summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69169-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69169-0.txt')
-rw-r--r--old/69169-0.txt5005
1 files changed, 0 insertions, 5005 deletions
diff --git a/old/69169-0.txt b/old/69169-0.txt
deleted file mode 100644
index b68426d..0000000
--- a/old/69169-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5005 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of In sloot en plas, by E. Heimans
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: In sloot en plas
-
-Authors: E. Heimans
- Jac. P. Thijsse
-
-Illustrators: E. Heimans
- Jac. P. Thijsse
-
-Release Date: October 16, 2022 [eBook #69169]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN SLOOT EN PLAS ***
-
-
-
-
-
- IN SLOOT EN PLAS
-
- DOOR
-
- E. HEIMANS EN JAC. P. THIJSSE
-
-
- Met twee gekleurde platen en vele afbeeldingen naar
- teekeningen van de Schrijvers
-
-
- VIJFDE DRUK
-
-
- AMSTERDAM—1920—W. VERSLUYS
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Het succes van het eerste deeltje dezer serie, de critiek, die zonder
-uitzondering gunstig en welwillend was, en de vele betuigingen van
-instemming door onze bekende natuurhistorici met onze plannen, hebben
-ons de zekerheid gegeven, dat wij geen werk verrichten, waarvoor—zooals
-wij en velen met ons vreesden—de tijd nog niet gekomen is.
-
-Aan allen—publiek, critici en welmeenende vrienden—onze hartelijke dank
-voor hunne aanmoediging, niet minder voor hun vingerwijzingen, waarmede
-wij, zooals uit den inhoud van dit werkje blijken kan, ons voordeel
-hebben trachten te doen: de tekst is uitvoeriger, voorzien van een
-register, en het aantal illustraties is aanzienlijk uitgebreid. Zulk
-eene uitbreiding heeft natuurlijk zijn grenzen; onze uitgever komt toch
-reeds een woord van dank toe voor zijne onbekrompenheid in dit opzicht,
-waardoor het ons mogelijk werd van al de besproken planten en dieren—op
-eene enkele uitzondering na—eene afbeelding te geven, hetzij
-afzonderlijk, hetzij in groepteekeningen.
-
-Veel zijn wij ook verplicht aan de bereidwilligheid, waarmede Dr. C.
-Kerbert, Directeur der Diergaarde van Natura Artis Magistra, de rijke
-bronnen van deze schoone inrichting voor ons toegankelijk maakte.
-
-Amsterdam, Februari 1895
-
-De Schrijvers.
-
-
-
-
-L. S.
-
-Ook de eerste druk van dit deeltje heeft spoediger zijn weg gevonden,
-dan wij durfden hopen in ons kleine Nederland. Deze tweede is
-vermeerderd met een aantal nieuwe teekeningen, de gekleurde platen zijn
-voor de afwisseling door andere vervangen; en er is aan toegevoegd een
-geïllustreerde lijst voor ’t bepalen van de Nederlandsche waterplanten,
-ten behoeve van aquariumhouders.
-
-Verder verwijzen wij belangstellende lezers naar de voorrede van den
-2den druk van ’t eerste deeltje: Van Vlinders, Vogels en Bloemen.
-
-H. en T.
-
-
-
-
-BIJ DEN VIERDEN DRUK.
-
-Na negentien jaar nog weer een nieuwe druk. En dat van een boekje voor
-de jeugd. We kunnen tevreden zijn.
-
-H. en T.
-
-
-
-
-BIJ DEN VIJFDEN DRUK.
-
-Helaas heeft mijn vriend Heimans dezen vijfden druk niet mogen beleven
-van het boekje, dat hij een kwart eeuw geleden met zoo bijzondere
-voorliefde op touw heeft gezet. Thans is zijn zoon, de heer J. Heimans
-mij behulpzaam geweest bij ’t nazien.
-
-Thijsse.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
-Het is voor het late uur nog buitengewoon levendig aan den buitenkant
-te Amsterdam. Wel zijn de meeste winkels reeds gesloten, want het is
-reeds zeven uur, en kunstlicht is duur in het midden der 17de eeuw;
-maar de Mei-avond is zoo zoel en zoo verleidelijk helder, dat de
-winkeliers en hun bedienden zich gerept hebben, om de luiken voor de
-ramen te krijgen, en nu met vrouw en kinders, met vrijster, zuster of
-kameraden, nog een luchtje komen scheppen aan het heerlijke, koele IJ.
-
-Zoo drentelen, kalm en deftig in de wandelpas, talrijke groepjes, soms
-uit een geheel huisgezin bestaande, uit alle straten der stad den
-Buitenkant op.
-
-Een der weinige winkels, die nog verlicht zijn, schijnt een bijzondere
-aantrekkelijkheid te hebben; want de meeste wandelaars wijken, op de
-hoogte van de Monckelbaens-brug gekomen, van de middelstraat af, zoodra
-ze dat huis naderen; ze vormen een opeengepakte massa kijkers voor de
-vensters, zoodat de breede stoep nog te smal is, voor zoo vele
-nieuwsgierigen; de achterstaanden wachten dan ook maar, tot de voorsten
-genoeg gezien hebben en opschuiven, om ook hun een kijkje te gunnen.
-
-Toch is het geen winkel, die door schitterende uitstalling koopers kan
-lokken: het is een gewone apothekerswinkel; maar iedereen weet, dat
-meester Swammerdam uit de apotheek „De Star” een liefhebber van de
-natuurlijke historie is, dat hij door kennissen op de schepen uit Oost
-en West allerlei vreemde dieren en planten laat meebrengen; en
-tevens—dat hij die dieren, opgezet of op sterk water—voor zijn vensters
-plaatst, behoorlijk voorzien van naam en toenaam; ja soms met een
-korte, duidelijk geschreven, meestal wonderbaarlijke levensgeschiedenis
-van het dier erbij.
-
-Van avond moet het al heel iets bijzonders zijn, dat de apotheker heeft
-ten toon gesteld; want zij, die een goed plaatsje hebben, blijven,
-ondanks de warmte in het gedrang voor de ramen plakken, en het
-vriendelijk verzoek van den meester zelf is noodig, om hen te doen
-besluiten, eindelijk ook eens plaats te maken voor anderen.
-
-En toch heeft hij ditmaal geen opgezette paradijsvogels, geen apen,
-slangen of jonge kaaimans ten toon gesteld. Wat zoo elks aandacht
-boeit, is de inhoud van een groote glazen bak, bijna geheel met water
-gevuld; in het midden is hij van een puimsteenen rotsje en een kunstig
-bedacht fonteintje voorzien.
-
-De voorzijde van die bak is vlak tegen het venster geplaatst; van
-achter en van terzijde schijnt het licht van een paar vetkaarsen door
-het groenachtige water heen, en uit dat geheimzinnig schemerduister
-komen zich van tijd tot tijd, tusschen waterplanten en schelpen door,
-aller-wonderlijkste gedrochten aan de oogen der gapende kijkers
-vertoonen.
-
-Daar verschijnt met gelijkmatigen pootslag als volleerd roeier, een
-groote geelgerande kever en maakt jacht op de larve van een mug of een
-libel; een bloedzuiger kronkelt als een platte slang langs het venster.
-Salamanders met rood en zwart gestippelde buik en sierlijk gekamden
-rug, rijzen en dalen statig op en neer, of schieten plotseling vooruit,
-als zij merken dat een nijdig-kijkend, roodborstig vischje, met drie
-vinnig-opgezette stekels op zijn rug, het op hun staart gemunt heeft.
-En reusachtige pikzwarte tor, die door het water nog grooter schijnt,
-dan hij is, doemt eensklaps uit het duister op, om even aan de
-oppervlakte te verschijnen en dan snel trappelend, als liep hij door
-het water, tusschen het kroos of achter het rotsje te verdwijnen.
-Tusschen het fijne loof van een sierlijke waterplant is een groote spin
-bezig, zijn zilveren luchtpaleis te bouwen. Op den bodem glijden
-kokerjuffers in hun wonderlijke kluisjes langzaam over de schelpen en
-het kiezelzand voort, en tusschen dat alles door krielt en wiemelt het
-van kleine en groote larven, draaitorren, bloedspinnetjes.
-
-De uitroepen van verbazing, die dit schouwspel aan de kijkenden
-ontlokt, getuigen van de nieuwheid van zulk een tooneel. Geen wonder:
-een aquarium was in die tijden iets ongeziens en ongehoords; en de
-bewoners ervan waren aan de meeste Amsterdammers toen zeker minder
-bekend dan de tijgers, de apen of de vogels van onze Oost-Indische
-bezittingen.
-
-De meester heeft dan ook voldoening van zijn werk; zijn opgeruimd
-gezicht, de bereidwilligheid, waarmede hij alle vragen, de allerdwaaste
-soms, beantwoordt, bewijzen, dat hij er een genoegen in schept, zijn
-kennis aan anderen mede te deelen; en ook, dat het niet uitsluitend een
-17de eeuwsche reclamezucht was, die hem het aquarium voor zijn venster
-deed plaatsen, maar in hoofdzaak de liefhebberij van een man, die
-gaarne eens ziet, dat anderen met bewondering komen kijken, naar
-hetgeen hij alzoo heeft verzameld.
-
-Het heeft reeds een tijdlang zijn aandacht getrokken, dat één van de
-vele nieuwsgierigen al buitengewoon geboeid schijnt te worden, door wat
-de meester heden avond ten beste gaf. Het is een knaap van een jaar of
-vijftien, zestien. Zijn neus is tegen het vensterglas gedrukt. Zijn
-oogen trachten tot in het donkerste hoekje van het aquarium door te
-dringen; kijk, zij glinsteren, als er weer wat nieuws uit de diepte
-komt verrijzen. Vragen doet hij zelf niet, maar als hij een van de
-kijkers aan meester Swammerdam hoort vragen, hoe hij al die beesten zoo
-levend uit de Oost heeft over kunnen krijgen, komt er een glimlach op
-zijn gezicht.
-
-Dit is den apotheker niet ontgaan. Al meer dan eens heeft deze hem op
-den schouder getikt en hem vriendelijk verzocht, niet al het nieuws op
-eens te willen afneuzen en een ander ook eens een kijkje te gunnen. Dan
-ging de knaap, den blik onafgewend, alsof hij er niet van scheiden kon,
-op zijde; maar een poosje later was hij van den anderen kant weer naar
-voren gedrongen en verdiepte hij zich op nieuw in de beschouwing van
-die geheimzinnige dierenwereld.
-
-De meester uit „De Star” zei niets meer, en liet het geworden. Toen hij
-eindelijk zijn zoon last gaf, de kaarsen, die op hun eindje stonden, te
-dooven, trachtte de hardnekkige kijker nog een oogenblik door te
-dringen in het nu geheel duistere water, en keerde zich daarop af, om
-heen te gaan.
-
-Maar Swammerdam hield hem staande en vroeg hem, hoe hij zijn
-uitstalling vond.
-
-Met schuchteren blik zag de knaap den vriendelijken meester aan; het
-was of hij droomde, en nog steeds de wonderlijke schepselen van zooeven
-voor zijn oogen zag bewegen. De meester herhaalde zijn vraag, terwijl
-hij zijn pijp stopte en zijn hoed opzette, om ook nog even lucht te
-gaan happen aan den IJ-kant.
-
-„Staat het er morgen ook nog?” klonk zacht de wedervraag.
-
-„Zeker, mijn jongen, en al staat het er niet meer, omdat ik de kast
-noodig heb voor zalfpotten en poederdoozen, kom dan gerust den winkel
-binnen. Ik heb nog heel wat grooter en mooier dieren in huis. Jij hebt
-zeker niet gedacht, dat al die dieren uit de Oost waren gekomen, wel?”
-
-„Neen, meester, dat niet, dat begreep ik wel; maar ik wist toch niet,
-dat er zooveel verschillende dieren in onze slooten leven, zoo dicht
-bij ons, vóór ik het u hoorde zeggen.”
-
-„Nu, goeden avond. Ja.... hoe heet je?”
-
-„Antony, meester; Antony van Leeuwenhoek.”
-
-„Wel, Antony, kom zoo vaak je wilt naar het levende water kijken; maar
-je zult er nu toch al wel alles van gezien hebben, wat er aan te zien
-is; je hebt er de oogen haast niet afgehad!”
-
-„Ja, maar ik zou er graag nog meer van willen weten. Wat die dieren de
-heele dag doen; hoe ze eten, ademhalen, zich voortbewegen, hun prooi
-vangen; en ik zag nog zooveel, dat ik niet goed begrijp!”
-
-„O, staat zoo de zaak; dat doet me genoegen. Maar wat doe je eigenlijk
-voor de kost? Je moogt er je werktijd niet aan opofferen.”
-
-„Ik ben op een lakenwinkel, meester, ik heb na den middag dikwijls
-vrijaf, en ik ben hier heel alleen, mijn familie woont in Delft.”
-
-„Wel, Antony, je komt goed bij mijn zoon Jan; die houdt ook bijzonder
-veel van het bekijken van planten en dieren. Jij bent wel een paar jaar
-ouder dan hij, schijnt het, maar dat zal er wel niet veel toe doen. Hij
-wil er morgen middag alleen op uit, de boel wat aan te vullen. Hee,
-daar is hij net! Jan, hier heb je een kameraad, die je helpen wil, om
-waterdieren te onderhouden. Maak maar even kennis met elkaar. En dan
-naar bed, Jan. Dat zou ik jou, Antony, ook maar raden, al staan je
-oogen nog helder. Kom morgen maar terug.”
-
-Dat was aan geen doove gezegd. Na deze kennismaking was Antony van
-Leeuwenhoek een trouwe bezoeker van de apotheek „in de Star” en waren
-hij en Jan Swammerdam onafscheidelijke kameraden.
-
-Te zamen verzorgden zij het aquarium van den apotheker, te zamen gingen
-zij tochtjes doen in de omstreken van hun woonplaats, om nieuwe planten
-en dieren te zoeken. Maar bij zoeken en vinden bleef het niet. Antony
-vooral moest overal het fijne van hebben. Ongelukkig kon de apotheker
-de beide jeugdige liefhebbers maar zelden op hun vragen een antwoord
-geven, dat aan hun weetgierigheid voldeed. De jongens deden ook zulke
-zonderlinge vragen: „Waarom zou toch die groen-zwarte kever, met die
-gele randen om de dekschilden, telkens met zijn achterlijf boven komen?
-Als het te doen was om adem te halen, waarom deed dan die groote
-pikzwarte tor het telkens met een van de sprieten?” Of wel: „Waarvan
-zouden toch de kleinste diertjes, die wij zien kunnen, leven? Zouden er
-in het water nog weer kleinere zijn, die wij niet kunnen zien?”
-
-De jongens maakten het den meester lastig, en zij besteedden er meer
-tijd aan, dan Jan’s studiën en Antony’s ambacht gedoogden, meende hij.
-Hij vreesde, dat hun beste leertijd verloren zou gaan, met—zooals hij
-zich eens uitdrukte—„dat waarnemen van saken, daar niet een duyt winst
-van quam, en die niets aenbragten van dat, hetgeen noodsakelijk was om
-te leven.”
-
-Och, had meester Swammerdam maar eens even in de toekomst kunnen lezen,
-zooals wij in het verleden, dan zou hij in die twee jongens, die daar,
-peinzend over allerlei raadselen, in het troebele water van het
-aquarium tuurden, twee beroemde mannen gezien hebben, die eens de
-geheele geleerde en ongeleerde wereld zouden verbazen met het antwoord,
-dat zij zelve gaven op vele van de vragen, die zij als kinderen tot den
-apotheker richtten.
-
-Jan Swammerdam en Anthony van Leeuwenhoek!
-
-Had hij het mogen beleven, hij, die al zooveel meende te weten, den
-Bijbel der Natuur te lezen, waarin de wonderbaarlijke onderzoekingen en
-ontdekkingen van zijn zoon Jan zijn beschreven! De apotheker heeft het
-niet voorzien, toen hij Antony van zijn aquarium joeg en weer naar den
-lakenwinkel zond, dat die eenvoudige bak met slootwater, de eerste
-aanleiding zou zijn, om het Nederland der 17de eeuw een beroemd man
-rijker te doen worden.
-
-Zoo beroemd nog bij zijn leven, dat uit alle deelen van Europa de
-geleerden en vele belangstellenden in de wetenschap der natuur, de reis
-naar Delft deden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek
-te spreken over zijn ontdekkingen; eens te mogen kijken door de
-microscopen, die hij zelf vervaardigd had, en waarmede hij een wereld
-van nooit gekende levende schepselen aan het licht bracht;—hij de
-nederige kamerbewaker, die jaren lang voor 6 gulden in de week de
-raadszaal reinigde en de kachel van den burgemeester stookte.
-
-Bijna alle toenmalige vorsten van Europa, ook onze stadhouder Willem
-III, achtten het niet beneden zich, hem in zijn studiekamertje te komen
-bezoeken, om zich de nieuwe wereld te doen toonen. Ook Peter de Groote
-kwam met zijn trekschuit; om alles op zijn gemak te kunnen zien en te
-hooren uitleggen, noodigde hij Leeuwenhoek bij zich aan boord. Peter de
-Groote luisterde gretig en keek lang en aandachtig door het microscoop.
-
-„Waar is dat ding van gemaakt?” moet Peter gevraagd hebben, terwijl hij
-het geheimzinnig instrument voorzichtig in de hand nam.
-
-„Van blik en koper,” antwoordde Antony verwonderd.
-
-„Maak ze dan van nu af van goud en zilver!” zei Peter, en Leeuwenhoek
-maakte er werkelijk meer dan één van goud of van zilver. Een paar er
-van moeten nog ergens in ’t Britsche Museum te Londen schuilen.
-
-Twee eeuwen zijn sedert verloopen en nog dikwijls wordt er door de
-hedendaagsche geleerden voortgebouwd op de onderzoekingen van
-Leeuwenhoek en Swammerdam.
-
-Wel is er na Leeuwenhoek en Swammerdam veel, ook in ons land,
-onderzocht en ontdekt in het maaksel en het leven van de kleinere, en
-de kleinste waterdieren vooral. Bij tegenwoordige microscopen
-vergeleken, waren die van Leeuwenhoek en Swammerdam dan ook maar
-kinderspeelgoed.
-
-Het zal nu ook zoo licht niet meer gebeuren, dat iemand beroemd wordt,
-door het bestudeeren van een glas slootwater of van het leven in een
-aquarium. Toch is er nog nieuws genoeg in te ontdekken, al is het juist
-niet bij de allerkleinste dieren en planten. Ook de waarnemingen van
-een liefhebber kunnen waarde hebben voor de wetenschap, hij kan feiten
-aangeven, waarvan de geleerden partij trekken.
-
-Maar niet om roem of eer moet de natuur bestudeerd worden; dat deden de
-groote natuurvorschers ook maar zelden. Als Leeuwenhoek er niet half en
-half toe gedwongen was geworden, zou hij zijn ontdekkingen zelfs niet
-bekend hebben gemaakt. Hij studeerde voor zijn genoegen. Dikwijls moest
-men de hulp van zijn dochter inroepen, om iets van zijn werken gewaar
-te worden.
-
-Voor eigen genoegen werkte ook Swammerdam, zoodat eerst de beroemde
-Boerhave de wereld moest in kennis stellen, met hetgeen Swammerdam had
-gewrocht.
-
-Voor eigen genoegen—dat moest ze blijven, die innige omgang met de
-natuur, deze studie, die geen studie schijnt—een opwekkend tijdverdrijf
-in vacanties, een liefhebberij voor hen, die nog niet of niet meer voor
-hun levensonderhoud hebben te zorgen.
-
-En het is zoo gemakkelijk, zich zelf in te wijden in de geheimen van de
-natuur onzer woonplaats. Met een weinigje voorlichting, wat toewijding
-en eenig zakgeld, kan men het zoovér brengen in de kennis der schepping
-om ons heen; wat ons weer een dieper inzicht in het geheel kan
-verschaffen.
-
-Weinig jongens in hun laatste schooljaren zijn er tegenwoordig, die
-niet weten, dat tusschen het groen tapijt van eendekroos en de veen-,
-zand- of kleibodem van elke sloot een wereld van planten en dieren
-leeft, zoo rijk aan vormen, zoo wonderlijk in levenswijze, dat alleen
-het lezen er van in het schoolboek, en het zien er van in afbeeldingen
-de lust wekt er meer van te weten, en de begeerte doet ontstaan naar
-het zien in de werkelijkheid.
-
-Bij de begeerte blijft het meestal, want de levende sloot, hoewel in
-ons land overal nabij, is maar zelden doorzichtig, en het duurt
-zoolang, eer er eens wat te zien komt aan de oppervlakte; eenige
-schaatsenloopers, vlugge insecten, die met hun lange, daartoe
-merkwaardig goed ingerichte pooten over ’t water voortsnellen, of het
-spiegelglad ijs was; een dozijn draaitorretjes, in ’t zonlicht
-glinstrend, als nieuw staal met zilver, die er hun sierlijke, soms vrij
-regelmatige dansen uitvoeren en daardoor ieders aandacht trekken—maar
-dit is ook zoowat alles, wat in de meeste gevallen van den kant af te
-zien is.
-
-Wie er werkelijk wat meer van leeren en genieten wil, moet zich—zooals
-met alles wat de moeite van het leeren en genieten waard is—eenige
-inspanning en, jammer genoeg in dit geval, wat kosten kunnen
-getroosten. Vóór alles heeft men een stevig schepnet noodig. Wie
-daartoe een gewoon vlindernetje gebruiken wil, heeft vaker
-teleurstelling dan een goede vangst te wachten. Koop in een ijzerwinkel
-een meter van het dikste ijzerdraad, dat ge krijgen kunt; en laat dat
-even op ’t aanbeeld, dat in zulke winkels steeds voorhanden is, buigen
-tot een ring met twee stelen. Zoo’n stuk kost hoogstens 10 cent.
-
-Die beide stelen, die samen het handvat van den ring vormen, moeten
-minstens een decimeter lang zijn, zoo blijft er voor den ring een
-middellijn van ongeveer 2½ d.M. over; reken maar na. Meestal is het
-ijzerdraad zoo koppig, dat men het alleen met kracht tot een ring kan
-sluiten, en dat is juist een deugd en een voordeel, zooals straks zal
-blijken.
-
-Neem nu uw zuster in den arm, en laat haar aan den ring een zak van
-sterk neteldoek of gaas van het grofste soort naaien; stramien- of
-borduurgaas is nog beter, maar ook duurder. De zak moet ongeveer 3 d.M.
-diep worden. Bind daarna het net met het handvat stevig aan een langen
-stok en probeer, of ge het terug kunt buigen van de stok zijwaarts af;
-gaat dit niet zonder groote krachtsinspanning, dan is alles in orde.
-
-Wie dik in zijn zakgeld zit, of wie met flinke kameraden een
-maatschappij op aandeelen kan vormen, doet beter, zich een 2 à 3 Meter
-lange bamboe aan te schaffen, met een koperen band om het holle
-boveneind; die is voor 30 à 40 cent te koop in elken winkel van
-visscherijgereedschappen. Maar zie toe, dat men u geen suikerriet in
-plaats van bamboe in de handen stopt; bamboe is onbreekbaar, suikerriet
-is veel lichter en ook goedkooper, maar krijgt heel licht
-lengtebarsten, scheurt op, of knapt af: water en vooral slootwater is
-zwaarder dan ge meent. In het boveneind van de holle bamboe steekt ge
-nu de beide, niet saamgebonden, stelen van de ijzeren netring; dat gaat
-met moeite, maar de veerkracht waarmee de ring zich ontspannen wil,
-doet de stelen dan ook zoo stevig in de holte vastklemmen, dat verdere
-bevestiging meestal overbodig is. Bovendien heeft men zoodoende ook het
-gemak, dat men, zonder touw of schroeven te gebruiken, het net van de
-stok kan nemen, wanneer men wil.
-
-Zie nu eenige flesschen te krijgen met korten, wijden hals,
-inmaakflesschen; in comestible-winkels worden Engelsche dropsflesschen
-voor een cent of tien verkocht; die zijn zeer geschikt om mee te nemen.
-Een touw om den hals dient als hengsel.
-
-Zorg nu ook thuis een paar goudvischkommen van de grootste soort gereed
-te hebben, en uw uitrusting is in optima forma. De jacht is gemakkelijk
-en ik verzeker u, dat ge nooit platzak, of in dat geval juister
-„leegflesch” thuis zult komen.
-
-En nu, de eerste de beste Woensdag- of Zaterdagmiddag van het voorjaar,
-gaat ge uw kameraden, die meebetaald hebben, halen voor de partij.
-
-Maar ook als ge alles alleen hebt moeten bekostigen, is het, om
-verschillende redenen, aan te raden, nooit alleen er op uit te gaan.
-
-In ’t eerst zal dat misschien wat gekibbel geven, omdat de één het net
-te lang in gebruik houdt, en de ander die vervelende flesch niet
-zoolang wil dragen, maar dat went wel en leert inschikkelijkheid.
-
-Begin met een sloot, waarin niet te veel waterplanten groeien en die
-tevens niet vlak langs een menschelijke woning loopt. En thans de
-eerste schep! Niet diep en niet lang, maar vlug door het water
-strijkend! kroos en andere drijvende waterplanten er in laten glippen!
-haal op en stort den inhoud (het volle net omgekeerd door den ring
-laten vallen), op een kale plek in het gras of anders op den weg uit.
-Met een stokje in de linkerhand nu snel het kroos en de andere planten
-uitgespreid, en met de rechter alles wat leeft in de meegebrachte
-flesch geworpen. Daarin is te voren een beetje slootwater geschept en
-hij is stevig tusschen het gras vastgezet. Nog een paar scheppen, en ge
-moet al heel ongelukkig zijn, of in de flesschen krioelt het door
-elkaar, dat het een aard heeft. Vul de flesschen aan met kroos en
-andere kleine drijvende planten en dan, als het erg zonnig is, vlug
-naar huis. Doe vooral niet te veel water in de flesch.
-
-Daar is het eerste werk het net uit te spoelen en te drogen hangen en
-het tweede de buit te onderzoeken en over de goudvischkommen en de
-flesschen te verdeelen, die voor de helft met schoon water zijn gevuld.
-Er komt nu veel meer voor den dag, dan ge meent gevangen te hebben;
-want tusschen de waterplanten waarmede de flesschen zijn aangevuld,
-krioelde het van kleingoed, dat op het droge niet in het oog viel.
-Breng niet meer kroos of planten in elke flesch, dan noodig is, om de
-oppervlakte losjes te dekken en laat alles een poosje rustig staan,
-niet in de zon; ga nu uw handen flink met zeep wasschen en dan begint
-de studie.
-
-„Ja,” zullen wellicht vele van onze lezers denken, „dat is
-gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar we kennen niet eens de namen van
-al die vreemde dieren en planten en ’t wiemelt zoo door elkaar, dat er
-geen oog op te houden is; zoo gaat het nauwkeurig bekijken niet licht.”
-
-Dat is zoo; als men van die dingen weinig of niets weet, valt het
-onderscheiden moeilijk, en iedere jongen heeft ook niet zooveel tijd en
-volharding als de twee vrienden Jan en Antony van zooeven. Toch is het
-mijn plan niet, u op het rijtje af de levensgeschiedenis van alle
-dieren, die ge daar op de vensterbank hebt staan, te vertellen, of stuk
-voor stuk hun uiterlijk te beschrijven. Dat gaat ook niet aan, want het
-is mogelijk, dat ge, vogels en zoogdieren uitgezonderd van alle orden,
-waarin de geleerden de dierenwereld hebben verdeeld, vertegenwoordigers
-onder de oogen hebt; van de insecten de meeste, maar ook van de
-kruipende dieren, van de schaaldieren, van de weekdieren en van wat al
-meer. Als ik u alles vertelde, zou er ook voor eigen waarneming niet
-veel overblijven, en daarom is het toch eigenlijk te doen.
-
-Het beste zal zijn, u van eenige veel voorkomende diersoorten een
-uitvoerige vorm- en levensbeschrijving te geven, die u tot steun kan
-strekken bij het nagaan der overige; zoo ter loops komen dan de meeste
-andere wel ter sprake, want van de één vertellen, zonder vele andere te
-noemen is niet mogelijk; door hun levenswijze staan al die
-slootbewoners zóó nauw met elkaar in verband, dat het wel schijnt, of
-de één alleen geschapen is, om de ander het leven mogelijk te maken.
-
-Bovendien zullen u de plaatjes wel met de meeste, al is het dan ook
-oppervlakkig, bekend maken.
-
-
-
-Het moet al een erg doode sloot zijn geweest, waarin ge uw eerste jacht
-hebt gehouden, of onder de buit bevindt zich één, of wellicht meer dan
-één, groote, donker olijfgroene kever. Dat ge aan een niet al te klein
-insect kunt zien of het een kever is, moet ik nu maar aannemen;
-trouwens de harde schilden, die de bovenzijde van het achterlijf en
-daarmede de vleugels bedekken, zijn een vrij gemakkelijk kenmerk van
-verreweg de meeste kevers; die worden daarom immers in de leerboeken
-ook schildvleugelige insecten genoemd.
-
-Ga nu na, of de groote kever, die ge gevangen hebt, met de volgende
-beschrijving overeenkomt; dit is meer dan waarschijnlijk, want de
-kever, die ik bedoel, de Gerande Waterkever, komt bijna overal voor.
-Zonder hem af in een klein fleschje, voor ’t gemakkelijk vergelijken
-(fig. bl. 7).
-
-Zooals gezegd is; zijn kleur is olijfgroen, bij zwart af, hij glanst in
-de zon met een paarsen of rooden weerschijn; zijn lengte is ongeveer 3
-c.M.; zijn breedte zal er 2 zijn; veel meer niet, of het is een andere
-soort. Al dadelijk zal u zijn naam verklaard zijn, wanneer ge let op de
-gele omlijsting van het borstbeeld; de dekschilden zijn niet geheel
-door den gelen band omgeven: die wordt smaller naar den top der
-schilden, dat wil zeggen naar de punt van het achterlijf, en verdwijnt
-even voor de grootste breedte.
-
-Die dekschilden geven een middel aan de hand, om de wijfjes van de
-mannetjes te onderscheiden. Bij de mannetjes zijn ze namelijk glad en
-glanzend; bij de wijfjes daarentegen wordt die glans verdoofd door een
-aantal groeven of voren, die van het borstbeeld af evenwijdig met de
-vleugelnaad loopen en naar het achtereind toe steeds ondieper worden;
-zoodat ongeveer een derde der schilden, van de punt van het achterlijf
-gerekend, ook bij de wijfjes glad is. Toch kunt ge bij nauwkeurig
-toezien ook op de schilden der mannetjes eenige rijen puntjes of
-kuiltjes onderscheiden.
-
-Bekijkt ge het dier van den onderkant, dan blijkt het daar bijna geheel
-geel gekleurd te zijn, en ge bespeurt een gewiemel van ledematen,
-waaruit op het eerste gezicht niet wijs te worden is.
-
-Als het beest zich een oogenblik stil houdt, onderscheidt ge 3 paren
-pooten, (ook al een kenmerk voor een insect, ten minste van een
-volwassen dier) en daartusschen een geducht verdedigings- of
-aanvalswapen van onze tor, een korte twee-puntige speer; beproef de
-scherpte ervan maar eens aan uw vinger.
-
-Misschien bedankt ge er voor, het dier levend in de hand te nemen,—nu,
-dat is u ook niet kwalijk te nemen; ook al hebt ge nog niet
-ondervonden, dat onze gerande vriend er een zeer leelijke gewoonte op
-na houdt, die hem dikwijls uit den nood helpt, maar ons, menschen met
-gevoelige reukzenuwen ten minste, niet juist aangenaam aandoet. Maar
-laten we er niet omheen draaien met mooie woorden; wie de natuur wil
-bestudeeren, moet niet al te vies zijn. Hij scheidt, als hij in het
-nauw zit, aan den rand van het borstschild en ’t achterlijf een
-vloeistof af, die een allervuilste reuk verspreidt; heeft hij uw
-vingers bespoten, dan kunt ge er gerust groene zeep of soda bij halen,
-anders is den heelen dag de stank niet van de handen te krijgen; schoon
-water helpt niet.
-
-Heeft hij een keer vocht gespoten, dan doet hij dit vooreerst niet
-weer; bovendien, vergif is het niet, laat u dat nooit wijsmaken. Als ge
-de boeren, die u zien scheppen, gelooven wilt, dan zijn al die
-slootdieren, tot salamanders en kikkers toe, vergiftig. Ook kunt ge
-onze kever wel doen spuiten, zonder u zelf te laten bezoedelen; als ge
-hem namelijk op een gladde oppervlakte legt, zoodat hij wild met zijn
-pooten krabbelt, zonder vooruit te kunnen komen, en hem dan zacht op
-den rug tikt.
-
-Maar, al zijt ge niet bang of vies uitgevallen, het aanvatten van onze
-tor zou u toch nog wel eens een leelijk gezicht kunnen doen trekken.
-Behalve het stinkvocht en de spies aan zijn borst, heeft de gerande
-waterkever nog een wapen, dat ook niet te minachten is. Hij verheugt
-zich in het bezit van een paar kaken, die u een „aangenaam kennis te
-maken!” toe kunnen roepen, dat ge waarschijnlijk met een beleefd „auw,
-auw!” zult beantwoorden. Heel lang duurt de pijn niet, en verdere last
-hebt ge er, duizend tegen één, ook niet van. Toch mag ik u, hoe dapper
-ik u acht, niet aanraden, de proef te nemen; en moet ik u eveneens
-sterk afraden, er een ander aan te wagen. Die kaken, een paar kromme
-haken op het oog, dringen meestal niet door de huid heen, maar het kon
-bij fijne handjes toch wèl eens het geval zijn—en dan weet men nooit,
-waarmee men ingeënt wordt; zoo’n gerande tor is niet heel kieskeurig op
-zijn spijzen, hij kon wel eens aan een dier, dat in staat van
-ontbinding verkeerde, hebben gevreten, en daardoor mocht hij misschien
-eens smetstof met zijn kaken in uw bloed brengen; wat licht een
-verzwering tengevolge kan hebben.
-
-Nu zult ge misschien de opmerking maken, dat ik druk bezig ben, u af te
-schrikken van de studie der slootdieren, na u eerst veel genoegen
-voorgespiegeld te hebben van die waarnemingen. Het zou mij erg spijten,
-als dit zoo was; niet, dat ge die opmerking maakte, maar dat ge u liet
-afschrikken.
-
-Ge begrijpt wel, dat ik, om dit te vermijden, het bovenstaande licht
-weg had kunnen laten; toch heb ik het willen zeggen, al is de kans op
-besmetting 1 tegen 1000; ik heb maar ééns gehoord, dat het gebeurd is;
-en ik ben zelf vaak gebeten, zonder er eenige gevolgen van te
-ondervinden.
-
-Laat het u tot voorzichtigheid aansporen, zonder het onderzoeken te
-vermijden. Vat een kever altijd aan tusschen duim en vinger, in zijn
-lenden, en is het er een, die vocht afscheidt, gebruik dan liever een
-pincetje; een dubbel gevouwen strookje blik is daartoe heel geschikt.
-Een tor in de holle hand houden, kan nooit kwaad; zoo’n dier bijt
-alleen, als het zich voelt aanvatten.
-
-Maar laat ik niet afdwalen, er is zoo veel te vertellen. Het loont
-werkelijk de moeite, eens na te gaan, hoe de inrichting van onzen
-kever—de geheele lichaamsvorm en het maaksel van de lichaamsdeelen op
-zich zelf—met de levenswijze in verband staan. Die twee, levenswijze en
-inrichting, passen meestal zoo wonderwel bij elkaar, dat zelfs iemand,
-die nog niet veel aan natuurstudie gedaan heeft, toch vaak uit de
-inrichting veel van de levenswijze kan opmaken.
-
-Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van den romp, zal men moeten
-erkennen, dat er haast geen doelmatiger vorm te bedenken is voor de
-beweging over en door het water. Van boven is het lichaam zwak gewelfd,
-van onder naar het midden hellend, en afloopend in een uitspringende
-lijst, een kiel, zooals bij een schip. Kop, borst en achterlijf vormen
-een aaneengesloten massa; geheel anders dan bij de meeste landkevers,
-waar insnoeringen tusschen de drie hoofddeelen voorkomen. Niets is er,
-dat zijn vaart in het water kan belemmeren. Het is een licht bootje van
-langwerpig-eironden vorm, van boven met een glad, bol dek voorzien, dat
-maar een paar roeiriemen noodig heeft om door en over het water heen te
-schieten.
