diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-25 01:23:23 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-25 01:23:23 -0800 |
| commit | b73dfd85d3a6e5907d2bc04b833a912595784f17 (patch) | |
| tree | c8687b76b4e6daa3fbfc37f5e8fca6ed2231d199 | |
| parent | 0c9d773e7aa73c966314b32344a4a44c5f261d6a (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/69163-0.txt | 6346 | ||||
| -rw-r--r-- | old/69163-0.zip | bin | 128661 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/69163-h.zip | bin | 304500 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/69163-h/69163-h.htm | 6644 | ||||
| -rw-r--r-- | old/69163-h/images/new-cover.jpg | bin | 152325 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/69163-h/images/titlepage.png | bin | 11905 -> 0 bytes |
9 files changed, 17 insertions, 12990 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..ecfaa13 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #69163 (https://www.gutenberg.org/ebooks/69163) diff --git a/old/69163-0.txt b/old/69163-0.txt deleted file mode 100644 index 07b1f67..0000000 --- a/old/69163-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6346 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Vlindertje, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Vlindertje - een Haagsche roman - -Author: Henri Borel - -Release Date: October 15, 2022 [eBook #69163] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from scanned images of public domain - material from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VLINDERTJE *** - - - - - - VLINDERTJE - EEN HAAGSCHE ROMAN - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -„—Ziezoo Pim, dat is dus uitgemaakt, wit serge zal het zijn, en -natuurlijk tailor-made, dat waren we allebei ééns. Maar nu de voering, -dat is altijd een heel ding, zie je, wat denk je dáár van, gele zij of -wit satijn?...” - -„—Je weet wel dat je ze allebei kunt dragen, Ellie, wit en geel staan -je allebei goed..... ’t Is eigenlijk een lastig geval.... Maar als je -’t mij vraagt vind ik wit je toch nog ’t beste staan.... ’t Is of dat -geel eigenlijk altijd een beetje minder goed doet tegen je blonde -haar... Maar je moet het natuurlijk zelf weten....” - -„—Zóó, vin je?... Ja, daar is ook wel iets van aan... Ik had het anders -al zoo héélemaal met dat geel bedacht. Als ik het costuumpje met gele -zij had laten voeren, had ik er ook een geel zijden blouse bij genomen, -gegarneerd weet je, met entre-deux van witte kant bijvoorbeeld... En -dan een groote hoed van wit stroo er bij, óók met iets geels, gele -rozen bijvoorbeeld, gele handschoenen, en een geelgevoerde parasol.... -Dat zou wel aardig kunnen worden.... je weet, die tailor-made -costuumpjes staan me zoo goed.... maar als je nu denkt dat al dat geel -niet goed doet tegen mijn haar....” - -„—Ik ben geen orakel Ellie,”—zei Pim—„en ik heb er ook eigenlijk geen -verstand van, al beweer je altijd van wèl... maar als je nu met alle -geweld mijn opinie er over wilt hebben, moet ik je ook eerlijk zeggen -wat ik vind, hè?... Nu, léélijk vind ik dat geel niet, dat zég ik -niet... ’t doet zelfs meestal juist héél goed bij blonden, dat weet ik -wel.... maar jouw blond is zoo héél apart, dat wéét je heel goed, -Ellietje, en ’t is niet om je eens een complimentje te maken.... er is -zooiets van de echte zonnestralen in, iets dat bijna brandt, zou ik -zeggen.... ik vind dat het beter doet bij jou met wit... - -„—Nu, wat zou je dán willen, wijsneus?” - -„—Wit serge, net als je zegt, en tailor-made óók, maar ik zou het -voeren met wit, met wit satijn, en géén zijde.... En nu de blouse... -laat eens kijken... die zou ik blauw nemen, kindje lief, een -blauw-zijden blouse, zoo van dat licht-turquoise blauw... dát vind ik -iets voor jou, en je zult eens zien hoe je dat staat... het mooiste -strandfiguurtje word je er mee, wát ik je zeg... je garneering vind ik -goed, met witte entre-deux, uitstekend zelfs, en dan moet je de -sluiting maken met van die knoopjes van kristal, die vind ik zoo -aardig... Zou je dat bevallen?...” - -Ze dacht eens even na, met haar fijne handje onder haar kin, in heel -ernstig peinzen over zóóiets gewichtigs. En toen ineens, ernstig -vragend: - -„—En wat voor hoed dan?...” - -„—Wel, de hoed zooals je wou, van wit stroo, maar dan zonder die gele -rozen natuurlijk... Weet je wat ik doen zou? Ik zou er een nemen met -van die groote witte wieken... en dan een zwart fluweel lint er aan, -door zoo’n gesp van strass, je weet wel... dan natuurlijk wit -suède-leeren molière-schoentjes er bij, over wit zijden kousen en wit -glacé handschoenen... en, dat is waar ook, ik zou je immers een nieuw -parasolletje cadeau doen... nu, die neem ik dan met een rand van -hetzelfde turquoise-blauw als je blouse... en zóó zal je er wat chic -uitzien hoor!... mijn woord er op!... Bevalt het nu zóó de freule?... - - - -Het beviel Ellie wèl, en zij nam zich ernstig voor, de raadgevingen te -volgen van het kleine huzarenofficiertje, dat op een pouf in haar -blauwe boudoir als een volleerde modiste zat te spreken. - -Eduard van Wedell had nu eenmaal een renommée onder de dames van een -kenner te zijn van vrouwentoiletten en, al plaagden ze hem er dikwijls -om, in ’t geheim werd hij door menig meisje van zijn kennisjes -geraadpleegd over dat allergewichtigste vraagstuk in het Haagsche -jongedames leven, het kiezen van een nieuw costuum. En het was bekend, -dat de mooie en toch zoo eenvoudige toiletjes van Ellie van Taats, waar -ze altijd zoo’n enorm succes mede had, meestal door haar stiefbroer -Eduard van Wedell, den kleinen huzaren-luitenant, waren uitgedacht. - -Het liep nu tegen den zomer, en het nieuwe Kurhaus-seizoen was -begonnen. Het was tijd, dat Ellie met wat nieuws voor den dag kwam, en -zij hield eene conferentie met Eduard, even serieus of ze met eene -prima modiste uit Parijs in gesprek was. - -Blond meisje als ze was, van het goudblond, dat gloeit van zomerstralen -op rijp koren, had ze haar boudoir, haar „toren” zooals ze het noemde, -van een exquis Peacock-blauw gemaakt Het was een boudoirtje als van -zooveel fijne, teêre dame-meisjes, met allemaal brooze, zachte, -breekbare dingen, met étagèretjes vol porseleinen miniatuur-poppetjes, -en satijnen poufs, en crapauds, en luchtige, lichte stoeltjes met -blauwe zijde bekleed. Een oud, italiaansch schrijfbureautje, véél te -fijn om ooit bij ’t schrijven op te leunen, een paar lage, turksche -tafeltjes, ingelegd met ivoor en paarlemoer, en een groote -standaardlamp van onyx, met een rond blad vol kleine Rozenburg-vaasjes -en fotografietjes, en een groote, blauwe kap. Een rand van hout met -blauw peluche langs een wand, met japansche pulletjes, en hier en daar -mandjes met groote strikken, en vooral ook foto’s naar heel bekende -schoonheden van Mora en Reutlinger. - -Aan de wanden nog van die erg mooie, groote gravures in dofbruine -lijsten, „Das Mährchen”, en „Le Balançoir” en „Paul en Virginie in den -storm” en „De schoone Melusine bij het witte paard”, die dame-meisjes -nu eenmaal o! zoo beeldig en snoezig vinden. Op den grond, over een -donkerder vilten kleed, een Amersfoortsch tapijt van Colenbrander, van -een superbe pauwen-blauw, met dofgele ornamenten, voornaam en erg -zacht. - -Op een ezel, rijk met draperie behangen, natuurlijk een groot portret -van de jonge koningin, door Kameke, het nieuwste dat van Hare Majesteit -was verschenen, van de vorstin, die immers het állereerste en -koninklijke dame-meisje was van den Haag! - -En dan al die vage kleinigheden, die ’t hem juist doen, petits riens, -een boeketje hier, een fijn strikje dáar, en hier weer een bizonder -mooi boekbandje toevallig op een kleurig satijnen kleedje, al die broze -teederheidjes waar zoo’n onbewust meisjeszieltje intuïtief haar -behoefte om gracieus lief en zacht te doen in uit. - -Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar licht-blauwe-droom-oogen -en haar rank, teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp -dan een vrouw voor het groote Leven. Als een vreemde, exotische -orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van allergevoeligste -essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte -couleuren, omgeven van zijde en satijn, en van dingen, die alleen de -aanraking verdragen van heel eerbiedige vingeren en heel luchtigen stap -van voeten. - -Het keurige, kleine huzaren-luitenantje dat bij haar zat, correct in -zijn nauwsluitende uniform, met zijn baardeloos, blank melk-en-bloed -gezicht, zijn kort, witachtig-blond haar, en even zachte blauwe oogen -als zij, leek ook niet zoo reëel en serieus als een officier moet zijn. -Er was iets van travesti, en iets van bijna miniatuur aan hem, dat óók -den indruk gaf van een héél teer, allersubtielst bloeisel, als een -allerláatst exemplaar van een bizonder, fijn ras, dat juist door die -tot het uiterste doorgekweekte, van alle andere verscheidenheden zuiver -gehouden verfijning, ten einde liep, van te zwakke vitaliteit door de -al te groote teêrheid van essences. Jonkheer Eduard van Wedell was dan -ook de laatste van een overoud geslacht, verzwakt door eene serie van -huwelijken in de familie, uit overgroote vrees voor vreemd bloed. - -In het lichtblauwe boudoir, te midden van al die broze dames-dingen, -die zijden en satijnen poufs en kussens, die teêre, breekbare -stoeltjes, dat zachte tapijt, en die bij ál te harden voetstap -trillende étagèretjes vol miniatuur-poppetjes en pullen, leken die twee -echt Haagsche, mondaine wezens wel absoluut thuis, veilig en vertrouwd -tusschen al de luxe en het comfort, die hun eigen teedere natuur -completeerden. - -Maar er was iets in hun beider distinctie en al te ranke gratie als van -kasplanten, of heel vreemde, uit verre sferen overgevoerde vogels, die -te teêr zijn voor wreede, koude winden buiten, en maar altijd binnen de -veilige muren moesten blijven van hun goede, warme huis. Want buiten is -het groote, harde Leven, genadeloos, en zonder piëteit voor wat apart -is en bizonder, dat groote, harde Leven waarin alleen het sterke, -grof-gezonde kan gedijen, maar al wat teêr en broos is droeviglijk moet -breken.... - - - -„Als je nu héel dankbaar bent voor zooveel eer,” zeide Ellie, „mag je -zelf meê naar de stad, waar ik de stofjes moet gaan uitzoeken. Je -dogcart staat tóch te wachten, dus dat is meteen een uitstekende -gelegenheid. Ik ga even bij Haefely en bij Emmerechts. Je zet me daar -dan heel netjes af, rijdt maar een kwartiertje in het rond, en komt me -daarna behoorlijk weêr halen. En ik beloof je plechtig, dat ik niet -langer zal noodig hebben. Natuurlijk neem ik de stalen mee naar huis, -want jij moet ze óók zien, en zóó kom je er niet af.... Het is nu drie -uur.... dan kunnen we net tegen half vijf nog even bij Monchen -inwippen.... Welk paardje heb je vandaag? De bruine Rosa?.... O ja, ik -zie haar al....” - -Ze schoof even de gordijn wat op zijde van het balconvenster, en zag -beneden op straat de dogcart van Eduard voor de deur staan. - -Een klein, broos wagentje, op heel luchtige veeren, glimmend in -vroolijke kleur van lichtgeel vernis. Het mooie paardje stond, den kop -trotsch, recht voor zich uit, onbewegelijk op de fijnen voorbeenen te -wachten. De keurige palfrenier, serieus, correct op den bok, starend -voor zich uit met een indrukwekkende ernst, als in diepe meditatie de -oogen naar één punt gericht. - -„Zoo écht gezellig ziet dat bakje er toch uit, Pim. Laten we nu gauw -gaan,” zei ze. - -Ze verdween door een zijdeur in haar slaapkamer, en kwam gauw weer -terug, met haar witte matelotje op, en haar manteltje over den arm. En -blij neuriënd trippelde ze met Pim de trap af, onhoorbaar, luchtig -zwevend over den zwaren looper. - -Het wagentje veêrde maar éven onder den druk van het ranke dame-meisje, -dat met een vluggen zwaai van de treê op het voorbankje sprong. Eduard -nam de teugels, en de palfrenier klom op het achterbankje, waar hij -roerloos zitten bleef, de armen gekruist, met groote waardigheid. Toen -een klein rukje aan de teugels, een zacht, vleiend woordje, en de -bruine draafde met elegante, korte stapjes hoef-kletterend over de -straat. - -Zóó gingen ze, luchtige, vluchtige, mondaine leventjes van bevalligheid -en elegante gratie, en reden in het broze, vaag-veêrende wagentje -lachend de lichte stad in van schoonen schijn en illuzie, die den Haag -is.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Pim was Ellie’s broertje. Hij was wèl twee en twintig jaar, en -luitenant bij de huzaren, maar toch zeide ze altijd haar broertje, en -nooit haar broer. Ook was hij eigenlijk in ’t geheel geen broer van -haar, maar dat deed er niet toe, zei ze. - -De oude heer van Taats was kort na den dood van zijn eerste vrouw, -Ellie’s moeder, hertrouwd met de weduwe van Jhr. van Wedell, die haar -zoontje Eduard, toen pas vijftien jaar, medebracht. En zoo kwam het dat -Eduard met Ellie samen was opgevoed als broer met zuster. Maar hij was -Jhr. van Wedell en zij Ellie van Taats. Ze was heel gauw familjaar -geworden met haar nieuwen broer, en was de baas over hem gaan spelen -zoodra ze voelde, dat hij dol van haar hield. Zij was toen pas twaalf -jaar, en drie jaar jonger, maar toch was hij „broertje,” en Eduard was -een veel te serieuze naam voor hem. Pim, dát was goed voor zoó’n -ventje. En dus heette hij voortaan Pim, zijn leven lang. Hij had nooit -een zusje gehad, en was heel blij geweest, er een te krijgen. Het was -zoo heel nieuw voor hem, al dat broze, luchtige, reine en fijne aan -haar, waar hij zoo voorzichtig mede moest wezen, en waar je zoo heel -anders tegen doen moest dan tegen een jongen. Hij had een stillen -eerbied voor haar, omdat ze altijd zoo netjes was, nooit eens vuile -handen had, en zoo’n heel schoon, wit, sprookjesachtig -prinsessen-slaapkamertje bezat, waar allemaal broze en vreemde dingen -stonden, al was ze pas een klein nufje van twaalf. En zij, echt Haagsch -dametje dat ze was, had het dadelijk erg chic van hem gevonden dat hij -een jonkheertje was. En nogwel jonkheer van Wedell, een van de beste -namen uit den Haag, die iedereen kende! - -Toen Pim op de Militaire Academie was, stierf zijn moeder, en was van -Taats voor de tweede maal weduwnaar, maar toch bleef hij zijn stiefzoon -als zijn eigen zoon behandelen, en als Ellie’s broertje. Hij vond het -wenschelijk, altijd door Eduard een band te blijven houden met de -aristocratie. Wel was het hem tegengevallen dat hij na zijn huwelijk -met een weduwe van Wedell zoo weinig toenadering van de beau monde had -ontvangen, maar tóch vond hij het wel deftig staan, een van Wedell als -zoon te beschouwen. Eduard zelf hield niet veel van zijn stiefvader, -wien hij niet meer dan den verplichten eerbied betuigde, maar om zijn -zusje vooral niet te verliezen, bleef hij als kind bij van Taats aan -huis komen. Hij was nu eenmaal het broertje van Ellie, al was hij de -zoon niet van van Taats. - -Pim was de kleinste huzaren-officier van het leger. Daarom kon Ellie -ook nooit „broer” zeggen, maar altijd „broertje.” Hij vond het -onuitstaanbaar dat hij zoo klein was, maar deed net of het hem niet -schelen kon. Sommige officieren fluisterden wel eens, dat de heeren van -de keuring zich vergist moesten hebben, want dat van Wedell eigenlijk -onder de maat was. En Ellie praatte maar altijd over „broertje” alsof -hij nog een kleine schooljongen was, in plaats van een officier. Hij -had dan ook een heel zacht, fijn jongensgezicht gehouden, zonder een -spoor van baard of knevel, al was hij al twee en twintig jaar en ook -zijn licht, zilverig blond haar, op wit áf, dun zijde-achtig en -glanzend als het was, gaf hem het uiterlijk van een grooten knaap. Hij -had een mooi, slank figuur, en zijn uniform stond hem keurig, maar tóch -had hij altijd veel meer van een grooten jongen, die officiertje -speelde in travesti, dan van een heuschen krijgsman. - -„Je hadt eigenlijk een meisje moeten worden,” zei Ellie altijd, „het is -heusch een vergissing geweest dat je een jongen bent geworden.—Maar -weet je waar je ook goed voor zou zijn? Voor een blonde page van een -prinses. Als ik de koningin was benoemde ik je tot page.”— - -Dan lachte hij, of hij het heel aardig vond, maar in zijn hart vond hij -het beroerd, en het deed hem pijn. Ellie deed hem héél dikwijls pijn, -zonder dat ze het bedoelde, en daarom hield hij misschien juist zooveel -van haar. - -Pim werd onder zijn kameraden een excentrieke vent gevonden. Als hij -niet Jhr. van Wedell ware geweest niet over zooveel geld had beschikt, -en niet zoo’n prettige trouwhartige vriendelijkheid over zich had -gehad, zou hij al lang onaangenaamheden hebben gekregen in zijn corps. -Het was bijna ongeloofelijk, zeiden ze, voor een officier, die -bovendien van adel was, maar Pim was in ’t geheel niet militairistisch -gezind, en had zelfs socialistische neigingen. Hij las allerlei „rare” -boeken, niet alleen gewoon socialistische maar zelfs anarchistische, -van Jean Graves en Kropotkine, en hij durfde te verkondigen, dat hij in -veel dingen met die schrijvers sympathiseerde. Ook was hij een soort -orakel onder de kameraden voor literatuur, en als ergens aan een der -officieren van het eskadron naar zijn oordeel over een boek werd -gevraagd, zeide hij altijd maar wat Pim er over dacht. Dan was hij -zeker dat het ook wel zoo zijn zou. Het was wel eens gebeurd, dat Pim -in een gesprek in vuur raakte en stellingen verkondigde, die gevaarlijk -konden worden voor zijn carrière, maar nooit had een van de kameraden -hem verraden, en wat ze van géén ander verdragen zouden, vergaven ze -hèm gaarne. Ook namen ze hem eigenlijk niet heelemaal au sérieux. Hij -was zoo klein, zoo jongensachtig met zijn blanke, baardelooze gezicht, -en die heel licht-blauwe, zachte meisjes-oogen, en daar leek hij zoo -weinig gevaarlijk mede. En hij was zoo goedhartig in alle dingen, zoo -ridderlijk en zoo altijd bereid een kameraad te helpen. „Die goeie -Pim,” zei iedereen van hem die hem kende, en vijanden had hij nooit -gehad, al zei hij somtijds zulke gevaarlijke dingen. Eéns waren ze bang -geweest dat het mis zou loopen. Hij was met een peloton naar Rotterdam -gecommandeerd, waar een oproertje was van werkstakers, en ze wisten, -dat hij zich had uitgelaten, dat die kerels in den grond recht hadden. -Toch was hij moeten gaan, gehoorzaam aan ’t consigne. En ’t was heel -anders geloopen dan ze dachten. Op een critiek moment, toen er een -catastrophe dreigde, had kleine Pim de oproermakers gechargeerd, en er -geducht op los laten slaan. Ze hadden hem zelfs in de kranten -gesignaleerd, en de „Sociaal-Democraat” had hem een waren afstammeling -genoemd van de roofridders en tyrannen uit de middeneeuwen. Toen hij -terugkwam wilden ze hem allen feliciteeren met zijn kranig gedrag, maar -hij had hun in vertrouwen gezegd, dat hij zich schaamde. Hij was -driftig geworden, zeide hij, woedend om hun scheldwoorden, hun -beestachtige door hartstocht verwrongen tronies—God! wat waren die lui -leelijk! En wat vuil! en wat stonken ze!—en toen ze zijn huzaren met -steenen gooiden had hij ruim baan laten maken, en er zelf óók op -ingeslagen. Maar nu schaamde hij zich eigenlijk, bekende hij. Want die -kerels hadden gelijk, en dat ze zoo beestachtig waren, kwam omdat ze in -de misère waren opgegroeid van uitbuiting en ontbering. Maar toen een -intimus hem eens serieus vroeg, waarom hij dan officier was geworden, -en nóg officier bleef, antwoordde hij, dat hij dat zelf niet wist. Maar -hij wist het heel goed. Hij was officier geworden omdat Ellie het zoo -gewild had. Ellie had hem altijd gezegd, dat ze alleen trotsch op haar -broer zou blijven als hij officier bij de cavalerie werd. Dat had ze -zich nu eenmaal in haar hoofd gezet. Haar broer, Jhr. Eduard van -Wedell, luitenant van de huzaren, dat stond nu eenmaal! En natuurlijk -was het dan ook gebeurd. - -Pim was veel liever in de letteren gaan studeeren. Van kinds af aan was -hij dol op literatuur geweest. Maar toen hij pas zijn zusje had -gekregen en ze hem gezegd had, dat hij cadet moest worden, had hij het -heel gehoorzaam gedaan. Toen was er in de drukke studiejaren weinig van -lezen gekomen, maar sedert hij tweede luitenant was geworden, was hij -weer veel aan literatuur gaan doen. Zonder leiding las hij maar alles, -wat hem onder de handen kwam, en in ’t begin was zijn smaak nog al -onzeker, maar langzamerhand begon er zich toch een idee in hem te -vormen, wat voor hem het mooi was, dat aanpaste aan het innigste en -liefste van zijn ziel. Toen was hij ook zoo goed en zoo kwaad als het -ging aan filosofie gaan doen, en hij was Spinoza, Kant en Schopenhauer -gaan lezen, en had zich zelfs verdiept in brahmanisme en boeddhisme. -Maar Pim was niet sterk genoeg om er zelfbewust uit te komen. Hij had -niemand in zijn omgeving, die hem kon helpen en was te veel in beslag -genomen door zijn officiersbaantje, om uit die omgeving weg te gaan. Er -was geen denken aan, om ontslag te nemen uit den dienst en te gaan -studeeren. Dat wilde Ellie niet. - -En Ellie was het eenige hoûvast in zijn leven. - -—Zijn zwakke natuur, te zwak om door den schijn van décepties en -leelijkheden heen de hoogste schoonheid te vinden in de literatuur en -de filosofie, en te sterk, om het gewone leventje van de menschen om -hem heen zoo maar als gewoon en goed aan te nemen, had zich héélemaal, -willoos, zonder denken, in zalige onbewustheid overgegeven aan dat ééne -gevoel: de liefde voor zijn zuster. Dat was eigenlijk het eenige, waar -hij een steun aan had, waar hij van leefde. Zonder Ellie zou zijn -geheele leven geen raison d’être meer gehad hebben, en alles om hem -heen zou in elkaar gevallen zijn, als bij een catastrophe. Hij leefde -nu eenmaal heelemaal alléén van Ellie. Van het oogenblik af aan dat -hij, als een kleine jongen van veertien jaar, in eens voor het fijne -blonde meisje had gestaan, in haar mooi wit-en-blauw kamertje vol -broze, teedere dingen, en ze hem gezegd hadden: „dit is nu je zusje”, -was hij met zijn heele ziel van haar gaan houden en had hij haar eene -aanbidding gewijd of ze een godin was. Ze had hem dadelijk bij de hand -genomen, en de baas over hem gespeeld, of ze véél ouder was dan hij. -Hij was dan ook niets grooter dan zij geweest, want ze was vroeg -gegroeid, en toen hij vijftien was leek hij veel jonger. - -Intuïtief had het kleine meisje gevoeld, dat ze een macht over hem had, -en dat ze hem regeeren kon precies zoo als ze wilde. En altijd had ze -die macht over hem gehouden. Ze had gewild dat hij cadet werd, en later -luitenant bij de huzaren. En daarom was hij dat nu ook; hij had wel -gemoeten. - -Door zijn vele lezen van alles door elkaar en zijn zwakke, ál te -droomerig bespiegelende natuur had Pim eigenlijk nergens een hoûvast in -zijn leven. Het was hem nog alles zoo onzeker en vaag, waar hij dacht -van te houden, en dikwijls verloor hij heel veel moois, waar hij -enthoesiast mede gedweept had, weer een paar dagen daarna, als hij -onder andere indrukken was gekomen. Zelfs van de dingen, waar hij in de -literatuur en de kunst het mééste van hield, was hij nooit heelemaal -zeker, dat ze hem op een gegeven dag weêr niet afgenomen zouden worden. -Hij was ook te veel passief dilettant en te weinig scheppend artiest om -iets groots welbewust in zich op te nemen en vast te houden als een -deel van eigen onsterfelijk en onafneembaar wezen. Ook menschen kende -hij evenmin als dingen, en er was eigenlijk niemand op de wereld, ook -onder zijn beste kameraden niet, die onverbrekelijk met zijn eigen -bestaan samenging. - -En zijn gehééle zelf liet hij nu, zonder te weten waarom, op dat broze, -fragiele, liefelijke wezentje rusten van mooiheid en teêrheid, dat -Ellie was. - -Ellie was voor hem nu eenmaal het centrum van zijn geheele leven, dat -alleen met háár bestond. Van haar leefde hij, en alles wat òm en bij -haar gebeurde, en wat maar eenigszins met haar in verband stond, maakte -de heel gewichtige gebeurtenissen van zijn leven. Al de andere dingen, -de dienst in het eskadron, en wat er in den Haag alzoo voorviel en de -wereldgeschiedenis van het buitenland en zoo, zij waren er óók wel, -maar voor hém was het hoogste, van direct belangzijnde, en vóór alles -gaande: het leven van zijn zuster, Ellie van Taats. - -Een héél enkelen keer was hij wel eens aan ’t bespiegelen gegaan, en -had hij zich afgevraagd: „Wat zie ik nu eigenlijk in Ellie? Wat voor -bizonders is er aan haar? En is ze nu zoo’n apart superieur wezen?” -maar daar was hij al gauw mede uitgescheden, omdat hij het te dol vond -om daarover te redeneeren.—Want hij zag niets in Ellie, dat wist hij -héél goed. En er was ook niets bijzonders aan haar, gelukkig niet. En -ze was ook volstrekt niet buitengewoon knap of geleerd—o jee! dát -heelemaal niet, het leek er niet naar!—en een superieur wezen, zooals -waarvan je in boeken leest, was ze ook al niet. - -Maar hij hield van Ellie eenvoudig omdat ze Ellie was. Dat leek nu wel -heel nonsensachtig, omdat het natuurlijk geen reden was, maar toch was -het zoo klaar als een klontje, vond hij. Omdát ze Ellie was. En Ellie -was nu eenmaal Ellie. - -Dát bestond weer wèl heel apart. - -Er was niets op de heele wereld dat nu eenmaal zoo was als Ellie. Als -hij niet bij haar was waren alle dingen net of er eigenlijk nog iets -aan mankeerde. Bijvoorbeeld een mooie dag, en een mooie natuur buiten, -dat was toch niet je dát, als hij niet met Ellie samen liep. Maar als -ze bij hem was kwam alles pas weer in orde. Dan was hij een andere -kerel van binnen en voelde hij een harmonie in zich, of alles in de -wereld wel in orde was. Zoo bijvoorbeeld ook als hij alleen in een -kamer zat, en ze kwam binnen. Dan werd het er immers veel intiemer, of -er een licht was binnen gekomen en alles werd ineens zooveel klaarder -en helderder. En dan voelde hij zich zoo lekker van binnen, of nu -eigenlijk alles pas in hem was zooals het hoorde. - -En dan, wat mooi aangaat vond hij, zelfs in de grootste kunst, of de -beste literatuur, is er toch nooit iets zóó moois, dat zóo leeft, en -zoo heelemaal echt en waar is, als het mooi van een mooi meisje. Dát is -toch altijd het prachtigste wat er is. Hij had wel eens hooren zeggen: -„wat is dat nu, een mooi meisje, dat is toch geen verdienste!” Maar hij -vond dat wel degelijk een héél groote verdienste. Zelfs als zoo’n -meisje niet bijzonder fijn voelde of niet veel wist, of niet erg -ontwikkeld was.—Een mooi meisje is toch nog mooier dan een mooie bloem. -En denkt een bloem? Is een mooie bloem ontwikkeld? - -Ellie was véél mooier dan de mooiste bloem, dan de schitterendste ster -aan den hemel, vond hij. En dát was het vooral, het gevoel dat niets in -het leven, of de literatuur, of de kunst hem kon geven, het gevoel van -nu héélemaal tevreden en voldaan te zijn van rustig, zéker, veilig -geluk, dat altijd zal blijven, en nooit minder worden, dat gaf hem -alleen het mooi van Ellie’s meisje-zijn. Een lijn van haar hals, een -ronding van haar arm, de om-van-te-weenen teedere lelie-witheid van -haar borst, de fijne omtrek van haar enkel, een eenvoudig -handgebaartje, een vriendelijk knikje, álles, álles van haar was mooi, -en het was méér dan mooi, het was lief, en intiem, en vertrouwd, ja, -het was goed. Goéd, dat voelde hij zóó, dat als je bijvoorbeeld heel -ellendige dingen dacht, van misère, en onrecht, en wreedheid en zoo, en -je twijfelde aan alles, dat je dan ineens, enkel door een lief -gebaartje van haar hand, of door het voelen van de vriendelijkheid van -haar lachje, wist, dat álles tóch in orde, dat álles malgré tout tóch -goed was. Nu leek het wel, of er in ’t geheel geen verband kon bestaan -tusschen háár en al de wereld-dingen buiten haar, maar tóch voelde hij -het zoo voor zich.—En zij was zelfs het centrum van al die dingen, dát, -waarom ze eerst waarde voor hem kregen. De mooiste: een mooie -schilderij, een mooi vers, en mooie muziek, ze gaven hem een heel groot -geluk, maar toch wist hij, dat wat hij voor Ellie voelde, véél inniger -nog was dan het gevoel voor die schoonheid. - -Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter -en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door -zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed -van een te oud geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij -was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van -passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage -walging. Hij wist dat het kinderachtig werd gevonden, en hij er met een -soort medelijdende verachting om werd aangekeken, maar hij had in ’t -geheel geen neiging voor wat zijn kameraden „de vrouwen” noemden. Wel -moest hij enkele keeren meêdoen aan jongeluis-fuifjes, en kwam hij bij -die gelegenheden met Haagsche vrouwen van minder-allooi in aanraking, -maar hun platheid en hun ongracieuze, ruwe manieren hadden hem altijd -gechoqueerd, en nooit was hij met ééne van haar intiem geworden. Hij -voelde heel goed het lieve en aantrekkelijke van enkelen, die nog een -mooi figuurtje en een prettig, lachend gezichtje hadden, maar zoodra -hij een grof woord hoorde of een lichtelijk obsceen gebaar zag, was -zijn afkeer grooter dan zijn zinnelijke opwelling kon zijn. Hij werd -dan ook een unicum in het corps gevonden, omdat hij nog „maagd” was, -zooals ze dat noemden. Je bent óók „Le Vierge”, had van den Bergh van -de grenadiers, een van zijn goede kennissen, tegen hem gezegd, toen zij -samen in de stad het boek van Valette met dien voor hem zoo vreemden -titel eens voor een boekwinkel zagen liggen.—En dat was Pim ook altijd -gebleven. Dat hij daarom niet slap of verwijfd was, had hij bewezen bij -de laatste Clingendaal-wedstrijden, toen hij den grooten hurdle-race -had gewonnen, en hij werd dan ook algemeen voor den besten ruiter van -het regiment gehouden. Maar zijn ziel neeg nu eenmaal naar het zachte, -fijne, teedere, meer dan naar het harde, bruyante, en hevige. - -En Ellie was het zachtste, fijnste, teederste wat er voor hem bestond. -De droomerige schijn in haar diepe, blauwe oogen, de rozige blos op -haar wangen, het lelieë blanke van haar huid, haar vriendelijk, zacht -sopraanstemmetje, haar gracieuze bewegingen en gebaren, en al de broze, -ijle, blanke, fluweelig aanvoelende dingen, die bij haar behoorden, -alles van en òm haar was aangepast aan zijn ziel, en gaf hem -behagelijke, wèldadige rust. Er was een atmosfeer van maagdelijkheid om -haar heen, waarin hij zijn ziel voelde als een lelie in heilige lucht. -Zóó was het goed, in háár sfeer, zóó met dat blanke, en zachte, en -kuische, en zóó was hij tevreden, niets méér verlangend, in rustig -evenwicht van geluk.... - -En het was haar kinderlijke blijheid, haar onwetende, onbezorgde -vroolijkheid, die hem zelf óók er bovenop hielden. Het enkele feit dat -zij bestond, en hier op de aarde liep te lachen en plezier te hebben, -maakte dat hij zich eigenlijk óók altijd gelukkig voelde, al zag hij -vlak in de droefste waarheden, die hem somtijds ineens aankeken vanuit -den anderen kant van zijn bestaan, dáár, waar Ellie niet was. Die -konden hem toch nooit ongelukkig maken, en hem zóó aanpakken, dat hij -de veilige overzijde er voor altijd voor overliet, waar hij in de -vreugdesfeer van Ellie leefde. Hij kon niet ongelukkig zijn en ook niet -zijn leven besteden aan het helpen van ongeluk en het strijden voor wat -hij waarheid en recht wist, zoolang Ellie er was om zich aan te wijden. -Omdat zij er was, voelde hij zijn leven, zooals hij het nu leefde, als -goed en wèlbesteed. Zij vulde zijn geheele bestaan, dat geen leegte -kende zoolang zij er was, en ook geen behoefte had aan méér dan haar. -Intieme vrienden had hij dan ook weinig behalve één, die eigenlijk te -groot voor hem was om intiem te durven zijn, wèl goede kameraden en -kennissen, die aan de oppervlakte van zijn leven veel bij hem waren. -Hij ging erg joviaal met hen om, en dacht zelf ook wel, dat zij beste, -intieme vrienden van hem waren, maar als hij hen allen eens verloren -had zou hij tóch niet ongelukkig of eenzaam zijn geweest, als Ellie -maar overbleef. Ook hield hij veel meer van zijn paarden en honden. Die -waren zoo héélemaal wáár en eenvoudig, vond hij, en zoo gemakkelijk om -te begrijpen. Je kon er zoo op áán, en ze waren zoo oprecht in hun -simpele natuur. Balder en Isolde, zijn lievelingspaarden, waren hem -lief als de beste vrienden, en hij werd zelden gezien zonder een van -zijn mooie honden, Hector, een pracht van een pointer, Karl, een groote -koningspoedel en Jim, een fijne fox-terrier van het edelste ras. Jim -was de favoriet omdat Ellie hem zoo vertroetelde en zoo dikwijls kuste. - -Pim was bij de Haagsche uitgaande jongemeisjes erg gezien, en had -overal vriendinnetjes, in de meest verschillende kringen, maar zij -behandelden hem eigenlijk allen meer of min als een soort prettigen -broer, wien ze alles konden vertellen, en met wien ze vrij en intiem -konden omgaan, zonder een mogelijke „partij” in hem te zien. Hij was -haar te veel verwant, door het zacht-vrouwelijke in zijn natuur, en het -was somtijds of hij eigenlijk óók te veel meisje was, en het haar -daardoor onmogelijk zou zijn, op zoo iemand te verlieven. Ook was hij -voor een man te klein, en te weinig forsch. Hij was wèl een mooie -jongen, erg blank, erg aristocratisch, maar een beetje té mooi, te veel -naar het vrouwelijke toe, met dat soms nog zoo kinderachtig lijkende, -baardelooze gezicht, en die zachte, onschuldig-blauwe oogen, als van -een maagd. - -„Je bent niet flink genoeg tegenover vrouwen,” zei zijn vriend de Sandt -wel eens, „ik zou bijna zeggen je bent niet bruut genoeg. Zoo’n héél -klein beetje bruut, dat heb je eigenlijk noodig tegenover vrouwen. Je -bent altijd zoo poeslief, kerel, en daar houden ze niet van, geloof -me!” - -En Pim voelde het ook wel, dat hij eigenlijk geen kerel genoeg was, en -dat hij door de meeste meisjes zoo’n beetje als een soort broer werd -behandeld die niet gevaarlijk kon worden. Zelfs in een stad als den -Haag, waar zooveel besproken wordt en de kleinste incorrectie stof tot -laster geeft, was nooit gekheid gemaakt op zijn intiemen omgang met -Ellie, die toch eigenlijk geen zuster van hem was, en met wie hij zich -elken dag in ’t publiek vertoonde. Van een ander in zijn plaats zou -misschien gesproken zijn, maar niet van hem. Hij was immers maar „de -kleine Pim”, „het kleine huzaartje”, dat geen kwaad zou doen! Maar hij -wás nu eenmaal zoo, hij kon er niets aan doen, en hij verlangde ook -niet anders. Zijn weinig onstuimige natuur, waarin nog geen hartstocht -was uitgebarsten, had volstrekt geen behoefte aan hevige sentimenten, -en gloeiende kussen, en hoog-gaande liefde-scènes, die het bijna -religieus mooie van rust en vrede, dat hij in meisjes zag, voor hem -zouden bederven. Hij had genoeg aan de gratie van hun wezen, en als er -maar een mooi meisje bij hem was, met fijne lijnen en gevoelige -gebaren, was het of een liefelijke harmonie van muziek zacht door de -stille onbewustheden van zijn maagdelijke ziel klonk. Hij was haar -dankbaar, alsof zij hem áldoor groote weldaden bewezen, alleen als ze -maar mooi waren; en gracieus, en gevoelig, en een rank figuurtje, een -nobel-gewelfde buste, een paar fijne, blanke handen waren de groote -vreugden van zijn leven, dat nu eenmaal bestond van wat bevallig, lief -en aangenaam van rythme, en kleur, en gebaar was. - -Dat luchtige wezentje van niets dan uiterlijkheid en schijn, dat -teedere en „frêle objet d’art” dat het echte Haagsche dame-meisje is, -had Pim bestudeerd zooals een kunstkenner schilderijen. Hij wist de -vage geheimen en nuances van haar toiletten als een ingewijde, kon voor -dit of dát meisje een costuum teekenen, als een artiest van het vak, en -zag als bij intuïtie welke fijne nuance van kleur alléén paste bij -welken toon van haar, en welken teint van gelaat. Goede, intieme -kennisjes raadpleegden hem zelfs bij het inkoopen van dasjes en linten, -en vroegen zijn oordeel bij het kiezen van een kleur zijde of satijn -voor een toilet. En het was bij hem zonder een zweem van poenerigheid -of pedanterie, dat hij zoo’n specialiteit was op dat gebied, waar hij -als man niet behoorde, het was enkel de artiest in hem, die genoot van -de kleuren en lijnen van mooie vrouwen, even oprecht en innig als een -andere zijn vreugde vindt in de mooie natuur van luchten en -landschappen en horizonnen buiten. - -Een mooi meisje kon bij hem geen kwaad doen, en hij dacht er nooit diep -over door, dat de schoonheid, waar hij zoo van genoot, toch maar schijn -van buiten was, en daarom nog géén afspiegeling van ziele-mooi van -binnen. Het ephémère, vluchtige, onbeduidende van al die -fladder-leventjes viel hem niet op, in zijn verrukking over het -liefelijk rythme hunner verschijning. „A thing of beauty is a joy for -ever”, dat was zijn antwoord, als iemand hem verweet, dat hij te veel -naar ’t uiterlijke mooie van vrouwen keek. Dat die vage schoonheid als -die van vlinders en bloemen is, die dra vergaat, hij wilde er liever -niet over denken. Hij dúrfde ook niet, hij was er te zwak voor, en hij -was véél te blij, dat het goed ging met zijn leven, zooals het nú was. -Met die meisjes-, en vrouwen-vereering, en als innigste uiting daarvan -zijn reverentie voor Ellie, die bijna een godsdienst was, zóo -onvoorwaardelijk en blindelings van geloof, stond of viel zijn geheele -bestaan. - -Hij voelde absoluut niet als „verliefd” op Ellie, en hij had ook nooit -gedacht dat zijn innige houden van haar iets anders zou kunnen zijn dan -de groote vriendschaps-gehechtheid van een broer. Natuurlijk hield je -toch véél meer van je zuster dan van anderen, vond hij, dat sprak van -zelf. Het feit, dat ze in ’t geheel niet zijn zuster wás, dat ze -eigenlijk precies voor hem was als ieder ander meisje, zag hij absoluut -niet, juist omdat het zoo vlak voor de hand lag. Als hij intiem met -haar in haar boudoir zat, en hij haar, bijvoorbeeld als zij jarig was, -weleens kuste en door haar gekust werd, zooals hij dat gewoon was te -doen, sedert dien dag, dat hij voor ’t eerst in haar kamer had gestaan, -dan was dat niets bizonders voor hem. Hij was toch haar broer! Ook was -hij er nooit onrustig of zenuwachtig van geworden, en had hij zich nog -nooit verlegen tegenover haar gevoeld. Het gaf hem juist zoo’n -weldadige, behagelijke rust, bij haar te zijn. Heelemaal niets van -geagiteerdheid of zoo. Zóó als het nu was tusschen hem en Ellie, was -het goed, en dat was juist het heerlijke voor hem, dat voldane, -tevredene, veilig-weldadige, dat als een zachte harmonie in hem vloeide -als hij bij haar was. Als hij niet voor haar voelde of ze zijn zuster -was, als hij haar anders liefhad dan als een goede kameraad, die tevens -artiest was, en met vreugde het mooie genoot van haar uiterlijke -verschijning, dan moest dat gevoel in de verre onbewustheden van zijn -diepste wezen slapende zijn, als een kind in moeders schoot, dat nog -niet bewogen heeft. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Toen Ellie van Taats zestien jaar was, had haar vader haar op een -kostschool gedaan van de Hernhutters, in Neuwied. - -Daar was ze bizonder streng opgevoed, met orthodox-christelijke -principes, en het geheele onderwijs was van godsdienstige -bespiegelingen doortrokken, als van een essence. De groote evenementen -in het jongemeisjesleven daar bestonden uit de predikingen van een’ -geliefden, jongen dominé. Alle meisjes dweepten met hem, en aanbaden -hem als een heilige, die Jezus Christus naderbijkwam in vroomheid en -geloof. Er waren er, die zwoeren, afstand te doen van alle aardsche -dingen, en hun geheele leven aan den godsdienst te wijden. Een geest -van fanatisme ging over de pensionaires. - -Ellie’s jong, ontvankelijk gemoed kwam al heel gauw onder den indruk -van haar omgeving, en zij schreef opgewonden brieven naar huis over den -godsdienst, die haar vader verbaasden. Langzamerhand werd het al erger. -Zij verweet zich, dat zij eene zondares was, jammerde over de kleinste -tekortkomingen, als een jokkentje of een klein koketterietje, en -verheerlijkte den geliefden dominé in vurige, pathetische bewoordingen, -als een nieuwen Heiland. - -Ten laatste hinderden haar geëxalteerde brieven haar vader zóó, dat -hij, toen zij pas een jaar op het pensionaat was geweest, besloot, haar -maar weer thuis te nemen, vóór het te laat was. En zoo kwam Ellie op -haar zeventiende jaar van de kostschool in den Haag terug. - -In ’t begin nog onder den indruk van den geest van vroomheid en -„Entsagung”, die haar een jaar overheerscht had, wilde zij niets van -het mondaine leven weten, en weigerde zij beslist om uit te gaan. Maar -binnen een paar maanden had het Haagsche leventje haar inééns ingepakt -en was het dwepende bakvischje van de kostschool een echt Haagsch -„dame-meisje” geworden. - -De oude heer van Taats, die een afkeer had van godsdienstdwepen en -fanatisme, had alles gedaan om Ellie van haar religieuze droomerijen af -te brengen. - -Hij had zijn ongetrouwde nicht Joséphine in huis genomen, en haar -opgedragen, voor Ellie een slaapkamer en een boudoirtje zóó in te -richten dat zij niets meer zou kunnen verlangen. Hij bewoonde een -groot, nieuw gebouwd huis op de Koninginnegracht éven voorbij de brug -van de Javastraat. Zooals de gewoonte was geworden bij den bouw van de -Haagsche nieuwe huizen, was aan ééne zijde een soort toren uitgebouwd, -in imitatie van oude kasteelen. En in dien toren was Ellie’s boudoir, -zoodat ze zich wel eens verbeeldde, een prinsesje te zijn, en het -altijd met zekeren trots haar „toren” noemde. Nicht Joséphine moest met -Ellie de nieuwste en beste toiletjes gaan bestellen, die bij de -voornaamste modistes waren te krijgen, en kreeg carte blanche, om alles -aan te schaffen, wat een deftig dame-meisje uit den Haag maar noodig -kan hebben. - -Daar was Ellie al gauw voor bezweken, en de godsdienstige dogma’s en -strenge leefregels waren uit haar zieltje verdwenen voor de charmes van -elegante toiletjes en wereldsche amusementen. Binnen korten tijd was ze -aan bevriende families en kennissen gepresenteerd, en was het bekend, -dat Ellie van Taats „uitging”. - -Zij werd lid van een tennisclubje, van een fietsclubje, en van een -dansclub, ging naar het Kurhaus, naar de opera, en naar concerten, en -van het dwepende, vrome kostschoolmeisje was eindelijk niets meer over -dan een vage herinnering in haar, dat ze ééns zoo’n vreeselijk nuchter, -dom gansje was geweest, dat nog niets afwist van de wereld. - -Ze had nu wel wat anders te doen dan bijbellezen en de aanteekeningen -uitwerken, die zij maakte onder de preêken van den geliefden dominé. - -Ellie’s leven werd het geheele jaar door gevuld door de verschillende -Haagsche amusementen, en nooit voelde zij haar bestaantje leeg van -verveling. - -’s Winters, als het mooi weer was, maar vooral in de lente, nam de -tennis-club haar in beslag. Dat werd dan een tijdje een „rage” bij -haar, en ze ging er héélemaal in op. Ze werd dan een echt -„tennis-meisje”, zooals Pim dat plagend noemde, en den geheelen dag -praatte zij over rackets, en scores, en games, of het de gewichtigste -dingen van het leven waren. Ze was bekend als een goede, ijverige -speelster, zoolang het Kurhaus haar nog niet van het spel aftrok. ’s -Ochtends vroeg fietste ze naar de terreinen van Leimonias, kwam om één -uur even terug om koffie te drinken, en peddelde om twee haastig weer -weg naar de lawn. Ze had een echt gezellig clubje van dame-meisjes en -jonge heeren, en was zelfs als Presidente gekozen in de commissie, waar -haar voornaamste bemoeiingen bestonden in het arrangeeren van fuifjes -en het zorgen voor fijne schoteltjes. En ze was er zóó populair, dat ze -van drie heeren tegelijk de sleutels had van de délicatessen-kistjes, -waaruit ze somtijds de dames fijne sweets presenteerde, een eerepostje -van vertrouwen, waarop alle tennis-meisjes trotsch zijn. Zij was dan -ook een echte favorite in het clubje. In die tennis-periode was het -groote evenement in haar leven als zij op de score-tafel mocht zitten, -om het koord te houden. Op het bal in de Théater-zaal van het Kurhaus, -na een groote match, had zij haar balboekje een week te voren al vol, -en de beste spelers vroegen haar altijd om in de heeren- en -dames-double met haar uit te mogen komen. - -Er was iets in dat tennissen, dat precies aanpaste aan haar luchtige, -bewegelijke natuur. Zóó voelde ze zich heelemaal zooals ze wezen moest, -als ze met vlugge stapjes over het tennis-veld vloog, en met sierlijk -gebaar serveerde, of met een bevallig zwaaitje de racket omhoog wierp -bij het tossen. Ze had dan iets eigenaardig lichts in haar rythmisch -bewegen, als een vogeltje, dat de vlerken uitspreidt en straks vliegen -gaat. Ze tenniste meestal in heel eenvoudige, witte costuumpjes, -waaraan ze door smaakvol aangebrachte strooken en kanten en volants -iets wuivends, heel luchtig transparants wist te geven, dat bizonder -mooi deed in ’t loopen. - -Eens, jaren geleden toen ze nog een bakvischje was en ze wijde -pofmouwen droeg, die in een sterken wind heen en weer wapperden, had -Pim lachend, zonder bedoeling, gezegd, dat ze wel een vlindertje -daarmee leek. Later had hij dat, bij het tennissen, nog eens herhaald -en ineens, zooals het met bijnamen gaat, was het tennisclubje haar -„Vlindertje” gaan noemen. Kennissen hadden het gehoord, en weêr aan -anderen overgebriefd, en zóó was Ellie ineens in den Haag „het -Vlindertje” geworden, dat bijna iedereen van aanzien kende. - -Pim vond het in ’t begin erg jammer, dat hij haar zoo een bijnaam had -bezorgd, maar later, toen hij wist, dat ze het eigenlijk wel aardig -vond, had hij het juist uitstekend gevonden. Want was ze niet echt een -vlindertje, zijn zuster? Fladderde ze niet net zóó, onbewust, op -gracieuze rythmen, blank en blij door het leven, en zocht ze niet geluk -in alles wat lief en licht was van kleur? Was ze niet even broos en -teeder als een vlindertje, om even voorzichtig mee om te gaan, en enkel -te beroeren met fijne, eerbiedige vingeren? Was er iets mooiers te -bedenken om met Ellie te vergelijken, dan zoo’n transparant, gevoelig -wezentje van rythme en teêre kleur, zacht-wiegelend in licht en blijden -zonneschijn? - -Ook als zij op haar fiets zat, met het luchtig wapperende rokje om de -fijn gelijnde beenen, en de broos-geënkelde voetjes vlug rondvliedend -op de pedalen, leek ze wel zoo’n rythmisch lucht-wezentje, -voortfladderend in zwierigen zwaai van bevallig gebaren. - -En als Hagenaars over haar spraken was het zelden over Ellie van Taats, -maar bijna altijd over „het Vlindertje.” - -Als nicht Joséphine of pa haar wel eens beknorden, dat zij zoo weinig -thuis was, en altijd maar uitging, zeide ze zelf lachende: „Maar ik ben -toch immers het Vlindertje? Die zit immers nooit stil? Die fladdert -toch altijd uit, van ’t eene op ’t andere!” - -Ook ’s winters was er genoeg te doen voor een dame-meisje als zij. Daar -had je ten eerste „de stad” ’s middags. „De stad,” dat is de -Hoogstraat, de Veenestraat, de Spuistraat, de Passage, de Lange Pooten, -de „stad” zooals je nergens in Holland, ook niet in de Kalverstraat in -Amsterdam, iets zóó gezelligs terugvindt. In „de stad” gaat zoo’n -dame-meisje met een oude dame of met eene vriendin „boodschappen doen,” -of als ze ’t heel deftig zegt „shopping”, ontzachelijk gewichtige -wereld-dingen, als stalen zien bij Emmerechts of Haefely, handschoenen -koopen bij Laimböck, schoenen aanpassen bij Berenbak, lintjes en dasjes -uitzoeken bij Michel, onmisbare nietsjes bij Manusje van Alles, -snoeperijen bij Krul of Sprecher, fijne broodjes bij Lensvelt Nicola, -en o! zooveel prettige comissies méér. Vooral tegen St. Nicolaas wordt -dat echt gezellig, als het overal zoo druk is, en de winkels op hun -mooist zijn. Dan trippelt zoo’n dame-meisje heel geäffaireerd over het -trottoir, verbazend ingespannen met kleine pakjes aan touwtjes, of àl -haar gedachten gewijd zijn aan het lastige, moeilijke shoppen. Maar het -is niets dan lieve schijn, dien ze om zich doet, want ze gaat in „de -stad” zooals ze ’s zomers naar het Kurhaus gaat, alléén om van haar -liefelijkheid aan de menschen te laten zien, en bewonderd te worden, en -zich begeerlijk te maken. Ze weet ook wel, hoe charmant die -gewichtigheid van „boodschappen doen” haar staat, en ze weet op welk -uur ze die en die kan tegenkomen, en eerbiedig gegroet worden door -dezen en genen. Daar heeft zoo’n wezentje van glans en gratie nu -eenmaal behoefte aan, en ze ziet ook in „de stad” alleen het prettige -en aangename, dat haar streelt en huldigt, en ze gelooft in den -schoonen schijn. Je ontmoet er al de kennissen, en blijft even wat -staan praten op het trottoir, of in een winkel, je loopt eerst -heelemaal naar het Plein om iets te bestellen, gaat dán in ’t -Noordeinde iets halen, en bedenkt dán ineens dat je in de Pooten iets -„vergeten” hebt, om nógeens door „de stad” te kunnen teruggaan, en -omdat je dan tóch bij Sprecher of Monchen bent heb je ineens dollen -lust in gebakjes of een plombière en een likeurtje. En als je naar -Monchen gaat moet je langs „de Witte,” dan moet je heel zedig vóór je -kijken, want daar zitten heeren die je kent, en je ziet ze tóch -allemaal, ofschoon je niet dien kant op moogt kijken. Want een Haagsch -dame-meisje ziet altijd iemand eerst recht als ze in ’t geheel niet -naar hem kijkt. Ook vóelt ze, bij intuïtie, dat iemand naar háár ziet -en haar bewondert, al loopt die iemand achter haar, zoodat haar oogen -hem niet bemerken. En zonder die intuïtie zou „de stad” niet zoo -aantrekkelijk voor haar zijn. - -Ook voor Ellie was dit de eigenlijke charme van „de stad,” al was ze -het zich niet zoo precies bewust: bewonderd te worden door heeren. Maar -ook alléén het bewonderd worden, en het gegroet worden, en het -terug-groeten, en niets meer. Ze vond het aangenaam die en die tegen te -komen, ze vond het van den een prettiger dan van den ander, en knikte -dien dan ook vriendelijker toe; ook zou ze de hulde van al de heeren, -die zij kende, niet graag gemist hebben, maar naar méér dan dat -verlangde ze niet. Zóó was het nu juist gezellig, zóó was het goed, en -het moest ook maar altijd zóó blijven. En ofschoon ze het met haar -vriendinnen altijd heel druk had over engagementen, en of die wel die -zou vragen, en of het waar was, dat het àf was tusschen Klaasje en -Pietje; ofschoon ze ook doordrongen was van de onvermijdelijkheid dat -ten slotte háár dame-meisje-tijd ook ééns zou moeten uitloopen op een -verloving, en dat daar ook eigenlijk al dat „uitgaan” op gericht was, -en op niets anders, toch had ze nog absoluut geen lust om zelf al -zoover te wezen, en kon ze zich niet voorstellen, dat ze ooit zooiets -doen zou. En er was juist zooiets pikants in het idee, dat er onder al -die duizenden menschen ergens één rondliep die ééns haar man zou -worden, en dat ze geen flauw idee had hoe hij er wel uit zou zien, -evenmin als hij van haar. Maar dat het niemand was van de heeren die ze -nú kende, dáár was ze zeker van. In dat uitgaan, uitgaan en aldoor maar -uitgaan van zoo’n dame-meisje als Ellie ligt onbewust een altijd -zoeken, zoeken naar den Eéne, die érgens wezen moet, en wien ze haar -gehééle charme van ongerept maagd-meisje dan inééns genadiglijk zal -geven.... - -Ze wist wel, dat heel veel van haar kennissen zich niet verloofden uit -enkel liefde, en ze hoorde dikwijls de materieelste dingen uit den mond -van meisjes, die er uitzagen als liefde-godinnetjes, en toch niets dan -berekening over geld en positie in haar denken brachten over een -aanstaanden man, maar zíj was vastbesloten, alléén te trouwen met -iemand „waar ze van hield,” al was dat „houden” een vaag en verward -begrip voor haar, omdat ze het nooit diep in zich gevoeld had. - -Er was nú nog maar alléén het genot van het zich mooi aankleeden in -elegante toiletjes, van zich daarmede onder andere menschen te bewegen -en dan bewonderd te worden, en er was de pret die je hadt op -partijtjes, en de conquêtes die je deed op heeren, zoodat ze je het hof -maakten en allerlei aangename, vleiende dingen zeiden, waar je wel eens -om bloosde, en er was vooral de vroolijkheid en het lachen, het -heerlijke, uitgeschaterde, weldadige lachen, dat zoo goed doet aan een -onbezorgd, levenslustig jongmeisje. Er was „de stad,” en de fransche -opera of de hollandsche komedie zoo nu en dan, tennisclub met de -matches, en in de Theaterzaal van het Kurhaus het bal daarna, en er was -de dansclub in het Hôtel des Indes, ééns in de 14 dagen, met -tusschenbeide een groot bal in serieus decolleté-toilet met souper. Die -heerlijke dansclub-avondjes, zoo gezellig, allemaal jongelui onder -elkaar, met twee mama’s er bij, voor de convenance, met Gaillard of -Bino als dansmeester, en zoo tusschenbeide muziek van de Polackjes! En -dan de fietsclub, als het mooi weêr was, en de dinertjes, en de -soireetjes en de sauterietjes bij haar zelf aan huis, die ze zoo -amusant wist te arrangeeren! - -Een bal was nog het verrukkelijkste van alles, vooral als er een goede -cotillon bij was. Daar kwam ze gloeiende van opgewondenheid van thuis, -de handen vol bloemen en eereteekenen, die ze behaald had van de -heeren, sterretjes, en decoraties en broches en allerlei kleinigheidjes -van den cotillon, die ze lang bewaarde. Ze had haar hééle balboekje -volgehad, en ál de extra dansen, ze was den geheelen cotillon door in -de weêr geweest en had geen rust gehad, en verbeeld je, ze had een wals -en de quadrille gehad met den spaanschen attaché, den graaf de Testas, -die er ook was, en haar door Pim was voorgesteld. Dat kreeg de oude -heer van Taats dan den volgenden morgen in een vloed van opgewonden -woorden te hooren en hij vond het heel natuurlijk, dat zijn Ellie, die -het mooiste meisje van den Haag was, zoo werd gefêteerd. - -Maar haar vreugde over de dansen met den adellijken diplomaat kwam -alleen daarvan, dat ze, als elk Haagsch dame-meisje, idolaat was van de -hooge aristocratie, niet omdat zij den graaf zelf zoo bizonder -aantrekkelijk vond, en al haar genot op zoo’n bal was alleen om de -hulde, en het dansen en het geluk en al den rijkdom van het bal. Maar -de diepste, heiligste onbewustheden van het maagd-zijn, waar ééns de -liefde uit oprijst als zij er niet eeuwig slapen blijft, waren ongerept -gebleven in al die glorie van feestende vreugde. - -Zóó ging Ellie den winter door in eene aaneenschakeling van pretjes, -wáár er maar gelegenheid toe was. In de lente, als de winteramusementen -ophielden, ging ze op in tennissen en fietsen. Maar al het plezier, dat -zij ’s winters had genoten en al de dolle pret die ze soms op de -clubjes had, was voor haar toch nog niets bij wat de zomer haar zou -brengen. Want als de Philharmonische Kapel in ’t land kwam, en het -bad-seizoen begon, verflauwde haar ijver voor de tennis- en de -fietsclub, en het Kurhaus werd nu een ware rage. Het tennis-meisje was -dan ineens Kurhaus-meisje geworden. - -Hoe blij was Ellie geweest, toen het eindelijk Juni was en het Kurhaus -open voor het eerste concert! Dat werd nu haar tweede huis, voor vier -maanden lang, een huis, waar ze met een heeleboel net gekleede, -mondaine menschen samen in woonde, en waar ze haar vaste plekje in had, -haar fauteuil in vak A, de vierde rij van achteren, dicht bij de -diplomatie. En je moet echt Haagsch dame-meisje zijn als Ellie, om de -volle heerlijkheid van zoo’n groot en toch gezellig huis te beseffen. -Daar komen al de nieuwe toiletjes van ’t seizoen, van uit alle steden -van Europa, russische, hongaarsche, duitsche, engelsche, daar komen al -de intieme kennissen uit den Haag, en al de menschen, die je ’s winters -tusschen twee en vijf in „de stad” ziet, en daar komt de hooge -aristocratie, en al de chic uit de diplomaten-loge in de opera. Dat is -juist zoo gezellig, dat die daar nu allemaal zoo door elkaar in een -zelfde zaal zitten, voor dezelfde prijzen, huiselijk en gelijk. Den -Haag is net genoeg een kleine stad om zoowat alle uitgaande menschen -van aanzien met elkaar bekend te maken, en zóó had Ellie in haar tweede -huis, het Kurhaus, een massa kennissen die ze, al had zij die ook nog -nooit gesproken, toch niet graag zou gemist hebben, omdat ze in zekeren -zin eigenlijk tot haar familie, de Kurhaus-familie, behoorden. Dát was -juist het in-gezellige en knusse van het Kurhaus-leventje, zoo’n groote -familie te hebben in dat zelfde, ééne, groote huis, die allemaal -hetzelfde genot hadden en, ofschoon onbekend, toch allemaal elkaars -trouwe opkomst noodig hadden om het er eerst recht aangenaam en mondain -te maken. - -Ook was nergens zoo’n verrukkelijke pantoffel-parade als in de pauze op -het terras. Daar haalde nu eenmaal niets bij. Je ontmoette er nu -letterlijk iederéén. En door daar stelselmatig iederen dag en avond met -trouwe geregeldheid te komen, ontstond er een soort stille, zwijgende -verstandhouding tusschen de verschillende wandelaars. Onwillekeurig -gaven ze elkaar blikjes van herkennen, bijna als iets van aanmoediging -en dankbaarheid, dat ze er alweer waren, dat ze de prettige, gezellige -boel gaande hielden, waar ze zoo van genoten. - -Dat heerlijke zitten voor Ellie in haar fauteuil, bij ’t begin van ’t -concert, en ook éven bijtijds vóór ’t begin van ’t tweede gedeelte! Dan -kon je zoo op je gemak iedereen zien binnenkomen, en al de toiletjes -één voor één opnemen, en er met degene waar je mee was, over praten. -Wat lief zag Annetje Wesman er weer uit, en wat een keurig costuumpje -had freule Herthe aan! Wat durfde Lize van Elsmeet een breeden, grooten -hoed dragen! Dat ze niet bang was voor opspraak! En wat waren die -pikzwarte nonnatjes van resident Lachmann toch dom om zulke gloeiende, -vuurroode blouses altijd te dragen! Kijk, daar had je „het hoedje” -weer, net als verleden jaar, nog altijd even snoezig en popperig! „Het -hoedje” was een van de bekendste Haagsche Kurhaus-typen, een eigenlijk -niet jong meer zijnde dame, een weduwe van Beloo, uit de deftigste -kringen, die al groote kinderen had. Maar, als wilde ze verstoppertje -spelen met den ouderdom, schuilde ze zich weg in de luchtigste, -keurigste jongemeisjes-toiletjes, licht crême of licht roze, en tooide -zich met in heel Scheveningen beroemd geworden hoedjes, broos en teêr -als bloemenbundeltjes op haar mooie, zwarte krullen, en kinderlijk-lief -onder de kin vastgehouden met zijden keel-bandjes, van een werkelijk -allercharmantst effect. En met haar exquis figuurtje, haar altijd -schitterende, donkere oogjes, en haar altijd liefelijk glimlachenden -mond, was ze werkelijk een zonnestraaltje in het Kurhaus, dat menig -jong dame-meisje jaloersch maakte. Zonder „het hoedje”, zooals men haar -noemde, zou het Kurhaus niet meer compleet zijn geweest. En altijd, -zonder ooit een keer over te slaan, keek Ellie naar de voorste -fauteuils in vak C, of ze er wel was. Ze had een geheime sympathie voor -het deftige weduwvrouwtje, omdat ze in haar de verwantschap voelde om -óók, als zij, er zoo lief en prettig mogelijk uit te zien, en vroolijk -te lachen tegen de lieve, gezellige, aangename, mondaine wereld. - -Heel gewichtig was voor Ellie ook de hoek van de diplomatie, waar ze -vlak bij zat, waar ze heimelijk expres een plaats dicht bij had -genomen, om er vooral goed naar te kunnen zien. Als alle echte Haagsche -dame-meisjes had ze een stille, eerbiedige vereering voor de hooge -aristocratie, de diplomaten en de hof-clique. Wèl werd ze door een paar -van de heeren er uit gegroet, en knikte ze ook wel eens tegen enkele -dames, wèl ontmoette ze ook hier en daar van die zoo bevoorrechte -wezens, maar, dát wist ze heel goed, het eigenlijke, intieme, -exclusieve chic-kringetje van den Haag was voor haar gesloten. Het was -héél moeielijk om daar vasten voet te krijgen, als je niet zelf van -heel ouden adel was. Ze had het wel eens zoo wat geprobeerd, en als elk -dame-meisje zou ze er alles voor over hebben gehad, maar het was niet -gelukt, en nu had ze er zich bij neêrgelegd. Ze was nu al heel blij, -als de spaansche attaché, de graaf de Testas,—een grof, dikbuikig -kereltje met een rood slagersgezicht,—met wien ze eens gedanst had, -haar groette, of de markiezin de Beauregard, de vrouw van den franschen -gezant, haar een genadig knikje gaf. Het was een genot voor haar, de -toiletten van al die vreemde, adellijke dames te bekijken, en te zien, -hoe ze onder elkaar deden, in dien heerlijken, ontoegankelijken kring -van uitverkorenen.—Het pikantste in die menschen vond Ellie, dat zij -konden doen, wat andere menschen niet konden, en dat dan toch nog -bizonder chic van hen werd gevonden. Bijvoorbeeld dat vrouwtje van dien -poolschen graaf en haar russische vriendin, die kakelden en babbelden -hardop onder een vioolsolo of een heel zacht adagio, zóódat andere -menschen wien het hinderde, omkeken, en toch stoorden ze er zich -volstrekt niet aan, en gichelden maar hardop door. Héél chic was ook, -om midden onder muziek binnen te komen, en dan met veel lawaai -fauteuils open te kleppen, en nog even een praatje te maken, hardop, -zonder om de stoornis te denken.— - -Wat Ellie óók heerlijk amusant vond, was een vriend van Eduard, een -schrijver, Frederik van Klaerbeke, die een echte melomaan was, en een -fauteuil vóór haar had. Die zat altijd in een soort stomme extaze, met -zijn hoofd diep gebogen, naar de muziek te luisteren, en als er in de -buurt wat leven werd gemaakt, werd hij eerst zenuwachtig onrustig, en -keek dan met vernietigende blikken woedend om zich heen, of hij van -plan was een moord te begaan aan de rustverstoorders.— - -Zóó waren er nog méér types in haar fauteuil-omgeving, die er nu -eenmaal bij hoorden. De twee half doove oude juffrouwen, die allebei -een knevel hadden, en de drie nonnatjes, met van die intelligente -aapjes-gezichtjes, die zoo met de r rolden, en de mama met het blauwe -meisje, dat er zoo lief uitzag, en maar één japonnetje scheen te -hebben. En dan nog zooveel anderen, die je geregeld avond aan avond -terugziet, en die daardoor altijd heel eventjes een beetje in je leven -komen, net als de dingen uit de omgeving van je huis dat nu eenmaal -doen. Je hoort van dezen of genen hun namen, je weet waar ze vandaan -komen, en zóó had Ellie heel veel van die Kurhaus-bekenden, die ze -nooit gesproken had, maar die haar toch een beetje intiem waren, van -wie ze zoo langzamerhand al de toiletjes wist, zóó, dat het haar opviel -als ze wat nieuws aan hadden, en die ze altijd met prettige herkenning -iederen dag terugzag in het groote, lichte Kurhaus, waar al die -menschen het samen zoo echt Haagsch gezellig voor haar maakten. - -Ze hield natuurlijk ook dol van muziek, want ieder Kurhaus-meisje houdt -daar nu eenmaal van, en ze verbeeldde zich ook, dat het heel serieus -was, wat ze van muziek voelde. Ze kende van de programma’s een -heeleboel moderne composities, en sprak mede over Glazounow, en -Tschaikowsky, en Borodin en Richard Strauss. En ze verheugde zich op -een vrijdagschen symphonie-avond, met een symphonie van Brahms, en een -Beethovensch viool-concert door Witek. Ook kende ze zoo wat het geheele -orchest, en wist, als ze er een paar musici buiten van tegenkwam, -precies te zeggen of het een violist was, of een clarinettist, of een -bazuinblazer. Voor Rebicek, met zijn eeuwig vriendelijk, mondain -glimlachje, die toch zoo heerlijk en vol feu sacré dirigeeren kon, had -ze een soort stille vereering en ook een zekere dankbaarheid, dat hij -haar elken avond zooveel genot gaf, alsof hij dat ook persoonlijk aan -háár had bedoeld. - -Maar nooit imponeerde de muziek haar zóó, of zoodra het stuk uit was, -had ze toch haar gewoon vroolijk, lachend lief-doend gezichtje van -dame-meisje, dat in de eerste plaats in het Kurhaus komt om gezien te -worden en zelf te zien. En het prettigste er van was toch eigenlijk het -wandelen op het terras in de pauze, langzaam, met Haagsche -pantoffel-paradestapjes het vierkant om, tusschen allemaal net -gekleede, wel-verzorgde, uitzijnde, mondaine menschen. - -Zij zag al die chic gekleede, deftige Haagsche wereld, meneeren en -mevrouwen, nu eenmaal als allemaal beschaafde, deugdzame, fatsoenlijke -menschen, menschen uit de beste kringen, die weten hoe ’t behoort, en -die smaak hebben, en amusant zijn. Zij twijfelde er ook niet aan, of de -meesten van die menschen waren goede menschen, die goede dingen deden, -de élite, zoowel zedelijk als van stand. En het was nu eenmaal prettig -om als mooi, deftig jong meisje daar onder te loopen, een gracieus -costuumpje aan te hebben, en bewonderd te worden. Het streelde haar -ook, anderen mooi te zien, omdat ze gelukkig was met mooie kleuren, en -vormen, en lijnen. Al die drukte en die bevallige beweging maakte haar -vroolijk, en daarom lachte ze tegen het leven, en was blij dat ze er -bij was, dat ze óók haar deel mocht hebben in die algemeene blijdschap -en al dat plezier, en dat ze óók jong en lief was om te zien, zoodat ze -allemaal naar haar keken, en er zooveel eerbied en reverentie was in -den blik van de heeren, die haar groetten. Zij vond het nu eenmaal -heerlijk, in dat lichte, luchtige Haagsche leven lief te doen en lief -gedaan te wezen. - -Maar in ál den gloed van de hartstochten om en vlak bij haar, die ze -niet zag, was haar maagdelijke ziel ongerept gebleven, en achter den -schijn van bijna verliefde coquetterie en flirtspelletjes, die als -dame-meisje nu eenmaal om haar was, had nog geen passie gebrand, en lag -nog onontroerd de kalme rust van het maagdelijke, in vredig evenwicht -bewaard. - -En in al haar pogen om er toch maar aantrekkelijk en adorabel uit te -zien, waarin ze haar teer maagde-lijfje op het voordeeligste liet -uitkomen, was niet de minste berekening om met andere invloeden te -werken dan die van liefheid en vriendelijkheid van bevallige ronding en -kleur. - -Dat onschuldige, bijna kinderlijke mooi willen zijn en van mooi houden -uitte zich het karakteristiekste in die twee woordjes, waar zoo’n -dame-meisje het voor háár hoogste schoon in uitdrukt: „beeldig” en -„snoezig”. Een schilderij, een boek, een fotografietje waren „beeldig”, -een hoedje, een kindje, een hondje waren „snoezig”, en dat waren de -sterkste uitingen van haar mooivinden. Beeldig en snoezig zijn, dat was -het innige, lieve doel van haar leven, waarnaar zij streefde in ál haar -doen van alledag, en dat zij ook héélemaal bereikte. Ze was niet een -regelmatige beauté, daar was ze niet forsch, niet „fesch” genoeg voor, -en er was nog eigenlijk te veel van het kind in haar, met te -weifelende, vage vormen, om een mooie vrouw te zijn, maar er ging een -lieve, warme vriendelijkheid van haar uit, die onweêrstaanbaar was. Zóó -als zij lachte géén ander meisje, met zoo’n zonnige, oprechte -vroolijkheid, en er was in haar geheele áankomen, op haar luchtige -pasje, met het fijne, ranke gebaren van haar slank, virginaal lijfje -iets als het bewegen van een lieve melodie. En haar grootste charme was -het maagdelijk reine van haar blik, het onschuldige aanzien van haar -lichtblauwe oogen, waarin haar ongerepte ziel in vertrouwelijke -overgave, vreezeloos en zonder erg, lag te glanzen. - -Wel was het leelijke heel dikwijls voor de oppervlakte van haar leven -gekomen, en, Haagsch meisje als zij was, had ze dikwijls gepraat over -schandaaltjes met haar vriendinnen, en had ze ook wel eens in haar -omgeving gewaagde dingen hooren zeggen, maar toch was het wezen er van -nooit diep in haar doorgedrongen. Zij dacht, als negentienjarige jonge -dame, wèl goed op de hoogte te zijn, en heusch geen kind meer, maar -achter de vage, verwarde voorstellingen, die zij van de levensdingen -had, lag een absolute onwetendheid van hun ware wezen, omdat nog géén -vlam van hartstocht was opgeslagen uit de onbewustheden van haar -maagd-zijn. En zonder erg liep ze met haar meisjeslichaam lief en -verleidelijk te doen, zonder eigenlijk te weten, hoe ver de charme -ging, die zij er mede verspreidde. Alleen vond ze het prettig, dat ze -mooi gevonden werd, en men haar fijne complimentjes zeide, en de heeren -haar het hof maakten, zooals zij dacht vol eerbied. - -Haar parade-loopen op het Kurhaus-terras was dan ook niets anders dan -een onbewust wèggeven van haar vriendelijken, mooien schijn aan al de -menschen, en het terug genieten van den lieven schijn der anderen. Daar -had ze nooit genoeg van, dat was haar een behoefte geworden, even -vertrouwd als die van het licht en de lucht, en dag aan dag, avond aan -avond begon zij het blijde spel op nieuw, dat altijd belangrijk en -verrukkelijk was, en nooit verveelde. Zij had het al een paar jaren -gedaan, en zou zich kunnen voorstellen, dat het alle jaren zoo duurde. - -En dit seizoen was het nog heerlijker geworden dan vroeger. De -winkelgalerij en het nieuwe rotonde-café „de la Plage” waren geopend. -Dat was weer een héél nieuw, apart genot geworden. Dat gezellige zitje -onder die rotonde, buiten, op een „snoezig” groen rieten stoeltje, aan -een tafeltje en dan onder het snoepen aan een Plombière of een Mélange -al de menschen te zien voorbijgaan! Na half vijf vooral, als het -middagconcert uit was, dan met Wies en Pim, en nog een paar kennissen -te zitten, als de drukte op zijn ergst was, en al de heeren na vieren -uit den Haag even kwamen overwippen om daar een bittertje te nemen. Op -zoo’n mooien, open dag met blauwe lucht, met vóór haar de groote, -glanzende zee, en al die vroolijke, lachende menschen, waaronder ze -zelf mooi en voornaam was, zoo echt intiem met vertrouwde kennissen, en -met overal de zonneschijn over de dingen, voelde ze zich dol gelukkig -als een vogeltje, blij met het licht en het leven. - -Dán naar huis gaan, in ’t karretje van Pim, of in de electrische tram, -gaúw even kleeden, dan eten, even koffie inschenken, en dan weer -dadelijk terug naar het Kurhaus, voor het avondconcert. En later, als -’t kón, nog niet dadelijk naar huis als het uit was, maar nog éven naar -Berenbak, of nog liever naar de Kurhaus-bar, waar de Zigeuners -speelden. Daar kon het zoo gezellig zijn, zoo echt sans-gêne, soms wel -eens een beetje te rumoerig, ordinair, maar daar lag juist weer een -beetje pikants in. - -Eindelijk weer naar huis, éven in de courant kijken, en naar bed, om -den volgenden morgen hetzelfde leventje weer te beginnen, en even naar -het strand te fietsen, vóór de koffie, van tien tot twaalf, in een -lucht morgenjaponnetje, heel eenvoudigjes. - -Naar andere gelegenheden ging ze nooit. De Dierentuin was te bourgeois -geworden, en het Bosch vond ze vervelend. Hoe was het mogelijk, dacht -ze, dat er vroeger niets anders was dan dát! - -Want er was niets dat háálde bij Scheveningen, bij haar Kurhaus vol -mooie muziek en licht en prettige menschen, haar tweede huis, waar ze -zich zoo dol amuseerde in al de gezelligheid van het verrukkelijke, -mondaine leven. