summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69163-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69163-0.txt')
-rw-r--r--old/69163-0.txt6346
1 files changed, 0 insertions, 6346 deletions
diff --git a/old/69163-0.txt b/old/69163-0.txt
deleted file mode 100644
index 07b1f67..0000000
--- a/old/69163-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6346 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Vlindertje, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Vlindertje
- een Haagsche roman
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: October 15, 2022 [eBook #69163]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from scanned images of public domain
- material from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VLINDERTJE ***
-
-
-
-
-
- VLINDERTJE
- EEN HAAGSCHE ROMAN
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-„—Ziezoo Pim, dat is dus uitgemaakt, wit serge zal het zijn, en
-natuurlijk tailor-made, dat waren we allebei ééns. Maar nu de voering,
-dat is altijd een heel ding, zie je, wat denk je dáár van, gele zij of
-wit satijn?...”
-
-„—Je weet wel dat je ze allebei kunt dragen, Ellie, wit en geel staan
-je allebei goed..... ’t Is eigenlijk een lastig geval.... Maar als je
-’t mij vraagt vind ik wit je toch nog ’t beste staan.... ’t Is of dat
-geel eigenlijk altijd een beetje minder goed doet tegen je blonde
-haar... Maar je moet het natuurlijk zelf weten....”
-
-„—Zóó, vin je?... Ja, daar is ook wel iets van aan... Ik had het anders
-al zoo héélemaal met dat geel bedacht. Als ik het costuumpje met gele
-zij had laten voeren, had ik er ook een geel zijden blouse bij genomen,
-gegarneerd weet je, met entre-deux van witte kant bijvoorbeeld... En
-dan een groote hoed van wit stroo er bij, óók met iets geels, gele
-rozen bijvoorbeeld, gele handschoenen, en een geelgevoerde parasol....
-Dat zou wel aardig kunnen worden.... je weet, die tailor-made
-costuumpjes staan me zoo goed.... maar als je nu denkt dat al dat geel
-niet goed doet tegen mijn haar....”
-
-„—Ik ben geen orakel Ellie,”—zei Pim—„en ik heb er ook eigenlijk geen
-verstand van, al beweer je altijd van wèl... maar als je nu met alle
-geweld mijn opinie er over wilt hebben, moet ik je ook eerlijk zeggen
-wat ik vind, hè?... Nu, léélijk vind ik dat geel niet, dat zég ik
-niet... ’t doet zelfs meestal juist héél goed bij blonden, dat weet ik
-wel.... maar jouw blond is zoo héél apart, dat wéét je heel goed,
-Ellietje, en ’t is niet om je eens een complimentje te maken.... er is
-zooiets van de echte zonnestralen in, iets dat bijna brandt, zou ik
-zeggen.... ik vind dat het beter doet bij jou met wit...
-
-„—Nu, wat zou je dán willen, wijsneus?”
-
-„—Wit serge, net als je zegt, en tailor-made óók, maar ik zou het
-voeren met wit, met wit satijn, en géén zijde.... En nu de blouse...
-laat eens kijken... die zou ik blauw nemen, kindje lief, een
-blauw-zijden blouse, zoo van dat licht-turquoise blauw... dát vind ik
-iets voor jou, en je zult eens zien hoe je dat staat... het mooiste
-strandfiguurtje word je er mee, wát ik je zeg... je garneering vind ik
-goed, met witte entre-deux, uitstekend zelfs, en dan moet je de
-sluiting maken met van die knoopjes van kristal, die vind ik zoo
-aardig... Zou je dat bevallen?...”
-
-Ze dacht eens even na, met haar fijne handje onder haar kin, in heel
-ernstig peinzen over zóóiets gewichtigs. En toen ineens, ernstig
-vragend:
-
-„—En wat voor hoed dan?...”
-
-„—Wel, de hoed zooals je wou, van wit stroo, maar dan zonder die gele
-rozen natuurlijk... Weet je wat ik doen zou? Ik zou er een nemen met
-van die groote witte wieken... en dan een zwart fluweel lint er aan,
-door zoo’n gesp van strass, je weet wel... dan natuurlijk wit
-suède-leeren molière-schoentjes er bij, over wit zijden kousen en wit
-glacé handschoenen... en, dat is waar ook, ik zou je immers een nieuw
-parasolletje cadeau doen... nu, die neem ik dan met een rand van
-hetzelfde turquoise-blauw als je blouse... en zóó zal je er wat chic
-uitzien hoor!... mijn woord er op!... Bevalt het nu zóó de freule?...
-
-
-
-Het beviel Ellie wèl, en zij nam zich ernstig voor, de raadgevingen te
-volgen van het kleine huzarenofficiertje, dat op een pouf in haar
-blauwe boudoir als een volleerde modiste zat te spreken.
-
-Eduard van Wedell had nu eenmaal een renommée onder de dames van een
-kenner te zijn van vrouwentoiletten en, al plaagden ze hem er dikwijls
-om, in ’t geheim werd hij door menig meisje van zijn kennisjes
-geraadpleegd over dat allergewichtigste vraagstuk in het Haagsche
-jongedames leven, het kiezen van een nieuw costuum. En het was bekend,
-dat de mooie en toch zoo eenvoudige toiletjes van Ellie van Taats, waar
-ze altijd zoo’n enorm succes mede had, meestal door haar stiefbroer
-Eduard van Wedell, den kleinen huzaren-luitenant, waren uitgedacht.
-
-Het liep nu tegen den zomer, en het nieuwe Kurhaus-seizoen was
-begonnen. Het was tijd, dat Ellie met wat nieuws voor den dag kwam, en
-zij hield eene conferentie met Eduard, even serieus of ze met eene
-prima modiste uit Parijs in gesprek was.
-
-Blond meisje als ze was, van het goudblond, dat gloeit van zomerstralen
-op rijp koren, had ze haar boudoir, haar „toren” zooals ze het noemde,
-van een exquis Peacock-blauw gemaakt Het was een boudoirtje als van
-zooveel fijne, teêre dame-meisjes, met allemaal brooze, zachte,
-breekbare dingen, met étagèretjes vol porseleinen miniatuur-poppetjes,
-en satijnen poufs, en crapauds, en luchtige, lichte stoeltjes met
-blauwe zijde bekleed. Een oud, italiaansch schrijfbureautje, véél te
-fijn om ooit bij ’t schrijven op te leunen, een paar lage, turksche
-tafeltjes, ingelegd met ivoor en paarlemoer, en een groote
-standaardlamp van onyx, met een rond blad vol kleine Rozenburg-vaasjes
-en fotografietjes, en een groote, blauwe kap. Een rand van hout met
-blauw peluche langs een wand, met japansche pulletjes, en hier en daar
-mandjes met groote strikken, en vooral ook foto’s naar heel bekende
-schoonheden van Mora en Reutlinger.
-
-Aan de wanden nog van die erg mooie, groote gravures in dofbruine
-lijsten, „Das Mährchen”, en „Le Balançoir” en „Paul en Virginie in den
-storm” en „De schoone Melusine bij het witte paard”, die dame-meisjes
-nu eenmaal o! zoo beeldig en snoezig vinden. Op den grond, over een
-donkerder vilten kleed, een Amersfoortsch tapijt van Colenbrander, van
-een superbe pauwen-blauw, met dofgele ornamenten, voornaam en erg
-zacht.
-
-Op een ezel, rijk met draperie behangen, natuurlijk een groot portret
-van de jonge koningin, door Kameke, het nieuwste dat van Hare Majesteit
-was verschenen, van de vorstin, die immers het állereerste en
-koninklijke dame-meisje was van den Haag!
-
-En dan al die vage kleinigheden, die ’t hem juist doen, petits riens,
-een boeketje hier, een fijn strikje dáar, en hier weer een bizonder
-mooi boekbandje toevallig op een kleurig satijnen kleedje, al die broze
-teederheidjes waar zoo’n onbewust meisjeszieltje intuïtief haar
-behoefte om gracieus lief en zacht te doen in uit.
-
-Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar licht-blauwe-droom-oogen
-en haar rank, teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp
-dan een vrouw voor het groote Leven. Als een vreemde, exotische
-orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van allergevoeligste
-essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte
-couleuren, omgeven van zijde en satijn, en van dingen, die alleen de
-aanraking verdragen van heel eerbiedige vingeren en heel luchtigen stap
-van voeten.
-
-Het keurige, kleine huzaren-luitenantje dat bij haar zat, correct in
-zijn nauwsluitende uniform, met zijn baardeloos, blank melk-en-bloed
-gezicht, zijn kort, witachtig-blond haar, en even zachte blauwe oogen
-als zij, leek ook niet zoo reëel en serieus als een officier moet zijn.
-Er was iets van travesti, en iets van bijna miniatuur aan hem, dat óók
-den indruk gaf van een héél teer, allersubtielst bloeisel, als een
-allerláatst exemplaar van een bizonder, fijn ras, dat juist door die
-tot het uiterste doorgekweekte, van alle andere verscheidenheden zuiver
-gehouden verfijning, ten einde liep, van te zwakke vitaliteit door de
-al te groote teêrheid van essences. Jonkheer Eduard van Wedell was dan
-ook de laatste van een overoud geslacht, verzwakt door eene serie van
-huwelijken in de familie, uit overgroote vrees voor vreemd bloed.
-
-In het lichtblauwe boudoir, te midden van al die broze dames-dingen,
-die zijden en satijnen poufs en kussens, die teêre, breekbare
-stoeltjes, dat zachte tapijt, en die bij ál te harden voetstap
-trillende étagèretjes vol miniatuur-poppetjes en pullen, leken die twee
-echt Haagsche, mondaine wezens wel absoluut thuis, veilig en vertrouwd
-tusschen al de luxe en het comfort, die hun eigen teedere natuur
-completeerden.
-
-Maar er was iets in hun beider distinctie en al te ranke gratie als van
-kasplanten, of heel vreemde, uit verre sferen overgevoerde vogels, die
-te teêr zijn voor wreede, koude winden buiten, en maar altijd binnen de
-veilige muren moesten blijven van hun goede, warme huis. Want buiten is
-het groote, harde Leven, genadeloos, en zonder piëteit voor wat apart
-is en bizonder, dat groote, harde Leven waarin alleen het sterke,
-grof-gezonde kan gedijen, maar al wat teêr en broos is droeviglijk moet
-breken....
-
-
-
-„Als je nu héel dankbaar bent voor zooveel eer,” zeide Ellie, „mag je
-zelf meê naar de stad, waar ik de stofjes moet gaan uitzoeken. Je
-dogcart staat tóch te wachten, dus dat is meteen een uitstekende
-gelegenheid. Ik ga even bij Haefely en bij Emmerechts. Je zet me daar
-dan heel netjes af, rijdt maar een kwartiertje in het rond, en komt me
-daarna behoorlijk weêr halen. En ik beloof je plechtig, dat ik niet
-langer zal noodig hebben. Natuurlijk neem ik de stalen mee naar huis,
-want jij moet ze óók zien, en zóó kom je er niet af.... Het is nu drie
-uur.... dan kunnen we net tegen half vijf nog even bij Monchen
-inwippen.... Welk paardje heb je vandaag? De bruine Rosa?.... O ja, ik
-zie haar al....”
-
-Ze schoof even de gordijn wat op zijde van het balconvenster, en zag
-beneden op straat de dogcart van Eduard voor de deur staan.
-
-Een klein, broos wagentje, op heel luchtige veeren, glimmend in
-vroolijke kleur van lichtgeel vernis. Het mooie paardje stond, den kop
-trotsch, recht voor zich uit, onbewegelijk op de fijnen voorbeenen te
-wachten. De keurige palfrenier, serieus, correct op den bok, starend
-voor zich uit met een indrukwekkende ernst, als in diepe meditatie de
-oogen naar één punt gericht.
-
-„Zoo écht gezellig ziet dat bakje er toch uit, Pim. Laten we nu gauw
-gaan,” zei ze.
-
-Ze verdween door een zijdeur in haar slaapkamer, en kwam gauw weer
-terug, met haar witte matelotje op, en haar manteltje over den arm. En
-blij neuriënd trippelde ze met Pim de trap af, onhoorbaar, luchtig
-zwevend over den zwaren looper.
-
-Het wagentje veêrde maar éven onder den druk van het ranke dame-meisje,
-dat met een vluggen zwaai van de treê op het voorbankje sprong. Eduard
-nam de teugels, en de palfrenier klom op het achterbankje, waar hij
-roerloos zitten bleef, de armen gekruist, met groote waardigheid. Toen
-een klein rukje aan de teugels, een zacht, vleiend woordje, en de
-bruine draafde met elegante, korte stapjes hoef-kletterend over de
-straat.
-
-Zóó gingen ze, luchtige, vluchtige, mondaine leventjes van bevalligheid
-en elegante gratie, en reden in het broze, vaag-veêrende wagentje
-lachend de lichte stad in van schoonen schijn en illuzie, die den Haag
-is....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Pim was Ellie’s broertje. Hij was wèl twee en twintig jaar, en
-luitenant bij de huzaren, maar toch zeide ze altijd haar broertje, en
-nooit haar broer. Ook was hij eigenlijk in ’t geheel geen broer van
-haar, maar dat deed er niet toe, zei ze.
-
-De oude heer van Taats was kort na den dood van zijn eerste vrouw,
-Ellie’s moeder, hertrouwd met de weduwe van Jhr. van Wedell, die haar
-zoontje Eduard, toen pas vijftien jaar, medebracht. En zoo kwam het dat
-Eduard met Ellie samen was opgevoed als broer met zuster. Maar hij was
-Jhr. van Wedell en zij Ellie van Taats. Ze was heel gauw familjaar
-geworden met haar nieuwen broer, en was de baas over hem gaan spelen
-zoodra ze voelde, dat hij dol van haar hield. Zij was toen pas twaalf
-jaar, en drie jaar jonger, maar toch was hij „broertje,” en Eduard was
-een veel te serieuze naam voor hem. Pim, dát was goed voor zoó’n
-ventje. En dus heette hij voortaan Pim, zijn leven lang. Hij had nooit
-een zusje gehad, en was heel blij geweest, er een te krijgen. Het was
-zoo heel nieuw voor hem, al dat broze, luchtige, reine en fijne aan
-haar, waar hij zoo voorzichtig mede moest wezen, en waar je zoo heel
-anders tegen doen moest dan tegen een jongen. Hij had een stillen
-eerbied voor haar, omdat ze altijd zoo netjes was, nooit eens vuile
-handen had, en zoo’n heel schoon, wit, sprookjesachtig
-prinsessen-slaapkamertje bezat, waar allemaal broze en vreemde dingen
-stonden, al was ze pas een klein nufje van twaalf. En zij, echt Haagsch
-dametje dat ze was, had het dadelijk erg chic van hem gevonden dat hij
-een jonkheertje was. En nogwel jonkheer van Wedell, een van de beste
-namen uit den Haag, die iedereen kende!
-
-Toen Pim op de Militaire Academie was, stierf zijn moeder, en was van
-Taats voor de tweede maal weduwnaar, maar toch bleef hij zijn stiefzoon
-als zijn eigen zoon behandelen, en als Ellie’s broertje. Hij vond het
-wenschelijk, altijd door Eduard een band te blijven houden met de
-aristocratie. Wel was het hem tegengevallen dat hij na zijn huwelijk
-met een weduwe van Wedell zoo weinig toenadering van de beau monde had
-ontvangen, maar tóch vond hij het wel deftig staan, een van Wedell als
-zoon te beschouwen. Eduard zelf hield niet veel van zijn stiefvader,
-wien hij niet meer dan den verplichten eerbied betuigde, maar om zijn
-zusje vooral niet te verliezen, bleef hij als kind bij van Taats aan
-huis komen. Hij was nu eenmaal het broertje van Ellie, al was hij de
-zoon niet van van Taats.
-
-Pim was de kleinste huzaren-officier van het leger. Daarom kon Ellie
-ook nooit „broer” zeggen, maar altijd „broertje.” Hij vond het
-onuitstaanbaar dat hij zoo klein was, maar deed net of het hem niet
-schelen kon. Sommige officieren fluisterden wel eens, dat de heeren van
-de keuring zich vergist moesten hebben, want dat van Wedell eigenlijk
-onder de maat was. En Ellie praatte maar altijd over „broertje” alsof
-hij nog een kleine schooljongen was, in plaats van een officier. Hij
-had dan ook een heel zacht, fijn jongensgezicht gehouden, zonder een
-spoor van baard of knevel, al was hij al twee en twintig jaar en ook
-zijn licht, zilverig blond haar, op wit áf, dun zijde-achtig en
-glanzend als het was, gaf hem het uiterlijk van een grooten knaap. Hij
-had een mooi, slank figuur, en zijn uniform stond hem keurig, maar tóch
-had hij altijd veel meer van een grooten jongen, die officiertje
-speelde in travesti, dan van een heuschen krijgsman.
-
-„Je hadt eigenlijk een meisje moeten worden,” zei Ellie altijd, „het is
-heusch een vergissing geweest dat je een jongen bent geworden.—Maar
-weet je waar je ook goed voor zou zijn? Voor een blonde page van een
-prinses. Als ik de koningin was benoemde ik je tot page.”—
-
-Dan lachte hij, of hij het heel aardig vond, maar in zijn hart vond hij
-het beroerd, en het deed hem pijn. Ellie deed hem héél dikwijls pijn,
-zonder dat ze het bedoelde, en daarom hield hij misschien juist zooveel
-van haar.
-
-Pim werd onder zijn kameraden een excentrieke vent gevonden. Als hij
-niet Jhr. van Wedell ware geweest niet over zooveel geld had beschikt,
-en niet zoo’n prettige trouwhartige vriendelijkheid over zich had
-gehad, zou hij al lang onaangenaamheden hebben gekregen in zijn corps.
-Het was bijna ongeloofelijk, zeiden ze, voor een officier, die
-bovendien van adel was, maar Pim was in ’t geheel niet militairistisch
-gezind, en had zelfs socialistische neigingen. Hij las allerlei „rare”
-boeken, niet alleen gewoon socialistische maar zelfs anarchistische,
-van Jean Graves en Kropotkine, en hij durfde te verkondigen, dat hij in
-veel dingen met die schrijvers sympathiseerde. Ook was hij een soort
-orakel onder de kameraden voor literatuur, en als ergens aan een der
-officieren van het eskadron naar zijn oordeel over een boek werd
-gevraagd, zeide hij altijd maar wat Pim er over dacht. Dan was hij
-zeker dat het ook wel zoo zijn zou. Het was wel eens gebeurd, dat Pim
-in een gesprek in vuur raakte en stellingen verkondigde, die gevaarlijk
-konden worden voor zijn carrière, maar nooit had een van de kameraden
-hem verraden, en wat ze van géén ander verdragen zouden, vergaven ze
-hèm gaarne. Ook namen ze hem eigenlijk niet heelemaal au sérieux. Hij
-was zoo klein, zoo jongensachtig met zijn blanke, baardelooze gezicht,
-en die heel licht-blauwe, zachte meisjes-oogen, en daar leek hij zoo
-weinig gevaarlijk mede. En hij was zoo goedhartig in alle dingen, zoo
-ridderlijk en zoo altijd bereid een kameraad te helpen. „Die goeie
-Pim,” zei iedereen van hem die hem kende, en vijanden had hij nooit
-gehad, al zei hij somtijds zulke gevaarlijke dingen. Eéns waren ze bang
-geweest dat het mis zou loopen. Hij was met een peloton naar Rotterdam
-gecommandeerd, waar een oproertje was van werkstakers, en ze wisten,
-dat hij zich had uitgelaten, dat die kerels in den grond recht hadden.
-Toch was hij moeten gaan, gehoorzaam aan ’t consigne. En ’t was heel
-anders geloopen dan ze dachten. Op een critiek moment, toen er een
-catastrophe dreigde, had kleine Pim de oproermakers gechargeerd, en er
-geducht op los laten slaan. Ze hadden hem zelfs in de kranten
-gesignaleerd, en de „Sociaal-Democraat” had hem een waren afstammeling
-genoemd van de roofridders en tyrannen uit de middeneeuwen. Toen hij
-terugkwam wilden ze hem allen feliciteeren met zijn kranig gedrag, maar
-hij had hun in vertrouwen gezegd, dat hij zich schaamde. Hij was
-driftig geworden, zeide hij, woedend om hun scheldwoorden, hun
-beestachtige door hartstocht verwrongen tronies—God! wat waren die lui
-leelijk! En wat vuil! en wat stonken ze!—en toen ze zijn huzaren met
-steenen gooiden had hij ruim baan laten maken, en er zelf óók op
-ingeslagen. Maar nu schaamde hij zich eigenlijk, bekende hij. Want die
-kerels hadden gelijk, en dat ze zoo beestachtig waren, kwam omdat ze in
-de misère waren opgegroeid van uitbuiting en ontbering. Maar toen een
-intimus hem eens serieus vroeg, waarom hij dan officier was geworden,
-en nóg officier bleef, antwoordde hij, dat hij dat zelf niet wist. Maar
-hij wist het heel goed. Hij was officier geworden omdat Ellie het zoo
-gewild had. Ellie had hem altijd gezegd, dat ze alleen trotsch op haar
-broer zou blijven als hij officier bij de cavalerie werd. Dat had ze
-zich nu eenmaal in haar hoofd gezet. Haar broer, Jhr. Eduard van
-Wedell, luitenant van de huzaren, dat stond nu eenmaal! En natuurlijk
-was het dan ook gebeurd.
-
-Pim was veel liever in de letteren gaan studeeren. Van kinds af aan was
-hij dol op literatuur geweest. Maar toen hij pas zijn zusje had
-gekregen en ze hem gezegd had, dat hij cadet moest worden, had hij het
-heel gehoorzaam gedaan. Toen was er in de drukke studiejaren weinig van
-lezen gekomen, maar sedert hij tweede luitenant was geworden, was hij
-weer veel aan literatuur gaan doen. Zonder leiding las hij maar alles,
-wat hem onder de handen kwam, en in ’t begin was zijn smaak nog al
-onzeker, maar langzamerhand begon er zich toch een idee in hem te
-vormen, wat voor hem het mooi was, dat aanpaste aan het innigste en
-liefste van zijn ziel. Toen was hij ook zoo goed en zoo kwaad als het
-ging aan filosofie gaan doen, en hij was Spinoza, Kant en Schopenhauer
-gaan lezen, en had zich zelfs verdiept in brahmanisme en boeddhisme.
-Maar Pim was niet sterk genoeg om er zelfbewust uit te komen. Hij had
-niemand in zijn omgeving, die hem kon helpen en was te veel in beslag
-genomen door zijn officiersbaantje, om uit die omgeving weg te gaan. Er
-was geen denken aan, om ontslag te nemen uit den dienst en te gaan
-studeeren. Dat wilde Ellie niet.
-
-En Ellie was het eenige hoûvast in zijn leven.
-
-—Zijn zwakke natuur, te zwak om door den schijn van décepties en
-leelijkheden heen de hoogste schoonheid te vinden in de literatuur en
-de filosofie, en te sterk, om het gewone leventje van de menschen om
-hem heen zoo maar als gewoon en goed aan te nemen, had zich héélemaal,
-willoos, zonder denken, in zalige onbewustheid overgegeven aan dat ééne
-gevoel: de liefde voor zijn zuster. Dat was eigenlijk het eenige, waar
-hij een steun aan had, waar hij van leefde. Zonder Ellie zou zijn
-geheele leven geen raison d’être meer gehad hebben, en alles om hem
-heen zou in elkaar gevallen zijn, als bij een catastrophe. Hij leefde
-nu eenmaal heelemaal alléén van Ellie. Van het oogenblik af aan dat
-hij, als een kleine jongen van veertien jaar, in eens voor het fijne
-blonde meisje had gestaan, in haar mooi wit-en-blauw kamertje vol
-broze, teedere dingen, en ze hem gezegd hadden: „dit is nu je zusje”,
-was hij met zijn heele ziel van haar gaan houden en had hij haar eene
-aanbidding gewijd of ze een godin was. Ze had hem dadelijk bij de hand
-genomen, en de baas over hem gespeeld, of ze véél ouder was dan hij.
-Hij was dan ook niets grooter dan zij geweest, want ze was vroeg
-gegroeid, en toen hij vijftien was leek hij veel jonger.
-
-Intuïtief had het kleine meisje gevoeld, dat ze een macht over hem had,
-en dat ze hem regeeren kon precies zoo als ze wilde. En altijd had ze
-die macht over hem gehouden. Ze had gewild dat hij cadet werd, en later
-luitenant bij de huzaren. En daarom was hij dat nu ook; hij had wel
-gemoeten.
-
-Door zijn vele lezen van alles door elkaar en zijn zwakke, ál te
-droomerig bespiegelende natuur had Pim eigenlijk nergens een hoûvast in
-zijn leven. Het was hem nog alles zoo onzeker en vaag, waar hij dacht
-van te houden, en dikwijls verloor hij heel veel moois, waar hij
-enthoesiast mede gedweept had, weer een paar dagen daarna, als hij
-onder andere indrukken was gekomen. Zelfs van de dingen, waar hij in de
-literatuur en de kunst het mééste van hield, was hij nooit heelemaal
-zeker, dat ze hem op een gegeven dag weêr niet afgenomen zouden worden.
-Hij was ook te veel passief dilettant en te weinig scheppend artiest om
-iets groots welbewust in zich op te nemen en vast te houden als een
-deel van eigen onsterfelijk en onafneembaar wezen. Ook menschen kende
-hij evenmin als dingen, en er was eigenlijk niemand op de wereld, ook
-onder zijn beste kameraden niet, die onverbrekelijk met zijn eigen
-bestaan samenging.
-
-En zijn gehééle zelf liet hij nu, zonder te weten waarom, op dat broze,
-fragiele, liefelijke wezentje rusten van mooiheid en teêrheid, dat
-Ellie was.
-
-Ellie was voor hem nu eenmaal het centrum van zijn geheele leven, dat
-alleen met háár bestond. Van haar leefde hij, en alles wat òm en bij
-haar gebeurde, en wat maar eenigszins met haar in verband stond, maakte
-de heel gewichtige gebeurtenissen van zijn leven. Al de andere dingen,
-de dienst in het eskadron, en wat er in den Haag alzoo voorviel en de
-wereldgeschiedenis van het buitenland en zoo, zij waren er óók wel,
-maar voor hém was het hoogste, van direct belangzijnde, en vóór alles
-gaande: het leven van zijn zuster, Ellie van Taats.
-
-Een héél enkelen keer was hij wel eens aan ’t bespiegelen gegaan, en
-had hij zich afgevraagd: „Wat zie ik nu eigenlijk in Ellie? Wat voor
-bizonders is er aan haar? En is ze nu zoo’n apart superieur wezen?”
-maar daar was hij al gauw mede uitgescheden, omdat hij het te dol vond
-om daarover te redeneeren.—Want hij zag niets in Ellie, dat wist hij
-héél goed. En er was ook niets bijzonders aan haar, gelukkig niet. En
-ze was ook volstrekt niet buitengewoon knap of geleerd—o jee! dát
-heelemaal niet, het leek er niet naar!—en een superieur wezen, zooals
-waarvan je in boeken leest, was ze ook al niet.
-
-Maar hij hield van Ellie eenvoudig omdat ze Ellie was. Dat leek nu wel
-heel nonsensachtig, omdat het natuurlijk geen reden was, maar toch was
-het zoo klaar als een klontje, vond hij. Omdát ze Ellie was. En Ellie
-was nu eenmaal Ellie.
-
-Dát bestond weer wèl heel apart.
-
-Er was niets op de heele wereld dat nu eenmaal zoo was als Ellie. Als
-hij niet bij haar was waren alle dingen net of er eigenlijk nog iets
-aan mankeerde. Bijvoorbeeld een mooie dag, en een mooie natuur buiten,
-dat was toch niet je dát, als hij niet met Ellie samen liep. Maar als
-ze bij hem was kwam alles pas weer in orde. Dan was hij een andere
-kerel van binnen en voelde hij een harmonie in zich, of alles in de
-wereld wel in orde was. Zoo bijvoorbeeld ook als hij alleen in een
-kamer zat, en ze kwam binnen. Dan werd het er immers veel intiemer, of
-er een licht was binnen gekomen en alles werd ineens zooveel klaarder
-en helderder. En dan voelde hij zich zoo lekker van binnen, of nu
-eigenlijk alles pas in hem was zooals het hoorde.
-
-En dan, wat mooi aangaat vond hij, zelfs in de grootste kunst, of de
-beste literatuur, is er toch nooit iets zóó moois, dat zóo leeft, en
-zoo heelemaal echt en waar is, als het mooi van een mooi meisje. Dát is
-toch altijd het prachtigste wat er is. Hij had wel eens hooren zeggen:
-„wat is dat nu, een mooi meisje, dat is toch geen verdienste!” Maar hij
-vond dat wel degelijk een héél groote verdienste. Zelfs als zoo’n
-meisje niet bijzonder fijn voelde of niet veel wist, of niet erg
-ontwikkeld was.—Een mooi meisje is toch nog mooier dan een mooie bloem.
-En denkt een bloem? Is een mooie bloem ontwikkeld?
-
-Ellie was véél mooier dan de mooiste bloem, dan de schitterendste ster
-aan den hemel, vond hij. En dát was het vooral, het gevoel dat niets in
-het leven, of de literatuur, of de kunst hem kon geven, het gevoel van
-nu héélemaal tevreden en voldaan te zijn van rustig, zéker, veilig
-geluk, dat altijd zal blijven, en nooit minder worden, dat gaf hem
-alleen het mooi van Ellie’s meisje-zijn. Een lijn van haar hals, een
-ronding van haar arm, de om-van-te-weenen teedere lelie-witheid van
-haar borst, de fijne omtrek van haar enkel, een eenvoudig
-handgebaartje, een vriendelijk knikje, álles, álles van haar was mooi,
-en het was méér dan mooi, het was lief, en intiem, en vertrouwd, ja,
-het was goed. Goéd, dat voelde hij zóó, dat als je bijvoorbeeld heel
-ellendige dingen dacht, van misère, en onrecht, en wreedheid en zoo, en
-je twijfelde aan alles, dat je dan ineens, enkel door een lief
-gebaartje van haar hand, of door het voelen van de vriendelijkheid van
-haar lachje, wist, dat álles tóch in orde, dat álles malgré tout tóch
-goed was. Nu leek het wel, of er in ’t geheel geen verband kon bestaan
-tusschen háár en al de wereld-dingen buiten haar, maar tóch voelde hij
-het zoo voor zich.—En zij was zelfs het centrum van al die dingen, dát,
-waarom ze eerst waarde voor hem kregen. De mooiste: een mooie
-schilderij, een mooi vers, en mooie muziek, ze gaven hem een heel groot
-geluk, maar toch wist hij, dat wat hij voor Ellie voelde, véél inniger
-nog was dan het gevoel voor die schoonheid.
-
-Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter
-en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door
-zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed
-van een te oud geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij
-was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van
-passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage
-walging. Hij wist dat het kinderachtig werd gevonden, en hij er met een
-soort medelijdende verachting om werd aangekeken, maar hij had in ’t
-geheel geen neiging voor wat zijn kameraden „de vrouwen” noemden. Wel
-moest hij enkele keeren meêdoen aan jongeluis-fuifjes, en kwam hij bij
-die gelegenheden met Haagsche vrouwen van minder-allooi in aanraking,
-maar hun platheid en hun ongracieuze, ruwe manieren hadden hem altijd
-gechoqueerd, en nooit was hij met ééne van haar intiem geworden. Hij
-voelde heel goed het lieve en aantrekkelijke van enkelen, die nog een
-mooi figuurtje en een prettig, lachend gezichtje hadden, maar zoodra
-hij een grof woord hoorde of een lichtelijk obsceen gebaar zag, was
-zijn afkeer grooter dan zijn zinnelijke opwelling kon zijn. Hij werd
-dan ook een unicum in het corps gevonden, omdat hij nog „maagd” was,
-zooals ze dat noemden. Je bent óók „Le Vierge”, had van den Bergh van
-de grenadiers, een van zijn goede kennissen, tegen hem gezegd, toen zij
-samen in de stad het boek van Valette met dien voor hem zoo vreemden
-titel eens voor een boekwinkel zagen liggen.—En dat was Pim ook altijd
-gebleven. Dat hij daarom niet slap of verwijfd was, had hij bewezen bij
-de laatste Clingendaal-wedstrijden, toen hij den grooten hurdle-race
-had gewonnen, en hij werd dan ook algemeen voor den besten ruiter van
-het regiment gehouden. Maar zijn ziel neeg nu eenmaal naar het zachte,
-fijne, teedere, meer dan naar het harde, bruyante, en hevige.
-
-En Ellie was het zachtste, fijnste, teederste wat er voor hem bestond.
-De droomerige schijn in haar diepe, blauwe oogen, de rozige blos op
-haar wangen, het lelieë blanke van haar huid, haar vriendelijk, zacht
-sopraanstemmetje, haar gracieuze bewegingen en gebaren, en al de broze,
-ijle, blanke, fluweelig aanvoelende dingen, die bij haar behoorden,
-alles van en òm haar was aangepast aan zijn ziel, en gaf hem
-behagelijke, wèldadige rust. Er was een atmosfeer van maagdelijkheid om
-haar heen, waarin hij zijn ziel voelde als een lelie in heilige lucht.
-Zóó was het goed, in háár sfeer, zóó met dat blanke, en zachte, en
-kuische, en zóó was hij tevreden, niets méér verlangend, in rustig
-evenwicht van geluk....
-
-En het was haar kinderlijke blijheid, haar onwetende, onbezorgde
-vroolijkheid, die hem zelf óók er bovenop hielden. Het enkele feit dat
-zij bestond, en hier op de aarde liep te lachen en plezier te hebben,
-maakte dat hij zich eigenlijk óók altijd gelukkig voelde, al zag hij
-vlak in de droefste waarheden, die hem somtijds ineens aankeken vanuit
-den anderen kant van zijn bestaan, dáár, waar Ellie niet was. Die
-konden hem toch nooit ongelukkig maken, en hem zóó aanpakken, dat hij
-de veilige overzijde er voor altijd voor overliet, waar hij in de
-vreugdesfeer van Ellie leefde. Hij kon niet ongelukkig zijn en ook niet
-zijn leven besteden aan het helpen van ongeluk en het strijden voor wat
-hij waarheid en recht wist, zoolang Ellie er was om zich aan te wijden.
-Omdat zij er was, voelde hij zijn leven, zooals hij het nu leefde, als
-goed en wèlbesteed. Zij vulde zijn geheele bestaan, dat geen leegte
-kende zoolang zij er was, en ook geen behoefte had aan méér dan haar.
-Intieme vrienden had hij dan ook weinig behalve één, die eigenlijk te
-groot voor hem was om intiem te durven zijn, wèl goede kameraden en
-kennissen, die aan de oppervlakte van zijn leven veel bij hem waren.
-Hij ging erg joviaal met hen om, en dacht zelf ook wel, dat zij beste,
-intieme vrienden van hem waren, maar als hij hen allen eens verloren
-had zou hij tóch niet ongelukkig of eenzaam zijn geweest, als Ellie
-maar overbleef. Ook hield hij veel meer van zijn paarden en honden. Die
-waren zoo héélemaal wáár en eenvoudig, vond hij, en zoo gemakkelijk om
-te begrijpen. Je kon er zoo op áán, en ze waren zoo oprecht in hun
-simpele natuur. Balder en Isolde, zijn lievelingspaarden, waren hem
-lief als de beste vrienden, en hij werd zelden gezien zonder een van
-zijn mooie honden, Hector, een pracht van een pointer, Karl, een groote
-koningspoedel en Jim, een fijne fox-terrier van het edelste ras. Jim
-was de favoriet omdat Ellie hem zoo vertroetelde en zoo dikwijls kuste.
-
-Pim was bij de Haagsche uitgaande jongemeisjes erg gezien, en had
-overal vriendinnetjes, in de meest verschillende kringen, maar zij
-behandelden hem eigenlijk allen meer of min als een soort prettigen
-broer, wien ze alles konden vertellen, en met wien ze vrij en intiem
-konden omgaan, zonder een mogelijke „partij” in hem te zien. Hij was
-haar te veel verwant, door het zacht-vrouwelijke in zijn natuur, en het
-was somtijds of hij eigenlijk óók te veel meisje was, en het haar
-daardoor onmogelijk zou zijn, op zoo iemand te verlieven. Ook was hij
-voor een man te klein, en te weinig forsch. Hij was wèl een mooie
-jongen, erg blank, erg aristocratisch, maar een beetje té mooi, te veel
-naar het vrouwelijke toe, met dat soms nog zoo kinderachtig lijkende,
-baardelooze gezicht, en die zachte, onschuldig-blauwe oogen, als van
-een maagd.
-
-„Je bent niet flink genoeg tegenover vrouwen,” zei zijn vriend de Sandt
-wel eens, „ik zou bijna zeggen je bent niet bruut genoeg. Zoo’n héél
-klein beetje bruut, dat heb je eigenlijk noodig tegenover vrouwen. Je
-bent altijd zoo poeslief, kerel, en daar houden ze niet van, geloof
-me!”
-
-En Pim voelde het ook wel, dat hij eigenlijk geen kerel genoeg was, en
-dat hij door de meeste meisjes zoo’n beetje als een soort broer werd
-behandeld die niet gevaarlijk kon worden. Zelfs in een stad als den
-Haag, waar zooveel besproken wordt en de kleinste incorrectie stof tot
-laster geeft, was nooit gekheid gemaakt op zijn intiemen omgang met
-Ellie, die toch eigenlijk geen zuster van hem was, en met wie hij zich
-elken dag in ’t publiek vertoonde. Van een ander in zijn plaats zou
-misschien gesproken zijn, maar niet van hem. Hij was immers maar „de
-kleine Pim”, „het kleine huzaartje”, dat geen kwaad zou doen! Maar hij
-wás nu eenmaal zoo, hij kon er niets aan doen, en hij verlangde ook
-niet anders. Zijn weinig onstuimige natuur, waarin nog geen hartstocht
-was uitgebarsten, had volstrekt geen behoefte aan hevige sentimenten,
-en gloeiende kussen, en hoog-gaande liefde-scènes, die het bijna
-religieus mooie van rust en vrede, dat hij in meisjes zag, voor hem
-zouden bederven. Hij had genoeg aan de gratie van hun wezen, en als er
-maar een mooi meisje bij hem was, met fijne lijnen en gevoelige
-gebaren, was het of een liefelijke harmonie van muziek zacht door de
-stille onbewustheden van zijn maagdelijke ziel klonk. Hij was haar
-dankbaar, alsof zij hem áldoor groote weldaden bewezen, alleen als ze
-maar mooi waren; en gracieus, en gevoelig, en een rank figuurtje, een
-nobel-gewelfde buste, een paar fijne, blanke handen waren de groote
-vreugden van zijn leven, dat nu eenmaal bestond van wat bevallig, lief
-en aangenaam van rythme, en kleur, en gebaar was.