-
-Merkwaardig is het, dat ge in dezelfde sloot of plas, waaruit ge uw
-gerande torren hebt opgevischt, een nog vlugger waterdier zult vinden,
-dat, wat de vorm van boven- en onderkant betreft, juist het
-tegengestelde vertoont van wat bij den geranden waterkever zoo
-doelmatig schijnt.
-
-Het is de ruggezwemmer (fig. 19); waarschijnlijk hebt ge hem ook met
-den eersten schep bemachtigd, want hij komt overal en in overvloed in
-ons land voor. Zijn fraai geel, grijs en bruin geteekende onderzijde is
-bol, zijn donkerder bovenzijde daarentegen gevormd als de onderzijde
-van den geranden tor, dus stomp dakvormig.
-
-In verband met het voorgaande is dit dus ondoelmatig te noemen, zult ge
-zeggen. Wacht even, dat hangt immers van de levenswijze af. Let daar
-dus eerst een oogenblikje op. Schep hem met de volle hand uit de
-flesch. Pas op, hij is een even groot roover als de gerande, en al
-heeft hij geen kaken, zooals deze, hij draagt aan zijn kop een lange,
-spitse priem, die hij u diep in het vleesch kan boren.
-
-Laten wij liever het blikken knijptangetje gebruiken; dat is
-verstandiger. Zie zoo, leg hem nu recht op het water. Wip! heb je dat
-gezien? Hij heeft zich met een sprongetje onderste boven gegooid, en
-zwemt snel op zijn rug naar beneden. Bijna altijd beweegt hij zich op
-die wijze door het water; zoo ziet ge, dat om de doelmatige inrichting
-te begrijpen, het ook noodig is, de levenswijze te kennen. Weinig
-slootdieren, of het moest de schaatsenlooper zijn, (fig. blz. 43)
-hebben zoo’n gepasten naam als deze ruggezwemmer, en weinig ook zoo’n
-zonderlinge manier van zich voort te bewegen.
-
-O, alleen maar de manier na te gaan, waarop de waterdieren zich door of
-over hun element bewegen, is al zoo’n belangwekkende natuurstudie. Neem
-honderd slootdieren van verschillende soort en ge vindt er geen twee,
-die het op dezelfde manier klaarspelen; als overal in de natuur, is
-hier onmetelijke rijkdom in vorm en middelen, eindelooze afwisseling,
-die de studie tot een genot maakt.
-
-Maar op elk uwer vragen, hoe is dit of dat mogelijk? b.v. dat de
-waterslak onderste boven tegen de lucht of de oppervlakte van het water
-voortkruipt—zult ge niet altijd dadelijk een antwoord kunnen krijgen;
-het maakt de natuurstudie evenwel niet minder prettig, dat er nog
-zooveel raadselen op te lossen zijn.
-
-Soms ook kunt ge geen naam vinden voor een manier van voortbewegen.
-
-Zoo is er een goudgroene, langwerpige landkever of eigenlijk een
-oeverkever, waarvan de larven zich onder water verpoppen; Donacia heet
-hij (zie teekening blz. 19); ge vindt hem in Mei bij honderden aan
-rietstengels; in een boekje, (dat op dit volgt), zullen we hem
-misschien met dieren, die meer aan den kant van de sloot voorkomen,
-zooals kikvorschen, ringslangen enz. uitvoerig bespreken; zie er maar
-vast zelf wat aan op te merken. Als dit diertje, pasgeboren, naar boven
-komt, beweegt het zich op een onbeschrijfelijke manier over ’t water
-naar den oever; al gooit ge er tien terug in ’t water, om goed waar te
-nemen, hoe het toe gaat, ge kunt er geen naam aan geven; het is geen
-zwemmen, geen drijven, geen vliegen, geen roeien, geen loopen, geen
-glijden,—het is alles tegelijk en toch nog wat anders.
-
-Maar om op onzen geranden tor en den ruggezwemmer terug te komen. Ik
-zei, dat het schuitjes waren, die maar een paar roeiriemen noodig
-hadden, om volmaakt te zijn.
-
-En die roeiriemen ontbreken niet. Een blik op de achter- en
-middelpooten, of liever op de voeten van die pooten, leert u dadelijk,
-waarvoor ze dienen; hoe vreemd het u in ’t eerst mag toeschijnen, bij
-nauwlettend gadeslaan van een zwemmend insect, zult ge er veel
-overeenkomst in vinden met de zwemvoeten van een zwaan of een
-kikvorsch. Evenals deze uitmuntende zwemmers bij den slag achterwaarts,
-die hen voortstuwt, de zwemvliezen breed uitspreiden—en bij het inhalen
-van den poot die vliezen samenvouwen, om den weerstand van het water
-zoo gering mogelijk te maken—evenzoo handelt de gerande waterkever met
-de dubbele rij haren, dicht aaneengesloten als de baard van een veer,
-aan zijn achterste en middelste voeten. Bij den stuwslag spreiden de
-rijen haren zich tot een treed vlak uit, bij het inhalen vallen ze
-samen tot een dun vlies, dat aan het water weinig oppervlak biedt.
-
-Wanneer wij een bootje voortroeien, halen wij bij den terugslag de
-roeispanen uit het water, dat is even doelmatig; maar als iemand eens
-een bootje à la Jules Verne wilde maken om, evenals onze tor onder
-water te roeien, dan kon hij niet beter doen, dan de roeipooten van den
-geranden watertor tot model te nemen voor zijn roeiriemen.
-
-De spaan moet dan in de lengte, maar slechts naar éen zijde, om de
-scharnieren kunnen samenslaan en bij den terugslag openklappen. Zoo’n
-spaan is werkelijk wel te maken, ook wel misschien met voordeel te
-gebruiken bij onze gewone roeibootjes. Wie weet, wordt één van u nog
-eens de uitvinder van een verbeterde roeimethode! De menschen hebben
-het zeilen en sturen en zwemmen wel van de vogels, visschen en kikkers
-afgekeken, waarom zou onze tor of de ruggezwemmer op zijn beurt de
-menschen niet een nieuwe roeimanier aan de hand kunnen doen.
-
-Dat ook de gerande waterkever behendig zwemmen kan, al is hij niet de
-vlugste onder de roeiende insecten, bemerkt ge, als hij, in een niet al
-te groote waterkom, jacht maakt op een stekelbaarsje; ondanks de veel
-samengestelder mecaniek der zwemtoestellen van dat vlugge vischje, moet
-dit het afleggen tegen de kever. Heeft hij het ingehaald, dan worden de
-roeipooten buiten dienst gesteld, de middel- en voorpooten worden
-grijptangen,—zie maar eens wat een doornen en klauwen er aanzitten,—en
-de kromme kaken beginnen hun moorddadig werk.
-
-De mannetjes van den geranden waterkever hebben, voor het geval de
-pooten of kaken zoo gauw geen vat kunnen krijgen—o.a. op de gladde,
-harde schubben van een vischje—nog een geducht middel om zoo’n
-glibberige prooi het ontkomen te beletten. Twee tarsen van den voet der
-voorpooten zijn verbreed tot een schijfje; dit doet dienst als zuignap;
-het werkt ongeveer op dezelfde wijze als het stukje leer aan een touw,
-waarmede ge steenen uit de straat kunt lichten. De wijfjes hebben dit
-schijfje niet, en zijn door dat gemis (nog beter dan door het bezit van
-groeven in de dekschilden) van de mannetjes te onderscheiden, want er
-zijn wijfjes gevonden zonder, of bijna zonder groeven, maar nooit met
-hechtschijfjes aan de pooten. Aan een dood exemplaar zijn die schijfjes
-gemakkelijk nader te onderzoeken, en dan blijkt het, dat zoo’n
-instrumentje nog weer samengesteld is, en uit een aantal kleine en één
-groote zuignap, of beter: „plakschijf” bestaat.
-
-Dat die hechtschijfjes nog een anderen dienst te verrichten hebben, zou
-men mogen opmaken uit het feit, dat alleen de mannetjes ze bezitten. De
-wijfjes kunnen ook wel een vischje aan.
-
-Houdt ge uw kever een klein stukje vleesch voor, terwijl hij doodstil
-aan de oppervlakte van het water drijft, dan merkt ge op, dat het
-gezicht van het dier niet bijzonder scherp schijnt te zijn; hij
-verroert zich niet, zoolang gij het niet beweegt; maar raak nu even met
-uw stukje vleesch aan een van zijn beide sprieten—de lange draden voor
-aan den kop—en dadelijk slaat hij de klauwtjes van één van de
-voorpooten in het vleesch; hij buigt plotseling de voet zoo, dat het
-stukje tegen de hechtschijfjes gedrukt wordt, en roeit er snel mee naar
-den bodem, om het daar op zijn gemak op te peuzelen.
-
-Probeer nu hetzelfde met een stukje brood of een stukje vrucht, de
-kever taalt er niet naar; maakt ge het hem te lastig, dan duikt hij,
-zonder acht te slaan op de kruimeltjes, die ge hem nawerpt. Hij woelt
-het zand van den bodem van uw flesch om; gelukt het hem, daar een
-wormpje te pakken, dan ziet ge hem in zijn vraatzucht; daarbij houdt
-het dier den kop wat meer opgericht, dan wanneer hij in rust is, en
-daardoor worden de kaken duidelijk zichtbaar; die werken van rechts en
-links naar elkander toe, niet van boven naar onder, zooals bij de
-grootere dieren en bij ons.
-
-Dat zijn gebit uitstekend ingericht is, bemerkt ge, als ge eens oplet,
-hoe vlug hij een dood stekeltje verorbert. Die inrichting is echter bij
-onze kevers samengestelder, dan oppervlakkig schijnt. Een beschrijving
-ervan zal het u—vrees ik—niet duidelijk kunnen maken, maar misschien
-gaat het wel, als ge bijgaande teekening, die zeer vergroot is, er bij
-neemt, en tegelijk de aangewezen deelen bij een doode kever opzoekt.
-Een goede loupe is daarbij niet overbodig.
-
-Wordt het u te ingewikkeld, sla dan deze twee bladzijden over; denkt ge
-er evenwel over, mettertijd eens een keververzameling aan te leggen,
-getroost u dan liever wat inspanning; want heel dikwijls dienen
-bijzonderheden van de mondwerktuigen van een kever bij het bepalen van
-de soort.
-
-Evenals alle goede dingen bestaan die mondwerktuigen in drieën. Op de
-teekening is voor de duidelijkheid de kop van een loopkever, wiens
-kaken ver vooruitspringen, voorgesteld en wel van de onderzijde gezien.
-Aan elk der deelen is hier een eigen tint gegeven; de beide
-cirkelvormige bovenkaken vormen den achtergrond van de teekening—die
-zijn wit en gestippeld; aan ’t boveneind van die kaken, ziet ge
-binnenwaarts scherpe tanden of kaken. Daarover liggen de beide
-onderkaken: alles wat op de teekening het donkerst (zwart) getint is,
-behoort tot die onderkaken. De derde afdeeling, (weer lichter) loopt
-ten deele dwars daaroverheen; dat is de onderlip.
-
-De (gestippelde) bovenkaken zijn niet verder geleed; ze bewegen, net
-als de beide bladen van een schaar, naar elkaar toe, en dienen tot het
-grijpen, dooden en vasthouden van de prooi.
-
-De onderkaken (zwart) zijn echter zooveel te meer samengesteld. Elke
-helft van zoo’n monddeel bestaat uit een onderstuk: den wortel (op de
-rechterhelft der teekening met w aangeduid); daarop kan de dikke steel
-(st) zich naar rechts of links een weinig bewegen. Uit den top van die
-steel ontspringen, buitenwaarts gericht: de kaaktaster (kt.) en,
-binnenwaarts gericht, een binnenste kaakstuk (k). Dat binnenstuk is van
-stijve, hoornachtige pennen voorzien, die het voedsel bewerken vóór het
-door de keel gaat. De dienst van de kaaktasters (kt) is nog niet met
-volkomen zekerheid aan te geven. Bij het vreten zijn ze voortdurend in
-beweging, de pikzwarte kever en ook de gerande watertor brengen ze
-telkens met het voedsel in aanraking. Wellicht bevatten ze
-smaakzintuigen. Alsof dat niet ingewikkeld genoeg was, vindt men op het
-binnenste kaakstuk bij veel kevers nog een tweede stel kaaktasters
-(kt′).
-
-De derde afdeeling (de onderlip) is ook nog al geleed. Die bestaat uit:
-de kin k, daarop de eigenlijke lip met de tong l, en deze zendt naar
-rechts en links weer een gelede taster (l.t.) uit, liptaster genaamd.
-
-Het onderste niet getinte deel van den kop, is het hoornachtige
-keelstuk.
-
-In hoofdzaak is het kakenstelsel bij de verschillende keversoorten aan
-de beschrevene gelijk. Zoek nu tot oefening de overeenkomstige deelen
-even op, aan de beide kleine, afzonderlijk geteekende onderkaken van
-een paar andere kevers. Dan merkt ge al dadelijk eenige kleine
-afwijkingen. Zoo is bij de eene, links, de binnenste kaaktaster (kt′)
-van een eigen steel voorzien, en heeft het binnenste kaakstuk een
-steunend verlengstuk, dat tot aan den wortel (w) reikt. De andere
-onderkaak (hij is van een zandloopkever) draagt aan dat binnenstuk (k)
-een beweeglijke tand (td), en dat stuk ligt vlak tegen de steel (st)
-van de onderkaak.
-
-Dat is een heele anatomie geworden, maar ik hoop, dat ik een enkele van
-mijn lezers, die kevers verzamelt, en voor wien zulke namen tot nu toe
-abacadabra waren, er een dienst mee gedaan heb.
-
-
-
-Hebt ge nu in uw gerande torren roofdieren ontdekt, voor wie geen enkel
-dier in uw flesschen veilig is, dan zult ge wellicht meenen, dat een
-andere kever van ongeveer gelijken vorm, maar een centimeter grooter
-dan de gerande, en die ge misschien tegelijk met deze gevangen hebt,
-een even groot monster is.
-
-En toch hebt ge dit glad mis; in de natuur moet ge altijd op
-verrassingen bedacht zijn, en niet gauw uit een paar voorbeelden een
-regel willen trekken; dat generaliseeren zou u hier leelijk kunnen
-foppen; waarnemen alleen kan waarheid geven. Die andere kever, waarbij
-ge de gele omlijsting der schilden te vergeefs zoekt, en die den naam
-van „pikzwarte waterkever” dan ook terecht draagt, heeft een ander
-karakter dan de gerande (zie fig. blz. 9).
-
-Zij komen zoo weinig in geaardheid met elkaar overeen, als een half
-verwilderde huiskat, die zoo nu en dan op de vogelvangst gaat, met een
-lobbes van een New-foundlander of St.-Bernardshond, die de wildste
-jongens op zijn rug paardje laat rijden, zonder ook maar even te
-knorren of de tanden te laten zien.
-
-Toch kunt ge zoo’n kever niet zonder proef bij uw stekelbaarsjes of
-salamanders in de flesch laten, ’t Is mogelijk, dat hij ze geen kwaad
-zal doen. Presenteert ge hem een stukje vleesch of eiwit, hij zal in de
-meeste gevallen beleefd bedanken. Doet hij dit, dan is uw groote, dikke
-pikzwarte tor, hoe gevaarlijk hij er ook uitziet werkelijk een goedige
-lobbes—bijten doet de sul zoo goed als nooit.
-
-De levenswijze van de dieren in de vrije natuur levert soms vreemde,
-vaak tegenstrijdige verschijnselen op. Zoo kan ’t gebeuren, dat ge in
-uw flesch of uw aquarium een pikzwarte watertor aantreft, die wel
-vleesch lust en die ook op stekels of andere vischjes jacht maakt, maar
-de regel is, dat onze kever alleen planten of doode dieren eet.
-Mogelijk is ’t ook, dat hij in ’t voorjaar vleesch eet. De een is hier
-de ander niet.
-
-Belangwekkend is zijn levenswijze in hooge mate; hij is daardoor voor
-velen het voorwerp van studie geworden. Hij is dan ook gemakkelijk te
-bestudeeren, doordat hij niet bijzonder vlug in zijn bewegingen is, ten
-minste lang niet zoo behendig als zijn buurman, de gerande.
-
-Al dadelijk merkt ge onderscheid met deze in de manier van zwemmen. Hij
-slaat zijn zwempooten niet beide tegelijk uit, maar roeit om beurten
-met de pooten; dit maakt op ons den indruk, dat hij door het water
-loopt of trippelt.
-
-Ook bij deze keversoort zijn de mannetjes op het eerste gezicht
-gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden. Evenals bij de gerande
-kevers, hebben de mannetjes aan het voorste paar pooten hechtschijfjes,
-maar van anderen vorm; die ontbreken bij de wijfjes. Ook zijn deze
-wijfjes wat grooter dan de mannetjes. De onderzijde is niet geel, maar
-lijkt grijsachtig, doordat die zijde dichter en fijner behaard is.
-Onder water schijnt, door de lucht, die kant met zilver beslagen te
-zijn; die zilverglans steekt prachtig tegen het diepe zwart van het
-bovenlichaam af, en dit maakt dezen kever tot een gewenscht sieraad
-voor elk aquarium.
-
-Houdt uw tante of uw grootmoeder toch al flinke, groote goudvisschen,
-bezorg haar dan eens een paartje van hydrophilus (zoo heet de pikzwarte
-in het latijn,—waterminnaar beteekent het) en plaatst er wat
-waterplanten bij. Maar geef een paartje, dat ge al een poos hebt
-nagegaan, en waarvan ge zeker weet, dat het vleeschvoedsel versmaadt,
-ook in ’t voorjaar. Anders mogen ze nooit bij de vischjes in.
-
-In het eerst zal uw tante misschien iets tegen die griezelige beestjes
-hebben. Als ge ze haar echter eens goed laat bekijken en ze apart
-plaatst, zoo dat ze de vischjes geen kwaad kunnen doen, zal ze er
-spoedig vrede mee hebben, dat ge wat zilver, smaragd en zwart naast
-haar goud hebt gezet. Zij zal er misschien evenveel genoegen in vinden
-als in de goudvisschen; voornamelijk nu ze ondervindt, dat door het
-groen haar lievelingen langer blijven leven, veel darteler worden, en
-dat het water niet zoo gauw bederft, al vergeet zij het te ververschen.
-
-Welke waterplanten ge nemen moet, hoe ge ze verkrijgen en planten kunt,
-en ook waarin die weldaad voor de vischjes bestaat, zult ge in de
-tweede helft van dit boekje gewaar worden. Dit wil ik er wel van
-verklappen, dat ge zoodoende van een foltergevangenis, een brokje
-werkelijke natuur hebt gemaakt.
-
-Toen uw Gerande Tor zooeven met het stukje vleesch, dat ge hem aanbood,
-de veilige diepte opzocht, hebt ge misschien opgemerkt, dat hij aan de
-punt van zijn achterlijf een luchtbel meenam en er onderweg een of meer
-liet ontsnappen. Let ge van tijd tot tijd op het doen en laten van uw
-beestjes, dan bemerkt ge wis, dat de watertorren wel heel lang onder
-water kunnen blijven, maar dat ze zoo nu en dan een luchtje komen
-scheppen.
-
-De gerande doet dit echter op een zeer zonderlinge manier; niet met
-zijn kop, maar met zijn achterlijf hapt hij lucht. Die lucht neemt hij
-mee naar beneden, als voorraad bij de ademhaling; en die geeft hem
-tevens een middel, om naar willekeur langzamer of sneller te dalen;
-want door lucht uit te werpen kan hij zich plotseling veel zwaarder
-maken. Hij gaat derhalve ongeveer op dezelfde wijze te werk als een
-luchtreiziger, die gas laat ontsnappen.
-
-Waar de tor die lucht bergt? Wel, de zachtgewelfde dekschilden vormen
-immers een dak boven zijn achterlijf, dat ruimte genoeg heeft om een
-flinken voorraad te bevatten. De randen van dit dak sluiten zeer goed
-om den eenigszins verhoogden zijrand van het lichaam heen; en die rand
-is bovendien van een rij fijne haartjes voorzien, die het indringen van
-water beletten. Alleen aan de uiterste punt van het lichaam ziet ge bij
-een dooden kever een fijne opening; die opening wordt echter bij de
-levende, in ’t water door een luchtbel afgesloten; ook de beide helften
-van het dak, de beide dekschilden, sluiten midden op den rug waterdicht
-tegen elkaar, zoodat de naad er tusschen slechts een fijne streep
-schijnt.
-
-Hoe vreemd het u mag toeschijnen, toch is het waar, dat onze waterkever
-zonder die merkwaardige inrichting in zijn eigen element zou
-verdrinken.
-
-Licht ge die dekschilden op, dan bespeurt ge, dicht bij den zijrand van
-het lichaam, aan weerszijden fijne langwerpige openingen, dat zijn de
-ademhalingsopeningen,—zijn neusgaten om zoo te zeggen. Door die spleten
-treedt de ademhalingslucht binnen, die verder door vertakte buizen
-gaande, het geheele lichaam voorziet.
-
-Wil nu de kever lucht halen, dan brengt hij zijn achterlijf aan de
-oppervlakte, hij licht de dekschilden eventjes op en sluit ze
-onmiddellijk weer; drukt hij die schilden, bij het dalen, op de
-veerkrachtige haren sterk aan, dan kan hij door de opening zooveel
-lucht laten ontsnappen, als hij kwijt wil zijn. De overblijvende
-luchtbel aan zijn achterlijf staat dus in verband met de lucht boven de
-ademhalingsopeningen.
-
-Door deze inrichting blijft onze tor bewaard voor verstikken en
-verdrinken. Tevens heeft hij daarin een middel, om bij gevaar snel den
-veiligen bodem te bereiken; daar is hij tusschen de donkere
-waterplanten door zijn eigen donkere kleur, voor zijn vijanden: snoek
-en baars, reiger en ooievaar, moeielijk te onderscheiden.
-
-Maar die pikzwarte dan? Die komt lang niet zoo dikwijls boven en nooit
-met zijn achterlijf, wel met zijn kop. Haalt die dan adem, zooals wij
-menschen? Neen, zoover ik weet is er geen enkel insect, dat door den
-mond adem haalt. Zij gebruiken hun bek uitsluitend, om voedsel op te
-nemen. Maar hoe dan? Wel, nauwkeurig waarnemen, dat is het enige middel
-om er achter te komen, of ten minste, om op den weg naar de waarheid te
-komen. Blijft er dan nog wat op te helderen over, dan vragen wij er de
-natuurvorschers naar.
-
-Onderzoek maar eerst, of uw pikzwarte tor wel den geheelen kop aan de
-oppervlakte brengt. Neen, niet waar? Alleen een van de sprieten, nu
-eens de rechter, dan weer de linker. En vreemd, hij steekt ze eerst
-boven water en onmiddellijk, daarop slaat hij de bovenste helft er van,
-die dikke knop met nog een paar leedjes, naar beneden terug in het
-water; de spriet schijnt gebroken, en de breuk raakt de oppervlakte.
-
-Tot zoover gaat het waarnemen vrij gemakkelijk, maar nu verder. Gij en
-ik zijn al tevreden, als we zoover gekomen zijn, dat we weten, dat die
-pikzwarte op die zonderlinge wijze de lucht opneemt met zijn sprieten.
-
-Maar de natuuronderzoekers blijven bij zoo iets niet staan, zij moeten
-het fijne van de zaak weten, het hoe, het waartoe en waardoor; en zij
-zijn er achter gekomen. Die het eerst het naadje van deze kous heeft
-gevonden, heeft er heel wat turens en hoofdbrekens aan gehad; daar kunt
-ge u van overtuigen, als ge de moeite wilt doen, met behulp van
-bijgaande teekening, die merkwaardige inrichting eens even na te gaan.
-
-
-
-Het figuurtje links stelt de spriet voor in rust, het andere in den
-stand van ademhaling. De geledingen 7, 8 en 9 daarvan zijn
-neergeslagen, 6, 5, 4, 3, 2, en het wortellid 1, dat aan den kop
-bevestigd is, zijn opgericht gebleven; de bovenste leden 9, 8, 7,
-onderscheiden zich van de andere, zoo als ge ziet, door sterke beharing
-en uitsteeksels; daartusschen blijft de lucht hangen, zij vormen met
-hun drieën een buis; het bovendeel 7 daarvan raakt de oppervlakte van
-het water; het ondereind—de punt van het laatste (9de) lid der
-spriet—ligt een eindje onder water; het pijltje wijst den weg van den
-luchtstroom, die door bewegingen van de leden van de spriet naar het
-eindpunt daarvan wordt gevoerd. Dat eindpunt nu brengt de kever onder
-den rand van het borstschild, waar de grootste ademhalingsopeningen
-liggen en vult zoo de luchtbuizen in zijn lichaam; of hij brengt een
-voorraad lucht naar den onderkant van zijn lichaam, waar een flinke
-hoeveelheid tusschen de lange, zijdeachtige haren geborgen kan worden.
-
-Die lucht is het, die de buik van den kever onder water verzilvert. Aan
-geen der elf geledingen van den spriet van een geranden watertor merkt
-ge iets dergelijks op; ze worden naar het eind toe iets korter; alleen
-het laatste lid is weer wat verlengd en knopvorming.
-
-Waarom nu de pikzwarte op zoo’n ingewikkelde wijze zijn levenslucht
-moet binnenhalen, heel anders dan de gerande? Zeer waarschijnlijk staat
-dat met de ligging der luchtbuis-openingen in verband. Bij de gerande
-liggen de grootste en de meeste op den rug onder de dekschilden, bij de
-pikzwarte zooals gezegd is, aan de onderzijde van het borstschild. Hoe
-dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levenswijze
-uitstekend past bij de inrichting van het lichaam.
-
-Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers zien dan
-griezelige beesten; ge moet nu wel een beetje eerbied gekregen hebben
-voor het leven van zulke merkwaardige ingerichte diertjes, en daarmede
-eerbied voor de schepping, de geheele Levende Natuur, waarin ze zich in
-verloop van eeuwen zoo ontwikkelen konden.
-
-Om de Levende Natuur te kunnen bewonderen en eerbiedigen, behoeven we
-niet eens te ontleden of microscopisch te onderzoeken. Reeds een weinig
-meer dan oppervlakkig beschouwen, toont ons overal om ons heen, die
-wonderlijke overeenstemming, die harmonie tusschen inrichting, tusschen
-de kleuren en vormen, en de levenswijze.
-
-Als we de inrichting en de beteekenis van zoo’n paar sprieten of
-dekschilden voor de ademhaling ons zelf duidelijk gemaakt hebben, zijn
-we tevreden er mee, en is het ons wonderlijk genoeg,—toch kunt ge er
-zeker van zijn, dat ge nog maar een tipje van den sluier heb opgelicht,
-die voor de meeste menschen die wondere inrichting bedekt.
-
-Onder die dekschilden hebt ge ongetwijfeld bij uw onderzoek een paar
-gevouwen en naar binnen gedeeltelijk omgeslagen, bruine vliezige
-voorwerpen gevonden—de vleugels.
-
-Vleugels? vraagt ge nu; waartoe dienen dan wel vleugels voor een dier,
-dat zijn geheele leven in het water doorbrengt?
-
-Alweêr een mooie gelegenheid om op het eeuwig verband tusschen
-levenswijze en inrichting te wijzen.
-
-Waar hebt ge uw kever gevangen? In een stilstaand water, een sloot, aan
-twee kanten door een dam of een overweg afgesloten. Maar waar moet nu
-de kever blijven en zijn voedsel vinden, als de zomer eens weinig regen
-brengt en veel warmte? Als de sloot uitdroogt? Zonder die vleugels,
-zijn laatste toevlucht in dat geval, moest hij ellendig omkomen. En
-waar konden die onmisbare redmiddelen beter, veiliger voor beschadigen
-of nat worden, geborgen worden, dan in de waterdichte luchtkamer onder
-de schilden?
-
-Nog vóor de nood aan den kever komt, door droogte of schaarschte van
-voedsel, klimt hij tegen een waterplant of tegen den slootkant op,
-waarbij hem de doornige uitsteeksels aan de schenen van nut zijn; daar
-pompt hij zich terdege vol lucht, de holle aderen in de vleugels ook;
-de schemering breekt aan, hij spant de vleugels uit, en zoekt een goed
-heenkomen. Brommend, snorrend, zoo luid als een meikever, zeilt hij met
-den wind achter de dekschilden voort, tot hij een waterplas, die woning
-en spijs belooft, in het oog of in den neus krijgt; die neus zit in de
-sprieten.
-
-Zoo komt het, dat wij onzen kever vaak aantreffen in kleine en zeer
-ondiepe waterplassen, in open regenbakken of watertonnen, in dorpsgoten
-soms. In den drogen zomer van ’92 schrikten de wandelaars in de
-Utrechtsche straat te Amsterdam op warme avonden herhaaldelijk op, en
-sloegen een snorrenden waterkever van zich af.
-
-Ook de menschen dwingen hem vaak, zich van zijn vleugels te bedienen.
-Toen eenige jaren geleden de breede sloot achter de Leeuwenhoekstraat
-bij het Staatsspoorstation gedempt werd, wemelde het ’s avonds, in den
-omtrek van ’t Amstelhotel, van allerlei waterkevers. Ze vlogen tegen de
-ballon van het electrisch licht en vielen op den grond.
-
-De jongens uit mijn klasse brachten er ’s morgens verscheidene levend
-mee, zoowel verschillende soorten van gerande, als de groote en de
-kleine pikzwarte.
-
-Nu weet ge meteen, dat ge uw aquarium tegen den avond dekken moet, als
-ge op zoo’n verhuizing van uw gevangenen niet gesteld zijt.
-
-Een tuinman vertelde mij lang geleden, dat hij vaak groote waterkevers
-op de glazen van zijn broeikassen vond, die daar op hun rug lagen te
-spartelen. Wellicht hebben die kevers de glazen, glinsterend door de
-ondergaande of opkomende zon, voor een waterplas aangezien.
-
-Hebt ge in uw bak met gerande watertorren plaats gevonden voor een paar
-waterplanten met een vrij dikken stengel, dan kunt ge het misschien
-treffen, dat een van de gevangen kevers u nog wat anders te zien geeft.
-
-Let goed op de bewegingen der wijfjes; ziet ge ze van tijd tot tijd een
-stengel met de voorpooten stijf omklemmen, de zwempooten schuin omhoog
-trekken en het achterlijf heftig krommen of schielijk bewegen, dan zijn
-ze van plan eieren te gaan leggen. Als de gevangenis maar niet al te
-ongeriefelijk is, of niet geheel ontbloot van waterplanten, dan nemen
-ze het weinige, dat er is, voor lief en beginnen de taak, die het
-voortbestaan van de soort verzekert.
-
-De punt van het achterlijf wordt sterk verlengd; twee puntige mesjes
-komen te voorschijn, en daar tusschen een kleine legboor, waarmee een
-gleufje of gaatje in een stengel wordt gestoken: in, of bij elk gaatje,
-dat is moeilijk te onderscheiden, wordt een eitje bevestigd. Niet veel,
-een dertig hoogstens, althans in gevangenschap. Die eitjes zijn soms
-wit, soms oranje, soms rood van kleur, langwerpig en betrekkelijk
-groot: 2 à 3 millimeter.
-
-Is dit afgeloopen, heeft het keverwijfje haar voornaamste taak
-volbracht, dan leeft zij niet lang meer. Verdere zorg, voor de eieren
-draagt ze niet, bescherming schijnt overbodig en uitbroeden kan zij ze
-natuurlijk niet; kevers hebben immers geen warm bloed, zooals de
-vogels. Alleen past ze op, dat de eieren niet te diep in het water
-komen, opdat ze voldoende zonnewarmte kunnen krijgen.
-
-Binnen 14 dagen wemelt het nu in het water van kleine doorschijnende
-larfjes; de vorm is niet duidelijk te onderscheiden, maar verzorgt ge
-ze goed met fijne stukjes eiwit of vleeschvezels, dan groeien ze
-verbazend snel. In een dag of vijf zijn ze een centimeter lang; ze
-krijgen dan een nieuwe huid, weer een dag of wat later zijn ze al twee
-maal zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe.
-
-Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig gij ze ook van
-voedsel voorziet, hun aantal vermindert voortdurend; waarschijnlijk
-verslinden de sterkeren de zwakken, zoodat er op het laatst niet veel
-overblijven.
-
-Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu in het water goed
-na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen, zooals ge er misschien
-reeds te gelijk met uw volwassen tor hebt gevangen. Haast in geen enkel
-opzicht zijn ze met den geranden watertor te vergelijken. (Zie fig.
-blz. 43).
-
-We hebben hier met twee gedaanten van hetzelfde dier te doen, die bijna
-evenzeer van elkaar verschillen, als de rups van zijn vlinder.
-
-In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor elkaar niet onder,
-in strijdlust evenmin. Daarin verschillen kevers en vlinders
-hemelsbreed.
-
-De volwassen larve grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan wat
-binnen zijn bereik komt, onverschillig of het een kikkerlarve, een
-stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; voor een jonge snoek
-is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of levend—alles is van zijn
-gading. Een mond heeft hij niet; en dit was ook overbodig, want hij
-zuigt zijn prooi met dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en
-doodt.
-
-Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe punt een opening,
-waaruit aan weerskanten een buisje naar binnen gaat; die buisjes zijn
-met het bloote oog vrij goed te zien, ze vereenigen zich nog in den kop
-van de larve, en vormen samen een wijdere buis, die door het geheele
-lichaam heen zichtbaar is.
-
-In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden, het lichaam naar
-voren gekromd, de zes onevenredig lange pooten wijd uitgespreid, hangen
-ze met het achterlijf aan de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes,
-luchtbuizen, door haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als
-dood, aan de oppervlakte op den loer; tot een argeloos vischje of een
-salamander binnen het bereik van pooten of zuigtangen komt. De
-salamander kwiekt luid, als hij zich door zijn doodsvijand voelt
-aangrijpen. Hij worstelt lang, maar als ge hem niet snel van zijn
-bespringer verlost, is het met hem gedaan. Hij mag duiken, uit het
-water opspringen, in het water pijlsnel voortschieten,—hij raakt zijn
-bloedzuiger evenmin kwijt als de haas, die door een wezel besprongen
-is.
-
-Eens komt echter ook voor dit monster de tijd, dat zijn eetlust
-vermindert, dat hij traag en lusteloos wordt. Hij is nu volwassen, en
-tweemaal zoo lang als de kever, uit welks eieren hij voortgekomen is.
-
-Hebt ge ze zelf zoover groot kunnen brengen, of, wat veel gemakkelijker
-is, een aantal volwassen larven geschept, dan kost het niet veel
-moeite, de gedaanteverwisseling na te gaan.
-
-Zet in een goudvischkom een steen, die van den bodem, tot even onder
-het oppervlak van het water reikt en daarop een stuk van een dikke
-graszode.
-
-Op een goeien morgen zijn de larven uit de kom verdwenen. Onderzoekt ge
-een week later voorzichtig een gedeelte van de zode, dan vindt ge
-allicht een of meer holten, zoo groot als een vingerhoed, en daarin een
-witte of gele pop. Die verschilt in vele opzichten van een vlinderpop,
-die ge zeker wel eens gezien hebt; vooral doordat de deelen van den
-toekomstigen kever zeer duidelijk te onderscheiden zijn.
-
-Na een week of drie scheurt de pophuid open en de volkomen kever treedt
-er uit te voorschijn. Of liever treedt nog niet te voorschijn, hij is
-nog niet vertoonbaar, zijn chitine-huid is nog week als was en bijna
-even geel; zijn pooten nog te zwak om te roeien of te kruipen, zijn
-vleugels nog niet droog genoeg.
-
-In twee of drie dagen is hij donkergroen van kleur geworden en voelt
-hij zich sterk genoeg om de aarde, die hem van het water scheidt, op
-zij te ruimen en in zijn element de kost te zoeken.
-
-Precies zoo gaat het in de sloot toe. Wordt hij daar niet op het
-laatste oogenblik verrast door een waterrat of een mol, die aan de
-sloot zijn drinkgang komt aanleggen, dan is hij straks even bekwaam in
-het grijpen van zijn prooi, in het zwemmen, duiken of vliegen, als zijn
-soortgenooten, die al veel eerder ontpopt zijn; een les van hen heeft
-hij niet noodig; wel wordt hij, al doende, slimmer en handiger. Zijn
-jeugdige leeftijd is voor de ingewijden in de geheimen van een
-moddersloot, alleen kenbaar aan zijn lichtere onderzijde en de
-bijzonder sterk glanzende dekschilden.