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Niet enkel de zachte droomerige ziel van Eduard van Wedel leefde van -Ellie’s luchtig, liefelijk licht vlinder-wezentje, want ook voor haar -vader was zij het groote, éénig reëele hoûvast van zijn bestaan. - -Mr. van Taats was een typische Haagsche figuur, bekend bij iedereen, -die het Haagsche leven goed medemaakte. Hij was een van die -karakteristieke oude heeren, die eeuwig ’s middags tusschen vieren en -vijven in „de stad” flaneeren, in den bedriegelijken schijn van -eerwaardigheid en deftigheid van mannen op jaren, die hun volk en hun -vorst trouw en ijverig hebben gediend, maar dan ook nu van een -welverdiende rust mogen genieten. Ze zijn nog erg licht en jong -gekleed, en loopen nog met vrij elastischen stap, alsof de fut er nog -lang niet uit is, en ze nog best van het leven kunnen genieten. En de -demi-mondainetjes kennen hen allen, weten dat ze goed betalen, en maken -hen gelukkig met knipoogjes en lonkende blikjes van verstandhouding, -als ze stiekem blijven staan voor een winkel, quasi bekijkend de -étalage. Daar maken zij de oudjes lekker mede, die zich dan nog zoo -echt „jong” voelen. De oude van Taats vooral was een goede bekende van -de dametjes uit de buurt van het Bezuidenhout en de Fluweelen Burgwal -en het Hollandsche Spoor. De meeste vrouwen, die iets beteekenden in de -galante wereld, had hij gehad, en ieder ingewijde wist dat híj het was, -die het beruchte blonde Antje in de kleeren hielp, dat er altijd zoo -copurchic uitzag, en haar vriendinnen de oogen uitstak met de nieuwste -Parijsche toiletten van Hirsch. - -De vrouwen waren altijd de groote, alles overheerschende hartstocht -geweest van van Taats. Zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, was ziek -geworden van jaloezie, toen ze hem aldoor betrapte op overspel van het -ordinairste soort. Toen was ze een jaar later gestorven. Naaistertjes, -kinderjuffrouwen, dienstmeisjes, die bij hem in betrekking waren, geen -vrouwelijk wezen was voor hem veilig. Het was een rage, een obsessie, -maar alle vrouwen, die er maar een beetje aantrekkelijk uitzagen en -onder zijn bereik kwamen, wekten zijn wilden hartstocht op. In een -krankzinnigen roes van passie had hij zijn geheele leven vergooid aan -de vrouwen, niets ontziende, zelfs de vrouwen van zijn vrienden niet, -als hij maar ergens gelegenheid zag om wat hij noemde van een -buitenkansje, een „bonne fortune”, te genieten. - -Naar buiten was hij altijd even respectabel en fatsoenlijk gebleven en -wie hem niet kenden zouden in het ordinaire, ietwat dikbuikige -mannetje, met dat stereotiep voorkomen van algemeen geacht, notabel -ingezetene, niet meer dan een gegoed, alledaagsch, welgedaan bourgeois -hebben vermoed. - -Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene -vreemde, nooit tot klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van -wist, maar waar véél over gefluisterd werd in den Haag, en waarin -eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was ook zijn naam -genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet -herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en -daarom deed de zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht, -fatsoenlijk man. Door zijn tweede huwelijk met een douairière van -Wedell was hij geparenteerd geworden aan de beste beau monde van het -land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te zijn met die -aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld -ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich -verder uiterlijk aan al de conventies hield van de burgerlijke -maatschappij, op zijn tijd visites maakte, kaartjes pousseerde, op de -societeit kwam, en een groot, deftig ingericht huis op de -Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij -verder achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel -eens, gefluisterd dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou -zeggen, een stille „pierewaaier” was, maar hij was immers weduwnaar, en -nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste jaar niet als een monnik -te leven! - -Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt, -pieterig klein ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar -hij voelde ook, dat hij er niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon -niet anders, of hij wilde of niet. En die hartstocht, die eerst nog -iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare -levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd, -ontaard. Hij had te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne -uitspattingen waren ten laatste meer cerebraal dan reëel geworden. - -Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen -dan gewone débauches met één enkele vrouw, en hij was in de „basse -misère” aangeland, proevend van de verfijnde, savante geheimenissen der -allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde met entremetteuses van -verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste -gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche -chronique-scandaleuse nog niet van had gehoord. In die verre, ongure -duisternissen van ontaarden hartstocht liep zijn leven langzaam, -langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend dat hij geen -kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort -noodlot, waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval -aangenamer en inniger sensaties geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij -zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, notabel burger was -ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke, -onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet -weten wil, en stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch -portwijn heeft staan. Hij wilde ook zijne familie en zijne kennissen er -geen aanstoot door geven, en deed dan ook al zijne uitspattingen strikt -alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, niemand was -ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden. - -De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij -ooit te zien dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog -eerder trots dan schijnheiligheid achter zijn bedriegelijken schijn van -fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van -zijn ziel verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n -zwakkeling was, zoo’n laffe kerel eigenlijk, die maar met zich sollen -liet wat zijn noodlot wilde en nu in het duister, achter de coulissen -van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat zijn lage -wellustjes begeerden. - -Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een -geheel andere sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich -af te zonderen van al ’t lagere, bloeide, rein als een blanke -waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, zijn liefde voor -Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden. -Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige -edele en heelemaal zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was -opgerezen tot het licht. En hij koesterde die liefde met iets van het -gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die in zijn -gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten -troost. - -Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar -hij onmeedoogenlijk laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in -zijn dochter, met een soort sombere, wanhopige vereering, die iets diep -tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn -eigen bestaan. - -Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid -bijna de boete was voor al het leelijke in zijn duister leven. - -Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn -geheele leven misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn -uitspattingen, des te hooger zag hij haar ideale beeld in zijn dochter. -Het was misschien véél onbewust égoïsme, want uit de behoefte -voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, maar -de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in -zijn geheele bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken, -eenvoudigen heer te spelen, terwijl hij inwendig wel wist, hoe die -geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich somtijds als een -tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet -passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met -familie en kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig -hinderde. Maar hij wist vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde, -zijn liefde voor Ellie absoluut waar en zuiver was. Tegenover haar -voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. Want voor háár -bestond het leelijke eenvoudig niet, vond hij. Haar leven was in een -geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, en vanwaar je -het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het -licht, waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van -zijn verborgen leven niet konden tieren. En de gedachte aan den dood -van zijn eerste vrouw, die door zijn schuld zenuwziek was geworden en -gestorven was, deed hem een groote schuld voelen tegenover Ellie, alsof -hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover háár -misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot -van zijn leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een -einde aan hebben gemaakt, als Ellie niet bestaan had, die de eenige -reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang hij háár maar had, en hij -maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet zoo diep van -zijn ignobel gedoe in het duister. - -Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt -troetelkindje. Het mooiste was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat -ze maar wenschte, wist hij voor haar te krijgen. Toen ze nog kind was -sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed onder zijn arm door de -stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. Na den -dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, een -oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde, -nu zij wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle -zorgen besteedde, die een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie -als een echt lievelingetje van allen opgegroeid, verafgood en -vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, over wie ze -danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht, -als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine -was weinig in haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie -beschouwde haar meer als een dame, die het huishouden deed, en tegen -wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog niet vertrouwelijk -moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, het -eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden, -vond Ellie iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine -bemerkte wel, dat zij Ellie’s hart niet kon vinden, maar dit -verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen moeder had. Dat -ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken -aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die -haar eigen waren. Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen -iedereen lief en aangenaam te wezen, en ook liefheid in anderen op te -wekken door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er -was nog geen enkel diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke -vreugde-glans van haar wezen deed iedereen prettig aan, met wie ze in -aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, en een lachende bloem. - -Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar -afgescheiden waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar -thuis en met haar uitgaan, en dat, waarin hij alleen was. Door een -merkwaardige psychologische eenvoudigheid in hem, waren die twee levens -bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap handelen van een -slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd. -Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus -dochtertje in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds -niet voorstellen, hoe hij in donkere krochten van verborgen -zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat wellust te stelen, -die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo -aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen -schijn van wèlgesteld fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van -buiten eigenlijk een droom leken. En hij praatte met Ellie op zoo’n -vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone -dingen, zooals een wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet -anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. Dikwijls bleef hij dagen, -somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij zooals een -rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de -gezelligheid van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook -aldoor liefgedaan. Hij las dan ’s ochtends zijn couranten en -tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog wat op zijn kamer -en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen -weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de -buitenlucht geniet. Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op -tijd dineeren. Na den eten de koffie en de sigaar, nog een beetje lezen -en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half elf, naar bed. Maar -het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd, -fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur -niet in het schoone, warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de -duistere wijken, waar het vuile woont. Dan ging hij theedrinken bij -blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij zich had, of -amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en -studentikoos jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een -enkel woord van zou gebruikt hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en -wel zat, in zijn andere rol van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo -héélemaal in, dat het tweede leven, het reine, van thuis, weêr droom -scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, die hem op den -duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de -lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele -keeren, hij was o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop -hij, langs omwegen en steegjes en binnengrachtjes, naar een straat -achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig rendez-vous was, alleen -bekend bij adepten.... - -Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep -ellendig voelde, als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep, -en hij van de eene in de andere moest trachten te komen. Als hij -bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late vergadering moest, of -een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief in een -steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar -huis te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij -daar met zijn vuile lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling -weêr in ’t licht moest komen, en dat morgenochtend Ellie in een blank -morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en hem goeien dag kussen op -beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen voor hij -naar bed ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure -parfumerietjes aan hem was blijven hangen. - -Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als -de poes, die in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij -was dan erg blij, als het slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet -naar het Kurhaus ging, en eens thuis bleef. Dan was het thee-uurtje om -half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan voor het theeblad, met -de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd begon te -zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met -haar gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van -het thee-schenken. Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de -canapé zat met een boek, en hem zoo vriendelijk vleide: „Dáár, lief -vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne chineesche bij -gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed in -het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge -maagd, nog met naïeve intonaties van een kind! De verandadeuren stonden -dan open, en buiten was het droomerig getik van de vallende -regendroppelen op de bladeren. - -Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht -duren, dat hij altijd hier mocht blijven, in die intieme stilte van -zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte lieveling, het éénige wat -in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, zijn Ellie, -die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook -gebeurd was, liefhad als een goed vader.... - -Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te -bestaan, ganschelijk steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat -Ellie was, en dat zelf nog maar zoo heel vaag leefde, van den -bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche -amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en -liefelijk zwak in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand, -fladderend dame-meisje, en toch droeg zij ganschelijk het leven van den -ouden van Taats en van Pim, voor wien zij de eenige vreugde en het -eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder háár -zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En -juist met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen -en vleien van haar jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus -gebaren van haar kleine, blanke handen, en het bevallig bewegen van -haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen met een geluk, -dat al de misère van hun ander leven buiten haar deed vergeten, en -alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan. - -Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een -wezen buiten de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten -en vol verschrikking. Zij was iets heel beters dan ál het andere -bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, en voor wie de wereld ook -niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, waarin zij -voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande -van genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet -glanzen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Vóór het etensuur zat Pim dikwijls zijn borreltje te drinken in Ellie’s -boudoirtje. Dat was dan echt gezellig, zoo vóór het diner te zitten -babbelen onder een glaasje port. Nicht Joséphine mocht het niet weten, -maar Ellie hield dol van een likeurtje ’s middags, en had heimelijk in -een kristallen stelletje wat Kiss me quick en Marasquin, heel fijne, -uit de Kurhaus-bar, en voor Pim witte port van Aguilar. Ze had bij -Baraké in de Galeries twee keurige likeurglaasjes er bij gekocht, op -zilveren, geciseleerde voetjes, en daar zat ze dan, echt -stiekem-gezelligjes, zoo tusschenbeide met „broertje” uit te pimpelen. -Zij noemde dat haar „pêché mignon.” Alleen kwam ze er zoo niet toe, al -had ze er altijd trek in, want dat was toch je ware niet, en er moest -altijd iemand bij zijn. Pim kwam geregeld tweemaal in de week eten. Hij -deed het alleen om Ellie, want van zijn stiefvader hield hij niet. Hij -wist te veel van van Taats om respect voor hem te voelen. Maar toch -behandelde hij hem altijd met een eerbiedige correctheid, omdat hij nu -eenmaal de vader van Ellie was, en zou hij niet geduld hebben dat in -zijn tegenwoordigheid iets ten nadeele van hem gezegd werd. Ellie hield -van hem, dát was genoeg, en daarom hield hij hem hoog. Op de dagen dat -hij dineerde, kwam hij altijd een uurtje vroeger bij Ellie zitten -praten. Hij zorgde dan behoorlijk, een zakje „sweets” mee te brengen -van Monchen of Nieuwerkerk, want dat hoorde er nu eenmaal zoo bij, en -anders had Jimmy, de terrier, er niets aan. Zóó was er altijd een vast -snoep-complotje van drieën, Ellie, Pim en Jimmy, Woensdags en Zaterdags -in het blauwe boudoirtje van den „toren.”— - -Hij zat dezen keer op haar te wachten om half zes, en verwonderde zich, -dat ze nog niet thuis was. Gewoonlijk was ze er al om vijf uur. - -Dáár hoorde hij haar vlugge stapjes luchtigjes op de trap, en ze stoof -binnen, haastig, met den hoed nog op. - -Zoo licht en vriendelijk als zoo’n boudoirtje ineens wordt, als een -jong, lachend kind er binnenkomt, met lief frou-frou van rokken, en -goud-schijn van blond haar! - -„Dag Jimmy, dag engelachtig beestje... mijn heerlijke, lieve dot!.... -is de vrouw daar dan weêr, snoesje?... heb je op haar zitten wachten... -dáár heb je een zoentje, hoor!... nog eentje... en nog eentje... maar -niet mijn rok vuilmaken, hoor!... koest nu!... zoet zijn!...” - -En het witte terriertje, fijn-zacht als glacé, wrong zijn lijfje in -allerlei bochten, zenuwachtig kwispelend met korte schokjes van zijn -stomp-staartje, en de spitse, puntige bek heen en weêr wrijvend in haar -hand. - -„En jij Pim?... zit je op je borreltje te wachten?... je krijgt het -dadelijk, hoor!... even geduld maar, dat ik hiernaast mijn goed -uitdoe... en wat zeg je wel van me, zie ik er nu niet dood eenvoudigjes -uit?... dát is nu mijn costuumpje voor als ik eens heel gewoontjes wil -zijn, eigenlijk meer voor ’s morgens misschien...” - -Haar gezichtje bloosde als een gezonde, frissche bloem onder uit den -blankwit strooien sailor-hat hem tegen. Hoe lief-eenvoudig was ze in -haar beige tailor-made costuumpje, met het fijn batisten blousetje van -heel teeder-roze rozenkleur! Wat sloot het hooge linnen boordje -voorzichtigjes om haar hals, en hoe parmantig zwierde het zelf -gestrikte dasje daaronder! Wat een wondertje was ze toch van lichtheid -en blijde kleur, zooals ze daar met haar rank maagde-lichaampje in het -blauwe boudoir stond! - -„—Zie ik niet een beetje rood?” vroeg ze weer, „verbeeld je, we hebben -terug héélemaal geloopen... en ik wou je niet te lang laten wachten, -toen hebben we van de Witte Brug af zoo gehold.” - -„—Neen, niet bizonder,” zei Pim geruststellend, „—je hebt je gewone -mooie kleurtje van altijd, hoor zus, en dat eenvoudige kleedje staat je -wàt lief.... je hebt gelijk dat je altijd tailor-made neemt, daar komt -je figuurtje zoo goed in uit.... weet je wel dat je hoe langer hoe -slanker wordt, en je het fijnste middeltje van den Haag krijgt?....” - -„—Nu, het fijnste is wel een beetje sterk, Pim, maar ik weet toch wèl, -dat ik er mee voor den dag kan komen. Wies is er een beetje jaloersch -op, die dikt zoo aan, en het rijgen helpt haar maar niet.... ze wil -maar niet gelooven dat ik me heelemáál niet behoef te rijgen.... Nu -éven geduld nog....” - -En ze verdween in haar slaapkamer door de zijdeur, om dadelijk weer -terug te komen. Toen wipte ze gauw naar een etagère-kastje, haalde er -het likeur-stelletje uit, en zette het klaar op een laag turksch -tafeltje vóór de pouf, waar Pim op zat. - -„—Asjeblieft meneer!.... je portje is ingeschonken.... en wat heb je -daar meêgebracht voor lekkers?... marrons glacés en wafeltjes... -délicieus, goed uitgekozen, hoor!....” - -„—En vertel me nu eens, hoe je er zoo toe gekomen bent om heelemaal van -het strand te loopen.... was je met Wies?...” - -„—Ja, met Wies... en toen zijn we de Sandt tegengekomen.... hij was per -fiets, maar hij had een schroefje ergens er uit verloren en toen zei -hij dat hij terug moest loopen met zijn machien... toen zijn we -meêgegaan om hem gezelschap te houden, den armen jongen.... is dat nu -niet lief van ons?” - -„—Zoo? alweer met de Sandt... dat is áán tegenwoordig! Hij schijnt -jullie in den laatsten tijd nogal het hof te maken.... maar voor wie is -het nu eigenlijk bedoeld, voor jou of voor Wies?....” - -„—Dat weet ik niet, hoor, en ’t kan me ook niets schelen!... misschien -voor Wies, misschien voor mij... ik hoop niet voor mij...” - -„—En waarom niet?...” - -„—Wel, omdat ik hem dan niet meer zoo aardig zou vinden... je weet toch -wel, Pim, als mannen verliefd zijn beginnen ze altijd zoo raar te doen, -zoo gek... ik kan het heusch niet helpen, maar ik vind dat altijd een -beetje ridicuul... dan kijken ze bijvoorbeeld zóó... smachtend, of -zóó... net of ze slaap krijgen....” - -En ze trok een gezichtje, dat kostbaar was van uiterste komiekheid. - -„—Ik geloof dat jij met álles den gek steekt,” zei Pim verwijtend. -„Verliefd zijn is héél ernstig, en niets om te lachen. Maar je weet -niet wat het is, daar komt het van.” - -„—Weet jij ’t dan wèl, broertje?” - -„—Niet bij ondervinding gelukkig, maar ik zie het toch zoo wel van -anderen, dat het om den dood geen gekheid is, hoor!... Wacht maar tot -je het zelf eens te pakken krijgt!...” - -„—Nu, dat zal vooreerst wel niet gebeuren, reken dáár maar gerust op!” - -„—En toch maken jullie dame-meisjes je allemaal zoo mooi mogelijk, en -steek je je in de fijnste veertjes om de jongelui het hoofd op hol te -brengen... je zoudt wát ongelukkig zijn als er niemand was, die naar je -keek, en je aardig vond... zeg het nu eens eerlijk, zou je het prettig -vinden als ze geen notitie van je namen?” - -„—Nu ja, dát natuurlijk óók niet... je moet ook niet denken dat ik het -niet aardig vind als ze me een beetje het hof maken. Je zusje is nu -eenmaal een beetje koket, dat wil ze wel bekennen, en als er geen -heeren waren zouden we ons natuurlijk vervelen.... Maar ik vind het -juist aardig zooals het nú is... En waarom zou ik dan willen dat het -ánders werd?... Ik vind mijn leventje van nú wàt aardig. Mijn -tennisclubje, mijn fiets, mijn strand, mijn Kurhaus vooral, en mijn -partijtjes. Zoo leuk allemaal onder elkaar, met de luitjes die je kent, -samen pretmaken, en een beetje flirten desnoods, dát doe je nu eenmaal -van zelf... Maar het moet niet te serieus worden, want dan wordt het -vervelend, en dan is juist het aardige er af... Verbeeld je, verliefd -worden, en geëngageerd zijn, en dan niet meer mee mogen doen, en niet -meer pret mogen maken met anderen, omdat meneer je fiancé jaloersch zou -zijn! Ik zou je danken, hoor!... Het is véél te leuk zooals het is.... -En nu net met het nieuwe seizoen en het Kurhaus!.... Zaterdag is het -bal in de theaterzaal, en den volgenden Zaterdag in de Kurzaal. Het is -wel een beetje mêlé altijd, maar je kunt er toch bést dansen.... de -Sandt heeft beloofd te komen, en hij heeft al een wals van me. En jij -zorgt dat je er ook bent, begrepen?....” - -Pim had haar lachend zitten aanhooren. Zóó was ze toch maar de echte, -éénige Ellie! En zóó had hij haar ook het liefste, zoo luchtigjes, -zorgeloos fladderend door de pleziertjes van het Haagsche leven, -ongerept en onbewust, als een vroolijk, fijn vlindertje.... - -„—Maar is er nu niemand onder al de jongelui waar je dan láter -misschien eens op zou kunnen verlieven?” vroeg hij nog eens. „Is de -Sandt dan geen aardige kerel? En van den Bergh, en Waalen?” - -„—Zeker, héél aardig, Pim, en ik zou ze niet graag missen, maar toch -heelemaal niet om verliefd op te zijn, vind ik. Heelemaal niets -bizonders voor jouw Ellie.”— - -„—Dus dan zul je wel nooit trouwen, denk je?—” - -„—Dat zeg ik niet.... je weet nooit wat er later nog eens kan -gebeuren.... Maar nú op het moment dénk ik er in alle geval nog niet -aan. Het is veel te leuk zooals het nu is, Pim. Ik ben veel te gelukkig -met al mijn pretjes en mijn lieve huisje, met pa en jou. Laat het nu -maar zoo blijven. Het is goed zooals het is. En ik ben nog pas -negentien. Ik voel me zoo jong en zoo prettig. Dacht je nu dat ik me -daar maar zoo eens even door den eerste den beste uit zou laten halen? -Ik zou je danken. Weet je wel dat ik het niets erg zou vinden als het -maar altijd zóó hetzelfde bleef, en er nooit iets veranderde?” - -Hij voelde een groote blijdschap over hem komen. Dat was nu immers -precies wat hij zelf altijd had gezegd! Waarom zou het niet altijd zóó -blijven? Was het niet goed zoo? Was zijn leven niet veilig bewaard in -zijn vriendschap voor Ellie, en was alles niet rustig en wèl-vertrouwd -tusschen hen? - -„—Dus dan ben je nú toch wat je noemt gelukkig,” zeide hij, „en weet je -wel, dat de meeste menschen volhouden, dat het geluk niet bestaat? De -Boeddhisten zeggen zelfs dat al het leven niets dan ellende is.” - -„—Nu ja, nu kom je weêr met al die geleerdheden aan. Daar weet ik niets -van. Ik weet alleen, dat ik me niets ellendig voel, hoor!” - -„—Maar je begint ook nog eigenlijk pas te leven. Je bent nog maar éven -over het bakvischje heen. En je bent nog niet ééns flink verliefd -geweest!” - -„—Nu alweer dat verliefd zijn! Moet een meisje dan per se maar altijd -verliefd zijn?” - -„—Ja, daar begint haar innigste leven toch eigenlijk pas mee.” - -„—Nu, Pim, dan leef ik voorloopig zeker nog maar niet. Want ik geloof -niet, dat ik ooit op iemand van al de mannen, die ik nu alzoo ken, -verliefd zou kunnen zijn.” - -„—Zoo?” plaagde Pim, „zijn die dan allemaal niet goed genoeg voor mijn -kokette zusje?” - -„—Nu, eerlijk gezegd, neen!” antwoordde ze oprecht, en onbewust een -beetje ernstig wordend. „Om je de waarheid te zeggen ben ik wel wat erg -op mijn eigen persoontje gesteld. Ik vind me zelf nog zoo kwaad niet. -Het is toch heusch wel aardig zoo’n meisje als ik ben, al zeg ik het -zelf. En dat nu maar zoo heelemaal weg te geven aan een of ander, ik -denk er niet aan. Ik zou het zonde vinden. Denk nu zelf eens de Sandt, -of den Bergh, of Waalen, die je daar noemde. Vind je dat nu luitjes om -je heele bestaan zoo maar aan over te geven en je prettige, leuke -meisjesleventje voor weg te doen?” - -Nu, Pim vond het, eigenlijk gezegd, ook niet. En toen hij het haar -bekende, zeide hij niet eens, waarom en wat hij alzoo van hen wist. - -„—Neen Pim, als jouw Ellie ooit verliefd raakt, dan zal het op héél -iemand anders moeten zijn!” zei ze nog, trotsch. - -„—Zoo zoo, en wat moet dat dan wel voor een wonder wezen?” vroeg hij -nieuwsgierig. - -„—Wel, Pim, hij zou héél anders moeten zijn dan de anderen, o! zoo -anders. Iets bizonders, weet je. Iets groots en heel sterks. Iets, waar -ik, geloof ik, eigenlijk bang van zou zijn. Iets waar je kleine zusje -zichzelf zoo heelemaal niets bij zou vinden. Zoo’n heel groote, mooie -held, als uit een boek van Ouïda bijvoorbeeld, die iets vrééselijk -moeilijks en edels zou gedaan hebben, waarom alle menschen tegen hem -opzagen. Natuurlijk heel groot, zooals alle helden, en donker, met -zwart haar, en mooie, sprekende oogen. Heelemaal niet als al die malle -kereltjes die op het Kurhaus rondloopen. Je zult zeggen dat ik die toch -wel aardig vind en er lief tegen ben, maar heusch, in den grond van -mijn hart vind ik ze toch niet zoo bizonder. Nu heb ik ook geen -behoefte aan iets bizonders, Pim. Ik heb nu juist pret in al het heel -gewone, dat weet je wel. Maar als je spreekt van verliefd zijn en -trouwen en zoo, waar ik juist mijn gewone leventje van nu voor zou -moeten weggeven, dan.... ja, dan zou het toch, geloof ik, wèl iets heel -bizonders moeten zijn.... Want ik ben veel te gelukkig, hoor! met wat -ik nu heb....” - -Ze zeide dit ernstiger dan ze gewoonlijk sprak. Pim had nog nooit met -haar over dat onderwerp gesproken, en toevallig was ze er nu zoo diep -in doorgegaan. Hij schrikte van den ernst in haar stem, die hij niet -gewoon was. En ineens kwam ze hem een beetje vreemd voor en was het -hem, of er ergens, heel vaag en ver, een Ellie in haar was, die hij nog -niet kende en die ook zijn zuster niet kon zijn. Was er dan ergens vèr -achter dat vlinderleventje van haar iets, dat onbewust naar nieuw en -heviger leven verlangde, waren er in zijn Ellie, die hij zoo goed -kende, dan onbewustheden, die vérder reikten dan naar wat in hun -vertrouwd samen-broer-en-zuster leven lag? Maar neen, dat kon toch -niet, dat was toch immers onmogelijk! Leek ze, daar nu gezelligjes, in -haar keurig costuumpje, haar likeurtje zittend genieten, zoo gracieus -en zoo teeder, zoo heelemaal niet iemand om iets hoogs of hevigs van -het groote, harde Leven te voelen, enkel lieflijkheid en broze -bevalligheid, om met voorzichtige bewondering ontroerd naar te zien! Ze -leek nog zoo véél meer een kind dan een vrouw eigenlijk! - -En in een hoopvolle opwelling om het gelukkige van nú dan toch vooral -goed vast te houden, zeide hij maar geruststellend: - -„Dan zullen we dien bizonderen held van jou nog maar wat laten wachten, -hoor, en ondertusschen maar doorleven zooals we nú doen. Je hebt groot -gelijk dat je je te goed vindt om je zoo maar door iemand te laten -inpalmen. En ik doe met je meê, om ons leventje door te zetten zooals -het is. We hebben nu eenmaal pret, hè?....” - -Hij voelde, dat het niet heelemaal waar was, wat hij zeide. Hij wist te -goed, dat er te véél was, wat hem hinderde, te veel van het leelijke en -duistere in het leven, dat Ellie niet wist, en dat hij alléén kon -vergeten omdat zíj er was om het bestaan voor hem blij te maken. Maar -zij stond dan ook zoo vèr, zoo onbereikbaar vèr van al het donkere en -slechte! - -„—Zeker, hebben we pret,” antwoordde zij lachend, „en laat die -vervelende verliefdheden het nu niet gaan bederven! Verliefde menschen -zijn altijd vervelend, je moet maar eens opletten! Je zoudt denken dat -ze juist altijd pret moesten hebben en gelukkig zijn. Maar de meesten -doen toch eigenlijk net of er ik weet niet wat met hen gebeurt en -worden ineens zoo héél anders. En ik wil niet anders worden als ik ben. -Ik wil altijd dezelfde pret in mijn leven hebben als nu, en altijd even -opgeruimd zijn. Zoo ben ik nu eenmaal, dat wéét je wel.” - -„—Ja maar, Ellie, je zult toch ook wel eens narigheid krijgen, en -verdriet hebben. Dat hebben nu eenmaal alle menschen. Al kan ik me jou -niet voorstellen met erg veel verdriet. En jij?” - -„—Ik ook niet,” antwoordde ze luchtig. - -Maar ineens, peinzend, alsof ze luisterde naar een vage intuïtie, die -heel vèr uit de onbewustheden van haar ziel kwam opdroomen: - -„—Ik zou geen verdriet kúnnen hebben, Pim. Daar ben ik heelemaal geen -meisje voor. Neen, dat voél ik wel. Ik ben niet gemaakt voor verdriet. -Ik zou liever dood zijn.....” - -Die ongewone ernst, die ándere, dieper stem, die hij niet van haar -kende..... - -Wat wás het ineens? Wie was het, die daar zoo vreemd uit zijn Ellie -sprak, die toch nog net eender, broos, fijn vlindertje, daar bij hem -zat? - -En ineens voelde hij eene vreemde siddering, alsof, in het luchtige, -vluchtige leventje van alledag, een vaag mysterie van Noodlot, nooit -vermoed, voor den eersten keer plotseling tusschen Ellie en hem oprees, -en tusschen hun beider zielen éven beefde.... - - - -Maar dadelijk daarna was het weer weg. Zij was aan ’t stoeien gegaan -met Jimmy, die haar mooi batisten zakdoekje wilde grijpen, en lachte -luidkeels haar hoog, helder sopraanlachje van lief, vroolijk jong -meisje.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule -Louise Mombreuil. - -Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin -kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan -een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken. -Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van -romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in -den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk -verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de -afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust -en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar -romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó -maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon -Roméo bien aimé” er boven. - -Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken, -maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de -famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van -bakvischjes te lezen. - -Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude -dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening, -die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en -allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en -cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de -bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij -wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er -een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het -hem embêteerde. - -Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven -wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te -vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur -Lamarty. - -Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar -een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij -Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een -chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet -romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op -zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte -doeken te leggen om zijn keel. - -Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de -oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis -uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo. - -Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische -liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet -begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep -ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet -bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die -ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen. -En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met -iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer, -en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns. - -Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat -het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was -haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer -Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een -held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe -edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de -ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten -werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát -gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen -levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor -onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk -zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een -mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr -over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van -Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende, -en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen -Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders -was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart -of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die, -zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans. - -En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi, -en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand, -ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap, -alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze -wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze -geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had -geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met -enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een -droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel -vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel -eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige -bewondering. - -Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof, -haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het -uitschreeuwde van vreugde: - -„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij -komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o -Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....” - -En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar -helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu -inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van -den Haag geweest. Tien jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter -was, studeerde Louise’s groote broer te Leiden in de rechten. Hij was -toen een van de meest getapte studenten, lid van de grootste -aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui -door zijn maîtresses en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets, -en toen Leiden hem begon te vervelen, ging hij in den Haag op kamers -wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder -er doorgebracht, en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen -zijn crediteuren ongeduldig werden, en met een groot schandaal -dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil bij, om den naam -van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice -tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw -Mombreuil en zijn zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als -een jongen god, deden alles om den minister te vermurwen, maar er hielp -niets aan, en den gevierden student bleef niets over dan zich te -vernederen en als koloniaal te teekenen. - -Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden -Mombreuil. Want Maurice, wélke verhalen er ook over hem rondgingen in -den Haag, was nu eenmaal „l’enfant chéri des dames”, die álles kon -doen. Hij was „le beau Maurice”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde. -O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, géén meisje was er tegen -bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn zwart, -coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn -kersroode mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van -den Haag, zeide men—, die mond, zoo lief-zinnelijk tot kussen geplooid, -zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was niet verliefd op den -mooien mond van Maurice! - -En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar -Indië. Er werd schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als -hij was, had Maurice toch best kunnen helpen om door te studeeren. Hij -was weduwnaar, zonder kinderen, en het zou hem toch gemakkelijk zijn -gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die arme, mooie -Maurice, verbeeld je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel -in Nederland, als gewoon koloniaal naar Harderwijk. Was het geen crime? - -Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn -schoonzuster verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken -was dat uiterst louche bleek te zijn, een geschiedenis van een valsche -promesse, niet dan met de grootste moeite uit de handen van den -Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. En hij liet -zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn -schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en -Maurice alleen wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd -hebben, het blazoen van de Mombreuils bijna bezoedeld had. - -Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt voor zijn -grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem -de hand geweigerd. - -„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een -gentleman bent geworden,” had hij gezegd. - -Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij -zichzelf een duren eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou -komen, vóór de minister hem er zelf bij de hand zou binnenleiden als -een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn. - - - -En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te -gelooven. - -Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over -Maurice gekomen. Hij had zich onderscheiden, had een eervolle -vermelding gekregen, was korporaal, daarna spoedig sergeant geworden, -en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen van een -benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend, -maar tevens—een unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot -tweeden luitenant was bevorderd. Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit -nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. Mombreuil geweest was, -en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den minister -van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in -geheel Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct -getelegrafeerd: „Ik ben blij je de hand te kunnen reiken.” - -Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad -bij de kampong Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een -der voornaamste vijandelijke panglima’s met eigen hand gevangen genomen -had, en later, bij een nachtelijken overval, zijn bataljonscommandant -het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal had -gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder -derde klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter -tegelijkertijd zijn carrière gebroken, want een klewang-houw over den -linkerarm had hem verder onbruikbaar gemaakt voor den dienst. - -De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep -met de verhalen over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn -eigen zoon was geweest, die ze bedreven had. Dát was nu pas een -verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd had! Trouwens, van -een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! Bon sang ne -peut mentir. Ridder van de Militaire Willemsorde derde klasse, door H. -M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél nobeler en -kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was. -Zeker, hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een -echte chevalier had hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden -zijner vorstin, en het blazoen van de Mombreuils had hij verheerlijkt -met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het geheele verleden dan -ook weg en er zou niet meer over gesproken worden. - -Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice! -Die heerlijke, beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel -gezegd! En nu zág je het zelf! Hij was ridder geworden, net als vroeger -in de oude tijden, ridder door de kracht van zijn zwaard! Ze waren -trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. Het -oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van -Godfried van Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En -in de verblinding van hun adellijke ideeën, nog opgezweept door den -militairistischen waanzin van den minister, zagen zij nú in den -geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn -dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel, -hij was rechtvaardig, hij was wijs. Hij was het toonbeeld van grootheid -en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu vergloried door den -glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen -menschelijke grootheid of zij straalde van hem uit. - -Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had -den „grooten broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker -zien worden en zij vertelde opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn -heldendaden. Zij liet hun zijn portret zien, in vol uniform, met de -gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. En zóó was -Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een -sprookje, een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere -heldendaden. - -„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien, -„wat een flinke, mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien -knevel! En dien mond! je mag blij zijn met zoo’n broer, hoor!” - -En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden. -Allemaal moesten ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en -de dapperste, en de knapste jongen van de wereld? - -Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar -zou wezen. Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd, -gedecoreerd, die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar -meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, toch mocht hij de uniform -blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij die altijd -aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t -Indische leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala, -die eeresabel, met dat blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél -meer uit kunnen gaan dan vroeger, want als mama geen lust had, of te -moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk op Maurice -rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was -toch op den duur vervelend. - -Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen, -geridderden broer! - -Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets -losgelaten, van dat hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te -zoeken. Maar ze moest hem éérst een flinken tijd voor háár houden; níet -hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, dát ging niet aan. -Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later wel eens -voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten -ganschelijk om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en -huwelijken, besloot ze, dat zij dat zaakje wel zou opknappen, en een -uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst -héélemaal goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er -niets aan. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Een van Pims eigenaardigheden was, dat hij met allerlei lui omging, die -je, zooals men dat in den Haag noemt „niet ziet,” en die niet in -gezelschappen komen die nu eenmaal tot de uitgaande fashionabele wereld -behooren. - -Onder die „rare” vrienden en kennissen, die Pim er op nahield, behoorde -Frederik van Klaerbeke, een jong auteur, die in de laatste jaren veel -opgang had gemaakt. Hij was van wat men in den Haag noemt „goede -familie,” en zijn vader was een hooggeplaatst hoofdambtenaar van -algemeene bekendheid. Frederik had allen omgang met zijne familie -afgebroken en was met een meisje „beneden zijn stand” getrouwd. Hij -leefde met zijn vrouw geheel afgezonderd, en vermeed alle Haagsche -kennissen, met wie hij zijn jeugd had doorgemaakt. En daar hij, -ofschoon vrijwillig, nergens „kwam” en niet meêdeed aan de conventies -en gebruikelijkheden der Haagsche wereld, was men hem van zelf zoowat -als een uitgestootene gaan beschouwen, bij wien het niet heelemaal -pluis was. Fabelachtige verhalen omtrent zijn leven, dat juist heel -gewoon en eenvoudig was, deden de rondte in de Haagsche kringen, en hij -en zijn vrouw werden beschouwd als twee gevaarlijke wezens, die met God -en wetten gebroken hadden, en in een soort wilden natuurstaat een leven -leidden zooals hunne hartstochten en grillen dat wilden, zonder égards -voor maatschappij en conventie. Maar zijne werken werden door het -groote publiek erg mooi gevonden en hadden zulk een debiet, dat hij van -zijne verdiensten als literator financieel goed kon bestaan. Maar je -moest heelemaal niet denken dat hij was als zijn boeken, zeide men. -Boeken schrijven was heel gemakkelijk, maar er naar leven was een -andere zaak. En de Haagsche wereld, die zoo fatsoenlijk was, en zoo -deftig, dweepte met Frederiks boeken, en belasterde hem tegelijk, in -ééne moeite door, van de infaamste dingen. - -Pim wist wel beter dan zijn Haagsche vrienden, wie Frederik van -Klaerbeke eigenlijk was. Hij had met hem kennis gemaakt toen hij, in -een spontane opwelling van bewondering en dankbaarheid, aan den -schrijver van „Eenzame Zielen” een langen brief had geschreven, waarin -hij hem opbiechtte, hoe dit boek hem had aangedaan. Van Klaerbeke, -getroffen door den warmen, oprechten toon van zijn schrijven, had hem -geantwoord met eene uitnoodiging, om eens bij hem te komen, en zóó -waren die twee geheel verschillende levens met elkaar in aanraking -gebracht. - -Frederik, die zich al zoo lang had teruggetrokken uit de kringen, waar -Pim in leefde, was verrast, in den jongen huzarenofficier, die toch uit -het milieu kwam dat hij was gaan verfoeien, een zoo fijne en gevoelige -ziel te vinden, die zoo verwant was aan de zijne, en toch in het -Haagsche wereldje van waan en schijn was blijven gedijen.—En Pim, die -onder zijn eigen kennissen nooit een nauw verwant hart had gevonden, -had met den eenvoud en de oprechtheid van een groot kind al heel gauw -alles van zijn innigste wezen aan zijn nieuwen vriend verteld, als aan -een biechtvader. Hoe hij zich eigenlijk zoo klein en zoo zwak voelde in -het groote Leven, hoe dikwijls de grofheden van zijne kameraden hem -pijn deden, hoe hij zich goedhield en niets liet blijken, maar -eigenlijk altijd schuw en angstig was, dat ze iets in hem breken -zouden, en hoe hij wel eens dacht, dat het misschien wat ziekelijk en -ongezond was, en of het niet beter zou zijn, een man te wezen, en met -sterke handen over het broze en teedere heen te gaan en te doen als de -anderen, koud, en wreed, en onverschillig. Eindelijk vertelde hij hem -van Ellie en van haar apart en bizonder mooi zijn, en hoe hij bij háár -altijd rust en vrede vond, en hoe dóór haar over ál het andere voor hem -een glans van mooiheid en goedheid ging, die alles vergoedde. Hoe zij -de steun was van zijn geheele leven, en hij zich niet denken kon, wat -ooit met hem gebeuren zou, als niet haar teêre maagdelijke schoonheid -bestond, die hij vereerde met een zoo rustige en vredige veneratie. -Toen had Frederik hem een groot kind genoemd, en een echten „jongen” -nog, al was hij nu twee en twintig jaren, maar heimelijk had hij groote -sympathie voor hem gevoeld, omdat hij ééns óók zoo was geweest, en hij -iets van zijn oude-zelf van vroeger nu in het kleine luitenantje -terugzag. Toch had hij hem er voor gewaarschuwd, dat zoo’n leven in -niets dan schijn en waan ééns breken moest, en nog maar héél kort zou -kunnen duren. Want den schijn en den waan van het leven was hij gaan -haten met groote innigheid, sinds de Waarheid, die wreed was, maar -oprecht, ééns het fijne droomen-weefsel van zijn ziel had verscheurd. - -„Je weet héél goed, Pim, hoe’n leugen dat mondaine Haagsche leven is,” -had hij hem gezegd. „Hoe’n bedriegelijke schijn, al dat lichte, -glanzende, kleurige, quasi-gedistingeerde van die Kurhaus-menschen waar -je elken dag onder leeft. Je weet wel dat het meestal niets dan -mensch-beesten zijn, die zich met dien schoonen schijn omhangen, maar -niettemin mensch-beesten blijven. Je weet ook heel goed, wie die -fijngekleede, nette jongelui zijn, die zoo galant doen tegen de dames, -en complimentjes maken, en zoo eerbiedig zijn. Den eerbied, dien ze aan -de vrouw moesten wijden, hebben ze al lang verloren bij de veile -deernen, die ze geregeld bezoeken, voor geld, en die in hun misère van -slachtoffers onzer verdorven maatschappij toch nog niet zoo laag zijn -als die kerels, die er van profiteeren. Hun diepe hoedegroet vol -respect voor een dame, hun eerbiedige buigingen, ze zijn leugen, want -ze hebben het idee vrouw al te veel bezoedeld in hun gemakkelijke -débauches om er iets serieus van over te hebben. En als zoo’n -jongmensch van de „wereld” eindelijk uit is gesjouwd, en er genoeg van -heeft en nu aan trouwen moet gaan denken, dan is zoo’n ongerept, -maagdelijk dame-meisje altijd voor hem klaar om de restjes aan te -nemen, die Antje of Nelly of Jo hebben overgelaten. Ik zeg het een -beetje crû, Pim, maar zoo is het.” - -Pim wist het wel, maar hij wilde het liever niet weten. Als hij altijd -zoo de dingen zag, zou hij zijn leven zoo niet door kunnen leven. - -En Frederik ging onmeedoogend door. - -„Ik zal niet eens praten van het gruwelijke onrecht, dat al die -menschen ál maar pret maken en om niets denken dan hun pieterige -amusementjes, waar het bewezen is dat onze geheele maatschappij op -onrecht, op diefstal, op het brute recht van den sterkste is gebaseerd. -Dat zestien menschen—de statistiek heeft het uitgemaakt—misère moeten -lijden en in hun zweet moeten zwoegen, om één zoo’n bourgeois heertje -of dametje zoo’n prettig, mondain leventje te laten doorlummelen. Dat -dus al die menschen, zoodrá ze deze dingen weten—en ze kunnen het -weten, want de groote sociaal-democraten hebben het wiskunstig -duidelijk aangetoond—evengoed bewuste dieven zijn en roovers van -anderer geluk en eigendom, als de dief, die iets van je steelt. -Dáarover wil ik het niet ééns hebben. Maar wat ik verfoei en veracht, -dat is de leugen, die zoo’n mondaine wereld om zich heen heeft, als die -van het traditioneele, uitgaande publiek van een stad als den Haag. Zoo -heelemaal in orde lijkt het, hé, zoo’n pantoffel-parade op het strand, -of op het terras, al die menschen zoo netjes aangedaan, zoo -fatsoenlijk, met zoo’n air van rechtschapenheid en comme-il-faut-heid -en distinctie. Maar kijk naar de beest-menschen achter dien schoonen -schijn, het gelonk en geloer naar duistere, leelijke dingen, de -verlaging van de vrouw-idee in de blikken van al die kerels, het -ignobele te koop loopen met dochters, dat deftige, beschaafde mama’s -doen, en let dan eens op, waar alles eigenlijk om draait. En dan die -onverstoorbare schijnheiligheid van zooveel geposeerde -pères-de-famille, dat air van ernstige eerwaardigheid, waarmede ze er -bijloopen! Ik kén er een heeleboel van vroeger, en ik weet hun -gesprekken, als de dames er niet bij zijn; en ik weet, naar wie ze, -heimelijk als laffe dieven, heensluipen, nog met den kus van vrouw en -dochter op de wangen. Als alle publieke vrouwen uit den Haag eens -gingen vertellen wat zij wisten, ik geloof dat er weinig van die -eerwaardigheid zou overblijven. Trouwens, die dingen vindt niemand -eigenlijk schandelijk. Als ze maar stiekum gebeuren, geniepig, -lafhartig, in ’t duister. Als de leugen-schijn van naar buiten -fatsoenlijk en eerbiedwaardig en comme-il-faut maar wordt bewaard. En -daarom haat en veracht ik dat wereldje waar jij in leeft, en waar jij -al je genoegen in schijnt te zoeken....” - -Als Frederik over dit pénibele onderwerp begon, kon hij zich onmatig -opwinden, en zeide hij Pim ongenadig waar het op stond, zonder -medelijden. Maar Pim had zijn antwoord klaar. - -„Dat is zooals jíj het ziet, Frederik.... en ik weet ook wel dat het -zoo is... daarvoor zie ik te veel om me gebeuren, en hoor ik te veel, -en ik ben heusch niet blind of doof. Maar neem nu eens zoo’n meisje als -mijn zuster Ellie, zoo’n „dame-meisje” zooals jij het met een zeker -dédain noemt. Die ziet dat toch allemaal héél anders. Wat weet die van -wat de sociaal-democratie is, en het onrecht, en het verkeerde van het -privaat-eigendom? Wat weet die van al het leelijke en het slechte af? -Hoe kunnen zulke meisjes beseffen, hoe die galante, tegenover háár -eerbiedige en buigende jongelui leven en achter de schermen scharrelen -en knoeien? Ze zijn daar immers héélemaal niet voor opgevoed. Ze weten -immers niet beter of alles is echt om haar heen, en ze hebben pret in -al het mooie, en verrukken ons door haar eigen gratie en liefelijken -schijn! Ellie ziet dat alles zoo héél, héél anders dan jij dat doet, -Frederik. En voor mij is nu juist het heerlijke dat ik al het leelijke -vergeet, en zélf weer als zoo’n argeloos kind voel, dat alleen het -mooie ziet... als ik maar bij háár ben... Kun je je dat niet -voorstellen, hoe heerlijk dat voor me moet zijn?” - -Maar Frederik was ongeloovig, en had niet het simpele naïeve meer van -Pim. - -„Als het zoo is als jij ’t voorstelt,” zeide hij, „is ’t altijd nog -heel treurig, om de onwaarheid er van, maar lief is ’t zeker óók. Ik -kan me heel goed voorstellen een onschuldig meisje, dat zoo, argeloos, -enkel maar het mooie van het leven ziet. Maar hoe tragisch wordt dan -tegelijk een leven als van zoo’n argeloos, niets vermoedend meisje, die -alle menschen en dingen om zich heen mooi en goed ziet! Want die leeft -dan toch eigenlijk maar in een schijn, die niet bestaat! Wat een -verschrikkelijke catastrophe moet er dan later niet gebeuren in haar -ziel, als ze ééns die wereld om zich heen gaat doorzien, in ’t licht -van de plotseling voor haar opdoemende waarheid. Als ze eens te weten -komt, hoe haar vader, haar broeders, haar eigen man misschien hebben -geleefd of nog leven! Dan moet zoo’n wezentje wel alles, waar ze op -steunde, om zich voelen wegvallen, en den geheelen droom van haar jeugd -als een ruïne vóór haar zien liggen. Want altijd zoo argeloos en -onwetend blijven kán ze niet. Dáár zorgt het groote, harde Leven wel -voor... Maar in den Haag lijkt me dat toch een exceptie, beste Pim, en -de Haagsche dame-meisjes zijn over ’t algemeen alles behalve naïef. Jij -hebt nu eenmaal de groote fout, kerel, dat je in ieder meisje een of -ander hemelsch wezen wil zien. En het prouveert voor je, dat zeg ik je -er bij. Ik wil je wel bekennen dat ik óók zoo geweest ben, héél lang -geleden, en dat ik me toen erg gelukkig voelde. Maar je moet nu maar -eens eindelijk leeren dat die fijne, zoo apart en bizonder lijkende -schepseltjes óók menschen zijn, beste jongen, menschen net als jij en -ik, hoor, van vleesch en bloed, en met net dezelfde menschelijke -dingen. Ik zeg niet dat ze er daarom minder om zijn. Misschien zijn ze -er juist meer om. Ik zeg alleen dat ze anders zijn dan jouw droom van -dweperig dichtertje. En met dat vergoden doe je haar onrecht, want als -ze later blijken niet goddelijk maar menschelijk te zijn, val je haar -er dubbel hard om. Nu ken ik je Ellie nog niet, zal je zeggen. Maar -daarom ben ik toch overtuigd, dat ze heúsch ook een wezentje van -vleesch en bloed is, en dat je haar waarschijnlijk ook véél te -aetherisch en onreëel ziet in je gedweep met haar.” - -Toen was Pim opgestoven. Ellie was niets mooier dan wat hij van haar -dacht, had hij gezegd. Zij mocht al niet aetherisch en onreëel wezen, -maar zéker wist hij, dat haar ziel niets dan reins en moois zag van de -wereld, en dat er niet één onzuiver ding was in haar lief- en mooi-doen -tegen al de menschen om haar heen, van wie zij ook niets dan goeds zag. -Hij beschreef haar luchtig leventje van uitgaand meisje, en hoe zij -altijd gratie en schoonheid van zich af deed stralen, en hoe haar ziel -nog altijd ongerept was gebleven in haar omgeving, als van een -onschuldig, rustig kind. - -En hij had absoluut gewild, dat Frederik met Ellie kennis maakte. Hij -had hem overgehaald, eens aan het strand in Scheveningen te komen en -had hem toen aan haar voorgesteld. Zij had hem dadelijk geïnviteerd, -een kopje thee meê te blijven drinken in haar tentje. Ellie had het erg -interessant gevonden, zoo’n bekend schrijver te ontmoeten; zij had óók -zijn boek „Eenzame Zielen” gelezen, dat zij erg „snoezig” en „beeldig” -vond, en waar ze zelfs bij gehuild had, aan het slot. Hij was haar ook -erg meêgevallen. Zij had altijd hooren zeggen, dat hij een socialist -was, die geen égards had voor dames, en zedeloos leefde, en niet aan -God geloofde. Maar hij was juist heel aardig, en zelfs galant geweest, -en zij vond hem niets minder dan de anderen. Alleen erg jammer, dat hij -niet met een dame-meisje was getrouwd, hij, die toch van goede familie -was, en daarbij zoo knap... Dat vond ze bepaald leelijk van hem, en zij -voelde zich vijandig tegen zijn vrouw, die zij geen recht op hem vond -hebben. Want Ellie zat nog héélemaal onder bekrompen ideeën van rang en -stand. Ze had nooit anders geleerd. Het was een hééle concessie van -Frederik geweest, dat hij zich zoo aan een dametje als Ellie had laten -voorstellen, en als een echt Haagsch heertje had zitten afternoonen in -haar tentje. Maar hij had het ook alleen gedaan om Pim plezier te doen, -en had niet eens gelachen, toen Ellie hem zeide, hoe „snoezig” zij het -boek had gevonden, waarin hij zijn geheele ziel had gegeven. - -En zij had een groote impressie op hem gemaakt. Toen zij in haar witte -kleedje met haar lief, vriendelijk maagd-gezichtje zoo ongedwongen met -hem zat te praten, nu en dan een sierlijk gebaartje makend met haar -blank-en-roze handje, en hij haar helder sopraanstemmetje zacht in hem -voelde door-zingen, was het hem inééns of, midden in zijn stille leven, -éven een licht visioen van lang, héél lang geleden was teruggekomen. -Dit luchtige, vluchtige, en zoo héél lichte, dit om-van-te-weenen -blanke en teedere, dit allerfijnst reine en kinderlijke van -aristocratisch maagd-meisje, o! hoe had hij het gekend, hoe was het -ééns de geheele wereld van droom en ideaal voor hem geweest, toen hij -nog een jong, niets vermoedend kereltje was, dat heelemaal leefde van -den schoonen schijn der dingen.... - -En toen hij afscheid nam had hij, die het fiere hoofd voor weinig -menschen meer wilde neigen, met den hoed in de hand, diep voor haar -gebogen, omdat hij in haar groette een verloren ideaal, dat ééns heilig -was geweest, en hem in háár weer tegen had geschenen. - -Na het diner was Pim nog gauw even bij hem aangeloopen, om toch -dadelijk te hooren, welken indruk Ellie op zijn vriend had gemaakt. - -„—Nu? Hoe vind je haar nu?—” - -En Frederik had heel ernstig gezegd: - -„Ik ben erg blij, dat ik haar eens ontmoet heb, Pim. Het heeft me goed -gedaan. Het is verwonderlijk, hoe zoo’n lief meisje door haar enkele -verschijning een man kan gelukkig maken. Je weet niet wat het is. Het -is iets heel teêrs en mysterieus, dat van zoo’n meisje in je komt en je -ineens goed maakt. Er zijn, geloof ik, maar weinig mannen die het -voelen, maar die het voelen, weten ook wat het is, al kunnen ze het -niet uitdrukken. Je zuster Ellie heeft het heel erg. Ze is niet bepaald -wat ze zouden noemen een mooi meisje. Daar is ze ook te klein voor, en -niet statig genoeg van lijn. Maar ze heeft dat lieve, dat -vriendelijk-inpalmende, dat allercharmantste ik-en-weet-niet-wat, dat -je direct zoo vleiend en warm-hartelijk uit haar tegemoet komt. Zoo’n -echt zonnestraaltje is ze. En wat een gratie, wat een gratie in ál haar -beweginkjes en gebaartjes! En haar stemmetje! Net een vogeltje, hè? Die -lieve, vroolijke intonatie, die moet uit een nog heel jong, argeloos -kinderzieltje komen, zou je zeggen. Nu Pim, ben je nu tevreden? Als ik -een tien jaren jonger was, en een beetje minder wist, en niet zoo’n -eenvoudige, goede vrouw had als Marie, dan was ik zéker verliefd op -haar geworden, hoor!” - -Pim’s gezicht straalde van vreugde. Hij had altijd alles wat Frederik -zeide voor orakeltaal gehouden. Frederik was zijn groote vriend, voor -wien hij maar zoo héél weinig kon zijn, en dien hij zoo sterk en alléén -wist te staan in het harde, groote Leven, waar hij zoo bang voor was. -En dat Frederik zoo enthoesiast over Ellie sprak, maakte dat hij haar -nóg mooier zag dan vroeger. - -„Vin je het geen mooi naampje dat ze heeft?” vroeg hij. „Ze noemen haar -hier het Vlindertje. Is ze niet net zoo’n mooi, blank kapelletje, dat -met van die heel fijne, transparante vleugeltjes door de lucht zweeft, -zoo glanzend in den zonneschijn, en dat alle dingen zoo mooi en -schitterend vindt, en zoo heel gelukkig ál maar voort-wiegelt?....” - -Frederik zat op de canapé, met zijn hand onder het hoofd, zooals hij -altijd deed, als hij ergens over peinsde. Hij zweeg een tijdje, en zei -toen ineens, met dien vagen zacht-droeven klank, die zijn stem dikwijls -zoo vreemd melancholiek maakte: - -„Hoe mooi toch, hè Pim, zoo’n meisje, als ze nog zoo jong is.... dat ze -dat niet állemaal zien!.... de wereld zou misschien anders worden.... -maar héél weinigen voelen het. Daar had je Heine, de grootste dichter -van het Meisje, voor mij blijft hij altijd de gróótste.... dat vers van -„Du bist wie eine Blume”.... dáár ligt het in, wat ik bedoel.... Maar -dan te denken, dat zoo’n arm kind zoo héélemaal leeft in den schijn, in -de leugen om haar heen.... te denken dat zoo’n broos, transparant -vlinder-zieltje ééns plotseling in dat groote, wreede vuur zal vliegen -van het felle leven.... en mééstal gebeurt dat zoo bruut aan haar, zoo -genadeloos hard!.... wat weten de meeste kerels, die met zulke meisjes -trouwen en God weet wat voor leven achter den rug hebben, van zoo’n -teêr meisjes-zieltje af?.... En dan is het dikwijls inééns uit.... je -moet eens zien, hoe de meeste vrouwen kort na hun trouwen een héel -ander gezicht krijgen.... er komt dan zooiets hards op, en dat rustig -maagdelijke is inééns heelemaal weg.... ze lijken nog wel op het oude -Meisje.... maar het mysterie is heen, en komt nooit meer terug.... o! -Ik weet het Pim, ik weet het zoo héél, héél goed, en heb het zelf -gezien bij een meisje, waar ik zoo van hield....” - -Pim zat eerbiedig naar hem te luisteren, en het was of Frederik’s -woorden uit zijn eigen ziel kwamen, zoo voelde hij ze als de -uitdrukking van zijn eigen diepste gedachten. - -„—Ja, als je zoo bij zoo’n meisje zit als jouw Ellie, dan voel je -ineens weer het verschrikkelijke van de maatschappij, waarin zoo’n -wezentje leeft,” ging Frederik door, nadat hij even had zitten peinzen. -„Je zoudt het dan kunnen uitschreeuwen van angst, dat zoo’n kind het op -een’ goeden dag inééns zien zal, al die leugens en dat vuile om haar -heen.... al dat onrecht, die wreedheid, dat genadelooze egoïsme op de -wereld, waaraan, bewust of onbewust, maar mééstal toch bewust, haar -vader, haar moeder, haar broers meêdoen..... als ze eens plotseling te -weten kwamen, maar goéd te weten, in al de ontzachelijke horreur van -vuilheid en zonde, de misdaden, die aan háár zusteren worden begaan, -die door de verdorven maatschappij toevallig tot slachtoffers zijn -gemaakt.... niemand van die ongelukkige wezens, die hun vrouw-zijn -prostitueeren, doet het uit louter bestialiteit.... het zijn allemaal -ééns slachtoffers geworden, dat weet iedereen.... verbeeld je, Pim, dat -zoo’n kind ineens de vreeselijke waarheid zag, van wat haar eigen -vader, haar eigen broeders hebben gedaan of nog doen aan hare zusteren, -van wie de dominé haar in de kerk voorpreekt, dat ze haar moet -liefhebben als zichzelve.... Is het niet verschrikkelijk?.... en te -denken, dat dáár eigenlijk de geheele wereld om draait, met zijn -schandelijke politiek van roofzucht en wreedaardig kapitalisme.... de -drijfveer is toch altijd maar geld, en geld, en geld.... En waar is dat -geld voor?.... Voor Liefde niet, die is voor geld niet te koopen, dat -is het éénige, en Liefde is goddank voor den armste te krijgen.... maar -het geld is dan ook alléén om te knoeien en te zwelgen in wat de Liefde -ontheiligt, en voor dat lage doel staat weldra de wereld in vlammen. - -„In Afrika is het al in vollen gang, om het geld, en in China gaan de -roof en de diefstal beginnen, om het geld, waar tóch nooit Liefde van -kan gekocht worden.... Verbééld je, dit te weten, en dan tóch nog kalm -te kunnen blijven, en als een rustig bourgeoistje in dat Kurhaus te -flaneeren, met een hoogen boord en een fantasiehoedje.... Je zult -zeggen, dat ik zelf er óók zooveel kom, maar je weet wel, dat het -alleen voor de muziek is en het groote meerendeel van ’t publiek komt -daar niet om.... ik vind dat die Berlijners heerlijk spelen, en ik zit -daar soms te genieten als een zalige.... zoo’n Symfonie van Beethoven, -of de D-dur Suite van Bach, of de Ouverture Léonore III, of die -Variationen uit het A-dur quartett.... dat hoor je nergens zóó -verrukkelijk mooi, en het is eenvoudig de opperste volmaaktheid die je -je van muziek maar denken kunt.... Dan vergeet ik de heele bende om me -heen, en weet alleen dat ik gemeenschap heb met zoo’n goden-ziel als -van Beethoven of Bach... Maar in de pauze moet je wel naar buiten om -frissche lucht te krijgen na die bedompte atmosfeer in de zaal, en dán -komt de werkelijkheid ook weder om je heen.... al die menschen daar -rond te zien paradeeren met een air van christelijke rechtschapenheid -en deftige distinctie, of er verder niets aan de hand was, en er niets -beters te doen valt dan geuren en affecteeren!.... Hoe houd je dat -leventje toch uit, Pim? Voel je je nooit eens angstig als je met Ellie -onder al die menschen loopt?... ben je nooit eens bang voor die -blikken, waarmeê ze haar aanzien, die gedachten, waarmee ze haar kunnen -besmetten?... Vin je het dan niet wreed, dat de wereld zoo héél anders -is, dan zoo’n argeloos, jong meisje wel denkt, die alleen den schitter -en den glans ziet van den schijn?....” - -Dat was de zóóveelste maal, dat Frederik hem wees op het inferieure van -zijn mondain leventje in den Haag, en zijn meêdoen aan al de futiele -amusementen. Het ergste was, dat hij het heel goed voelde, dat hij wel -wist hoe al het plezier van zulk een leven tóch al vergald was, zoolang -het niet onbewust meer kon genoten worden, en hij het leege er van -besefte. Maar wat te doen, als hij er van af moest zien, en hij die -dingen eens niet meer had? Waar dán van te leven? Hij was niet sterk -genoeg om alléén te staan, als Frederik, hij, zwak, klein mannetje, in -het groote, hoog over hem, nietigheidje, heen slaande Leven. Hij kon -hoogstens wat mokken in stilte, en wat pijn hebben, en wat verachten, -maar méér ook niet. Hij was nu eenmaal in het leven gezet als Jhr. -Eduard van Wedell, luitenant van de nederlandsche cavalerie, zóó en zóó -in de wereld-dingen geplaatst, in dit bepaald milieutje van die en die -menschen. En het eenige, wat hem, klein, zwak mannetje was geraden, was -het niet om mede te gaan met den stroom, waarin hij nu eenmaal stond, -daar hij niet groot en sterk genoeg was, om zich uit de wiemelende -menigte om hem heen wèg te wringen, en een eigen, eenzamen weg te gaan, -waar Ellie niet meer zijn zou, het liefste goed van zijn ziel? - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Dien verderen avond bleef Pim bij Frederik theedrinken. Hij bladerde -wat in de nieuwe boeken, die bij hem op de schrijftafel lagen, keek -hier en daar een bladzijde in, las even een klein gedicht. Hij had in -den laatsten tijd weinig gelezen. Al die mooie dingen, waarvan hij las, -maakten hem toch altijd droef. Hij voelde ze zoo onvereenigbaar met het -leven dat hij leidde, in zijn mondain Haagsch milieutje. Hij wist, dat -al dat mooie toch te groot voor hem was en dat, als hij er zich -heelemaal aan overgaf, er een revolutie in zijn leven van nu moest -komen, die het voor goed zou doen uiteenvallen. - -Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging -te beseffen, dat het leger eer het onrecht dan het recht moest -beschermen, en dat het militairisme de ontwikkeling van den -waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak en te -lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk -zou veranderen. - -Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het -verboden mooi, als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet -zich door hem vertellen van de groote beweging, die op handen was, van -de ontzachelijke wereld-dingen, die te gebeuren stonden, en waardoor de -oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin híj thuis hoorde, -door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd -gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van -Willem Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde -ontroering, of er in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een -ongekend licht van groote goedheid was opgeschenen. Als een kind zat -hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, die nog zoo heelemaal -vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien sterken, -energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger -eens zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en -eenzaam-trotsch boven conventie en traditie stond, levende zooals híj -goed vond, vreezeloos en wèl-bewust. - -Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag -hij onrustig te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had -hoofdpijn en voelde een angstige, zware beklemming. Eindelijk viel hij -in een doffen slaap. - - - -Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de -oude van vroeger. Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij -maakte een rit door het Bosch. - -Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had. - -Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde, -voelde hij zich weer de echte officier, die dienst heeft. Hij hield -even een praatje, met van den Bergh en Waalen, en reed toen naar zijn -manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht en zonneschijn en -vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s -„toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze -beneden zou komen, vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even -kwam ze voor de deur, zijn paard streelend langs den fijnen kop. - -Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat -vroolijke, weldadige lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver -geluk in zoo’n lief wezentje, dat in een licht japonnetje daar ineens -voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! Waar was nu het donker -van gisteren, en al de duistere gedachten?... - -„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit -déjeuneeren, en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen -pas terug... en Wies is waarachtig ook al niet thuis. Nu zit ik me heel -alleen te vervelen.... Zeg, als we nu eens naar Scheveningen gingen -lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.... ze hebben daar zulke -lekkere plats du jour.... Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of -kan je weer niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo -iets....” - -Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend -idee. Liet ze maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard -even terug naar de kazerne, en liet zich wat afstoffen. En voort -galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, en gerinkel van zijn -sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, kleine -officiertje op het groote, zwarte paard. - -Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar -Scheveningen, een keurig, Haagsch paartje, hij in zijn nette -huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, zij een exquis -dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht -en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder -materie, van louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram -dachten dat zij verloofden waren, zoo intiem babbelden zij samen, en -lachten wat tegen elkander over het elegante, Haagsche paartje. - -Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was -roerloos-rustig, van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van -een zacht-transparant parelmoer, in liefdevolle mengeling van -harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend lagen de blonde -duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en -vreugde-om-te-leven. Menschen in lichte pakken wandelden vroolijk heen -en weer, en helder lachen van kinderen klonk in de lucht. - -Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan -een plaatsje zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten -wèlgekleede, vroolijk-kijkende menschen aan tafeltjes gezellig te eten, -en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár was een goed plaatsje, net -een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, wat er alzoo -was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al -goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een -fleschje Haut-Sauternes, met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet -knus? - -Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was -nu net iets voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En -dat typische ronde middenzaaltje. Hoe leuk vond ze in ’t midden dien -bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes er boven. En -wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout! -Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél -vroolijk geluid van stemmen om zich heen. - -Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie, -groenrieten stoeltjes. En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half -drie werd het tijd om even naar het strand te gaan, in het tentje. Er -waren een boel kennissen. Wies kwam met Jo van Herencate, bij wie ze -geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje van Westen. En wat -was het vol! Alle badstoelen waren bezet. - -Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met -al de kennissen, en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in -vroolijke, lichte pakken, en het zonlicht blonk zoo heerlijk over de -stille, parele zee, en alles glansde van geluk in de algemeene -vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij -ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het -leven wàs niet leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het -was een droeve, booze droom geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd -had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. Hij wilde niets weten, hij -wilde niet, niet weten meer en niet denken! - -O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele -zeelucht rondom! Het was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en -niet te weten. En hij was nog zoo jong, hij was blij met het leven, en -het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, genieten van al het -blijde en lichte rondom.... - -Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn -kamer om zich te verkleeden. Hij dronk zijn glaasje port in haar -boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. En na het eten -chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus. - -Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had -een japon van mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant, -op den rug, op den rok en op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje -uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden kraag! Het corsage was -hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, en -daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem -op den rechten stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen, -naar beneden toe verwijdend, gracieus van lijn als de klok van een -campanula. - -En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop -een witte aigrette soms even veerend trilde! - -Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij -mede, omdat hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren -boa dragen, héél voorzichtig, dat er niets aan al die als -materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte hadden, en zóó -zouden wegwaaien in den wind. - -Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden een prachtig -programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en -gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit -de D-dur Suite van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als -stemmen van lichte engelen droomend boven de menschenscharen, en hier -en daar bewoog een licht meisjeshoofd, onbewust medewiegend op den adem -van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte zweving van -tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen -in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door -dien droom voelde hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage -essence van Violettes de Parme, die zij altijd bij zich droeg, subtiel -of het de geur was van haar maagdelijke ziel van meisje.... - -In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar -wilde. Ze wou absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup -probeeren. En ze won, haar bal bleef liggen in het vakje van haar -kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En ze schaterde het -uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar de -leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus -daar binnenkomen, heel stil, want je moogt er niet praten, met je -voeten zacht over het dikke rood-bruine kleed. En dan even aan de -eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, met den -wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten -lezen, in den schijn van dat uitstralende licht.... - -Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die -Donauwellen, bijna onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch -wilde Ellie niet zelf dansen, want er waren te veel menschen. Daarvoor -moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo na de pauze, als ze een -erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. Dan -zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een -wals vragen, dát is je ware.... - -Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras. - -En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer, -waarmede hij den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het -leek alles zoo vertrouwd en reëel om hem heen! Het was zoo echt de -omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin hij nu eenmaal behoorde, -en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde der dingen, -en onvermijdelijk. - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen -Wies haar boudoir binnenstoof. - -„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om -elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal -veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en -breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de -mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....” - -Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of -ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een -paar maal van vreugde door de kamer. - -„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten, -dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk -tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar -van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als -een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al -gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling -staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu -mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief, -hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met -hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem -een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze -kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het -ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier -moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie -maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen -we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom -vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan -laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die -moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van -je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je -raar, je vindt het toch wel goed?.....” - -„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de -puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere -broer, zoo’n held....” - -Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge -aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, -mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had -ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu -hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks -plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té -overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een -onbestemd gevaar. - -En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe -meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een -vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar -zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er -was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere -man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij -voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de -zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou -onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt -voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig..... - -Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet -verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en -hartelijk had voorbereid. - -Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder -stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n -beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen. - -„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist -bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben -begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog -een week of vier blijven.” - -„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. -„Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de -grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè, -Pim of Maurice!” - -Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar -intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in -een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in -stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd -al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim -er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets -gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch -kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat -haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen, -van zoo héél verre, uit den droom.... - -Daar werd gescheld. - -„Zou hij het al zijn?” riep Wies. - -En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. -En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt -altijd zoo zacht, net of hij niet durft.” - -Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van -Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had -gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma -Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw -hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus, -en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de -volgende Clingendaalraces. - -Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, -die ieder oogenblik kon komen. - -Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, -alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns -tegen Wies: - -„Daar is hij!” - -Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, -en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de -trap op, en nader, en naderbij.... - -De deur ging open. - -En daar stond hij. - -Groot, donker, en zwaar. - -Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, -luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur. - -Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart -in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk. - -Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag -zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn -donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere, -magnetische sterren, die haar tégenstraalden. - -En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, -en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof -wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in -den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens -drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar -maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Toen Mombreuil weg was, bleef Ellie achter als in een droom. - -Zij bleef lang zwijgend zitten, met een loom, mat gevoel over al haar -leden, alsof zij heel, heel moê was. - -Zij wist nog maar zoowat even, wat er eigenlijk gebeurd was. Hij was -door Wies aan haar voorgesteld, en hij had zijn hooge gestalte -eerbiedig voor haar gebogen. Toen had hij wat gepraat, en vriendelijk -gelachen, en zij had ook geantwoord. Heel kort had het maar geduurd. -Toen was hij weêr opgestaan van een stoeltje, waar hij op zat, en groot -had zijn figuur in de kamer gestaan. Zij had zijn handdruk gevoeld, -heel warm en sterk in haar angstig, koud handje, en toen was ze alleen -geweest. - -Erg moê was ze en erg loom. - -Zij voelde, of hij nog niet heelemaal weg was, of hij ook nooit, nooit -meer weg zou kúnnen zijn. Héél van binnen was het haar, of ze iets van -hem in zich had, iets wat daar zacht was blijven branden en gloeien in -haar lijf. Ze had het van zijn oogen in zich voelen komen, en toen hij -haar een hand gaf was het in haar doorgetrild, vèr en vèr in haar. - -Ook haar lief, vertrouwd boudoir leek haar niet meer hetzelfde van -vroeger, sinds zijn hooge, groote schaduw er zoo donker in gestaan had. -Het was of er nog iets van zijn zware man-zijn in was gebleven, iets -vreemd-hevigs, dat het intieme er van verstoorde. - -Als een vogeltje, dat bang is, zat ze zoo een poos op een pouf, met het -hoofd moê neergebogen op een groot kussen, dat er naast lag. - -Het was of iets zwaars over haar was gekomen, waar ze niets tegen -vermocht, en dat ze half-bang, half-blij, onderging, in een vreemde -charme van loome betoovering. - -Totdat nicht Joséphine binnenkwam, en haar vroeg, waar ze toch bleef. - -O ja, ze zou uitgaan. Met nicht Joséphine. Boodschappen doen, in de -stad. - -—„Scheelt je wat, kind?” vroeg nicht. „Je gloeit zoo. Je hebt toch geen -koorts?” - -„—Neen, heusch niet, nicht. Maar ik ben wat moê, ik weet niet waarvan, -maar ik ben moê.” - -En moê was ze, heel moê, van dien zoeten, donkeren droom die uit zijn -oogen in haar ziel van maagd was gevloeid.... - - - -Den volgenden dag sprak zij hem weêr. Zij was met Wies in haar tentje -aan het strand, en hij kwam even bij haar zitten. Zij was erg stil, en -kon niet veel zeggen. Hij praatte veel, met een diepe, zware stem, en -nu en dan een breed gebaar. Ook zijn stem deed haar hevig aan. Alles -was zoo groot en sterk aan hem. Hij was zoo héél anders dan de anderen, -om wie ze altijd kon lachen. Maar hij was absoluut niet om te lachen. -Ze was een beetje bang voor hem, en toch vond ze het prettig om hem te -hooren praten. En hij had zulke mooie oogen. Als ze hem aankeek was het -of ze niet meer een anderen kant op kon kijken, zoo hielden die oogen -haar vast. Het was angstig, en tegelijk streelend, met een vreemde -charme. Ze voelde dat hij véél sterker was dan allen die zij kende, dat -zij niet tegen hem op zou kunnen, en hem bijvoorbeeld nooit een beetje -voor den gek zou kunnen houden, zooals ze het de Sandt of Waalen wel -eens deed, als ze een dolle bui had. - -Hij deed ook zoo heel anders tegen haar dan ze gewoon was. Erg -eerbiedig en erg vriendelijk tegelijk, maar zonder complimentjes te -maken, of iets onbeduidends te zeggen over haar toilet, al zijn woorden -meer genadiglijk naar haar neder van uit zijn groote, mannelijke -hoogte, dan vleiend tot haar op zooals die van anderen. En ze vond zich -dan ook nog maar zoo’n nietig kind bij hem, den sterke. - -Den dag daarna, kwam hij eene visite maken bij den ouden van Taats, met -zijne moeder de douairière en zijn zuster. En weêr was het Ellie, of -zij een schok voelde in haar hart toen hij aanschelde, met dat hevig, -bruusk geluid. Toen zij het hoorde, liep zij haastig naar beneden, als -werd zij door een vreemd magnetisme tot dien man getrokken, die buiten -stond. - -En nu ontmoette ze hem geregeld, aan het strand, in het Kurhaus, en bij -Wies aan huis, als zij haar kwam afhalen. Zonder het zich nog goed -bewust te zijn, werd nu eigenlijk Mombreuils tegenwoordigheid de groote -aantrekking van haar amusementen. Vroeger ging ze er alleen heen, om -lief en gracieus te doen met haar mooi lichaampje voor allen, en van de -gratie van anderen te genieten. Maar nu dacht ze altijd of Mombreuil er -wel wezen zou, en of hij haar ook misschien aardig zou vinden in dit of -dát toiletje, en of hij haar zou aanspreken of niet. Als ze hem zag was -ze een beetje bang, en hoopte ze dat hij het niet doen zou, maar als -hij dan naar haar toe kwam en ze zag in zijn oogen, voelde ze zich weer -verwonderlijk blij. Als hij er eenige dagen niet was voelde zij of het -groote, volle Kurhaus, waar ze vroeger zooveel genoot, toch eigenlijk -leêg was, en keek ze onrustig overal rond waar hij wezen zou. - -Van Wies hoorde zij elken dag allerlei nieuws van hem, kleine intieme -dingen, waardoor zij het waagde, een beetje in zijn leven door te -dringen. Wies vertelde, hoe laat hij opstond, waarmee hij ontbeet, waar -hij gevoelig voor was. Ze zeide Ellie, dat oom de minister wel een -betrekking voor hem zou vinden, misschien wel iets aan het hof, en hoe -de koningin zelfs eens naar hem geïnformeerd had, toen oom in het -paleis had gegeten. Ook van zijn heldenfeiten in Indië, die hij haar -tot in de kleinste bizonderheden had moeten beschrijven, vertelde zij -Ellie in opgewonden, gloeiende woorden. - -Zóó kwam hij altijd grooter en grooter in Ellie’s leven, en zij voelde -zich tot hem heengetrokken met een onweerstaanbare macht, waaraan zij -niet eens trachtte te ontkomen. - -Zij was zich ook in ’t geheel niet bewust, wat haar zoo naar hem -toedreef, en liet zich, gewillig kind als ze was, zonder denken -heengaan, waar haar neigingen haar stuwden. En ze werd nu eenmaal door -die vreemde macht, die zij niet kende en ook niet begrijpen kon, -gedrongen naar dien grooten, donkeren man, die daar ineens zoo hevig in -haar leven was komen staan. Het was onrustig, en het was beklemmend, en -het was bang. Als zij hem niet zag, was zij zenuwachtig en gejaagd, als -trok haar iets van verre onweêrstaanbaar aan, wèg van waar ze was. -Somtijds was ze er verdrietig over, en huilde ze wel eens, zonder te -weten waarom eigenlijk. Zelfs in haar boudoir, te midden van al haar -intieme dingen, in haar kalme atmosfeer van meisje, vond ze niet meer -de rust van vroeger. Zij voelde er zich onbevredigd, incompleet, -hunkerend naar méér, maar wist niet naar wat. En een vaag verlangen -voer door haar ziel van maagd-meisje, een verlangen om te zien zijn -donkere, wonderdoende oogen, en te ademen in zijn sfeer van grooten, -sterken man.... - -Zij trachtte niet eens, het van zich wèg te willen, en er tegen te -vechten met al haar energie, want zij voelde, diep en zeker, dat zij er -te zwak voor was, en dat het toch te lief en te zalig was om het weêr -te verliezen. Zij kon alléén maar somtijds stil wegkruipen in een -hoekje van haar boudoir, en wat weenen om die zoete onrust, die haar -rustige ziel van meisje had bevangen. Dikwijls verlangde zij naar Pim, -om hem alles te vertellen, om hulp bij hem te zoeken, en hem te vragen, -of hij er niets aan doen kon, dat haar onbezorgd, lustig leventje van -vroeger weêr terugkwam. Hij was de éénige van wien zij wist dat hij -haar begrijpen zou. Aan haar vader had ze het niet eens durven zeggen. -Maar Pim was in Parijs. Ééns probeerde zij hem een brief te schrijven, -maar toen zij hem alles precies wilde uitleggen, bemerkte zij, dat zij -het zelf niet eens wist, en het niet kon zeggen, wát haar zoo onrustig -en zenuwachtig maakte. - -Ze had ook wel oogenblikken, dat zij Mombreuil bijna haatte. Het was, -of hij haar iets had afgenomen, of hij haar pijn had gedaan, als -vijandig. Als een groote reus had hij opeens in haar kuische rust van -meisje gestaan, en de stille, witte bloemen van haar ziel wreedelijk -vertreden. Het was of hij een brand had ontstoken in haar kalm, heilig -huis. Zij voelde vage, langzaam opgloeiende emoties in zich, die zij -nooit gekend had, en die zachtkens opvlamden door haar lichaam, met -onrustige rilling, als van koorts. - -Voor haar vader en voor nicht Joséphine probeerde zij het te verbergen, -beschaamd voor haar zoo lief en bang geheim. - -Maar Wies was niet zoo gemakkelijk te misleiden. Zij begon aan allerlei -kleine dingen te zien, dat Ellie niet meer het onbezorgde, vroolijke -kind was van vroeger, en dat zij onder den indruk was gekomen van haar -mooien, grooten broer. - -„Ik geloof heusch, Ellie, dat je een beetje verliefd bent op Maurice,” -had ze haar eens, plagend, gezegd. - -En Ellie was doodsbleek geworden, en had van angst niet geantwoord. Ze -had het zelf niet geweten. Ze zou het zichzelf, in haar groote -onschuld, niet bewust zijn geworden, als haar vriendin het haar niet -gezegd had. - -Nu keek ze Wies alleen maar ontzet aan, met groote, angstig starende -oogen, zonder te ontkennen wat haar nu eindelijk zelf geopenbaard was -als een zoo groot geluk en een zoo groote smart. - -Als een arm, wit vlindertje, dat een fel licht heeft gezien en -blindelings, in wonder-zalige betoovering van zijn teêr lijfje, -zenuwachtig wiektrillend rondbeeft om de verzengende vlam, zoo voelde -Ellie haar maagdelijke ziel heenduizelen om het sombere vuur, dat blonk -in de oogen van dien grooten, donkeren man.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Toen Mombreuil uit Indië terugkwam, was hij nog dezelfde van zes jaren -geleden. Hij was uiterlijk wel veranderd, en zijn gezicht was gebruind -door de zon, maar zijn innerlijk leven was nog altijd dat van vroeger. - -Zijn heldendaden in Atjeh waren daden van wanhoop geweest, omdat het -leven hem zonder de genietingen, waaraan hij behoefte had, niets meer -waard was, en hij er weinig om gaf, of hij het behield of niet. Toen -hij, zonder fortuin meer, als gewoon koloniaal naar Indië ging, was het -hem verder om ’t even geweest wat er gebeurde. In een soort -stompzinnige verdooving had hij het misère-leven van troepensoldaat -medegemaakt, telkens bij een gevecht met den vijand hopende dat er een -eind aan zou komen, en in ’t hevigste gevaar loopende meer uit lafheid -om zóó voort te blijven bestaan, dan uit dapperheid. Toen was het hem -verbazend medegeloopen, zoodat hij er zelf verwonderd over was, en -zonder dat hij er ooit op had gerekend, was hij officier geworden. Van -dat oogenblik af was de hoop om nog ééns van het leven te genieten weer -in hem teruggekomen. Genieten, dát was zijn éénige aspiratie. Hij had -er nog lang niet genoeg van gehad, toen hij zoo bruusk uit zijn -heerlijk jongelui’s leventje was weggerukt, en een ondragelijke, alles -overweldigende honger naar genot had in hem gebrand, al die jaren in -Atjeh, en had hem voor alle andere dingen verstompt en ongevoelig -gemaakt. Hij wist heel goed, dat het niet waar was, wat zijn oom, en -zijne moeder, en zijne zuster van hem dachten, dat het niet uit -vaderlandsliefde, noch uit liefde voor de koningin was, dat hij er in -den oorlog zoo op los had geslagen. - -Hij had volstrekt niets gevoeld van vaderlandsliefde, en de gedachte om -te strijden voor de koningin was niet in hem opgekomen. Hij voelde veel -te goed dat de Atjehers, die hij moest bevechten, geen vijanden van de -koningin konden zijn, die haar kwaad zouden willen of haar haten, en -dat zij maar een vage voorstelling konden hebben van die blanke -vorstin, ver over de zeeën. Ook had hij nooit het overtuigend gevoel in -zich voelen gloeien, dat hij voor het Recht vocht, en dat die dappere -kerels, die zoo prachtig volhielden en toch hun eigen land verdedigden, -werkelijk de natuurlijke vijanden van het hollandsche volk waren. - -Hij had gevochten uit wanhoop, uit pure vertwijfeling over zijn eigen, -gebroken bestaan, zooals hij tegen iederen anderen zoogenaamden vijand -zou gevochten hebben, bij wien hij kans had, een kogel te krijgen die -aan zijn misère een einde maakte. En hij was eerlijk genoeg om zichzelf -in ’t geheel niet den held te voelen, dien ze van hem maakten. Het -hinderde hem zelfs, in de couranten zulke dolle dingen over hem te -lezen na zijne buitengewone benoeming tot officier. Toen hij tweede -luitenant was geworden, voelde hij zich genoegzaam gerehabiliteerd van -de vroegere vernederingen, maar toch vond hij, dat hij er niet zoo veel -verder mede was. - -Het leven op Atjeh vond hij verschrikkelijk, en het idee van eene -plaatsing later ergens in Indië maakte hem de toekomst niet lichter. -Hij miste er de dingen, die in Holland zijn natuurlijke omgeving waren, -zijn amusementen van uitgaand jongmensch, zijn café’s, zijn -boemelvrienden, zijn fijne restauraties, de chantants, en vooral de -vrouwen. Van inlandsche vrouwen had hij instinctmatig een vreesachtigen -afkeer gehad, zoo sterk, dat het hem onmogelijk was, er intiem mede te -worden. Wèl had hij zoo nu en dan een kortstondige liaison met een of -andere kampong-nonna gehad, omdat zijne hevige, van brute levenskracht -overvloeiende natuur nu eenmaal niet lang kuisch kon blijven, maar het -ware genot van vroeger vond hij er niet in terug, en hij deed het omdat -er niets beters te krijgen was, zonder het intenze, er heelemaal in -òpgaan van vroeger, toen het grandioze, volmaakt-zalig in vreugde -wegzwijmelen met vrouwen hem zich bijna als een God deed voelen. - -Hij bekende het dan ook eerlijk, niet de meerdere beschaving, de omgang -met de élite van kunst en intellect, en ook niet het klimaat deden hem -zoo naar Holland terugverlangen, maar alleen de vrouwen, de fijne, -blanke, zachthuidige vrouwen, waar zijn warm, onstuimig bloed van jong, -krachtig man-dier heet naar verlangde, even smartelijk-fèl als een -dorstende naar water in de dorre woestijn. - -En dat schrijnend, wee-brandend verlangen was in hem blijven gloeien, -al de lange jaren door zonder hem ooit rust te laten. Het idee van weer -een mooie blanke vrouw te hebben werd een soort van obsessie in hem, en -maakte hem wel eens of hij dronken was. Het leven was hem niets meer -waard zonder dat groote, zalige genot waar zijn sensueele natuur zoo’n -onleschbare begeerte naar voelde, en in de wanhoop over zijn gemis, -daar in dat land, waar blanke vrouwen onbereikbaar voor hem waren, deed -hij in het gevecht als een krankzinnige, die den dood zoekt. Op een -paar kleine schrammen na, kwam hij er altijd ongedeerd af, totdat -eindelijk een klewang-houw van den vijand hem trof in den arm. Hij werd -geëvacueerd en twee maanden in het hospitaal te Padang verpleegd. Toen -de commissie hem afgekeurd had voor den dienst en hem voorschreef, -direct naar Holland terug te gaan, was het voor hem als een droom. Hij -kon het bijna niet gelooven. Alles, alles van vroeger weer terug! Weer -terug in het heerlijke drukke leven van Holland, weêr loopen in volle, -helderverlichte straten, weer lekker eten in goede restaurants, weer -vrouwen zien, echte, blanke, europeesche vrouwen krijgen in je -verlangende armen, en gezellig stiekem uitgaan in Amsterdam, met een -mooi, blond wezentje aan je arm! Weer genieten, weer gelukkig zijn, -weer meêdoen aan het heerlijke, hoog ademende leven van een groote -stad, waar ál genot te krijgen is! - -Hij had brieven van oom Mombreuil gekregen, vol geestdrift over zijn -gedrag, en enthoesiast over de koninklijke onderscheidingen, die hij -had verdiend. Het huis van den oud-minister stond voor hem open, zijn -rijtuigen en paarden waren tot zijne beschikking, en als hij geld -noodig had, zou hij ’t maar te zeggen hebben. Alles was vergeven. Hij -had den naam van de Mombreuils hoog gehouden, en in het geheele land -doen weêrklinken, en hij kon verzekerd zijn, dat oom het nooit vergeten -zou. De oude man bedankte hem zelfs voor zijne toewijding aan de zaak -van het vaderland, en de dappere wijze waarop hij zijn leven had veil -gehad voor zijne koningin. - -Er was iets in die brieven van den ouden Mombreuil, dat hem hinderde. -Zijn oprechte natuur was te loyaal om niet het onware in zijn positie -te voelen. Want hij wist zich volstrekt niet den geestdriftigen held -van vaderland en vorstin, dien men met alle geweld in hem wilde zien. -Die motieven, die iedereen hem toeschreef, had hij nooit zoo gevoeld. -Maar in de groote vreugde over zijn nieuw, heerlijk leven vergat hij -die teleurstelling. De hoofdzaak was, dat zijn oom, van wien hij -trouwens toch eenmaal moest erven, hem genoeg financieel zou steunen om -eens recht feestelijk de schade in te halen van zijn verloren jaren in -Indië. - -En wat zou Wies blij zijn, die goeie beste zus, die hem altijd zoo -trouw geschreven had en van alles op de hoogte gehouden van wat er in -den Haag gebeurde! - -En die beste oude moeder, die zoo had geleden onder de vernedering toen -hij koloniaal was, nu zou ze wel weer tevreden zijn, nu hij er weer -heelemaal bovenop was. - - - -Wat heerlijk vond hij het, toen hij den eersten dag, als vrij, jong -man, in zijn oude positie van Haagsch aristocraat, correct gekleed, met -een goed gevulde portefeuille, weer in „de stad” liep. Dat was dan nu -eindelijk weer eens het Leven. - -En zijn geheele zware, kommervolle, avontuurlijke bestaan van zes jaren -in Indië leek hem als een korte, booze droom. - -Hij herinnerde zich nog zoo goed, of het gisteren was, dat hij hier -liep, in dezelfde straten, langs dezelfde winkels, en met bijna al -dezelfde menschen. Hoe goed kende hij ze nog, en hoe weinig waren ze -veranderd. Precies dezelfde typen nog van vroeger. En het was, of dat -misère-bestaan in Indië, onder al die vreemde, bruine menschen, maar -een kleine interruptie was geweest, en hij zijn leven weêr op dezelfde -plaats begon, waar hij het hoogstens een paar dagen geleden had -afgebroken. - -Omdat hij zich in Indië, in zijn vreemde omgeving eigenlijk nooit thuis -had gevoeld, was die geheele serie jaren daar, eenmaal voorbij, ook -voor goed vergeten, maar hier, waar zijn eigen, oude, intieme thuis -was, kwam ineens alles van vroeger terug, en hij had het wel kunnen -uitschreeuwen van plezier, dat alles toch weer zoo keurig op zijn -pootjes was terecht gekomen, en hij er weer heelemaal bovenop was, en -nu weer terug in het leven, dat genieten was. - -Het duurde niet lang of hij had in „de stad” gevonden wat hij zocht. -Johtje van den Berg was nu nét een meisje voor hem. Van „öffentliche” -vrouwen hield hij niet, dat was hem te gemeen, en niet pikant genoeg. -Maar zoo’n echt Haagsch, verleidelijk wezentje, zoo’n vroolijk -burgermeisje, dat van een pretje houdt en voor haar eigen plezier met -je meê gaat, omdat ze jong is en profiteeren wil, dát was voor hem je -ware. Hij had het vroeger óók altijd gezegd, géén snolletjes, daar had -je niets aan, maar een scharreltje, daar moet je ’t van hebben. - -En Johtje van den Berg was zeker wel ’t aardigste „scharreltje”, dat -Maurice ooit was tegengekomen. Ze ging nog maar pas een half jaar -„uit”, en was verleden maand pas negentien geworden. Een frisch, vol, -blozend gezicht had ze, dikke, roode lippen, altijd een beetje -half-open geplooid, als voor een kus, een mooie buste en flinke, -stevige armen, een meid van melk en bloed, zwellend van jong, gezond, -warm, naar genot langend leven. Dát was, waar Mombreuil behoefte aan -had, aan een vol, welig, blank meisje, met veel dik, blond haar, en een -prettig, jolig gezicht, dat gul en guitig lachte. Dat lachen vooral -deed hem zoo goed, dat lachen van zoo’n mooien, roodlippigen, -volbloedigen meisjesmond. - -Ze had hem, dadelijk toen ze hem in de Veenestraat zag loopen, een erg -aardigen, mooien man gevonden, en toen hij haar met zijn donkere, -fluweelige oogen een beetje lief aanzag, had zij moeten lachen, of zij -wilde of niet. Zoo was ze hem een paar dagen tegengekomen, had tegen -hem gelachen nu en dan, en eindelijk was ’t het gewone gangetje gegaan: -zij nu en dan blijven staan voor een winkel, hij ook, even wat gekeken, -wat gefluisterd, en toen samen in de Wagenstraat een zijstraatje in. Of -ze eens meê uit ging een avondje? Ze kon zoo moeilijk, want ze was tot -negen uur op het atelier, ze leerde voor modiste. Maar ze zou probeeren -van avond. Om acht uur, op het Plein, bij het wachthuisje. - -Ze was gekomen, en nog denzelfden avond was ze zóó onder den indruk van -zijn mooie, donkere oogen van charmeur, dat ze den eersten keer al -dadelijk met hem meê was gegaan naar een kamer, op den Fluweelen -Burgwal. En ze vonden hier allebei niets in. Ze vonden elkaar aardig. -Ze waren verliefd op elkaar. Ze waren allebei jong en levenslustig. -Waarom zouden ze dan niet van elkaar genieten? - -Mombreuil voelde dit absoluut niet als iets slechts. Het lag in de -strooming van de natuur, vond hij. Hij voelde zich er juist heelemaal -harmonisch van, en het deed hem goed, en bracht hem in weldadig -evenwicht. - -Er was geen kwestie van leugen, of bedrog, of verleiding. Zij wist heel -goed, dat zij een burgermeisje was, een „scharreltje” maar, met wie hij -niet zou trouwen, maar zij vond het nu eenmaal prettig met nette -„heertjes” uit te gaan, en pret te hebben. Thuis, waar ze met haar -moeder armoedig leefde, in ééne nauwe, muffe kamer met een alkoof, en -slecht eten kreeg, was het heusch zoo amusant niet. En nu had ze -besloten, te genieten wat er te genieten viel, en had wel geweten wat -ze deed. Maurice van zijn kant wist óók waar het op stond, en dat het -maar een liaison van hoogstens enkele maanden zou zijn. Maar voor het -oogenblik vond hij haar lief, en begeerlijk, en was hij gecharmeerd van -haar. En zij van hém ook. Daarom namen zij elkaar, vrijwillig, omdat ze -er trek in hadden en allebei van genot hielden. Heel eenvoudig.— - -En dit was eigenlijk de eenige vorm van liefde dien Mombreuil begreep, -en waarin hij zich eerlijk, met alle intensiteit, kon geven. Hij hield -niet van roerende, sentimenteele bespiegelingen en meditaties; daar was -zijne natuur nu eenmaal niet op ingericht. Hij hield alleen van ’t -genot van ’t oogenblik, zonder al te veel omhaal en combinaties, maar -dán ook echt, alles eerlijk, franchement gegeven, en ook zoo -teruggekregen. En in zekere mate werd hij dan ook aan een meisje -gehecht, waarmede hij uit was, omdat ze hem genot gaf, uit eigen, -vrijen wil, en hij haar daarvoor dankbaar was. Ook zou hij nooit -ontrouw kunnen zijn aan één meisje, zoolang hij het met haar hield. - -En zóó was hij al heel gauw gehecht aan Joh, die zich zoo dadelijk aan -hem had gegeven, en hem zooveel genot gaf, dat genot, voor hem nu -eenmaal het allerhoogste levensgeluk dat hij kende, en waarin hij de -volkomen bevrediging vond van zijn innigste en sterkste verlangens en -aspiraties. - -Om geen aanstoot te geven aan familie en kennissen en het vooral niet -aan oom Mombreuil te laten bemerken, ging hij bij voorkeur met haar uit -in Amsterdam. Hoe in-gezellig was dat voor hem, die jaren lang -liefde-honger had geleden, om met zoo’n frisch, jong ding in Amsterdam -uit te gaan. Eerst ergens eten, en dan naar een operette, of een -chantant, om eindelijk bij Kras nog wat te soupeeren. Het -guitig-stiekeme, van daar in zoo’n vreemde stad, onder menschen, die je -niet kennen, met zoo’n lief kind te zitten smullen, onder de witte -gasgloeilichtballons van zoo’n restaurant. Al die drukte om hen heen, -dat geroep, en geloop, ál dat brouhaha, en dáárin, tusschen al die -vreemde, woelende menschen, het heel stille elkaar aankijken, met -zacht-aangloeiend lijfsverlangen, van twee paar verliefde oogen! En dan -dat idee van straks stilletjes naar een hôtel te gaan, zoo’n echt -rendez-vous-tje voor ingewijden, op den Nieuwe-Zijds-Voorburgwal, en -elkaar te omhelzen met lief-verlangende lijven.... - -Dát was het hoogste moment van Mombreuils leven, dat nu eenmaal geen -ander zóó genotvol kende. Wat was hij gelukkíg, dat hij dit weer terug -had, dit ééne genot, waarnaar zijn lijf verlangen had geleden, zoo vele -jaren lang. Het beving hem met een geluk, of hij er van sterven zou. - -En ééns op een morgen, om elf uur, toen hij pas van Joh kwam, die nog -wat was blijven slapen in het Hotel, had hij het kunnen uitjubelen van -geluk. Hij was de Kalverstraat doorgeloopen, die vol was van menschen -en kwam opeens op het Sophiaplein bij de Munt. Hoe daar opeens alles -openging, die zijstraten, naar ’t Rokin, naar de Doelenstraat, naar den -Singel, naar de Reguliersbreestraat en de Vijzelstraat, hoe wijd en -ruim werd alles opeens! En de zon die uit wolken te voorschijn kwam, -scheen hem met volle glorie in het gelaat. - -Al dat licht, al dat geluid, al die drukte van het groote, heerlijke, -ruischende Leven bedwelmden hem met een overweldigende verrukking. - -Toen was het hem, of in hém ook iets openging, of het warme, gloeiende, -gezonde Leven, waarvan hij zoo boordevol was, al grooter en grooter in -hem werd, en hij zijn eigen wezen wijd voelde uitdeinen, in goddelijken -groei. - -O! De heerlijkheid voor hem, om ook een stuk van dat groote, om hem -heen ruischende Leven te zijn, waarin het geluk zóó maar te krijgen -was, voor wie maar grijpen dorst, om van te drinken met vele, volle -teugen van genot!.... - - - -Maar den Haag, en ook Amsterdam, zijn eigenlijk toch kleine steden, -waar het heel moeielijk is, uit te gaan zonder door kennissen gezien te -worden. - -Het duurde dan ook niet lang, of de oude heer Mombreuil kwam er achter, -welke prouesses Maurice weer begon te maken. Hij was er al bang voor -geweest, en was er eigenlijk al zoowat op voorbereid. Iemand, die -zoolang ontbering had moeten lijden in Indië, en dan met zoo’n hevig -temperament als Maurice!... - -Maar de minister wist er wel wat op. Het moest nu maar eens voor goed -uit zijn, met die buitensporigheden van het jonge bloed. Het jonge -mensch moest nu maar eens een geregeld leven gaan leiden; en als hij -niet buiten een vrouw kon, welnu, dan moest er maar een vaste vrouw -voor hem gezocht worden. Er was niets anders op. Het was de eenige -redding voor hem. Maurice moest trouwen.