leelijk door uw haar, +Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar! +Noch bakkebaard, of zijns gelijken, +Geen enkel donsje zie ik prijken, + +En waar uwe oogen moesten staan, +Daar kijken holle gaten me aan! +Uw neus is zeker uit logeren,-- +O! mogt hij spoedig wederkeeren; +Want toch de gevel siert het huis! +Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis: +Die armen schijnen dorre takken, +Die krachteloos ter neder zakken; + +Daar aan de hand, slechts knok en been, +De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên! +Uw borst lijkt wel een traliehokje, +(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!) +Waaraan het beestjen is ontvlugt; +En, tot volmaking van de klucht, +Kreegt gij voor beenen, lange fluiten; +Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten! + +Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is +Verschrikklijk mooi, die beeldtenis! +Het is u sprekend weêrgegeven! +Geloof me, Dood! gij schijnt te leven! +En dan dat heerlijk coloriet +Des Schilders ... wit, al wat men ziet! +Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend, +Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend! +Alleen, flatteert hij niet wat mild? ... +Doch, gekheid op een stokje, wilt +Gij over 't stuk en zonder fleemen, +Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen, +Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen: +Hoor, 't is een guit, of brekebeen, +Dat allerliefste Apelles Zoontje! +'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje, +Had dus zijn dom of schalksch palet, +Vol wansmaak me op 't paneel gezet! + +Is dat het beeld van u, wiens krachten, +Reeds zoo veel duizende geslachten, +Met forschen arm en stalen vuist +Tot stof en pulver hebt vergruisd? +Is dat uw uitzigt, dat uw houding, +Waar eeuw aan eeuwen geen verouding, +Geen kreuk op hebben neêrgedrukt, +De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt? +En geeft dit misselijk geraamte, +(O kladderij, der kunst tot schaamte!) +Uw kloeke leest en aanschijn weêr? +Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer! +Uw wraak moet hem den kop verpletten, +Die dus uw beeld ten toon dorst zetten, +Zoo wage, een magtloos schilderworm, +Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm! + + + + + +DE GEKKEN. + + +En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen: +Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad! +Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad! +"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen; +Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht-- +Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt! + +Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig! +Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud! +Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout +Een Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig! +Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek, +Den wijste der wijzen een' olijken trek! + +Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen, +Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd! +Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd, +Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen; +En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee +Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?" + +"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen," +Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf, +"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!" +"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen-- +En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet: +"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret. + +Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken, +Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ... +Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor? +Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken? +"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!" +Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol? + +Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen, +Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ... +"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen, +"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen! +"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft +De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft! + +Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje, +En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult? +Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld! +Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje: +"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid, +"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!" + + + + + +STALEN PENNEN. + + +Wat! mijn hand zou ooit zich wennen, +Aan die harde stalen pennen? +Hoe de smaak ze hulde doet, +'k Haat dat schriftbedervend goed! +Telkens als haar punten sprikkelen, +Spatten zij wel duizend spikkelen +Op het hagelblanke vel, +Tot uw tergend zielsgekwel! +Dan, door vrekheid weêr gedreven, +Willen zij geen' inkt meer geven, +En, hoe forsch de hand ook drukt, +'t Is een kerel, wien 't gelukt, +'t Krabblend tuig tot deugd te schikken! +Wordt gij driftig, aanstonds prikken +Zij met scherp geslepen stift, +Gat bij gat, in blad en schrift! + +Wisten onze voorgeslachten +Anders dan van ganzenschachten? +En, wat is ons vuil gevlek, +Bij hun' zuivren pennetrek? +Op wat rij van kunstenaren, +Mogt het juichende oog niet staren, +Kunstenaars, wier eedle zwier, +(Of zij tooverde op 't papier!) +Keur van letters deden vloeijen! +Voor ons hanepooten knoeijen, +Had, voorheen, een schoolknaap wat +Duchtig met de plak gehad! +Ja, de kunst van sierlijk schrijven, +Zag men reeds zoo ver verdrijven, +Dat men, draaglijk schrift, verheft +Of het oog een wonder treft! + +Fraaije kunst! schoon 't staal u bande, +Keer, o keer weêr in den lande! +Breng ons, nutte ganzenveer! +Breng ons de eedle schrijfkunst weêr! + + + + + +MIJN GROOTJE. + + +Rees mijn Grootjen uit het graf, +(Ach, voor vijf en dertig jaren +Brak de draad haars levens af ...) +Met wat oogen zou ze staren, +Zag zij al de nieuwigheid, +Hier en daar in 't rond verspreid! + +Ja, zij meende 't was een droom, +Zag ze molens zonder wieken, +Voortgestuwd door kracht van stoom, +Met fabrijken en trafijken; +En, in 't werken zóó gezwind, +Dat het af schijnt eer 't begint! + +Zag ze schepen zonder zeil, +Bliksemsnel langs 't water glijden, +Tal van wagens op hun rail, +Vliegend, zonder paarden, rijden; +"Ik geloof me zelven niet," +Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!" + +Zag ze, met den knijpbril op, +'t Luchtschip boven de aarde zweven, +En, ten spijt van 't golvend sop, +Als een peil door 't zwerk gedreven, +(Wanneer vangt de proef weêr aan?) +Hoe verbijsterd zou zij staan! + +Zag ze de onnaspeurbre kracht, +Waar het goochlend magnetisme, +'t Menschdom meê aan 't duizlen bragt, +Of het toovrend galvanisme,-- +Zeker vroeg haar angstgekwel: +"Is de Duivel ook in 't spel?" + +Sloeg zij eens de werking gâ, +Der atmosferieke drukking, +Die uw hooge geestverrukking +Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_! +Werking, waar de stoom voor zwicht ... +Wie beschrijft haar aangezigt? + +Oxigéne-Microscoop! +Bragt gij al de monsterdieren +Die, in wriemelenden loop, +Door één' druppel waters zwieren, +Voor heur sidderenden blik,-- +Zij bestierf van louter schrik! + +Las zij, hoe ons Handelsblad (1), +Ook de huwlijks-koersen teekent; +Der verliefden beeld bevat! +Teederder om weêrmin smeekend, +Naar de markt is, laag, of hoog,-- +Schaamte sloot haar zedig oog! + +Doch, hoe turend keek ze wel, +Als zij honden kaart zag spelen? +Vlooijen op het krijgsbevel, +In soldaten zich hertelen? +Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,) +Dienen ze eens het land in nood! + +'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas +Kaars en olie wreed verbande; +Nieuwheidszucht het oude, als was, +Gansch herkneed heeft in den Lande; +"Salomo," zoo riep zij wis, +"Had het dan toch duchtig mis!" + +Maar, deed Grootjes liefdrijk hart, +Broeders! eens de vraag aan de aarde: +"Hebt ge, o aard! nu minder smart, +"Dan vóór gij die wondren baarde?" +Wat zou 't antwoord wezen, dat +Grootje dan te wachten had? + + + * * * * * + +(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de +huwelijks-aanvragen. + + + + + +GERUST IN DE ONSTUIME BAREN. + +(_Spreuk van Willem den Eerste._) + + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren; +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + +Cesar, prooi der woeste stroomen, +Weet de vrees zijns volks te toomen, +Door zijn kalm en rustig woord: +"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen? +"Hebt gij niet, in spijt der vlagen, +"Cesar en 't geluk aan boord?" + +Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden, +Deed zijn heir ten strijd ontbranden, +Schoon aan d' afgrond van 't verderf; +En Oranje's legervanen, +Doen Albertus krijgsroem tanen, +Maurits rust behoudt het erf. + +Eerste Willem, Neêrlands Vader! +Zelfs bij 't lood van den verrader, +Bleef uw spreuk uw trouwe tolk: +Treffe een Gerards u moorddadig,-- +"Wees, o God! mijn ziel genadig," +Bidt gij--"en dit arme volk!" + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren, +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + + + + + +EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM. + +(_Spreuk van Maurits._) + + +De vrije Nederlanden +Met regt alom vermaard, +Wier vlag, aan alle stranden, +Beroemd is over de aard',-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver; +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + +Het hemeltergend Spanje +Hoont Neêrlands goed en bloed, +Maar Neêrland en Oranje, +Ontvlamt in Heldenmoed! +"Wat! droppel aan den emmer!" +Brult Spanjes schepterklemmer, +"Wat wil uw ijdle droom?" +Doch, drupjes worden vloeden, +Die toomeloos vaak woeden,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De noeste Koopvaardije, +Met welvaart op 't gelaat; +De bloei der maatschappije, +De zenuw van den staat! +Wier altoos volle horen, +Haar goud, bij goud trezoren, +Ontlast met milden stroom; +Ofschoon uit niet gesproten, +Wie telt heur rijke vloten? +Het spruitje wordt een boom! + +Gij, landbouw en gij veeteelt, +Gezegend tweelingpaar! +Die zoo veel wellust meêdeelt, +Waarheen het oog ook staar'; +Uw welige akkers bloeijen, +Uw malsche kudden loeijen, +En geven enkel room! +Hoe klein gij zijt begonnen, +Wat schat hebt gij gewonnen ... +Het spruitje wordt een boom! + +Zie, Kunst en Wetenschappen, +Veredelen den geest! +Wie hoog staat op heur trappen, +Is ook eens laag geweest! +Maar langzaam opgeklommen, +Tot hare heiligdommen, +Met telkens minder schroom; +Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen, +De kroon der eere glimmen,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De vrije Nederlanden, +Met regt alom vermaard, +Wier vlag aan alle stranden, +Beroemd is over de aard,-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver, +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + + + + + +VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND. + +(_Spreuk van Frederik Hendrik._) + + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Was Fredrik Hendriks leus. +Zijn trouwe deed die leus gestand, +Die ridderlijke keus; +Het lemmer aan zijn zijde, +Vloog hij verrukt ten strijde, +En toonde door zijn' moed, +Den oorsprong van zijn bloed! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Verwoei zijn blikkrend zwaard; +De vijand vlood met schade en schand', +Voor 's Pruisen heldenaard! +Laat Flips het zelf getuigen, +Wat steden moesten buigen, +Voor Nassau's wrekend staal, +In dappre zegepraal! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland! +Was naauw zijn' mond ontgleên, +Of de onverbreekbaarste eendragtsband +Bond Vorst en Volk aaneen! +Uw tooverwoord, Oranje! +Betemde 't matig Spanje, +En Neêrland vocht zich vrij, +Van snoode dwinglandij! + + + + + +DEUGD SCHEPT VREUGD. + +(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._) + + +Deugd +Schept vreugd; +Heerlijk woord! +Grijze en jeugd! +Zegt het voort,-- +Wijs, die hoort! + +Baat +Het kwaad; +Kwaad teelt smart, +Vroeg, of laat, +Voor het hart; +Dwaas, die 't tart! + +Houw +En trouw, +Aan de deugd! +Op haar bouw', +Grijze en jeugd,-- +Deugd schept vreugd! + + + + + +ELCK WAT WILS. + +(_Spreuk van Roemer Visscher._) + + +Bart en Art en Art en Bart, +Ruilden zamen hart voor hart! +Maar hun vrijen zal niet baten, +De Oudjes hebben 't in de gaten ... +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Jan en Griet, uw huwlijks-schip +Zeilt nog vast op bank en klip! +'t Laat zich uit uw oog wel lezen, +Ieder wil graag hoofdmast wezen-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid +"Zij ons zielesnoer geleid!" +Maar, na weinige oogenblikken, +Komt de twist dat snoer ontstrikken; +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Heerschers van het aardsch gebied, +Stelt uw vreugd in d' oorlog niet! +Spaar, o Groote Potentaten! +Spaar het bloed der Onderzaten! +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +O! die spreuk van d' ouden Bard, +Zij de spreuk van aller hart! +Doch de lust leer' zich bestrijden, +Van die spreuk niet te overschrijden-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Elk wat wils, maar, liefdrijk God! +Niet in uw volmaakt gebod! +Wilde dáár ook elk wat willen, +'t Ware uw wijze leer bedillen... +God! o hater des geschils, +Zijn wij steeds met U éénswils! + + + + + +GENOEGH IS MEER. + +(_Spreuk van Anna Visscher._) + + +Het daaglijksch brood-- +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + +Is hij slechts rijk, +Wiens woekrend slijk, +Al hooger klimt, +Al heller glimt? + +Hij arm, wie niet +Dien goudberg ziet? +Wiens eerlijk zweet +Hem kleedt en reedt? + +o Gij, beslis, +Ervarenis! +Uw wijze stem, +heeft kracht en klem: + +"Tevredenheid," +Zegt zij, "bereidt +"Het beste deel,-- +In weinig veel!" + +Het daaglijksch brood, +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + + + + + +ELCK ZIJN WAEROM. + +(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._) + + +Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ, +En o! zij had het regt; +Die spreuk is zonder wedergâ, +De ervaring doet haar regt; +Want hoe men cijfert, dit 's de som: +Elk mensch op aard heeft zijn waarom! + +Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer +En God zij dank en lof; +Hij wierp ons niet op aarde neêr, +Als wormen in het stof; +Zijn vaderliefde rigt ons oog, +Naar 't zielvereedlendst doel omhoog! + +Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft, +Zijn' boezem ingeplant; +Het hart eene andre rigting geeft, +Tot eigen schade en schand! +Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch, +Misbruikt tot hoon van God en mensch! + +Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk +Ons aller wenschend wit; +Die spreuk zoo rein van smet en kreuk, +Waar de eêlste les in zit! +Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard, +Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'! + + + + + +ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN. + +(_Spreuk van Jacob Cats._) + + +Lieve Vader Cats! wat schat +Niet uw schoone spreuk bevat! +Onder welke luchtgewelven, +Op wat land het oog ook staart, +Elk spiegele zich zelven, +Die spreuk geldt voor heel de aard'! + +Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad +Onpartijdig met u raad; +Durf in eigen boezem delven; +Zie wiens beeldtenis gij draagt,-- +Elk spiegele zich zelven, +Eer hij zijn lot beklaagt. + +Judas, die zijn' Heer verried, +Spiegelde zich zelven niet; +Hebzucht bande pligt en rede; +Jezus jongrental werd elf ... +Wacht u voor de eerste trede, +Elk spiegele zich zelv'! + + + + + +'T KAN VERKEEREN. + +(_Spreuk van Bredero._) + + +Niets bestendig, +Alles endig, +Wat de wislende aard' bevat; +'t Kan verkeeren,-- +Dat te leeren, +En, wie vreest Fortuna's rad? + +Lieve schoone! +Die de kroone +Der ontloken jongheid draagt,-- +Ach, de jaren, +Die niets sparen, +Hebben ras uw schoon gevaagd! + +Aardsche Magten, +Die uw krachten, +Onverwinbre krachten waant,-- +'k Zie uw rijken +Reeds bezwijken, +En uw glorie-zonne taant! + +o Hoe groeijend, +o Hoe bloeijend, +Was der Vadren Koopvaardij! +Maar verzwonden +Zijn die stonden, +Zelfs geen schaduw bleef ons bij! + +Doch in eere, +Wat verkeere, +Blijve Neêrlands houw en trouw; +Neêrlands rondheid, +Neêrlands promptheid, +Zij de steun van 't staatsgebouw! + + + + + +HORA RUIT (1). + +(_Spreuk van Hugo de Groot._) + + +De tijd vervliegt,-- +Vlugger dan een paard, +In zijn vleugelvaart, +Door geen kracht te toornen! +De tijd bedriegt,-- +Wie op hem betrouwt, +heeft op zand gebouwd, +Heeft geloofd aan droomen! + +De tijd vervliegt,-- +Sneller dan het licht +Van een' bliksemschicht, +In het niet verdwenen! +De tijd bedriegt,-- +Als een leugengeest, +Die den mensch beleest, +Lagchende in zijn weenen! + +De tijd vervliegt,-- +Wakkere de Groot! +Maar, hoe ras hij vlood, +Kon hij u bedriegen? +De tijd bedriegt,-- +Daarom nam uw keuz', +Ook die spreuk ten leuz', +Lettende op zijn vliegen! + + * * * * * + +(1) De tijd vervliegt. + + + + + +PEUT-ETRE (1). + +(_Spreuk van Hendrik van Brederode._) + + +Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind, +Van welk eenen kant het moog' waaijen; +Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind, +Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen! +Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên? + Misschien. + +Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt, +De jongen is ganschlijk beteuterd; +Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt, +Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert! +Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien? + Misschien. + +Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht, +Hij leeft en beweegt in zijn glorie; +Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt, +Bekraait slechts zijn haan met victorie! +Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien? + Misschien. + +De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol, +Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen; +'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol, +Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen! +Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'? + Misschien. + + * * * * * + +(1) Misschien. + + + + + +REPOS-AILLEURS (1). + +(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._) + + +Als de baren u vervaren, +Op de onstuime zee, +Laat de hoop uw' geest bedaren, +Op een stille reê; +Schoon de noodstorm u onthutst, + Elders rust. + +Pelgrim, door de dorre zanden, +Van dees rarnpwoestijn! +Laat de dorst uw keel verbranden, +Doet de togt u pijn,-- +Ééns wordt al uw leed gesust, + Elders rust. + +Ja, het leven is doorweven, +Met veel smart en rouw; +Maar Gods woord is ons verbleven, +En Gods woord is trouw; +Worde ook 's levenslamp gebluscht, + Elders rust. + + * * * * * + +(1) Elders rust. + + + + + +VITA MORTALIUM VIGILIA (1). + +(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._) + + +Een nachtwake is het leven, +De wieg grenst aan het graf; +Wij jagen en wij streven, +Door de aardsche disteldreven, +Als brak het nimmer af! + +Een nachtwake is het leven, +Roemzuchtig oorlogsheld! +Hoe hoog in magt verheven, +Het is den dood om 't even, +Ras ligt ook gij geveld! + +Een nachtwake is het leven, +Moed, lijdende onschuld! moed, +Waartoe dat angstig beven? +Uw webbe is haast geweven, +De dood, uw redder, spoedt! + +Een nachtwake is het leven, +Meêdoogenlooze vrek! +'t Gaat alles u begeven, +Waaraan uw hart blijft kleven, +Dra roept de dood: "vertrek!" + +Een nachtwake is het leven, +Dat elk zijn ziel bereid'! +Want o! er staat geschreven, +In 't woord aan ons verbleven: +"Op tijd, volgt eeuwigheid!" + + * * * * * + +(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake. + + + + + +GETROUW. + + +Foei, Hendrik! is dat mallen! +Foei, is dat dartel kallen! +Wat hebt gij ze in de mouw ... +Gij stoeit altoos met Mina +En gaaft uw woord aan Lina, +Is, wufthoofd! dat getrouw? + +Gaat, jongen! gij in 't vrijen +Reeds zoo het pad bezijen, +Hoor, hoe ik het beschouw: +Pas heeft u de echt verbonden, +Of gij hebt d' echt geschonden, +Uw liefde is niet getrouw! + +En maakt u 't huwlijk vader; +Wie, die uw kroost ten rader, +Zijn pligten het ontvouw'? +Ach, naar uw' boozen handel, +Rigt ook het kind zijn' wandel, +Uw voorbeeld steeds getrouw! + +Uw snoode deugdonteering, +Bant nering en hantering, +Wat wordt van kroost en vrouw? +Een worm moet u doorknagen, +Als nooddruft hen doet klagen: +"Gij waart ons niet getrouw!" + +Is dat uw burgerpligten, +Betamelijk verrigten, +Tot steun van 't staatsgebouw? +Gij ziet door elk u haten, +Als de ergste pest der staten, +In niets zijt gij getrouw! + +O! laat uw jeugd nog raden! +Vlied, vlied, de onkuische paden, +Door tijdig naberouw! +Gij weet, Gods woord verkondigt: +"De straf volgt hem, die zondigt,"-- +Gods woord, het is getrouw! + + + + + +'T UUR IS DAAR! + + +"'t Uur is dáár! +"Moedig maar! +"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje, +"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje; +"'t Uur is dáár, +"Voor het toevend echtaltaar!" + +"'k Gaf mijn hand, +"U ten pand," +Antwoord ze onder lieflijk blozen, +"'k Heb voor duizend u verkozen,-- +"'t Uur is dáár, +"Zegen ons, Alzegenaar!" + +En nu hecht, +De eerbare echt, +Trouwe Twee! uw zielen zamen; +'s Priesters mond zegt plegtig, Amen! +'t Uur is dáár, +Veel geluk, beminlijk paar! + +Blijde stond! +'t Jaar verzwond, +En aan Elsjes blanken boezem, +Prijkt een frissche huwlijksbloesem; +'t Uur is dáár, +'t Zaligst uur, voor hem en haar! + +Treft hun hart, +'s Levenssmart,-- +Koen wijst Elsje naar den Hoogen, +Zegt en wischt heur schreijende oogen; +'t Uur is dáár, +"Maar God helpt soms wonderbaar!" + +Als 't verdriet, +Henenvliedt,-- +O! dan spreekt weêr Elsje teeder: +"Knielen wij eerbiedig neder, +"'t Uur is dáár, +"Onzer dankbeê na 't gevaar!" + +Moet een pligt, +Nog verrigt,-- +Beiden brengen, kloek van zinnen, +Aan hun' geest dien pligt te binnen; +"'t Uur is dáár!" +Zeggen zij dan tot elkaár. + +Vroeg ontbood, +Hen de Dood-- +Doet die roepstem hun niet beven? +Neen, zij laten kalm het leven; +'t Uur is dáár,-- +Maar tot de afreis zijn ze klaar! + + + + + +HUWELIJKS-LIEDJE. + + +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar opent zich het hart; +Daar geven zang en gulle kout, +Het zielestreelendst onderhoud; +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar vlugten druk en smart! + +Klink' blij van geest, +Dan op dit feest, +En stem en citersnaar; +Waar liefde en trouw verbonden sluit, +Daar dreune en davre 't zanggeluid, +Klink blij van geest, +Dan op dit feest, +Een lied voor 't jeugdig paar. + +Geluk en vreê, +Is aller beê, +Geliefden! voor uw lot; +Ons hart blijft aan uw heil gehecht, +Des Hoogsten zegen kroone uw' echt; +Geluk en vreê, +Is aller beê, +Verhoor die bede, o God! + + + + + +DE OOIJEVAARS. + + +Hoezee! daar komen de Ooijevaars +Weêr fladdrende aangevlogen! +Zijt welkom, lieve Klepperaars! +Met vreugd zien u mijne oogen. +Zijt welkom uit het vreemd gewest, +Strijkt neder op het toevend nest! + +Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit: +"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen? +"De wintervorst is heengebruid, +"De schepping staat herschapen! +"De lente is daar, het huis ontvlugt, +"Naar buiten, in Gods vrije lucht!" + +o Vogels! welk een bron van vreugd, +Doet niet uw komst weêr stroomen! +Een welkomthuis, zoo vol geneugt ... +Wie had het kunnen droomen? +'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart, +Nog meerder giften schenkt aan de aard'! + +Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis +Waarop ge uw' zetel stelde, +Bevrijd van druk, bevrijd van kruis, +Zoo als de faam vermeldde? +Hoe 't zij, 't is zeker en gewis, +Dat elk uw komst tot blijdschap is. + +Hoog wordt ge in Nederland geacht, +Uw regten zijn er heilig; +Waar ge ook uw woonstede overbragt, +Zijt ge ergens meerder veilig? +Want wee de hand, die in ons oord, +Uw bouwing schendt, uw rust verstoort! + +Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag +U in zijn wapen leven? +Daarheen wendt zich de blik zoo graag, +Wanneer ge ons hebt begeven; +Dan juicht het harte blij gezind! +Gij zijt het sprekend, beste vrind! + +Doch, vogels! niet aan dos, of zang, +Zijt gij die eer verschuldigd, +Uw deugd voert u tot d' eersten rang, +Uw deugd, die de aarde huldigt; +Want kuischheid woont in uw gezin (1), +Bij ouderliefde en kindrenmin. + +Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond +Wordt lagchende u ontsloten, +Geniet de weelde van deez' stond, +Teêrminnende echtgenooten! +Een frisch gepluimte, u beider beeld, +Zij 't heil, dat u de toekomst teelt! + +En als gij tegen 't koud saizoen, +Met de uwen weêr gaat trekken, +En we allen uitgeleide u doen, +Zoo ver het oog kan strekken; +Dan roept nog de echo duizend keer: +"Geluk op reis, komt haastig weêr!" + + * * * * * + +(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend. + + + + + +OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN. + + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + +Hij droeg de grijze kroon +Der zilverblanke opregtheid,-- +Geen Koningskroon zoo schoon! + +De nutte boerenstand, +Werd aan zijn vlijt tot werkkring +Beschikt van Hoogerhand! + +Was landbouw al zijn lust,-- +Nu scheen de schoot der aarde +Na d' arbeid, zoete rust! + +Geen hartelijker vrind, +Schonk immer de verkeering; +Hem minde grijze en kind! + +Zijn leuze als echtgenoot, +Als teederste aller vaders, +Was: "trouw tot in den dood!" + +Hij stelde op eenvoud prijs, +Aartsvaderlijke zeden! +Gij waart zijn levenswijs. + +Ofschoon noch rijk, noch arm, +Mogt hij de nooddruft steunen, +Dan sloeg zijn harte warm. + +Naar hem de wet beval, +Zóó minde hij zijn naasten,-- +Maar o, God bovenal! + +Op Christus zoenverbond, +Was al zijn hoop gevestigd, +Tot in zijn' jongsten stond! + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + + + + + +AAN EEN' FAT. + + +Gij, zoo erbarmelijke Fat! +Die uw kleedij het hoogste schat, +U zelv' vergoodt en wendt en keert, +En als een paauw in 't rond _spanceert_! +Die, rusteloos, u elken dag +Versiert met telkens bonter vlag; +Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht +Aan d' oorsprong van de kleederdragt? +Hoe zij der zonde kenmerk is, +Het toonbeeld der verdorvenis? + +En gij, o bontgetooide pop! +Gij flikt en kwikt en strikt u op, +En weet niet, dat u juist verneêrt, +Hetgeen gij waant, dat u vereert ... +Waardoor ontstond in 't paradijs +Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs. + +Geloof me, een waarlijk kloeke geest, +Kiest zich een kleed naar vorm en leest; +Naar jarental en luchtklimaat, +Een eerbaar kleed, naar rang en staat! +Een kleed, dat ieders achting wekt, +En niet den spot ten lach verstrekt. + + + + + +DE LACH. + + +'k Zing, door vreugd gedreven, +De eêlste gift van 't leven; +'k Juich, dat ik het mag! +'k Zing het blijdschaps-teeken, +(Wijkt, o tranen-beken!) +'k Zing den lieven lach! + +Jongling! kent ge op aarde, +Schat van grooter waarde, +Dan den lach der min? +Wat den boezem griefde, +'t Lachje van de liefde, +Balsemt ziel en zin! + +De eerste lach van 't wichtje, +Op het lief gezigtje, +Door het oog bespied,-- +Teedre lach van d' Engel ... +God! wat heilgemengel! +Ouders! gij geniet. + +Bij het leverschudden, +Als de lach met mudden +Vreugde en blijdschap meet,-- +'t Droevig stofgewemel, +Wordt een blijde hemel, +Waar is, aarde! uw leed? + +Troost! als ge onschulds smarte, +In het treurend harte, +Medelijdend sust,-- +Laat zich op haar wezen, +'t Kalme lachje lezen, +Dat in God berust. + +Zaagt gij ooit de dieren +Lagchend vreugde vieren, +Hoe verheugd van geest? +Juich! ook 't lachvermogen, +Mag u, mensch! verhoogen, +Boven 't reedloos beest! + +Wie zijn strakke trekken, +Nooit ten lach voelt wekken, +Vlied den norschen draak! +Schoon u 't purper kleedde, +Wreede Flips de Tweede! +Vlood de lach uw kaak (1). + +Lach! o te aller stonden, +Waart gij naauw verbonden +Aan de blanke deugd; +De edelste der gaven, +Smaken slechts de braven, +'t Lachje van geneugt. + +Want, de lach der boosheid, +Die der valsch- en loosheid, +Waanzin, wanhoops-lach,-- +Wie dat lach kan heeten, +Is den lach vergeten, +En ziet nacht voor dag. + +Molmen bint en stutte, +Van mijn leemen hutte, +Dat de dood ze sloop', +Moge, in 't laatst van 't leven, +Slechts mij 't lachje omzweven, +'t Lachje van de hoop. + + * * * * * + +(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede +nooit lachte. + + + + + +HET WEESJE. + + +Zuigling van uw wieg af wees? +Welk een booze ster verrees, +Die uw' prilsten levens-stond, +Zoo veel bittren rampspoed zond? +Was uw eerste levenskreet, +Dan een voorgevoel van 't leed, +Dat u, van uw wiegjen af, +Zou vervolgen tot aan 't graf? + +Jongske! hoor, er heerscht een magt +Over 't menschelijk geslacht, +Die met toorneloos geweld, +Alles in haar boeijen knelt; +Die geen medelijden