-
-Dat luchtige wezentje van niets dan uiterlijkheid en schijn, dat
-teedere en „frêle objet d’art” dat het echte Haagsche dame-meisje is,
-had Pim bestudeerd zooals een kunstkenner schilderijen. Hij wist de
-vage geheimen en nuances van haar toiletten als een ingewijde, kon voor
-dit of dát meisje een costuum teekenen, als een artiest van het vak, en
-zag als bij intuïtie welke fijne nuance van kleur alléén paste bij
-welken toon van haar, en welken teint van gelaat. Goede, intieme
-kennisjes raadpleegden hem zelfs bij het inkoopen van dasjes en linten,
-en vroegen zijn oordeel bij het kiezen van een kleur zijde of satijn
-voor een toilet. En het was bij hem zonder een zweem van poenerigheid
-of pedanterie, dat hij zoo’n specialiteit was op dat gebied, waar hij
-als man niet behoorde, het was enkel de artiest in hem, die genoot van
-de kleuren en lijnen van mooie vrouwen, even oprecht en innig als een
-andere zijn vreugde vindt in de mooie natuur van luchten en
-landschappen en horizonnen buiten.
-
-Een mooi meisje kon bij hem geen kwaad doen, en hij dacht er nooit diep
-over door, dat de schoonheid, waar hij zoo van genoot, toch maar schijn
-van buiten was, en daarom nog géén afspiegeling van ziele-mooi van
-binnen. Het ephémère, vluchtige, onbeduidende van al die
-fladder-leventjes viel hem niet op, in zijn verrukking over het
-liefelijk rythme hunner verschijning. „A thing of beauty is a joy for
-ever”, dat was zijn antwoord, als iemand hem verweet, dat hij te veel
-naar ’t uiterlijke mooie van vrouwen keek. Dat die vage schoonheid als
-die van vlinders en bloemen is, die dra vergaat, hij wilde er liever
-niet over denken. Hij dúrfde ook niet, hij was er te zwak voor, en hij
-was véél te blij, dat het goed ging met zijn leven, zooals het nú was.
-Met die meisjes-, en vrouwen-vereering, en als innigste uiting daarvan
-zijn reverentie voor Ellie, die bijna een godsdienst was, zóo
-onvoorwaardelijk en blindelings van geloof, stond of viel zijn geheele
-bestaan.
-
-Hij voelde absoluut niet als „verliefd” op Ellie, en hij had ook nooit
-gedacht dat zijn innige houden van haar iets anders zou kunnen zijn dan
-de groote vriendschaps-gehechtheid van een broer. Natuurlijk hield je
-toch véél meer van je zuster dan van anderen, vond hij, dat sprak van
-zelf. Het feit, dat ze in ’t geheel niet zijn zuster wás, dat ze
-eigenlijk precies voor hem was als ieder ander meisje, zag hij absoluut
-niet, juist omdat het zoo vlak voor de hand lag. Als hij intiem met
-haar in haar boudoir zat, en hij haar, bijvoorbeeld als zij jarig was,
-weleens kuste en door haar gekust werd, zooals hij dat gewoon was te
-doen, sedert dien dag, dat hij voor ’t eerst in haar kamer had gestaan,
-dan was dat niets bizonders voor hem. Hij was toch haar broer! Ook was
-hij er nooit onrustig of zenuwachtig van geworden, en had hij zich nog
-nooit verlegen tegenover haar gevoeld. Het gaf hem juist zoo’n
-weldadige, behagelijke rust, bij haar te zijn. Heelemaal niets van
-geagiteerdheid of zoo. Zóó als het nu was tusschen hem en Ellie, was
-het goed, en dat was juist het heerlijke voor hem, dat voldane,
-tevredene, veilig-weldadige, dat als een zachte harmonie in hem vloeide
-als hij bij haar was. Als hij niet voor haar voelde of ze zijn zuster
-was, als hij haar anders liefhad dan als een goede kameraad, die tevens
-artiest was, en met vreugde het mooie genoot van haar uiterlijke
-verschijning, dan moest dat gevoel in de verre onbewustheden van zijn
-diepste wezen slapende zijn, als een kind in moeders schoot, dat nog
-niet bewogen heeft.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Toen Ellie van Taats zestien jaar was, had haar vader haar op een
-kostschool gedaan van de Hernhutters, in Neuwied.
-
-Daar was ze bizonder streng opgevoed, met orthodox-christelijke
-principes, en het geheele onderwijs was van godsdienstige
-bespiegelingen doortrokken, als van een essence. De groote evenementen
-in het jongemeisjesleven daar bestonden uit de predikingen van een’
-geliefden, jongen dominé. Alle meisjes dweepten met hem, en aanbaden
-hem als een heilige, die Jezus Christus naderbijkwam in vroomheid en
-geloof. Er waren er, die zwoeren, afstand te doen van alle aardsche
-dingen, en hun geheele leven aan den godsdienst te wijden. Een geest
-van fanatisme ging over de pensionaires.
-
-Ellie’s jong, ontvankelijk gemoed kwam al heel gauw onder den indruk
-van haar omgeving, en zij schreef opgewonden brieven naar huis over den
-godsdienst, die haar vader verbaasden. Langzamerhand werd het al erger.
-Zij verweet zich, dat zij eene zondares was, jammerde over de kleinste
-tekortkomingen, als een jokkentje of een klein koketterietje, en
-verheerlijkte den geliefden dominé in vurige, pathetische bewoordingen,
-als een nieuwen Heiland.
-
-Ten laatste hinderden haar geëxalteerde brieven haar vader zóó, dat
-hij, toen zij pas een jaar op het pensionaat was geweest, besloot, haar
-maar weer thuis te nemen, vóór het te laat was. En zoo kwam Ellie op
-haar zeventiende jaar van de kostschool in den Haag terug.
-
-In ’t begin nog onder den indruk van den geest van vroomheid en
-„Entsagung”, die haar een jaar overheerscht had, wilde zij niets van
-het mondaine leven weten, en weigerde zij beslist om uit te gaan. Maar
-binnen een paar maanden had het Haagsche leventje haar inééns ingepakt
-en was het dwepende bakvischje van de kostschool een echt Haagsch
-„dame-meisje” geworden.
-
-De oude heer van Taats, die een afkeer had van godsdienstdwepen en
-fanatisme, had alles gedaan om Ellie van haar religieuze droomerijen af
-te brengen.
-
-Hij had zijn ongetrouwde nicht Joséphine in huis genomen, en haar
-opgedragen, voor Ellie een slaapkamer en een boudoirtje zóó in te
-richten dat zij niets meer zou kunnen verlangen. Hij bewoonde een
-groot, nieuw gebouwd huis op de Koninginnegracht éven voorbij de brug
-van de Javastraat. Zooals de gewoonte was geworden bij den bouw van de
-Haagsche nieuwe huizen, was aan ééne zijde een soort toren uitgebouwd,
-in imitatie van oude kasteelen. En in dien toren was Ellie’s boudoir,
-zoodat ze zich wel eens verbeeldde, een prinsesje te zijn, en het
-altijd met zekeren trots haar „toren” noemde. Nicht Joséphine moest met
-Ellie de nieuwste en beste toiletjes gaan bestellen, die bij de
-voornaamste modistes waren te krijgen, en kreeg carte blanche, om alles
-aan te schaffen, wat een deftig dame-meisje uit den Haag maar noodig
-kan hebben.
-
-Daar was Ellie al gauw voor bezweken, en de godsdienstige dogma’s en
-strenge leefregels waren uit haar zieltje verdwenen voor de charmes van
-elegante toiletjes en wereldsche amusementen. Binnen korten tijd was ze
-aan bevriende families en kennissen gepresenteerd, en was het bekend,
-dat Ellie van Taats „uitging”.
-
-Zij werd lid van een tennisclubje, van een fietsclubje, en van een
-dansclub, ging naar het Kurhaus, naar de opera, en naar concerten, en
-van het dwepende, vrome kostschoolmeisje was eindelijk niets meer over
-dan een vage herinnering in haar, dat ze ééns zoo’n vreeselijk nuchter,
-dom gansje was geweest, dat nog niets afwist van de wereld.
-
-Ze had nu wel wat anders te doen dan bijbellezen en de aanteekeningen
-uitwerken, die zij maakte onder de preêken van den geliefden dominé.
-
-Ellie’s leven werd het geheele jaar door gevuld door de verschillende
-Haagsche amusementen, en nooit voelde zij haar bestaantje leeg van
-verveling.
-
-’s Winters, als het mooi weer was, maar vooral in de lente, nam de
-tennis-club haar in beslag. Dat werd dan een tijdje een „rage” bij
-haar, en ze ging er héélemaal in op. Ze werd dan een echt
-„tennis-meisje”, zooals Pim dat plagend noemde, en den geheelen dag
-praatte zij over rackets, en scores, en games, of het de gewichtigste
-dingen van het leven waren. Ze was bekend als een goede, ijverige
-speelster, zoolang het Kurhaus haar nog niet van het spel aftrok. ’s
-Ochtends vroeg fietste ze naar de terreinen van Leimonias, kwam om één
-uur even terug om koffie te drinken, en peddelde om twee haastig weer
-weg naar de lawn. Ze had een echt gezellig clubje van dame-meisjes en
-jonge heeren, en was zelfs als Presidente gekozen in de commissie, waar
-haar voornaamste bemoeiingen bestonden in het arrangeeren van fuifjes
-en het zorgen voor fijne schoteltjes. En ze was er zóó populair, dat ze
-van drie heeren tegelijk de sleutels had van de délicatessen-kistjes,
-waaruit ze somtijds de dames fijne sweets presenteerde, een eerepostje
-van vertrouwen, waarop alle tennis-meisjes trotsch zijn. Zij was dan
-ook een echte favorite in het clubje. In die tennis-periode was het
-groote evenement in haar leven als zij op de score-tafel mocht zitten,
-om het koord te houden. Op het bal in de Théater-zaal van het Kurhaus,
-na een groote match, had zij haar balboekje een week te voren al vol,
-en de beste spelers vroegen haar altijd om in de heeren- en
-dames-double met haar uit te mogen komen.
-
-Er was iets in dat tennissen, dat precies aanpaste aan haar luchtige,
-bewegelijke natuur. Zóó voelde ze zich heelemaal zooals ze wezen moest,
-als ze met vlugge stapjes over het tennis-veld vloog, en met sierlijk
-gebaar serveerde, of met een bevallig zwaaitje de racket omhoog wierp
-bij het tossen. Ze had dan iets eigenaardig lichts in haar rythmisch
-bewegen, als een vogeltje, dat de vlerken uitspreidt en straks vliegen
-gaat. Ze tenniste meestal in heel eenvoudige, witte costuumpjes,
-waaraan ze door smaakvol aangebrachte strooken en kanten en volants
-iets wuivends, heel luchtig transparants wist te geven, dat bizonder
-mooi deed in ’t loopen.
-
-Eens, jaren geleden toen ze nog een bakvischje was en ze wijde
-pofmouwen droeg, die in een sterken wind heen en weer wapperden, had
-Pim lachend, zonder bedoeling, gezegd, dat ze wel een vlindertje
-daarmee leek. Later had hij dat, bij het tennissen, nog eens herhaald
-en ineens, zooals het met bijnamen gaat, was het tennisclubje haar
-„Vlindertje” gaan noemen. Kennissen hadden het gehoord, en weêr aan
-anderen overgebriefd, en zóó was Ellie ineens in den Haag „het
-Vlindertje” geworden, dat bijna iedereen van aanzien kende.
-
-Pim vond het in ’t begin erg jammer, dat hij haar zoo een bijnaam had
-bezorgd, maar later, toen hij wist, dat ze het eigenlijk wel aardig
-vond, had hij het juist uitstekend gevonden. Want was ze niet echt een
-vlindertje, zijn zuster? Fladderde ze niet net zóó, onbewust, op
-gracieuze rythmen, blank en blij door het leven, en zocht ze niet geluk
-in alles wat lief en licht was van kleur? Was ze niet even broos en
-teeder als een vlindertje, om even voorzichtig mee om te gaan, en enkel
-te beroeren met fijne, eerbiedige vingeren? Was er iets mooiers te
-bedenken om met Ellie te vergelijken, dan zoo’n transparant, gevoelig
-wezentje van rythme en teêre kleur, zacht-wiegelend in licht en blijden
-zonneschijn?
-
-Ook als zij op haar fiets zat, met het luchtig wapperende rokje om de
-fijn gelijnde beenen, en de broos-geënkelde voetjes vlug rondvliedend
-op de pedalen, leek ze wel zoo’n rythmisch lucht-wezentje,
-voortfladderend in zwierigen zwaai van bevallig gebaren.
-
-En als Hagenaars over haar spraken was het zelden over Ellie van Taats,
-maar bijna altijd over „het Vlindertje.”
-
-Als nicht Joséphine of pa haar wel eens beknorden, dat zij zoo weinig
-thuis was, en altijd maar uitging, zeide ze zelf lachende: „Maar ik ben
-toch immers het Vlindertje? Die zit immers nooit stil? Die fladdert
-toch altijd uit, van ’t eene op ’t andere!”
-
-Ook ’s winters was er genoeg te doen voor een dame-meisje als zij. Daar
-had je ten eerste „de stad” ’s middags. „De stad,” dat is de
-Hoogstraat, de Veenestraat, de Spuistraat, de Passage, de Lange Pooten,
-de „stad” zooals je nergens in Holland, ook niet in de Kalverstraat in
-Amsterdam, iets zóó gezelligs terugvindt. In „de stad” gaat zoo’n
-dame-meisje met een oude dame of met eene vriendin „boodschappen doen,”
-of als ze ’t heel deftig zegt „shopping”, ontzachelijk gewichtige
-wereld-dingen, als stalen zien bij Emmerechts of Haefely, handschoenen
-koopen bij Laimböck, schoenen aanpassen bij Berenbak, lintjes en dasjes
-uitzoeken bij Michel, onmisbare nietsjes bij Manusje van Alles,
-snoeperijen bij Krul of Sprecher, fijne broodjes bij Lensvelt Nicola,
-en o! zooveel prettige comissies méér. Vooral tegen St. Nicolaas wordt
-dat echt gezellig, als het overal zoo druk is, en de winkels op hun
-mooist zijn. Dan trippelt zoo’n dame-meisje heel geäffaireerd over het
-trottoir, verbazend ingespannen met kleine pakjes aan touwtjes, of àl
-haar gedachten gewijd zijn aan het lastige, moeilijke shoppen. Maar het
-is niets dan lieve schijn, dien ze om zich doet, want ze gaat in „de
-stad” zooals ze ’s zomers naar het Kurhaus gaat, alléén om van haar
-liefelijkheid aan de menschen te laten zien, en bewonderd te worden, en
-zich begeerlijk te maken. Ze weet ook wel, hoe charmant die
-gewichtigheid van „boodschappen doen” haar staat, en ze weet op welk
-uur ze die en die kan tegenkomen, en eerbiedig gegroet worden door
-dezen en genen. Daar heeft zoo’n wezentje van glans en gratie nu
-eenmaal behoefte aan, en ze ziet ook in „de stad” alleen het prettige
-en aangename, dat haar streelt en huldigt, en ze gelooft in den
-schoonen schijn. Je ontmoet er al de kennissen, en blijft even wat
-staan praten op het trottoir, of in een winkel, je loopt eerst
-heelemaal naar het Plein om iets te bestellen, gaat dán in ’t
-Noordeinde iets halen, en bedenkt dán ineens dat je in de Pooten iets
-„vergeten” hebt, om nógeens door „de stad” te kunnen teruggaan, en
-omdat je dan tóch bij Sprecher of Monchen bent heb je ineens dollen
-lust in gebakjes of een plombière en een likeurtje. En als je naar
-Monchen gaat moet je langs „de Witte,” dan moet je heel zedig vóór je
-kijken, want daar zitten heeren die je kent, en je ziet ze tóch
-allemaal, ofschoon je niet dien kant op moogt kijken. Want een Haagsch
-dame-meisje ziet altijd iemand eerst recht als ze in ’t geheel niet
-naar hem kijkt. Ook vóelt ze, bij intuïtie, dat iemand naar háár ziet
-en haar bewondert, al loopt die iemand achter haar, zoodat haar oogen
-hem niet bemerken. En zonder die intuïtie zou „de stad” niet zoo
-aantrekkelijk voor haar zijn.
-
-Ook voor Ellie was dit de eigenlijke charme van „de stad,” al was ze
-het zich niet zoo precies bewust: bewonderd te worden door heeren. Maar
-ook alléén het bewonderd worden, en het gegroet worden, en het
-terug-groeten, en niets meer. Ze vond het aangenaam die en die tegen te
-komen, ze vond het van den een prettiger dan van den ander, en knikte
-dien dan ook vriendelijker toe; ook zou ze de hulde van al de heeren,
-die zij kende, niet graag gemist hebben, maar naar méér dan dat
-verlangde ze niet. Zóó was het nu juist gezellig, zóó was het goed, en
-het moest ook maar altijd zóó blijven. En ofschoon ze het met haar
-vriendinnen altijd heel druk had over engagementen, en of die wel die
-zou vragen, en of het waar was, dat het àf was tusschen Klaasje en
-Pietje; ofschoon ze ook doordrongen was van de onvermijdelijkheid dat
-ten slotte háár dame-meisje-tijd ook ééns zou moeten uitloopen op een
-verloving, en dat daar ook eigenlijk al dat „uitgaan” op gericht was,
-en op niets anders, toch had ze nog absoluut geen lust om zelf al
-zoover te wezen, en kon ze zich niet voorstellen, dat ze ooit zooiets
-doen zou. En er was juist zooiets pikants in het idee, dat er onder al
-die duizenden menschen ergens één rondliep die ééns haar man zou
-worden, en dat ze geen flauw idee had hoe hij er wel uit zou zien,
-evenmin als hij van haar. Maar dat het niemand was van de heeren die ze
-nú kende, dáár was ze zeker van. In dat uitgaan, uitgaan en aldoor maar
-uitgaan van zoo’n dame-meisje als Ellie ligt onbewust een altijd
-zoeken, zoeken naar den Eéne, die érgens wezen moet, en wien ze haar
-gehééle charme van ongerept maagd-meisje dan inééns genadiglijk zal
-geven....
-
-Ze wist wel, dat heel veel van haar kennissen zich niet verloofden uit
-enkel liefde, en ze hoorde dikwijls de materieelste dingen uit den mond
-van meisjes, die er uitzagen als liefde-godinnetjes, en toch niets dan
-berekening over geld en positie in haar denken brachten over een
-aanstaanden man, maar zíj was vastbesloten, alléén te trouwen met
-iemand „waar ze van hield,” al was dat „houden” een vaag en verward
-begrip voor haar, omdat ze het nooit diep in zich gevoeld had.
-
-Er was nú nog maar alléén het genot van het zich mooi aankleeden in
-elegante toiletjes, van zich daarmede onder andere menschen te bewegen
-en dan bewonderd te worden, en er was de pret die je hadt op
-partijtjes, en de conquêtes die je deed op heeren, zoodat ze je het hof
-maakten en allerlei aangename, vleiende dingen zeiden, waar je wel eens
-om bloosde, en er was vooral de vroolijkheid en het lachen, het
-heerlijke, uitgeschaterde, weldadige lachen, dat zoo goed doet aan een
-onbezorgd, levenslustig jongmeisje. Er was „de stad,” en de fransche
-opera of de hollandsche komedie zoo nu en dan, tennisclub met de
-matches, en in de Theaterzaal van het Kurhaus het bal daarna, en er was
-de dansclub in het Hôtel des Indes, ééns in de 14 dagen, met
-tusschenbeide een groot bal in serieus decolleté-toilet met souper. Die
-heerlijke dansclub-avondjes, zoo gezellig, allemaal jongelui onder
-elkaar, met twee mama’s er bij, voor de convenance, met Gaillard of
-Bino als dansmeester, en zoo tusschenbeide muziek van de Polackjes! En
-dan de fietsclub, als het mooi weêr was, en de dinertjes, en de
-soireetjes en de sauterietjes bij haar zelf aan huis, die ze zoo
-amusant wist te arrangeeren!
-
-Een bal was nog het verrukkelijkste van alles, vooral als er een goede
-cotillon bij was. Daar kwam ze gloeiende van opgewondenheid van thuis,
-de handen vol bloemen en eereteekenen, die ze behaald had van de
-heeren, sterretjes, en decoraties en broches en allerlei kleinigheidjes
-van den cotillon, die ze lang bewaarde. Ze had haar hééle balboekje
-volgehad, en ál de extra dansen, ze was den geheelen cotillon door in
-de weêr geweest en had geen rust gehad, en verbeeld je, ze had een wals
-en de quadrille gehad met den spaanschen attaché, den graaf de Testas,
-die er ook was, en haar door Pim was voorgesteld. Dat kreeg de oude
-heer van Taats dan den volgenden morgen in een vloed van opgewonden
-woorden te hooren en hij vond het heel natuurlijk, dat zijn Ellie, die
-het mooiste meisje van den Haag was, zoo werd gefêteerd.
-
-Maar haar vreugde over de dansen met den adellijken diplomaat kwam
-alleen daarvan, dat ze, als elk Haagsch dame-meisje, idolaat was van de
-hooge aristocratie, niet omdat zij den graaf zelf zoo bizonder
-aantrekkelijk vond, en al haar genot op zoo’n bal was alleen om de
-hulde, en het dansen en het geluk en al den rijkdom van het bal. Maar
-de diepste, heiligste onbewustheden van het maagd-zijn, waar ééns de
-liefde uit oprijst als zij er niet eeuwig slapen blijft, waren ongerept
-gebleven in al die glorie van feestende vreugde.
-
-Zóó ging Ellie den winter door in eene aaneenschakeling van pretjes,
-wáár er maar gelegenheid toe was. In de lente, als de winteramusementen
-ophielden, ging ze op in tennissen en fietsen. Maar al het plezier, dat
-zij ’s winters had genoten en al de dolle pret die ze soms op de
-clubjes had, was voor haar toch nog niets bij wat de zomer haar zou
-brengen. Want als de Philharmonische Kapel in ’t land kwam, en het
-bad-seizoen begon, verflauwde haar ijver voor de tennis- en de
-fietsclub, en het Kurhaus werd nu een ware rage. Het tennis-meisje was
-dan ineens Kurhaus-meisje geworden.
-
-Hoe blij was Ellie geweest, toen het eindelijk Juni was en het Kurhaus
-open voor het eerste concert! Dat werd nu haar tweede huis, voor vier
-maanden lang, een huis, waar ze met een heeleboel net gekleede,
-mondaine menschen samen in woonde, en waar ze haar vaste plekje in had,
-haar fauteuil in vak A, de vierde rij van achteren, dicht bij de
-diplomatie. En je moet echt Haagsch dame-meisje zijn als Ellie, om de
-volle heerlijkheid van zoo’n groot en toch gezellig huis te beseffen.
-Daar komen al de nieuwe toiletjes van ’t seizoen, van uit alle steden
-van Europa, russische, hongaarsche, duitsche, engelsche, daar komen al
-de intieme kennissen uit den Haag, en al de menschen, die je ’s winters
-tusschen twee en vijf in „de stad” ziet, en daar komt de hooge
-aristocratie, en al de chic uit de diplomaten-loge in de opera. Dat is
-juist zoo gezellig, dat die daar nu allemaal zoo door elkaar in een
-zelfde zaal zitten, voor dezelfde prijzen, huiselijk en gelijk. Den
-Haag is net genoeg een kleine stad om zoowat alle uitgaande menschen
-van aanzien met elkaar bekend te maken, en zóó had Ellie in haar tweede
-huis, het Kurhaus, een massa kennissen die ze, al had zij die ook nog
-nooit gesproken, toch niet graag zou gemist hebben, omdat ze in zekeren
-zin eigenlijk tot haar familie, de Kurhaus-familie, behoorden. Dát was
-juist het in-gezellige en knusse van het Kurhaus-leventje, zoo’n groote
-familie te hebben in dat zelfde, ééne, groote huis, die allemaal
-hetzelfde genot hadden en, ofschoon onbekend, toch allemaal elkaars
-trouwe opkomst noodig hadden om het er eerst recht aangenaam en mondain
-te maken.
-
-Ook was nergens zoo’n verrukkelijke pantoffel-parade als in de pauze op
-het terras. Daar haalde nu eenmaal niets bij. Je ontmoette er nu
-letterlijk iederéén. En door daar stelselmatig iederen dag en avond met
-trouwe geregeldheid te komen, ontstond er een soort stille, zwijgende
-verstandhouding tusschen de verschillende wandelaars. Onwillekeurig
-gaven ze elkaar blikjes van herkennen, bijna als iets van aanmoediging
-en dankbaarheid, dat ze er alweer waren, dat ze de prettige, gezellige
-boel gaande hielden, waar ze zoo van genoten.
-
-Dat heerlijke zitten voor Ellie in haar fauteuil, bij ’t begin van ’t
-concert, en ook éven bijtijds vóór ’t begin van ’t tweede gedeelte! Dan
-kon je zoo op je gemak iedereen zien binnenkomen, en al de toiletjes
-één voor één opnemen, en er met degene waar je mee was, over praten.
-Wat lief zag Annetje Wesman er weer uit, en wat een keurig costuumpje
-had freule Herthe aan! Wat durfde Lize van Elsmeet een breeden, grooten
-hoed dragen! Dat ze niet bang was voor opspraak! En wat waren die
-pikzwarte nonnatjes van resident Lachmann toch dom om zulke gloeiende,
-vuurroode blouses altijd te dragen! Kijk, daar had je „het hoedje”
-weer, net als verleden jaar, nog altijd even snoezig en popperig! „Het
-hoedje” was een van de bekendste Haagsche Kurhaus-typen, een eigenlijk
-niet jong meer zijnde dame, een weduwe van Beloo, uit de deftigste
-kringen, die al groote kinderen had. Maar, als wilde ze verstoppertje
-spelen met den ouderdom, schuilde ze zich weg in de luchtigste,
-keurigste jongemeisjes-toiletjes, licht crême of licht roze, en tooide
-zich met in heel Scheveningen beroemd geworden hoedjes, broos en teêr
-als bloemenbundeltjes op haar mooie, zwarte krullen, en kinderlijk-lief
-onder de kin vastgehouden met zijden keel-bandjes, van een werkelijk
-allercharmantst effect. En met haar exquis figuurtje, haar altijd
-schitterende, donkere oogjes, en haar altijd liefelijk glimlachenden
-mond, was ze werkelijk een zonnestraaltje in het Kurhaus, dat menig
-jong dame-meisje jaloersch maakte. Zonder „het hoedje”, zooals men haar
-noemde, zou het Kurhaus niet meer compleet zijn geweest. En altijd,
-zonder ooit een keer over te slaan, keek Ellie naar de voorste
-fauteuils in vak C, of ze er wel was. Ze had een geheime sympathie voor
-het deftige weduwvrouwtje, omdat ze in haar de verwantschap voelde om
-óók, als zij, er zoo lief en prettig mogelijk uit te zien, en vroolijk
-te lachen tegen de lieve, gezellige, aangename, mondaine wereld.
-
-Heel gewichtig was voor Ellie ook de hoek van de diplomatie, waar ze
-vlak bij zat, waar ze heimelijk expres een plaats dicht bij had
-genomen, om er vooral goed naar te kunnen zien. Als alle echte Haagsche
-dame-meisjes had ze een stille, eerbiedige vereering voor de hooge
-aristocratie, de diplomaten en de hof-clique. Wèl werd ze door een paar
-van de heeren er uit gegroet, en knikte ze ook wel eens tegen enkele
-dames, wèl ontmoette ze ook hier en daar van die zoo bevoorrechte
-wezens, maar, dát wist ze heel goed, het eigenlijke, intieme,
-exclusieve chic-kringetje van den Haag was voor haar gesloten. Het was
-héél moeielijk om daar vasten voet te krijgen, als je niet zelf van
-heel ouden adel was. Ze had het wel eens zoo wat geprobeerd, en als elk
-dame-meisje zou ze er alles voor over hebben gehad, maar het was niet
-gelukt, en nu had ze er zich bij neêrgelegd. Ze was nu al heel blij,
-als de spaansche attaché, de graaf de Testas,—een grof, dikbuikig
-kereltje met een rood slagersgezicht,—met wien ze eens gedanst had,
-haar groette, of de markiezin de Beauregard, de vrouw van den franschen
-gezant, haar een genadig knikje gaf. Het was een genot voor haar, de
-toiletten van al die vreemde, adellijke dames te bekijken, en te zien,
-hoe ze onder elkaar deden, in dien heerlijken, ontoegankelijken kring
-van uitverkorenen.—Het pikantste in die menschen vond Ellie, dat zij
-konden doen, wat andere menschen niet konden, en dat dan toch nog
-bizonder chic van hen werd gevonden. Bijvoorbeeld dat vrouwtje van dien
-poolschen graaf en haar russische vriendin, die kakelden en babbelden
-hardop onder een vioolsolo of een heel zacht adagio, zóódat andere
-menschen wien het hinderde, omkeken, en toch stoorden ze er zich
-volstrekt niet aan, en gichelden maar hardop door. Héél chic was ook,
-om midden onder muziek binnen te komen, en dan met veel lawaai
-fauteuils open te kleppen, en nog even een praatje te maken, hardop,
-zonder om de stoornis te denken.—
-
-Wat Ellie óók heerlijk amusant vond, was een vriend van Eduard, een
-schrijver, Frederik van Klaerbeke, die een echte melomaan was, en een
-fauteuil vóór haar had. Die zat altijd in een soort stomme extaze, met
-zijn hoofd diep gebogen, naar de muziek te luisteren, en als er in de
-buurt wat leven werd gemaakt, werd hij eerst zenuwachtig onrustig, en
-keek dan met vernietigende blikken woedend om zich heen, of hij van
-plan was een moord te begaan aan de rustverstoorders.—
-
-Zóó waren er nog méér types in haar fauteuil-omgeving, die er nu
-eenmaal bij hoorden. De twee half doove oude juffrouwen, die allebei
-een knevel hadden, en de drie nonnatjes, met van die intelligente
-aapjes-gezichtjes, die zoo met de r rolden, en de mama met het blauwe
-meisje, dat er zoo lief uitzag, en maar één japonnetje scheen te
-hebben. En dan nog zooveel anderen, die je geregeld avond aan avond
-terugziet, en die daardoor altijd heel eventjes een beetje in je leven
-komen, net als de dingen uit de omgeving van je huis dat nu eenmaal
-doen. Je hoort van dezen of genen hun namen, je weet waar ze vandaan
-komen, en zóó had Ellie heel veel van die Kurhaus-bekenden, die ze
-nooit gesproken had, maar die haar toch een beetje intiem waren, van
-wie ze zoo langzamerhand al de toiletjes wist, zóó, dat het haar opviel
-als ze wat nieuws aan hadden, en die ze altijd met prettige herkenning
-iederen dag terugzag in het groote, lichte Kurhaus, waar al die
-menschen het samen zoo echt Haagsch gezellig voor haar maakten.
-
-Ze hield natuurlijk ook dol van muziek, want ieder Kurhaus-meisje houdt
-daar nu eenmaal van, en ze verbeeldde zich ook, dat het heel serieus
-was, wat ze van muziek voelde. Ze kende van de programma’s een
-heeleboel moderne composities, en sprak mede over Glazounow, en
-Tschaikowsky, en Borodin en Richard Strauss. En ze verheugde zich op
-een vrijdagschen symphonie-avond, met een symphonie van Brahms, en een
-Beethovensch viool-concert door Witek. Ook kende ze zoo wat het geheele
-orchest, en wist, als ze er een paar musici buiten van tegenkwam,
-precies te zeggen of het een violist was, of een clarinettist, of een
-bazuinblazer. Voor Rebicek, met zijn eeuwig vriendelijk, mondain
-glimlachje, die toch zoo heerlijk en vol feu sacré dirigeeren kon, had
-ze een soort stille vereering en ook een zekere dankbaarheid, dat hij
-haar elken avond zooveel genot gaf, alsof hij dat ook persoonlijk aan
-háár had bedoeld.
-
-Maar nooit imponeerde de muziek haar zóó, of zoodra het stuk uit was,
-had ze toch haar gewoon vroolijk, lachend lief-doend gezichtje van
-dame-meisje, dat in de eerste plaats in het Kurhaus komt om gezien te
-worden en zelf te zien. En het prettigste er van was toch eigenlijk het
-wandelen op het terras in de pauze, langzaam, met Haagsche
-pantoffel-paradestapjes het vierkant om, tusschen allemaal net
-gekleede, wel-verzorgde, uitzijnde, mondaine menschen.
-
-Zij zag al die chic gekleede, deftige Haagsche wereld, meneeren en
-mevrouwen, nu eenmaal als allemaal beschaafde, deugdzame, fatsoenlijke
-menschen, menschen uit de beste kringen, die weten hoe ’t behoort, en
-die smaak hebben, en amusant zijn. Zij twijfelde er ook niet aan, of de
-meesten van die menschen waren goede menschen, die goede dingen deden,
-de élite, zoowel zedelijk als van stand. En het was nu eenmaal prettig
-om als mooi, deftig jong meisje daar onder te loopen, een gracieus
-costuumpje aan te hebben, en bewonderd te worden. Het streelde haar
-ook, anderen mooi te zien, omdat ze gelukkig was met mooie kleuren, en
-vormen, en lijnen. Al die drukte en die bevallige beweging maakte haar
-vroolijk, en daarom lachte ze tegen het leven, en was blij dat ze er
-bij was, dat ze óók haar deel mocht hebben in die algemeene blijdschap
-en al dat plezier, en dat ze óók jong en lief was om te zien, zoodat ze
-allemaal naar haar keken, en er zooveel eerbied en reverentie was in
-den blik van de heeren, die haar groetten. Zij vond het nu eenmaal
-heerlijk, in dat lichte, luchtige Haagsche leven lief te doen en lief
-gedaan te wezen.
-
-Maar in ál den gloed van de hartstochten om en vlak bij haar, die ze
-niet zag, was haar maagdelijke ziel ongerept gebleven, en achter den
-schijn van bijna verliefde coquetterie en flirtspelletjes, die als
-dame-meisje nu eenmaal om haar was, had nog geen passie gebrand, en lag
-nog onontroerd de kalme rust van het maagdelijke, in vredig evenwicht
-bewaard.
-
-En in al haar pogen om er toch maar aantrekkelijk en adorabel uit te
-zien, waarin ze haar teer maagde-lijfje op het voordeeligste liet
-uitkomen, was niet de minste berekening om met andere invloeden te
-werken dan die van liefheid en vriendelijkheid van bevallige ronding en
-kleur.
-
-Dat onschuldige, bijna kinderlijke mooi willen zijn en van mooi houden
-uitte zich het karakteristiekste in die twee woordjes, waar zoo’n
-dame-meisje het voor háár hoogste schoon in uitdrukt: „beeldig” en
-„snoezig”. Een schilderij, een boek, een fotografietje waren „beeldig”,
-een hoedje, een kindje, een hondje waren „snoezig”, en dat waren de
-sterkste uitingen van haar mooivinden. Beeldig en snoezig zijn, dat was
-het innige, lieve doel van haar leven, waarnaar zij streefde in ál haar
-doen van alledag, en dat zij ook héélemaal bereikte. Ze was niet een
-regelmatige beauté, daar was ze niet forsch, niet „fesch” genoeg voor,
-en er was nog eigenlijk te veel van het kind in haar, met te
-weifelende, vage vormen, om een mooie vrouw te zijn, maar er ging een
-lieve, warme vriendelijkheid van haar uit, die onweêrstaanbaar was. Zóó
-als zij lachte géén ander meisje, met zoo’n zonnige, oprechte
-vroolijkheid, en er was in haar geheele áankomen, op haar luchtige
-pasje, met het fijne, ranke gebaren van haar slank, virginaal lijfje
-iets als het bewegen van een lieve melodie. En haar grootste charme was
-het maagdelijk reine van haar blik, het onschuldige aanzien van haar
-lichtblauwe oogen, waarin haar ongerepte ziel in vertrouwelijke
-overgave, vreezeloos en zonder erg, lag te glanzen.
-
-Wel was het leelijke heel dikwijls voor de oppervlakte van haar leven
-gekomen, en, Haagsch meisje als zij was, had ze dikwijls gepraat over
-schandaaltjes met haar vriendinnen, en had ze ook wel eens in haar
-omgeving gewaagde dingen hooren zeggen, maar toch was het wezen er van
-nooit diep in haar doorgedrongen. Zij dacht, als negentienjarige jonge
-dame, wèl goed op de hoogte te zijn, en heusch geen kind meer, maar
-achter de vage, verwarde voorstellingen, die zij van de levensdingen
-had, lag een absolute onwetendheid van hun ware wezen, omdat nog géén
-vlam van hartstocht was opgeslagen uit de onbewustheden van haar
-maagd-zijn. En zonder erg liep ze met haar meisjeslichaam lief en
-verleidelijk te doen, zonder eigenlijk te weten, hoe ver de charme
-ging, die zij er mede verspreidde. Alleen vond ze het prettig, dat ze
-mooi gevonden werd, en men haar fijne complimentjes zeide, en de heeren
-haar het hof maakten, zooals zij dacht vol eerbied.
-
-Haar parade-loopen op het Kurhaus-terras was dan ook niets anders dan
-een onbewust wèggeven van haar vriendelijken, mooien schijn aan al de
-menschen, en het terug genieten van den lieven schijn der anderen. Daar
-had ze nooit genoeg van, dat was haar een behoefte geworden, even
-vertrouwd als die van het licht en de lucht, en dag aan dag, avond aan
-avond begon zij het blijde spel op nieuw, dat altijd belangrijk en
-verrukkelijk was, en nooit verveelde. Zij had het al een paar jaren
-gedaan, en zou zich kunnen voorstellen, dat het alle jaren zoo duurde.
-
-En dit seizoen was het nog heerlijker geworden dan vroeger. De
-winkelgalerij en het nieuwe rotonde-café „de la Plage” waren geopend.
-Dat was weer een héél nieuw, apart genot geworden. Dat gezellige zitje
-onder die rotonde, buiten, op een „snoezig” groen rieten stoeltje, aan
-een tafeltje en dan onder het snoepen aan een Plombière of een Mélange
-al de menschen te zien voorbijgaan! Na half vijf vooral, als het
-middagconcert uit was, dan met Wies en Pim, en nog een paar kennissen
-te zitten, als de drukte op zijn ergst was, en al de heeren na vieren
-uit den Haag even kwamen overwippen om daar een bittertje te nemen. Op
-zoo’n mooien, open dag met blauwe lucht, met vóór haar de groote,
-glanzende zee, en al die vroolijke, lachende menschen, waaronder ze
-zelf mooi en voornaam was, zoo echt intiem met vertrouwde kennissen, en
-met overal de zonneschijn over de dingen, voelde ze zich dol gelukkig
-als een vogeltje, blij met het licht en het leven.
-
-Dán naar huis gaan, in ’t karretje van Pim, of in de electrische tram,
-gaúw even kleeden, dan eten, even koffie inschenken, en dan weer
-dadelijk terug naar het Kurhaus, voor het avondconcert. En later, als
-’t kón, nog niet dadelijk naar huis als het uit was, maar nog éven naar
-Berenbak, of nog liever naar de Kurhaus-bar, waar de Zigeuners
-speelden. Daar kon het zoo gezellig zijn, zoo echt sans-gêne, soms wel
-eens een beetje te rumoerig, ordinair, maar daar lag juist weer een
-beetje pikants in.
-
-Eindelijk weer naar huis, éven in de courant kijken, en naar bed, om
-den volgenden morgen hetzelfde leventje weer te beginnen, en even naar
-het strand te fietsen, vóór de koffie, van tien tot twaalf, in een
-lucht morgenjaponnetje, heel eenvoudigjes.