—Hij moest een lief, jong, -eenvoudig meisje trouwen, waar hij zich van zelf wel aan zou hechten, -en die hem door haar goeden invloed wel in het rechte spoor zou -houden.— - -Geen oogenblik dacht de oude aristocraat, versteend in de fossiele -ideeën van een door en door bedorven maatschappelijke conventie, aan -het schandelijke, in-gemeene, om een onschuldig, eenvoudig, ongerept -meisje zoo maar samen te koppelen met een ervaren, savant viveur als -Maurice, die al door zooveel dingen van het lagere leven was gegaan. - -Integendeel, hij dacht, dat hij nu precies in de natuurlijke orde der -deftige, beschaafde, christelijke samenleving handelde, door Maurice te -bewegen, een huwelijk aan te gaan met een meisje van stand, en daardoor -als een fatsoenlijk, geposeerd man te gaan leven. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -De oude Mombreuil verklaarde, in een ernstig gesprek, aan Maurice’s -moeder, waar het op stond. - -Hij wilde het jonge mensch met al zijn invloed en met zijne financiën -steunen, maar hij was niet van plan, zijn geld te laten verspillen aan -de vrouwen. Maurice was nu acht en twintig jaar, en waarlijk oud genoeg -om eens eindelijk een geregeld leven te beginnen. Er was door -bemiddeling van invloedrijke vrienden eene betrekking voor hem open, -als hij maar als een geposeerd, fatsoenlijk man wilde leven. Het -tractement was nog wel niet hoog, maar daar behoefde Maurice zich niet -ongerust over te maken. Zijn oude oom, van wien hij toch eenmaal moest -erven, zou hem wel steunen en zorgen, dat hij goed voor den dag kon -komen. Maar dat gepierewaai moest voor goed uit zijn, dat was de eerste -en éénige voorwaarde. Maurice moest trouwen, en indien hij dit niet -verkoos, trok oom, zooals hij dat noemde, de handen van hem af. - -Mevrouw Mombreuil had er weinig tegen in te brengen en, als een -verstandige vrouw van de conventie, was zij het natuurlijk volkomen met -den oud-minister eens, dat haar zoon zijn leven moest regelen door een -fatsoenlijk huwelijk. - -Zij praatte er denzelfden avond nog over met Wies, en vertelde haar, -hoe oom zijn huwelijk als voorwaarde had gesteld om hem financieel te -helpen. Dat was een groote déceptie voor Wies. Het was nu net zoo -heerlijk, een broer te hebben als chaperon, en nu, nadat ze nog geen -zes weken van hem genoten had, wilden ze hem alweer van haar afnemen! -Maar zij wist te goed, hoe Maurice van ooms genade afhing, om niet in -te zien, dat er geen kwestie was van verzet. Maurice moest trouwen, dat -stond vast, en het kwam er nu alleen maar op aan, een goed meisje voor -hem te vinden. En toen mama haar vroeg, met wie van haar vriendinnetjes -Maurice zich alzoo geöccupeerd had, viel het haar ineens helder in, wie -dat meisje zou kunnen wezen. - -„Maar mamaatje!” riep ze uit, in de handen klappend over haar mooie -trouvaille, „dat is al heel gemakkelijk. Weet u wel dat Ellie bepaald -gecharmeerd is van Maurice?” - -Ellie van Taats! Dat was al een héél geschikte oplossing, vond de oude -mevrouw. Was het mogelijk! Die kleine Ellie, dat vlindertje, verliefd -op Maurice! Wie had dát kunnen denken! Het was net een goed vrouwtje om -een wildzang tot rust te brengen. Lief, elegant, gedistingueerd, en -toch eenvoudig, en zelfs naïef. Er was nu letterlijk geen kwaad áán -haar, vond mevrouw Mombreuil. En ze had nog al wat geld ook, van haar -gestorven moeder, en later nog te wachten van haar vader, die van zijn -tweede vrouw flink had geërfd. Ze was wel niet van adel, maar dat was -nu zoo heel erg niet, en de van Taatsen waren toch van goede familie. -Er was geen liever en aardiger meisje voor Maurice te bedenken dan -Ellie, en dat ze bovendien zelf al van hem gecharmeerd was, trof nu al -buitengewoon. - -Den volgenden dag was de oude mevrouw Mombreuil al bij den minister om -hem het groote nieuws te vertellen, dat ze een geschikt meisje voor -Maurice had gevonden. Hij was er dadelijk erg mede ingenomen, en -schreef een briefje aan zijn neef met verzoek, dien middag bij hem te -komen, om over gewichtige zaken te spreken. - -Toen Maurice bij hem was, verklaarde de oud-minister hem met groote -autoriteit, waar het op stond. Hij releveerde nogeens zijn heldhaftig -gedrag op Atjeh, en bracht hem onder het oog dat het niet aanging, na -de Koninklijke onderscheidingen, nu weer als een boemelend student te -gaan leven. Alleen door een huwelijk was zijn leven te regelen. Op -strengen, vaderlijken toon las hij hem de les, en verklaarde -uitdrukkelijk, dat hij zijn beurs voor goed gesloten zou houden, als -Maurice niet precies deed wat hij verlangde. Hij wilde hem voor het -huwelijk geen meisje opdringen, dát vond hij onzedelijk, maar vroeg hem -alleen ronduit, of hij Ellie van Taats een goede vrouw voor hem zou -vinden. - -Maurice zag wel in, dat het nergens toe dienen zou, zich te willen -verzetten. Oom had nu eenmaal het geld, en daar hield alles mee op. -Alleen vroeg hij een paar dagen bedenktijd, om het eerst degelijk te -overwegen. - -Hij praatte er thuis nog eens over met Wies, die hem vertelde hoe zij -gezien had, dat Ellie van ’t eerste oogenblik af op hem verliefd was, -en hoe vol bewondering zij over hem sprak. - -En hij zag dat er hem niets anders overbleef, dan aan oom te -gehoorzamen. Hij had Ellie altijd een heel lief meisje gevonden, al was -ze een vreemd leven voor hem, ver buiten zijn sfeer. Hij kon zich ook -absoluut niet meer indenken in zoo’n meisje als Ellie. Wèl vermoedde -hij, dat het iets veel hoogers en beters was, dan hij ooit had kunnen -droomen, iets dat voor hém misschien veel te goed en te rein was, maar -hij besefte niet, hoe broos en breekbaar zoo’n meisjeszieltje was van -essentie. Hij dacht, dat het wel terecht zou komen, als hij maar -eerbiedig en galant tegen haar was, en dat hij, als ze maar eenmaal -zijn vrouw was, haar wel nader zou komen, en vertrouwelijker met haar -zou kunnen omgaan. Nú had hij nog maar een vage teederheid voor haar, -met een beetje medelijden vermengd, omdat ze nog zoo’n kind bleek te -zijn. Dat ze zoo dadelijk verliefd op hem was geworden, verwonderde hem -niet, en streelde hem niet eens zoo bizonder. Het was iets heel -natuurlijks voor hem. Hij was nu eenmaal een mooie man, en van zijn -vroegste jeugd af aan had men hem „le beau Maurice” genoemd. Zonder er -bepaald trotsch op te zijn, of er mede te affecteeren, had hij vroeger, -in zijn goeden tijd, als een pacha altijd de hulde van meisjes en -vrouwen aangenomen, als iets dat van zelf sprak. En dat Ellie nu op hem -verliefd was, vond hij volstrekt niet zoo’n groote conquête. Physiek -was zij zijn „genre” niet eens. Hij hield niet van die kind-meisjes, -die nog zoo onnoozel zijn, en nog zoo vaag van vormen, en waar je den -eersten tijd maar zoo weinig aan hebt. Hij kon er ook nog zoo slecht -mede omgaan, en je moest altijd zoo voorzichtig zijn, dat je haar niet -verschrikte met een verkeerd woord, of gebaar. - -Maar er was nu eenmaal niets aan te doen geweest. Hij moést trouwen, -had zijn oom gezegd, daar stond hij op. En oom had het geld. Daar viel -weinig tegen te redeneeren. Oom vond Ellie nu eenmaal een geschikt -meisje voor hem. Wel is waar was ze niet van adel, maar dat was juist -wel goed, want om haar in de aristocratie te doen komen, zou papa van -Taats eerder over een minder glansrijke periode in Maurice’s leven -heenzien. Ze was een lief, onschuldig jong meisje, had oom gezegd, die -juist een verzachtenden, veredelenden invloed op hem zou uitoefenen. En -ze had ook wel wat geld ook. Dus het moest Ellie zijn, Ellie en geen -ander. En Maurice had er verder niets tegen ingebracht. Als hij toch -moest trouwen, was het hem vrijwel om het even, of het met Ellie van -Taats was of met een andere. En hij vond haar gedistingueerd en -aristocratisch genoeg om eene mevrouw Mombreuil te worden. - -Maurice was zoo ingeroest in de heerschende Haagsche begrippen, dat hij -er volstrekt niets slechts en ignobels in zag, met een meisje -geëngageerd te zijn, waar hij eigenlijk niet van hield. Zelfs vond hij, -dat het wel degelijk een eer voor haar was, zijn verloofde te zijn, en -eene Mombreuil te worden, al was hij te veel gentleman, om dat ooit te -laten bemerken. - -Hij had haar altijd met een hartelijke, welwillende vriendelijkheid -behandeld, meer als een goed, argeloos kind dan als een vrouw, met iets -medelijdends, omdat ze nog zoo naïef was, en nog zoo weinig van het -leven wist. Hij verwonderde er zich dikwijls over, dat ze in sommige -opzichten nog zoo onnoozel was. Van een Haagsch meisje had hij dat niet -verwacht. En eigenlijk hinderde het hem een beetje. Hij hield niet van -ingénues. Dat werd later altijd zoo lastig. En hij kon zich zoo -verbazend moeilijk in zoo’n wezentje verplaatsen, hij, die zooveel -ervaring had, en zoo goed wist, wat nu eenmaal het leven was! - -Het speet hem erg voor Joh. Die goeie, beste meid, waar hij zoo’n -innigen lol mee had gehad! Die zou hij nu natuurlijk er aan moeten -geven. Oom, die nu eenmaal van zijn liaison met haar afwist, zou hem -den eersten tijd natuurlijk wel in de gaten houden. En er viel niet met -hem te spotten. Het was een kwestie van to be or not to be. - -Hij ging naar oom Mombreuil, en zeide hem, dat hij, na rijp nadenken, -alles zou doen wat hij van hem verlangde, en voortaan een geregeld -leven zou trachten te leiden. En hij vroeg zijn oom tevens, den ouden -heer van Taats eens te gaan polsen over het plan. - - - -Wies was den volgenden morgen al heel vroeg bij Ellie, om haar voor te -bereiden op het groote nieuws. Het was nog vroeg, en Ellie was juist -uit haar slaapkamer in haar boudoir gekomen, waar zij altijd ’s morgens -vroeg haar kop chocolade dronk. - -„—Alweer groot nieuws, Ellie!” riep Wies, „nu raad je nooit wat ik je -te vertellen heb!” - -„—Nu? Wat dan? Is het héél gewichtig?” - -„—Héél, héél erg, hoor!.... Maar je kunt het tóch niet raden..... Het -is iets van Maurice!...” - -„—Van Maurice!....” - -En Wies zag, dat Ellie erg schrikte, en bleek werd. - -„—Ja, van Maurice!” zei ze, een beetje plagend... „nou kijk maar niet -zoo verschrikt.... er is geen ongeluk met hem gebeurd, hoor!.... -héélemáál niet.... maar je raadt nooit wat hij doen wil....” - -„—Nu, wat dan?....” - -„—Hij wil gaan trouwen!” - -Ellie keek haar aan, met groote, starende oogen. Ze vroeg niet eens met -wie. Het was haar zoo inééns overvallen, dat ze niet spreken kon. - -En Wies vertelde dóór. - -„Ja, hij gaat trouwen... met een héél lief meisje... het liefste meisje -van den Haag.... lichtblond haar heeft ze, en erg zachte, blauwe oogen, -die niet zoo verschrikt mogen kijken, want daar zijn ze véél te mooi -voor.... ben je nu niet nieuwsgierig?.... weet je nu nog niet wie het -is?.... Maar hij heeft het zelf nog niet durven zeggen.... dat is niets -voor hem, zulke dingen... hij kan beter vechten en heldendaden doen.... -maar vandaag of morgen komt oom Mombreuil er al over spreken met den -papa van het meisje.... weet je ’t nog altijd niet, wie het is?.... ze -zit toch zoo héél dicht bij me, hier, in dit mooie boudoirtje....” - -„—Wies!” - -Ellie stond op, en knielde bij Wies neer op een pouf, met de handen -smeekend opgeheven. Haar oogen keken heel bang, als van een verschrikt -vogeltje. - -„—Wies!.... het is toch niet waar, hè?.... je maakt maar een grapje, -hè?.... het is toch niet voor mij, hè, dat Maurice komt.... dat kán -immers niet.... wat zou hij aan mij kunnen vinden.... ik, zoo’n arm, -klein vlindertje maar!....” - -Wies kuste haar op de wangen, en nogeens, en nogeens. - -„—Het is voor jou, hoor!.... jij wordt het vrouwtje van Maurice, -heusch, en dan word je mijn lief mooi zustertje meteen!.... maar waarom -kijk je nu zoo verschrikt?....” - -Toen legde Ellie het hoofd in haar schoot, en zei heel zacht, of ze -meer in zichzelve sprak dan tot Wies: - -„Ik kán het bijna niet gelooven dat het waar is.... en toch heb ik het -al voelen áánkomen... ik ben zoo gelukkig, zoo heel gelukkig.... maar -ook zoo bang, zoo bang.... ik ben somtijds zoo heel bang voor het -geluk....” - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den -laatsten avondtrein, vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe -kende hij de kleine, roze envelopjes, waar haar lievelingsparfum hem -uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van Violettes de Parme! -Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor -morgen. - - - Beste Pim! - - Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het - publiek te maken. Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult - het niet kunnen gelooven. Hij, de held van Atjeh, de groote, sterke - held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En toch is het heusch - waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig zijn - met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15en, is er een klein - dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom - je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent? - - Je liefhebbende zusje - - Ellie. - - -Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de -letters, en wist wel de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog -niet heelemaal in hem doordringen. Nog eens goed overlezen.... Nu nog -eens... hárd op, heel duidelijk.... - -Maar dat kan toch niet.... welneen, verbééld je nu eens, dat is toch -immers onmogelijk.... het is te dol.... Ellie geëngageerd.... Ellie, -zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, zijn fijne, broze, -blanke vlindertje.... geëngageerd.... trouwen.... trouwen met een -man.... hoor je, met een man.... met een man trouwen.... met een -man.... een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich -alleen, héél haar leliewitte, mysterieus reine maagde-lijfje.... een -mán.... - - - -En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit -de innigste, heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was, -stuipte het in hem op, en uitte zich in een hoogen gil van angst en -vreugde: - -Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.... want zij is van mij, van mij, -en niemand anders.... ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel -die groote, groote wereld.... en zonder haar is er niets meer.... - -En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de -stem van een ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde, -verschrikkelijke tijding: - -„Maar ik heb haar zelf lief!.... Ik heb haar lief, mijn God!....” - - - -En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde -nieuws, dat uit die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo -plotseling omhoog was gerezen, hel en onverwacht, als een opgebliksemde -vuurpijl in den nacht. - -Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten -hebben, als daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was -gekomen, en gegrepen had naar het allerlichtste en liefste van zijn -ziel. - -Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo -van-zelf-sprekend, zoo altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er -het eindelooze en zéér bizondere geluk niet eens geheel van beseft had. -Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk met zijn gansche -leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die zich -zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel -als de lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne -oogen, dat hij opnam, zonder te weten, van-zelve, in de onbewustheid -van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, dat zij ooit uit zijn -leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen zijn, -en het daglicht niet meer zien. - -Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd -zijn, en geëngageerd raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het -zelf te gelooven, en nooit er ernstig over denkende, dat het nog eens -werkelijk zou kunnen gebeuren. - -En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend -voor zijn verbaasde oogen. Hier stond het, in sombere, zwarte letters, -door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare realiteit, -plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven. -En hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in -zijn ziel: - -„Ze gaat van je weg.... Ellie gaat van je weg, naar een ánder....” - -Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart. - -„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van -mij geweest. Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke, -gouden, blonde haar, en haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine -kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar ze zijn toch van mij, van mij -alléén.... ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er toch altijd meê -geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel.... -hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.... het is -toch een deel van mijn eigen wézen.... neen, het kán niet, het kán -niet.... dat gáát toch maar zoo niet....” - -En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing -over de allergewichtigste ontdekking, die nú eerst geopenbaard: - -„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.... maar dan is ze ook -niet alleen maar mijn zuster geweest.... en dat kon ook niet.... want -als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook in ’t gehéél geen -zuster van me.... ze had een ánderen vader, een andere moeder.... o -God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik -haar lief, heb ik haar lief, heb ik haar lief!....” - -Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren -angst, dat hij haar verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde, -toen hij opeens den rijkdom zag van zijn ziel. - -Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te -weten? Had hij dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor -Ellie met zich rondgedragen als een kostbaren schat, dien niemand, ook -hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan rijk geweest, wat was hij dan -vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot en volheerlijk -van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls -klein en nietig dacht!.... - -Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van -zijn ziel, toch had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht, -waarvan hij zooveel in boeken las, toch had hij nooit gebeefd en zijn -hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds kuste, en had hij nooit -de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.... En in het even denken -hieraan voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet -met een profane gedachte. - -Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het -láátst? - -Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een -vrouw te voelen, was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den -fellen gloed, waarin passie uitslaat, en was zijn ziel te schuchter en -te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht is? - -Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was -opgebloeid uit louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide -aan hare voeten, van kuische witte bloemen, waar géén winde-adem zucht? -Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle aanbidding het opwellen -van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt? - -Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets -anders voor Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme -vriendschap. - -Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig -man, en het denkbeeld flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon -begeeren en de zware handen leggen op haar lief, blank lijf van meisje, -nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn hoofd, en een -felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden. - -Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren -gezien had, hij dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen -half-open, als vragend om een kus, en alles van haar, de vage welving -van haar borst, het blanke, zachte vleesch van haar hals, het lichtte -opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht. - -„Maar dat is van mij, van mij,... van mij,” riep hij angstig in de -stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in hem op, de tranen -stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als van -koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen -sluimer eindelijk gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een -duizeling van al zijn bloed het groot menschen-verlangen in hem -opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles om hem -heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge -armen uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het -liefelijk, eindelijk begeerlijk geworden beeld te omvatten van zijn -Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem was geopenbaard.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -Toch had Pim zich heel goed gehouden, na die felle uitbarsting in zijn -ziel. - -Hij was den volgenden ochtend naar Ellie gegaan, en had haar, met zoo -vroolijk mogelijke stem, hartelijk gefeliciteerd. - -Maar met die fijne intuïtie, die een meisje heeft, had ze gevoeld dat -er iets haperde, en heel bezorgd gevraagd: - -„Je vindt het toch ook wel heerlijk, Pim? Je voelt je toch ook wel -gelukkig?” - -Hij had geen ja geantwoord, dat kon hij niet; maar om zijn pijn te -verbergen, had hij een quasi-pruilenden toon aangenomen, en gezegd, dat -hij nu verwaarloosd zou worden, dat hij zijn gezellige half-uurtjes -niet meer hebben zou in haar boudoirtje, en hij nooit meer mede zou -mogen om boodschappen te doen, of samen met haar te lunchen in -Scheveningen. - -Toen had ze hem uitgelachen, en een bedorven kindje genoemd, en hem -gezegd, dat hij altijd de oude Pim zou blijven, altijd en altijd, en -niets te kort zou worden gedaan. Hij bleef toch immers haar broer? Daar -werd toch nooit iets aan veranderd, al was ze nu geëngageerd? - -Ze had hem nu juist heel erg noodig, want er kwam nu van alles te doen. -En hij moest helpen adressen schrijven op verlovingskaarten. - -„Overmorgen is er een diner, voor heel intiemen,” zei ze, „en dan kom -je op den gewonen tijd om vijf uur in mijn boudoir, hoor, net als -vroeger, om me te laten zien dat er niets veranderd is. Ik heb een -nieuw costuum aan, dat je ’t éérst zien moet.... dat zou Maurice nog -niet eens mogen, zoo heel intiem alleen in mijn boudoirtje komen.... ik -réken er op, hoor!” - -Hij had niet durven weigeren en had beloofd te komen. Hij voelde dat -hij zijn pas aan hem bewust geworden geheim van liefde altijd voor haar -moest verbergen, om toch vooral háár geluk niet te storen. - -En den volgenden dag om vijf uur kwam hij in ’t boudoir, als vroeger, -of er niets gebeurd was. - -Even keek hij rond. Niets was veranderd, alles stond nog als vroeger, -even teêr, even intiem. - -Dáár ging de deur open. - -Een licht frou-frou van rokken, en ze stond voor hem, opeens, als een -verschijning van droom. - -Zoo teêr, zoo heel blank en bloode, in haar costuum van witte -chineesche zijde, dat zachtjes tintelde van zuiveren glans! - -Heel eenvoudig was ze, als een kalm kind, met de lage, afzakkende -mouwtjes, en over beide schouders een parelsnoertje, alsof de japon -daaraan hing. Dat gaf iets heel broos en luchtigs, alsof die witte -zijde zonder zwaarte was, en al dat glanzende en lichte los om haar -droomde, als een wade van licht. - -Hoe kinderlijk was ook nog haar hoofdje, al was het fijne, blonde haar -deftig gekapt, met een wit struisveeren kopje. En in welke zaligheden -van onschuldige onbewustheden lachten haar blauwe oogen, glanzende van -haar ziel! - -„Ziezoo, hier ben ik,” zeide ze vroolijk. „Ben ik nu niet mooi, Pim? -Draagt mijn toiletje je hooge goedkeuring weg? Vin je ’t goed zoo, die -kanten berthe om ’t décolleté, en diezelfde kant geïncrusteerd op mijn -rok! Mooie kant, hè, en allemaal echt, uit Brussel! Ik had eerst het -corsage ruimer willen nemen en dan schuin gesloten, met een chou van -wit satijn lint, en dan dikke, witte bloemen geborduurd op den rok. -Maar zoo vond ik het toch nog beter.” - -Pim zeide niets. Hij had haar maar stil aangezien, en had opeens een -vreemde droefheid gevoeld. - -Zoo blank, zoo blank, zoo blank.... - -Haar blanke hals, haar kuische borst van maagd-meisje, weifelend en -vaag als een droom, in een éven-opwelving, een ronding van broze -teederheid, het deed hem aan met een droevige ontroering. - -Er was in die blankheid iets dat hem sloeg met een stille ontzetting, -een angst, dat deze teederheid zich zoo toonde in weerlooze naaktheid -van onschuld, en dat één adem die reinheid zou besmetten. - -Neen, dit is te fijn, dacht hij, te zwak, te broos, dit kán niet zoo -maar in het Leven gaan, het zou breken. En toch.... - -„Nu, Pim? Zeg je niets?” vroeg ze ongeduldig. - -Toen zag ze ineens dat hij heel bleek zag. Zoo bleek, en zoo vreemd, en -zoo oud ineens.... - -„Wat is er Pim.... Ben je ziek?....” - -En bezorgd boog ze zich over hem heen, waar hij gedoken zat in een -fauteuil, of hij van iets erg moe was, en legde haar wit geganteerde -hand op zijn voorhoofd. - -„Niets, Ellie, niets,” zeide hij zacht, „ik weet zelf niet wat het is. -En ik vind je costuumpje prachtig, hoor! Ik ben alleen een beetje -zenuwachtig, van de emotie, weet je, dat je nu straks aan de menschen -zult vertellen dat je geëngageerd bent. Dat komt me nog zoo vreemd -voor. En ik kan het nog bijna niet goed gelooven!” - -„—Malle jongen, is het dáárvan? Nu, daar behoef je niet zenuwachtig om -te zijn. Het is toch niets dan geluk? Is het geen geluk voor me dat -Maurice me heeft willen hebben? Hij, zoo’n groote, mooie held, zoo’n -ridder, en ik, zoo’n héél gewoon, fladderend vlindertje?” - -Hoe enthoesiast zei ze dat weer, „zoo’n groote, mooie held!” Wat moest -ze van hem houden! - -„—Heeft willen hebben!” antwoordde hij, zacht-verwijtend. „Hij mag blij -zijn. Het liefste, mooiste meisje van den Haag! Wie zou te goed zijn -voor mijn Ellie? Kijk eens in den spiegel en zeg dan eens of het waar -is of niet!” - -Lachend keek ze. En heimelijk vond ze dat hij gelijk had. Ze zág er -lief uit, allerliefst, dát moest ze toegeven. - -„—Ja Ellie,” schertste ze koket tegen het beeld in den spiegel. „Het is -waar, je mag gezien worden, al zeg ik het zelf. En die groote held zal -zijn kleine vrouwtje nog niet zoo heel kwaad vinden, hoop ik. Denk jij -ook niet, Pim?” - -„—Ik denk dat hij al een heel erge held zal moeten zijn om mijn Ellie -waard te wezen.” - -„—Maar waarom kijk je nu zoo ernstig? En je bent zoo bleek. Is er wat, -Pim? Waarom zeg je het dan niet?” - -Toen kon hij zich niet meer inhouden en barstte los. - -„—Er is eigenlijk niets, Ellie, dan iets heel vreemds. Maar ik zal het -je zeggen. Ik kan nu eenmaal niets voor je verbergen, dat weet je wel. -Het is misschien heel gek, maar je moogt er niet boos om zijn. Ik ben -bedroefd, dat je de oude Ellie niet meer bent. Dat je verliefd bent op -iemand. Niet omdat het Mombreuil is. Als het een ander was zou het net -eender zijn. Ik wou dat je nog net zoo was als vroeger. Als ik je zoo -vóór me zie, zooals nu, zoo heelemaal blank en wit, zoo met al de -vriendelijkheid van je oogen, en den glans van je haar, dan vind ik je -toch zoo’n heel apart, bizonder wezentje, al weet ik dat je maar heel -gewoon bent, zoo apart en bizonder voor mij alléén dan ook. Ik vind je -dan véél te goed voor wien ook, véél te goed voor het Leven. Ik wou -dan, dat je maar altijd een meisje kon blijven, en nooit trouwen, en -nooit ouder worden, altijd blijven zooals je nú bent, en nooit, nooit -veranderen. Ik vond het zoo heerlijk en zoo goed, zooals het was. En -dat zal nu allemaal weggaan....” - -„—Arme Pim,” zeide ze medelijdend. „Trek je je dat zóó aan? Maar ik -vind juist, dat ik nu pas begin te leven, nu ik van Maurice ben gaan -houden. Ik voel me nu juist of ik eigenlijk pas geboren ben, en -eigenlijk nooit bestaan heb voor dien tijd. Je wéét dat zoo niet, Pim, -omdat je het nog niet kent.” - -Hij was op het punt om het uit te gillen, dat hij het kénde, o! dat hij -het zoo héél, héél goed kende, al was het hem pás geopenbaard. Maar hij -hield zich goed. - -„—Ik ben nu zoo gelukkig, Pim,” ging ze voort. „Veel gelukkiger nog dan -vroeger. Ik zou altijd kunnen zingen van geluk. En nu moet je niet -bedroefd zijn om mijn geluk. Ik ben toch je zuster. Jij moet toch ook -blij zijn als ik gelukkig ben.—Straks aan tafel zal pa aan al de -kennissen zeggen, dat ik het aanstaande vrouwtje ben van Maurice. Ik -ben eigenlijk een beetje verlegen, dat ze dat dan allemaal zullen -weten. Maar toch ook zoo blij, zoo blij! Kom, laten we nu maar vast -naar beneden gaan. Ze zullen nu wel gauw komen. Wil je mijn langen -mantel even naar beneden dragen? We gaan misschien nog wat in den tuin -na het dessert. En hoe vind je mijn nieuwen witten waaier? Een -cadeautje van hém....” - -En ze wuifde zich even wat koelte toe met den ivoren, beschilderden -waaier. Zachtjes bewogen wat losse gouden haren uit haar kapsel, en het -struisveeren kopje trilde en trilde.... - -En in zijn hart beefde het van ingehouden smart. Hoe ze daar stond in -haar witte blankheid, zoo teêr als een bloem met haar lucht, rank -kinderfiguurtje, zoo heelemaal niet iets voor het Leven, want véél, -véél te broos.... - -„—Ellie,” zeide hij ernstig, „je kent toch wel dat mooie vers van -Heine: - - - „Du bist wie eine Blume - So schön und hold und rein; - Ich schau dich an und Wehmuth - Schleicht mir ins Herz hinein?” - - -Ze begreep hem niet. - -„—O ja, een mooi vers. Waarom?” - -„—Omdat ik het nu ineens zoo heel erg voel, dat vers, nu ik jou daar -zoo zie staan, Ellie. - - - „Mir ist als ob ich die Hände - Aufs Haupt dir legen sollt, - Betend dass Gott dich erhalte - So schön und rein und hold.” - - -De tranen stonden hem in de oogen, en zijn stem beefde. - -Maar ze was te veel het Vlindertje om het allerfijnst mooie van het -vers te begrijpen. Ze voelde alleen, dat Maurice straks komen zou, en -dat ze naar hem verlangde, verlangde, verlangde. - -Maar waarom beefde Pim nu zoo? En kijk, er rolde een traan over zijn -wang, dien hij gauw afveegde.... - -„—Dat vers doet me zoo aan,” zeide hij. „Je weet, hoe gevoelig ik ben -voor verzen. En nu ik op het punt ben om mijn zuster te verliezen....” - -„—Maar ik zal toch altijd je zuster blijven,” troostte ze. „Wat dacht -je nu? Al ben ik nu honderdmaal geëngageerd, daarom blijf jij toch Pim -voor me. Hoe kom je dáár nu aan. Dacht je, dat ik ooit zonder Pim zou -kunnen leven, jongen, en dat ik hem ooit zou vergeten....” - -„—Je moet denken, Ellie, ik heb niet veel, behalve jou. Jij bent alles, -wat ik heb op de wereld, dat weet je wel. En als jij ooit van me werd -afgenomen....” - -Hij kon niet doorgaan. Hij kon zich absoluut niet voorstellen wat zijn -leven ooit zijn zou zonder háár. - -„—Malle jongen! Wie wil je nu iets afnemen? Toe, geef me een arm, dan -gaan we heel deftig naar papa beneden. Nu ben jij nog mijn cavalier, -hoor, en als Maurice er niet is, neem ik je dadelijk in beslag.” - -Gewillig nam Pim den langen, wit-bonten avondmantel over zijn -linkerarm, en gaf den rechter aan Ellie, als zoovéél keeren vroeger. -Maar inééns bedacht hij zich, hoe heerlijk het zou zijn als zij als -zijn verloofde eens zoo naast hem liep, en straks de gasten het nieuws -eens hoorden, dat hij de bruidegom zou worden van het ranke, blanke -meisje aan zijne zijde. - -Beneden hoorde hij al stemmen roezemoezen in de gang. Er waren zeker al -menschen gekomen. De feestvreugde zou zóó beginnen. - -En het was hem opeens bij het langzaam afdalen van de trap, of hij haar -nu van de sfeer, waarin ze altijd voor hem geleefd had, naar de ruwe -werkelijkheid geleidde, naar het harde, meêdoogenlooze leven, waar de -droom niet was, waar heel gewoon een man een maagd-meisje wachtte, om -haar, fijn, broos, melkblank kind, te nemen in zijn ruwe, sterke armen, -zonder medelijden, zonder vrees voor het heilig mysterie, dat haar -omhulde, om haar te maken tot zijn vrouw, zooals zoovéél andere meisjes -de vrouwen worden van anderen, heel gewoon en natuurlijk.... - -Dáár stond Mombreuil al beneden in de gang. Hij hoorde zijn diepe stem, -hij zag zijn groote, forsche gestalte van sterken man, en zijn dikke, -zwarte wenkbrauwen, en zijn grooten, zwarten knevel.... - -De mán van Ellie.... de mán.... voor dit ranke kind-meisje de groote, -zware, donkere màn.