voedt, +In het altoos koud gemoed, +Maar met onbewogen hart, +Neêrziet op de diepste smart: +Die de gâ, der gade ontrukt; +d' Ouden staf, naar 't graf gebukt, +Wreedelijk berooft van 't kroost, +Al zijn steunsel nog en troost: +Die, eer 't pasgeboren wicht, +De oogjes opende voor 't licht, +Reeds zijne ouders van hem nam ... +'t Was uw lot, onschuldig lam! +Kind! die schrikbre dwingeland, +Die der wereld vreugd verbant, +En slechts waarschuwt met den stoot, +Is, (verbleekt gij?) is de dood! + +Wichtje! welk een zielsgenot +Kroonde uw ouders huwlijkslot! +Al de droomen hunner jeugd, +(Zoete droomen, vol geneugt'!) +Duizendwerf elkaar gezegd, +Ja, nog meer, vervulde de echt! + +Zie, het zaligst levensuur, +Zet hun volle borst in vuur, +Nu het lagchende verschiet +Nooit gesmaakten wellust biedt! +O, een telg ... maar God! wat rouw +Overvalt de blijde vrouw? ... +Bange vrees en angst en schrik, +Spreken uit uw moeders blik: +"Dierbre gade!" gilt zij uit, +Maar reeds mist hij zijn geluid, +Plotsling zeeg haar zielsvriend neer, +Kind! gij hebt geen' vader meer! + +Is het al niet--zwaarder ramp, +Ongeboorne! wacht ten kamp, +'t Uur van barensnood breekt aan, +Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ... +Angst en doodstrijd zijn gestreên, +Arme Wees! gij staat alléén. + +Hulpelooze onnoozelheid! +Knaapje! dat zoo bitter schreit, +En slechts tranen drinkt voor zog, +Ach! waartoe bestaat ge toch? +Waarom velde de eigen hand, +Niet met de ouders, ook het pand, +'t Had, van rampen onbewust, +Sluimrende aan hun borst gerust; +Dood! waarom gescheiden, 't geen +Wat het leven smolt tot één? + +Wie erbarmt zich uwer, kind? +De aarde is vaak zoo schaars gezind, +Tot meewarig helpen, van +Wie zij hulp onttrekken kan. +Geeft niet iedre wezenstrek, +Een bewijs van uw gebrek? +En het nijdig noodlot zendt, +Honger, kommer, ziekte, ellend'! +Hoe verlaten nooddruft kermt, +Niemand, die zich 't wicht ontfermt! +Niemand? Zwijg, Godlastrend woord, +Eer de Hemel zich verstoort, +Om uw schuldig albedil,-- +God is liefde! mensch, zwijg stil. +Zie, het Alziend Vaderoog, +Ziet genadig van omhoog, +Op het klagend wichtje, dat +Zonder God geen' redder had. +Hij, die 't muschje niet vergeet, +Zag des Weesjes droevig leed, +En het lachje van genugt', +Jaagt de traantjes op de vlugt! +Eer vergeet de moederborst, +'t Lesschen van des zuiglings dorst, +Eer Hij de onschuld hulploos laat, +Die ter prooi aan 't onheil staat! + +Moed dan, Weesje! God vertroost +Steeds het ouderlooze kroost; +Weert hun nooddruft, stilt hun pijn, +En wil zelfs hun vader zijn! +Ja, roept niet zijn eigen Zoon, +Op den minnelijksten toon, +In het teederst liefdeblijk, +Kindren voor zijn Koningrijk? + +Vrage dan verblinde waan +Naar het doel van uw bestaan, +Om het grievende gemis, +Dat uw jeugd beschoren is;-- +Kind! opregte Godvrucht staart +Op een hooger wit dan de aard', +Deernis voedende in uw' druk, +Juicht zij toch in uw geluk! + +Nu dan, teedre bloesemknop! +Groei en luik voorspoedig op! +'t Schrikkelijke noodweêr vlugt +Reeds voor zoeler, milder lucht: +Zie, de beste Hovenier +Geeft uw jeugdig leven tier, +Hij bewaakt u en aanschouwt, +Hoe ge uw bladertjes ontvouwt. +Stel zijn zorgen niet te loor,-- +Breke straks het vruchtje door, +Dat, met blosjes lief en zacht, +Rijpende ieder tegenlacht! +O dan wordt gij, jonge bloem! +Eenmaal nog der wereld roem, +En het juichende aardrijk looft, +Wijd en zijd, uw heerlijk ooft! + + + + + +HUWELIJKSVEREENIGING. + +(_den 8 October 1842._) + + +Wat hooge vreugd vervult den Koning? +Wat innig heil de Koningin? +Wat plegtigheid doordringt de woning, +Van Neêrlands eerste huisgezin? +Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ... +Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert? + +Het huwlijks-altaar staat te branden; +Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt; +De dienaar Gods heft hart en handen, +Daar hemelsche aandrift hem bezielt: +Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar, +Den zegen van d' Alzegenaar! + +En zie, alsof een hand van boven, +Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt, +Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven, +Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt, +De priester hecht in 's Heeren naam, +Door 't snoer des echts twee harten zaâm! + +Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'? +Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk? +Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren! +Sophia, 's lands Prinsesse, schonk +Aan Weimars Hertog, hart en hand; +Geen schooner echt kwam ooit tot stand! + +Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders! +Geluk in 't voorregt van uw kroost! +Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders +Maar o! deez' blijde dag schenkt troost! +Heil u ook, pas verbonden Twee! +'s Lands beê volgt u tot Weimar meê! + + + + + +DRIFT. + + +Onbezonnen drift, versmoort +Iedre vreugde-vonk, en stoort +'s Levensheil op aarde; +Hoe de glimp haar kwaad verbloemt, +Liefderijke eensgezindheid doemt +Die steeds tweedragt baarde. + +Zie, naauw is haar toorn ontbrand, +Of oploopendheid verbant +IJlings pligt en rede; +Vreugde kent geen kortswijl meer, +Als in 't lagchende weleer, +Want haar leuze is: vrede! + +Maar smelt' laster ook heur' naam? +'k Hoor haar deugden door de Faam +Toch zoo luidkeels prijzen: +"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad, +"Goed van inborst, schuwt ze een daad, +"Die haar ziel doet ijzen!" + +IJzen? Wie der lippen wacht, +In zijn razernij veracht, +Doet beraad hem spreken? +Welk geheim de heethoofd weet, +'t Staat al loerende gereed +Uit den mond te breken! + +Drift is als een dolle hond, +Die wreedaardig ieder wondt, +In zijn blindlingsch woeden; +Ach! zij deed met fellen beet, +Zoo meêdoogenloos als wreed, +Menig harte bloeden ... + +Wie verstandig heeten wil, +Wie goedhartig, haat de gril, +Om, bij beuzelingen, +Elk tot spotternij en schrik, +Plotsling, ieder oogenblik, +Uit zijn vel te springen! + + + + + +DE LASTER. + + +Hoe de laster smaal', +En door vuige taal, +Deugd haar kroon bezwalke,-- +'t Schendend lipvenijn, +Schoon het de aard' verschalke, +God verblindt geen schijn! + +Zie, de nevel zwicht, +Voor het zonnelicht, +Dat de waarheid bloot leit; +En de pest der aard', +Staat, in al zijn snoodheid, +Naakt geöpenbaard. + +Wat zijn helsche togt, +Gruwlijks zamenwrocht, +Tot zijn naastens smarte,-- +'t Plet zijn' eigen kop-- +God doorzag zijn harte, +En stond wrekend op! + + + + + +EENVOUD (1). + + +Eenvoud, beminlijke schoone! +Nog nooit naar verdienste geschat; +Van iedre schoone de kroone, +En toch op uw schoonheid niet prat; +Die zinloozen pronk kunt versmaden, +Hoe wansmaak er gapende op tuur,-- +U hullende in eigen gewaden, +In 't hemelsche kleed der Natuur! + +De gordel der liefelijkheden, +Die Ciprus haar tooverkracht gaf, +Versiert uw bevallige leden, +Zij stond, bereidvaardig, dien af: +"U," sprak zij, "u moet hij omhullen, +"Wie meerder dan gij is hem waard? +"Die zoo veel geluk zult vervullen, +Tot zegen der jubelende aard!" + +En evenwel, weinige aanbidders +Voor u in het blinkende staal; +Bestegen de meeste der ridders, +Voor vreemdere kleur niet het zaal? +Waar 't letterveld ook wordt ontsloten, +Voor strijders verhit op den krans, +Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten, +Schaars breekt men voor Eenvoud een lans! + +Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde, +Het leven had vreugdvoller loop; +Wie ooit op uw weldaden bouwde, +Beschaamdet gij nooit in zijn hoop! +Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven, +Of waar zich uw voetdruk bevindt, +'t Krijgt alles een krachtiger leven, +Een lieflijker aanschijn en tint. + +Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt, +In lusthof, in bosschen en beemd, +Een meer dan Arkadische schoonheid, +Die 't kluistervaste oog er verneemt; +Had bouwlust in steden en dorpen, +Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt, +Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen, +Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht! + +Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde +Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst! +Wie gij tot het priesterschap wijdde, +In 't heerlijk gebied van de kunst! +Wat lauwer op aarde verdorde, +Zijn eerloof tart tijden en lot, +Met regt prijkt een Cats in uwe orde, +Maar Swaanenburgs naam werd ten spot! + +Door Eenvoud is Neêrland verrezen +Uit modderig slijk en moeras; +Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezen +Zoo groeijend en bloeijend als 't was; +Den weg, door de Vadren betreden, +Wijst Eenvoud het nakroost nog aan, +Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden, +En welvaart, en kunstschoon ontstaan! + + * * * * * + +(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met +mijn doel overeenkomt. + + + + + +AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR. + + +Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt, +Uw geestlijk oog aanschouwt een licht, +Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister: +Gij voert, door 't zuiverst toongeschal, +U in dat rijk, waar hemelval +Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister! + + + + + +DE MUIS. + + +In mijn' leuningstoel gedoken, +Bij het scheemren der Natuur, +Voor de gure winterspoken, +Veilig bij mijn haardsteê-vuur, +Door verbeelding, in 't verleden, +In de toekomst en het heden, +Tooverende rondgeleid, +In het groot geheel verloren ... +Wat geridsel laat zich hooren, +In mijn peinzende eenzaamheid? + +Uit een klein behangselgaatje, +Kruipt, door honger aangespoord, +Trillende als een popelblaadje, +Een vreesachtig Muisje voort: +In en uit heur holtje sluipend, +Luistrend om zich henen gluipend, +Wordt het telkens meerder vrij; +Turende met grage blikken, +Of er ook iets valt te bikken, +Komt het na en nader bij! + +Angst en vreeze vloden henen; +Zie, de dartelende Muis, +Is in de etenskast verdwenen, +En voelt zich zoo goed als t' huis! +O! wat nooit gesmaakte weelde, +Nu haar jeukend maagje streelde, +In dat rijk luilekkerland! +'t Beestje kan zich wel begraven, +In de keur van lekkre gaven,-- +Alles is er naar zijn' tand! + +"Maar, ei zie! dat traliehokje, +"Wat hangt dáár voor lekkers in? +"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje, +"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!" +'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ... +Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen, +Hoor, wat slag! de valklep sluit! ... +Muisje! door te veel te willen, +Moest gij al uw heil verspillen,-- +Trek, o Mensch! er leering uit. + + + + + +TEHUISKOMST. + + +Overdierbaar plekje grond! +Vorden, 'k mag u weêr betreden! +Stort u uit, mijn dankbre beden, +Die mijn' boezemtogt verkondt! +Stort u uit om Hem te prijzen, +Die met de eêlste gunstbewijzen, +Mij begiftigde op deez' stond! + +'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch, +Weêr het lagchend oord genaken, +Waar ik zoo veel heil mogt smaken, +Waar mijn wellust was en is! +Was en is en zal beklijven, +Tot mij 't schoone schoon zal blijven, +Tot ik kracht en leven miss'! + +Maar, van waar dat blij gedruisch? +Vriendschap komt op vlugge voeten +Mij, van wijd en zijd, begroeten, +En geleidt me in vreugd naar huis! +Trouwe vriendschap, die mij de aarde +Meê herschept ten bloemengaarde, +Lieflijk klinkt uw stemgeruisch! + +Komt nu, dierbren! komt nu snel +Naar mijn landelijke woning; +Dat ook dáár de vreugdbetooning, +Als van ouds ons weêr verzell'! +Hospes! stoot mijn kamers open, +'k Ben de stad voor 't land ontloopen, +Zeg, is alles bij u wèl? + +'k Ben weêr thuis, vivat! vivat! +_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden! +Zoekt een plaatsje en gij zult vinden, +De etiquette's zijn in stad! +Nader, Langhals, uit den kelder! +Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder, +Huldigt Bacchus heerlijk nat! + +"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,-- +o, Hij maakt me vreugdedronken, +'t Wachtend glas weêr ingeschonken; +Want ik heb een' toast er bij: +_Vordens groei en bloei en leven; +Dat het, tot de laatste neven, +Rijk door God bevoorregt zij!_ + +Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt; +Laat ons buiten, vrienden! buiten! +Wat de ziel gevoelt, ontsluiten, +Buiten, in de vrije lucht! +Hoort, en Vink en Filomeeltje +Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje, +Zij die dank ook onze zucht! + +God! wat is uw Schepping schoon! +Onnaspeurbre hemelzegen, +Spreidt uw goedheid allerwegen, +Aan de juichende aard' ten toon! +En de geur van bloem en kruiden, +Komen, op de wiek van 't Zuiden, +Stoeijende af en aan gevloôn! + +Broeders! ja, ons heil is groot! +Staan wij, zeg, in de eigen streken, +Die mijn hart voor twintig weken, +Zijn meêwarig afscheid bood? +Toen ik alles zag versagen, +Voor de gramme najaarsvlagen, +En zag worstlen met den dood! + +Als een Feniks, o Natuur! +Zijt ge glansrijk weêr verrezen, +En uw jong, aanvallig wezen, +Zet mijn volle borst in vuur! +Naauw aan 's Winters boei onttogen, +Ben ik naar u toegevlogen, +In het allerwenschlijkst uur! + +'k Heb u, Lente! dag en nacht, +Van bewondring opgetogen, +Aangestaard met turende oogen, +Waar de wil van 't lot mij bragt; +Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken, +De innigste uwer tooverblikken, +Heeft me in Vorden toegelacht! + +Vorden! Vorden! neem mijn lied ... +Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)? +Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden, +Dat ik luistere en geniet! +o, Met regt, begaafde zangster! +Zijt gij hier mijn plaatsvervangster! +Dat u milde dichtaâr vliet! + +Onvergeetbre levensstond! +Nooit gesmaakte zegeningen! +'k Hoor mijn Vordens lof voldingen, +Door den liefelijksten mond! +God! verhoor nu nog deez' bede: +Geef, dat eens mijne asch, in vrede +Rusten moge, in Vordens grond! + + * * * * * + +(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten. + +(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld, +van eene Dame mijner kennis. + + + + + +WIE? + + +Ai, zie! de afgrijsbre komt, +En aller mond verstomt, +Hij spreekt, en op zijn woord +Zijn lust en rust verstoord; +De keel voelt zich beklemd, +De boezem zich ontstemd, +En nooit gekende smart, +Wordt meester van het hart. +Hij steelt het edelst goed +Aan uw geschokt gemoed, +En geeft, wat hij belooft, +U niets, voor 't geen hij rooft. + +Die ééns hem heeft gezien, +Wenscht altoos hem te ontvliên, +En voelt zich zóó bevreesd,-- +Alsof een booze geest +Met eindeloos gekwel +Hem aangrijnsde uit de hel! + +Wie, zangster! is 't gedrogt, +Wiens vuigen boezemtogt, +Den schrik verspreidt door 't bloed? +Wiens naam reeds siddren doet? +En somber trilt' heur snaar: +"Het heet? Godslasteraar!" + + + + + +DE MENSCH. + + +Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt? +Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt? +Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt? + O God der Goden! +Gewisselijk, een schepsel onbesmet, +Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet, +Wiens neigend oor, steeds onderworpen let + Op Uw geboden! +Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt! +(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...) +Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt, + Hem ten verderve! +Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed, +Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed; +En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed, + Genâ verwerve! + + + + + +AAN EEN' SCHILDER. + + +Wie boeit mijn turende oogen, +Door 't onbegrensd vermogen, +Van 't scheppende penseel? +Wie doet door keur van verwen, +Mij 't hoogst genot verwerven, +In 't liefelijkst tafreel? + +Wiens geestkracht mag 't gelukken, +Natuur den palm te ontrukken, +Door de overmagt der kunst? +Gij, puik der toovenaren! +Genie, waarop wij staren! +Bestraalt ons met die gunst. + +Neen, 't is geen schijn, 't is leven! +Die beemden, bosschen, dreven, +Die jagt en wildernis, +Dees vleugelvlugge honden ... +'t Moet al uw' roem verkonden, +Die spreekt, het zij! en 't is. + +o, Oogbetoovrend schilder! +Waar werden gaven milder +Een' sterveling verpand? +God schraag' nog lang uw krachten, +Tot vreugd voor die u achten, +Tot roem van 't Vaderland! + + + + + +DE GRAFSTEEN. + + +Hun edel harte slechts tot gids, +Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk, +Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits, +Naar 's Heeren sombre grafspelonk; +Om nog met kostbre specerijen, +Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen. + +En nu het doel al nader treedt, +Daar, plotsling, breekt het zwijgen al: +"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet, +"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?" +Dat had heur ijvren niet bezonnen, +Toen zij den vromen togt begonnen. + +Geen bliksemschicht treft meerder snel, +Geen donderslag slaat zóó ter neêr, +Gelijk dat woord vol zielsgekwel! +Toch geeft de liefde voor den Heer, +haar moed en kracht om voort te treden, +Hoe fel door angst en vrees bestreden. + +Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred! +De steen, die 's Heilands grafplaats drukt, +En u de teedre borst verplet,-- +God spreekt--die steen is afgerukt! +Hij zal de zijnen niet begeven, +Juicht, Jezus leeft en gij zult leven! + +o Liefde Gods, die wondren doet! +o Heilgenade, ondenkbaar groot! +Hoe menig steen drukt nog 't gemoed, +Dien de Almagt afwendt in den nood, +Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken? +Een Engel daalt, de steenen wijken! + + + + + +TOONKUNST. + + +'k Min u, muzikale woorden, +Taal der Toonkunst, 'k min u teêr! +U, zielroerbre klank-akkoorden, +Die uw' oorsprong hebt uit oorden, +Meer volmaakt dan de aardsche sfeer! + +Die het hart als was kunt kneden, +Aan uw meesterschap ten buit; +Lachjes, tranen en gebeden, +Heldenmoed en teederheden, +Opwekt naar den wil der luit! + +Grijpt de geestdrift der geniën, +'t Goddelijke speeltuig: hoor! +Strijdrumoeren, elegiën, +Liefdes zachte melodiën, +Roeren, schokken, 't luistrend oor! + +Orpheus Cither speel--verbeden +Is de nooit verbidbre dood! +Op den klank uw harp ontgleden, +Vlijt zich steen op steen, en steden +Staan, Amphion! trots ten toon! + +Doch geen fabel schenkt u luister! +Hooger, Toonkunst, klimt uw lof! +(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?) +Vrij, ontdaan van aardsche kluister, +Klinkt uw stem in 't geestenhof. + +Als de rei der Hemellingen, +Om Gods heilgen troon gestuwd, +Hem, den oorsprong aller dingen, +'t Heilig, heilig, heilig, zingen, +Is hun lied en snaar gehuwd! + +Goddelijke Harpenaren! +Stort den schoonsten hemelval! +Dank moet mensch en Engel paren! +Voor de gift der gouden snaren, +Dank aan d' oorsprong van 't Heelal! + + + + + +GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_. + + +Met diep ontroerd gemoed, +Wijde ik uw graf mijn' groet, +Te vroeg ontslapen zanger! +Gij, Staring! de aarde ontrukt ... +Waar is de plaatsvervanger, +Die uwen voetstap drukt? + +Treur, achtbre Wildenborch! +Uw bloei was al zijn zorg; +Hij gaf u vreugd en leven;-- +Uw heldre zon zeeg neêr; +'t Werd somber in uw dreven ... +Uw Landheer is niet meer! + +De trots van Gelderland, +Wien braafheid en verstand +Met schoonen glans mogt sieren,-- +Zijn levensdraad brak af ... +Schonk hem de kunst laurieren, +Nu weeklaagt ze op zijn graf. + +Nu zwijgt zijn citertoon, +Zoo krachtig, kunstig, schoon, +En Febus Priesterscharen, +Staan in het kunstenkoor +Den lievling na te staren, +Dien het te vroeg verloor. + +Weêr heeft het Vaderland, +Een' kostbren diamant +Uit de achtbre kroon verloren! +En gade en minnend kroost +Staan, bij der dichtren koren, +Weemoedig, zonder troost! + +Maar welk een treffend woord +Lokt mij naar 's kerkhofs poort, +En schenkt den geest bedaring: +"Uit nacht rijst morgenrood (1)," +Het was uw spreuk, o Staring! +"Het leven uit den dood." + + * * * * * + +(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden, +waar des Dichters grafplaats gevonden wordt. + + + + + +HET LEVENSPAD. + + +Allen op des levens paân, +Vallen, staan weêr op en vallen; +Zelfs de trotschheid durft niet brallen: +Ik kan zonder struiklen gaan! +Steen, op steen, verrast den voet, +Waar men zich aan stooten moet! + +Maar hoe telkens uitgegleên, +Broeders! toch weêr opgekropen; +Homplen, stromplen wij in 't loopen, +Meer oplettend voortgetreên; +Aan het einde van ons pad, +Ligt de goede Vader-stad! + +Matte Pelgrim! dáár is rust, +Van uw hobbelige wegen! +Dáár stroomt nooit gekende zegen, +Nooit gesmaakte levenslust! +Dáár is 't eind der aardsche smart, +Hemelvreugd vervult er 't hart! + +Voor den togt dan niet versaagd; +Welberaden voortgewandeld; +Naar gebod en pligt gehandeld; +Struiklen wij, God zelve schraagt! +En, is 't doel der reis volbragt, +o, De blijde Heilstad wacht! + + + + + +HET BLINDE VINKJE. + + +Vinkje! welk een gruwzaam monster, +Vreemd aan alle menschlijkheid, +Heeft uw vlugge wiek gekluisterd, +Heeft uw' dag, in nacht verduisterd, +Heeft u 't foltrendst leed bereid? + +Eens zoo vrij en vrank op aarde, +Nu gedoemd tot de enge kooi; +Nu, door gloeijend erts uwe oogen +Aan het vriendlijk licht onttogen, +Nu des euveldaders prooi! + +Werd het u noodlottig ijzer, +Slechts de duistre groeve ontrukt, +Om, der snoodheid ten believen, +Dus uw argloos hart te grieven? +Dan is 't euvel wèl gelukt! + +Doch, o neen! niet tot dien gruwel +Opent zich de schoot der mijn; +Maar de boosheid keert den zegen, +Uit Gods milde hand verkregen, +Vinkje! de onschuld vaak tot pijn. + +Wat is 't u, of zich de schepping +Nu net lente-siersels hult? +Niet voor u zal de aard' zich tooijen, +Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen, +Nimmer 't schoone aanschouwen zult! + +Ach, waar zijn de blijde dagen? +Van het lagchende verleên? +Vlijm, op vlijm, moet u doordringen, +Woelt het heir herinneringen, +Door uw mijmrend kopje heên! + +Mooglijk waart gij aan een gaaike, +Aan een teederminnend kroost, +Op het liefderijkst verbonden ... +Wreed werd dan de band geschonden, +Die uw blijdschap was en troost! + +Niets is u van 't heil gebleven, +Waar uw borstje zoo van zwol; +Uw gelukzon is verdwenen, +Heeft voor altijd uitgeschenen, +Blind en in een kerkerhol! + +o, Mijn teêrgevoelig harte, +Doet uw rampental zoo zeer! +Kon het innigst medelijden, +U van jammeren bevrijden, +'k Zag u 't beeld der vreugde weêr! + +IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje! +Schal met pletterend geluid, +Schal en schater den vervloekte, +Die uw' lust en rust verkloekte, +Uw' ontzagbren wraak-kreet uit! + +Doch uw toovrend orgelkeeltje, +Wanhoop nam het kracht en klem; +Nooit ... maar wat welluidend kwelen, +Komt mijn luistrende ooren streelen! +Lieve vogel! is 't uw stem? + +"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!" +Zingt het Vinkje op zoeten toon, +"'k Laat, getuigen het mijn zangen, +"Moedloos niet mijn wiekjes hangen, +"Welk een rouw mijn borst bewoon'! + +"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht? +"Heelen ze ooit de wond van 't hart? +"Véél verloor ik--maar, mijn roover +"Liet mij toch mijn stem nog over, +"o, Die vreugde troost mijn smart! + +"Drage ik dan mijn lot gelaten, +"'k Heb nog ruime dankensstof; +"Om het goede mij gebleven, +"Min ik nog het lieve leven, +"En zing luid mijns Scheppers lof! + + + + + +TROOST. + + +"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!" +Dat hartdoorvlijmend woord, +Dat zoo veel vreugd verstoort, +Het was den mond van d' Arts ontgleden, +Maar 't klonk als niet gehoord, + +Het kon het oor der vrouw niet boeijen; +Nog lonkt de hoop haar aan; +Zoo schrikklijk zal de orkaan +Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen, +En bloem, bij bloem verslaan. + +"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder, +"Neen, dierbare echtgenoot! +"Zoo ras ontbindt de dood +"Dien vastgelegden knoop niet weder, +"Die 't huwelijk pas sloot!" + +En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen, +Naar 't liefelijk gezigt +Van 't sluimerende wicht,-- +Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen! +"Zijns Vaders levenslicht!" + +"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..." +Maar, God! wat raauwe gil! +Zij voelt het doodlijk kil +Op 's ega's ingezonken kaken, +Zijn ademtogt staat stil. + +Haar zoete hoop vervloeide in tranen +Van bittre zielesmart; +Gebroken is haar hart; +Wel spoedig ging haar heilzon tanen, +En liet haar 't nachtlijk zwart. + +Ze rigt het schreijende oog naar boven: +"Wat lot," snikt zij, "wat lot, +"Na twee jaar echtvreugd ... God! +"Waarom moest ik een' droom gelooven, +"Waarmeê de ontwaking spot?" + +Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe? +Uw wichtje, als 't onverpoosd +U vleijend kust en koost? +Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe, +Voor uw gemoed geen troost! + +Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede, +Ja, Troost in d' eêlsten zin, +Dringt tot haar' boezem in; +Zij kust Gods vaderlijke roede, +De Weduwe is Christin! + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LIEREMAN *** + +***** This file should be named 6922-8.txt or 6922-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/6/9/2/6922/ + +Produced by Vital Debroey +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive +specific permission. If you do not charge anything for copies of this +eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook +for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, +performances and research. They may be modified and printed and given +away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks +not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the +trademark license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country outside the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you'll have to check the laws of the country where you + are located before using this ebook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm web site +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The +Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm +trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the +mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its +volunteers and employees are scattered throughout numerous +locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt +Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to +date contact information can be found at the Foundation's web site and +official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + diff --git a/6922-8.zip b/6922-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b0897ab --- /dev/null +++ b/6922-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5b406f8 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #6922 (https://www.gutenberg.org/ebooks/6922) diff --git a/old/7dlrm10.txt b/old/7dlrm10.txt new file mode 100644 index 0000000..672fb5e --- /dev/null +++ b/old/7dlrm10.txt @@ -0,0 +1,3590 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: De Liereman + +Author: L. Schipper + +Release Date: November, 2004 [EBook #6922] +[This file was first posted on February 11, 2003] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN *** + + + + +This eBook was produced by Vital Debroey + + + +DE LIEREMAN. + +Luimige en Ernstige +MUZE. + +door + +L. SCHIPPER. + + + + + +DE LIEREMAN. + + +Vrienden! koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weer liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + +Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?" +'t Antwoord is: van 't beste allooi, +Vol van vinding, gloed en leven, +Immers, 'k heb ze zelf geschreven? +En een hoofdpoeet als ik, +Kent de rijmkunst op een' prik. + +Ergo, wie dees zangen laak', +Heeft geen enkel greintje smaak; +Weest dus op uw hoede, Heeren! +Die mijn werk zult recenseren; +Want, wie deze deuntjes fluit, +Wijst zijn eigen vonnis uit. + +Koopt dan, koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weer liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + + + + + +INHOUD. + +De Liereman. +Het Kaartspel. +De Oude en Nieuwe Maat. +De Droom. +De Patrijzen. +Jan. +De twee Honden. +De vrome Werkbaas. +De Vlieg. +Het Medaillon-Portret. +De verdronken Acteur. +Het Portret van den Dood. +De Gekken. +Stalen Pennen. +Mijn Grootje. +Gerust in de onstuime Baren. +Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom. +Voor Godsdienst en Vaderland. +Deugd schept Vreugd. +Elck wat Wils. +Genoegh is meer. +Elck zijn Waerom. +Elck spiegele Hem Zelven. +'t Kan Verkeeren. +Hora ruit. +Peut-etre. +Repos ailleurs. +Vita mortalium vigilia. +Getrouw. +'t Uur is daar. +Huwelijks-Liedje. +De Ooijevaars. +Op den Dood van een' Landman. +Aan een' rat. +De Lach. +Het Weesje. +Huwelijksvereeniging. +Drift. +De Laster. +Eenvoud. +Aan een' blinden Toonkunstenaar. +De Muis. +t' Huiskomst. +Wie? +De Mensch. +Aan een' Schilder. +De Grafsteen. +Toonkunst. +Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_. +Het levenspad. +Het blinde Vinkje. +Troost. + + + + + +WAARSCHUWING +van eenen Onbevooroordeelde. + + +Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap +aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den +zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is. + +In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe +snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken. + +Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in +handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering. + +Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even +vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te +Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten-- +welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen No 9, voor Julij 1843.) +aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede +sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen." + +VORDEN, +30 Sept. 1843. + + + + + +HET KAARTSPEL + + +"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent? +"Erast, de nieuwe lichter, +"Koopt steeds 't antiekste ameublement, +"Maar blijft Gomaars betichter, +"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt, +"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!" + +Ik vonnis niet en haat den twist, +Ja, laat aan elk zijn keuze, +Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist, +De vrijheid zij mijn leuze! +Maar toch, ik zeg uit vol gemoed, +In 't oud en nieuw is kwaad en goed! + +Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift +Bragt heel mij van 't chapiter; +Het kaartspel, luidt het bovenschrift, +Voor 't kaartspel klink' de citer; +Welaan, mijn zangster! men verbeidt, +Zing luid van de oudste antiquiteit! + +1. Met regt, dat Memphis boezem zwell', +Om de eer haar rijk beschoren; +Daar, daar is 't eerste kaartenspel, +Door 't schoonst genie geboren; +En de allergrijste piramied, +Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet! + +2. Hoe juichte Egypte in d'eelsten schat, +Den schat van eigen vinding, +En bragt, door hieroglyphen, 't blad, +Met godsdienst in verbinding; +Zoodat, van vromen geest bezield, +Men kaartenspelend oefning hield! + +3. Sibyllen! uw orakelhol, +Hadd' nooit van goud geblonken, +Zoo niet de kaart, den vragersbol +Het antwoord hadd' geschonken; +Uw goochelkunst staat nog in eer, +Groei, bloei, o kaartenleggren-heer! + +4. Hoe! rukken Moor en Arabier +Zoo plotsling uit het Oosten? +U, Spanje! geldt het krijgsgetier, +Maar 't zoetst geschenk zal troosten! +De vijand biedt de kaart u aan, +En gij--verwenscht heur naar de maan! + +5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland, +'t Wou eerst ook daar niet lukken, +Maar--zesde Karel,--zijn verstand, +Kreeg eensklaps bijstre nukken! +De Vorst wordt meer dan stapel gek, +En nu, nu komt de kaart in trek! + +6. De groote schilder Gringoneur, +Een baas in 't portretteren, +Liet in het spel, door frissche kleur, +Geheel het hof spanceren; +Dat deed den Koning zulk een deeg, +Dat Gringoneur een lintje kreeg! + +7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart, +In vier verscheiden rijken; +Hij had het opperbest geklaard, +Elk stond er van te kijken! +Geen mensch, die iets te vitten had, +En, bij de Vorsten, zegt dat wat! + +8. Bourgondie verkreeg een ruit; +De Frank, een schop, op 't plaatje; +Een hart viel Orleans ten buit; +Brittanje een klaverblaadje; +Naauw was het af,--of zie, 't palet +Schonk nu den hofstoet zijn portret! + +9. La Hire en Hector, o, hoe schoon +Wist u de kunst te malen! +Gij spreidt het beeld van Mars ten toon, +Kloekhafte Generalen! +En wie de ronde boeren ziet, +Miskent uw sprekend wezen niet! + +10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel, +Het liefje van den Koning, +'t Was met des Konings hoofd niet wel, +Daarom dient hij verschooning, +Geen ander Vorst, bij vol verstand, +Heeft immers liefjes aan de hand? + +11. Wie, Pallas, maagd van Orleans! +Die streed voor 's Konings regten, +Wie waagt niet liefst met u een kans +In 't eten, dan in 't vechten? +Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein, +Gij schopte menige _Goddem_! + +12. Wat majesteit, wat fiere bouw, +Wat pracht van zijde lokken, +O, overschoone klavervrouw! +Gij hebt mijn oog getrokken! +Maar dat mijn min zich zelv' verwinn', +Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin. + +13. Wat lacht die freule harten wit, +Haar hartje speelt in harten, +Voor 't klooster had de maagd geen zit, +Wis bragt ze er vreemde parten! +Foei, Isabel van Beijren, foei! +Uw goede naam krijgt nog een' knoei! + +14. Maar wie of schoppenheer mag zijn? +Dat 's wel een uitgelezen! +'t Is Isrels David--de Dauphin, +Er schijnt iets joodsch in 't wezen! +Hij is, gemeten met een zeef, +Nog Koning Davids achterneef! + +Zoo biedt u elke pop het beeld +Van eene onschatbre parel; +En ieder, die een kaartje speelt, +Speelt met het Hof van Karel! +Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop! +Sla zelv' uw kunstverzaamling op. + +Wij keeren tot den Koning weer, +Hoor, 'k wil het niet verhelen, +'t Was droevig toch, een Vorst en Heer, +Met prentjes te zien spelen, +Maar wonder, zonder wederga, +Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na! + +Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond +Kwam 't kaartspel in de mode; +Nu, daar een Koning 't aardig vond, +Een zot, die 't niet vergoodde, +En was het spel, het spel eens dwaas, +'t Was toch ook 't spel eens grooten baas! + +Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart! +Wier kunst de tijd doet spoeijen; +Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard, +Dat gekken zelfs kan boeijen, +Lof, lof, aan de oudste antiquiteit, +Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt! + + * * * * * + +1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte. + +2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun +spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg. + +3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de +Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die +haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door +elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een +antwoord moest zoeken. + +4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral +onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den +naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren, +ten strengste verboden werden. + +5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel +de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar +staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden. + +6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet +weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen +van het Hof, op de kaart te schilderen. + +7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken. + +8. Bourgondie was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en +Brittanje klaverkaart. + +9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in +harten en ruitenboer werden afgebeeld. + +10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de +benaming van Rachel. + +11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen +streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart +opgenomen. + +12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van +Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in +klavervrouw voorgesteld. + +13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in +vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd. + +14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende. +Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op +de kaart naar Israels Vorst vernoemd. + + + + + +DE OUDE EN NIEUWE MAAT. + + +De oude maten en gewigten +Verlieten 't land; +De nieuwe gaan hun dienst verrigten, +En treen in stand; +Dat gaf aan de eedle winkelieren, +Een dolle pret, +Maar hoe misnoegdheid moge tieren, +Men vreest de wet! +Het hoog bevel, had ook de scholen +Voor wijd en zijd, +Het nieuwe stelsel aanbevolen, +Der school ten spijt: +"Weg, met die leelke decimalen!" +Zoo riep de jeugd, +"De duivel mag die vinding halen, +"Tot aller vreugd!" + +Eens kwam de meester met twee ellen, +Een nieuw', een oud', +"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen, +En wees niet stout! +"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene +Op de andre heeft, +"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene, +"Zoo ge aandacht geeft!" + +Maar geene attentie is te winnen, +Men meesmuilt slechts, +En ziet, met afgedwaalde zinnen, +Dan links, dan regts, +Een onder hen, een kleine snuiter, +Die niets ontziet, +Roept luid, van kop tot teen een muiter, +"Ik leer dat niet!" + +"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen! +"Hoor ik het wel? +"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!" +Hij dreigt met de el ... +Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten, +Wat euveldaad, +"Gij moogt mij met dees el niet meten!"-- +'t Was de oude maat! + + + + + +DE DROOM. + + +Van mijn wandling moe en mat, +Gaf ik me, onder 't beukenloover, +Bij eens beekjes kabblend nat, +Aan de rust op 't mosbed over, +'k Viel in sluimring; maar, wat droom! +Droomde ik aan dien oeverzoom? + +'t Was me, als gleed ik telkens meer +In de diepe waterkolken, +Bij het schubbig goedje neer, +Burgers, die den stroom bevolken! +Enklen, uit hun element, +Waren mij bij naam bekend. + +O! wat wereld leefde om mij! +Welk een wriemlen, wat krioelen, +In die vreemde maatschappij, +Welk een trachten en bedoelen; +Want, geen vischje was zoo dom, +Dat niet wist waarom het zwom! + +Maar, door welk een vrees beklemd, +Gaat dat kleine kaarsje dolen? +Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt! +De angst houdt het in 't riet verholen, +Had de groote u daar betrapt, +Kleine! gij waart opgehapt. + +'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!" +Riep ik, "dat gij, groote slokkers! +"De arme kleine vischjes eet, +"Schaamt u, leelke booze schrokkers! +"Neemt een voorbeeld toch aan de aard', +"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!" + + + + + +DE PATRIJZEN. + + +"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen +"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof; +"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of +"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen! +"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek +"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!" + +De vluggert ijlt met slakke schreden, +En meer en meerder krimpt zijn stap. +"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap, +"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden, +"Maar zonder poozen, zulk een vracht, +"Geen Simson zelfs bezat die kracht!" + +Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen! +Een half kwartier heeft de arme vent, +Het telkens zwaardere present, +Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen? +Wel is de weg haast afgelegd, +Maar hoor, natuur heeft ook haar regt! + +Ras sluit de slaap zijn oogleen digt, +Een guit, die hem in 't gras zag glijden, +Werd zoo vervuld van medelijden, +Dat hij des stakkers last verligt. +"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit een schot, +"Maar 't loopt mij mee, dees jagt gaat vlot!" + +En naauwlijks is een uur vervlogen, +Of vlugge Tom is reeds ontwaakt; +Dan ach, de vogels zijn geschaakt! +"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!" +Want waar het zoekend oog ook ziet, +Het malsch gevleugelte is er niet! + +Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen! +Halfdood zal Lekkerbek hem slaan, +Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan. +"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen! +"'k Geef aan de poort den brief gaauw af, +"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!" + +Maar zie, tot overmaat van smarte, +Treed onverwachts het aadlijk bloed, +Hem, uit een zijlaan, te gemoet. +Tom zit er in, hoe heeft zijn harte! +Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon, +Zijn halve boodschap den Baron. + +En nu--of Tom ook wist van beenen, +Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug, +Maar Heer Baron roept hem terug. +"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen? +"Ik zag je nooit zoo driftig vlien, +"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien." + +"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen! +"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom, +"De vlugtelingen zijn weerom? +"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen! +"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief.... +"Het doode wild vloog in den brief!" + + + + + +JAN. + + +"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde? +"Waar klinkt er een van hooger waarde? +1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon? +"Droeg menig Jan geen Koningskroon? +2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren, +"Voor zij dien toren had verloren, +"Tot boven in de wolken gloren? +"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end, +"Is overal mijn naam Bekend!" + +Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt, +Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd! +Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen, +Van de eer, waarop uw naam kan roemen. +Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen! +Uw onvolprezen naam, bevat +Een' schat voor zee, en dorp, en stad; +Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd'; +Hoe zou het onze taal gelukken, +Door een woord, zoo veel uit te drukken? + +_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt +Gij dat het juiste woord niet, vrind! +Om rijp en groen, +Fatsoen en geen fatsoen, +Om vogels van allerlei zangen en veeren, +Als in een voliere te zien converseren? + +Zoo is uw oordeel ook het teeken, +Waarmee wij van rapalje spreken, +Voorzeker duizendwerf gebleken, +Daar niets uw vlug begrip ontgaat, +_Jan rap en zijn maat_, +_Janhagel van straat_, +Geen naam, van welk een krachtgeluid, +Drukte immer zoo 't kanaljen uit! + +En o! hoe vol beduidenis, +Uw naam op 't golvend zeeveld is! +Het zeeveld, waar de nijvre hand +Goud oogstte voor het Vaderland. +Wie onzer kent in ieder deel, +Niet _Janmaat_ van het zeekasteel? + +Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest? +'t Is immers de knecht, de gedienstige geest? +Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifieerd, +Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert! + +Er heerschte eens een groot Koning, +In 't fier Brittannisch rijk; +In magt en prachtvertooning, +Geen Sultan hem gelijk! +Maar wat den glans verhoogde +Der schitterende ster, +Waar 't meest de Vorst op boogde, +3. Hij heette _Jean sans Terre_! + +Beeld der reinste huwlijkstrouw! +Hulp der liefderijkste vrouw! +Onvermoeide plasser! +Nooit zie ik mijn schoolprent aan, +Of mijn oog wijdt u een' traan, +Wakkre _Jan de wasscher_! + +Schoon ook vol spijt op Neerlands roem, +Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem', +Wie immer zich deez' titel schaam', +Gij prijst dien zuivelrijken naam! + +Wat gekwels, wat gekwels, +Voor de kindren Israels! +Als de schimp zich durft vermeten, +Honend, _Spek Jan_ hen te heeten, +Wetend, dat der Joden wet, +Hun dien vetten mond belet! + +Hoe menig kransjen ik reeds vlocht, +'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht, +Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht! + +En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden? +In tegenspraak, zeker, de held aller helden! +Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt, +De wijsheid in pacht heeft, alleen het maar weet! + +Zie, achter gindsche schuine deur, +Woont weer een _Jan_ van de eerste keur; +Of noemt de mond, van oud tot ouder, +Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder? + +Juich, weer hebt gij juichensstof, +Hecht aan de u geschonken' lof, +Vol van dank, uw zegel! +Zelfs een hof heeft zich vernoemd, +Naar uw' puiknaam zoo beroemd +'t Hof is 't van _Jan Vlegel_! + +Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken, +Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam, +Komt weer mijn peinzende aandacht wekken, +_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_! + +Was hij een oude knaap, +Als Zandvoorts Simon Paap, +En daarom de Amstelstad, +Met regt op hem zoo prat? +Een prijsvraag dient geschreven, +om 't duistre licht te geven! + +Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woen! +"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden, +"Die zoo mij te lastren zich dorst onderwinden! +"'t Duel zal beslissen en eer geen verzoen." +Daar naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden? +Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_! + +En koos niet zelfs Voltaire's luit, +Uw' naam voor duizend anderen uit, +En heeft zijn dichterlijke stift, +Voor tijdgenoot en nageslacht, +Niet schitterend uw' naam gegrift, +4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_! + +Speelt iemand een geklijken rol, +Van handel en wandel wat dol, +Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen: +Zijn rede is dan, zegt men, op hol, +Hij schermt in het ronde, de bol, +_Als malle Jan onder de kippen_! + +Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen, +Dat strijdende voor pligt en eer, +Een' lauwerkrans drukt op de slapen, +Van wien het moedigst trekt van leer! +Dat lemmer forsch en breed, +Dat van geen zwichten weet, +Op wier het is gebeten, +Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten! + +Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd? +De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken! +Zij springen en dansen en dartlen van vreugd, +Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken. +Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd? + +Amsterdamsch Menagerie! +'k Denk aan u met zoet ontroeren; +Apentuin der tuinen, die +Ook den schoonsten naam mag voeren. +Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden, +5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden? + +Ook voor den man, die graag de broek +Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek, +Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen, +Klinkt weer uw puiknaam in _Janhennen_! + +Nieuwe, flonkerende luister, +Is weer voor u opgedaagd! +Neerlands schrandre Pensionaris, +Droeg den naam, dien gij thans draagt; +Naam, als type van de staatkunst, +(Wondere karaktrestiek!) +Vele Jannen steeds gegeven, +Om hun fijne politiek! +Of, zijn het geen diplomaten, +Vol verstand, vol kern en pit, +Waar de lof van kan getuigen, +Jongens zijn 't van _Jan de Wit_? + +Wat rare Jan treedt daar te voren? +Zijn phlegma schijnt hem aangeboren; +Nooit kon de drift zijn rust verstoren; +'t Is hem hetzelfde hoe het gaat, +Neen, hij weet van den Prins geen kwaad! +Hij is wat lijmig in zijn' praat; +Een snuggre kop, die op hem staat! +Het is _Jan Salie_, kameraad! + +Maar ook in 't zedelijk bestaan, +Hoort men uw' naam den grondtoon slaan +Of duidt hij niet den lichtmis aan, +Zoo goed als 't Fransche bon-vivant, +In 't enkel woordje, _'t is een Jan_! + +"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_! +Want langzaam en zeker is Jantje's natuur, +Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend, +Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend, +En wikkend en wegend met rijp overleg, +Betreden zijn schreden den veiligsten weg! +"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden, +"'k Hecht steviger banden, die knellender binden, +"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit; +"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!" + +Noem me op aarde een rijksgebied; +Waar men dezen Jan niet ziet? +Kijk, hij is een heele piet! +Schoon zijn boeltje liep in 't riet, +'t Baart zijn' boezem geen verdriet, +"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied, +Welke winkel kent u niet, +Welke winkel, _Jan Crediet_? + +Wat onderwerp vol weidschen zwier, +Zet, zangster! uw gemoed in vier, +En boeit ons aan uwe elpen lier? +"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_! +Dien snellen wagen, +Het welbehagen +Der oude dagen! +Die ook al verdween, +Door mode bestreen, +Maar toch om zijn' naam; +Nog leeft door de Faam! + +Bij den Jan pleizier in aanzien, +Als bij d' edelman de boer, +Naakt het beeld des sjouwend' ezels, +Weer een wagen van vervoer, +'t Is de _Malle Jan_, die kreunend, +Vracht, bij vracht, wordt opgetast, +Is dan Jan geen goeije slokker, +Die zich bukt voor zulk een' last! + +Ei, zie eens, op mijne eer, +Dat 's eerst een proper Heer! +Gij vraagt: "wie hij mag wezen?" +'t Is uit zijn oog te lezen! +Mij dunkt, zijn eernaam staat +In wat hij doet, of laat; +En 'k dacht, hij schoot uw zinnen, +Al reeds voor lang te binnen. +Hoe suft uw schrandre kop? +Hoor, volg deez' raad dan op: +Uw allerrapste looper, +Vlieg' naar den boekverkooper, +6. En vraag den _Jan Perfekt_! +Het raadsel is ontdekt. + +Wiens naam geeft men genien milder, +Genien van het edelst soort? +Ook Neerlands kunsten kweekend oord, +Gaf hem zijn' snaaksten schilder! +Of zegt men niet met alle reen, +Van schalksche en oolijke aardigheen, +Ons onder 't lagchend oog getreen, +_Het is een stukje van Jan Steen_? + +"Hoe 't valschheid misduid', +"Al kost het, verbruid! +"Ook haring of kuit, +"Mijn tong, wie haar stuit--" +Roept: _Jantje regt uit_! + +En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters, +Wie noemt het tal dier gloriestichters? +Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur +De starren telt aan 't luchtazuur, +Zoo min telt m' ook de lichten, die +De _Jannen_ zijn der poezie. + +En nu, vermoeid van al het Jannen, +Dien 'k eerst mijn kracht weer zaam te spannen, +Voor ik het verdre van mijn taak, +Door de allerschoonste kroon volmaak, +O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein, +Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein, +'k Moet eerst maar wat op adem komen, +En dan zij 't loflied weer vernomen +Van +_Jan_. + + * * * * * + +1. Sint Jan. + +2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt. + +3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan +zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene +bezittingen naliet. + +4. Dichtstuk van Voltaire. + +5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede. + +6. Een met lof bekende roman van dien naam. + + + + + +DE TWEE HONDEN. + + +"Ei zeg, is dat nu reg? +"Mijnheer heeft zoo een' ekel +"Aan Lord, dien boozen rekel," +Sprak Piet, de brave knecht, +"En toch, hij krijgt het meest! +"Gaan niet de lekkre beenen +"Altoos naar de ondeugd henen? +"Daar heb je Does, dat beest, +"De beste van de honden, +"Die ergens wordt gevonden, +"Die 't nimmer gortig maakt, +"Bij al die vette beten, +"Hoe trouw het dier ook waakt, +"Wordt Doesje maar vergeten. +"Dat 's onregt, op mijne eer!" + +"Wel, domoor!" sprak mijnheer +Die Piet had afgeluisterd, +Hoe zacht hij had gefluisterd, +"Ik dacht je meerder leep! +"Zeg, voel je niet de kneep? +"Mijn beentjes te verspillen +"Aan Does, wat dwaze grillen, +"'k Zou hem niet trouwer willen; +"De lobbes hoeft ze niet! +"Maar Lord, die kwade rakker, +"Die valsche kuitepakker, +"Door kluifjes wordt hij makker, +"Ik vrees zijn tanden, Piet!" + + + + + +DE VROME WERKBAAS. + +(_Vertelling aan Frans._) + + +Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje! +Zijne oefningsklub noemt hem het roompje +Der heiligste regtzinnigheid, +Wien lang de hemel is bereid! +Vaak spreekt hij in geheimenissen, +Waar 'k nooit de meening van kan gissen; +'t Heeft wel iets van mystiekerij, +Hij noemt het echter profezij! +Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken, +Om mee naar de oefening te trekken; +Daar spraken ze allen, zei hij, Frans! +De ware tale Kanaans; +Daar riep de zuivre Dordsche leere: +"Bekeer, bekeer, u tot den Heere! +"Want wie niet Orthodoks wordt, is +"Een prooije der verdoemenis!" +"Daar kwamen al de nieuwgeboren', +"De van den Hemel uitverkoren', +"En laafde aan manna-spijs hun ziel, +"Zoo als er nooit voor Isrel viel, +"Die God het kuddeke verleende, +"Dat daar zich in den geest vereende!" + +Hoe meer hij voortging met zijn preek, +Hoe meer 'k zijn oefening ontweek; +Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen, +Dat staag verkettren en verdoemen, +Met al die duistre somberheid, +Die nooit verstaat hetgeen ze zeit, +Ik haat die leer met ziel en zinnen: +"De Godheid bovenal te minnen, +"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind! +Die taal verstaat een grijze en kind! + +Maar wacht nog wat en spits uwe ooren, +Want 'k moet u een geval doen hooren, +Hetgeen mij gistren is ontmoet, +En dat mij telkens lagchen doet: +Weet, sinds de baas zijne oefeningen +Mij vruchteloos zocht op te dringen, +Heb ik het ieder' keer verbruid, +Het mooije weer is met ons uit! +Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten, +Dan ongemaklijk opgezeten! +Mijn honger, kameraad! vergat, +Dat ik nog niet gebeden had; +Wat nooit mijne appetijt gebeurde, +Hoe lekker ook de schotel geurde. +Maar o, wat kwam ik slecht te pas! +Of mij de baas de les ook las! +Hij gaf me van de coteletten! +"Godlooze! is dat uw ziel besmetten, +"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt, +"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond, +"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake, +"Die kruimel tot een vuurvlam make, +"Die u nog eer den duivel geeft, +"Waar uw geheele ziel voor leeft? +"Leer, Heiden! leer het van de dieren, +"Wat dankbaarheid u moest bestieren, +"Zelfs voor den kleinsten waterdronk, +"Die u de milde gever schonk!" + +"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel! +"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel; +"Ge zijt een regte domme klaas! +"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas: +"Zeg, laten ooit de vrome kippen, +"Een druppel vocht naar binnen glippen, +"Of rijst niet hun devote kop, +"In warmen dank ten hemel op?" + + + + + +DE VLIEG. + + +'k Draag geen haat in 't minnend harte; +Aller welzijn is mijn bee; +'k Leef met God en mensch in vree, +En stort tranen bij de smarte; +Slechts een schepsel voedstert de aard', +Dat mijn schrikbre gramschap baart! + +Afschuw walgt den naam te noemen, +Van het monster zoo ontieg! +'t Is--de vuile, vuige vlieg. +Haar te noemen, is haar doemen! +Felle wraak besnaart mijn lier, +Voor die plaag van mensch en dier! + +'k Min u, zoele zomerluchten! +Schaars het deel van ons klimaat! +Vreugde lacht op elks gelaat, +Bij uw zoete zielsgenugten, +Doch, waarom verkleint ge uw gift, +Door het voorwerp van mijn drift? + +'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren, +Als haar dommelend gebrom, +Mommelend rondsnort, om en om. +Waar de mensch, die 't aan kan hooren? +Niemand dan die zwarte draak, +Vindt in 't zeur geneurie smaak! + +Uitgeleerd in booze treken, +Rekt zij d' olifanten-snuit, +Grijpende naar de onschuld uit: +"Leelke vlieg! is dat daar steken," +Weg is ze, als de hand zich heft +Die den dreiger zelv' nog treft! + +Noem de plek, waar ze ooit zich zette, +'t Allermislijkst zamenstel, +Dat haar vuilheid niet besmette? +Tot een walglijk tijgervel, +Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit +Vaderlandsche zindlijkheid! + +En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel, +Waar ge uw' dronk of bete plaatst, +Nergens, waar haar snuit niet aast, +Niets is veilig voor 't gebroedsel! +Ja, is 't lijf eerst vet gemest, +Dan bezoedlen zij de rest! + +Gistren, ('k zal het nooit vergeten!) +Vloog er een afgrijslijk paar, +Dartlend stoeijend met elkaar, +Naar mijn aanzigt--wat vermeten! +Ras herschiep haar lust en keus, +Tot een huwlijks-spond mijn' neus. + +Weet de haat geen gif te zoeken, +Dat den dood in de adren stort, +En die pest verderflijk word', +Door haar slimheid te verkloeken; +Waarom is de wraak zoo traag, +Tot de straf' dier helsche plaag? + +Komt, ons allen zaan verbonden, +Wie der vliegen vijand zijt! +Menschen, vogels, katten, honden, +Slaat en pikt en krabt en bijt! +help ook gij ons mee, natuur! +Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur. + +Dat des winters stale krachten, +Zich met onze kracht vereen'; +Stouter strijd zij nooit gestreen! +Moge 't zelfde lot haar wachten, +'t Lot, dat Napjes legertal, +Eens, in Rusland, bragt ten val! + + + + + +HET MEDAILLON PORTRET. + + +Wij kregen _Kareltje Amoureus_, +Die dagelijks ons komt vervelen, +Met ons zijn bijzijn mee te deelen, +Eens alleraardigst bij den neus! +Weet dan, zijn zotte liefdeklagt, +Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken, +En, schoon haar schalkheid hem belacht, +Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken! + +Zoo, stappende als een stootershaan, +Kwam 't Heertje gistren bij ons aan, +Alweer verliefd tot over de ooren! +"Zijn lieve attentie wilde eens hooren, +"Hoe 't in den huisselijken kring," +Sprak hij, "met de gezondheid ging; +"O! altoos sloeg zijn hart geruster, +"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis, +(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!) +"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!" + +De Don Quichot van geest en leden, +Kwam 't woonvertrek dan ingegleden, +Juist toen een medaillon portret, +(Iets zweemend naar mijn zuster Jet) +Ons aller aandacht hield gekluisterd, +Naauw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert: +"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand, +"Schiep u dit beeld ten minnepand!" +En, van verrukking opgetogen, +Hing heel zijn ziel aan 't medaillon! + +"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon, +"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen +"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!" +"Niet!" riep hij, en zijn taal verried, +Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen: +"Het is de schoonste van de vrouwen, +"Die door eens schilders kunstpalet, +"Nog ooit is op ivoor gezet! +"Wat golvend goud omzweeft haar slapen! +"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt! +"Wie, die het niet in liefde ontsteekt? +"Tot kussen schijnt die mond geschapen! +"Wat blos versiert de blanke koon-- +"Neen, Venus was niet meerder schoon +"In lijfsgestalte en wezenstrekken! +"O! wie de min ten doel mogt strekken, +"Van haar, die dit bekoorlijk beeld, +"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld! +"Een zoentje van dien mond mogt stelen." + +"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen," +Sprak me oude grootmamatje ras, +Wier beeld (voor vijftig jaar) het was! +"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje, +"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond, +"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!" + +Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.