-
-Naar andere gelegenheden ging ze nooit. De Dierentuin was te bourgeois
-geworden, en het Bosch vond ze vervelend. Hoe was het mogelijk, dacht
-ze, dat er vroeger niets anders was dan dát!
-
-Want er was niets dat háálde bij Scheveningen, bij haar Kurhaus vol
-mooie muziek en licht en prettige menschen, haar tweede huis, waar ze
-zich zoo dol amuseerde in al de gezelligheid van het verrukkelijke,
-mondaine leven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Niet enkel de zachte droomerige ziel van Eduard van Wedel leefde van
-Ellie’s luchtig, liefelijk licht vlinder-wezentje, want ook voor haar
-vader was zij het groote, éénig reëele hoûvast van zijn bestaan.
-
-Mr. van Taats was een typische Haagsche figuur, bekend bij iedereen,
-die het Haagsche leven goed medemaakte. Hij was een van die
-karakteristieke oude heeren, die eeuwig ’s middags tusschen vieren en
-vijven in „de stad” flaneeren, in den bedriegelijken schijn van
-eerwaardigheid en deftigheid van mannen op jaren, die hun volk en hun
-vorst trouw en ijverig hebben gediend, maar dan ook nu van een
-welverdiende rust mogen genieten. Ze zijn nog erg licht en jong
-gekleed, en loopen nog met vrij elastischen stap, alsof de fut er nog
-lang niet uit is, en ze nog best van het leven kunnen genieten. En de
-demi-mondainetjes kennen hen allen, weten dat ze goed betalen, en maken
-hen gelukkig met knipoogjes en lonkende blikjes van verstandhouding,
-als ze stiekem blijven staan voor een winkel, quasi bekijkend de
-étalage. Daar maken zij de oudjes lekker mede, die zich dan nog zoo
-echt „jong” voelen. De oude van Taats vooral was een goede bekende van
-de dametjes uit de buurt van het Bezuidenhout en de Fluweelen Burgwal
-en het Hollandsche Spoor. De meeste vrouwen, die iets beteekenden in de
-galante wereld, had hij gehad, en ieder ingewijde wist dat híj het was,
-die het beruchte blonde Antje in de kleeren hielp, dat er altijd zoo
-copurchic uitzag, en haar vriendinnen de oogen uitstak met de nieuwste
-Parijsche toiletten van Hirsch.
-
-De vrouwen waren altijd de groote, alles overheerschende hartstocht
-geweest van van Taats. Zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, was ziek
-geworden van jaloezie, toen ze hem aldoor betrapte op overspel van het
-ordinairste soort. Toen was ze een jaar later gestorven. Naaistertjes,
-kinderjuffrouwen, dienstmeisjes, die bij hem in betrekking waren, geen
-vrouwelijk wezen was voor hem veilig. Het was een rage, een obsessie,
-maar alle vrouwen, die er maar een beetje aantrekkelijk uitzagen en
-onder zijn bereik kwamen, wekten zijn wilden hartstocht op. In een
-krankzinnigen roes van passie had hij zijn geheele leven vergooid aan
-de vrouwen, niets ontziende, zelfs de vrouwen van zijn vrienden niet,
-als hij maar ergens gelegenheid zag om wat hij noemde van een
-buitenkansje, een „bonne fortune”, te genieten.
-
-Naar buiten was hij altijd even respectabel en fatsoenlijk gebleven en
-wie hem niet kenden zouden in het ordinaire, ietwat dikbuikige
-mannetje, met dat stereotiep voorkomen van algemeen geacht, notabel
-ingezetene, niet meer dan een gegoed, alledaagsch, welgedaan bourgeois
-hebben vermoed.
-
-Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene
-vreemde, nooit tot klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van
-wist, maar waar véél over gefluisterd werd in den Haag, en waarin
-eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was ook zijn naam
-genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet
-herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en
-daarom deed de zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht,
-fatsoenlijk man. Door zijn tweede huwelijk met een douairière van
-Wedell was hij geparenteerd geworden aan de beste beau monde van het
-land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te zijn met die
-aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld
-ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich
-verder uiterlijk aan al de conventies hield van de burgerlijke
-maatschappij, op zijn tijd visites maakte, kaartjes pousseerde, op de
-societeit kwam, en een groot, deftig ingericht huis op de
-Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij
-verder achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel
-eens, gefluisterd dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou
-zeggen, een stille „pierewaaier” was, maar hij was immers weduwnaar, en
-nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste jaar niet als een monnik
-te leven!
-
-Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt,
-pieterig klein ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar
-hij voelde ook, dat hij er niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon
-niet anders, of hij wilde of niet. En die hartstocht, die eerst nog
-iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare
-levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd,
-ontaard. Hij had te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne
-uitspattingen waren ten laatste meer cerebraal dan reëel geworden.
-
-Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen
-dan gewone débauches met één enkele vrouw, en hij was in de „basse
-misère” aangeland, proevend van de verfijnde, savante geheimenissen der
-allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde met entremetteuses van
-verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste
-gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche
-chronique-scandaleuse nog niet van had gehoord. In die verre, ongure
-duisternissen van ontaarden hartstocht liep zijn leven langzaam,
-langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend dat hij geen
-kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort
-noodlot, waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval
-aangenamer en inniger sensaties geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij
-zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, notabel burger was
-ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke,
-onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet
-weten wil, en stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch
-portwijn heeft staan. Hij wilde ook zijne familie en zijne kennissen er
-geen aanstoot door geven, en deed dan ook al zijne uitspattingen strikt
-alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, niemand was
-ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden.
-
-De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij
-ooit te zien dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog
-eerder trots dan schijnheiligheid achter zijn bedriegelijken schijn van
-fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van
-zijn ziel verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n
-zwakkeling was, zoo’n laffe kerel eigenlijk, die maar met zich sollen
-liet wat zijn noodlot wilde en nu in het duister, achter de coulissen
-van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat zijn lage
-wellustjes begeerden.
-
-Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een
-geheel andere sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich
-af te zonderen van al ’t lagere, bloeide, rein als een blanke
-waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, zijn liefde voor
-Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden.
-Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige
-edele en heelemaal zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was
-opgerezen tot het licht. En hij koesterde die liefde met iets van het
-gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die in zijn
-gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten
-troost.
-
-Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar
-hij onmeedoogenlijk laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in
-zijn dochter, met een soort sombere, wanhopige vereering, die iets diep
-tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn
-eigen bestaan.
-
-Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid
-bijna de boete was voor al het leelijke in zijn duister leven.
-
-Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn
-geheele leven misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn
-uitspattingen, des te hooger zag hij haar ideale beeld in zijn dochter.
-Het was misschien véél onbewust égoïsme, want uit de behoefte
-voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, maar
-de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in
-zijn geheele bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken,
-eenvoudigen heer te spelen, terwijl hij inwendig wel wist, hoe die
-geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich somtijds als een
-tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet
-passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met
-familie en kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig
-hinderde. Maar hij wist vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde,
-zijn liefde voor Ellie absoluut waar en zuiver was. Tegenover haar
-voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. Want voor háár
-bestond het leelijke eenvoudig niet, vond hij. Haar leven was in een
-geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, en vanwaar je
-het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het
-licht, waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van
-zijn verborgen leven niet konden tieren. En de gedachte aan den dood
-van zijn eerste vrouw, die door zijn schuld zenuwziek was geworden en
-gestorven was, deed hem een groote schuld voelen tegenover Ellie, alsof
-hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover háár
-misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot
-van zijn leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een
-einde aan hebben gemaakt, als Ellie niet bestaan had, die de eenige
-reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang hij háár maar had, en hij
-maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet zoo diep van
-zijn ignobel gedoe in het duister.
-
-Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt
-troetelkindje. Het mooiste was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat
-ze maar wenschte, wist hij voor haar te krijgen. Toen ze nog kind was
-sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed onder zijn arm door de
-stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. Na den
-dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, een
-oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde,
-nu zij wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle
-zorgen besteedde, die een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie
-als een echt lievelingetje van allen opgegroeid, verafgood en
-vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, over wie ze
-danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht,
-als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine
-was weinig in haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie
-beschouwde haar meer als een dame, die het huishouden deed, en tegen
-wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog niet vertrouwelijk
-moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, het
-eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden,
-vond Ellie iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine
-bemerkte wel, dat zij Ellie’s hart niet kon vinden, maar dit
-verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen moeder had. Dat
-ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken
-aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die
-haar eigen waren. Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen
-iedereen lief en aangenaam te wezen, en ook liefheid in anderen op te
-wekken door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er
-was nog geen enkel diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke
-vreugde-glans van haar wezen deed iedereen prettig aan, met wie ze in
-aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, en een lachende bloem.
-
-Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar
-afgescheiden waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar
-thuis en met haar uitgaan, en dat, waarin hij alleen was. Door een
-merkwaardige psychologische eenvoudigheid in hem, waren die twee levens
-bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap handelen van een
-slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd.
-Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus
-dochtertje in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds
-niet voorstellen, hoe hij in donkere krochten van verborgen
-zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat wellust te stelen,
-die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo
-aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen
-schijn van wèlgesteld fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van
-buiten eigenlijk een droom leken. En hij praatte met Ellie op zoo’n
-vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone
-dingen, zooals een wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet
-anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. Dikwijls bleef hij dagen,
-somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij zooals een
-rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de
-gezelligheid van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook
-aldoor liefgedaan. Hij las dan ’s ochtends zijn couranten en
-tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog wat op zijn kamer
-en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen
-weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de
-buitenlucht geniet. Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op
-tijd dineeren. Na den eten de koffie en de sigaar, nog een beetje lezen
-en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half elf, naar bed. Maar
-het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd,
-fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur
-niet in het schoone, warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de
-duistere wijken, waar het vuile woont. Dan ging hij theedrinken bij
-blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij zich had, of
-amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en
-studentikoos jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een
-enkel woord van zou gebruikt hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en
-wel zat, in zijn andere rol van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo
-héélemaal in, dat het tweede leven, het reine, van thuis, weêr droom
-scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, die hem op den
-duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de
-lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele
-keeren, hij was o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop
-hij, langs omwegen en steegjes en binnengrachtjes, naar een straat
-achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig rendez-vous was, alleen
-bekend bij adepten....
-
-Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep
-ellendig voelde, als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep,
-en hij van de eene in de andere moest trachten te komen. Als hij
-bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late vergadering moest, of
-een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief in een
-steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar
-huis te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij
-daar met zijn vuile lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling
-weêr in ’t licht moest komen, en dat morgenochtend Ellie in een blank
-morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en hem goeien dag kussen op
-beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen voor hij
-naar bed ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure
-parfumerietjes aan hem was blijven hangen.
-
-Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als
-de poes, die in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij
-was dan erg blij, als het slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet
-naar het Kurhaus ging, en eens thuis bleef. Dan was het thee-uurtje om
-half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan voor het theeblad, met
-de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd begon te
-zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met
-haar gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van
-het thee-schenken. Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de
-canapé zat met een boek, en hem zoo vriendelijk vleide: „Dáár, lief
-vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne chineesche bij
-gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed in
-het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge
-maagd, nog met naïeve intonaties van een kind! De verandadeuren stonden
-dan open, en buiten was het droomerig getik van de vallende
-regendroppelen op de bladeren.
-
-Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht
-duren, dat hij altijd hier mocht blijven, in die intieme stilte van
-zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte lieveling, het éénige wat
-in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, zijn Ellie,
-die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook
-gebeurd was, liefhad als een goed vader....
-
-Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te
-bestaan, ganschelijk steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat
-Ellie was, en dat zelf nog maar zoo heel vaag leefde, van den
-bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche
-amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en
-liefelijk zwak in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand,
-fladderend dame-meisje, en toch droeg zij ganschelijk het leven van den
-ouden van Taats en van Pim, voor wien zij de eenige vreugde en het
-eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder háár
-zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En
-juist met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen
-en vleien van haar jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus
-gebaren van haar kleine, blanke handen, en het bevallig bewegen van
-haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen met een geluk,
-dat al de misère van hun ander leven buiten haar deed vergeten, en
-alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan.
-
-Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een
-wezen buiten de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten
-en vol verschrikking. Zij was iets heel beters dan ál het andere
-bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, en voor wie de wereld ook
-niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, waarin zij
-voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande
-van genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet
-glanzen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Vóór het etensuur zat Pim dikwijls zijn borreltje te drinken in Ellie’s
-boudoirtje. Dat was dan echt gezellig, zoo vóór het diner te zitten
-babbelen onder een glaasje port. Nicht Joséphine mocht het niet weten,
-maar Ellie hield dol van een likeurtje ’s middags, en had heimelijk in
-een kristallen stelletje wat Kiss me quick en Marasquin, heel fijne,
-uit de Kurhaus-bar, en voor Pim witte port van Aguilar. Ze had bij
-Baraké in de Galeries twee keurige likeurglaasjes er bij gekocht, op
-zilveren, geciseleerde voetjes, en daar zat ze dan, echt
-stiekem-gezelligjes, zoo tusschenbeide met „broertje” uit te pimpelen.
-Zij noemde dat haar „pêché mignon.” Alleen kwam ze er zoo niet toe, al
-had ze er altijd trek in, want dat was toch je ware niet, en er moest
-altijd iemand bij zijn. Pim kwam geregeld tweemaal in de week eten. Hij
-deed het alleen om Ellie, want van zijn stiefvader hield hij niet. Hij
-wist te veel van van Taats om respect voor hem te voelen. Maar toch
-behandelde hij hem altijd met een eerbiedige correctheid, omdat hij nu
-eenmaal de vader van Ellie was, en zou hij niet geduld hebben dat in
-zijn tegenwoordigheid iets ten nadeele van hem gezegd werd. Ellie hield
-van hem, dát was genoeg, en daarom hield hij hem hoog. Op de dagen dat
-hij dineerde, kwam hij altijd een uurtje vroeger bij Ellie zitten
-praten. Hij zorgde dan behoorlijk, een zakje „sweets” mee te brengen
-van Monchen of Nieuwerkerk, want dat hoorde er nu eenmaal zoo bij, en
-anders had Jimmy, de terrier, er niets aan. Zóó was er altijd een vast
-snoep-complotje van drieën, Ellie, Pim en Jimmy, Woensdags en Zaterdags
-in het blauwe boudoirtje van den „toren.”—
-
-Hij zat dezen keer op haar te wachten om half zes, en verwonderde zich,
-dat ze nog niet thuis was. Gewoonlijk was ze er al om vijf uur.
-
-Dáár hoorde hij haar vlugge stapjes luchtigjes op de trap, en ze stoof
-binnen, haastig, met den hoed nog op.
-
-Zoo licht en vriendelijk als zoo’n boudoirtje ineens wordt, als een
-jong, lachend kind er binnenkomt, met lief frou-frou van rokken, en
-goud-schijn van blond haar!
-
-„Dag Jimmy, dag engelachtig beestje... mijn heerlijke, lieve dot!....
-is de vrouw daar dan weêr, snoesje?... heb je op haar zitten wachten...
-dáár heb je een zoentje, hoor!... nog eentje... en nog eentje... maar
-niet mijn rok vuilmaken, hoor!... koest nu!... zoet zijn!...”
-
-En het witte terriertje, fijn-zacht als glacé, wrong zijn lijfje in
-allerlei bochten, zenuwachtig kwispelend met korte schokjes van zijn
-stomp-staartje, en de spitse, puntige bek heen en weêr wrijvend in haar
-hand.
-
-„En jij Pim?... zit je op je borreltje te wachten?... je krijgt het
-dadelijk, hoor!... even geduld maar, dat ik hiernaast mijn goed
-uitdoe... en wat zeg je wel van me, zie ik er nu niet dood eenvoudigjes
-uit?... dát is nu mijn costuumpje voor als ik eens heel gewoontjes wil
-zijn, eigenlijk meer voor ’s morgens misschien...”
-
-Haar gezichtje bloosde als een gezonde, frissche bloem onder uit den
-blankwit strooien sailor-hat hem tegen. Hoe lief-eenvoudig was ze in
-haar beige tailor-made costuumpje, met het fijn batisten blousetje van
-heel teeder-roze rozenkleur! Wat sloot het hooge linnen boordje
-voorzichtigjes om haar hals, en hoe parmantig zwierde het zelf
-gestrikte dasje daaronder! Wat een wondertje was ze toch van lichtheid
-en blijde kleur, zooals ze daar met haar rank maagde-lichaampje in het
-blauwe boudoir stond!
-
-„—Zie ik niet een beetje rood?” vroeg ze weer, „verbeeld je, we hebben
-terug héélemaal geloopen... en ik wou je niet te lang laten wachten,
-toen hebben we van de Witte Brug af zoo gehold.”
-
-„—Neen, niet bizonder,” zei Pim geruststellend, „—je hebt je gewone
-mooie kleurtje van altijd, hoor zus, en dat eenvoudige kleedje staat je
-wàt lief.... je hebt gelijk dat je altijd tailor-made neemt, daar komt
-je figuurtje zoo goed in uit.... weet je wel dat je hoe langer hoe
-slanker wordt, en je het fijnste middeltje van den Haag krijgt?....”
-
-„—Nu, het fijnste is wel een beetje sterk, Pim, maar ik weet toch wèl,
-dat ik er mee voor den dag kan komen. Wies is er een beetje jaloersch
-op, die dikt zoo aan, en het rijgen helpt haar maar niet.... ze wil
-maar niet gelooven dat ik me heelemáál niet behoef te rijgen.... Nu
-éven geduld nog....”
-
-En ze verdween in haar slaapkamer door de zijdeur, om dadelijk weer
-terug te komen. Toen wipte ze gauw naar een etagère-kastje, haalde er
-het likeur-stelletje uit, en zette het klaar op een laag turksch
-tafeltje vóór de pouf, waar Pim op zat.
-
-„—Asjeblieft meneer!.... je portje is ingeschonken.... en wat heb je
-daar meêgebracht voor lekkers?... marrons glacés en wafeltjes...
-délicieus, goed uitgekozen, hoor!....”
-
-„—En vertel me nu eens, hoe je er zoo toe gekomen bent om heelemaal van
-het strand te loopen.... was je met Wies?...”
-
-„—Ja, met Wies... en toen zijn we de Sandt tegengekomen.... hij was per
-fiets, maar hij had een schroefje ergens er uit verloren en toen zei
-hij dat hij terug moest loopen met zijn machien... toen zijn we
-meêgegaan om hem gezelschap te houden, den armen jongen.... is dat nu
-niet lief van ons?”
-
-„—Zoo? alweer met de Sandt... dat is áán tegenwoordig! Hij schijnt
-jullie in den laatsten tijd nogal het hof te maken.... maar voor wie is
-het nu eigenlijk bedoeld, voor jou of voor Wies?....”
-
-„—Dat weet ik niet, hoor, en ’t kan me ook niets schelen!... misschien
-voor Wies, misschien voor mij... ik hoop niet voor mij...”
-
-„—En waarom niet?...”
-
-„—Wel, omdat ik hem dan niet meer zoo aardig zou vinden... je weet toch
-wel, Pim, als mannen verliefd zijn beginnen ze altijd zoo raar te doen,
-zoo gek... ik kan het heusch niet helpen, maar ik vind dat altijd een
-beetje ridicuul... dan kijken ze bijvoorbeeld zóó... smachtend, of
-zóó... net of ze slaap krijgen....”
-
-En ze trok een gezichtje, dat kostbaar was van uiterste komiekheid.
-
-„—Ik geloof dat jij met álles den gek steekt,” zei Pim verwijtend.
-„Verliefd zijn is héél ernstig, en niets om te lachen. Maar je weet
-niet wat het is, daar komt het van.”
-
-„—Weet jij ’t dan wèl, broertje?”
-
-„—Niet bij ondervinding gelukkig, maar ik zie het toch zoo wel van
-anderen, dat het om den dood geen gekheid is, hoor!... Wacht maar tot
-je het zelf eens te pakken krijgt!...”
-
-„—Nu, dat zal vooreerst wel niet gebeuren, reken dáár maar gerust op!”
-
-„—En toch maken jullie dame-meisjes je allemaal zoo mooi mogelijk, en
-steek je je in de fijnste veertjes om de jongelui het hoofd op hol te
-brengen... je zoudt wát ongelukkig zijn als er niemand was, die naar je
-keek, en je aardig vond... zeg het nu eens eerlijk, zou je het prettig
-vinden als ze geen notitie van je namen?”
-
-„—Nu ja, dát natuurlijk óók niet... je moet ook niet denken dat ik het
-niet aardig vind als ze me een beetje het hof maken. Je zusje is nu
-eenmaal een beetje koket, dat wil ze wel bekennen, en als er geen
-heeren waren zouden we ons natuurlijk vervelen.... Maar ik vind het
-juist aardig zooals het nú is... En waarom zou ik dan willen dat het
-ánders werd?... Ik vind mijn leventje van nú wàt aardig. Mijn
-tennisclubje, mijn fiets, mijn strand, mijn Kurhaus vooral, en mijn
-partijtjes. Zoo leuk allemaal onder elkaar, met de luitjes die je kent,
-samen pretmaken, en een beetje flirten desnoods, dát doe je nu eenmaal
-van zelf... Maar het moet niet te serieus worden, want dan wordt het
-vervelend, en dan is juist het aardige er af... Verbeeld je, verliefd
-worden, en geëngageerd zijn, en dan niet meer mee mogen doen, en niet
-meer pret mogen maken met anderen, omdat meneer je fiancé jaloersch zou
-zijn! Ik zou je danken, hoor!... Het is véél te leuk zooals het is....
-En nu net met het nieuwe seizoen en het Kurhaus!.... Zaterdag is het
-bal in de theaterzaal, en den volgenden Zaterdag in de Kurzaal. Het is
-wel een beetje mêlé altijd, maar je kunt er toch bést dansen.... de
-Sandt heeft beloofd te komen, en hij heeft al een wals van me. En jij
-zorgt dat je er ook bent, begrepen?....”
-
-Pim had haar lachend zitten aanhooren. Zóó was ze toch maar de echte,
-éénige Ellie! En zóó had hij haar ook het liefste, zoo luchtigjes,
-zorgeloos fladderend door de pleziertjes van het Haagsche leven,
-ongerept en onbewust, als een vroolijk, fijn vlindertje....
-
-„—Maar is er nu niemand onder al de jongelui waar je dan láter
-misschien eens op zou kunnen verlieven?” vroeg hij nog eens. „Is de
-Sandt dan geen aardige kerel? En van den Bergh, en Waalen?”
-
-„—Zeker, héél aardig, Pim, en ik zou ze niet graag missen, maar toch
-heelemaal niet om verliefd op te zijn, vind ik. Heelemaal niets
-bizonders voor jouw Ellie.”—
-
-„—Dus dan zul je wel nooit trouwen, denk je?—”
-
-„—Dat zeg ik niet.... je weet nooit wat er later nog eens kan
-gebeuren.... Maar nú op het moment dénk ik er in alle geval nog niet
-aan. Het is veel te leuk zooals het nu is, Pim. Ik ben veel te gelukkig
-met al mijn pretjes en mijn lieve huisje, met pa en jou. Laat het nu
-maar zoo blijven. Het is goed zooals het is. En ik ben nog pas
-negentien. Ik voel me zoo jong en zoo prettig. Dacht je nu dat ik me
-daar maar zoo eens even door den eerste den beste uit zou laten halen?
-Ik zou je danken. Weet je wel dat ik het niets erg zou vinden als het
-maar altijd zóó hetzelfde bleef, en er nooit iets veranderde?”
-
-Hij voelde een groote blijdschap over hem komen. Dat was nu immers
-precies wat hij zelf altijd had gezegd! Waarom zou het niet altijd zóó
-blijven? Was het niet goed zoo? Was zijn leven niet veilig bewaard in
-zijn vriendschap voor Ellie, en was alles niet rustig en wèl-vertrouwd
-tusschen hen?
-
-„—Dus dan ben je nú toch wat je noemt gelukkig,” zeide hij, „en weet je
-wel, dat de meeste menschen volhouden, dat het geluk niet bestaat? De
-Boeddhisten zeggen zelfs dat al het leven niets dan ellende is.”
-
-„—Nu ja, nu kom je weêr met al die geleerdheden aan. Daar weet ik niets
-van. Ik weet alleen, dat ik me niets ellendig voel, hoor!”
-
-„—Maar je begint ook nog eigenlijk pas te leven. Je bent nog maar éven
-over het bakvischje heen. En je bent nog niet ééns flink verliefd
-geweest!”
-
-„—Nu alweer dat verliefd zijn! Moet een meisje dan per se maar altijd
-verliefd zijn?”
-
-„—Ja, daar begint haar innigste leven toch eigenlijk pas mee.”
-
-„—Nu, Pim, dan leef ik voorloopig zeker nog maar niet. Want ik geloof
-niet, dat ik ooit op iemand van al de mannen, die ik nu alzoo ken,
-verliefd zou kunnen zijn.”
-
-„—Zoo?” plaagde Pim, „zijn die dan allemaal niet goed genoeg voor mijn
-kokette zusje?”
-
-„—Nu, eerlijk gezegd, neen!” antwoordde ze oprecht, en onbewust een
-beetje ernstig wordend. „Om je de waarheid te zeggen ben ik wel wat erg
-op mijn eigen persoontje gesteld. Ik vind me zelf nog zoo kwaad niet.
-Het is toch heusch wel aardig zoo’n meisje als ik ben, al zeg ik het
-zelf. En dat nu maar zoo heelemaal weg te geven aan een of ander, ik
-denk er niet aan. Ik zou het zonde vinden. Denk nu zelf eens de Sandt,
-of den Bergh, of Waalen, die je daar noemde. Vind je dat nu luitjes om
-je heele bestaan zoo maar aan over te geven en je prettige, leuke
-meisjesleventje voor weg te doen?”
-
-Nu, Pim vond het, eigenlijk gezegd, ook niet. En toen hij het haar
-bekende, zeide hij niet eens, waarom en wat hij alzoo van hen wist.
-
-„—Neen Pim, als jouw Ellie ooit verliefd raakt, dan zal het op héél
-iemand anders moeten zijn!” zei ze nog, trotsch.
-
-„—Zoo zoo, en wat moet dat dan wel voor een wonder wezen?” vroeg hij
-nieuwsgierig.
-
-„—Wel, Pim, hij zou héél anders moeten zijn dan de anderen, o! zoo
-anders. Iets bizonders, weet je. Iets groots en heel sterks. Iets, waar
-ik, geloof ik, eigenlijk bang van zou zijn. Iets waar je kleine zusje
-zichzelf zoo heelemaal niets bij zou vinden. Zoo’n heel groote, mooie
-held, als uit een boek van Ouïda bijvoorbeeld, die iets vrééselijk
-moeilijks en edels zou gedaan hebben, waarom alle menschen tegen hem
-opzagen. Natuurlijk heel groot, zooals alle helden, en donker, met
-zwart haar, en mooie, sprekende oogen. Heelemaal niet als al die malle
-kereltjes die op het Kurhaus rondloopen. Je zult zeggen dat ik die toch
-wel aardig vind en er lief tegen ben, maar heusch, in den grond van
-mijn hart vind ik ze toch niet zoo bizonder. Nu heb ik ook geen
-behoefte aan iets bizonders, Pim. Ik heb nu juist pret in al het heel
-gewone, dat weet je wel. Maar als je spreekt van verliefd zijn en
-trouwen en zoo, waar ik juist mijn gewone leventje van nu voor zou
-moeten weggeven, dan.... ja, dan zou het toch, geloof ik, wèl iets heel
-bizonders moeten zijn.... Want ik ben veel te gelukkig, hoor! met wat
-ik nu heb....”
-
-Ze zeide dit ernstiger dan ze gewoonlijk sprak. Pim had nog nooit met
-haar over dat onderwerp gesproken, en toevallig was ze er nu zoo diep
-in doorgegaan. Hij schrikte van den ernst in haar stem, die hij niet
-gewoon was. En ineens kwam ze hem een beetje vreemd voor en was het
-hem, of er ergens, heel vaag en ver, een Ellie in haar was, die hij nog
-niet kende en die ook zijn zuster niet kon zijn. Was er dan ergens vèr
-achter dat vlinderleventje van haar iets, dat onbewust naar nieuw en
-heviger leven verlangde, waren er in zijn Ellie, die hij zoo goed
-kende, dan onbewustheden, die vérder reikten dan naar wat in hun
-vertrouwd samen-broer-en-zuster leven lag? Maar neen, dat kon toch
-niet, dat was toch immers onmogelijk! Leek ze, daar nu gezelligjes, in
-haar keurig costuumpje, haar likeurtje zittend genieten, zoo gracieus
-en zoo teeder, zoo heelemaal niet iemand om iets hoogs of hevigs van
-het groote, harde Leven te voelen, enkel lieflijkheid en broze
-bevalligheid, om met voorzichtige bewondering ontroerd naar te zien! Ze
-leek nog zoo véél meer een kind dan een vrouw eigenlijk!
-
-En in een hoopvolle opwelling om het gelukkige van nú dan toch vooral
-goed vast te houden, zeide hij maar geruststellend:
-
-„Dan zullen we dien bizonderen held van jou nog maar wat laten wachten,
-hoor, en ondertusschen maar doorleven zooals we nú doen. Je hebt groot
-gelijk dat je je te goed vindt om je zoo maar door iemand te laten
-inpalmen. En ik doe met je meê, om ons leventje door te zetten zooals
-het is. We hebben nu eenmaal pret, hè?....”
-
-Hij voelde, dat het niet heelemaal waar was, wat hij zeide. Hij wist te
-goed, dat er te véél was, wat hem hinderde, te veel van het leelijke en
-duistere in het leven, dat Ellie niet wist, en dat hij alléén kon
-vergeten omdat zíj er was om het bestaan voor hem blij te maken. Maar
-zij stond dan ook zoo vèr, zoo onbereikbaar vèr van al het donkere en
-slechte!
-
-„—Zeker, hebben we pret,” antwoordde zij lachend, „en laat die
-vervelende verliefdheden het nu niet gaan bederven! Verliefde menschen
-zijn altijd vervelend, je moet maar eens opletten! Je zoudt denken dat
-ze juist altijd pret moesten hebben en gelukkig zijn. Maar de meesten
-doen toch eigenlijk net of er ik weet niet wat met hen gebeurt en
-worden ineens zoo héél anders. En ik wil niet anders worden als ik ben.
-Ik wil altijd dezelfde pret in mijn leven hebben als nu, en altijd even
-opgeruimd zijn. Zoo ben ik nu eenmaal, dat wéét je wel.”
-
-„—Ja maar, Ellie, je zult toch ook wel eens narigheid krijgen, en
-verdriet hebben. Dat hebben nu eenmaal alle menschen. Al kan ik me jou
-niet voorstellen met erg veel verdriet. En jij?”
-
-„—Ik ook niet,” antwoordde ze luchtig.
-
-Maar ineens, peinzend, alsof ze luisterde naar een vage intuïtie, die
-heel vèr uit de onbewustheden van haar ziel kwam opdroomen:
-
-„—Ik zou geen verdriet kúnnen hebben, Pim. Daar ben ik heelemaal geen
-meisje voor. Neen, dat voél ik wel. Ik ben niet gemaakt voor verdriet.
-Ik zou liever dood zijn.....”
-
-Die ongewone ernst, die ándere, dieper stem, die hij niet van haar
-kende.....
-
-Wat wás het ineens? Wie was het, die daar zoo vreemd uit zijn Ellie
-sprak, die toch nog net eender, broos, fijn vlindertje, daar bij hem
-zat?
-
-En ineens voelde hij eene vreemde siddering, alsof, in het luchtige,
-vluchtige leventje van alledag, een vaag mysterie van Noodlot, nooit
-vermoed, voor den eersten keer plotseling tusschen Ellie en hem oprees,
-en tusschen hun beider zielen éven beefde....
-
-
-
-Maar dadelijk daarna was het weer weg. Zij was aan ’t stoeien gegaan
-met Jimmy, die haar mooi batisten zakdoekje wilde grijpen, en lachte
-luidkeels haar hoog, helder sopraanlachje van lief, vroolijk jong
-meisje....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule
-Louise Mombreuil.
-
-Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin
-kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan
-een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken.
-Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van
-romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in
-den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk
-verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de
-afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust
-en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar
-romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó
-maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon
-Roméo bien aimé” er boven.
-
-Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken,
-maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de
-famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van
-bakvischjes te lezen.
-
-Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude
-dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening,
-die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en
-allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en
-cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de
-bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij
-wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er
-een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het
-hem embêteerde.
-
-Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven
-wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te
-vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur
-Lamarty.
-
-Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar
-een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij
-Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een
-chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet
-romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op
-zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte
-doeken te leggen om zijn keel.
-
-Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de
-oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis
-uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo.
-
-Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische
-liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet
-begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep
-ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet
-bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die
-ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen.
-En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met
-iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer,
-en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns.
-
-Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat
-het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was
-haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer
-Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een
-held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe
-edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de
-ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten
-werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát
-gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen
-levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor
-onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk
-zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een
-mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr
-over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van
-Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende,
-en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen
-Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders
-was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart
-of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die,
-zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans.
-
-En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi,
-en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand,
-ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap,
-alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze
-wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze
-geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had
-geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met
-enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een
-droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel
-vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel
-eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige
-bewondering.
-
-Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof,
-haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het
-uitschreeuwde van vreugde:
-
-„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij
-komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o
-Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....”
-
-En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar
-helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu
-inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van
-den Haag geweest. Tien jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter
-was, studeerde Louise’s groote broer te Leiden in de rechten. Hij was
-toen een van de meest getapte studenten, lid van de grootste
-aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui
-door zijn maîtresses en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets,
-en toen Leiden hem begon te vervelen, ging hij in den Haag op kamers
-wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder
-er doorgebracht, en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen
-zijn crediteuren ongeduldig werden, en met een groot schandaal
-dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil bij, om den naam
-van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice
-tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw
-Mombreuil en zijn zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als
-een jongen god, deden alles om den minister te vermurwen, maar er hielp
-niets aan, en den gevierden student bleef niets over dan zich te
-vernederen en als koloniaal te teekenen.
-
-Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden
-Mombreuil. Want Maurice, wélke verhalen er ook over hem rondgingen in
-den Haag, was nu eenmaal „l’enfant chéri des dames”, die álles kon
-doen. Hij was „le beau Maurice”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde.
-O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, géén meisje was er tegen
-bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn zwart,
-coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn
-kersroode mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van
-den Haag, zeide men—, die mond, zoo lief-zinnelijk tot kussen geplooid,
-zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was niet verliefd op den
-mooien mond van Maurice!
-
-En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar
-Indië. Er werd schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als
-hij was, had Maurice toch best kunnen helpen om door te studeeren. Hij
-was weduwnaar, zonder kinderen, en het zou hem toch gemakkelijk zijn
-gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die arme, mooie
-Maurice, verbeeld je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel
-in Nederland, als gewoon koloniaal naar Harderwijk. Was het geen crime?
-
-Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn
-schoonzuster verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken
-was dat uiterst louche bleek te zijn, een geschiedenis van een valsche
-promesse, niet dan met de grootste moeite uit de handen van den
-Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. En hij liet
-zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn
-schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en
-Maurice alleen wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd
-hebben, het blazoen van de Mombreuils bijna bezoedeld had.
-
-Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt voor zijn
-grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem
-de hand geweigerd.
-
-„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een
-gentleman bent geworden,” had hij gezegd.
-
-Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij
-zichzelf een duren eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou
-komen, vóór de minister hem er zelf bij de hand zou binnenleiden als
-een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn.
-
-
-
-En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te
-gelooven.
-
-Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over
-Maurice gekomen. Hij had zich onderscheiden, had een eervolle
-vermelding gekregen, was korporaal, daarna spoedig sergeant geworden,
-en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen van een
-benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend,
-maar tevens—een unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot
-tweeden luitenant was bevorderd. Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit
-nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. Mombreuil geweest was,
-en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den minister
-van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in
-geheel Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct
-getelegrafeerd: „Ik ben blij je de hand te kunnen reiken.”
-
-Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad
-bij de kampong Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een
-der voornaamste vijandelijke panglima’s met eigen hand gevangen genomen
-had, en later, bij een nachtelijken overval, zijn bataljonscommandant
-het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal had
-gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder
-derde klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter
-tegelijkertijd zijn carrière gebroken, want een klewang-houw over den
-linkerarm had hem verder onbruikbaar gemaakt voor den dienst.
-
-De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep
-met de verhalen over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn
-eigen zoon was geweest, die ze bedreven had. Dát was nu pas een
-verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd had! Trouwens, van
-een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! Bon sang ne
-peut mentir. Ridder van de Militaire Willemsorde derde klasse, door H.
-M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél nobeler en
-kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was.
-Zeker, hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een
-echte chevalier had hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden
-zijner vorstin, en het blazoen van de Mombreuils had hij verheerlijkt
-met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het geheele verleden dan
-ook weg en er zou niet meer over gesproken worden.
-
-Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice!
-Die heerlijke, beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel
-gezegd! En nu zág je het zelf! Hij was ridder geworden, net als vroeger
-in de oude tijden, ridder door de kracht van zijn zwaard! Ze waren
-trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. Het
-oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van
-Godfried van Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En
-in de verblinding van hun adellijke ideeën, nog opgezweept door den
-militairistischen waanzin van den minister, zagen zij nú in den
-geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn
-dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel,
-hij was rechtvaardig, hij was wijs. Hij was het toonbeeld van grootheid
-en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu vergloried door den
-glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen
-menschelijke grootheid of zij straalde van hem uit.
-
-Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had
-den „grooten broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker
-zien worden en zij vertelde opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn
-heldendaden. Zij liet hun zijn portret zien, in vol uniform, met de
-gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. En zóó was
-Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een
-sprookje, een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere
-heldendaden.
-
-„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien,
-„wat een flinke, mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien
-knevel! En dien mond! je mag blij zijn met zoo’n broer, hoor!”
-
-En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden.
-Allemaal moesten ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en
-de dapperste, en de knapste jongen van de wereld?
-
-Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar
-zou wezen. Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd,
-gedecoreerd, die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar
-meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, toch mocht hij de uniform
-blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij die altijd
-aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t
-Indische leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala,
-die eeresabel, met dat blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél
-meer uit kunnen gaan dan vroeger, want als mama geen lust had, of te
-moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk op Maurice
-rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was
-toch op den duur vervelend.
-
-Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen,
-geridderden broer!
-
-Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets
-losgelaten, van dat hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te
-zoeken. Maar ze moest hem éérst een flinken tijd voor háár houden; níet
-hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, dát ging niet aan.
-Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later wel eens
-voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten
-ganschelijk om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en
-huwelijken, besloot ze, dat zij dat zaakje wel zou opknappen, en een
-uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst
-héélemaal goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er
-niets aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Een van Pims eigenaardigheden was, dat hij met allerlei lui omging, die
-je, zooals men dat in den Haag noemt „niet ziet,” en die niet in
-gezelschappen komen die nu eenmaal tot de uitgaande fashionabele wereld
-behooren.