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - -Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving -van Ellie van Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het -eene verrassing. „Het Vlindertje” geëngageerd, wie had dat ooit -gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh! - -Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t -Kurhaus, en werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen. -Er was dan ook iets bizonder romantisch in, hen zoo gearmd te zien -loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met die rechte, militaire -houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten knevel, -en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke -zachtheid, met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte -viooltjes, en het glanzend goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in -het zich toeneigen van het teedere, zachte en lichte van kind-meisje -naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand hen zoo -samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar -neêrziend, zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde -hij, hoe gemakkelijk het hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen -te breken, als een ranke bloem, met één hardheid te knakken voor -goed.... - -In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel -menschen waren, om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de -menschen moesten zien, hoe zij was uitverkoren, en hoe die groote, -mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje als ze was, uit -allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede -men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van -vrienden en kennissen. - -Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met -hem alleen te zijn. - -Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch. - -Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er -hoe langer hoe meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich -langzamerhand meer verwant gevoeld aan de natuur, sedert de liefde in -haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die aan den hemel -voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en -keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die -zij nooit had gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch -voelde zij zich nu véél meer thuis dan vroeger aan het strand, in al -die drukte van menschen, of in het Kurhaus. - -Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem -samen in dat groote, groote Bosch. De zomer begon al zacht te -verdroomen in den herfst, en de laatste, lage zonnestralen maakten de -boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een nieuw, heerlijk -land, waar zijn hand haar voortleidde door een droom van geluk, die -altijd zou duren. - -„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,” -had ze eens tegen hem gezegd. - -Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust. - -Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en -hoffelijk als een ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het -heel voorzichtig, zonder hartstocht, als was hij bang, haar te -verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk gebabbel, en -als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn -eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh. -Dan werd ze dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde, -waarin hij gestaan had, en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te -voelen dat hij er heusch nog was. - -Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten -eerbied voor haar gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren -kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige ontmoetingen. En naarmate -die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid grooter -worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had -verzocht, om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte er pas goed -de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe -weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven. - -Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend, -en wat hij van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de -vrouwen uit zijn studententijd hem konden geven, en wat hij nu pas weêr -met Joh had doorgemaakt. - -Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie -woonde, dat te rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven -aanraken, en waar hij vèr van behoorde te blijven, als hij geen misdaad -wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, maar er wás iets aan Ellie, -en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende liefde voor hem, -dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol met -haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid, -wetend, al wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was -zooals ’t behoorde, en hem iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en -dat hij niet mocht aannemen, als hij een eerlijk man was. - -Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan; -zijn aanleg en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner -emoties vatbaar gemaakt dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu eenmaal -niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut -niet wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij -doen ging door zich met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker -voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie in haar leefde, dat hij niet -waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op te wellen, dat -langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder -bewustzijn. - -Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit -meisje hem in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij -was, en wie hij geweest was. Hij wist dat hij door veel te veel dingen -was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke Liefde te kunnen voelen, -die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig voor zijn -begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte, -hij eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen -gezien had, dat hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als -toen met de anderen, zijn groote, ruwe handen zou slaan om haar teêr, -maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen met dezelfde kussen, -die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. En hij -voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een -misdaad zou zijn. - -Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat -hij enkel maar vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten -zijn sfeer, daar was hij toch geen man meer voor, dát wist hij zeker. -Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij te veel meêgemaakt. - -Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig -naar haar verlangde, naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat -hij het toch op den duur niet zou uithouden, die onthouding, die hij -zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had zich goedgehouden, en -zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij toch -bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou -het dan voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest -kussen, na een nacht van wilden hartstocht met eene andere? - -Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in -hem liefhad, was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en -met al de dingen van zijn verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens -voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet liefhebben. En hij begon -zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, en -die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast -haar zonder iets te zeggen, met het groote berouw opwellend in zijn -hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar eerlijk alles -te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal -Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het -engagement verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die -mooie reine liefde, die Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en -grooter zag worden. Als hij haar een arm gaf, deed hij het licht en -voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor hem was, en -als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat -zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild -beest, en bang, haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine -lippen. En ook in hém trilde een bevende ongerustheid, een onbestemde -vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar dit heen zou moeten op -den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als geluk, van -een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die -groote teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld. -Voor ’t eerst in zijn leven vermoedde hij het heilig mysterie van het -Meisje en voelde hij met een vaag berouw, dat hij in zijn wilde leven -van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk was van wezen. - -Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar -reinen invloed werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was -juist het bewustzijn in hem gekomen, dat hij niet mocht aannemen, waar -hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde hem elken dag met -grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf te -redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven. - -Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid -en zwijgen aan voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor, -dat hij zoo heel voorzichtig met haar deed, want, al verlangde zij er -heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd wat bang, als hij dicht -bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen op haar -zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een -gloeiing, bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch -verschrikkelijk, en zij had kunnen lachen van geluk en tegelijk weenen -van verdriet er over. Er was iets in haar, dat met onweerstaanbaren -aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, en -wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en -huiverend wegkroop als het den gloed voelde van zijn schitterende, -donkere oogen. - -Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er -in beiden een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar -verborgen, hij bang voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard -was, en angstig dat hij ooit voor haar zou durven voelen als voor -andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem te zijn, om meer -kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn -handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets, -wat heel teêr en broos was, in haar zou breken. - -En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille -bosch, bladeren vielen ritselend in langzamen val, en overal was de -vage en vreemde weemoed van het mooie, dat de verre nadering voelt van -den dood..... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - -Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe -verkeerd het was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te -zien, als in een bizondere sfeer. Zij was een meisje als alle anderen, -had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen van vleesch en bloed, heelemaal -menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. En eens zou ze ook -doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met hem -trouwen en kinderen krijgen. - -Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor -hèm was Ellie wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich -heen zag, en veel te teeder, in een veel te reine sfeer, om te doen de -voor hem grove, harde dingen die des levens zijn. - -Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste -jongensdroomen het droomden, met altijd iets van de engel in zich, die -is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten en te zegenen, en wier -wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles van haar: -een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van -haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel -gevoelig is alles aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en -ontwijd het niet met ruwe handen, want het is heilig tot in -eeuwigheid.... - -En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij -hem, was hij in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist -het, dat het ongezond was, dat het was uit den tijd, dat het was niet -modern, en romantiek, maar hij kon er niets aan doen. De grond van -zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding van een -onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om, -en ver boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van -wezen ongenaakbaar en hoog-heilig, die zich in haar openbaarde. - -En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid -overtogen. Wat werd een bloem anders als zij in de handen was geweest -van een lieve vrouw! Wat klonken heel gewone woorden anders uit den -mond van een lief meisje! Wat was er iets héél bizonders gekomen aan -een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een vrouw -waren gedragen! - -Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden, -die Pim altijd van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem -kuisch had doen blijven. Een ruw woord, een ongracieus gebaar van een -vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. En hij die heelemaal -van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn vrienden -zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil -hielden, omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls -in al zijn hevigheid kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij -ook nog altijd met de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen -van roovers en draken bevrijdden, en met onmenschelijk nobele en -edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden als Corrèze uit -„Moths” en Bertie Cecil uit „Under two Flags.” - -Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij -bang. Hij voelde intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was, -dat hij, klein mannetje, met zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op -kon, en er op den duur in onder zou gaan. - -Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te -durven en het leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel -anders dan hij droomde. Maar hij had niet gedurfd. Hij was maar stil en -veilig verscholen gebleven in zijne vereering voor Ellie en voor het -lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen en -muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar -teeder en fluweelig was om áán te voelen. - -En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe -Ellie ineens was veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die -zenuwachtigheid, die het angeliek kalme van haar kind-gezicht -verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat hij niet kende, -en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor -hem, wat in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar -een andere Ellie had geopenbaard, dat verre, mysterieuze wezen in haar, -dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, en waarvoor hij al ééns was -bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken over -verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet -verwant was, keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen, -ongekenden glans hadden, als zij sprak over Maurice, of als zij met hem -samen was.—Het deed hem aan, met een zacht medelijden, en tegelijk een -vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, die haar -rustige schoonheid zou verwoesten. - -Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende, -vèr buiten de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar -verbond? Was het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die -kalmte en engelachtige rust van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad, -en had er achter dat blank-maagdelijke, lelieë-sneeuwen van haar -meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat nú wel eens -blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was, -zag gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste? - -En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die bijna alles van de -tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie naar -Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere -liefde, dat het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte -lelie-weiden van haar maagdelijke ziel, maar plotseling was -uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch zij zelve in -haar vermoedden. - -Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele -natuur zoo bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een -blijvend deel van haar beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan -toch voor geheimzinnigs in haar kunnen gebeuren, dat zij inééns, in een -paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige meisjesleventje -aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig -wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene -pretje naar het andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders -dan dien éénen kant was blijven neigen, waar zijn vroeger haar geheel -vreemde leven was? - -Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje -opeens in dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig -wiekjesgeklep, en waar zij straks jammerlijk in zou vergaan? - -Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met zulke zwarte oogen, zulke -dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe stem, zoo -heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een -groote, donkere, dreigende schaduw.... - -En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo -fijn en blank gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe -onschuld-oogen, en het klare sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje -zoo teer!.... - -Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere, -het blanke met het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het -sombere van den duisteren nacht.... - -Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt -worden als zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij -angstig, o! droeviglijk zal zij gehavend worden in het harde, groote -Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid en vrede, als een arm -vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur.... - - - -Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige -boudoir-middagjes werden niet meer gehouden, want meestal kwam Ellie -pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. Ook wandelde hij weinig -meer met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet -als derde wilde opdringen. - -Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs -terugkwam, was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder -schokken. Hij wist zich nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij -wist dat het geluk was voor de sterken en grooten. Hij voelde, wat -Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. En de -hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig -mannetje, met zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie -gelukkig was? En als Mombreuil haar geluk was, dan zou hij hem -respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten vriend. -Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie -maar gelukkig bleef. - -Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij -was het éénige liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo -klein en eenzaam voelde. - -Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar -boudoir en ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog -iets van haar bij hem was. Er was iets van haar teêre ziel in al die -broze, fijne, zachte meisjesdingen om hem heen. Jim, zijn terrier, liep -onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek nu en dan vragend naar -hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken van het -hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen -kreeg. - -Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden, -met een gevoel van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij -haar behoorde, en hij niets meer in haar huis te maken had. - -Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor -niets was. - -En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk -weer eens één vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met -haar samenzijn.... - - - -Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam. - -Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in -Helène Swarth’s gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat -aan zijne voeten. - -Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen -neêrgedaald. De hooge boomen aan den overkant van de Koninginnegracht, -over het weiland, gloeiden al van donker stervensgoud, en er was ik -weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende door die stille boomen, -die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De koeien in de -weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het -gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren, -in treurig langzamen val. - -Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld -van mooi dat gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om -nooit weer terug te komen. Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi -verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de natuur, en het was of -hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit de -zomer heen ging sterven. - -Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat -een troost ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem -genegen! - -Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel -niet blij. - -„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te -wachten, al kom ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn -hart eens aan je te luchten.” - -Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en -kwam vlak naast zijn fauteuil zitten op een pouf. - -„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den -herfst, die al in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar -ik voel me niets prettig vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim, -en nu heb ik behoefte om bij je te zijn en met je te praten. Je kent me -zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.” - -„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat -is toch niet alleen....” - -„—Dat is het juist, Pim.... dat is het vreeselijke voor me, ik voel me -bij hem wel eens alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook -van me, dat weet ik wel. Maar soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar -ik voél het—is het of ik heel alleen ben als ik tegen hem praat, of hij -niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het is zoo -vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een -vreemde is.... En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer -zonder hem.... maar.... soms is het of hij het toch niet is, of hij -niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.... Zoo vreemd, Pim, zoo -vreemd.... En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. Ik -ben altijd onrustig als hij er niet is.... Pim, het is net of ik de -oude Ellie niet meer ben....” En ineens, als een vogeltje dat bang en -heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder. - -Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo -heelemaal een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen, -niet begrijpend, en hulpeloos. - -„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.... niet huilen.... een -flinke meid zijn, hoor, en niet zoo toegeven.... Kom jij maar bij je -ouden, trouwen Pim, hoor, die je wel zal helpen.... en vertel me nu -maar eens alles, maar kalm hoor....” - -En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze -eindelijk, eindelijk weer bij haar broer troost zocht, als vroeger. - -„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet -heelemaal.... ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in -den laatsten tijd pas gekomen.... Maar ik ben zoo onrustig.... Als hij -er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat verlangen.... Het is of -er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd maar -vooruit, naar hém toe.... Soms hoor ik mijn hart bonzen.... En tóch ben -ik bang voor hem, echt bang.... Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn -zware, zwarte wenkbrauwen, en zijn zwarte knevel.... Als hij zijn arm -om me heen slaat, en mij zoent, dan beef ik, Pim.... en toch ben ik -blij ook, en vind ik het prettig.... Als hij weg is, voel ik of hij -iets van mij meegenomen heeft.... Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij -heeft iets van me weggenomen.... En.... het is zoo moeielijk om te -zeggen, zoo héél vreemd... tegelijk is het, of er iets van hém in mij -is gekomen.... iets, wat er vroeger niet was, Pim, iets heel vreemds in -me, dat niet meer weg wil.... en me zoo onrustig maakt.... en van -mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.... ik ben de -oude Ellie niet meer.... er is iets wèg in me, iets weg.... en daarom -heb ik nu geen rust meer, en voel ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet -meer als anders....” - -Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar -troostend op haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr. - -„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan? -Zooals met jou. Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal -alles vertellen, zoo als echte kameraden samen óp deelen alles, zoo kan -ik maar niet met hem zijn. Het is altijd onrustig, en ik ben altijd een -beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft nog nooit iets -gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me -alles zegt wat hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet. -Hij is ook eigenlijk veel te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom -meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? Want al zeggen ze dat ik er -wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat weet ik wel.... -Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.... wáárom houd ik toch eigenlijk -van hem? wáárom?.... soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of -er nog een ándere Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op -hem is, dol.... maar of de oude Ellie van vroeger doodgaat, heel -langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, of hij die heeft -doodgemaakt eigenlijk.... en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal niet -verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt -van haar oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme -dingetjes, die houdt alleen van pa, en van jou, goeie, beste Pim,.... -maar dan komt die andere, en die heeft geen rust meer, die wil ál maar -vooruit, naar hém toe, naar hém.... en daar ben ik zoo moê van, Pim, en -ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor....” - -Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar -hoofdje schokte zenuwachtig op zijn schouder. - -Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. Hij voelde, dat -troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, als -ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan, -dacht hij. Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie -zoo heftig beroerde. - -Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven -moet, zoodra een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en -vrede. De ziel van het Meisje schreide in haar uit, die ziel van niets -dan teederheid en lichten droom, die bang was voor het groote Leven -buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, waarin zij -branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van -moeder-zijn, waartoe zij is gewijd. - -En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige -vlindernatuurtje wel sterk genoeg was voor het groote vuur, of het niet -véél te teer en te ijl was en of zij niet angstig, met droef gehavende -wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking met iets dat harder -was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven.... - -Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen -hem aanleunde, en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht. - -Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat -zachte tapijt, die porseleinen vaasjes en pullen, al die satijnen -strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige bloemen, hoe -behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar -verschijning. Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n -voorzichtig, als een exquis „objet d’art” opgekweekt dame-meisje toch -voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, en waar ze opééns, -genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk! - -Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door: - -„Het kán niet meer Pim.... maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat -hij me dit heeft aangedaan.... soms wou ik dat ik maar weer het oude -vlindertje was, dat in alles zoo’n pret had en toch altijd rustig was, -zonder dat angstige voortjagen van binnen.... zou dat altijd zoo -blijven?.... En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.... de -blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor -onze voeten.... die waren dood.... vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu -dacht ik er ineens om, hoe nu die heele, mooie zomer doodging, waar ik -mijn nieuw geluk in heb gekregen.... en toen was het ineens of er iets -wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer terug zou -komen.... Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes.... -het had altijd zoo moeten blijven....” - -Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en -probeerde zich weer goed te houden. - -„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad... die wordt -nu verwaarloosd voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons -vroolijke leventje is gekomen... En Jimmy, arme lieveling, die wacht op -zijn koekje... gauw hoor, hier is het karafje, ziezoo.... en nu de -glaasjes.... alstjeblieft meneer.... wees maar niet boos dat je dwaze, -verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje -zenuwachtig.... Maar ze meent het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal -altijd Pim blijven, en als ik eens lekker wil uithuilen mag ik toch -altijd weer bij je komen, hè?....” - -Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of -hij toch eigenlijk niets verloren had, of het beste en innigste van -Ellie toch nog altijd van hém was gebleven, en er iets in haar voor hém -was, dat haar man misschien nooit krijgen zou. - -Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van -het reinste in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en -moeder, en dat niemand hem ooit af kon nemen.... - -„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim -blijven, aan mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net -als vroeger.” - -„—Heusch, Pim, heusch altijd?” - -„—Altijd, Ellie, geloof me.” - -„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn... want ik ben weleens bang, -zei ik je daarnet al... ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet -ik niet. En ik kán nu eenmaal niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik -ben er nu eenmaal niet voor gemaakt... Ik ben immers het Vlindertje -maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het -Vlindertje....” - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - - -Het was een zware slag geweest voor van Taats, toen de oude Mombreuil -om Ellie’s hand was komen vragen voor zijn neef. - -Hij was er in ’t geheel niet op voorbereid, en nooit had hij ernstig -gedacht om de mogelijkheid, dat hij ooit Ellie zou kunnen verliezen. -Zij was het éénige, dat nog heilig voor hem was in het leven, het -éénige klare, reine licht in zijn duister. Als zij van hem wegging was -er niets meer voor hem dan de misère, zonder er ooit weer uit weg te -kunnen, en dan moê uit te rusten in een goed, warm thuis. Zonder háár -zou hij zich ook thuis niet meer veilig voelen, en er zou niets meer -voor hem over zijn dan zijn eigen ellende. - -En tóch had hij niet allereerst om zich zelf gedacht, maar alleen om -háár. Hij dacht er geen oogenblik aan, haar aan zijn eigen geluk op te -offeren, of met unfaire middelen haar liefde in den weg te staan. En -hij had den ouden Mombreuil geantwoord, dat hij alles aan Ellie zou -overlaten. Hield zij van Maurice, dan vond hij het huwelijk goed, hield -zij niet van hem, dan kon er ook geen sprake van zijn. Toen hij dit -zeide, had hij niet vermoed, dat Ellie werkelijk van Mombreuil kon -houden. Hij beschouwde haar nog altijd meer als een kind dan als een -vrouw, nog zoo ver buiten het eigenlijke Leven, iets aparts en -bizonders in haar ranke teederheid, waarbij het denkbeeld van trouwen -immers véél te hard en te reëel leek. En hij was erg tevreden over de -diplomatieke manier, waarop hij den ouden Mombreuil weer had -weggekregen. - -Groot was dan ook zijn verwondering, en pijnlijk zijn schrik, toen -Ellie hem dadelijk bekende, dat zij van Maurice hield, en hem snikkend -om den hals was gevallen en hem smeekte, haar lief, goed, oud vadertje, -om haar toch gelukkig te maken, want dat ze anders zeker zou sterven -van verdriet. Maar hij had zich goed gehouden en dapper zijn noodlot -aanvaard. Tegenover háár, zijn eenige liefs op aarde, wilde hij -onbaatzuchtig en eerlijk blijven. Hij wist dat het een genadeslag voor -hem was, maar Ellie’s geluk ging vóór, en hij gaf zijn toestemming tot -de verloving. Hij had ook met véél respect Maurice’s loopbaan in Indië -gevolgd, en dacht niet anders, of hij was als een serieus, degelijk man -teruggekeerd, die zijn vroeger leven door edele daden voor goed had -uitgewischt. Met de betrekking, die voor hem open was en het groote -fortuin, dat hij later van den minister zou erven, was hij in alle -opzichten een uitstekende partij voor Ellie, die als de vrouw van een -Mombreuil in de hoogste kringen van den Haag zou worden ontvangen. - -En zoo had van Taats zich gewillig overgegeven aan zijn naderend -noodlot, bereid tot alles, als Ellie maar gelukkig werd. Hij voelde, -dat hij, als hij haar niet meer had, nu ook al dieper en dieper zou -zinken in zijne ontaarding, en zich voor altijd zou overgeven aan de -misère van zijn verloren leven. - -Hij probeerde het zoo goed mogelijk te verbergen, om Ellie toch vooral -geen pijn te doen, en was altijd hartelijk en vriendelijk tegen -Maurice, tegen wien hij in zijn hart vijandig voelde, omdat die hem zou -afnemen zijn kind, het éénige licht in zijn leven van donkere zonden. -Zoo weinig kende hij van het ware wezen der liefde, dat hij ook -huiverde bij het idee, dat Ellie was gaan houden van een man, en het -hem was, of zij er minder om was geworden, en alsof zij iets verloren -had van haar maagdelijkheid, die nu niet meer zoo rein voor hem scheen -als vroeger. Hij had, onbewust, eigenlijk altijd gehoopt dat zij altijd -hetzelfde, onbezorgde meisje zou blijven, veilig buiten het groote -Leven, in een aparte sfeer van blanke reinheid, ver boven hartstocht, -als een blij, kalm kind van God, in wit gewaad van onschuld. Maar nu -zij lief had, en hij haar de oogen had zien sluiten van geluk onder den -kus van een man, was het hem, of zij uit die teêre sfeer was -neergedaald in de harde realiteit van het Leven, en zij niet meer dát -voor hem zijn kon, wat zij ééns geweest was. Dat het van háár iets -absoluut reins en heiligs zijn kon, was te ver boven zijn begrip van -cynischen viveur, die nooit de ware liefde had vermoed, maar enkel het -gemeene kende van den hartstocht in het menschelijke beest. En elken -keer, dat hij haar met Mombreuil samen zag, was het hem, of er iets van -zijn kind wegging, of het mooie in haar van hem werd afgenomen, en zij -langzamerhand dichter en dichter daalde naar laagten van de realiteit, -waarin hij leefde. Het deed hem pijn, alsof hij haar zag naderen tot -een gevaar, zonder dat hij ook maar een woord kon zeggen, om haar te -waarschuwen voor wat haar wachtte. - -In de ziekelijke degeneratie van zijn verbeelding, die hem geen vrouw -kon doen zien zonder perverse bijgedachten, had hij, in een ander -uiterste, zijn kind in een onbestaanbare sfeer van bovenmenschelijke -heiligheid gedacht, maar wat tusschen die twee uitersten van laagste -verdorvenheid en opperste goddelijkheid lag, kende hij niet. En door -Ellie elken dag samen te zien met een man, een man, die haar weg zou -nemen uit zijn huis en tot zijn vrouw zou maken, als zooveel mannen -doen met meisjes, werd het engelachtig beeld, dat hij van haar had, al -meer en meer verduisterd, en verloor hij het éénige in zijn leven, waar -hij met reine oogen naar kon zien, en waarvoor zijn vuile, duistere -gedachten angstig wégscholen, als wilde dieren voor een heilig vuur. -Toen zocht hij het verdriet hierover te vergeten in een’ láátsten roes -van ontaard zingenot. Hij was juist erg moê geweest de laatste maanden, -en was véél thuis gebleven, of uitgegaan met Ellie mede, als een goed -vader, respectabel en fatsoenlijk. Maar nu barstte het beest in hem -weêr los, en hij brak weêr uit, in een serie van duistere gangen, -heimelijk als een dief. Het kwam er nu niet meer zoo erg op aan, vond -hij. Hij zou nu toch heel gauw alleen zijn, en niets anders meer -hebben. Het éénige licht van reine goedheid in zijn leven was niet meer -voor hém. En ook zij, dacht hij, zijn blanke kind van onschuld, zij zou -uit de sfeer van rustige zielevrede vallen in het vuur van hartstocht, -dat hem verteerd had, zijn geheele, onzalige leven lang. - -En het blonde Antje, die hem héélemaal kende, en precies wist, wat hij -van haar wilde, zag hem weer avonden achtereen bij haar. - -Totdat het fatale gebeurde, onverbiddelijk en onverwacht. - -Van Taats, een bezoek voorwendende aan een oom in Utrecht, was een -nacht bij Antje gebleven. Hij was laat opgestaan, en had het zich -gemakkelijk gemaakt, had fijn bij haar geluncht, met champagne, en was -een sigaar blijven rooken, tot drie uur. Daarna voelde hij zich weer -behagelijk genoeg om in zijn pose van achtenswaardig, bezadigd oud heer -wat te flaneeren door de stad. Toen hij de trap afging hoorde hij -schellen. Erg onaangenaam, als ze je op zoo’n bekend adres uit de deur -zagen komen, op den Fluweelen Burgwal. Maar aan den anderen kant, wie -zou hier loopen, die hem kende? Misschien was het een slager of een -bakker, of zoo iets. En hij liep gerust door, en deed de deur open om -haastig naar den anderen kant van de straat te gaan. - -Vóór den drempel stond Mombreuil. - -Beiden schrikten. Zij zagen elkander éven met bevreemding, ietwat -droevig, aan. Zij begrepen onmiddellijk de ontzettende portée van wat -gebeuren zou als zij elkaar herkenden. De vader van Ellie, de verloofde -van Ellie, beiden de gunsten betalend van ééne veile deerne.... Ze -dachten allebei, tegelijk en alleen om háár. Het kón niet, het mocht -niet, wat hier nu voorviel. Het lag niet in de natuurlijke orde der -dingen. Het zou haar dood zijn. Dit gruwzame feit moest genegeerd -worden, wèg uit de realiteit, en het was eenvoudig nooit gebeurd, en -kón ook nooit gebeurd zijn.... - -En beiden beseften zij dat er maar één weg was. Zij zwegen en kenden -elkaar niet, evenmin als vreemden. Mombreuil week even wat ter zijde om -van Taats door te laten, die hem niet aanzag en kalm voortstapte, -schijnbaar in gepeinzen. - -Zij hadden elkaar begrepen. - -Zij hadden elkaar niet gezien.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIX. - - -Het werd nu een treurige tijd voor Pim. Hij had geen plezier meer in -het strand, en zelfs ’s avonds in het Kurhaus kon het mooi van de -muziek hem niet meer troosten. Hij had behoefte aan iets, waar zijn -verdriet in weêrklonk, en zijn eigen zielsstemming in weende. En de -muziek van de Berlijners vond hij nu ineens te beschaafd, te -geacheveerd, alsof de uiterste volmaaktheid de smart zelfs in het -droevigste Adagio had verweekt. - -Toen vond hij het eindelijk bij de Zigeuners, wat hij zocht. - -Het vorig jaar had hij een Hongaarschen huzarenluitenant ontmoet, -Zichy, die hem met enthoesiasme had gesproken van de muziek der -Zigeuners. Hij was toen met hem naar de Kurhaus-bar geweest en naar het -Seinpost-paviljoen, waar Zichy had gevraagd, om Hongaarsche wijzen te -spelen. Maar Pim had het niet zoo bizonder mooi gevonden, en dat ook -eerlijk bekend.