-
-En de voortplanting van de pikzwarte? „Dat zal zooveel verschil niet
-zijn,” zegt ge wellicht, even goed als ik vroeger. „Eieren leggen,
-larven uitkomen, vervellen, groeien en nog eens vervellen, dan
-verpoppen en uitkomen,—dat liedje kennen we al van buiten!” Precies,
-maar ge kunt dan even zoo goed zeggen dat het leven van alle menschen
-zoo ongeveer gelijk is; geboren worden in dit jaar, kind, jongeling of
-meisje, volwassen, dan oud worden en sterven tot besluit in dat jaar;
-zoo ging het Napoleon en zoo ging het Rembrandt, maar toch met verschil
-niet waar? Ja, was er niet veel meer op te merken in de geschiedenis
-van de menschen of van de natuur, dan was het werkelijk niet de moeite
-waard, algemeene, vaderlandsche of natuurlijke historie te bestudeeren.
-
-Evenmin als het leven van alle menschen gelijk is, evenmin en nog veel
-minder is dat het geval met twee diersoorten, al zijn het beide ook
-waterkevers. Als ge ééns een paartje pikzwarten in een kom of aquarium
-gehouden hebt dan wed ik, dat ge elk volgend jaar zorgen zult, er niet
-zonder te zijn. Loont het al de moeite, gerande torren groot te
-brengen, onze Hydrophilus geeft nog heel wat anders te zien. Hij
-vergenoegt zich niet, zooals de gerande, met zijn eieren hier of daar
-aan een waterplant vast te hechten, zonder er zich verder om te
-bekommeren.
-
-Ziet ge in April of Mei het wijfje van Hydrophilus van tijd tot tijd
-met blaadjes eendenkroos, met groene draden of met een grooter blad van
-een of andere waterplant heen en weer zwemmen, dan begint straks een
-aantrekkelijke werkzaamheid, die nog maar bij één andere waterkever
-opgemerkt is.
-
-Hij doet het evengoed in een kom water als in de breede sloot. Laat de
-gelegenheid niet ontglippen, een kever onder water een nest te zien
-bouwen voor zijn eieren en zijn jongen, een nest dat minstens even
-kunstig en doelmatig ingericht is, als dat van een vink of wielewaal.
-
-Een nest onder water? Ja, hoe zou men het anders kunnen noemen? Ga maar
-eens nauwkeurig na, wat de kever daar met dat blad uitvoert; maar stoor
-hem niet; als ge hem aanraakt, houdt hij er mee op, en dan hangt het
-van het toeval af, of ge er juist bij zult zijn, als hij weer begint.
-
-Kijk, het wijfje legt zich op den rug onder dat blaadje fonteinkruid,
-dicht bij de oppervlakte, zij beweegt het achterlijf voortdurend heen
-en weer; daar keert ze het blad om en om: witte draden zijn er in de
-dwarste over heen gespannen: nu neemt zij het weer op de buik, draad
-bij draad komt uit vier buisjes aan het achterlijf te voorschijn; de
-twee grootste buisjes zijn bij het spinnen en weven duidelijk te zien.
-
-In een half uur tijds heeft de kever zich een boezelaar geweven, die ze
-stijf tegen de kanten van het lijf drukt, over de verhoogde kiel heen,
-daardoor krijgt die boezelaar een lichte ronding; de voorpooten liggen
-op de boezelaar, de middel- en achterpooten er onder; zoo rust de tor
-eenige oogenblikken uit.
-
-Maar er is haast bij den arbeid; ze schuift met inspanning van alle
-pooten den boezelaar af, grijpt hem met de voorpooten of de kaken, en
-manoevreert net zoo lang, tot de lap netjes achter op den rug komt te
-liggen; nu keert de kever zich op nieuw om en begint van vorenaf. Al
-weer is in een drie kwartier een boezelaar klaar, maar die is onder de
-hand met het lapje op den rug saamgesponnen; zoo is een rokje ontstaan;
-dit wordt van onder dicht gemaakt, en daar zit nu de tor halverwegen in
-een witachtige zak.
-
-Daarmee schijnt het uit te zijn, want er is geen beweging meer te
-bespeuren; ja toch, het is net, of het achterlijf uiterst langzaam, hoe
-langer hoe verder, voor uit den zak wordt uitgeschoven. En zoo is het
-ook; maar wat daarbij gebeurd is, kunt ge eerst later begrijpen; dan
-wordt het duidelijk, waarom de kever zoo stil zat: ze heeft een vijftig
-eitjes onder in den zak gelegd, op rijtjes naast en op elkaar, maar
-eerst heeft ze nog met een laagje spinsel den bodem belegd. (Zie fig.
-blz. 49).
-
-Nu is het achterlijf bijna geheel uit het nestje gekomen, en de kever
-haast zich, er een vlak dekseltje op te weven; over dwars, over langs,
-of het schering en inslag was, gaan de draden over elkaar; dat moet wel
-gauw gaan, anders komt er misschien water in.
-
-Ik heb meer dan eens gelezen, dat natuuronderzoekers hebben opgemerkt,
-hoe het mannetje, hierbij het wijfje ondersteunt; hij houdt het nestje
-in den goeden stand, zoodat het wijfje alleen maar heeft te weven;
-gezien heb ik het nooit, wel zag ik eens het mannetje voortdurend om
-het nestbouwende wijfje heen zwemmen, misschien wel, om de wacht te
-houden; een enkelen keer zag ik hem op het nestje zitten, terwijl het
-wijfje bezig was; ik heb toen iemand die het weten kon, gevraagd wat
-dat beteekende en kreeg ten antwoord: „dat dient om het lichte nestje
-onder te houden tot het klaar is.”
-
-De bovenhelft van het nest heeft de tor met licht weefsel
-gevuld,—onderin liggen de eieren; zoo is er al niet veel kans van
-omslaan, als het straks zal gaan drijven. Waterproef is het ook, en
-lucht en voedsel is er in voor de jonge larfjes.
-
-Toch heeft de tor haar taak nog niet naar haar zin volbracht. Bij
-hevigen wind zou het hulkje toch nog kunnen vergaan; zij zal er een
-mastje opzetten; slaat het scheepje dan soms op zijde, dan zal het
-kleverig mastje het water raken, daarop steunen, om zich later weer op
-te richten als de vlaag voorbij is. (Zie fig. blz. 11 en blz. 50.)
-
-Dat mastje spint ze in opgerichte houding, met den kop naar beneden, de
-draden legt ze in de lengte tegen elkaar; elke volgende een eind langer
-dan de vorige, zoo kan het mastje een paar centimeter lang worden. Ook
-hierbij hebben sommigen het mannetje zien helpen; wanneer het mastje
-zoo hoog is geworden, dat het achterlijf van het wijfje er niet meer
-bij kan, drukt het mannetje door zijn gewicht het nestje onder.
-
-Als ge zoo iets bijzonders merkt, noteer het dan. Lang niet alle
-pikzwarten bouwen op dezelfde wijze. Ik heb niet ’t geluk gehad, het
-ooit te zien; wel nam ik in dit voorjaar waar, dat het wijfje het best
-alleen af kan. Zij richt zich met ’t grootste gemak half uit het water
-en bespint den top van het mastje met haar penseelachtige spinbuizen.
-De bijgevoegde teekening heb ik gemaakt, terwijl ’t diertje bezig was.
-
-Is het wijfje eens begonnen eieren te leggen, dan kunt ge gerust het
-nestje verplaatsen, of het in de hand nemen met den kever er bij, om
-beter waar te nemen. Het diertje laat zich niet meer storen, en gaat
-zelfs op uw hand, buiten het water, verder met het eieren leggen of met
-het dekseltje te maken.
-
-Leg het maar weer in het water; zie eens, hoe het dier om het nestje
-heendraait, hier en daar nog wat bijflikt, verschikt of aanvult,—en
-teeken den datum van het eierenleggen aan. Tien dagen later moet ge van
-tijd tot tijd naar het nestje kijken; dan beginnen soms de larven al te
-leven in het nest. Het kan geen kwaad, ten minste als ge meer dan één
-nestje hebt, eens voorzichtig een stuk uit het dek van het scheepje te
-steken of te knippen; dan kunt ge de verandering en de kleurwisseling,
-die er binnen in plaats grijpt, ook zien.
-
-Binnen 14 dagen zijn alle larfjes uitgekomen, ze eten den eersten dag
-spinsel en eierhulsels, maar den volgenden dag reeds begint hun
-moordtocht door het water in uw kommen; dan is er geen slakje, geen
-wormpje meer veilig voor hun kaken; ze groeien verbazend snel en worden
-larven, zoo leelijk, zoo griezelig, dat ik, en velen met mij, ze niet
-zonder een kleine rilling van afkeer kunnen aanpakken, en we zijn
-anders niet zoo vies of angstvallig op het stuk van
-insecten-aangrijpen.
-
-De larve van de gerande is een monster, maar—’t is hem aan te zien; die
-van de spinnende waterkever evenwel is een dikke weeke, zwarte, sterk
-gerimpelde worm, die zich dood houdt, als ge hem opvischt, en die
-dubbelgevouwen als een slappe vellerige darm voor u ligt; ge wilt het
-vieze ding met den vinger op zij gooien, maar op eens hoort ge een vrij
-sterk, gillend geluid en, plotseling zich opblazend en zich krommend,
-slaat het verraderlijk schepsel zijn kaken in uw vel; als ge hem
-eenmaal kent, zult ge op uw hoede zijn, en hem eenvoudig met uw
-tangetje uit de mee opgeschepte planten oppikken.
-
-Merkt deze larve in het water gevaar, dan omgeeft hij zich plotseling
-met een zwart vocht, waardoor hij zich aan de vervolging door zijn
-vijanden in de sloot onttrekt, evenals de inktvisch dit doet in de zee.
-
-In uw aquarium kunt ge hem gemakkelijk voeden, hij vreet alles en nog
-wat; in korten tijd is hij volwassen, en op dezelfde wijze als bij de
-gerande moet ge het aanleggen, om het bijterig, roofziek gedrocht over
-te halen, zich in de mooie, belangwekkende, spinnende waterkever te
-veranderen.
-
-Geheel op dezelfde manier gaat deze gedaanteverwisseling niet, maar de
-verschillen merkt ge, als ge beide kevers kweekt, zonder aanwijzing van
-anderen, licht zelf op. Let vooral eens op den zonderlingen stand van
-de pop in de holte; de vijf haken aan den kop zijn steunsels.
-
-Vreemd, niet waar, dat met die verandering niet alleen de oude vorm
-verdwijnt, maar ook de geheele aard, de geheele levenswijze van het
-dier verandert.
-
-Hebt ge succes gehad met uw kweekerij, zijn de larfjes goed uitgekomen
-in de flesschen of kommen, waarin de ouders waren, dan is het zaak alle
-bewoners van die flesschen een ander plaatsje te geven, of er blijven
-ten slotte niet anders over, dan òf de larven van Dyticus òf die van
-Hydrophilus. Dyticus is de latijnsche naam voor de gerande watertorren,
-het woord beteekent „duikelaar”.
-
-Beter nog is het, alle jonge larven weer in dezelfde sloot te werpen,
-waaruit de kevers geschept zijn.
-
-Hebt ge daartoe geen lust of gelegenheid, breng er dan een paar
-waterwantsen en eenige scorpioenen in (zie de teekening blz. 19 en 43)
-of anders een stuk of twee, drie stekelbaarsjes; ge weet wel, die
-kleine, 4 à 5 cM. lange vischjes, met 3 of 11 stekels op den rug. Ze
-zijn in elke sloot bij massa’s te vinden. De elfstekelige noemen de
-jongens hier moddermannetjes. Die lieve diertjes met hun snoekenbek
-zorgen wel, dat de larven niet te sterk vermenigvuldigen; dat doen ze
-in de sloot ook.
-
-Wemelt het in den tijd, dat de eieren van Dyticus uitkomen, in alle
-slooten en plassen van jonge larven,—een veertien dagen later, maakt ge
-ze niet meer met elke schep buit. Zorgen de volwassen gerande torren,
-dat de stekeltjes niet oppermachtig worden in het water,—diezelfde
-stekelbaarsjes houden duchtig huis onder de keverlarven. Toch blijven
-in de meeste slooten deze vischjes ten slotte de baas. Ze zijn ook zoo
-strijdlustig en zoo vraatzuchtig tevens, dat ze heele slooten
-ontvolken, tot ze dan zelf bij gebrek aan voedsel te gronde gaan, want
-zij kunnen het water in geval van hongersnood niet verlaten, zooals de
-meeste andere slootdieren.
-
-De sierlijke, vlugge, meestal driftige bewegingen van het stekeltje
-maken, dat het voor een poosje een vroolijk, levendig aanzicht aan het
-aquarium geeft.
-
-Zijn manier van aanval en verdediging, zijn gezellige aard—ze zwemmen,
-als het aquarium niet te klein is, graag in scholen—alles aan het
-diertje trekt en boeit de aandacht; maar uw aquarium zou al te gauw
-leeg zijn.
-
-Eén paartje moet ge in elk geval houden, al is het maar alleen om de
-levenswijze na te gaan, en u zelf daardoor te verklaren, hoe dat
-beestje zoo licht de overhand krijgt in de sloten, ook in groote
-plassen en vischvijvers, ja soms in de rivieren; zoo zelfs, dat de
-visschers of karperkweekers vaak verplicht zijn, er opzettelijk jacht
-op te maken. Want ze maken de teelt van alle andere visschen
-onmogelijk, doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden.
-
-De stekels op den rug vallen hier in het oog; de driestekelige soort,
-die het veelvuldigst voorkomt, zet de rugvin, waarvan de scherpe
-naalden de stralen zijn, meestal alleen bij den aanval op,—de tien of
-elfstekelige is veel wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen
-bijna voortdurend in gereedheid.
-
-Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar, die niet
-dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats, waar zich bij de
-meeste andere visschen de buikvinnen bevinden, en zijn naar achteren
-plat tegen het lichaam aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op,
-en de andere visschen schijnen de vervaarlijke priemen niet gering te
-schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze op visschenmanier
-hun kleinere stamgenooten in willen slokken. De snoek zelfs blijft met
-zijn bek wel van het kleine stekeltje af, en de eend raakt ze ook maar
-zelden aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna altijd
-opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen, dat het een goed
-gewapende bek heeft; nog beter kunt ge de aanwezigheid van de fijne
-tandjes bemerken, door het gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of
-een griffelpunt over de kaakranden strijkt.
-
-Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo’n goede eetlust
-voorzien, moet het vischje in de vijvers wel lastig en voor het
-voortbestaan der overige waterbewoners gevaarlijk worden. Maar in de
-natuur wordt het evenwicht niet zoo licht verbroken; er is voor
-gezorgd, dat de boomen niet tot in de wolken doorgroeien.
-
-Heel vaak ziet ge stekeltjes, die lang niet zoo levenslustig zijn als
-hun kameraadjes; ze zijn anders heel dik en schijnen ook gezond, maar
-het is slechts in schijn; over een paar dagen ligt het vischje
-herhaaldelijk op zij aan de oppervlakte, en eindelijk sterft het; dan
-komen kleine, platte witte draden uit zijn lichaam te voorschijn, die
-over de oppervlakte heenkronkelen; het zijn een soort lintwormen, die
-het vischje de dood hebben aangedaan.
-
-Maar nauwelijks hebben de eenden in de sloot of de vijvers die
-dingetjes bemerkt, of ze schieten er op af, en de wormpjes zijn naar
-binnen en dood; dood, jawel, maar nog niet geheel en al; de wormpjes
-hadden ontelbare eieren bij zich, die levend het lichaam van de eend
-weer verlaten, niet als eieren, maar als uiterst kleine, alleen met een
-vergrootglas zichtbare diertjes; ze draaien en kronkelen met behulp van
-fijne trilhaartjes door het water, en bij het ademhalen door de
-stekeltjes, geraken ze weer tusschen hun kieuwen en zoo in het lichaam,
-waar ze zich opnieuw tot wormen ontwikkelen.
-
-Zoo komen er vele stekeltjes in den vijver om het leven, maar hun dood
-is toch niet geheel nutteloos voor de andere stekeltjes, al is het erg
-voor hen die dat lot treft; op die wijze wordt een al te sterke
-vermeerdering tegengegaan, die ten slotte immers den hongerdood van
-allen moest ten gevolge hebben.
-
-Zorg nu vooral, wanneer ge uit een groot aantal stekeltjes een paartje
-uitzoekt, om in het aquarium te houden, dat ge gezonde neemt; bemerkt
-ge, dat een enkele erg op zijde zwemt, neem hem dan uit de flesch, vóór
-dat hij sterft; wel schijnt het waar te zijn, dat de eieren van de
-stekelwormpjes eerst een eendenmaag moeten passeeren, om weer voor
-andere stekeltjes gevaarlijk te kunnen zijn; maar zeker is dat nog
-niet, en er zijn nog andere vischparasieten, waardoor uw ziek stekeltje
-aangetast kan zijn; die konden ook de overige wel eens besmetten.
-
-Een parasiet die in Amsterdam veel op stekelbaarsjes gevonden wordt,
-heb ik hier zeer vergroot geteekend. De jongens noemen het dier
-stekel-botje; werkelijk een goede naam. De parasiet is zoo plat en rond
-als een bot, maar de grootte is niet meer dan een halve centimeter. Ook
-is’t stekel-botje natuurlijk geen visch; ’t is een kreeftachtig dier,
-familie van de daphnia’s, cyclops, garnalen, waterspringers en zoo veel
-andere zoetwater schaaldieren.
-
-Ik zei, dat ge een paartje moest nemen, een mannetje en een wijfje, of,
-zooals het bij de visschen heet, een hommer en kuiter; het mannetje
-kunt ge in Mei, Juni of Juli gemakkelijk onderscheiden aan de kleur;
-zijn keel en borst prijken dan met goudroode, paarse en purperen
-kleuren; ook is hij veel onstuimiger dan de wijfjes; hij valt op alles
-aan, en jaagt onophoudelijk de wijfjes uit elkaar, die vaak in een
-hoekje van de waterkom bij elkaar schuilen en haast niet voor den dag
-durven komen.
-
-Neem zoo’n wakker kereltje apart, geef hem één, hoogstens twee groote
-wijfjes tot gezelschap. Zorg nu vooral voor kleine waterplanten, kroos,
-hoorn- of duizendblad, of nog beter voor een kleine hoeveelheid
-waterdraden; zoo heeten heel eigenaardig, die frischgroene draadvormige
-planten, die ge in elken sloot kunt vinden en die bij elke schep in het
-net raken. De boeren noemen ze ook wel vlag of flap; zij zijn het, die
-in het najaar die gele vellen op het water vormen.
-
-Stoor nu uw beestjes niet, kijk steeds op een afstand naar hun doen en
-laten; hebt ge maar een beetje geduld en geluk tevens, dan bemerkt ge
-op een goeden dag in Juni midden of in een hoek van het aquarium een
-kluwen van door elkaar gevlochten waterdraden, zoo groot als een
-walnoot. Bij nader bekijken, bespeurt ge, dat het een liggend tonnetje
-zonder bodem of deksel is, waarbij het mannetje de wacht houdt.
-
-Blijft hij voortdurend in de buurt van het nestje—ge begrijpt wel, dat
-het groene kokertje zoo iets is—dan hebt ge veel kans een aantrekkelijk
-natuurtafereeltje te zien afspelen; ik herinner me, dat ik het als
-kleine schooljongen eens gezien heb in een aquarium, dat in mijn
-geboorteplaats voor de winkelkast van een horlogemaker stond; op een
-school, waar ik later kwam, hadden we ook jaren achtereen
-stekelnestjes. Het nestje dat de tien-stekelige soort maakt, ligt
-zelden op den grond.
-
-Het mannetje jaagt onophoudelijk het wijfje na, drijft het in een hoek,
-bijt het er weer uit, tot het hem gelukt, het wijfje dwars door het
-open nestje te drijven; maar de opening is wat nauw, het wijfje kan er
-amper door heen, het blijft met haar stekels in de draden zitten en....
-legt haar eieren in het nestje neer.
-
-Maar nu moet het er weer uit, het krijgt een paar happen in den staart,
-weg is het; ook niet in de buurt blijven, neen, een heel eind uit de
-voeten: eierendiefje als het is, zou het haar eigen eieren niet sparen,
-maar het waakzame mannetje is op zijn hoede,—hij kent zijn volkje.
-
-Een paar malen schuift hij zelf door het tonnetje heen; daarbij laat
-hij wat homvocht (ge kent de hom van de haring wel) uit zijn lichaam op
-de kuit vallen; de eieren worden daardoor bevrucht, zooals men zegt;
-zonder dat homvocht zouden er geen jonge vischjes uitkomen; net zoo min
-als er weer jonge planten uit zaden kunnen komen, indien er geen
-stuifmeel op den stamper van de bloem is geraakt; in den stamper waren
-die zaden, net als witte eitjes, aanwezig.
-
-Als het mannetje zich uit het nestje gewerkt heeft, maakt hij de beide
-openingen wat nauwer en blijft in den omtrek kruisen; ieder die in de
-buurt komt, wordt met opgezette stekels verdreven.
-
-Na een week, soms eerder, dat hangt van de temperatuur van het water
-af, komen de jonge vischjes uit; al zien ze er eerst wat vreemd uit
-door den dikken kop en een soort van zak, die aan de keel hangt, het
-zijn toch al vischjes; met een gedaanteverwisseling hebben we hier niet
-te doen, dat is duidelijk.
-
-Als de vischjes ongeveer een centimeter groot zijn, maakt de zorgvolle
-vader de openingen van het nest wat wijder, en de jongelui mogen eens
-even buiten komen; het lijkt wel een nevelwolkje in het lichtgroene
-water. Nog een paar dagen—en papa gaat met zijn familie uit zwemmen.
-Wee het wijfje of het kevertje of de salamander, die te dicht bij de
-school kleintjes komt; het mannetje hapt als een dolle in ’t rond, zijn
-stekels worden ieder oogenblik in een dreigenden stand gebracht.
-
-Al zijn er waterplanten in de sloot of in ’t aquarium, dan bouwt het
-driestekelig stekeltje zijn nestje toch op den bodem. Als de eiertjes
-er in zijn, spoelt hij er zaadkorreltjes over heen, zoodat er niet veel
-van te zien is. Alleen een kleine opening in den bodem, waar wat
-wortelvezels of grashalmpjes uitsteken, duidt de plaats aan, waar het
-nest verscholen is. Toch kunt ge ’t wel vinden en het machtig worden,
-nu ge zijn aard en levenswijze kent. Ziet ge in Mei of Juni zoo’n
-eenzaam stekeltje in zijn bruiloftspak driftig op dezelfde plaats heen
-en weer zwemmen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat zijn nest niet ver
-af is.
-
-Breng langzaam uw stok in het water—het stekeltje zwemt er als dol om
-heen; nader met den punt den bodem en strijk er mee heen en weer—op het
-oogenblik dat de punt het nest raakt, vliegt het diertje, dat nu bijna
-geheel purperrood wordt, naar den bodem, bijt in den stok en tracht
-dien met zijn bek weg te stooten. Zoo slim als een kievit of leeuwerik
-is het stekeltje dus niet; zonder heel veel moeite kunt ge het nestje
-met zijn bewaker, die het niet verlaat, opscheppen, in uw flesch mee
-naar huis nemen en voorzichtig in een groot aquarium overbrengen. Vindt
-het diertje, wat echter lang niet altijd gebeurt, daar zijn nestje
-terug, dan herstelt en verzorgt hij het als te voren. Zijn roode kleur,
-die hij eerst verloren had, komt dan ook weer terug.
-
-Misschien hebt ge dan ook gelegenheid, eens op te merken, hoe aardig
-hij zoo’n ingegraven nestje van de noodige zuurstof voorziet. Hij staat
-soms minutenlang loodrecht boven de opening, den kop naar benedenen,
-drijft met alle vinnen en met den zijwaarts gebogen staart een
-bestendigen stroom van versch water, in en door het eiernest heen.
-
-Nestbouwende visschen zijn er maar weinig; in ons land maar één; en
-opmerkelijk is ’t, dat het stekeltje, die ééne, zoo’n gering aantal
-eieren legt, een twintig of dertig hoogstens, en die zijn soms nog van
-meer dan één wijfje afkomstig. Dat voor de veiligheid van al de
-honderdduizenden eieren, die een haring of een kabeljauw schiet, niet
-gezorgd behoeft te worden, is duidelijk; als er maar een klein deel van
-uitkomt, zal de visch niet uitsterven.
-
-Maar het stekeltje heeft er in vergelijking zoo weinig, daarom zorgt
-het mannetje er zoo goed voor. Daarom? Och, dat is maar bij wijze van
-spreken,—het stekeltje met zijn goudroode borst, weet van de inrichting
-in de natuur immers niets. Het is geen mensch, die vergelijken,
-nadenken en oordeelen kan, wat nuttig voor hem of zijn nakomelingen is.
-Hij doet het, omdat hij het moet doen, hij kan niet anders, de
-natuurdrift dwingt hem er toe, en—als wij het hem zien doen, bewonderen
-wij niet alleen dat redelooze vischje, maar in dat vischje de wijze
-inrichting der levende wereld zelve, Hem, die in dat vischje die drift
-heeft ingeschapen, of gezorgd heeft, dat die er in den loop der tijden
-in kon ontstaan.
-
-Maar hoe nu onze kleintjes in het leven te houden, om ze te zien
-wassen? Dat is zeer lastig in een kleine flesch, iets minder in een
-groot aquarium, maar toch in beide mogelijk.
-
-Houd bij alle pogingen, die ge doet, om uw dieren of planten in het
-leven te houden, toch steeds in gedachten, dat daartoe vier zaken
-onmisbaar zijn: voedsel, lucht, licht en reinheid. Het laatste klinkt
-misschien wat vreemd voor dieren uit een moddersloot, maar de
-ondervinding zal het u leeren. Alles wat dood is, plant of dier, moet
-zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, of uw vischteelt mislukt
-deerlijk.
-
-Nu behoeft ge niet alles zelf te doen, ge kunt een reinigingsdienst
-instellen zonder bezwaar voor uw zakgeld. Breng een flinke hoeveelheid
-kleine slakken in de flesschen; die nemen het grootste deel van uw taak
-over. ’t Doet er niet toe, of het gewone waterslakken, met min of meer
-langwerpige huisjes,—of wel slakken met platte huisjes zijn, waarvan de
-windingen naast elkaar in plaats boven elkaar liggen—posthoorntjes,
-zeiden wij jongens; planorbis heeten ze in de dierkunde. Zie de
-teekeningen hierbij. Groote slakken betalen zich zelf voor hun
-diensten, door uw waterplanten aan te tasten, en dat is lastig.
-Ofschoon ook al weer niet zoo heel erg; want in een studieaquarium
-plaatst ge toch geen dure of zeldzame planten.
-
-Ook wordt die schade weer eenigszins vergoed, door de gelegenheid, die
-zij u geven, hun eigenaardige vreetmanieren en bewegingen na te gaan;
-hun spreekwoordelijke traagheid maakt dit bijzonder gemakkelijk, en aan
-zoo’n slakkengang zit nog meer vast, dan gij, zoo oppervlakkig
-beschouwd, zoudt denken.
-
-In elk geval, het reinhouden van uw vischkweekerij kunt ge gerust aan
-uw slakken overlaten; alleen groote doode dieren en planten moet ge
-noodzakelijk zelf weg nemen. Al gebeurt dat in de sloot, waar de
-stekeltjes toch opperbest gedijen, niet door menschenhanden, ge moet
-niet vergeten, dat uw best ingericht aquarium toch nog maar nagebootste
-natuur is.
-
-Wat het licht betreft, daarvoor is wel het gemakkelijkst te zorgen.
-Voor een venster, als het mogelijk is voor een, dat geopend kan worden,
-is de beste plaats; maar langdurig direct zonlicht is schadelijk,
-tenzij ge van een groote voorraad schaduwgevende planten voorzien zijt;
-drijvende, vooral kikkerbeet of duitblad, zijn voor het aanbrengen van
-schaduw zeer geschikt en dat goedje gedijt weer kostelijk, als ge veel
-vischjes kweekt; daar het op zijn beurt gebruik maakt van het koolzuur,
-dat uw diertjes in het water uitademen. Dus zoo ongeveer door dezelfde
-oorzaak, die de planten in een goed bevolkt en zonnig schoollokaal zoo
-flink doet wassen.
-
-Door die drijvende waterplanten in ’t aquarium te brengen hebt ge dan
-meteen aan uw kweekelingen de noodige levenslucht verschaft; toch
-moeten er wat ondergedoken planten b.v. waterdraden en waterpest bij.
-Bovenal waterdraden, die scheiden veel gas af; ze zitten als de zon er
-maar eventjes door heen schijnt, zelfs in den winter bij de kachel, vol
-belletjes zuurstof. Deze zuurstof verrijkt de reeds in ’t water
-aanwezige lucht; die wordt voortdurend den bek in, en de kieuwen weer
-uitgestuwd; let maar eens op, hoe de borstvinnen onophoudelijk in
-beweging zijn (ook als uw vischjes stilstaan) om het verbruikte water
-weg te drijven, en ander aan te voeren.
-
-Er komen soms ook wel ongenoode planten in uw flesschen, juist als ze
-goed verlicht zijn, Eerst zinken er lichtgroene bolletjes, als zeer
-kleine speldeknoppen door ’t water; die stipjes groen, blijven op den
-bodem liggen, of zetten zich tegen de kanten vast. Langzamerhand
-overtrekt nu een licht groen beslag de glaswanden; dat doet de visschen
-eer goed dan kwaad; het zijn uiterst kleine plantjes van dezelfde soort
-als de waterdraden, algen heeten ze; maar zij beletten u het gadeslaan
-van de dieren, en daarom is het toch in de eerste plaats te doen.
-
-Goudvisschen en bittervoorns eten graag algen, maar die zouden meteen
-de jonge kweek-vischjes uit de wereld helpen, dus dat gaat niet.
-
-Welnu, zet wat meer en wat grooter slakken in het water, die maaien
-heel aardig die algenwei af; hun tong gaat onophoudelijk langs het glas
-en laat kaalgevreten strepen na. Daarentegen brengen ze er weer wat
-anders op, geleiachtige, langwerpige, doorschijnende massa’s van een
-paar centimeter lengte; als ge een goede loupe hebt, kunt ge daarin, na
-een paar dagen duidelijk kleine slakjes met huisje en al ontdekken, en
-van dag tot dag hun ontwikkeling uit de eieren nagaan.
-
-Die slakkeneieren zijn meteen een gezocht voedsel voor uw jonge
-stekelbaarsjes, evenals muggenlarven, die overal in massa te scheppen
-zijn.
-
-Dat ik u als voorwaarden tot het in leven houden van de pas uitgekomen
-vischjes ook het voedsel noemde, mag u wellicht wat onnoozel
-toeschijnen. Toch vroeg mij nog niet lang geleden, eens iemand, hoe het
-toch komen zou, dat zijn vischjes in het aquarium de één voor de ander
-na, stierven. Ik noemde allerlei dingen, die hij misschien verzuimd kon
-hebben, maar.... dit was het bepaald niet, en dat ook niet.
-
-„Misschien geef je ze te veel voedsel?” vroeg ik.
-
-„Voedsel?” zei hij. „Neen daaraan ligt het zeker niet, ze krijgen niets
-dan duinwater!”
-
-Mal toch, dat zoo iemand niet begrijpt, dat ook visschen van honger
-kunnen sterven.
-
-Het hangt juist van het voedsel af, of de teelt gelukken zal; veel, wat
-de volwassen vischjes verorberen kunnen, is voor de kleintjes
-ongeschikt,—omgekeerd niet. Slakkeneieren kunnen ze na een dag of tien
-al vrij goed van het glas krijgen, maar vóór dien tijd is er ook
-voedsel noodig.
-
-Nu zijn er gewoonlijk in het water, wel voor het bloote oog meestal
-onzichtbare diertjes, de infusiediertjes—ook al door Leeuwenhoek
-ontdekt,—maar die voorraad schijnt niet voldoende en te gauw uitgeput
-te zijn, bij de gezonde appetijt van de jonge visschen.
-
-Ga liever tegen den avond van een zonnigen zomerdag nog eens naar een
-sloot in de buurt. Ver hoeft ge niet te loopen, of ge ziet, dicht aan
-den kant, een roodachtige wolk in het water; is de sloot door
-eendenkroos bedekt, schuif het dan voorzichtig op zij, en de wolk wordt
-hier of daar zichtbaar.
-
-Breng op een eindje afstand van die wolk, uw groote flesch omgekeerd
-onder water, zoodat er weinig of geen lucht ontsnapt, keer hem dan
-midden in die wolk om. Dat is volstrekt geen gevaarlijk werkje, daar de
-wolk dicht bij de kant is, en ge altijd wel een vast plekje kunt
-vinden, om te staan; anders geeft ge uw linkerhand maar aan uw
-kameraad, die op den wal zit.
-
-Hebt ge bijgeval geen kennis mee kunnen krijgen, of is de kant te
-steil, haal dan uw fijnmazig schepnet een paar keer door die zwevende
-wolk en keer het in het water van de wijdmondige flesch om.
-
-Al dadelijk ziet ge in uw flesch, waaruit die wolk bestond; duizenden
-rondachtige diertjes huppen en schieten er door elkaar heen;
-wriemelende, geweiachtige sprieten doen dienst als springpooten bij de
-eene soort,—een vertakte staart bij de andere; want meestal hebt ge
-twee soorten watervlooien tegelijk geschept: daphnia, dat zijn die
-ronde, met hertengewei—cyclops zoo heeten die kleine met een staart en
-met vaak twee zakjes met zwarte stippen aan weerszijden van het
-lichaam; dit zijn wijfjes met eieren.
-
-Hebt ge met uw groote stopflesch vlug en handig gemanoeuvreerd, dan
-wemelt het er in—behalve van daphnia’s en cyclopen—van allerlei
-grootere dieren; garnaalachtige doorschijnende springers; larven van
-libellen, kenbaar aan hun langen staart van luchtbuizen; dikkoppige
-beestjes zonder pooten, zwart met grijzen buik: bullekopjes of
-donderpadden heeten ze hier en daar in ons land; allemaal toekomstige
-kikkers, salamanders of padden; draaitorren van allerlei soort, die
-even hun lustige quadrille aan de oppervlakte gestaakt hebben;
-muggelarven of poppen, net bokken met horens, die als dol over den kop
-buitelen; en.... jonge stekeltjes, die evenals die andere dieren daar
-in die daphniawolk kwamen soupeeren.
-
-Hier hebben we het natuurlijk voedsel voor onze vischjes; elke dag een
-scheutje uit den voorraad, en binnen korten tijd kunt ge met
-rechtmatigen trots uw kameraden volwassen vischjes toonen, die ge uit
-het ei, ab ovo, zeggen de geleerden, hebt geteeld.
-
-En niet alleen voor die jonge stekeltjes zijn ze het hoofdvoedsel; de
-oude visschen lusten ze ook dolgraag en worden er dik en vet van; ook
-heel veel andere vischsoorten leven hoofdzakelijk van daphnia’s; men
-plant ze met vaten vol in karpervijvers over; vooral in de meren zou de
-visch heel gauw uitsterven, als er geen daphnia’s bestonden: dat is in
-de laatste tijden bij onderzoek gebleken. Ja, tegenwoordig kan men ze
-in het buitenland versch of gedroogd per kilogram uit den winkel halen,
-ten gerieve van aquariumhouders of vischkweekers. Dat uitmuntend
-vischvoer wordt daar tegenwoordig ook opzettelijk in het groot geteeld.
-
-In een verloren uurtje moet ge zoo’n levende daphnia eens in een
-droppel water met de loupe bekijken; dat het diertje maar een oog
-heeft, en wel, een, dat hij als een molentje in het rond kan draaien,
-ziet ge al heel gauw; misschien ook nog, dat het grootste deel van het
-lichaam van het diertje in een dubbele schaal is besloten, die veel van
-een mosselschelp heeft, en waarbuiten de vertakte sprieten uitsteken.