-- + + + + + +DE VERDRONKEN ACTEUR. + + +De Acteur Jeroen, meestal besist, +Had zeker 's nachts de straat gemist; +Want 's morgens werd hij opgevischt, +Voor elks verwonderde oogen, +Doch 't graantje had zoo sterk gegist, +Dat hij, hoe door de gracht verfrischt, +Van toeten noch van blazen wist, +Ten spijt van ieders pogen! + +Maar stil, daar komt de snuggre Nol, +Van wien er vier zijn op den hol, +Daarbij zoo blind nog als een snol, +Op 't driftigst aangestevend: +"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol? +"Zie, zoo natuurlijk speelt de bol! +"Nooit stierf hij immers in zijn rol, +"Of steeds werd hij weer levend?" + + + + + +HET PORTRET VAN DEN DOOD. + + +Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet, +Is, Dood! dees beeldtnis uw portret? +De Schilder wou u wis begekken! +Hoe! dit uw houding? dit uw trekken? +Gij groeide leelijk door uw haar, +Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar! +Noch bakkebaard, of zijns gelijken, +Geen enkel donsje zie ik prijken, + +En waar uwe oogen moesten staan, +Daar kijken holle gaten me aan! +Uw neus is zeker uit logeren,-- +O! mogt hij spoedig wederkeeren; +Want toch de gevel siert het huis! +Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis: +Die armen schijnen dorre takken, +Die krachteloos ter neder zakken; + +Daar aan de hand, slechts knok en been, +De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleen! +Uw borst lijkt wel een traliehokje, +(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!) +Waaraan het beestjen is ontvlugt; +En, tot volmaking van de klucht, +Kreegt gij voor beenen, lange fluiten; +Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten! + +Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is +Verschrikklijk mooi, die beeldtenis! +Het is u sprekend weergegeven! +Geloof me, Dood! gij schijnt te leven! +En dan dat heerlijk coloriet +Des Schilders ... wit, al wat men ziet! +Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend, +Behoefde een verw slechts ... 't is benijdend! +Alleen, flatteert hij niet wat mild? ... +Doch, gekheid op een stokje, wilt +Gij over 't stuk en zonder fleemen, +Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen, +Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen: +Hoor, 't is een guit, of brekebeen, +Dat allerliefste Apelles Zoontje! +'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje, +Had dus zijn dom of schalksch palet, +Vol wansmaak me op 't paneel gezet! + +Is dat het beeld van u, wiens krachten, +Reeds zoo veel duizende geslachten, +Met forschen arm en stalen vuist +Tot stof en pulver hebt vergruisd? +Is dat uw uitzigt, dat uw houding, +Waar eeuw aan eeuwen geen verouding, +Geen kreuk op hebben neergedrukt, +De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt? +En geeft dit misselijk geraamte, +(O kladderij, der kunst tot schaamte!) +Uw kloeke leest en aanschijn weer? +Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer! +Uw wraak moet hem den kop verpletten, +Die dus uw beeld ten toon dorst zetten, +Zoo wage, een magtloos schilderworm, +Zich nooit weer aan uw' achtbren vorm! + + + + + +DE GEKKEN. + + +En Koen reed weer huiswaarts met ledige wagen: +Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad! +Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad! +"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen; +Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht-- +Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt! + +Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig! +Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud! +Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout +Een Garde-Champetre, maar zotten zijn grappig! +Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek, +Den wijste der wijzen een' olijken trek! + +Doch nu, hij herleeft weer, de vrees vlood zijn wielen, +Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd! +Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd, +Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen; +En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee +Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u mee?" + +"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen," +Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf, +"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!" +"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen-- +En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet: +"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret. + +Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken, +Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ... +Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor? +Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken? +"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!" +Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol? + +Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen, +Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ... +"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen, +"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen! +"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft +De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft! + +Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje, +En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult? +Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld! +Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje: +"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid, +"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!" + + + + + +STALEN PENNEN. + + +Wat! mijn hand zou ooit zich wennen, +Aan die harde stalen pennen? +Hoe de smaak ze hulde doet, +'k Haat dat schriftbedervend goed! +Telkens als haar punten sprikkelen, +Spatten zij wel duizend spikkelen +Op het hagelblanke vel, +Tot uw tergend zielsgekwel! +Dan, door vrekheid weer gedreven, +Willen zij geen' inkt meer geven, +En, hoe forsch de hand ook drukt, +'t Is een kerel, wien 't gelukt, +'t Krabblend tuig tot deugd te schikken! +Wordt gij driftig, aanstonds prikken +Zij met scherp geslepen stift, +Gat bij gat, in blad en schrift! + +Wisten onze voorgeslachten +Anders dan van ganzenschachten? +En, wat is ons vuil gevlek, +Bij hun' zuivren pennetrek? +Op wat rij van kunstenaren, +Mogt het juichende oog niet staren, +Kunstenaars, wier eedle zwier, +(Of zij tooverde op 't papier!) +Keur van letters deden vloeijen! +Voor ons hanepooten knoeijen, +Had, voorheen, een schoolknaap wat +Duchtig met de plak gehad! +Ja, de kunst van sierlijk schrijven, +Zag men reeds zoo ver verdrijven, +Dat men, draaglijk schrift, verheft +Of het oog een wonder treft! + +Fraaije kunst! schoon 't staal u bande, +Keer, o keer weer in den lande! +Breng ons, nutte ganzenveer! +Breng ons de eedle schrijfkunst weer! + + + + + +MIJN GROOTJE. + + +Rees mijn Grootjen uit het graf, +(Ach, voor vijf en dertig jaren +Brak de draad haars levens af ...) +Met wat oogen zou ze staren, +Zag zij al de nieuwigheid, +Hier en daar in 't rond verspreid! + +Ja, zij meende 't was een droom, +Zag ze molens zonder wieken, +Voortgestuwd door kracht van stoom, +Met fabrijken en trafijken; +En, in 't werken zoo gezwind, +Dat het af schijnt eer 't begint! + +Zag ze schepen zonder zeil, +Bliksemsnel langs 't water glijden, +Tal van wagens op hun rail, +Vliegend, zonder paarden, rijden; +"Ik geloof me zelven niet," +Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!" + +Zag ze, met den knijpbril op, +'t Luchtschip boven de aarde zweven, +En, ten spijt van 't golvend sop, +Als een peil door 't zwerk gedreven, +(Wanneer vangt de proef weer aan?) +Hoe verbijsterd zou zij staan! + +Zag ze de onnaspeurbre kracht, +Waar het goochlend magnetisme, +'t Menschdom mee aan 't duizlen bragt, +Of het toovrend galvanisme,-- +Zeker vroeg haar angstgekwel: +"Is de Duivel ook in 't spel?" + +Sloeg zij eens de werking ga, +Der atmosferieke drukking, +Die uw hooge geestverrukking +Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_! +Werking, waar de stoom voor zwicht ... +Wie beschrijft haar aangezigt? + +Oxigene-Microscoop! +Bragt gij al de monsterdieren +Die, in wriemelenden loop, +Door een' druppel waters zwieren, +Voor heur sidderenden blik,-- +Zij bestierf van louter schrik! + +Las zij, hoe ons Handelsblad (1), +Ook de huwlijks-koersen teekent; +Der verliefden beeld bevat! +Teederder om weermin smeekend, +Naar de markt is, laag, of hoog,-- +Schaamte sloot haar zedig oog! + +Doch, hoe turend keek ze wel, +Als zij honden kaart zag spelen? +Vlooijen op het krijgsbevel, +In soldaten zich hertelen? +Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,) +Dienen ze eens het land in nood! + +'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas +Kaars en olie wreed verbande; +Nieuwheidszucht het oude, als was, +Gansch herkneed heeft in den Lande; +"Salomo," zoo riep zij wis, +"Had het dan toch duchtig mis!" + +Maar, deed Grootjes liefdrijk hart, +Broeders! eens de vraag aan de aarde: +"Hebt ge, o aard! nu minder smart, +"Dan voor gij die wondren baarde?" +Wat zou 't antwoord wezen, dat +Grootje dan te wachten had? + + + * * * * * + +(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de +huwelijks-aanvragen. + + + + + +GERUST IN DE ONSTUIME BAREN. + +(_Spreuk van Willem den Eerste._) + + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren; +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + +Cesar, prooi der woeste stroomen, +Weet de vrees zijns volks te toomen, +Door zijn kalm en rustig woord: +"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen? +"Hebt gij niet, in spijt der vlagen, +"Cesar en 't geluk aan boord?" + +Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden, +Deed zijn heir ten strijd ontbranden, +Schoon aan d' afgrond van 't verderf; +En Oranje's legervanen, +Doen Albertus krijgsroem tanen, +Maurits rust behoudt het erf. + +Eerste Willem, Neerlands Vader! +Zelfs bij 't lood van den verrader, +Bleef uw spreuk uw trouwe tolk: +Treffe een Gerards u moorddadig,-- +"Wees, o God! mijn ziel genadig," +Bidt gij--"en dit arme volk!" + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren, +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + + + + + +EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM. + +(_Spreuk van Maurits._) + + +De vrije Nederlanden +Met regt alom vermaard, +Wier vlag, aan alle stranden, +Beroemd is over de aard',-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver; +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + +Het hemeltergend Spanje +Hoont Neerlands goed en bloed, +Maar Neerland en Oranje, +Ontvlamt in Heldenmoed! +"Wat! droppel aan den emmer!" +Brult Spanjes schepterklemmer, +"Wat wil uw ijdle droom?" +Doch, drupjes worden vloeden, +Die toomeloos vaak woeden,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De noeste Koopvaardije, +Met welvaart op 't gelaat; +De bloei der maatschappije, +De zenuw van den staat! +Wier altoos volle horen, +Haar goud, bij goud trezoren, +Ontlast met milden stroom; +Ofschoon uit niet gesproten, +Wie telt heur rijke vloten? +Het spruitje wordt een boom! + +Gij, landbouw en gij veeteelt, +Gezegend tweelingpaar! +Die zoo veel wellust meedeelt, +Waarheen het oog ook staar'; +Uw welige akkers bloeijen, +Uw malsche kudden loeijen, +En geven enkel room! +Hoe klein gij zijt begonnen, +Wat schat hebt gij gewonnen ... +Het spruitje wordt een boom! + +Zie, Kunst en Wetenschappen, +Veredelen den geest! +Wie hoog staat op heur trappen, +Is ook eens laag geweest! +Maar langzaam opgeklommen, +Tot hare heiligdommen, +Met telkens minder schroom; +Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen, +De kroon der eere glimmen,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De vrije Nederlanden, +Met regt alom vermaard, +Wier vlag aan alle stranden, +Beroemd is over de aard,-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver, +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + + + + + +VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND. + +(_Spreuk van Frederik Hendrik._) + + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Was Fredrik Hendriks leus. +Zijn trouwe deed die leus gestand, +Die ridderlijke keus; +Het lemmer aan zijn zijde, +Vloog hij verrukt ten strijde, +En toonde door zijn' moed, +Den oorsprong van zijn bloed! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Verwoei zijn blikkrend zwaard; +De vijand vlood met schade en schand', +Voor 's Pruisen heldenaard! +Laat Flips het zelf getuigen, +Wat steden moesten buigen, +Voor Nassau's wrekend staal, +In dappre zegepraal! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland! +Was naauw zijn' mond ontgleen, +Of de onverbreekbaarste eendragtsband +Bond Vorst en Volk aaneen! +Uw tooverwoord, Oranje! +Betemde 't matig Spanje, +En Neerland vocht zich vrij, +Van snoode dwinglandij! + + + + + +DEUGD SCHEPT VREUGD. + +(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._) + + +Deugd +Schept vreugd; +Heerlijk woord! +Grijze en jeugd! +Zegt het voort,-- +Wijs, die hoort! + +Baat +Het kwaad; +Kwaad teelt smart, +Vroeg, of laat, +Voor het hart; +Dwaas, die 't tart! + +Houw +En trouw, +Aan de deugd! +Op haar bouw', +Grijze en jeugd,-- +Deugd schept vreugd! + + + + + +ELCK WAT WILS. + +(_Spreuk van Roemer Visscher._) + + +Bart en Art en Art en Bart, +Ruilden zamen hart voor hart! +Maar hun vrijen zal niet baten, +De Oudjes hebben 't in de gaten ... +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Jan en Griet, uw huwlijks-schip +Zeilt nog vast op bank en klip! +'t Laat zich uit uw oog wel lezen, +Ieder wil graag hoofdmast wezen-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid +"Zij ons zielesnoer geleid!" +Maar, na weinige oogenblikken, +Komt de twist dat snoer ontstrikken; +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Heerschers van het aardsch gebied, +Stelt uw vreugd in d' oorlog niet! +Spaar, o Groote Potentaten! +Spaar het bloed der Onderzaten! +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +O! die spreuk van d' ouden Bard, +Zij de spreuk van aller hart! +Doch de lust leer' zich bestrijden, +Van die spreuk niet te overschrijden-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Elk wat wils, maar, liefdrijk God! +Niet in uw volmaakt gebod! +Wilde daar ook elk wat willen, +'t Ware uw wijze leer bedillen... +God! o hater des geschils, +Zijn wij steeds met U eenswils! + + + + + +GENOEGH IS MEER. + +(_Spreuk van Anna Visscher._) + + +Het daaglijksch brood-- +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + +Is hij slechts rijk, +Wiens woekrend slijk, +Al hooger klimt, +Al heller glimt? + +Hij arm, wie niet +Dien goudberg ziet? +Wiens eerlijk zweet +Hem kleedt en reedt? + +o Gij, beslis, +Ervarenis! +Uw wijze stem, +heeft kracht en klem: + +"Tevredenheid," +Zegt zij, "bereidt +"Het beste deel,-- +In weinig veel!" + +Het daaglijksch brood, +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + + + + + +ELCK ZIJN WAEROM. + +(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._) + + +Elk zijn waarom, sprak Tesselscha, +En o! zij had het regt; +Die spreuk is zonder wederga, +De ervaring doet haar regt; +Want hoe men cijfert, dit 's de som: +Elk mensch op aard heeft zijn waarom! + +Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer +En God zij dank en lof; +Hij wierp ons niet op aarde neer, +Als wormen in het stof; +Zijn vaderliefde rigt ons oog, +Naar 't zielvereedlendst doel omhoog! + +Maar, wee hem! die dat doel weerstreeft, +Zijn' boezem ingeplant; +Het hart eene andre rigting geeft, +Tot eigen schade en schand! +Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch, +Misbruikt tot hoon van God en mensch! + +Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk +Ons aller wenschend wit; +Die spreuk zoo rein van smet en kreuk, +Waar de eelste les in zit! +Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard, +Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'! + + + + + +ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN. + +(_Spreuk van Jacob Cats._) + + +Lieve Vader Cats! wat schat +Niet uw schoone spreuk bevat! +Onder welke luchtgewelven, +Op wat land het oog ook staart, +Elk spiegele zich zelven, +Die spreuk geldt voor heel de aard'! + +Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad +Onpartijdig met u raad; +Durf in eigen boezem delven; +Zie wiens beeldtenis gij draagt,-- +Elk spiegele zich zelven, +Eer hij zijn lot beklaagt. + +Judas, die zijn' Heer verried, +Spiegelde zich zelven niet; +Hebzucht bande pligt en rede; +Jezus jongrental werd elf ... +Wacht u voor de eerste trede, +Elk spiegele zich zelv'! + + + + + +'T KAN VERKEEREN. + +(_Spreuk van Bredero._) + + +Niets bestendig, +Alles endig, +Wat de wislende aard' bevat; +'t Kan verkeeren,-- +Dat te leeren, +En, wie vreest Fortuna's rad? + +Lieve schoone! +Die de kroone +Der ontloken jongheid draagt,-- +Ach, de jaren, +Die niets sparen, +Hebben ras uw schoon gevaagd! + +Aardsche Magten, +Die uw krachten, +Onverwinbre krachten waant,-- +'k Zie uw rijken +Reeds bezwijken, +En uw glorie-zonne taant! + +o Hoe groeijend, +o Hoe bloeijend, +Was der Vadren Koopvaardij! +Maar verzwonden +Zijn die stonden, +Zelfs geen schaduw bleef ons bij! + +Doch in eere, +Wat verkeere, +Blijve Neerlands houw en trouw; +Neerlands rondheid, +Neerlands promptheid, +Zij de steun van 't staatsgebouw! + + + + + +HORA RUIT (1). + +(_Spreuk van Hugo de Groot._) + + +De tijd vervliegt,-- +Vlugger dan een paard, +In zijn vleugelvaart, +Door geen kracht te toornen! +De tijd bedriegt,-- +Wie op hem betrouwt, +heeft op zand gebouwd, +Heeft geloofd aan droomen! + +De tijd vervliegt,-- +Sneller dan het licht +Van een' bliksemschicht, +In het niet verdwenen! +De tijd bedriegt,-- +Als een leugengeest, +Die den mensch beleest, +Lagchende in zijn weenen! + +De tijd vervliegt,-- +Wakkere de Groot! +Maar, hoe ras hij vlood, +Kon hij u bedriegen? +De tijd bedriegt,-- +Daarom nam uw keuz', +Ook die spreuk ten leuz', +Lettende op zijn vliegen! + + * * * * * + +(1) De tijd vervliegt. + + + + + +PEUT-ETRE (1). + +(_Spreuk van Hendrik van Brederode._) + + +Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind, +Van welk eenen kant het moog' waaijen; +Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind, +Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen! +Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebien? + Misschien. + +Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt, +De jongen is ganschlijk beteuterd; +Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt, +Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert! +Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien? + Misschien. + +Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht, +Hij leeft en beweegt in zijn glorie; +Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt, +Bekraait slechts zijn haan met victorie! +Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien? + Misschien. + +De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol, +Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen; +'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol, +Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen! +Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'? + Misschien. + + * * * * * + +(1) Misschien. + + + + + +REPOS-AILLEURS (1). + +(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._) + + +Als de baren u vervaren, +Op de onstuime zee, +Laat de hoop uw' geest bedaren, +Op een stille ree; +Schoon de noodstorm u onthutst, + Elders rust. + +Pelgrim, door de dorre zanden, +Van dees rarnpwoestijn! +Laat de dorst uw keel verbranden, +Doet de togt u pijn,-- +Eens wordt al uw leed gesust, + Elders rust. + +Ja, het leven is doorweven, +Met veel smart en rouw; +Maar Gods woord is ons verbleven, +En Gods woord is trouw; +Worde ook 's levenslamp gebluscht, + Elders rust. + + * * * * * + +(1) Elders rust. + + + + + +VITA MORTALIUM VIGILIA (1). + +(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._) + + +Een nachtwake is het leven, +De wieg grenst aan het graf; +Wij jagen en wij streven, +Door de aardsche disteldreven, +Als brak het nimmer af! + +Een nachtwake is het leven, +Roemzuchtig oorlogsheld! +Hoe hoog in magt verheven, +Het is den dood om 't even, +Ras ligt ook gij geveld! + +Een nachtwake is het leven, +Moed, lijdende onschuld! moed, +Waartoe dat angstig beven? +Uw webbe is haast geweven, +De dood, uw redder, spoedt! + +Een nachtwake is het leven, +Meedoogenlooze vrek! +'t Gaat alles u begeven, +Waaraan uw hart blijft kleven, +Dra roept de dood: "vertrek!" + +Een nachtwake is het leven, +Dat elk zijn ziel bereid'! +Want o! er staat geschreven, +In 't woord aan ons verbleven: +"Op tijd, volgt eeuwigheid!" + + * * * * * + +(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake. + + + + + +GETROUW. + + +Foei, Hendrik! is dat mallen! +Foei, is dat dartel kallen! +Wat hebt gij ze in de mouw ... +Gij stoeit altoos met Mina +En gaaft uw woord aan Lina, +Is, wufthoofd! dat getrouw? + +Gaat, jongen! gij in 't vrijen +Reeds zoo het pad bezijen, +Hoor, hoe ik het beschouw: +Pas heeft u de echt verbonden, +Of gij hebt d' echt geschonden, +Uw liefde is niet getrouw! + +En maakt u 't huwlijk vader; +Wie, die uw kroost ten rader, +Zijn pligten het ontvouw'? +Ach, naar uw' boozen handel, +Rigt ook het kind zijn' wandel, +Uw voorbeeld steeds getrouw! + +Uw snoode deugdonteering, +Bant nering en hantering, +Wat wordt van kroost en vrouw? +Een worm moet u doorknagen, +Als nooddruft hen doet klagen: +"Gij waart ons niet getrouw!" + +Is dat uw burgerpligten, +Betamelijk verrigten, +Tot steun van 't staatsgebouw? +Gij ziet door elk u haten, +Als de ergste pest der staten, +In niets zijt gij getrouw! + +O! laat uw jeugd nog raden! +Vlied, vlied, de onkuische paden, +Door tijdig naberouw! +Gij weet, Gods woord verkondigt: +"De straf volgt hem, die zondigt,"-- +Gods woord, het is getrouw! + + + + + +'T UUR IS DAAR! + + +"'t Uur is daar! +"Moedig maar! +"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje, +"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje; +"'t Uur is daar, +"Voor het toevend echtaltaar!" + +"'k Gaf mijn hand, +"U ten pand," +Antwoord ze onder lieflijk blozen, +"'k Heb voor duizend u verkozen,-- +"'t Uur is daar, +"Zegen ons, Alzegenaar!" + +En nu hecht, +De eerbare echt, +Trouwe Twee! uw zielen zamen; +'s Priesters mond zegt plegtig, Amen! +'t Uur is daar, +Veel geluk, beminlijk paar! + +Blijde stond! +'t Jaar verzwond, +En aan Elsjes blanken boezem, +Prijkt een frissche huwlijksbloesem; +'t Uur is daar, +'t Zaligst uur, voor hem en haar! + +Treft hun hart, +'s Levenssmart,-- +Koen wijst Elsje naar den Hoogen, +Zegt en wischt heur schreijende oogen; +'t Uur is daar, +"Maar God helpt soms wonderbaar!" + +Als 't verdriet, +Henenvliedt,-- +O! dan spreekt weer Elsje teeder: +"Knielen wij eerbiedig neder, +"'t Uur is daar, +"Onzer dankbee na 't gevaar!" + +Moet een pligt, +Nog verrigt,-- +Beiden brengen, kloek van zinnen, +Aan hun' geest dien pligt te binnen; +"'t Uur is daar!" +Zeggen zij dan tot elkaar. + +Vroeg ontbood, +Hen de Dood-- +Doet die roepstem hun niet beven? +Neen, zij laten kalm het leven; +'t Uur is daar,-- +Maar tot de afreis zijn ze klaar! + + + + + +HUWELIJKS-LIEDJE. + + +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar opent zich het hart; +Daar geven zang en gulle kout, +Het zielestreelendst onderhoud; +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar vlugten druk en smart! + +Klink' blij van geest, +Dan op dit feest, +En stem en citersnaar; +Waar liefde en trouw verbonden sluit, +Daar dreune en davre 't zanggeluid, +Klink blij van geest, +Dan op dit feest, +Een lied voor 't jeugdig paar. + +Geluk en vree, +Is aller bee, +Geliefden! voor uw lot; +Ons hart blijft aan uw heil gehecht, +Des Hoogsten zegen kroone uw' echt; +Geluk en vree, +Is aller bee, +Verhoor die bede, o God! + + + + + +DE OOIJEVAARS. + + +Hoezee! daar komen de Ooijevaars +Weer fladdrende aangevlogen! +Zijt welkom, lieve Klepperaars! +Met vreugd zien u mijne oogen. +Zijt welkom uit het vreemd gewest, +Strijkt neder op het toevend nest! + +Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit: +"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen? +"De wintervorst is heengebruid, +"De schepping staat herschapen! +"De lente is daar, het huis ontvlugt, +"Naar buiten, in Gods vrije lucht!" + +o Vogels! welk een bron van vreugd, +Doet niet uw komst weer stroomen! +Een welkomthuis, zoo vol geneugt ... +Wie had het kunnen droomen? +'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart, +Nog meerder giften schenkt aan de aard'! + +Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis +Waarop ge uw' zetel stelde, +Bevrijd van druk, bevrijd van kruis, +Zoo als de faam vermeldde? +Hoe 't zij, 't is zeker en gewis, +Dat elk uw komst tot blijdschap is. + +Hoog wordt ge in Nederland geacht, +Uw regten zijn er heilig; +Waar ge ook uw woonstede overbragt, +Zijt ge ergens meerder veilig? +Want wee de hand, die in ons oord, +Uw bouwing schendt, uw rust verstoort! + +Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag +U in zijn wapen leven? +Daarheen wendt zich de blik zoo graag, +Wanneer ge ons hebt begeven; +Dan juicht het harte blij gezind! +Gij zijt het sprekend, beste vrind! + +Doch, vogels! niet aan dos, of zang, +Zijt gij die eer verschuldigd, +Uw deugd voert u tot d' eersten rang, +Uw deugd, die de aarde huldigt; +Want kuischheid woont in uw gezin (1), +Bij ouderliefde en kindrenmin. + +Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond +Wordt lagchende u ontsloten, +Geniet de weelde van deez' stond, +Teerminnende echtgenooten! +Een frisch gepluimte, u beider beeld, +Zij 't heil, dat u de toekomst teelt! + +En als gij tegen 't koud saizoen, +Met de uwen weer gaat trekken, +En we allen uitgeleide u doen, +Zoo ver het oog kan strekken; +Dan roept nog de echo duizend keer: +"Geluk op reis, komt haastig weer!" + + * * * * * + +(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend. + + + + + +OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN. + + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + +Hij droeg de grijze kroon +Der zilverblanke opregtheid,-- +Geen Koningskroon zoo schoon! + +De nutte boerenstand, +Werd aan zijn vlijt tot werkkring +Beschikt van Hoogerhand! + +Was landbouw al zijn lust,-- +Nu scheen de schoot der aarde +Na d' arbeid, zoete rust! + +Geen hartelijker vrind, +Schonk immer de verkeering; +Hem minde grijze en kind! + +Zijn leuze als echtgenoot, +Als teederste aller vaders, +Was: "trouw tot in den dood!" + +Hij stelde op eenvoud prijs, +Aartsvaderlijke zeden! +Gij waart zijn levenswijs. + +Ofschoon noch rijk, noch arm, +Mogt hij de nooddruft steunen, +Dan sloeg zijn harte warm. + +Naar hem de wet beval, +Zoo minde hij zijn naasten,-- +Maar o, God bovenal! + +Op Christus zoenverbond, +Was al zijn hoop gevestigd, +Tot in zijn' jongsten stond! + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + + + + + +AAN EEN' FAT. + + +Gij, zoo erbarmelijke Fat! +Die uw kleedij het hoogste schat, +U zelv' vergoodt en wendt en keert, +En als een paauw in 't rond _spanceert_! +Die, rusteloos, u elken dag +Versiert met telkens bonter vlag; +Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht +Aan d' oorsprong van de kleederdragt? +Hoe zij der zonde kenmerk is, +Het toonbeeld der verdorvenis? + +En gij, o bontgetooide pop! +Gij flikt en kwikt en strikt u op, +En weet niet, dat u juist verneert, +Hetgeen gij waant, dat u vereert ... +Waardoor ontstond in 't paradijs +Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs. + +Geloof me, een waarlijk kloeke geest, +Kiest zich een kleed naar vorm en leest; +Naar jarental en luchtklimaat, +Een