-
-Onder die „rare” vrienden en kennissen, die Pim er op nahield, behoorde
-Frederik van Klaerbeke, een jong auteur, die in de laatste jaren veel
-opgang had gemaakt. Hij was van wat men in den Haag noemt „goede
-familie,” en zijn vader was een hooggeplaatst hoofdambtenaar van
-algemeene bekendheid. Frederik had allen omgang met zijne familie
-afgebroken en was met een meisje „beneden zijn stand” getrouwd. Hij
-leefde met zijn vrouw geheel afgezonderd, en vermeed alle Haagsche
-kennissen, met wie hij zijn jeugd had doorgemaakt. En daar hij,
-ofschoon vrijwillig, nergens „kwam” en niet meêdeed aan de conventies
-en gebruikelijkheden der Haagsche wereld, was men hem van zelf zoowat
-als een uitgestootene gaan beschouwen, bij wien het niet heelemaal
-pluis was. Fabelachtige verhalen omtrent zijn leven, dat juist heel
-gewoon en eenvoudig was, deden de rondte in de Haagsche kringen, en hij
-en zijn vrouw werden beschouwd als twee gevaarlijke wezens, die met God
-en wetten gebroken hadden, en in een soort wilden natuurstaat een leven
-leidden zooals hunne hartstochten en grillen dat wilden, zonder égards
-voor maatschappij en conventie. Maar zijne werken werden door het
-groote publiek erg mooi gevonden en hadden zulk een debiet, dat hij van
-zijne verdiensten als literator financieel goed kon bestaan. Maar je
-moest heelemaal niet denken dat hij was als zijn boeken, zeide men.
-Boeken schrijven was heel gemakkelijk, maar er naar leven was een
-andere zaak. En de Haagsche wereld, die zoo fatsoenlijk was, en zoo
-deftig, dweepte met Frederiks boeken, en belasterde hem tegelijk, in
-ééne moeite door, van de infaamste dingen.
-
-Pim wist wel beter dan zijn Haagsche vrienden, wie Frederik van
-Klaerbeke eigenlijk was. Hij had met hem kennis gemaakt toen hij, in
-een spontane opwelling van bewondering en dankbaarheid, aan den
-schrijver van „Eenzame Zielen” een langen brief had geschreven, waarin
-hij hem opbiechtte, hoe dit boek hem had aangedaan. Van Klaerbeke,
-getroffen door den warmen, oprechten toon van zijn schrijven, had hem
-geantwoord met eene uitnoodiging, om eens bij hem te komen, en zóó
-waren die twee geheel verschillende levens met elkaar in aanraking
-gebracht.
-
-Frederik, die zich al zoo lang had teruggetrokken uit de kringen, waar
-Pim in leefde, was verrast, in den jongen huzarenofficier, die toch uit
-het milieu kwam dat hij was gaan verfoeien, een zoo fijne en gevoelige
-ziel te vinden, die zoo verwant was aan de zijne, en toch in het
-Haagsche wereldje van waan en schijn was blijven gedijen.—En Pim, die
-onder zijn eigen kennissen nooit een nauw verwant hart had gevonden,
-had met den eenvoud en de oprechtheid van een groot kind al heel gauw
-alles van zijn innigste wezen aan zijn nieuwen vriend verteld, als aan
-een biechtvader. Hoe hij zich eigenlijk zoo klein en zoo zwak voelde in
-het groote Leven, hoe dikwijls de grofheden van zijne kameraden hem
-pijn deden, hoe hij zich goedhield en niets liet blijken, maar
-eigenlijk altijd schuw en angstig was, dat ze iets in hem breken
-zouden, en hoe hij wel eens dacht, dat het misschien wat ziekelijk en
-ongezond was, en of het niet beter zou zijn, een man te wezen, en met
-sterke handen over het broze en teedere heen te gaan en te doen als de
-anderen, koud, en wreed, en onverschillig. Eindelijk vertelde hij hem
-van Ellie en van haar apart en bizonder mooi zijn, en hoe hij bij háár
-altijd rust en vrede vond, en hoe dóór haar over ál het andere voor hem
-een glans van mooiheid en goedheid ging, die alles vergoedde. Hoe zij
-de steun was van zijn geheele leven, en hij zich niet denken kon, wat
-ooit met hem gebeuren zou, als niet haar teêre maagdelijke schoonheid
-bestond, die hij vereerde met een zoo rustige en vredige veneratie.
-Toen had Frederik hem een groot kind genoemd, en een echten „jongen”
-nog, al was hij nu twee en twintig jaren, maar heimelijk had hij groote
-sympathie voor hem gevoeld, omdat hij ééns óók zoo was geweest, en hij
-iets van zijn oude-zelf van vroeger nu in het kleine luitenantje
-terugzag. Toch had hij hem er voor gewaarschuwd, dat zoo’n leven in
-niets dan schijn en waan ééns breken moest, en nog maar héél kort zou
-kunnen duren. Want den schijn en den waan van het leven was hij gaan
-haten met groote innigheid, sinds de Waarheid, die wreed was, maar
-oprecht, ééns het fijne droomen-weefsel van zijn ziel had verscheurd.
-
-„Je weet héél goed, Pim, hoe’n leugen dat mondaine Haagsche leven is,”
-had hij hem gezegd. „Hoe’n bedriegelijke schijn, al dat lichte,
-glanzende, kleurige, quasi-gedistingeerde van die Kurhaus-menschen waar
-je elken dag onder leeft. Je weet wel dat het meestal niets dan
-mensch-beesten zijn, die zich met dien schoonen schijn omhangen, maar
-niettemin mensch-beesten blijven. Je weet ook heel goed, wie die
-fijngekleede, nette jongelui zijn, die zoo galant doen tegen de dames,
-en complimentjes maken, en zoo eerbiedig zijn. Den eerbied, dien ze aan
-de vrouw moesten wijden, hebben ze al lang verloren bij de veile
-deernen, die ze geregeld bezoeken, voor geld, en die in hun misère van
-slachtoffers onzer verdorven maatschappij toch nog niet zoo laag zijn
-als die kerels, die er van profiteeren. Hun diepe hoedegroet vol
-respect voor een dame, hun eerbiedige buigingen, ze zijn leugen, want
-ze hebben het idee vrouw al te veel bezoedeld in hun gemakkelijke
-débauches om er iets serieus van over te hebben. En als zoo’n
-jongmensch van de „wereld” eindelijk uit is gesjouwd, en er genoeg van
-heeft en nu aan trouwen moet gaan denken, dan is zoo’n ongerept,
-maagdelijk dame-meisje altijd voor hem klaar om de restjes aan te
-nemen, die Antje of Nelly of Jo hebben overgelaten. Ik zeg het een
-beetje crû, Pim, maar zoo is het.”
-
-Pim wist het wel, maar hij wilde het liever niet weten. Als hij altijd
-zoo de dingen zag, zou hij zijn leven zoo niet door kunnen leven.
-
-En Frederik ging onmeedoogend door.
-
-„Ik zal niet eens praten van het gruwelijke onrecht, dat al die
-menschen ál maar pret maken en om niets denken dan hun pieterige
-amusementjes, waar het bewezen is dat onze geheele maatschappij op
-onrecht, op diefstal, op het brute recht van den sterkste is gebaseerd.
-Dat zestien menschen—de statistiek heeft het uitgemaakt—misère moeten
-lijden en in hun zweet moeten zwoegen, om één zoo’n bourgeois heertje
-of dametje zoo’n prettig, mondain leventje te laten doorlummelen. Dat
-dus al die menschen, zoodrá ze deze dingen weten—en ze kunnen het
-weten, want de groote sociaal-democraten hebben het wiskunstig
-duidelijk aangetoond—evengoed bewuste dieven zijn en roovers van
-anderer geluk en eigendom, als de dief, die iets van je steelt.
-Dáarover wil ik het niet ééns hebben. Maar wat ik verfoei en veracht,
-dat is de leugen, die zoo’n mondaine wereld om zich heen heeft, als die
-van het traditioneele, uitgaande publiek van een stad als den Haag. Zoo
-heelemaal in orde lijkt het, hé, zoo’n pantoffel-parade op het strand,
-of op het terras, al die menschen zoo netjes aangedaan, zoo
-fatsoenlijk, met zoo’n air van rechtschapenheid en comme-il-faut-heid
-en distinctie. Maar kijk naar de beest-menschen achter dien schoonen
-schijn, het gelonk en geloer naar duistere, leelijke dingen, de
-verlaging van de vrouw-idee in de blikken van al die kerels, het
-ignobele te koop loopen met dochters, dat deftige, beschaafde mama’s
-doen, en let dan eens op, waar alles eigenlijk om draait. En dan die
-onverstoorbare schijnheiligheid van zooveel geposeerde
-pères-de-famille, dat air van ernstige eerwaardigheid, waarmede ze er
-bijloopen! Ik kén er een heeleboel van vroeger, en ik weet hun
-gesprekken, als de dames er niet bij zijn; en ik weet, naar wie ze,
-heimelijk als laffe dieven, heensluipen, nog met den kus van vrouw en
-dochter op de wangen. Als alle publieke vrouwen uit den Haag eens
-gingen vertellen wat zij wisten, ik geloof dat er weinig van die
-eerwaardigheid zou overblijven. Trouwens, die dingen vindt niemand
-eigenlijk schandelijk. Als ze maar stiekum gebeuren, geniepig,
-lafhartig, in ’t duister. Als de leugen-schijn van naar buiten
-fatsoenlijk en eerbiedwaardig en comme-il-faut maar wordt bewaard. En
-daarom haat en veracht ik dat wereldje waar jij in leeft, en waar jij
-al je genoegen in schijnt te zoeken....”
-
-Als Frederik over dit pénibele onderwerp begon, kon hij zich onmatig
-opwinden, en zeide hij Pim ongenadig waar het op stond, zonder
-medelijden. Maar Pim had zijn antwoord klaar.
-
-„Dat is zooals jíj het ziet, Frederik.... en ik weet ook wel dat het
-zoo is... daarvoor zie ik te veel om me gebeuren, en hoor ik te veel,
-en ik ben heusch niet blind of doof. Maar neem nu eens zoo’n meisje als
-mijn zuster Ellie, zoo’n „dame-meisje” zooals jij het met een zeker
-dédain noemt. Die ziet dat toch allemaal héél anders. Wat weet die van
-wat de sociaal-democratie is, en het onrecht, en het verkeerde van het
-privaat-eigendom? Wat weet die van al het leelijke en het slechte af?
-Hoe kunnen zulke meisjes beseffen, hoe die galante, tegenover háár
-eerbiedige en buigende jongelui leven en achter de schermen scharrelen
-en knoeien? Ze zijn daar immers héélemaal niet voor opgevoed. Ze weten
-immers niet beter of alles is echt om haar heen, en ze hebben pret in
-al het mooie, en verrukken ons door haar eigen gratie en liefelijken
-schijn! Ellie ziet dat alles zoo héél, héél anders dan jij dat doet,
-Frederik. En voor mij is nu juist het heerlijke dat ik al het leelijke
-vergeet, en zélf weer als zoo’n argeloos kind voel, dat alleen het
-mooie ziet... als ik maar bij háár ben... Kun je je dat niet
-voorstellen, hoe heerlijk dat voor me moet zijn?”
-
-Maar Frederik was ongeloovig, en had niet het simpele naïeve meer van
-Pim.
-
-„Als het zoo is als jij ’t voorstelt,” zeide hij, „is ’t altijd nog
-heel treurig, om de onwaarheid er van, maar lief is ’t zeker óók. Ik
-kan me heel goed voorstellen een onschuldig meisje, dat zoo, argeloos,
-enkel maar het mooie van het leven ziet. Maar hoe tragisch wordt dan
-tegelijk een leven als van zoo’n argeloos, niets vermoedend meisje, die
-alle menschen en dingen om zich heen mooi en goed ziet! Want die leeft
-dan toch eigenlijk maar in een schijn, die niet bestaat! Wat een
-verschrikkelijke catastrophe moet er dan later niet gebeuren in haar
-ziel, als ze ééns die wereld om zich heen gaat doorzien, in ’t licht
-van de plotseling voor haar opdoemende waarheid. Als ze eens te weten
-komt, hoe haar vader, haar broeders, haar eigen man misschien hebben
-geleefd of nog leven! Dan moet zoo’n wezentje wel alles, waar ze op
-steunde, om zich voelen wegvallen, en den geheelen droom van haar jeugd
-als een ruïne vóór haar zien liggen. Want altijd zoo argeloos en
-onwetend blijven kán ze niet. Dáár zorgt het groote, harde Leven wel
-voor... Maar in den Haag lijkt me dat toch een exceptie, beste Pim, en
-de Haagsche dame-meisjes zijn over ’t algemeen alles behalve naïef. Jij
-hebt nu eenmaal de groote fout, kerel, dat je in ieder meisje een of
-ander hemelsch wezen wil zien. En het prouveert voor je, dat zeg ik je
-er bij. Ik wil je wel bekennen dat ik óók zoo geweest ben, héél lang
-geleden, en dat ik me toen erg gelukkig voelde. Maar je moet nu maar
-eens eindelijk leeren dat die fijne, zoo apart en bizonder lijkende
-schepseltjes óók menschen zijn, beste jongen, menschen net als jij en
-ik, hoor, van vleesch en bloed, en met net dezelfde menschelijke
-dingen. Ik zeg niet dat ze er daarom minder om zijn. Misschien zijn ze
-er juist meer om. Ik zeg alleen dat ze anders zijn dan jouw droom van
-dweperig dichtertje. En met dat vergoden doe je haar onrecht, want als
-ze later blijken niet goddelijk maar menschelijk te zijn, val je haar
-er dubbel hard om. Nu ken ik je Ellie nog niet, zal je zeggen. Maar
-daarom ben ik toch overtuigd, dat ze heúsch ook een wezentje van
-vleesch en bloed is, en dat je haar waarschijnlijk ook véél te
-aetherisch en onreëel ziet in je gedweep met haar.”
-
-Toen was Pim opgestoven. Ellie was niets mooier dan wat hij van haar
-dacht, had hij gezegd. Zij mocht al niet aetherisch en onreëel wezen,
-maar zéker wist hij, dat haar ziel niets dan reins en moois zag van de
-wereld, en dat er niet één onzuiver ding was in haar lief- en mooi-doen
-tegen al de menschen om haar heen, van wie zij ook niets dan goeds zag.
-Hij beschreef haar luchtig leventje van uitgaand meisje, en hoe zij
-altijd gratie en schoonheid van zich af deed stralen, en hoe haar ziel
-nog altijd ongerept was gebleven in haar omgeving, als van een
-onschuldig, rustig kind.
-
-En hij had absoluut gewild, dat Frederik met Ellie kennis maakte. Hij
-had hem overgehaald, eens aan het strand in Scheveningen te komen en
-had hem toen aan haar voorgesteld. Zij had hem dadelijk geïnviteerd,
-een kopje thee meê te blijven drinken in haar tentje. Ellie had het erg
-interessant gevonden, zoo’n bekend schrijver te ontmoeten; zij had óók
-zijn boek „Eenzame Zielen” gelezen, dat zij erg „snoezig” en „beeldig”
-vond, en waar ze zelfs bij gehuild had, aan het slot. Hij was haar ook
-erg meêgevallen. Zij had altijd hooren zeggen, dat hij een socialist
-was, die geen égards had voor dames, en zedeloos leefde, en niet aan
-God geloofde. Maar hij was juist heel aardig, en zelfs galant geweest,
-en zij vond hem niets minder dan de anderen. Alleen erg jammer, dat hij
-niet met een dame-meisje was getrouwd, hij, die toch van goede familie
-was, en daarbij zoo knap... Dat vond ze bepaald leelijk van hem, en zij
-voelde zich vijandig tegen zijn vrouw, die zij geen recht op hem vond
-hebben. Want Ellie zat nog héélemaal onder bekrompen ideeën van rang en
-stand. Ze had nooit anders geleerd. Het was een hééle concessie van
-Frederik geweest, dat hij zich zoo aan een dametje als Ellie had laten
-voorstellen, en als een echt Haagsch heertje had zitten afternoonen in
-haar tentje. Maar hij had het ook alleen gedaan om Pim plezier te doen,
-en had niet eens gelachen, toen Ellie hem zeide, hoe „snoezig” zij het
-boek had gevonden, waarin hij zijn geheele ziel had gegeven.
-
-En zij had een groote impressie op hem gemaakt. Toen zij in haar witte
-kleedje met haar lief, vriendelijk maagd-gezichtje zoo ongedwongen met
-hem zat te praten, nu en dan een sierlijk gebaartje makend met haar
-blank-en-roze handje, en hij haar helder sopraanstemmetje zacht in hem
-voelde door-zingen, was het hem inééns of, midden in zijn stille leven,
-éven een licht visioen van lang, héél lang geleden was teruggekomen.
-Dit luchtige, vluchtige, en zoo héél lichte, dit om-van-te-weenen
-blanke en teedere, dit allerfijnst reine en kinderlijke van
-aristocratisch maagd-meisje, o! hoe had hij het gekend, hoe was het
-ééns de geheele wereld van droom en ideaal voor hem geweest, toen hij
-nog een jong, niets vermoedend kereltje was, dat heelemaal leefde van
-den schoonen schijn der dingen....
-
-En toen hij afscheid nam had hij, die het fiere hoofd voor weinig
-menschen meer wilde neigen, met den hoed in de hand, diep voor haar
-gebogen, omdat hij in haar groette een verloren ideaal, dat ééns heilig
-was geweest, en hem in háár weer tegen had geschenen.
-
-Na het diner was Pim nog gauw even bij hem aangeloopen, om toch
-dadelijk te hooren, welken indruk Ellie op zijn vriend had gemaakt.
-
-„—Nu? Hoe vind je haar nu?—”
-
-En Frederik had heel ernstig gezegd:
-
-„Ik ben erg blij, dat ik haar eens ontmoet heb, Pim. Het heeft me goed
-gedaan. Het is verwonderlijk, hoe zoo’n lief meisje door haar enkele
-verschijning een man kan gelukkig maken. Je weet niet wat het is. Het
-is iets heel teêrs en mysterieus, dat van zoo’n meisje in je komt en je
-ineens goed maakt. Er zijn, geloof ik, maar weinig mannen die het
-voelen, maar die het voelen, weten ook wat het is, al kunnen ze het
-niet uitdrukken. Je zuster Ellie heeft het heel erg. Ze is niet bepaald
-wat ze zouden noemen een mooi meisje. Daar is ze ook te klein voor, en
-niet statig genoeg van lijn. Maar ze heeft dat lieve, dat
-vriendelijk-inpalmende, dat allercharmantste ik-en-weet-niet-wat, dat
-je direct zoo vleiend en warm-hartelijk uit haar tegemoet komt. Zoo’n
-echt zonnestraaltje is ze. En wat een gratie, wat een gratie in ál haar
-beweginkjes en gebaartjes! En haar stemmetje! Net een vogeltje, hè? Die
-lieve, vroolijke intonatie, die moet uit een nog heel jong, argeloos
-kinderzieltje komen, zou je zeggen. Nu Pim, ben je nu tevreden? Als ik
-een tien jaren jonger was, en een beetje minder wist, en niet zoo’n
-eenvoudige, goede vrouw had als Marie, dan was ik zéker verliefd op
-haar geworden, hoor!”
-
-Pim’s gezicht straalde van vreugde. Hij had altijd alles wat Frederik
-zeide voor orakeltaal gehouden. Frederik was zijn groote vriend, voor
-wien hij maar zoo héél weinig kon zijn, en dien hij zoo sterk en alléén
-wist te staan in het harde, groote Leven, waar hij zoo bang voor was.
-En dat Frederik zoo enthoesiast over Ellie sprak, maakte dat hij haar
-nóg mooier zag dan vroeger.
-
-„Vin je het geen mooi naampje dat ze heeft?” vroeg hij. „Ze noemen haar
-hier het Vlindertje. Is ze niet net zoo’n mooi, blank kapelletje, dat
-met van die heel fijne, transparante vleugeltjes door de lucht zweeft,
-zoo glanzend in den zonneschijn, en dat alle dingen zoo mooi en
-schitterend vindt, en zoo heel gelukkig ál maar voort-wiegelt?....”
-
-Frederik zat op de canapé, met zijn hand onder het hoofd, zooals hij
-altijd deed, als hij ergens over peinsde. Hij zweeg een tijdje, en zei
-toen ineens, met dien vagen zacht-droeven klank, die zijn stem dikwijls
-zoo vreemd melancholiek maakte:
-
-„Hoe mooi toch, hè Pim, zoo’n meisje, als ze nog zoo jong is.... dat ze
-dat niet állemaal zien!.... de wereld zou misschien anders worden....
-maar héél weinigen voelen het. Daar had je Heine, de grootste dichter
-van het Meisje, voor mij blijft hij altijd de gróótste.... dat vers van
-„Du bist wie eine Blume”.... dáár ligt het in, wat ik bedoel.... Maar
-dan te denken, dat zoo’n arm kind zoo héélemaal leeft in den schijn, in
-de leugen om haar heen.... te denken dat zoo’n broos, transparant
-vlinder-zieltje ééns plotseling in dat groote, wreede vuur zal vliegen
-van het felle leven.... en mééstal gebeurt dat zoo bruut aan haar, zoo
-genadeloos hard!.... wat weten de meeste kerels, die met zulke meisjes
-trouwen en God weet wat voor leven achter den rug hebben, van zoo’n
-teêr meisjes-zieltje af?.... En dan is het dikwijls inééns uit.... je
-moet eens zien, hoe de meeste vrouwen kort na hun trouwen een héel
-ander gezicht krijgen.... er komt dan zooiets hards op, en dat rustig
-maagdelijke is inééns heelemaal weg.... ze lijken nog wel op het oude
-Meisje.... maar het mysterie is heen, en komt nooit meer terug.... o!
-Ik weet het Pim, ik weet het zoo héél, héél goed, en heb het zelf
-gezien bij een meisje, waar ik zoo van hield....”
-
-Pim zat eerbiedig naar hem te luisteren, en het was of Frederik’s
-woorden uit zijn eigen ziel kwamen, zoo voelde hij ze als de
-uitdrukking van zijn eigen diepste gedachten.
-
-„—Ja, als je zoo bij zoo’n meisje zit als jouw Ellie, dan voel je
-ineens weer het verschrikkelijke van de maatschappij, waarin zoo’n
-wezentje leeft,” ging Frederik door, nadat hij even had zitten peinzen.
-„Je zoudt het dan kunnen uitschreeuwen van angst, dat zoo’n kind het op
-een’ goeden dag inééns zien zal, al die leugens en dat vuile om haar
-heen.... al dat onrecht, die wreedheid, dat genadelooze egoïsme op de
-wereld, waaraan, bewust of onbewust, maar mééstal toch bewust, haar
-vader, haar moeder, haar broers meêdoen..... als ze eens plotseling te
-weten kwamen, maar goéd te weten, in al de ontzachelijke horreur van
-vuilheid en zonde, de misdaden, die aan háár zusteren worden begaan,
-die door de verdorven maatschappij toevallig tot slachtoffers zijn
-gemaakt.... niemand van die ongelukkige wezens, die hun vrouw-zijn
-prostitueeren, doet het uit louter bestialiteit.... het zijn allemaal
-ééns slachtoffers geworden, dat weet iedereen.... verbeeld je, Pim, dat
-zoo’n kind ineens de vreeselijke waarheid zag, van wat haar eigen
-vader, haar eigen broeders hebben gedaan of nog doen aan hare zusteren,
-van wie de dominé haar in de kerk voorpreekt, dat ze haar moet
-liefhebben als zichzelve.... Is het niet verschrikkelijk?.... en te
-denken, dat dáár eigenlijk de geheele wereld om draait, met zijn
-schandelijke politiek van roofzucht en wreedaardig kapitalisme.... de
-drijfveer is toch altijd maar geld, en geld, en geld.... En waar is dat
-geld voor?.... Voor Liefde niet, die is voor geld niet te koopen, dat
-is het éénige, en Liefde is goddank voor den armste te krijgen.... maar
-het geld is dan ook alléén om te knoeien en te zwelgen in wat de Liefde
-ontheiligt, en voor dat lage doel staat weldra de wereld in vlammen.
-
-„In Afrika is het al in vollen gang, om het geld, en in China gaan de
-roof en de diefstal beginnen, om het geld, waar tóch nooit Liefde van
-kan gekocht worden.... Verbééld je, dit te weten, en dan tóch nog kalm
-te kunnen blijven, en als een rustig bourgeoistje in dat Kurhaus te
-flaneeren, met een hoogen boord en een fantasiehoedje.... Je zult
-zeggen, dat ik zelf er óók zooveel kom, maar je weet wel, dat het
-alleen voor de muziek is en het groote meerendeel van ’t publiek komt
-daar niet om.... ik vind dat die Berlijners heerlijk spelen, en ik zit
-daar soms te genieten als een zalige.... zoo’n Symfonie van Beethoven,
-of de D-dur Suite van Bach, of de Ouverture Léonore III, of die
-Variationen uit het A-dur quartett.... dat hoor je nergens zóó
-verrukkelijk mooi, en het is eenvoudig de opperste volmaaktheid die je
-je van muziek maar denken kunt.... Dan vergeet ik de heele bende om me
-heen, en weet alleen dat ik gemeenschap heb met zoo’n goden-ziel als
-van Beethoven of Bach... Maar in de pauze moet je wel naar buiten om
-frissche lucht te krijgen na die bedompte atmosfeer in de zaal, en dán
-komt de werkelijkheid ook weder om je heen.... al die menschen daar
-rond te zien paradeeren met een air van christelijke rechtschapenheid
-en deftige distinctie, of er verder niets aan de hand was, en er niets
-beters te doen valt dan geuren en affecteeren!.... Hoe houd je dat
-leventje toch uit, Pim? Voel je je nooit eens angstig als je met Ellie
-onder al die menschen loopt?... ben je nooit eens bang voor die
-blikken, waarmeê ze haar aanzien, die gedachten, waarmee ze haar kunnen
-besmetten?... Vin je het dan niet wreed, dat de wereld zoo héél anders
-is, dan zoo’n argeloos, jong meisje wel denkt, die alleen den schitter
-en den glans ziet van den schijn?....”
-
-Dat was de zóóveelste maal, dat Frederik hem wees op het inferieure van
-zijn mondain leventje in den Haag, en zijn meêdoen aan al de futiele
-amusementen. Het ergste was, dat hij het heel goed voelde, dat hij wel
-wist hoe al het plezier van zulk een leven tóch al vergald was, zoolang
-het niet onbewust meer kon genoten worden, en hij het leege er van
-besefte. Maar wat te doen, als hij er van af moest zien, en hij die
-dingen eens niet meer had? Waar dán van te leven? Hij was niet sterk
-genoeg om alléén te staan, als Frederik, hij, zwak, klein mannetje, in
-het groote, hoog over hem, nietigheidje, heen slaande Leven. Hij kon
-hoogstens wat mokken in stilte, en wat pijn hebben, en wat verachten,
-maar méér ook niet. Hij was nu eenmaal in het leven gezet als Jhr.
-Eduard van Wedell, luitenant van de nederlandsche cavalerie, zóó en zóó
-in de wereld-dingen geplaatst, in dit bepaald milieutje van die en die
-menschen. En het eenige, wat hem, klein, zwak mannetje was geraden, was
-het niet om mede te gaan met den stroom, waarin hij nu eenmaal stond,
-daar hij niet groot en sterk genoeg was, om zich uit de wiemelende
-menigte om hem heen wèg te wringen, en een eigen, eenzamen weg te gaan,
-waar Ellie niet meer zijn zou, het liefste goed van zijn ziel?
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Dien verderen avond bleef Pim bij Frederik theedrinken. Hij bladerde
-wat in de nieuwe boeken, die bij hem op de schrijftafel lagen, keek
-hier en daar een bladzijde in, las even een klein gedicht. Hij had in
-den laatsten tijd weinig gelezen. Al die mooie dingen, waarvan hij las,
-maakten hem toch altijd droef. Hij voelde ze zoo onvereenigbaar met het
-leven dat hij leidde, in zijn mondain Haagsch milieutje. Hij wist, dat
-al dat mooie toch te groot voor hem was en dat, als hij er zich
-heelemaal aan overgaf, er een revolutie in zijn leven van nu moest
-komen, die het voor goed zou doen uiteenvallen.
-
-Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging
-te beseffen, dat het leger eer het onrecht dan het recht moest
-beschermen, en dat het militairisme de ontwikkeling van den
-waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak en te
-lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk
-zou veranderen.
-
-Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het
-verboden mooi, als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet
-zich door hem vertellen van de groote beweging, die op handen was, van
-de ontzachelijke wereld-dingen, die te gebeuren stonden, en waardoor de
-oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin híj thuis hoorde,
-door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd
-gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van
-Willem Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde
-ontroering, of er in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een
-ongekend licht van groote goedheid was opgeschenen. Als een kind zat
-hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, die nog zoo heelemaal
-vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien sterken,
-energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger
-eens zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en
-eenzaam-trotsch boven conventie en traditie stond, levende zooals híj
-goed vond, vreezeloos en wèl-bewust.
-
-Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag
-hij onrustig te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had
-hoofdpijn en voelde een angstige, zware beklemming. Eindelijk viel hij
-in een doffen slaap.
-
-
-
-Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de
-oude van vroeger. Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij
-maakte een rit door het Bosch.
-
-Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had.
-
-Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde,
-voelde hij zich weer de echte officier, die dienst heeft. Hij hield
-even een praatje, met van den Bergh en Waalen, en reed toen naar zijn
-manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht en zonneschijn en
-vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s
-„toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze
-beneden zou komen, vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even
-kwam ze voor de deur, zijn paard streelend langs den fijnen kop.
-
-Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat
-vroolijke, weldadige lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver
-geluk in zoo’n lief wezentje, dat in een licht japonnetje daar ineens
-voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! Waar was nu het donker
-van gisteren, en al de duistere gedachten?...
-
-„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit
-déjeuneeren, en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen
-pas terug... en Wies is waarachtig ook al niet thuis. Nu zit ik me heel
-alleen te vervelen.... Zeg, als we nu eens naar Scheveningen gingen
-lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.... ze hebben daar zulke
-lekkere plats du jour.... Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of
-kan je weer niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo
-iets....”
-
-Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend
-idee. Liet ze maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard
-even terug naar de kazerne, en liet zich wat afstoffen. En voort
-galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, en gerinkel van zijn
-sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, kleine
-officiertje op het groote, zwarte paard.
-
-Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar
-Scheveningen, een keurig, Haagsch paartje, hij in zijn nette
-huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, zij een exquis
-dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht
-en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder
-materie, van louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram
-dachten dat zij verloofden waren, zoo intiem babbelden zij samen, en
-lachten wat tegen elkander over het elegante, Haagsche paartje.
-
-Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was
-roerloos-rustig, van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van
-een zacht-transparant parelmoer, in liefdevolle mengeling van
-harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend lagen de blonde
-duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en
-vreugde-om-te-leven. Menschen in lichte pakken wandelden vroolijk heen
-en weer, en helder lachen van kinderen klonk in de lucht.
-
-Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan
-een plaatsje zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten
-wèlgekleede, vroolijk-kijkende menschen aan tafeltjes gezellig te eten,
-en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár was een goed plaatsje, net
-een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, wat er alzoo
-was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al
-goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een
-fleschje Haut-Sauternes, met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet
-knus?
-
-Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was
-nu net iets voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En
-dat typische ronde middenzaaltje. Hoe leuk vond ze in ’t midden dien
-bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes er boven. En
-wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout!
-Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél
-vroolijk geluid van stemmen om zich heen.
-
-Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie,
-groenrieten stoeltjes. En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half
-drie werd het tijd om even naar het strand te gaan, in het tentje. Er
-waren een boel kennissen. Wies kwam met Jo van Herencate, bij wie ze
-geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje van Westen. En wat
-was het vol! Alle badstoelen waren bezet.
-
-Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met
-al de kennissen, en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in
-vroolijke, lichte pakken, en het zonlicht blonk zoo heerlijk over de
-stille, parele zee, en alles glansde van geluk in de algemeene
-vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij
-ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het
-leven wàs niet leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het
-was een droeve, booze droom geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd
-had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. Hij wilde niets weten, hij
-wilde niet, niet weten meer en niet denken!
-
-O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele
-zeelucht rondom! Het was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en
-niet te weten. En hij was nog zoo jong, hij was blij met het leven, en
-het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, genieten van al het
-blijde en lichte rondom....
-
-Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn
-kamer om zich te verkleeden. Hij dronk zijn glaasje port in haar
-boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. En na het eten
-chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus.
-
-Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had
-een japon van mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant,
-op den rug, op den rok en op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje
-uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden kraag! Het corsage was
-hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, en
-daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem
-op den rechten stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen,
-naar beneden toe verwijdend, gracieus van lijn als de klok van een
-campanula.
-
-En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop
-een witte aigrette soms even veerend trilde!
-
-Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij
-mede, omdat hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren
-boa dragen, héél voorzichtig, dat er niets aan al die als
-materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte hadden, en zóó
-zouden wegwaaien in den wind.
-
-Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden een prachtig
-programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en
-gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit
-de D-dur Suite van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als
-stemmen van lichte engelen droomend boven de menschenscharen, en hier
-en daar bewoog een licht meisjeshoofd, onbewust medewiegend op den adem
-van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte zweving van
-tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen
-in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door
-dien droom voelde hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage
-essence van Violettes de Parme, die zij altijd bij zich droeg, subtiel
-of het de geur was van haar maagdelijke ziel van meisje....
-
-In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar
-wilde. Ze wou absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup
-probeeren. En ze won, haar bal bleef liggen in het vakje van haar
-kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En ze schaterde het
-uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar de
-leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus
-daar binnenkomen, heel stil, want je moogt er niet praten, met je
-voeten zacht over het dikke rood-bruine kleed. En dan even aan de
-eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, met den
-wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten
-lezen, in den schijn van dat uitstralende licht....
-
-Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die
-Donauwellen, bijna onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch
-wilde Ellie niet zelf dansen, want er waren te veel menschen. Daarvoor
-moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo na de pauze, als ze een
-erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. Dan
-zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een
-wals vragen, dát is je ware....
-
-Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras.
-
-En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer,
-waarmede hij den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het
-leek alles zoo vertrouwd en reëel om hem heen! Het was zoo echt de
-omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin hij nu eenmaal behoorde,
-en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde der dingen,
-en onvermijdelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen
-Wies haar boudoir binnenstoof.
-
-„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om
-elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal
-veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en
-breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de
-mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....”
-
-Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of
-ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een
-paar maal van vreugde door de kamer.
-
-„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten,
-dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk
-tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar
-van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als
-een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al
-gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling
-staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu
-mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief,
-hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met
-hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem
-een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze
-kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het
-ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier
-moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie
-maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen
-we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom
-vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan
-laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die
-moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van
-je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je
-raar, je vindt het toch wel goed?.....”
-
-„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de
-puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere
-broer, zoo’n held....”
-
-Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge
-aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote,
-mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had
-ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu
-hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks
-plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té
-overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een
-onbestemd gevaar.
-
-En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe
-meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een
-vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar
-zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er
-was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere
-man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij
-voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de
-zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou
-onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt
-voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.....
-
-Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet
-verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en
-hartelijk had voorbereid.
-
-Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder
-stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n
-beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.
-
-„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist
-bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben
-begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog
-een week of vier blijven.”
-
-„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies.
-„Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de
-grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè,
-Pim of Maurice!”
-
-Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar
-intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in
-een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in
-stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd
-al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim
-er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets
-gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch
-kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat
-haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen,
-van zoo héél verre, uit den droom....
-
-Daar werd gescheld.
-
-„Zou hij het al zijn?” riep Wies.
-
-En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie.
-En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt
-altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”
-
-Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van
-Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had
-gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma
-Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw
-hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus,
-en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de
-volgende Clingendaalraces.
-
-Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice,
-die ieder oogenblik kon komen.
-
-Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op,
-alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns
-tegen Wies:
-
-„Daar is hij!”
-
-Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur,
-en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de
-trap op, en nader, en naderbij....
-
-De deur ging open.
-
-En daar stond hij.
-
-Groot, donker, en zwaar.
-
-Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte,
-luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.
-
-Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart
-in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.
-
-Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag
-zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn
-donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere,
-magnetische sterren, die haar tégenstraalden.
-
-En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water,
-en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof
-wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in
-den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens
-drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar
-maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar...
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Toen Mombreuil weg was, bleef Ellie achter als in een droom.
-
-Zij bleef lang zwijgend zitten, met een loom, mat gevoel over al haar
-leden, alsof zij heel, heel moê was.
-
-Zij wist nog maar zoowat even, wat er eigenlijk gebeurd was. Hij was
-door Wies aan haar voorgesteld, en hij had zijn hooge gestalte
-eerbiedig voor haar gebogen. Toen had hij wat gepraat, en vriendelijk
-gelachen, en zij had ook geantwoord. Heel kort had het maar geduurd.
-Toen was hij weêr opgestaan van een stoeltje, waar hij op zat, en groot
-had zijn figuur in de kamer gestaan. Zij had zijn handdruk gevoeld,
-heel warm en sterk in haar angstig, koud handje, en toen was ze alleen
-geweest.
-
-Erg moê was ze en erg loom.
-
-Zij voelde, of hij nog niet heelemaal weg was, of hij ook nooit, nooit
-meer weg zou kúnnen zijn. Héél van binnen was het haar, of ze iets van
-hem in zich had, iets wat daar zacht was blijven branden en gloeien in
-haar lijf. Ze had het van zijn oogen in zich voelen komen, en toen hij
-haar een hand gaf was het in haar doorgetrild, vèr en vèr in haar.
-
-Ook haar lief, vertrouwd boudoir leek haar niet meer hetzelfde van
-vroeger, sinds zijn hooge, groote schaduw er zoo donker in gestaan had.
-Het was of er nog iets van zijn zware man-zijn in was gebleven, iets
-vreemd-hevigs, dat het intieme er van verstoorde.
-
-Als een vogeltje, dat bang is, zat ze zoo een poos op een pouf, met het
-hoofd moê neergebogen op een groot kussen, dat er naast lag.
-
-Het was of iets zwaars over haar was gekomen, waar ze niets tegen
-vermocht, en dat ze half-bang, half-blij, onderging, in een vreemde
-charme van loome betoovering.
-
-Totdat nicht Joséphine binnenkwam, en haar vroeg, waar ze toch bleef.
-
-O ja, ze zou uitgaan. Met nicht Joséphine. Boodschappen doen, in de
-stad.
-
-—„Scheelt je wat, kind?” vroeg nicht. „Je gloeit zoo. Je hebt toch geen
-koorts?”
-
-„—Neen, heusch niet, nicht. Maar ik ben wat moê, ik weet niet waarvan,
-maar ik ben moê.”
-
-En moê was ze, heel moê, van dien zoeten, donkeren droom die uit zijn
-oogen in haar ziel van maagd was gevloeid....
-
-
-
-Den volgenden dag sprak zij hem weêr. Zij was met Wies in haar tentje
-aan het strand, en hij kwam even bij haar zitten. Zij was erg stil, en
-kon niet veel zeggen. Hij praatte veel, met een diepe, zware stem, en
-nu en dan een breed gebaar. Ook zijn stem deed haar hevig aan. Alles
-was zoo groot en sterk aan hem. Hij was zoo héél anders dan de anderen,
-om wie ze altijd kon lachen. Maar hij was absoluut niet om te lachen.