-
-Voor de rest is het een gewriemel en gedraai en geslinger of er honderd
-wieltjes aan het diertje zaten, alle tegelijk in beweging. Eerst als de
-daphnia het verkiest, een oogenblik koest te zijn, ziet ge, dat er in
-de opening tusschen de schalen een groot aantal kreeftachtige pooten
-aanwezig zijn, die tot alles dienen, behalve te loopen. De daphnia’s en
-cyclopen worden dan ook tot de schaaldieren gerekend, evenals de
-garnaalachtige springers, die ge tegelijk met de wolk geschept hebt,
-deze heeten gammariden; ze geven in een aquarium nog al leven; maar als
-er visschen in zijn, duurt hun pret niet lang.
-
-Zijt ge nog op school, breng dan den onderwijzer of leeraar eens zoo’n
-paar daphnia’s mee, en verzoek hem, ze u eens door een microscoop te
-laten zien. Dan blijkt zoo’n diertje lang niet leelijk te zijn; de
-parelmoerachtige schalen prijken met allerlei kleuren en teekeningen;
-bovendien valt er daarbij iets waar te nemen, dat ge niet elken dag te
-zien krijgt: de bloedsomloop in een levend, ongeschonden dier. Dicht
-bij den rug, ontdekt ge het hart, een rooden zak, die door beurtelings
-samentrekken en uit te zetten, den bloedstroom met glasachtige
-lichtroode lichaampjes er in, inzuigt en uitstuwt; ook de eieren zien
-er dan heel anders uit dan met de loupe.
-
-Het zal u misschien opmerkelijk voorkomen, dat bijna alle volwassen
-daphnia’s in uw flesch wijfjes met eieren zijn: de veel kleinere
-mannetjes krijgt ge dan ook eerst laat in het najaar, soms eerst in het
-begin van den winter te zien. In den zomer komen uit de eieren der
-wijfjes diertjes, die meer op mijten of spinnetjes gelijken dan op
-daphnia’s; uit de wintereieren komen in het voorjaar weer nieuwe
-daphnia’s; deze eieren vormen het eenige overblijfsel van onze
-onvermoeide huppers, dat den winter overleeft.
-
-De visschen, donderpadden, ruggezwemmers, en de ontelbare kever- en
-libellen-larven zijn het niet alleen, die de dichte drommen der
-éénoogige daphnia’s ijler maken.
-
-Onder het groene blad van het drijvend kroos verborgen, loert een
-monster op die ongelukkige diertjes, dat zijn weerga niet heeft in onze
-zoetwaterslooten of plassen. Alleen in de volle zee vindt het zijn
-gelijken, maar dan in reusachtige afmetingen.
-
-Ge hebt misschien wel eens gehoord van de reuzenpolypen, die met hunne
-lange voelarmen den parelduiker omstrengelen, zoodat door zijn
-kameraden in de boot zijn terugkomst aan de oppervlakte tevergeefs
-wordt verwacht; of ge hebt wel eens een plaat gezien van de kraken, die
-fabelachtige monsters uit de Noord-Atlantische Oceaan, die met hun
-reuzenarmen het schip om de masten grijpen en het met onweerstaanbare
-kracht in de diepte trekken; of anders zeker wel eens gelezen van de
-inktvisschen, die vleeschzakken met 8 of 10 armen, die als slappe
-touwen door het water zweven, tot een visch, een kreeft of een
-schildpad binnen het bereik der voelarmen komt; deze tentakels beginnen
-dan plotseling als slangen te kronkelen en zuigen zich met honderden
-zuignappen vast aan de prooi; in hun kronkels verstikt het gevangen
-dier, het wordt naar den mond van de vleesch-zak gevoerd, waar het
-spoedig verdwijnt.
-
-Zoo’n monster, maar gelukkig voor de meeste slootbewoners, in zeer
-kleine afmeting, bewoont ook onze streken. Het is de zoetwaterpolyp,
-een diertje van hoogstens een centimeter lengte, wat het lichaam
-betreft.
-
-Leeuwenhoek was al weer de eerste ontdekker van het bestaan van dit
-vreemdsoortig wezen. Zijn ontdekking werd vergeten en een goede honderd
-jaren geleden, meen ik, werd het opnieuw ontdekt door iemand, die de
-werken van onzen landgenoot niet kende. Het is geen wonder, dat het
-diertje zoolang onbekend bleef; wie zijn bestaan niet vermoedt, zal het
-niet licht vinden; zelfs als men weet, dat er polypen in een of andere
-sloot leven, kost het moeite ze te vinden.
-
-Leeuwenhoek had al meermalen opgemerkt, dat tegen het glas van zijn
-fleschje met slootwater zich voorwerpen hechten, die hij voor planten
-hield. Het waren groene of bruine steeltjes, van een centimeter lengte,
-en zoo dun als een breinaald, vaak nog dunner, van boven echter wat
-dikker dan van onder; aan het dikkere gedeelte ontsprongen een 6 of
-8tal zeer dunne, kronkelige, spinnewebachtige draden, die zich ver in
-het water verspreidden, tot ze onzichtbaar werden.
-
-Wel was er beweging in die draden te bespeuren, maar hij schreef dat
-toe aan een zwakke beweging van het water, die door de kleine, ook door
-hem ontdekte infusie-diertjes werd veroorzaakt.
-
-Voor een onderzoek met zijn microscopen leenden ze zich minder goed;
-want nam hij voorzichtig zoo’n takje uit het water, dan viel het geheel
-in elkaar tot een geleiachtig, bruin bolletje, zoo groot als een
-speldeknop en hieraan was onder het microscoop weinig bizonders te
-ontdekken.
-
-Hij bleef het raadselachtige plantje langen tijd zorgvuldig gadeslaan,
-en bemerkte al spoedig, dat er zich aan den steel hier en daar een
-knobbeltje vertoonde; dat knobbeltje groeide aan en werd een takje,
-geheel gelijk aan dat, waaraan het gegroeid was. Het bleef eenige uren,
-soms ook wel een dag lang, met het oude. takje in verbinding, liet
-daarna los en hechtte zich, een eindje van het eerste af, op dezelfde
-wijze met zijn voet aan het glas vast.
-
-Deze manier van voortplanten herinnerde Leeuwenhoek aan de
-voortplantingswijze van sommige gewassen, en het versterkte hem in de
-meening, dat hij hier eveneens met een plant te doen had. Toch had hij
-er geen vrede mede; telkens en telkens keerde hij tot zijn zonderling
-plantje terug, en bespeurde toen, dat het zich op de een of andere
-wijze verplaatst moest hebben.
-
-Op zekeren dag dat hij, zooals gewoonlijk in zijn sitsen kamerjapon
-gekleed, voor zijn groote tafel aan het venster zat, en last had
-gegeven, hem in geen geval te komen storen, bemerkte hij, dat het
-plantje zich bewoog; Leeuwenhoek had al heel wat nieuws en wonderlijks
-onder zijne oogen zien gebeuren, maar dat gezicht deed hem hevig
-ontstellen, het glaasje trilde in zijn handen.
-
-Geen wonder, wat hij daar zag, had hij nooit kunnen vermoeden. Het
-steeltje kromde zich; de knop, waar de draden ontsprongen, die nu allen
-waren ingetrokken, naderde den glasrand en hechtte zich daar vast,—wat
-eerst de voet was, werd nu de top, ook die boog en kromde zich tot een
-hoepeltje; nu liet de top weer los; het diertje—er was nu geen twijfel
-meer aan of het was een dier—richtte zich overeind en de draden kwamen
-één voor één weder te voorschijn. Het geheele diertje had zich op deze
-ongewone wijze, door langzaam over den kop te buitelen, verplaatst.
-
-Maar die zonderlinge voortplanting door knoppen, die zijtakken worden!
-Een dier, al is het nog zoo eenvoudig georganiseerd, bot niet uit,
-groeit niet als een boom, het legt ten minste eieren, waaruit de jonge
-dieren voortkomen!
-
-Daardoor twijfelde Leeuwenhoek nog; tegenwoordig weet men er meer van.
-Daar doet zijn gelukkig gesternte hem op den inval komen, eenige
-daphnia’s bij de polyp, in het fleschje te werpen. De diertjes huppen
-lustig rond. In de grootste spanning tuurt de onderzoeker naar de
-polyp,—hij houdt het glaasje tegen het licht en ziet duidelijk de
-zachte beweging der golvende draden, die zich soms tot een vinger
-lengte uitstrekken en zoo dun als spinrag worden. Daar nadert een
-daphnia één der voelarmen van de polyp; als door den bliksem getroffen
-valt het diertje geheel verlamd neer, maar het valt niet diep, het is
-of het aan een onzichtbare draad een oogenblik blijft hangen,—nu zinkt
-het op den bodem en blijft dood liggen. Een andere daphnia raakt bij
-zijn dolle bokkensprongen een tentakel aan, ook dit diertje valt,
-plotseling bewegingloos geworden, een eindje neer, maar bereikt den
-bodem niet. Het diertje blijft aan den voelarm kleven, zoo ’t schijnt;
-die kronkelt er zich om heen, en tot Leeuwenhoeks onbeschrijflijke
-verbazing, wordt het door diezelfde tentakel gevoerd naar de plaats,
-waaromheen alle armen van de polyp als een stralenkrans ontspringen.
-Daar opent zich de top, een wijde mond gaat open en de daphnia wordt
-als in een zak naar binnen geschoven.
-
-In het lichaam van de polyp was de vorm van de prooi duidelijk te zien.
-Het onderste deel van het steeltje, een derde ongeveer van het geheele
-dier, bleek werkelijk een steel of een voet te zijn; tot zoover zakte
-de daphnia door en dit deel was dus niet hol. De polyp, die, nu hij
-zijn prooi binnen had, de armen had ingetrokken, werd langzamerhand
-weer dunner, en na een uur of vier was hij weer zoo dun en zoo lang als
-te voren. De daphnia was opgelost, verteerd, en de voelarmen tastten
-opnieuw in ’t rond, zoekend naar een tweede prooi.
-
-Het spreekt van zelf, dat zulk een merkwaardig dier een voorwerp van
-onderzoek werd van tal van natuurvorschers. En het werd er hoe langer
-hoe merkwaardiger door.
-
-Al spoedig werd ontdekt, dat een polyp, die door een of ander ongeval
-een of meer zijner tentakels had verloren, daarvan niet voor zijn leven
-verstoken bleef, maar dat die afgerukte lichaamsdeelen weer
-aangroeiden. Men probeerde eens hoever die herstelkracht in het diertje
-wel gaan zou; en het bleek, dat die verbazend was; als alle voelarmen
-op één na werden weggenomen, kwamen er nieuwe, soms meer dan er
-oorspronkelijk geweest waren. Dit bezorgde de polyp de naam van hydra,
-naar het monster uit de fabelleer, dat voor elken afgehouwen kop er een
-aantal nieuwe in de plaats kreeg.
-
-Ja, sterker nog; splijt men het diertje tot aan den steel toe in de
-lengte op, dan groeit elk deel weer tot een nieuw lichaam aan. Het was
-in de vorige eeuw zelfs een tijdlang mode, op de gezellige
-bijeenkomsten der natuurvrienden monster-hydra’s te vertoonen, die, op
-deze wijze verminkt, tot dertig nieuwe takken en lichamen met voelarmen
-op één steel droegen.
-
-Dat zulke proeven op dieren, als ze voor de aardigheid genomen worden,
-voor de wetenschap geen nut hebben, is voor ieder duidelijk. En al komt
-de hydra, vooral ook door dat herstellings-vermogen, heel veel met een
-plant overeen, het blijft een wreed vermaak; al is het diertje
-waarschijnlijk lang niet zoo gevoelig als hoogere dieren, geheel
-gevoelloos is het zeker niet.
-
-Een grens schijnt dat opnieuw aangroeien niet te hebben. Het lijkt wel,
-of Baron van Münchhausen bij het ranselen van zijn vos geen grooter
-leugen bedenken kon, dan deze: dat ’t dier zich binnenste buiten keerde
-en wegliep. Maar bij de polyp schijnt dit nog mogelijk te zijn: Na heel
-veel mislukte pogingen is het namelijk aan een onderzoeker gelukt,
-zoo’n zoetwaterpolyp binnenste buiten te keeren, en zie! het diertje
-stoorde zich aan die merkwaardige operatie al heel weinig, de buitenzij
-deed, zoo scheen het, dienst als binnenzijde, als maag, en nam
-doodgewoon voedsel op.
-
-In den laatsten tijd, nu er op het gebied van de allerkleinste
-microscopische diertjes niet zoo gemakkelijk nieuws te ontdekken
-schijnt te zijn, als een poos geleden, is men weer met het waarnemen
-van grootere dieren en ook van onze inheemsche hydra begonnen. Nu is
-onlangs aan een Japansch natuuronderzoeker gebleken, dat die polyp, als
-een gevangen prooi wat te groot voor zijn mondopening is, zich zelf een
-eindje binnenste buiten keert, en den zoo omgeslagen zoom van zijn
-lichaam dan over de daphnia of het kevertje heenslaat. Dit terugslaan
-gaat zoo snel in zijn werk, dat de oude onderzoekers van de
-ongelooflijke omkeeringsproef zich wel eens vergist kunnen hebben,
-doordat het diertje, nadat het binnenste buiten was getrokken,
-bliksemsnel, zijn normalen stand kon hernomen hebben.
-
-Ook is thans opgehelderd, hoe het mogelijk is, dat de polyp zoo
-geheimzinnig een daphnia kan verlammen, als zijn tentakels het dier
-nauwelijks hebben aangeraakt. Wonderlijke organen zijn met behulp van
-den microscoop in die tentakels ontdekt. Op verschillende plaatsen
-bevinden zich daarin holten, waarin een spits pijltje is geborgen,
-waarmee een lange opgerolde draad, in die holten van den voelarm vast
-zit; iets als een harpoen dus. Bij de geringste aanraking schiet de
-polyp zoo’n harpoen-draad af; als hij kan, verscheidene tegelijk; de
-einden slingeren om het lichaam van de prooi en, blijven ze hangen, dan
-kan de polyp de kabel inpalmen en zijn prooi naar zich toe halen.
-
-Maar of dit nog niet wonders genoeg was, heeft het merkwaardige dier
-nog een tweede soort jachtwapenen in gebruik. Kleine holten in de
-tentakels bevatten een menigte losse werpspiesen, uiterst fijne
-naaldjes; deze gebruikt de hydra in massa tegelijk; een natuurkundige
-heeft een gevangen daphnia onderzocht, die op het punt stond in den
-mond van de polyp getrokken te worden, en hij zag het diertje van alle
-zijden, als een egel met pennen, bespikkeld met die fijne spiesjes.
-Waarschijnlijk dienen zij den polyp om een te zware prooi in ’t water
-zwevend, en zoodoende binnen zijn bereik te houden; dit maakt men op
-uit het feit, dat zoo’n honderdvoudig gespieste daphnia bovendrijft en
-een ander dood exemplaar in het slootwater terstond zinkt.
-
-Ook bij andere kleine waterdieren zijn zulke naald- of harpoenvormige
-aanvalswapenen ontdekt; die draden met pijlen hebben den naam ontvangen
-van netelorganen en de dieren, die ze voeren, den naam van neteldieren;
-wellicht om de overeenkomst aan te geven met de werking der brandharen
-van de groote brandnetels.
-
-Om het holle, zakvormige lichaam worden deze neteldieren ook wel holte-
-of zakdieren genaamd. Als ge bijgeval eens gelegenheid hebt, een
-uitgebreid werk over dierkunde in te zien, dan kunt ge ze onder een
-dezer rubrieken beschreven vinden en er nog veel meer bizonders van
-gewaar worden.
-
-Alleen moet ik nog zeggen, dat onze hydra, behalve de voortplanting
-door vertakking, nog een andere meer dierachtige manier van
-voortplanting heeft. In het najaar vormen zich eieren onder in dit
-holle lichaam; die zinken, vóór het diertje sterft naar den slootbodem
-en zorgen, dat er ook in den volgenden zomer nog hydra’s zijn.
-
-Een onbekommerd leventje heeft de polyp echter niet: verdelgen zonder
-kans te loopen, zelf verdelgd te worden, dat zou een uitzondering zijn
-op den regel; zoo iets is in ’t leven van een slootbewoner nog maar
-zelden opgemerkt.
-
-Zooals heel veel kleinere dieren heeft hij zijn parasiet, zijn belager,
-die hem aanvalt en hem bij levenden lijve verorbert. Soms ziet men een
-hydra ongewone, heftige bewegingen maken; zijn armen strijken snel
-langs het lichaam en langs elkander, als was hij bezig zich te
-reinigen. En dit is werkelijk het geval, ten minste hij probeert het,
-maar het lukt hem zelden. Hij is aangevallen door een heel kleine mijt,
-die hem letterlijk den dood aandoet; dat beestje holt met zijn acht
-pootjes verbazend snel over het lichaam van de polyp heen, nu hier, dan
-daar hem knauwend. Gelukt het de hydra niet, de mijt te spietsen, of
-ten minste af te strijken, dan is ’t met hem gedaan.
-
-Afstrijken helpt echter niet steeds afdoend, want de mijt beschrijft
-wel een boog in het water en bespringt zijn offer opnieuw. Is de hydra
-vermoeid, dan begint de parasiet hem de tentakels af te bijten.
-
-Ook voor sommige visschen schijnt onze hydra een lekkerbeetje te zijn,
-zooals blijkt in de kleine aquariums van de Amsterdamsche diergaarde,
-zij snappen de hydra, met de daphnia er in, van het glas of van de
-waterplanten weg.
-
-In de eendenvijvers van Artis komen de polypen in groote menigte voor;
-met het kroos, dat daar uitgenomen, in de bakken wordt gebruikt,
-geraken zij ook in de aquariums. Daar veroorzaken zij ook heel veel
-last, door het dooden van de daphnia’s en cyclopen, die tot voedsel
-voor de visschen bestemd zijn. Niet alle visschen vallen hen aan; de
-aal b.v. met zijn gevoelige snuit is er niet op gesteld, in aanraking
-te komen met de harpoenen van onze hydra. De waterslakken maaien ze met
-hun vijltong van het glas weg; ook moet ge geen stekelbaarsjes bij
-hydra’s plaatsen, die ge in leven wilt houden.
-
-Het kroos van de vijvers uit Artis wordt geschept uit de slooten langs
-den Sloter- of den Amstelveenschenweg; ook komen hydra’s voor langs den
-Haarlemmerweg, dus aan drie zijden van Amsterdam; en waarschijnlijk
-zijn ze overal in ons land te vinden; maar het meest in slooten, waarin
-van tijd tot tijd eenden en ganzen zwemmen; in de mest van die vogels
-schijnen de wintereieren der daphnia’s goed te ontkiemen.
-
-Er zijn verschillende wegen in te slaan, om polypen machtig te worden.
-Breng een flinken voorraad eendenkroos mee en verdeel die over een
-aantal flesschen; laat de blaadjes vijf minuten rustig aan de
-oppervlakte drijven en onderzoek dan, stuk voor stuk, de onderzijde;
-ook aan de onderzijde van de waterlelie-bladen komen ze veel voor; de
-bruine bolletjes lijken veel op eieren van waterslakken of kevers, maar
-in water geworpen nemen ze zeer spoedig de niet te miskennen
-polypenvorm aan.
-
-Een ander minder tijdroovend middel is dit: Werp een massa eendenkroos
-in een emmer met water, roer er een poosje flink met een stok in, giet
-daarna het water, zonder het kroos, snel in een witte kom over en de
-polypen, die er zich bevinden, vallen op den bodem, waar gij ze met
-behulp van een dun buisje kunt inzuigen. Ge weet wel, door van den
-luchtdruk op ’t water gebruik te maken: de duim houden op het eene open
-eind van het buisje, het andere eind boven de polyp in het water
-brengen, de duim er boven af (het water stijgt met de polyp in het
-buisje) den vinger er weer op, en den inhoud overbrengen, waar ge dien
-hebben wilt.
-
-Maar, ne cherchez pas midi à quatorze heures! wat ge met zooveel moeite
-tracht te verkrijgen, ligt heel vaak zoo nabij voor het opnemen.
-
-Het is mij meer dan eens gebeurd, dat ik lang en nog wel vergeefs naar
-hydra’s heb gezocht, om ten slotte bij toeval te bemerken, dat ik ze
-thuis al lang had.
-
-In dat schaduwrijk oerwoud van eendenkroos, waarvan de worteltjes de
-stammen vormen en de ronde blaadjes het dichte looverdak, leeft een
-wereld van allerlei wezens, die niet zoo gauw in het oog vallen. Schept
-ge nu een netvol van dat kroos, alleen om schaduw en voedsel in het
-aquarium te brengen, dan komt er al zooveel in, dat eerst later bemerkt
-wordt; en plant ge er grootere waterplanten terstond uit de sloot in
-over, dan is de kans nog grooter, dat ge op een goeden dag tot de
-blijde ontdekking komt, dat ge al zoetwater-polypen hebt.
-
-En heel dikwijls komen er meteen larven van salamanders binnen. Die
-behouden tot in den nazomer meestal nog hun kieuwen; daaraan zijn ze
-gemakkelijk te herkennen en te onderscheiden van kikkervischjes; want
-deze verliezen hun kieuwen al in de eerste weken van hun bestaan, ook
-zijn de meeste kikkervischjes in de zomervacantie reeds tot jonge
-kikkertjes bevorderd.
-
-Zulke salamander-larven moet ge zien op te kweeken. Dat gaat nog al
-niet moeilijk, want de beestjes eten gretig al ’t kleine goed van ’t
-slootwater en lusten ook gaarne heel kleine aardwormen; daarvan groeien
-ze snel. Voert ge ze in ’t najaar goed en houdt ge ze ’s winters in een
-niet te koud vertrek, dan blijven ze dooreten en doorgroeien; en dan
-hebt ge kans, in ’t voorjaar bij de laatste wintervervelling een
-volwassen salamander in zijn prachtkleed te zien; wel is ’t dier in ’t
-eerste jaar klein van stuk, maar de kleuren zijn al vrij mooi. Honderd
-tegen een, dat de larven, die ge bij ’t daphnia-scheppen meekrijgt, er
-een is van den gewonen kleinen watersalamander: Triton taeniatus of
-Molge vulgaris, de laatste naam is de juiste. Maar mogelijk is het, dat
-er een larve bij is van den grooten-watersalamander (Molge cristata of
-Kamsalamander); dit is een voor ons land vrij zeldzaam dier. Maar ’t
-allerzeldzaamste is de Alpensalamander (Molge alpestris). Deze is een
-kwart eeuw geleden (1895) voor ’t eerst in ons land ontdekt, en wel
-door H. Beker het zoontje van een apotheker te Breda, later (1896)
-heeft Chr. H. J. Raad er een groot aantal gevangen bij Groesbeek. Wie
-zulke salamanders vangt, of weet waar ze gevangen zijn door anderen,
-moet vooral een briefje schrijven aan „De Levende Natuur” waar ook de
-eerste vondsten in vermeld zijn. Schrijf er den naam van mij of van
-Thijsse maar bij; doch alleen met „De Levende Natuur” Amsterdam, tot
-adres, komt de briefkaart ook terecht.
-
-Die salamanders zijn eigenlijk geen echte waterdieren, alleen in ’t
-voorjaar zijn ze in de sloot te vinden, na ’t eierleggen gaan ze aan
-land. Eigenlijk hooren ze dan ook niet thuis in sloot en plas; maar de
-kans op ’t scheppen van larven is nog al groot, daarom heb ik de drie
-soorten maar even voor u geschetst; zoodat ge ze gemakkelijk van elkaar
-kunt onderscheiden, als het toeval u eens larven van verschillende
-soort in de handen speelt.
-
-Zulke dieren met een dubbel leven zijn er meer in de slooten en plassen
-aan te treffen; een poos lang voeren ze een waterleven, om op een
-goeden dag het luchtleven aan te vangen. En ’t kost soms moeite, om
-menschen, die nu niet zoo veel geleerd en gelezen hebben, te doen
-gelooven, dat de larven van zoo’n tweeslachtig dier en ’t dier in
-volwassen staat een en hetzelfde wezen zijn.
-
-Vooral tusschen het kroos leven veel van die diertjes in larve-staat,
-daar schijnen ze zich veiliger te voelen, dan in de onderste lagen van
-’t water.
-
-Ook met de overgebrachte slakkenhuisjes komt er heel wat anders binnen.
-Gaat ge zoo nu en dan eens een kwartiertje zitten turen naar het brokje
-natuur, waarmee ge uw huis hebt versierd, dan bemerkt ge wellicht een
-onverklaarbare beweging in kleine holle rietstukjes, in aan elkaar
-hangende blaadjes, in kleine leege of bewoonde slakkenhuizen, die aan
-elkaar schijnen te kleven, in de schelpjes van de zoetwatermossels—die
-ook al in het aquarium gekomen zijn, zonder dat ge weet hoe—ja,
-beweging in zandkluitjes soms.
-
-Die raadselachtige beweging, dat voortglijden of dat drijven van
-levenlooze voorwerpen in stilstaand water, houdt op, zoodra ge die
-voorwerpen met een stokje aanraakt. Komt ge een dag of acht later nog
-eens kijken, dan zijn die rare dingen grooter geworden; de fijne
-blaadjes, de mosselschelpjes en slakkenhuizen zijn aan elkaar gegroeid
-tot langwerpige buizen, tot kokertjes, tot doosjes, tot nestjes, soms
-rond, soms vierkant, soms zeshoekig.
-
-Daar moet ge natuurlijk meer van weten, en dat gelukt al heel gauw.
-Kijk, daar komt iets zwarts uit de voorste en wijdste opening van dat 2
-cM. lange holle pijpje te voorschijn; een kop, een borst, 6 pooten,
-meer niet! Weg is het weer!
-
-Een larve, zegt ge dadelijk; ja, een larve, maar van een bizonder
-soort, een kluizenaar, die zijn cel nooit meer dan ten halve verlaat,
-althans niet vrijwillig.
-
-En hij heeft die beschutting wel noodig, zijn achterlijf is zoo week,
-de chitinehuid is daar zoo dun, dat een enkele hap van een tor of een
-stekeltje hem zijn hachje zou kosten.
-
-Daarom steekt hij, even als de kluizenaarskreeft—waarvan ge zeker wel
-eens gehoord hebt en die ook zoo’n lastig, week achterlijf heeft—zijn
-zwakke zijde in een hulsel, dat niet zoo gemakkelijk is door te happen.
-De kreeft doet dat meestal in een gestolen of een gevonden huis van een
-zeeslak, een zoogenaamde wulk of kinkhoren—onze kokerlarve is minder
-diefachtig van aard: hij bouwt zijn huisje zelf.
-
-De kalk of beter de lijm heeft hij bij zich, en met bek of pooten,
-bijt, en kneedt en lijmt hij net zoo lang, tot zijn kluis naar zijn
-smaak is. Met een paar haken houdt hij zich achterin vast, en om zijn
-achterlijf heeft hij een netje van zilverachtige draden, waartusschen
-de noodige lucht wordt bewaard; daartusschen eindigen luchtbuisjes, die
-den voorraad aanspreken als het noodig is.
-
-Nu weet ik zeker, dat ge zoo’n phryganide, (dat is de geleerde naam
-voor deze belangwekkende diertjes) wel eens uit zijn kluisje zult zien
-te krijgen. Dat kan volstrekt geen kwaad, al is het diertje er
-volstrekt niet op gesteld. Neem hem apart op een schoteltje. Duw maar
-zachtjes met een speldekop tegen zijn achterlijf; wil hij niet dan
-steeds wat indringender. Daar is hij er uit! Wat een onbeholpen wezen!
-Wip, hij zit er al weer in, met de kop vooruit is hij in zijn schulp
-gekropen. Kijk er eens in! Raar hè? Hij zit er toch weer goed in, de
-kop voor de opening.
-
-Neemt ge zijn huisje weg, als hij er uit gedreven is, dan zoekt hij
-allerlei gezonken blaadjes, stokjes, schelpjes, fijne steentjes, om in
-der haast een nieuwe woning te maken. Die is echter lang zoo mooi en
-stevig niet als de vorige.
-
-Hebben ze voorraad van bouwstof in voldoende hoeveelheid, dan kiest
-iedere soort zijn eigen materiaal en houdt zich steeds aan een vaste
-bouworde. En er zijn heel wat soorten, zoodat een verzameling van
-phryganiden-huisjes een rijke verscheidenheid kan aanbieden.
-
-Op het plaatje hierbij zijn eenige van de mooiste vormen afgebeeld.
-Hier en daar ziet ge kop en pooten van de kokerlarve uit het huisje
-steken. Sommigen hebben blijkbaar uitsluitend slakken of
-mosselschelpen, anderen uitsluitend plantaardige bouwstoffen gebruikt,
-ik vond er een, die geheel van leege beukenootjes was gemaakt.
-
-Hangen over de sloot takken van een elzeboom, dan worden de rijpe,
-zwarte proppen ervan ook gaarne als bouwstof gebezigd. De vormen in het
-midden van het groote plaatje, komen veel voor; die met levende slakken
-en die rechts daarnaast met zoetwatermosseltjes vaak bij elkaar in
-dezelfde sloot; de phryganiden links op de teekening komen niet zoo
-vaak voor en die het meest naar onder rechts zijn geteekend, zijn ook
-zeldzaam, althans in ons land: zij komen meest in snelvlietende beekjes
-voor, hun huisjes zijn geheel of ten deele uit zwaardere zandkorreltjes
-saamgelijmd; zij zouden dan ook zonder die ballast steeds met den
-stroom worden meegevoerd.
-
-Eens werd mij een kokerlarvenhuisje gezonden, dat merkwaardig veel op
-een slakkenhuisje leek.
-
-Een natuuronderzoeker uit Tennessee in Noord-Amerika, die het eerst die
-leege huisjes vond, heeft heel wat moeite gedaan, om ook de slak ervan
-te vinden, tot het hem eindelijk bleek, dat hij met een kunstgewrocht
-van een kokerjuffer te doen had; hij ontdekte, dat het huisje uit
-zandkorreltjes was gebouwd, en vond later ook huisjes met de larven er
-in.
-
-Om een groot aantal kokerlarven machtig te worden, doet ge het best, in
-een heldere sloot het net plat op den bodem te houden en telkens op te
-halen, als er iets boven de opening komt, dat op een phryganide lijkt,
-of ook maar iets dat een beweging heeft, die niet met de strooming van
-het water overeenkomt, zoo er al stroom is. Al schijnt het u een dor
-blaadje, een stukje afgebeten riet—als het een eigen beweging heeft zit
-er leven in.
-
-Tegen den avond van warme dagen kruipen de kokerlarven meestal aan
-waterplanten omhoog, om te eten of hun huisje wat op te knappen. Zoover
-als zij kunnen, reiken ze daarbij met het lichaam uit den koker; dat is
-dikwijls hun verderf, want tusschen die fijne blaadjes van hoorn-of
-duizendblad zit de vijand op de loer. Meestal is het een stekeltje, een
-kever- of libellenlarve, die hen van verdere zorgen voor het bestaan
-ontheft, maar..... hebt ge al wat geoefendheid verkregen in het turen
-door het slootwater, dan ontdekt ge tegelijk wellicht weer wat nieuws.
-
-Kijk maar eens goed; dat witte, daar dicht bij de oppervlakte. Net een
-bol kwikzilver, niet? Daar nog een, en nog een wat verder op; wat een
-groote! Deze lijkt wel een zilveren hazelnoot, en die andere daar een
-tafelschel of een glazen klok.
-
-Het is ook een klok, maar van een bijzonder soort: een echte duikerklok
-is het. En de duiker is een spin.
-
-Ha, daar heb je hem al, hij heeft een vretende kokerlarve bemerkt. De
-spin met zijn zilveren achterlijf wacht eventjes of de phryganide
-naderkomt. Neen, die gaat den anderen kant uit. Dan maar er op los! Met
-een paar sprongen heeft de waterspin de larve bereikt, en eer deze
-onraad bemerkt, is hij aangegrepen en heeft hij een knauw beet; de spin
-zet al zijn acht pooten op den rand van de opening van het huisje, een
-paar flinke rukken met de kaken en.... de larve is er uit, het leege
-huisje stijgt snel naar boven.
-
-De spin met zijn prooi ook: hij zal zijn lekker hapje daar aan de
-oppervlakte eens gauw oppeuzelen. Maar daar komt juist een gerande
-voorbij, die merkt wat en wendt den steven. „Dat is niet pluis,” denkt
-de spin, „zorg jij voor je zelf, als je honger hebt.” Hij duikt met
-zijn lekkerbeetje onder en zoekt zijn luchtkasteel in het water weer
-op; met zijn buit verdwijnt hij in zijn zilveren klok.
-
-Haalt ge de plant met dien zilveren beker uit het water, dan vindt ge
-er niets van terug dan een bosje grijs spinsel; de groote spin, als hij
-niet onder de hand ontsnapt is, blijkt ook niet van zilver te zijn;
-zijn achterlijf is donzig behaard en muisgrauw. Het was een echt
-luchtkasteel.
-
-Brengt ge de spin in het aquarium, dan is hij oogenblikkelijk weer het
-mooie dier van te voren. Al heel gauw begint hij een ijl web in het
-water te spinnen, haalt wat luchtbellen van de oppervlakte en bouwt
-opnieuw zijn luchtige woning; met een paar draden belet hij de
-luchtmassa weer op te stijgen. Komt er in het aquarium niet veel in het
-net of in de luchtval zelf, dan gaat hij al spoedig op jacht.
-
-Soms behelpt zich deze spin op vreemde wijze; bemerkt gij in uw
-aquarium een groot, schijnbaar leeg slakkenhuis, dat met de punt naar
-boven door het water zweeft, of op den bodem heen en weer wiegelt, dan
-kunt ge er zeker van zijn, dat onze waterspin daarin zijn domicilie
-heeft gekozen.
-
-Nadert de winter, dan zoekt hij meestal zoo’n groote slak op, eet zich
-zat, eigent zich daarna ook het huis toe, verzekert zich tegen inbraak
-door een dicht web voor de opening te spinnen en verslaapt zoo den
-barren wintertijd.
-
-In het voorjaar en soms weer in het najaar maakt hij aan zijn
-luchtwoning een zijvertrek, waarin hij zijn eieren onderdak brengt;
-misschien bemerkt ge, als gij bij toeval ook een mannetje in het
-aquarium hebt gekregen—die zijn veel grooter, net andersom als bij de
-landspinnen—dat twee, soms drie luchtklokken door overdekte luchtgangen
-met elkaar zijn verbonden.
-
-Maar we zouden door dien ijdelen zilverschijn aangetrokken, geheel en
-al vergeten, dat we bezig waren, kokerjuffers te verzamelen.
-
-In den zomer, of als het mooi voorjaar is geweest, al in het laatst van
-Mei of in het begin van Juni, vindt ge weinig phryganiden meer bij den
-bodem, dan hebben de larven zich al weer verpopt. De opening van hun
-huisje is met een luchtig geweven netje gesloten, (aan het bovenste der
-meeste kokertjes is deze sluiting duidelijk te zien) en nu hebt ge veel
-meer kans, de huisjes te verkrijgen, door de oppervlakte van de sloot
-aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
-
-Ze drijven thans met den zwakken stroom mee, of hangen in stilstaand
-water tusschen drijvende waterplanten. Let op alles, wat ge ziet en
-niet dadelijk herkent.
-
-Daar komt al wat aandrijven; haal binnen jongens! Net een plat stokje!
-En dat ding daar ginds? Wacht maar, het drijft hier heen; dat lijkt wel
-een miniatuur rat met een flinke staart. Zouden dat ook kokerlarven
-zijn?
-
-Kijk eens, ze bewegen zich allebeide; al zijn er nu ook wel beweeglijke
-poppen onder de insecten, de huisjes van de kokerlarven leven toch zelf
-niet. Dit zijn dus geen phryganiden. Wat dan wel?
-
-Ja, wat zal ik zeggen, de latijnsche namen klinken zoo geleerd; wij
-jongens noemen ze eenvoudig „rotjes en stokjes”; en die beide
-zonderlinge diertjes waren indertijd voor ons de geheimzinnigste
-wezens, die er bestonden. Wij hadden er wel eenig vermoeden van, dat
-het larven waren van een of ander waterdier, maar al onze zorgvuldige
-pogingen, om het volkomen dier uit de larven te verkrijgen, mislukten
-steeds; de rotjes, zoowel als de stokjes stierven, of verdwenen op
-raadselachtige wijze, zonder dat er ooit een kever in het water
-verscheen; ja, wat ons nog meer van de wijs bracht, zonder dat ooit
-ergens de pophuid te vinden was.