eerbaar kleed, naar rang en staat! +Een kleed, dat ieders achting wekt, +En niet den spot ten lach verstrekt. + + + + + +DE LACH. + + +'k Zing, door vreugd gedreven, +De eelste gift van 't leven; +'k Juich, dat ik het mag! +'k Zing het blijdschaps-teeken, +(Wijkt, o tranen-beken!) +'k Zing den lieven lach! + +Jongling! kent ge op aarde, +Schat van grooter waarde, +Dan den lach der min? +Wat den boezem griefde, +'t Lachje van de liefde, +Balsemt ziel en zin! + +De eerste lach van 't wichtje, +Op het lief gezigtje, +Door het oog bespied,-- +Teedre lach van d' Engel ... +God! wat heilgemengel! +Ouders! gij geniet. + +Bij het leverschudden, +Als de lach met mudden +Vreugde en blijdschap meet,-- +'t Droevig stofgewemel, +Wordt een blijde hemel, +Waar is, aarde! uw leed? + +Troost! als ge onschulds smarte, +In het treurend harte, +Medelijdend sust,-- +Laat zich op haar wezen, +'t Kalme lachje lezen, +Dat in God berust. + +Zaagt gij ooit de dieren +Lagchend vreugde vieren, +Hoe verheugd van geest? +Juich! ook 't lachvermogen, +Mag u, mensch! verhoogen, +Boven 't reedloos beest! + +Wie zijn strakke trekken, +Nooit ten lach voelt wekken, +Vlied den norschen draak! +Schoon u 't purper kleedde, +Wreede Flips de Tweede! +Vlood de lach uw kaak (1). + +Lach! o te aller stonden, +Waart gij naauw verbonden +Aan de blanke deugd; +De edelste der gaven, +Smaken slechts de braven, +'t Lachje van geneugt. + +Want, de lach der boosheid, +Die der valsch- en loosheid, +Waanzin, wanhoops-lach,-- +Wie dat lach kan heeten, +Is den lach vergeten, +En ziet nacht voor dag. + +Molmen bint en stutte, +Van mijn leemen hutte, +Dat de dood ze sloop', +Moge, in 't laatst van 't leven, +Slechts mij 't lachje omzweven, +'t Lachje van de hoop. + + * * * * * + +(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede +nooit lachte. + + + + + +HET WEESJE. + + +Zuigling van uw wieg af wees? +Welk een booze ster verrees, +Die uw' prilsten levens-stond, +Zoo veel bittren rampspoed zond? +Was uw eerste levenskreet, +Dan een voorgevoel van 't leed, +Dat u, van uw wiegjen af, +Zou vervolgen tot aan 't graf? + +Jongske! hoor, er heerscht een magt +Over 't menschelijk geslacht, +Die met toorneloos geweld, +Alles in haar boeijen knelt; +Die geen medelijden voedt, +In het altoos koud gemoed, +Maar met onbewogen hart, +Neerziet op de diepste smart: +Die de ga, der gade ontrukt; +d' Ouden staf, naar 't graf gebukt, +Wreedelijk berooft van 't kroost, +Al zijn steunsel nog en troost: +Die, eer 't pasgeboren wicht, +De oogjes opende voor 't licht, +Reeds zijne ouders van hem nam ... +'t Was uw lot, onschuldig lam! +Kind! die schrikbre dwingeland, +Die der wereld vreugd verbant, +En slechts waarschuwt met den stoot, +Is, (verbleekt gij?) is de dood! + +Wichtje! welk een zielsgenot +Kroonde uw ouders huwlijkslot! +Al de droomen hunner jeugd, +(Zoete droomen, vol geneugt'!) +Duizendwerf elkaar gezegd, +Ja, nog meer, vervulde de echt! + +Zie, het zaligst levensuur, +Zet hun volle borst in vuur, +Nu het lagchende verschiet +Nooit gesmaakten wellust biedt! +O, een telg ... maar God! wat rouw +Overvalt de blijde vrouw? ... +Bange vrees en angst en schrik, +Spreken uit uw moeders blik: +"Dierbre gade!" gilt zij uit, +Maar reeds mist hij zijn geluid, +Plotsling zeeg haar zielsvriend neer, +Kind! gij hebt geen' vader meer! + +Is het al niet--zwaarder ramp, +Ongeboorne! wacht ten kamp, +'t Uur van barensnood breekt aan, +Kon uw moeder 't wee weerstaan? ... +Angst en doodstrijd zijn gestreen, +Arme Wees! gij staat alleen. + +Hulpelooze onnoozelheid! +Knaapje! dat zoo bitter schreit, +En slechts tranen drinkt voor zog, +Ach! waartoe bestaat ge toch? +Waarom velde de eigen hand, +Niet met de ouders, ook het pand, +'t Had, van rampen onbewust, +Sluimrende aan hun borst gerust; +Dood! waarom gescheiden, 't geen +Wat het leven smolt tot een? + +Wie erbarmt zich uwer, kind? +De aarde is vaak zoo schaars gezind, +Tot meewarig helpen, van +Wie zij hulp onttrekken kan. +Geeft niet iedre wezenstrek, +Een bewijs van uw gebrek? +En het nijdig noodlot zendt, +Honger, kommer, ziekte, ellend'! +Hoe verlaten nooddruft kermt, +Niemand, die zich 't wicht ontfermt! +Niemand? Zwijg, Godlastrend woord, +Eer de Hemel zich verstoort, +Om uw schuldig albedil,-- +God is liefde! mensch, zwijg stil. +Zie, het Alziend Vaderoog, +Ziet genadig van omhoog, +Op het klagend wichtje, dat +Zonder God geen' redder had. +Hij, die 't muschje niet vergeet, +Zag des Weesjes droevig leed, +En het lachje van genugt', +Jaagt de traantjes op de vlugt! +Eer vergeet de moederborst, +'t Lesschen van des zuiglings dorst, +Eer Hij de onschuld hulploos laat, +Die ter prooi aan 't onheil staat! + +Moed dan, Weesje! God vertroost +Steeds het ouderlooze kroost; +Weert hun nooddruft, stilt hun pijn, +En wil zelfs hun vader zijn! +Ja, roept niet zijn eigen Zoon, +Op den minnelijksten toon, +In het teederst liefdeblijk, +Kindren voor zijn Koningrijk? + +Vrage dan verblinde waan +Naar het doel van uw bestaan, +Om het grievende gemis, +Dat uw jeugd beschoren is;-- +Kind! opregte Godvrucht staart +Op een hooger wit dan de aard', +Deernis voedende in uw' druk, +Juicht zij toch in uw geluk! + +Nu dan, teedre bloesemknop! +Groei en luik voorspoedig op! +'t Schrikkelijke noodweer vlugt +Reeds voor zoeler, milder lucht: +Zie, de beste Hovenier +Geeft uw jeugdig leven tier, +Hij bewaakt u en aanschouwt, +Hoe ge uw bladertjes ontvouwt. +Stel zijn zorgen niet te loor,-- +Breke straks het vruchtje door, +Dat, met blosjes lief en zacht, +Rijpende ieder tegenlacht! +O dan wordt gij, jonge bloem! +Eenmaal nog der wereld roem, +En het juichende aardrijk looft, +Wijd en zijd, uw heerlijk ooft! + + + + + +HUWELIJKSVEREENIGING. + +(_den 8 October 1842._) + + +Wat hooge vreugd vervult den Koning? +Wat innig heil de Koningin? +Wat plegtigheid doordringt de woning, +Van Neerlands eerste huisgezin? +Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ... +Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert? + +Het huwlijks-altaar staat te branden; +Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt; +De dienaar Gods heft hart en handen, +Daar hemelsche aandrift hem bezielt: +Hij smeekt voor 't neergeknielde paar, +Den zegen van d' Alzegenaar! + +En zie, alsof een hand van boven, +Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt, +Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven, +Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt, +De priester hecht in 's Heeren naam, +Door 't snoer des echts twee harten zaam! + +Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'? +Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk? +Wie? Neerland! laat uw' juichtoon hooren! +Sophia, 's lands Prinsesse, schonk +Aan Weimars Hertog, hart en hand; +Geen schooner echt kwam ooit tot stand! + +Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders! +Geluk in 't voorregt van uw kroost! +Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders +Maar o! deez' blijde dag schenkt troost! +Heil u ook, pas verbonden Twee! +'s Lands bee volgt u tot Weimar mee! + + + + + +DRIFT. + + +Onbezonnen drift, versmoort +Iedre vreugde-vonk, en stoort +'s Levensheil op aarde; +Hoe de glimp haar kwaad verbloemt, +Liefderijke eensgezindheid doemt +Die steeds tweedragt baarde. + +Zie, naauw is haar toorn ontbrand, +Of oploopendheid verbant +IJlings pligt en rede; +Vreugde kent geen kortswijl meer, +Als in 't lagchende weleer, +Want haar leuze is: vrede! + +Maar smelt' laster ook heur' naam? +'k Hoor haar deugden door de Faam +Toch zoo luidkeels prijzen: +"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad, +"Goed van inborst, schuwt ze een daad, +"Die haar ziel doet ijzen!" + +IJzen? Wie der lippen wacht, +In zijn razernij veracht, +Doet beraad hem spreken? +Welk geheim de heethoofd weet, +'t Staat al loerende gereed +Uit den mond te breken! + +Drift is als een dolle hond, +Die wreedaardig ieder wondt, +In zijn blindlingsch woeden; +Ach! zij deed met fellen beet, +Zoo meedoogenloos als wreed, +Menig harte bloeden ... + +Wie verstandig heeten wil, +Wie goedhartig, haat de gril, +Om, bij beuzelingen, +Elk tot spotternij en schrik, +Plotsling, ieder oogenblik, +Uit zijn vel te springen! + + + + + +DE LASTER. + + +Hoe de laster smaal', +En door vuige taal, +Deugd haar kroon bezwalke,-- +'t Schendend lipvenijn, +Schoon het de aard' verschalke, +God verblindt geen schijn! + +Zie, de nevel zwicht, +Voor het zonnelicht, +Dat de waarheid bloot leit; +En de pest der aard', +Staat, in al zijn snoodheid, +Naakt geopenbaard. + +Wat zijn helsche togt, +Gruwlijks zamenwrocht, +Tot zijn naastens smarte,-- +'t Plet zijn' eigen kop-- +God doorzag zijn harte, +En stond wrekend op! + + + + + +EENVOUD (1). + + +Eenvoud, beminlijke schoone! +Nog nooit naar verdienste geschat; +Van iedre schoone de kroone, +En toch op uw schoonheid niet prat; +Die zinloozen pronk kunt versmaden, +Hoe wansmaak er gapende op tuur,-- +U hullende in eigen gewaden, +In 't hemelsche kleed der Natuur! + +De gordel der liefelijkheden, +Die Ciprus haar tooverkracht gaf, +Versiert uw bevallige leden, +Zij stond, bereidvaardig, dien af: +"U," sprak zij, "u moet hij omhullen, +"Wie meerder dan gij is hem waard? +"Die zoo veel geluk zult vervullen, +Tot zegen der jubelende aard!" + +En evenwel, weinige aanbidders +Voor u in het blinkende staal; +Bestegen de meeste der ridders, +Voor vreemdere kleur niet het zaal? +Waar 't letterveld ook wordt ontsloten, +Voor strijders verhit op den krans, +Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten, +Schaars breekt men voor Eenvoud een lans! + +Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde, +Het leven had vreugdvoller loop; +Wie ooit op uw weldaden bouwde, +Beschaamdet gij nooit in zijn hoop! +Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven, +Of waar zich uw voetdruk bevindt, +'t Krijgt alles een krachtiger leven, +Een lieflijker aanschijn en tint. + +Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt, +In lusthof, in bosschen en beemd, +Een meer dan Arkadische schoonheid, +Die 't kluistervaste oog er verneemt; +Had bouwlust in steden en dorpen, +Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt, +Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen, +Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht! + +Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde +Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst! +Wie gij tot het priesterschap wijdde, +In 't heerlijk gebied van de kunst! +Wat lauwer op aarde verdorde, +Zijn eerloof tart tijden en lot, +Met regt prijkt een Cats in uwe orde, +Maar Swaanenburgs naam werd ten spot! + +Door Eenvoud is Neerland verrezen +Uit modderig slijk en moeras; +Door Eenvoud, kan Neerland weer wezen +Zoo groeijend en bloeijend als 't was; +Den weg, door de Vadren betreden, +Wijst Eenvoud het nakroost nog aan, +Daar slechts kan, bij deeglijke zeden, +En welvaart, en kunstschoon ontstaan! + + * * * * * + +(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met +mijn doel overeenkomt. + + + + + +AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR. + + +Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt, +Uw geestlijk oog aanschouwt een licht, +Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister: +Gij voert, door 't zuiverst toongeschal, +U in dat rijk, waar hemelval +Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister! + + + + + +DE MUIS. + + +In mijn' leuningstoel gedoken, +Bij het scheemren der Natuur, +Voor de gure winterspoken, +Veilig bij mijn haardstee-vuur, +Door verbeelding, in 't verleden, +In de toekomst en het heden, +Tooverende rondgeleid, +In het groot geheel verloren ... +Wat geridsel laat zich hooren, +In mijn peinzende eenzaamheid? + +Uit een klein behangselgaatje, +Kruipt, door honger aangespoord, +Trillende als een popelblaadje, +Een vreesachtig Muisje voort: +In en uit heur holtje sluipend, +Luistrend om zich henen gluipend, +Wordt het telkens meerder vrij; +Turende met grage blikken, +Of er ook iets valt te bikken, +Komt het na en nader bij! + +Angst en vreeze vloden henen; +Zie, de dartelende Muis, +Is in de etenskast verdwenen, +En voelt zich zoo goed als t' huis! +O! wat nooit gesmaakte weelde, +Nu haar jeukend maagje streelde, +In dat rijk luilekkerland! +'t Beestje kan zich wel begraven, +In de keur van lekkre gaven,-- +Alles is er naar zijn' tand! + +"Maar, ei zie! dat traliehokje, +"Wat hangt daar voor lekkers in? +"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje, +"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!" +'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ... +Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen, +Hoor, wat slag! de valklep sluit! ... +Muisje! door te veel te willen, +Moest gij al uw heil verspillen,-- +Trek, o Mensch! er leering uit. + + + + + +TEHUISKOMST. + + +Overdierbaar plekje grond! +Vorden, 'k mag u weer betreden! +Stort u uit, mijn dankbre beden, +Die mijn' boezemtogt verkondt! +Stort u uit om Hem te prijzen, +Die met de eelste gunstbewijzen, +Mij begiftigde op deez' stond! + +'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch, +Weer het lagchend oord genaken, +Waar ik zoo veel heil mogt smaken, +Waar mijn wellust was en is! +Was en is en zal beklijven, +Tot mij 't schoone schoon zal blijven, +Tot ik kracht en leven miss'! + +Maar, van waar dat blij gedruisch? +Vriendschap komt op vlugge voeten +Mij, van wijd en zijd, begroeten, +En geleidt me in vreugd naar huis! +Trouwe vriendschap, die mij de aarde +Mee herschept ten bloemengaarde, +Lieflijk klinkt uw stemgeruisch! + +Komt nu, dierbren! komt nu snel +Naar mijn landelijke woning; +Dat ook daar de vreugdbetooning, +Als van ouds ons weer verzell'! +Hospes! stoot mijn kamers open, +'k Ben de stad voor 't land ontloopen, +Zeg, is alles bij u wel? + +'k Ben weer thuis, vivat! vivat! +_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden! +Zoekt een plaatsje en gij zult vinden, +De etiquette's zijn in stad! +Nader, Langhals, uit den kelder! +Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder, +Huldigt Bacchus heerlijk nat! + +"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,-- +o, Hij maakt me vreugdedronken, +'t Wachtend glas weer ingeschonken; +Want ik heb een' toast er bij: +_Vordens groei en bloei en leven; +Dat het, tot de laatste neven, +Rijk door God bevoorregt zij!_ + +Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt; +Laat ons buiten, vrienden! buiten! +Wat de ziel gevoelt, ontsluiten, +Buiten, in de vrije lucht! +Hoort, en Vink en Filomeeltje +Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje, +Zij die dank ook onze zucht! + +God! wat is uw Schepping schoon! +Onnaspeurbre hemelzegen, +Spreidt uw goedheid allerwegen, +Aan de juichende aard' ten toon! +En de geur van bloem en kruiden, +Komen, op de wiek van 't Zuiden, +Stoeijende af en aan gevloon! + +Broeders! ja, ons heil is groot! +Staan wij, zeg, in de eigen streken, +Die mijn hart voor twintig weken, +Zijn meewarig afscheid bood? +Toen ik alles zag versagen, +Voor de gramme najaarsvlagen, +En zag worstlen met den dood! + +Als een Feniks, o Natuur! +Zijt ge glansrijk weer verrezen, +En uw jong, aanvallig wezen, +Zet mijn volle borst in vuur! +Naauw aan 's Winters boei onttogen, +Ben ik naar u toegevlogen, +In het allerwenschlijkst uur! + +'k Heb u, Lente! dag en nacht, +Van bewondring opgetogen, +Aangestaard met turende oogen, +Waar de wil van 't lot mij bragt; +Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken, +De innigste uwer tooverblikken, +Heeft me in Vorden toegelacht! + +Vorden! Vorden! neem mijn lied ... +Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)? +Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden, +Dat ik luistere en geniet! +o, Met regt, begaafde zangster! +Zijt gij hier mijn plaatsvervangster! +Dat u milde dichtaar vliet! + +Onvergeetbre levensstond! +Nooit gesmaakte zegeningen! +'k Hoor mijn Vordens lof voldingen, +Door den liefelijksten mond! +God! verhoor nu nog deez' bede: +Geef, dat eens mijne asch, in vrede +Rusten moge, in Vordens grond! + + * * * * * + +(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten. + +(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld, +van eene Dame mijner kennis. + + + + + +WIE? + + +Ai, zie! de afgrijsbre komt, +En aller mond verstomt, +Hij spreekt, en op zijn woord +Zijn lust en rust verstoord; +De keel voelt zich beklemd, +De boezem zich ontstemd, +En nooit gekende smart, +Wordt meester van het hart. +Hij steelt het edelst goed +Aan uw geschokt gemoed, +En geeft, wat hij belooft, +U niets, voor 't geen hij rooft. + +Die eens hem heeft gezien, +Wenscht altoos hem te ontvlien, +En voelt zich zoo bevreesd,-- +Alsof een booze geest +Met eindeloos gekwel +Hem aangrijnsde uit de hel! + +Wie, zangster! is 't gedrogt, +Wiens vuigen boezemtogt, +Den schrik verspreidt door 't bloed? +Wiens naam reeds siddren doet? +En somber trilt' heur snaar: +"Het heet? Godslasteraar!" + + + + + +DE MENSCH. + + +Wie is hij, dat Gij zijner zoo gedenkt? +Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt? +Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt? + O God der Goden! +Gewisselijk, een schepsel onbesmet, +Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet, +Wiens neigend oor, steeds onderworpen let + Op Uw geboden! +Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt! +(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...) +Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt, + Hem ten verderve! +Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed, +Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed; +En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed, + Gena verwerve! + + + + + +AAN EEN' SCHILDER. + + +Wie boeit mijn turende oogen, +Door 't onbegrensd vermogen, +Van 't scheppende penseel? +Wie doet door keur van verwen, +Mij 't hoogst genot verwerven, +In 't liefelijkst tafreel? + +Wiens geestkracht mag 't gelukken, +Natuur den palm te ontrukken, +Door de overmagt der kunst? +Gij, puik der toovenaren! +Genie, waarop wij staren! +Bestraalt ons met die gunst. + +Neen, 't is geen schijn, 't is leven! +Die beemden, bosschen, dreven, +Die jagt en wildernis, +Dees vleugelvlugge honden ... +'t Moet al uw' roem verkonden, +Die spreekt, het zij! en 't is. + +o, Oogbetoovrend schilder! +Waar werden gaven milder +Een' sterveling verpand? +God schraag' nog lang uw krachten, +Tot vreugd voor die u achten, +Tot roem van 't Vaderland! + + + + + +DE GRAFSTEEN. + + +Hun edel harte slechts tot gids, +Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk, +Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits, +Naar 's Heeren sombre grafspelonk; +Om nog met kostbre specerijen, +Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen. + +En nu het doel al nader treedt, +Daar, plotsling, breekt het zwijgen al: +"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet, +"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?" +Dat had heur ijvren niet bezonnen, +Toen zij den vromen togt begonnen. + +Geen bliksemschicht treft meerder snel, +Geen donderslag slaat zoo ter neer, +Gelijk dat woord vol zielsgekwel! +Toch geeft de liefde voor den Heer, +haar moed en kracht om voort te treden, +Hoe fel door angst en vrees bestreden. + +Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred! +De steen, die 's Heilands grafplaats drukt, +En u de teedre borst verplet,-- +God spreekt--die steen is afgerukt! +Hij zal de zijnen niet begeven, +Juicht, Jezus leeft en gij zult leven! + +o Liefde Gods, die wondren doet! +o Heilgenade, ondenkbaar groot! +Hoe menig steen drukt nog 't gemoed, +Dien de Almagt afwendt in den nood, +Zou, Neergeboogne! uw hart bezwijken? +Een Engel daalt, de steenen wijken! + + + + + +TOONKUNST. + + +'k Min u, muzikale woorden, +Taal der Toonkunst, 'k min u teer! +U, zielroerbre klank-akkoorden, +Die uw' oorsprong hebt uit oorden, +Meer volmaakt dan de aardsche sfeer! + +Die het hart als was kunt kneden, +Aan uw meesterschap ten buit; +Lachjes, tranen en gebeden, +Heldenmoed en teederheden, +Opwekt naar den wil der luit! + +Grijpt de geestdrift der genien, +'t Goddelijke speeltuig: hoor! +Strijdrumoeren, elegien, +Liefdes zachte melodien, +Roeren, schokken, 't luistrend oor! + +Orpheus Cither speel--verbeden +Is de nooit verbidbre dood! +Op den klank uw harp ontgleden, +Vlijt zich steen op steen, en steden +Staan, Amphion! trots ten toon! + +Doch geen fabel schenkt u luister! +Hooger, Toonkunst, klimt uw lof! +(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?) +Vrij, ontdaan van aardsche kluister, +Klinkt uw stem in 't geestenhof. + +Als de rei der Hemellingen, +Om Gods heilgen troon gestuwd, +Hem, den oorsprong aller dingen, +'t Heilig, heilig, heilig, zingen, +Is hun lied en snaar gehuwd! + +Goddelijke Harpenaren! +Stort den schoonsten hemelval! +Dank moet mensch en Engel paren! +Voor de gift der gouden snaren, +Dank aan d' oorsprong van 't Heelal! + + + + + +GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_. + + +Met diep ontroerd gemoed, +Wijde ik uw graf mijn' groet, +Te vroeg ontslapen zanger! +Gij, Staring! de aarde ontrukt ... +Waar is de plaatsvervanger, +Die uwen voetstap drukt? + +Treur, achtbre Wildenborch! +Uw bloei was al zijn zorg; +Hij gaf u vreugd en leven;-- +Uw heldre zon zeeg neer; +'t Werd somber in uw dreven ... +Uw Landheer is niet meer! + +De trots van Gelderland, +Wien braafheid en verstand +Met schoonen glans mogt sieren,-- +Zijn levensdraad brak af ... +Schonk hem de kunst laurieren, +Nu weeklaagt ze op zijn graf. + +Nu zwijgt zijn citertoon, +Zoo krachtig, kunstig, schoon, +En Febus Priesterscharen, +Staan in het kunstenkoor +Den lievling na te staren, +Dien het te vroeg verloor. + +Weer heeft het Vaderland, +Een' kostbren diamant +Uit de achtbre kroon verloren! +En gade en minnend kroost +Staan, bij der dichtren koren, +Weemoedig, zonder troost! + +Maar welk een treffend woord +Lokt mij naar 's kerkhofs poort, +En schenkt den geest bedaring: +"Uit nacht rijst morgenrood (1)," +Het was uw spreuk, o Staring! +"Het leven uit den dood." + + * * * * * + +(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden, +waar des Dichters grafplaats gevonden wordt. + + + + + +HET LEVENSPAD. + + +Allen op des levens paan, +Vallen, staan weer op en vallen; +Zelfs de trotschheid durft niet brallen: +Ik kan zonder struiklen gaan! +Steen, op steen, verrast den voet, +Waar men zich aan stooten moet! + +Maar hoe telkens uitgegleen, +Broeders! toch weer opgekropen; +Homplen, stromplen wij in 't loopen, +Meer oplettend voortgetreen; +Aan het einde van ons pad, +Ligt de goede Vader-stad! + +Matte Pelgrim! daar is rust, +Van uw hobbelige wegen! +Daar stroomt nooit gekende zegen, +Nooit gesmaakte levenslust! +Daar is 't eind der aardsche smart, +Hemelvreugd vervult er 't hart! + +Voor den togt dan niet versaagd; +Welberaden voortgewandeld; +Naar gebod en pligt gehandeld; +Struiklen wij, God zelve schraagt! +En, is 't doel der reis volbragt, +o, De blijde Heilstad wacht! + + + + + +HET BLINDE VINKJE. + + +Vinkje! welk een gruwzaam monster, +Vreemd aan alle menschlijkheid, +Heeft uw vlugge wiek gekluisterd, +Heeft uw' dag, in nacht verduisterd, +Heeft u 't foltrendst leed bereid? + +Eens zoo vrij en vrank op aarde, +Nu gedoemd tot de enge kooi; +Nu, door gloeijend erts uwe oogen +Aan het vriendlijk licht onttogen, +Nu des euveldaders prooi! + +Werd het u noodlottig ijzer, +Slechts de duistre groeve ontrukt, +Om, der snoodheid ten believen, +Dus uw argloos hart te grieven? +Dan is 't euvel wel gelukt! + +Doch, o neen! niet tot dien gruwel +Opent zich de schoot der mijn; +Maar de boosheid keert den zegen, +Uit Gods milde hand verkregen, +Vinkje! de onschuld vaak tot pijn. + +Wat is 't u, of zich de schepping +Nu net lente-siersels hult? +Niet voor u zal de aard' zich tooijen, +Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen, +Nimmer 't schoone aanschouwen zult! + +Ach, waar zijn de blijde dagen? +Van het lagchende verleen? +Vlijm, op vlijm, moet u doordringen, +Woelt het heir herinneringen, +Door uw mijmrend kopje heen! + +Mooglijk waart gij aan een gaaike, +Aan een teederminnend kroost, +Op het liefderijkst verbonden ... +Wreed werd dan de band geschonden, +Die uw blijdschap was en troost! + +Niets is u van 't heil gebleven, +Waar uw borstje zoo van zwol; +Uw gelukzon is verdwenen, +Heeft voor altijd uitgeschenen, +Blind en in een kerkerhol! + +o, Mijn teergevoelig harte, +Doet uw rampental zoo zeer! +Kon het innigst medelijden, +U van jammeren bevrijden, +'k Zag u 't beeld der vreugde weer! + +IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje! +Schal met pletterend geluid, +Schal en schater den vervloekte, +Die uw' lust en rust verkloekte, +Uw' ontzagbren wraak-kreet uit! + +Doch uw toovrend orgelkeeltje, +Wanhoop nam het kracht en klem; +Nooit ... maar wat welluidend kwelen, +Komt mijn luistrende ooren streelen! +Lieve vogel! is 't uw stem? + +"Ja, mijn stem, meelijdend vreemdling!" +Zingt het Vinkje op zoeten toon, +"'k Laat, getuigen het mijn zangen, +"Moedloos niet mijn wiekjes hangen, +"Welk een rouw mijn borst bewoon'! + +"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht? +"Heelen ze ooit de wond van 't hart? +"Veel verloor ik--maar, mijn roover +"Liet mij toch mijn stem nog over, +"o, Die vreugde troost mijn smart! + +"Drage ik dan mijn lot gelaten, +"'k Heb nog ruime dankensstof; +"Om het goede mij gebleven, +"Min ik nog het lieve leven, +"En zing luid mijns Scheppers lof! + + + + + +TROOST. + + +"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!" +Dat hartdoorvlijmend woord, +Dat zoo veel vreugd verstoort, +Het was den mond van d' Arts ontgleden, +Maar 't klonk als niet gehoord, + +Het kon het oor der vrouw niet boeijen; +Nog lonkt de hoop haar aan; +Zoo schrikklijk zal de orkaan +Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen, +En bloem, bij bloem verslaan. + +"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder, +"Neen, dierbare echtgenoot! +"Zoo ras ontbindt de dood +"Dien vastgelegden knoop niet weder, +"Die 't huwelijk pas sloot!" + +En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen, +Naar 't liefelijk gezigt +Van 't sluimerende wicht,-- +Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen! +"Zijns Vaders levenslicht!" + +"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..." +Maar, God! wat raauwe gil! +Zij voelt het doodlijk kil +Op 's ega's ingezonken kaken, +Zijn ademtogt staat stil. + +Haar zoete hoop vervloeide in tranen +Van bittre zielesmart; +Gebroken is haar hart; +Wel spoedig ging haar heilzon tanen, +En liet haar 't nachtlijk zwart. + +Ze rigt het schreijende oog naar boven: +"Wat lot," snikt zij, "wat lot, +"Na twee jaar echtvreugd ... God! +"Waarom moest ik een' droom gelooven, +"Waarmee de ontwaking spot?" + +Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe? +Uw wichtje, als 't onverpoosd +U vleijend kust en koost? +Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe, +Voor uw gemoed geen troost! + +Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede, +Ja, Troost in d' eelsten zin, +Dringt tot haar' boezem in; +Zij kust Gods vaderlijke roede, +De Weduwe is Christin! + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN *** + +This file should be named 7dlrm10.txt or 7dlrm10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7dlrm11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7dlrm10a.txt + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04 + +Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/7dlrm10.zip b/old/7dlrm10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..972418c --- /dev/null +++ b/old/7dlrm10.zip diff --git a/old/8dlrm10.txt b/old/8dlrm10.txt new file mode 100644 index 0000000..1c03803 --- /dev/null +++ b/old/8dlrm10.txt @@ -0,0 +1,3590 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Liereman, by L. Schipper + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: De Liereman + +Author: L. Schipper + +Release Date: November, 2004 [EBook #6922] +[This file was first posted on February 11, 2003] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: iso-8859-15 + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN *** + + + + +This eBook was produced by Vital Debroey + + + +DE LIEREMAN. + +Luimige en Ernstige +MUZE. + +door + +L. SCHIPPER. + + + + + +DE LIEREMAN. + + +Vrienden! koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weêr liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + +Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?" +'t Antwoord is: van 't beste allooi, +Vol van vinding, gloed en leven, +Immers, 'k heb ze zelf geschreven? +En een hoofdpoëet als ik, +Kent de rijmkunst op een' prik. + +Ergo, wie dees zangen laak', +Heeft geen enkel greintje smaak; +Weest dus op uw hoede, Heeren! +Die mijn werk zult recenseren; +Want, wie deze deuntjes fluit, +Wijst zijn eigen vonnis uit. + +Koopt dan, koopt! wie koopen kan, +Koopt wat van den Liereman; +'k Heb weêr liedjes van elks gading, +'k Breng een schip met rijke lading, +Zoekt maar uit den vollen hoop, +'k Heb er nog genoeg te koop. + + + + + +INHOUD. + +De Liereman. +Het Kaartspel. +De Oude en Nieuwe