-Ze was een beetje bang voor hem, en toch vond ze het prettig om hem te
-hooren praten. En hij had zulke mooie oogen. Als ze hem aankeek was het
-of ze niet meer een anderen kant op kon kijken, zoo hielden die oogen
-haar vast. Het was angstig, en tegelijk streelend, met een vreemde
-charme. Ze voelde dat hij véél sterker was dan allen die zij kende, dat
-zij niet tegen hem op zou kunnen, en hem bijvoorbeeld nooit een beetje
-voor den gek zou kunnen houden, zooals ze het de Sandt of Waalen wel
-eens deed, als ze een dolle bui had.
-
-Hij deed ook zoo heel anders tegen haar dan ze gewoon was. Erg
-eerbiedig en erg vriendelijk tegelijk, maar zonder complimentjes te
-maken, of iets onbeduidends te zeggen over haar toilet, al zijn woorden
-meer genadiglijk naar haar neder van uit zijn groote, mannelijke
-hoogte, dan vleiend tot haar op zooals die van anderen. En ze vond zich
-dan ook nog maar zoo’n nietig kind bij hem, den sterke.
-
-Den dag daarna, kwam hij eene visite maken bij den ouden van Taats, met
-zijne moeder de douairière en zijn zuster. En weêr was het Ellie, of
-zij een schok voelde in haar hart toen hij aanschelde, met dat hevig,
-bruusk geluid. Toen zij het hoorde, liep zij haastig naar beneden, als
-werd zij door een vreemd magnetisme tot dien man getrokken, die buiten
-stond.
-
-En nu ontmoette ze hem geregeld, aan het strand, in het Kurhaus, en bij
-Wies aan huis, als zij haar kwam afhalen. Zonder het zich nog goed
-bewust te zijn, werd nu eigenlijk Mombreuils tegenwoordigheid de groote
-aantrekking van haar amusementen. Vroeger ging ze er alleen heen, om
-lief en gracieus te doen met haar mooi lichaampje voor allen, en van de
-gratie van anderen te genieten. Maar nu dacht ze altijd of Mombreuil er
-wel wezen zou, en of hij haar ook misschien aardig zou vinden in dit of
-dát toiletje, en of hij haar zou aanspreken of niet. Als ze hem zag was
-ze een beetje bang, en hoopte ze dat hij het niet doen zou, maar als
-hij dan naar haar toe kwam en ze zag in zijn oogen, voelde ze zich weer
-verwonderlijk blij. Als hij er eenige dagen niet was voelde zij of het
-groote, volle Kurhaus, waar ze vroeger zooveel genoot, toch eigenlijk
-leêg was, en keek ze onrustig overal rond waar hij wezen zou.
-
-Van Wies hoorde zij elken dag allerlei nieuws van hem, kleine intieme
-dingen, waardoor zij het waagde, een beetje in zijn leven door te
-dringen. Wies vertelde, hoe laat hij opstond, waarmee hij ontbeet, waar
-hij gevoelig voor was. Ze zeide Ellie, dat oom de minister wel een
-betrekking voor hem zou vinden, misschien wel iets aan het hof, en hoe
-de koningin zelfs eens naar hem geïnformeerd had, toen oom in het
-paleis had gegeten. Ook van zijn heldenfeiten in Indië, die hij haar
-tot in de kleinste bizonderheden had moeten beschrijven, vertelde zij
-Ellie in opgewonden, gloeiende woorden.
-
-Zóó kwam hij altijd grooter en grooter in Ellie’s leven, en zij voelde
-zich tot hem heengetrokken met een onweerstaanbare macht, waaraan zij
-niet eens trachtte te ontkomen.
-
-Zij was zich ook in ’t geheel niet bewust, wat haar zoo naar hem
-toedreef, en liet zich, gewillig kind als ze was, zonder denken
-heengaan, waar haar neigingen haar stuwden. En ze werd nu eenmaal door
-die vreemde macht, die zij niet kende en ook niet begrijpen kon,
-gedrongen naar dien grooten, donkeren man, die daar ineens zoo hevig in
-haar leven was komen staan. Het was onrustig, en het was beklemmend, en
-het was bang. Als zij hem niet zag, was zij zenuwachtig en gejaagd, als
-trok haar iets van verre onweêrstaanbaar aan, wèg van waar ze was.
-Somtijds was ze er verdrietig over, en huilde ze wel eens, zonder te
-weten waarom eigenlijk. Zelfs in haar boudoir, te midden van al haar
-intieme dingen, in haar kalme atmosfeer van meisje, vond ze niet meer
-de rust van vroeger. Zij voelde er zich onbevredigd, incompleet,
-hunkerend naar méér, maar wist niet naar wat. En een vaag verlangen
-voer door haar ziel van maagd-meisje, een verlangen om te zien zijn
-donkere, wonderdoende oogen, en te ademen in zijn sfeer van grooten,
-sterken man....
-
-Zij trachtte niet eens, het van zich wèg te willen, en er tegen te
-vechten met al haar energie, want zij voelde, diep en zeker, dat zij er
-te zwak voor was, en dat het toch te lief en te zalig was om het weêr
-te verliezen. Zij kon alléén maar somtijds stil wegkruipen in een
-hoekje van haar boudoir, en wat weenen om die zoete onrust, die haar
-rustige ziel van meisje had bevangen. Dikwijls verlangde zij naar Pim,
-om hem alles te vertellen, om hulp bij hem te zoeken, en hem te vragen,
-of hij er niets aan doen kon, dat haar onbezorgd, lustig leventje van
-vroeger weêr terugkwam. Hij was de éénige van wien zij wist dat hij
-haar begrijpen zou. Aan haar vader had ze het niet eens durven zeggen.
-Maar Pim was in Parijs. Ééns probeerde zij hem een brief te schrijven,
-maar toen zij hem alles precies wilde uitleggen, bemerkte zij, dat zij
-het zelf niet eens wist, en het niet kon zeggen, wát haar zoo onrustig
-en zenuwachtig maakte.
-
-Ze had ook wel oogenblikken, dat zij Mombreuil bijna haatte. Het was,
-of hij haar iets had afgenomen, of hij haar pijn had gedaan, als
-vijandig. Als een groote reus had hij opeens in haar kuische rust van
-meisje gestaan, en de stille, witte bloemen van haar ziel wreedelijk
-vertreden. Het was of hij een brand had ontstoken in haar kalm, heilig
-huis. Zij voelde vage, langzaam opgloeiende emoties in zich, die zij
-nooit gekend had, en die zachtkens opvlamden door haar lichaam, met
-onrustige rilling, als van koorts.
-
-Voor haar vader en voor nicht Joséphine probeerde zij het te verbergen,
-beschaamd voor haar zoo lief en bang geheim.
-
-Maar Wies was niet zoo gemakkelijk te misleiden. Zij begon aan allerlei
-kleine dingen te zien, dat Ellie niet meer het onbezorgde, vroolijke
-kind was van vroeger, en dat zij onder den indruk was gekomen van haar
-mooien, grooten broer.
-
-„Ik geloof heusch, Ellie, dat je een beetje verliefd bent op Maurice,”
-had ze haar eens, plagend, gezegd.
-
-En Ellie was doodsbleek geworden, en had van angst niet geantwoord. Ze
-had het zelf niet geweten. Ze zou het zichzelf, in haar groote
-onschuld, niet bewust zijn geworden, als haar vriendin het haar niet
-gezegd had.
-
-Nu keek ze Wies alleen maar ontzet aan, met groote, angstig starende
-oogen, zonder te ontkennen wat haar nu eindelijk zelf geopenbaard was
-als een zoo groot geluk en een zoo groote smart.
-
-Als een arm, wit vlindertje, dat een fel licht heeft gezien en
-blindelings, in wonder-zalige betoovering van zijn teêr lijfje,
-zenuwachtig wiektrillend rondbeeft om de verzengende vlam, zoo voelde
-Ellie haar maagdelijke ziel heenduizelen om het sombere vuur, dat blonk
-in de oogen van dien grooten, donkeren man....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Toen Mombreuil uit Indië terugkwam, was hij nog dezelfde van zes jaren
-geleden. Hij was uiterlijk wel veranderd, en zijn gezicht was gebruind
-door de zon, maar zijn innerlijk leven was nog altijd dat van vroeger.
-
-Zijn heldendaden in Atjeh waren daden van wanhoop geweest, omdat het
-leven hem zonder de genietingen, waaraan hij behoefte had, niets meer
-waard was, en hij er weinig om gaf, of hij het behield of niet. Toen
-hij, zonder fortuin meer, als gewoon koloniaal naar Indië ging, was het
-hem verder om ’t even geweest wat er gebeurde. In een soort
-stompzinnige verdooving had hij het misère-leven van troepensoldaat
-medegemaakt, telkens bij een gevecht met den vijand hopende dat er een
-eind aan zou komen, en in ’t hevigste gevaar loopende meer uit lafheid
-om zóó voort te blijven bestaan, dan uit dapperheid. Toen was het hem
-verbazend medegeloopen, zoodat hij er zelf verwonderd over was, en
-zonder dat hij er ooit op had gerekend, was hij officier geworden. Van
-dat oogenblik af was de hoop om nog ééns van het leven te genieten weer
-in hem teruggekomen. Genieten, dát was zijn éénige aspiratie. Hij had
-er nog lang niet genoeg van gehad, toen hij zoo bruusk uit zijn
-heerlijk jongelui’s leventje was weggerukt, en een ondragelijke, alles
-overweldigende honger naar genot had in hem gebrand, al die jaren in
-Atjeh, en had hem voor alle andere dingen verstompt en ongevoelig
-gemaakt. Hij wist heel goed, dat het niet waar was, wat zijn oom, en
-zijne moeder, en zijne zuster van hem dachten, dat het niet uit
-vaderlandsliefde, noch uit liefde voor de koningin was, dat hij er in
-den oorlog zoo op los had geslagen.
-
-Hij had volstrekt niets gevoeld van vaderlandsliefde, en de gedachte om
-te strijden voor de koningin was niet in hem opgekomen. Hij voelde veel
-te goed dat de Atjehers, die hij moest bevechten, geen vijanden van de
-koningin konden zijn, die haar kwaad zouden willen of haar haten, en
-dat zij maar een vage voorstelling konden hebben van die blanke
-vorstin, ver over de zeeën. Ook had hij nooit het overtuigend gevoel in
-zich voelen gloeien, dat hij voor het Recht vocht, en dat die dappere
-kerels, die zoo prachtig volhielden en toch hun eigen land verdedigden,
-werkelijk de natuurlijke vijanden van het hollandsche volk waren.
-
-Hij had gevochten uit wanhoop, uit pure vertwijfeling over zijn eigen,
-gebroken bestaan, zooals hij tegen iederen anderen zoogenaamden vijand
-zou gevochten hebben, bij wien hij kans had, een kogel te krijgen die
-aan zijn misère een einde maakte. En hij was eerlijk genoeg om zichzelf
-in ’t geheel niet den held te voelen, dien ze van hem maakten. Het
-hinderde hem zelfs, in de couranten zulke dolle dingen over hem te
-lezen na zijne buitengewone benoeming tot officier. Toen hij tweede
-luitenant was geworden, voelde hij zich genoegzaam gerehabiliteerd van
-de vroegere vernederingen, maar toch vond hij, dat hij er niet zoo veel
-verder mede was.
-
-Het leven op Atjeh vond hij verschrikkelijk, en het idee van eene
-plaatsing later ergens in Indië maakte hem de toekomst niet lichter.
-Hij miste er de dingen, die in Holland zijn natuurlijke omgeving waren,
-zijn amusementen van uitgaand jongmensch, zijn café’s, zijn
-boemelvrienden, zijn fijne restauraties, de chantants, en vooral de
-vrouwen. Van inlandsche vrouwen had hij instinctmatig een vreesachtigen
-afkeer gehad, zoo sterk, dat het hem onmogelijk was, er intiem mede te
-worden. Wèl had hij zoo nu en dan een kortstondige liaison met een of
-andere kampong-nonna gehad, omdat zijne hevige, van brute levenskracht
-overvloeiende natuur nu eenmaal niet lang kuisch kon blijven, maar het
-ware genot van vroeger vond hij er niet in terug, en hij deed het omdat
-er niets beters te krijgen was, zonder het intenze, er heelemaal in
-òpgaan van vroeger, toen het grandioze, volmaakt-zalig in vreugde
-wegzwijmelen met vrouwen hem zich bijna als een God deed voelen.
-
-Hij bekende het dan ook eerlijk, niet de meerdere beschaving, de omgang
-met de élite van kunst en intellect, en ook niet het klimaat deden hem
-zoo naar Holland terugverlangen, maar alleen de vrouwen, de fijne,
-blanke, zachthuidige vrouwen, waar zijn warm, onstuimig bloed van jong,
-krachtig man-dier heet naar verlangde, even smartelijk-fèl als een
-dorstende naar water in de dorre woestijn.
-
-En dat schrijnend, wee-brandend verlangen was in hem blijven gloeien,
-al de lange jaren door zonder hem ooit rust te laten. Het idee van weer
-een mooie blanke vrouw te hebben werd een soort van obsessie in hem, en
-maakte hem wel eens of hij dronken was. Het leven was hem niets meer
-waard zonder dat groote, zalige genot waar zijn sensueele natuur zoo’n
-onleschbare begeerte naar voelde, en in de wanhoop over zijn gemis,
-daar in dat land, waar blanke vrouwen onbereikbaar voor hem waren, deed
-hij in het gevecht als een krankzinnige, die den dood zoekt. Op een
-paar kleine schrammen na, kwam hij er altijd ongedeerd af, totdat
-eindelijk een klewang-houw van den vijand hem trof in den arm. Hij werd
-geëvacueerd en twee maanden in het hospitaal te Padang verpleegd. Toen
-de commissie hem afgekeurd had voor den dienst en hem voorschreef,
-direct naar Holland terug te gaan, was het voor hem als een droom. Hij
-kon het bijna niet gelooven. Alles, alles van vroeger weer terug! Weer
-terug in het heerlijke drukke leven van Holland, weêr loopen in volle,
-helderverlichte straten, weer lekker eten in goede restaurants, weer
-vrouwen zien, echte, blanke, europeesche vrouwen krijgen in je
-verlangende armen, en gezellig stiekem uitgaan in Amsterdam, met een
-mooi, blond wezentje aan je arm! Weer genieten, weer gelukkig zijn,
-weer meêdoen aan het heerlijke, hoog ademende leven van een groote
-stad, waar ál genot te krijgen is!
-
-Hij had brieven van oom Mombreuil gekregen, vol geestdrift over zijn
-gedrag, en enthoesiast over de koninklijke onderscheidingen, die hij
-had verdiend. Het huis van den oud-minister stond voor hem open, zijn
-rijtuigen en paarden waren tot zijne beschikking, en als hij geld
-noodig had, zou hij ’t maar te zeggen hebben. Alles was vergeven. Hij
-had den naam van de Mombreuils hoog gehouden, en in het geheele land
-doen weêrklinken, en hij kon verzekerd zijn, dat oom het nooit vergeten
-zou. De oude man bedankte hem zelfs voor zijne toewijding aan de zaak
-van het vaderland, en de dappere wijze waarop hij zijn leven had veil
-gehad voor zijne koningin.
-
-Er was iets in die brieven van den ouden Mombreuil, dat hem hinderde.
-Zijn oprechte natuur was te loyaal om niet het onware in zijn positie
-te voelen. Want hij wist zich volstrekt niet den geestdriftigen held
-van vaderland en vorstin, dien men met alle geweld in hem wilde zien.
-Die motieven, die iedereen hem toeschreef, had hij nooit zoo gevoeld.
-Maar in de groote vreugde over zijn nieuw, heerlijk leven vergat hij
-die teleurstelling. De hoofdzaak was, dat zijn oom, van wien hij
-trouwens toch eenmaal moest erven, hem genoeg financieel zou steunen om
-eens recht feestelijk de schade in te halen van zijn verloren jaren in
-Indië.
-
-En wat zou Wies blij zijn, die goeie beste zus, die hem altijd zoo
-trouw geschreven had en van alles op de hoogte gehouden van wat er in
-den Haag gebeurde!
-
-En die beste oude moeder, die zoo had geleden onder de vernedering toen
-hij koloniaal was, nu zou ze wel weer tevreden zijn, nu hij er weer
-heelemaal bovenop was.
-
-
-
-Wat heerlijk vond hij het, toen hij den eersten dag, als vrij, jong
-man, in zijn oude positie van Haagsch aristocraat, correct gekleed, met
-een goed gevulde portefeuille, weer in „de stad” liep. Dat was dan nu
-eindelijk weer eens het Leven.
-
-En zijn geheele zware, kommervolle, avontuurlijke bestaan van zes jaren
-in Indië leek hem als een korte, booze droom.
-
-Hij herinnerde zich nog zoo goed, of het gisteren was, dat hij hier
-liep, in dezelfde straten, langs dezelfde winkels, en met bijna al
-dezelfde menschen. Hoe goed kende hij ze nog, en hoe weinig waren ze
-veranderd. Precies dezelfde typen nog van vroeger. En het was, of dat
-misère-bestaan in Indië, onder al die vreemde, bruine menschen, maar
-een kleine interruptie was geweest, en hij zijn leven weêr op dezelfde
-plaats begon, waar hij het hoogstens een paar dagen geleden had
-afgebroken.
-
-Omdat hij zich in Indië, in zijn vreemde omgeving eigenlijk nooit thuis
-had gevoeld, was die geheele serie jaren daar, eenmaal voorbij, ook
-voor goed vergeten, maar hier, waar zijn eigen, oude, intieme thuis
-was, kwam ineens alles van vroeger terug, en hij had het wel kunnen
-uitschreeuwen van plezier, dat alles toch weer zoo keurig op zijn
-pootjes was terecht gekomen, en hij er weer heelemaal bovenop was, en
-nu weer terug in het leven, dat genieten was.
-
-Het duurde niet lang of hij had in „de stad” gevonden wat hij zocht.
-Johtje van den Berg was nu nét een meisje voor hem. Van „öffentliche”
-vrouwen hield hij niet, dat was hem te gemeen, en niet pikant genoeg.
-Maar zoo’n echt Haagsch, verleidelijk wezentje, zoo’n vroolijk
-burgermeisje, dat van een pretje houdt en voor haar eigen plezier met
-je meê gaat, omdat ze jong is en profiteeren wil, dát was voor hem je
-ware. Hij had het vroeger óók altijd gezegd, géén snolletjes, daar had
-je niets aan, maar een scharreltje, daar moet je ’t van hebben.
-
-En Johtje van den Berg was zeker wel ’t aardigste „scharreltje”, dat
-Maurice ooit was tegengekomen. Ze ging nog maar pas een half jaar
-„uit”, en was verleden maand pas negentien geworden. Een frisch, vol,
-blozend gezicht had ze, dikke, roode lippen, altijd een beetje
-half-open geplooid, als voor een kus, een mooie buste en flinke,
-stevige armen, een meid van melk en bloed, zwellend van jong, gezond,
-warm, naar genot langend leven. Dát was, waar Mombreuil behoefte aan
-had, aan een vol, welig, blank meisje, met veel dik, blond haar, en een
-prettig, jolig gezicht, dat gul en guitig lachte. Dat lachen vooral
-deed hem zoo goed, dat lachen van zoo’n mooien, roodlippigen,
-volbloedigen meisjesmond.
-
-Ze had hem, dadelijk toen ze hem in de Veenestraat zag loopen, een erg
-aardigen, mooien man gevonden, en toen hij haar met zijn donkere,
-fluweelige oogen een beetje lief aanzag, had zij moeten lachen, of zij
-wilde of niet. Zoo was ze hem een paar dagen tegengekomen, had tegen
-hem gelachen nu en dan, en eindelijk was ’t het gewone gangetje gegaan:
-zij nu en dan blijven staan voor een winkel, hij ook, even wat gekeken,
-wat gefluisterd, en toen samen in de Wagenstraat een zijstraatje in. Of
-ze eens meê uit ging een avondje? Ze kon zoo moeilijk, want ze was tot
-negen uur op het atelier, ze leerde voor modiste. Maar ze zou probeeren
-van avond. Om acht uur, op het Plein, bij het wachthuisje.
-
-Ze was gekomen, en nog denzelfden avond was ze zóó onder den indruk van
-zijn mooie, donkere oogen van charmeur, dat ze den eersten keer al
-dadelijk met hem meê was gegaan naar een kamer, op den Fluweelen
-Burgwal. En ze vonden hier allebei niets in. Ze vonden elkaar aardig.
-Ze waren verliefd op elkaar. Ze waren allebei jong en levenslustig.
-Waarom zouden ze dan niet van elkaar genieten?
-
-Mombreuil voelde dit absoluut niet als iets slechts. Het lag in de
-strooming van de natuur, vond hij. Hij voelde zich er juist heelemaal
-harmonisch van, en het deed hem goed, en bracht hem in weldadig
-evenwicht.
-
-Er was geen kwestie van leugen, of bedrog, of verleiding. Zij wist heel
-goed, dat zij een burgermeisje was, een „scharreltje” maar, met wie hij
-niet zou trouwen, maar zij vond het nu eenmaal prettig met nette
-„heertjes” uit te gaan, en pret te hebben. Thuis, waar ze met haar
-moeder armoedig leefde, in ééne nauwe, muffe kamer met een alkoof, en
-slecht eten kreeg, was het heusch zoo amusant niet. En nu had ze
-besloten, te genieten wat er te genieten viel, en had wel geweten wat
-ze deed. Maurice van zijn kant wist óók waar het op stond, en dat het
-maar een liaison van hoogstens enkele maanden zou zijn. Maar voor het
-oogenblik vond hij haar lief, en begeerlijk, en was hij gecharmeerd van
-haar. En zij van hém ook. Daarom namen zij elkaar, vrijwillig, omdat ze
-er trek in hadden en allebei van genot hielden. Heel eenvoudig.—
-
-En dit was eigenlijk de eenige vorm van liefde dien Mombreuil begreep,
-en waarin hij zich eerlijk, met alle intensiteit, kon geven. Hij hield
-niet van roerende, sentimenteele bespiegelingen en meditaties; daar was
-zijne natuur nu eenmaal niet op ingericht. Hij hield alleen van ’t
-genot van ’t oogenblik, zonder al te veel omhaal en combinaties, maar
-dán ook echt, alles eerlijk, franchement gegeven, en ook zoo
-teruggekregen. En in zekere mate werd hij dan ook aan een meisje
-gehecht, waarmede hij uit was, omdat ze hem genot gaf, uit eigen,
-vrijen wil, en hij haar daarvoor dankbaar was. Ook zou hij nooit
-ontrouw kunnen zijn aan één meisje, zoolang hij het met haar hield.
-
-En zóó was hij al heel gauw gehecht aan Joh, die zich zoo dadelijk aan
-hem had gegeven, en hem zooveel genot gaf, dat genot, voor hem nu
-eenmaal het allerhoogste levensgeluk dat hij kende, en waarin hij de
-volkomen bevrediging vond van zijn innigste en sterkste verlangens en
-aspiraties.
-
-Om geen aanstoot te geven aan familie en kennissen en het vooral niet
-aan oom Mombreuil te laten bemerken, ging hij bij voorkeur met haar uit
-in Amsterdam. Hoe in-gezellig was dat voor hem, die jaren lang
-liefde-honger had geleden, om met zoo’n frisch, jong ding in Amsterdam
-uit te gaan. Eerst ergens eten, en dan naar een operette, of een
-chantant, om eindelijk bij Kras nog wat te soupeeren. Het
-guitig-stiekeme, van daar in zoo’n vreemde stad, onder menschen, die je
-niet kennen, met zoo’n lief kind te zitten smullen, onder de witte
-gasgloeilichtballons van zoo’n restaurant. Al die drukte om hen heen,
-dat geroep, en geloop, ál dat brouhaha, en dáárin, tusschen al die
-vreemde, woelende menschen, het heel stille elkaar aankijken, met
-zacht-aangloeiend lijfsverlangen, van twee paar verliefde oogen! En dan
-dat idee van straks stilletjes naar een hôtel te gaan, zoo’n echt
-rendez-vous-tje voor ingewijden, op den Nieuwe-Zijds-Voorburgwal, en
-elkaar te omhelzen met lief-verlangende lijven....
-
-Dát was het hoogste moment van Mombreuils leven, dat nu eenmaal geen
-ander zóó genotvol kende. Wat was hij gelukkíg, dat hij dit weer terug
-had, dit ééne genot, waarnaar zijn lijf verlangen had geleden, zoo vele
-jaren lang. Het beving hem met een geluk, of hij er van sterven zou.
-
-En ééns op een morgen, om elf uur, toen hij pas van Joh kwam, die nog
-wat was blijven slapen in het Hotel, had hij het kunnen uitjubelen van
-geluk. Hij was de Kalverstraat doorgeloopen, die vol was van menschen
-en kwam opeens op het Sophiaplein bij de Munt. Hoe daar opeens alles
-openging, die zijstraten, naar ’t Rokin, naar de Doelenstraat, naar den
-Singel, naar de Reguliersbreestraat en de Vijzelstraat, hoe wijd en
-ruim werd alles opeens! En de zon die uit wolken te voorschijn kwam,
-scheen hem met volle glorie in het gelaat.
-
-Al dat licht, al dat geluid, al die drukte van het groote, heerlijke,
-ruischende Leven bedwelmden hem met een overweldigende verrukking.
-
-Toen was het hem, of in hém ook iets openging, of het warme, gloeiende,
-gezonde Leven, waarvan hij zoo boordevol was, al grooter en grooter in
-hem werd, en hij zijn eigen wezen wijd voelde uitdeinen, in goddelijken
-groei.
-
-O! De heerlijkheid voor hem, om ook een stuk van dat groote, om hem
-heen ruischende Leven te zijn, waarin het geluk zóó maar te krijgen
-was, voor wie maar grijpen dorst, om van te drinken met vele, volle
-teugen van genot!....
-
-
-
-Maar den Haag, en ook Amsterdam, zijn eigenlijk toch kleine steden,
-waar het heel moeielijk is, uit te gaan zonder door kennissen gezien te
-worden.
-
-Het duurde dan ook niet lang, of de oude heer Mombreuil kwam er achter,
-welke prouesses Maurice weer begon te maken. Hij was er al bang voor
-geweest, en was er eigenlijk al zoowat op voorbereid. Iemand, die
-zoolang ontbering had moeten lijden in Indië, en dan met zoo’n hevig
-temperament als Maurice!...
-
-Maar de minister wist er wel wat op. Het moest nu maar eens voor goed
-uit zijn, met die buitensporigheden van het jonge bloed. Het jonge
-mensch moest nu maar eens een geregeld leven gaan leiden; en als hij
-niet buiten een vrouw kon, welnu, dan moest er maar een vaste vrouw
-voor hem gezocht worden. Er was niets anders op. Het was de eenige
-redding voor hem. Maurice moest trouwen.—Hij moest een lief, jong,
-eenvoudig meisje trouwen, waar hij zich van zelf wel aan zou hechten,
-en die hem door haar goeden invloed wel in het rechte spoor zou
-houden.—
-
-Geen oogenblik dacht de oude aristocraat, versteend in de fossiele
-ideeën van een door en door bedorven maatschappelijke conventie, aan
-het schandelijke, in-gemeene, om een onschuldig, eenvoudig, ongerept
-meisje zoo maar samen te koppelen met een ervaren, savant viveur als
-Maurice, die al door zooveel dingen van het lagere leven was gegaan.
-
-Integendeel, hij dacht, dat hij nu precies in de natuurlijke orde der
-deftige, beschaafde, christelijke samenleving handelde, door Maurice te
-bewegen, een huwelijk aan te gaan met een meisje van stand, en daardoor
-als een fatsoenlijk, geposeerd man te gaan leven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-De oude Mombreuil verklaarde, in een ernstig gesprek, aan Maurice’s
-moeder, waar het op stond.
-
-Hij wilde het jonge mensch met al zijn invloed en met zijne financiën
-steunen, maar hij was niet van plan, zijn geld te laten verspillen aan
-de vrouwen. Maurice was nu acht en twintig jaar, en waarlijk oud genoeg
-om eens eindelijk een geregeld leven te beginnen. Er was door
-bemiddeling van invloedrijke vrienden eene betrekking voor hem open,
-als hij maar als een geposeerd, fatsoenlijk man wilde leven. Het
-tractement was nog wel niet hoog, maar daar behoefde Maurice zich niet
-ongerust over te maken. Zijn oude oom, van wien hij toch eenmaal moest
-erven, zou hem wel steunen en zorgen, dat hij goed voor den dag kon
-komen. Maar dat gepierewaai moest voor goed uit zijn, dat was de eerste
-en éénige voorwaarde. Maurice moest trouwen, en indien hij dit niet
-verkoos, trok oom, zooals hij dat noemde, de handen van hem af.
-
-Mevrouw Mombreuil had er weinig tegen in te brengen en, als een
-verstandige vrouw van de conventie, was zij het natuurlijk volkomen met
-den oud-minister eens, dat haar zoon zijn leven moest regelen door een
-fatsoenlijk huwelijk.
-
-Zij praatte er denzelfden avond nog over met Wies, en vertelde haar,
-hoe oom zijn huwelijk als voorwaarde had gesteld om hem financieel te
-helpen. Dat was een groote déceptie voor Wies. Het was nu net zoo
-heerlijk, een broer te hebben als chaperon, en nu, nadat ze nog geen
-zes weken van hem genoten had, wilden ze hem alweer van haar afnemen!
-Maar zij wist te goed, hoe Maurice van ooms genade afhing, om niet in
-te zien, dat er geen kwestie was van verzet. Maurice moest trouwen, dat
-stond vast, en het kwam er nu alleen maar op aan, een goed meisje voor
-hem te vinden. En toen mama haar vroeg, met wie van haar vriendinnetjes
-Maurice zich alzoo geöccupeerd had, viel het haar ineens helder in, wie
-dat meisje zou kunnen wezen.
-
-„Maar mamaatje!” riep ze uit, in de handen klappend over haar mooie
-trouvaille, „dat is al heel gemakkelijk. Weet u wel dat Ellie bepaald
-gecharmeerd is van Maurice?”
-
-Ellie van Taats! Dat was al een héél geschikte oplossing, vond de oude
-mevrouw. Was het mogelijk! Die kleine Ellie, dat vlindertje, verliefd
-op Maurice! Wie had dát kunnen denken! Het was net een goed vrouwtje om
-een wildzang tot rust te brengen. Lief, elegant, gedistingueerd, en
-toch eenvoudig, en zelfs naïef. Er was nu letterlijk geen kwaad áán
-haar, vond mevrouw Mombreuil. En ze had nog al wat geld ook, van haar
-gestorven moeder, en later nog te wachten van haar vader, die van zijn
-tweede vrouw flink had geërfd. Ze was wel niet van adel, maar dat was
-nu zoo heel erg niet, en de van Taatsen waren toch van goede familie.
-Er was geen liever en aardiger meisje voor Maurice te bedenken dan
-Ellie, en dat ze bovendien zelf al van hem gecharmeerd was, trof nu al
-buitengewoon.
-
-Den volgenden dag was de oude mevrouw Mombreuil al bij den minister om
-hem het groote nieuws te vertellen, dat ze een geschikt meisje voor
-Maurice had gevonden. Hij was er dadelijk erg mede ingenomen, en
-schreef een briefje aan zijn neef met verzoek, dien middag bij hem te
-komen, om over gewichtige zaken te spreken.
-
-Toen Maurice bij hem was, verklaarde de oud-minister hem met groote
-autoriteit, waar het op stond. Hij releveerde nogeens zijn heldhaftig
-gedrag op Atjeh, en bracht hem onder het oog dat het niet aanging, na
-de Koninklijke onderscheidingen, nu weer als een boemelend student te
-gaan leven. Alleen door een huwelijk was zijn leven te regelen. Op
-strengen, vaderlijken toon las hij hem de les, en verklaarde
-uitdrukkelijk, dat hij zijn beurs voor goed gesloten zou houden, als
-Maurice niet precies deed wat hij verlangde. Hij wilde hem voor het
-huwelijk geen meisje opdringen, dát vond hij onzedelijk, maar vroeg hem
-alleen ronduit, of hij Ellie van Taats een goede vrouw voor hem zou
-vinden.
-
-Maurice zag wel in, dat het nergens toe dienen zou, zich te willen
-verzetten. Oom had nu eenmaal het geld, en daar hield alles mee op.
-Alleen vroeg hij een paar dagen bedenktijd, om het eerst degelijk te
-overwegen.
-
-Hij praatte er thuis nog eens over met Wies, die hem vertelde hoe zij
-gezien had, dat Ellie van ’t eerste oogenblik af op hem verliefd was,
-en hoe vol bewondering zij over hem sprak.
-
-En hij zag dat er hem niets anders overbleef, dan aan oom te
-gehoorzamen. Hij had Ellie altijd een heel lief meisje gevonden, al was
-ze een vreemd leven voor hem, ver buiten zijn sfeer. Hij kon zich ook
-absoluut niet meer indenken in zoo’n meisje als Ellie. Wèl vermoedde
-hij, dat het iets veel hoogers en beters was, dan hij ooit had kunnen
-droomen, iets dat voor hém misschien veel te goed en te rein was, maar
-hij besefte niet, hoe broos en breekbaar zoo’n meisjeszieltje was van
-essentie. Hij dacht, dat het wel terecht zou komen, als hij maar
-eerbiedig en galant tegen haar was, en dat hij, als ze maar eenmaal
-zijn vrouw was, haar wel nader zou komen, en vertrouwelijker met haar
-zou kunnen omgaan. Nú had hij nog maar een vage teederheid voor haar,
-met een beetje medelijden vermengd, omdat ze nog zoo’n kind bleek te
-zijn. Dat ze zoo dadelijk verliefd op hem was geworden, verwonderde hem
-niet, en streelde hem niet eens zoo bizonder. Het was iets heel
-natuurlijks voor hem. Hij was nu eenmaal een mooie man, en van zijn
-vroegste jeugd af aan had men hem „le beau Maurice” genoemd. Zonder er
-bepaald trotsch op te zijn, of er mede te affecteeren, had hij vroeger,
-in zijn goeden tijd, als een pacha altijd de hulde van meisjes en
-vrouwen aangenomen, als iets dat van zelf sprak. En dat Ellie nu op hem
-verliefd was, vond hij volstrekt niet zoo’n groote conquête. Physiek
-was zij zijn „genre” niet eens. Hij hield niet van die kind-meisjes,
-die nog zoo onnoozel zijn, en nog zoo vaag van vormen, en waar je den
-eersten tijd maar zoo weinig aan hebt. Hij kon er ook nog zoo slecht
-mede omgaan, en je moest altijd zoo voorzichtig zijn, dat je haar niet
-verschrikte met een verkeerd woord, of gebaar.
-
-Maar er was nu eenmaal niets aan te doen geweest. Hij moést trouwen,
-had zijn oom gezegd, daar stond hij op. En oom had het geld. Daar viel
-weinig tegen te redeneeren. Oom vond Ellie nu eenmaal een geschikt
-meisje voor hem. Wel is waar was ze niet van adel, maar dat was juist
-wel goed, want om haar in de aristocratie te doen komen, zou papa van
-Taats eerder over een minder glansrijke periode in Maurice’s leven
-heenzien. Ze was een lief, onschuldig jong meisje, had oom gezegd, die
-juist een verzachtenden, veredelenden invloed op hem zou uitoefenen. En
-ze had ook wel wat geld ook. Dus het moest Ellie zijn, Ellie en geen
-ander. En Maurice had er verder niets tegen ingebracht. Als hij toch
-moest trouwen, was het hem vrijwel om het even, of het met Ellie van
-Taats was of met een andere. En hij vond haar gedistingueerd en
-aristocratisch genoeg om eene mevrouw Mombreuil te worden.
-
-Maurice was zoo ingeroest in de heerschende Haagsche begrippen, dat hij
-er volstrekt niets slechts en ignobels in zag, met een meisje
-geëngageerd te zijn, waar hij eigenlijk niet van hield. Zelfs vond hij,
-dat het wel degelijk een eer voor haar was, zijn verloofde te zijn, en
-eene Mombreuil te worden, al was hij te veel gentleman, om dat ooit te
-laten bemerken.
-
-Hij had haar altijd met een hartelijke, welwillende vriendelijkheid
-behandeld, meer als een goed, argeloos kind dan als een vrouw, met iets
-medelijdends, omdat ze nog zoo naïef was, en nog zoo weinig van het
-leven wist. Hij verwonderde er zich dikwijls over, dat ze in sommige
-opzichten nog zoo onnoozel was. Van een Haagsch meisje had hij dat niet
-verwacht. En eigenlijk hinderde het hem een beetje. Hij hield niet van
-ingénues. Dat werd later altijd zoo lastig. En hij kon zich zoo
-verbazend moeilijk in zoo’n wezentje verplaatsen, hij, die zooveel
-ervaring had, en zoo goed wist, wat nu eenmaal het leven was!
-
-Het speet hem erg voor Joh. Die goeie, beste meid, waar hij zoo’n
-innigen lol mee had gehad! Die zou hij nu natuurlijk er aan moeten
-geven. Oom, die nu eenmaal van zijn liaison met haar afwist, zou hem
-den eersten tijd natuurlijk wel in de gaten houden. En er viel niet met
-hem te spotten. Het was een kwestie van to be or not to be.
-
-Hij ging naar oom Mombreuil, en zeide hem, dat hij, na rijp nadenken,
-alles zou doen wat hij van hem verlangde, en voortaan een geregeld
-leven zou trachten te leiden. En hij vroeg zijn oom tevens, den ouden
-heer van Taats eens te gaan polsen over het plan.
-
-
-
-Wies was den volgenden morgen al heel vroeg bij Ellie, om haar voor te
-bereiden op het groote nieuws. Het was nog vroeg, en Ellie was juist
-uit haar slaapkamer in haar boudoir gekomen, waar zij altijd ’s morgens
-vroeg haar kop chocolade dronk.
-
-„—Alweer groot nieuws, Ellie!” riep Wies, „nu raad je nooit wat ik je
-te vertellen heb!”
-
-„—Nu? Wat dan? Is het héél gewichtig?”
-
-„—Héél, héél erg, hoor!.... Maar je kunt het tóch niet raden..... Het
-is iets van Maurice!...”
-
-„—Van Maurice!....”
-
-En Wies zag, dat Ellie erg schrikte, en bleek werd.
-
-„—Ja, van Maurice!” zei ze, een beetje plagend... „nou kijk maar niet
-zoo verschrikt.... er is geen ongeluk met hem gebeurd, hoor!....
-héélemáál niet.... maar je raadt nooit wat hij doen wil....”
-
-„—Nu, wat dan?....”
-
-„—Hij wil gaan trouwen!”
-
-Ellie keek haar aan, met groote, starende oogen. Ze vroeg niet eens met
-wie. Het was haar zoo inééns overvallen, dat ze niet spreken kon.
-
-En Wies vertelde dóór.
-
-„Ja, hij gaat trouwen... met een héél lief meisje... het liefste meisje
-van den Haag.... lichtblond haar heeft ze, en erg zachte, blauwe oogen,
-die niet zoo verschrikt mogen kijken, want daar zijn ze véél te mooi
-voor.... ben je nu niet nieuwsgierig?.... weet je nu nog niet wie het
-is?.... Maar hij heeft het zelf nog niet durven zeggen.... dat is niets
-voor hem, zulke dingen... hij kan beter vechten en heldendaden doen....