-
-Menschen, die wij dachten, dat het weten moesten, en die wij er naar
-vroegen, noemden ons wel een Latijnschen naam; maar die was vijf
-minuten later alweer half vergeten en om den naam alleen was het ons
-toch ook niet te doen; wij begeeren er meer van te weten.
-
-Bij dat begeeren is het gebleven, althans bij mij, tot ik al lang niet
-meer op de schoolbanken zat; tot ik nog maar een enkelen keer, bij
-toeval door het ontmoeten van een schoolkameraad uit dien tijd of bij
-het studeeren in dikke boeken, herinnerd werd aan de prettige jaren,
-toen wij ruilhandel dreven in allerlei naturaliën, waarbij een „rotje”
-de vaste waarde had van een geheel gave pikzwarte en het „stokje” nooit
-minder gold dan een zeldzame phryganide.
-
-Op een warmen zomerdag moet ge eens opletten, hoe vele en hoe
-verschillende insecten zich laven aan de open tafel, die de groote
-schermbloemen voor hun welkomen gasten klaar zetten.
-
-De viervleugelige hommels en bijen komen er zelden, die kunnen met hun
-lange slurf gemakkelijker honing putten uit diepe beker- of klokvormige
-bloemen; voor tweevleugelige insecten, met hun korten snuit echter, is
-de open schermbloem een luilekkerland.
-
-Ziet ge daar op die bloem die groote, mooie bij in zijn zwart en geel
-pakje?
-
-Pak hem eens! mis, hè? Neen, zoo gemakkelijk laat een zweefvlieg zich
-niet vangen. Kijk, daar staat hij stil in de lucht, zijn vleugels zijn
-in zoo’n snelle beweging, dat ze haast niet meer te zien zijn; ’t is of
-het diertje met de pooten naar beneden in de lucht hangt aan een
-onzichtbare draad—daar schiet hij als een pijl uit den boog, regelrecht
-op de bloem af, waarvan ge hem zooeven hebt verjaagd. Hij zit in het
-vlindernet, neem hem gerust met de vingers er uit; het lijkt wel een
-gevaarlijke bij, en hij maakt wel van die gelijkenis gebruik, maar het
-is er geen; zie maar, het mooie diertje heeft maar twee vleugels, en
-zulke insecten hebben geen angel.
-
-Daar zit nog zoo’n zweefvlieg, die is weer anders geteekend en niet zoo
-harig; zijn borst is overlangs goud geel gestreept, ook zijn achterlijf
-is, maar overdwars, van zulke streepen voorzien. Ook een mooi diertje,
-niet?
-
-Nu, die twee mooie zweefvliegen en nog andere soorten, die soms ver van
-de sloot tusschen groen en bloemen leven, waren verleden week nog
-grauwe rotjes met langen staart.
-
-Dat rotje is met kleine pootjes, die ge misschien nog niet eens hebt
-opgemerkt, tegen den slootkant op gekropen,—een heel eind ver het
-weiland in, of de dijkhelling op. Daar verschrompelde de lange staart,
-waarmede hij in ’t water lucht van de oppervlakte haalde; en in de
-plaats daarvan kwamen een paar oortjes te voorschijn, die denzelfden
-dienst in de lucht deden. Zoo bleef het weeke, vieze rotje een dag of
-wat liggen, grauwbruin als de aarde tusschen het gras, ongezien en
-ongedeerd. Toen brak opeens het topje af, en een sierlijke,
-wondervlugge zweefvlieg zag het levenslicht. Over een dag of veertien
-keert hij, „si Dieu lui prête vie” van de bloemen naar de sloot terug,
-om op een of andere waterplant eieren te gaan leggen.
-
-En dat stokje? Als ge de teekening op blz. 107 goed bekijkt, kent ge al
-een groot deel van zijn levensgeschiedenis. Het is ook al de larve van
-een vlieg, (maar nu geen zweefvlieg) die ons in gedachten van de sloot
-naar de bloemrijke weide of dijkberm voert.
-
-Die vlieg heeft een bijzonder plat, staalblauw of bronskleurig
-achterlijf, waarop een gele of roodachtige teekening voorkomt, die bij
-een paar soorten, wel wat op een wapenschild met ruiten of dwarsbalken
-lijkt. Ze worden dan ook wel wapenvliegen genaamd. Midden op de
-teekening ziet ge de larve, voordat hij een stokje werd; hij is net
-bezig met zijn staartpluimpje lucht op te doen voor de reis naar den
-bodem; als hij straks onderduikt, neemt hij een flinke bel mee tusschen
-de naar binnen hol gebogen franjes.
-
-Als hij volwassen is, gebruikt hij die twee hoornige haakjes aan zijn
-kop, om tegen den kant op, en verder het weiland in te kruipen; soms
-verpoppen deze larven zich ook wel in het water, zoo’n pop is dan net
-een grijs stukje hout. Maar hoe stijf zoo’n ding ook lijkt, het kan
-zich toch met S-vormige slingeringen vrij snel over het water bewegen,
-tot het den kant heeft bereikt, om daar uit te rusten. Wat er in zoo’n
-stokje zit, ziet ge links op de teekening, onder de vlieg.
-
-Ja, nu hebben we wel kennis gemaakt met rotjes en met stokjes, maar
-geen verpopte kokerjuffers gevonden. Dat gebeurt wel meer, op het
-zoeken volgt voor den natuurvriend wel altijd het vinden, maar wat hij
-vindt, is lang niet altijd, wat hij zocht.
-
-Hier was daarvoor een goede reden: de phryganiden komen maar zelden
-voor in de slooten, waarin rotjes drijven; deze dieren houden meer van
-modderige slooten zonder veel waterplanten, dicht bij woonhuizen
-gelegen, net als hun naamgenooten, de echte waterrotten.
-
-Laten we liever die andere sloot eens afzoeken: die is veel helderder.
-Daar drijven er al eenige; neem ze mee naar huis en kijk elken dag, of
-ge ook vlinderachtige, bruin, en wit gevlekte diertjes op den steen in
-uw glazen bak of op het rotsje in het aquarium ziet zitten; dat zijn de
-uitgekomen kokerjuffers. Zulke vlindertjes, waar- of schietmotten
-heeten ze ook wel, vliegen tegen den avond soms bij duizenden door het
-hooge gras in de buurt van het water.
-
-Als ge het wilt, kost het u niet veel moeite, van den slootkant af
-zoo’n kokerjuffertje, dat pas is uitgekomen op zijn drijvend huisje te
-zien zitten; het wacht zoo het ontplooien en het drogen van de vleugels
-af; waagt het diertje het, te vroeg te gaan vliegen, dan valt het in
-het water en spartelt, angstig fladderend, rond.
-
-En voor dien angst is reden genoeg; die groote kikker zal er op los
-gaan; zijn groote domme, uitpuilende oogen staren ouder gewoonte eerst
-een poosje het vreemde ding aan, eer hij besluiten kan, toe te
-happen,—daar zal het komen:—te laat, een draaikevertje en een
-schaatsenlooper hebben, ieder aan een kant, het ongelukkige juffertje
-beet gepakt, en snellen er mee heen; de schaatsenlooper wil niet los
-laten, hij sleept het torretje mee; daar scheert een zwaluw over het
-watervlak: kokerjuffer en schaatsenlooper verdwijnen samen in één
-wijden bek. Het draaitorretje is nog net bij tijds snel ondergedoken,
-het heeft ook niet voor niets vier oogen, waarvan er twee naar boven in
-de lucht, en twee naar onder in het water kijken.
-
-Ge moet wat schaatsenloopers en draaitorren in uw aquarium houden, dat
-geeft heel wat leven aan de oppervlakte. De schaatsenloopers moet ge
-niet in een flesch met water, maar in een doosje meenemen, anders zijn
-ze verdronken, vóór ge thuis komt.
-
-Door het schudden van de flesch raken ze onder water, en daar kunnen ze
-niet tegen; ze zijn er op ingericht snel over het water te loopen, maar
-er in geraken is hun dood. Op blz. 41 is er eentje te zien.
-
-De draaitorretjes kunnen het onder water wel uithouden; net zoo goed
-als aan de oppervlakte; onder de loupe kunt ge een van de oorzaken van
-hun verbazende vlugheid vinden: hun middel- en achterpooten zijn bijna
-geheel en al vinnen.
-
-Voor het geval, dat ge eens een verzameling waterkevers wilt aanleggen
-of wanneer ge den juisten naam van een gevangene wenscht te kennen,
-hebt ge veel uitgebreider werk noodig dan dit boekje; dan moet ge
-determineeren; daarbij is nauwkeurig kijken en vergelijken de
-boodschap; vooral het aantal klauwtjes aan de laatste tarsen geeft
-verschil in soort aan.
-
-Nu zal het u wel eens, even als mij, overkomen, dat men u heel
-welwillend waarschuwt, toch vooral niet met den mond boven de sloot te
-komen, omdat de gassen, die daaruit opstijgen, uw gezondheid kunnen
-benadeelen. ’t Is wel mogelijk, dat dit even als koffie een vergif is,
-maar dan toch een heel langzaam.
-
-Waarschijnlijk heeft niemand ooit meer met zijn neus boven slootwater
-gezeten dan onze oude bekende Antony van Leeuwenhoek, en die is
-een-en-negentig jaar geworden.
-
-
-E. Hs.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Nog nooit heb ik een wandeling buiten gedaan, of ik heb iets gezien,
-dat mij nieuw was: een plant of dier, nog niet te voren ontmoet, of wel
-de een of andere gebeurtenis uit het planten- of dierenleven. Nu eens
-was het een koekkoek, die rustig zat te roepen, alsof er geen
-nieuwsgierige op vijf pas afstand hem stond te begluren, dan een
-zeldzame varen op een ouden kerkhofmuur, dan weer rietkevertjes, die
-pas hun pophulsel verlieten of wielewalen, bezig hun kunstig nest vast
-te naaien. Velden met orchideeën in allerlei variëteiten, een vlucht
-lepelaars op een weiland onder den rook van de hoofdstad, brandnetels
-stuivend op klaarlichten dag en boschviooltjes met kleurlooze bloempjes
-zoo groot als een speldeknop—te veel om te noemen, in eindelooze
-verscheidenheid.
-
-Tientallen jaren van natuurgenot zijn al achter den rug en nog brengt
-ieder nieuw voorjaar nieuwe vreugde, nieuwe verrassingen; steeds
-kleiner wordt het aantal van planten, vogels of insecten, die in de
-handboeken gemerkt staan met „zeer zeldzaam” of „slechts eenmaal
-aangetroffen” en waar mijn blikken zich niet aan verlustigd hebben.
-Maar wat kunnen sommige natuur-voorwerpen zich schuil houden! Wat heeft
-’t lang geduurd, eer ik mijn eerste klapekster te zien kreeg—die naam
-klinkt nog al zoo dood gewoon alledaags—en hoe goed herinner ik mij tot
-in de kleinste bijzonderheden mijn eerste ontmoeting met het
-muskuskruid en de baardmeesjes!
-
-Ook hoop ik nog eens een waterspreeuw te zien en ’t nest van een
-ijsvogeltje en... de waternoot.
-
-Vooral die waternoot! In wat rietpoelen en veenplassen heb ik er al om
-rondgezworven, in hoeken en gaten die er uit zagen, alsof nog nooit een
-mensch daar geweest was, echte schuilhoeken, juist geschikt voor een
-laatste toevluchtsoord van een arme vervolgde waterplant. Hoe heerlijk
-zou ze daar kunnen liggen droomen van den tijd, toen ze allerwege
-slooten en poelen bedekte, toen haar bloempjes, gesteund door de
-ruitvormige bladeren, drijvend op hun opgeblazen holle bladstelen op
-elk stilstaand water hun wit tapijt vormden.
-
-En dat is nog zoo heel lang niet geleden, nog geen veertig, geen dertig
-jaar! In 1860 begon de tegenspoed en dat was, naar men zegt, de schuld
-van een Nederlandsch professor, van een man, die het beter had moeten
-weten, een man, die niet besefte, wat hij deed. En dan een
-hooggeleerde! O tempora!
-
-Hoogstwaarschijnlijk wist hij wel, wat hij deed, maar dan heeft hij
-ongetwijfeld het gevoel gehad van iemand, die voor een open zolderraam
-staat, en die, wetende dat het hem nek, armen en beenen zal kosten,
-naar beneden springt, alleen beheerscht door de gedachte: „als ik er
-eens uit sprong!”
-
-Maar de professor is er niet uit gesprongen; misschien wel later
-figuurlijk „uit zijn vel”, toen hij van welmeenende vrienden en
-kennissen moest hooren, dat al spoedig de gevolgen van zijne
-lichtzinnigheid aan de gemeente Utrecht jaarlijks op eenige honderden
-guldens te staan kwamen.
-
-En toch had hij niets anders gedaan, dan een halfverwelkt takje in een
-gracht gegooid—dat was alles.
-
-Maar dat takje was afkomstig van een plantje, dat gekweekt en
-onderhouden werd in den botanischen tuin—in Leiden verheugde men zich
-ook in ’t bezit van een bakjevol—want het was een waterplant. En een
-merkwaardige plant ook, afkomstig uit het land van de gele koorts en de
-colorado-kever en alom bekend onder den minder schoonen naam van
-Waterpest. Nu stel ik mij voor, dat zijn hooggeleerde gelezen had van
-de wonderbaarlijke groeikracht van dit plantje en hoe het in de laatste
-twintig jaren—dus na 1840—in ’t Noorden van Engeland zoo voortgewoekerd
-had, dat het de scheepvaart op de kanalen zeer ernstig belemmerde.. en
-daar stond hij nu voor ’t zoldervenster. Zou ’t hier ook zoo snel
-groeien? Als ik dit takje eens in het water wierp? De grachten zijn
-juist schoongemaakt; dus ’t kan een poosje rustig liggen. Maar die
-verstopte kanalen bij Berwick!
-
-’t Takje lag in ’t water. Was de man ’t maar nagesprongen—om ’t er weer
-uit te halen. Want het ding is gaan groeien, groeien, en onze
-binnenscheepvaart ondervindt er den last van, evengoed als de Engelsche
-50 jaar geleden—nu ook nog, natuurlijk—, onze slooten zijn er vol van.
-Niet alleen onze, maar die van heel Noord Duitschland, verleden jaar al
-tot Polen toe!
-
-Meteen was het vonnis van de waternoot geteekend. Evenals de meeste
-waterplanten zoekt deze ’s winters een schuilplaats op den bodem van
-slooten en plassen, in de modder—net als soms de kikvorschen. En ’t
-zoele voorjaar, dat de vroolijke kwakertjes tot nieuw leven roept, doet
-ook de sluimerende plantenknoppen ontwaken. Er zijn er, die vroeg
-wakker worden, doch ook de langslapers ontbreken niet; onze waternoot
-is er zoo een, en ’t is hem duur te staan gekomen. Want als de trage
-Europeaan ontwakend licht en lucht zoekt, dan is de slimme Canadees met
-echt Amerikaansche vlugheid en voortvarendheid hem reeds voor geweest
-en heeft alle plaatsen bezet. De jonge waternootspruitjes kunnen niet
-aan de oppervlakte komen, ze kwijnen weg door gebrek aan lucht en licht
-en brengen het niet eens zoover, dat ze bloesem of nieuwe knoppen
-kunnen vormen. Zoo is hun geslacht verdrongen en uitgestorven, gelijk
-in ’t verre Westen de roode man en de bison verdwijnen, als het
-bleekgezicht zich eenmaal vertoond heeft.
-
-Nu is de vraag: heeft de Nederlandsche flora bij den ruil gewonnen? Wij
-zagen reeds, dat Elodea lastig kan worden voor de scheepvaart en dat is
-mij van de waternoot nooit ter oore gekomen.
-
-Aan den anderen kant is de waterpest een heel aardige aanwinst voor het
-aquarium, waar hij gemakkelijk gekweekt kan worden. Doe maar als de
-professor; neem een stukje bebladerde stengel en gooi dat in ’t water.
-In weinige dagen ontwikkelen zich witte draadachtige wortels, die den
-zandbodem van uw bekken opzoeken; al heel spoedig vertakt zich ’t
-stengelbrokje, en de smaragdgroene stelen met de eenigszins donkerder
-bladeren slingeren zich bevallig door ’t water en schijnen het met een
-groenen glans te verlichten. Werkelijk wordt het water door de plant
-verhelderd. Gij kunt de proef er van nemen, door vóór het planten van
-waterpest het water van uw aquarium opzettelijk troebel te maken,
-d.w.z. er vuil water in te gooien, want uw bodemzand zal wel zoo schoon
-zijn, dat het omroeren er van geen „troebelen” veroorzaakt. Gij hebt
-dan—natuurlijk met een zelfmoordenaarsgevoel—vuil water in uw aquarium
-gedaan, en daarna Waterpest—erger kan het haast niet, zult ge
-denken,—maar binnen vierentwintig uren is het water zoo helder als
-kristal en de plant glanst als een edelsteen. Waar het vuil gebleven
-is? Dat blijft voorloopig een raadsel.
-
-Het spreekt van zelf, dat de waterpest dit zuiverend vermogen in de
-vrije natuur evenzeer of in nog hoogere mate bezit; en wanneer ge op
-frissche, zonnige Aprildagen naar buiten trekt, om ’t ontwakend leven
-der natuur gade te slaan en gij in ’t kristalheldere water de kleinste
-diertjes op den bodem kunt zien, dan hebt ge dat voor een groot deel
-aan den vreemden indringer te danken.
-
-In Juli en Augustus bloeit de Waterpest met kleine lila of purperroode
-bloempjes op steeltjes, die zoo lang zijn, dat de bloemen juist aan de
-oppervlakte van ’t water drijven. Als ge er niet opzettelijk naar
-zoekt, zult gij ze niet licht vinden; doch ’t loont de moeite wel, en
-ge kunt tegelijk uitzien naar larven en eitjes van water-insecten.
-
-Het bloemomhulsel bestaat uit zes puntjes, waarbinnen zich een
-driedeelige stempel bevindt. Bij nader onderzoek blijkt het, dat die
-stempel het einde is van een lange draadvormige stijl, die heelemaal
-onder in ’t steeltje uit het vruchtbeginsel ontspringt. Meteen zien wij
-nu, dat de bloemen ongesteeld zijn en dat, wat wij voor een steel
-hielden, eigenlijk kroonbuis of kelkbuis of zoo iets behoort genoemd te
-worden.
-
-Meeldraden zitten in deze bloem niet.
-
-Nu ja, zegt ge, dan is de bloem vrouwelijk, laat ons maar eens zien, of
-er geen mannelijke aan dezelfde plant zitten.
-
-Neen, geen mannelijke bloemen te vinden; dus de plant is tweehuizig,
-misschien vinden we in deze sloot nog wel een mannelijk exemplaar, of
-een eindje verder.
-
-Zoek maar niet; in heel Nederland is geen mannelijke Waterpest te
-vinden en in heel Europa ook niet.
-
-En dat is erg jammer. Want de Waterpest heeft een manier van bloeien,
-die tot de allermerkwaardigste behoort en waarvan de wonderlijkheid nog
-maar door één plant overtroffen wordt; die heeft daardoor in de wereld
-der plantenkenners, plantenliefhebbers en aquariumvrienden (om met de
-Duitschers te spreken) een groote reputatie verworven.
-
-De mannelijke bloemen van onze Waterpest bevatten negen meeldraden—een
-tamelijk ongewoon aantal ook. Tegen den tijd, dat die meeldraden „rijp”
-zijn—dus als zij gaan openbarsten en hun stuifmeel vrijlaten,—laat de
-geheele mannelijke bloem los van de plant, waarop zij zich ontwikkeld
-heeft, om vrij in het water rond te drijven. De helmknoppen, met
-klevend stuifmeel overdekt, steken dan buiten het bloembekleedsel
-uit—zij kijken overboord. Voort drijven de ranke bootjes over ’t
-spiegelend vlak—in Juli en Augustus waaien geen stormen. Waarheen
-drijven ze? Sommige stranden aan den waterkant en gaan verloren, andere
-blijven van de wal af en komen terecht bij de vrouwelijke bloemen, die
-gelijk met het water liggen en wier uitstekende stempels met de
-helmknoppen in aanraking komen. Eenige stuifmeelkorrels blijven op de
-stempelpapillen kleven, groeien door den stijl naar ’t eitje en het
-zaad kan rijpen.
-
-In hoofdzaak is deze manier van bloeien dezelfde als bij de Vallisneria
-spiralis, de beroemde plant, waarvan ik zoo even sprak. Deze groeit in
-het wild in Zuid-Europa, maar ieder liefhebber van aquariums bezit er
-wel een paar plantjes van en zal u graag een stekje geven. Ze wortelen
-in den bodem en groeien geheel onder water, lange bandachtige groene
-bladeren, die rechtop staan—een weinig uit elkander gebogen. Als ze
-goed licht hebben, gaan ze in ’t aquarium wel bloeien ook en dat is de
-moeite waard.
-
-Sommige planten ontwikkelen groene knopjes, onder water, op rechte
-steeltjes van 1 à 2 cM. lang, andere krijgen dergelijke knopjes, maar
-die zitten op een lang steeltje, dat net als een kurketrekker
-ineengedraaid is. Na eenigen tijd strekt die kurketrekker zich uit,
-totdat het knopje de oppervlakte van het water bereikt heeft. Daar
-opent het zich en nu blijkt het te bestaan uit 3 lichtgroene blaadjes,
-waarbinnen een vruchtbeginsel met drie stijlen, die buiten het bloempje
-over ’t water uitsteken. (Teekening blz. 121 rechts).
-
-Intusschen is er met de knopjes, die op de rechte steeltjes zaten, ook
-iets gebeurd. Die steeltjes zijn erg broos: bij de minste aanraking
-breken ze af, als ’t hun tijd is. De knopjes, die lichter zijn dan ’t
-water, stijgen dan omhoog en drijven aan de oppervlakte rond. Nu zoudt
-ge denken, dat het met hen uit was—een losgerukt deel van een plant
-moet sterven. Maar onze Vallisneriaknopjes leven nog een poosje door.
-Ze gaan open, alsof ze nog deel van de plant uitmaakten, en de
-meeldraden, die binnen de drie blaadjes zitten, worden rijp en buigen
-naar buiten om.
-
-Die blaadjes gelijken ieder op een bootje, drie bootjes met elkander
-vormen een bloem, die door wind en stroom wordt meegevoerd. Drijft nu
-zoo’n meeldradenbootje tegen een stamperbloem aan, dan raken de
-helmknopjes precies aan de stempels, waaraan dan het kleverig stuifmeel
-vast blijft zitten. Maar nu komt nog het mooiste. Ge zoudt nu denken:
-de stempels zijn voorzien van stuifmeel, dus nu kunnen de zaadjes
-rijpen. Dat is ook zoo, maar om te rijpen behoeven ze niet meer boven
-water te blijven—daar beneden is het veel veiliger—en wat gebeurt er
-nu? De steel krult weer in tot zijn vorigen kurketrekkervorm en trekt
-het rijpend vruchtje met zich mee in de groene diepte.
-
-Nu weet men nog niet juist, of de Waterpest precies zoo doet. Dat
-meeldradenschuitjes naar de stamperbloemen varen, is wel waargenomen,
-maar of het vruchtje ook onder water rijpt, is nog niet met zekerheid
-te zeggen. Dat komt, doordat de waterpest in zijn eigen vaderland ook
-maar zelden bloeit; de mannelijke bloemen zijn er zeldzaam en vruchten
-en zaadjes onbekend.
-
-Maar door de wonderlijke levenskracht en het ongelooflijke
-ontwikkelings-vermogen der losgerukte stengeldeelen is het voortbestaan
-van de plant toch voor lange jaren verzekerd, doch eens komt er een
-eind aan; volgens ’t beweren van sommige botanici vermindert de
-waterpest al weer in Engeland. Wanneer een ongewone beweging in ’t
-water haar broze stengeltjes knakt en vernielt op eene wijze, die
-iedere andere plant noodlottig zou worden, dan heeft dat voor haar
-slechts dit tengevolge, dat ieder brokstuk ergens anders een nieuw
-leven begint.
-
-Zie in den zomer een zwerm eenden bezig in de ondiepe plas, geheel
-begroeid met waterplanten! Dat is een rukken en trekken en snuffelen en
-snavelen zonder oponthoud; kroos en waterpest worden verscheurd en
-verzwolgen terwille van ’t klein gedierte, dat zich erin en er tusschen
-ophoudt, terwijl van tijd tot tijd een of meer naar den bodem duiken,
-om zwaarder kost te bemachtigen. ’t Zijn allemaal woerden—de
-wijfjeseenden zitten allen te broeden. Laat ons wat dichterbij sluipen,
-om te zien, welke soorten er vertegenwoordigd zijn, want er zijn eenden
-en eenden.
-
-Voorzichtig! Wel is de jacht nog niet geopend, en zit de hagelschrik
-hun nog niet in de leden, maar er is geen wantrouwiger gevogelte dan
-eenden en misschien zijn de stroopers al bezig geweest. Er zijn van die
-lui, die altijd moeten schieten!
-
-Kwêk—daar heeft er ons al een gezien en maakt zich uit de voeten. Die
-het dichtst bij hem waren, bemerkten ook onraad en volgen hem. Hun
-heengaan baart opzien bij de overigen en zoo is in korten tijd
-geleidelijk de geheele zwerm verdwenen, verspreid naar alle kanten.
-
-Waarheen? Naar een andere plas, of naar de slooten in de weilanden,
-waar de purperen orchideeën en de roode koekoeksbloem den tijd van ’t
-jaar vermelden. Daar strijken ze neer, en, zindelijke beestjes als ze
-zijn, hun eerste werk is zich te reinigen van wat bij hun overhaaste
-vlucht uit de poel in hun veeren is blijven steken. Een voor een worden
-de slagpennen en staartveeren afgeschuurd, een dolle dompelpartij
-besluit het toilet maken, en het gevolg: in de sloot zweven
-kroosplantjes en... stukken waterpest.
-
-Binnen eenige maanden is de sloot volgegroeid—tot groot verdriet van
-den boer—die nu al opziet tegen het tochtmaaien en den polderschouw en
-alvast het mogelijk voordeel aan meststof en kantverhooging opweegt
-tegen het te betalen arbeidsloon voor slootreiniging.
-
-Als die jaarlijksche slootreiniging niet gebeurde, dan zouden er al
-heel gauw geen slooten meer zijn. De waterpest en zijn confraters
-zouden binnenkort alle beschikbare ruimte innemen—zeer tot hun eigen
-nadeel natuurlijk; want zij zouden, als ze ’t water eenmaal in
-veenmodder veranderd hadden, zelve niet meer kunnen groeien en moeten
-onderdoen voor de modderplanten. Zoodat bij slot van zaken de
-jaarlijksche groote slachting onder de waterplanten weer op hun eigen
-voordeel uitloopt.
-
-Wie zijn de confraters van de waterpest? Welke Hollanders kunnen nog
-naast den gevaarlijken Amerikaan een rustig leven leiden? Natuurlijk
-die planten, die ’t meest op hem gelijken en in levenswijze nagenoeg
-met hem overeenkomen,—in de eerste plaats het hoornblad en het
-vederkruid. Dit zijn beide planten, die evenals de waterpest met hun
-lange stengels, met blaadjes omkranst, de geheele watermassa
-doordringen. Hun bladeren spreiden zich niet zooals die der plompen en
-zooals het kroos, aan de oppervlakte van het water uit—maar ook in de
-dieper gelegen waterlagen vinden zij nog, wat zij voor hun bestaan
-noodig hebben. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt voor
-aquariumplanten, niet alleen, omdat hun smaragdgroene guirlanden en
-festoenen de kleurlooze watermassa opvroolijken en een dubbelen glans
-geven aan de roode vinnen van baars of rietvorentje—maar ook om den
-heilzamen invloed, dien ze op ’t water zelve uitoefenen en die bijna
-geheel zou uitblijven, wanneer ze alleen aan de oppervlakte leefden.
-
-Welke die heilzame invloed is, gist ge reeds. Evenals waterpest,
-bezitten hoornblad en vederkruid het vermogen, om het water te zuiveren
-van de slijkdeeltjes, die er in zweven—echter op andere wijze. Blijft
-het bij de waterpest een raadsel, waar de slijkdeeltjes heengegaan
-zijn, daar noch de plant, noch de bodem eenig spoor ervan vertoonen—bij
-’t hoornblad zetten ze zich op de buitenhuid der sprietige, taaie,
-buigzame blaadjes vast, totdat de geheele plant met een slijklaag
-overdekt is.
-
-Men kan zoodoende gemakkelijk een troebel geworden aquarium
-schoonmaken, door telkens schoon hoornblad erin te plaatsen. Slaat ’t
-eindelijk in ’t geheel niet aan, dan is het een voldongen feit, het
-water is zuiver. Onzuiverheid, veroorzaakt door planten- of
-dierenlijken, kan op deze wijze echter niet verholpen worden,—daarvoor
-gebruike men zooals reeds gezegd is, vlijtig de hevel!
-
-Die reinigingsdienst is nu heel mooi en goed—zult ge zeggen—maar ik kan
-zelf mijn aquarium ook wel schoonhouden en ik zal wel oppassen, er geen
-klei in te brengen. Daarvoor alleen behoeven Elodea en Ceratophyllum en
-Myriophyllum niet zoo opgehemeld te worden! Gij hebt natuurlijk
-volkomen gelijk—maar er is nog meer.
-
-Neem weer eens een van die suikergoed-flesschen, die ge op uw
-jachttochten naar klein waterwild gebruikt, maar kies een heel lichte;
-bewaar de groene maar voor ’t geval, dat ge dieren hebt, die
-afgezonderd moeten worden, zooals de geelgerande watertorren en hunne
-larven of dergelijke roovers. Ga nu naar uw sloot (ieder
-natuurliefhebber bezit natuurlijk in de buurt van zijn woonplaats een
-sloot, een moeras, een boschje enz. waar hij steeds de meest
-voorkomende planten en dieren voor onmiddellijke waarneming kan vinden)
-en vul uw flesch met frissche, gezonde takken van de drie planten,
-waarover ik nu eenmaal aan ’t praten ben geraakt. Glippen er soms wat
-van die lange groene draden, die in alle slooten drijven, mee in de
-flesch, dat is zoo erg niet—ook niet, als er een paar stukjes kroos in
-komen—die doen toch ook allemaal mee. Doe de flesch maar flink
-vol—natuurlijk niet zoo, dat de planten opeengeperst zitten, maar ze
-mogen de flesch toch van den bodem tot den rand vullen. Natuurlijk
-zitten er ook nog kleine diertjes tusschen, maar liefst had ik, dat hun
-aantal zoo klein mogelijk was; dan alleen kunnen wij, wat er gebeuren
-zal in onze flesch, toeschrijven aan de bezigheid der planten.
-
-Nu naar huis; zie daar een emmer met water en een diep bord machtig te
-worden en jaag alle nieuwsgierigen de keuken uit. Neem nu de flesch met
-de planten en dompel die onder in de emmer met water, leg daarna de
-holte van het diepe bord op de opening van de flesch, en keer nu flesch
-en bord om—steeds zorgende, dat beide onder water blijve. Pak dan het
-bord, dat nu onderaan ligt, beet—zooals men een bord gewoonlijk aanvat
-met twee handen—en til bord en flesch de emmer uit. Het bord is dan vol
-water—de flesch, die er omgekeerd op staat, ook—gij weet al lang door
-welke natuurkundige wetten, en herinnert u dadelijk alles van drukking
-van de lucht en communiceerende vaten en barometers en dergelijken.
-
-Als nu de rand van de flesch heel zuiver en de bodem van het bord juist
-vlak is, dan is er van communiceerende vaten geen sprake; het water in
-de flesch is dan geheel afgesloten van dat in het bord, maar—dat wil ik
-juist niet. Indien er dus vrees bij u bestaat, dat het water uit de
-flesch niet vrij in het bord kan komen, snij dan vier plakjes van een
-kurk en schuif die voorzichtig onder den fleschrand, natuurlijk zorg
-dragende, dat de rand niet boven komt, anders loopt de flesch leeg en
-dan kunt ge van voren af beginnen. Nu zal geen enkele Hollandsche
-huismoeder uw gemors in haar huis willen dulden, zet daarom uw toestel
-maar op een helder plekje in de tuin of in de vensterbank. Gij moogt
-uit het bord wel zooveel water verwijderen, dat het niet overstort;
-maar pas op, dat de rand van de flesch niet boven water komt, of, enz.
-
-Nu zullen er wel Fransche thema’s te maken zijn, of sommen, of je moet
-nog een kaartje van Midden-Amerika teekenen; laat dus het toestel maar
-aan zijn lot over en kom over een paar uur eens kijken.
-
-Word nu niet in eens kwaad, en zeg niet dat Johan er weer aangezeten
-heeft en dat je het wel zien kunt, want dat het diepe bord overloopt en
-dat er lucht in de flesch is gekomen. Gerust, Johan is er zelfs niet
-bij geweest en de meid heeft er ook niet aan gescharreld. Overtuig u.
-Hevel wat water uit het diepe bord weg—en ga dan erbij zitten—wakende
-over uw schatten. Binnen korten tijd is de luchtruimte boven in de
-flesch grooter geworden, het bord lijkt voller en weldra loopt het
-over. De lucht of wat het dan ook is, ontwikkelt zich in de flesch
-zelve! Die ontwikkeling wordt echter gaandeweg langzamer en houdt
-eindelijk geheel op, of wordt onmerkbaar. Laat gij het geheel nu nog
-eenige dagen staan, dan sterven de planten.
-
-Lucht of wat het anders zijn mag! Laat ons eens onderzoeken, wat wij in
-de flesch gekregen hebben. Het is een kleurloos gas. Wat voor
-kleurlooze gassen kent gij? Lucht, lichtgas, koolzuur, waterstof,
-zuurstof, dat zijn er al vijf—of vier en een allegaartje, zooals ge
-weet. Roep nu Johan er bij en je zusjes, als je ze hebt, en de meid
-(die kunnen gillen, als ’t noodig is, dat geeft meer voldoening). We
-zullen maar dadelijk de brandproef nemen, ongelukken zullen niet
-gebeuren, daar sta ik voor in. Een moet het lucifertje gereed houden,
-een ander de flesch onder water sluiten (met een nat stuk bordpapier of
-liever nog met een goed sluitende groote kurk) en overeind zetten.
-
-Als wij nu de brandende lucifer in ons „gas” houden, kunnen er
-verschillende dingen gebeuren. De lucifer blijft rustig doorbranden,
-dan is het gewone lucht; het gas ontploft met een roode of gele vlam,
-dan is ’t lichtgas. In koolzuur dooft de lucifer uit, en waterstof
-ontploft met een blauwe vlam. Niets van dat alles gebeurt, maar de
-lucifer zelve begint ineens verblindend helder te branden, waardoor wij
-de zekerheid krijgen, dat in onze flesch zuurstof ontstaan is.
-
-Waaruit? en waardoor? Dat kunnen wij zoo dadelijk niet zeggen, daarvoor
-moeten we de proef—(wij spraken thuis altijd van „de groote proef”)—nog
-eenige malen herhalen, onder andere omstandigheden.
-
-We richten alles weer precies zoo in, alleen doen we in plaats van
-planten, dieren, b.v. stekeltjes in de flesch. In een paar dagen gaan
-de stekeltjes wel dood, maar ge neemt geen gas-ontwikkeling waar. Vul
-nu de flesch weer met planten, doch beplak haar aan de buitenzijde met
-dik zwart papier. Ook nu krijgen we geen zuurstof, of maar een heel
-klein beetje, waaruit volgt, dat de planten, die we in onze flesch
-gehad hebben, onder den invloed van het zonlicht zuurstof voortbrengen.
-Ze zijn dus als ’t ware gasfabrieken.
-
-Wilt ge het wat mooier en eenvoudiger doen, koop dan een kookfleschje
-van dun glas van een halven liter inhoud. Vul het met water en
-waterplanten geheel en sluit het af met een kurk met een glazen buisje
-er door, dat bijna tot aan den bodem van ’t fleschje komt. Zet de
-flesch gewoon in ’t licht, dan is na korten tijd de hals vol zuurstof.