Maat. +De Droom. +De Patrijzen. +Jan. +De twee Honden. +De vrome Werkbaas. +De Vlieg. +Het Medaillon-Portret. +De verdronken Acteur. +Het Portret van den Dood. +De Gekken. +Stalen Pennen. +Mijn Grootje. +Gerust in de onstuime Baren. +Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom. +Voor Godsdienst en Vaderland. +Deugd schept Vreugd. +Elck wat Wils. +Genoegh is meer. +Elck zijn Waerom. +Elck spiegele Hem Zelven. +'t Kan Verkeeren. +Hora ruit. +Peut-être. +Repos ailleurs. +Vita mortalium vigilia. +Getrouw. +'t Uur is dáár. +Huwelijks-Liedje. +De Ooijevaars. +Op den Dood van een' Landman. +Aan een' rat. +De Lach. +Het Weesje. +Huwelijksvereeniging. +Drift. +De Laster. +Eenvoud. +Aan een' blinden Toonkunstenaar. +De Muis. +t' Huiskomst. +Wie? +De Mensch. +Aan een' Schilder. +De Grafsteen. +Toonkunst. +Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_. +Het levenspad. +Het blinde Vinkje. +Troost. + + + + + +WAARSCHUWING +van eenen Onbevooroordeelde. + + +Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap +aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den +zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is. + +In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe +snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken. + +Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in +handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering. + +Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even +vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te +Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten-- +welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.) +aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede +sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen." + +VORDEN, +30 Sept. 1843. + + + + + +HET KAARTSPEL + + +"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent? +"Erast, de nieuwe lichter, +"Koopt steeds 't antiekste ameublement, +"Maar blijft Gomaars betichter, +"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt, +"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!" + +Ik vonnis niet en haat den twist, +Ja, laat aan elk zijn keuze, +Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist, +De vrijheid zij mijn leuze! +Maar toch, ik zeg uit vol gemoed, +In 't oud en nieuw is kwaad en goed! + +Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift +Bragt heel mij van 't chapiter; +Het kaartspel, luidt het bovenschrift, +Voor 't kaartspel klink' de citer; +Welaan, mijn zangster! men verbeidt, +Zing luid van de oudste antiquiteit! + +1. Met regt, dat Memphis boezem zwell', +Om de eer haar rijk beschoren; +Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel, +Door 't schoonst genie geboren; +En de allergrijste piramied, +Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet! + +2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat, +Den schat van eigen vinding, +En bragt, door hieroglyphen, 't blad, +Met godsdienst in verbinding; +Zoodat, van vromen geest bezield, +Men kaartenspelend oefning hield! + +3. Sibyllen! uw orakelhol, +Hadd' nooit van goud geblonken, +Zoo niet de kaart, den vragersbol +Het antwoord hadd' geschonken; +Uw goochelkunst staat nog in eer, +Groei, bloei, o kaartenleggren-heer! + +4. Hoe! rukken Moor en Arabier +Zoo plotsling uit het Oosten? +U, Spanje! geldt het krijgsgetier, +Maar 't zoetst geschenk zal troosten! +De vijand biedt de kaart u aan, +En gij--verwenscht heur naar de maan! + +5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland, +'t Wou eerst ook dáár niet lukken, +Maar--zesde Karel,--zijn verstand, +Kreeg eensklaps bijstre nukken! +De Vorst wordt meer dan stapel gek, +En nu, nu komt de kaart in trek! + +6. De groote schilder Gringoneur, +Een baas in 't portretteren, +Liet in het spel, door frissche kleur, +Geheel het hof spanceren; +Dat deed den Koning zulk een deeg, +Dat Gringoneur een lintje kreeg! + +7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart, +In vier verscheiden rijken; +Hij had het opperbest geklaard, +Elk stond er van te kijken! +Geen mensch, die iets te vitten had, +En, bij de Vorsten, zegt dat wat! + +8. Bourgondië verkreeg een ruit; +De Frank, een schop, op 't plaatje; +Een hart viel Orleans ten buit; +Brittanje een klaverblaadje; +Naauw was het af,--of zie, 't palet +Schonk nu den hofstoet zijn portret! + +9. La Hire en Hector, o, hoe schoon +Wist u de kunst te malen! +Gij spreidt het beeld van Mars ten toon, +Kloekhafte Generalen! +En wie de ronde boeren ziet, +Miskent uw sprekend wezen niet! + +10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel, +Het liefje van den Koning, +'t Was met des Konings hoofd niet wel, +Daarom dient hij verschooning, +Geen ander Vorst, bij vol verstand, +Heeft immers liefjes aan de hand? + +11. Wie, Pallas, maagd van Orleans! +Die streed voor 's Konings regten, +Wie waagt niet liefst met u een kans +In 't eten, dan in 't vechten? +Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein, +Gij schopte menige _Goddem_! + +12. Wat majesteit, wat fiere bouw, +Wat pracht van zijde lokken, +O, overschoone klavervrouw! +Gij hebt mijn oog getrokken! +Maar dat mijn min zich zelv' verwinn', +Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin. + +13. Wat lacht die freule harten wit, +Haar hartje speelt in harten, +Voor 't klooster had de maagd geen zit, +Wis bragt ze er vreemde parten! +Foei, Isabel van Beijren, foei! +Uw goede naam krijgt nog een' knoei! + +14. Maar wie of schoppenheer mag zijn? +Dat 's wel een uitgelezen! +'t Is Isrels David--de Dauphin, +Er schijnt iets joodsch in 't wezen! +Hij is, gemeten met een zeef, +Nog Koning Davids achterneef! + +Zoo biedt u elke pop het beeld +Van eene onschatbre parel; +En ieder, die een kaartje speelt, +Speelt met het Hof van Karel! +Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop! +Sla zelv' uw kunstverzaamling op. + +Wij keeren tot den Koning weêr, +Hoor, 'k wil het niet verhelen, +'t Was droevig toch, een Vorst en Heer, +Met prentjes te zien spelen, +Maar wonder, zonder wedergâ, +Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na! + +Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond +Kwam 't kaartspel in de mode; +Nu, daar een Koning 't aardig vond, +Een zot, die 't niet vergoodde, +En was het spel, het spel eens dwaas, +'t Was toch ook 't spel eens grooten baas! + +Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart! +Wier kunst de tijd doet spoeijen; +Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard, +Dat gekken zelfs kan boeijen, +Lof, lof, aan de oudste antiquiteit, +Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt! + + * * * * * + +1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte. + +2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun +spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg. + +3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de +Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die +haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door +elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een +antwoord moest zoeken. + +4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral +onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den +naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren, +ten strengste verboden werden. + +5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel +de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar +staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden. + +6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet +weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen +van het Hof, op de kaart te schilderen. + +7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken. + +8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en +Brittanje klaverkaart. + +9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in +harten en ruitenboer werden afgebeeld. + +10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de +benaming van Rachel. + +11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen +streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart +opgenomen. + +12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van +Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in +klavervrouw voorgesteld. + +13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in +vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd. + +14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende. +Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op +de kaart naar Israëls Vorst vernoemd. + + + + + +DE OUDE EN NIEUWE MAAT. + + +De oude maten en gewigten +Verlieten 't land; +De nieuwe gaan hun dienst verrigten, +En treên in stand; +Dat gaf aan de eedle winkelieren, +Een dolle pret, +Maar hoe misnoegdheid moge tieren, +Men vreest de wet! +Het hoog bevel, had ook de scholen +Voor wijd en zijd, +Het nieuwe stelsel aanbevolen, +Der school ten spijt: +"Weg, met die leelke decimalen!" +Zoo riep de jeugd, +"De duivel mag die vinding halen, +"Tot aller vreugd!" + +Eens kwam de meester met twee ellen, +Één nieuw', één oud', +"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen, +En wees niet stout! +"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene +Op de andre heeft, +"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene, +"Zoo ge aandacht geeft!" + +Maar geene attentie is te winnen, +Men meesmuilt slechts, +En ziet, met afgedwaalde zinnen, +Dan links, dan regts, +Eén onder hen, een kleine snuiter, +Die niets ontziet, +Roept luid, van kop tot teen een muiter, +"Ik leer dat niet!" + +"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen! +"Hoor ik het wel? +"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!" +Hij dreigt met de el ... +Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten, +Wat euveldaad, +"Gij moogt mij met dees el niet meten!"-- +'t Was de oude maat! + + + + + +DE DROOM. + + +Van mijn wandling moê en mat, +Gaf ik me, onder 't beukenloover, +Bij eens beekjes kabblend nat, +Aan de rust op 't mosbed over, +'k Viel in sluimring; maar, wat droom! +Droomde ik aan dien oeverzoom? + +'t Was me, als gleed ik telkens meer +In de diepe waterkolken, +Bij het schubbig goedje neêr, +Burgers, die den stroom bevolken! +Enklen, uit hun element, +Waren mij bij naam bekend. + +O! wat wereld leefde om mij! +Welk een wriemlen, wat krioelen, +In die vreemde maatschappij, +Welk een trachten en bedoelen; +Want, geen vischje was zoo dom, +Dat niet wist waarom het zwom! + +Maar, door welk een vrees beklemd, +Gaat dat kleine kaarsje dolen? +Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt! +De angst houdt het in 't riet verholen, +Had de groote u daar betrapt, +Kleine! gij waart opgehapt. + +'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!" +Riep ik, "dat gij, groote slokkers! +"De arme kleine vischjes eet, +"Schaamt u, leelke booze schrokkers! +"Neemt een voorbeeld toch aan de aard', +"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!" + + + + + +DE PATRIJZEN. + + +"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen +"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof; +"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of +"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen! +"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek +"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!" + +De vluggert ijlt met slakke schreden, +En meer en meerder krimpt zijn stap. +"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap, +"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden, +"Maar zonder poozen, zulk een vracht, +"Geen Simson zelfs bezat die kracht!" + +Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen! +Een half kwartier heeft de arme vent, +Het telkens zwaardere present, +Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen? +Wel is de weg haast afgelegd, +Maar hoor, natuur heeft ook haar regt! + +Ras sluit de slaap zijn oogleên digt, +Een guit, die hem in 't gras zag glijden, +Werd zoo vervuld van medelijden, +Dat hij des stakkers last verligt. +"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot, +"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!" + +En naauwlijks is een uur vervlogen, +Of vlugge Tom is reeds ontwaakt; +Dan ach, de vogels zijn geschaakt! +"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!" +Want waar het zoekend oog ook ziet, +Het malsch gevleugelte is er niet! + +Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen! +Halfdood zal Lekkerbek hem slaan, +Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan. +"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen! +"'k Geef aan de poort den brief gaauw af, +"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!" + +Maar zie, tot overmaat van smarte, +Treed onverwachts het aadlijk bloed, +Hem, uit een zijlaan, te gemoet. +Tom zit er in, hoe heeft zijn harte! +Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon, +Zijn halve boodschap den Baron. + +En nu--of Tom ook wist van beenen, +Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug, +Maar Heer Baron roept hem terug. +"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen? +"Ik zag je nooit zoo driftig vliên, +"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien." + +"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen! +"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom, +"De vlugtelingen zijn weêrom? +"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen! +"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief.... +"Het doode wild vloog in den brief!" + + + + + +JAN. + + +"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde? +"Waar klinkt er een van hooger waarde? +1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon? +"Droeg menig Jan geen Koningskroon? +2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren, +"Vóór zij dien toren had verloren, +"Tot boven in de wolken gloren? +"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end, +"Is overal mijn naam Bekend!" + +Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt, +Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd! +Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen, +Van de eer, waarop uw naam kan roemen. +Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen! +Uw onvolprezen naam, bevat +Een' schat voor zee, en dorp, en stad; +Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd'; +Hoe zou het onze taal gelukken, +Door één woord, zóó veel uit te drukken? + +_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt +Gij dat het juiste woord niet, vrind! +Om rijp en groen, +Fatsoen en geen fatsoen, +Om vogels van allerlei zangen en veêren, +Als in een volière te zien converseren? + +Zoo is uw oordeel ook het teeken, +Waarmeê wij van rapalje spreken, +Voorzeker duizendwerf gebleken, +Daar niets uw vlug begrip ontgaat, +_Jan rap en zijn maat_, +_Janhagel van straat_, +Geen naam, van welk een krachtgeluid, +Drukte immer zóó 't kanaljen uit! + +En o! hoe vol beduidenis, +Uw naam op 't golvend zeeveld is! +Het zeeveld, waar de nijvre hand +Goud oogstte voor het Vaderland. +Wie onzer kent in ieder deel, +Niet _Janmaat_ van het zeekasteel? + +Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest? +'t Is immers de knecht, de gedienstige geest? +Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd, +Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert! + +Er heerschte eens een groot Koning, +In 't fier Brittannisch rijk; +In magt en prachtvertooning, +Geen Sultan hem gelijk! +Maar wat den glans verhoogde +Der schitterende ster, +Waar 't meest de Vorst op boogde, +3. Hij heette _Jean sans Terre_! + +Beeld der reinste huwlijkstrouw! +Hulp der liefderijkste vrouw! +Onvermoeide plasser! +Nooit zie ik mijn schoolprent aan, +Of mijn oog wijdt u een' traan, +Wakkre _Jan de wasscher_! + +Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem, +Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem', +Wie immer zich deez' titel schaam', +Gij prijst dien zuivelrijken naam! + +Wat gekwels, wat gekwels, +Voor de kindren Israëls! +Als de schimp zich durft vermeten, +Honend, _Spek Jan_ hen te heeten, +Wetend, dat der Joden wet, +Hun dien vetten mond belet! + +Hoe menig kransjen ik reeds vlocht, +'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht, +Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht! + +En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden? +In tegenspraak, zeker, de held aller helden! +Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt, +De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet! + +Zie, achter gindsche schuine deur, +Woont weêr een _Jan_ van de eerste keur; +Of noemt de mond, van oud tot ouder, +Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder? + +Juich, weêr hebt gij juichensstof, +Hecht aan de u geschonken' lof, +Vol van dank, uw zegel! +Zelfs een hof heeft zich vernoemd, +Naar uw' puiknaam zoo beroemd +'t Hof is 't van _Jan Vlegel_! + +Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken, +Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam, +Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken, +_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_! + +Was hij een oude knaap, +Als Zandvoorts Simon Paap, +En daarom de Amstelstad, +Met regt op hem zoo prat? +Een prijsvraag dient geschreven, +om 't duistre licht te geven! + +Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên! +"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden, +"Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden! +"'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen." +Dáár naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden? +Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_! + +En koos niet zelfs Voltaire's luit, +Uw' naam voor duizend anderen uit, +En heeft zijn dichterlijke stift, +Voor tijdgenoot en nageslacht, +Niet schitterend uw' naam gegrift, +4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_! + +Speelt iemand een geklijken rol, +Van handel en wandel wat dol, +Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen: +Zijn rede is dan, zegt men, op hol, +Hij schermt in het ronde, de bol, +_Als malle Jan onder de kippen_! + +Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen, +Dat strijdende voor pligt en eer, +Een' lauwerkrans drukt op de slapen, +Van wien het moedigst trekt van leer! +Dat lemmer forsch en breed, +Dat van geen zwichten weet, +Op wier het is gebeten, +Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten! + +Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd? +De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken! +Zij springen en dansen en dartlen van vreugd, +Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken. +Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd? + +Amsterdamsch Menagerie! +'k Denk aan u met zoet ontroeren; +Apentuin der tuinen, die +Ook den schoonsten naam mag voeren. +Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden, +5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden? + +Ook voor den man, die graag de broek +Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek, +Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen, +Klinkt weêr uw puiknaam in _Janhennen_! + +Nieuwe, flonkerende luister, +Is weêr voor u opgedaagd! +Neêrlands schrandre Pensionaris, +Droeg den naam, dien gij thans draagt; +Naam, als type van de staatkunst, +(Wondere karaktrestiek!) +Vele Jannen steeds gegeven, +Om hun fijne politiek! +Of, zijn het geen diplomaten, +Vol verstand, vol kern en pit, +Waar de lof van kan getuigen, +Jongens zijn 't van _Jan de Wit_? + +Wat rare Jan treedt dáár te voren? +Zijn phlegma schijnt hem aangeboren; +Nooit kon de drift zijn rust verstoren; +'t Is hem hetzelfde hoe het gaat, +Neen, hij weet van den Prins geen kwaad! +Hij is wat lijmig in zijn' praat; +Een snuggre kop, die op hem staat! +Het is _Jan Salie_, kameraad! + +Maar ook in 't zedelijk bestaan, +Hoort men uw' naam den grondtoon slaan +Of duidt hij niet den lichtmis aan, +Zoo goed als 't Fransche bon-vivant, +In 't enkel woordje, _'t is een Jan_! + +"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_! +Want langzaam en zeker is Jantje's natuur, +Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend, +Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend, +En wikkend en wegend met rijp overleg, +Betreden zijn schreden den veiligsten weg! +"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden, +"'k Hecht steviger banden, die knellender binden, +"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit; +"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!" + +Noem me op aarde een rijksgebied; +Waar men dezen Jan niet ziet? +Kijk, hij is een heele piet! +Schoon zijn boêltje liep in 't riet, +'t Baart zijn' boezem geen verdriet, +"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied, +Welke winkel kent u niet, +Welke winkel, _Jan Crediet_? + +Wat onderwerp vol weidschen zwier, +Zet, zangster! uw gemoed in vier, +En boeit ons aan uwe elpen lier? +"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_! +Dien snellen wagen, +Het welbehagen +Der oude dagen! +Die ook al verdween, +Door mode bestreên, +Maar toch om zijn' naam; +Nog leeft door de Faam! + +Bij den Jan pleizier in aanzien, +Als bij d' edelman de boer, +Naakt het beeld des sjouwend' ezels, +Weêr een wagen van vervoer, +'t Is de _Malle Jan_, die kreunend, +Vracht, bij vracht, wordt opgetast, +Is dan Jan geen goeije slokker, +Die zich bukt voor zulk een' last! + +Ei, zie eens, op mijne eer, +Dat 's eerst een proper Heer! +Gij vraagt: "wie hij mag wezen?" +'t Is uit zijn oog te lezen! +Mij dunkt, zijn eernaam staat +In wat hij doet, of laat; +En 'k dacht, hij schoot uw zinnen, +Al reeds voor lang te binnen. +Hoe suft uw schrandre kop? +Hoor, volg deez' raad dan op: +Uw allerrapste looper, +Vlieg' naar den boekverkooper, +6. En vraag den _Jan Perfekt_! +Het raadsel is ontdekt. + +Wiens naam geeft men geniën milder, +Geniën van het edelst soort? +Ook Neêrlands kunsten kweekend oord, +Gaf hem zijn' snaaksten schilder! +Of zegt men niet met alle reên, +Van schalksche en oolijke aardigheên, +Ons onder 't lagchend oog getreên, +_Het is een stukje van Jan Steen_? + +"Hoe 't valschheid misduid', +"Al kost het, verbruid! +"Ook haring of kuit, +"Mijn tong, wie haar stuit--" +Roept: _Jantje regt uit_! + +En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters, +Wie noemt het tal dier gloriestichters? +Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur +De starren telt aan 't luchtazuur, +Zoo min telt m' ook de lichten, die +De _Jannen_ zijn der poëzie. + +En nu, vermoeid van al het Jannen, +Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen, +Voor ik het verdre van mijn taak, +Door de allerschoonste kroon volmaak, +O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein, +Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein, +'k Moet eerst maar wat op adem komen, +En dan zij 't loflied weêr vernomen +Van +_Jan_. + + * * * * * + +1. Sint Jan. + +2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt. + +3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan +zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene +bezittingen naliet. + +4. Dichtstuk van Voltaire. + +5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede. + +6. Een met lof bekende roman van dien naam. + + + + + +DE TWEE HONDEN. + + +"Ei zeg, is dat nu reg? +"Mijnheer heeft zoo een' ekel +"Aan Lord, dien boozen rekel," +Sprak Piet, de brave knecht, +"En toch, hij krijgt het meest! +"Gaan niet de lekkre beenen +"Altoos naar de ondeugd henen? +"Daar heb je Does, dat beest, +"De beste van de honden, +"Die ergens wordt gevonden, +"Die 't nimmer gortig maakt, +"Bij al die vette beten, +"Hoe trouw het dier ook waakt, +"Wordt Doesje maar vergeten. +"Dat 's onregt, op mijne eer!" + +"Wel, domoor!" sprak mijnheer +Die Piet had afgeluisterd, +Hoe zacht hij had gefluisterd, +"Ik dacht je meerder leep! +"Zeg, voel je niet de kneep? +"Mijn beentjes te verspillen +"Aan Does, wat dwaze grillen, +"'k Zou hem niet trouwer willen; +"De lobbes hoeft ze niet! +"Maar Lord, die kwade rakker, +"Die valsche kuitepakker, +"Door kluifjes wordt hij makker, +"Ik vrees zijn tanden, Piet!" + + + + + +DE VROME WERKBAAS. + +(_Vertelling aan Frans._) + + +Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje! +Zijne oefningsklub noemt hem het roompje +Der heiligste regtzinnigheid, +Wien lang de hemel is bereid! +Vaak spreekt hij in geheimenissen, +Waar 'k nooit de meening van kan gissen; +'t Heeft wel iets van mystiekerij, +Hij noemt het echter profezij! +Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken, +Om meê naar de oefening te trekken; +Daar spraken ze allen, zei hij, Frans! +De ware tale Kanaäns; +Daar riep de zuivre Dordsche leere: +"Bekeer, bekeer, u tot den Heere! +"Want wie niet Orthodoks wordt, is +"Een prooije der verdoemenis!" +"Daar kwamen al de nieuwgeboren', +"De van den Hemel uitverkoren', +"En laafde aan manna-spijs hun ziel, +"Zoo als er nooit voor Isrel viel, +"Die God het kuddeke verleende, +"Dat dáár zich in den geest vereende!" + +Hoe meer hij voortging met zijn preek, +Hoe meer 'k zijn oefening ontweek; +Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen, +Dat staâg verkettren en verdoemen, +Met al die duistre somberheid, +Die nooit verstaat hetgeen ze zeit, +Ik haat die leer met ziel en zinnen: +"De Godheid bovenal te minnen, +"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind! +Die taal verstaat een grijze en kind! + +Maar wacht nog wat en spits uwe ooren, +Want 'k moet u een geval doen hooren, +Hetgeen mij gistren is ontmoet, +En dat mij telkens lagchen doet: +Weet, sinds de baas zijne oefeningen +Mij vruchteloos zocht op te dringen, +Heb ik het ieder' keer verbruid, +Het mooije weêr is met ons uit! +Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten, +Dan ongemaklijk opgezeten! +Mijn honger, kameraad! vergat, +Dat ik nog niet gebeden had; +Wat nooit mijne appetijt gebeurde, +Hoe lekker ook de schotel geurde. +Maar o, wat kwam ik slecht te pas! +Of mij de baas de les ook las! +Hij gaf me van de coteletten! +"Godlooze! is dat uw ziel besmetten, +"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt, +"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond, +"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake, +"Die kruimel tot een vuurvlam make, +"Die u nog eer den duivel geeft, +"Waar uw geheele ziel voor leeft? +"Leer, Heiden! leer het van de dieren, +"Wat dankbaarheid u moest bestieren, +"Zelfs voor den kleinsten waterdronk, +"Die u de milde gever schonk!" + +"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel! +"De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel; +"Ge zijt een regte domme klaas! +"Zwijg, en let op, en hoor uw' baas: +"Zeg, laten ooit de vrome kippen, +"Een druppel vocht naar binnen glippen, +"Of rijst niet hun devote kop, +"In warmen dank ten hemel op?" + + + + + +DE VLIEG. + + +'k Draag geen haat in 't minnend harte; +Aller welzijn is mijn beê; +'k Leef met God en mensch in vreê, +En stort tranen bij de smarte; +Slechts één schepsel voedstert de aard', +Dat mijn schrikbre gramschap baart! + +Afschuw walgt den naam te noemen, +Van het monster zoo ontieg! +'t Is--de vuile, vuige vlieg. +Haar te noemen, is haar doemen! +Felle wraak besnaart mijn lier, +Voor die plaag van mensch en dier! + +'k Min u, zoele zomerluchten! +Schaars het deel van ons klimaat! +Vreugde lacht op elks gelaat, +Bij uw zoete zielsgenugten, +Doch, waarom verkleint ge uw gift, +Door het voorwerp van mijn drift? + +'t Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren, +Als haar dommelend gebrom, +Mommelend rondsnort, om en om. +Waar de mensch, die 't aan kan hooren? +Niemand dan die zwarte draak, +Vindt in 't zeur geneurie smaak! + +Uitgeleerd in booze treken, +Rekt zij d' olifanten-snuit, +Grijpende naar de onschuld uit: +"Leelke vlieg! is dat daar steken," +Weg is ze, als de hand zich heft +Die den dreiger zelv' nog treft! + +Noem de plek, waar ze ooit zich zette, +'t Allermislijkst zamenstel, +Dat haar vuilheid niet besmette? +Tot een walglijk tijgervel, +Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit +Vaderlandsche zindlijkheid! + +En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel, +Waar ge uw' dronk of bete plaatst, +Nergens, waar haar snuit niet aast, +Niets is veilig voor 't gebroedsel! +Ja, is 't lijf eerst vet gemest, +Dan bezoedlen zij de rest! + +Gistren, ('k zal het nooit vergeten!) +Vloog er een afgrijslijk paar, +Dartlend stoeijend met elkaar, +Naar mijn aanzigt--wat vermeten! +Ras herschiep haar lust en keus, +Tot een huwlijks-spond mijn' neus. + +Weet de haat geen gif te zoeken, +Dat den dood in de adren stort, +En die pest verderflijk word', +Door haar slimheid te verkloeken; +Waarom is de wraak zoo traag, +Tot de straf' dier helsche plaag? + +Komt, ons allen zaân verbonden, +Wie der vliegen vijand zijt! +Menschen, vogels, katten, honden, +Slaat en pikt en krabt en bijt! +help ook gij ons meê, natuur! +Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur. + +Dat des winters stale krachten, +Zich met onze kracht vereen'; +Stouter strijd zij nooit gestreên! +Moge 't zelfde lot haar wachten, +'t Lot, dat Napjes legertal, +Eens, in Rusland, bragt ten val! + + + + + +HET MEDAILLON PORTRET. + + +Wij kregen _Kareltje Amoureus_, +Die dagelijks ons komt vervelen, +Met ons zijn bijzijn meê te deelen, +Eens alleraardigst bij den neus! +Weet dan, zijn zotte liefdeklagt, +Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken, +En, schoon haar schalkheid hem belacht, +Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken! + +Zoo, stappende als een stootershaan, +Kwam 't Heertje gistren bij ons aan, +Alweêr verliefd tot over de ooren! +"Zijn lieve attentie wilde eens hooren, +"Hoe 't in den huisselijken kring," +Sprak hij, "met de gezondheid ging; +"O! altoos sloeg zijn hart geruster, +"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis, +(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!) +"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!" + +De Don Quichot van geest en leden, +Kwam 't woonvertrek dan ingegleden, +Juist toen een medaillon portret, +(Iets zweemend naar mijn zuster Jet) +Ons aller aandacht hield gekluisterd, +Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert: +"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand, +"Schiep u dit beeld ten minnepand!" +En, van verrukking opgetogen, +Hing heel zijn ziel aan 't medaillon! + +"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon, +"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen +"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!" +"Niet!" riep hij, en zijn taal verried, +Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen: +"Het is de schoonste van de vrouwen, +"Die door eens schilders kunstpalet, +"Nog ooit is op ivoor gezet! +"Wat golvend goud omzweeft haar slapen! +"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt! +"Wie, die het niet in liefde ontsteekt? +"Tot kussen schijnt die mond geschapen! +"Wat blos versiert de blanke koon-- +"Neen, Venus was niet meerder schoon +"In lijfsgestalte en wezenstrekken! +"O! wie de min ten doel mogt strekken, +"Van haar, die dit bekoorlijk beeld, +"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld! +"Eén zoentje van dien mond mogt stelen." + +"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen," +Sprak me oude grootmamatje ras, +Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was! +"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje, +"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond, +"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!" + +Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.