-maar vandaag of morgen komt oom Mombreuil er al over spreken met den
-papa van het meisje.... weet je ’t nog altijd niet, wie het is?.... ze
-zit toch zoo héél dicht bij me, hier, in dit mooie boudoirtje....”
-
-„—Wies!”
-
-Ellie stond op, en knielde bij Wies neer op een pouf, met de handen
-smeekend opgeheven. Haar oogen keken heel bang, als van een verschrikt
-vogeltje.
-
-„—Wies!.... het is toch niet waar, hè?.... je maakt maar een grapje,
-hè?.... het is toch niet voor mij, hè, dat Maurice komt.... dat kán
-immers niet.... wat zou hij aan mij kunnen vinden.... ik, zoo’n arm,
-klein vlindertje maar!....”
-
-Wies kuste haar op de wangen, en nogeens, en nogeens.
-
-„—Het is voor jou, hoor!.... jij wordt het vrouwtje van Maurice,
-heusch, en dan word je mijn lief mooi zustertje meteen!.... maar waarom
-kijk je nu zoo verschrikt?....”
-
-Toen legde Ellie het hoofd in haar schoot, en zei heel zacht, of ze
-meer in zichzelve sprak dan tot Wies:
-
-„Ik kán het bijna niet gelooven dat het waar is.... en toch heb ik het
-al voelen áánkomen... ik ben zoo gelukkig, zoo heel gelukkig.... maar
-ook zoo bang, zoo bang.... ik ben somtijds zoo heel bang voor het
-geluk....”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den
-laatsten avondtrein, vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe
-kende hij de kleine, roze envelopjes, waar haar lievelingsparfum hem
-uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van Violettes de Parme!
-Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor
-morgen.
-
-
- Beste Pim!
-
- Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het
- publiek te maken. Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult
- het niet kunnen gelooven. Hij, de held van Atjeh, de groote, sterke
- held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En toch is het heusch
- waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig zijn
- met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15en, is er een klein
- dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom
- je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent?
-
- Je liefhebbende zusje
-
- Ellie.
-
-
-Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de
-letters, en wist wel de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog
-niet heelemaal in hem doordringen. Nog eens goed overlezen.... Nu nog
-eens... hárd op, heel duidelijk....
-
-Maar dat kan toch niet.... welneen, verbééld je nu eens, dat is toch
-immers onmogelijk.... het is te dol.... Ellie geëngageerd.... Ellie,
-zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, zijn fijne, broze,
-blanke vlindertje.... geëngageerd.... trouwen.... trouwen met een
-man.... hoor je, met een man.... met een man trouwen.... met een
-man.... een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich
-alleen, héél haar leliewitte, mysterieus reine maagde-lijfje.... een
-mán....
-
-
-
-En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit
-de innigste, heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was,
-stuipte het in hem op, en uitte zich in een hoogen gil van angst en
-vreugde:
-
-Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.... want zij is van mij, van mij,
-en niemand anders.... ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel
-die groote, groote wereld.... en zonder haar is er niets meer....
-
-En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de
-stem van een ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde,
-verschrikkelijke tijding:
-
-„Maar ik heb haar zelf lief!.... Ik heb haar lief, mijn God!....”
-
-
-
-En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde
-nieuws, dat uit die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo
-plotseling omhoog was gerezen, hel en onverwacht, als een opgebliksemde
-vuurpijl in den nacht.
-
-Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten
-hebben, als daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was
-gekomen, en gegrepen had naar het allerlichtste en liefste van zijn
-ziel.
-
-Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo
-van-zelf-sprekend, zoo altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er
-het eindelooze en zéér bizondere geluk niet eens geheel van beseft had.
-Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk met zijn gansche
-leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die zich
-zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel
-als de lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne
-oogen, dat hij opnam, zonder te weten, van-zelve, in de onbewustheid
-van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, dat zij ooit uit zijn
-leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen zijn,
-en het daglicht niet meer zien.
-
-Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd
-zijn, en geëngageerd raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het
-zelf te gelooven, en nooit er ernstig over denkende, dat het nog eens
-werkelijk zou kunnen gebeuren.
-
-En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend
-voor zijn verbaasde oogen. Hier stond het, in sombere, zwarte letters,
-door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare realiteit,
-plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven.
-En hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in
-zijn ziel:
-
-„Ze gaat van je weg.... Ellie gaat van je weg, naar een ánder....”
-
-Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart.
-
-„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van
-mij geweest. Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke,
-gouden, blonde haar, en haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine
-kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar ze zijn toch van mij, van mij
-alléén.... ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er toch altijd meê
-geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel....
-hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.... het is
-toch een deel van mijn eigen wézen.... neen, het kán niet, het kán
-niet.... dat gáát toch maar zoo niet....”
-
-En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing
-over de allergewichtigste ontdekking, die nú eerst geopenbaard:
-
-„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.... maar dan is ze ook
-niet alleen maar mijn zuster geweest.... en dat kon ook niet.... want
-als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook in ’t gehéél geen
-zuster van me.... ze had een ánderen vader, een andere moeder.... o
-God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik
-haar lief, heb ik haar lief, heb ik haar lief!....”
-
-Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren
-angst, dat hij haar verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde,
-toen hij opeens den rijkdom zag van zijn ziel.
-
-Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te
-weten? Had hij dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor
-Ellie met zich rondgedragen als een kostbaren schat, dien niemand, ook
-hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan rijk geweest, wat was hij dan
-vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot en volheerlijk
-van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls
-klein en nietig dacht!....
-
-Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van
-zijn ziel, toch had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht,
-waarvan hij zooveel in boeken las, toch had hij nooit gebeefd en zijn
-hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds kuste, en had hij nooit
-de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.... En in het even denken
-hieraan voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet
-met een profane gedachte.
-
-Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het
-láátst?
-
-Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een
-vrouw te voelen, was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den
-fellen gloed, waarin passie uitslaat, en was zijn ziel te schuchter en
-te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht is?
-
-Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was
-opgebloeid uit louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide
-aan hare voeten, van kuische witte bloemen, waar géén winde-adem zucht?
-Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle aanbidding het opwellen
-van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt?
-
-Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets
-anders voor Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme
-vriendschap.
-
-Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig
-man, en het denkbeeld flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon
-begeeren en de zware handen leggen op haar lief, blank lijf van meisje,
-nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn hoofd, en een
-felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden.
-
-Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren
-gezien had, hij dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen
-half-open, als vragend om een kus, en alles van haar, de vage welving
-van haar borst, het blanke, zachte vleesch van haar hals, het lichtte
-opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht.
-
-„Maar dat is van mij, van mij,... van mij,” riep hij angstig in de
-stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in hem op, de tranen
-stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als van
-koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen
-sluimer eindelijk gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een
-duizeling van al zijn bloed het groot menschen-verlangen in hem
-opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles om hem
-heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge
-armen uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het
-liefelijk, eindelijk begeerlijk geworden beeld te omvatten van zijn
-Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem was geopenbaard....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
-Toch had Pim zich heel goed gehouden, na die felle uitbarsting in zijn
-ziel.
-
-Hij was den volgenden ochtend naar Ellie gegaan, en had haar, met zoo
-vroolijk mogelijke stem, hartelijk gefeliciteerd.
-
-Maar met die fijne intuïtie, die een meisje heeft, had ze gevoeld dat
-er iets haperde, en heel bezorgd gevraagd:
-
-„Je vindt het toch ook wel heerlijk, Pim? Je voelt je toch ook wel
-gelukkig?”
-
-Hij had geen ja geantwoord, dat kon hij niet; maar om zijn pijn te
-verbergen, had hij een quasi-pruilenden toon aangenomen, en gezegd, dat
-hij nu verwaarloosd zou worden, dat hij zijn gezellige half-uurtjes
-niet meer hebben zou in haar boudoirtje, en hij nooit meer mede zou
-mogen om boodschappen te doen, of samen met haar te lunchen in
-Scheveningen.
-
-Toen had ze hem uitgelachen, en een bedorven kindje genoemd, en hem
-gezegd, dat hij altijd de oude Pim zou blijven, altijd en altijd, en
-niets te kort zou worden gedaan. Hij bleef toch immers haar broer? Daar
-werd toch nooit iets aan veranderd, al was ze nu geëngageerd?
-
-Ze had hem nu juist heel erg noodig, want er kwam nu van alles te doen.
-En hij moest helpen adressen schrijven op verlovingskaarten.
-
-„Overmorgen is er een diner, voor heel intiemen,” zei ze, „en dan kom
-je op den gewonen tijd om vijf uur in mijn boudoir, hoor, net als
-vroeger, om me te laten zien dat er niets veranderd is. Ik heb een
-nieuw costuum aan, dat je ’t éérst zien moet.... dat zou Maurice nog
-niet eens mogen, zoo heel intiem alleen in mijn boudoirtje komen.... ik
-réken er op, hoor!”
-
-Hij had niet durven weigeren en had beloofd te komen. Hij voelde dat
-hij zijn pas aan hem bewust geworden geheim van liefde altijd voor haar
-moest verbergen, om toch vooral háár geluk niet te storen.
-
-En den volgenden dag om vijf uur kwam hij in ’t boudoir, als vroeger,
-of er niets gebeurd was.
-
-Even keek hij rond. Niets was veranderd, alles stond nog als vroeger,
-even teêr, even intiem.
-
-Dáár ging de deur open.
-
-Een licht frou-frou van rokken, en ze stond voor hem, opeens, als een
-verschijning van droom.
-
-Zoo teêr, zoo heel blank en bloode, in haar costuum van witte
-chineesche zijde, dat zachtjes tintelde van zuiveren glans!
-
-Heel eenvoudig was ze, als een kalm kind, met de lage, afzakkende
-mouwtjes, en over beide schouders een parelsnoertje, alsof de japon
-daaraan hing. Dat gaf iets heel broos en luchtigs, alsof die witte
-zijde zonder zwaarte was, en al dat glanzende en lichte los om haar
-droomde, als een wade van licht.
-
-Hoe kinderlijk was ook nog haar hoofdje, al was het fijne, blonde haar
-deftig gekapt, met een wit struisveeren kopje. En in welke zaligheden
-van onschuldige onbewustheden lachten haar blauwe oogen, glanzende van
-haar ziel!
-
-„Ziezoo, hier ben ik,” zeide ze vroolijk. „Ben ik nu niet mooi, Pim?
-Draagt mijn toiletje je hooge goedkeuring weg? Vin je ’t goed zoo, die
-kanten berthe om ’t décolleté, en diezelfde kant geïncrusteerd op mijn
-rok! Mooie kant, hè, en allemaal echt, uit Brussel! Ik had eerst het
-corsage ruimer willen nemen en dan schuin gesloten, met een chou van
-wit satijn lint, en dan dikke, witte bloemen geborduurd op den rok.
-Maar zoo vond ik het toch nog beter.”
-
-Pim zeide niets. Hij had haar maar stil aangezien, en had opeens een
-vreemde droefheid gevoeld.
-
-Zoo blank, zoo blank, zoo blank....
-
-Haar blanke hals, haar kuische borst van maagd-meisje, weifelend en
-vaag als een droom, in een éven-opwelving, een ronding van broze
-teederheid, het deed hem aan met een droevige ontroering.
-
-Er was in die blankheid iets dat hem sloeg met een stille ontzetting,
-een angst, dat deze teederheid zich zoo toonde in weerlooze naaktheid
-van onschuld, en dat één adem die reinheid zou besmetten.
-
-Neen, dit is te fijn, dacht hij, te zwak, te broos, dit kán niet zoo
-maar in het Leven gaan, het zou breken. En toch....
-
-„Nu, Pim? Zeg je niets?” vroeg ze ongeduldig.
-
-Toen zag ze ineens dat hij heel bleek zag. Zoo bleek, en zoo vreemd, en
-zoo oud ineens....
-
-„Wat is er Pim.... Ben je ziek?....”
-
-En bezorgd boog ze zich over hem heen, waar hij gedoken zat in een
-fauteuil, of hij van iets erg moe was, en legde haar wit geganteerde
-hand op zijn voorhoofd.
-
-„Niets, Ellie, niets,” zeide hij zacht, „ik weet zelf niet wat het is.
-En ik vind je costuumpje prachtig, hoor! Ik ben alleen een beetje
-zenuwachtig, van de emotie, weet je, dat je nu straks aan de menschen
-zult vertellen dat je geëngageerd bent. Dat komt me nog zoo vreemd
-voor. En ik kan het nog bijna niet goed gelooven!”
-
-„—Malle jongen, is het dáárvan? Nu, daar behoef je niet zenuwachtig om
-te zijn. Het is toch niets dan geluk? Is het geen geluk voor me dat
-Maurice me heeft willen hebben? Hij, zoo’n groote, mooie held, zoo’n
-ridder, en ik, zoo’n héél gewoon, fladderend vlindertje?”
-
-Hoe enthoesiast zei ze dat weer, „zoo’n groote, mooie held!” Wat moest
-ze van hem houden!
-
-„—Heeft willen hebben!” antwoordde hij, zacht-verwijtend. „Hij mag blij
-zijn. Het liefste, mooiste meisje van den Haag! Wie zou te goed zijn
-voor mijn Ellie? Kijk eens in den spiegel en zeg dan eens of het waar
-is of niet!”
-
-Lachend keek ze. En heimelijk vond ze dat hij gelijk had. Ze zág er
-lief uit, allerliefst, dát moest ze toegeven.
-
-„—Ja Ellie,” schertste ze koket tegen het beeld in den spiegel. „Het is
-waar, je mag gezien worden, al zeg ik het zelf. En die groote held zal
-zijn kleine vrouwtje nog niet zoo heel kwaad vinden, hoop ik. Denk jij
-ook niet, Pim?”
-
-„—Ik denk dat hij al een heel erge held zal moeten zijn om mijn Ellie
-waard te wezen.”
-
-„—Maar waarom kijk je nu zoo ernstig? En je bent zoo bleek. Is er wat,
-Pim? Waarom zeg je het dan niet?”
-
-Toen kon hij zich niet meer inhouden en barstte los.
-
-„—Er is eigenlijk niets, Ellie, dan iets heel vreemds. Maar ik zal het
-je zeggen. Ik kan nu eenmaal niets voor je verbergen, dat weet je wel.
-Het is misschien heel gek, maar je moogt er niet boos om zijn. Ik ben
-bedroefd, dat je de oude Ellie niet meer bent. Dat je verliefd bent op
-iemand. Niet omdat het Mombreuil is. Als het een ander was zou het net
-eender zijn. Ik wou dat je nog net zoo was als vroeger. Als ik je zoo
-vóór me zie, zooals nu, zoo heelemaal blank en wit, zoo met al de
-vriendelijkheid van je oogen, en den glans van je haar, dan vind ik je
-toch zoo’n heel apart, bizonder wezentje, al weet ik dat je maar heel
-gewoon bent, zoo apart en bizonder voor mij alléén dan ook. Ik vind je
-dan véél te goed voor wien ook, véél te goed voor het Leven. Ik wou
-dan, dat je maar altijd een meisje kon blijven, en nooit trouwen, en
-nooit ouder worden, altijd blijven zooals je nú bent, en nooit, nooit
-veranderen. Ik vond het zoo heerlijk en zoo goed, zooals het was. En
-dat zal nu allemaal weggaan....”
-
-„—Arme Pim,” zeide ze medelijdend. „Trek je je dat zóó aan? Maar ik
-vind juist, dat ik nu pas begin te leven, nu ik van Maurice ben gaan
-houden. Ik voel me nu juist of ik eigenlijk pas geboren ben, en
-eigenlijk nooit bestaan heb voor dien tijd. Je wéét dat zoo niet, Pim,
-omdat je het nog niet kent.”
-
-Hij was op het punt om het uit te gillen, dat hij het kénde, o! dat hij
-het zoo héél, héél goed kende, al was het hem pás geopenbaard. Maar hij
-hield zich goed.
-
-„—Ik ben nu zoo gelukkig, Pim,” ging ze voort. „Veel gelukkiger nog dan
-vroeger. Ik zou altijd kunnen zingen van geluk. En nu moet je niet
-bedroefd zijn om mijn geluk. Ik ben toch je zuster. Jij moet toch ook
-blij zijn als ik gelukkig ben.—Straks aan tafel zal pa aan al de
-kennissen zeggen, dat ik het aanstaande vrouwtje ben van Maurice. Ik
-ben eigenlijk een beetje verlegen, dat ze dat dan allemaal zullen
-weten. Maar toch ook zoo blij, zoo blij! Kom, laten we nu maar vast
-naar beneden gaan. Ze zullen nu wel gauw komen. Wil je mijn langen
-mantel even naar beneden dragen? We gaan misschien nog wat in den tuin
-na het dessert. En hoe vind je mijn nieuwen witten waaier? Een
-cadeautje van hém....”
-
-En ze wuifde zich even wat koelte toe met den ivoren, beschilderden
-waaier. Zachtjes bewogen wat losse gouden haren uit haar kapsel, en het
-struisveeren kopje trilde en trilde....
-
-En in zijn hart beefde het van ingehouden smart. Hoe ze daar stond in
-haar witte blankheid, zoo teêr als een bloem met haar lucht, rank
-kinderfiguurtje, zoo heelemaal niet iets voor het Leven, want véél,
-véél te broos....
-
-„—Ellie,” zeide hij ernstig, „je kent toch wel dat mooie vers van
-Heine:
-
-
- „Du bist wie eine Blume
- So schön und hold und rein;
- Ich schau dich an und Wehmuth
- Schleicht mir ins Herz hinein?”
-
-
-Ze begreep hem niet.
-
-„—O ja, een mooi vers. Waarom?”
-
-„—Omdat ik het nu ineens zoo heel erg voel, dat vers, nu ik jou daar
-zoo zie staan, Ellie.
-
-
- „Mir ist als ob ich die Hände
- Aufs Haupt dir legen sollt,
- Betend dass Gott dich erhalte
- So schön und rein und hold.”
-
-
-De tranen stonden hem in de oogen, en zijn stem beefde.
-
-Maar ze was te veel het Vlindertje om het allerfijnst mooie van het
-vers te begrijpen. Ze voelde alleen, dat Maurice straks komen zou, en
-dat ze naar hem verlangde, verlangde, verlangde.
-
-Maar waarom beefde Pim nu zoo? En kijk, er rolde een traan over zijn
-wang, dien hij gauw afveegde....
-
-„—Dat vers doet me zoo aan,” zeide hij. „Je weet, hoe gevoelig ik ben
-voor verzen. En nu ik op het punt ben om mijn zuster te verliezen....”
-
-„—Maar ik zal toch altijd je zuster blijven,” troostte ze. „Wat dacht
-je nu? Al ben ik nu honderdmaal geëngageerd, daarom blijf jij toch Pim
-voor me. Hoe kom je dáár nu aan. Dacht je, dat ik ooit zonder Pim zou
-kunnen leven, jongen, en dat ik hem ooit zou vergeten....”
-
-„—Je moet denken, Ellie, ik heb niet veel, behalve jou. Jij bent alles,
-wat ik heb op de wereld, dat weet je wel. En als jij ooit van me werd
-afgenomen....”
-
-Hij kon niet doorgaan. Hij kon zich absoluut niet voorstellen wat zijn
-leven ooit zijn zou zonder háár.
-
-„—Malle jongen! Wie wil je nu iets afnemen? Toe, geef me een arm, dan
-gaan we heel deftig naar papa beneden. Nu ben jij nog mijn cavalier,
-hoor, en als Maurice er niet is, neem ik je dadelijk in beslag.”
-
-Gewillig nam Pim den langen, wit-bonten avondmantel over zijn
-linkerarm, en gaf den rechter aan Ellie, als zoovéél keeren vroeger.
-Maar inééns bedacht hij zich, hoe heerlijk het zou zijn als zij als
-zijn verloofde eens zoo naast hem liep, en straks de gasten het nieuws
-eens hoorden, dat hij de bruidegom zou worden van het ranke, blanke
-meisje aan zijne zijde.
-
-Beneden hoorde hij al stemmen roezemoezen in de gang. Er waren zeker al
-menschen gekomen. De feestvreugde zou zóó beginnen.
-
-En het was hem opeens bij het langzaam afdalen van de trap, of hij haar
-nu van de sfeer, waarin ze altijd voor hem geleefd had, naar de ruwe
-werkelijkheid geleidde, naar het harde, meêdoogenlooze leven, waar de
-droom niet was, waar heel gewoon een man een maagd-meisje wachtte, om
-haar, fijn, broos, melkblank kind, te nemen in zijn ruwe, sterke armen,
-zonder medelijden, zonder vrees voor het heilig mysterie, dat haar
-omhulde, om haar te maken tot zijn vrouw, zooals zoovéél andere meisjes
-de vrouwen worden van anderen, heel gewoon en natuurlijk....
-
-Dáár stond Mombreuil al beneden in de gang. Hij hoorde zijn diepe stem,
-hij zag zijn groote, forsche gestalte van sterken man, en zijn dikke,
-zwarte wenkbrauwen, en zijn grooten, zwarten knevel....
-
-De mán van Ellie.... de mán.... voor dit ranke kind-meisje de groote,
-zware, donkere màn....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
-Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving
-van Ellie van Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het
-eene verrassing. „Het Vlindertje” geëngageerd, wie had dat ooit
-gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh!
-
-Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t
-Kurhaus, en werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen.
-Er was dan ook iets bizonder romantisch in, hen zoo gearmd te zien
-loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met die rechte, militaire
-houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten knevel,
-en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke
-zachtheid, met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte
-viooltjes, en het glanzend goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in
-het zich toeneigen van het teedere, zachte en lichte van kind-meisje
-naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand hen zoo
-samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar
-neêrziend, zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde
-hij, hoe gemakkelijk het hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen
-te breken, als een ranke bloem, met één hardheid te knakken voor
-goed....
-
-In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel
-menschen waren, om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de
-menschen moesten zien, hoe zij was uitverkoren, en hoe die groote,
-mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje als ze was, uit
-allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede
-men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van
-vrienden en kennissen.
-
-Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met
-hem alleen te zijn.
-
-Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch.
-
-Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er
-hoe langer hoe meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich
-langzamerhand meer verwant gevoeld aan de natuur, sedert de liefde in
-haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die aan den hemel
-voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en
-keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die
-zij nooit had gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch
-voelde zij zich nu véél meer thuis dan vroeger aan het strand, in al
-die drukte van menschen, of in het Kurhaus.
-
-Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem
-samen in dat groote, groote Bosch. De zomer begon al zacht te
-verdroomen in den herfst, en de laatste, lage zonnestralen maakten de
-boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een nieuw, heerlijk
-land, waar zijn hand haar voortleidde door een droom van geluk, die
-altijd zou duren.
-
-„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,”
-had ze eens tegen hem gezegd.
-
-Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust.
-
-Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en
-hoffelijk als een ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het
-heel voorzichtig, zonder hartstocht, als was hij bang, haar te
-verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk gebabbel, en
-als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn
-eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh.
-Dan werd ze dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde,
-waarin hij gestaan had, en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te
-voelen dat hij er heusch nog was.
-
-Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten
-eerbied voor haar gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren
-kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige ontmoetingen. En naarmate
-die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid grooter
-worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had
-verzocht, om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte er pas goed
-de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe
-weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven.
-
-Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend,
-en wat hij van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de
-vrouwen uit zijn studententijd hem konden geven, en wat hij nu pas weêr
-met Joh had doorgemaakt.
-
-Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie
-woonde, dat te rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven
-aanraken, en waar hij vèr van behoorde te blijven, als hij geen misdaad
-wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, maar er wás iets aan Ellie,
-en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende liefde voor hem,
-dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol met
-haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid,
-wetend, al wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was
-zooals ’t behoorde, en hem iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en
-dat hij niet mocht aannemen, als hij een eerlijk man was.
-
-Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan;
-zijn aanleg en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner
-emoties vatbaar gemaakt dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu eenmaal
-niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut
-niet wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij
-doen ging door zich met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker
-voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie in haar leefde, dat hij niet
-waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op te wellen, dat
-langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder
-bewustzijn.
-
-Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit
-meisje hem in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij
-was, en wie hij geweest was. Hij wist dat hij door veel te veel dingen
-was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke Liefde te kunnen voelen,
-die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig voor zijn
-begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte,
-hij eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen
-gezien had, dat hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als
-toen met de anderen, zijn groote, ruwe handen zou slaan om haar teêr,
-maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen met dezelfde kussen,
-die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. En hij
-voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een
-misdaad zou zijn.
-
-Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat
-hij enkel maar vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten
-zijn sfeer, daar was hij toch geen man meer voor, dát wist hij zeker.
-Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij te veel meêgemaakt.
-
-Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig
-naar haar verlangde, naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat
-hij het toch op den duur niet zou uithouden, die onthouding, die hij
-zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had zich goedgehouden, en
-zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij toch
-bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou
-het dan voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest
-kussen, na een nacht van wilden hartstocht met eene andere?
-
-Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in
-hem liefhad, was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en
-met al de dingen van zijn verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens
-voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet liefhebben. En hij begon
-zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, en
-die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast
-haar zonder iets te zeggen, met het groote berouw opwellend in zijn
-hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar eerlijk alles
-te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal
-Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het
-engagement verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die
-mooie reine liefde, die Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en
-grooter zag worden. Als hij haar een arm gaf, deed hij het licht en
-voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor hem was, en
-als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat
-zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild
-beest, en bang, haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine
-lippen. En ook in hém trilde een bevende ongerustheid, een onbestemde
-vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar dit heen zou moeten op
-den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als geluk, van
-een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die
-groote teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld.
-Voor ’t eerst in zijn leven vermoedde hij het heilig mysterie van het
-Meisje en voelde hij met een vaag berouw, dat hij in zijn wilde leven
-van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk was van wezen.
-
-Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar
-reinen invloed werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was
-juist het bewustzijn in hem gekomen, dat hij niet mocht aannemen, waar
-hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde hem elken dag met
-grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf te
-redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven.
-
-Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid
-en zwijgen aan voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor,
-dat hij zoo heel voorzichtig met haar deed, want, al verlangde zij er
-heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd wat bang, als hij dicht
-bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen op haar
-zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een
-gloeiing, bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch
-verschrikkelijk, en zij had kunnen lachen van geluk en tegelijk weenen
-van verdriet er over. Er was iets in haar, dat met onweerstaanbaren
-aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, en
-wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en
-huiverend wegkroop als het den gloed voelde van zijn schitterende,
-donkere oogen.
-
-Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er
-in beiden een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar
-verborgen, hij bang voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard
-was, en angstig dat hij ooit voor haar zou durven voelen als voor
-andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem te zijn, om meer
-kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn
-handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets,
-wat heel teêr en broos was, in haar zou breken.
-
-En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille
-bosch, bladeren vielen ritselend in langzamen val, en overal was de
-vage en vreemde weemoed van het mooie, dat de verre nadering voelt van
-den dood.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
-Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe
-verkeerd het was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te
-zien, als in een bizondere sfeer. Zij was een meisje als alle anderen,
-had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen van vleesch en bloed, heelemaal
-menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. En eens zou ze ook
-doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met hem
-trouwen en kinderen krijgen.
-
-Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor
-hèm was Ellie wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich
-heen zag, en veel te teeder, in een veel te reine sfeer, om te doen de
-voor hem grove, harde dingen die des levens zijn.
-
-Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste
-jongensdroomen het droomden, met altijd iets van de engel in zich, die
-is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten en te zegenen, en wier
-wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles van haar:
-een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van
-haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel
-gevoelig is alles aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en
-ontwijd het niet met ruwe handen, want het is heilig tot in
-eeuwigheid....
-
-En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij
-hem, was hij in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist
-het, dat het ongezond was, dat het was uit den tijd, dat het was niet
-modern, en romantiek, maar hij kon er niets aan doen. De grond van
-zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding van een
-onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om,
-en ver boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van
-wezen ongenaakbaar en hoog-heilig, die zich in haar openbaarde.
-
-En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid
-overtogen. Wat werd een bloem anders als zij in de handen was geweest
-van een lieve vrouw! Wat klonken heel gewone woorden anders uit den
-mond van een lief meisje! Wat was er iets héél bizonders gekomen aan
-een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een vrouw
-waren gedragen!
-
-Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden,
-die Pim altijd van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem
-kuisch had doen blijven. Een ruw woord, een ongracieus gebaar van een
-vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. En hij die heelemaal
-van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn vrienden
-zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil
-hielden, omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls
-in al zijn hevigheid kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij
-ook nog altijd met de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen
-van roovers en draken bevrijdden, en met onmenschelijk nobele en
-edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden als Corrèze uit
-„Moths” en Bertie Cecil uit „Under two Flags.”
-
-Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij
-bang. Hij voelde intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was,
-dat hij, klein mannetje, met zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op
-kon, en er op den duur in onder zou gaan.
-
-Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te
-durven en het leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel
-anders dan hij droomde. Maar hij had niet gedurfd. Hij was maar stil en
-veilig verscholen gebleven in zijne vereering voor Ellie en voor het
-lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen en
-muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar
-teeder en fluweelig was om áán te voelen.
-
-En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe
-Ellie ineens was veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die
-zenuwachtigheid, die het angeliek kalme van haar kind-gezicht
-verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat hij niet kende,
-en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor
-hem, wat in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar
-een andere Ellie had geopenbaard, dat verre, mysterieuze wezen in haar,
-dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, en waarvoor hij al ééns was
-bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken over
-verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet
-verwant was, keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen,
-ongekenden glans hadden, als zij sprak over Maurice, of als zij met hem
-samen was.—Het deed hem aan, met een zacht medelijden, en tegelijk een
-vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, die haar
-rustige schoonheid zou verwoesten.
-
-Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende,
-vèr buiten de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar
-verbond? Was het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die
-kalmte en engelachtige rust van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad,
-en had er achter dat blank-maagdelijke, lelieë-sneeuwen van haar
-meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat nú wel eens
-blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was,
-zag gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste?
-
-En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die bijna alles van de
-tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie naar
-Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere
-liefde, dat het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte
-lelie-weiden van haar maagdelijke ziel, maar plotseling was
-uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch zij zelve in
-haar vermoedden.
-
-Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele
-natuur zoo bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een
-blijvend deel van haar beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan
-toch voor geheimzinnigs in haar kunnen gebeuren, dat zij inééns, in een
-paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige meisjesleventje
-aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig
-wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene
-pretje naar het andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders
-dan dien éénen kant was blijven neigen, waar zijn vroeger haar geheel
-vreemde leven was?
-
-Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje
-opeens in dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig
-wiekjesgeklep, en waar zij straks jammerlijk in zou vergaan?
-
-Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met zulke zwarte oogen, zulke
-dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe stem, zoo
-heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een
-groote, donkere, dreigende schaduw....
-
-En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo
-fijn en blank gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe
-onschuld-oogen, en het klare sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje
-zoo teer!....
-
-Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere,
-het blanke met het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het
-sombere van den duisteren nacht....
-
-Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt
-worden als zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij
-angstig, o! droeviglijk zal zij gehavend worden in het harde, groote
-Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid en vrede, als een arm
-vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur....
-
-
-
-Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige
-boudoir-middagjes werden niet meer gehouden, want meestal kwam Ellie
-pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. Ook wandelde hij weinig
-meer met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet
-als derde wilde opdringen.
-
-Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs
-terugkwam, was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder
-schokken. Hij wist zich nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij
-wist dat het geluk was voor de sterken en grooten. Hij voelde, wat
-Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. En de
-hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig
-mannetje, met zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie
-gelukkig was? En als Mombreuil haar geluk was, dan zou hij hem
-respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten vriend.
-Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie
-maar gelukkig bleef.
-
-Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij
-was het éénige liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo
-klein en eenzaam voelde.
-
-Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar
-boudoir en ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog
-iets van haar bij hem was. Er was iets van haar teêre ziel in al die
-broze, fijne, zachte meisjesdingen om hem heen. Jim, zijn terrier, liep
-onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek nu en dan vragend naar
-hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken van het
-hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen
-kreeg.
-
-Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden,
-met een gevoel van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij
-haar behoorde, en hij niets meer in haar huis te maken had.
-
-Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor
-niets was.
-
-En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk
-weer eens één vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met
-haar samenzijn....
-
-
-
-Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam.
-
-Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in
-Helène Swarth’s gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat
-aan zijne voeten.
-
-Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen
-neêrgedaald. De hooge boomen aan den overkant van de Koninginnegracht,
-over het weiland, gloeiden al van donker stervensgoud, en er was ik
-weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende door die stille boomen,
-die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De koeien in de
-weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het
-gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren,
-in treurig langzamen val.
-
-Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld
-van mooi dat gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om
-nooit weer terug te komen. Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi
-verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de natuur, en het was of
-hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit de
-zomer heen ging sterven.
-
-Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat
-een troost ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem
-genegen!
-
-Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel
-niet blij.
-
-„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te
-wachten, al kom ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn
-hart eens aan je te luchten.”
-
-Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en
-kwam vlak naast zijn fauteuil zitten op een pouf.
-
-„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den
-herfst, die al in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar
-ik voel me niets prettig vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim,
-en nu heb ik behoefte om bij je te zijn en met je te praten. Je kent me
-zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.”
-
-„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat
-is toch niet alleen....”
-
-„—Dat is het juist, Pim.... dat is het vreeselijke voor me, ik voel me
-bij hem wel eens alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook
-van me, dat weet ik wel. Maar soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar
-ik voél het—is het of ik heel alleen ben als ik tegen hem praat, of hij
-niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het is zoo
-vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een
-vreemde is.... En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer
-zonder hem.... maar.... soms is het of hij het toch niet is, of hij
-niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.... Zoo vreemd, Pim, zoo
-vreemd.... En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. Ik
-ben altijd onrustig als hij er niet is.... Pim, het is net of ik de
-oude Ellie niet meer ben....” En ineens, als een vogeltje dat bang en
-heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder.
-
-Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo
-heelemaal een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen,
-niet begrijpend, en hulpeloos.
-
-„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.... niet huilen.... een
-flinke meid zijn, hoor, en niet zoo toegeven.... Kom jij maar bij je
-ouden, trouwen Pim, hoor, die je wel zal helpen.... en vertel me nu
-maar eens alles, maar kalm hoor....”
-
-En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze
-eindelijk, eindelijk weer bij haar broer troost zocht, als vroeger.
-
-„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet
-heelemaal.... ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in
-den laatsten tijd pas gekomen.... Maar ik ben zoo onrustig.... Als hij
-er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat verlangen.... Het is of
-er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd maar
-vooruit, naar hém toe.... Soms hoor ik mijn hart bonzen.... En tóch ben
-ik bang voor hem, echt bang.... Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn
-zware, zwarte wenkbrauwen, en zijn zwarte knevel.... Als hij zijn arm
-om me heen slaat, en mij zoent, dan beef ik, Pim.... en toch ben ik
-blij ook, en vind ik het prettig.... Als hij weg is, voel ik of hij
-iets van mij meegenomen heeft.... Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij
-heeft iets van me weggenomen.... En.... het is zoo moeielijk om te
-zeggen, zoo héél vreemd... tegelijk is het, of er iets van hém in mij
-is gekomen.... iets, wat er vroeger niet was, Pim, iets heel vreemds in
-me, dat niet meer weg wil.... en me zoo onrustig maakt.... en van
-mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.... ik ben de
-oude Ellie niet meer.... er is iets wèg in me, iets weg.... en daarom
-heb ik nu geen rust meer, en voel ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet
-meer als anders....”
-
-Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar
-troostend op haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr.
-
-„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan?
-Zooals met jou. Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal
-alles vertellen, zoo als echte kameraden samen óp deelen alles, zoo kan
-ik maar niet met hem zijn. Het is altijd onrustig, en ik ben altijd een
-beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft nog nooit iets
-gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me
-alles zegt wat hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet.
-Hij is ook eigenlijk veel te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom
-meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? Want al zeggen ze dat ik er
-wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat weet ik wel....
-Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.... wáárom houd ik toch eigenlijk
-van hem? wáárom?.... soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of
-er nog een ándere Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op
-hem is, dol.... maar of de oude Ellie van vroeger doodgaat, heel
-langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, of hij die heeft
-doodgemaakt eigenlijk.... en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal niet
-verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt
-van haar oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme
-dingetjes, die houdt alleen van pa, en van jou, goeie, beste Pim,....
-maar dan komt die andere, en die heeft geen rust meer, die wil ál maar
-vooruit, naar hém toe, naar hém.... en daar ben ik zoo moê van, Pim, en
-ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor....”
-
-Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar
-hoofdje schokte zenuwachtig op zijn schouder.
-
-Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. Hij voelde, dat
-troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, als
-ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan,
-dacht hij. Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie
-zoo heftig beroerde.
-
-Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven
-moet, zoodra een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en
-vrede. De ziel van het Meisje schreide in haar uit, die ziel van niets
-dan teederheid en lichten droom, die bang was voor het groote Leven
-buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, waarin zij
-branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van
-moeder-zijn, waartoe zij is gewijd.
-
-En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige
-vlindernatuurtje wel sterk genoeg was voor het groote vuur, of het niet
-véél te teer en te ijl was en of zij niet angstig, met droef gehavende
-wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking met iets dat harder
-was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven....
-
-Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen
-hem aanleunde, en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht.
-
-Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat
-zachte tapijt, die porseleinen vaasjes en pullen, al die satijnen
-strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige bloemen, hoe
-behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar
-verschijning. Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n
-voorzichtig, als een exquis „objet d’art” opgekweekt dame-meisje toch
-voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, en waar ze opééns,
-genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk!
-
-Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door:
-
-„Het kán niet meer Pim.... maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat
-hij me dit heeft aangedaan.... soms wou ik dat ik maar weer het oude
-vlindertje was, dat in alles zoo’n pret had en toch altijd rustig was,
-zonder dat angstige voortjagen van binnen.... zou dat altijd zoo
-blijven?.... En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.... de
-blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor
-onze voeten.... die waren dood.... vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu
-dacht ik er ineens om, hoe nu die heele, mooie zomer doodging, waar ik
-mijn nieuw geluk in heb gekregen.... en toen was het ineens of er iets
-wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer terug zou
-komen.... Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes....
-het had altijd zoo moeten blijven....”
-
-Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en
-probeerde zich weer goed te houden.
-
-„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad... die wordt
-nu verwaarloosd voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons
-vroolijke leventje is gekomen... En Jimmy, arme lieveling, die wacht op
-zijn koekje... gauw hoor, hier is het karafje, ziezoo.... en nu de
-glaasjes.... alstjeblieft meneer.... wees maar niet boos dat je dwaze,
-verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje
-zenuwachtig.... Maar ze meent het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal
-altijd Pim blijven, en als ik eens lekker wil uithuilen mag ik toch
-altijd weer bij je komen, hè?....”
-
-Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of
-hij toch eigenlijk niets verloren had, of het beste en innigste van
-Ellie toch nog altijd van hém was gebleven, en er iets in haar voor hém
-was, dat haar man misschien nooit krijgen zou.