-
-Uit uw aquarium zelve stijgt voortdurend zuurstof op in kleine
-belletjes, meestal zoo klein, dat ze onopgemerkt blijven. Als ge eens
-met aandacht door een opstaanden wand in uw aquarium kijkt, dan kunt ge
-heel fijne loodrechte draadjes in het water zien hangen, dunne
-parelsnoertjes; ze bestaan uit heel kleine zuurstofbelletjes, die
-omhoog stijgen, maar dat kunt ge haast niet zien, want de belletjes
-zijn zoo gelijk van grootte en bewaren zoo steeds denzelfden afstand
-onderling, dat er in de draad geen verandering waar te nemen is, geen
-beweging. Toch kunt ge u er van overtuigen. Plaats boven een plekje,
-waar eenige van die parelsnoertjes dicht bij elkander hangen, een
-omgekeerde toegestopte glazen trechter of een reageerbuisje, met water
-gevuld, en na eenigen tijd is het water eruit verdwenen en vervangen
-door zuurstof. Het zal u wel eenige moeite kosten, de trechter of het
-buisje eenigen tijd—een paar uren—stil boven de opstijgende belletjes
-te houden, maar ik vertrouw op uw geduld en vindingrijkheid en op een
-oordeelkundig gebruik van stukjes kurk en eindjes ijzerdraad, waarvan
-ge natuurlijk groote voorraden bijeengegaard hebt. Iedere jongen heeft
-immers een „arsenaal”, zooals wij het thuis noemden.
-
-Het is voor ons Nederlanders een groote voldoening, te weten, dat deze
-uiterst belangrijke proef, en de groote ontdekking omtrent het leven
-der planten, die er het gevolg van was, nu ruim een eeuw geleden voor
-’t eerst gedaan zijn door een landgenoot, den beroemden Jan Ingenhouss
-van Breda.
-
-
-
-Wilt ge u alleen tevreden stellen met belletjes te zien opstijgen en
-wel gelooven, dat het zuurstof is, scheur dan van een groeiende
-waterpestplant onder water een paar blaadjes stuk. Van tijd tot tijd
-stijgen daaruit vele en groote bellen zuurstof omhoog.
-
-Waaruit bereiden de planten die zuurstof? Gij weet, dat het water
-bestaat uit 2 deelen waterstof en 1 deel zuurstof. Zouden onze
-waterplanten nu de waterstof uit ’t water gebruiken en zoodoende de
-zuurstof vrij maken? Dat lijkt wel mogelijk, maar gij herinnert u, dat
-de gasontwikkeling op een gegeven tijdstip eindigde, ofschoon er nog
-water genoeg in de flesch was. Neem de proef nog eens—en het zal weer
-gebeuren. Maar als nu weer het doode punt in de gasontwikkeling bereikt
-is, hevel dan het diepe bord zoover mogelijk leeg en vul het dan weer
-aan met spuitwater. Het spreekt vanzelf, dat dit spuitwater zich door
-de geheele watermassa verspreidt en dus ook in de flesch met de planten
-doordringt. En wat gebeurt er nu na eenige oogenblikken? Weldra is de
-gasfabriek weer in vollen gang—en telkens als er staking in de
-werkzaamheden komt, kunt ge door nieuwe bijvoeging van spuitwater weer
-nieuwe ontwikkeling te voorschijn roepen. Voor de zuurstofvorming is
-dus iets noodig, dat zich in het spuitwater bevindt—gij weet, dat dit
-ook een gas is, en wel koolzuur. Meteen maakt ge natuurlijk de
-gevolgtrekking, dat gewoon frisch water dan ook koolzuur bevatten moet,
-hetgeen volkomen juist is; gij kunt u door de kalkwaterproef ervan
-overtuigen.
-
-Ook koolzuur is met gewone dampkringslucht in ’t water opgelost en kan
-door verwarming er uit gedreven worden. Laten wij zulk afgekookt water
-afgesloten weder bekoelen, en brengen wij er dan voorzichtig wat
-waterplanten in, dan zullen we geen gasontwikkeling waarnemen en de
-planten sterven. Gij weet reeds, dat dieren in zulk van gassen beroofd
-water ook niet leven kunnen.
-
-Onze planten veranderen dus koolzuur in zuurstof door een eenvoudige
-aftrekking; ze slikken met kleine hapjes het koolzuur in, bereiden de
-kool eruit tot voedingsstof en geven de zuurstof als overschot weer
-terug. De zuurstof zet zich in uiterst fijne blaasjes aan de
-oppervlakte der bladeren af, die blaasjes vereenigen zich tot
-belletjes, welke we zien omhoog stijgen, als ze groot genoeg zijn. Niet
-al de zuurstof bereikt echter de oppervlakte, veel ervan blijft in het
-water zelve opgelost en dat maakt dan weer, dat de dieren, die zuurstof
-uit het water moeten inademen, er in leven kunnen. De dieren ademen dan
-weer koolzuur uit—waarvan de planten weer de kool gebruiken, om in ruil
-zuivere zuurstof terug te geven. Zoo maken planten en dieren elkander
-het leven mogelijk.
-
-Voordat ik dit wist, heb ik mij er dikwijls over verwonderd, waarom in
-aquariums en goudvischkommen altijd het water ververscht moest worden
-en waarom met veel kosten in een aquarium vaak de morserij van
-fonteintjes en afvoerbuizen voor de luchtverversching moest aangebracht
-worden, terwijl toch in stilstaande poelen het rijkste leven zich kon
-ontwikkelen. Bracht de regen daar versche lucht mee? Maar als het dan
-in maanden niet regent? Het ligt voor de hand, dat in stilstaand water
-de levende wezens, planten en dieren door onderlinge samenwerking in
-leven blijven. Ook is het heel wel mogelijk, jaren lang een aquarium
-met levende planten en dieren te houden, zonder een enkele maal het
-water te ververschen.
-
-In parken, die goed (al te goed soms) onderhouden worden, zijn wel
-vijvers, waarin men geen enkele waterplant duldt. Ik ken een groote
-stad, waar een heel mooi park is en in dat park zijn reusachtige
-vijvers, waarin geen waterplantje drijft en waar langs de oevers geen
-een van al die prachtige oeverplanten—lisch, zwanebloem, riet,
-dullen—wordt toegelaten, ’t Is vreeselijk jammer, dat het zoo is, maar
-het bestuur van ’t Park schijnt het niet anders te willen en handhaaft
-in zijn vijvers een echt Broek-in-waterlandsche zindelijkheid. Dit
-neemt niet weg, dat op sommige tijden van ’t jaar de watervlakte met
-een vuil wierschuim bedekt is, maar daar kan ’t vlijtigste parkbestuur
-niets aan doen, want die wierkiemen komen om zoo te zeggen, maar ineens
-uit de lucht vallen.
-
-Maar daar wilde ik het niet over hebben. De gewone toestand in die
-saaie vijvers is dus, dat er geen waterplanten in groeien. Toch leven
-er visschen in, mooie groote brasems in overvloed, en zoo groot, dat de
-hengelaars, die ’t park passeeren slechts noode al watertandend de lust
-kunnen weerstaan, om eens in ’t verboden vischwater een kansje te
-wagen.
-
-Hoe houden die visschen ’t nu uit zonder waterplanten, hebben zij dan
-geen zuurstof noodig? Wel zeker, en zij krijgen er genoeg van ook.
-
-Ge hebt wel eens stekeltjes in een flesch gehad zonder waterplanten. Na
-een poosje ziet ge, dat ze alle dicht bij de oppervlakte van ’t water
-zwemmen en daar naar lucht happen. Maar zij happen niet in de lucht,
-doch alleen in ’t bovenste laagje water, dat door zijn onmiddellijke
-aanraking met de lucht zelf, een voldoende hoeveelheid gassen in zich
-opneemt, absorbeert, zooals we in de natuurkundeles leerden zeggen.
-
-Nu is ’t water in den vijver eigenlijk maar een heel dun laagje en in
-vergelijking met zijn diepte is er zoo’n groote oppervlakte met de
-lucht in aanraking, dat daardoor alleen het water al voldoende
-geventileerd wordt, vooral als de wind van tijd tot tijd meehelpt, door
-de krullende golfjes met lucht te vermengen.
-
-Het is duidelijk, dat deze luchtverversching meteen ophoudt, wanneer de
-lucht niet meer in aanraking met ’t water kan komen, b.v. ’s winters,
-als een dikke ijslaag de vijvers bedekt. Dan hebben de visschen gebrek
-aan zuurstof; en dat weten de visschers wel, die bijten in ’t ijs
-hakken, waar dan binnen weinige oogenblikken de visschen elkander
-verdringen om een enkel hapje lucht machtig te worden.
-
-Wie nu weinig planten in een aquarium heeft, doet niet goed met het toe
-te dekken, want daardoor wordt een belangrijke hoeveelheid
-luchtverversching onmogelijk gemaakt. Toch is ’t dekken van een
-aquarium zeer noodig, eensdeels, om te beletten, dat de vliegende
-insecten ontsnappen, anderdeels, om het schadelijke stof te weren.
-
-Zorg maar ervoor, het steeds goed van planten te voorzien, en de
-afgestorven blaadjes en takjes zorgvuldig te verwijderen. De meeste
-planten, ook die in ’t water groeien, zijn afhankelijk van ’t licht;
-goed licht is voor hen levensvoorwaarde. Nu kan uw aquarium nooit erop
-rekenen, evengoed verlicht te worden als een sloot in ’t vlakke
-weiland, waar den geheelen dag de zon zich in kan spiegelen en waar
-slechts een smalle schaduwrand een toevluchtsoord blijft vormen voor de
-meestal lichtschuwe dieren.
-
-Vandaar dat uw planten maar zelden voortdurend gezond en tierig
-blijven, vooral als ze „bovenlicht” missen moeten,—na eenige weken gaan
-ze kwijnen—ze sterven wel niet, maar ze worden tenger en bleek en slap;
-ze krijgen bloedarmoede. Wie het goed met zijn aquarium meent, vervangt
-bijtijds zulke zwakkelingen door nieuwe frissche planten.
-
-Dat geeft meteen gelegenheid, om eens een middagje met schepnet en vork
-er op uit te gaan, en zoo de kans om merkwaardige vondsten te doen. Het
-behoeft niet altijd alleen maar Waterpest of Hoornblad of Duizendblad
-te zijn. We kunnen ook drijvende waterplanten gebruiken. Onze vischjes
-houden van schaduw en kunnen die in de ijle of draadvormig verdeelde
-blaadjes van onze drie voornaamste zuurstof-vormers niet gemakkelijk
-vinden. Er moet een groen dak bovenop het waterpaleis, dan eerst is het
-genoegelijk rond te dwalen in de koele ruimte tusschen de groene
-pilaren en guirlanden! Wat zou een sloot zijn zonder kroos! Waar zouden
-de kleine zilveren steenkarpertjes hun leven moeten slijten, als er
-geen kroos was, kroos, waartusschen en waaronder het wemelt en krioelt
-van allerlei klein watergedierte, maar waartusschen door maar al te
-dikwijls de scherpe haak en het verleidelijke wormpje van den lastigen
-hengelaar een eind aan hun zorgeloos bestaan komt maken.
-
-Het zou een lange lijst worden, indien we al de wezens eens gingen
-opsommen, die in en onder het kroos naar buit uitzien, van de kleine
-hydra’s af, tot hengelaars en liefhebbers van natuurlijke historie
-incluis. Ook de logge eenden doen er ’t hunne bij en slobberen, à la
-walvisch, water, kroos en klein gedierte, daphnia’s en hydra’s tegelijk
-naar binnen. En groene, glazige kikkeroogen loeren tusschen ’t kroos op
-de kleine vliegjes, die er op heen en weer loopen; kleine vliegjes
-schijnen nooit iets anders te doen te hebben dan heen en weer loopen.
-En ’t kroos zelf koestert zich in ’t zonnetje en eet en groeit. En
-bloeit—dat rijmt zoo mooi en dat behoort zoo bij „groeit”. Maar hebt ge
-wel eens kroosbloempjes gezien? Ik maar zeer zelden; ik heb ze maar een
-enkelen keer gevonden en ik twijfel er niet aan, of gij krijgt ze ook
-nog wel eens te zien, want zoo heel zeldzaam zijn ze nu niet, lang niet
-zooals de waternoot. Ga er in Juli maar eens op uit, maar neem uw loupe
-mee en onderzoek geduldig een paar kroosplantjes. Wellicht vindt ge
-geen bloemen of bloesems, maar daarom is uw moeite toch nog niet
-vergeefsch—wie weet hoeveel hydra’s ge vindt. Ook ontdekt ge, dat alle
-kroos nog niet hetzelfde is.
-
-Vooreerst vindt ge het gewone eendenkroos; van boven groen, onderaan
-wit: ronde schijfjes, plat op ’t water drijvend, veelal bij drie, vier
-of vijf met de randen samenhangend en elk voorzien van één wit, dradig
-worteltje, dat aan zijn punt in een mutsje uitloopt—de meeste
-worteltjes eindigen in zoo’n mutsje, wortelkapje geheeten, en dat dient
-om het teere, groeiende eindpuntje van het worteltje zelve te
-beschermen.
-
-Wanneer de schijfjes dik zijn, aan de bovenzijde soms een weinig hol,
-en onderaan bolvormig—dan hebt ge bultig kroos gevonden—dat anders vrij
-wel op ’t eerste lijkt—ook ieder schijfje met één worteltje. Er bestaat
-ook veel-wortelig kroos, dat aan de onderzijde voorzien is van vier of
-vijf worteltjes, in een bosje uit ’t midden van ’t schuifje
-ontspringend.
-
-Deze drie kroossoorten drijven op ’t water, hun groen vlak is in
-aanraking met de lucht, het zijn dus luchthappers—eigenlijk geen echte
-waterplanten meer. Als een sloot uitdroogt, kunnen zij op den vochtigen
-bodem ook nog heel goed blijven leven en betere tijden afwachten. De
-zuurstof, die zij afgeven, komt dan ook niet het water ten goede—zij
-helpen in de sloothuishouding alleen mee, doordat ze schaduw en koelte
-geven en een schuilplaats voor ’t klein gedierte. Daarvoor mogen zij in
-ruil genieten van het voedende slootwater,—want, zoomin als een mensch
-van brood alleen kan leven, zoo weinig kan een plant alleen bestaan op
-lucht—een schraal diëeet trouwens.
-
-Uit de lucht kan een plant zich alleen maar koolstof verschaffen en nu
-weet ge heel goed, dat het plantenlichaam nog uit heel wat andere
-stoffen is gebouwd; of wist ge het nog niet, dan kunt ge u er
-gemakkelijk van overtuigen door in een heet vuur wat stroo te
-verbranden. Bestond dat stroo alleen uit kool, dan zou ’t geheel in ’t
-vuur verdwijnen; er blijft echter een witte asch over, die, hoe heet
-het vuur ook zij, van geen verbranden weten wil.
-
-Geleerden en landbouwkundigen weten precies wat dat is, en hoeveel van
-elk—later spreken wij er misschien ook wel eens over—maar de stoffen,
-waaruit die asch bestaat, en nog meer dat met de kool in de vlam
-verdwenen is, heeft de graanplant moeten bereiden uit stoffen, die zij
-uit den grond moest opnemen, waar ze in water waren opgelost.
-
-Slootwater bevat al die stoffen ook, afkomstig uit den bodem of van
-vergane dieren of planten, en al wat in de sloot groeit, gaat er
-heerlijk op te gast. Elk kroosplantje pompt zich door zijn wortel en
-door zijn onderkant vol met voedend water, haalt het voedsel er uit,
-doet aan de bovenzijde door kleine openingetjes het onverbruikte
-verdampen, om aan den onderkant weer nieuw op te nemen. Het tiert en
-groeit en wordt dik en breed voor een kroosplant—bot aan zijn rand uit,
-zoodat er weer drie, vier, vijf nieuwe plantjes ontstaan, die, na
-eenigen tijd met de oude plant verbonden te zijn geweest, zich weer
-losmaken en op eigen gelegenheid weer voortgroeien en uitbotten tot in
-het oneindige—of liever—totdat de winter komt.
-
-Er is ook een soort van kroos—in alle slooten kunt gij het vinden, dat
-op zijn broertjes weinig gelijkt, want het is niet rond en drijft niet
-op ’t water, maar zweeft meestal een eindje onder de oppervlakte, dus
-een echte waterplant, die zijn lucht ook uit ’t water moet halen. Het
-drijft aan bosjes vereenigd en als ge het uit ’t water neemt, komt er
-een heele boel tegelijk mee. Net allemaal snippers van een knipselwerk,
-driekant, aan ’t breede eind afgerond en met ’t smalle eind kris en
-kras over elkander geplakt. Aan ’t smalle eind is ook een worteltje.
-Dit driekant kroos moet ge vooral in uw aquarium doen, vooreerst omdat
-het een zuurstofvormer is, evenals Elodea en Ceratophyllum en
-Myriophyllum en dan, de stekeltjes verschuilen zich er zoo graag in, ze
-zitten altijd erin op de loer.
-
-Dit zijn al onze kroossoorten; vindt ge nu nog heel klein kroos (zoo
-groot als een speldeknop) zonder worteltjes; schrijf dan aan ons
-Tijdschrift, De Levende Natuur, dat ge daar en daar en dan en dan,
-wortelloos kroos gevonden hebt. Dat komt in Midden-Duitschland voor en
-kon wel eens door watervogels hierheen gebracht zijn.
-
-Nu hebben we kroos genoeg gevonden, maar bloempjes nog niet, ze zijn
-ook zoo klein en kleurloos daarbij.—Aan plantjes ontbreekt het anders
-niet, vele slooten zijn er als mede bevloerd, in drie scheppen hebt ge
-een mand vol en de varkens kunnen smullen! Die zijn dol op kroos!
-
-Wij doorzoeken onze schepvol en vinden nu eens een larve, dan weer een
-klein slakje, een aaltje, een hydra, waarmede we langzamerhand onze
-stopflesch vullen, maar de kroosbloempjes verschijnen niet. We zullen
-maar eens naar andere bloemen omzien; in en bij het water groeien er
-heel wat, die niet in het oog vallen, doordat ze kleurloos zijn. Op die
-manier kunnen we ons wat oefenen.
-
-Daar staan in een ondiep hoekje een menigte plantjes, die wel wat van
-dennetakjes hebben, ze steken 2 à 3 dM. boven het water uit, mooi, fijn
-donkergroen, een beetje stijf. Gij ziet geen bloempje, en toch: ze
-staan in vollen bloei; ieder plantje draagt honderden bloemen! Maar het
-zijn er ook bloemen naar, zoek maar eens in de hoekjes tusschen stengel
-en blad: een stampertje en één meeldraad—dat is alles, de geheele
-bloemenpracht van de Lidsteng (Hippuris vulgaris).
-
-Neem nu ook eens een hoornblad, dat bloeit nu ook—alle waterplanten
-bloeien zoowat tegelijk in het begin van Juli. Gij moet weer naar de
-bloempjes zoeken en ge vindt ze natuurlijk in de hoekjes, waar de
-blaadjes uit den stengel komen, ’t Is, dat wij ons er nu voor
-interesseeren, maar anders zoudt ge honderd jaar kunnen worden en
-midden in het hoornblad zitten, zonder ooit een bloempje ervan te zien.
-Als ge nu goed toeziet, dan vindt ge telkens een vijfentwintigtal
-meeldraden of daaromtrent bij elkander, omgeven door een uitgetand
-vliesje; op andere plaatsen weer bestaat het bloempje uit één stamper
-met een draadvormige stijl en stempel, ook gehuld in een vliezig zakje.
-En dat alles onder water.
-
-Heb ik u al verteld, dat water de dood voor meeldraden of voor
-stuifmeel is? Niet? Maar gij hebt het toch wel kunnen merken bij Elodea
-en Vallisneria, zelfs bij de Lidsteng, hoe ze hunne bloemen boven water
-brengen; en als we nog wat meer bloemen vinden, dan krijgen we
-gelegenheid in overvloed, om op te merken, dat ze allemaal trachten,
-hun stuifmeel tegen regen en vochtigheid te beschermen. Maar hoornblad
-doet dat niet en een soort van vederkruid ook niet, ze bloeien getroost
-onder water en laten hun stuifmeel door den stroom naar de stempels der
-stamperbloemen voeren. Zulke planten zijn er maar zeer weinig, en wel
-merkwaardig is het, dat twee van de meest voorkomende waterplanten in
-ons land deze zeldzame manier van stuifmeelvervoer er op nahouden.
-
-Ik sprak daareven van een soort van vederkruid. Gij zult n.l. op uwe
-speurtochten naar waterplanten er twee soorten even veelvuldig van
-aantreffen, misschien wel drie, maar die derde is, zooals uw
-determineerboek u zal leeren, een zeldzaamheid. De eene soort van
-vederkruid dan heeft zijne bloempjes à la Ceratophyllum in de oksel der
-bladeren, kleine meeldraad-bloempjes met 4–8 meeldraden en
-stamperbloempjes met één vruchtbeginsel met vier stempels—het
-meerendeel onder water. Toch zijn bij deze plant al sporen van
-beterschap op te merken, want als ze in ondiep water groeit, of in
-slooten die half dichtgeslibd zijn, steekt ze de einden van de takken,
-die bloempjes dragen, boven water uit, de bloemen openen zich in de
-vrije lucht en de wind moet zorgen voor de overbrenging van het
-stuifmeel.
-
-De andere soort van vederkruid bloeit nooit onder water; dat is
-Myriophyllum spicatum (het vederkruid, dat een aar draagt): ik denk
-wel, dat het iets meer algemeen voorkomt dan de vorige soort, die
-Myriophyllum verticillatum heet, (vederkruid, dat zijn bloemen in
-kransjes heeft).
-
-Die Myriophyllum spicatum nu, steekt het bloeiende eind van zijn takken
-altijd boven water uit, en alsof het die uiteinden nu lichter heeft
-willen maken, zijn de fijnverdeelde groene bladeren vervangen door
-heele kleine blaadjes, in wier oksels de bloemen staan, bovenaan de
-stuifmeelbloemen, onderaan de stampers.
-
-Dat begint al heel wat op bloeien te gelijken en de aar is mooi ook; de
-helmknoppen hangen te wiegelen aan heel dunne draadjes; ze zijn rood,
-zoolang ze nog niet open zijn, dan heldergeel. Voordat ze opengaan,
-zijn ze beschermd door vier fraai karmijnroode blaadjes, maar die
-vallen heel spoedig af.
-
-Nu we eenmaal de bloeiaren van vederkruid gevonden hebben, zien we nog
-meer andere aartjes boven water uitsteken. Haal er met de vork een paar
-naar u toe, er valt weer iets aan te bekijken, we hebben nog wel den
-tijd—de zomerdagen zijn lang.—Gij moet rukken, de plant zit in den
-bodem vastgeworteld.—Knap! daar hebben we een tak. Donkergroene,
-bruinachtige bladeren zitten op verschillende hoogte aan den stengel.
-Die bladeren zijn niet vlak, zooals gewoonlijk, maar over hun geheele
-oppervlakte gegolfd, het meest aan de randen. De bloeiaar komt uit een
-van de bovenste bladoksels, en bevat eene menigte bloemen, dicht op
-elkander. Deze plant heet Potamogeton crispus (gekruld fonteinkruid).
-Er zijn in onze slooten nog veel andere fonteinkruiden te vinden; ge
-kunt de verschillende soorten onderscheiden met behulp van de tabel aan
-’t eind van dit boek. Het meest komt voor het drijvend fonteinkruid (P.
-natans), dat zeer welig groeit, zoodat soms slooten en vijvers er
-geheel mee bedekt zijn. Dan is de sloot vol „theeblaren” zeggen de
-jongens.
-
-Op ’t eerste gezicht lijkt het wel, of de bovenste stamperbloemen zijn.
-De onderste hebben meeldraden, vier, die in hun dikke helmknoppen
-overvloedig stuifmeel hebben, maar middenin bevindt zich ook een
-stamper, of eigenlijk vier stampers, ieder met een dikken naar buiten
-staanden stempel. Maar kijk nu nog eens naar de bovenste bloempjes. De
-vier stampers zitten goed ingepakt in vier bruingroene blaadjes. Alleen
-de stijlen en stempels steken er buiten uit. Neemt ge echter die vier
-blaadjes—de dekschubben—weg, dan vindt ge, tegen stijf de stamper
-aangedrukt, vier, dikke, gele, glimmende meeldraden. Eigenlijk moest ik
-zeggen meelzakken, want van een helmdraad is bijna niets te bespeuren;
-ze zijn een en al helmknop. Iedere helmknop bestaat uit twee gelijke
-deelen, de helmhokken, die door het helmbindsel met elkaar verbonden
-zijn. Stuifmeel ziet ge aan deze meeldraden niet, want ze zijn nog niet
-rijp, ze zijn nog niet open. Gij kunt echter op ieder helmhokje al een
-overlangsche streep opmerken. Over eenigen tijd, als het stuifmeel rijp
-is, barst het helmhokje langs die streep open en het stuifmeel valt er
-uit. Dit gebeurt nooit, terwijl het regent.
-
-Wanneer het droog, windig weer is, dan wordt het stuifmeel door den
-wind meegevoerd, als het stof op de wegen. Tien, twintig meter verder
-waait het tegen een andere bloeiaar van fonteinkruid aan en blijft aan
-de stempels kleven. Natuurlijk valt er ook heel wat in ’t water, maar
-dat komt er niet op aan. Als op iedere stempel van ons fonteinkruid
-maar eenige korreltjes stuifmeel komen is het al genoeg—dus als uit
-ieder helmknopje enkele stofjes hun bestemming bereiken, kunnen er
-zaden gevormd worden—en ieder hokje bevat duizenden en duizenden van
-die stofjes.
-
-Springen de helmhokken bij windstilte open, wat ook wel gebeurt, dan
-valt het stuifmeel eruit, niet in het water, maar op de onderste
-dekschub, die als het ware een schoteltje eronder vormt. Daar blijft
-het dan liggen, totdat een flinke windvlaag het eruit jaagt. Regent het
-voor dien tijd, dat is ook niet erg, want dan sluit het bloempje zich
-en het stuifmeel blijft droog.
-
-Op deze wijze wordt ervoor gezorgd, dat nooit het stuifmeel uit de
-helmhokjes terecht komt op stempels van dezelfde bloem, maar bijna
-altijd op stempels van een andere plant. Men drukt dit korter uit door
-te zeggen, dat bij de fonteinkruiden gezorgd is voor kruisbestuiving en
-het is bekend, dat zaden, welke door kruisbestuiving ontstaan, veel
-krachtiger planten opleveren, dan die welke gegroeid zijn uit zaden,
-gevormd doordat stuifmeel terecht kwam op de stempels van de bloem,
-waarvan het zelf afkomstig was.
-
-Bij de meeste bloemen bestaan inrichtingen, die kruisbestuiving
-bevorderen. Bij Elodea, Vallisneria, Ceratophyllum en Myriophyllum
-spreekt het vanzelf, dat er altijd kruisbestuiving moet plaats hebben,
-doordat hunne bloemen òf alleen stampers óf alleen meeldraden bezitten.
-Bij de fonteinkruiden is eigenlijk het zelfde het geval; wel bevinden
-zich meeldraden en stampers in dezelfde bloem, maar ze zijn nooit
-tegelijk rijp; als de stempels geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen,
-dan zijn de meeldraden in dezelfde bloem nog dicht en verborgen, en ze
-openen zich eerst, wanneer op de stempels reeds van elders stuifmeel is
-aangevoerd. Dan zijn die stempels al half verdord, zooals ge aan de
-onderste bloemen van een aar duidelijk kunt zien.
-
-Nog altijd geen kroosbloempjes, maar wat is dat aan de rand van die
-rietpoel? Stap er voorzichtig heen, we zijn hier op een gevaarlijk
-plekje, de bodem trilt onder ons en golft voor ons heen; hier en daar
-blinken tusschen ’t mollig veenmos groene slijmerige poelen. Stap op de
-elzestronken en beproef iedere tred, maar dat plantje daar moeten we
-hebben—de vondst is eenig—ik ben er blijder mee dan met de eventueele
-kroosbloempjes. Zeldzaam? Och, vraag niet altijd en alleen naar
-zeldzaam—het niet zeldzame, het algemeene is vaak het meest
-belangwekkend. Doch dit preekje voegt me niet, want al is de
-plant—waarvoor we nu ons leven wagen—lang niet zeldzaam, algemeen kan
-ze toch ook niet genoemd worden. Vooruit dus. Naar den rand van de poel
-wordt de bodem wat vaster—dat heb je meer in de moerassen—en met onze
-vork kunnen we de buit naar ons toehalen. Als ik op waterplanten uitga,
-heb ik altijd een ijzeren vork, die ik aan de stok van het schepnet kan
-vastmaken.
-
-Ziezoo, dat is binnen. Nu kunnen we even op een wilgenstoof gaan zitten
-en zeg me nu eens; wat zou dit zijn?
-
-„Gele waterleeuwenbekken met haarbladen en er zitten beestjes tusschen
-ook!”
-
-Goed geantwoord.
-
-Die bloemen lijken werkelijk op leeuwenbekken, er staan er een stuk of
-vijf bovenop een stengel, die rechtop een decimeter of twee boven het
-water uitsteekt. Ze zijn mooi geel met donkerder vlekken en streepen op
-de plaats waar onderlip en bovenlip stevig tegen elkander gedrukt
-zitten, haast net als bij de bekende gele vlasbek, die in Augustus en
-September overal aan dijken, ruigten en wegen te vinden is. Die heeft
-echter vier meeldraden, terwijl onze waterplant er maar twee heeft, die
-ge in vele gevallen zoo kromgebogen vindt, dat hunne helmknoppen, tegen
-den stijl aangedrukt staan—waaronder de stempel, zoodat het stuifmeel
-uit de helmknoppen onmogelijk op de stempel kan vallen. Er moet dus
-stuifmeel van andere bloemen worden aangevoerd, zooals bij de
-fonteinkruiden, maar hier kan de wind ons niet helpen. De stempels en
-de meeldraden zitten opgesloten in de gele kroon—die kroon is dicht en
-blijft dicht, zoolang er niet iemand komt, die hem openmaakt, en dat
-kan de wind niet doen.
-
-Willen we nog eens naar de gele bloemen kijken, die daar nog in het
-water staan?—Misschien vinden we de oplossing van het raadsel.
-
-Het is zulk mooi, stil warm weer; de berken, waar ons moeras vol van
-staat, verspreiden hun heerlijke kruidige geur als van.... zure
-peper—zooals een van mijne jonge vrienden eens zei. Over de duizenden
-kleurige bloemen een gegons van allerlei insecten—blauwe schichten
-schieten er door heen en over het water; dat zijn zwaluwen op jacht;
-blauwe zwaluwen. Ook andere, dof grijs met wit—dat zijn oeverzwaluwen;
-zij hebben hun nest ergens in de buurt, diepe holen in een dijk of
-steilen slootkant.
-
-Zij zijn het vooral, die over het watervlak jagen—want ook daar zijn
-insecten in overvloed—ook bij onze gele bloemen. Daar plompt een klein
-hommeltje met geel en bruin aan zijn achterlijf tegen een bloem
-aan—vlak er tegen. Het onderste deel van de bloem buigt onder zijn
-gewicht neer, zijn kop verdwijnt tot de schouders in de opening. Drie,
-vier tellen blijft hij zoo zitten, dan heeft hij den honing uit de
-spoor opgezogen en zoekt een andere bloem op. Zoo werkt hij
-achtereenvolgens al die gele bloemen af en vliegt dan heen, echter niet
-zonder haar een wederdienst bewezen te hebben.
-
-De meeldraden zijn zoo geplaatst, dat de hommel onvermijdelijk met zijn
-tong er langs moet strijken, als hij de honing uit de spoor wil
-opzuigen. Natuurlijk blijft er wat van het kleverige stuifmeel aan die
-tong vastzitten, en als hij die daarna in een andere bloem steekt, dan
-raakt hij daar den stempel aan, waaraan dan weer de stuifmeelkorrels
-zich hechten, zoodat de kruisbestuiving volbracht is.
-
-Ja maar, zegt ge, verliest de tong het stuifmeel al niet in de eerste
-bloem bij het terugtrekken langs den stempel?
-
-Dat is nog zoo kwaad niet opgemerkt—laat ons eens zien.
-
-Neem eens een grassprietje en boots daarmee in een levende bloem de
-beweging van een hommeltong na. Gij opent de bloemkroon, steekt het
-grassprietje erin; het strijkt langs de onderste afdeeling van de
-stempel heen, tusschen de meeldraden door, de spoor in.
-
-Maar wat is dat? In het aangeraakte deel van de stempel komt beweging,
-langzaam maar gestadig krult zich het lipje omhoog, totdat het vlak
-tegen de bovenste afdeeling komt te liggen. Als ge uw grassprietje
-terug trekt, raakt het geen stempel meer aan; die is uit de weg gegaan.
-
-Thuis, voor uw vensterraam of in den tuin hebt gij misschien een
-plantje, dat dezelfde merkwaardige inrichting vertoont—ik bedoel de
-gele Mimulus. De bloem daarvan is ook leeuwenbekachtig, maar open, de
-stempel is net als die van het Blaasjeskruid (zoo heet onze gele
-waterbloem) „tweelobbig” en de onderste lob krult zich bij de minste
-aanraking omhoog. Het is een verrassend gezicht, in planten—die men
-over het algemeen toch voor bewegingloos houdt—zulke bepaalde,
-plotselinge bewegingen te zien gebeuren.
-
-Nu wil ik u van de bloem van ons blaasjeskruid nog iets vertellen. Het
-gebeurt wel eens, dat de insecten een bloem niet bezoeken; bij
-ongunstig, regenachtig weer b.v. wagen zij zich niet graag boven het
-gevaarlijk element. Hoe komt dan het stuifmeel op den stempel? Ja, dan
-moet de bloem zich behelpen. De onderste stempellob krult zich dan
-langzaam (aarzelend, had ik haast geschreven) naar omlaag, tot ze de
-open meeldraden aanraakt. Er is dan stuifmeel uit dezelfde bloem op de
-stempel gekomen, er rijpen nu ook zaden, al zijn ze niet zoo goed als
-die, welke door kruisbestuiving ontstaan.
-
-Een aardige inrichting, nietwaar? Doch hiervoor behoefden we ons leven
-niet te wagen (de waaghalzerij was anders zoo groot niet), er zijn
-bloemen genoeg, die nog „aardiger” erop ingericht zijn, om door
-kruisbestuiving sterke zaden te krijgen.
-
-Maar er is meer! Leg de bloem eens ter zijde en kijk eens naar de
-bladen—of liever naar het groen, want die vertakte draden kunnen
-eigenlijk niet anders genoemd worden.
-
-Straks zaagt ge er beestjes tusschen, niet waar? Ze zijn er nog—we
-zitten nu al een kwartier op onzen wilgenzetel over de bloemen te
-praten en nog zijn ze niet tusschen het vochtig veenmos weggekropen om
-weer in hun element hunne duikelingen en wendingen te beginnen. Nu ge
-er een grijpen wilt, merkt ge dat het vastzit aan de plant, dat het
-eraan gegroeid is: uw beestjes zijn geen dieren, maar bladertjes of
-iets, dat erop lijkt.
-
-Daar zit ge nu.
-
-Leefden we nu een driehonderd jaar vroeger, dan gooiden we het plantje
-weer in de sloot, en gingen naar huis om daar een paar folianten met
-wonderverhalen op te zoeken, liefst in ’t Latijn. Daar snorden we dan
-wat plaatsen in op, die ons op onze ontdekking toepasselijk leken en
-namen daarna een nieuwversneden ganzenpen, om een lijvig boek te
-beginnen over de dierenbarende slootbloem, opgehelderd met aanhalingen
-uit Aristoteles en Plinius en Dioscorides etc. Ja, ge kunt erom lachen;
-maar zoo hebben ze vroeger gedaan en ik zal later nog wel gelegenheid
-vinden, om u plaatjes te laten zien van rotganzen, die aan de boomen
-groeien of levende schapen, die van onder een varenplant komen kuieren,
-waar ze eerst den dienst van wortels verricht hebben. In allen ernst
-stonden zulke dingen in boeken, met koninklijk privilegie gedrukt.
-
-Wij echter pakken ons blaasjeskruid tusschen wat vochtig mos in onze
-plantenbus en plaatsen het thuis in ons aquarium—of, als we dat nog
-niet rijk zijn, in een diepe schotel met water. Laat ons ook in onze
-stopflesch wat water meenemen met vertaktsprietige watervlooien en
-dergelijke vierpootige met één oog (Daphnia en Cyclops) en meer van dat
-kleingoed, om dat alles thuis in dezelfde schotel bij het blaasjeskruid
-te gieten. Later gaan we nog eens erop uit, om kroosbloempjes te
-zoeken.
