diff options
Diffstat (limited to 'old/69169-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69169-0.txt | 5005 |
1 files changed, 0 insertions, 5005 deletions
diff --git a/old/69169-0.txt b/old/69169-0.txt deleted file mode 100644 index b68426d..0000000 --- a/old/69169-0.txt +++ /dev/null @@ -1,5005 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of In sloot en plas, by E. Heimans - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: In sloot en plas - -Authors: E. Heimans - Jac. P. Thijsse - -Illustrators: E. Heimans - Jac. P. Thijsse - -Release Date: October 16, 2022 [eBook #69169] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN SLOOT EN PLAS *** - - - - - - IN SLOOT EN PLAS - - DOOR - - E. HEIMANS EN JAC. P. THIJSSE - - - Met twee gekleurde platen en vele afbeeldingen naar - teekeningen van de Schrijvers - - - VIJFDE DRUK - - - AMSTERDAM—1920—W. VERSLUYS - - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -Het succes van het eerste deeltje dezer serie, de critiek, die zonder -uitzondering gunstig en welwillend was, en de vele betuigingen van -instemming door onze bekende natuurhistorici met onze plannen, hebben -ons de zekerheid gegeven, dat wij geen werk verrichten, waarvoor—zooals -wij en velen met ons vreesden—de tijd nog niet gekomen is. - -Aan allen—publiek, critici en welmeenende vrienden—onze hartelijke dank -voor hunne aanmoediging, niet minder voor hun vingerwijzingen, waarmede -wij, zooals uit den inhoud van dit werkje blijken kan, ons voordeel -hebben trachten te doen: de tekst is uitvoeriger, voorzien van een -register, en het aantal illustraties is aanzienlijk uitgebreid. Zulk -eene uitbreiding heeft natuurlijk zijn grenzen; onze uitgever komt toch -reeds een woord van dank toe voor zijne onbekrompenheid in dit opzicht, -waardoor het ons mogelijk werd van al de besproken planten en dieren—op -eene enkele uitzondering na—eene afbeelding te geven, hetzij -afzonderlijk, hetzij in groepteekeningen. - -Veel zijn wij ook verplicht aan de bereidwilligheid, waarmede Dr. C. -Kerbert, Directeur der Diergaarde van Natura Artis Magistra, de rijke -bronnen van deze schoone inrichting voor ons toegankelijk maakte. - -Amsterdam, Februari 1895 - -De Schrijvers. - - - - -L. S. - -Ook de eerste druk van dit deeltje heeft spoediger zijn weg gevonden, -dan wij durfden hopen in ons kleine Nederland. Deze tweede is -vermeerderd met een aantal nieuwe teekeningen, de gekleurde platen zijn -voor de afwisseling door andere vervangen; en er is aan toegevoegd een -geïllustreerde lijst voor ’t bepalen van de Nederlandsche waterplanten, -ten behoeve van aquariumhouders. - -Verder verwijzen wij belangstellende lezers naar de voorrede van den -2den druk van ’t eerste deeltje: Van Vlinders, Vogels en Bloemen. - -H. en T. - - - - -BIJ DEN VIERDEN DRUK. - -Na negentien jaar nog weer een nieuwe druk. En dat van een boekje voor -de jeugd. We kunnen tevreden zijn. - -H. en T. - - - - -BIJ DEN VIJFDEN DRUK. - -Helaas heeft mijn vriend Heimans dezen vijfden druk niet mogen beleven -van het boekje, dat hij een kwart eeuw geleden met zoo bijzondere -voorliefde op touw heeft gezet. Thans is zijn zoon, de heer J. Heimans -mij behulpzaam geweest bij ’t nazien. - -Thijsse. - - - - - - - - -I. - - -Het is voor het late uur nog buitengewoon levendig aan den buitenkant -te Amsterdam. Wel zijn de meeste winkels reeds gesloten, want het is -reeds zeven uur, en kunstlicht is duur in het midden der 17de eeuw; -maar de Mei-avond is zoo zoel en zoo verleidelijk helder, dat de -winkeliers en hun bedienden zich gerept hebben, om de luiken voor de -ramen te krijgen, en nu met vrouw en kinders, met vrijster, zuster of -kameraden, nog een luchtje komen scheppen aan het heerlijke, koele IJ. - -Zoo drentelen, kalm en deftig in de wandelpas, talrijke groepjes, soms -uit een geheel huisgezin bestaande, uit alle straten der stad den -Buitenkant op. - -Een der weinige winkels, die nog verlicht zijn, schijnt een bijzondere -aantrekkelijkheid te hebben; want de meeste wandelaars wijken, op de -hoogte van de Monckelbaens-brug gekomen, van de middelstraat af, zoodra -ze dat huis naderen; ze vormen een opeengepakte massa kijkers voor de -vensters, zoodat de breede stoep nog te smal is, voor zoo vele -nieuwsgierigen; de achterstaanden wachten dan ook maar, tot de voorsten -genoeg gezien hebben en opschuiven, om ook hun een kijkje te gunnen. - -Toch is het geen winkel, die door schitterende uitstalling koopers kan -lokken: het is een gewone apothekerswinkel; maar iedereen weet, dat -meester Swammerdam uit de apotheek „De Star” een liefhebber van de -natuurlijke historie is, dat hij door kennissen op de schepen uit Oost -en West allerlei vreemde dieren en planten laat meebrengen; en -tevens—dat hij die dieren, opgezet of op sterk water—voor zijn vensters -plaatst, behoorlijk voorzien van naam en toenaam; ja soms met een -korte, duidelijk geschreven, meestal wonderbaarlijke levensgeschiedenis -van het dier erbij. - -Van avond moet het al heel iets bijzonders zijn, dat de apotheker heeft -ten toon gesteld; want zij, die een goed plaatsje hebben, blijven, -ondanks de warmte in het gedrang voor de ramen plakken, en het -vriendelijk verzoek van den meester zelf is noodig, om hen te doen -besluiten, eindelijk ook eens plaats te maken voor anderen. - -En toch heeft hij ditmaal geen opgezette paradijsvogels, geen apen, -slangen of jonge kaaimans ten toon gesteld. Wat zoo elks aandacht -boeit, is de inhoud van een groote glazen bak, bijna geheel met water -gevuld; in het midden is hij van een puimsteenen rotsje en een kunstig -bedacht fonteintje voorzien. - -De voorzijde van die bak is vlak tegen het venster geplaatst; van -achter en van terzijde schijnt het licht van een paar vetkaarsen door -het groenachtige water heen, en uit dat geheimzinnig schemerduister -komen zich van tijd tot tijd, tusschen waterplanten en schelpen door, -aller-wonderlijkste gedrochten aan de oogen der gapende kijkers -vertoonen. - -Daar verschijnt met gelijkmatigen pootslag als volleerd roeier, een -groote geelgerande kever en maakt jacht op de larve van een mug of een -libel; een bloedzuiger kronkelt als een platte slang langs het venster. -Salamanders met rood en zwart gestippelde buik en sierlijk gekamden -rug, rijzen en dalen statig op en neer, of schieten plotseling vooruit, -als zij merken dat een nijdig-kijkend, roodborstig vischje, met drie -vinnig-opgezette stekels op zijn rug, het op hun staart gemunt heeft. -En reusachtige pikzwarte tor, die door het water nog grooter schijnt, -dan hij is, doemt eensklaps uit het duister op, om even aan de -oppervlakte te verschijnen en dan snel trappelend, als liep hij door -het water, tusschen het kroos of achter het rotsje te verdwijnen. -Tusschen het fijne loof van een sierlijke waterplant is een groote spin -bezig, zijn zilveren luchtpaleis te bouwen. Op den bodem glijden -kokerjuffers in hun wonderlijke kluisjes langzaam over de schelpen en -het kiezelzand voort, en tusschen dat alles door krielt en wiemelt het -van kleine en groote larven, draaitorren, bloedspinnetjes. - -De uitroepen van verbazing, die dit schouwspel aan de kijkenden -ontlokt, getuigen van de nieuwheid van zulk een tooneel. Geen wonder: -een aquarium was in die tijden iets ongeziens en ongehoords; en de -bewoners ervan waren aan de meeste Amsterdammers toen zeker minder -bekend dan de tijgers, de apen of de vogels van onze Oost-Indische -bezittingen. - -De meester heeft dan ook voldoening van zijn werk; zijn opgeruimd -gezicht, de bereidwilligheid, waarmede hij alle vragen, de allerdwaaste -soms, beantwoordt, bewijzen, dat hij er een genoegen in schept, zijn -kennis aan anderen mede te deelen; en ook, dat het niet uitsluitend een -17de eeuwsche reclamezucht was, die hem het aquarium voor zijn venster -deed plaatsen, maar in hoofdzaak de liefhebberij van een man, die -gaarne eens ziet, dat anderen met bewondering komen kijken, naar -hetgeen hij alzoo heeft verzameld. - -Het heeft reeds een tijdlang zijn aandacht getrokken, dat één van de -vele nieuwsgierigen al buitengewoon geboeid schijnt te worden, door wat -de meester heden avond ten beste gaf. Het is een knaap van een jaar of -vijftien, zestien. Zijn neus is tegen het vensterglas gedrukt. Zijn -oogen trachten tot in het donkerste hoekje van het aquarium door te -dringen; kijk, zij glinsteren, als er weer wat nieuws uit de diepte -komt verrijzen. Vragen doet hij zelf niet, maar als hij een van de -kijkers aan meester Swammerdam hoort vragen, hoe hij al die beesten zoo -levend uit de Oost heeft over kunnen krijgen, komt er een glimlach op -zijn gezicht. - -Dit is den apotheker niet ontgaan. Al meer dan eens heeft deze hem op -den schouder getikt en hem vriendelijk verzocht, niet al het nieuws op -eens te willen afneuzen en een ander ook eens een kijkje te gunnen. Dan -ging de knaap, den blik onafgewend, alsof hij er niet van scheiden kon, -op zijde; maar een poosje later was hij van den anderen kant weer naar -voren gedrongen en verdiepte hij zich op nieuw in de beschouwing van -die geheimzinnige dierenwereld. - -De meester uit „De Star” zei niets meer, en liet het geworden. Toen hij -eindelijk zijn zoon last gaf, de kaarsen, die op hun eindje stonden, te -dooven, trachtte de hardnekkige kijker nog een oogenblik door te -dringen in het nu geheel duistere water, en keerde zich daarop af, om -heen te gaan. - -Maar Swammerdam hield hem staande en vroeg hem, hoe hij zijn -uitstalling vond. - -Met schuchteren blik zag de knaap den vriendelijken meester aan; het -was of hij droomde, en nog steeds de wonderlijke schepselen van zooeven -voor zijn oogen zag bewegen. De meester herhaalde zijn vraag, terwijl -hij zijn pijp stopte en zijn hoed opzette, om ook nog even lucht te -gaan happen aan den IJ-kant. - -„Staat het er morgen ook nog?” klonk zacht de wedervraag. - -„Zeker, mijn jongen, en al staat het er niet meer, omdat ik de kast -noodig heb voor zalfpotten en poederdoozen, kom dan gerust den winkel -binnen. Ik heb nog heel wat grooter en mooier dieren in huis. Jij hebt -zeker niet gedacht, dat al die dieren uit de Oost waren gekomen, wel?” - -„Neen, meester, dat niet, dat begreep ik wel; maar ik wist toch niet, -dat er zooveel verschillende dieren in onze slooten leven, zoo dicht -bij ons, vóór ik het u hoorde zeggen.” - -„Nu, goeden avond. Ja.... hoe heet je?” - -„Antony, meester; Antony van Leeuwenhoek.” - -„Wel, Antony, kom zoo vaak je wilt naar het levende water kijken; maar -je zult er nu toch al wel alles van gezien hebben, wat er aan te zien -is; je hebt er de oogen haast niet afgehad!” - -„Ja, maar ik zou er graag nog meer van willen weten. Wat die dieren de -heele dag doen; hoe ze eten, ademhalen, zich voortbewegen, hun prooi -vangen; en ik zag nog zooveel, dat ik niet goed begrijp!” - -„O, staat zoo de zaak; dat doet me genoegen. Maar wat doe je eigenlijk -voor de kost? Je moogt er je werktijd niet aan opofferen.” - -„Ik ben op een lakenwinkel, meester, ik heb na den middag dikwijls -vrijaf, en ik ben hier heel alleen, mijn familie woont in Delft.” - -„Wel, Antony, je komt goed bij mijn zoon Jan; die houdt ook bijzonder -veel van het bekijken van planten en dieren. Jij bent wel een paar jaar -ouder dan hij, schijnt het, maar dat zal er wel niet veel toe doen. Hij -wil er morgen middag alleen op uit, de boel wat aan te vullen. Hee, -daar is hij net! Jan, hier heb je een kameraad, die je helpen wil, om -waterdieren te onderhouden. Maak maar even kennis met elkaar. En dan -naar bed, Jan. Dat zou ik jou, Antony, ook maar raden, al staan je -oogen nog helder. Kom morgen maar terug.” - -Dat was aan geen doove gezegd. Na deze kennismaking was Antony van -Leeuwenhoek een trouwe bezoeker van de apotheek „in de Star” en waren -hij en Jan Swammerdam onafscheidelijke kameraden. - -Te zamen verzorgden zij het aquarium van den apotheker, te zamen gingen -zij tochtjes doen in de omstreken van hun woonplaats, om nieuwe planten -en dieren te zoeken. Maar bij zoeken en vinden bleef het niet. Antony -vooral moest overal het fijne van hebben. Ongelukkig kon de apotheker -de beide jeugdige liefhebbers maar zelden op hun vragen een antwoord -geven, dat aan hun weetgierigheid voldeed. De jongens deden ook zulke -zonderlinge vragen: „Waarom zou toch die groen-zwarte kever, met die -gele randen om de dekschilden, telkens met zijn achterlijf boven komen? -Als het te doen was om adem te halen, waarom deed dan die groote -pikzwarte tor het telkens met een van de sprieten?” Of wel: „Waarvan -zouden toch de kleinste diertjes, die wij zien kunnen, leven? Zouden er -in het water nog weer kleinere zijn, die wij niet kunnen zien?” - -De jongens maakten het den meester lastig, en zij besteedden er meer -tijd aan, dan Jan’s studiën en Antony’s ambacht gedoogden, meende hij. -Hij vreesde, dat hun beste leertijd verloren zou gaan, met—zooals hij -zich eens uitdrukte—„dat waarnemen van saken, daar niet een duyt winst -van quam, en die niets aenbragten van dat, hetgeen noodsakelijk was om -te leven.” - -Och, had meester Swammerdam maar eens even in de toekomst kunnen lezen, -zooals wij in het verleden, dan zou hij in die twee jongens, die daar, -peinzend over allerlei raadselen, in het troebele water van het -aquarium tuurden, twee beroemde mannen gezien hebben, die eens de -geheele geleerde en ongeleerde wereld zouden verbazen met het antwoord, -dat zij zelve gaven op vele van de vragen, die zij als kinderen tot den -apotheker richtten. - -Jan Swammerdam en Anthony van Leeuwenhoek! - -Had hij het mogen beleven, hij, die al zooveel meende te weten, den -Bijbel der Natuur te lezen, waarin de wonderbaarlijke onderzoekingen en -ontdekkingen van zijn zoon Jan zijn beschreven! De apotheker heeft het -niet voorzien, toen hij Antony van zijn aquarium joeg en weer naar den -lakenwinkel zond, dat die eenvoudige bak met slootwater, de eerste -aanleiding zou zijn, om het Nederland der 17de eeuw een beroemd man -rijker te doen worden. - -Zoo beroemd nog bij zijn leven, dat uit alle deelen van Europa de -geleerden en vele belangstellenden in de wetenschap der natuur, de reis -naar Delft deden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek -te spreken over zijn ontdekkingen; eens te mogen kijken door de -microscopen, die hij zelf vervaardigd had, en waarmede hij een wereld -van nooit gekende levende schepselen aan het licht bracht;—hij de -nederige kamerbewaker, die jaren lang voor 6 gulden in de week de -raadszaal reinigde en de kachel van den burgemeester stookte. - -Bijna alle toenmalige vorsten van Europa, ook onze stadhouder Willem -III, achtten het niet beneden zich, hem in zijn studiekamertje te komen -bezoeken, om zich de nieuwe wereld te doen toonen. Ook Peter de Groote -kwam met zijn trekschuit; om alles op zijn gemak te kunnen zien en te -hooren uitleggen, noodigde hij Leeuwenhoek bij zich aan boord. Peter de -Groote luisterde gretig en keek lang en aandachtig door het microscoop. - -„Waar is dat ding van gemaakt?” moet Peter gevraagd hebben, terwijl hij -het geheimzinnig instrument voorzichtig in de hand nam. - -„Van blik en koper,” antwoordde Antony verwonderd. - -„Maak ze dan van nu af van goud en zilver!” zei Peter, en Leeuwenhoek -maakte er werkelijk meer dan één van goud of van zilver. Een paar er -van moeten nog ergens in ’t Britsche Museum te Londen schuilen. - -Twee eeuwen zijn sedert verloopen en nog dikwijls wordt er door de -hedendaagsche geleerden voortgebouwd op de onderzoekingen van -Leeuwenhoek en Swammerdam. - -Wel is er na Leeuwenhoek en Swammerdam veel, ook in ons land, -onderzocht en ontdekt in het maaksel en het leven van de kleinere, en -de kleinste waterdieren vooral. Bij tegenwoordige microscopen -vergeleken, waren die van Leeuwenhoek en Swammerdam dan ook maar -kinderspeelgoed. - -Het zal nu ook zoo licht niet meer gebeuren, dat iemand beroemd wordt, -door het bestudeeren van een glas slootwater of van het leven in een -aquarium. Toch is er nog nieuws genoeg in te ontdekken, al is het juist -niet bij de allerkleinste dieren en planten. Ook de waarnemingen van -een liefhebber kunnen waarde hebben voor de wetenschap, hij kan feiten -aangeven, waarvan de geleerden partij trekken. - -Maar niet om roem of eer moet de natuur bestudeerd worden; dat deden de -groote natuurvorschers ook maar zelden. Als Leeuwenhoek er niet half en -half toe gedwongen was geworden, zou hij zijn ontdekkingen zelfs niet -bekend hebben gemaakt. Hij studeerde voor zijn genoegen. Dikwijls moest -men de hulp van zijn dochter inroepen, om iets van zijn werken gewaar -te worden. - -Voor eigen genoegen werkte ook Swammerdam, zoodat eerst de beroemde -Boerhave de wereld moest in kennis stellen, met hetgeen Swammerdam had -gewrocht. - -Voor eigen genoegen—dat moest ze blijven, die innige omgang met de -natuur, deze studie, die geen studie schijnt—een opwekkend tijdverdrijf -in vacanties, een liefhebberij voor hen, die nog niet of niet meer voor -hun levensonderhoud hebben te zorgen. - -En het is zoo gemakkelijk, zich zelf in te wijden in de geheimen van de -natuur onzer woonplaats. Met een weinigje voorlichting, wat toewijding -en eenig zakgeld, kan men het zoovér brengen in de kennis der schepping -om ons heen; wat ons weer een dieper inzicht in het geheel kan -verschaffen. - -Weinig jongens in hun laatste schooljaren zijn er tegenwoordig, die -niet weten, dat tusschen het groen tapijt van eendekroos en de veen-, -zand- of kleibodem van elke sloot een wereld van planten en dieren -leeft, zoo rijk aan vormen, zoo wonderlijk in levenswijze, dat alleen -het lezen er van in het schoolboek, en het zien er van in afbeeldingen -de lust wekt er meer van te weten, en de begeerte doet ontstaan naar -het zien in de werkelijkheid. - -Bij de begeerte blijft het meestal, want de levende sloot, hoewel in -ons land overal nabij, is maar zelden doorzichtig, en het duurt -zoolang, eer er eens wat te zien komt aan de oppervlakte; eenige -schaatsenloopers, vlugge insecten, die met hun lange, daartoe -merkwaardig goed ingerichte pooten over ’t water voortsnellen, of het -spiegelglad ijs was; een dozijn draaitorretjes, in ’t zonlicht -glinstrend, als nieuw staal met zilver, die er hun sierlijke, soms vrij -regelmatige dansen uitvoeren en daardoor ieders aandacht trekken—maar -dit is ook zoowat alles, wat in de meeste gevallen van den kant af te -zien is. - -Wie er werkelijk wat meer van leeren en genieten wil, moet zich—zooals -met alles wat de moeite van het leeren en genieten waard is—eenige -inspanning en, jammer genoeg in dit geval, wat kosten kunnen -getroosten. Vóór alles heeft men een stevig schepnet noodig. Wie -daartoe een gewoon vlindernetje gebruiken wil, heeft vaker -teleurstelling dan een goede vangst te wachten. Koop in een ijzerwinkel -een meter van het dikste ijzerdraad, dat ge krijgen kunt; en laat dat -even op ’t aanbeeld, dat in zulke winkels steeds voorhanden is, buigen -tot een ring met twee stelen. Zoo’n stuk kost hoogstens 10 cent. - -Die beide stelen, die samen het handvat van den ring vormen, moeten -minstens een decimeter lang zijn, zoo blijft er voor den ring een -middellijn van ongeveer 2½ d.M. over; reken maar na. Meestal is het -ijzerdraad zoo koppig, dat men het alleen met kracht tot een ring kan -sluiten, en dat is juist een deugd en een voordeel, zooals straks zal -blijken. - -Neem nu uw zuster in den arm, en laat haar aan den ring een zak van -sterk neteldoek of gaas van het grofste soort naaien; stramien- of -borduurgaas is nog beter, maar ook duurder. De zak moet ongeveer 3 d.M. -diep worden. Bind daarna het net met het handvat stevig aan een langen -stok en probeer, of ge het terug kunt buigen van de stok zijwaarts af; -gaat dit niet zonder groote krachtsinspanning, dan is alles in orde. - -Wie dik in zijn zakgeld zit, of wie met flinke kameraden een -maatschappij op aandeelen kan vormen, doet beter, zich een 2 à 3 Meter -lange bamboe aan te schaffen, met een koperen band om het holle -boveneind; die is voor 30 à 40 cent te koop in elken winkel van -visscherijgereedschappen. Maar zie toe, dat men u geen suikerriet in -plaats van bamboe in de handen stopt; bamboe is onbreekbaar, suikerriet -is veel lichter en ook goedkooper, maar krijgt heel licht -lengtebarsten, scheurt op, of knapt af: water en vooral slootwater is -zwaarder dan ge meent. In het boveneind van de holle bamboe steekt ge -nu de beide, niet saamgebonden, stelen van de ijzeren netring; dat gaat -met moeite, maar de veerkracht waarmee de ring zich ontspannen wil, -doet de stelen dan ook zoo stevig in de holte vastklemmen, dat verdere -bevestiging meestal overbodig is. Bovendien heeft men zoodoende ook het -gemak, dat men, zonder touw of schroeven te gebruiken, het net van de -stok kan nemen, wanneer men wil. - -Zie nu eenige flesschen te krijgen met korten, wijden hals, -inmaakflesschen; in comestible-winkels worden Engelsche dropsflesschen -voor een cent of tien verkocht; die zijn zeer geschikt om mee te nemen. -Een touw om den hals dient als hengsel. - -Zorg nu ook thuis een paar goudvischkommen van de grootste soort gereed -te hebben, en uw uitrusting is in optima forma. De jacht is gemakkelijk -en ik verzeker u, dat ge nooit platzak, of in dat geval juister -„leegflesch” thuis zult komen. - -En nu, de eerste de beste Woensdag- of Zaterdagmiddag van het voorjaar, -gaat ge uw kameraden, die meebetaald hebben, halen voor de partij. - -Maar ook als ge alles alleen hebt moeten bekostigen, is het, om -verschillende redenen, aan te raden, nooit alleen er op uit te gaan. - -In ’t eerst zal dat misschien wat gekibbel geven, omdat de één het net -te lang in gebruik houdt, en de ander die vervelende flesch niet -zoolang wil dragen, maar dat went wel en leert inschikkelijkheid. - -Begin met een sloot, waarin niet te veel waterplanten groeien en die -tevens niet vlak langs een menschelijke woning loopt. En thans de -eerste schep! Niet diep en niet lang, maar vlug door het water -strijkend! kroos en andere drijvende waterplanten er in laten glippen! -haal op en stort den inhoud (het volle net omgekeerd door den ring -laten vallen), op een kale plek in het gras of anders op den weg uit. -Met een stokje in de linkerhand nu snel het kroos en de andere planten -uitgespreid, en met de rechter alles wat leeft in de meegebrachte -flesch geworpen. Daarin is te voren een beetje slootwater geschept en -hij is stevig tusschen het gras vastgezet. Nog een paar scheppen, en ge -moet al heel ongelukkig zijn, of in de flesschen krioelt het door -elkaar, dat het een aard heeft. Vul de flesschen aan met kroos en -andere kleine drijvende planten en dan, als het erg zonnig is, vlug -naar huis. Doe vooral niet te veel water in de flesch. - -Daar is het eerste werk het net uit te spoelen en te drogen hangen en -het tweede de buit te onderzoeken en over de goudvischkommen en de -flesschen te verdeelen, die voor de helft met schoon water zijn gevuld. -Er komt nu veel meer voor den dag, dan ge meent gevangen te hebben; -want tusschen de waterplanten waarmede de flesschen zijn aangevuld, -krioelde het van kleingoed, dat op het droge niet in het oog viel. -Breng niet meer kroos of planten in elke flesch, dan noodig is, om de -oppervlakte losjes te dekken en laat alles een poosje rustig staan, -niet in de zon; ga nu uw handen flink met zeep wasschen en dan begint -de studie. - -„Ja,” zullen wellicht vele van onze lezers denken, „dat is -gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar we kennen niet eens de namen van -al die vreemde dieren en planten en ’t wiemelt zoo door elkaar, dat er -geen oog op te houden is; zoo gaat het nauwkeurig bekijken niet licht.” - -Dat is zoo; als men van die dingen weinig of niets weet, valt het -onderscheiden moeilijk, en iedere jongen heeft ook niet zooveel tijd en -volharding als de twee vrienden Jan en Antony van zooeven. Toch is het -mijn plan niet, u op het rijtje af de levensgeschiedenis van alle -dieren, die ge daar op de vensterbank hebt staan, te vertellen, of stuk -voor stuk hun uiterlijk te beschrijven. Dat gaat ook niet aan, want het -is mogelijk, dat ge, vogels en zoogdieren uitgezonderd van alle orden, -waarin de geleerden de dierenwereld hebben verdeeld, vertegenwoordigers -onder de oogen hebt; van de insecten de meeste, maar ook van de -kruipende dieren, van de schaaldieren, van de weekdieren en van wat al -meer. Als ik u alles vertelde, zou er ook voor eigen waarneming niet -veel overblijven, en daarom is het toch eigenlijk te doen. - -Het beste zal zijn, u van eenige veel voorkomende diersoorten een -uitvoerige vorm- en levensbeschrijving te geven, die u tot steun kan -strekken bij het nagaan der overige; zoo ter loops komen dan de meeste -andere wel ter sprake, want van de één vertellen, zonder vele andere te -noemen is niet mogelijk; door hun levenswijze staan al die -slootbewoners zóó nauw met elkaar in verband, dat het wel schijnt, of -de één alleen geschapen is, om de ander het leven mogelijk te maken. - -Bovendien zullen u de plaatjes wel met de meeste, al is het dan ook -oppervlakkig, bekend maken. - - - -Het moet al een erg doode sloot zijn geweest, waarin ge uw eerste jacht -hebt gehouden, of onder de buit bevindt zich één, of wellicht meer dan -één, groote, donker olijfgroene kever. Dat ge aan een niet al te klein -insect kunt zien of het een kever is, moet ik nu maar aannemen; -trouwens de harde schilden, die de bovenzijde van het achterlijf en -daarmede de vleugels bedekken, zijn een vrij gemakkelijk kenmerk van -verreweg de meeste kevers; die worden daarom immers in de leerboeken -ook schildvleugelige insecten genoemd. - -Ga nu na, of de groote kever, die ge gevangen hebt, met de volgende -beschrijving overeenkomt; dit is meer dan waarschijnlijk, want de -kever, die ik bedoel, de Gerande Waterkever, komt bijna overal voor. -Zonder hem af in een klein fleschje, voor ’t gemakkelijk vergelijken -(fig. bl. 7). - -Zooals gezegd is; zijn kleur is olijfgroen, bij zwart af, hij glanst in -de zon met een paarsen of rooden weerschijn; zijn lengte is ongeveer 3 -c.M.; zijn breedte zal er 2 zijn; veel meer niet, of het is een andere -soort. Al dadelijk zal u zijn naam verklaard zijn, wanneer ge let op de -gele omlijsting van het borstbeeld; de dekschilden zijn niet geheel -door den gelen band omgeven: die wordt smaller naar den top der -schilden, dat wil zeggen naar de punt van het achterlijf, en verdwijnt -even voor de grootste breedte. - -Die dekschilden geven een middel aan de hand, om de wijfjes van de -mannetjes te onderscheiden. Bij de mannetjes zijn ze namelijk glad en -glanzend; bij de wijfjes daarentegen wordt die glans verdoofd door een -aantal groeven of voren, die van het borstbeeld af evenwijdig met de -vleugelnaad loopen en naar het achtereind toe steeds ondieper worden; -zoodat ongeveer een derde der schilden, van de punt van het achterlijf -gerekend, ook bij de wijfjes glad is. Toch kunt ge bij nauwkeurig -toezien ook op de schilden der mannetjes eenige rijen puntjes of -kuiltjes onderscheiden. - -Bekijkt ge het dier van den onderkant, dan blijkt het daar bijna geheel -geel gekleurd te zijn, en ge bespeurt een gewiemel van ledematen, -waaruit op het eerste gezicht niet wijs te worden is. - -Als het beest zich een oogenblik stil houdt, onderscheidt ge 3 paren -pooten, (ook al een kenmerk voor een insect, ten minste van een -volwassen dier) en daartusschen een geducht verdedigings- of -aanvalswapen van onze tor, een korte twee-puntige speer; beproef de -scherpte ervan maar eens aan uw vinger. - -Misschien bedankt ge er voor, het dier levend in de hand te nemen,—nu, -dat is u ook niet kwalijk te nemen; ook al hebt ge nog niet -ondervonden, dat onze gerande vriend er een zeer leelijke gewoonte op -na houdt, die hem dikwijls uit den nood helpt, maar ons, menschen met -gevoelige reukzenuwen ten minste, niet juist aangenaam aandoet. Maar -laten we er niet omheen draaien met mooie woorden; wie de natuur wil -bestudeeren, moet niet al te vies zijn. Hij scheidt, als hij in het -nauw zit, aan den rand van het borstschild en ’t achterlijf een -vloeistof af, die een allervuilste reuk verspreidt; heeft hij uw -vingers bespoten, dan kunt ge er gerust groene zeep of soda bij halen, -anders is den heelen dag de stank niet van de handen te krijgen; schoon -water helpt niet. - -Heeft hij een keer vocht gespoten, dan doet hij dit vooreerst niet -weer; bovendien, vergif is het niet, laat u dat nooit wijsmaken. Als ge -de boeren, die u zien scheppen, gelooven wilt, dan zijn al die -slootdieren, tot salamanders en kikkers toe, vergiftig. Ook kunt ge -onze kever wel doen spuiten, zonder u zelf te laten bezoedelen; als ge -hem namelijk op een gladde oppervlakte legt, zoodat hij wild met zijn -pooten krabbelt, zonder vooruit te kunnen komen, en hem dan zacht op -den rug tikt. - -Maar, al zijt ge niet bang of vies uitgevallen, het aanvatten van onze -tor zou u toch nog wel eens een leelijk gezicht kunnen doen trekken. -Behalve het stinkvocht en de spies aan zijn borst, heeft de gerande -waterkever nog een wapen, dat ook niet te minachten is. Hij verheugt -zich in het bezit van een paar kaken, die u een „aangenaam kennis te -maken!” toe kunnen roepen, dat ge waarschijnlijk met een beleefd „auw, -auw!” zult beantwoorden. Heel lang duurt de pijn niet, en verdere last -hebt ge er, duizend tegen één, ook niet van. Toch mag ik u, hoe dapper -ik u acht, niet aanraden, de proef te nemen; en moet ik u eveneens -sterk afraden, er een ander aan te wagen. Die kaken, een paar kromme -haken op het oog, dringen meestal niet door de huid heen, maar het kon -bij fijne handjes toch wèl eens het geval zijn—en dan weet men nooit, -waarmee men ingeënt wordt; zoo’n gerande tor is niet heel kieskeurig op -zijn spijzen, hij kon wel eens aan een dier, dat in staat van -ontbinding verkeerde, hebben gevreten, en daardoor mocht hij misschien -eens smetstof met zijn kaken in uw bloed brengen; wat licht een -verzwering tengevolge kan hebben. - -Nu zult ge misschien de opmerking maken, dat ik druk bezig ben, u af te -schrikken van de studie der slootdieren, na u eerst veel genoegen -voorgespiegeld te hebben van die waarnemingen. Het zou mij erg spijten, -als dit zoo was; niet, dat ge die opmerking maakte, maar dat ge u liet -afschrikken. - -Ge begrijpt wel, dat ik, om dit te vermijden, het bovenstaande licht -weg had kunnen laten; toch heb ik het willen zeggen, al is de kans op -besmetting 1 tegen 1000; ik heb maar ééns gehoord, dat het gebeurd is; -en ik ben zelf vaak gebeten, zonder er eenige gevolgen van te -ondervinden. - -Laat het u tot voorzichtigheid aansporen, zonder het onderzoeken te -vermijden. Vat een kever altijd aan tusschen duim en vinger, in zijn -lenden, en is het er een, die vocht afscheidt, gebruik dan liever een -pincetje; een dubbel gevouwen strookje blik is daartoe heel geschikt. -Een tor in de holle hand houden, kan nooit kwaad; zoo’n dier bijt -alleen, als het zich voelt aanvatten. - -Maar laat ik niet afdwalen, er is zoo veel te vertellen. Het loont -werkelijk de moeite, eens na te gaan, hoe de inrichting van onzen -kever—de geheele lichaamsvorm en het maaksel van de lichaamsdeelen op -zich zelf—met de levenswijze in verband staan. Die twee, levenswijze en -inrichting, passen meestal zoo wonderwel bij elkaar, dat zelfs iemand, -die nog niet veel aan natuurstudie gedaan heeft, toch vaak uit de -inrichting veel van de levenswijze kan opmaken. - -Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van den romp, zal men moeten -erkennen, dat er haast geen doelmatiger vorm te bedenken is voor de -beweging over en door het water. Van boven is het lichaam zwak gewelfd, -van onder naar het midden hellend, en afloopend in een uitspringende -lijst, een kiel, zooals bij een schip. Kop, borst en achterlijf vormen -een aaneengesloten massa; geheel anders dan bij de meeste landkevers, -waar insnoeringen tusschen de drie hoofddeelen voorkomen. Niets is er, -dat zijn vaart in het water kan belemmeren. Het