-
-Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van
-het reinste in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en
-moeder, en dat niemand hem ooit af kon nemen....
-
-„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim
-blijven, aan mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net
-als vroeger.”
-
-„—Heusch, Pim, heusch altijd?”
-
-„—Altijd, Ellie, geloof me.”
-
-„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn... want ik ben weleens bang,
-zei ik je daarnet al... ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet
-ik niet. En ik kán nu eenmaal niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik
-ben er nu eenmaal niet voor gemaakt... Ik ben immers het Vlindertje
-maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het
-Vlindertje....”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
-Het was een zware slag geweest voor van Taats, toen de oude Mombreuil
-om Ellie’s hand was komen vragen voor zijn neef.
-
-Hij was er in ’t geheel niet op voorbereid, en nooit had hij ernstig
-gedacht om de mogelijkheid, dat hij ooit Ellie zou kunnen verliezen.
-Zij was het éénige, dat nog heilig voor hem was in het leven, het
-éénige klare, reine licht in zijn duister. Als zij van hem wegging was
-er niets meer voor hem dan de misère, zonder er ooit weer uit weg te
-kunnen, en dan moê uit te rusten in een goed, warm thuis. Zonder háár
-zou hij zich ook thuis niet meer veilig voelen, en er zou niets meer
-voor hem over zijn dan zijn eigen ellende.
-
-En tóch had hij niet allereerst om zich zelf gedacht, maar alleen om
-háár. Hij dacht er geen oogenblik aan, haar aan zijn eigen geluk op te
-offeren, of met unfaire middelen haar liefde in den weg te staan. En
-hij had den ouden Mombreuil geantwoord, dat hij alles aan Ellie zou
-overlaten. Hield zij van Maurice, dan vond hij het huwelijk goed, hield
-zij niet van hem, dan kon er ook geen sprake van zijn. Toen hij dit
-zeide, had hij niet vermoed, dat Ellie werkelijk van Mombreuil kon
-houden. Hij beschouwde haar nog altijd meer als een kind dan als een
-vrouw, nog zoo ver buiten het eigenlijke Leven, iets aparts en
-bizonders in haar ranke teederheid, waarbij het denkbeeld van trouwen
-immers véél te hard en te reëel leek. En hij was erg tevreden over de
-diplomatieke manier, waarop hij den ouden Mombreuil weer had
-weggekregen.
-
-Groot was dan ook zijn verwondering, en pijnlijk zijn schrik, toen
-Ellie hem dadelijk bekende, dat zij van Maurice hield, en hem snikkend
-om den hals was gevallen en hem smeekte, haar lief, goed, oud vadertje,
-om haar toch gelukkig te maken, want dat ze anders zeker zou sterven
-van verdriet. Maar hij had zich goed gehouden en dapper zijn noodlot
-aanvaard. Tegenover háár, zijn eenige liefs op aarde, wilde hij
-onbaatzuchtig en eerlijk blijven. Hij wist dat het een genadeslag voor
-hem was, maar Ellie’s geluk ging vóór, en hij gaf zijn toestemming tot
-de verloving. Hij had ook met véél respect Maurice’s loopbaan in Indië
-gevolgd, en dacht niet anders, of hij was als een serieus, degelijk man
-teruggekeerd, die zijn vroeger leven door edele daden voor goed had
-uitgewischt. Met de betrekking, die voor hem open was en het groote
-fortuin, dat hij later van den minister zou erven, was hij in alle
-opzichten een uitstekende partij voor Ellie, die als de vrouw van een
-Mombreuil in de hoogste kringen van den Haag zou worden ontvangen.
-
-En zoo had van Taats zich gewillig overgegeven aan zijn naderend
-noodlot, bereid tot alles, als Ellie maar gelukkig werd. Hij voelde,
-dat hij, als hij haar niet meer had, nu ook al dieper en dieper zou
-zinken in zijne ontaarding, en zich voor altijd zou overgeven aan de
-misère van zijn verloren leven.
-
-Hij probeerde het zoo goed mogelijk te verbergen, om Ellie toch vooral
-geen pijn te doen, en was altijd hartelijk en vriendelijk tegen
-Maurice, tegen wien hij in zijn hart vijandig voelde, omdat die hem zou
-afnemen zijn kind, het éénige licht in zijn leven van donkere zonden.
-Zoo weinig kende hij van het ware wezen der liefde, dat hij ook
-huiverde bij het idee, dat Ellie was gaan houden van een man, en het
-hem was, of zij er minder om was geworden, en alsof zij iets verloren
-had van haar maagdelijkheid, die nu niet meer zoo rein voor hem scheen
-als vroeger. Hij had, onbewust, eigenlijk altijd gehoopt dat zij altijd
-hetzelfde, onbezorgde meisje zou blijven, veilig buiten het groote
-Leven, in een aparte sfeer van blanke reinheid, ver boven hartstocht,
-als een blij, kalm kind van God, in wit gewaad van onschuld. Maar nu
-zij lief had, en hij haar de oogen had zien sluiten van geluk onder den
-kus van een man, was het hem, of zij uit die teêre sfeer was
-neergedaald in de harde realiteit van het Leven, en zij niet meer dát
-voor hem zijn kon, wat zij ééns geweest was. Dat het van háár iets
-absoluut reins en heiligs zijn kon, was te ver boven zijn begrip van
-cynischen viveur, die nooit de ware liefde had vermoed, maar enkel het
-gemeene kende van den hartstocht in het menschelijke beest. En elken
-keer, dat hij haar met Mombreuil samen zag, was het hem, of er iets van
-zijn kind wegging, of het mooie in haar van hem werd afgenomen, en zij
-langzamerhand dichter en dichter daalde naar laagten van de realiteit,
-waarin hij leefde. Het deed hem pijn, alsof hij haar zag naderen tot
-een gevaar, zonder dat hij ook maar een woord kon zeggen, om haar te
-waarschuwen voor wat haar wachtte.
-
-In de ziekelijke degeneratie van zijn verbeelding, die hem geen vrouw
-kon doen zien zonder perverse bijgedachten, had hij, in een ander
-uiterste, zijn kind in een onbestaanbare sfeer van bovenmenschelijke
-heiligheid gedacht, maar wat tusschen die twee uitersten van laagste
-verdorvenheid en opperste goddelijkheid lag, kende hij niet. En door
-Ellie elken dag samen te zien met een man, een man, die haar weg zou
-nemen uit zijn huis en tot zijn vrouw zou maken, als zooveel mannen
-doen met meisjes, werd het engelachtig beeld, dat hij van haar had, al
-meer en meer verduisterd, en verloor hij het éénige in zijn leven, waar
-hij met reine oogen naar kon zien, en waarvoor zijn vuile, duistere
-gedachten angstig wégscholen, als wilde dieren voor een heilig vuur.
-Toen zocht hij het verdriet hierover te vergeten in een’ láátsten roes
-van ontaard zingenot. Hij was juist erg moê geweest de laatste maanden,
-en was véél thuis gebleven, of uitgegaan met Ellie mede, als een goed
-vader, respectabel en fatsoenlijk. Maar nu barstte het beest in hem
-weêr los, en hij brak weêr uit, in een serie van duistere gangen,
-heimelijk als een dief. Het kwam er nu niet meer zoo erg op aan, vond
-hij. Hij zou nu toch heel gauw alleen zijn, en niets anders meer
-hebben. Het éénige licht van reine goedheid in zijn leven was niet meer
-voor hém. En ook zij, dacht hij, zijn blanke kind van onschuld, zij zou
-uit de sfeer van rustige zielevrede vallen in het vuur van hartstocht,
-dat hem verteerd had, zijn geheele, onzalige leven lang.
-
-En het blonde Antje, die hem héélemaal kende, en precies wist, wat hij
-van haar wilde, zag hem weer avonden achtereen bij haar.
-
-Totdat het fatale gebeurde, onverbiddelijk en onverwacht.
-
-Van Taats, een bezoek voorwendende aan een oom in Utrecht, was een
-nacht bij Antje gebleven. Hij was laat opgestaan, en had het zich
-gemakkelijk gemaakt, had fijn bij haar geluncht, met champagne, en was
-een sigaar blijven rooken, tot drie uur. Daarna voelde hij zich weer
-behagelijk genoeg om in zijn pose van achtenswaardig, bezadigd oud heer
-wat te flaneeren door de stad. Toen hij de trap afging hoorde hij
-schellen. Erg onaangenaam, als ze je op zoo’n bekend adres uit de deur
-zagen komen, op den Fluweelen Burgwal. Maar aan den anderen kant, wie
-zou hier loopen, die hem kende? Misschien was het een slager of een
-bakker, of zoo iets. En hij liep gerust door, en deed de deur open om
-haastig naar den anderen kant van de straat te gaan.
-
-Vóór den drempel stond Mombreuil.
-
-Beiden schrikten. Zij zagen elkander éven met bevreemding, ietwat
-droevig, aan. Zij begrepen onmiddellijk de ontzettende portée van wat
-gebeuren zou als zij elkaar herkenden. De vader van Ellie, de verloofde
-van Ellie, beiden de gunsten betalend van ééne veile deerne.... Ze
-dachten allebei, tegelijk en alleen om háár. Het kón niet, het mocht
-niet, wat hier nu voorviel. Het lag niet in de natuurlijke orde der
-dingen. Het zou haar dood zijn. Dit gruwzame feit moest genegeerd
-worden, wèg uit de realiteit, en het was eenvoudig nooit gebeurd, en
-kón ook nooit gebeurd zijn....
-
-En beiden beseften zij dat er maar één weg was. Zij zwegen en kenden
-elkaar niet, evenmin als vreemden. Mombreuil week even wat ter zijde om
-van Taats door te laten, die hem niet aanzag en kalm voortstapte,
-schijnbaar in gepeinzen.
-
-Zij hadden elkaar begrepen.
-
-Zij hadden elkaar niet gezien....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-
-Het werd nu een treurige tijd voor Pim. Hij had geen plezier meer in
-het strand, en zelfs ’s avonds in het Kurhaus kon het mooi van de
-muziek hem niet meer troosten. Hij had behoefte aan iets, waar zijn
-verdriet in weêrklonk, en zijn eigen zielsstemming in weende. En de
-muziek van de Berlijners vond hij nu ineens te beschaafd, te
-geacheveerd, alsof de uiterste volmaaktheid de smart zelfs in het
-droevigste Adagio had verweekt.
-
-Toen vond hij het eindelijk bij de Zigeuners, wat hij zocht.
-
-Het vorig jaar had hij een Hongaarschen huzarenluitenant ontmoet,
-Zichy, die hem met enthoesiasme had gesproken van de muziek der
-Zigeuners. Hij was toen met hem naar de Kurhaus-bar geweest en naar het
-Seinpost-paviljoen, waar Zichy had gevraagd, om Hongaarsche wijzen te
-spelen. Maar Pim had het niet zoo bizonder mooi gevonden, en dat ook
-eerlijk bekend.—
-
-„Dan heb je zeker nog nooit een groot verdriet gehad,” had Zichy
-gezegd. „En zonder groot verdriet kan je de Hongaarsche muziek niet
-begrijpen.”
-
-Pim was het al lang vergeten, maar op een avond, toen hij langs de
-Kurhaus-bar liep, dacht hij er ineens aan, en ging binnen. En hij vroeg
-den kapelmeester of hij eens wat Hongaarsch wilde spelen. De Zigeuner,
-altijd even beleefd, liet dadelijk het bordje ophangen met „Hongaarsche
-Wijze.”
-
-Er waren weinig menschen, want het was nog vroeg. Pim ging zitten in
-een stil hoekje.
-
-En ineens barstte het los. Hoog uitgeschrei van een viool, als een
-klagende ziel, wilde val van cimbaal-klanken als een neêrstroomen van
-sombere tranen, en het donker mineur uithuilen van een doodsbedroefde
-cel, als de laatste wanhoopsjammer van een van liefde stervend hart.
-Hoor, daar smeekte het hoog-weenend uit, het liefde-leed van de
-biddende viool, dáár vielen de donker-zilveren tranen brandend in de
-ziel, uit den zondvloed van ’t ruischende cimbaal, en donkerder en
-donkerder gromde de wanhoop door de lang uitgehaalde klachten der
-sombere violoncel!
-
-Hoe eindeloos droevig treurde het zielsverdriet in de langzame
-opneurieïng van het „Lassen”, met het tranen-droppelen van
-cimbalen-klanken, hoe staat het trotsch, op fieren cadans, weer op in
-het „Czardas” om dan ineens in wilden triomf woest-dansend uit te
-barsten in de hoog-opslaande golfrythmen van den onstuimigen „Frisko”!
-
-Dan is de ziel aan de smart ontstegen, triomfeerend opgerezen boven de
-vlammen van hartstocht uit, en in een wild opdeinenden roes van
-vrijheid danst zij op de trotsche cadanzen van het glorierijk geluk,
-dat niets haar meer kan nemen....
-
-Toen voelde Pim ineens wat het eigenlijk was, de Hongaarsche muziek. En
-met gloeiend hoofd en tranen bevend in zijn oogen liet hij zich met ál
-zijn verdriet wegduizelen in die stormen van trots en geluk, die
-uitjuichten na zoo eindelooze smart.
-
-En een groote bewondering kwam in hem op voor die Zigeuners. Zeker, het
-waren héél ordinaire kerels in het gewone leven. Zichy had het hem
-verteld, hoe onbetrouwbaar ze meestal waren, en hoe lui, en hoe weinig
-ze wisten. Maar hun ziel was één en al muziek. Als ze maar éven
-speelden waren ze tot de reinste hoogten van de ziel gestegen, waar ál
-’t weten nooit kan reiken, en alleen ’t intuïtieve voelen komt. En ze
-kenden geen noot muziek, omdat dat ook niet noodig was, omdat ze zélve
-al muziek waren, onbewust.—
-
-Het spel van die vreemde Zigeuners werd een lieve troost voor Pim, en
-het éénige, waar hij groot belang in stelde. Hij praatte veel met den
-kapelmeester, die hem alles van hun muziek vertelde. Hij liet zich door
-hun voorspelen van de mooiste liederen, „Repülj fecském”, van het
-meisje, dat bedroefd is en een zwaluw ziet vliegen; „Kék ne felet”, van
-het blauwe vergeet-mij-nietje, dat groeit op een berg, en het
-maagdelijn dat vraagt, of ook zoo’n bloempje moge groeien op haar graf;
-„Sárga cserebogár”, van den minnaar die een gelen kever ziet, en met
-hem spreekt over zijn beminde, en zooveel andere heerlijke volkswijzen,
-waar de ziel in lacht en weent. Elken avond zat Pim daar zijn eigen
-verdriet te vergeten in het majestueuze leed dier ruischende melodieën,
-maar toch kwam het altijd weêr grooter en grooter terug. En toen begon
-hij te begrijpen, wat Zichy hem eens verteld had, hoe Hongaren
-zelfmoord plegen in Hongarije. Als zij alles hebben verloren wat hun
-lief is, en de wanhoop is in hun hart, gaan zij toch nog éénmaal naar
-de Zigeuners. Dán laten zij zich nog ééns de heerlijk-droeve wijzen
-voorspelen, die zingen wat in hun eigen ziel is, tracteeren de geliefde
-spelers op champagne, en loopen dan wèlbewust naar de blauwe Donau,
-naar den dood,—dien zij niet vreezen en die altijd als een vriend met
-hen praatte, in de muziek—, te trotsch om nog langer door zichzelf en
-het leven te lijden, dat zij verachten.—
-
-Hoe misplaatst en vèr-verloren leken hem nu ineens die Zigeuners in dat
-leelijke, wanstaltige hok dat de Kurhaus-bar was, spelend voor dat
-ongevoelige, koude publiek, dat hen niet begrijpen kon, wilde
-natuurmenschen als ze waren. Mopjes, walsjes en polkatjes moesten ze
-spelen, nu en dan in het luide lawaai zelfs iets Hongaarsch, waar
-niemand wat van voelde, en waar wel eens idioot om werd gelachen.—Hij
-trachtte den kapelmeester wat op te vroolijken door hem attenties te
-bewijzen als in Hongarije, tracteerde hen op champagne, en stuurde met
-een kellner, netjes op een blaadje, zooals het behoorde, nu en dan een
-Hongaarsch bankbiljet, dat hij had gekocht in een wisselkantoor.—Als
-tegenattentie speelden zij dan een extra-nummer, iets echt-Hongaarsch,
-expres voor hém, tusschen de andere nummers in.—En die heel gewone,
-slordig uitziende kerels, die daar zaten te werken voor hun brood als
-armzalige muzikanten, zij vermoedden heel goed, zoodrá zij maar
-speelden en hun ziel muziek was, dat daar iemand zat te luisteren, die
-een groot leed had in het leven, om liefde’s wil.—Zij kenden dat maar
-ál te goed, uit Hongarije.—
-
-Pim kwam nu heel weinig meer in ’t Kurhaus, waar hij geen troost kon
-vinden, en zat als een trouw bewonderaar om den anderen avond in de
-Kurhaus-bar of het Seinpost-paviljoen, om naar de Zigeuners te
-luisteren. Hoe maakten zij alles ineens heel anders, wat zij speelden!
-Een gewoon mopje, een bekende polka, of een wals, kregen een
-hoog-zwaaiend rythme, dat hij er vroeger nooit in gevoeld had. En in de
-vroolijkste wijzen kwam ineens iets vreemds, iets bijna mineurs, of
-door ál de blijheid heen toch nog even vage tranen weenden van
-liefde-leed.
-
-En dáár, juist in zijn veilig toevluchtsoord, waar hij zijn láátsten
-troost vond, gebeurde het vreeselijke, dat hem een nieuwe pijn aandeed,
-die het oude lijden nog wreeder maakte.
-
-Het was laat, bij éénen, en de kellners begonnen al op te ruimen in het
-paviljoen van de Seinpost, waar hij, dicht bij het orchest, tot het
-laatste te luisteren zat.
-
-Toen zag hij in de half leêge zaal een wèlbekende, hooge gestalte
-binnenkomen.
-
-Hij schrikte op.
-
-Het was Mombreuil. Zijn donkere gezicht was een beetje rood, alsof hij
-opgewonden was van wat veel drinken, en zijn gang was onzeker, met een
-lichten zwaai. Hij had een cocotte aan zijn arm, in een opzichtige,
-vuurroode blouse, en met een brutalen, breedgeranden hoed op.
-
-Zij bleven even staan, als besluiteloos wat te doen, en zagen de zaal
-rond.
-
-Mombreuil keek op zijn horloge, zag dat het laat was, en zei iets tegen
-de vrouw aan zijn arm, die hard en lachend antwoordde.
-
-Toen gingen ze beiden de zaal weer uit.
-
-Pim voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen van schrik en
-verontwaardiging, en hoorde het zich ineens hardop zeggen:
-
-„De ellendeling!.... Hoe durft-ie.... de laffe ellendeling!....”
-
-
-
-Den volgenden middag om twee uur gaf hij zijn kaartje af bij Mombreuil
-en werd dadelijk binnengelaten.
-
-Het was een ongezellige huurkamer, met laag plafond, waar Maurice’s
-hooge gestalte nog grooter in deed dan anders.
-
-Toen Pim binnenkwam, ging Maurice hem vriendschappelijk tegemoet.
-
-„—Zóó, ben je daar eens, kerel, dat vind ik een aardig idee van je, om
-me eens op te zoeken. Ga zitten.... ga zitten....”
-
-Maar Pim nam de hand niet aan, die hij hem toestak.
-
-„—Ik kom hier niet om je zoo maar eens op te zoeken,” zeide hij. „Ik
-kom met je spreken, over iets ernstigs, in ’t belang van Ellie....
-anders was ik hier nooit gekomen.”
-
-Maurice kon het niet helpen, dat hij glimlachte. Het klonk zoo raar,
-Pim op dien toon te hooren spreken, en over iets ernstigs nog wel. Met
-dat minachtende, en toch welwillende medelijden, dat groote, sterke
-menschen altijd voor kleinen en zwakken hebben, had hij van Wedell
-altijd meer beschouwd als een arm stumperdje, tegen wien je maar lief
-en hartelijk moet zijn, dan als een man. Hij savoureerde zijn elegante
-dandy-achtigheid, zijn koketterie met meisjes, en zijn zachte
-vrouwelijkheid, en had hem nooit erg au sérieux genomen. Alleen omdat
-ze elkaar zoo veel zagen bij van Taats, waren ze elkaar gaan
-tutoyeeren, zonder daarom intiem te worden.
-
-„—Zoo zoo,” zei Maurice, met een lichten spot, dien hij niet geheel kon
-verbergen, „iets ernstigs? Daar ben ik benieuwd naar. Ik zal er bij
-gaan zitten en ik luister, hoor!”
-
-Pim was niet gaan zitten. Het was hem, of hij dan nog kleiner zou
-schijnen. En hij had weêr dat hinderlijke, nerveuze gevoel van
-kleinheid, tegenover dien zooveel grooteren, zwaren man. Maar zijne
-verontwaardiging hielp hem over zijn zenuwachtige verlegenheid heen.
-
-„—Mombreuil,” begon hij resoluut. „Ik kom je zeggen, dat ik je gisteren
-avond in het Seinpost-paviljoen gezien heb. Je was met een meid. Met
-een gemeene meid was je. En je bent de verloofde van Ellie. Ik zeg je
-er bij, dat ik dit een gemeenen streek van je vind. Je hebt daar het
-recht niet toe, zoolang je met haar geëngageerd bent. En ik kom het je
-verbieden.”
-
-Mombreuil kon een oogenblik niet spreken van verbazing. Was dát Pim?
-Was dat kleine Pim, het meisjesachtige kereltje, het
-miniatuur-huzaartje? Hoe uitdagend keek hij hém, den groote, aan! En
-hij wilde hem blijkbaar de les lezen ook. Dat werd toch wèl een beetje
-ál te bar! Hij kon nog niet eens dadelijk boos worden. Het was ál te
-dol!
-
-„—Zoo,” spotte hij terug. „Heb je me gezien? En met een meid nogwel!
-Nu, dat gaat joú dan toch niet aan, hè? En ik behoef joú toch in elk
-geval geen rekenschap te geven van mijn daden!”
-
-„—Wat je doet gaat me ook niet aan. Dat weet ik heel goed. Maar door
-met een meid te loopen beleedig je Ellie. En dan gaat het me wèl aan.
-Ik verzoek je niet zoo spottend te kijken. Je moet goed begrijpen wat
-ik hier doen kom. Ik kom je verbieden Ellie te beleedigen. En als je
-niet naar mij luisteren wilt zal ik genoodzaakt zijn om je te dwingen.
-Wij staan hier tegenover elkaar als mannen van eer, als officieren zoo
-je wilt, ofschoon dát er hier weinig toe doet. Ik vind dat je een
-gemeenen streek hebt gedaan tegenover Ellie. Ja, een lafheid zelfs, een
-laffe, gemeene daad.”
-
-Nu begon Maurice te begrijpen. Hij voelde zijn drift opkomen, en kreeg
-een opwelling, dat nietige, kleine ventje daar vóór hem neêr te slaan,
-met één slag van zijn groote hand. Maar hij hield zich nog in, bang
-voor de gevolgen, en de ruchtbaarheid, waardoor zijn oom het zou
-hooren.
-
-„—Dus je komt mij beleedigen?” vroeg hij, ongeduldig. „Je komt mij
-dwingen om met je te vechten misschien?”
-
-„—Neen, dáár kom ik niet voor. Maar als het er op uitloopt kan ik het
-niet helpen. Ik kom alleen op voor Ellie.”
-
-„—En met welk recht, alstublieft?”
-
-„—Met het recht van een broer!”
-
-„—Van een broer! Puuh! je weet heel goed, dat je in ’t geheel niets van
-haar bent.... je hebt een anderen vader en een andere moeder... wat wil
-je dan praten van broer?”
-
-„Broer of géén broer, dat doét er niet toe. In elk geval is zij mij
-dierbaar, en kan ik het niet aanzien, dat zij wordt beleedigd. Je
-ontkent het niet. Je bent met een meid uitgeweest, een gemeene meid van
-de straat, die iedereen kan hebben, als hij maar geld heeft. En dat is
-een lage, gemeene streek. Vat het op zooals je wilt, het kan mij niet
-schelen. Maar ik zal het niet langer dulden. Dat verzéker ik je. De man
-worden van Ellie!... en tegelijk uitgaan met zoo’n meid! Hoe kon je
-ooit zóó iets doen!”
-
-Hij kon zich niet meer inhouden, en de tranen van leed en
-verontwaardiging sprongen in zijn oogen.
-
-„Hoe kon je het doen, Maurice! Heb je dan heelemaal geen gevoel?...
-voel je er dan de laagheid niet van? Een meisje als Ellie!... Een lief,
-goed kind van onschuld, dat nooit anders heeft gezien dan het mooie van
-’t leven.... ik ken haar langer dan jij... ik ken haar hééle hart... en
-het is niets dan reinheid, dan blanke, engelachtige reinheid... elke
-gedachte van vuilheid moet daar vèr van blijven.... hoe heb je ooit bij
-haar kunnen zijn met een slechte gedachte in je ziel?... ben je dan
-nooit geschrokken van haar witte kleed?... heb je dan nooit gehuiverd
-als je haar aanraakte, en ben je dan nooit bang geweest, dat je iets
-besmetten zou?... heb je dan nooit God op je bloote knieën gedankt, dat
-zoo’n kind van je is gaan houden?... hoe dúrfde je, hoe dúrfde je...
-nooit, nooit heeft ze het slechte gekend, ik wéét het van lange jaren,
-altijd is ze vèr gebleven van wat duister en gemeen was... ik ben
-altijd zoo bang geweest, zoo héél, héél bang, dat ze het ééns zien zou,
-zoo ongenadig, inééns al het vuile van de wereld voor haar reine,
-blauwe kinderoogen... en ze heeft het nooit gezien, Goddank, ofschoon
-het vlàk bij haar was... je weet, Mombreuil, haar vader... ik heb er
-niet over willen spreken, maar natuurlijk wéét je het, iedereen wéét
-het in den Haag, al zal niemand het hardop zeggen... nooit heeft ze het
-geweten... altijd heeft ze, als een blank, onschuldig wezentje vlak
-naast het vuile en slechte geleefd, en is zelf rein gebleven, en heeft
-niets geweten... somtijds, als ik met haar in de stad liep, en ik zag
-al het gemeene overal, dat haar bijna ráákte, dan was ik zoo bang, zoo
-bang... en nu zou jij het vuile in haar leven brengen, Maurice, jij,
-die ze liefheeft, jij, die ze gekust heeft met haar reine lippen,
-waarvoor je God eeuwig dankbaar zou moeten zijn!... hoe kún je dat
-doen, hoe kun je dat doen?...”
-
-Maurice was opgestaan. Hij was heel bleek, hij beefde, en bracht de
-hand aan zijn hoofd, of hij pijn had. Hij voelde de drift in hem weg
-deinzen voor een groot verdriet. Wat Pim daar zeide had hij zélf al
-heel dikwijls in zich hooren spreken, in bange uren, als hij alleen
-was. En het was of zijn eigen geweten het hem toeschreeuwde uit Pims
-woorden:
-
-„Ze zeggen dat je een held bent, Mombreuil. Ik heb het óók altijd
-geloofd, en ik heb je bewonderd telkens als ik van je hoorde, hoe je
-hebt gevochten in den oorlog. Maar als je nu werkelijk een held wilt
-blijven, doe dan niet laf tegen een arm, zwak meisje, dat van je houdt.
-Trap dan geen zielig, broos vogeltje dood, scheur dan geen teêr, fijn
-vlindertje uit elkaar. Jij, die zoo’n groote, sterke kerel bent, breek
-niet dat kleine, weêrlooze zusje van me dood in je ruwe vuisten. Ik wil
-met je vechten om alles wat ik je nu zeg. En ik hoop dat je me dood
-zult steken, want van joú houdt ze, en ik wil niet iemand dooden dien
-zíj liefheeft. Ik ben toch nergens goed voor in de wereld, en niemand
-verliest wat als ik dood ga. Als je duelleeren wilt stuur me dan morgen
-maar dadelijk je getuigen. Maar dénk om wat ik je gezegd heb. Je bent
-een lafaard als je zoo langer doorgaat. Als je niet zonder die meiden
-kunt, blijf dan wég van Ellie, en geef haar direct haar woord terug, al
-zou ze er misschien van sterven. Liever dan haar te besmetten met het
-vuil van de vuile wereld. Of geef me je woord van eer, dat het nooit
-meer gebeuren zal en wordt waard de uitverkorene te wezen, die bij háár
-onschuld mag leven....”
-
-Pim hield zich al gereed, om den slag af te weren dien hij nu van
-Mombreuil in drift verwachtte.
-
-Maar Maurice was in zijn fauteuil blijven zitten, met een hand onder
-het hoofd, en staarde in gedachten voor zich uit. En zonder zijn
-tegenstander aan te zien zei hij heel zacht, als kwam het uit verre
-onbewustheden van zijn ziel, die nu voor ’t eerst durfden spreken:
-
-„—Eigenlijk heb je gelijk, Pim. Er kan hier geen kwestie zijn van
-vechten, want je komt op voor wat recht is. Ik weet heel goed, dat ik
-geen kerel ben voor een meisje als Ellie. Toch was het niet zoo gemeen
-van me als je wel denkt, om met die meid uit te gaan. Ik kan nu eenmaal
-niet anders, Pim, ik bén nu eenmaal zoo. Je praat daar van reinheid, en
-onschuld, en maagdelijkheid, en al die dingen, maar eigenlijk weet ik
-tóch niet wat je daar meê bedoelt. Ik weet alleen dat het dingen zijn
-waar ik niet bij kan. Je vraag me of ik nooit bang geweest ben, als ik
-bij Ellie was. Welnu ja, ik bén bang geweest. Er is iets aan haar, wat
-weet ik niet, waar ik mij niet op mijn gemak bij voel. Het is of ik
-weet, dat ik daarvan áf moet blijven, of ik het niet waard ben. Dat zal
-dan zeker zijn wat jij bedoelt. En ik ben al te oud en te ver heen om
-het nog waard te worden, dat weet ik óók wel. Al die dingen die jij
-daar zegt, Pim, heb ik al zoo dikwijls in mezelf hooren zeggen, maar ik
-heb er niet naar willen luisteren. En nu het zoo inééns van een ander
-naar me toekomt, moét ik wel. Als dat niet zoo was, ik zou op je
-aangevlogen zijn, ik zou niet gerust hebben voor ik je vernietigd had,
-als een hond. Maar nú kan ik dat niet meer, want ik voel dat je gelijk
-hebt. Ik bén geen vent voor Ellie. Ik zou haar ongelukkig maken. Ik zou
-het tóch niet kunnen laten, om naar andere vrouwen te loopen, en ik kan
-tóch niet genoeg hebben aan ééne. Zoo bén ik nu eenmaal.”
-
-„—Maar waarom ben je ’t dan begonnen?” vroeg Pim ongenadig, „dat wist
-je toch van te voren óók!”
-
-„—Omdat ik wel moést, Pim. Oom Mombreuil wilde dat ik trouwde. Je weet
-wel dat hij het geld heeft en ik heelemaal van hem afhang. Toen heeft
-mijn zusje Wies Ellie uitgekozen. En het kon me eigenlijk weinig
-schelen wie het was, als ik toch moest trouwen. Ik dacht dat Ellie was
-als zoovéél Haagsche meisjes, die blij zijn als ze een man krijgen met
-een titel, en fortuin te wachten. Ik wist niet dat ze zoo’n teêr
-poppetje was, zoo’n kind nog.”
-
-Pim schrikte van de oprechtheid, zonder schaamte, waarmeê Mombreuil die
-dingen opbiechtte als doodgewoon, die voor hèm zoo laag en gemeen
-waren.
-
-„—Dus je houdt niet van Ellie?” vroeg hij.
-
-„—Niet wat jij, geloof ik, houden noemt, op je poëtische manier. Ik
-vind haar een lief, goed kind, en als zoodanig houd ik van haar. Maar
-ik heb haar niet lief, zooals in een boek, als je dat bedoelt. Ik zou
-het zonder haar ook wel uithouden.”
-
-Mombreuil verwonderde zich, dat hij alles zoo eerlijk aan dien kleinen
-Pim vertelde, die toch geen recht had, hem rekenschap te vragen. Maar
-hij voelde tegelijk dat hij eigenlijk niet eens tegen Pim sprak, en
-veel meer tegen een stem in zichzelf, die hetzelfde tegen hem zeide als
-Pim. Het was eigenlijk eene afrekening, die hij hield met zichzelf.
-Zoolang hij Ellie’s verloofde was, had die stem al in hem gesproken,
-eerst even fluisterend, toen al luider en luider tot hij haar eindelijk
-aldoor in zich hoorde, geheele dagen lang. Het was zijn beter ik, nog
-niet heelemaal verdoofd in een wild leven van harde dingen, dat hem had
-gewaarschuwd, geen daad van laagheid te doen.
-
-En hij kon niet driftig meer op hem worden, véél te goed wetend, dat
-hij gelijk had, toen Pim uitriep:
-
-„—Dan moet er ook een eind aan komen, Mombreuil. Als je niet van haar
-houdt mág je haar niet trouwen. Je moogt een meisje als Ellie niet
-opofferen aan geld, dat zou een groote laagheid zijn. O! Als je
-werkelijk een held bent, toon het dan! Zeg eerlijk aan je oom, waar het
-op staat, al zou hij je geen cent meer geven! Je bent toch groot en
-sterk, en kunt toch nog werken! Een man van eer vermoordt toch zóó maar
-geen meisjesziel uit grof égoïsme, om dat vuile geld.”
-
-Hij zag aan Mombreuils somber gezicht, dat het een harde strijd in hem
-was van eergevoel en egoïsme.
-
-„—Maar als ik nu Ellie bedank,” vroeg Maurice. „Wat dan? Zal ik haar
-dan geen pijn doen? Zal ze daar geen erg verdriet van hebben? Want van
-míj houdt ze, dat weet ik zeker. Mag ik haar die pijn aandoen?”
-
-„En dacht je dan, dat je haar niet véél meer pijn zou doen als je haar
-trouwde?” antwoordde Pim waarschuwend. „Dán zou je haar voor haar
-geheele leven lang pijn doen, en van je huwelijk ééne lange groote
-misère voor haar maken. Dan is het toch in elk geval beter als ze nu
-ééns wat lijdt.—Ik laat het nu aan jezelf over, wat je doen zult. Maar
-ik heb gezegd waar het op staat. Het liefste wou ik dat jezelf beloven
-kon een goede man voor haar te worden, en haar nooit meer te bedriegen,
-en dat je van haar kon houden zooals zij van jou. O! Mombreuil ik wou
-dat je dat kon, want dan zou zij gelukkig zijn! En het is toch zoo
-gemakkelijk, dunkt me....”
-
-Inééns ging Mombreuil een licht op. Dat hij dáár niet aan had gedacht!
-
-„—Hoe weet je dat?” vroeg hij ineens, bruusk. „En waarom maak je
-eigenlijk zoo’n drukte over die zaak! Ze is toch in ’t geheel niet je
-zuster. Zeg, zou jij soms zelf....”
-
-Pim raadde wat hij dacht. Het lag niet in zijn aard om te liegen. Hij
-keek Mombreuil recht in ’t gezicht.
-
-„—Ja, Mombreuil. Ik durf het wel te zeggen. Ik houd van haar, al zal ze
-het nooit weten.”
-
-„—En je raadt me daar aan, van haar te houden en een goeden man voor
-haar te worden!”
-
-„—Juist omdat ik van haar houd,” zei Pim, heel eenvoudig. „Omdat ik
-haar gelukkig wil zien, en ik weet, dat ze nu eenmaal van jou houdt, en
-niet van mij.”
-
-Een warm gevoel van sympathie welde in Mombreuil op voor den kleinen,
-zwakken, die daar voor hem stond, en maar even tot zijn schouder
-reikte. En eerlijk zei hij het, zooals hij het ook voelde.
-
-„—Ik geloof dat jij de held bent van ons tweeën, Pim, niet ik. Want ik
-heb maar zoowat bruut gevochten tegen lui, die toch eigenlijk hun eigen
-land verdedigden, maar jij zoudt jezelf heelemaal willen opofferen, om
-een ander gelukkig te maken.”
-
-En ineens, voelende wat de laatste weken voor Pim moesten geweest zijn,
-stak hij hem de hand toe en zei met oprecht medegevoel:
-
-„—Wat moet jij den laatsten tijd geleden hebben, kerel. Het spijt mij
-zoo, geloof me. Ik heb niet beseft wat ik deed. Maar ik zal het goed
-maken, ik beloof het je, ik zal het goed maken.”
-
-Pim was geen karakter om zoo loyaal aangeboden excuses af te wijzen.
-Hij legde zijn blanke, gesoigneerde hand in den grooten, gebruinden
-knuist van Mombreuil.
-
-„—Ik dank je, Mombreuil,” antwoordde hij. „Ik vertrouw er op dat je
-doen zult wat recht is. Je zult er ernstig over denken, en dan weten,
-of je voor jezelf Ellie durft behouden en haar waardig kunt blijven, of
-haar eerlijk zult zeggen, dat je van haar moet afzien. Je ziet wel in,
-dat het zoo niet langer kan duren.”
-
-En Maurice voelde de sympathie, die in hem was opgekomen al grooter en
-grooter worden, hoe meer hij Pim in het eerlijke, open gezicht zag.
-
-„—Hoe jammer, Pim,” zeide hij treurig. „Hoe jammer, dat alles altijd
-verkeerd loopt in de wereld. Waarom houdt ze niet van jou? Waarom nu
-juist van mij, die het niet waard ben? Jij bent toch zoo heelemaal
-aangepast aan haar. Weet je wel, dat jullie allebei nog iets van
-kinderen hebt? Ik bedoel hier geen onaardigheid mee, begrijp me wel. Ik
-bedoel dat jullie allebei nog zoo heelemaal onbesmet bent van alles wat
-vuil is, maar ik, zoo’n oude, grove troupier!.... Ik hoor daar niet
-bij. Waarom moest ik nu ineens zoo bruut in jullie mooie, kalme leven
-komen staan? Misschien zou ze anders nog wel eens van jou zijn gaan
-houden. Geloof me, het spijt me kerel, het spijt me zoo....”
-
-Pim drukte hem nog eens warm de hand.
-
-„Ik dank je, Mombreuil. Je kon het niet helpen. Ik ga nu zonder
-rancune. Ik dank je.”
-
-En zwijgend ging hij heen, om de tranen te verbergen, die in zijne
-oogen stonden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-
-Van dien noodlottigen middag af dat van Taats en Mombreuil elkaar
-hadden betrapt, ontweken zij elkaar zoo veel zij konden. Van Taats
-trachtte zichzelf wijs te maken, dat het toch zoo erg niet was van
-Mombreuil, dat het een noodzakelijke escapade van hem was, die wel niet
-meer herhaald zou worden, als hij maar eenmaal getrouwd was. Mombreuil
-van zijn kant had al lang geweten van de „louche” avonturen van zijn
-schoonvader, die hij trouwens ook niet eens zoo bizonder ordinair vond,
-vooral omdat hij niet meer getrouwd, en dus vrij man was. Als echte
-Hagenaars, en mannen van de wereld, namen zij die dingen niet zoo
-serieus op. Zoo was nu eenmaal het leven. De kwestie was maar alléén
-dat je zorg droeg, het stiekem te doen, en naar buiten correct het
-fatsoen te bewaren. Dan was iedereen in den Haag tevreden.