-
-Het planten van ons blaasjeskruid veroorzaakt niet veel last, want het
-bezit geen wortels: we behoeven het maar rechtop in ’t water te zetten,
-dan zinkt het zoover, totdat het drijft (Natuurkunde, hoofdstuk
-zooveel) en tegelijk spreiden de takken met de draadvormige blaadjes
-zich uit. De blaasjes vormen dan als ’t ware een kudde vreedzame
-daphnia’s verdiept in herkauwende bespiegelingen. Dat woord
-„herkauwende” gebruik ik hier niet alleen, omdat het woord „kudde” mij
-aan koeien of schapen doet denken. Dat zal u spoedig duidelijk worden.
-
-Onze echte daphniden moeten wel bijzondere gedachten krijgen van die
-vreemde onbewegelijke stamgenooten. Zij zelve schieten op hunne bekende
-schokkende manier door het water heen, terwijl ze op elkander jacht
-maken of op nog kleinere diertjes. Soms naderen ze nieuwsgierig onze
-blaasjes, soms heel dicht bij, ja ze kruipen er wel eens in.
-
-Na een paar dagen maakt ge de opmerking dat uwe levende daphnia’s
-geducht onder elkander hebben huisgehouden, of dat er een epidemie
-onder hen is uitgebroken—want hun aantal is aanzienlijk verminderd.
-Echter zijn nergens daphnialijken te zien, ook geen leege schalen.
-
-Dat lijkt geheimzinnig en ge raadt nu al wel, dat de blaasjes in ’t
-geheim betrokken zijn. Knip een takje met blaasjes van uw plant af en
-leg het op een stuk wit filtreerpapier, dan hindert het water, dat
-eraan blijft hangen, u niet bij uw onderzoek. Nu ziet ge wel, dat ieder
-der eivormige blaasjes aan zijn spitse punt vier vertakte „sprieten”
-bezit; begin daar met twee naalden het blaasje open te scheuren—dan
-zult ge eens zien, wat erin zit.
-
-Niets? Goed, neem dan een ander blaasje, desnoods een derde. Daar hebt
-ge het al: een doode daphnia. Maak nog een blaasje open.—Een
-zieltogende Cyclops. Nog een! Begrijpt ge het nu?
-
-De blaasjes van het blaasjeskruid zijn vallen voor klein gedierte, het
-blaasjeskruid zelve is eene vleeschetende plant! De watervloo, die uit
-nieuwsgierigheid of in zijn angst om aan den een of anderen vervolger
-te ontkomen in zoo’n blaasje gekropen is, kan er nooit meer uit. In
-duisternis en afzondering moet het diertje na herhaalde vruchtelooze
-pogingen om te ontsnappen den honger- en verstikkingsdood sterven. De
-val is gesloten met een klep, die naar binnen, o zoo gemakkelijk
-opengeduwd kan worden, maar die door elke drukking naar buiten den
-uitgang slechts nog steviger afsluit.
-
-De inrichting is heel eenvoudig.
-
-Gij ziet, dat de blaasjes niet zuiver eivormig zijn, maar dat zij een
-bollen en een meer afgeplatten kant hebben. Die platte zijde, zouden we
-de buikzijde van het blaasdiertje kunnen noemen. De punt van die
-buikzijde is, waar de sprietvormige uitsteeksels zitten. Nu moet de
-loupe erbij te pas komen.
-
-Op eenigen afstand van de punt ziet ge in de buikzijde een
-ongelijkheid, de blaasjeshuid is daar ingebogen. Neemt ge nu een dun
-stokje of een naald zonder punt, dan kunt ge u ervan overtuigen, dat
-het gedeelte van de punt af tot aan die inbuiging, los op den rand der
-inbuiging ligt en naar binnen er een eindje overheen steekt. Bij de
-minste aanraking ontstaat daar een opening. Zwemt nu een klein diertje
-tegen dit gedeelte aan, dan wijkt het onmiddellijk terug en de
-argelooze zwemmer, misschien door zijn instinct aangezet, om dit
-donkere hoekje na te snuffelen, raakt er binnen. Nu ligt de klep weer
-vlak op den rand, alleen door een trekkende beweging zou hij omhoog
-gehaald kunnen worden, maar onze gevangene kan niet anders dan duwen,
-en dat kost hem het leven.
-
-Het lijk gaat tot ontbinding over en de verrottingsproducten, door den
-binnenwand van het blaasje opgezogen, zijn voedsel voor de plant. Gij
-weet, dat volwassen daphnia’s een schaal hebben. Die schaal verteert
-niet, maar kan evenmin als eerst het gevangen dier uit ’t blaasje weg
-en blijft daar dus liggen. Naarmate het blaasje meer slachtoffers
-maakt, komen er meer van die onverteerbare overblijfselen, zoodat het
-ten slotte vol raakt en buiten gebruik moet worden gesteld. Een
-onderzoeker heeft eens in zoo’n vol blaasje het stoffelijk overschot
-van 24 verschillende diertjes gevonden.
-
-Zoo kan een enkele blaasjeskruidplant, die over een paar honderd vallen
-te beschikken heeft, een geduchte opruiming onder de kleine
-waterbewoners houden. Het zijn vooral soorten van Daphnia, Cyclops—al
-die éénoogigen—die gevangen worden, maar ook larven en zelfs kleine
-vischjes, want de blaasjes worden wel een ½ cM. groot.
-
-Op de afbeelding hiervoor kunt ge zien, hoe zelfs jonge vischjes
-gevangen kunnen worden. Dat in fig. 2 is bij ongeluk met zijn staart in
-de opening geraakt, het kan er echter niet meer uit, daar de klep
-klemmend sluit. Hoe die twee blaasjes in fig. 3 samen dat eene vischje
-machtig geworden zijn, is een raadsel, maar ’t is toch waar gebeurd; al
-de afbeeldingen zijn naar de natuur geteekend door een Russisch
-onderzoeker.
-
-In fig. 4 is een doorsnede van een blaasje gegeven, twintigmaal
-vergroot, terwijl in fig. 5 zeer vergroot (400 ×) de binnenwand van
-zoo’n blaasje te zien geeft. De uitsteeksels, vier aan vier geplaatst
-zuigen de voedende vloeistof op, welke door de ontbinding der gevangen
-dieren ontstaat.
-
-
-
-Wanneer ge Utricularia’s houdt in een kom met zuiver water, dan gaan ze
-kwijnen, al zorgt ge nog zoo goed voor overvloedig licht. In heldere
-sloten, waar zich geen klein watergedierte ophoudt, kunnen ze ook niet
-tieren. Ze verhongeren letterlijk, ze kunnen uit het water niet genoeg
-voedingsstof opnemen: ze moeten gevoerd worden! Ze zijn zoo aan vette
-bouillon gewoon, dat ze van de dunne waterpap, waar andere planten mede
-tevreden zijn, ziek worden.
-
-Gij begrijpt nu ook, dat het Blaasjeskruid geen wortels noodig heeft,
-zooals het kroos b.v. De blaadjes doen er min of meer den dienst van:
-zij toch zuigen de opgeloste voedingsstof op. Het hoornblad heeft ook
-maar zelden wortels, het ligt zoo geheel omringd door het voedende
-water, dat het vanzelf er geheel mede doordrongen wordt. Dat „vanzelf”
-is natuurlijk bij wijze van spreken—ik bedoel daarmede ongeveer
-hetzelfde als wanneer ik zeg dat water, waarin een varkensblaas vol
-melk wordt opgehangen vanzelf verandert in water en melk—de melk in de
-blaas ook—gij begrijpt alweer: Natuurkunde, Hoofdstuk zooveel, over
-Osmose.
-
-Het kroos heeft zijn wortels wel noodig; de onderzijde van ’t plantje
-alleen zou niet genoeg kunnen opzuigen. Waterpest zou het wel zonder
-wortels kunnen stellen, voor zoover de voeding aangaat, maar hij heeft
-ze nog ergens anders voor noodig. De meeste waterplanten hebben
-wortels, die of vrij in ’t water hangen, zooals bij ’t kroos, of zich
-in den bodem vasthechten zooals bij waterpest, duizendblad,
-waterlelies, watergentianen, fonteinkruiden enz.
-
-De wortels komen uitstekend te pas, als de sloot leegloopt of
-uitdroogt. Ik heb u al gezegd, dat eendenkroos dan niet het lot van de
-vischjes deelt, maar zich erin schikt, om op den modder nog te blijven
-leven.
-
-Ja, de vischjes gaan dood, als de sloot uitdroogt, behalve de alen; die
-kruipen in den nacht door het gras, nat van den dauw, naar een ander
-waterpaleis. Larven verpoppen zich bij zoo’n gelegenheid, als ze ten
-minste niet al te jong zijn; dat de kikkers en salamanders en torren
-zich weten te redden, behoef ik u niet te zeggen. Heel kleine
-waterdiertjes hullen zich bij droogte in een dubbele huid, verslapen
-zoo den drogen tijd en worden door een plasregen weer tot nieuw leven
-gewekt.
-
-Nu de meeste waterplanten, die in den bodem wortelen, kunnen den
-tegenspoed goed verdragen. Utricularia en hoornblad gaan onverbiddelijk
-dood, doch duizendblad en waterpest en de fonteinkruiden houden zich
-taai. Duurt de tijd van droogte wat lang, dan verwelken ook hun takken,
-en sterven af, maar dan zijn de planten zelven toch nog niet dood.
-
-Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem weer nieuwe
-takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich niet geheel en al bloot
-te geven—hun eigenlijk lichaam zit in den vochtigen modder geborgen en
-wacht daar gelaten betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan
-vindt ge die stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms
-heel lang hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging
-door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ontwikkelen zich
-onmiddellijk weder bebladerde stengels en bloemen. Houdt de droogte
-heel lang aan, dan moeten ze eindelijk sterven, of ertoe overgaan, een
-andere leefwijze aan te nemen en landplanten te worden.
-
-Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn er planten
-genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te zijn, of ze al dan
-niet in ’t water staan—riet, blaartrekkende boterbloem, waterkers,
-veldkers—maar dat zijn toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die
-tegen wat vochtigheid kunnen. Of ze in ’t water zijn of niet, brengt in
-hun uiterlijk geen verandering te weeg.
-
-Maar ga nu nog eens in Juli of Augustus met mij uit waterplanten
-zoeken—misschien vinden wij de zeer verlangde kroosbloempjes dan ook
-nog—dan zal ik u nog eens een merkwaardig plantje laten zien. We
-behoeven niet veel breede slooten af te zoeken—vooral als het water
-niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden. Plat op het
-water drijven een aantal spits-ovale bladeren (8 à 9 cM. bij 3), wel
-gelijkend op die van het drijvend fonteinkruid (de theeblaren), maar
-smaller en spitser, geel groen van kleur. Te midden van die bladeren
-verheffen zich een dM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren,
-allerliefste bloemetjes—waar ook nog wel iets aan te bekijken valt.
-
-We zullen maar eens probeeren, zoo’n plant machtig te worden. Ze groeit
-ver van den kant, dus de haak moet erbij te pas komen en heel
-gemakkelijk gaat het ook niet, telkens slipt de kersroode bloemaar
-onder de vork vandaan: de plant is stevig in den bodem vastgeworteld.
-Nu kunt ge het topje grijpen, houd vast en trek voorzichtig—met kleine
-rukjes, anders breekt de stengel af. Knap—stuk is het reeds—afgebroken
-bij den wortel. Wat hebben wij nu?
-
-Anderhalven meter slappe stengel, waaruit van afstand tot afstand lange
-slappe stelen ontspringen, die aan hun einde de reeds vermelde bladeren
-dragen. Dragen eigenlijk niet, de stelen zijn zoo slap, dat ze zichzelf
-niet eens kunnen dragen; zij verbinden de bladeren aan den stengel,
-zullen we maar zeggen. Het einde van den stengel, de roode bloemaar, is
-steviger: die kunt ge rechtop houden—maar overigens is de geheele plant
-een slappekoord geschiedenis—slap en glad; alles ligt in een lam hoopje
-op het gras.
-
-Waartoe zou een waterplant ook stevig moeten zijn? Ja, een boom moet
-stevig wezen, anders waait hij om, en de slanke graanhalmen moeten
-kracht genoeg bezitten, om de aren omhoog te houden—maar een
-waterplant? Die vindt steun genoeg in het water, zoolang haar
-drijfkracht niet verloren gaat; en daarvoor is gezorgd, doordat
-stengels en stelen en bladeren voorzien zijn van luchtruimten,
-zwemblazen als ’t ware. Zoodoende staat een waterplant rechtop op
-dezelfde wijze als een stokje, aan welks eene eind ge met een touwtje
-een steen hebt vastgebonden, in het water rechtop blijft staan. Kroos
-drijft op het witte holle weefsel, dat aan de overzijde der blaadjes te
-zien is; het driekante kroos mist dat en drijft dan ook niet, maar
-zweeft gelijk het hoornblad, alles volgens dezelfde wet van Archimedes.
-
-Nu begrijpt ge ook, waarom de bloeiaar van onze veenwortel (Polygonum
-Amphibium)—zoo heet de plant, die wij gevangen hebben—zoo stevig moet
-zijn, die heeft geen steun van ’t water te wachten. Laat ons de plant
-nog eens bezien. Gij merkt op, dat de onderste bladstelen langer zijn
-dan de bovenste—juist, zegt ge, dat is, omdat alle bladeren op het
-water moeten drijven en dus evenhoog moeten komen.
-
-Goed, maar stel u dit nu eens voor. Als de bladstelen nu alle juist zoo
-lang zijn, en hun einde, waar aan de bladschijf bevestigd is, de
-oppervlakte van het water bereikt, dan komen de twaalf tot twintig
-bladeren van onze plant vlak bij elkaar, bij drieën of vieren op
-elkander gedrongen tegen de stengeltop aan te liggen—waarlijk geen
-voordeelige schikking, als ge bedenkt, dat ieder blaadje met zijn
-oppervlakte voedende lucht moet ophappen. Er moet een fout schuilen in
-onze redeneering.
-
-Kijk maar in de sloot; daar verheffen zich nog meer van onze rozeroode
-aren en daar liggen de bladeren niet zoo dicht opeen, er zijn zelfs
-vrij groote ruimten water tusschen. Hoe is daarvoor nu gezorgd.
-Doodeenvoudig. De stelen, waarvan het begin 20 cM. onder water ligt,
-zijn niet 20 maar 30 cM. lang. Ze missen de kracht, om hun bladschijf
-die 10 cM. boven het water uit te tillen, de bladschijf moet op ’t
-water liggen, de steel, die door zijn drijfkracht niet in een bocht
-omhoog kan hangen, komt schuin gestrekt in het water en de bladschijf
-is 15 of 20 cM. van de bloemaar verwijderd—zoo komen de onderste
-bladeren het verste van den stengel af te liggen en elk blad heeft
-ruimte en lucht in overvloed.
-
-Stop nu onze vangst in de plantenbus—botaniseertrommel zeggen ze in de
-winkels—straks zullen we er nog wel eens naar moeten kijken, hoop ik.
-Laat die kroosplantjes nu maar met rust, ge vindt toch de bloempjes
-niet en ik heb wat anders in petto.
-
-Vroeger stond deze sloot hooger, voor een paar jaar echter is het
-polderpeil verlaagd; een vijvertje aan het eind van de sloot is
-drooggeloopen en nu een laag slecht weilandje geworden—nog nat en vol
-ontuig.
-
-Ook een menigte roode bloemaren. Vergelijk ze met wat we in de bus
-hebben en ge zult zien, dat de bloempjes precies overeenstemmen!
-
-Maar de planten zelve verschillen hemelsbreed—hier bij de landplant
-geen spoor van dat gladde, slappe en langgerekte. De stengel is matig
-lang, dik en stevig, de bladstelen kort en krachtig, de bladeren zelf
-ruig en bruin en kleverig. De heele plant is kleverig. En toch hebben
-we hier te doen met dezelfde plant. Wanneer we zaadjes ervan doen
-ontkiemen op den bodem van het water, dan ontwikkelt zich de watervorm,
-terwijl bij ontkieming op het droge de landvorm te voorschijn komt.
-Loopt een sloot, waarin de watervorm groeit, droog, dan zinken stengel
-en bladeren onmachtig op den bodem neer en sterven daar af, maar de
-wortelstok blijft in den bodem voortleven en ontwikkelt dit jaar
-nog—als ’t seizoen te ver gevorderd is, in ’t volgende jaar—een
-stevigen ruigen stengel met kortgesteelde kleverig behaarde bladen.
-
-Er is zelfs wel in ons land een plant van deze soort gevonden, die uit
-zijn wortelstok twee stengels ontwikkeld had; de eene in het water, de
-andere op het land. Bladeren en stengels der beide helften geleken in
-het geheel niet op elkander, maar hadden den vorm aangenomen, die hun
-in hun omstandigheden het beste te pas kwam.
-
-Wat beteekent die kleverigheid? Dat moet de bloem ons leeren. Zooeven,
-toen we de bloempjes vergeleken, hebt ge gelegenheid gehad, om te zien,
-dat ze maar klein zijn, doch heel sierlijk gevormd. Wanneer ge een van
-de ruim honderd bloempjes van de bloemaar afzonderlijk beziet, dan zult
-ge merken, dat een kelk ontbreekt en dat de kroon een fijn rozerood
-vijfpuntig klokje is, waarbinnen 5 meeldraden en 2 stijlen. Onderin,
-tusschen de meeldraden, ziet ge op de kroon vijf gele vlekjes.
-Misschien glimmen ze een beetje. Dat komt, doordat daar honing wordt
-afgezonderd, nog al veel ook. Die honing—daar is de bloem heel trotsch
-op en tegelijk erg zuinig mee. De heele wereld moet het weten, d.w.z.
-de geheele insectenwereld—een andere kennen de bloemen bij ons niet—en
-de bekendmaking geschiedt op tweeërlei wijze.
-
-Ten eerste door de kleur: de opeenhooping van honderden bloempjes op
-een aar maakt, dat ze reeds van verre in ’t oog vallen, en dan nog door
-een fijne doordringende geur, die niet alleen de reukzenuwen van ons,
-menschen, maar ook die van de zespootige honingsnoepers aangenaam
-streelt. Gij weet, dat deze laatsten de reukzenuwen in hun voelsprieten
-hebben—twee beweeglijke neuzen!
-
-Gij kunt ervan opaan, dat een vlieg of een bij, of kleine hommel, dien
-geur gewaar wordt, dan kijkt hij rond en stuurt dan onmiddellijk op de
-mooie, roode stang toe. Daar zien we meteen de 5 gele vlekken in een
-kroontje, ze weten al lang, wat dat beduidt, haastig grijpen ze de
-bloem, steken kop en tong naar binnen en doen zich te goed. Schrokken
-als ze zijn, hebben ze in een paar seconden de bloem van zijn lekkers
-beroofd; zoo werken ze de heele stang af en zweven dan verder.
-
-Nu bezitten onze veenwortels of waterveelknoopen echter een bijzondere
-inrichting. Zoek nog eens wat verschillende bloeitakjes bij elkander en
-stel dan een onderzoek in naar de lengte van meeldraden en stijlen, dan
-merkt ge al dadelijk, dat in geen enkel bloempje de stijlen en de
-meeldraden even lang zijn. Maar ook—dat in sommige bloeiaren de
-stempels zoo lang zijn, dat ze buiten het kroontje uitsteken, terwijl
-de korte meeldraden den rand niet bereiken. In andere bloeiaren is het
-weer net andersom: daar zitten de stijlen in het kroontje geborgen en
-de meeldraden steken ver naar buiten. Waar is dit nu weer goed voor?
-
-Natuurlijk voor de kruisbestuiving. Ga maar eens na. Wanneer een
-insekt, een kleine hommel b.v. op een bloempje met lange meeldraden,
-zijn mondjevol honing komt zoeken, dan moet hij met zijn ruige
-onderzijde de vijf helmknoppen aanraken. Het kleverige stuifmeel blijft
-in zijn haren vastzitten. Met zijn kop raakt hij wel aan de stempels
-der stijlen. Nu gaat hij verder. Komt hij nu opnieuw aan een
-„kortstijlige” bloem, dan krijgt hij nog meer stuifmeel aan zijn buik.
-Bezoekt hij evenwel een „langstijlige” bloem, dan raken de stempels
-ervan juist de plek aan de onderzijde van zijn lichaam, waar al het
-stuifmeel uit de kortstijlige bloemen zit. Die stempels zijn
-kleverig—het stuifmeel blijft bij het vertrek van den hommel
-gedeeltelijk eraan kleven en de eitjes in ’t vruchtbeginsel kunnen zich
-tot ontkiembare zaden ontwikkelen.
-
-Onze hommel, die wegvliegt, heeft echter van deze bloem ook weer een
-souvenir meegekregen van de korte meeldraden, die in ’t kroontje
-verborgen zaten en waarvan het stuifmeel nu aan de haren van zijn kop
-en snuit zit vastgekleefd. Dat hiermede nu weer kortstijlige bloemen
-bevrucht worden, kunt gij wel, om zoo te zeggen, op uw vingers
-natellen.
-
-De waterveelknoop zorgt dus voor kruisbestuiving door er twee vormen
-van bloemen op na te houden—de plantkundigen zeggen daarom met een
-geleerd Grieksch woord, dat hij dimorph is (di, 2, morph = vorm). Ook
-schelden ze hem wel uit voor heterostyl (d.w.z. ongelijk van stijlen).
-
-Voor de overbrenging van het stuifmeel zorgen de vliegende insecten,
-die voor dien dienst met honing beloond worden—de ongevleugelde mogen
-van de zoetigheid afblijven.
-
-Zoolang nu onze plant in ’t water groeit, kunnen alleen gevleugelde
-gasten haar een bezoek brengen, maar op het land—daar is het anders.
-Daar zouden de langpootige, gladlijvige mieren, die zoo op zoetigheid
-belust zijn, in minder dan geen tijd de gansche honingvoorraad
-verbruikt hebben, zonder in het minst iets in ’t voordeel van de plant
-zelve te verrichten. Zoo’n mier eet de boel op, kuiert naar beneden,
-misschien zonder een enkel korreltje stuifmeel aan zijn gladde lijf, of
-heeft hij er bij ongeluk een opgedaan, dan raakt hij dat onderweg toch
-kwijt, doordat hij tegen een grasstengel aanbonst, van een aardkluit
-naar beneden rolt, of doordat eenig ander mierenongeval hem treft.
-Daarom wacht onze plant geen bezoek van mieren af, maar weigert hun
-beleefd—of onbeleefd—de toegang.
-
-Wanneer een mier het in zijn dikke kop krijgt, om polygonum-honing te
-gaan proeven en hij klimt tegen een stengel op, dan komt hij niet
-ver—telkens en telkens weer blijven zijn pooten aan de kleverige haren,
-waarmede de geheele plant bedekt is, vastzitten en als hij niet gauw
-rechtsomkeert maakt—dan kan hij voorgoed blijven steken en van honger
-omkomen.
-
-Zoudt ge niet haast moeten toegeven, dat zoo’n polygonum de zaakjes
-netjes weet te overleggen?
-
-Roode bloemen in ’t water zijn er niet veel, de meeste zijn geel of
-wit—ik ken er eigenlijk nog maar één, de waterviolier (Hottonia
-palustris), maar die is dan ook veel mooier dan onze veenwortel—ook van
-Mei af te vinden bij duizenden, overal, maar niet in te brak water.
-Rondom Amsterdam is een tooverkring, waarbinnen Hottonia niet komen
-kan; de linie Geinbrug, Abcoude, Uithoorn Aalsmeer, Haarlemmermeer
-(ongeveer hetzelfde wat in onze krijgskunde tegenwoordig de „stelling
-Amsterdam” heet.).
-
-Maar eerst zal ik u vertellen, hoe de bloem er uitziet. Boven het
-watervlak verheft zich een slanke, rechte stengel van 2–6 dM. hoogte,
-die aan zijn topgedeelte vijf tot tien kransen draagt, die elk bestaan
-uit 3 tot 6 groote bleekroode bloemen, duidelijk herinnerend aan
-primula’s—vijfkant met een geel vijfkant hartje. Ik moet altijd denken
-aan lichtkronen of kandelaars, als ik die bloemen zie, of wanneer ik ze
-mij voorstel. Ze staan zoo rechtop en de bloemen zijn zijdelings
-gericht, zoodat hun grootste kleur-oppervlak in het oog valt.
-
-Nooit zal ik vergeten, hoe wij op een natten Meidag in ’94 de sloten en
-plassen tusschen Ankeveen en Uitermeer vol met Hottonia vonden. Een
-sloot was er, recht, wel 2 K. M. lang, daar stonden ze in een
-onafzienbare rij; vlak vóór ons blonken de luchtkransen afzonderlijk,
-maar verderop smolt alles ineen tot een rozerood, blozend bloemenkleed.
-Rechts en links evenzoo.
-
-Wilt ge in Mei een mooi aquarium met bloemen hebben, verzamel dan in de
-eerste dagen van de maand waterviolieren, die nog in knop staan. Trek
-ze voorzichtig uit de sloot, de plant is erg bros, wortels behoeft ge
-niet te hebben, als ge maar zorgt, de fijnverdeelde vindeelige
-bladeren, die onder water uitgespreid liggen, en uit wier midden de
-bloeistengel opstijgt, ongeschonden mede te nemen.
-
-Tegelijk kunt ge op moerassige plekken uitzien naar een nog mooiere
-bloem, de mooiste bloem uit onze plassen en moerassen, het
-waterdrieblad. Die is wat te groot voor een aquarium, maar heel goed te
-kweeken in een kuipje met klei, die ge zoo nat mogelijk houdt. Behalve
-door de prachtige knoppen trekt de plant de aandacht door de mooie
-witte kroesharen aan de binnenzij van de kroon. Niemand weet waar ze
-voor dienen.
-
-Waterviolen en waterdrieblad zijn allebei dimorph, evenals onze
-veenwortel. Ge moet dus zorgen beide vormen te vinden, die met lange
-stijlen en die met korte stijlen. ’t Valt niet moeilijk want ze groeien
-meestal door elkaar.
-
-
-
-De meeste slootbloemen zijn wit. Ge denkt hierbij onmiddellijk aan de
-witte plompen, waarvan ge al zooveel gehoord hebt en die de dichters
-als „waterleliën” zoo vaak op ’t water laten droomen.
-
-De waterlelies zijn de grootste bloemen van Nederland, de witte
-tenminste, die worden wel 12 cM. in doorsnede. Dit is een heel nuchter
-begin, om over deze heerlijke bloemen te gaan spreken, doch het zijn nu
-maar eenmaal geen madeliefjes, en hun grootte is wel de oorzaak ervan,
-dat ze zoo algemeen bewonderd worden. Er zijn genoeg bloemen, fijner
-van samenstel, teederder van kleur, bewonderenswaardiger van
-inrichting, die door de meeste menschen niet gekend worden—wie dweepte
-vroeger met de waterdrieblad of met de moerasandoorn?
-
-Maar de plompen zijn zoo schitterend, zoo groot, zoo overvloedig en ze
-bloeien weken achtereen in den heerlijksten tijd van het jaar, gelijk
-met het lied van den nachtegaal of—wat beter bij hen past—met dat van
-den moeras-rietzanger. Al bezit ge maar weinig belezenheid, dan weet
-ge, hoe van de oevers van den Nijl tot in het verre Japan de lotos
-vereerd wordt—de lotos, die niets anders is dan een lila plomp, wiens
-bloemen zich iets hooger boven het water verheffen en sterker geuren
-dan de onze—ze zijn het zinnebeeld van rust en reinheid.
-
-Een ander familielid is de Victoria regia, de koningin van de
-Amazonestroom, waarvan de bladeren het gewicht van een mensch kunnen
-dragen.
-
-Bij ons loopen alleen de vlugge waterhoentjes over de ronde bladeren,
-of een groene kikker komt er zich zonnen, en aast op dikke vliegen en
-slanke waterjuffers. Aan de onderzijde der bladeren zitten stellig
-Hydra’s en de dikke holle bladstelen, rechtopstaand door hun
-drijfkracht, zijn vol met eieren van slakken en visschen.
-
-Die drijfkracht hebben ze te danken aan de tallooze luchtkamertjes, die
-ze bevatten. Het binnenste van een waterplantensteel is altijd zoo
-sponsachtig. Dat is wel aardig. Een landplant doet alle mogelijke
-moeite om tot bovenaan toe vol met water te zitten; ’t is haast niet te
-begrijpen, hoe een boom van dertig of veertig meter hoog dat aanleggen
-moet, maar hij slaagt er toch in. Waterplanten daarentegen zijn er
-altijd op uit, om in al hun deelen luchtvoorraad te bezitten, water
-hebben ze genoeg, maar lucht is even onmisbaar. Dat moet ge vooral
-nooit vergeten.
-
-Een plant heeft even goed versche lucht noodig als een dier en om
-dezelfde reden. Bij de „groote proef” hebben we gezien, dat de planten
-koolzuur verbruiken en dan zuurstof afgeven. Ge zoudt nu misschien
-denken, dat een plant, in enkel koolzuur geplaatst, bijster in zijn
-schik zou zijn. Mis hoor! Hij zou erin stikken en sterven, net zoo goed
-als een muis of een kikker.
-
-Planten hebben het noodig, dat al hun deelen voorzien kunnen worden van
-versche zuurstof. De dikke wortelstokken van de waterlelie, die daar
-heel onder in de sloot in de modder verborgen liggen, moeten ademen,
-moeten versche lucht hebben. En die wordt hun toegevoerd door de
-luchtkanalen in de dikke bladstelen, die zoodoende van de allergrootste
-beteekenis voor het leven van de plant zijn.
-
-
-
-Aan die dikke stelen liggen de bladeren voor anker, onbeweeglijk stil
-op het spiegelgladde water, als er geen wind is, zacht meedrijvend met
-de richting van den stroom, zoover de stelen het veroorloven. Jaagt de
-voorjaarswind langs de watervlakte, dan krijgt de luchtstroom wel de
-bladeren te pakken, de ronde randen ervan krullen voor een oogenblik
-omhoog, zoodat ge de paarsbruin gekleurde ondervlakte te zien krijgt.
-
-Die paarsbruine kleur is eene herinnering aan het voorjaar; op uw
-wandeling in April en Mei hebt ge die wel meer opgemerkt—vooral bij
-waterplanten. Midden in den zomer zult gij hem aan bladeren en knoppen
-zelden opmerken, maar in den herfst vertoont hij zich weer overal: in
-de vallende bladeren van de eiken, zoowel als in de jonge blaadjes van
-uw vlierstruik, die onvermoeid in October nog weer eens uitbot.
-
-Men meent vrij zeker te weten, dat deze kleurstof, die met een vreemd
-woord anthokyaan (bloemenpaars) genoemd wordt, het vermogen bezit, om
-licht te veranderen in warmte. In die kleur vinden de planten dus
-gelegenheid, om in den kouden tijd nog warmte genoeg te verzamelen, om
-te kunnen leven, het zij dat leven begint, zooals in ’t voorjaar, of in
-de droeve herfstmaanden nog wat gerekt moet worden.
-
-Zonder warmte is er voor de planten geen leven! De warmte is het ook,
-die in het voorjaar het sein tot ontwaken geeft. Een kleine
-temperatuursverhooging is voor de wortelstokken in den slootbodem het
-teeken, dat het ijs en de sneeuw geweken zijn en dat de watermassa van
-de sloot doorwarmd is. Nu boren de spitse knoppen van de waterlelie
-door het slijk omhoog, ze lijken wel puntige sigaren; ze bestaan
-eigenlijk uit een enkel opgerold blad, dat zich in het water dadelijk
-ontplooit. Blijft het onder water, want verscheidene bladeren van
-waterlelies bereiken de oppervlakte nooit, dan is het dadelijk groen,
-maar de opstijgende worden geheel paarsrood, naarmate zij de
-oppervlakte naderen.
-
-Na eenige dagen wordt hun bovenkant groen, maar de onderzijde blijft
-rood, den heelen zomer door. Dat rood vangt de warmte op en houdt die
-in het blad. Hoe heerlijk koel moet het in den heeten zomer onder die
-bladeren zijn—dat weten de vorentjes ook!
-
-Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voorschijn—in de
-laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zijn het—die komen in ’t wild
-anders niet zoo heel veel voor. Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen
-kweekt? Een roos in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een
-krans van vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door
-kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat de meeldraden zich
-weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en verbreeden, kortom, zich
-veranderen in kroonbladen.
-
-Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het ontbladeren
-van een witte waterlelie. Eerst komen vier kelkbladen, van buiten groen
-van binnen wit; daar lijken ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige
-kransen smetteloos witte kroonbladen.
-
-Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te smaller worden
-ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan hun top een weinig
-verfrommeld zijn en een geel tipje dragen. Verder naar binnen
-ontwikkelt dat gele tipje zich langzamerhand tot een helmknop, terwijl
-het versmalde kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad.
-Binnen die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte
-stempels, en daar valt meestal het stuifmeel uit meeldraden van
-dezelfde bloem op. Want de witte waterlelie heeft geen bijzondere
-inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de meeldraden iets later
-rijp dan de stampers, zoodat de laatste in die korte poos met stuifmeel
-van andere bloemen, door insecten aangebracht, bedekt kunnen worden.
-
-Maar wij vragen bij de waterlelies niet naar bijzondere inrichtingen,
-het is ons voldoende, hun stille pracht gade te slaan, onder den
-wolkeloozen Junihemel in de warme zomerzon! Een eenig genot is het, dan
-op een van onze groote veenplassen in een bootje rond te drijven,
-omgeven door duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken
-even boven het water uit, een of twee centimeter; maar de nog niet
-geheel ontwikkelde knoppen liggen gedeeltelijk nog in het water, een
-weinig schuin. Omlaag tusschen de bruine stelen schieten heele scholen
-vorentjes voorbij, duistere, spookachtige gestalten. Voor horizon
-hebben we een dichten rietzoom, waar boven de warme lucht trilt en van
-waaruit van alle zijden het gezang der karakieten ons tegenklinkt.
-Binnen den rietzoom niets dan bloemen en plekjes water, blauw, doordat
-de blauwe lucht erin spiegelt. Tusschen die tallooze witte waterlelies
-ontwaart ge ook gele, die vallen niet zoo in het oog, al is hun aantal
-misschien grooter.
-
-Zij hebben dezelfde bladeren, maar de bloemen zijn veel kleiner en
-minder schoon. Ze zijn wat zuiniger, wat de kroonbladen betreft. Eenige
-kleine blaadjes of eigenlijk buisjes, honingbuisjes, is alles, wat er
-van de kroon over is en de kelk moet nu de eer van de bloem redden; die
-is wat grooter en aan de binnenzijde heldergeel, zoodat een beginner in
-de bloemenwetenschap hem voor de kroon zelve gaat houden, en denkt, dat
-een kelk ontbreekt. Waarom die vijf heldergele blaadjes nu toch kelk
-moeten heeten? Laat ons bootje maar in een veld gele plompen drijven,
-dan zult ge het zien.
-
-Ge weet, dat de plantkundigen onder kelk verstaan: een of meer meestal
-groene blaadjes, die het buitenste bloembekleedsel vormen en
-voornamelijk tot taak hebben, de bloem te beschermen, zoolang ze nog
-niet geopend is.
-
-Zie nu eens om u. Daar drijven tien, twintig knoppen van onze gele
-waterlelie, ze zijn allemaal groen, het knopomhulsel wordt gevormd door
-vijf groene blaadjes, die met de randen over elkander sluiten. Opent ge
-een jongen knop, dan zijn die blaadjes aan de binnenzijde nog groen,
-bij grootere echter geel, zoodat, als de knop zich opent, vijf gele
-blaadjes te zien komen, die echter aan den kant, naar het water
-gekeerd, nog groen zijn—herinnering aan hun kelktijd.
-
-Fijner, vlugger, fraaier dan de gele waterlelies zijn andere gele
-bloemen, maar van lichter geel, het geel van zwavel. Ze zijn vrij groot
-in omtrek, niet veel minder dan de gele waterlelies, en verheffen zich
-op een dun steeltje boven het water, zoodat de geheele bloem met haar
-dunne, vloeipapieren kroonbladeren met iedere windvlaag meewappert, met
-ieder zuchtje meetrilt. De bladeren van de plant—ook weer rond—drijven
-op het water—ze zijn iets grooter dan een rijksdaalder—bruingroen,
-dikwijls met een krans van bruine, ook wel van heldergroene vlekken.