is een licht bootje van -langwerpig-eironden vorm, van boven met een glad, bol dek voorzien, dat -maar een paar roeiriemen noodig heeft om door en over het water heen te -schieten. - -Merkwaardig is het, dat ge in dezelfde sloot of plas, waaruit ge uw -gerande torren hebt opgevischt, een nog vlugger waterdier zult vinden, -dat, wat de vorm van boven- en onderkant betreft, juist het -tegengestelde vertoont van wat bij den geranden waterkever zoo -doelmatig schijnt. - -Het is de ruggezwemmer (fig. 19); waarschijnlijk hebt ge hem ook met -den eersten schep bemachtigd, want hij komt overal en in overvloed in -ons land voor. Zijn fraai geel, grijs en bruin geteekende onderzijde is -bol, zijn donkerder bovenzijde daarentegen gevormd als de onderzijde -van den geranden tor, dus stomp dakvormig. - -In verband met het voorgaande is dit dus ondoelmatig te noemen, zult ge -zeggen. Wacht even, dat hangt immers van de levenswijze af. Let daar -dus eerst een oogenblikje op. Schep hem met de volle hand uit de -flesch. Pas op, hij is een even groot roover als de gerande, en al -heeft hij geen kaken, zooals deze, hij draagt aan zijn kop een lange, -spitse priem, die hij u diep in het vleesch kan boren. - -Laten wij liever het blikken knijptangetje gebruiken; dat is -verstandiger. Zie zoo, leg hem nu recht op het water. Wip! heb je dat -gezien? Hij heeft zich met een sprongetje onderste boven gegooid, en -zwemt snel op zijn rug naar beneden. Bijna altijd beweegt hij zich op -die wijze door het water; zoo ziet ge, dat om de doelmatige inrichting -te begrijpen, het ook noodig is, de levenswijze te kennen. Weinig -slootdieren, of het moest de schaatsenlooper zijn, (fig. blz. 43) -hebben zoo’n gepasten naam als deze ruggezwemmer, en weinig ook zoo’n -zonderlinge manier van zich voort te bewegen. - -O, alleen maar de manier na te gaan, waarop de waterdieren zich door of -over hun element bewegen, is al zoo’n belangwekkende natuurstudie. Neem -honderd slootdieren van verschillende soort en ge vindt er geen twee, -die het op dezelfde manier klaarspelen; als overal in de natuur, is -hier onmetelijke rijkdom in vorm en middelen, eindelooze afwisseling, -die de studie tot een genot maakt. - -Maar op elk uwer vragen, hoe is dit of dat mogelijk? b.v. dat de -waterslak onderste boven tegen de lucht of de oppervlakte van het water -voortkruipt—zult ge niet altijd dadelijk een antwoord kunnen krijgen; -het maakt de natuurstudie evenwel niet minder prettig, dat er nog -zooveel raadselen op te lossen zijn. - -Soms ook kunt ge geen naam vinden voor een manier van voortbewegen. - -Zoo is er een goudgroene, langwerpige landkever of eigenlijk een -oeverkever, waarvan de larven zich onder water verpoppen; Donacia heet -hij (zie teekening blz. 19); ge vindt hem in Mei bij honderden aan -rietstengels; in een boekje, (dat op dit volgt), zullen we hem -misschien met dieren, die meer aan den kant van de sloot voorkomen, -zooals kikvorschen, ringslangen enz. uitvoerig bespreken; zie er maar -vast zelf wat aan op te merken. Als dit diertje, pasgeboren, naar boven -komt, beweegt het zich op een onbeschrijfelijke manier over ’t water -naar den oever; al gooit ge er tien terug in ’t water, om goed waar te -nemen, hoe het toe gaat, ge kunt er geen naam aan geven; het is geen -zwemmen, geen drijven, geen vliegen, geen roeien, geen loopen, geen -glijden,—het is alles tegelijk en toch nog wat anders. - -Maar om op onzen geranden tor en den ruggezwemmer terug te komen. Ik -zei, dat het schuitjes waren, die maar een paar roeiriemen noodig -hadden, om volmaakt te zijn. - -En die roeiriemen ontbreken niet. Een blik op de achter- en -middelpooten, of liever op de voeten van die pooten, leert u dadelijk, -waarvoor ze dienen; hoe vreemd het u in ’t eerst mag toeschijnen, bij -nauwlettend gadeslaan van een zwemmend insect, zult ge er veel -overeenkomst in vinden met de zwemvoeten van een zwaan of een -kikvorsch. Evenals deze uitmuntende zwemmers bij den slag achterwaarts, -die hen voortstuwt, de zwemvliezen breed uitspreiden—en bij het inhalen -van den poot die vliezen samenvouwen, om den weerstand van het water -zoo gering mogelijk te maken—evenzoo handelt de gerande waterkever met -de dubbele rij haren, dicht aaneengesloten als de baard van een veer, -aan zijn achterste en middelste voeten. Bij den stuwslag spreiden de -rijen haren zich tot een treed vlak uit, bij het inhalen vallen ze -samen tot een dun vlies, dat aan het water weinig oppervlak biedt. - -Wanneer wij een bootje voortroeien, halen wij bij den terugslag de -roeispanen uit het water, dat is even doelmatig; maar als iemand eens -een bootje à la Jules Verne wilde maken om, evenals onze tor onder -water te roeien, dan kon hij niet beter doen, dan de roeipooten van den -geranden watertor tot model te nemen voor zijn roeiriemen. - -De spaan moet dan in de lengte, maar slechts naar éen zijde, om de -scharnieren kunnen samenslaan en bij den terugslag openklappen. Zoo’n -spaan is werkelijk wel te maken, ook wel misschien met voordeel te -gebruiken bij onze gewone roeibootjes. Wie weet, wordt één van u nog -eens de uitvinder van een verbeterde roeimethode! De menschen hebben -het zeilen en sturen en zwemmen wel van de vogels, visschen en kikkers -afgekeken, waarom zou onze tor of de ruggezwemmer op zijn beurt de -menschen niet een nieuwe roeimanier aan de hand kunnen doen. - -Dat ook de gerande waterkever behendig zwemmen kan, al is hij niet de -vlugste onder de roeiende insecten, bemerkt ge, als hij, in een niet al -te groote waterkom, jacht maakt op een stekelbaarsje; ondanks de veel -samengestelder mecaniek der zwemtoestellen van dat vlugge vischje, moet -dit het afleggen tegen de kever. Heeft hij het ingehaald, dan worden de -roeipooten buiten dienst gesteld, de middel- en voorpooten worden -grijptangen,—zie maar eens wat een doornen en klauwen er aanzitten,—en -de kromme kaken beginnen hun moorddadig werk. - -De mannetjes van den geranden waterkever hebben, voor het geval de -pooten of kaken zoo gauw geen vat kunnen krijgen—o.a. op de gladde, -harde schubben van een vischje—nog een geducht middel om zoo’n -glibberige prooi het ontkomen te beletten. Twee tarsen van den voet der -voorpooten zijn verbreed tot een schijfje; dit doet dienst als zuignap; -het werkt ongeveer op dezelfde wijze als het stukje leer aan een touw, -waarmede ge steenen uit de straat kunt lichten. De wijfjes hebben dit -schijfje niet, en zijn door dat gemis (nog beter dan door het bezit van -groeven in de dekschilden) van de mannetjes te onderscheiden, want er -zijn wijfjes gevonden zonder, of bijna zonder groeven, maar nooit met -hechtschijfjes aan de pooten. Aan een dood exemplaar zijn die schijfjes -gemakkelijk nader te onderzoeken, en dan blijkt het, dat zoo’n -instrumentje nog weer samengesteld is, en uit een aantal kleine en één -groote zuignap, of beter: „plakschijf” bestaat. - -Dat die hechtschijfjes nog een anderen dienst te verrichten hebben, zou -men mogen opmaken uit het feit, dat alleen de mannetjes ze bezitten. De -wijfjes kunnen ook wel een vischje aan. - -Houdt ge uw kever een klein stukje vleesch voor, terwijl hij doodstil -aan de oppervlakte van het water drijft, dan merkt ge op, dat het -gezicht van het dier niet bijzonder scherp schijnt te zijn; hij -verroert zich niet, zoolang gij het niet beweegt; maar raak nu even met -uw stukje vleesch aan een van zijn beide sprieten—de lange draden voor -aan den kop—en dadelijk slaat hij de klauwtjes van één van de -voorpooten in het vleesch; hij buigt plotseling de voet zoo, dat het -stukje tegen de hechtschijfjes gedrukt wordt, en roeit er snel mee naar -den bodem, om het daar op zijn gemak op te peuzelen. - -Probeer nu hetzelfde met een stukje brood of een stukje vrucht, de -kever taalt er niet naar; maakt ge het hem te lastig, dan duikt hij, -zonder acht te slaan op de kruimeltjes, die ge hem nawerpt. Hij woelt -het zand van den bodem van uw flesch om; gelukt het hem, daar een -wormpje te pakken, dan ziet ge hem in zijn vraatzucht; daarbij houdt -het dier den kop wat meer opgericht, dan wanneer hij in rust is, en -daardoor worden de kaken duidelijk zichtbaar; die werken van rechts en -links naar elkander toe, niet van boven naar onder, zooals bij de -grootere dieren en bij ons. - -Dat zijn gebit uitstekend ingericht is, bemerkt ge, als ge eens oplet, -hoe vlug hij een dood stekeltje verorbert. Die inrichting is echter bij -onze kevers samengestelder, dan oppervlakkig schijnt. Een beschrijving -ervan zal het u—vrees ik—niet duidelijk kunnen maken, maar misschien -gaat het wel, als ge bijgaande teekening, die zeer vergroot is, er bij -neemt, en tegelijk de aangewezen deelen bij een doode kever opzoekt. -Een goede loupe is daarbij niet overbodig. - -Wordt het u te ingewikkeld, sla dan deze twee bladzijden over; denkt ge -er evenwel over, mettertijd eens een keververzameling aan te leggen, -getroost u dan liever wat inspanning; want heel dikwijls dienen -bijzonderheden van de mondwerktuigen van een kever bij het bepalen van -de soort. - -Evenals alle goede dingen bestaan die mondwerktuigen in drieën. Op de -teekening is voor de duidelijkheid de kop van een loopkever, wiens -kaken ver vooruitspringen, voorgesteld en wel van de onderzijde gezien. -Aan elk der deelen is hier een eigen tint gegeven; de beide -cirkelvormige bovenkaken vormen den achtergrond van de teekening—die -zijn wit en gestippeld; aan ’t boveneind van die kaken, ziet ge -binnenwaarts scherpe tanden of kaken. Daarover liggen de beide -onderkaken: alles wat op de teekening het donkerst (zwart) getint is, -behoort tot die onderkaken. De derde afdeeling, (weer lichter) loopt -ten deele dwars daaroverheen; dat is de onderlip. - -De (gestippelde) bovenkaken zijn niet verder geleed; ze bewegen, net -als de beide bladen van een schaar, naar elkaar toe, en dienen tot het -grijpen, dooden en vasthouden van de prooi. - -De onderkaken (zwart) zijn echter zooveel te meer samengesteld. Elke -helft van zoo’n monddeel bestaat uit een onderstuk: den wortel (op de -rechterhelft der teekening met w aangeduid); daarop kan de dikke steel -(st) zich naar rechts of links een weinig bewegen. Uit den top van die -steel ontspringen, buitenwaarts gericht: de kaaktaster (kt.) en, -binnenwaarts gericht, een binnenste kaakstuk (k). Dat binnenstuk is van -stijve, hoornachtige pennen voorzien, die het voedsel bewerken vóór het -door de keel gaat. De dienst van de kaaktasters (kt) is nog niet met -volkomen zekerheid aan te geven. Bij het vreten zijn ze voortdurend in -beweging, de pikzwarte kever en ook de gerande watertor brengen ze -telkens met het voedsel in aanraking. Wellicht bevatten ze -smaakzintuigen. Alsof dat niet ingewikkeld genoeg was, vindt men op het -binnenste kaakstuk bij veel kevers nog een tweede stel kaaktasters -(kt′). - -De derde afdeeling (de onderlip) is ook nog al geleed. Die bestaat uit: -de kin k, daarop de eigenlijke lip met de tong l, en deze zendt naar -rechts en links weer een gelede taster (l.t.) uit, liptaster genaamd. - -Het onderste niet getinte deel van den kop, is het hoornachtige -keelstuk. - -In hoofdzaak is het kakenstelsel bij de verschillende keversoorten aan -de beschrevene gelijk. Zoek nu tot oefening de overeenkomstige deelen -even op, aan de beide kleine, afzonderlijk geteekende onderkaken van -een paar andere kevers. Dan merkt ge al dadelijk eenige kleine -afwijkingen. Zoo is bij de eene, links, de binnenste kaaktaster (kt′) -van een eigen steel voorzien, en heeft het binnenste kaakstuk een -steunend verlengstuk, dat tot aan den wortel (w) reikt. De andere -onderkaak (hij is van een zandloopkever) draagt aan dat binnenstuk (k) -een beweeglijke tand (td), en dat stuk ligt vlak tegen de steel (st) -van de onderkaak. - -Dat is een heele anatomie geworden, maar ik hoop, dat ik een enkele van -mijn lezers, die kevers verzamelt, en voor wien zulke namen tot nu toe -abacadabra waren, er een dienst mee gedaan heb. - - - -Hebt ge nu in uw gerande torren roofdieren ontdekt, voor wie geen enkel -dier in uw flesschen veilig is, dan zult ge wellicht meenen, dat een -andere kever van ongeveer gelijken vorm, maar een centimeter grooter -dan de gerande, en die ge misschien tegelijk met deze gevangen hebt, -een even groot monster is. - -En toch hebt ge dit glad mis; in de natuur moet ge altijd op -verrassingen bedacht zijn, en niet gauw uit een paar voorbeelden een -regel willen trekken; dat generaliseeren zou u hier leelijk kunnen -foppen; waarnemen alleen kan waarheid geven. Die andere kever, waarbij -ge de gele omlijsting der schilden te vergeefs zoekt, en die den naam -van „pikzwarte waterkever” dan ook terecht draagt, heeft een ander -karakter dan de gerande (zie fig. blz. 9). - -Zij komen zoo weinig in geaardheid met elkaar overeen, als een half -verwilderde huiskat, die zoo nu en dan op de vogelvangst gaat, met een -lobbes van een New-foundlander of St.-Bernardshond, die de wildste -jongens op zijn rug paardje laat rijden, zonder ook maar even te -knorren of de tanden te laten zien. - -Toch kunt ge zoo’n kever niet zonder proef bij uw stekelbaarsjes of -salamanders in de flesch laten, ’t Is mogelijk, dat hij ze geen kwaad -zal doen. Presenteert ge hem een stukje vleesch of eiwit, hij zal in de -meeste gevallen beleefd bedanken. Doet hij dit, dan is uw groote, dikke -pikzwarte tor, hoe gevaarlijk hij er ook uitziet werkelijk een goedige -lobbes—bijten doet de sul zoo goed als nooit. - -De levenswijze van de dieren in de vrije natuur levert soms vreemde, -vaak tegenstrijdige verschijnselen op. Zoo kan ’t gebeuren, dat ge in -uw flesch of uw aquarium een pikzwarte watertor aantreft, die wel -vleesch lust en die ook op stekels of andere vischjes jacht maakt, maar -de regel is, dat onze kever alleen planten of doode dieren eet. -Mogelijk is ’t ook, dat hij in ’t voorjaar vleesch eet. De een is hier -de ander niet. - -Belangwekkend is zijn levenswijze in hooge mate; hij is daardoor voor -velen het voorwerp van studie geworden. Hij is dan ook gemakkelijk te -bestudeeren, doordat hij niet bijzonder vlug in zijn bewegingen is, ten -minste lang niet zoo behendig als zijn buurman, de gerande. - -Al dadelijk merkt ge onderscheid met deze in de manier van zwemmen. Hij -slaat zijn zwempooten niet beide tegelijk uit, maar roeit om beurten -met de pooten; dit maakt op ons den indruk, dat hij door het water -loopt of trippelt. - -Ook bij deze keversoort zijn de mannetjes op het eerste gezicht -gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden. Evenals bij de gerande -kevers, hebben de mannetjes aan het voorste paar pooten hechtschijfjes, -maar van anderen vorm; die ontbreken bij de wijfjes. Ook zijn deze -wijfjes wat grooter dan de mannetjes. De onderzijde is niet geel, maar -lijkt grijsachtig, doordat die zijde dichter en fijner behaard is. -Onder water schijnt, door de lucht, die kant met zilver beslagen te -zijn; die zilverglans steekt prachtig tegen het diepe zwart van het -bovenlichaam af, en dit maakt dezen kever tot een gewenscht sieraad -voor elk aquarium. - -Houdt uw tante of uw grootmoeder toch al flinke, groote goudvisschen, -bezorg haar dan eens een paartje van hydrophilus (zoo heet de pikzwarte -in het latijn,—waterminnaar beteekent het) en plaatst er wat -waterplanten bij. Maar geef een paartje, dat ge al een poos hebt -nagegaan, en waarvan ge zeker weet, dat het vleeschvoedsel versmaadt, -ook in ’t voorjaar. Anders mogen ze nooit bij de vischjes in. - -In het eerst zal uw tante misschien iets tegen die griezelige beestjes -hebben. Als ge ze haar echter eens goed laat bekijken en ze apart -plaatst, zoo dat ze de vischjes geen kwaad kunnen doen, zal ze er -spoedig vrede mee hebben, dat ge wat zilver, smaragd en zwart naast -haar goud hebt gezet. Zij zal er misschien evenveel genoegen in vinden -als in de goudvisschen; voornamelijk nu ze ondervindt, dat door het -groen haar lievelingen langer blijven leven, veel darteler worden, en -dat het water niet zoo gauw bederft, al vergeet zij het te ververschen. - -Welke waterplanten ge nemen moet, hoe ge ze verkrijgen en planten kunt, -en ook waarin die weldaad voor de vischjes bestaat, zult ge in de -tweede helft van dit boekje gewaar worden. Dit wil ik er wel van -verklappen, dat ge zoodoende van een foltergevangenis, een brokje -werkelijke natuur hebt gemaakt. - -Toen uw Gerande Tor zooeven met het stukje vleesch, dat ge hem aanbood, -de veilige diepte opzocht, hebt ge misschien opgemerkt, dat hij aan de -punt van zijn achterlijf een luchtbel meenam en er onderweg een of meer -liet ontsnappen. Let ge van tijd tot tijd op het doen en laten van uw -beestjes, dan bemerkt ge wis, dat de watertorren wel heel lang onder -water kunnen blijven, maar dat ze zoo nu en dan een luchtje komen -scheppen. - -De gerande doet dit echter op een zeer zonderlinge manier; niet met -zijn kop, maar met zijn achterlijf hapt hij lucht. Die lucht neemt hij -mee naar beneden, als voorraad bij de ademhaling; en die geeft hem -tevens een middel, om naar willekeur langzamer of sneller te dalen; -want door lucht uit te werpen kan hij zich plotseling veel zwaarder -maken. Hij gaat derhalve ongeveer op dezelfde wijze te werk als een -luchtreiziger, die gas laat ontsnappen. - -Waar de tor die lucht bergt? Wel, de zachtgewelfde dekschilden vormen -immers een dak boven zijn achterlijf, dat ruimte genoeg heeft om een -flinken voorraad te bevatten. De randen van dit dak sluiten zeer goed -om den eenigszins verhoogden zijrand van het lichaam heen; en die rand -is bovendien van een rij fijne haartjes voorzien, die het indringen van -water beletten. Alleen aan de uiterste punt van het lichaam ziet ge bij -een dooden kever een fijne opening; die opening wordt echter bij de -levende, in ’t water door een luchtbel afgesloten; ook de beide helften -van het dak, de beide dekschilden, sluiten midden op den rug waterdicht -tegen elkaar, zoodat de naad er tusschen slechts een fijne streep -schijnt. - -Hoe vreemd het u mag toeschijnen, toch is het waar, dat onze waterkever -zonder die merkwaardige inrichting in zijn eigen element zou -verdrinken. - -Licht ge die dekschilden op, dan bespeurt ge, dicht bij den zijrand van -het lichaam, aan weerszijden fijne langwerpige openingen, dat zijn de -ademhalingsopeningen,—zijn neusgaten om zoo te zeggen. Door die spleten -treedt de ademhalingslucht binnen, die verder door vertakte buizen -gaande, het geheele lichaam voorziet. - -Wil nu de kever lucht halen, dan brengt hij zijn achterlijf aan de -oppervlakte, hij licht de dekschilden eventjes op en sluit ze -onmiddellijk weer; drukt hij die schilden, bij het dalen, op de -veerkrachtige haren sterk aan, dan kan hij door de opening zooveel -lucht laten ontsnappen, als hij kwijt wil zijn. De overblijvende -luchtbel aan zijn achterlijf staat dus in verband met de lucht boven de -ademhalingsopeningen. - -Door deze inrichting blijft onze tor bewaard voor verstikken en -verdrinken. Tevens heeft hij daarin een middel, om bij gevaar snel den -veiligen bodem te bereiken; daar is hij tusschen de donkere -waterplanten door zijn eigen donkere kleur, voor zijn vijanden: snoek -en baars, reiger en ooievaar, moeielijk te onderscheiden. - -Maar die pikzwarte dan? Die komt lang niet zoo dikwijls boven en nooit -met zijn achterlijf, wel met zijn kop. Haalt die dan adem, zooals wij -menschen? Neen, zoover ik weet is er geen enkel insect, dat door den -mond adem haalt. Zij gebruiken hun bek uitsluitend, om voedsel op te -nemen. Maar hoe dan? Wel, nauwkeurig waarnemen, dat is het enige middel -om er achter te komen, of ten minste, om op den weg naar de waarheid te -komen. Blijft er dan nog wat op te helderen over, dan vragen wij er de -natuurvorschers naar. - -Onderzoek maar eerst, of uw pikzwarte tor wel den geheelen kop aan de -oppervlakte brengt. Neen, niet waar? Alleen een van de sprieten, nu -eens de rechter, dan weer de linker. En vreemd, hij steekt ze eerst -boven water en onmiddellijk, daarop slaat hij de bovenste helft er van, -die dikke knop met nog een paar leedjes, naar beneden terug in het -water; de spriet schijnt gebroken, en de breuk raakt de oppervlakte. - -Tot zoover gaat het waarnemen vrij gemakkelijk, maar nu verder. Gij en -ik zijn al tevreden, als we zoover gekomen zijn, dat we weten, dat die -pikzwarte op die zonderlinge wijze de lucht opneemt met zijn sprieten. - -Maar de natuuronderzoekers blijven bij zoo iets niet staan, zij moeten -het fijne van de zaak weten, het hoe, het waartoe en waardoor; en zij -zijn er achter gekomen. Die het eerst het naadje van deze kous heeft -gevonden, heeft er heel wat turens en hoofdbrekens aan gehad; daar kunt -ge u van overtuigen, als ge de moeite wilt doen, met behulp van -bijgaande teekening, die merkwaardige inrichting eens even na te gaan. - - - -Het figuurtje links stelt de spriet voor in rust, het andere in den -stand van ademhaling. De geledingen 7, 8 en 9 daarvan zijn -neergeslagen, 6, 5, 4, 3, 2, en het wortellid 1, dat aan den kop -bevestigd is, zijn opgericht gebleven; de bovenste leden 9, 8, 7, -onderscheiden zich van de andere, zoo als ge ziet, door sterke beharing -en uitsteeksels; daartusschen blijft de lucht hangen, zij vormen met -hun drieën een buis; het bovendeel 7 daarvan raakt de oppervlakte van -het water; het ondereind—de punt van het laatste (9de) lid der -spriet—ligt een eindje onder water; het pijltje wijst den weg van den -luchtstroom, die door bewegingen van de leden van de spriet naar het -eindpunt daarvan wordt gevoerd. Dat eindpunt nu brengt de kever onder -den rand van het borstschild, waar de grootste ademhalingsopeningen -liggen en vult zoo de luchtbuizen in zijn lichaam; of hij brengt een -voorraad lucht naar den onderkant van zijn lichaam, waar een flinke -hoeveelheid tusschen de lange, zijdeachtige haren geborgen kan worden. - -Die lucht is het, die de buik van den kever onder water verzilvert. Aan -geen der elf geledingen van den spriet van een geranden watertor merkt -ge iets dergelijks op; ze worden naar het eind toe iets korter; alleen -het laatste lid is weer wat verlengd en knopvorming. - -Waarom nu de pikzwarte op zoo’n ingewikkelde wijze zijn levenslucht -moet binnenhalen, heel anders dan de gerande? Zeer waarschijnlijk staat -dat met de ligging der luchtbuis-openingen in verband. Bij de gerande -liggen de grootste en de meeste op den rug onder de dekschilden, bij de -pikzwarte zooals gezegd is, aan de onderzijde van het borstschild. Hoe -dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levenswijze -uitstekend past bij de inrichting van het lichaam. - -Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers zien dan -griezelige beesten; ge moet nu wel een beetje eerbied gekregen hebben -voor het leven van zulke merkwaardige ingerichte diertjes, en daarmede -eerbied voor de schepping, de geheele Levende Natuur, waarin ze zich in -verloop van eeuwen zoo ontwikkelen konden. - -Om de Levende Natuur te kunnen bewonderen en eerbiedigen, behoeven we -niet eens te ontleden of microscopisch te onderzoeken. Reeds een weinig -meer dan oppervlakkig beschouwen, toont ons overal om ons heen, die -wonderlijke overeenstemming, die harmonie tusschen inrichting, tusschen -de kleuren en vormen, en de levenswijze. - -Als we de inrichting en de beteekenis van zoo’n paar sprieten of -dekschilden voor de ademhaling ons zelf duidelijk gemaakt hebben, zijn -we tevreden er mee, en is het ons wonderlijk genoeg,—toch kunt ge er -zeker van zijn, dat ge nog maar een tipje van den sluier heb opgelicht, -die voor de meeste menschen die wondere inrichting bedekt. - -Onder die dekschilden hebt ge ongetwijfeld bij uw onderzoek een paar -gevouwen en naar binnen gedeeltelijk omgeslagen, bruine vliezige -voorwerpen gevonden—de vleugels. - -Vleugels? vraagt ge nu; waartoe dienen dan wel vleugels voor een dier, -dat zijn geheele leven in het water doorbrengt? - -Alweêr een mooie gelegenheid om op het eeuwig verband tusschen -levenswijze en inrichting te wijzen. - -Waar hebt ge uw kever gevangen? In een stilstaand water, een sloot, aan -twee kanten door een dam of een overweg afgesloten. Maar waar moet nu -de kever blijven en zijn voedsel vinden, als de zomer eens weinig regen -brengt en veel warmte? Als de sloot uitdroogt? Zonder die vleugels, -zijn laatste toevlucht in dat geval, moest hij ellendig omkomen. En -waar konden die onmisbare redmiddelen beter, veiliger voor beschadigen -of nat worden, geborgen worden, dan in de waterdichte luchtkamer onder -de schilden? - -Nog vóor de nood aan den kever komt, door droogte of schaarschte van -voedsel, klimt hij tegen een waterplant of tegen den slootkant op, -waarbij hem de doornige uitsteeksels aan de schenen van nut zijn; daar -pompt hij zich terdege vol lucht, de holle aderen in de vleugels ook; -de schemering breekt aan, hij spant de vleugels uit, en zoekt een goed -heenkomen. Brommend, snorrend, zoo luid als een meikever, zeilt hij met -den wind achter de dekschilden voort, tot hij een waterplas, die woning -en spijs belooft, in het oog of in den neus krijgt; die neus zit in de -sprieten. - -Zoo komt het, dat wij onzen kever vaak aantreffen in kleine en zeer -ondiepe waterplassen, in open regenbakken of watertonnen, in dorpsgoten -soms. In den drogen zomer van ’92 schrikten de wandelaars in de -Utrechtsche straat te Amsterdam op warme avonden herhaaldelijk op, en -sloegen een snorrenden waterkever van zich af. - -Ook de menschen dwingen hem vaak, zich van zijn vleugels te bedienen. -Toen eenige jaren geleden de breede sloot achter de Leeuwenhoekstraat -bij het Staatsspoorstation gedempt werd, wemelde het ’s avonds, in den -omtrek van ’t Amstelhotel, van allerlei waterkevers. Ze vlogen tegen de -ballon van het electrisch licht en vielen op den grond. - -De jongens uit mijn klasse brachten er ’s morgens verscheidene levend -mee, zoowel verschillende soorten van gerande, als de groote en de -kleine pikzwarte. - -Nu weet ge meteen, dat ge uw aquarium tegen den avond dekken moet, als -ge op zoo’n verhuizing van uw gevangenen niet gesteld zijt. - -Een tuinman vertelde mij lang geleden, dat hij vaak groote waterkevers -op de glazen van zijn broeikassen vond, die daar op hun rug lagen te -spartelen. Wellicht hebben die kevers de glazen, glinsterend door de -ondergaande of opkomende zon, voor een waterplas aangezien. - -Hebt ge in uw bak met gerande watertorren plaats gevonden voor een paar -waterplanten met een vrij dikken stengel, dan kunt ge het misschien -treffen, dat een van de gevangen kevers u nog wat anders te zien geeft. - -Let goed op de bewegingen der wijfjes; ziet ge ze van tijd tot tijd een -stengel met de voorpooten stijf omklemmen, de zwempooten schuin omhoog -trekken en het achterlijf heftig krommen of schielijk bewegen, dan zijn -ze van plan eieren te gaan leggen. Als de gevangenis maar niet al te -ongeriefelijk is, of niet geheel ontbloot van waterplanten, dan nemen -ze het weinige, dat er is, voor lief en beginnen de taak, die het -voortbestaan van de soort verzekert. - -De punt van het achterlijf wordt sterk verlengd; twee puntige mesjes -komen te voorschijn, en daar tusschen een kleine legboor, waarmee een -gleufje of gaatje in een stengel wordt gestoken: in, of bij elk gaatje, -dat is moeilijk te onderscheiden, wordt een eitje bevestigd. Niet veel, -een dertig hoogstens, althans in gevangenschap. Die eitjes zijn soms -wit, soms oranje, soms rood van kleur, langwerpig en betrekkelijk -groot: 2 à 3 millimeter. - -Is dit afgeloopen, heeft het keverwijfje haar voornaamste taak -volbracht, dan leeft zij niet lang meer. Verdere zorg, voor de eieren -draagt ze niet, bescherming schijnt overbodig en uitbroeden kan zij ze -natuurlijk niet; kevers hebben immers geen warm bloed, zooals de -vogels. Alleen past ze op, dat de eieren niet te diep in het water -komen, opdat ze voldoende zonnewarmte kunnen krijgen. - -Binnen 14 dagen wemelt het nu in het water van kleine doorschijnende -larfjes; de vorm is niet duidelijk te onderscheiden, maar verzorgt ge -ze goed met fijne stukjes eiwit of vleeschvezels, dan groeien ze -verbazend snel. In een dag of vijf zijn ze een centimeter lang; ze -krijgen dan een nieuwe huid, weer een dag of wat later zijn ze al twee -maal zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe. - -Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig gij ze ook van -voedsel voorziet, hun aantal vermindert voortdurend; waarschijnlijk -verslinden de sterkeren de zwakken, zoodat er op het laatst niet veel -overblijven. - -Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu in het water goed -na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen, zooals ge er misschien -reeds te gelijk met uw volwassen tor hebt gevangen. Haast in geen enkel -opzicht zijn ze met den geranden watertor te vergelijken. (Zie fig. -blz. 43). - -We hebben hier met twee gedaanten van hetzelfde dier te doen, die bijna -evenzeer van elkaar verschillen, als de rups van zijn vlinder. - -In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor elkaar niet onder, -in strijdlust evenmin. Daarin verschillen kevers en vlinders -hemelsbreed. - -De volwassen larve grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan wat -binnen zijn bereik komt, onverschillig of het een kikkerlarve, een -stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; voor een jonge snoek -is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of levend—alles is van zijn -gading. Een mond heeft hij niet; en dit was ook overbodig, want hij -zuigt zijn prooi met dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en -doodt. - -Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe punt een opening, -waaruit aan weerskanten een buisje naar binnen gaat; die buisjes zijn -met het bloote oog vrij goed te zien, ze vereenigen zich nog in den kop -van de larve, en vormen samen een wijdere buis, die door het geheele -lichaam heen zichtbaar is. - -In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden, het lichaam naar -voren gekromd, de zes onevenredig lange pooten wijd uitgespreid, hangen -ze met het achterlijf aan de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes, -luchtbuizen, door haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als -dood, aan de oppervlakte op den loer; tot een argeloos vischje of een -salamander binnen het bereik van pooten of zuigtangen komt. De -salamander kwiekt luid, als hij zich door zijn doodsvijand voelt -aangrijpen. Hij worstelt lang, maar als ge hem niet snel van zijn -bespringer verlost, is het met hem gedaan. Hij mag duiken, uit het -water opspringen, in het water pijlsnel voortschieten,—hij raakt zijn -bloedzuiger evenmin kwijt als de haas, die door een wezel besprongen -is. - -Eens komt echter ook voor dit monster de tijd, dat zijn eetlust -vermindert, dat hij traag en lusteloos wordt. Hij is nu volwassen, en -tweemaal zoo lang als de kever, uit welks eieren hij voortgekomen is. - -Hebt ge ze zelf zoover groot kunnen brengen, of, wat veel gemakkelijker -is, een aantal volwassen larven geschept, dan kost het niet veel -moeite, de gedaanteverwisseling na te gaan. - -Zet in een goudvischkom een steen, die van den bodem, tot even onder -het oppervlak van het water reikt en daarop een stuk van een dikke -graszode. - -Op een goeien morgen zijn de larven uit de kom verdwenen. Onderzoekt ge -een week later voorzichtig een gedeelte van de zode, dan vindt ge -allicht een of meer holten, zoo groot als een vingerhoed, en daarin een -witte of gele pop. Die verschilt in vele opzichten van een vlinderpop, -die ge zeker wel eens gezien hebt; vooral doordat de deelen van den -toekomstigen kever zeer duidelijk te onderscheiden zijn. - -Na een week of drie scheurt de pophuid open en de volkomen kever treedt -er uit te voorschijn. Of liever treedt nog niet te voorschijn, hij is -nog niet vertoonbaar, zijn chitine-huid is nog week als was en bijna -even geel; zijn pooten nog te zwak om te roeien of te kruipen, zijn -vleugels nog niet droog genoeg. - -In