-
-En toch kwam er een zekere, hinderlijke gêne tusschen die beide mannen,
-zoodra zij samen met Ellie waren. Het was of zij dan allebei voelden,
-dat zij niet waard waren, in dezelfde sfeer als zij te ademen, en of
-zij bang waren van elkaar dat zij met hun vuil de reinheid van haar
-maagdelijke onschuld zouden besmetten. En het geheim, dat zij van
-elkaar bewaarden, werd dan als een benauwing, die hen beklemde, en die
-ook Ellie op zich voelde drukken, als een vaag gevaar, dat zij niet
-kende, maar toch voorgevoelde, zonder te weten. Het was haar, of er
-iets om haar was, dat haar bedreigde, iets, wat ieder oogenblik op haar
-àf kon komen, onverwacht, uit een hoek, en dat rondwaarde in het
-geheele huis.
-
-Ééns was het rakelings vlak bij haar geweest, en toch nog weggegaan,
-zonder dat het haar bewust werd.
-
-Mombreuil zat bij haar in de serre een kop thee te drinken, waar de
-oude heer „het Vaderland” las.
-
-Maurice had haar een paar nieuwe glacé handschoenen mede gebracht, waar
-zij om verlegen was.
-
-„Vin je deze niet erg mooi?” vroeg hij. „Ze zijn uit dat nieuwe
-magazijn van Madame Berthier op den Vijverberg.”
-
-Sedert een halfjaar was er in een van de groote huizen op den
-Vijverberg een zaak opgericht in de allerfijnste soorten handschoenen,
-die bizonder in trek was bij de hooge aristocratie en de patricische
-beau-monde. Zij was met véél chic ingericht, in een gesloten huis, véél
-te deftig om een gewonen winkel te schijnen, en een eenvoudig burgerman
-zou het niet in zijn hart hebben gekregen, daar binnen te gaan.
-
-Van Taats keek plotseling op van de courant.
-
-„—Zijn die handschoenen van Madame Berthier?” vroeg hij, als bang.
-
-„—Ja, papa, kijk eens hoe mooi!” riep Ellie. „Zijn ze niet beeldig?
-Maurice heeft ze voor mij meêgebracht. Ik ga voortaan dáár alleen mijn
-handschoenen koopen.”
-
-Haar vader was bleek geworden van schrik. En opeens zeide hij heftig:
-
-„—Dat moet je niet doen, Ellie. Ik wil niet dat jij daar in dat huis
-komt. Doe me een plezier, en beloof me dat je daar nooit zult komen.”
-
-Ellie begreep er niets van. En weêr voelde zij dat vage gevaar, dat om
-haar heen hing, de laatste dagen.
-
-„—Waarom niet, papa?”
-
-Van Taats zag Mombreuil aan. Maar ook Maurice keek verwonderd. Hij
-scheen dus nog van niets te weten. Toch vermoedde hij iets, met de
-fijne „flair,” die hij van zulke dingen had....
-
-„—Dat kan ik je zoo niet zeggen, kind,” zei van Taats, op een
-zacht-autoritairen, vaderlijken toon. „Dat zijn geen dingen voor jonge
-meisjes. Laat het genoeg zijn dat ik niet wil, dat je daar komt.”
-
-En zij, gedwee, als een gehoorzame dochter:
-
-„—O! Dat is natuurlijk genoeg. Ik beloof u, ik zal er heusch niet
-komen, als u ’t liever niet hebt.”
-
-Maar toch vroeg zij zich onrustig af, wat het dan toch wel zijn kon,
-wat papa bedoelde, en waarom soms alles zoo vreemd werd, zoo vreemd en
-zoo bang in huis, of er iets verschrikkelijks zou gebeuren....
-
-
-
-Totdat het haar ineens geopenbaard werd, genadeloos, met een zwaren,
-onbehouwen slag in haar teeder, maagdelijk leven.
-
-Het was denzelfden dag, dat Pim op Mombreuil’s kamer kwam, om hem
-rekenschap te vragen.
-
-Ellie zat even wat te lezen, vóór de lunch, toen opeens haar vader,
-bleek en zenuwachtig, in zijn reispak, met zijn groot valies in de hand
-binnenliep. Het was maar heel zelden, dat hij in haar boudoir kwam,
-waar hij zich niet op zijn gemak voelde.
-
-„Ellie!” zeide hij, met een lichtelijk bevende stem, „ik kreeg daar net
-een telegram, waardoor ik op reis moet. Het zijn héél dringende zaken.
-Ik moet even naar Londen, misschien zelfs wel naar Amerika. Dat zal ik
-je wel nader schrijven. Maar nu moet ik direct weg. Ik heb geen tijd te
-verliezen, kind. En nu kom ik je gauw even goeden dag zeggen. Geef me
-een zoen als je wilt....”
-
-En weêr voelde Ellie het héél dicht bij, het vage, onzichtbare dat in
-het huis hing den laatsten tijd. Wat deed papa vreemd.... Wat zag hij
-er bleek uit....
-
-Ze kuste hem liefdevol op zijn voorhoofd, en zijn beide wangen. En
-liefdevol vroeg ze:
-
-„—Er is toch niets, papaatje?.... Het is toch niet erg, dat
-telegram?.... Bent u er erg ongerust over?....”
-
-„—Welneen, kind, het is niets, hoor!.... alleen maar geldzaken....
-kwesties met effecten....”
-
-En hij liep naar de deur.
-
-Maar ineens kwam hij weêr terug.
-
-Hij nam haar hoofd in zijn handen en keek haar innig aan.
-
-„—Zeg, Ellie, als er nu eens iets gebeurde, met den trein of zoo.... je
-kan nooit weten.... en ik kreeg eens een ongeluk.... het is natuurlijk
-maar gekheid, maar stel ’t je nu eens voor.... en ik was eens dood, zie
-je, en er kwamen eens menschen, die allemaal kwaad van me vertelden....
-wat zou je dan wel van me denken?....”
-
-Zij keek hem verbaasd aan.
-
-„—Wat een vraag, papa.... wat zou ik ooit anders denken, dan dat u mijn
-lief, goed vadertje bent, die zooveel van mij houdt?....”
-
-Hij kuste haar, en nog eens, en nog eens.
-
-„—Als je dát maar altijd gelooft, Ellie, dat ik heel veel van je
-gehouden heb altijd.... al ’t andere moeten ze maar van me vergeten....
-maar dat ik véél van je houd, lieve, dát is alleen waar....”
-
-Toen knikte hij haar nog eens vriendelijk toe, en liep haastig het
-boudoirtje uit.
-
-En Ellie bleef achter, verwonderd, met een vreemde ongerustheid.
-
-Wat had papa raar gedaan.... wat zou hij eigenlijk hebben bedoeld....
-hoe bleek was hij.... zou het een erg nare tijding voor hem geweest
-zijn in dat telegram?
-
-Dáár hoorde zij de voordeur hard dichtslaan.
-
-En zij schrikte op, angstig, of die slag op haar hart was gevallen,
-zwaar en onheilspellend.
-
-En weêr dichter, al kon ze ’t altijd nog niet begrijpen, voelde zij het
-op zich af komen, dát, ze wist niet wat, dat al zoolang dreigde, van
-overal, van nergens, en dat toch maar niet wou komen....
-
-Wat kon papa toch wel bedoelen?.... Wat een vraag! of zij geloofde, dat
-hij van haar hield.... Dat ze al ’t andere maar van hem moeten
-vergeten.... vergeten?.... wat vergeten dan toch?.... en welk
-andere?...
-
-Het dienstmeisje kwam haar roepen, voor de lunch. Toen ze in de kamer
-kwam, zag ze nicht Joséphine vragend aan.
-
-Maar de oude dame keek voor zich, en het was Ellie, of zij haar liever
-niet wilde aanzien.
-
-„—Nicht!” vroeg ze angstig, „weet u niet wat er stond in dat telegram?
-Er is toch niets met pa?.... hij was zoo bleek.... o! als er iets is,
-zeg het me dan toch....”
-
-Maar nicht Joséphine bleef heel bedaard, en probeerde haar te kalmeeren
-met verstandige woordjes.
-
-„—Zeker Ellie, er zal wel iets zijn, natuurlijk.... je vader zit in
-veel engelsche en amerikaansche ondernemingen.... zijn fortuin is bijna
-heelemaal in ’t buitenland belegd.... maar dat zijn zaken, waar vrouwen
-zich heusch niet mede moeten bemoeien....”
-
-En Ellie liet zich overreden, zeide dat ze het begreep, dat het wáár
-was dat zij er niets mede te maken had, natuurlijk niet, dat sprak van
-zelf....
-
-Maar toch voelde ze, dat nicht niet alles wilde zeggen en dat er meer
-moest zijn, meer....
-
-
-
-Ze had geen lust om uit te gaan. ’s Avonds, na het diner, zou Mombreuil
-komen. Ze kon nú Wies wel halen, om te wandelen, of even een briefje
-sturen aan Pim, maar het kon haar nu toch niet meer schelen, naar ’t
-strand gaan, of naar ’t Kurhaus, zonder Maurice.
-
-En ze bleef wat lezen, wat borduren, wat knutselen met een kant, die ze
-aan ’t maken was.
-
-Om vier uur werd er gebeld, en ze hoorde, dat er iemand werd
-binnengelaten, in de vestibule. Nieuwsgierig keek ze even boven aan de
-trap. Het was een vreemde heer. In ’t zwart was hij, met een hoogen
-hoed op. Hij vroeg haar vader te spreken. Verder kon ze ’t niet meer
-hooren wat hij tegen Marietje zeide. Maar hij werd binnengelaten, bij
-nicht. Wie kon het zijn? Na een kwartier ging hij weer weg.
-
-En inééns voelde ze ’t weer, dien angst, dien vreeselijken angst voor
-wat ze niet wist....
-
-Ze belde Marietje.
-
-En Marietje vertelde het weinigje wat ze wist. De vreemde had meneer
-willen spreken. Toen had zij gezegd, dat meneer uit de stad was. Wie of
-er dan nog meer in huis was, had hij gevraagd. Juffrouw Joséphine had
-ze gezegd, maar die ontving vandaag niet. Maar dat moést dan maar, had
-de vreemde meneer gezegd. En ze had hem moeten aandienen, of ze wilde
-of niet. Op zijn kaartje stond Meester van Henke, of zoo iets en hij
-was de Officier van Justitie.
-
-Ellie hield zich kalm.
-
-„Zoo, de Officier van Justitie,” zei ze bedaard, alsof het niets
-bizonders was.
-
-Maar daar wás het weer, daar was het weer nader bij, veel nader bij
-gehuiverd.... het was als een kring van ontzetting, die om haar
-dichttrok.... zou het nu eindelijk, eindelijk komen....?
-
-En ze verlángde, ze verlangde, dat het er nu maar zijn zou, dat
-verschrikkelijke, opdat ze het tenminste wist, en niet langer zou
-voelen die ontzettende ongerustheid, die erger was dan het állerergste
-wat ooit kon komen....
-
-
-
-Totdat het kwam, afschuwelijker dan wat ze ooit had kunnen denken.
-
-Het was vijf uur, en Ellie was even naar den salon gegaan, om in de
-serre naar de bloemen te kijken.
-
-Toen ze terug wilde gaan, naar boven, zag ze een courant liggen in de
-bus. Het was het groote socialistische dagblad „De Zon”, dat haar vader
-nu en dan las, voor de curiositeit, juist omdat hij zoo’n hevig
-anti-socialist was. En ineens kreeg ze een voorgevoel, dat ze die
-courant moést lezen, waaróm wist ze niet, maar er was iets aan dat
-witte ding daar in de bus, dat haar onweêrstaanbaar aantrok.
-
-Ze had het blad wel eens meer gelezen, uit verveling, zonder er belang
-in te stellen. En toch kreeg ze opeens een behoefte, om het even in te
-zien, als voelde ze intuïtief, dat er iets instond, wat haar aanging.
-
-Voor dat ze zich bewust was, waarom ze het eigenlijk deed, had ze de
-courant meêgenomen naar haar boudoir.
-
-Niets bizonders.... iets over een werkstaking.... over de
-ongevallenwet.... over een kamerzitting.... wat kon dat haar nu
-schelen.... nu maar het tweede blad even inkijken....
-
-En daar stond het.
-
-„Een Haagsch schandaal”, met groote letters.
-
-Ze las.... ze las.... en nogeens....
-
-Ze begreep het eerst niet heel goed. Als een, die van de eerste
-ontzetting te verstomd is, om dadelijk te beseffen, dan, langzaam,
-langzaam doemt het op....
-
-Maar, groote God, dat kón toch niet, dat kón toch immers niet zijn....
-
-Het groote huis van Madame Berthier.... op den Vijverberg....
-zoogenaamde handschoenen-magazijn.... maar schandelijk rendez-vous van
-een zedelooze club.... schaamtelooze veilheid van getrouwde vrouwen,
-voor geld, om rekeningen te betalen.... en nog erger.... afschuwelijke
-misdrijven tegen de zeden.... minderjarige meisjes.... daar gelokt met
-bonbons en andere cadeautjes.... de dochtertjes van fatsoenlijke ouders
-op straat niet meer veilig.... personen uit de aanzienlijkste standen
-betrokken, tot zelfs in de hoogste kringen van het Hof....
-klassenjustitie.... maar nú al te duidelijk, bijna niet meer te
-sussen.... eenige personen nu al zeker gevlucht.... expres gelegenheid
-gegeven.... een gewezen staatsraad, een gewezen kamerlid, wèlbekend,
-Koninginnegracht.... Officier van Justitie zal onderzoek beginnen.....
-maar natuurlijk te laat.... vogels gevlogen.... en later toch wel weer
-gesust, het schandaal.... ellendelingen....
-
-Ellie gaf een schreeuw van walging. Het was, of ze ineens met iets
-afschuwelijk vuils was overgoten... of het vieze overal langs haar heen
-droop, over haar hoofd, door haar kleeren heen, op haar lijf. Zij
-voelde het zwáár op zich drukken, of ze er van zou stikken, en voelde
-den adem stokken in haar keel.
-
-Neen, dat kón niet, dat was té vreeselijk.... en toch, het stond er....
-dat moést haar vader zijn, het kon niet anders, het kwam allemaal zoo
-uit.... inééns was hij weggegaan, als op een vlucht.... en dan zoo
-straks, de Officier van Justitie....
-
-Wát het precies was, wist ze niet eens, kón ze ook niet weten.... maar
-iets héél verschrikkelijks, afschúwelijks, diep verachtelijks, dát
-voelde ze, uit maagdelijk instinct....
-
-Maar haar eigen vadertje, haar lief, goed, oud vadertje, neen, het kon
-niet, het kon niet.... het moest lage laster zijn....
-
-Ze moest, ze zoú weten....
-
-En dadelijk liep ze trap af, naar nicht Joséphine, in den salon.
-
-„Nicht!... lees u.... gauw.... is het wáár nicht, kán dat wáár
-zijn?....”
-
-Zij zag het oude mensch schrikken en heel bleek worden. Nicht Joséphine
-wist niet wat ze zeggen zou.... ze mompelde iets, maar zij begon te
-stamelen, en kon er niet uitkomen.... En met angstige oogen keek ze
-Ellie aan....
-
-Toen stotterde ze nog iets, van geen lectuur voor een meisje.... kan
-zij niet begrijpen.... zich er niet mede bemoeien.... niet alles altijd
-willen weten.... en later wel weer terecht komen.... niet ongerust
-maken.... vuil courantengeschrijf....
-
-Maar Ellie voélde het, met de fijne voelhorens van haar ziel.... ze
-voelde den leugen in al die onbeduidende, huichelachtige woorden, die
-zoo bedriegelijk héén draaiden om de waarheid.
-
-En met de handen van schaamte voor haar oogen, om nicht niet meer aan
-te zien, liep zij snikkend de kamer uit, naar haar boudoir.
-
-Zij viel op een canapé, en verborg haar gezicht in een kussen, bijtend
-in het zachte satijn, om het niet uit te gillen van pijn, de oogen
-stijf dichtgeknepen, om niets, niets meer te zien.
-
-O! Kon het toch zoo maar blijven, áltijd donker, dat zij niemand meer
-behoefde aan te kijken, en dat niemand háár zag! Want zij was
-besmet.... zij voélde het vuil op zich.... en het kon nooit, nooit meer
-van haar af.... iedereen zou het dadelijk zien.... het kleefde aan haar
-vast, het was ook in haar lief boudoir gekomen, en het was in ’t
-gehééle huis.... hoe kon ze zich nog ooit vertoonen aan de menschen....
-het was toch van haar vader op háár overgegaan.... zij was er mee
-besmet natuurlijk, het kwam nu ook op háár neer.... En het ergste, zij
-voelde het in haar ziel, nu zij het voor ’t eerst gezien had, het vuil
-van de wereld.... al waschte ze zich héélemaal schoon, met de fijnste
-zeepen, in haar ziél voelde ze het toch, en daar kon het nooit meer
-worden als vroeger....
-
-En ze rilde van zichzelve, uit walging dat ze dit vuile in zich voelde,
-of ze vergiftigd was met vies, stinkend vocht.
-
-Stil, daar kwam de meid boven. Er werd geklopt op haar deur.
-
-De meid. Met een brief.
-
-„Alstublieft, juffrouw. Ik moest den brief eigenhandig aan u geven.”—
-
-En zij, zoo kalm mogelijk: „Het is goed, Marietje. Dank je wel. Geen
-antwoord. Zeg aan nicht, dat ik niet kom eten, dat ik niet wel ben
-geworden.”
-
-Één blik op het handschrift.
-
-„Van Maurice!”
-
-En ze wist het al. Ze behoefde dien brief niet eens meer te lezen. Het
-was van de schande! Alweêr van de schande! Nu kon Maurice haar
-natuurlijk niet meer trouwen. Hij kon niet tot vrouw nemen de dochter
-van een vluchteling, van een misdadiger, dien de politie zocht. Hij kon
-zijn naam niet schandvlekken met een naam als dien van haar. En nu was
-het voor altijd uit met het geluk. En al wou hij nog, zij zou het niet
-meer van hem aannemen. Zij mocht hém niet ongelukkig maken met háár
-schande.
-
-Toch brak zij den brief nog even open.
-
-
- „Lieve Ellie!
-
- Wil mij vergeven, als ik je iets beken, wat ik je al zoo lang had
- willen zeggen. Ik houd niet genoeg van je om je ooit gelukkig te
- kunnen maken. En dat komt omdat ik je niet waard ben, omdat ik niet
- meer rein en goed kan liefhebben zooals een meisje als jij
- verdient. Daarom is het maar beter, dat je mij mijn woord
- teruggeeft. Morgen zal Wies bij je komen, en je alles vertellen,
- wat ik hier niet schrijven kan. Denk niet te slecht over me, en
- geloof, dat je het beste en liefste bent wat ik ooit in mijn leven
- heb gekend. Maar daarom juist voel ik, dat ik je niet mag maken tot
- mijn vrouw.
-
- Maurice Mombreuil.”
-
-
-En ze glimlachte over zijn goedheid. Hij had haar willen sparen. Hij
-wilde het laten voorkomen, of hij niet goed genoeg voor háár was, of
-hij niet waard was van haar te houden, maar natuurlijk was het juist
-omgekeerd, dat sprak van zelf. Hij had het gehoord, van de schande,
-zooals natuurlijk heel den Haag het gehoord had, en nu kon hij haar
-niet meer kennen. Dat ging niet. Hij, een Mombreuil, en zij, de dochter
-van een vluchtenden misdadiger, gezocht door de politie!—En hij had het
-nu afgemaakt, loyaal en ridderlijk, zooals hij altijd was.
-
-Hij, de groote, de sterke, hij, de held, hij zou niet waard zijn haar
-lief te hebben!
-
-En de tranen kwamen haar in de oogen, om de ridderlijkheid, waarmede
-hij de schuld op zichzelf had genomen, en haar de eer had gelaten, hém
-zijn woord terug te geven.
-
-Zij kuste den brief, zenuwachtig, keer op keer, met dankbare, gloeiende
-kussen.
-
-„Mijn lieveling, mijn groote, mooie lieveling, ik had het moeten weten,
-je was niet voor mij, het kón immers niet, ík zoo’n arm, klein
-vlindertje maar, en jij zoo groot en zoo mooi....”
-
-
-
-Maar wat nu te doen?.... Hoe nu verder voort te leven zonder hem?....
-Wat was nu nog het leven zonder hem?.... Vroeger had ze nog haar
-Kurhaus, haar strand, haar tennisclub, en al het plezier.... maar dat
-was nu wèg, voor goed, dáár kon ze nu niet meer komen.... ze wezen haar
-nu allemaal na.... kijk, daar gaat ze, de dochter van.... je weet
-wel.... ze noemden haar vroeger het Vlindertje.... een mooi
-Vlindertje!....
-
-Ze keek rond in haar boudoir.... alles zoo netjes, zoo keurig, zoo
-rein... al die zijde en dat satijn... dat was toch allemaal het oude
-nog, allemaal van haar.... en ze was toch dezelfde nog van vroeger...
-er was aan haar toch niets veranderd.... Ja, toch, er was wèl iets aan
-haar veranderd.... al héél lang.... en nu, ineens, zonder waarschuwing,
-bruut en grof, was het vuile van de wereld gekomen over haar blanke,
-argelooze ziel.... Haar eigen vader... hoe was ’t mogelijk!.... haar
-eigen lief, goed, oud vadertje, midden in ’t vuil.... híj, vies en
-gemeen gedaan, met onschuldige kinderen.... meisjes als zíj.... ze wist
-niet wat het was, en toch wist ze ’t, uit voorgevoel.... het moest iets
-héél, héél verschrikkelijks zijn.... een schande, die nooit, nooit meer
-is uit te wisschen, en die ze ook zullen neêr laten komen op háár,
-onverbiddelijk....
-
-En het was haar, of dat vuil ook háár besmet had, of er iets over haar
-was gekomen als een vunze, giftige pestwalm, of het zat op haar hoofd,
-haar haren, haar schouders, dat iedereen het zien kon, dádelijk....
-
-Waarom was er nu niemand om haar te troosten?.... het klopte zoo in
-haar hoofd, en overal beefde het zoo aan haar van walging en
-ontzetting.... maar iedereen zou van haar wegloopen, niemand zou haar
-willen kennen.... nu zou ze héél alleen staan,.... vadertje was weg...
-het was erger dan of hij dood was en hij kon nu nooit meer vadertje
-zijn van vroeger.... o! ze zou van hem schrikken, ze zou hem geen hand
-meer durven geven.... en Maurice was nu ook weggegaan, die kon ook niet
-meer bij haar blijven, na wat gebeurd was.... Kwam er dan niemand om
-haar te helpen....
-
-En ineens riep zij hem, intuïtief, wetend, dat hìj altijd trouw zou
-zijn, tot aan den dood:
-
-„Pim!”
-
-Pim! Dát was de eenige, waar ze nog naar toe kon gaan, de éénige, die
-haar nooit, nooit zou verlaten, al was de schande bergenhoog over haar
-hoofd.
-
-En zij zag zijn trouwe, blauwe oogen en zijn nog zoo kinderlijk, open
-jongensgezicht, en voelde een groote, onweerstaanbare behoefte om bij
-hem te zijn, en hem alles, alles te vertellen. Voor ’t eerst in haar
-leven voelde ze eigenlijk hoe lief hij haar was, hoe hij het laatste
-toevluchtsoord was, dat altijd zou blijven staan zonder wankeling,
-standvastig en oprecht, waar alles om haar heen nu zou wegvallen, in de
-groote catastrophe van haar leven.
-
-Als zij hier alleen bleef zitten zou ze nog gek worden, dat voelde ze
-zéker, in haar angst. Zij kon het zoo niet uithouden. Ze moést het
-zeggen, aan iemand zeggen, die haar begrijpen zou, die haar kon
-troosten, en haar niet verlaten zou in dezen uitersten, uitersten nood.
-
-Ze ging zooals ze was, in haar wit serge japonnetje, en zette een hoed
-op, zonder zorg, zoo maar, héél gauw, om maar wat op te hebben. Ze wist
-het, het stond niet, maar daar was ze nu overheen. Ze wilde naar Pim.
-Ze zou hem opzoeken, in zijn kamer, en ze zou hem smeeken, om haar te
-helpen. Hij was altijd zoo goed, zoo goed, zoo goed. Hij zou haar nooit
-verlaten.
-
-En ze ging zachtjes de trap af, dat nicht Joséphine het niet zou
-hooren. Nu stilletjes de voordeur open en ze was op straat. Het was
-half zeven. Zou hij thuis zijn? of zou hij al naar ’t Kurhaus zijn
-gegaan?
-
-Dáár was zijn pension, Javastraat No. 12. Nu maar flink gebeld. Johan,
-zijn oppasser, deed open. Neen, de luitenant is niet thuis. Hij is om
-half zes naar Scheveningen gegaan met luitenant de Sandt, en eet zeker
-in het Kurhaus.
-
-Dáár zou ze hem wel vinden. Hoe zou ze gaan? Met de trem? Neen! In
-zoo’n trem zat ze zoo alleen tusschen zooveel menschen. Die zouden haar
-allemaal zoo aankijken. Want iedereen wist het nu natuurlijk. Iedereen
-had het nu al gelezen. Neen, dat kon ze niet. Dán maar loopen. De
-Javastraat uit, en dan bij den Ouden weg, door de Boschjes. Daar waren
-nu niet zooveel menschen.
-
-Maar óók al in de Javastraat verbeeldde ze zich, dat de menschen naar
-haar keken. Ja, ze vóelde het, al zag ze zelf naar den grond, ze vóelde
-het. En ze dachten allemaal „daar gáát ze, Ellie van Taats, je weet
-wel, de dochter van....” Ze voelde haar wangen gloeien van schaamte en
-verontwaardiging. Een straatjongen bleef even staan, en trok een
-leelijk gezicht tegen haar. Als hij haar nu maar niet nariep! Neen,
-Goddank, hij liet haar met rust.
-
-Zoo liep ze, angstig en verschrikt, met kloppend hart, zoo hard ze maar
-kon, om toch maar gauw bij Pim te zijn. Ze keek aldoor maar voor zich,
-als zocht ze iets op den grond en zag ze niets van wat om haar
-gebeurde. Maar toch was het haar altijd of ze door een cordon van
-menschen ging, die het allemaal wisten, die haar uitlachten, en die
-verachtelijk op haar neerzagen. Ook in de boschjes kon ze het niet
-kwijtraken. Het vervolgde haar in de leêge laantjes, het keek van op
-zij uit de struiken, en hoog uit de boomen. Ze was een schande, die
-rondliep, voor iedereen ten spot.
-
-Eindelijk was ze, door het van Stolkpark, in Scheveningen gekomen, op
-de Haringkade, op de brug bij de Badhuisstraat. Liet ze nu vooral niet
-rechtuit gaan, met al die trems en rijtuigen, op den Gevers Deynootweg.
-Neen, liever hier de brug over, en dan die nieuwe buurten door, dan
-kwam ze vanzelf wel weêr bij ’t Kurhaus uit. Ze kende die straten nog
-niet. Renbaanstraat stond hier, op een bordje.
-
-Het begon donker te worden, in die laatste dagen van September. Hier en
-daar werden de lampen opgestoken in een café. En ineens begon een piano
-te spelen, een woeste uitgelaten wals. Ellie schrikte er van, of ook
-die muziek het uitschaterde over háár.
-
-Eindelijk, dáár was ze op het Gevers Deynootplein, voor het Kurhaus.
-
-Overal liepen menschen in vroolijke, lichte pakken, zacht-kleurend in
-de schemering, die naar de muziek gingen. Er kwamen er uit de
-electrische trem, uit de paardetrem, en zij zag een grooten drom
-aankomen uit het station van de stoomtrem. Hier en daar begonnen al de
-lichtjes te flikkeren van lantarens, weifelend en onzeker, in de bleeke
-schemering. En het groote massale Kurhaus stond vreemd, met een
-mystiek-rossigen glans in het late licht van den vallenden avond. Al
-die menschen, die daar van alle kanten aanstroomden, schenen op te gaan
-tot een bovenaardsch, wonderbaarlijk genot, dat hen daar wachtte in dat
-groote, vreemd-glanzende gebouw.
-
-Ellie bleef even stilstaan.
-
-En inééns voelde zij, voor ’t eerst in haar bestaan, hoe genadeloos
-wreed en koud dat groote, Haagsche leven was, waar ze zoo met haar
-geheele hart in was opgegaan. Want alles ging nog precies zoo door, en
-zoú ook altijd even onverstoorbaar doorgaan, nu zij er nooit meer aan
-kon meêdoen. Ze had altijd gedacht, dat ze er zoo héélemaal
-bijbehoorde, dat ze er zoo innig één mede was, in een warme,
-vriendelijke verstandhouding met al die uitgaande, mooi gekleede
-menschen. Maar plotseling, hoe vèr het buiten haar om was, en hoe het
-niets, absoluut niets om haar gaf, en het er niet eens iets van
-bemerken zou, als het Vlindertje er niet meer in rondfladderde! Dat zij
-het nooit vroeger had geweten! Al die menschen, die zoo
-schijnbaar-gezellig samen meêdeden aan de mondaine wereld, zij waren
-héél aparte levens, alleen op eigen genot bedacht, en zonder warm
-verband van vriendelijke broederschap. En niemand, niemand zou omkijken
-en er om stilstaan, als één uit de groote bende verongelukt was, en
-jammerlijk uitgeworpen langs den weg....
-
-Ja, erger nog. Al diezelfde menschen, die haar vroeger zoo aardig
-hadden gevonden, die haar bij het lieve bijnaampje hadden genoemd, en
-haar zoo gechérisseerd hadden als een precieus, lief poppetje, tot hun
-vermaak, zij zouden haar nú nawijzen met den vinger, en een anderen
-kant opzien, als zij naar hen toekwam, zij, de dochter van den man,
-wien de politie zocht voor een schandelijke, vuile misdaad....
-
-Ze wist, dat ze het niet verdragen kon. Ze zou er onder bezwijken. Ze
-kon niet, neen, ze kon dat niet dragen, ze was er nu eenmaal niet voor
-aangelegd, om pijn te hebben en verdriet. Ze wist, dat ze niet den moed
-zou hebben, dat Kurhaus in te gaan, en door al die menschen te loopen,
-die het natuurlijk wisten, en die bang zouden zijn, dat zij hen
-aansprak.
-
-En ineens voelde zij dat groote huis daar voor zich als iets onbestemd
-vijandigs, waar haar wachtte een vaag gevaar, wát wist ze niet, maar
-iets om van te sterven van angst....
-
-En toch was daar Pim, dien ze zocht, Pim, de éénige die haar kon
-helpen. Waarom was hij daar in dat groote, vijandige gebouw, onder al
-die kwaadwillende menschen, nu zij hem zocht, om zich aan hem vast te
-klemmen als een láátste toevlucht, nu alles, alles om haar wègviel,
-waar ze ééns van leefde? Waarom wist hij nu niet, dat zij daar stond,
-waarom voélde hij het niet, en vloog hij haar niet te hulp, nu zij zelf
-zoo bang, zoo heel bang was, en niet durfde binnen te gaan, waar
-zooveel menschen waren, die haar bespotten zouden?
-
-Neen, hij kwam niet.
-
-Hij niet, en niemand kwam. Niemand kon het iets schelen of zij daar al
-te wachten stond, en leed, en bang was. Het groote Leven dáár ging
-onbewogen door, en wist niet, en zag niet naar ééne, die het niet bij
-had kunnen houden.
-
-En opeens werd het besef in haar klaar van haar groote absolute
-verlatenheid in het Leven, dat zij ééns zoo vertrouwd dacht, en vol van
-warme éénheid, die de menschen aan elkaar verbond. Nooit had ze het
-geweten, maar eigenlijk had ze daar altijd rondgefladderd als een
-vogeltje in een woestijn, heel eenzaam en heel apart, gelukkig met
-dingen, die niet waren dan schijn, als een Fata Morgana, dat dra in
-niets verdwijnt. Ze voelde zich totaal onnoodig voor al die menschen,
-een arm, zwak wezentje, dat evengoed gemist kon worden, en waar niemand
-om zou treuren.
-
-Zoo peinzende liep zij door, zonder recht te weten waarheen zij ging,
-het Kurhaus voorbij, éven haastig door de menschen op den Boulevard, en
-dan de eerste steenen trapjes af, naar het strand.
-
-Hier was het goed, hier waren nu geen menschen, en hier zou niemand
-haar zien, haar, waardeloos, nietig ding, dat toch niemand miste.
-
-De avond begon nu al dichter neder te vallen, met donkerder en
-donkerder schaduwen. O! Kon ze zich nu maar voor altijd verstoppen in
-dat donker, dat niemand haar meer zag, en dat zij zelf de oogen niet
-meer behoefde dicht te doen om niets meer te zien van al dat leven, dat
-zoo wreed was, en haar niet meer wilde kennen!
-
-O! Niet meer te weten, niet meer te herinneren, en in vergetelheid
-zachtjes wègdroomend te vergaan!
-
-In wanhoop staarde zij voor zich uit, als wilde zij iets vinden, dat
-haar genadiglijk zou opnemen, waar zij zich uitgestooten voelde van de
-menschen, voor goed.
-
-En opééns voelde haar ziel de zee....
-
-
-
-Donker en eindeloos was het vóór haar, het reine wereld-water, op
-eeuwigen adem deinende, vér en vér....
-
-Het was een oneindigheid, in het vallende duister, die zij meer voelde
-dan zag, en die zij sidderend hoorde, in de ruischende muziek van haar
-majestueus rythme.
-
-Daar riep haar iets, van uit die verre verten; iets dat haar ziel
-herkende, of ze het méér gehoord had, of ze er eenmaal één mee was
-geweest....
-
-En het werd haar op eenmaal licht en vreemd te moede, of zij wonderlijk
-droomde.
-
-Ze zag even om, naar het Kurhaus terug, waar zij de werkelijkheid dacht
-te zijn.
-
-Maar alles vervaagde, en zonk er zachtjes weg, als voor het láátst. Een
-ijle avond-nevel was over alle dingen gegleden, die er lucht in
-vervluchtigden, als wèg in het niet. Vreemd schenen daarin
-lantaren-lichtjes hoog boven op het terras, in flauwe verdooving. Het
-leek alles herinnering en ver verleden, om ééns geweest te zijn, maar
-niet meer terug te komen. Het Kurhaus was een zachte schaduwing van
-donkere vormen, onzeker en onreëel als een paleis uit een nevelig
-sprookje, in de fantasie van een kind. En Ellie voelde het aan, of het
-was van jaren her, en niet meer van haar leven.
-
-Dat leek opééns nu alles ver, zoo heel vaag en ver, nu haar ziel zoo
-sidderend gevoeld had de eindeloosheid van het wereld-wezen, in het
-machtig ruischen van de zee!...
-
-O! Hier was het goed, hier was het goed, in dat genadevolle duister,
-dat zij om zich voelde vallen als een veiligen, alle schande
-bedekkenden mantel, zoo luidloos, zoo liefderijk voorzichtig, zonder
-zwaarte om haar heen....
-
-Hoe zacht verging het daar alles òm haar, hoe gleden de dingen
-onhoorbaar weg, zonder pijn, in dien rustigen droom van den avond, kalm
-en vreezeloos, als kinderen, die slapen gaan!
-
-Ze was nu moê, heel moê. Ze wilde nu ook wel héél graag slapen en niet
-meer weten.
-
-Eigenlijk was ze al heel lang zoo moê geweest, en had ze nooit meer de
-reine, onbewogen rust gekend, als die ze nu zag droomen over de wereld,
-in dezen teeder-ademenden avondnacht.
-
-Sedert haar maagde-ziel gebeefd had onder den donkeren blik van een
-man, had daar een weeë, bange onrust in haar gewoeld, die niet haar
-innige wezen was. Die liefde had haar ziel toch eigenlijk maar
-droeviglijk beroerd, met vreemde huivering van pijnigend verlangen. En
-eigenlijk was ze altijd bang geweest, heel bang, voor iets dat breken
-zou, het teerste in haar, door dat verlangen naar dien lieven, en toch
-altijd vaag-vijandigen man.
-
-Maar nu was ze te moê, te moê, o, veel te moê. Te moê was ze van
-lieven, en te moê van bang zijn, en te moê van schreien, en van
-alles.... En niets zou nu meer helpen, het was te laat.... Ook niet
-Maurice meer, al kwam hij biddend terug, om haar weer op te nemen in
-zijn armen.... En ook niet Pim, haar lieve, trouwe broer, haar jongen,
-met zijn vriendelijk, blond pagegezicht, en zijn trouwe blauwe
-oogen....
-
-Het was gedaan, en vér verleden, en het zonk alles voor haar weg,
-zooals de werelddingen òm haar, verdroomend in nevelig duister....
-
-En ook zij moest nu maar weg, ze voelde het, ze hoorde er niet meer en
-had er niets meer over. Ze was nu leeg, van alles los, en moest nu ook
-maar stil verdwijnen in het niet, in die eindelijk weergevonden rust,
-die het veilig thuis was van haar ziel, wèg van al dat lieve en toch
-zoo bange, dat zoo droef beroerde wat vroeger vrede in haar was....
-
-Zij voelde zich loopen, een wandelpier op, langs groote, glibberige
-steenen, aangetrokken door de zee, die haar vanzelf deed voortgaan.
-
-Nu was zij op het uiterste eind gekomen, ze kon niet verder.
-
-Wat nu?.... wat ging ze doen?.... droomde zij?.... hoe stond ze daar nu
-zoo ineens, zonder iemand, héél alleen, een arm, klein schepseltje,
-daar bij die groote, groote zee?....
-
-O ja.... o ja.... de schande, de schande.... het vuil, het vreeselijke,
-vieze vuil van de wereld.... het was op haar hoofd, op haar hals, op
-haar lijf, het was héél binnen in haar gekropen, en het sijpelde in
-haar door, vèr door haar ziel....
-
-De zee, de zee kan het afwasschen.... de zee is groot, en goed, en
-eeuwig rein.... Het moet wel héél zalig zijn, daar zoo heel diep onder
-de zee te liggen, van alles wèg, en overal is water om je, en alles
-wordt weer rein, wordt weer heerlijk schoon, en niets kan nu ooit meer
-smetten.... Boven gaan de golven nog rusteloos, maar wat moet het daar
-onder rustig zijn.... zoo rustig, en zoo vredig, en zoo stil....
-
-Een vreemde aantrekking, zacht en bedwelmend, deed haar overbuigen naar
-het water.... haar voet gleed uit op een glibberigen steen, en ze viel
-voorover, de handen uitslaande naar een steunpunt in het leege, in de
-machtig-ebbende zee....
-
-
-
-En als een arm, nietig vlindertje, dat verongelukt in wijden, wijden
-plas, en trilt nog wat spartelend met de natte wiekjes, en zinkt dan,
-droef-gehavend, zóó dreef het broze figuurtje van het maagd-meisje nog
-éven boven, een wit, bevend vlekje op de donkere golven, en zonk toen
-weg, klaaglijk en hulpeloos, in de diepten van de zee....
-
-
- September—November 1900.
- Scheveningen—Amsterdam.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VLINDERTJE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.