-Die bladeren en de bloemen komen uit een bleekgroenen stengel, die
-schuin opstijgend uit den bodem te voorschijn komt, waar in den modder
-de lange wortelstok ligt vastgeworteld. Het is de watergentiaan
-(Limnanthemum nymphaeoïdes). We hebben menige dure buitenlandsche plant
-in onze vensterramen, die lang zoo mooi niet is.
-
-Het zou eigenlijk veel prettiger zijn, indien we in onze huizen wat
-meer Nederlandsche bloemen teelden. Ik zou u er dadelijk vijftig kunnen
-noemen, die op zijn minst even mooi zijn, als al uw Cineraria’s en
-Petunia’s. Gij kunt ze zelf buiten gaan halen en groeien ze dan
-voorspoedig in uw vensterraam, dan hebt ge op ieder oogenblik van uw
-drukke stadsleven een aanleiding om te denken aan de bonte wei, de
-blonde duinen, de geurige hei of de frissche waterplassen, en aan den
-heerlijken lentedag of zomermorgen, toen gij uw pleegkinderen hebt
-ingezameld.
-
-Ik zeg dat hier, omdat ik drie jaren achtereen watergentianen geteeld
-heb op een derde verdieping, niet in een vijver, maar in potten, gewone
-roode, aarden bloempotten. De eenige kunst is maar, de planten te
-krijgen—anders gaat alles bijna van zelf.
-
-Eerst moet je een plaats weten, waar altijd veel watergentianen
-groeien. Ga daar in April heen—dan zijn de blaadjes van de plant nog
-niet eens zichtbaar, want de watergentiaan bloeit pas met het begin van
-Juli. Nu komt het er op aan een stuk wortelstok uit de bodem machtig te
-worden en dat doet ieder weer naar zijn bijzonderen aanleg en natuur.
-
-Ik ga altijd maar te water, en grabbel dan net zoo lang tot ik iets,
-dat in het gevoel op een wortelstok lijkt te pakken heb. Dat wordt dan
-met kracht en geweld losgerukt en ik ben dan tevreden als ik een
-zwartig, glimmend stokje van een dM. lengte bezit, waaraan zich op
-onregelmatige afstanden eenige dikke knoppen bevinden. Je kunt ook wel
-kunstige dreggen en graafmachines uitvinden, om wortelstokken te
-krijgen, zonder te water te gaan; ook herinner ik me, dat we eens een
-stuk sloot ervoor hebben leeggehoosd—maar dat is allemaal erg
-omslachtig.
-
-We hebben nu een stuk wortelstok. De beide uiteinden zien er wat
-gescheurd en gehavend uit; snij die met een scherp mes glad
-af—natuurlijk zoo zuinig mogelijk, opdat wij een groot brok overhouden.
-Ook bevinden zich aan onzen wortelstok al worteltjes; merkt ge er daar
-een bij, die gescheurd is, dan moet hij netjes afgesneden worden, ook
-weer zoo dicht mogelijk bij de verminkte plek. Dit glad afsnijden doen
-we, om de wonden gemakkelijker te doen helen; gij weet bij ondervinding
-dat een wond, met een scherp mes toegebracht, betrekkelijk vlug
-geneest.
-
-Nu onze buit ingepakt in vochtig mos en dan naar huis! Het planten is
-heel eenvoudig. We vullen een gewone bloempot met klei, niet met
-bloemaarde of tuinaarde, maar met klei tot een paar cM. beneden den
-rand. Daarin planten we den wortelstok op een diepte van 5 cM. en
-zetten dan het heele boeltje vierentwintig uren in een emmer vol water.
-Dan heeft de klei zooveel water opgenomen, als zij maar kan—en klei kàn
-veel water opnemen.
-
-Nu zetten we de pot in een schoteltje voor ’t raam—liefst buiten: en
-als we nu alleen maar zorgen, dat we voortdurend een halve cM. water
-boven de klei houden—iets, waarvoor gemakkelijk te zorgen valt, vooral
-als de klei wat ineengestampt is—dan hebben we binnen een week of vijf
-een prachtige sierplant, en een overblijver op den koop toe. Want
-iederen zomer komt de plant weer rijkelijker op, totdat uw pot bedekt
-is met de ronde rijksdaalder-bladen, die elkander omhoog dringen en
-waaruit tien, twintig prachtige gele sterrebloemen zich verheffen.
-
-De menschen, die je bezoeken, hebben natuurlijk nooit zoo iets gezien
-en als het ergens goed voor was, zou je ze kunnen wijsmaken, dat je
-daar Oost Indische kers van de Sierra Leona hadt, of iets dergelijks.
-
-In een gewoon aquarium wil de Watergentiaan ook wel bloeien, als hij
-goed licht krijgt en niet alleen maar in zuiver zand wortelt.
-
-Nu zijn er honderd redenen, om den bodem van ’t aquarium met zuiver
-zand bedekt te hebben—liefst zelfs gezuiverd zand—gewasschen in helder
-water, tot het geen troebeling meer opleverde en nagespoeld met kokend
-water. Ook de kiezelsteenen en schelpen, die tot opvroolijking van den
-bodem en tot schuilplaats voor de dieren dienen, moeten eerst
-behoorlijk gewasschen en gereinigd worden.
-
-Willen we nu toch planten in ons aquarium kweeken, die kleigrond of
-veengrond noodig hebben, dan moeten we die in afzonderlijke potjes
-planten, welke in den zandbodem worden vastgezet. Leege vleeschextract
-potjes zijn hiervoor uitstekend geschikt. Om nu te voorkomen, dat de
-aarde uit deze potjes het water van het aquarium verontreinigt, is het
-wenschelijk, ze niet geheel met klei of veen te vullen, maar er een
-bovenste laag van 1 cM. dik, bestaande uit gewasschen grof zand of
-fijne kiezel in aan te brengen.
-
-De zandbodem in het aquarium zelve behoeft niet dikker te zijn dan 3
-cM.; de potjes, waarin we onze bloeiers telen zijn al gauw 6 cM. hoog
-of hooger. Ze moeten daarom liefst in de hoeken geplaatst worden en
-omgeven met stukken kiezel of schelpen; dat staat keurig.
-
-Witte en gele plompen kunnen op dezelfde wijze gekweekt worden, maar
-hebben veel meer ruimte noodig.
-
-Probeer het maar eens—een vensterbank met zes potten vol rijkbloeiende
-witte waterrozen is de moeite en inspanning, die er voor vereischt
-worden, wel waard. Het spreekt van zelf, dat Waterpest en de andere
-waterplanten, die gewoonlijk in den slijkbodem wortelen, maar welke gij
-gerust in het zuiver zand van uw aquariumbodem kunt plaatsen, ook wel
-een hapje klei willen. Onthaal de waterpest er eens op in goed licht,
-dan blijft er in uw heele aquarium geen plaatsje voor een andere plant
-over!
-
-Naast en tusschen de plompen, maar ook in smalle slootjes, waar de
-groote planten geen ruimte genoeg vinden, drijft en groeit het
-kikkerbeet.—Dat is weer een mooi plantje voor het aquarium—want het
-drijft vrij in het water, 2, 3, 4 rozetten van verkleinde plompblaadjes
-aan een langen dunnen liggenden stengel. Uit ’t midden der rozetten
-verheffen zich de witte bloemen, bestaande uit 3 groote, witte blaadjes
-met drie kleine groene er buiten. Ze staan op stengeltjes, die ongeveer
-1 cM. boven het water uitsteken. In sommige rozetten hebben de bloemen
-alleen meeldraden met gele helmknoppen, in andere alleen 6 stijlen met
-gele stempels. Vliegen zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel.
-De bloemen staan in groepjes van drie of meer bij elkander en zijn vóór
-hun ontluiken geborgen tusschen twee holgebogen blaadjes.
-
-De wetenschappelijke naam van kikkerbeet is Hydrocharis morsus ranae,
-hetgeen overgezet zijnde luidt: iemand, wien het water dierbaar is en
-die tegelijk een lekker hapje oplevert voor de kikkers.
-
-De vleeschetende kikkers worden er wel meer en ten onrechte op
-aangezien, dat ze nog in meer planten of bloemen happen; aan die
-omstandigheid heeft de geheele familie der Ranonkels haar naam te
-danken, want Ranunculus beteekent alweer kikkertje, en Batrachium, de
-Grieksche wetenschappelijke naam der waterranonkels, beteekent
-hetzelfde.
-
-Tegen de Batrachiums heb ik verschillende grieven, gelukkig niet van
-zoo ernstigen aard, of ik kan nog met genoegen denken aan de witte
-bloemen-kussen, waarmede ze in Mei en Juni en Juli onze slooten
-bedekken. Maar vooreerst weten ze nog maar weinig van kruis-bestuiving;
-bijna altijd komt stuifmeel van dezelfde bloem op de stempels, ja, bij
-hoogen waterstand getroosten vele Batrachiums zich niet eens de moeite,
-hun bloemen boven water te verheffen om ze daar te ontplooien. Ze
-houden de koppen stilletjes onder water, daar gaan dan de helmknoppen
-open en het stuifmeel valt zoo maar op de stempels. Dat getuigt van
-weinig liefhebberij.
-
-Dan nog hebben de geleerden verscheidene soorten van Batrachium
-onderscheiden, die op papier ook nog al tamelijk uit elkander te houden
-zijn, maar er zijn in de natuur zooveel tusschenvormen, die met twee of
-drie beschrijvingen tegelijk overeenkomen, dat ge met uw „Flora’s” er
-bij, hoe langer hoe meer in onzekerheid en twijfel verzinkt. Eindelijk
-besluit ge er toe, uw exemplaar dan toch maar voor uw herbarium te
-drogen en er Batr. Peteveri met een vraagteeken of een dergelijke
-wanhoopskreet op te plakken, maar als ge na eenige dagen uw pers opent,
-is de geheele kwelgeest een zwart monster geworden.
-
-Eigenlijk ligt dat alles aan de inrichting der bladeren. De Batrachiums
-toch, hebben vaak drijvende en tevens ondergedoken bladeren, de
-drijvende vertoonen vormen, wisselend van den klimopvorm tot die van de
-bladeren van de gewone boterbloem; de ondergedoken zijn à la Hoornblad
-of à la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes zijn
-mooi wit en ze hebben gele hartjes en—zooals ik reeds gezegd heb—ze
-vormen in de zomermaanden op slooten en plassen een dicht, schitterend
-wit, sneeuwen dekkleed.
-
-Ook willen ze in het aquarium altijd heel goed voort; ’t zijn eigenlijk
-de eenige waterplanten, die in een gewoon aquarium echt welig willen
-bloeien, die ik ken. Vooral de soort met fijnverdeelde, stijve blaadjes
-(B. divaricatum) kan ik aanbevelen, die is in alle veenslooten te
-vinden, maar neem de voorzorg, uw planten terdege af te wasschen in
-schoon water, voor gij ze in uw aquarium introduceert, want zoo’n
-veensloot zit vol ongerechtigheid!
-
-Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen; daar zullen we
-nog even naar omzien, dan hebben we voor dezen zomer genoeg gedaan.
-Kroosbloempjes schijnen we maar niet te kunnen vinden, daar zullen we
-het volgend jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den
-waterkant onderhanden zullen nemen. Gij kunt ook niet alles ineens
-vinden. Doch ter zake.
-
-Die plant dan, welke ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar
-toch een allermerkwaardigst gewas. Millioenen en millioenen groeien er
-in ons veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming
-ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken ze den bodem
-geheel—neen, niet de afgestorvene, maar de levende planten—want ze
-leven bijna altijd geheel onder water. Bijna altijd—slechts tweemaal in
-het jaar komen ze boven, ééns, om te bloeien en eenmaal om hun zaden
-uit te strooien. Het overige van hun leven brengen ze op den bodem
-door, wortelend in den slijkbodem en zich vertakkend naar alle kanten.
-Gij hebt ze dikwijls genoeg gezien, dichte rosetten van lange, spitse
-bladeren, die aan hun randen voorzien zijn van stekelige punten,
-daarnaar heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloïdes: de weerbare
-krijgsman, die wel wat heeft van een aloë).
-
-Het volk noemt ze scheeren- of krabbeschaar. En dat bewijst weer, dat
-„het volk”, als het er maar eenmaal aardigheid aan heeft, danig goed
-weet op te merken, en voor een treffende waarneming altijd direct een
-passenden naam bij de hand heeft. Een goede volksnaam is een schat voor
-de wetenschap. De krabbeschaar in kwestie, waar onze plant zijn naam
-aan ontleent, is te vinden aan den bloemsteel een paar cM. onder de
-bloem zelf. Daar zitten een paar blaadjes, die zoo gevormd en vergroeid
-zijn, dat ze zeer veel gelijken op de scharen van een krab of kreeft.
-
-Van Mei tot Augustus vindt ge de bloemen. Die hebben het voor bloemen
-nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten wel wat meer moeite doen, om
-tusschen de bladeren te voorschijn te komen, want dat hebben ze hard
-noodig. Ze lijken veel op die van kikkerbeet (Hydrocharis morsus
-ranae—dit latijn zet ik erbij om verwarring met Batrachium te
-voorkomen). Maar ze zijn grooter en voller. Vielen ze maar wat meer in
-’t oog, want zonder de hulp van insecten kunnen ze ook weer onmogelijk
-zaden voortbrengen. Dat komt, doordat—evenals bij hydrocharis—op de
-eene plant weer niet anders dan bloemen met meeldraden voorkomen,
-terwijl die op een andere plant niet anders bevatten dan stampers.
-
-Het stuifmeel is kleverig en niet overvloedig, de stempels zijn klein,
-de bloemen steken in ’t geheel niet in de hoogte, zoodat de wind niet
-voor de overbrenging van het stuifmeel kan zorgen, insecten moeten dat
-doen. Nu doet de bloem wel eenige moeite, om insecten te lokken—ze
-biedt ze honing aan—en nog al veel ook, want in iedere bloem zitten 24
-honingmachines.
-
-Gij kunt ze gemakkelijk vinden: gij hebt ze misschien al voor
-meeldraden aangezien, een verklaarbare vergissing, waarvoor ge u niet
-behoeft te schamen: de groote Linnaeus heeft ze ook begaan. Als gij de
-3 groene kelkblaadjes en de 3 witte kroonblaadjes wegsnijdt, dan vindt
-ge in een kring rondom de meeldraden of de stampers 24 gele tongetjes 2
-cM. lang en 3 mM. breed. Ieder tongetje heeft aan zijn voet een wit
-rond plekje en daar glinstert een droppel honing. Of zijn we aan den
-avond van een heeten zomerdag en ziet ge de droppeltjes niet, zet dan
-een paar van die ontbladerde bloemen in een glas water en de volgende
-morgen vindt ge uw gouden kroontje voorzien van een kring van
-diamantjes!
-
-Jammer maar, dat de insecten de bloem toch in den steek laten, zoodat
-ze bijna nooit rijpe zaden oplevert. Over het algemeen brengen de
-waterplanten het maar zelden zoover. Elodea kan geen zaden vormen,
-doordat er in ons werelddeel geen stuifmeelbloemen van voorkomen; de
-zaden van Hoornblad en Duizendblad van Kikkerbeet en Scheeren worden
-maar zelden rijp, van het kroos hebben wij nog altijd geen bloempjes
-gevonden, zaden nog minder, met de Fonteinkruiden is het ook al zoo
-schitterend niet gesteld. De plompen evenwel brengen flinke zaden voort
-en de watergentiaan en waterboterbloem ook wel.
-
-Het heeft er anders niet veel van, dat die planten, welke geen of maar
-weinig zaad voortbrengen, zouden uitsterven—integendeel. Ze
-vermenigvuldigen zich zoodanig, dat ze geheele watervlakten bedekken.
-Sloten groeien dicht, de vaart in sommige binnenwateren wordt
-bemoeilijkt en soms ernstig belemmerd, alles door de wonderlijke
-groeikracht dezer waterbewoners. Heeft een verlept stukje stengel
-waterpest in een kleine dertig jaar ons heele land en een goed stuk van
-Duitschland veroverd, een enkele plant van Kikkerbeet of wateraloë is
-voldoende, om in een jaar een vijver van 100 M2. oppervlakte te
-bedekken.
-
-Als ge een enkel plantje Kikkerbeet goed beziet, dan bemerkt ge, dat de
-5 of 6 drijvende stelen der blaadjes niet op eenzelfde punt bij
-elkander komen, maar dat ze op verschillende hoogte uit een zeer kort
-stammetje ontspringen—ieder blad afzonderlijk. Nu—waar zulk een blad
-uit het stammetje ontspringt, juist in den scherpen hoek tusschen de
-opstijgende bladsteel en het stammetje zelf, is een veilig plekje, waar
-de planten op hun gemak allerlei plannetjes ten uitvoer kunnen brengen.
-Zie maar eens in den zomer naar de boomen; in ’t hoekje van elken
-bladsteel vindt ge daar een klein groen puntje; in dat kleine groene
-puntje wordt de groei voor den volgenden zomer voorbereid. Wanneer in
-den herfst de bladeren afvallen, dan zijn op dat plekje, al geheel
-gereed, takken, bladeren en bloemen voor het volgende jaar.
-
-Maar om op onze Kikkerbeet terug te komen, „Kikkergeld” zeggen ze in
-Harlingen. In het voorjaar vormt dat reeds knoppen in de bladoksels
-(zoo heeten de veilige plekjes tusschen de bladstelen en de stengel).
-Die knoppen groeien op lange stelen uit, doch deze stelen groeien niet
-opwaarts, zooals die der bladeren, maar evenwijdig aan de oppervlakte
-van ’t water—horizontaal dus. Ze groeien vrij snel (soms wel 1 cM. per
-dag) totdat ze ongeveer 1 dM. lang zijn, wanneer de knop zich niet meer
-in de schaduw der bovendrijvende bladeren bevindt. Dan houdt de groei
-van de steel op, maar de knop, die aan het einde er van zit, begint
-zich nu te ontwikkelen en zendt twee, drie, vier, vijf blaadjes omhoog,
-die, aan de oppervlakte drijvende, een nieuw kikkerbeetplantje lijken.
-Dat is het dan ook inderdaad, het krijgt worteltjes en brengt zelfs
-binnen korten tijd behalve bloemen—die ook al uit de bladoksels te
-voorschijn komen—op zijn beurt weer van die „uitloopers” voort.
-
-Ieder plantje kan verscheidene uitloopers uitzenden, zoodat het u wel
-gebeuren kan, dat als ge een bloempje uit het water wilt trekken—een
-netwerk van twintig, dertig plantjes, door draadvormige strengels
-saamverbonden, er uit haalt.
-
-Scheeren (Stratiotes) groeien precies op dezelfde manier—zij kunnen dus
-evengoed als kikkerbeet—zonder zaadvorming blijven voortbestaan. Dat
-kroos, op dergelijke wijze bijna, door uitbotting zich vermenigvuldigt,
-hebben we reeds gezien—gij begrijpt nu ook, dat onze kans op
-kroosbloempjes bedroefd klein is—de kroosplantjes kunnen ze missen.
-
-
-
-Maar ’s winters? Hoe komen al die losdrijvende planten, kroos,
-blaasjeskruid, waterviolier, kikkerbeet, scheeren—den winter door?
-
-Dat plompen- en fonteinkruid en waterranonkel en watergentiaan het ’s
-winters wel kunnen uithouden, is licht te begrijpen. We zeiden het
-vroeger reeds—hun eigenlijk lichaam zit beneden, onder den bodem in de
-modder, waar het bijna nooit vriest! Voordat de modder bevriest, zou
-eerst de geheele sloot in een ijsklomp moeten veranderen en anderhalven
-Meter diep vriest het niet licht—’s winters zijn door hoogen waterstand
-de slooten meestal nog dieper. De winterkwartieren van kikvorsch en
-salamander, van de larven van Hydrophilus en Dytiscus en van nog zoo
-vele andere waterbewoners, zijn dus ook een veilig verblijf voor de
-laatstgenoemde planten. Maar de eersten—die losdrijvers? Hadden ze nu
-maar zaden? Zaden kunnen wel tegen de koude, of zijn ze niet gehard,
-dan worden ze wel tegen de vorst beschermd. Hottonia en Utricularia—die
-de mooiste bloemen hebben en het hoogst boven water uitsteken, brengen
-het nog wel zoover, dat ze zaden vormen—maar vast durven ze er toch
-niet op te rekenen.
-
-Ze nemen andere maatregelen tegen den winter en wij moeten op een
-helderen Octoberdag er nog maar weer eens op uit—om te zien welke.
-
-Het jaar wordt al oud—de wilgen zijn wit, veel witter dan in den zomer
-en van vele boomen bedekken de leege, dorre bladeren reeds den grond.
-Er zijn maar weinig bloemen te zien; in en om onze slooten en vaarten
-bijna geene. De laatste zwaluwen scheren langs het water en in de weide
-vertoonen zich de eerste bonte kraaien. De rietzangers, die zich in den
-zomer zonder ophouden lieten hooren, zijn reeds lang heen, in de verte
-tegen de donker grijsgrauwe rietzoom zwemt een zwarte koet met langzaam
-schokkende bewegingen. Aan een slootkant, een paar weilanden van ons,
-staat een groote vogel met langen nek en lange pooten; we behoeven ons
-niet in te spannen, om te zien of het een ooievaar of een reiger
-is—roodpoot bontmantel is al in Egypte of aan de Kaap—en de grauwe
-schrokkerige hongerlijder moet hier maar zien, hoe hij den winter zal
-doorworstelen.
-
-De sloot draagt nog zijn groene mantel, maar er komen kale plekjes in
-en vlekjes ook. De plompbladen zijn weer donker, niet purper bruin,
-zooals in Mei, doch vuilzwart—ze zijn aan ’t rotten en zullen weldra
-wegzinken. Daar drijft ook kikkerbeet. Grijpt er met de hand naar, dan
-kunt ge meteen voelen, dat het water nog zoo kil niet is, als ge in
-deze maand zoudt verwachten. Ge zoudt er nog wel in kunnen zwemmen,—als
-wij soms nog om ’t een of ander belangrijks moeten waden, kunnen we het
-ook nog gerust doen—voor half November zit er geen kramp in het water.
-
-Maar ge houdt reeds eenige kikkerbeet-rozetten in de hand en ge hebt
-het winter-mysterie van de plant al voor uwe oogen. Het komt natuurlijk
-weer uit de bladoksels. Een stuk of vier uitloopers zijn het, maar iets
-anders gevormd dan die in het voorjaar groeiden. De knoppen zijn
-grooter en vaster, de stelen korter. Houdt ge het plantje in het water,
-dan ziet ge, dat die stelen ook niet horizontaal verloopen, maar onder
-het gewicht der zware knoppen naar beneden ombuigen. De
-voorjaarsknoppen ontwikkelen zich naar boven, deze echter zoeken den
-bodem. In een paar dagen laten ze los, zinken, en wachten beneden het
-voorjaar af. De oude plant kan nu ook gerust verzinken en vergaan.
-
-Wat verder is een plek met fonteinkruid—crispus is het. Ofschoon het
-door zijn wortelstok er zeker van kan zijn, den winter te overleven,
-neemt het nog andere maatregelen. Zie maar naar de toppen der drijvende
-takken. Daar hebben zich wat blaadjes gevormd, die veel korter maar
-tegelijk veel dikker en steviger zijn dan de andere. Ook staan ze veel
-dichter bij elkander. Als nu de drijvende takken gaan verrotten,
-blijven deze toppen levend—ze zakken ook naar den bodem, waar de
-vergane bladeren een beschermend modderlaagje over hen heen vormen.
-Scheren zien we niet—die moeten we ook niet aan de oppervlakte, maar op
-den bodem zoeken. We vinden spoedig een ondiep plekje, dat er mede
-bevloerd is, en wat zien we nu? De oude scheren zijn allemaal donker,
-sommige zijn al vergaan, maar daartusschen liggen honderden jonge
-scheertjes. Die overwinteren daar op den bodem, als volkomen plantjes.
-
-Eigenlijk zijn de winterknoppen van het fonteinkruid ook nog plantjes,
-maar minus de wortels, en wanneer we een winterknop van de kikkerbeet
-uit elkander halen, dan vinden we binnen de buitenste harde blaadjes,
-die een beschermend omhulsel vormen, ook een klein kikkerbeetplantje,
-maar dicht ineengedrongen, en kleurloos en stijf. Bij de drie planten,
-die wij gevonden hebben, komt het dus hierop neer, dat een verkleind
-plantje den bodem opzoekt en daar in min of meer gunstige
-omstandigheden den winter doorbrengt.
-
-De gunstige omstandigheden bestaan hierin, dat de knoppen of planten
-(want de winterscheeren zijn volkomen planten) kleinere afmetingen
-aannemen, dat ze bedekt worden door de overblijfselen der vergane, oude
-planten en dat ze zooals Hydrocharis, soms in een beschermend omhulsel
-opgeborgen zitten.
-
-Maar het is te koud, om hier zoo stilletjes over al die dingen te staan
-keuvelen, en om zes uur is het donker. Laat ons nog eens verder zien.
-Daar is hoornblad ook, dat heeft zijn winterknoppen ook al klaar, op de
-manier van het fonteinkruid, maar de verdeelde blaadjes zitten zoo
-dicht op elkander, dat ze afzonderlijk haast niet in het oog vallen—het
-geheel is een ruige bol. Nu weet ik nog ergens een plek, waar
-Hottonia’s gestaan hebben. Wat een verschil met Juni. Nu geen
-lichtkaarsjes, maar een vuile, grauwe massa, waaruit wat scheeve
-stengels omhoogsteken. Tusschen de rottende bladeren vinden we nog aan
-de stelen vastzittend eenige groene ballen—juist als bij het
-Hoornblad—dat zinkt alles naar den bodem in de modder. En het kroos?
-
-Als we over een paar maanden gaan schaatsenrijden, dan zullen we nog
-wel eens langs slooten komen, waar het ons in onze vaart stuiten zal,
-vooral wanneer het wat gedooid heeft. Het rot niet weg gelijk de andere
-planten, maar leeft tot in den winter en vriest dan in. Voor dien tijd
-heeft het echter reeds zijn overwinteringsknoppen naar omlaag gezonden,
-want als het ijs in Maart uit de slooten verdwijnt, dan is het oude
-kroos dood en zinkt weg. Als ik u nu nog vertel, dat het Blaasjeskruid
-op dezelfde manier overwintert als Hottonia, dan kunnen we wel naar
-huis gaan.
-
-We nemen wat winterknoppen mede voor ons aquarium. Zullen ze zich
-daar—in de lauwe warmte van onze woonkamers eerder ontwikkelen en
-vroeger weer naar boven komen drijven dan in de vrije natuur?
-
-Neem maar eens de proef. Tot zoolang, vaarwel!—We moeten toch nog eens
-samen op kroosbloempjes uit!
-
-
-J. P. T.
-
-
-
-
-
-
-
-
-LIJST, OM DE NAMEN TE VINDEN VAN DE VOORNAAMSTE NEDERLANDSCHE
-WATERPLANTEN.
-
-
-Wij noemen alleen die planten waterplanten, die in ’t water groeien en
-geheel door ’t water gesteund worden; sommige drijven los aan de
-oppervlakte rond, andere zweven geheel onder water, de meeste wortelen
-in de slijkbodem. Alleen hun bloemen steken boven water in de lucht
-uit. Planten, zooals riet, lisschen, lischdodden, die wel met hun voet
-in ’t water staan, maar waarvan de bebladerde stengels zich steeds in
-de lucht verheffen, worden niet tot de waterplanten gerekend. Want die
-kunnen ook in vochtigen bodem tieren.
-
-
-1. De plant bestaat uit niets anders dan ronde of langwerpig 2
- ronde groene schijfjes, met of zonder wortels, niet grooter
- dan een paar m.M. Kroos
- De plant heeft een duidelijken stengel met bladeren 5
-2. Schijfjes, zoo groot als een speldeknop, zonder wortels.
- Wortelloos Kroos. Lemna arrhiza Linn.
- Schijfjes worteldragend 3
-3. Eén worteltje aan elk schijfje 4
- Meer dan één worteltje.
- Veelwortelig kroos. Lemna polyrrhiza Linn.
-4. Schijfjes langwerpig rond, aan één zijde in een punt
- uitloopend.
- Puntkroos. Lemna trisulca Linn.
- Schijfjes rond, aan de onderzijde halfbolrond.
- Bultig kroos. Lemna gibba Linn.
- Schijfjes rond, aan de onderzijde vlak.
- Klein kroos. Lemna minor Linn.
-5. Plant met bladeren, aan den rand met stekeltjes bezet. 6
- Geen stekeltjes langs den bladrand 8
-6. Veel bladeren in één bundel bijeen, bloemen wit.
- Scheeren. Stratiotes aloides Linn.
- Bladeren aan een stengel, bloemen groen en onduidelijk. 7
-7. Het onderste deel van het blad heeft gave randen.
- Groot Nymfkruid. Najas major All.
- Onderste deel van het blad fijn uitgetand.
- Najas minor All.
-8. De blaadjes drijven op ’t water in twee regelmatig geordende 9
- rijen
- Blaadjes niet in rijen 10
-9. Blaadjes langwerpig rond duidelijk afzonderlijk.
- Salvinia natans.
- Blaadjes dicht opeen, zoodat ze te samen een veelhoekig
- geheel vormen.
- Rood kroos. Azolla.
-10. Alle bladeren zijn onverdeeld 11
- De bladeren of ten minste de ondergedompelde zijn verdeeld 30
- of samengesteld
-11. Ronde bladeren 12
- Langwerpige bladeren (hoogstens 7 maal zoo lang als breed) 15
- Grasachtige bladeren (minstens 12 maal zoo lang als breed) 23
-12. Bloem wit (soms met een geel hart) 13
- Bloem geel. 14
-13. Bloemkroon bestaande uit 3 witte blaadjes.
- Duitblad. Hydrocharis morsus ranae.
- Bloemkroon bestaande uit meer dan twintig groote witte
- bladen.
- Witte waterlelie. Nymphaea alba.
-14. Vijf meeldraden.
- Watergentiaan. Limnanthemum nymphaeoides.
- Meer dan 10 meeldraden.
- Gele waterlelie. Nuphar luteum.
-15. Bloempjes bij minstens 2 tegelijk op rechte stelen boven ’t 16
- water uitstekend. Fonteinkruiden
- Bloempjes alleenstaand op een steel 20
- Bloempjes ongesteeld 22
-16. Tweeërlei bladen: breede, die op ’t water drijven en smalle 17
- onder water
- Alle bladen ongeveer eender van vorm 18
-17. Drijvende bladeren meer dan 4 cM. groot, ondergedoken
- bladeren duidelijk gesteeld.
- Drijvend Fonteinkruid. Potamogeton natans.
- Drijvende bladeren korter dan 4 c.M., ondergedoken bladeren
- ongesteeld.
- Grasbladig Fonteinkruid. Potamogeton gramineus.
-18. Alle bladeren twee aan twee.
- Dicht Fonteinkruid. Potamogeton densus.
- Sommige bladeren alleenstaand 19
-19. Stengel door den voet der bladeren heen gegroeid.
- Doorgroeid Fonteinkruid. Potamogeton perfoliatus.
- Stengel vrij, bladrand gekroesd.
- Gekruld Fonteinkruid. Potamogeton crispus.
- Stengel vrij, bladrand fijn getand.
- Glanzig Fonteinkruid. Potamogeton lucens.
-
-
- ALLEENSTAANDE BLOEMEN.
-
-20. Bladeren alleenstaand, bloempjes groot, wit, in vorm op
- boterbloempjes gelijkend.
- Waterboterbloem. Batrachium hederaceum.
- Bladeren bijna alle drie aan drie staand, ongesteeld.
- Waterpest. Elodea canadensis.
- Veel langwerpige, duidelijk gesteelde blaadjes bijeen; uit
- hun midden komen langgesteelde bloempjes.
- Slijkgroen. Limosella aquatica.
- Blaadjes twee aan twee; de drijvende soms stervormig 21
- gerangschikt
-21. Drie meeldraden in elk bloempje.
- Montia.
- Vier meeldraden.
- Potamogeton densus.
- Zes meeldraden.
- Steel-elatine. Elatine hexandra.
- Eén meeldraad.
- Sterrekroos. Callitriche aquatica.
-22. Drie meeldraden.
- Kruis-elatine. Elatine triandra.
- Vier meeldraden.
- Waterlepeltje. Isnardia palustris.
- Zes meeldraden.
- Waterpostelein. Peplis portula.
- Acht meeldraden.
- Kleine elatine. Elatine Hydropiper.
-
-
- WATERPLANTEN MET GRASACHTIGE BLADEREN.
-
-23. De bloempjes hebben meeldraden en stampers 24
- De bloempjes hebben òf alleen meeldraden òf alleen stampers. 27
- Er zijn geen bloempjes aan de plant, wel een soort van
- vruchtjes, zoo groot als erwten.
- Pilkruid, Pilularia globulifera.
-24. Twee meeldraden 25
- Drie meeldraden 26
- Vier meeldraden.
- Klein Fonteinkruid. Potamogeton pusillus.
- Zes meeldraden.
- Priemkruid. Subularia aquatica.
-25. Vier stampers.
- Snavelruppia. Ruppia rostellata.
- Acht stampers.
- Zeeruppia. Ruppia maritima.
-26. Kleine bloempjes met 6 dekblaadjes.
- Bloembies. Juncus supinus var. fluitans.
- Bloempjes zonder dekblaadjes.
- Vlottende bies. Scirpus fluitans.
-27. Bloempjes onduidelijk, ongesteeld 28
- Enkele bloempjes langgesteeld, met meeldraden die ver naar
- buiten uitsteken.
- Oeverkruid. Littorella juncea.
-28. Bladeren niet langer dan 6 cM., bloemen in de hoeken
- tusschen blad en stengel (bladoksels).
- Zanichellia.
- Bladeren langer dan 1 dM., meestal veel langer, zeeplant 20
-29. Bladeren met slechts 1 of 3 duidelijk zichtbare nerven.
- Klein Zeegras. Zostera nana.
- Bladeren met 5–7 nerven.
- Zeegras. Zostera marina.
-
-
- WATERPLANTEN MET GESTEELDE BLADEREN.
-
-30. Bloemen wit 31
- Bloemen geel, tusschen de bladslipjes zitten kleine blaadjes 34
- Bloemen paars 36
- Bloemen ongekleurd 37
-31. Vier meeldraden, drijvende bladeren ongedeeld met verdikte
- bladstelen.
- Waternoot. Trapa natans.
- Vijf meeldraden, bloemen in schermen.
- Moerasscherm. Helosciadium inundatum.
- Meer dan 5 meeldraden, bloem gevormd als een boterbloempje 32
-32. Alle blaadjes fijn haarvormig verdeeld 33
- De drijvende blaadjes zijn onverdeeld.
- Waterranonkel. Batrachium aquatile.
-33. Bladslippen in ’t rond uitgespreid. Stijf.
- Waterranonkel. Batrachium divaraticum.
- Bladslippen niet in ’t rond uitgespreid en slap.
- Waterranonkel. Batrachium fluitans.
-34. Blaasjes aan alle of de meeste bladeren verspreid 35
- Blaasjes afzonderlijk aan een onbebladerden stengel.
- Middelst Blaasjeskruid. Utricularia intermedia.
-35. Slechts 1 of 2 blaasjes aan de bladeren, aan enkele geen
- een.
- Klein Blaasjeskruid. Utricularia minor.
- Veel blaasjes aan de bladeren. Gewoon Blaasjeskruid.
- Utricularia vulgaris.
-36. Bloemen mooi groot, in kransen van vijf of meer.
- Waterviolier, Hottonia palustris.
- Bloemen klein, in dicht opeenstaande kransen, omgeven door
- fijn verdeelde blaadjes.
- Kransvederkruid. Myriophyllum verticillatum.
- Bloemen klein, in ruim staande kransen met kleine
- steunblaadjes.
- Aarvederkruid. Myriophyllum spicatum.
- Bloemen niet in kransen.
- Teer vederkruid. Myriophyllum alterniflorum.
-37. Bladeren in kransen van vier, regelmatig verdeeld. Zie onder
- No. 36. Myriophyllum.
- Bladeren in veeltallige kransen, ongelijkmatig verdeeld. 38
-38. Vrucht met 3 doorntjes, bladeren stijf.
- Gedoornd Hoornblad. Ceratophyllum demersum.
- Vrucht met 1 doorntje, bladeren slap.
- Ongedoornd Hoornblad. Ceratophyllum submersum.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN SLOOT EN PLAS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.