twee of drie dagen is hij donkergroen van kleur geworden en voelt -hij zich sterk genoeg om de aarde, die hem van het water scheidt, op -zij te ruimen en in zijn element de kost te zoeken. - -Precies zoo gaat het in de sloot toe. Wordt hij daar niet op het -laatste oogenblik verrast door een waterrat of een mol, die aan de -sloot zijn drinkgang komt aanleggen, dan is hij straks even bekwaam in -het grijpen van zijn prooi, in het zwemmen, duiken of vliegen, als zijn -soortgenooten, die al veel eerder ontpopt zijn; een les van hen heeft -hij niet noodig; wel wordt hij, al doende, slimmer en handiger. Zijn -jeugdige leeftijd is voor de ingewijden in de geheimen van een -moddersloot, alleen kenbaar aan zijn lichtere onderzijde en de -bijzonder sterk glanzende dekschilden. - -En de voortplanting van de pikzwarte? „Dat zal zooveel verschil niet -zijn,” zegt ge wellicht, even goed als ik vroeger. „Eieren leggen, -larven uitkomen, vervellen, groeien en nog eens vervellen, dan -verpoppen en uitkomen,—dat liedje kennen we al van buiten!” Precies, -maar ge kunt dan even zoo goed zeggen dat het leven van alle menschen -zoo ongeveer gelijk is; geboren worden in dit jaar, kind, jongeling of -meisje, volwassen, dan oud worden en sterven tot besluit in dat jaar; -zoo ging het Napoleon en zoo ging het Rembrandt, maar toch met verschil -niet waar? Ja, was er niet veel meer op te merken in de geschiedenis -van de menschen of van de natuur, dan was het werkelijk niet de moeite -waard, algemeene, vaderlandsche of natuurlijke historie te bestudeeren. - -Evenmin als het leven van alle menschen gelijk is, evenmin en nog veel -minder is dat het geval met twee diersoorten, al zijn het beide ook -waterkevers. Als ge ééns een paartje pikzwarten in een kom of aquarium -gehouden hebt dan wed ik, dat ge elk volgend jaar zorgen zult, er niet -zonder te zijn. Loont het al de moeite, gerande torren groot te -brengen, onze Hydrophilus geeft nog heel wat anders te zien. Hij -vergenoegt zich niet, zooals de gerande, met zijn eieren hier of daar -aan een waterplant vast te hechten, zonder er zich verder om te -bekommeren. - -Ziet ge in April of Mei het wijfje van Hydrophilus van tijd tot tijd -met blaadjes eendenkroos, met groene draden of met een grooter blad van -een of andere waterplant heen en weer zwemmen, dan begint straks een -aantrekkelijke werkzaamheid, die nog maar bij één andere waterkever -opgemerkt is. - -Hij doet het evengoed in een kom water als in de breede sloot. Laat de -gelegenheid niet ontglippen, een kever onder water een nest te zien -bouwen voor zijn eieren en zijn jongen, een nest dat minstens even -kunstig en doelmatig ingericht is, als dat van een vink of wielewaal. - -Een nest onder water? Ja, hoe zou men het anders kunnen noemen? Ga maar -eens nauwkeurig na, wat de kever daar met dat blad uitvoert; maar stoor -hem niet; als ge hem aanraakt, houdt hij er mee op, en dan hangt het -van het toeval af, of ge er juist bij zult zijn, als hij weer begint. - -Kijk, het wijfje legt zich op den rug onder dat blaadje fonteinkruid, -dicht bij de oppervlakte, zij beweegt het achterlijf voortdurend heen -en weer; daar keert ze het blad om en om: witte draden zijn er in de -dwarste over heen gespannen: nu neemt zij het weer op de buik, draad -bij draad komt uit vier buisjes aan het achterlijf te voorschijn; de -twee grootste buisjes zijn bij het spinnen en weven duidelijk te zien. - -In een half uur tijds heeft de kever zich een boezelaar geweven, die ze -stijf tegen de kanten van het lijf drukt, over de verhoogde kiel heen, -daardoor krijgt die boezelaar een lichte ronding; de voorpooten liggen -op de boezelaar, de middel- en achterpooten er onder; zoo rust de tor -eenige oogenblikken uit. - -Maar er is haast bij den arbeid; ze schuift met inspanning van alle -pooten den boezelaar af, grijpt hem met de voorpooten of de kaken, en -manoevreert net zoo lang, tot de lap netjes achter op den rug komt te -liggen; nu keert de kever zich op nieuw om en begint van vorenaf. Al -weer is in een drie kwartier een boezelaar klaar, maar die is onder de -hand met het lapje op den rug saamgesponnen; zoo is een rokje ontstaan; -dit wordt van onder dicht gemaakt, en daar zit nu de tor halverwegen in -een witachtige zak. - -Daarmee schijnt het uit te zijn, want er is geen beweging meer te -bespeuren; ja toch, het is net, of het achterlijf uiterst langzaam, hoe -langer hoe verder, voor uit den zak wordt uitgeschoven. En zoo is het -ook; maar wat daarbij gebeurd is, kunt ge eerst later begrijpen; dan -wordt het duidelijk, waarom de kever zoo stil zat: ze heeft een vijftig -eitjes onder in den zak gelegd, op rijtjes naast en op elkaar, maar -eerst heeft ze nog met een laagje spinsel den bodem belegd. (Zie fig. -blz. 49). - -Nu is het achterlijf bijna geheel uit het nestje gekomen, en de kever -haast zich, er een vlak dekseltje op te weven; over dwars, over langs, -of het schering en inslag was, gaan de draden over elkaar; dat moet wel -gauw gaan, anders komt er misschien water in. - -Ik heb meer dan eens gelezen, dat natuuronderzoekers hebben opgemerkt, -hoe het mannetje, hierbij het wijfje ondersteunt; hij houdt het nestje -in den goeden stand, zoodat het wijfje alleen maar heeft te weven; -gezien heb ik het nooit, wel zag ik eens het mannetje voortdurend om -het nestbouwende wijfje heen zwemmen, misschien wel, om de wacht te -houden; een enkelen keer zag ik hem op het nestje zitten, terwijl het -wijfje bezig was; ik heb toen iemand die het weten kon, gevraagd wat -dat beteekende en kreeg ten antwoord: „dat dient om het lichte nestje -onder te houden tot het klaar is.” - -De bovenhelft van het nest heeft de tor met licht weefsel -gevuld,—onderin liggen de eieren; zoo is er al niet veel kans van -omslaan, als het straks zal gaan drijven. Waterproef is het ook, en -lucht en voedsel is er in voor de jonge larfjes. - -Toch heeft de tor haar taak nog niet naar haar zin volbracht. Bij -hevigen wind zou het hulkje toch nog kunnen vergaan; zij zal er een -mastje opzetten; slaat het scheepje dan soms op zijde, dan zal het -kleverig mastje het water raken, daarop steunen, om zich later weer op -te richten als de vlaag voorbij is. (Zie fig. blz. 11 en blz. 50.) - -Dat mastje spint ze in opgerichte houding, met den kop naar beneden, de -draden legt ze in de lengte tegen elkaar; elke volgende een eind langer -dan de vorige, zoo kan het mastje een paar centimeter lang worden. Ook -hierbij hebben sommigen het mannetje zien helpen; wanneer het mastje -zoo hoog is geworden, dat het achterlijf van het wijfje er niet meer -bij kan, drukt het mannetje door zijn gewicht het nestje onder. - -Als ge zoo iets bijzonders merkt, noteer het dan. Lang niet alle -pikzwarten bouwen op dezelfde wijze. Ik heb niet ’t geluk gehad, het -ooit te zien; wel nam ik in dit voorjaar waar, dat het wijfje het best -alleen af kan. Zij richt zich met ’t grootste gemak half uit het water -en bespint den top van het mastje met haar penseelachtige spinbuizen. -De bijgevoegde teekening heb ik gemaakt, terwijl ’t diertje bezig was. - -Is het wijfje eens begonnen eieren te leggen, dan kunt ge gerust het -nestje verplaatsen, of het in de hand nemen met den kever er bij, om -beter waar te nemen. Het diertje laat zich niet meer storen, en gaat -zelfs op uw hand, buiten het water, verder met het eieren leggen of met -het dekseltje te maken. - -Leg het maar weer in het water; zie eens, hoe het dier om het nestje -heendraait, hier en daar nog wat bijflikt, verschikt of aanvult,—en -teeken den datum van het eierenleggen aan. Tien dagen later moet ge van -tijd tot tijd naar het nestje kijken; dan beginnen soms de larven al te -leven in het nest. Het kan geen kwaad, ten minste als ge meer dan één -nestje hebt, eens voorzichtig een stuk uit het dek van het scheepje te -steken of te knippen; dan kunt ge de verandering en de kleurwisseling, -die er binnen in plaats grijpt, ook zien. - -Binnen 14 dagen zijn alle larfjes uitgekomen, ze eten den eersten dag -spinsel en eierhulsels, maar den volgenden dag reeds begint hun -moordtocht door het water in uw kommen; dan is er geen slakje, geen -wormpje meer veilig voor hun kaken; ze groeien verbazend snel en worden -larven, zoo leelijk, zoo griezelig, dat ik, en velen met mij, ze niet -zonder een kleine rilling van afkeer kunnen aanpakken, en we zijn -anders niet zoo vies of angstvallig op het stuk van -insecten-aangrijpen. - -De larve van de gerande is een monster, maar—’t is hem aan te zien; die -van de spinnende waterkever evenwel is een dikke weeke, zwarte, sterk -gerimpelde worm, die zich dood houdt, als ge hem opvischt, en die -dubbelgevouwen als een slappe vellerige darm voor u ligt; ge wilt het -vieze ding met den vinger op zij gooien, maar op eens hoort ge een vrij -sterk, gillend geluid en, plotseling zich opblazend en zich krommend, -slaat het verraderlijk schepsel zijn kaken in uw vel; als ge hem -eenmaal kent, zult ge op uw hoede zijn, en hem eenvoudig met uw -tangetje uit de mee opgeschepte planten oppikken. - -Merkt deze larve in het water gevaar, dan omgeeft hij zich plotseling -met een zwart vocht, waardoor hij zich aan de vervolging door zijn -vijanden in de sloot onttrekt, evenals de inktvisch dit doet in de zee. - -In uw aquarium kunt ge hem gemakkelijk voeden, hij vreet alles en nog -wat; in korten tijd is hij volwassen, en op dezelfde wijze als bij de -gerande moet ge het aanleggen, om het bijterig, roofziek gedrocht over -te halen, zich in de mooie, belangwekkende, spinnende waterkever te -veranderen. - -Geheel op dezelfde manier gaat deze gedaanteverwisseling niet, maar de -verschillen merkt ge, als ge beide kevers kweekt, zonder aanwijzing van -anderen, licht zelf op. Let vooral eens op den zonderlingen stand van -de pop in de holte; de vijf haken aan den kop zijn steunsels. - -Vreemd, niet waar, dat met die verandering niet alleen de oude vorm -verdwijnt, maar ook de geheele aard, de geheele levenswijze van het -dier verandert. - -Hebt ge succes gehad met uw kweekerij, zijn de larfjes goed uitgekomen -in de flesschen of kommen, waarin de ouders waren, dan is het zaak alle -bewoners van die flesschen een ander plaatsje te geven, of er blijven -ten slotte niet anders over, dan òf de larven van Dyticus òf die van -Hydrophilus. Dyticus is de latijnsche naam voor de gerande watertorren, -het woord beteekent „duikelaar”. - -Beter nog is het, alle jonge larven weer in dezelfde sloot te werpen, -waaruit de kevers geschept zijn. - -Hebt ge daartoe geen lust of gelegenheid, breng er dan een paar -waterwantsen en eenige scorpioenen in (zie de teekening blz. 19 en 43) -of anders een stuk of twee, drie stekelbaarsjes; ge weet wel, die -kleine, 4 à 5 cM. lange vischjes, met 3 of 11 stekels op den rug. Ze -zijn in elke sloot bij massa’s te vinden. De elfstekelige noemen de -jongens hier moddermannetjes. Die lieve diertjes met hun snoekenbek -zorgen wel, dat de larven niet te sterk vermenigvuldigen; dat doen ze -in de sloot ook. - -Wemelt het in den tijd, dat de eieren van Dyticus uitkomen, in alle -slooten en plassen van jonge larven,—een veertien dagen later, maakt ge -ze niet meer met elke schep buit. Zorgen de volwassen gerande torren, -dat de stekeltjes niet oppermachtig worden in het water,—diezelfde -stekelbaarsjes houden duchtig huis onder de keverlarven. Toch blijven -in de meeste slooten deze vischjes ten slotte de baas. Ze zijn ook zoo -strijdlustig en zoo vraatzuchtig tevens, dat ze heele slooten -ontvolken, tot ze dan zelf bij gebrek aan voedsel te gronde gaan, want -zij kunnen het water in geval van hongersnood niet verlaten, zooals de -meeste andere slootdieren. - -De sierlijke, vlugge, meestal driftige bewegingen van het stekeltje -maken, dat het voor een poosje een vroolijk, levendig aanzicht aan het -aquarium geeft. - -Zijn manier van aanval en verdediging, zijn gezellige aard—ze zwemmen, -als het aquarium niet te klein is, graag in scholen—alles aan het -diertje trekt en boeit de aandacht; maar uw aquarium zou al te gauw -leeg zijn. - -Eén paartje moet ge in elk geval houden, al is het maar alleen om de -levenswijze na te gaan, en u zelf daardoor te verklaren, hoe dat -beestje zoo licht de overhand krijgt in de sloten, ook in groote -plassen en vischvijvers, ja soms in de rivieren; zoo zelfs, dat de -visschers of karperkweekers vaak verplicht zijn, er opzettelijk jacht -op te maken. Want ze maken de teelt van alle andere visschen -onmogelijk, doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden. - -De stekels op den rug vallen hier in het oog; de driestekelige soort, -die het veelvuldigst voorkomt, zet de rugvin, waarvan de scherpe -naalden de stralen zijn, meestal alleen bij den aanval op,—de tien of -elfstekelige is veel wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen -bijna voortdurend in gereedheid. - -Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar, die niet -dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats, waar zich bij de -meeste andere visschen de buikvinnen bevinden, en zijn naar achteren -plat tegen het lichaam aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op, -en de andere visschen schijnen de vervaarlijke priemen niet gering te -schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze op visschenmanier -hun kleinere stamgenooten in willen slokken. De snoek zelfs blijft met -zijn bek wel van het kleine stekeltje af, en de eend raakt ze ook maar -zelden aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna altijd -opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen, dat het een goed -gewapende bek heeft; nog beter kunt ge de aanwezigheid van de fijne -tandjes bemerken, door het gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of -een griffelpunt over de kaakranden strijkt. - -Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo’n goede eetlust -voorzien, moet het vischje in de vijvers wel lastig en voor het -voortbestaan der overige waterbewoners gevaarlijk worden. Maar in de -natuur wordt het evenwicht niet zoo licht verbroken; er is voor -gezorgd, dat de boomen niet tot in de wolken doorgroeien. - -Heel vaak ziet ge stekeltjes, die lang niet zoo levenslustig zijn als -hun kameraadjes; ze zijn anders heel dik en schijnen ook gezond, maar -het is slechts in schijn; over een paar dagen ligt het vischje -herhaaldelijk op zij aan de oppervlakte, en eindelijk sterft het; dan -komen kleine, platte witte draden uit zijn lichaam te voorschijn, die -over de oppervlakte heenkronkelen; het zijn een soort lintwormen, die -het vischje de dood hebben aangedaan. - -Maar nauwelijks hebben de eenden in de sloot of de vijvers die -dingetjes bemerkt, of ze schieten er op af, en de wormpjes zijn naar -binnen en dood; dood, jawel, maar nog niet geheel en al; de wormpjes -hadden ontelbare eieren bij zich, die levend het lichaam van de eend -weer verlaten, niet als eieren, maar als uiterst kleine, alleen met een -vergrootglas zichtbare diertjes; ze draaien en kronkelen met behulp van -fijne trilhaartjes door het water, en bij het ademhalen door de -stekeltjes, geraken ze weer tusschen hun kieuwen en zoo in het lichaam, -waar ze zich opnieuw tot wormen ontwikkelen. - -Zoo komen er vele stekeltjes in den vijver om het leven, maar hun dood -is toch niet geheel nutteloos voor de andere stekeltjes, al is het erg -voor hen die dat lot treft; op die wijze wordt een al te sterke -vermeerdering tegengegaan, die ten slotte immers den hongerdood van -allen moest ten gevolge hebben. - -Zorg nu vooral, wanneer ge uit een groot aantal stekeltjes een paartje -uitzoekt, om in het aquarium te houden, dat ge gezonde neemt; bemerkt -ge, dat een enkele erg op zijde zwemt, neem hem dan uit de flesch, vóór -dat hij sterft; wel schijnt het waar te zijn, dat de eieren van de -stekelwormpjes eerst een eendenmaag moeten passeeren, om weer voor -andere stekeltjes gevaarlijk te kunnen zijn; maar zeker is dat nog -niet, en er zijn nog andere vischparasieten, waardoor uw ziek stekeltje -aangetast kan zijn; die konden ook de overige wel eens besmetten. - -Een parasiet die in Amsterdam veel op stekelbaarsjes gevonden wordt, -heb ik hier zeer vergroot geteekend. De jongens noemen het dier -stekel-botje; werkelijk een goede naam. De parasiet is zoo plat en rond -als een bot, maar de grootte is niet meer dan een halve centimeter. Ook -is’t stekel-botje natuurlijk geen visch; ’t is een kreeftachtig dier, -familie van de daphnia’s, cyclops, garnalen, waterspringers en zoo veel -andere zoetwater schaaldieren. - -Ik zei, dat ge een paartje moest nemen, een mannetje en een wijfje, of, -zooals het bij de visschen heet, een hommer en kuiter; het mannetje -kunt ge in Mei, Juni of Juli gemakkelijk onderscheiden aan de kleur; -zijn keel en borst prijken dan met goudroode, paarse en purperen -kleuren; ook is hij veel onstuimiger dan de wijfjes; hij valt op alles -aan, en jaagt onophoudelijk de wijfjes uit elkaar, die vaak in een -hoekje van de waterkom bij elkaar schuilen en haast niet voor den dag -durven komen. - -Neem zoo’n wakker kereltje apart, geef hem één, hoogstens twee groote -wijfjes tot gezelschap. Zorg nu vooral voor kleine waterplanten, kroos, -hoorn- of duizendblad, of nog beter voor een kleine hoeveelheid -waterdraden; zoo heeten heel eigenaardig, die frischgroene draadvormige -planten, die ge in elken sloot kunt vinden en die bij elke schep in het -net raken. De boeren noemen ze ook wel vlag of flap; zij zijn het, die -in het najaar die gele vellen op het water vormen. - -Stoor nu uw beestjes niet, kijk steeds op een afstand naar hun doen en -laten; hebt ge maar een beetje geduld en geluk tevens, dan bemerkt ge -op een goeden dag in Juni midden of in een hoek van het aquarium een -kluwen van door elkaar gevlochten waterdraden, zoo groot als een -walnoot. Bij nader bekijken, bespeurt ge, dat het een liggend tonnetje -zonder bodem of deksel is, waarbij het mannetje de wacht houdt. - -Blijft hij voortdurend in de buurt van het nestje—ge begrijpt wel, dat -het groene kokertje zoo iets is—dan hebt ge veel kans een aantrekkelijk -natuurtafereeltje te zien afspelen; ik herinner me, dat ik het als -kleine schooljongen eens gezien heb in een aquarium, dat in mijn -geboorteplaats voor de winkelkast van een horlogemaker stond; op een -school, waar ik later kwam, hadden we ook jaren achtereen -stekelnestjes. Het nestje dat de tien-stekelige soort maakt, ligt -zelden op den grond. - -Het mannetje jaagt onophoudelijk het wijfje na, drijft het in een hoek, -bijt het er weer uit, tot het hem gelukt, het wijfje dwars door het -open nestje te drijven; maar de opening is wat nauw, het wijfje kan er -amper door heen, het blijft met haar stekels in de draden zitten en.... -legt haar eieren in het nestje neer. - -Maar nu moet het er weer uit, het krijgt een paar happen in den staart, -weg is het; ook niet in de buurt blijven, neen, een heel eind uit de -voeten: eierendiefje als het is, zou het haar eigen eieren niet sparen, -maar het waakzame mannetje is op zijn hoede,—hij kent zijn volkje. - -Een paar malen schuift hij zelf door het tonnetje heen; daarbij laat -hij wat homvocht (ge kent de hom van de haring wel) uit zijn lichaam op -de kuit vallen; de eieren worden daardoor bevrucht, zooals men zegt; -zonder dat homvocht zouden er geen jonge vischjes uitkomen; net zoo min -als er weer jonge planten uit zaden kunnen komen, indien er geen -stuifmeel op den stamper van de bloem is geraakt; in den stamper waren -die zaden, net als witte eitjes, aanwezig. - -Als het mannetje zich uit het nestje gewerkt heeft, maakt hij de beide -openingen wat nauwer en blijft in den omtrek kruisen; ieder die in de -buurt komt, wordt met opgezette stekels verdreven. - -Na een week, soms eerder, dat hangt van de temperatuur van het water -af, komen de jonge vischjes uit; al zien ze er eerst wat vreemd uit -door den dikken kop en een soort van zak, die aan de keel hangt, het -zijn toch al vischjes; met een gedaanteverwisseling hebben we hier niet -te doen, dat is duidelijk. - -Als de vischjes ongeveer een centimeter groot zijn, maakt de zorgvolle -vader de openingen van het nest wat wijder, en de jongelui mogen eens -even buiten komen; het lijkt wel een nevelwolkje in het lichtgroene -water. Nog een paar dagen—en papa gaat met zijn familie uit zwemmen. -Wee het wijfje of het kevertje of de salamander, die te dicht bij de -school kleintjes komt; het mannetje hapt als een dolle in ’t rond, zijn -stekels worden ieder oogenblik in een dreigenden stand gebracht. - -Al zijn er waterplanten in de sloot of in ’t aquarium, dan bouwt het -driestekelig stekeltje zijn nestje toch op den bodem. Als de eiertjes -er in zijn, spoelt hij er zaadkorreltjes over heen, zoodat er niet veel -van te zien is. Alleen een kleine opening in den bodem, waar wat -wortelvezels of grashalmpjes uitsteken, duidt de plaats aan, waar het -nest verscholen is. Toch kunt ge ’t wel vinden en het machtig worden, -nu ge zijn aard en levenswijze kent. Ziet ge in Mei of Juni zoo’n -eenzaam stekeltje in zijn bruiloftspak driftig op dezelfde plaats heen -en weer zwemmen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat zijn nest niet ver -af is. - -Breng langzaam uw stok in het water—het stekeltje zwemt er als dol om -heen; nader met den punt den bodem en strijk er mee heen en weer—op het -oogenblik dat de punt het nest raakt, vliegt het diertje, dat nu bijna -geheel purperrood wordt, naar den bodem, bijt in den stok en tracht -dien met zijn bek weg te stooten. Zoo slim als een kievit of leeuwerik -is het stekeltje dus niet; zonder heel veel moeite kunt ge het nestje -met zijn bewaker, die het niet verlaat, opscheppen, in uw flesch mee -naar huis nemen en voorzichtig in een groot aquarium overbrengen. Vindt -het diertje, wat echter lang niet altijd gebeurt, daar zijn nestje -terug, dan herstelt en verzorgt hij het als te voren. Zijn roode kleur, -die hij eerst verloren had, komt dan ook weer terug. - -Misschien hebt ge dan ook gelegenheid, eens op te merken, hoe aardig -hij zoo’n ingegraven nestje van de noodige zuurstof voorziet. Hij staat -soms minutenlang loodrecht boven de opening, den kop naar benedenen, -drijft met alle vinnen en met den zijwaarts gebogen staart een -bestendigen stroom van versch water, in en door het eiernest heen. - -Nestbouwende visschen zijn er maar weinig; in ons land maar één; en -opmerkelijk is ’t, dat het stekeltje, die ééne, zoo’n gering aantal -eieren legt, een twintig of dertig hoogstens, en die zijn soms nog van -meer dan één wijfje afkomstig. Dat voor de veiligheid van al de -honderdduizenden eieren, die een haring of een kabeljauw schiet, niet -gezorgd behoeft te worden, is duidelijk; als er maar een klein deel van -uitkomt, zal de visch niet uitsterven. - -Maar het stekeltje heeft er in vergelijking zoo weinig, daarom zorgt -het mannetje er zoo goed voor. Daarom? Och, dat is maar bij wijze van -spreken,—het stekeltje met zijn goudroode borst, weet van de inrichting -in de natuur immers niets. Het is geen mensch, die vergelijken, -nadenken en oordeelen kan, wat nuttig voor hem of zijn nakomelingen is. -Hij doet het, omdat hij het moet doen, hij kan niet anders, de -natuurdrift dwingt hem er toe, en—als wij het hem zien doen, bewonderen -wij niet alleen dat redelooze vischje, maar in dat vischje de wijze -inrichting der levende wereld zelve, Hem, die in dat vischje die drift -heeft ingeschapen, of gezorgd heeft, dat die er in den loop der tijden -in kon ontstaan. - -Maar hoe nu onze kleintjes in het leven te houden, om ze te zien -wassen? Dat is zeer lastig in een kleine flesch, iets minder in een -groot aquarium, maar toch in beide mogelijk. - -Houd bij alle pogingen, die ge doet, om uw dieren of planten in het -leven te houden, toch steeds in gedachten, dat daartoe vier zaken -onmisbaar zijn: voedsel, lucht, licht en reinheid. Het laatste klinkt -misschien wat vreemd voor dieren uit een moddersloot, maar de -ondervinding zal het u leeren. Alles wat dood is, plant of dier, moet -zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, of uw vischteelt mislukt -deerlijk. - -Nu behoeft ge niet alles zelf te doen, ge kunt een reinigingsdienst -instellen zonder bezwaar voor uw zakgeld. Breng een flinke hoeveelheid -kleine slakken in de flesschen; die nemen het grootste deel van uw taak -over. ’t Doet er niet toe, of het gewone waterslakken, met min of meer -langwerpige huisjes,—of wel slakken met platte huisjes zijn, waarvan de -windingen naast elkaar in plaats boven elkaar liggen—posthoorntjes, -zeiden wij jongens; planorbis heeten ze in de dierkunde. Zie de -teekeningen hierbij. Groote slakken betalen zich zelf voor hun -diensten, door uw waterplanten aan te tasten, en dat is lastig. -Ofschoon ook al weer niet zoo heel erg; want in een studieaquarium -plaatst ge toch geen dure of zeldzame planten. - -Ook wordt die schade weer eenigszins vergoed, door de gelegenheid, die -zij u geven, hun eigenaardige vreetmanieren en bewegingen na te gaan; -hun spreekwoordelijke traagheid maakt dit bijzonder gemakkelijk, en aan -zoo’n slakkengang zit nog meer vast, dan gij, zoo oppervlakkig -beschouwd, zoudt denken. - -In elk geval, het reinhouden van uw vischkweekerij kunt ge gerust aan -uw slakken overlaten; alleen groote doode dieren en planten moet ge -noodzakelijk zelf weg nemen. Al gebeurt dat in de sloot, waar de -stekeltjes toch opperbest gedijen, niet door menschenhanden, ge moet -niet vergeten, dat uw best ingericht aquarium toch nog maar nagebootste -natuur is. - -Wat het licht betreft, daarvoor is wel het gemakkelijkst te zorgen. -Voor een venster, als het mogelijk is voor een, dat geopend kan worden, -is de beste plaats; maar langdurig direct zonlicht is schadelijk, -tenzij ge van een groote voorraad schaduwgevende planten voorzien zijt; -drijvende, vooral kikkerbeet of duitblad, zijn voor het aanbrengen van -schaduw zeer geschikt en dat goedje gedijt weer kostelijk, als ge veel -vischjes kweekt; daar het op zijn beurt gebruik maakt van het koolzuur, -dat uw diertjes in het water uitademen. Dus zoo ongeveer door dezelfde -oorzaak, die de planten in een goed bevolkt en zonnig schoollokaal zoo -flink doet wassen. - -Door die drijvende waterplanten in ’t aquarium te brengen hebt ge dan -meteen aan uw kweekelingen de noodige levenslucht verschaft; toch -moeten er wat ondergedoken planten b.v. waterdraden en waterpest bij. -Bovenal waterdraden, die scheiden veel gas af; ze zitten als de zon er -maar eventjes door heen schijnt, zelfs in den winter bij de kachel, vol -belletjes zuurstof. Deze zuurstof verrijkt de reeds in ’t water -aanwezige lucht; die wordt voortdurend den bek in, en de kieuwen weer -uitgestuwd; let maar eens op, hoe de borstvinnen onophoudelijk in -beweging zijn (ook als uw vischjes stilstaan) om het verbruikte water -weg te drijven, en ander aan te voeren. - -Er komen soms ook wel ongenoode planten in uw flesschen, juist als ze -goed verlicht zijn, Eerst zinken er lichtgroene bolletjes, als zeer -kleine speldeknoppen door ’t water; die stipjes groen, blijven op den -bodem liggen, of zetten zich tegen de kanten vast. Langzamerhand -overtrekt nu een licht groen beslag de glaswanden; dat doet de visschen -eer goed dan kwaad; het zijn uiterst kleine plantjes van dezelfde soort -als de waterdraden, algen heeten ze; maar zij beletten u het gadeslaan -van de dieren, en daarom is het toch in de eerste plaats te doen. - -Goudvisschen en bittervoorns eten graag algen, maar die zouden meteen -de jonge kweek-vischjes uit de wereld helpen, dus dat gaat niet. - -Welnu, zet wat meer en wat grooter slakken in het water, die maaien -heel aardig die algenwei af; hun tong gaat onophoudelijk langs het glas -en laat kaalgevreten strepen na. Daarentegen brengen ze er weer wat -anders op, geleiachtige, langwerpige, doorschijnende massa’s van een -paar centimeter lengte; als ge een goede loupe hebt, kunt ge daarin, na -een paar dagen duidelijk kleine slakjes met huisje en al ontdekken, en -van dag tot dag hun ontwikkeling uit de eieren nagaan. - -Die slakkeneieren zijn meteen een gezocht voedsel voor uw jonge -stekelbaarsjes, evenals muggenlarven, die overal in massa te scheppen -zijn. - -Dat ik u als voorwaarden tot het in leven houden van de pas uitgekomen -vischjes ook het voedsel noemde, mag u wellicht wat onnoozel -toeschijnen. Toch vroeg mij nog niet lang geleden, eens iemand, hoe het -toch komen zou, dat zijn vischjes in het aquarium de één voor de ander -na, stierven. Ik noemde allerlei dingen, die hij misschien verzuimd kon -hebben, maar.... dit was het bepaald niet, en dat ook niet. - -„Misschien geef je ze te veel voedsel?” vroeg ik. - -„Voedsel?” zei hij. „Neen daaraan ligt het zeker niet, ze krijgen niets -dan duinwater!” - -Mal toch, dat zoo iemand niet begrijpt, dat ook visschen van honger -kunnen sterven. - -Het hangt juist van het voedsel af, of de teelt gelukken zal; veel, wat -de volwassen vischjes verorberen kunnen, is voor de kleintjes -ongeschikt,—omgekeerd niet. Slakkeneieren kunnen ze na een dag of tien -al vrij goed van het glas krijgen, maar vóór dien tijd is er ook -voedsel noodig. - -Nu zijn er gewoonlijk in het water, wel voor het bloote oog meestal -onzichtbare diertjes, de infusiediertjes—ook al door Leeuwenhoek -ontdekt,—maar die voorraad schijnt niet voldoende en te gauw uitgeput -te zijn, bij de gezonde appetijt van de jonge visschen. - -Ga liever tegen den avond van een zonnigen zomerdag nog eens naar een -sloot in de buurt. Ver hoeft ge niet te loopen, of ge ziet, dicht aan -den kant, een roodachtige wolk in het water; is de sloot door -eendenkroos bedekt, schuif het dan voorzichtig op zij, en de wolk wordt -hier of daar zichtbaar. - -Breng op een eindje afstand van die wolk, uw groote flesch omgekeerd -onder water, zoodat er weinig of geen lucht ontsnapt, keer hem dan -midden in die wolk om. Dat is volstrekt geen gevaarlijk werkje, daar de -wolk dicht bij de kant is, en ge altijd wel een vast plekje kunt -vinden, om te staan; anders geeft ge uw linkerhand maar aan uw -kameraad, die op den wal zit. - -Hebt ge bijgeval geen kennis mee kunnen krijgen, of is de kant te -steil, haal dan uw fijnmazig schepnet een paar keer door die zwevende -wolk en keer het in het water van de wijdmondige flesch om. - -Al dadelijk ziet ge in uw flesch, waaruit die wolk bestond; duizenden -rondachtige diertjes huppen en schieten er door elkaar heen; -wriemelende, geweiachtige sprieten doen dienst als springpooten bij de -eene soort,—een vertakte staart bij de andere; want meestal hebt ge -twee soorten watervlooien tegelijk geschept: daphnia, dat zijn die -ronde, met hertengewei—cyclops zoo heeten die kleine met een staart en -met vaak twee zakjes met zwarte stippen aan weerszijden van het -lichaam; dit zijn wijfjes met eieren. - -Hebt ge met uw groote stopflesch vlug en handig gemanoeuvreerd, dan -wemelt het er in—behalve van daphnia’s en cyclopen—van allerlei -grootere dieren; garnaalachtige doorschijnende springers; larven van -libellen, kenbaar aan hun langen staart van luchtbuizen; dikkoppige -beestjes zonder pooten, zwart met grijzen buik: bullekopjes of -donderpadden heeten ze hier en daar in ons land; allemaal toekomstige -kikkers, salamanders of padden; draaitorren van allerlei soort, die -even hun lustige quadrille aan de oppervlakte gestaakt hebben; -muggelarven of poppen, net bokken met horens, die als dol over den kop -buitelen; en.... jonge stekeltjes, die evenals die andere dieren daar -in die daphniawolk kwamen soupeeren. - -Hier hebben we het natuurlijk voedsel voor onze vischjes; elke dag een -scheutje uit den voorraad, en binnen korten tijd kunt ge met -rechtmatigen trots uw kameraden volwassen vischjes toonen, die ge uit -het ei, ab ovo, zeggen de geleerden, hebt geteeld. - -En niet alleen voor die jonge stekeltjes zijn ze het hoofdvoedsel; de -oude visschen lusten ze ook dolgraag en worden er dik en vet van; ook -heel veel andere vischsoorten leven hoofdzakelijk van daphnia’s; men -plant