-- + + + + + +DE VERDRONKEN ACTEUR. + + +De Acteur Jeroen, meestal besist, +Had zeker 's nachts de straat gemist; +Want 's morgens werd hij opgevischt, +Voor elks verwonderde oogen, +Doch 't graantje had zoo sterk gegist, +Dat hij, hoe door de gracht verfrischt, +Van toeten noch van blazen wist, +Ten spijt van ieders pogen! + +Maar stil, daar komt de snuggre Nol, +Van wien er vier zijn op den hol, +Daarbij zoo blind nog als een snol, +Op 't driftigst aangestevend: +"Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol? +"Zie, zóó natuurlijk speelt de bol! +"Nooit stierf hij immers in zijn rol, +"Of steeds werd hij weêr levend?" + + + + + +HET PORTRET VAN DEN DOOD. + + +Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet, +Is, Dood! dees beeldtnis uw portret? +De Schilder wou u wis begekken! +Hoe! dit uw houding? dit uw trekken? +Gij groeide leelijk door uw haar, +Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar! +Noch bakkebaard, of zijns gelijken, +Geen enkel donsje zie ik prijken, + +En waar uwe oogen moesten staan, +Daar kijken holle gaten me aan! +Uw neus is zeker uit logeren,-- +O! mogt hij spoedig wederkeeren; +Want toch de gevel siert het huis! +Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis: +Die armen schijnen dorre takken, +Die krachteloos ter neder zakken; + +Daar aan de hand, slechts knok en been, +De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên! +Uw borst lijkt wel een traliehokje, +(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!) +Waaraan het beestjen is ontvlugt; +En, tot volmaking van de klucht, +Kreegt gij voor beenen, lange fluiten; +Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten! + +Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is +Verschrikklijk mooi, die beeldtenis! +Het is u sprekend weêrgegeven! +Geloof me, Dood! gij schijnt te leven! +En dan dat heerlijk coloriet +Des Schilders ... wit, al wat men ziet! +Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend, +Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend! +Alleen, flatteert hij niet wat mild? ... +Doch, gekheid op een stokje, wilt +Gij over 't stuk en zonder fleemen, +Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen, +Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen: +Hoor, 't is een guit, of brekebeen, +Dat allerliefste Apelles Zoontje! +'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje, +Had dus zijn dom of schalksch palet, +Vol wansmaak me op 't paneel gezet! + +Is dat het beeld van u, wiens krachten, +Reeds zoo veel duizende geslachten, +Met forschen arm en stalen vuist +Tot stof en pulver hebt vergruisd? +Is dat uw uitzigt, dat uw houding, +Waar eeuw aan eeuwen geen verouding, +Geen kreuk op hebben neêrgedrukt, +De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt? +En geeft dit misselijk geraamte, +(O kladderij, der kunst tot schaamte!) +Uw kloeke leest en aanschijn weêr? +Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer! +Uw wraak moet hem den kop verpletten, +Die dus uw beeld ten toon dorst zetten, +Zoo wage, een magtloos schilderworm, +Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm! + + + + + +DE GEKKEN. + + +En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen: +Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad! +Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad! +"En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen; +Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht-- +Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt! + +Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig! +Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud! +Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout +Een Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig! +Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek, +Den wijste der wijzen een' olijken trek! + +Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen, +Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd! +Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd, +Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen; +En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee +Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?" + +"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen," +Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf, +"Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!" +"Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen-- +En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet: +"Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret. + +Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken, +Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ... +Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor? +Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken? +"Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!" +Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol? + +Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen, +Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ... +"Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen, +"Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen! +"Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft +De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft! + +Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje, +En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult? +Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld! +Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje: +"Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid, +"Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!" + + + + + +STALEN PENNEN. + + +Wat! mijn hand zou ooit zich wennen, +Aan die harde stalen pennen? +Hoe de smaak ze hulde doet, +'k Haat dat schriftbedervend goed! +Telkens als haar punten sprikkelen, +Spatten zij wel duizend spikkelen +Op het hagelblanke vel, +Tot uw tergend zielsgekwel! +Dan, door vrekheid weêr gedreven, +Willen zij geen' inkt meer geven, +En, hoe forsch de hand ook drukt, +'t Is een kerel, wien 't gelukt, +'t Krabblend tuig tot deugd te schikken! +Wordt gij driftig, aanstonds prikken +Zij met scherp geslepen stift, +Gat bij gat, in blad en schrift! + +Wisten onze voorgeslachten +Anders dan van ganzenschachten? +En, wat is ons vuil gevlek, +Bij hun' zuivren pennetrek? +Op wat rij van kunstenaren, +Mogt het juichende oog niet staren, +Kunstenaars, wier eedle zwier, +(Of zij tooverde op 't papier!) +Keur van letters deden vloeijen! +Voor ons hanepooten knoeijen, +Had, voorheen, een schoolknaap wat +Duchtig met de plak gehad! +Ja, de kunst van sierlijk schrijven, +Zag men reeds zoo ver verdrijven, +Dat men, draaglijk schrift, verheft +Of het oog een wonder treft! + +Fraaije kunst! schoon 't staal u bande, +Keer, o keer weêr in den lande! +Breng ons, nutte ganzenveer! +Breng ons de eedle schrijfkunst weêr! + + + + + +MIJN GROOTJE. + + +Rees mijn Grootjen uit het graf, +(Ach, voor vijf en dertig jaren +Brak de draad haars levens af ...) +Met wat oogen zou ze staren, +Zag zij al de nieuwigheid, +Hier en daar in 't rond verspreid! + +Ja, zij meende 't was een droom, +Zag ze molens zonder wieken, +Voortgestuwd door kracht van stoom, +Met fabrijken en trafijken; +En, in 't werken zóó gezwind, +Dat het af schijnt eer 't begint! + +Zag ze schepen zonder zeil, +Bliksemsnel langs 't water glijden, +Tal van wagens op hun rail, +Vliegend, zonder paarden, rijden; +"Ik geloof me zelven niet," +Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!" + +Zag ze, met den knijpbril op, +'t Luchtschip boven de aarde zweven, +En, ten spijt van 't golvend sop, +Als een peil door 't zwerk gedreven, +(Wanneer vangt de proef weêr aan?) +Hoe verbijsterd zou zij staan! + +Zag ze de onnaspeurbre kracht, +Waar het goochlend magnetisme, +'t Menschdom meê aan 't duizlen bragt, +Of het toovrend galvanisme,-- +Zeker vroeg haar angstgekwel: +"Is de Duivel ook in 't spel?" + +Sloeg zij eens de werking gâ, +Der atmosferieke drukking, +Die uw hooge geestverrukking +Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_! +Werking, waar de stoom voor zwicht ... +Wie beschrijft haar aangezigt? + +Oxigéne-Microscoop! +Bragt gij al de monsterdieren +Die, in wriemelenden loop, +Door één' druppel waters zwieren, +Voor heur sidderenden blik,-- +Zij bestierf van louter schrik! + +Las zij, hoe ons Handelsblad (1), +Ook de huwlijks-koersen teekent; +Der verliefden beeld bevat! +Teederder om weêrmin smeekend, +Naar de markt is, laag, of hoog,-- +Schaamte sloot haar zedig oog! + +Doch, hoe turend keek ze wel, +Als zij honden kaart zag spelen? +Vlooijen op het krijgsbevel, +In soldaten zich hertelen? +Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,) +Dienen ze eens het land in nood! + +'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas +Kaars en olie wreed verbande; +Nieuwheidszucht het oude, als was, +Gansch herkneed heeft in den Lande; +"Salomo," zoo riep zij wis, +"Had het dan toch duchtig mis!" + +Maar, deed Grootjes liefdrijk hart, +Broeders! eens de vraag aan de aarde: +"Hebt ge, o aard! nu minder smart, +"Dan vóór gij die wondren baarde?" +Wat zou 't antwoord wezen, dat +Grootje dan te wachten had? + + + * * * * * + +(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de +huwelijks-aanvragen. + + + + + +GERUST IN DE ONSTUIME BAREN. + +(_Spreuk van Willem den Eerste._) + + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren; +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + +Cesar, prooi der woeste stroomen, +Weet de vrees zijns volks te toomen, +Door zijn kalm en rustig woord: +"Zou," spreekt hij, "uw moed versagen? +"Hebt gij niet, in spijt der vlagen, +"Cesar en 't geluk aan boord?" + +Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden, +Deed zijn heir ten strijd ontbranden, +Schoon aan d' afgrond van 't verderf; +En Oranje's legervanen, +Doen Albertus krijgsroem tanen, +Maurits rust behoudt het erf. + +Eerste Willem, Neêrlands Vader! +Zelfs bij 't lood van den verrader, +Bleef uw spreuk uw trouwe tolk: +Treffe een Gerards u moorddadig,-- +"Wees, o God! mijn ziel genadig," +Bidt gij--"en dit arme volk!" + +Hoe de nood-orkanen woeden, +Hoe, op 's levens holle vloeden, +Speelbal van het wislend lot,-- +Laat geen vrees uw hart vervaren, +Rustig op de onstuime baren, +En gelaten 't oog op God. + + + + + +EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM. + +(_Spreuk van Maurits._) + + +De vrije Nederlanden +Met regt alom vermaard, +Wier vlag, aan alle stranden, +Beroemd is over de aard',-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver; +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + +Het hemeltergend Spanje +Hoont Neêrlands goed en bloed, +Maar Neêrland en Oranje, +Ontvlamt in Heldenmoed! +"Wat! droppel aan den emmer!" +Brult Spanjes schepterklemmer, +"Wat wil uw ijdle droom?" +Doch, drupjes worden vloeden, +Die toomeloos vaak woeden,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De noeste Koopvaardije, +Met welvaart op 't gelaat; +De bloei der maatschappije, +De zenuw van den staat! +Wier altoos volle horen, +Haar goud, bij goud trezoren, +Ontlast met milden stroom; +Ofschoon uit niet gesproten, +Wie telt heur rijke vloten? +Het spruitje wordt een boom! + +Gij, landbouw en gij veeteelt, +Gezegend tweelingpaar! +Die zoo veel wellust meêdeelt, +Waarheen het oog ook staar'; +Uw welige akkers bloeijen, +Uw malsche kudden loeijen, +En geven enkel room! +Hoe klein gij zijt begonnen, +Wat schat hebt gij gewonnen ... +Het spruitje wordt een boom! + +Zie, Kunst en Wetenschappen, +Veredelen den geest! +Wie hoog staat op heur trappen, +Is ook eens laag geweest! +Maar langzaam opgeklommen, +Tot hare heiligdommen, +Met telkens minder schroom; +Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen, +De kroon der eere glimmen,-- +Het spruitje wordt een boom! + +De vrije Nederlanden, +Met regt alom vermaard, +Wier vlag aan alle stranden, +Beroemd is over de aard,-- +Ontwoekerd aan de plassen, +Aan wier en aan moerassen, +Door 't volk zoo vroed als vroom; +Door ongehoorden nijver, +Het pronkjuweel van d' ijver,-- +Het spruitje wordt een boom. + + + + + +VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND. + +(_Spreuk van Frederik Hendrik._) + + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Was Fredrik Hendriks leus. +Zijn trouwe deed die leus gestand, +Die ridderlijke keus; +Het lemmer aan zijn zijde, +Vloog hij verrukt ten strijde, +En toonde door zijn' moed, +Den oorsprong van zijn bloed! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland, +Verwoei zijn blikkrend zwaard; +De vijand vlood met schade en schand', +Voor 's Pruisen heldenaard! +Laat Flips het zelf getuigen, +Wat steden moesten buigen, +Voor Nassau's wrekend staal, +In dappre zegepraal! + +Voor Godsdienst en voor Vaderland! +Was naauw zijn' mond ontgleên, +Of de onverbreekbaarste eendragtsband +Bond Vorst en Volk aaneen! +Uw tooverwoord, Oranje! +Betemde 't matig Spanje, +En Neêrland vocht zich vrij, +Van snoode dwinglandij! + + + + + +DEUGD SCHEPT VREUGD. + +(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._) + + +Deugd +Schept vreugd; +Heerlijk woord! +Grijze en jeugd! +Zegt het voort,-- +Wijs, die hoort! + +Baat +Het kwaad; +Kwaad teelt smart, +Vroeg, of laat, +Voor het hart; +Dwaas, die 't tart! + +Houw +En trouw, +Aan de deugd! +Op haar bouw', +Grijze en jeugd,-- +Deugd schept vreugd! + + + + + +ELCK WAT WILS. + +(_Spreuk van Roemer Visscher._) + + +Bart en Art en Art en Bart, +Ruilden zamen hart voor hart! +Maar hun vrijen zal niet baten, +De Oudjes hebben 't in de gaten ... +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Jan en Griet, uw huwlijks-schip +Zeilt nog vast op bank en klip! +'t Laat zich uit uw oog wel lezen, +Ieder wil graag hoofdmast wezen-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid +"Zij ons zielesnoer geleid!" +Maar, na weinige oogenblikken, +Komt de twist dat snoer ontstrikken; +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Heerschers van het aardsch gebied, +Stelt uw vreugd in d' oorlog niet! +Spaar, o Groote Potentaten! +Spaar het bloed der Onderzaten! +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +O! die spreuk van d' ouden Bard, +Zij de spreuk van aller hart! +Doch de lust leer' zich bestrijden, +Van die spreuk niet te overschrijden-- +Elk wat wils, elk wat wils, +Dan voorkomt men veel geschils! + +Elk wat wils, maar, liefdrijk God! +Niet in uw volmaakt gebod! +Wilde dáár ook elk wat willen, +'t Ware uw wijze leer bedillen... +God! o hater des geschils, +Zijn wij steeds met U éénswils! + + + + + +GENOEGH IS MEER. + +(_Spreuk van Anna Visscher._) + + +Het daaglijksch brood-- +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + +Is hij slechts rijk, +Wiens woekrend slijk, +Al hooger klimt, +Al heller glimt? + +Hij arm, wie niet +Dien goudberg ziet? +Wiens eerlijk zweet +Hem kleedt en reedt? + +o Gij, beslis, +Ervarenis! +Uw wijze stem, +heeft kracht en klem: + +"Tevredenheid," +Zegt zij, "bereidt +"Het beste deel,-- +In weinig veel!" + +Het daaglijksch brood, +Wat gift, hoe groot, +O Opperheer! +Genoeg is meer! + + + + + +ELCK ZIJN WAEROM. + +(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._) + + +Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ, +En o! zij had het regt; +Die spreuk is zonder wedergâ, +De ervaring doet haar regt; +Want hoe men cijfert, dit 's de som: +Elk mensch op aard heeft zijn waarom! + +Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer +En God zij dank en lof; +Hij wierp ons niet op aarde neêr, +Als wormen in het stof; +Zijn vaderliefde rigt ons oog, +Naar 't zielvereedlendst doel omhoog! + +Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft, +Zijn' boezem ingeplant; +Het hart eene andre rigting geeft, +Tot eigen schade en schand! +Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch, +Misbruikt tot hoon van God en mensch! + +Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk +Ons aller wenschend wit; +Die spreuk zoo rein van smet en kreuk, +Waar de eêlste les in zit! +Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard, +Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'! + + + + + +ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN. + +(_Spreuk van Jacob Cats._) + + +Lieve Vader Cats! wat schat +Niet uw schoone spreuk bevat! +Onder welke luchtgewelven, +Op wat land het oog ook staart, +Elk spiegele zich zelven, +Die spreuk geldt voor heel de aard'! + +Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad +Onpartijdig met u raad; +Durf in eigen boezem delven; +Zie wiens beeldtenis gij draagt,-- +Elk spiegele zich zelven, +Eer hij zijn lot beklaagt. + +Judas, die zijn' Heer verried, +Spiegelde zich zelven niet; +Hebzucht bande pligt en rede; +Jezus jongrental werd elf ... +Wacht u voor de eerste trede, +Elk spiegele zich zelv'! + + + + + +'T KAN VERKEEREN. + +(_Spreuk van Bredero._) + + +Niets bestendig, +Alles endig, +Wat de wislende aard' bevat; +'t Kan verkeeren,-- +Dat te leeren, +En, wie vreest Fortuna's rad? + +Lieve schoone! +Die de kroone +Der ontloken jongheid draagt,-- +Ach, de jaren, +Die niets sparen, +Hebben ras uw schoon gevaagd! + +Aardsche Magten, +Die uw krachten, +Onverwinbre krachten waant,-- +'k Zie uw rijken +Reeds bezwijken, +En uw glorie-zonne taant! + +o Hoe groeijend, +o Hoe bloeijend, +Was der Vadren Koopvaardij! +Maar verzwonden +Zijn die stonden, +Zelfs geen schaduw bleef ons bij! + +Doch in eere, +Wat verkeere, +Blijve Neêrlands houw en trouw; +Neêrlands rondheid, +Neêrlands promptheid, +Zij de steun van 't staatsgebouw! + + + + + +HORA RUIT (1). + +(_Spreuk van Hugo de Groot._) + + +De tijd vervliegt,-- +Vlugger dan een paard, +In zijn vleugelvaart, +Door geen kracht te toornen! +De tijd bedriegt,-- +Wie op hem betrouwt, +heeft op zand gebouwd, +Heeft geloofd aan droomen! + +De tijd vervliegt,-- +Sneller dan het licht +Van een' bliksemschicht, +In het niet verdwenen! +De tijd bedriegt,-- +Als een leugengeest, +Die den mensch beleest, +Lagchende in zijn weenen! + +De tijd vervliegt,-- +Wakkere de Groot! +Maar, hoe ras hij vlood, +Kon hij u bedriegen? +De tijd bedriegt,-- +Daarom nam uw keuz', +Ook die spreuk ten leuz', +Lettende op zijn vliegen! + + * * * * * + +(1) De tijd vervliegt. + + + + + +PEUT-ETRE (1). + +(_Spreuk van Hendrik van Brederode._) + + +Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind, +Van welk eenen kant het moog' waaijen; +Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind, +Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen! +Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên? + Misschien. + +Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt, +De jongen is ganschlijk beteuterd; +Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt, +Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert! +Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien? + Misschien. + +Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht, +Hij leeft en beweegt in zijn glorie; +Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt, +Bekraait slechts zijn haan met victorie! +Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien? + Misschien. + +De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol, +Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen; +'t Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol, +Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen! +Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'? + Misschien. + + * * * * * + +(1) Misschien. + + + + + +REPOS-AILLEURS (1). + +(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._) + + +Als de baren u vervaren, +Op de onstuime zee, +Laat de hoop uw' geest bedaren, +Op een stille reê; +Schoon de noodstorm u onthutst, + Elders rust. + +Pelgrim, door de dorre zanden, +Van dees rarnpwoestijn! +Laat de dorst uw keel verbranden, +Doet de togt u pijn,-- +Ééns wordt al uw leed gesust, + Elders rust. + +Ja, het leven is doorweven, +Met veel smart en rouw; +Maar Gods woord is ons verbleven, +En Gods woord is trouw; +Worde ook 's levenslamp gebluscht, + Elders rust. + + * * * * * + +(1) Elders rust. + + + + + +VITA MORTALIUM VIGILIA (1). + +(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._) + + +Een nachtwake is het leven, +De wieg grenst aan het graf; +Wij jagen en wij streven, +Door de aardsche disteldreven, +Als brak het nimmer af! + +Een nachtwake is het leven, +Roemzuchtig oorlogsheld! +Hoe hoog in magt verheven, +Het is den dood om 't even, +Ras ligt ook gij geveld! + +Een nachtwake is het leven, +Moed, lijdende onschuld! moed, +Waartoe dat angstig beven? +Uw webbe is haast geweven, +De dood, uw redder, spoedt! + +Een nachtwake is het leven, +Meêdoogenlooze vrek! +'t Gaat alles u begeven, +Waaraan uw hart blijft kleven, +Dra roept de dood: "vertrek!" + +Een nachtwake is het leven, +Dat elk zijn ziel bereid'! +Want o! er staat geschreven, +In 't woord aan ons verbleven: +"Op tijd, volgt eeuwigheid!" + + * * * * * + +(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake. + + + + + +GETROUW. + + +Foei, Hendrik! is dat mallen! +Foei, is dat dartel kallen! +Wat hebt gij ze in de mouw ... +Gij stoeit altoos met Mina +En gaaft uw woord aan Lina, +Is, wufthoofd! dat getrouw? + +Gaat, jongen! gij in 't vrijen +Reeds zoo het pad bezijen, +Hoor, hoe ik het beschouw: +Pas heeft u de echt verbonden, +Of gij hebt d' echt geschonden, +Uw liefde is niet getrouw! + +En maakt u 't huwlijk vader; +Wie, die uw kroost ten rader, +Zijn pligten het ontvouw'? +Ach, naar uw' boozen handel, +Rigt ook het kind zijn' wandel, +Uw voorbeeld steeds getrouw! + +Uw snoode deugdonteering, +Bant nering en hantering, +Wat wordt van kroost en vrouw? +Een worm moet u doorknagen, +Als nooddruft hen doet klagen: +"Gij waart ons niet getrouw!" + +Is dat uw burgerpligten, +Betamelijk verrigten, +Tot steun van 't staatsgebouw? +Gij ziet door elk u haten, +Als de ergste pest der staten, +In niets zijt gij getrouw! + +O! laat uw jeugd nog raden! +Vlied, vlied, de onkuische paden, +Door tijdig naberouw! +Gij weet, Gods woord verkondigt: +"De straf volgt hem, die zondigt,"-- +Gods woord, het is getrouw! + + + + + +'T UUR IS DAAR! + + +"'t Uur is dáár! +"Moedig maar! +"Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje, +"Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje; +"'t Uur is dáár, +"Voor het toevend echtaltaar!" + +"'k Gaf mijn hand, +"U ten pand," +Antwoord ze onder lieflijk blozen, +"'k Heb voor duizend u verkozen,-- +"'t Uur is dáár, +"Zegen ons, Alzegenaar!" + +En nu hecht, +De eerbare echt, +Trouwe Twee! uw zielen zamen; +'s Priesters mond zegt plegtig, Amen! +'t Uur is dáár, +Veel geluk, beminlijk paar! + +Blijde stond! +'t Jaar verzwond, +En aan Elsjes blanken boezem, +Prijkt een frissche huwlijksbloesem; +'t Uur is dáár, +'t Zaligst uur, voor hem en haar! + +Treft hun hart, +'s Levenssmart,-- +Koen wijst Elsje naar den Hoogen, +Zegt en wischt heur schreijende oogen; +'t Uur is dáár, +"Maar God helpt soms wonderbaar!" + +Als 't verdriet, +Henenvliedt,-- +O! dan spreekt weêr Elsje teeder: +"Knielen wij eerbiedig neder, +"'t Uur is dáár, +"Onzer dankbeê na 't gevaar!" + +Moet een pligt, +Nog verrigt,-- +Beiden brengen, kloek van zinnen, +Aan hun' geest dien pligt te binnen; +"'t Uur is dáár!" +Zeggen zij dan tot elkaár. + +Vroeg ontbood, +Hen de Dood-- +Doet die roepstem hun niet beven? +Neen, zij laten kalm het leven; +'t Uur is dáár,-- +Maar tot de afreis zijn ze klaar! + + + + + +HUWELIJKS-LIEDJE. + + +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar opent zich het hart; +Daar geven zang en gulle kout, +Het zielestreelendst onderhoud; +Waar blijdschap woont, +Waar vreugde troont, +Daar vlugten druk en smart! + +Klink' blij van geest, +Dan op dit feest, +En stem en citersnaar; +Waar liefde en trouw verbonden sluit, +Daar dreune en davre 't zanggeluid, +Klink blij van geest, +Dan op dit feest, +Een lied voor 't jeugdig paar. + +Geluk en vreê, +Is aller beê, +Geliefden! voor uw lot; +Ons hart blijft aan uw heil gehecht, +Des Hoogsten zegen kroone uw' echt; +Geluk en vreê, +Is aller beê, +Verhoor die bede, o God! + + + + + +DE OOIJEVAARS. + + +Hoezee! daar komen de Ooijevaars +Weêr fladdrende aangevlogen! +Zijt welkom, lieve Klepperaars! +Met vreugd zien u mijne oogen. +Zijt welkom uit het vreemd gewest, +Strijkt neder op het toevend nest! + +Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit: +"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen? +"De wintervorst is heengebruid, +"De schepping staat herschapen! +"De lente is daar, het huis ontvlugt, +"Naar buiten, in Gods vrije lucht!" + +o Vogels! welk een bron van vreugd, +Doet niet uw komst weêr stroomen! +Een welkomthuis, zoo vol geneugt ... +Wie had het kunnen droomen? +'t Is, waarlijk, of gij iedren Maart, +Nog meerder giften schenkt aan de aard'! + +Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis +Waarop ge uw' zetel stelde, +Bevrijd van druk, bevrijd van kruis, +Zoo als de faam vermeldde? +Hoe 't zij, 't is zeker en gewis, +Dat elk uw komst tot blijdschap is. + +Hoog wordt ge in Nederland geacht, +Uw regten zijn er heilig; +Waar ge ook uw woonstede overbragt, +Zijt ge ergens meerder veilig? +Want wee de hand, die in ons oord, +Uw bouwing schendt, uw rust verstoort! + +Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag +U in zijn wapen leven? +Daarheen wendt zich de blik zoo graag, +Wanneer ge ons hebt begeven; +Dan juicht het harte blij gezind! +Gij zijt het sprekend, beste vrind! + +Doch, vogels! niet aan dos, of zang, +Zijt gij die eer verschuldigd, +Uw deugd voert u tot d' eersten rang, +Uw deugd, die de aarde huldigt; +Want kuischheid woont in uw gezin (1), +Bij ouderliefde en kindrenmin. + +Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond +Wordt lagchende u ontsloten, +Geniet de weelde van deez' stond, +Teêrminnende echtgenooten! +Een frisch gepluimte, u beider beeld, +Zij 't heil, dat u de toekomst teelt! + +En als gij tegen 't koud saizoen, +Met de uwen weêr gaat trekken, +En we allen uitgeleide u doen, +Zoo ver het oog kan strekken; +Dan roept nog de echo duizend keer: +"Geluk op reis, komt haastig weêr!" + + * * * * * + +(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend. + + + + + +OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN. + + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + +Hij droeg de grijze kroon +Der zilverblanke opregtheid,-- +Geen Koningskroon zoo schoon! + +De nutte boerenstand, +Werd aan zijn vlijt tot werkkring +Beschikt van Hoogerhand! + +Was landbouw al zijn lust,-- +Nu scheen de schoot der aarde +Na d' arbeid, zoete rust! + +Geen hartelijker vrind, +Schonk immer de verkeering; +Hem