ze met vaten vol in karpervijvers over; vooral in de meren zou de -visch heel gauw uitsterven, als er geen daphnia’s bestonden: dat is in -de laatste tijden bij onderzoek gebleken. Ja, tegenwoordig kan men ze -in het buitenland versch of gedroogd per kilogram uit den winkel halen, -ten gerieve van aquariumhouders of vischkweekers. Dat uitmuntend -vischvoer wordt daar tegenwoordig ook opzettelijk in het groot geteeld. - -In een verloren uurtje moet ge zoo’n levende daphnia eens in een -droppel water met de loupe bekijken; dat het diertje maar een oog -heeft, en wel, een, dat hij als een molentje in het rond kan draaien, -ziet ge al heel gauw; misschien ook nog, dat het grootste deel van het -lichaam van het diertje in een dubbele schaal is besloten, die veel van -een mosselschelp heeft, en waarbuiten de vertakte sprieten uitsteken. - -Voor de rest is het een gewriemel en gedraai en geslinger of er honderd -wieltjes aan het diertje zaten, alle tegelijk in beweging. Eerst als de -daphnia het verkiest, een oogenblik koest te zijn, ziet ge, dat er in -de opening tusschen de schalen een groot aantal kreeftachtige pooten -aanwezig zijn, die tot alles dienen, behalve te loopen. De daphnia’s en -cyclopen worden dan ook tot de schaaldieren gerekend, evenals de -garnaalachtige springers, die ge tegelijk met de wolk geschept hebt, -deze heeten gammariden; ze geven in een aquarium nog al leven; maar als -er visschen in zijn, duurt hun pret niet lang. - -Zijt ge nog op school, breng dan den onderwijzer of leeraar eens zoo’n -paar daphnia’s mee, en verzoek hem, ze u eens door een microscoop te -laten zien. Dan blijkt zoo’n diertje lang niet leelijk te zijn; de -parelmoerachtige schalen prijken met allerlei kleuren en teekeningen; -bovendien valt er daarbij iets waar te nemen, dat ge niet elken dag te -zien krijgt: de bloedsomloop in een levend, ongeschonden dier. Dicht -bij den rug, ontdekt ge het hart, een rooden zak, die door beurtelings -samentrekken en uit te zetten, den bloedstroom met glasachtige -lichtroode lichaampjes er in, inzuigt en uitstuwt; ook de eieren zien -er dan heel anders uit dan met de loupe. - -Het zal u misschien opmerkelijk voorkomen, dat bijna alle volwassen -daphnia’s in uw flesch wijfjes met eieren zijn: de veel kleinere -mannetjes krijgt ge dan ook eerst laat in het najaar, soms eerst in het -begin van den winter te zien. In den zomer komen uit de eieren der -wijfjes diertjes, die meer op mijten of spinnetjes gelijken dan op -daphnia’s; uit de wintereieren komen in het voorjaar weer nieuwe -daphnia’s; deze eieren vormen het eenige overblijfsel van onze -onvermoeide huppers, dat den winter overleeft. - -De visschen, donderpadden, ruggezwemmers, en de ontelbare kever- en -libellen-larven zijn het niet alleen, die de dichte drommen der -éénoogige daphnia’s ijler maken. - -Onder het groene blad van het drijvend kroos verborgen, loert een -monster op die ongelukkige diertjes, dat zijn weerga niet heeft in onze -zoetwaterslooten of plassen. Alleen in de volle zee vindt het zijn -gelijken, maar dan in reusachtige afmetingen. - -Ge hebt misschien wel eens gehoord van de reuzenpolypen, die met hunne -lange voelarmen den parelduiker omstrengelen, zoodat door zijn -kameraden in de boot zijn terugkomst aan de oppervlakte tevergeefs -wordt verwacht; of ge hebt wel eens een plaat gezien van de kraken, die -fabelachtige monsters uit de Noord-Atlantische Oceaan, die met hun -reuzenarmen het schip om de masten grijpen en het met onweerstaanbare -kracht in de diepte trekken; of anders zeker wel eens gelezen van de -inktvisschen, die vleeschzakken met 8 of 10 armen, die als slappe -touwen door het water zweven, tot een visch, een kreeft of een -schildpad binnen het bereik der voelarmen komt; deze tentakels beginnen -dan plotseling als slangen te kronkelen en zuigen zich met honderden -zuignappen vast aan de prooi; in hun kronkels verstikt het gevangen -dier, het wordt naar den mond van de vleesch-zak gevoerd, waar het -spoedig verdwijnt. - -Zoo’n monster, maar gelukkig voor de meeste slootbewoners, in zeer -kleine afmeting, bewoont ook onze streken. Het is de zoetwaterpolyp, -een diertje van hoogstens een centimeter lengte, wat het lichaam -betreft. - -Leeuwenhoek was al weer de eerste ontdekker van het bestaan van dit -vreemdsoortig wezen. Zijn ontdekking werd vergeten en een goede honderd -jaren geleden, meen ik, werd het opnieuw ontdekt door iemand, die de -werken van onzen landgenoot niet kende. Het is geen wonder, dat het -diertje zoolang onbekend bleef; wie zijn bestaan niet vermoedt, zal het -niet licht vinden; zelfs als men weet, dat er polypen in een of andere -sloot leven, kost het moeite ze te vinden. - -Leeuwenhoek had al meermalen opgemerkt, dat tegen het glas van zijn -fleschje met slootwater zich voorwerpen hechten, die hij voor planten -hield. Het waren groene of bruine steeltjes, van een centimeter lengte, -en zoo dun als een breinaald, vaak nog dunner, van boven echter wat -dikker dan van onder; aan het dikkere gedeelte ontsprongen een 6 of -8tal zeer dunne, kronkelige, spinnewebachtige draden, die zich ver in -het water verspreidden, tot ze onzichtbaar werden. - -Wel was er beweging in die draden te bespeuren, maar hij schreef dat -toe aan een zwakke beweging van het water, die door de kleine, ook door -hem ontdekte infusie-diertjes werd veroorzaakt. - -Voor een onderzoek met zijn microscopen leenden ze zich minder goed; -want nam hij voorzichtig zoo’n takje uit het water, dan viel het geheel -in elkaar tot een geleiachtig, bruin bolletje, zoo groot als een -speldeknop en hieraan was onder het microscoop weinig bizonders te -ontdekken. - -Hij bleef het raadselachtige plantje langen tijd zorgvuldig gadeslaan, -en bemerkte al spoedig, dat er zich aan den steel hier en daar een -knobbeltje vertoonde; dat knobbeltje groeide aan en werd een takje, -geheel gelijk aan dat, waaraan het gegroeid was. Het bleef eenige uren, -soms ook wel een dag lang, met het oude. takje in verbinding, liet -daarna los en hechtte zich, een eindje van het eerste af, op dezelfde -wijze met zijn voet aan het glas vast. - -Deze manier van voortplanten herinnerde Leeuwenhoek aan de -voortplantingswijze van sommige gewassen, en het versterkte hem in de -meening, dat hij hier eveneens met een plant te doen had. Toch had hij -er geen vrede mede; telkens en telkens keerde hij tot zijn zonderling -plantje terug, en bespeurde toen, dat het zich op de een of andere -wijze verplaatst moest hebben. - -Op zekeren dag dat hij, zooals gewoonlijk in zijn sitsen kamerjapon -gekleed, voor zijn groote tafel aan het venster zat, en last had -gegeven, hem in geen geval te komen storen, bemerkte hij, dat het -plantje zich bewoog; Leeuwenhoek had al heel wat nieuws en wonderlijks -onder zijne oogen zien gebeuren, maar dat gezicht deed hem hevig -ontstellen, het glaasje trilde in zijn handen. - -Geen wonder, wat hij daar zag, had hij nooit kunnen vermoeden. Het -steeltje kromde zich; de knop, waar de draden ontsprongen, die nu allen -waren ingetrokken, naderde den glasrand en hechtte zich daar vast,—wat -eerst de voet was, werd nu de top, ook die boog en kromde zich tot een -hoepeltje; nu liet de top weer los; het diertje—er was nu geen twijfel -meer aan of het was een dier—richtte zich overeind en de draden kwamen -één voor één weder te voorschijn. Het geheele diertje had zich op deze -ongewone wijze, door langzaam over den kop te buitelen, verplaatst. - -Maar die zonderlinge voortplanting door knoppen, die zijtakken worden! -Een dier, al is het nog zoo eenvoudig georganiseerd, bot niet uit, -groeit niet als een boom, het legt ten minste eieren, waaruit de jonge -dieren voortkomen! - -Daardoor twijfelde Leeuwenhoek nog; tegenwoordig weet men er meer van. -Daar doet zijn gelukkig gesternte hem op den inval komen, eenige -daphnia’s bij de polyp, in het fleschje te werpen. De diertjes huppen -lustig rond. In de grootste spanning tuurt de onderzoeker naar de -polyp,—hij houdt het glaasje tegen het licht en ziet duidelijk de -zachte beweging der golvende draden, die zich soms tot een vinger -lengte uitstrekken en zoo dun als spinrag worden. Daar nadert een -daphnia één der voelarmen van de polyp; als door den bliksem getroffen -valt het diertje geheel verlamd neer, maar het valt niet diep, het is -of het aan een onzichtbare draad een oogenblik blijft hangen,—nu zinkt -het op den bodem en blijft dood liggen. Een andere daphnia raakt bij -zijn dolle bokkensprongen een tentakel aan, ook dit diertje valt, -plotseling bewegingloos geworden, een eindje neer, maar bereikt den -bodem niet. Het diertje blijft aan den voelarm kleven, zoo ’t schijnt; -die kronkelt er zich om heen, en tot Leeuwenhoeks onbeschrijflijke -verbazing, wordt het door diezelfde tentakel gevoerd naar de plaats, -waaromheen alle armen van de polyp als een stralenkrans ontspringen. -Daar opent zich de top, een wijde mond gaat open en de daphnia wordt -als in een zak naar binnen geschoven. - -In het lichaam van de polyp was de vorm van de prooi duidelijk te zien. -Het onderste deel van het steeltje, een derde ongeveer van het geheele -dier, bleek werkelijk een steel of een voet te zijn; tot zoover zakte -de daphnia door en dit deel was dus niet hol. De polyp, die, nu hij -zijn prooi binnen had, de armen had ingetrokken, werd langzamerhand -weer dunner, en na een uur of vier was hij weer zoo dun en zoo lang als -te voren. De daphnia was opgelost, verteerd, en de voelarmen tastten -opnieuw in ’t rond, zoekend naar een tweede prooi. - -Het spreekt van zelf, dat zulk een merkwaardig dier een voorwerp van -onderzoek werd van tal van natuurvorschers. En het werd er hoe langer -hoe merkwaardiger door. - -Al spoedig werd ontdekt, dat een polyp, die door een of ander ongeval -een of meer zijner tentakels had verloren, daarvan niet voor zijn leven -verstoken bleef, maar dat die afgerukte lichaamsdeelen weer -aangroeiden. Men probeerde eens hoever die herstelkracht in het diertje -wel gaan zou; en het bleek, dat die verbazend was; als alle voelarmen -op één na werden weggenomen, kwamen er nieuwe, soms meer dan er -oorspronkelijk geweest waren. Dit bezorgde de polyp de naam van hydra, -naar het monster uit de fabelleer, dat voor elken afgehouwen kop er een -aantal nieuwe in de plaats kreeg. - -Ja, sterker nog; splijt men het diertje tot aan den steel toe in de -lengte op, dan groeit elk deel weer tot een nieuw lichaam aan. Het was -in de vorige eeuw zelfs een tijdlang mode, op de gezellige -bijeenkomsten der natuurvrienden monster-hydra’s te vertoonen, die, op -deze wijze verminkt, tot dertig nieuwe takken en lichamen met voelarmen -op één steel droegen. - -Dat zulke proeven op dieren, als ze voor de aardigheid genomen worden, -voor de wetenschap geen nut hebben, is voor ieder duidelijk. En al komt -de hydra, vooral ook door dat herstellings-vermogen, heel veel met een -plant overeen, het blijft een wreed vermaak; al is het diertje -waarschijnlijk lang niet zoo gevoelig als hoogere dieren, geheel -gevoelloos is het zeker niet. - -Een grens schijnt dat opnieuw aangroeien niet te hebben. Het lijkt wel, -of Baron van Münchhausen bij het ranselen van zijn vos geen grooter -leugen bedenken kon, dan deze: dat ’t dier zich binnenste buiten keerde -en wegliep. Maar bij de polyp schijnt dit nog mogelijk te zijn: Na heel -veel mislukte pogingen is het namelijk aan een onderzoeker gelukt, -zoo’n zoetwaterpolyp binnenste buiten te keeren, en zie! het diertje -stoorde zich aan die merkwaardige operatie al heel weinig, de buitenzij -deed, zoo scheen het, dienst als binnenzijde, als maag, en nam -doodgewoon voedsel op. - -In den laatsten tijd, nu er op het gebied van de allerkleinste -microscopische diertjes niet zoo gemakkelijk nieuws te ontdekken -schijnt te zijn, als een poos geleden, is men weer met het waarnemen -van grootere dieren en ook van onze inheemsche hydra begonnen. Nu is -onlangs aan een Japansch natuuronderzoeker gebleken, dat die polyp, als -een gevangen prooi wat te groot voor zijn mondopening is, zich zelf een -eindje binnenste buiten keert, en den zoo omgeslagen zoom van zijn -lichaam dan over de daphnia of het kevertje heenslaat. Dit terugslaan -gaat zoo snel in zijn werk, dat de oude onderzoekers van de -ongelooflijke omkeeringsproef zich wel eens vergist kunnen hebben, -doordat het diertje, nadat het binnenste buiten was getrokken, -bliksemsnel, zijn normalen stand kon hernomen hebben. - -Ook is thans opgehelderd, hoe het mogelijk is, dat de polyp zoo -geheimzinnig een daphnia kan verlammen, als zijn tentakels het dier -nauwelijks hebben aangeraakt. Wonderlijke organen zijn met behulp van -den microscoop in die tentakels ontdekt. Op verschillende plaatsen -bevinden zich daarin holten, waarin een spits pijltje is geborgen, -waarmee een lange opgerolde draad, in die holten van den voelarm vast -zit; iets als een harpoen dus. Bij de geringste aanraking schiet de -polyp zoo’n harpoen-draad af; als hij kan, verscheidene tegelijk; de -einden slingeren om het lichaam van de prooi en, blijven ze hangen, dan -kan de polyp de kabel inpalmen en zijn prooi naar zich toe halen. - -Maar of dit nog niet wonders genoeg was, heeft het merkwaardige dier -nog een tweede soort jachtwapenen in gebruik. Kleine holten in de -tentakels bevatten een menigte losse werpspiesen, uiterst fijne -naaldjes; deze gebruikt de hydra in massa tegelijk; een natuurkundige -heeft een gevangen daphnia onderzocht, die op het punt stond in den -mond van de polyp getrokken te worden, en hij zag het diertje van alle -zijden, als een egel met pennen, bespikkeld met die fijne spiesjes. -Waarschijnlijk dienen zij den polyp om een te zware prooi in ’t water -zwevend, en zoodoende binnen zijn bereik te houden; dit maakt men op -uit het feit, dat zoo’n honderdvoudig gespieste daphnia bovendrijft en -een ander dood exemplaar in het slootwater terstond zinkt. - -Ook bij andere kleine waterdieren zijn zulke naald- of harpoenvormige -aanvalswapenen ontdekt; die draden met pijlen hebben den naam ontvangen -van netelorganen en de dieren, die ze voeren, den naam van neteldieren; -wellicht om de overeenkomst aan te geven met de werking der brandharen -van de groote brandnetels. - -Om het holle, zakvormige lichaam worden deze neteldieren ook wel holte- -of zakdieren genaamd. Als ge bijgeval eens gelegenheid hebt, een -uitgebreid werk over dierkunde in te zien, dan kunt ge ze onder een -dezer rubrieken beschreven vinden en er nog veel meer bizonders van -gewaar worden. - -Alleen moet ik nog zeggen, dat onze hydra, behalve de voortplanting -door vertakking, nog een andere meer dierachtige manier van -voortplanting heeft. In het najaar vormen zich eieren onder in dit -holle lichaam; die zinken, vóór het diertje sterft naar den slootbodem -en zorgen, dat er ook in den volgenden zomer nog hydra’s zijn. - -Een onbekommerd leventje heeft de polyp echter niet: verdelgen zonder -kans te loopen, zelf verdelgd te worden, dat zou een uitzondering zijn -op den regel; zoo iets is in ’t leven van een slootbewoner nog maar -zelden opgemerkt. - -Zooals heel veel kleinere dieren heeft hij zijn parasiet, zijn belager, -die hem aanvalt en hem bij levenden lijve verorbert. Soms ziet men een -hydra ongewone, heftige bewegingen maken; zijn armen strijken snel -langs het lichaam en langs elkander, als was hij bezig zich te -reinigen. En dit is werkelijk het geval, ten minste hij probeert het, -maar het lukt hem zelden. Hij is aangevallen door een heel kleine mijt, -die hem letterlijk den dood aandoet; dat beestje holt met zijn acht -pootjes verbazend snel over het lichaam van de polyp heen, nu hier, dan -daar hem knauwend. Gelukt het de hydra niet, de mijt te spietsen, of -ten minste af te strijken, dan is ’t met hem gedaan. - -Afstrijken helpt echter niet steeds afdoend, want de mijt beschrijft -wel een boog in het water en bespringt zijn offer opnieuw. Is de hydra -vermoeid, dan begint de parasiet hem de tentakels af te bijten. - -Ook voor sommige visschen schijnt onze hydra een lekkerbeetje te zijn, -zooals blijkt in de kleine aquariums van de Amsterdamsche diergaarde, -zij snappen de hydra, met de daphnia er in, van het glas of van de -waterplanten weg. - -In de eendenvijvers van Artis komen de polypen in groote menigte voor; -met het kroos, dat daar uitgenomen, in de bakken wordt gebruikt, -geraken zij ook in de aquariums. Daar veroorzaken zij ook heel veel -last, door het dooden van de daphnia’s en cyclopen, die tot voedsel -voor de visschen bestemd zijn. Niet alle visschen vallen hen aan; de -aal b.v. met zijn gevoelige snuit is er niet op gesteld, in aanraking -te komen met de harpoenen van onze hydra. De waterslakken maaien ze met -hun vijltong van het glas weg; ook moet ge geen stekelbaarsjes bij -hydra’s plaatsen, die ge in leven wilt houden. - -Het kroos van de vijvers uit Artis wordt geschept uit de slooten langs -den Sloter- of den Amstelveenschenweg; ook komen hydra’s voor langs den -Haarlemmerweg, dus aan drie zijden van Amsterdam; en waarschijnlijk -zijn ze overal in ons land te vinden; maar het meest in slooten, waarin -van tijd tot tijd eenden en ganzen zwemmen; in de mest van die vogels -schijnen de wintereieren der daphnia’s goed te ontkiemen. - -Er zijn verschillende wegen in te slaan, om polypen machtig te worden. -Breng een flinken voorraad eendenkroos mee en verdeel die over een -aantal flesschen; laat de blaadjes vijf minuten rustig aan de -oppervlakte drijven en onderzoek dan, stuk voor stuk, de onderzijde; -ook aan de onderzijde van de waterlelie-bladen komen ze veel voor; de -bruine bolletjes lijken veel op eieren van waterslakken of kevers, maar -in water geworpen nemen ze zeer spoedig de niet te miskennen -polypenvorm aan. - -Een ander minder tijdroovend middel is dit: Werp een massa eendenkroos -in een emmer met water, roer er een poosje flink met een stok in, giet -daarna het water, zonder het kroos, snel in een witte kom over en de -polypen, die er zich bevinden, vallen op den bodem, waar gij ze met -behulp van een dun buisje kunt inzuigen. Ge weet wel, door van den -luchtdruk op ’t water gebruik te maken: de duim houden op het eene open -eind van het buisje, het andere eind boven de polyp in het water -brengen, de duim er boven af (het water stijgt met de polyp in het -buisje) den vinger er weer op, en den inhoud overbrengen, waar ge dien -hebben wilt. - -Maar, ne cherchez pas midi à quatorze heures! wat ge met zooveel moeite -tracht te verkrijgen, ligt heel vaak zoo nabij voor het opnemen. - -Het is mij meer dan eens gebeurd, dat ik lang en nog wel vergeefs naar -hydra’s heb gezocht, om ten slotte bij toeval te bemerken, dat ik ze -thuis al lang had. - -In dat schaduwrijk oerwoud van eendenkroos, waarvan de worteltjes de -stammen vormen en de ronde blaadjes het dichte looverdak, leeft een -wereld van allerlei wezens, die niet zoo gauw in het oog vallen. Schept -ge nu een netvol van dat kroos, alleen om schaduw en voedsel in het -aquarium te brengen, dan komt er al zooveel in, dat eerst later bemerkt -wordt; en plant ge er grootere waterplanten terstond uit de sloot in -over, dan is de kans nog grooter, dat ge op een goeden dag tot de -blijde ontdekking komt, dat ge al zoetwater-polypen hebt. - -En heel dikwijls komen er meteen larven van salamanders binnen. Die -behouden tot in den nazomer meestal nog hun kieuwen; daaraan zijn ze -gemakkelijk te herkennen en te onderscheiden van kikkervischjes; want -deze verliezen hun kieuwen al in de eerste weken van hun bestaan, ook -zijn de meeste kikkervischjes in de zomervacantie reeds tot jonge -kikkertjes bevorderd. - -Zulke salamander-larven moet ge zien op te kweeken. Dat gaat nog al -niet moeilijk, want de beestjes eten gretig al ’t kleine goed van ’t -slootwater en lusten ook gaarne heel kleine aardwormen; daarvan groeien -ze snel. Voert ge ze in ’t najaar goed en houdt ge ze ’s winters in een -niet te koud vertrek, dan blijven ze dooreten en doorgroeien; en dan -hebt ge kans, in ’t voorjaar bij de laatste wintervervelling een -volwassen salamander in zijn prachtkleed te zien; wel is ’t dier in ’t -eerste jaar klein van stuk, maar de kleuren zijn al vrij mooi. Honderd -tegen een, dat de larven, die ge bij ’t daphnia-scheppen meekrijgt, er -een is van den gewonen kleinen watersalamander: Triton taeniatus of -Molge vulgaris, de laatste naam is de juiste. Maar mogelijk is het, dat -er een larve bij is van den grooten-watersalamander (Molge cristata of -Kamsalamander); dit is een voor ons land vrij zeldzaam dier. Maar ’t -allerzeldzaamste is de Alpensalamander (Molge alpestris). Deze is een -kwart eeuw geleden (1895) voor ’t eerst in ons land ontdekt, en wel -door H. Beker het zoontje van een apotheker te Breda, later (1896) -heeft Chr. H. J. Raad er een groot aantal gevangen bij Groesbeek. Wie -zulke salamanders vangt, of weet waar ze gevangen zijn door anderen, -moet vooral een briefje schrijven aan „De Levende Natuur” waar ook de -eerste vondsten in vermeld zijn. Schrijf er den naam van mij of van -Thijsse maar bij; doch alleen met „De Levende Natuur” Amsterdam, tot -adres, komt de briefkaart ook terecht. - -Die salamanders zijn eigenlijk geen echte waterdieren, alleen in ’t -voorjaar zijn ze in de sloot te vinden, na ’t eierleggen gaan ze aan -land. Eigenlijk hooren ze dan ook niet thuis in sloot en plas; maar de -kans op ’t scheppen van larven is nog al groot, daarom heb ik de drie -soorten maar even voor u geschetst; zoodat ge ze gemakkelijk van elkaar -kunt onderscheiden, als het toeval u eens larven van verschillende -soort in de handen speelt. - -Zulke dieren met een dubbel leven zijn er meer in de slooten en plassen -aan te treffen; een poos lang voeren ze een waterleven, om op een -goeden dag het luchtleven aan te vangen. En ’t kost soms moeite, om -menschen, die nu niet zoo veel geleerd en gelezen hebben, te doen -gelooven, dat de larven van zoo’n tweeslachtig dier en ’t dier in -volwassen staat een en hetzelfde wezen zijn. - -Vooral tusschen het kroos leven veel van die diertjes in larve-staat, -daar schijnen ze zich veiliger te voelen, dan in de onderste lagen van -’t water. - -Ook met de overgebrachte slakkenhuisjes komt er heel wat anders binnen. -Gaat ge zoo nu en dan eens een kwartiertje zitten turen naar het brokje -natuur, waarmee ge uw huis hebt versierd, dan bemerkt ge wellicht een -onverklaarbare beweging in kleine holle rietstukjes, in aan elkaar -hangende blaadjes, in kleine leege of bewoonde slakkenhuizen, die aan -elkaar schijnen te kleven, in de schelpjes van de zoetwatermossels—die -ook al in het aquarium gekomen zijn, zonder dat ge weet hoe—ja, -beweging in zandkluitjes soms. - -Die raadselachtige beweging, dat voortglijden of dat drijven van -levenlooze voorwerpen in stilstaand water, houdt op, zoodra ge die -voorwerpen met een stokje aanraakt. Komt ge een dag of acht later nog -eens kijken, dan zijn die rare dingen grooter geworden; de fijne -blaadjes, de mosselschelpjes en slakkenhuizen zijn aan elkaar gegroeid -tot langwerpige buizen, tot kokertjes, tot doosjes, tot nestjes, soms -rond, soms vierkant, soms zeshoekig. - -Daar moet ge natuurlijk meer van weten, en dat gelukt al heel gauw. -Kijk, daar komt iets zwarts uit de voorste en wijdste opening van dat 2 -cM. lange holle pijpje te voorschijn; een kop, een borst, 6 pooten, -meer niet! Weg is het weer! - -Een larve, zegt ge dadelijk; ja, een larve, maar van een bizonder -soort, een kluizenaar, die zijn cel nooit meer dan ten halve verlaat, -althans niet vrijwillig. - -En hij heeft die beschutting wel noodig, zijn achterlijf is zoo week, -de chitinehuid is daar zoo dun, dat een enkele hap van een tor of een -stekeltje hem zijn hachje zou kosten. - -Daarom steekt hij, even als de kluizenaarskreeft—waarvan ge zeker wel -eens gehoord hebt en die ook zoo’n lastig, week achterlijf heeft—zijn -zwakke zijde in een hulsel, dat niet zoo gemakkelijk is door te happen. -De kreeft doet dat meestal in een gestolen of een gevonden huis van een -zeeslak, een zoogenaamde wulk of kinkhoren—onze kokerlarve is minder -diefachtig van aard: hij bouwt zijn huisje zelf. - -De kalk of beter de lijm heeft hij bij zich, en met bek of pooten, -bijt, en kneedt en lijmt hij net zoo lang, tot zijn kluis naar zijn -smaak is. Met een paar haken houdt hij zich achterin vast, en om zijn -achterlijf heeft hij een netje van zilverachtige draden, waartusschen -de noodige lucht wordt bewaard; daartusschen eindigen luchtbuisjes, die -den voorraad aanspreken als het noodig is. - -Nu weet ik zeker, dat ge zoo’n phryganide, (dat is de geleerde naam -voor deze belangwekkende diertjes) wel eens uit zijn kluisje zult zien -te krijgen. Dat kan volstrekt geen kwaad, al is het diertje er -volstrekt niet op gesteld. Neem hem apart op een schoteltje. Duw maar -zachtjes met een speldekop tegen zijn achterlijf; wil hij niet dan -steeds wat indringender. Daar is hij er uit! Wat een onbeholpen wezen! -Wip, hij zit er al weer in, met de kop vooruit is hij in zijn schulp -gekropen. Kijk er eens in! Raar hè? Hij zit er toch weer goed in, de -kop voor de opening. - -Neemt ge zijn huisje weg, als hij er uit gedreven is, dan zoekt hij -allerlei gezonken blaadjes, stokjes, schelpjes, fijne steentjes, om in -der haast een nieuwe woning te maken. Die is echter lang zoo mooi en -stevig niet als de vorige. - -Hebben ze voorraad van bouwstof in voldoende hoeveelheid, dan kiest -iedere soort zijn eigen materiaal en houdt zich steeds aan een vaste -bouworde. En er zijn heel wat soorten, zoodat een verzameling van -phryganiden-huisjes een rijke verscheidenheid kan aanbieden. - -Op het plaatje hierbij zijn eenige van de mooiste vormen afgebeeld. -Hier en daar ziet ge kop en pooten van de kokerlarve uit het huisje -steken. Sommigen hebben blijkbaar uitsluitend slakken of -mosselschelpen, anderen uitsluitend plantaardige bouwstoffen gebruikt, -ik vond er een, die geheel van leege beukenootjes was gemaakt. - -Hangen over de sloot takken van een elzeboom, dan worden de rijpe, -zwarte proppen ervan ook gaarne als bouwstof gebezigd. De vormen in het -midden van het groote plaatje, komen veel voor; die met levende slakken -en die rechts daarnaast met zoetwatermosseltjes vaak bij elkaar in -dezelfde sloot; de phryganiden links op de teekening komen niet zoo -vaak voor en die het meest naar onder rechts zijn geteekend, zijn ook -zeldzaam, althans in ons land: zij komen meest in snelvlietende beekjes -voor, hun huisjes zijn geheel of ten deele uit zwaardere zandkorreltjes -saamgelijmd; zij zouden dan ook zonder die ballast steeds met den -stroom worden meegevoerd. - -Eens werd mij een kokerlarvenhuisje gezonden, dat merkwaardig veel op -een slakkenhuisje leek. - -Een natuuronderzoeker uit Tennessee in Noord-Amerika, die het eerst die -leege huisjes vond, heeft heel wat moeite gedaan, om ook de slak ervan -te vinden, tot het hem eindelijk bleek, dat hij met een kunstgewrocht -van een kokerjuffer te doen had; hij ontdekte, dat het huisje uit -zandkorreltjes was gebouwd, en vond later ook huisjes met de larven er -in. - -Om een groot aantal kokerlarven machtig te worden, doet ge het best, in -een heldere sloot het net plat op den bodem te houden en telkens op te -halen, als er iets boven de opening komt, dat op een phryganide lijkt, -of ook maar iets dat een beweging heeft, die niet met de strooming van -het water overeenkomt, zoo er al stroom is. Al schijnt het u een dor -blaadje, een stukje afgebeten riet—als het een eigen beweging heeft zit -er leven in. - -Tegen den avond van warme dagen kruipen de kokerlarven meestal aan -waterplanten omhoog, om te eten of hun huisje wat op te knappen. Zoover -als zij kunnen, reiken ze daarbij met het lichaam uit den koker; dat is -dikwijls hun verderf, want tusschen die fijne blaadjes van hoorn-of -duizendblad zit de vijand op de loer. Meestal is het een stekeltje, een -kever- of libellenlarve, die hen van verdere zorgen voor het bestaan -ontheft, maar..... hebt ge al wat geoefendheid verkregen in het turen -door het slootwater, dan ontdekt ge tegelijk wellicht weer wat nieuws. - -Kijk maar eens goed; dat witte, daar dicht bij de oppervlakte. Net een -bol kwikzilver, niet? Daar nog een, en nog een wat verder op; wat een -groote! Deze lijkt wel een zilveren hazelnoot, en die andere daar een -tafelschel of een glazen klok. - -Het is ook een klok, maar van een bijzonder soort: een echte duikerklok -is het. En de duiker is een spin. - -Ha, daar heb je hem al, hij heeft een vretende kokerlarve bemerkt. De -spin met zijn zilveren achterlijf wacht eventjes of de phryganide -naderkomt. Neen, die gaat den anderen kant uit. Dan maar er op los! Met -een paar sprongen heeft de waterspin de larve bereikt, en eer deze -onraad bemerkt, is hij aangegrepen en heeft hij een knauw beet; de spin -zet al zijn acht pooten op den rand van de opening van het huisje, een -paar flinke rukken met de kaken en.... de larve is er uit, het leege -huisje stijgt snel naar boven. - -De spin met zijn prooi ook: hij zal zijn lekker hapje daar aan de -oppervlakte eens gauw oppeuzelen. Maar daar komt juist een gerande -voorbij, die merkt wat en wendt den steven. „Dat is niet pluis,” denkt -de spin, „zorg jij voor je zelf, als je honger hebt.” Hij duikt met -zijn lekkerbeetje onder en zoekt zijn luchtkasteel in het water weer -op; met zijn buit verdwijnt hij in zijn zilveren klok. - -Haalt ge de plant met dien zilveren beker uit het water, dan vindt ge -er niets van terug dan een bosje grijs spinsel; de groote spin, als hij -niet onder de hand ontsnapt is, blijkt ook niet van zilver te zijn; -zijn achterlijf is donzig behaard en muisgrauw. Het was een echt -luchtkasteel. - -Brengt ge de spin in het aquarium, dan is hij oogenblikkelijk weer het -mooie dier van te voren. Al heel gauw begint hij een ijl web in het -water te spinnen, haalt wat luchtbellen van de oppervlakte en bouwt -opnieuw zijn luchtige woning; met een paar draden belet hij de -luchtmassa weer op te stijgen. Komt er in het aquarium niet veel in het -net of in de luchtval zelf, dan gaat hij al spoedig op jacht. - -Soms behelpt zich deze spin op vreemde wijze; bemerkt gij in uw -aquarium een groot, schijnbaar leeg slakkenhuis, dat met de punt naar -boven door het water zweeft, of op den bodem heen en weer wiegelt, dan -kunt ge er zeker van zijn, dat onze waterspin daarin zijn domicilie -heeft gekozen. - -Nadert de winter, dan zoekt hij meestal zoo’n groote slak op, eet zich -zat, eigent zich daarna ook het huis toe, verzekert zich tegen inbraak -door een dicht web voor de opening te spinnen en verslaapt zoo den -barren wintertijd. - -In het voorjaar en soms weer in het najaar maakt hij aan zijn -luchtwoning een zijvertrek, waarin hij zijn eieren onderdak brengt; -misschien bemerkt ge, als gij bij toeval ook een mannetje in het -aquarium hebt gekregen—die zijn veel grooter, net andersom als bij de -landspinnen—dat twee, soms drie luchtklokken door overdekte luchtgangen -met elkaar zijn verbonden. - -Maar we zouden door dien ijdelen zilverschijn aangetrokken, geheel en -al vergeten, dat we bezig waren, kokerjuffers te verzamelen. - -In den zomer, of als het mooi voorjaar is geweest, al in het laatst van -Mei of in het begin van Juni, vindt ge weinig phryganiden meer bij den -bodem, dan hebben de larven zich al weer verpopt. De opening van hun -huisje is met een luchtig geweven netje gesloten, (aan het bovenste der -meeste kokertjes is deze sluiting duidelijk te zien) en nu hebt ge veel -meer kans, de huisjes te verkrijgen, door de oppervlakte van de sloot -aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. - -Ze drijven thans met den zwakken stroom mee, of hangen in stilstaand -water tusschen drijvende waterplanten. Let op alles, wat ge ziet en -niet dadelijk herkent. - -Daar komt al wat aandrijven; haal binnen jongens! Net een plat stokje! -En dat ding daar ginds? Wacht maar, het drijft hier heen; dat lijkt wel -een miniatuur rat met een flinke staart. Zouden dat ook kokerlarven -zijn? - -Kijk eens, ze bewegen zich allebeide; al zijn er nu ook wel beweeglijke -poppen onder de insecten, de huisjes van de kokerlarven leven toch zelf -niet. Dit zijn dus geen phryganiden. Wat dan wel? - -Ja, wat zal ik zeggen, de latijnsche namen klinken zoo geleerd; wij -jongens noemen ze eenvoudig „rotjes en stokjes”; en die beide -zonderlinge diertjes waren indertijd voor ons de geheimzinnigste -wezens, die er bestonden. Wij hadden er wel eenig vermoeden van, dat -het larven waren van een of ander waterdier, maar al onze zorgvuldige -pogingen, om het volkomen dier uit de larven te verkrijgen, mislukten -steeds; de rotjes, zoowel als de stokjes stierven, of verdwenen op -raadselachtige wijze, zonder dat er ooit een kever in het water -verscheen; ja, wat ons nog meer van de wijs bracht, zonder dat ooit -ergens de pophuid te vinden was. - -Menschen, die wij dachten, dat het weten moesten, en die wij er naar -vroegen, noemden ons wel een Latijnschen naam; maar die was vijf -minuten later alweer half vergeten en om den naam alleen was het ons -toch ook niet te doen; wij begeeren er meer van te weten. - -Bij dat begeeren is het gebleven, althans bij mij, tot ik al lang niet -meer op de schoolbanken zat; tot ik nog maar een enkelen keer, bij -toeval door het ontmoeten van een schoolkameraad uit dien tijd of bij -het studeeren in dikke boeken, herinnerd werd aan de prettige jaren, -toen wij ruilhandel dreven in allerlei naturaliën, waarbij een „rotje” -de vaste waarde had van een geheel gave pikzwarte en het „stokje” nooit -minder gold dan een zeldzame phryganide. - -Op een warmen zomerdag moet ge eens opletten, hoe vele en hoe -verschillende insecten zich laven aan de open tafel, die de groote -schermbloemen voor hun welkomen gasten klaar zetten. - -De viervleugelige hommels en bijen komen er zelden, die kunnen met hun -lange slurf gemakkelijker honing putten uit diepe beker- of klokvormige -bloemen; voor tweevleugelige insecten, met hun korten snuit echter, is -de open schermbloem een luilekkerland. - -Ziet ge daar op die bloem die groote, mooie bij in zijn zwart en geel -pakje? - -Pak hem eens! mis, hè? Neen, zoo gemakkelijk laat een zweefvlieg zich -niet vangen. Kijk, daar staat hij stil in de lucht, zijn vleugels zijn -in zoo’n snelle beweging, dat ze haast niet meer te zien zijn; ’t is of -het diertje met de pooten naar beneden in de lucht hangt aan een -onzichtbare draad—daar schiet hij als een pijl uit den boog, regelrecht -op de bloem af, waarvan ge hem zooeven hebt verjaagd. Hij zit in het -vlindernet, neem hem gerust met de vingers er uit; het lijkt wel een -gevaarlijke bij, en hij maakt wel van die gelijkenis gebruik, maar het -is er geen; zie maar, het mooie diertje heeft maar twee vleugels, en -zulke insecten hebben geen angel. - -Daar zit nog zoo’n zweefvlieg, die is weer anders geteekend en niet zoo -harig; zijn borst is overlangs goud geel gestreept, ook zijn achterlijf -is, maar overdwars, van zulke streepen voorzien. Ook een mooi diertje, -niet? - -Nu, die twee mooie zweefvliegen en nog andere soorten, die soms ver van -de sloot tusschen groen en bloemen leven, waren verleden week nog -grauwe rotjes met langen staart. - -Dat rotje is met kleine pootjes, die ge misschien nog niet eens hebt -opgemerkt, tegen den slootkant op gekropen,—een heel eind ver het -weiland in, of de dijkhelling op. Daar verschrompelde de lange staart, -waarmede hij in ’t water lucht van de oppervlakte haalde; en in de -plaats daarvan kwamen een paar oortjes te voorschijn, die denzelfden -dienst in de lucht deden. Zoo bleef het weeke, vieze rotje een dag of -wat liggen, grauwbruin als de aarde tusschen het gras, ongezien en -ongedeerd. Toen brak opeens het topje af, en een sierlijke, -wondervlugge zweefvlieg zag het levenslicht. Over een dag of veertien -keert hij, „si Dieu lui prête vie” van de bloemen naar de sloot terug, -om op een of andere waterplant eieren te gaan leggen. - -En dat stokje? Als ge de teekening op blz. 107 goed bekijkt, kent ge al -een groot deel van zijn levensgeschiedenis. Het is ook al de larve van -een vlieg, (maar nu geen zweefvlieg) die ons in gedachten van de sloot -naar de bloemrijke weide of dijkberm voert. - -Die vlieg heeft een bijzonder plat, staalblauw of bronskleurig -achterlijf, waarop een gele of roodachtige teekening voorkomt, die bij -een paar soorten, wel wat op een wapenschild met ruiten of dwarsbalken -lijkt. Ze worden dan ook wel wapenvliegen genaamd. Midden op de -teekening ziet ge de larve, voordat hij een stokje werd; hij is net -bezig met zijn staartpluimpje lucht op te doen voor de reis naar den -bodem; als hij straks onderduikt, neemt hij een flinke bel mee tusschen -de naar binnen hol gebogen franjes. - -Als hij volwassen is, gebruikt hij die twee hoornige haakjes aan zijn -kop, om tegen den kant op, en verder het weiland in te kruipen; soms -verpoppen deze larven zich ook wel in het water, zoo’n pop is dan net -een grijs stukje hout. Maar hoe stijf zoo’n ding ook lijkt, het kan -zich toch met S-vormige slingeringen vrij snel over het water bewegen, -tot het den kant heeft bereikt, om daar uit te rusten. Wat er in zoo’n -stokje zit, ziet ge links op de teekening, onder de vlieg. - -Ja, nu hebben we wel kennis gemaakt met rotjes en met stokjes, maar -geen verpopte kokerjuffers gevonden. Dat gebeurt wel meer, op het -zoeken volgt voor den natuurvriend wel altijd het vinden, maar wat hij -vindt, is lang niet altijd, wat hij zocht. - -Hier was daarvoor een goede reden: de phryganiden komen maar zelden -voor in de slooten, waarin rotjes drijven; deze dieren houden meer van -modderige slooten zonder veel waterplanten, dicht bij woonhuizen -gelegen, net als hun naamgenooten, de echte waterrotten. - -Laten we liever die andere sloot eens afzoeken: die is veel helderder. -Daar drijven er al eenige; neem ze mee naar huis en kijk elken dag, of -ge ook vlinderachtige, bruin, en wit gevlekte diertjes op den steen in -uw glazen bak of op het rotsje in het aquarium ziet zitten; dat zijn de -uitgekomen kokerjuffers. Zulke vlindertjes, waar- of schietmotten -heeten ze ook wel, vliegen tegen den avond soms bij duizenden door het -hooge gras in de buurt van het water. - -Als ge het wilt, kost het u niet veel moeite, van den slootkant af -zoo’n kokerjuffertje, dat pas is uitgekomen op zijn drijvend huisje te -zien zitten; het wacht zoo het ontplooien en het drogen van de vleugels -af; waagt het diertje het, te vroeg te gaan vliegen, dan valt het in -het water en spartelt, angstig fladderend, rond. - -En voor dien angst is reden genoeg; die groote kikker zal er op los -gaan; zijn groote domme, uitpuilende oogen staren ouder gewoonte eerst -een poosje het vreemde ding aan, eer hij besluiten kan, toe te -happen,—daar zal het komen:—te laat, een draaikevertje en een -schaatsenlooper hebben, ieder aan een kant, het ongelukkige juffertje -beet gepakt, en snellen er mee heen; de schaatsenlooper wil niet los -laten, hij sleept het torretje mee; daar scheert een zwaluw over het -watervlak: kokerjuffer en schaatsenlooper verdwijnen samen in één -wijden bek. Het draaitorretje is nog net bij tijds snel ondergedoken, -het heeft ook niet voor niets vier oogen, waarvan er twee naar boven in -de lucht, en twee naar onder in het water kijken. - -Ge moet wat schaatsenloopers en draaitorren in uw aquarium houden, dat -geeft heel wat leven aan de oppervlakte. De schaatsenloopers moet ge -niet in een flesch met water, maar in een doosje meenemen, anders zijn -ze verdronken, vóór ge thuis komt. - -Door het schudden van de flesch raken ze onder water, en daar kunnen ze -niet tegen; ze zijn er op ingericht snel over het water te loopen, maar -er in geraken is hun dood. Op blz. 41 is er eentje te zien. - -De draaitorretjes kunnen het onder water wel uithouden; net zoo goed -als aan de oppervlakte; onder de loupe kunt ge een van de oorzaken van -hun verbazende vlugheid vinden: hun middel- en achterpooten zijn bijna -geheel en al vinnen. - -Voor het geval, dat ge eens een verzameling waterkevers wilt aanleggen -of wanneer ge den juisten naam van een gevangene wenscht te kennen, -hebt ge veel uitgebreider werk noodig dan dit boekje; dan moet ge -determineeren; daarbij is nauwkeurig kijken en vergelijken de -boodschap; vooral het aantal klauwtjes aan de laatste tarsen geeft -verschil in soort aan. - -Nu zal het u wel eens, even als mij, overkomen, dat men u heel -welwillend waarschuwt, toch vooral niet met den mond boven de sloot te -komen, omdat de gassen, die daaruit opstijgen, uw gezondheid kunnen -benadeelen. ’t Is wel mogelijk, dat dit even als koffie een vergif is, -maar dan toch een heel langzaam. - -Waarschijnlijk heeft niemand ooit meer met zijn neus boven slootwater -gezeten dan onze oude bekende Antony van Leeuwenhoek, en die is -een-en-negentig jaar geworden. - - -E. Hs. - - - - - - - - -II. - - -Nog nooit heb ik een wandeling buiten gedaan, of ik heb iets gezien, -dat mij nieuw was: een plant of dier, nog niet te voren ontmoet, of wel -de een of andere gebeurtenis uit het planten- of dierenleven. Nu eens -was het een koekkoek, die rustig zat te roepen, alsof er geen -nieuwsgierige op vijf pas afstand hem stond te begluren, dan een -zeldzame varen op een ouden kerkhofmuur, dan weer rietkevertjes, die -pas hun pophulsel verlieten of wielewalen, bezig hun kunstig nest vast -te naaien. Velden met orchideeën in allerlei variëteiten, een vlucht -lepelaars op een weiland onder den rook van de hoofdstad, brandnetels -stuivend op klaarlichten dag en boschviooltjes met kleurlooze bloempjes -zoo groot als een speldeknop—te veel om te noemen, in eindelooze -verscheidenheid. - -Tientallen jaren van natuurgenot zijn al achter den rug en nog brengt -ieder nieuw voorjaar nieuwe vreugde, nieuwe verrassingen; steeds -kleiner wordt het aantal van planten, vogels of insecten, die in de -handboeken gemerkt staan met „zeer zeldzaam” of „slechts eenmaal -aangetroffen” en waar mijn blikken zich niet aan verlustigd hebben. -Maar wat kunnen sommige natuur-voorwerpen zich schuil houden! Wat heeft -’t lang geduurd, eer ik mijn eerste klapekster te zien kreeg—die naam -klinkt nog al zoo dood gewoon alledaags—en hoe goed herinner ik mij tot -in de kleinste bijzonderheden mijn eerste ontmoeting met het -muskuskruid en de baardmeesjes! - -Ook hoop ik nog eens een waterspreeuw te zien en ’t nest van een -ijsvogeltje en... de waternoot. - -Vooral die waternoot! In wat rietpoelen en veenplassen heb ik er al om -rondgezworven, in hoeken en gaten die er uit zagen, alsof nog nooit een -mensch daar geweest was, echte schuilhoeken, juist geschikt voor een -laatste toevluchtsoord van een arme vervolgde waterplant. Hoe heerlijk -zou ze daar kunnen liggen droomen van den tijd, toen ze allerwege -slooten en poelen bedekte, toen haar bloempjes, gesteund door de -ruitvormige bladeren, drijvend op hun opgeblazen holle bladstelen op -elk stilstaand water hun wit tapijt vormden. - -En dat is nog zoo heel lang niet geleden, nog geen veertig, geen dertig -jaar! In 1860 begon de tegenspoed en dat was, naar men zegt, de schuld -van een Nederlandsch professor, van een man, die het beter had moeten -weten, een man, die niet besefte, wat hij deed. En dan een -hooggeleerde! O tempora! - -Hoogstwaarschijnlijk wist hij wel, wat hij deed, maar dan heeft hij -ongetwijfeld het gevoel gehad van iemand, die voor een open zolderraam -staat, en die, wetende dat het hem nek, armen en beenen zal kosten, -naar beneden springt, alleen beheerscht door de gedachte: „als ik er -eens uit sprong!” - -Maar de professor is er niet uit gesprongen; misschien wel later -figuurlijk „uit zijn vel”, toen hij van welmeenende vrienden en -kennissen moest hooren, dat al spoedig de gevolgen van zijne -lichtzinnigheid aan de gemeente Utrecht jaarlijks op eenige honderden -guldens te staan kwamen. - -En toch had hij niets anders gedaan, dan een halfverwelkt takje in een -gracht gegooid—dat was alles. - -Maar dat takje was afkomstig van een plantje, dat gekweekt en -onderhouden werd in den botanischen tuin—in Leiden verheugde men zich -ook in ’t bezit van een bakjevol—want het was een waterplant. En een -merkwaardige plant ook, afkomstig uit het land van de gele koorts en de -colorado-kever en alom bekend onder den minder schoonen naam van -Waterpest. Nu stel ik mij voor, dat zijn hooggeleerde gelezen had van -de wonderbaarlijke groeikracht van dit plantje en hoe het in de laatste -twintig jaren—dus na 1840—in ’t Noorden van Engeland zoo voortgewoekerd -had, dat het de scheepvaart op de kanalen zeer ernstig belemmerde.. en -daar stond hij nu voor ’t zoldervenster. Zou ’t hier ook zoo snel -groeien? Als ik dit takje eens in het water wierp? De grachten zijn -juist schoongemaakt; dus ’t kan een poosje rustig liggen. Maar die -verstopte kanalen bij Berwick! - -’t Takje lag in ’t water. Was de man ’t maar nagesprongen—om ’t er weer -uit te halen. Want het ding is gaan groeien, groeien, en onze -binnenscheepvaart ondervindt er den last van, evengoed als de Engelsche -50 jaar geleden—nu ook nog, natuurlijk—, onze slooten zijn er vol van. -Niet alleen onze, maar die van heel Noord Duitschland, verleden jaar al -tot Polen toe! - -Meteen was het vonnis van de waternoot geteekend. Evenals de meeste -waterplanten zoekt deze ’s winters een schuilplaats op den bodem van -slooten en plassen, in de modder—net als soms de kikvorschen. En ’t -zoele voorjaar, dat de vroolijke kwakertjes tot nieuw leven roept, doet -ook de sluimerende plantenknoppen ontwaken. Er zijn er, die vroeg -wakker worden, doch ook de langslapers ontbreken niet; onze waternoot -is er zoo een, en ’t is hem duur te staan gekomen. Want als de trage -Europeaan ontwakend licht en lucht zoekt, dan is de slimme Canadees met -echt Amerikaansche vlugheid en voortvarendheid hem reeds voor geweest -en heeft alle plaatsen bezet. De jonge waternootspruitjes kunnen niet -aan de oppervlakte komen, ze kwijnen weg door gebrek aan lucht en licht -en brengen het niet eens zoover, dat ze bloesem of nieuwe knoppen -kunnen vormen. Zoo is hun geslacht verdrongen en uitgestorven, gelijk -in ’t verre Westen de roode man en de bison verdwijnen, als het -bleekgezicht zich eenmaal vertoond heeft. - -Nu is de vraag: heeft de Nederlandsche flora bij den ruil gewonnen? Wij -zagen reeds, dat Elodea lastig kan worden voor de scheepvaart en dat is -mij van de waternoot nooit ter oore gekomen. - -Aan den anderen kant is de waterpest een heel aardige aanwinst voor het -aquarium, waar hij gemakkelijk gekweekt kan worden. Doe maar als de -professor; neem een stukje bebladerde stengel en gooi dat in ’t water. -In weinige dagen ontwikkelen zich witte draadachtige wortels, die den -zandbodem van uw bekken opzoeken; al heel spoedig vertakt zich ’t -stengelbrokje, en de smaragdgroene stelen met de eenigszins donkerder -bladeren slingeren zich bevallig door ’t water en schijnen het met een -groenen glans te verlichten. Werkelijk wordt het water door de plant -verhelderd. Gij kunt de proef er van nemen, door vóór het planten van -waterpest het water van uw aquarium opzettelijk troebel te maken, -d.w.z. er vuil water in te gooien, want uw bodemzand zal wel zoo schoon -zijn, dat het omroeren er van geen „troebelen” veroorzaakt. Gij hebt -dan—natuurlijk met een zelfmoordenaarsgevoel—vuil water in uw aquarium -gedaan, en daarna Waterpest—erger kan het haast niet, zult ge -denken,—maar binnen vierentwintig uren is het water zoo helder als -kristal en de plant glanst als een edelsteen. Waar het vuil gebleven -is? Dat blijft voorloopig een raadsel. - -Het spreekt van zelf, dat de waterpest dit zuiverend vermogen in de -vrije natuur evenzeer of in nog hoogere mate bezit; en wanneer ge op -frissche, zonnige Aprildagen naar buiten trekt, om ’t ontwakend leven -der natuur gade te slaan en gij in ’t kristalheldere water de kleinste -diertjes op den bodem kunt zien, dan hebt ge dat voor een groot deel -aan den vreemden indringer te danken. - -In Juli en Augustus bloeit de Waterpest met kleine lila of purperroode -bloempjes op steeltjes, die zoo lang zijn, dat de bloemen juist aan de -oppervlakte van ’t water drijven. Als ge er niet opzettelijk naar -zoekt, zult gij ze niet licht vinden; doch ’t loont de moeite wel, en -ge kunt tegelijk uitzien naar larven en eitjes van water-insecten. - -Het bloemomhulsel bestaat uit zes puntjes, waarbinnen zich een -driedeelige stempel bevindt. Bij nader onderzoek blijkt het, dat die -stempel het einde is van een lange draadvormige stijl, die heelemaal -onder in ’t steeltje uit het vruchtbeginsel ontspringt. Meteen zien wij -nu, dat de bloemen ongesteeld zijn en dat, wat wij voor een steel -hielden, eigenlijk kroonbuis of kelkbuis of zoo iets behoort genoemd te -worden. - -Meeldraden zitten in deze bloem niet. - -Nu ja, zegt ge, dan is de bloem vrouwelijk, laat ons maar eens zien, of -er geen mannelijke aan dezelfde plant zitten. - -Neen, geen mannelijke bloemen te vinden; dus de plant is tweehuizig, -misschien vinden we in deze sloot nog wel een mannelijk exemplaar, of -een eindje verder. - -Zoek maar niet; in heel Nederland is geen mannelijke Waterpest te -vinden en in heel Europa ook niet. - -En dat is erg jammer. Want de Waterpest heeft een manier van bloeien, -die tot de allermerkwaardigste behoort en waarvan de wonderlijkheid nog -maar door één plant overtroffen wordt; die heeft daardoor in de wereld -der plantenkenners, plantenliefhebbers en aquariumvrienden (om met de -Duitschers te spreken) een groote reputatie verworven. - -De mannelijke bloemen van onze Waterpest bevatten negen meeldraden—een -tamelijk ongewoon aantal ook. Tegen den tijd, dat die meeldraden „rijp” -zijn—dus als zij gaan openbarsten en hun stuifmeel vrijlaten,—laat de -geheele mannelijke bloem los van de plant, waarop zij zich ontwikkeld -heeft, om vrij in het water rond te drijven. De helmknoppen, met -klevend stuifmeel overdekt, steken dan buiten het bloembekleedsel -uit—zij kijken overboord. Voort drijven de ranke bootjes over ’t -spiegelend vlak—in Juli en Augustus waaien geen stormen. Waarheen -drijven ze? Sommige stranden aan den waterkant en gaan verloren, andere -blijven van de wal af en komen terecht bij de vrouwelijke bloemen, die -gelijk met het water liggen en wier uitstekende stempels met de -helmknoppen in aanraking komen. Eenige stuifmeelkorrels blijven op de -stempelpapillen kleven, groeien door den stijl naar ’t eitje en het -zaad kan rijpen. - -In hoofdzaak is deze manier van bloeien dezelfde als bij de Vallisneria -spiralis, de beroemde plant, waarvan ik zoo even sprak. Deze groeit in -het wild in Zuid-Europa, maar ieder liefhebber van aquariums bezit er -wel een paar plantjes van en zal u graag een stekje geven. Ze wortelen -in den bodem en groeien geheel onder water, lange bandachtige groene -bladeren, die rechtop staan—een weinig uit elkander gebogen. Als ze -goed licht hebben, gaan ze in ’t aquarium wel bloeien ook en dat is de -moeite waard. - -Sommige planten ontwikkelen groene knopjes, onder water, op rechte -steeltjes van 1 à 2 cM. lang, andere krijgen dergelijke knopjes, maar -die zitten op een lang steeltje, dat net als een kurketrekker -ineengedraaid is. Na eenigen tijd strekt die kurketrekker zich uit, -totdat het knopje de oppervlakte van het water bereikt heeft. Daar -opent het zich en nu blijkt het te bestaan uit 3 lichtgroene blaadjes, -waarbinnen een vruchtbeginsel met drie stijlen, die buiten het bloempje -over ’t water uitsteken. (Teekening blz. 121 rechts). - -Intusschen is er met de knopjes, die op de rechte steeltjes zaten, ook -iets gebeurd. Die steeltjes zijn erg broos: bij de minste aanraking -breken ze af, als ’t hun tijd is. De knopjes, die lichter zijn dan ’t -water, stijgen dan omhoog en drijven aan de oppervlakte rond. Nu zoudt -ge denken, dat het met hen uit was—een losgerukt deel van een plant -moet sterven. Maar onze Vallisneriaknopjes leven nog een poosje door. -Ze gaan open, alsof ze nog deel van de plant uitmaakten, en de -meeldraden, die binnen de drie blaadjes zitten, worden rijp en buigen -naar buiten om. - -Die blaadjes gelijken ieder op een bootje, drie bootjes met elkander -vormen een bloem, die door wind en stroom wordt meegevoerd. Drijft nu -zoo’n meeldradenbootje tegen een stamperbloem aan, dan raken de -helmknopjes precies aan de stempels, waaraan dan het kleverig stuifmeel -vast blijft zitten. Maar nu komt nog het mooiste. Ge zoudt nu denken: -de stempels zijn voorzien van stuifmeel, dus nu kunnen de zaadjes -rijpen. Dat is ook zoo, maar om te rijpen behoeven ze niet meer boven -water te blijven—daar beneden is het veel veiliger—en wat gebeurt er -nu? De steel krult weer in tot zijn vorigen kurketrekkervorm en trekt -het rijpend vruchtje met zich mee in de groene diepte. - -Nu weet men nog niet juist, of de Waterpest precies zoo doet. Dat -meeldradenschuitjes naar de stamperbloemen varen, is wel waargenomen, -maar of het vruchtje ook onder water rijpt, is nog niet met zekerheid -te zeggen. Dat komt, doordat de waterpest in zijn eigen vaderland ook -maar zelden bloeit; de mannelijke bloemen zijn er zeldzaam en vruchten -en zaadjes onbekend. - -Maar door de wonderlijke levenskracht en het ongelooflijke -ontwikkelings-vermogen der losgerukte stengeldeelen is het voortbestaan -van de plant toch voor lange jaren verzekerd, doch eens komt er een -eind aan; volgens ’t beweren van sommige botanici vermindert de -waterpest al weer in Engeland. Wanneer een ongewone beweging in ’t -water haar broze stengeltjes knakt en vernielt op eene wijze, die -iedere andere plant noodlottig zou worden, dan heeft dat voor haar -slechts dit tengevolge, dat ieder brokstuk ergens anders een nieuw -leven begint. - -Zie in den zomer een zwerm eenden bezig in de ondiepe plas, geheel -begroeid met waterplanten! Dat is een rukken en trekken en snuffelen en -snavelen zonder oponthoud; kroos en waterpest worden verscheurd en -verzwolgen terwille van ’t klein gedierte, dat zich erin en er tusschen -ophoudt, terwijl van tijd tot tijd een of meer naar den bodem duiken, -om zwaarder kost te bemachtigen. ’t Zijn allemaal woerden—de -wijfjeseenden zitten allen te broeden. Laat ons wat dichterbij sluipen, -om te zien, welke soorten er vertegenwoordigd zijn, want er zijn eenden -en eenden. - -Voorzichtig! Wel is de jacht nog niet geopend, en zit de hagelschrik -hun nog niet in de leden, maar er is geen wantrouwiger gevogelte dan -eenden en misschien zijn de stroopers al bezig geweest. Er zijn van die -lui, die altijd moeten schieten! - -Kwêk—daar heeft er ons al een gezien en maakt zich uit de voeten. Die -het dichtst bij hem waren, bemerkten ook onraad en volgen hem. Hun -heengaan baart opzien bij de overigen en zoo is in korten tijd -geleidelijk de geheele zwerm verdwenen, verspreid naar alle kanten. - -Waarheen? Naar een andere plas, of naar de slooten in de weilanden, -waar de purperen orchideeën en de roode koekoeksbloem den tijd van ’t -jaar vermelden. Daar strijken ze neer, en, zindelijke beestjes als ze -zijn, hun eerste werk is zich te reinigen van wat bij hun overhaaste -vlucht uit de poel in hun veeren is blijven steken. Een voor een worden -de slagpennen en staartveeren afgeschuurd, een dolle dompelpartij -besluit het toilet maken, en het gevolg: in de sloot zweven -kroosplantjes en... stukken waterpest. - -Binnen eenige maanden is de sloot volgegroeid—tot groot verdriet van -den boer—die nu al opziet tegen het tochtmaaien en den polderschouw en -alvast het mogelijk voordeel aan meststof en kantverhooging opweegt -tegen het te betalen arbeidsloon voor slootreiniging. - -Als die jaarlijksche slootreiniging niet gebeurde, dan zouden er al -heel gauw geen slooten meer zijn. De waterpest en zijn confraters -zouden binnenkort alle beschikbare ruimte innemen—zeer tot hun eigen -nadeel natuurlijk; want zij zouden, als ze ’t water eenmaal in -veenmodder veranderd hadden, zelve niet meer kunnen groeien en moeten -onderdoen voor de modderplanten. Zoodat bij slot van zaken de -jaarlijksche groote slachting onder de waterplanten weer op hun eigen -voordeel uitloopt. - -Wie zijn de confraters van de waterpest? Welke Hollanders kunnen nog -naast den gevaarlijken Amerikaan een rustig leven leiden? Natuurlijk -die planten, die ’t meest op hem gelijken en in levenswijze nagenoeg -met hem overeenkomen,—in de eerste plaats het hoornblad en het -vederkruid. Dit zijn beide planten, die evenals de waterpest met hun -lange stengels, met blaadjes omkranst, de geheele watermassa -doordringen. Hun bladeren spreiden zich niet zooals die der plompen en -zooals het kroos, aan de oppervlakte van het water uit—maar ook in de -dieper gelegen waterlagen vinden zij nog, wat zij voor hun bestaan -noodig hebben. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt voor -aquariumplanten, niet alleen, omdat hun smaragdgroene guirlanden en -festoenen de kleurlooze watermassa opvroolijken en een dubbelen glans -geven aan de roode vinnen van baars of rietvorentje—maar ook om den -heilzamen invloed, dien ze op ’t water zelve uitoefenen en die bijna -geheel zou uitblijven, wanneer ze alleen aan de oppervlakte leefden. - -Welke die heilzame invloed is, gist ge reeds. Evenals waterpest, -bezitten hoornblad en vederkruid het vermogen, om het water te zuiveren -van de slijkdeeltjes, die er in zweven—echter op andere wijze. Blijft -het bij de waterpest een raadsel, waar de slijkdeeltjes heengegaan -zijn, daar noch de plant, noch de bodem eenig spoor ervan vertoonen—bij -’t hoornblad zetten ze zich op de buitenhuid der sprietige, taaie, -buigzame blaadjes vast, totdat de geheele plant met een slijklaag -overdekt is. - -Men kan zoodoende gemakkelijk een troebel geworden aquarium -schoonmaken, door telkens schoon hoornblad erin te plaatsen. Slaat ’t -eindelijk in ’t geheel niet aan, dan is het een voldongen feit, het -water is zuiver. Onzuiverheid, veroorzaakt door planten- of -dierenlijken, kan op deze wijze echter niet verholpen worden,—daarvoor -gebruike men zooals reeds gezegd is, vlijtig de hevel! - -Die reinigingsdienst is nu heel mooi en goed—zult ge zeggen—maar ik kan -zelf mijn aquarium ook wel schoonhouden en ik zal wel oppassen, er geen -klei in te brengen. Daarvoor alleen behoeven Elodea en Ceratophyllum en -Myriophyllum niet zoo opgehemeld te worden! Gij hebt natuurlijk -volkomen gelijk—maar er is nog meer. - -Neem weer eens een van die suikergoed-flesschen, die ge op uw -jachttochten naar klein waterwild gebruikt, maar kies een heel lichte; -bewaar de groene maar voor ’t geval, dat ge dieren hebt, die -afgezonderd moeten worden, zooals de geelgerande watertorren en hunne -larven of dergelijke roovers. Ga nu naar uw sloot (ieder -natuurliefhebber bezit natuurlijk in de buurt van zijn woonplaats een -sloot, een moeras, een boschje enz. waar hij steeds de meest -voorkomende planten en dieren voor onmiddellijke waarneming kan vinden) -en vul uw flesch met frissche, gezonde takken van de drie planten, -waarover ik nu eenmaal aan ’t praten ben geraakt. Glippen er soms wat -van die lange groene draden, die in alle slooten drijven, mee in de -flesch, dat is zoo erg niet—ook niet, als er een paar stukjes kroos in -komen—die doen toch ook allemaal mee. Doe de flesch maar flink -vol—natuurlijk niet zoo, dat de planten opeengeperst zitten, maar ze -mogen de flesch toch van den bodem tot den rand vullen. Natuurlijk -zitten er ook nog kleine diertjes tusschen, maar liefst had ik, dat hun -aantal zoo klein mogelijk was; dan alleen kunnen wij, wat er gebeuren -zal in onze flesch, toeschrijven aan de bezigheid der planten. - -Nu naar huis; zie daar een emmer met water en een diep bord machtig te -worden en jaag alle nieuwsgierigen de keuken uit. Neem nu de flesch met -de planten en dompel die onder in de emmer met water, leg daarna de -holte van het diepe bord op de opening van de flesch, en keer nu flesch -en bord om—steeds zorgende, dat beide onder water blijve. Pak dan het -bord, dat nu onderaan ligt, beet—zooals men een bord gewoonlijk aanvat -met twee handen—en til bord en flesch de emmer uit. Het bord is dan vol -water—de flesch, die er omgekeerd op staat, ook—gij weet al lang door -welke natuurkundige wetten, en herinnert u dadelijk alles van drukking -van de lucht en communiceerende vaten en barometers en dergelijken. - -Als nu de rand van de flesch heel zuiver en de bodem van het bord juist -vlak is, dan is er van communiceerende vaten geen sprake; het water in -de flesch is dan geheel afgesloten van dat in het bord, maar—dat wil ik -juist niet. Indien er dus vrees bij u bestaat, dat het water uit de -flesch niet vrij in het bord kan komen, snij dan vier plakjes van een -kurk en schuif die voorzichtig onder den fleschrand, natuurlijk zorg -dragende, dat de rand niet boven komt, anders loopt de flesch leeg en -dan kunt ge van voren af beginnen. Nu zal geen enkele Hollandsche -huismoeder uw gemors in haar huis willen dulden, zet daarom uw toestel -maar op een helder plekje in de tuin of in de vensterbank. Gij moogt -uit het bord wel zooveel water verwijderen, dat het niet overstort; -maar pas op, dat de rand van de flesch niet boven water komt, of, enz. - -Nu zullen er wel Fransche thema’s te maken zijn, of sommen, of je moet -nog een kaartje van Midden-Amerika teekenen; laat dus het toestel maar -aan zijn lot over en kom over een paar uur eens kijken. - -Word nu niet in eens kwaad, en zeg niet dat Johan er weer aangezeten -heeft en dat je het wel zien kunt, want dat het diepe bord overloopt en -dat er lucht in de flesch is gekomen. Gerust, Johan is er zelfs niet -bij geweest en de meid heeft er ook niet aan gescharreld. Overtuig u. -Hevel wat water uit het diepe bord weg—en ga dan erbij zitten—wakende -over uw schatten. Binnen korten tijd is de luchtruimte boven in de -flesch grooter geworden, het bord lijkt voller en weldra loopt het -over. De lucht of wat het dan ook is, ontwikkelt zich in de flesch -zelve! Die ontwikkeling wordt echter gaandeweg langzamer en houdt -eindelijk geheel op, of wordt onmerkbaar. Laat gij het geheel nu nog -eenige dagen staan, dan sterven de planten. - -Lucht of wat het anders zijn mag! Laat ons eens onderzoeken, wat wij in -de flesch gekregen hebben. Het is een kleurloos gas. Wat voor -kleurlooze gassen kent gij? Lucht, lichtgas, koolzuur, waterstof, -zuurstof, dat zijn er al vijf—of vier en een allegaartje, zooals ge -weet. Roep nu Johan er bij en je zusjes, als je ze hebt, en de meid -(die kunnen gillen, als ’t noodig is, dat geeft meer voldoening). We -zullen maar dadelijk de brandproef nemen, ongelukken zullen niet -gebeuren, daar sta ik voor in. Een moet het lucifertje gereed houden, -een ander de flesch onder water sluiten (met een nat stuk bordpapier of -liever nog met een goed sluitende groote kurk) en overeind zetten. - -Als wij nu de brandende lucifer in ons „gas” houden, kunnen er -verschillende dingen gebeuren. De lucifer blijft rustig doorbranden, -dan is het gewone lucht; het gas ontploft met een roode of gele vlam, -dan is ’t lichtgas. In koolzuur dooft de lucifer uit, en waterstof -ontploft met een blauwe vlam. Niets van dat alles gebeurt, maar de -lucifer zelve begint ineens verblindend helder te branden, waardoor wij -de zekerheid krijgen, dat in onze flesch zuurstof ontstaan is. - -Waaruit? en waardoor? Dat kunnen wij zoo dadelijk niet zeggen, daarvoor -moeten we de proef—(wij spraken thuis altijd van „de groote proef”)—nog -eenige malen herhalen, onder andere omstandigheden. - -We richten alles weer precies zoo in, alleen doen we in plaats van -planten, dieren, b.v. stekeltjes in de flesch. In een paar dagen gaan -de stekeltjes wel dood, maar ge neemt geen gas-ontwikkeling waar. Vul -nu de flesch weer met planten, doch beplak haar aan de buitenzijde met -dik zwart papier. Ook nu krijgen we geen zuurstof, of maar een heel -klein beetje, waaruit volgt, dat de planten, die we in onze flesch -gehad hebben, onder den invloed van het zonlicht