minde grijze en kind! + +Zijn leuze als echtgenoot, +Als teederste aller vaders, +Was: "trouw tot in den dood!" + +Hij stelde op eenvoud prijs, +Aartsvaderlijke zeden! +Gij waart zijn levenswijs. + +Ofschoon noch rijk, noch arm, +Mogt hij de nooddruft steunen, +Dan sloeg zijn harte warm. + +Naar hem de wet beval, +Zóó minde hij zijn naasten,-- +Maar o, God bovenal! + +Op Christus zoenverbond, +Was al zijn hoop gevestigd, +Tot in zijn' jongsten stond! + +Hij was een brave man! +Wel hem, van wien de waarheid +Dien lof getuigen kan! + + + + + +AAN EEN' FAT. + + +Gij, zoo erbarmelijke Fat! +Die uw kleedij het hoogste schat, +U zelv' vergoodt en wendt en keert, +En als een paauw in 't rond _spanceert_! +Die, rusteloos, u elken dag +Versiert met telkens bonter vlag; +Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht +Aan d' oorsprong van de kleederdragt? +Hoe zij der zonde kenmerk is, +Het toonbeeld der verdorvenis? + +En gij, o bontgetooide pop! +Gij flikt en kwikt en strikt u op, +En weet niet, dat u juist verneêrt, +Hetgeen gij waant, dat u vereert ... +Waardoor ontstond in 't paradijs +Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs. + +Geloof me, een waarlijk kloeke geest, +Kiest zich een kleed naar vorm en leest; +Naar jarental en luchtklimaat, +Een eerbaar kleed, naar rang en staat! +Een kleed, dat ieders achting wekt, +En niet den spot ten lach verstrekt. + + + + + +DE LACH. + + +'k Zing, door vreugd gedreven, +De eêlste gift van 't leven; +'k Juich, dat ik het mag! +'k Zing het blijdschaps-teeken, +(Wijkt, o tranen-beken!) +'k Zing den lieven lach! + +Jongling! kent ge op aarde, +Schat van grooter waarde, +Dan den lach der min? +Wat den boezem griefde, +'t Lachje van de liefde, +Balsemt ziel en zin! + +De eerste lach van 't wichtje, +Op het lief gezigtje, +Door het oog bespied,-- +Teedre lach van d' Engel ... +God! wat heilgemengel! +Ouders! gij geniet. + +Bij het leverschudden, +Als de lach met mudden +Vreugde en blijdschap meet,-- +'t Droevig stofgewemel, +Wordt een blijde hemel, +Waar is, aarde! uw leed? + +Troost! als ge onschulds smarte, +In het treurend harte, +Medelijdend sust,-- +Laat zich op haar wezen, +'t Kalme lachje lezen, +Dat in God berust. + +Zaagt gij ooit de dieren +Lagchend vreugde vieren, +Hoe verheugd van geest? +Juich! ook 't lachvermogen, +Mag u, mensch! verhoogen, +Boven 't reedloos beest! + +Wie zijn strakke trekken, +Nooit ten lach voelt wekken, +Vlied den norschen draak! +Schoon u 't purper kleedde, +Wreede Flips de Tweede! +Vlood de lach uw kaak (1). + +Lach! o te aller stonden, +Waart gij naauw verbonden +Aan de blanke deugd; +De edelste der gaven, +Smaken slechts de braven, +'t Lachje van geneugt. + +Want, de lach der boosheid, +Die der valsch- en loosheid, +Waanzin, wanhoops-lach,-- +Wie dat lach kan heeten, +Is den lach vergeten, +En ziet nacht voor dag. + +Molmen bint en stutte, +Van mijn leemen hutte, +Dat de dood ze sloop', +Moge, in 't laatst van 't leven, +Slechts mij 't lachje omzweven, +'t Lachje van de hoop. + + * * * * * + +(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede +nooit lachte. + + + + + +HET WEESJE. + + +Zuigling van uw wieg af wees? +Welk een booze ster verrees, +Die uw' prilsten levens-stond, +Zoo veel bittren rampspoed zond? +Was uw eerste levenskreet, +Dan een voorgevoel van 't leed, +Dat u, van uw wiegjen af, +Zou vervolgen tot aan 't graf? + +Jongske! hoor, er heerscht een magt +Over 't menschelijk geslacht, +Die met toorneloos geweld, +Alles in haar boeijen knelt; +Die geen medelijden voedt, +In het altoos koud gemoed, +Maar met onbewogen hart, +Neêrziet op de diepste smart: +Die de gâ, der gade ontrukt; +d' Ouden staf, naar 't graf gebukt, +Wreedelijk berooft van 't kroost, +Al zijn steunsel nog en troost: +Die, eer 't pasgeboren wicht, +De oogjes opende voor 't licht, +Reeds zijne ouders van hem nam ... +'t Was uw lot, onschuldig lam! +Kind! die schrikbre dwingeland, +Die der wereld vreugd verbant, +En slechts waarschuwt met den stoot, +Is, (verbleekt gij?) is de dood! + +Wichtje! welk een zielsgenot +Kroonde uw ouders huwlijkslot! +Al de droomen hunner jeugd, +(Zoete droomen, vol geneugt'!) +Duizendwerf elkaar gezegd, +Ja, nog meer, vervulde de echt! + +Zie, het zaligst levensuur, +Zet hun volle borst in vuur, +Nu het lagchende verschiet +Nooit gesmaakten wellust biedt! +O, een telg ... maar God! wat rouw +Overvalt de blijde vrouw? ... +Bange vrees en angst en schrik, +Spreken uit uw moeders blik: +"Dierbre gade!" gilt zij uit, +Maar reeds mist hij zijn geluid, +Plotsling zeeg haar zielsvriend neer, +Kind! gij hebt geen' vader meer! + +Is het al niet--zwaarder ramp, +Ongeboorne! wacht ten kamp, +'t Uur van barensnood breekt aan, +Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ... +Angst en doodstrijd zijn gestreên, +Arme Wees! gij staat alléén. + +Hulpelooze onnoozelheid! +Knaapje! dat zoo bitter schreit, +En slechts tranen drinkt voor zog, +Ach! waartoe bestaat ge toch? +Waarom velde de eigen hand, +Niet met de ouders, ook het pand, +'t Had, van rampen onbewust, +Sluimrende aan hun borst gerust; +Dood! waarom gescheiden, 't geen +Wat het leven smolt tot één? + +Wie erbarmt zich uwer, kind? +De aarde is vaak zoo schaars gezind, +Tot meewarig helpen, van +Wie zij hulp onttrekken kan. +Geeft niet iedre wezenstrek, +Een bewijs van uw gebrek? +En het nijdig noodlot zendt, +Honger, kommer, ziekte, ellend'! +Hoe verlaten nooddruft kermt, +Niemand, die zich 't wicht ontfermt! +Niemand? Zwijg, Godlastrend woord, +Eer de Hemel zich verstoort, +Om uw schuldig albedil,-- +God is liefde! mensch, zwijg stil. +Zie, het Alziend Vaderoog, +Ziet genadig van omhoog, +Op het klagend wichtje, dat +Zonder God geen' redder had. +Hij, die 't muschje niet vergeet, +Zag des Weesjes droevig leed, +En het lachje van genugt', +Jaagt de traantjes op de vlugt! +Eer vergeet de moederborst, +'t Lesschen van des zuiglings dorst, +Eer Hij de onschuld hulploos laat, +Die ter prooi aan 't onheil staat! + +Moed dan, Weesje! God vertroost +Steeds het ouderlooze kroost; +Weert hun nooddruft, stilt hun pijn, +En wil zelfs hun vader zijn! +Ja, roept niet zijn eigen Zoon, +Op den minnelijksten toon, +In het teederst liefdeblijk, +Kindren voor zijn Koningrijk? + +Vrage dan verblinde waan +Naar het doel van uw bestaan, +Om het grievende gemis, +Dat uw jeugd beschoren is;-- +Kind! opregte Godvrucht staart +Op een hooger wit dan de aard', +Deernis voedende in uw' druk, +Juicht zij toch in uw geluk! + +Nu dan, teedre bloesemknop! +Groei en luik voorspoedig op! +'t Schrikkelijke noodweêr vlugt +Reeds voor zoeler, milder lucht: +Zie, de beste Hovenier +Geeft uw jeugdig leven tier, +Hij bewaakt u en aanschouwt, +Hoe ge uw bladertjes ontvouwt. +Stel zijn zorgen niet te loor,-- +Breke straks het vruchtje door, +Dat, met blosjes lief en zacht, +Rijpende ieder tegenlacht! +O dan wordt gij, jonge bloem! +Eenmaal nog der wereld roem, +En het juichende aardrijk looft, +Wijd en zijd, uw heerlijk ooft! + + + + + +HUWELIJKSVEREENIGING. + +(_den 8 October 1842._) + + +Wat hooge vreugd vervult den Koning? +Wat innig heil de Koningin? +Wat plegtigheid doordringt de woning, +Van Neêrlands eerste huisgezin? +Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ... +Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert? + +Het huwlijks-altaar staat te branden; +Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt; +De dienaar Gods heft hart en handen, +Daar hemelsche aandrift hem bezielt: +Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar, +Den zegen van d' Alzegenaar! + +En zie, alsof een hand van boven, +Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt, +Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven, +Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt, +De priester hecht in 's Heeren naam, +Door 't snoer des echts twee harten zaâm! + +Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'? +Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk? +Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren! +Sophia, 's lands Prinsesse, schonk +Aan Weimars Hertog, hart en hand; +Geen schooner echt kwam ooit tot stand! + +Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders! +Geluk in 't voorregt van uw kroost! +Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders +Maar o! deez' blijde dag schenkt troost! +Heil u ook, pas verbonden Twee! +'s Lands beê volgt u tot Weimar meê! + + + + + +DRIFT. + + +Onbezonnen drift, versmoort +Iedre vreugde-vonk, en stoort +'s Levensheil op aarde; +Hoe de glimp haar kwaad verbloemt, +Liefderijke eensgezindheid doemt +Die steeds tweedragt baarde. + +Zie, naauw is haar toorn ontbrand, +Of oploopendheid verbant +IJlings pligt en rede; +Vreugde kent geen kortswijl meer, +Als in 't lagchende weleer, +Want haar leuze is: vrede! + +Maar smelt' laster ook heur' naam? +'k Hoor haar deugden door de Faam +Toch zoo luidkeels prijzen: +"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad, +"Goed van inborst, schuwt ze een daad, +"Die haar ziel doet ijzen!" + +IJzen? Wie der lippen wacht, +In zijn razernij veracht, +Doet beraad hem spreken? +Welk geheim de heethoofd weet, +'t Staat al loerende gereed +Uit den mond te breken! + +Drift is als een dolle hond, +Die wreedaardig ieder wondt, +In zijn blindlingsch woeden; +Ach! zij deed met fellen beet, +Zoo meêdoogenloos als wreed, +Menig harte bloeden ... + +Wie verstandig heeten wil, +Wie goedhartig, haat de gril, +Om, bij beuzelingen, +Elk tot spotternij en schrik, +Plotsling, ieder oogenblik, +Uit zijn vel te springen! + + + + + +DE LASTER. + + +Hoe de laster smaal', +En door vuige taal, +Deugd haar kroon bezwalke,-- +'t Schendend lipvenijn, +Schoon het de aard' verschalke, +God verblindt geen schijn! + +Zie, de nevel zwicht, +Voor het zonnelicht, +Dat de waarheid bloot leit; +En de pest der aard', +Staat, in al zijn snoodheid, +Naakt geöpenbaard. + +Wat zijn helsche togt, +Gruwlijks zamenwrocht, +Tot zijn naastens smarte,-- +'t Plet zijn' eigen kop-- +God doorzag zijn harte, +En stond wrekend op! + + + + + +EENVOUD (1). + + +Eenvoud, beminlijke schoone! +Nog nooit naar verdienste geschat; +Van iedre schoone de kroone, +En toch op uw schoonheid niet prat; +Die zinloozen pronk kunt versmaden, +Hoe wansmaak er gapende op tuur,-- +U hullende in eigen gewaden, +In 't hemelsche kleed der Natuur! + +De gordel der liefelijkheden, +Die Ciprus haar tooverkracht gaf, +Versiert uw bevallige leden, +Zij stond, bereidvaardig, dien af: +"U," sprak zij, "u moet hij omhullen, +"Wie meerder dan gij is hem waard? +"Die zoo veel geluk zult vervullen, +Tot zegen der jubelende aard!" + +En evenwel, weinige aanbidders +Voor u in het blinkende staal; +Bestegen de meeste der ridders, +Voor vreemdere kleur niet het zaal? +Waar 't letterveld ook wordt ontsloten, +Voor strijders verhit op den krans, +Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten, +Schaars breekt men voor Eenvoud een lans! + +Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde, +Het leven had vreugdvoller loop; +Wie ooit op uw weldaden bouwde, +Beschaamdet gij nooit in zijn hoop! +Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven, +Of waar zich uw voetdruk bevindt, +'t Krijgt alles een krachtiger leven, +Een lieflijker aanschijn en tint. + +Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt, +In lusthof, in bosschen en beemd, +Een meer dan Arkadische schoonheid, +Die 't kluistervaste oog er verneemt; +Had bouwlust in steden en dorpen, +Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt, +Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen, +Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht! + +Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde +Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst! +Wie gij tot het priesterschap wijdde, +In 't heerlijk gebied van de kunst! +Wat lauwer op aarde verdorde, +Zijn eerloof tart tijden en lot, +Met regt prijkt een Cats in uwe orde, +Maar Swaanenburgs naam werd ten spot! + +Door Eenvoud is Neêrland verrezen +Uit modderig slijk en moeras; +Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezen +Zoo groeijend en bloeijend als 't was; +Den weg, door de Vadren betreden, +Wijst Eenvoud het nakroost nog aan, +Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden, +En welvaart, en kunstschoon ontstaan! + + * * * * * + +(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met +mijn doel overeenkomt. + + + + + +AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR. + + +Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt, +Uw geestlijk oog aanschouwt een licht, +Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister: +Gij voert, door 't zuiverst toongeschal, +U in dat rijk, waar hemelval +Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister! + + + + + +DE MUIS. + + +In mijn' leuningstoel gedoken, +Bij het scheemren der Natuur, +Voor de gure winterspoken, +Veilig bij mijn haardsteê-vuur, +Door verbeelding, in 't verleden, +In de toekomst en het heden, +Tooverende rondgeleid, +In het groot geheel verloren ... +Wat geridsel laat zich hooren, +In mijn peinzende eenzaamheid? + +Uit een klein behangselgaatje, +Kruipt, door honger aangespoord, +Trillende als een popelblaadje, +Een vreesachtig Muisje voort: +In en uit heur holtje sluipend, +Luistrend om zich henen gluipend, +Wordt het telkens meerder vrij; +Turende met grage blikken, +Of er ook iets valt te bikken, +Komt het na en nader bij! + +Angst en vreeze vloden henen; +Zie, de dartelende Muis, +Is in de etenskast verdwenen, +En voelt zich zoo goed als t' huis! +O! wat nooit gesmaakte weelde, +Nu haar jeukend maagje streelde, +In dat rijk luilekkerland! +'t Beestje kan zich wel begraven, +In de keur van lekkre gaven,-- +Alles is er naar zijn' tand! + +"Maar, ei zie! dat traliehokje, +"Wat hangt dáár voor lekkers in? +"'t Schijnt mij een begeerlijk brokje, +"'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!" +'t Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ... +Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen, +Hoor, wat slag! de valklep sluit! ... +Muisje! door te veel te willen, +Moest gij al uw heil verspillen,-- +Trek, o Mensch! er leering uit. + + + + + +TEHUISKOMST. + + +Overdierbaar plekje grond! +Vorden, 'k mag u weêr betreden! +Stort u uit, mijn dankbre beden, +Die mijn' boezemtogt verkondt! +Stort u uit om Hem te prijzen, +Die met de eêlste gunstbewijzen, +Mij begiftigde op deez' stond! + +'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch, +Weêr het lagchend oord genaken, +Waar ik zoo veel heil mogt smaken, +Waar mijn wellust was en is! +Was en is en zal beklijven, +Tot mij 't schoone schoon zal blijven, +Tot ik kracht en leven miss'! + +Maar, van waar dat blij gedruisch? +Vriendschap komt op vlugge voeten +Mij, van wijd en zijd, begroeten, +En geleidt me in vreugd naar huis! +Trouwe vriendschap, die mij de aarde +Meê herschept ten bloemengaarde, +Lieflijk klinkt uw stemgeruisch! + +Komt nu, dierbren! komt nu snel +Naar mijn landelijke woning; +Dat ook dáár de vreugdbetooning, +Als van ouds ons weêr verzell'! +Hospes! stoot mijn kamers open, +'k Ben de stad voor 't land ontloopen, +Zeg, is alles bij u wèl? + +'k Ben weêr thuis, vivat! vivat! +_Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden! +Zoekt een plaatsje en gij zult vinden, +De etiquette's zijn in stad! +Nader, Langhals, uit den kelder! +Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder, +Huldigt Bacchus heerlijk nat! + +"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,-- +o, Hij maakt me vreugdedronken, +'t Wachtend glas weêr ingeschonken; +Want ik heb een' toast er bij: +_Vordens groei en bloei en leven; +Dat het, tot de laatste neven, +Rijk door God bevoorregt zij!_ + +Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt; +Laat ons buiten, vrienden! buiten! +Wat de ziel gevoelt, ontsluiten, +Buiten, in de vrije lucht! +Hoort, en Vink en Filomeeltje +Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje, +Zij die dank ook onze zucht! + +God! wat is uw Schepping schoon! +Onnaspeurbre hemelzegen, +Spreidt uw goedheid allerwegen, +Aan de juichende aard' ten toon! +En de geur van bloem en kruiden, +Komen, op de wiek van 't Zuiden, +Stoeijende af en aan gevloôn! + +Broeders! ja, ons heil is groot! +Staan wij, zeg, in de eigen streken, +Die mijn hart voor twintig weken, +Zijn meêwarig afscheid bood? +Toen ik alles zag versagen, +Voor de gramme najaarsvlagen, +En zag worstlen met den dood! + +Als een Feniks, o Natuur! +Zijt ge glansrijk weêr verrezen, +En uw jong, aanvallig wezen, +Zet mijn volle borst in vuur! +Naauw aan 's Winters boei onttogen, +Ben ik naar u toegevlogen, +In het allerwenschlijkst uur! + +'k Heb u, Lente! dag en nacht, +Van bewondring opgetogen, +Aangestaard met turende oogen, +Waar de wil van 't lot mij bragt; +Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken, +De innigste uwer tooverblikken, +Heeft me in Vorden toegelacht! + +Vorden! Vorden! neem mijn lied ... +Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)? +Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden, +Dat ik luistere en geniet! +o, Met regt, begaafde zangster! +Zijt gij hier mijn plaatsvervangster! +Dat u milde dichtaâr vliet! + +Onvergeetbre levensstond! +Nooit gesmaakte zegeningen! +'k Hoor mijn Vordens lof voldingen, +Door den liefelijksten mond! +God! verhoor nu nog deez' bede: +Geef, dat eens mijne asch, in vrede +Rusten moge, in Vordens grond! + + * * * * * + +(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten. + +(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld, +van eene Dame mijner kennis. + + + + + +WIE? + + +Ai, zie! de afgrijsbre komt, +En aller mond verstomt, +Hij spreekt, en op zijn woord +Zijn lust en rust verstoord; +De keel voelt zich beklemd, +De boezem zich ontstemd, +En nooit gekende smart, +Wordt meester van het hart. +Hij steelt het edelst goed +Aan uw geschokt gemoed, +En geeft, wat hij belooft, +U niets, voor 't geen hij rooft. + +Die ééns hem heeft gezien, +Wenscht altoos hem te ontvliên, +En voelt zich zóó bevreesd,-- +Alsof een booze geest +Met eindeloos gekwel +Hem aangrijnsde uit de hel! + +Wie, zangster! is 't gedrogt, +Wiens vuigen boezemtogt, +Den schrik verspreidt door 't bloed? +Wiens naam reeds siddren doet? +En somber trilt' heur snaar: +"Het heet? Godslasteraar!" + + + + + +DE MENSCH. + + +Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt? +Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt? +Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt? + O God der Goden! +Gewisselijk, een schepsel onbesmet, +Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet, +Wiens neigend oor, steeds onderworpen let + Op Uw geboden! +Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt! +(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...) +Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt, + Hem ten verderve! +Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed, +Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed; +En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed, + Genâ verwerve! + + + + + +AAN EEN' SCHILDER. + + +Wie boeit mijn turende oogen, +Door 't onbegrensd vermogen, +Van 't scheppende penseel? +Wie doet door keur van verwen, +Mij 't hoogst genot verwerven, +In 't liefelijkst tafreel? + +Wiens geestkracht mag 't gelukken, +Natuur den palm te ontrukken, +Door de overmagt der kunst? +Gij, puik der toovenaren! +Genie, waarop wij staren! +Bestraalt ons met die gunst. + +Neen, 't is geen schijn, 't is leven! +Die beemden, bosschen, dreven, +Die jagt en wildernis, +Dees vleugelvlugge honden ... +'t Moet al uw' roem verkonden, +Die spreekt, het zij! en 't is. + +o, Oogbetoovrend schilder! +Waar werden gaven milder +Een' sterveling verpand? +God schraag' nog lang uw krachten, +Tot vreugd voor die u achten, +Tot roem van 't Vaderland! + + + + + +DE GRAFSTEEN. + + +Hun edel harte slechts tot gids, +Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk, +Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits, +Naar 's Heeren sombre grafspelonk; +Om nog met kostbre specerijen, +Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen. + +En nu het doel al nader treedt, +Daar, plotsling, breekt het zwijgen al: +"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet, +"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?" +Dat had heur ijvren niet bezonnen, +Toen zij den vromen togt begonnen. + +Geen bliksemschicht treft meerder snel, +Geen donderslag slaat zóó ter neêr, +Gelijk dat woord vol zielsgekwel! +Toch geeft de liefde voor den Heer, +haar moed en kracht om voort te treden, +Hoe fel door angst en vrees bestreden. + +Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred! +De steen, die 's Heilands grafplaats drukt, +En u de teedre borst verplet,-- +God spreekt--die steen is afgerukt! +Hij zal de zijnen niet begeven, +Juicht, Jezus leeft en gij zult leven! + +o Liefde Gods, die wondren doet! +o Heilgenade, ondenkbaar groot! +Hoe menig steen drukt nog 't gemoed, +Dien de Almagt afwendt in den nood, +Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken? +Een Engel daalt, de steenen wijken! + + + + + +TOONKUNST. + + +'k Min u, muzikale woorden, +Taal der Toonkunst, 'k min u teêr! +U, zielroerbre klank-akkoorden, +Die uw' oorsprong hebt uit oorden, +Meer volmaakt dan de aardsche sfeer! + +Die het hart als was kunt kneden, +Aan uw meesterschap ten buit; +Lachjes, tranen en gebeden, +Heldenmoed en teederheden, +Opwekt naar den wil der luit! + +Grijpt de geestdrift der geniën, +'t Goddelijke speeltuig: hoor! +Strijdrumoeren, elegiën, +Liefdes zachte melodiën, +Roeren, schokken, 't luistrend oor! + +Orpheus Cither speel--verbeden +Is de nooit verbidbre dood! +Op den klank uw harp ontgleden, +Vlijt zich steen op steen, en steden +Staan, Amphion! trots ten toon! + +Doch geen fabel schenkt u luister! +Hooger, Toonkunst, klimt uw lof! +(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?) +Vrij, ontdaan van aardsche kluister, +Klinkt uw stem in 't geestenhof. + +Als de rei der Hemellingen, +Om Gods heilgen troon gestuwd, +Hem, den oorsprong aller dingen, +'t Heilig, heilig, heilig, zingen, +Is hun lied en snaar gehuwd! + +Goddelijke Harpenaren! +Stort den schoonsten hemelval! +Dank moet mensch en Engel paren! +Voor de gift der gouden snaren, +Dank aan d' oorsprong van 't Heelal! + + + + + +GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_. + + +Met diep ontroerd gemoed, +Wijde ik uw graf mijn' groet, +Te vroeg ontslapen zanger! +Gij, Staring! de aarde ontrukt ... +Waar is de plaatsvervanger, +Die uwen voetstap drukt? + +Treur, achtbre Wildenborch! +Uw bloei was al zijn zorg; +Hij gaf u vreugd en leven;-- +Uw heldre zon zeeg neêr; +'t Werd somber in uw dreven ... +Uw Landheer is niet meer! + +De trots van Gelderland, +Wien braafheid en verstand +Met schoonen glans mogt sieren,-- +Zijn levensdraad brak af ... +Schonk hem de kunst laurieren, +Nu weeklaagt ze op zijn graf. + +Nu zwijgt zijn citertoon, +Zoo krachtig, kunstig, schoon, +En Febus Priesterscharen, +Staan in het kunstenkoor +Den lievling na te staren, +Dien het te vroeg verloor. + +Weêr heeft het Vaderland, +Een' kostbren diamant +Uit de achtbre kroon verloren! +En gade en minnend kroost +Staan, bij der dichtren koren, +Weemoedig, zonder troost! + +Maar welk een treffend woord +Lokt mij naar 's kerkhofs poort, +En schenkt den geest bedaring: +"Uit nacht rijst morgenrood (1)," +Het was uw spreuk, o Staring! +"Het leven uit den dood." + + * * * * * + +(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden, +waar des Dichters grafplaats gevonden wordt. + + + + + +HET LEVENSPAD. + + +Allen op des levens paân, +Vallen, staan weêr op en vallen; +Zelfs de trotschheid durft niet brallen: +Ik kan zonder struiklen gaan! +Steen, op steen, verrast den voet, +Waar men zich aan stooten moet! + +Maar hoe telkens uitgegleên, +Broeders! toch weêr opgekropen; +Homplen, stromplen wij in 't loopen, +Meer oplettend voortgetreên; +Aan het einde van ons pad, +Ligt de goede Vader-stad! + +Matte Pelgrim! dáár is rust, +Van uw hobbelige wegen! +Dáár stroomt nooit gekende zegen, +Nooit gesmaakte levenslust! +Dáár is 't eind der aardsche smart, +Hemelvreugd vervult er 't hart! + +Voor den togt dan niet versaagd; +Welberaden voortgewandeld; +Naar gebod en pligt gehandeld; +Struiklen wij, God zelve schraagt! +En, is 't doel der reis volbragt, +o, De blijde Heilstad wacht! + + + + + +HET BLINDE VINKJE. + + +Vinkje! welk een gruwzaam monster, +Vreemd aan alle menschlijkheid, +Heeft uw vlugge wiek gekluisterd, +Heeft uw' dag, in nacht verduisterd, +Heeft u 't foltrendst leed bereid? + +Eens zoo vrij en vrank op aarde, +Nu gedoemd tot de enge kooi; +Nu, door gloeijend erts uwe oogen +Aan het vriendlijk licht onttogen, +Nu des euveldaders prooi! + +Werd het u noodlottig ijzer, +Slechts de duistre groeve ontrukt, +Om, der snoodheid ten believen, +Dus uw argloos hart te grieven? +Dan is 't euvel wèl gelukt! + +Doch, o neen! niet tot dien gruwel +Opent zich de schoot der mijn; +Maar de boosheid keert den zegen, +Uit Gods milde hand verkregen, +Vinkje! de onschuld vaak tot pijn. + +Wat is 't u, of zich de schepping +Nu net lente-siersels hult? +Niet voor u zal de aard' zich tooijen, +Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen, +Nimmer 't schoone aanschouwen zult! + +Ach, waar zijn de blijde dagen? +Van het lagchende verleên? +Vlijm, op vlijm, moet u doordringen, +Woelt het heir herinneringen, +Door uw mijmrend kopje heên! + +Mooglijk waart gij aan een gaaike, +Aan een teederminnend kroost, +Op het liefderijkst verbonden ... +Wreed werd dan de band geschonden, +Die uw blijdschap was en troost! + +Niets is u van 't heil gebleven, +Waar uw borstje zoo van zwol; +Uw gelukzon is verdwenen, +Heeft voor altijd uitgeschenen, +Blind en in een kerkerhol! + +o, Mijn teêrgevoelig harte, +Doet uw rampental zoo zeer! +Kon het innigst medelijden, +U van jammeren bevrijden, +'k Zag u 't beeld der vreugde weêr! + +IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje! +Schal met pletterend geluid, +Schal en schater den vervloekte, +Die uw' lust en rust verkloekte, +Uw' ontzagbren wraak-kreet uit! + +Doch uw toovrend orgelkeeltje, +Wanhoop nam het kracht en klem; +Nooit ... maar wat welluidend kwelen, +Komt mijn luistrende ooren streelen! +Lieve vogel! is 't uw stem? + +"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!" +Zingt het Vinkje op zoeten toon, +"'k Laat, getuigen het mijn zangen, +"Moedloos niet mijn wiekjes hangen, +"Welk een rouw mijn borst bewoon'! + +"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht? +"Heelen ze ooit de wond van 't hart? +"Véél verloor ik--maar, mijn roover +"Liet mij toch mijn stem nog over, +"o, Die vreugde troost mijn smart! + +"Drage ik dan mijn lot gelaten, +"'k Heb nog ruime dankensstof; +"Om het goede mij gebleven, +"Min ik nog het lieve leven, +"En zing luid mijns Scheppers lof! + + + + + +TROOST. + + +"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!" +Dat hartdoorvlijmend woord, +Dat zoo veel vreugd verstoort, +Het was den mond van d' Arts ontgleden, +Maar 't klonk als niet gehoord, + +Het kon het oor der vrouw niet boeijen; +Nog lonkt de hoop haar aan; +Zoo schrikklijk zal de orkaan +Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen, +En bloem, bij bloem verslaan. + +"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder, +"Neen, dierbare echtgenoot! +"Zoo ras ontbindt de dood +"Dien vastgelegden knoop niet weder, +"Die 't huwelijk pas sloot!" + +En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen, +Naar 't liefelijk gezigt +Van 't sluimerende wicht,-- +Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen! +"Zijns Vaders levenslicht!" + +"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..." +Maar, God! wat raauwe gil! +Zij voelt het doodlijk kil +Op 's ega's ingezonken kaken, +Zijn ademtogt staat stil. + +Haar zoete hoop vervloeide in tranen +Van bittre zielesmart; +Gebroken is haar hart; +Wel spoedig ging haar heilzon tanen, +En liet haar 't nachtlijk zwart. + +Ze rigt het schreijende oog naar boven: +"Wat lot," snikt zij, "wat lot, +"Na twee jaar echtvreugd ... God! +"Waarom moest ik een' droom gelooven, +"Waarmeê de ontwaking spot?" + +Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe? +Uw wichtje, als 't onverpoosd +U vleijend kust en koost? +Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe, +Voor uw gemoed geen troost! + +Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede, +Ja, Troost in d' eêlsten zin, +Dringt tot haar' boezem in; +Zij kust Gods vaderlijke roede, +De Weduwe is Christin! + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK, DE LIEREMAN *** + +This file should be named 8dlrm10.txt or 8dlrm10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8dlrm11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8dlrm10a.txt + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext04 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext04 + +Or /etext03, 02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/8dlrm10.zip b/old/8dlrm10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..33fc533 --- /dev/null +++ b/old/8dlrm10.zip |