zuurstof voortbrengen. -Ze zijn dus als ’t ware gasfabrieken. - -Wilt ge het wat mooier en eenvoudiger doen, koop dan een kookfleschje -van dun glas van een halven liter inhoud. Vul het met water en -waterplanten geheel en sluit het af met een kurk met een glazen buisje -er door, dat bijna tot aan den bodem van ’t fleschje komt. Zet de -flesch gewoon in ’t licht, dan is na korten tijd de hals vol zuurstof. - -Uit uw aquarium zelve stijgt voortdurend zuurstof op in kleine -belletjes, meestal zoo klein, dat ze onopgemerkt blijven. Als ge eens -met aandacht door een opstaanden wand in uw aquarium kijkt, dan kunt ge -heel fijne loodrechte draadjes in het water zien hangen, dunne -parelsnoertjes; ze bestaan uit heel kleine zuurstofbelletjes, die -omhoog stijgen, maar dat kunt ge haast niet zien, want de belletjes -zijn zoo gelijk van grootte en bewaren zoo steeds denzelfden afstand -onderling, dat er in de draad geen verandering waar te nemen is, geen -beweging. Toch kunt ge u er van overtuigen. Plaats boven een plekje, -waar eenige van die parelsnoertjes dicht bij elkander hangen, een -omgekeerde toegestopte glazen trechter of een reageerbuisje, met water -gevuld, en na eenigen tijd is het water eruit verdwenen en vervangen -door zuurstof. Het zal u wel eenige moeite kosten, de trechter of het -buisje eenigen tijd—een paar uren—stil boven de opstijgende belletjes -te houden, maar ik vertrouw op uw geduld en vindingrijkheid en op een -oordeelkundig gebruik van stukjes kurk en eindjes ijzerdraad, waarvan -ge natuurlijk groote voorraden bijeengegaard hebt. Iedere jongen heeft -immers een „arsenaal”, zooals wij het thuis noemden. - -Het is voor ons Nederlanders een groote voldoening, te weten, dat deze -uiterst belangrijke proef, en de groote ontdekking omtrent het leven -der planten, die er het gevolg van was, nu ruim een eeuw geleden voor -’t eerst gedaan zijn door een landgenoot, den beroemden Jan Ingenhouss -van Breda. - - - -Wilt ge u alleen tevreden stellen met belletjes te zien opstijgen en -wel gelooven, dat het zuurstof is, scheur dan van een groeiende -waterpestplant onder water een paar blaadjes stuk. Van tijd tot tijd -stijgen daaruit vele en groote bellen zuurstof omhoog. - -Waaruit bereiden de planten die zuurstof? Gij weet, dat het water -bestaat uit 2 deelen waterstof en 1 deel zuurstof. Zouden onze -waterplanten nu de waterstof uit ’t water gebruiken en zoodoende de -zuurstof vrij maken? Dat lijkt wel mogelijk, maar gij herinnert u, dat -de gasontwikkeling op een gegeven tijdstip eindigde, ofschoon er nog -water genoeg in de flesch was. Neem de proef nog eens—en het zal weer -gebeuren. Maar als nu weer het doode punt in de gasontwikkeling bereikt -is, hevel dan het diepe bord zoover mogelijk leeg en vul het dan weer -aan met spuitwater. Het spreekt vanzelf, dat dit spuitwater zich door -de geheele watermassa verspreidt en dus ook in de flesch met de planten -doordringt. En wat gebeurt er nu na eenige oogenblikken? Weldra is de -gasfabriek weer in vollen gang—en telkens als er staking in de -werkzaamheden komt, kunt ge door nieuwe bijvoeging van spuitwater weer -nieuwe ontwikkeling te voorschijn roepen. Voor de zuurstofvorming is -dus iets noodig, dat zich in het spuitwater bevindt—gij weet, dat dit -ook een gas is, en wel koolzuur. Meteen maakt ge natuurlijk de -gevolgtrekking, dat gewoon frisch water dan ook koolzuur bevatten moet, -hetgeen volkomen juist is; gij kunt u door de kalkwaterproef ervan -overtuigen. - -Ook koolzuur is met gewone dampkringslucht in ’t water opgelost en kan -door verwarming er uit gedreven worden. Laten wij zulk afgekookt water -afgesloten weder bekoelen, en brengen wij er dan voorzichtig wat -waterplanten in, dan zullen we geen gasontwikkeling waarnemen en de -planten sterven. Gij weet reeds, dat dieren in zulk van gassen beroofd -water ook niet leven kunnen. - -Onze planten veranderen dus koolzuur in zuurstof door een eenvoudige -aftrekking; ze slikken met kleine hapjes het koolzuur in, bereiden de -kool eruit tot voedingsstof en geven de zuurstof als overschot weer -terug. De zuurstof zet zich in uiterst fijne blaasjes aan de -oppervlakte der bladeren af, die blaasjes vereenigen zich tot -belletjes, welke we zien omhoog stijgen, als ze groot genoeg zijn. Niet -al de zuurstof bereikt echter de oppervlakte, veel ervan blijft in het -water zelve opgelost en dat maakt dan weer, dat de dieren, die zuurstof -uit het water moeten inademen, er in leven kunnen. De dieren ademen dan -weer koolzuur uit—waarvan de planten weer de kool gebruiken, om in ruil -zuivere zuurstof terug te geven. Zoo maken planten en dieren elkander -het leven mogelijk. - -Voordat ik dit wist, heb ik mij er dikwijls over verwonderd, waarom in -aquariums en goudvischkommen altijd het water ververscht moest worden -en waarom met veel kosten in een aquarium vaak de morserij van -fonteintjes en afvoerbuizen voor de luchtverversching moest aangebracht -worden, terwijl toch in stilstaande poelen het rijkste leven zich kon -ontwikkelen. Bracht de regen daar versche lucht mee? Maar als het dan -in maanden niet regent? Het ligt voor de hand, dat in stilstaand water -de levende wezens, planten en dieren door onderlinge samenwerking in -leven blijven. Ook is het heel wel mogelijk, jaren lang een aquarium -met levende planten en dieren te houden, zonder een enkele maal het -water te ververschen. - -In parken, die goed (al te goed soms) onderhouden worden, zijn wel -vijvers, waarin men geen enkele waterplant duldt. Ik ken een groote -stad, waar een heel mooi park is en in dat park zijn reusachtige -vijvers, waarin geen waterplantje drijft en waar langs de oevers geen -een van al die prachtige oeverplanten—lisch, zwanebloem, riet, -dullen—wordt toegelaten, ’t Is vreeselijk jammer, dat het zoo is, maar -het bestuur van ’t Park schijnt het niet anders te willen en handhaaft -in zijn vijvers een echt Broek-in-waterlandsche zindelijkheid. Dit -neemt niet weg, dat op sommige tijden van ’t jaar de watervlakte met -een vuil wierschuim bedekt is, maar daar kan ’t vlijtigste parkbestuur -niets aan doen, want die wierkiemen komen om zoo te zeggen, maar ineens -uit de lucht vallen. - -Maar daar wilde ik het niet over hebben. De gewone toestand in die -saaie vijvers is dus, dat er geen waterplanten in groeien. Toch leven -er visschen in, mooie groote brasems in overvloed, en zoo groot, dat de -hengelaars, die ’t park passeeren slechts noode al watertandend de lust -kunnen weerstaan, om eens in ’t verboden vischwater een kansje te -wagen. - -Hoe houden die visschen ’t nu uit zonder waterplanten, hebben zij dan -geen zuurstof noodig? Wel zeker, en zij krijgen er genoeg van ook. - -Ge hebt wel eens stekeltjes in een flesch gehad zonder waterplanten. Na -een poosje ziet ge, dat ze alle dicht bij de oppervlakte van ’t water -zwemmen en daar naar lucht happen. Maar zij happen niet in de lucht, -doch alleen in ’t bovenste laagje water, dat door zijn onmiddellijke -aanraking met de lucht zelf, een voldoende hoeveelheid gassen in zich -opneemt, absorbeert, zooals we in de natuurkundeles leerden zeggen. - -Nu is ’t water in den vijver eigenlijk maar een heel dun laagje en in -vergelijking met zijn diepte is er zoo’n groote oppervlakte met de -lucht in aanraking, dat daardoor alleen het water al voldoende -geventileerd wordt, vooral als de wind van tijd tot tijd meehelpt, door -de krullende golfjes met lucht te vermengen. - -Het is duidelijk, dat deze luchtverversching meteen ophoudt, wanneer de -lucht niet meer in aanraking met ’t water kan komen, b.v. ’s winters, -als een dikke ijslaag de vijvers bedekt. Dan hebben de visschen gebrek -aan zuurstof; en dat weten de visschers wel, die bijten in ’t ijs -hakken, waar dan binnen weinige oogenblikken de visschen elkander -verdringen om een enkel hapje lucht machtig te worden. - -Wie nu weinig planten in een aquarium heeft, doet niet goed met het toe -te dekken, want daardoor wordt een belangrijke hoeveelheid -luchtverversching onmogelijk gemaakt. Toch is ’t dekken van een -aquarium zeer noodig, eensdeels, om te beletten, dat de vliegende -insecten ontsnappen, anderdeels, om het schadelijke stof te weren. - -Zorg maar ervoor, het steeds goed van planten te voorzien, en de -afgestorven blaadjes en takjes zorgvuldig te verwijderen. De meeste -planten, ook die in ’t water groeien, zijn afhankelijk van ’t licht; -goed licht is voor hen levensvoorwaarde. Nu kan uw aquarium nooit erop -rekenen, evengoed verlicht te worden als een sloot in ’t vlakke -weiland, waar den geheelen dag de zon zich in kan spiegelen en waar -slechts een smalle schaduwrand een toevluchtsoord blijft vormen voor de -meestal lichtschuwe dieren. - -Vandaar dat uw planten maar zelden voortdurend gezond en tierig -blijven, vooral als ze „bovenlicht” missen moeten,—na eenige weken gaan -ze kwijnen—ze sterven wel niet, maar ze worden tenger en bleek en slap; -ze krijgen bloedarmoede. Wie het goed met zijn aquarium meent, vervangt -bijtijds zulke zwakkelingen door nieuwe frissche planten. - -Dat geeft meteen gelegenheid, om eens een middagje met schepnet en vork -er op uit te gaan, en zoo de kans om merkwaardige vondsten te doen. Het -behoeft niet altijd alleen maar Waterpest of Hoornblad of Duizendblad -te zijn. We kunnen ook drijvende waterplanten gebruiken. Onze vischjes -houden van schaduw en kunnen die in de ijle of draadvormig verdeelde -blaadjes van onze drie voornaamste zuurstof-vormers niet gemakkelijk -vinden. Er moet een groen dak bovenop het waterpaleis, dan eerst is het -genoegelijk rond te dwalen in de koele ruimte tusschen de groene -pilaren en guirlanden! Wat zou een sloot zijn zonder kroos! Waar zouden -de kleine zilveren steenkarpertjes hun leven moeten slijten, als er -geen kroos was, kroos, waartusschen en waaronder het wemelt en krioelt -van allerlei klein watergedierte, maar waartusschen door maar al te -dikwijls de scherpe haak en het verleidelijke wormpje van den lastigen -hengelaar een eind aan hun zorgeloos bestaan komt maken. - -Het zou een lange lijst worden, indien we al de wezens eens gingen -opsommen, die in en onder het kroos naar buit uitzien, van de kleine -hydra’s af, tot hengelaars en liefhebbers van natuurlijke historie -incluis. Ook de logge eenden doen er ’t hunne bij en slobberen, à la -walvisch, water, kroos en klein gedierte, daphnia’s en hydra’s tegelijk -naar binnen. En groene, glazige kikkeroogen loeren tusschen ’t kroos op -de kleine vliegjes, die er op heen en weer loopen; kleine vliegjes -schijnen nooit iets anders te doen te hebben dan heen en weer loopen. -En ’t kroos zelf koestert zich in ’t zonnetje en eet en groeit. En -bloeit—dat rijmt zoo mooi en dat behoort zoo bij „groeit”. Maar hebt ge -wel eens kroosbloempjes gezien? Ik maar zeer zelden; ik heb ze maar een -enkelen keer gevonden en ik twijfel er niet aan, of gij krijgt ze ook -nog wel eens te zien, want zoo heel zeldzaam zijn ze nu niet, lang niet -zooals de waternoot. Ga er in Juli maar eens op uit, maar neem uw loupe -mee en onderzoek geduldig een paar kroosplantjes. Wellicht vindt ge -geen bloemen of bloesems, maar daarom is uw moeite toch nog niet -vergeefsch—wie weet hoeveel hydra’s ge vindt. Ook ontdekt ge, dat alle -kroos nog niet hetzelfde is. - -Vooreerst vindt ge het gewone eendenkroos; van boven groen, onderaan -wit: ronde schijfjes, plat op ’t water drijvend, veelal bij drie, vier -of vijf met de randen samenhangend en elk voorzien van één wit, dradig -worteltje, dat aan zijn punt in een mutsje uitloopt—de meeste -worteltjes eindigen in zoo’n mutsje, wortelkapje geheeten, en dat dient -om het teere, groeiende eindpuntje van het worteltje zelve te -beschermen. - -Wanneer de schijfjes dik zijn, aan de bovenzijde soms een weinig hol, -en onderaan bolvormig—dan hebt ge bultig kroos gevonden—dat anders vrij -wel op ’t eerste lijkt—ook ieder schijfje met één worteltje. Er bestaat -ook veel-wortelig kroos, dat aan de onderzijde voorzien is van vier of -vijf worteltjes, in een bosje uit ’t midden van ’t schuifje -ontspringend. - -Deze drie kroossoorten drijven op ’t water, hun groen vlak is in -aanraking met de lucht, het zijn dus luchthappers—eigenlijk geen echte -waterplanten meer. Als een sloot uitdroogt, kunnen zij op den vochtigen -bodem ook nog heel goed blijven leven en betere tijden afwachten. De -zuurstof, die zij afgeven, komt dan ook niet het water ten goede—zij -helpen in de sloothuishouding alleen mee, doordat ze schaduw en koelte -geven en een schuilplaats voor ’t klein gedierte. Daarvoor mogen zij in -ruil genieten van het voedende slootwater,—want, zoomin als een mensch -van brood alleen kan leven, zoo weinig kan een plant alleen bestaan op -lucht—een schraal diëeet trouwens. - -Uit de lucht kan een plant zich alleen maar koolstof verschaffen en nu -weet ge heel goed, dat het plantenlichaam nog uit heel wat andere -stoffen is gebouwd; of wist ge het nog niet, dan kunt ge u er -gemakkelijk van overtuigen door in een heet vuur wat stroo te -verbranden. Bestond dat stroo alleen uit kool, dan zou ’t geheel in ’t -vuur verdwijnen; er blijft echter een witte asch over, die, hoe heet -het vuur ook zij, van geen verbranden weten wil. - -Geleerden en landbouwkundigen weten precies wat dat is, en hoeveel van -elk—later spreken wij er misschien ook wel eens over—maar de stoffen, -waaruit die asch bestaat, en nog meer dat met de kool in de vlam -verdwenen is, heeft de graanplant moeten bereiden uit stoffen, die zij -uit den grond moest opnemen, waar ze in water waren opgelost. - -Slootwater bevat al die stoffen ook, afkomstig uit den bodem of van -vergane dieren of planten, en al wat in de sloot groeit, gaat er -heerlijk op te gast. Elk kroosplantje pompt zich door zijn wortel en -door zijn onderkant vol met voedend water, haalt het voedsel er uit, -doet aan de bovenzijde door kleine openingetjes het onverbruikte -verdampen, om aan den onderkant weer nieuw op te nemen. Het tiert en -groeit en wordt dik en breed voor een kroosplant—bot aan zijn rand uit, -zoodat er weer drie, vier, vijf nieuwe plantjes ontstaan, die, na -eenigen tijd met de oude plant verbonden te zijn geweest, zich weer -losmaken en op eigen gelegenheid weer voortgroeien en uitbotten tot in -het oneindige—of liever—totdat de winter komt. - -Er is ook een soort van kroos—in alle slooten kunt gij het vinden, dat -op zijn broertjes weinig gelijkt, want het is niet rond en drijft niet -op ’t water, maar zweeft meestal een eindje onder de oppervlakte, dus -een echte waterplant, die zijn lucht ook uit ’t water moet halen. Het -drijft aan bosjes vereenigd en als ge het uit ’t water neemt, komt er -een heele boel tegelijk mee. Net allemaal snippers van een knipselwerk, -driekant, aan ’t breede eind afgerond en met ’t smalle eind kris en -kras over elkander geplakt. Aan ’t smalle eind is ook een worteltje. -Dit driekant kroos moet ge vooral in uw aquarium doen, vooreerst omdat -het een zuurstofvormer is, evenals Elodea en Ceratophyllum en -Myriophyllum en dan, de stekeltjes verschuilen zich er zoo graag in, ze -zitten altijd erin op de loer. - -Dit zijn al onze kroossoorten; vindt ge nu nog heel klein kroos (zoo -groot als een speldeknop) zonder worteltjes; schrijf dan aan ons -Tijdschrift, De Levende Natuur, dat ge daar en daar en dan en dan, -wortelloos kroos gevonden hebt. Dat komt in Midden-Duitschland voor en -kon wel eens door watervogels hierheen gebracht zijn. - -Nu hebben we kroos genoeg gevonden, maar bloempjes nog niet, ze zijn -ook zoo klein en kleurloos daarbij.—Aan plantjes ontbreekt het anders -niet, vele slooten zijn er als mede bevloerd, in drie scheppen hebt ge -een mand vol en de varkens kunnen smullen! Die zijn dol op kroos! - -Wij doorzoeken onze schepvol en vinden nu eens een larve, dan weer een -klein slakje, een aaltje, een hydra, waarmede we langzamerhand onze -stopflesch vullen, maar de kroosbloempjes verschijnen niet. We zullen -maar eens naar andere bloemen omzien; in en bij het water groeien er -heel wat, die niet in het oog vallen, doordat ze kleurloos zijn. Op die -manier kunnen we ons wat oefenen. - -Daar staan in een ondiep hoekje een menigte plantjes, die wel wat van -dennetakjes hebben, ze steken 2 à 3 dM. boven het water uit, mooi, fijn -donkergroen, een beetje stijf. Gij ziet geen bloempje, en toch: ze -staan in vollen bloei; ieder plantje draagt honderden bloemen! Maar het -zijn er ook bloemen naar, zoek maar eens in de hoekjes tusschen stengel -en blad: een stampertje en één meeldraad—dat is alles, de geheele -bloemenpracht van de Lidsteng (Hippuris vulgaris). - -Neem nu ook eens een hoornblad, dat bloeit nu ook—alle waterplanten -bloeien zoowat tegelijk in het begin van Juli. Gij moet weer naar de -bloempjes zoeken en ge vindt ze natuurlijk in de hoekjes, waar de -blaadjes uit den stengel komen, ’t Is, dat wij ons er nu voor -interesseeren, maar anders zoudt ge honderd jaar kunnen worden en -midden in het hoornblad zitten, zonder ooit een bloempje ervan te zien. -Als ge nu goed toeziet, dan vindt ge telkens een vijfentwintigtal -meeldraden of daaromtrent bij elkander, omgeven door een uitgetand -vliesje; op andere plaatsen weer bestaat het bloempje uit één stamper -met een draadvormige stijl en stempel, ook gehuld in een vliezig zakje. -En dat alles onder water. - -Heb ik u al verteld, dat water de dood voor meeldraden of voor -stuifmeel is? Niet? Maar gij hebt het toch wel kunnen merken bij Elodea -en Vallisneria, zelfs bij de Lidsteng, hoe ze hunne bloemen boven water -brengen; en als we nog wat meer bloemen vinden, dan krijgen we -gelegenheid in overvloed, om op te merken, dat ze allemaal trachten, -hun stuifmeel tegen regen en vochtigheid te beschermen. Maar hoornblad -doet dat niet en een soort van vederkruid ook niet, ze bloeien getroost -onder water en laten hun stuifmeel door den stroom naar de stempels der -stamperbloemen voeren. Zulke planten zijn er maar zeer weinig, en wel -merkwaardig is het, dat twee van de meest voorkomende waterplanten in -ons land deze zeldzame manier van stuifmeelvervoer er op nahouden. - -Ik sprak daareven van een soort van vederkruid. Gij zult n.l. op uwe -speurtochten naar waterplanten er twee soorten even veelvuldig van -aantreffen, misschien wel drie, maar die derde is, zooals uw -determineerboek u zal leeren, een zeldzaamheid. De eene soort van -vederkruid dan heeft zijne bloempjes à la Ceratophyllum in de oksel der -bladeren, kleine meeldraad-bloempjes met 4–8 meeldraden en -stamperbloempjes met één vruchtbeginsel met vier stempels—het -meerendeel onder water. Toch zijn bij deze plant al sporen van -beterschap op te merken, want als ze in ondiep water groeit, of in -slooten die half dichtgeslibd zijn, steekt ze de einden van de takken, -die bloempjes dragen, boven water uit, de bloemen openen zich in de -vrije lucht en de wind moet zorgen voor de overbrenging van het -stuifmeel. - -De andere soort van vederkruid bloeit nooit onder water; dat is -Myriophyllum spicatum (het vederkruid, dat een aar draagt): ik denk -wel, dat het iets meer algemeen voorkomt dan de vorige soort, die -Myriophyllum verticillatum heet, (vederkruid, dat zijn bloemen in -kransjes heeft). - -Die Myriophyllum spicatum nu, steekt het bloeiende eind van zijn takken -altijd boven water uit, en alsof het die uiteinden nu lichter heeft -willen maken, zijn de fijnverdeelde groene bladeren vervangen door -heele kleine blaadjes, in wier oksels de bloemen staan, bovenaan de -stuifmeelbloemen, onderaan de stampers. - -Dat begint al heel wat op bloeien te gelijken en de aar is mooi ook; de -helmknoppen hangen te wiegelen aan heel dunne draadjes; ze zijn rood, -zoolang ze nog niet open zijn, dan heldergeel. Voordat ze opengaan, -zijn ze beschermd door vier fraai karmijnroode blaadjes, maar die -vallen heel spoedig af. - -Nu we eenmaal de bloeiaren van vederkruid gevonden hebben, zien we nog -meer andere aartjes boven water uitsteken. Haal er met de vork een paar -naar u toe, er valt weer iets aan te bekijken, we hebben nog wel den -tijd—de zomerdagen zijn lang.—Gij moet rukken, de plant zit in den -bodem vastgeworteld.—Knap! daar hebben we een tak. Donkergroene, -bruinachtige bladeren zitten op verschillende hoogte aan den stengel. -Die bladeren zijn niet vlak, zooals gewoonlijk, maar over hun geheele -oppervlakte gegolfd, het meest aan de randen. De bloeiaar komt uit een -van de bovenste bladoksels, en bevat eene menigte bloemen, dicht op -elkander. Deze plant heet Potamogeton crispus (gekruld fonteinkruid). -Er zijn in onze slooten nog veel andere fonteinkruiden te vinden; ge -kunt de verschillende soorten onderscheiden met behulp van de tabel aan -’t eind van dit boek. Het meest komt voor het drijvend fonteinkruid (P. -natans), dat zeer welig groeit, zoodat soms slooten en vijvers er -geheel mee bedekt zijn. Dan is de sloot vol „theeblaren” zeggen de -jongens. - -Op ’t eerste gezicht lijkt het wel, of de bovenste stamperbloemen zijn. -De onderste hebben meeldraden, vier, die in hun dikke helmknoppen -overvloedig stuifmeel hebben, maar middenin bevindt zich ook een -stamper, of eigenlijk vier stampers, ieder met een dikken naar buiten -staanden stempel. Maar kijk nu nog eens naar de bovenste bloempjes. De -vier stampers zitten goed ingepakt in vier bruingroene blaadjes. Alleen -de stijlen en stempels steken er buiten uit. Neemt ge echter die vier -blaadjes—de dekschubben—weg, dan vindt ge, tegen stijf de stamper -aangedrukt, vier, dikke, gele, glimmende meeldraden. Eigenlijk moest ik -zeggen meelzakken, want van een helmdraad is bijna niets te bespeuren; -ze zijn een en al helmknop. Iedere helmknop bestaat uit twee gelijke -deelen, de helmhokken, die door het helmbindsel met elkaar verbonden -zijn. Stuifmeel ziet ge aan deze meeldraden niet, want ze zijn nog niet -rijp, ze zijn nog niet open. Gij kunt echter op ieder helmhokje al een -overlangsche streep opmerken. Over eenigen tijd, als het stuifmeel rijp -is, barst het helmhokje langs die streep open en het stuifmeel valt er -uit. Dit gebeurt nooit, terwijl het regent. - -Wanneer het droog, windig weer is, dan wordt het stuifmeel door den -wind meegevoerd, als het stof op de wegen. Tien, twintig meter verder -waait het tegen een andere bloeiaar van fonteinkruid aan en blijft aan -de stempels kleven. Natuurlijk valt er ook heel wat in ’t water, maar -dat komt er niet op aan. Als op iedere stempel van ons fonteinkruid -maar eenige korreltjes stuifmeel komen is het al genoeg—dus als uit -ieder helmknopje enkele stofjes hun bestemming bereiken, kunnen er -zaden gevormd worden—en ieder hokje bevat duizenden en duizenden van -die stofjes. - -Springen de helmhokken bij windstilte open, wat ook wel gebeurt, dan -valt het stuifmeel eruit, niet in het water, maar op de onderste -dekschub, die als het ware een schoteltje eronder vormt. Daar blijft -het dan liggen, totdat een flinke windvlaag het eruit jaagt. Regent het -voor dien tijd, dat is ook niet erg, want dan sluit het bloempje zich -en het stuifmeel blijft droog. - -Op deze wijze wordt ervoor gezorgd, dat nooit het stuifmeel uit de -helmhokjes terecht komt op stempels van dezelfde bloem, maar bijna -altijd op stempels van een andere plant. Men drukt dit korter uit door -te zeggen, dat bij de fonteinkruiden gezorgd is voor kruisbestuiving en -het is bekend, dat zaden, welke door kruisbestuiving ontstaan, veel -krachtiger planten opleveren, dan die welke gegroeid zijn uit zaden, -gevormd doordat stuifmeel terecht kwam op de stempels van de bloem, -waarvan het zelf afkomstig was. - -Bij de meeste bloemen bestaan inrichtingen, die kruisbestuiving -bevorderen. Bij Elodea, Vallisneria, Ceratophyllum en Myriophyllum -spreekt het vanzelf, dat er altijd kruisbestuiving moet plaats hebben, -doordat hunne bloemen òf alleen stampers óf alleen meeldraden bezitten. -Bij de fonteinkruiden is eigenlijk het zelfde het geval; wel bevinden -zich meeldraden en stampers in dezelfde bloem, maar ze zijn nooit -tegelijk rijp; als de stempels geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen, -dan zijn de meeldraden in dezelfde bloem nog dicht en verborgen, en ze -openen zich eerst, wanneer op de stempels reeds van elders stuifmeel is -aangevoerd. Dan zijn die stempels al half verdord, zooals ge aan de -onderste bloemen van een aar duidelijk kunt zien. - -Nog altijd geen kroosbloempjes, maar wat is dat aan de rand van die -rietpoel? Stap er voorzichtig heen, we zijn hier op een gevaarlijk -plekje, de bodem trilt onder ons en golft voor ons heen; hier en daar -blinken tusschen ’t mollig veenmos groene slijmerige poelen. Stap op de -elzestronken en beproef iedere tred, maar dat plantje daar moeten we -hebben—de vondst is eenig—ik ben er blijder mee dan met de eventueele -kroosbloempjes. Zeldzaam? Och, vraag niet altijd en alleen naar -zeldzaam—het niet zeldzame, het algemeene is vaak het meest -belangwekkend. Doch dit preekje voegt me niet, want al is de -plant—waarvoor we nu ons leven wagen—lang niet zeldzaam, algemeen kan -ze toch ook niet genoemd worden. Vooruit dus. Naar den rand van de poel -wordt de bodem wat vaster—dat heb je meer in de moerassen—en met onze -vork kunnen we de buit naar ons toehalen. Als ik op waterplanten uitga, -heb ik altijd een ijzeren vork, die ik aan de stok van het schepnet kan -vastmaken. - -Ziezoo, dat is binnen. Nu kunnen we even op een wilgenstoof gaan zitten -en zeg me nu eens; wat zou dit zijn? - -„Gele waterleeuwenbekken met haarbladen en er zitten beestjes tusschen -ook!” - -Goed geantwoord. - -Die bloemen lijken werkelijk op leeuwenbekken, er staan er een stuk of -vijf bovenop een stengel, die rechtop een decimeter of twee boven het -water uitsteekt. Ze zijn mooi geel met donkerder vlekken en streepen op -de plaats waar onderlip en bovenlip stevig tegen elkander gedrukt -zitten, haast net als bij de bekende gele vlasbek, die in Augustus en -September overal aan dijken, ruigten en wegen te vinden is. Die heeft -echter vier meeldraden, terwijl onze waterplant er maar twee heeft, die -ge in vele gevallen zoo kromgebogen vindt, dat hunne helmknoppen, tegen -den stijl aangedrukt staan—waaronder de stempel, zoodat het stuifmeel -uit de helmknoppen onmogelijk op de stempel kan vallen. Er moet dus -stuifmeel van andere bloemen worden aangevoerd, zooals bij de -fonteinkruiden, maar hier kan de wind ons niet helpen. De stempels en -de meeldraden zitten opgesloten in de gele kroon—die kroon is dicht en -blijft dicht, zoolang er niet iemand komt, die hem openmaakt, en dat -kan de wind niet doen. - -Willen we nog eens naar de gele bloemen kijken, die daar nog in het -water staan?—Misschien vinden we de oplossing van het raadsel. - -Het is zulk mooi, stil warm weer; de berken, waar ons moeras vol van -staat, verspreiden hun heerlijke kruidige geur als van.... zure -peper—zooals een van mijne jonge vrienden eens zei. Over de duizenden -kleurige bloemen een gegons van allerlei insecten—blauwe schichten -schieten er door heen en over het water; dat zijn zwaluwen op jacht; -blauwe zwaluwen. Ook andere, dof grijs met wit—dat zijn oeverzwaluwen; -zij hebben hun nest ergens in de buurt, diepe holen in een dijk of -steilen slootkant. - -Zij zijn het vooral, die over het watervlak jagen—want ook daar zijn -insecten in overvloed—ook bij onze gele bloemen. Daar plompt een klein -hommeltje met geel en bruin aan zijn achterlijf tegen een bloem -aan—vlak er tegen. Het onderste deel van de bloem buigt onder zijn -gewicht neer, zijn kop verdwijnt tot de schouders in de opening. Drie, -vier tellen blijft hij zoo zitten, dan heeft hij den honing uit de -spoor opgezogen en zoekt een andere bloem op. Zoo werkt hij -achtereenvolgens al die gele bloemen af en vliegt dan heen, echter niet -zonder haar een wederdienst bewezen te hebben. - -De meeldraden zijn zoo geplaatst, dat de hommel onvermijdelijk met zijn -tong er langs moet strijken, als hij de honing uit de spoor wil -opzuigen. Natuurlijk blijft er wat van het kleverige stuifmeel aan die -tong vastzitten, en als hij die daarna in een andere bloem steekt, dan -raakt hij daar den stempel aan, waaraan dan weer de stuifmeelkorrels -zich hechten, zoodat de kruisbestuiving volbracht is. - -Ja maar, zegt ge, verliest de tong het stuifmeel al niet in de eerste -bloem bij het terugtrekken langs den stempel? - -Dat is nog zoo kwaad niet opgemerkt—laat ons eens zien. - -Neem eens een grassprietje en boots daarmee in een levende bloem de -beweging van een hommeltong na. Gij opent de bloemkroon, steekt het -grassprietje erin; het strijkt langs de onderste afdeeling van de -stempel heen, tusschen de meeldraden door, de spoor in. - -Maar wat is dat? In het aangeraakte deel van de stempel komt beweging, -langzaam maar gestadig krult zich het lipje omhoog, totdat het vlak -tegen de bovenste afdeeling komt te liggen. Als ge uw grassprietje -terug trekt, raakt het geen stempel meer aan; die is uit de weg gegaan. - -Thuis, voor uw vensterraam of in den tuin hebt gij misschien een -plantje, dat dezelfde merkwaardige inrichting vertoont—ik bedoel de -gele Mimulus. De bloem daarvan is ook leeuwenbekachtig, maar open, de -stempel is net als die van het Blaasjeskruid (zoo heet onze gele -waterbloem) „tweelobbig” en de onderste lob krult zich bij de minste -aanraking omhoog. Het is een verrassend gezicht, in planten—die men -over het algemeen toch voor bewegingloos houdt—zulke bepaalde, -plotselinge bewegingen te zien gebeuren. - -Nu wil ik u van de bloem van ons blaasjeskruid nog iets vertellen. Het -gebeurt wel eens, dat de insecten een bloem niet bezoeken; bij -ongunstig, regenachtig weer b.v. wagen zij zich niet graag boven het -gevaarlijk element. Hoe komt dan het stuifmeel op den stempel? Ja, dan -moet de bloem zich behelpen. De onderste stempellob krult zich dan -langzaam (aarzelend, had ik haast geschreven) naar omlaag, tot ze de -open meeldraden aanraakt. Er is dan stuifmeel uit dezelfde bloem op de -stempel gekomen, er rijpen nu ook zaden, al zijn ze niet zoo goed als -die, welke door kruisbestuiving ontstaan. - -Een aardige inrichting, nietwaar? Doch hiervoor behoefden we ons leven -niet te wagen (de waaghalzerij was anders zoo groot niet), er zijn -bloemen genoeg, die nog „aardiger” erop ingericht zijn, om door -kruisbestuiving sterke zaden te krijgen. - -Maar er is meer! Leg de bloem eens ter zijde en kijk eens naar de -bladen—of liever naar het groen, want die vertakte draden kunnen -eigenlijk niet anders genoemd worden. - -Straks zaagt ge er beestjes tusschen, niet waar? Ze zijn er nog—we -zitten nu al een kwartier op onzen wilgenzetel over de bloemen te -praten en nog zijn ze niet tusschen het vochtig veenmos weggekropen om -weer in hun element hunne duikelingen en wendingen te beginnen. Nu ge -er een grijpen wilt, merkt ge dat het vastzit aan de plant, dat het -eraan gegroeid is: uw beestjes zijn geen dieren, maar bladertjes of -iets, dat erop lijkt. - -Daar zit ge nu. - -Leefden we nu een driehonderd jaar vroeger, dan gooiden we het plantje -weer in de sloot, en gingen naar huis om daar een paar folianten met -wonderverhalen op te zoeken, liefst in ’t Latijn. Daar snorden we dan -wat plaatsen in op, die ons op onze ontdekking toepasselijk leken en -namen daarna een nieuwversneden ganzenpen, om een lijvig boek te -beginnen over de dierenbarende slootbloem, opgehelderd met aanhalingen -uit Aristoteles en Plinius en Dioscorides etc. Ja, ge kunt erom lachen; -maar zoo hebben ze vroeger gedaan en ik zal later nog wel gelegenheid -vinden, om u plaatjes te laten zien van rotganzen, die aan de boomen -groeien of levende schapen, die van onder een varenplant komen kuieren, -waar ze eerst den dienst van wortels verricht hebben. In allen ernst -stonden zulke dingen in boeken, met koninklijk privilegie gedrukt. - -Wij echter pakken ons blaasjeskruid tusschen wat vochtig mos in onze -plantenbus en plaatsen het thuis in ons aquarium—of, als we dat nog -niet rijk zijn, in een diepe schotel met water. Laat ons ook in onze -stopflesch wat water meenemen met vertaktsprietige watervlooien en -dergelijke vierpootige met één oog (Daphnia en Cyclops) en meer van dat -kleingoed, om dat alles thuis in dezelfde schotel bij het blaasjeskruid -te gieten. Later gaan we nog eens erop uit, om kroosbloempjes te -zoeken. - -Het planten van ons blaasjeskruid veroorzaakt niet veel last, want het -bezit geen wortels: we behoeven het maar rechtop in ’t water te zetten, -dan zinkt het zoover, totdat het drijft (Natuurkunde, hoofdstuk -zooveel) en tegelijk spreiden de takken met de draadvormige blaadjes -zich uit. De blaasjes vormen dan als ’t ware een kudde vreedzame -daphnia’s verdiept in herkauwende bespiegelingen. Dat woord -„herkauwende” gebruik ik hier niet alleen, omdat het woord „kudde” mij -aan koeien of schapen doet denken. Dat zal u spoedig duidelijk worden. - -Onze echte daphniden moeten wel bijzondere gedachten krijgen van die -vreemde onbewegelijke stamgenooten. Zij zelve schieten op hunne bekende -schokkende manier door het water heen, terwijl ze op elkander jacht -maken of op nog kleinere diertjes. Soms naderen ze nieuwsgierig onze -blaasjes, soms heel dicht bij, ja ze kruipen er wel eens in. - -Na een paar dagen maakt ge de opmerking dat uwe levende daphnia’s -geducht onder elkander hebben huisgehouden, of dat er een epidemie -onder hen is uitgebroken—want hun aantal is aanzienlijk verminderd. -Echter zijn nergens daphnialijken te zien, ook geen leege schalen. - -Dat lijkt geheimzinnig en ge raadt nu al wel, dat de blaasjes in ’t -geheim betrokken zijn. Knip een takje met blaasjes van uw plant af en -leg het op een stuk wit filtreerpapier, dan hindert het water, dat -eraan blijft hangen, u niet bij uw onderzoek. Nu ziet ge wel, dat ieder -der eivormige blaasjes aan zijn spitse punt vier vertakte „sprieten” -bezit; begin daar met twee naalden het blaasje open te scheuren—dan -zult ge eens zien, wat erin zit. - -Niets? Goed, neem dan een ander blaasje, desnoods een derde. Daar hebt -ge het al: een doode daphnia. Maak nog een blaasje open.—Een -zieltogende Cyclops. Nog een! Begrijpt ge het nu? - -De blaasjes van het blaasjeskruid zijn vallen voor klein gedierte, het -blaasjeskruid zelve is eene vleeschetende plant! De watervloo, die uit -nieuwsgierigheid of in zijn angst om aan den een of anderen vervolger -te ontkomen in zoo’n blaasje gekropen is, kan er nooit meer uit. In -duisternis en afzondering moet het diertje na herhaalde vruchtelooze -pogingen om te ontsnappen den honger- en verstikkingsdood sterven. De -val is gesloten met een klep, die naar binnen, o zoo gemakkelijk -opengeduwd kan worden, maar die door elke drukking naar buiten den -uitgang slechts nog steviger afsluit. - -De inrichting is heel eenvoudig. - -Gij ziet, dat de blaasjes niet zuiver eivormig zijn, maar dat zij een -bollen en een meer afgeplatten kant hebben. Die platte zijde, zouden we -de buikzijde van het blaasdiertje kunnen noemen. De punt van die -buikzijde is, waar de sprietvormige uitsteeksels zitten. Nu moet de -loupe erbij te pas komen. - -Op eenigen afstand van de punt ziet ge in de buikzijde een -ongelijkheid, de blaasjeshuid is daar ingebogen. Neemt ge nu een dun -stokje of een naald zonder punt, dan kunt ge u ervan overtuigen, dat -het gedeelte van de punt af tot aan die inbuiging, los op den rand der -inbuiging ligt en naar binnen er een eindje overheen steekt. Bij de -minste aanraking ontstaat daar een opening. Zwemt nu een klein diertje -tegen dit gedeelte aan, dan wijkt het onmiddellijk terug en de -argelooze zwemmer, misschien door zijn instinct aangezet, om dit -donkere hoekje na te snuffelen, raakt er binnen. Nu ligt de klep weer -vlak op den rand, alleen door een trekkende beweging zou hij omhoog -gehaald kunnen worden, maar onze gevangene kan niet anders dan duwen, -en dat kost hem het leven. - -Het lijk gaat tot ontbinding over en de verrottingsproducten, door den -binnenwand van het blaasje opgezogen, zijn voedsel voor de plant. Gij -weet, dat volwassen daphnia’s een schaal hebben. Die schaal verteert -niet, maar kan evenmin als eerst het gevangen dier uit ’t blaasje weg -en blijft daar dus liggen. Naarmate het blaasje meer slachtoffers -maakt, komen er meer van die onverteerbare overblijfselen, zoodat het -ten slotte vol raakt en buiten gebruik moet worden gesteld. Een -onderzoeker heeft eens in zoo’n vol blaasje het stoffelijk overschot -van 24 verschillende diertjes gevonden. - -Zoo kan een enkele blaasjeskruidplant, die over een paar honderd vallen -te beschikken heeft, een geduchte opruiming onder de kleine -waterbewoners houden. Het zijn vooral soorten van Daphnia, Cyclops—al -die éénoogigen—die gevangen worden, maar ook larven en zelfs kleine -vischjes, want de blaasjes worden wel een ½ cM. groot. - -Op de afbeelding hiervoor kunt ge zien, hoe zelfs jonge vischjes -gevangen kunnen worden. Dat in fig. 2 is bij ongeluk met zijn staart in -de opening geraakt, het kan er echter niet meer uit, daar de klep -klemmend sluit. Hoe die twee blaasjes in fig. 3 samen dat eene vischje -machtig geworden zijn, is een raadsel, maar ’t is toch waar gebeurd; al -de afbeeldingen zijn naar de natuur geteekend door een Russisch -onderzoeker. - -In fig. 4 is een doorsnede van een blaasje gegeven, twintigmaal -vergroot, terwijl in fig. 5 zeer vergroot (400 ×) de binnenwand van -zoo’n blaasje te zien geeft. De uitsteeksels, vier aan vier geplaatst -zuigen de voedende vloeistof op, welke door de ontbinding der gevangen -dieren ontstaat. - - - -Wanneer ge Utricularia’s houdt in een kom met zuiver water, dan gaan ze -kwijnen, al zorgt ge nog zoo goed voor overvloedig licht. In heldere -sloten, waar zich geen klein watergedierte ophoudt, kunnen ze ook niet -tieren. Ze verhongeren letterlijk, ze kunnen uit het water niet genoeg -voedingsstof opnemen: ze moeten gevoerd worden! Ze zijn zoo aan vette -bouillon gewoon, dat ze van de dunne waterpap, waar andere planten mede -tevreden zijn, ziek worden. - -Gij begrijpt nu ook, dat het Blaasjeskruid geen wortels noodig heeft, -zooals het kroos b.v. De blaadjes doen er min of meer den dienst van: -zij toch zuigen de opgeloste voedingsstof op. Het hoornblad heeft ook -maar zelden wortels, het ligt zoo geheel omringd door het voedende -water, dat het vanzelf er geheel mede doordrongen wordt. Dat „vanzelf” -is natuurlijk bij wijze van spreken—ik bedoel daarmede ongeveer -hetzelfde als wanneer ik zeg dat water, waarin een varkensblaas vol -melk wordt opgehangen vanzelf verandert in water en melk—de melk in de -blaas ook—gij begrijpt alweer: Natuurkunde, Hoofdstuk zooveel, over -Osmose. - -Het kroos heeft zijn wortels wel noodig; de onderzijde van ’t plantje -alleen zou niet genoeg kunnen opzuigen. Waterpest zou het wel zonder -wortels kunnen stellen, voor zoover de voeding aangaat, maar hij heeft -ze nog ergens anders voor noodig. De meeste waterplanten hebben -wortels, die of vrij in ’t water hangen, zooals bij ’t kroos, of zich -in den bodem vasthechten zooals bij waterpest, duizendblad, -waterlelies, watergentianen, fonteinkruiden enz. - -De wortels komen uitstekend te pas, als de sloot leegloopt of -uitdroogt. Ik heb u al gezegd, dat eendenkroos dan niet het lot van de -vischjes deelt, maar zich erin schikt, om op den modder nog te blijven -leven. - -Ja, de vischjes gaan dood, als de sloot uitdroogt, behalve de alen; die -kruipen in den nacht door het gras, nat van den dauw, naar een ander -waterpaleis. Larven verpoppen zich bij zoo’n gelegenheid, als ze ten -minste niet al te jong zijn; dat de kikkers en salamanders en torren -zich weten te redden, behoef ik u niet te zeggen. Heel kleine -waterdiertjes hullen zich bij droogte in een dubbele huid, verslapen -zoo den drogen tijd en worden door een plasregen weer tot nieuw leven -gewekt. - -Nu de meeste waterplanten, die in den bodem wortelen, kunnen den -tegenspoed goed verdragen. Utricularia en hoornblad gaan onverbiddelijk -dood, doch duizendblad en waterpest en de fonteinkruiden houden zich -taai. Duurt de tijd van droogte wat lang, dan verwelken ook hun takken, -en sterven af, maar dan zijn de planten zelven toch nog niet dood. - -Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem weer nieuwe -takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich niet geheel en al bloot -te geven—hun eigenlijk lichaam zit in den vochtigen modder geborgen en -wacht daar gelaten betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan -vindt ge die stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms -heel lang hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging -door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ontwikkelen zich -onmiddellijk weder bebladerde stengels en bloemen. Houdt de droogte -heel lang aan, dan moeten ze eindelijk sterven, of ertoe overgaan, een -andere leefwijze aan te nemen en landplanten te worden. - -Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn er planten -genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te zijn, of ze al dan -niet in ’t water staan—riet, blaartrekkende boterbloem, waterkers, -veldkers—maar dat zijn toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die -tegen wat vochtigheid kunnen. Of ze in ’t water zijn of niet, brengt in -hun uiterlijk geen verandering te weeg. - -Maar ga nu nog eens in Juli of Augustus met mij uit waterplanten -zoeken—misschien vinden wij de zeer verlangde kroosbloempjes dan ook -nog—dan zal ik u nog eens een merkwaardig plantje laten zien. We -behoeven niet veel breede slooten af te zoeken—vooral als het water -niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden. Plat op het -water drijven een aantal spits-ovale bladeren (8 à 9 cM. bij 3), wel -gelijkend op die van het drijvend fonteinkruid (de theeblaren), maar -smaller en spitser, geel groen van kleur. Te midden van die bladeren -verheffen zich een dM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren, -allerliefste bloemetjes—waar ook nog wel iets aan te bekijken valt. - -We zullen maar eens probeeren, zoo’n plant machtig te worden. Ze groeit -ver van den kant, dus de haak moet erbij te pas komen en heel -gemakkelijk gaat het ook niet, telkens slipt de kersroode bloemaar -onder de vork vandaan: de plant is stevig in den bodem vastgeworteld. -Nu kunt ge het topje grijpen, houd vast en trek voorzichtig—met kleine -rukjes, anders breekt de stengel af. Knap—stuk is het reeds—afgebroken -bij den wortel. Wat hebben wij nu? - -Anderhalven meter slappe stengel, waaruit van afstand tot afstand lange -slappe stelen ontspringen, die aan hun einde de reeds vermelde bladeren -dragen. Dragen eigenlijk niet, de stelen zijn zoo slap, dat ze zichzelf -niet eens kunnen dragen; zij verbinden de bladeren aan den stengel, -zullen we maar zeggen. Het einde van den stengel, de roode bloemaar, is -steviger: die kunt ge rechtop houden—maar overigens is de geheele plant -een slappekoord geschiedenis—slap en glad; alles ligt in een lam hoopje -op het gras. - -Waartoe zou een waterplant ook stevig moeten zijn? Ja, een boom moet -stevig wezen, anders waait hij om, en de slanke graanhalmen moeten -kracht genoeg bezitten, om de aren omhoog te houden—maar een -waterplant? Die vindt steun genoeg in het water, zoolang haar -drijfkracht niet verloren gaat; en daarvoor is gezorgd, doordat -stengels en stelen en bladeren voorzien zijn van luchtruimten, -zwemblazen als ’t ware. Zoodoende staat een waterplant rechtop op -dezelfde wijze als een stokje, aan welks eene eind ge met een touwtje -een steen hebt vastgebonden, in het water rechtop blijft staan. Kroos -drijft op het witte holle weefsel, dat aan de overzijde der blaadjes te -zien is; het driekante kroos mist dat en drijft dan ook niet, maar -zweeft gelijk het hoornblad, alles volgens dezelfde wet van Archimedes. - -Nu begrijpt ge ook, waarom de bloeiaar van onze veenwortel (Polygonum -Amphibium)—zoo heet de plant, die wij gevangen hebben—zoo stevig moet -zijn, die heeft geen steun van ’t water te wachten. Laat ons de plant -nog eens bezien. Gij merkt op, dat de onderste bladstelen langer zijn -dan de bovenste—juist, zegt ge, dat is, omdat alle bladeren op het -water moeten drijven en dus evenhoog moeten komen. - -Goed, maar stel u dit nu eens voor. Als de bladstelen nu alle juist zoo -lang zijn, en hun einde, waar aan de bladschijf bevestigd is, de -oppervlakte van het water bereikt, dan komen de twaalf tot twintig -bladeren van onze plant vlak bij elkaar, bij drieën of vieren op -elkander gedrongen tegen de stengeltop aan te liggen—waarlijk geen -voordeelige schikking, als ge bedenkt, dat ieder blaadje met zijn -oppervlakte voedende lucht moet ophappen. Er moet een fout schuilen in -onze redeneering. - -Kijk maar in de sloot; daar verheffen zich nog meer van onze rozeroode -aren en daar liggen de bladeren niet zoo dicht opeen, er zijn zelfs -vrij groote ruimten water tusschen. Hoe is daarvoor nu gezorgd. -Doodeenvoudig. De stelen, waarvan het begin 20 cM. onder water ligt, -zijn niet 20 maar 30 cM. lang. Ze missen de kracht, om hun bladschijf -die 10 cM. boven het water uit te tillen, de bladschijf moet op ’t -water liggen, de steel, die door zijn drijfkracht niet in een bocht -omhoog kan hangen, komt schuin gestrekt in het water en de bladschijf -is 15 of 20 cM. van de bloemaar verwijderd—zoo komen de onderste -bladeren het verste van den stengel af te liggen en elk blad heeft -ruimte en lucht in overvloed. - -Stop nu onze vangst in de plantenbus—botaniseertrommel zeggen ze in de -winkels—straks zullen we er nog wel eens naar moeten kijken, hoop ik. -Laat die kroosplantjes nu maar met rust, ge vindt toch de bloempjes -niet en ik heb wat anders in petto. - -Vroeger stond deze sloot hooger, voor een paar jaar echter is het -polderpeil verlaagd; een vijvertje aan het eind van de sloot is -drooggeloopen en nu een laag slecht weilandje geworden—nog nat en vol -ontuig. - -Ook een menigte roode bloemaren. Vergelijk ze met wat we in de bus -hebben en ge zult zien, dat de bloempjes precies overeenstemmen! - -Maar de planten zelve verschillen hemelsbreed—hier bij de landplant -geen spoor van dat gladde, slappe en langgerekte. De stengel is matig -lang, dik en stevig, de bladstelen kort en krachtig, de bladeren zelf -ruig en bruin en kleverig. De heele plant is kleverig. En toch hebben -we hier te doen met dezelfde plant. Wanneer we zaadjes ervan doen -ontkiemen op den bodem van het water, dan ontwikkelt zich de watervorm, -terwijl bij ontkieming op het droge de landvorm te voorschijn komt. -Loopt een sloot, waarin de watervorm groeit, droog, dan zinken stengel -en bladeren onmachtig op den bodem neer en sterven daar af, maar de -wortelstok blijft in den bodem voortleven en ontwikkelt dit jaar -nog—als ’t seizoen te ver gevorderd is, in ’t volgende jaar—een -stevigen ruigen stengel met kortgesteelde kleverig behaarde bladen. - -Er is zelfs wel in ons land een plant van deze soort gevonden, die uit -zijn wortelstok twee stengels ontwikkeld had; de eene in het water, de -andere op het land. Bladeren en stengels der beide helften geleken in -het geheel niet op elkander, maar hadden den vorm aangenomen, die hun -in hun omstandigheden het beste te pas kwam. - -Wat beteekent die kleverigheid? Dat moet de bloem ons leeren. Zooeven, -toen we de bloempjes vergeleken, hebt ge gelegenheid gehad, om te zien, -dat ze maar klein zijn, doch heel sierlijk gevormd. Wanneer ge een van -de ruim honderd bloempjes van de bloemaar afzonderlijk beziet, dan zult -ge merken, dat een kelk ontbreekt en dat de kroon een fijn rozerood -vijfpuntig klokje is, waarbinnen 5 meeldraden en 2 stijlen. Onderin, -tusschen de meeldraden, ziet ge op de kroon vijf gele vlekjes. -Misschien glimmen ze een beetje. Dat komt, doordat daar honing wordt -afgezonderd, nog al veel ook. Die honing—daar is de bloem heel trotsch -op en tegelijk erg zuinig mee. De heele wereld moet het weten, d.w.z. -de geheele insectenwereld—een andere kennen de bloemen bij ons niet—en -de bekendmaking geschiedt op tweeërlei wijze. - -Ten eerste door de kleur: de opeenhooping van honderden bloempjes op -een aar maakt, dat ze reeds van verre in ’t oog vallen, en dan nog door -een fijne doordringende geur, die niet alleen de reukzenuwen van ons, -menschen, maar ook die van de zespootige honingsnoepers aangenaam -streelt. Gij weet, dat deze laatsten de reukzenuwen in hun voelsprieten -hebben—twee beweeglijke neuzen! - -Gij kunt ervan opaan, dat een vlieg of een bij, of kleine hommel, dien -geur gewaar wordt, dan kijkt hij rond en stuurt dan onmiddellijk op de -mooie, roode stang toe. Daar zien we meteen de 5 gele vlekken in een -kroontje, ze weten al lang, wat dat beduidt, haastig grijpen ze de -bloem, steken kop en tong naar binnen en doen zich te goed. Schrokken -als ze zijn, hebben ze in een paar seconden de bloem van zijn lekkers -beroofd; zoo werken ze de heele stang af en zweven dan verder. - -Nu bezitten onze veenwortels of waterveelknoopen echter een bijzondere -inrichting. Zoek nog eens wat verschillende bloeitakjes bij elkander en -stel dan een onderzoek in naar de lengte van meeldraden en stijlen, dan -merkt ge al dadelijk, dat in geen enkel bloempje de stijlen en de -meeldraden even lang zijn. Maar ook—dat in sommige bloeiaren de -stempels zoo lang zijn, dat ze buiten het kroontje uitsteken, terwijl -de korte meeldraden den rand niet bereiken. In andere bloeiaren is het -weer net andersom: daar zitten de stijlen in het kroontje geborgen en -de meeldraden steken ver naar buiten. Waar is dit nu weer goed voor? - -Natuurlijk voor de kruisbestuiving. Ga maar eens na. Wanneer een -insekt, een kleine hommel b.v. op een bloempje met lange meeldraden, -zijn mondjevol honing komt zoeken, dan moet hij met zijn ruige -onderzijde de vijf helmknoppen aanraken. Het kleverige stuifmeel blijft -in zijn haren vastzitten. Met zijn kop raakt hij wel aan de stempels -der stijlen. Nu gaat hij verder. Komt hij nu opnieuw aan een -„kortstijlige” bloem, dan krijgt hij nog meer stuifmeel aan zijn buik. -Bezoekt hij evenwel een „langstijlige” bloem, dan raken de stempels -ervan juist de plek aan de onderzijde van zijn lichaam, waar al het -stuifmeel uit de kortstijlige bloemen zit. Die stempels zijn -kleverig—het stuifmeel blijft bij het vertrek van den hommel -gedeeltelijk eraan kleven en de eitjes in ’t vruchtbeginsel kunnen zich -tot ontkiembare zaden ontwikkelen. - -Onze hommel, die wegvliegt, heeft echter van deze bloem ook weer een -souvenir meegekregen van de korte meeldraden, die in ’t kroontje -verborgen zaten en waarvan het stuifmeel nu aan de haren van zijn kop -en snuit zit vastgekleefd. Dat hiermede nu weer kortstijlige bloemen -bevrucht worden, kunt gij wel, om zoo te zeggen, op uw vingers -natellen. - -De waterveelknoop zorgt dus voor kruisbestuiving door er twee vormen -van bloemen op na te houden—de plantkundigen zeggen daarom met een -geleerd Grieksch woord, dat hij dimorph is (di, 2, morph = vorm). Ook -schelden ze hem wel uit voor heterostyl (d.w.z. ongelijk van stijlen). - -Voor de overbrenging van het stuifmeel zorgen de vliegende insecten, -die voor dien dienst met honing beloond worden—de ongevleugelde mogen -van de zoetigheid afblijven. - -Zoolang nu onze plant in ’t water groeit, kunnen alleen gevleugelde -gasten haar een bezoek brengen, maar op het land—daar is het anders. -Daar zouden de langpootige, gladlijvige mieren, die zoo op zoetigheid -belust zijn, in minder dan geen tijd de gansche honingvoorraad -verbruikt hebben, zonder in het minst iets in ’t voordeel van de plant -zelve te verrichten. Zoo’n mier eet de boel op, kuiert naar beneden, -misschien zonder een enkel korreltje stuifmeel aan zijn gladde lijf, of -heeft hij er bij ongeluk een opgedaan, dan raakt hij dat onderweg toch -kwijt, doordat hij tegen een grasstengel aanbonst, van een aardkluit -naar beneden rolt, of doordat eenig ander mierenongeval hem treft. -Daarom wacht onze plant geen bezoek van mieren af, maar weigert hun -beleefd—of onbeleefd—de toegang. - -Wanneer een mier het in zijn dikke kop krijgt, om polygonum-honing te -gaan proeven en hij klimt tegen een stengel op, dan komt hij niet -ver—telkens en telkens weer blijven zijn pooten aan de kleverige haren, -waarmede de geheele plant bedekt is, vastzitten en als hij niet gauw -rechtsomkeert maakt—dan kan hij voorgoed blijven steken en van honger -omkomen. - -Zoudt ge niet haast moeten toegeven, dat zoo’n polygonum de zaakjes -netjes weet te overleggen? - -Roode bloemen in ’t water zijn er niet veel, de meeste zijn geel of -wit—ik ken er eigenlijk nog maar één, de waterviolier (Hottonia -palustris), maar die is dan ook veel mooier dan onze veenwortel—ook van -Mei af te vinden bij duizenden, overal, maar niet in te brak water. -Rondom Amsterdam is een tooverkring, waarbinnen Hottonia niet komen -kan; de linie Geinbrug, Abcoude, Uithoorn Aalsmeer, Haarlemmermeer -(ongeveer hetzelfde wat in onze krijgskunde tegenwoordig de „stelling -Amsterdam” heet.). - -Maar eerst zal ik u vertellen, hoe de bloem er uitziet. Boven het -watervlak verheft zich een slanke, rechte stengel van 2–6 dM. hoogte, -die aan zijn topgedeelte vijf tot tien kransen draagt, die elk bestaan -uit 3 tot 6 groote bleekroode bloemen, duidelijk herinnerend aan -primula’s—vijfkant met een geel vijfkant hartje. Ik moet altijd denken -aan lichtkronen of kandelaars, als ik die bloemen zie, of wanneer ik ze -mij voorstel. Ze staan zoo rechtop en de bloemen zijn zijdelings -gericht, zoodat hun grootste kleur-oppervlak in het oog valt. - -Nooit zal ik vergeten, hoe wij op een natten Meidag in ’94 de sloten en -plassen tusschen Ankeveen en Uitermeer vol met Hottonia vonden. Een -sloot was er, recht, wel 2 K. M. lang, daar stonden ze in een -onafzienbare rij; vlak vóór ons blonken de luchtkransen afzonderlijk, -maar verderop smolt alles ineen tot een rozerood, blozend bloemenkleed. -Rechts en links evenzoo. - -Wilt ge in Mei een mooi aquarium met bloemen hebben, verzamel dan in de -eerste dagen van de maand waterviolieren, die nog in knop staan. Trek -ze voorzichtig uit de sloot, de plant is erg bros, wortels behoeft ge -niet te hebben, als ge maar zorgt, de fijnverdeelde vindeelige -bladeren, die onder water uitgespreid liggen, en uit wier midden de -bloeistengel opstijgt, ongeschonden mede te nemen. - -Tegelijk kunt ge op moerassige plekken uitzien naar een nog mooiere -bloem, de mooiste bloem uit onze plassen en moerassen, het -waterdrieblad. Die is wat te groot voor een aquarium, maar heel goed te -kweeken in een kuipje met klei, die ge zoo nat mogelijk houdt. Behalve -door de prachtige knoppen trekt de plant de aandacht door de mooie -witte kroesharen aan de binnenzij van de kroon. Niemand weet waar ze -voor dienen. - -Waterviolen en waterdrieblad zijn allebei dimorph, evenals onze -veenwortel. Ge moet dus zorgen beide vormen te vinden, die met lange -stijlen en die met korte stijlen. ’t Valt niet moeilijk want ze groeien -meestal door elkaar. - - - -De meeste slootbloemen zijn wit. Ge denkt hierbij onmiddellijk aan de -witte plompen, waarvan ge al zooveel gehoord hebt en die de dichters -als „waterleliën” zoo vaak op ’t water laten droomen. - -De waterlelies zijn de grootste bloemen van Nederland, de witte -tenminste, die worden wel 12 cM. in doorsnede. Dit is een heel nuchter -begin, om over deze heerlijke bloemen te gaan spreken, doch het zijn nu -maar eenmaal geen madeliefjes, en hun grootte is wel de oorzaak ervan, -dat ze zoo algemeen bewonderd worden. Er zijn genoeg bloemen, fijner -van samenstel, teederder van kleur, bewonderenswaardiger van -inrichting, die door de meeste menschen niet gekend worden—wie dweepte -vroeger met de waterdrieblad of met de moerasandoorn? - -Maar de plompen zijn zoo schitterend, zoo groot, zoo overvloedig en ze -bloeien weken achtereen in den heerlijksten tijd van het jaar, gelijk -met het lied van den nachtegaal of—wat beter bij hen past—met dat van -den moeras-rietzanger. Al bezit ge maar weinig belezenheid, dan weet -ge, hoe van de oevers van den Nijl tot in het verre Japan de lotos -vereerd wordt—de lotos, die niets anders is dan een lila plomp, wiens -bloemen zich iets hooger boven het water verheffen en sterker geuren -dan de onze—ze zijn het zinnebeeld van rust en reinheid. - -Een ander familielid is de Victoria regia, de koningin van de -Amazonestroom, waarvan de bladeren het gewicht van een mensch kunnen -dragen. - -Bij ons loopen alleen de vlugge waterhoentjes over de ronde bladeren, -of een groene kikker komt er zich zonnen, en aast op dikke vliegen en -slanke waterjuffers. Aan de onderzijde der bladeren zitten stellig -Hydra’s en de dikke holle bladstelen, rechtopstaand door hun -drijfkracht, zijn vol met eieren van slakken en visschen. - -Die drijfkracht hebben ze te danken aan de tallooze luchtkamertjes, die -ze bevatten. Het binnenste van een waterplantensteel is altijd zoo -sponsachtig. Dat is wel aardig. Een landplant doet alle mogelijke -moeite om tot bovenaan toe vol met water te zitten; ’t is haast niet te -begrijpen, hoe een boom van dertig of veertig meter hoog dat aanleggen -moet, maar hij slaagt er toch in. Waterplanten daarentegen zijn er -altijd op uit, om in al hun deelen luchtvoorraad te bezitten, water -hebben ze genoeg, maar lucht is even onmisbaar. Dat moet ge vooral -nooit vergeten. - -Een plant heeft even goed versche lucht noodig als een dier en om -dezelfde reden. Bij de „groote proef” hebben we gezien, dat de planten -koolzuur verbruiken en dan zuurstof afgeven. Ge zoudt nu misschien -denken, dat een plant, in enkel koolzuur geplaatst, bijster in zijn -schik zou zijn. Mis hoor! Hij zou erin stikken en sterven, net zoo goed -als een muis of een kikker. - -Planten hebben het noodig, dat al hun deelen voorzien kunnen worden van -versche zuurstof. De dikke wortelstokken van de waterlelie, die daar -heel onder in de sloot in de modder verborgen liggen, moeten ademen, -moeten versche lucht hebben. En die wordt hun toegevoerd door de -luchtkanalen in de dikke bladstelen, die zoodoende van de allergrootste -beteekenis voor het leven van de plant zijn. - - - -Aan die dikke stelen liggen de bladeren voor anker, onbeweeglijk stil -op het spiegelgladde water, als er geen wind is, zacht meedrijvend met -de richting van den stroom, zoover de stelen het veroorloven. Jaagt de -voorjaarswind langs de watervlakte, dan krijgt de luchtstroom wel de -bladeren te pakken, de ronde randen ervan krullen voor een oogenblik -omhoog, zoodat ge de paarsbruin gekleurde ondervlakte te zien krijgt. - -Die paarsbruine kleur is eene herinnering aan het voorjaar; op uw -wandeling in April en Mei hebt ge die wel meer opgemerkt—vooral bij -waterplanten. Midden in den zomer zult gij hem aan bladeren en knoppen -zelden opmerken, maar in den herfst vertoont hij zich weer overal: in -de vallende bladeren van de eiken, zoowel als in de jonge blaadjes van -uw vlierstruik, die onvermoeid in October nog weer eens uitbot. - -Men meent vrij zeker te weten, dat deze kleurstof, die met een vreemd -woord anthokyaan (bloemenpaars) genoemd wordt, het vermogen bezit, om -licht te veranderen in warmte. In die kleur vinden de planten dus -gelegenheid, om in den kouden tijd nog warmte genoeg te verzamelen, om -te kunnen leven, het zij dat leven begint, zooals in ’t voorjaar, of in -de droeve herfstmaanden nog wat gerekt moet worden. - -Zonder warmte is er voor de planten geen leven! De warmte is het ook, -die in het voorjaar het sein tot ontwaken geeft. Een kleine -temperatuursverhooging is voor de wortelstokken in den slootbodem het -teeken, dat het ijs en de sneeuw geweken zijn en dat de watermassa van -de sloot doorwarmd is. Nu boren de spitse knoppen van de waterlelie -door het slijk omhoog, ze lijken wel puntige sigaren; ze bestaan -eigenlijk uit een enkel opgerold blad, dat zich in het water dadelijk -ontplooit. Blijft het onder water, want verscheidene bladeren van -waterlelies bereiken de oppervlakte nooit, dan is het dadelijk groen, -maar de opstijgende worden geheel paarsrood, naarmate zij de -oppervlakte naderen. - -Na eenige dagen wordt hun bovenkant groen, maar de onderzijde blijft -rood, den heelen zomer door. Dat rood vangt de warmte op en houdt die -in het blad. Hoe heerlijk koel moet het in den heeten zomer onder die -bladeren zijn—dat weten de vorentjes ook! - -Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voorschijn—in de -laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zijn het—die komen in ’t wild -anders niet zoo heel veel voor. Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen -kweekt? Een roos in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een -krans van vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door -kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat de meeldraden zich -weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en verbreeden, kortom, zich -veranderen in kroonbladen. - -Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het ontbladeren -van een witte waterlelie. Eerst komen vier kelkbladen, van buiten groen -van binnen wit; daar lijken ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige -kransen smetteloos witte kroonbladen. - -Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te smaller worden -ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan hun top een weinig -verfrommeld zijn en een geel tipje dragen. Verder naar binnen -ontwikkelt dat gele tipje zich langzamerhand tot een helmknop, terwijl -het versmalde kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad. -Binnen die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte -stempels, en daar valt meestal het stuifmeel uit meeldraden van -dezelfde bloem op. Want de witte waterlelie heeft geen bijzondere -inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de meeldraden iets later -rijp dan de stampers, zoodat de laatste in die korte poos met stuifmeel -van andere bloemen, door insecten aangebracht, bedekt kunnen worden. - -Maar wij vragen bij de waterlelies niet naar bijzondere inrichtingen, -het is ons voldoende, hun stille pracht gade te slaan, onder den -wolkeloozen Junihemel in de warme zomerzon! Een eenig genot is het, dan -op een van onze groote veenplassen in een bootje rond te drijven, -omgeven door duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken -even boven het water uit, een of twee centimeter; maar de nog niet -geheel ontwikkelde knoppen liggen gedeeltelijk nog in het water, een -weinig schuin. Omlaag tusschen de bruine stelen schieten heele scholen -vorentjes voorbij, duistere, spookachtige gestalten. Voor horizon -hebben we een dichten rietzoom, waar boven de warme lucht trilt en van -waaruit van alle zijden het gezang der karakieten ons tegenklinkt. -Binnen den rietzoom niets dan bloemen en plekjes water, blauw, doordat -de blauwe lucht erin spiegelt. Tusschen die tallooze witte waterlelies -ontwaart ge ook gele, die vallen niet zoo in het oog, al is hun aantal -misschien grooter. - -Zij hebben dezelfde bladeren, maar de bloemen zijn veel kleiner en -minder schoon. Ze zijn wat zuiniger, wat de kroonbladen betreft. Eenige -kleine blaadjes of eigenlijk buisjes, honingbuisjes, is alles, wat er -van de kroon over is en de kelk moet nu de eer van de bloem redden; die -is wat grooter en aan de binnenzijde heldergeel, zoodat een beginner in -de bloemenwetenschap hem voor de kroon zelve gaat houden, en denkt, dat -een kelk ontbreekt. Waarom die vijf heldergele blaadjes nu toch kelk -moeten heeten? Laat ons bootje maar in een veld gele plompen drijven, -dan zult ge het zien. - -Ge weet, dat de plantkundigen onder kelk verstaan: een of meer meestal -groene blaadjes, die het buitenste bloembekleedsel vormen en -voornamelijk tot taak hebben, de bloem te beschermen, zoolang ze nog -niet geopend is. - -Zie nu eens om u. Daar drijven tien, twintig knoppen van onze gele -waterlelie, ze zijn allemaal groen, het knopomhulsel wordt gevormd door -vijf groene blaadjes, die met de randen over elkander sluiten. Opent ge -een jongen knop, dan zijn die blaadjes aan de binnenzijde nog groen, -bij grootere echter geel, zoodat, als de knop zich opent, vijf gele -blaadjes te zien komen, die echter aan den kant, naar het water -gekeerd, nog groen zijn—herinnering aan hun kelktijd. - -Fijner, vlugger, fraaier dan de gele waterlelies zijn andere gele -bloemen, maar van lichter geel, het geel van zwavel. Ze zijn vrij groot -in omtrek, niet veel minder dan de gele waterlelies, en verheffen zich -op een dun steeltje boven het water, zoodat de geheele bloem met haar -dunne, vloeipapieren kroonbladeren met iedere windvlaag meewappert, met -ieder zuchtje meetrilt. De bladeren van de plant—ook weer rond—drijven -op het water—ze zijn iets grooter dan een rijksdaalder—bruingroen, -dikwijls met een krans van bruine, ook wel van heldergroene vlekken. -Die bladeren en de bloemen komen uit een bleekgroenen stengel, die -schuin opstijgend uit den bodem te voorschijn komt, waar in den modder -de lange wortelstok ligt vastgeworteld. Het is de watergentiaan -(Limnanthemum nymphaeoïdes). We hebben menige dure buitenlandsche plant -in onze vensterramen, die lang zoo mooi niet is. - -Het zou eigenlijk veel prettiger zijn, indien we in onze huizen wat -meer Nederlandsche bloemen teelden. Ik zou u er dadelijk vijftig kunnen -noemen, die op zijn minst even mooi zijn, als al uw Cineraria’s en -Petunia’s. Gij kunt ze zelf buiten gaan halen en groeien ze dan -voorspoedig in uw vensterraam, dan hebt ge op ieder oogenblik van uw -drukke stadsleven een aanleiding om te denken aan de bonte wei, de -blonde duinen, de geurige hei of de frissche waterplassen, en aan den -heerlijken lentedag of zomermorgen, toen gij uw pleegkinderen hebt -ingezameld. - -Ik zeg dat hier, omdat ik drie jaren achtereen watergentianen geteeld -heb op een derde verdieping, niet in een vijver, maar in potten, gewone -roode, aarden bloempotten. De eenige kunst is maar, de planten te -krijgen—anders gaat alles bijna van zelf. - -Eerst moet je een plaats weten, waar altijd veel watergentianen -groeien. Ga daar in April heen—dan zijn de blaadjes van de plant nog -niet eens zichtbaar, want de watergentiaan bloeit pas met het begin van -Juli. Nu komt het er op aan een stuk wortelstok uit de bodem machtig te -worden en dat doet ieder weer naar zijn bijzonderen aanleg en natuur. - -Ik ga altijd maar te water, en grabbel dan net zoo lang tot ik iets, -dat in het gevoel op een wortelstok lijkt te pakken heb. Dat wordt dan -met kracht en geweld losgerukt en ik ben dan tevreden als ik een -zwartig, glimmend stokje van een dM. lengte bezit, waaraan zich op -onregelmatige afstanden eenige dikke knoppen bevinden. Je kunt ook wel -kunstige dreggen en graafmachines uitvinden, om wortelstokken te -krijgen, zonder te water te gaan; ook herinner ik me, dat we eens een -stuk sloot ervoor hebben leeggehoosd—maar dat is allemaal erg -omslachtig. - -We hebben nu een stuk wortelstok. De beide uiteinden zien er wat -gescheurd en gehavend uit; snij die met een scherp mes glad -af—natuurlijk zoo zuinig mogelijk, opdat wij een groot brok overhouden. -Ook bevinden zich aan onzen wortelstok al worteltjes; merkt ge er daar -een bij, die gescheurd is, dan moet hij netjes afgesneden worden, ook -weer zoo dicht mogelijk bij de verminkte plek. Dit glad afsnijden doen -we, om de wonden gemakkelijker te doen helen; gij weet bij ondervinding -dat een wond, met een scherp mes toegebracht, betrekkelijk vlug -geneest. - -Nu onze buit ingepakt in vochtig mos en dan naar huis! Het planten is -heel eenvoudig. We vullen een gewone bloempot met klei, niet met -bloemaarde of tuinaarde, maar met klei tot een paar cM. beneden den -rand. Daarin planten we den wortelstok op een diepte van 5 cM. en -zetten dan het heele boeltje vierentwintig uren in een emmer vol water. -Dan heeft de klei zooveel water opgenomen, als zij maar kan—en klei kàn -veel water opnemen. - -Nu zetten we de pot in een schoteltje voor ’t raam—liefst buiten: en -als we nu alleen maar zorgen, dat we voortdurend een halve cM. water -boven de klei houden—iets, waarvoor gemakkelijk te zorgen valt, vooral -als de klei wat ineengestampt is—dan hebben we binnen een week of vijf -een prachtige sierplant, en een overblijver op den koop toe. Want -iederen zomer komt de plant weer rijkelijker op, totdat uw pot bedekt -is met de ronde rijksdaalder-bladen, die elkander omhoog dringen en -waaruit tien, twintig prachtige gele sterrebloemen zich verheffen. - -De menschen, die je bezoeken, hebben natuurlijk nooit zoo iets gezien -en als het ergens goed voor was, zou je ze kunnen wijsmaken, dat je -daar Oost Indische kers van de Sierra Leona hadt, of iets dergelijks. - -In een gewoon aquarium wil de Watergentiaan ook wel bloeien, als hij -goed licht krijgt en niet alleen maar in zuiver zand wortelt. - -Nu zijn er honderd redenen, om den bodem van ’t aquarium met zuiver -zand bedekt te hebben—liefst zelfs gezuiverd zand—gewasschen in helder -water, tot het geen troebeling meer opleverde en nagespoeld met kokend -water. Ook de kiezelsteenen en schelpen, die tot opvroolijking van den -bodem en tot schuilplaats voor de dieren dienen, moeten eerst -behoorlijk gewasschen en gereinigd worden. - -Willen we nu toch planten in ons aquarium kweeken, die kleigrond of -veengrond noodig hebben, dan moeten we die in afzonderlijke potjes -planten, welke in den zandbodem worden vastgezet. Leege vleeschextract -potjes zijn hiervoor uitstekend geschikt. Om nu te voorkomen, dat de -aarde uit deze potjes het water van het aquarium verontreinigt, is het -wenschelijk, ze niet geheel met klei of veen te vullen, maar er een -bovenste laag van 1 cM. dik, bestaande uit gewasschen grof zand of -fijne kiezel in aan te brengen. - -De zandbodem in het aquarium zelve behoeft niet dikker te zijn dan 3 -cM.; de potjes, waarin we onze bloeiers telen zijn al gauw 6 cM. hoog -of hooger. Ze moeten daarom liefst in de hoeken geplaatst worden en -omgeven met stukken kiezel of schelpen; dat staat keurig. - -Witte en gele plompen kunnen op dezelfde wijze gekweekt worden, maar -hebben veel meer ruimte noodig. - -Probeer het maar eens—een vensterbank met zes potten vol rijkbloeiende -witte waterrozen is de moeite en inspanning, die er voor vereischt -worden, wel waard. Het spreekt van zelf, dat Waterpest en de andere -waterplanten, die gewoonlijk in den slijkbodem wortelen, maar welke gij -gerust in het zuiver zand van uw aquariumbodem kunt plaatsen, ook wel -een hapje klei willen. Onthaal de waterpest er eens op in goed licht, -dan blijft er in uw heele aquarium geen plaatsje voor een andere plant -over! - -Naast en tusschen de plompen, maar ook in smalle slootjes, waar de -groote planten geen ruimte genoeg vinden, drijft en groeit het -kikkerbeet.—Dat is weer een mooi plantje voor het aquarium—want het -drijft vrij in het water, 2, 3, 4 rozetten van verkleinde plompblaadjes -aan een langen dunnen liggenden stengel. Uit ’t midden der rozetten -verheffen zich de witte bloemen, bestaande uit 3 groote, witte blaadjes -met drie kleine groene er buiten. Ze staan op stengeltjes, die ongeveer -1 cM. boven het water uitsteken. In sommige rozetten hebben de bloemen -alleen meeldraden met gele helmknoppen, in andere alleen 6 stijlen met -gele stempels. Vliegen zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel. -De bloemen staan in groepjes van drie of meer bij elkander en zijn vóór -hun ontluiken geborgen tusschen twee holgebogen blaadjes. - -De wetenschappelijke naam van kikkerbeet is Hydrocharis morsus ranae, -hetgeen overgezet zijnde luidt: iemand, wien het water dierbaar is en -die tegelijk een lekker hapje oplevert voor de kikkers. - -De vleeschetende kikkers worden er wel meer en ten onrechte op -aangezien, dat ze nog in meer planten of bloemen happen; aan die -omstandigheid heeft de geheele familie der Ranonkels haar naam te -danken, want Ranunculus beteekent alweer kikkertje, en Batrachium, de -Grieksche wetenschappelijke naam der waterranonkels, beteekent -hetzelfde. - -Tegen de Batrachiums heb ik verschillende grieven, gelukkig niet van -zoo ernstigen aard, of ik kan nog met genoegen denken aan de witte -bloemen-kussen, waarmede ze in Mei en Juni en Juli onze slooten -bedekken. Maar vooreerst weten ze nog maar weinig van kruis-bestuiving; -bijna altijd komt stuifmeel van dezelfde bloem op de stempels, ja, bij -hoogen waterstand getroosten vele Batrachiums zich niet eens de moeite, -hun bloemen boven water te verheffen om ze daar te ontplooien. Ze -houden de koppen stilletjes onder water, daar gaan dan de helmknoppen -open en het stuifmeel valt zoo maar op de stempels. Dat getuigt van -weinig liefhebberij. - -Dan nog hebben de geleerden verscheidene soorten van Batrachium -onderscheiden, die op papier ook nog al tamelijk uit elkander te houden -zijn, maar er zijn in de natuur zooveel tusschenvormen, die met twee of -drie beschrijvingen tegelijk overeenkomen, dat ge met uw „Flora’s” er -bij, hoe langer hoe meer in onzekerheid en twijfel verzinkt. Eindelijk -besluit ge er toe, uw exemplaar dan toch maar voor uw herbarium te -drogen en er Batr. Peteveri met een vraagteeken of een dergelijke -wanhoopskreet op te plakken, maar als ge na eenige dagen uw pers opent, -is de geheele kwelgeest een zwart monster geworden. - -Eigenlijk ligt dat alles aan de inrichting der bladeren. De Batrachiums -toch, hebben vaak drijvende en tevens ondergedoken bladeren, de -drijvende vertoonen vormen, wisselend van den klimopvorm tot die van de -bladeren van de gewone boterbloem; de ondergedoken zijn à la Hoornblad -of à la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes zijn -mooi wit en ze hebben gele hartjes en—zooals ik reeds gezegd heb—ze -vormen in de zomermaanden op slooten en plassen een dicht, schitterend -wit, sneeuwen dekkleed. - -Ook willen ze in het aquarium altijd heel goed voort; ’t zijn eigenlijk -de eenige waterplanten, die in een gewoon aquarium echt welig willen -bloeien, die ik ken. Vooral de soort met fijnverdeelde, stijve blaadjes -(B. divaricatum) kan ik aanbevelen, die is in alle veenslooten te -vinden, maar neem de voorzorg, uw planten terdege af te wasschen in -schoon water, voor gij ze in uw aquarium introduceert, want zoo’n -veensloot zit vol ongerechtigheid! - -Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen; daar zullen we -nog even naar omzien, dan hebben we voor dezen zomer genoeg gedaan. -Kroosbloempjes schijnen we maar niet te kunnen vinden, daar zullen we -het volgend jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den -waterkant onderhanden zullen nemen. Gij kunt ook niet alles ineens -vinden. Doch ter zake. - -Die plant dan, welke ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar -toch een allermerkwaardigst gewas. Millioenen en millioenen groeien er -in ons veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming -ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken ze den bodem -geheel—neen, niet de afgestorvene, maar de levende planten—want ze -leven bijna altijd geheel onder water. Bijna altijd—slechts tweemaal in -het jaar komen ze boven, ééns, om te bloeien en eenmaal om hun zaden -uit te strooien. Het overige van hun leven brengen ze op den bodem -door, wortelend in den slijkbodem en zich vertakkend naar alle kanten. -Gij hebt ze dikwijls genoeg gezien, dichte rosetten van lange, spitse -bladeren, die aan hun randen voorzien zijn van stekelige punten, -daarnaar heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloïdes: de weerbare -krijgsman, die wel wat heeft van een aloë). - -Het volk noemt ze scheeren- of krabbeschaar. En dat bewijst weer, dat -„het volk”, als het er maar eenmaal aardigheid aan heeft, danig goed -weet op te merken, en voor een treffende waarneming altijd direct een -passenden naam bij de hand heeft. Een goede volksnaam is een schat voor -de wetenschap. De krabbeschaar in kwestie, waar onze plant zijn naam -aan ontleent, is te vinden aan den bloemsteel een paar cM. onder de -bloem zelf. Daar zitten een paar blaadjes, die zoo gevormd en vergroeid -zijn, dat ze zeer veel gelijken op de scharen van een krab of kreeft. - -Van Mei tot Augustus vindt ge de bloemen. Die hebben het voor bloemen -nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten wel wat meer moeite doen, om -tusschen de bladeren te voorschijn te komen, want dat hebben ze hard -noodig. Ze lijken veel op die van kikkerbeet (Hydrocharis morsus -ranae—dit latijn zet ik erbij om verwarring met Batrachium te -voorkomen). Maar ze zijn grooter en voller. Vielen ze maar wat meer in -’t oog, want zonder de hulp van insecten kunnen ze ook weer onmogelijk -zaden voortbrengen. Dat komt, doordat—evenals bij hydrocharis—op de -eene plant weer niet anders dan bloemen met meeldraden voorkomen, -terwijl die op een andere plant niet anders bevatten dan stampers. - -Het stuifmeel is kleverig en niet overvloedig, de stempels zijn klein, -de bloemen steken in ’t geheel niet in de hoogte, zoodat de wind niet -voor de overbrenging van het stuifmeel kan zorgen, insecten moeten dat -doen. Nu doet de bloem wel eenige moeite, om insecten te lokken—ze -biedt ze honing aan—en nog al veel ook, want in iedere bloem zitten 24 -honingmachines. - -Gij kunt ze gemakkelijk vinden: gij hebt ze misschien al voor -meeldraden aangezien, een verklaarbare vergissing, waarvoor ge u niet -behoeft te schamen: de groote Linnaeus heeft ze ook begaan. Als gij de -3 groene kelkblaadjes en de 3 witte kroonblaadjes wegsnijdt, dan vindt -ge in een kring rondom de meeldraden of de stampers 24 gele tongetjes 2 -cM. lang en 3 mM. breed. Ieder tongetje heeft aan zijn voet een wit -rond plekje en daar glinstert een droppel honing. Of zijn we aan den -avond van een heeten zomerdag en ziet ge de droppeltjes niet, zet dan -een paar van die ontbladerde bloemen in een glas water en de volgende -morgen vindt ge uw gouden kroontje voorzien van een kring van -diamantjes! - -Jammer maar, dat de insecten de bloem toch in den steek laten, zoodat -ze bijna nooit rijpe zaden oplevert. Over het algemeen brengen de -waterplanten het maar zelden zoover. Elodea kan geen zaden vormen, -doordat er in ons werelddeel geen stuifmeelbloemen van voorkomen; de -zaden van Hoornblad en Duizendblad van Kikkerbeet en Scheeren worden -maar zelden rijp, van het kroos hebben wij nog altijd geen bloempjes -gevonden, zaden nog minder, met de Fonteinkruiden is het ook al zoo -schitterend niet gesteld. De plompen evenwel brengen flinke zaden voort -en de watergentiaan en waterboterbloem ook wel. - -Het heeft er anders niet veel van, dat die planten, welke geen of maar -weinig zaad voortbrengen, zouden uitsterven—integendeel. Ze -vermenigvuldigen zich zoodanig, dat ze geheele watervlakten bedekken. -Sloten groeien dicht, de vaart in sommige binnenwateren wordt -bemoeilijkt en soms ernstig belemmerd, alles door de wonderlijke -groeikracht dezer waterbewoners. Heeft een verlept stukje stengel -waterpest in een kleine dertig jaar ons heele land en een goed stuk van -Duitschland veroverd, een enkele plant van Kikkerbeet of wateraloë is -voldoende, om in een jaar een vijver van 100 M2. oppervlakte te -bedekken. - -Als ge een enkel plantje Kikkerbeet goed beziet, dan bemerkt ge, dat de -5 of 6 drijvende stelen der blaadjes niet op eenzelfde punt bij -elkander komen, maar dat ze op verschillende hoogte uit een zeer kort -stammetje ontspringen—ieder blad afzonderlijk. Nu—waar zulk een blad -uit het stammetje ontspringt, juist in den scherpen hoek tusschen de -opstijgende bladsteel en het stammetje zelf, is een veilig plekje, waar -de planten op hun gemak allerlei plannetjes ten uitvoer kunnen brengen. -Zie maar eens in den zomer naar de boomen; in ’t hoekje van elken -bladsteel vindt ge daar een klein groen puntje; in dat kleine groene -puntje wordt de groei voor den volgenden zomer voorbereid. Wanneer in -den herfst de bladeren afvallen, dan zijn op dat plekje, al geheel -gereed, takken, bladeren en bloemen voor het volgende jaar. - -Maar om op onze Kikkerbeet terug te komen, „Kikkergeld” zeggen ze in -Harlingen. In het voorjaar vormt dat reeds knoppen in de bladoksels -(zoo heeten de veilige plekjes tusschen de bladstelen en de stengel). -Die knoppen groeien op lange stelen uit, doch deze stelen groeien niet -opwaarts, zooals die der bladeren, maar evenwijdig aan de oppervlakte -van ’t water—horizontaal dus. Ze groeien vrij snel (soms wel 1 cM. per -dag) totdat ze ongeveer 1 dM. lang zijn, wanneer de knop zich niet meer -in de schaduw der bovendrijvende bladeren bevindt. Dan houdt de groei -van de steel op, maar de knop, die aan het einde er van zit, begint -zich nu te ontwikkelen en zendt twee, drie, vier, vijf blaadjes omhoog, -die, aan de oppervlakte drijvende, een nieuw kikkerbeetplantje lijken. -Dat is het dan ook inderdaad, het krijgt worteltjes en brengt zelfs -binnen korten tijd behalve bloemen—die ook al uit de bladoksels te -voorschijn komen—op zijn beurt weer van die „uitloopers” voort. - -Ieder plantje kan verscheidene uitloopers uitzenden, zoodat het u wel -gebeuren kan, dat als ge een bloempje uit het water wilt trekken—een -netwerk van twintig, dertig plantjes, door draadvormige strengels -saamverbonden, er uit haalt. - -Scheeren (Stratiotes) groeien precies op dezelfde manier—zij kunnen dus -evengoed als kikkerbeet—zonder zaadvorming blijven voortbestaan. Dat -kroos, op dergelijke wijze bijna, door uitbotting zich vermenigvuldigt, -hebben we reeds gezien—gij begrijpt nu ook, dat onze kans op -kroosbloempjes bedroefd klein is—de kroosplantjes kunnen ze missen. - - - -Maar ’s winters? Hoe komen al die losdrijvende planten, kroos, -blaasjeskruid, waterviolier, kikkerbeet, scheeren—den winter door? - -Dat plompen- en fonteinkruid en waterranonkel en watergentiaan het ’s -winters wel kunnen uithouden, is licht te begrijpen. We zeiden het -vroeger reeds—hun eigenlijk lichaam zit beneden, onder den bodem in de -modder, waar het bijna nooit vriest! Voordat de modder bevriest, zou -eerst de geheele sloot in een ijsklomp moeten veranderen en anderhalven -Meter diep vriest het niet licht—’s winters zijn door hoogen waterstand -de slooten meestal nog dieper. De winterkwartieren van kikvorsch en -salamander, van de larven van Hydrophilus en Dytiscus en van nog zoo -vele andere waterbewoners, zijn dus ook een veilig verblijf voor de -laatstgenoemde planten. Maar de eersten—die losdrijvers? Hadden ze nu -maar zaden? Zaden kunnen wel tegen de koude, of zijn ze niet gehard, -dan worden ze wel tegen de vorst beschermd. Hottonia en Utricularia—die -de mooiste bloemen hebben en het hoogst boven water uitsteken, brengen -het nog wel zoover, dat ze zaden vormen—maar vast durven ze er toch -niet op te rekenen. - -Ze nemen andere maatregelen tegen den winter en wij moeten op een -helderen Octoberdag er nog maar weer eens op uit—om te zien welke. - -Het jaar wordt al oud—de wilgen zijn wit, veel witter dan in den zomer -en van vele boomen bedekken de leege, dorre bladeren reeds den grond. -Er zijn maar weinig bloemen te zien; in en om onze slooten en vaarten -bijna geene. De laatste zwaluwen scheren langs het water en in de weide -vertoonen zich de eerste bonte kraaien. De rietzangers, die zich in den -zomer zonder ophouden lieten hooren, zijn reeds lang heen, in de verte -tegen de donker grijsgrauwe rietzoom zwemt een zwarte koet met langzaam -schokkende bewegingen. Aan een slootkant, een paar weilanden van ons, -staat een groote vogel met langen nek en lange pooten; we behoeven ons -niet in te spannen, om te zien of het een ooievaar of een reiger -is—roodpoot bontmantel is al in Egypte of aan de Kaap—en de grauwe -schrokkerige hongerlijder moet hier maar zien, hoe hij den winter zal -doorworstelen. - -De sloot draagt nog zijn groene mantel, maar er komen kale plekjes in -en vlekjes ook. De plompbladen zijn weer donker, niet purper bruin, -zooals in Mei, doch vuilzwart—ze zijn aan ’t rotten en zullen weldra -wegzinken. Daar drijft ook kikkerbeet. Grijpt er met de hand naar, dan -kunt ge meteen voelen, dat het water nog zoo kil niet is, als ge in -deze maand zoudt verwachten. Ge zoudt er nog wel in kunnen zwemmen,—als -wij soms nog om ’t een of ander belangrijks moeten waden, kunnen we het -ook nog gerust doen—voor half November zit er geen kramp in het water. - -Maar ge houdt reeds eenige kikkerbeet-rozetten in de hand en ge hebt -het winter-mysterie van de plant al voor uwe oogen. Het komt natuurlijk -weer uit de bladoksels. Een stuk of vier uitloopers zijn het, maar iets -anders gevormd dan die in het voorjaar groeiden. De knoppen zijn -grooter en vaster, de stelen korter. Houdt ge het plantje in het water, -dan ziet ge, dat die stelen ook niet horizontaal verloopen, maar onder -het gewicht der zware knoppen naar beneden ombuigen. De -voorjaarsknoppen ontwikkelen zich naar boven, deze echter zoeken den -bodem. In een paar dagen laten ze los, zinken, en wachten beneden het -voorjaar af. De oude plant kan nu ook gerust verzinken en vergaan. - -Wat verder is een plek met fonteinkruid—crispus is het. Ofschoon het -door zijn wortelstok er zeker van kan zijn, den winter te overleven, -neemt het nog andere maatregelen. Zie maar naar de toppen der drijvende -takken. Daar hebben zich wat blaadjes gevormd, die veel korter maar -tegelijk veel dikker en steviger zijn dan de andere. Ook staan ze veel -dichter bij elkander. Als nu de drijvende takken gaan verrotten, -blijven deze toppen levend—ze zakken ook naar den bodem, waar de -vergane bladeren een beschermend modderlaagje over hen heen vormen. -Scheren zien we niet—die moeten we ook niet aan de oppervlakte, maar op -den bodem zoeken. We vinden spoedig een ondiep plekje, dat er mede -bevloerd is, en wat zien we nu? De oude scheren zijn allemaal donker, -sommige zijn al vergaan, maar daartusschen liggen honderden jonge -scheertjes. Die overwinteren daar op den bodem, als volkomen plantjes. - -Eigenlijk zijn de winterknoppen van het fonteinkruid ook nog plantjes, -maar minus de wortels, en wanneer we een winterknop van de kikkerbeet -uit elkander halen, dan vinden we binnen de buitenste harde blaadjes, -die een beschermend omhulsel vormen, ook een klein kikkerbeetplantje, -maar dicht ineengedrongen, en kleurloos en stijf. Bij de drie planten, -die wij gevonden hebben, komt het dus hierop neer, dat een verkleind -plantje den bodem opzoekt en daar in min of meer gunstige -omstandigheden den winter doorbrengt. - -De gunstige omstandigheden bestaan hierin, dat de knoppen of planten -(want de winterscheeren zijn volkomen planten) kleinere afmetingen -aannemen, dat ze bedekt worden door de overblijfselen der vergane, oude -planten en dat ze zooals Hydrocharis, soms in een beschermend omhulsel -opgeborgen zitten. - -Maar het is te koud, om hier zoo stilletjes over al die dingen te staan -keuvelen, en om zes uur is het donker. Laat ons nog eens verder zien. -Daar is hoornblad ook, dat heeft zijn winterknoppen ook al klaar, op de -manier van het fonteinkruid, maar de verdeelde blaadjes zitten zoo -dicht op elkander, dat ze afzonderlijk haast niet in het oog vallen—het -geheel is een ruige bol. Nu weet ik nog ergens een plek, waar -Hottonia’s gestaan hebben. Wat een verschil met Juni. Nu geen -lichtkaarsjes, maar een vuile, grauwe massa, waaruit wat scheeve -stengels omhoogsteken. Tusschen de rottende bladeren vinden we nog aan -de stelen vastzittend eenige groene ballen—juist als bij het -Hoornblad—dat zinkt alles naar den bodem in de modder. En het kroos? - -Als we over een paar maanden gaan schaatsenrijden, dan zullen we nog -wel eens langs slooten komen, waar het ons in onze vaart stuiten zal, -vooral wanneer het wat gedooid heeft. Het rot niet weg gelijk de andere -planten, maar leeft tot in den winter en vriest dan in. Voor dien tijd -heeft het echter reeds zijn overwinteringsknoppen naar omlaag gezonden, -want als het ijs in Maart uit de slooten verdwijnt, dan is het oude -kroos dood en zinkt weg. Als ik u nu nog vertel, dat het Blaasjeskruid -op dezelfde manier overwintert als Hottonia, dan kunnen we wel naar -huis gaan. - -We nemen wat winterknoppen mede voor ons aquarium. Zullen ze zich -daar—in de lauwe warmte van onze woonkamers eerder ontwikkelen en -vroeger weer naar boven komen drijven dan in de vrije natuur? - -Neem maar eens de proef. Tot zoolang, vaarwel!—We moeten toch nog eens -samen op kroosbloempjes uit! - - -J. P. T. - - - - - - - - -LIJST, OM DE NAMEN TE VINDEN VAN DE VOORNAAMSTE NEDERLANDSCHE -WATERPLANTEN. - - -Wij noemen alleen die planten waterplanten, die in ’t water groeien en -geheel door ’t water gesteund worden; sommige drijven los aan de -oppervlakte rond, andere zweven geheel onder water, de meeste wortelen -in de slijkbodem. Alleen hun bloemen steken boven water in de lucht -uit. Planten, zooals riet, lisschen, lischdodden, die wel met hun voet -in ’t water staan, maar waarvan de bebladerde stengels zich steeds in -de lucht verheffen, worden niet tot de waterplanten gerekend. Want die -kunnen ook in vochtigen bodem tieren. - - -1. De plant bestaat uit niets anders dan ronde of langwerpig 2 - ronde groene schijfjes, met of zonder wortels, niet grooter - dan een paar m.M. Kroos - De plant heeft een duidelijken stengel met bladeren 5 -2. Schijfjes, zoo groot als een speldeknop, zonder wortels. - Wortelloos Kroos. Lemna arrhiza Linn. - Schijfjes worteldragend 3 -3. Eén worteltje aan elk schijfje 4 - Meer dan één worteltje. - Veelwortelig kroos. Lemna polyrrhiza Linn. -4. Schijfjes langwerpig rond, aan één zijde in een punt - uitloopend. - Puntkroos. Lemna trisulca Linn. - Schijfjes rond, aan de onderzijde halfbolrond. - Bultig kroos. Lemna gibba Linn. - Schijfjes rond, aan de onderzijde vlak. - Klein kroos. Lemna minor Linn. -5. Plant met bladeren, aan den rand met stekeltjes bezet. 6 - Geen stekeltjes langs den bladrand 8 -6. Veel bladeren in één bundel bijeen, bloemen wit. - Scheeren. Stratiotes aloides Linn. - Bladeren aan een stengel, bloemen groen en onduidelijk. 7 -7. Het onderste deel van het blad heeft gave randen. - Groot Nymfkruid. Najas major All. - Onderste deel van het blad fijn uitgetand. - Najas minor All. -8. De blaadjes drijven op ’t water in twee regelmatig geordende 9 - rijen - Blaadjes niet in rijen 10 -9. Blaadjes langwerpig rond duidelijk afzonderlijk. - Salvinia natans. - Blaadjes dicht opeen, zoodat ze te samen een veelhoekig - geheel vormen. - Rood kroos. Azolla. -10. Alle bladeren zijn onverdeeld 11 - De bladeren of ten minste de ondergedompelde zijn verdeeld 30 - of samengesteld -11. Ronde bladeren 12 - Langwerpige bladeren (hoogstens 7 maal zoo lang als breed) 15 - Grasachtige bladeren (minstens 12 maal zoo lang als breed) 23 -12. Bloem wit (soms met een geel hart) 13 - Bloem geel. 14 -13. Bloemkroon bestaande uit 3 witte blaadjes. - Duitblad. Hydrocharis morsus ranae. - Bloemkroon bestaande uit meer dan twintig groote witte - bladen. - Witte waterlelie. Nymphaea alba. -14. Vijf meeldraden. - Watergentiaan. Limnanthemum nymphaeoides. - Meer dan 10 meeldraden. - Gele waterlelie. Nuphar luteum. -15. Bloempjes bij minstens 2 tegelijk op rechte stelen boven ’t 16 - water uitstekend. Fonteinkruiden - Bloempjes alleenstaand op een steel 20 - Bloempjes ongesteeld 22 -16. Tweeërlei bladen: breede, die op ’t water drijven en smalle 17 - onder water - Alle bladen ongeveer eender van vorm 18 -17. Drijvende bladeren meer dan 4 cM. groot, ondergedoken - bladeren duidelijk gesteeld. - Drijvend Fonteinkruid. Potamogeton natans. - Drijvende bladeren korter dan 4 c.M., ondergedoken bladeren - ongesteeld. - Grasbladig Fonteinkruid. Potamogeton gramineus. -18. Alle bladeren twee aan twee. - Dicht Fonteinkruid. Potamogeton densus. - Sommige bladeren alleenstaand 19 -19. Stengel door den voet der bladeren heen gegroeid. - Doorgroeid Fonteinkruid. Potamogeton perfoliatus. - Stengel vrij, bladrand gekroesd. - Gekruld Fonteinkruid. Potamogeton crispus. - Stengel vrij, bladrand fijn getand. - Glanzig Fonteinkruid. Potamogeton lucens. - - - ALLEENSTAANDE BLOEMEN. - -20. Bladeren alleenstaand, bloempjes groot, wit, in vorm op - boterbloempjes gelijkend. - Waterboterbloem. Batrachium hederaceum. - Bladeren bijna alle drie aan drie staand, ongesteeld. - Waterpest. Elodea canadensis. - Veel langwerpige, duidelijk gesteelde blaadjes bijeen; uit - hun midden komen langgesteelde bloempjes. - Slijkgroen. Limosella aquatica. - Blaadjes twee aan twee; de drijvende soms stervormig 21 - gerangschikt -21. Drie meeldraden in elk bloempje. - Montia. - Vier meeldraden. - Potamogeton densus. - Zes meeldraden. - Steel-elatine. Elatine hexandra. - Eén meeldraad. - Sterrekroos. Callitriche aquatica. -22. Drie meeldraden. - Kruis-elatine. Elatine triandra. - Vier meeldraden. - Waterlepeltje. Isnardia palustris. - Zes meeldraden. - Waterpostelein. Peplis portula. - Acht meeldraden. - Kleine elatine. Elatine Hydropiper. - - - WATERPLANTEN MET GRASACHTIGE BLADEREN. - -23. De bloempjes hebben meeldraden en stampers 24 - De bloempjes hebben òf alleen meeldraden òf alleen stampers. 27 - Er zijn geen bloempjes aan de plant, wel een soort van - vruchtjes, zoo groot als erwten. - Pilkruid, Pilularia globulifera. -24. Twee meeldraden 25 - Drie meeldraden 26 - Vier meeldraden. - Klein Fonteinkruid. Potamogeton pusillus. - Zes meeldraden. - Priemkruid. Subularia aquatica. -25. Vier stampers. - Snavelruppia. Ruppia rostellata. - Acht stampers. - Zeeruppia. Ruppia maritima. -26. Kleine bloempjes met 6 dekblaadjes. - Bloembies. Juncus supinus var. fluitans. - Bloempjes zonder dekblaadjes. - Vlottende bies. Scirpus fluitans. -27. Bloempjes onduidelijk, ongesteeld 28 - Enkele bloempjes langgesteeld, met meeldraden die ver naar - buiten uitsteken. - Oeverkruid. Littorella juncea. -28. Bladeren niet langer dan 6 cM., bloemen in de hoeken - tusschen blad en stengel (bladoksels). - Zanichellia. - Bladeren langer dan 1 dM., meestal veel langer, zeeplant 20 -29. Bladeren met slechts 1 of 3 duidelijk zichtbare nerven. - Klein Zeegras. Zostera nana. - Bladeren met 5–7 nerven. - Zeegras. Zostera marina. - - - WATERPLANTEN MET GESTEELDE BLADEREN. - -30. Bloemen wit 31 - Bloemen geel, tusschen de bladslipjes zitten kleine blaadjes 34 - Bloemen paars 36 - Bloemen ongekleurd 37 -31. Vier meeldraden, drijvende bladeren ongedeeld met verdikte - bladstelen. - Waternoot. Trapa natans. - Vijf meeldraden, bloemen in schermen. - Moerasscherm. Helosciadium inundatum. - Meer dan 5 meeldraden, bloem gevormd als een boterbloempje 32 -32. Alle blaadjes fijn haarvormig verdeeld 33 - De drijvende blaadjes zijn onverdeeld. - Waterranonkel. Batrachium aquatile. -33. Bladslippen in ’t rond uitgespreid. Stijf. - Waterranonkel. Batrachium divaraticum. - Bladslippen niet in ’t rond uitgespreid en slap. - Waterranonkel. Batrachium fluitans. -34. Blaasjes aan alle of de meeste bladeren verspreid 35 - Blaasjes afzonderlijk aan een onbebladerden stengel. - Middelst Blaasjeskruid. Utricularia intermedia. -35. Slechts 1 of 2 blaasjes aan de bladeren, aan enkele geen - een. - Klein Blaasjeskruid. Utricularia minor. - Veel blaasjes aan de bladeren. Gewoon Blaasjeskruid. - Utricularia vulgaris. -36. Bloemen mooi groot, in kransen van vijf of meer. - Waterviolier, Hottonia palustris. - Bloemen klein, in dicht opeenstaande kransen, omgeven door - fijn verdeelde blaadjes. - Kransvederkruid. Myriophyllum verticillatum. - Bloemen klein, in ruim staande kransen met kleine - steunblaadjes. - Aarvederkruid. Myriophyllum spicatum. - Bloemen niet in kransen. - Teer vederkruid. Myriophyllum alterniflorum. -37. Bladeren in kransen van vier, regelmatig verdeeld. Zie onder - No. 36. Myriophyllum. - Bladeren in veeltallige kransen, ongelijkmatig verdeeld. 38 -38. Vrucht met 3 doorntjes, bladeren stijf. - Gedoornd Hoornblad. Ceratophyllum demersum. - Vrucht met 1 doorntje, bladeren slap. - Ongedoornd Hoornblad. Ceratophyllum submersum. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN SLOOT EN PLAS *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