— - -„Dan heb je zeker nog nooit een groot verdriet gehad,” had Zichy -gezegd. „En zonder groot verdriet kan je de Hongaarsche muziek niet -begrijpen.” - -Pim was het al lang vergeten, maar op een avond, toen hij langs de -Kurhaus-bar liep, dacht hij er ineens aan, en ging binnen. En hij vroeg -den kapelmeester of hij eens wat Hongaarsch wilde spelen. De Zigeuner, -altijd even beleefd, liet dadelijk het bordje ophangen met „Hongaarsche -Wijze.” - -Er waren weinig menschen, want het was nog vroeg. Pim ging zitten in -een stil hoekje. - -En ineens barstte het los. Hoog uitgeschrei van een viool, als een -klagende ziel, wilde val van cimbaal-klanken als een neêrstroomen van -sombere tranen, en het donker mineur uithuilen van een doodsbedroefde -cel, als de laatste wanhoopsjammer van een van liefde stervend hart. -Hoor, daar smeekte het hoog-weenend uit, het liefde-leed van de -biddende viool, dáár vielen de donker-zilveren tranen brandend in de -ziel, uit den zondvloed van ’t ruischende cimbaal, en donkerder en -donkerder gromde de wanhoop door de lang uitgehaalde klachten der -sombere violoncel! - -Hoe eindeloos droevig treurde het zielsverdriet in de langzame -opneurieïng van het „Lassen”, met het tranen-droppelen van -cimbalen-klanken, hoe staat het trotsch, op fieren cadans, weer op in -het „Czardas” om dan ineens in wilden triomf woest-dansend uit te -barsten in de hoog-opslaande golfrythmen van den onstuimigen „Frisko”! - -Dan is de ziel aan de smart ontstegen, triomfeerend opgerezen boven de -vlammen van hartstocht uit, en in een wild opdeinenden roes van -vrijheid danst zij op de trotsche cadanzen van het glorierijk geluk, -dat niets haar meer kan nemen.... - -Toen voelde Pim ineens wat het eigenlijk was, de Hongaarsche muziek. En -met gloeiend hoofd en tranen bevend in zijn oogen liet hij zich met ál -zijn verdriet wegduizelen in die stormen van trots en geluk, die -uitjuichten na zoo eindelooze smart. - -En een groote bewondering kwam in hem op voor die Zigeuners. Zeker, het -waren héél ordinaire kerels in het gewone leven. Zichy had het hem -verteld, hoe onbetrouwbaar ze meestal waren, en hoe lui, en hoe weinig -ze wisten. Maar hun ziel was één en al muziek. Als ze maar éven -speelden waren ze tot de reinste hoogten van de ziel gestegen, waar ál -’t weten nooit kan reiken, en alleen ’t intuïtieve voelen komt. En ze -kenden geen noot muziek, omdat dat ook niet noodig was, omdat ze zélve -al muziek waren, onbewust.— - -Het spel van die vreemde Zigeuners werd een lieve troost voor Pim, en -het éénige, waar hij groot belang in stelde. Hij praatte veel met den -kapelmeester, die hem alles van hun muziek vertelde. Hij liet zich door -hun voorspelen van de mooiste liederen, „Repülj fecském”, van het -meisje, dat bedroefd is en een zwaluw ziet vliegen; „Kék ne felet”, van -het blauwe vergeet-mij-nietje, dat groeit op een berg, en het -maagdelijn dat vraagt, of ook zoo’n bloempje moge groeien op haar graf; -„Sárga cserebogár”, van den minnaar die een gelen kever ziet, en met -hem spreekt over zijn beminde, en zooveel andere heerlijke volkswijzen, -waar de ziel in lacht en weent. Elken avond zat Pim daar zijn eigen -verdriet te vergeten in het majestueuze leed dier ruischende melodieën, -maar toch kwam het altijd weêr grooter en grooter terug. En toen begon -hij te begrijpen, wat Zichy hem eens verteld had, hoe Hongaren -zelfmoord plegen in Hongarije. Als zij alles hebben verloren wat hun -lief is, en de wanhoop is in hun hart, gaan zij toch nog éénmaal naar -de Zigeuners. Dán laten zij zich nog ééns de heerlijk-droeve wijzen -voorspelen, die zingen wat in hun eigen ziel is, tracteeren de geliefde -spelers op champagne, en loopen dan wèlbewust naar de blauwe Donau, -naar den dood,—dien zij niet vreezen en die altijd als een vriend met -hen praatte, in de muziek—, te trotsch om nog langer door zichzelf en -het leven te lijden, dat zij verachten.— - -Hoe misplaatst en vèr-verloren leken hem nu ineens die Zigeuners in dat -leelijke, wanstaltige hok dat de Kurhaus-bar was, spelend voor dat -ongevoelige, koude publiek, dat hen niet begrijpen kon, wilde -natuurmenschen als ze waren. Mopjes, walsjes en polkatjes moesten ze -spelen, nu en dan in het luide lawaai zelfs iets Hongaarsch, waar -niemand wat van voelde, en waar wel eens idioot om werd gelachen.—Hij -trachtte den kapelmeester wat op te vroolijken door hem attenties te -bewijzen als in Hongarije, tracteerde hen op champagne, en stuurde met -een kellner, netjes op een blaadje, zooals het behoorde, nu en dan een -Hongaarsch bankbiljet, dat hij had gekocht in een wisselkantoor.—Als -tegenattentie speelden zij dan een extra-nummer, iets echt-Hongaarsch, -expres voor hém, tusschen de andere nummers in.—En die heel gewone, -slordig uitziende kerels, die daar zaten te werken voor hun brood als -armzalige muzikanten, zij vermoedden heel goed, zoodrá zij maar -speelden en hun ziel muziek was, dat daar iemand zat te luisteren, die -een groot leed had in het leven, om liefde’s wil.—Zij kenden dat maar -ál te goed, uit Hongarije.— - -Pim kwam nu heel weinig meer in ’t Kurhaus, waar hij geen troost kon -vinden, en zat als een trouw bewonderaar om den anderen avond in de -Kurhaus-bar of het Seinpost-paviljoen, om naar de Zigeuners te -luisteren. Hoe maakten zij alles ineens heel anders, wat zij speelden! -Een gewoon mopje, een bekende polka, of een wals, kregen een -hoog-zwaaiend rythme, dat hij er vroeger nooit in gevoeld had. En in de -vroolijkste wijzen kwam ineens iets vreemds, iets bijna mineurs, of -door ál de blijheid heen toch nog even vage tranen weenden van -liefde-leed. - -En dáár, juist in zijn veilig toevluchtsoord, waar hij zijn láátsten -troost vond, gebeurde het vreeselijke, dat hem een nieuwe pijn aandeed, -die het oude lijden nog wreeder maakte. - -Het was laat, bij éénen, en de kellners begonnen al op te ruimen in het -paviljoen van de Seinpost, waar hij, dicht bij het orchest, tot het -laatste te luisteren zat. - -Toen zag hij in de half leêge zaal een wèlbekende, hooge gestalte -binnenkomen. - -Hij schrikte op. - -Het was Mombreuil. Zijn donkere gezicht was een beetje rood, alsof hij -opgewonden was van wat veel drinken, en zijn gang was onzeker, met een -lichten zwaai. Hij had een cocotte aan zijn arm, in een opzichtige, -vuurroode blouse, en met een brutalen, breedgeranden hoed op. - -Zij bleven even staan, als besluiteloos wat te doen, en zagen de zaal -rond. - -Mombreuil keek op zijn horloge, zag dat het laat was, en zei iets tegen -de vrouw aan zijn arm, die hard en lachend antwoordde. - -Toen gingen ze beiden de zaal weer uit. - -Pim voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen van schrik en -verontwaardiging, en hoorde het zich ineens hardop zeggen: - -„De ellendeling!.... Hoe durft-ie.... de laffe ellendeling!....” - - - -Den volgenden middag om twee uur gaf hij zijn kaartje af bij Mombreuil -en werd dadelijk binnengelaten. - -Het was een ongezellige huurkamer, met laag plafond, waar Maurice’s -hooge gestalte nog grooter in deed dan anders. - -Toen Pim binnenkwam, ging Maurice hem vriendschappelijk tegemoet. - -„—Zóó, ben je daar eens, kerel, dat vind ik een aardig idee van je, om -me eens op te zoeken. Ga zitten.... ga zitten....” - -Maar Pim nam de hand niet aan, die hij hem toestak. - -„—Ik kom hier niet om je zoo maar eens op te zoeken,” zeide hij. „Ik -kom met je spreken, over iets ernstigs, in ’t belang van Ellie.... -anders was ik hier nooit gekomen.” - -Maurice kon het niet helpen, dat hij glimlachte. Het klonk zoo raar, -Pim op dien toon te hooren spreken, en over iets ernstigs nog wel. Met -dat minachtende, en toch welwillende medelijden, dat groote, sterke -menschen altijd voor kleinen en zwakken hebben, had hij van Wedell -altijd meer beschouwd als een arm stumperdje, tegen wien je maar lief -en hartelijk moet zijn, dan als een man. Hij savoureerde zijn elegante -dandy-achtigheid, zijn koketterie met meisjes, en zijn zachte -vrouwelijkheid, en had hem nooit erg au sérieux genomen. Alleen omdat -ze elkaar zoo veel zagen bij van Taats, waren ze elkaar gaan -tutoyeeren, zonder daarom intiem te worden. - -„—Zoo zoo,” zei Maurice, met een lichten spot, dien hij niet geheel kon -verbergen, „iets ernstigs? Daar ben ik benieuwd naar. Ik zal er bij -gaan zitten en ik luister, hoor!” - -Pim was niet gaan zitten. Het was hem, of hij dan nog kleiner zou -schijnen. En hij had weêr dat hinderlijke, nerveuze gevoel van -kleinheid, tegenover dien zooveel grooteren, zwaren man. Maar zijne -verontwaardiging hielp hem over zijn zenuwachtige verlegenheid heen. - -„—Mombreuil,” begon hij resoluut. „Ik kom je zeggen, dat ik je gisteren -avond in het Seinpost-paviljoen gezien heb. Je was met een meid. Met -een gemeene meid was je. En je bent de verloofde van Ellie. Ik zeg je -er bij, dat ik dit een gemeenen streek van je vind. Je hebt daar het -recht niet toe, zoolang je met haar geëngageerd bent. En ik kom het je -verbieden.” - -Mombreuil kon een oogenblik niet spreken van verbazing. Was dát Pim? -Was dat kleine Pim, het meisjesachtige kereltje, het -miniatuur-huzaartje? Hoe uitdagend keek hij hém, den groote, aan! En -hij wilde hem blijkbaar de les lezen ook. Dat werd toch wèl een beetje -ál te bar! Hij kon nog niet eens dadelijk boos worden. Het was ál te -dol! - -„—Zoo,” spotte hij terug. „Heb je me gezien? En met een meid nogwel! -Nu, dat gaat joú dan toch niet aan, hè? En ik behoef joú toch in elk -geval geen rekenschap te geven van mijn daden!” - -„—Wat je doet gaat me ook niet aan. Dat weet ik heel goed. Maar door -met een meid te loopen beleedig je Ellie. En dan gaat het me wèl aan. -Ik verzoek je niet zoo spottend te kijken. Je moet goed begrijpen wat -ik hier doen kom. Ik kom je verbieden Ellie te beleedigen. En als je -niet naar mij luisteren wilt zal ik genoodzaakt zijn om je te dwingen. -Wij staan hier tegenover elkaar als mannen van eer, als officieren zoo -je wilt, ofschoon dát er hier weinig toe doet. Ik vind dat je een -gemeenen streek hebt gedaan tegenover Ellie. Ja, een lafheid zelfs, een -laffe, gemeene daad.” - -Nu begon Maurice te begrijpen. Hij voelde zijn drift opkomen, en kreeg -een opwelling, dat nietige, kleine ventje daar vóór hem neêr te slaan, -met één slag van zijn groote hand. Maar hij hield zich nog in, bang -voor de gevolgen, en de ruchtbaarheid, waardoor zijn oom het zou -hooren. - -„—Dus je komt mij beleedigen?” vroeg hij, ongeduldig. „Je komt mij -dwingen om met je te vechten misschien?” - -„—Neen, dáár kom ik niet voor. Maar als het er op uitloopt kan ik het -niet helpen. Ik kom alleen op voor Ellie.” - -„—En met welk recht, alstublieft?” - -„—Met het recht van een broer!” - -„—Van een broer! Puuh! je weet heel goed, dat je in ’t geheel niets van -haar bent.... je hebt een anderen vader en een andere moeder... wat wil -je dan praten van broer?” - -„Broer of géén broer, dat doét er niet toe. In elk geval is zij mij -dierbaar, en kan ik het niet aanzien, dat zij wordt beleedigd. Je -ontkent het niet. Je bent met een meid uitgeweest, een gemeene meid van -de straat, die iedereen kan hebben, als hij maar geld heeft. En dat is -een lage, gemeene streek. Vat het op zooals je wilt, het kan mij niet -schelen. Maar ik zal het niet langer dulden. Dat verzéker ik je. De man -worden van Ellie!... en tegelijk uitgaan met zoo’n meid! Hoe kon je -ooit zóó iets doen!” - -Hij kon zich niet meer inhouden, en de tranen van leed en -verontwaardiging sprongen in zijn oogen. - -„Hoe kon je het doen, Maurice! Heb je dan heelemaal geen gevoel?... -voel je er dan de laagheid niet van? Een meisje als Ellie!... Een lief, -goed kind van onschuld, dat nooit anders heeft gezien dan het mooie van -’t leven.... ik ken haar langer dan jij... ik ken haar hééle hart... en -het is niets dan reinheid, dan blanke, engelachtige reinheid... elke -gedachte van vuilheid moet daar vèr van blijven.... hoe heb je ooit bij -haar kunnen zijn met een slechte gedachte in je ziel?... ben je dan -nooit geschrokken van haar witte kleed?... heb je dan nooit gehuiverd -als je haar aanraakte, en ben je dan nooit bang geweest, dat je iets -besmetten zou?... heb je dan nooit God op je bloote knieën gedankt, dat -zoo’n kind van je is gaan houden?... hoe dúrfde je, hoe dúrfde je... -nooit, nooit heeft ze het slechte gekend, ik wéét het van lange jaren, -altijd is ze vèr gebleven van wat duister en gemeen was... ik ben -altijd zoo bang geweest, zoo héél, héél bang, dat ze het ééns zien zou, -zoo ongenadig, inééns al het vuile van de wereld voor haar reine, -blauwe kinderoogen... en ze heeft het nooit gezien, Goddank, ofschoon -het vlàk bij haar was... je weet, Mombreuil, haar vader... ik heb er -niet over willen spreken, maar natuurlijk wéét je het, iedereen wéét -het in den Haag, al zal niemand het hardop zeggen... nooit heeft ze het -geweten... altijd heeft ze, als een blank, onschuldig wezentje vlak -naast het vuile en slechte geleefd, en is zelf rein gebleven, en heeft -niets geweten... somtijds, als ik met haar in de stad liep, en ik zag -al het gemeene overal, dat haar bijna ráákte, dan was ik zoo bang, zoo -bang... en nu zou jij het vuile in haar leven brengen, Maurice, jij, -die ze liefheeft, jij, die ze gekust heeft met haar reine lippen, -waarvoor je God eeuwig dankbaar zou moeten zijn!... hoe kún je dat -doen, hoe kun je dat doen?...” - -Maurice was opgestaan. Hij was heel bleek, hij beefde, en bracht de -hand aan zijn hoofd, of hij pijn had. Hij voelde de drift in hem weg -deinzen voor een groot verdriet. Wat Pim daar zeide had hij zélf al -heel dikwijls in zich hooren spreken, in bange uren, als hij alleen -was. En het was of zijn eigen geweten het hem toeschreeuwde uit Pims -woorden: - -„Ze zeggen dat je een held bent, Mombreuil. Ik heb het óók altijd -geloofd, en ik heb je bewonderd telkens als ik van je hoorde, hoe je -hebt gevochten in den oorlog. Maar als je nu werkelijk een held wilt -blijven, doe dan niet laf tegen een arm, zwak meisje, dat van je houdt. -Trap dan geen zielig, broos vogeltje dood, scheur dan geen teêr, fijn -vlindertje uit elkaar. Jij, die zoo’n groote, sterke kerel bent, breek -niet dat kleine, weêrlooze zusje van me dood in je ruwe vuisten. Ik wil -met je vechten om alles wat ik je nu zeg. En ik hoop dat je me dood -zult steken, want van joú houdt ze, en ik wil niet iemand dooden dien -zíj liefheeft. Ik ben toch nergens goed voor in de wereld, en niemand -verliest wat als ik dood ga. Als je duelleeren wilt stuur me dan morgen -maar dadelijk je getuigen. Maar dénk om wat ik je gezegd heb. Je bent -een lafaard als je zoo langer doorgaat. Als je niet zonder die meiden -kunt, blijf dan wég van Ellie, en geef haar direct haar woord terug, al -zou ze er misschien van sterven. Liever dan haar te besmetten met het -vuil van de vuile wereld. Of geef me je woord van eer, dat het nooit -meer gebeuren zal en wordt waard de uitverkorene te wezen, die bij háár -onschuld mag leven....” - -Pim hield zich al gereed, om den slag af te weren dien hij nu van -Mombreuil in drift verwachtte. - -Maar Maurice was in zijn fauteuil blijven zitten, met een hand onder -het hoofd, en staarde in gedachten voor zich uit. En zonder zijn -tegenstander aan te zien zei hij heel zacht, als kwam het uit verre -onbewustheden van zijn ziel, die nu voor ’t eerst durfden spreken: - -„—Eigenlijk heb je gelijk, Pim. Er kan hier geen kwestie zijn van -vechten, want je komt op voor wat recht is. Ik weet heel goed, dat ik -geen kerel ben voor een meisje als Ellie. Toch was het niet zoo gemeen -van me als je wel denkt, om met die meid uit te gaan. Ik kan nu eenmaal -niet anders, Pim, ik bén nu eenmaal zoo. Je praat daar van reinheid, en -onschuld, en maagdelijkheid, en al die dingen, maar eigenlijk weet ik -tóch niet wat je daar meê bedoelt. Ik weet alleen dat het dingen zijn -waar ik niet bij kan. Je vraag me of ik nooit bang geweest ben, als ik -bij Ellie was. Welnu ja, ik bén bang geweest. Er is iets aan haar, wat -weet ik niet, waar ik mij niet op mijn gemak bij voel. Het is of ik -weet, dat ik daarvan áf moet blijven, of ik het niet waard ben. Dat zal -dan zeker zijn wat jij bedoelt. En ik ben al te oud en te ver heen om -het nog waard te worden, dat weet ik óók wel. Al die dingen die jij -daar zegt, Pim, heb ik al zoo dikwijls in mezelf hooren zeggen, maar ik -heb er niet naar willen luisteren. En nu het zoo inééns van een ander -naar me toekomt, moét ik wel. Als dat niet zoo was, ik zou op je -aangevlogen zijn, ik zou niet gerust hebben voor ik je vernietigd had, -als een hond. Maar nú kan ik dat niet meer, want ik voel dat je gelijk -hebt. Ik bén geen vent voor Ellie. Ik zou haar ongelukkig maken. Ik zou -het tóch niet kunnen laten, om naar andere vrouwen te loopen, en ik kan -tóch niet genoeg hebben aan ééne. Zoo bén ik nu eenmaal.” - -„—Maar waarom ben je ’t dan begonnen?” vroeg Pim ongenadig, „dat wist -je toch van te voren óók!” - -„—Omdat ik wel moést, Pim. Oom Mombreuil wilde dat ik trouwde. Je weet -wel dat hij het geld heeft en ik heelemaal van hem afhang. Toen heeft -mijn zusje Wies Ellie uitgekozen. En het kon me eigenlijk weinig -schelen wie het was, als ik toch moest trouwen. Ik dacht dat Ellie was -als zoovéél Haagsche meisjes, die blij zijn als ze een man krijgen met -een titel, en fortuin te wachten. Ik wist niet dat ze zoo’n teêr -poppetje was, zoo’n kind nog.” - -Pim schrikte van de oprechtheid, zonder schaamte, waarmeê Mombreuil die -dingen opbiechtte als doodgewoon, die voor hèm zoo laag en gemeen -waren. - -„—Dus je houdt niet van Ellie?” vroeg hij. - -„—Niet wat jij, geloof ik, houden noemt, op je poëtische manier. Ik -vind haar een lief, goed kind, en als zoodanig houd ik van haar. Maar -ik heb haar niet lief, zooals in een boek, als je dat bedoelt. Ik zou -het zonder haar ook wel uithouden.” - -Mombreuil verwonderde zich, dat hij alles zoo eerlijk aan dien kleinen -Pim vertelde, die toch geen recht had, hem rekenschap te vragen. Maar -hij voelde tegelijk dat hij eigenlijk niet eens tegen Pim sprak, en -veel meer tegen een stem in zichzelf, die hetzelfde tegen hem zeide als -Pim. Het was eigenlijk eene afrekening, die hij hield met zichzelf. -Zoolang hij Ellie’s verloofde was, had die stem al in hem gesproken, -eerst even fluisterend, toen al luider en luider tot hij haar eindelijk -aldoor in zich hoorde, geheele dagen lang. Het was zijn beter ik, nog -niet heelemaal verdoofd in een wild leven van harde dingen, dat hem had -gewaarschuwd, geen daad van laagheid te doen. - -En hij kon niet driftig meer op hem worden, véél te goed wetend, dat -hij gelijk had, toen Pim uitriep: - -„—Dan moet er ook een eind aan komen, Mombreuil. Als je niet van haar -houdt mág je haar niet trouwen. Je moogt een meisje als Ellie niet -opofferen aan geld, dat zou een groote laagheid zijn. O! Als je -werkelijk een held bent, toon het dan! Zeg eerlijk aan je oom, waar het -op staat, al zou hij je geen cent meer geven! Je bent toch groot en -sterk, en kunt toch nog werken! Een man van eer vermoordt toch zóó maar -geen meisjesziel uit grof égoïsme, om dat vuile geld.” - -Hij zag aan Mombreuils somber gezicht, dat het een harde strijd in hem -was van eergevoel en egoïsme. - -„—Maar als ik nu Ellie bedank,” vroeg Maurice. „Wat dan? Zal ik haar -dan geen pijn doen? Zal ze daar geen erg verdriet van hebben? Want van -míj houdt ze, dat weet ik zeker. Mag ik haar die pijn aandoen?” - -„En dacht je dan, dat je haar niet véél meer pijn zou doen als je haar -trouwde?” antwoordde Pim waarschuwend. „Dán zou je haar voor haar -geheele leven lang pijn doen, en van je huwelijk ééne lange groote -misère voor haar maken. Dan is het toch in elk geval beter als ze nu -ééns wat lijdt.—Ik laat het nu aan jezelf over, wat je doen zult. Maar -ik heb gezegd waar het op staat. Het liefste wou ik dat jezelf beloven -kon een goede man voor haar te worden, en haar nooit meer te bedriegen, -en dat je van haar kon houden zooals zij van jou. O! Mombreuil ik wou -dat je dat kon, want dan zou zij gelukkig zijn! En het is toch zoo -gemakkelijk, dunkt me....” - -Inééns ging Mombreuil een licht op. Dat hij dáár niet aan had gedacht! - -„—Hoe weet je dat?” vroeg hij ineens, bruusk. „En waarom maak je -eigenlijk zoo’n drukte over die zaak! Ze is toch in ’t geheel niet je -zuster. Zeg, zou jij soms zelf....” - -Pim raadde wat hij dacht. Het lag niet in zijn aard om te liegen. Hij -keek Mombreuil recht in ’t gezicht. - -„—Ja, Mombreuil. Ik durf het wel te zeggen. Ik houd van haar, al zal ze -het nooit weten.” - -„—En je raadt me daar aan, van haar te houden en een goeden man voor -haar te worden!” - -„—Juist omdat ik van haar houd,” zei Pim, heel eenvoudig. „Omdat ik -haar gelukkig wil zien, en ik weet, dat ze nu eenmaal van jou houdt, en -niet van mij.” - -Een warm gevoel van sympathie welde in Mombreuil op voor den kleinen, -zwakken, die daar voor hem stond, en maar even tot zijn schouder -reikte. En eerlijk zei hij het, zooals hij het ook voelde. - -„—Ik geloof dat jij de held bent van ons tweeën, Pim, niet ik. Want ik -heb maar zoowat bruut gevochten tegen lui, die toch eigenlijk hun eigen -land verdedigden, maar jij zoudt jezelf heelemaal willen opofferen, om -een ander gelukkig te maken.” - -En ineens, voelende wat de laatste weken voor Pim moesten geweest zijn, -stak hij hem de hand toe en zei met oprecht medegevoel: - -„—Wat moet jij den laatsten tijd geleden hebben, kerel. Het spijt mij -zoo, geloof me. Ik heb niet beseft wat ik deed. Maar ik zal het goed -maken, ik beloof het je, ik zal het goed maken.” - -Pim was geen karakter om zoo loyaal aangeboden excuses af te wijzen. -Hij legde zijn blanke, gesoigneerde hand in den grooten, gebruinden -knuist van Mombreuil. - -„—Ik dank je, Mombreuil,” antwoordde hij. „Ik vertrouw er op dat je -doen zult wat recht is. Je zult er ernstig over denken, en dan weten, -of je voor jezelf Ellie durft behouden en haar waardig kunt blijven, of -haar eerlijk zult zeggen, dat je van haar moet afzien. Je ziet wel in, -dat het zoo niet langer kan duren.” - -En Maurice voelde de sympathie, die in hem was opgekomen al grooter en -grooter worden, hoe meer hij Pim in het eerlijke, open gezicht zag. - -„—Hoe jammer, Pim,” zeide hij treurig. „Hoe jammer, dat alles altijd -verkeerd loopt in de wereld. Waarom houdt ze niet van jou? Waarom nu -juist van mij, die het niet waard ben? Jij bent toch zoo heelemaal -aangepast aan haar. Weet je wel, dat jullie allebei nog iets van -kinderen hebt? Ik bedoel hier geen onaardigheid mee, begrijp me wel. Ik -bedoel dat jullie allebei nog zoo heelemaal onbesmet bent van alles wat -vuil is, maar ik, zoo’n oude, grove troupier!.... Ik hoor daar niet -bij. Waarom moest ik nu ineens zoo bruut in jullie mooie, kalme leven -komen staan? Misschien zou ze anders nog wel eens van jou zijn gaan -houden. Geloof me, het spijt me kerel, het spijt me zoo....” - -Pim drukte hem nog eens warm de hand. - -„Ik dank je, Mombreuil. Je kon het niet helpen. Ik ga nu zonder -rancune. Ik dank je.” - -En zwijgend ging hij heen, om de tranen te verbergen, die in zijne -oogen stonden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XX. - - -Van dien noodlottigen middag af dat van Taats en Mombreuil elkaar -hadden betrapt, ontweken zij elkaar zoo veel zij konden. Van Taats -trachtte zichzelf wijs te maken, dat het toch zoo erg niet was van -Mombreuil, dat het een noodzakelijke escapade van hem was, die wel niet -meer herhaald zou worden, als hij maar eenmaal getrouwd was. Mombreuil -van zijn kant had al lang geweten van de „louche” avonturen van zijn -schoonvader, die hij trouwens ook niet eens zoo bizonder ordinair vond, -vooral omdat hij niet meer getrouwd, en dus vrij man was. Als echte -Hagenaars, en mannen van de wereld, namen zij die dingen niet zoo -serieus op. Zoo was nu eenmaal het leven. De kwestie was maar alléén -dat je zorg droeg, het stiekem te doen, en naar buiten correct het -fatsoen te bewaren. Dan was iedereen in den Haag tevreden. - -En toch kwam er een zekere, hinderlijke gêne tusschen die beide mannen, -zoodra zij samen met Ellie waren. Het was of zij dan allebei voelden, -dat zij niet waard waren, in dezelfde sfeer als zij te ademen, en of -zij bang waren van elkaar dat zij met hun vuil de reinheid van haar -maagdelijke onschuld zouden besmetten. En het geheim, dat zij van -elkaar bewaarden, werd dan als een benauwing, die hen beklemde, en die -ook Ellie op zich voelde drukken, als een vaag gevaar, dat zij niet -kende, maar toch voorgevoelde, zonder te weten. Het was haar, of er -iets om haar was, dat haar bedreigde, iets, wat ieder oogenblik op haar -àf kon komen, onverwacht, uit een hoek, en dat rondwaarde in het -geheele huis. - -Ééns was het rakelings vlak bij haar geweest, en toch nog weggegaan, -zonder dat het haar bewust werd. - -Mombreuil zat bij haar in de serre een kop thee te drinken, waar de -oude heer „het Vaderland” las. - -Maurice had haar een paar nieuwe glacé handschoenen mede gebracht, waar -zij om verlegen was. - -„Vin je deze niet erg mooi?” vroeg hij. „Ze zijn uit dat nieuwe -magazijn van Madame Berthier op den Vijverberg.” - -Sedert een halfjaar was er in een van de groote huizen op den -Vijverberg een zaak opgericht in de allerfijnste soorten handschoenen, -die bizonder in trek was bij de hooge aristocratie en de patricische -beau-monde. Zij was met véél chic ingericht, in een gesloten huis, véél -te deftig om een gewonen winkel te schijnen, en een eenvoudig burgerman -zou het niet in zijn hart hebben gekregen, daar binnen te gaan. - -Van Taats keek plotseling op van de courant. - -„—Zijn die handschoenen van Madame Berthier?” vroeg hij, als bang. - -„—Ja, papa, kijk eens hoe mooi!” riep Ellie. „Zijn ze niet beeldig? -Maurice heeft ze voor mij meêgebracht. Ik ga voortaan dáár alleen mijn -handschoenen koopen.” - -Haar vader was bleek geworden van schrik. En opeens zeide hij heftig: - -„—Dat moet je niet doen, Ellie. Ik wil niet dat jij daar in dat huis -komt. Doe me een plezier, en beloof me dat je daar nooit zult komen.” - -Ellie begreep er niets van. En weêr voelde zij dat vage gevaar, dat om -haar heen hing, de laatste dagen. - -„—Waarom niet, papa?” - -Van Taats zag Mombreuil aan. Maar ook Maurice keek verwonderd. Hij -scheen dus nog van niets te weten. Toch vermoedde hij iets, met de -fijne „flair,” die hij van zulke dingen had.... - -„—Dat kan ik je zoo niet zeggen, kind,” zei van Taats, op een -zacht-autoritairen, vaderlijken toon. „Dat zijn geen dingen voor jonge -meisjes. Laat het genoeg zijn dat ik niet wil, dat je daar komt.” - -En zij, gedwee, als een gehoorzame dochter: - -„—O! Dat is natuurlijk genoeg. Ik beloof u, ik zal er heusch niet -komen, als u ’t liever niet hebt.” - -Maar toch vroeg zij zich onrustig af, wat het dan toch wel zijn kon, -wat papa bedoelde, en waarom soms alles zoo vreemd werd, zoo vreemd en -zoo bang in huis, of er iets verschrikkelijks zou gebeuren.... - - - -Totdat het haar ineens geopenbaard werd, genadeloos, met een zwaren, -onbehouwen slag in haar teeder, maagdelijk leven. - -Het was denzelfden dag, dat Pim op Mombreuil’s kamer kwam, om hem -rekenschap te vragen. - -Ellie zat even wat te lezen, vóór de lunch, toen opeens haar vader, -bleek en zenuwachtig, in zijn reispak, met zijn groot valies in de hand -binnenliep. Het was maar heel zelden, dat hij in haar boudoir kwam, -waar hij zich niet op zijn gemak voelde. - -„Ellie!” zeide hij, met een lichtelijk bevende stem, „ik kreeg daar net -een telegram, waardoor ik op reis moet. Het zijn héél dringende zaken. -Ik moet even naar Londen, misschien zelfs wel naar Amerika. Dat zal ik -je wel nader schrijven. Maar nu moet ik direct weg. Ik heb geen tijd te -verliezen, kind. En nu kom ik je gauw even goeden dag zeggen. Geef me -een zoen als je wilt....” - -En weêr voelde Ellie het héél dicht bij, het vage, onzichtbare dat in -het huis hing den laatsten tijd. Wat deed papa vreemd.... Wat zag hij -er bleek uit.... - -Ze kuste hem liefdevol op zijn voorhoofd, en zijn beide wangen. En -liefdevol vroeg ze: - -„—Er is toch niets, papaatje?.... Het is toch niet erg, dat -telegram?.... Bent u er erg ongerust over?....” - -„—Welneen, kind, het is niets, hoor!.... alleen maar geldzaken.... -kwesties met effecten....” - -En hij liep naar de deur. - -Maar ineens kwam hij weêr terug. - -Hij nam haar hoofd in zijn handen en keek haar innig aan. - -„—Zeg, Ellie, als er nu eens iets gebeurde, met den trein of zoo.... je -kan nooit weten.... en ik kreeg eens een ongeluk.... het is natuurlijk -maar gekheid, maar stel ’t je nu eens voor.... en ik was eens dood, zie -je, en er kwamen eens menschen, die allemaal kwaad van me vertelden.... -wat zou je dan wel van me denken?....” - -Zij keek hem verbaasd aan. - -„—Wat een vraag, papa.... wat zou ik ooit anders denken, dan dat u mijn -lief, goed vadertje bent, die zooveel van mij houdt?....” - -Hij kuste haar, en nog eens, en nog eens. - -„—Als je dát maar altijd gelooft, Ellie, dat ik heel veel van je -gehouden heb altijd.... al ’t andere moeten ze maar van me vergeten.... -maar dat ik véél van je houd, lieve, dát is alleen waar....” - -Toen knikte hij haar nog eens vriendelijk toe, en liep haastig het -boudoirtje uit. - -En Ellie bleef achter, verwonderd, met een vreemde ongerustheid. - -Wat had papa raar gedaan.... wat zou hij eigenlijk hebben bedoeld.... -hoe bleek was hij.... zou het een erg nare tijding voor hem geweest -zijn in dat telegram? - -Dáár hoorde zij de voordeur hard dichtslaan. - -En zij schrikte op, angstig, of die slag op haar hart was gevallen, -zwaar en onheilspellend. - -En weêr dichter, al kon ze ’t altijd nog niet begrijpen, voelde zij het -op zich af komen, dát, ze wist niet wat, dat al zoolang dreigde, van -overal, van nergens, en dat toch maar niet wou komen.... - -Wat kon papa toch wel bedoelen?.... Wat een vraag! of zij geloofde, dat -hij van haar hield.... Dat ze al ’t andere maar van hem moeten -vergeten.... vergeten?.... wat vergeten dan toch?.... en welk -andere?... - -Het dienstmeisje kwam haar roepen, voor de lunch. Toen ze in de kamer -kwam, zag ze nicht Joséphine vragend aan. - -Maar de oude dame keek voor zich, en het was Ellie, of zij haar liever -niet wilde aanzien. - -„—Nicht!” vroeg ze angstig, „weet u niet wat er stond in dat telegram? -Er is toch niets met pa?.... hij was zoo bleek.... o! als er iets is, -zeg het me dan toch....” - -Maar nicht Joséphine bleef heel bedaard, en probeerde haar te kalmeeren -met verstandige woordjes. - -„—Zeker Ellie, er zal wel iets zijn, natuurlijk.... je vader zit in -veel engelsche en amerikaansche ondernemingen.... zijn fortuin is bijna -heelemaal in ’t buitenland belegd.... maar dat zijn zaken, waar vrouwen -zich heusch niet mede moeten bemoeien....” - -En Ellie liet zich overreden, zeide dat ze het begreep, dat het wáár -was dat zij er niets mede te maken had, natuurlijk niet, dat sprak van -zelf.... - -Maar toch voelde ze, dat nicht niet alles wilde zeggen en dat er meer -moest zijn, meer.... - - - -Ze had geen lust om uit te gaan. ’s Avonds, na het diner, zou Mombreuil -komen. Ze kon nú Wies wel halen, om te wandelen, of even een briefje -sturen aan Pim, maar het kon haar nu toch niet meer schelen, naar ’t -strand gaan, of naar ’t Kurhaus, zonder Maurice. - -En ze bleef wat lezen, wat borduren, wat knutselen met een kant, die ze -aan ’t maken was. - -Om vier uur werd er gebeld, en ze hoorde, dat er iemand werd -binnengelaten, in de vestibule. Nieuwsgierig keek ze even boven aan de -trap. Het was een vreemde heer. In ’t zwart was hij, met een hoogen -hoed op. Hij vroeg haar vader te spreken. Verder kon ze ’t niet meer -hooren wat hij tegen Marietje zeide. Maar hij werd binnengelaten, bij -nicht. Wie kon het zijn? Na een kwartier ging hij weer weg. - -En inééns voelde ze ’t weer, dien angst, dien vreeselijken angst voor -wat ze niet wist.... - -Ze belde Marietje. - -En Marietje vertelde het weinigje wat ze wist. De vreemde had meneer -willen spreken. Toen had zij gezegd, dat meneer uit de stad was. Wie of -er dan nog meer in huis was, had hij gevraagd. Juffrouw Joséphine had -ze gezegd, maar die ontving vandaag niet. Maar dat moést dan maar, had -de vreemde meneer gezegd. En ze had hem moeten aandienen, of ze wilde -of niet. Op zijn kaartje stond Meester van Henke, of zoo iets en hij -was de Officier van Justitie. - -Ellie hield zich kalm. - -„Zoo, de Officier van Justitie,” zei ze bedaard, alsof het niets -bizonders was. - -Maar daar wás het weer, daar was het weer nader bij, veel nader bij -gehuiverd.... het was als een kring van ontzetting, die om haar -dichttrok.... zou het nu eindelijk, eindelijk komen....? - -En ze verlángde, ze verlangde, dat het er nu maar zijn zou, dat -verschrikkelijke, opdat ze het tenminste wist, en niet langer zou -voelen die ontzettende ongerustheid, die erger was dan het állerergste -wat ooit kon komen.... - - - -Totdat het kwam, afschuwelijker dan wat ze ooit had kunnen denken. - -Het was vijf uur, en Ellie was even naar den salon gegaan, om in de -serre naar de bloemen te kijken. - -Toen ze terug wilde gaan, naar boven, zag ze een courant liggen in de -bus. Het was het groote socialistische dagblad „De Zon”, dat haar vader -nu en dan las, voor de curiositeit, juist omdat hij zoo’n hevig -anti-socialist was. En ineens kreeg ze een voorgevoel, dat ze die -courant moést lezen, waaróm wist ze niet, maar er was iets aan dat -witte ding daar in de bus, dat haar onweêrstaanbaar aantrok. - -Ze had het blad wel eens meer gelezen, uit verveling, zonder er belang -in te stellen. En toch kreeg ze opeens een behoefte, om het even in te -zien, als voelde ze intuïtief, dat er iets instond, wat haar aanging. - -Voor dat ze zich bewust was, waarom ze het eigenlijk deed, had ze de -courant meêgenomen naar haar boudoir. - -Niets bizonders.... iets over een werkstaking.... over de -ongevallenwet.... over een kamerzitting.... wat kon dat haar nu -schelen.... nu maar het tweede blad even inkijken.... - -En daar stond het. - -„Een Haagsch schandaal”, met groote letters. - -Ze las.... ze las.... en nogeens.... - -Ze begreep het eerst niet heel goed. Als een, die van de eerste -ontzetting te verstomd is, om dadelijk te beseffen, dan, langzaam, -langzaam doemt het op.... - -Maar, groote God, dat kón toch niet, dat kón toch immers niet zijn.... - -Het groote huis van Madame Berthier.... op den Vijverberg.... -zoogenaamde handschoenen-magazijn.... maar schandelijk rendez-vous van -een zedelooze club.... schaamtelooze veilheid van getrouwde vrouwen, -voor geld, om rekeningen te betalen.... en nog erger.... afschuwelijke -misdrijven tegen de zeden.... minderjarige meisjes.... daar gelokt met -bonbons en andere cadeautjes.... de dochtertjes van fatsoenlijke ouders -op straat niet meer veilig.... personen uit de aanzienlijkste standen -betrokken, tot zelfs in de hoogste kringen van het Hof.... -klassenjustitie.... maar nú al te duidelijk, bijna niet meer te -sussen.... eenige personen nu al zeker gevlucht.... expres gelegenheid -gegeven.... een gewezen staatsraad, een gewezen kamerlid, wèlbekend, -Koninginnegracht.... Officier van Justitie zal onderzoek beginnen..... -maar natuurlijk te laat.... vogels gevlogen.... en later toch wel weer -gesust, het schandaal.... ellendelingen.... - -Ellie gaf een schreeuw van walging. Het was, of ze ineens met iets -afschuwelijk vuils was overgoten... of het vieze overal langs haar heen -droop, over haar hoofd, door haar kleeren heen, op haar lijf. Zij -voelde het zwáár op zich drukken, of ze er van zou stikken, en voelde -den adem stokken in haar keel. - -Neen, dat kón niet, dat was té vreeselijk.... en toch, het stond er.... -dat moést haar vader zijn, het kon niet anders, het kwam allemaal zoo -uit.... inééns was hij weggegaan, als op een vlucht.... en dan zoo -straks, de Officier van Justitie.... - -Wát het precies was, wist ze niet eens, kón ze ook niet weten.... maar -iets héél verschrikkelijks, afschúwelijks, diep verachtelijks, dát -voelde ze, uit maagdelijk instinct.... - -Maar haar eigen vadertje, haar lief, goed, oud vadertje, neen, het kon -niet, het kon niet.... het moest lage laster zijn.... - -Ze moest, ze zoú weten.... - -En dadelijk liep ze trap af, naar nicht Joséphine, in den salon. - -„Nicht!... lees u.... gauw.... is het wáár nicht, kán dat wáár -zijn?....” - -Zij zag het oude mensch schrikken en heel bleek worden. Nicht Joséphine -wist niet wat ze zeggen zou.... ze mompelde iets, maar zij begon te -stamelen, en kon er niet uitkomen.... En met angstige oogen keek ze -Ellie aan.... - -Toen stotterde ze nog iets, van geen lectuur voor een meisje.... kan -zij niet begrijpen.... zich er niet mede bemoeien.... niet alles altijd -willen weten.... en later wel weer terecht komen.... niet ongerust -maken.... vuil courantengeschrijf.... - -Maar Ellie voélde het, met de fijne voelhorens van haar ziel.... ze -voelde den leugen in al die onbeduidende, huichelachtige woorden, die -zoo bedriegelijk héén draaiden om de waarheid. - -En met de handen van schaamte voor haar oogen, om nicht niet meer aan -te zien, liep zij snikkend de kamer uit, naar haar boudoir. - -Zij viel op een canapé, en verborg haar gezicht in een kussen, bijtend -in het zachte satijn, om het niet uit te gillen van pijn, de oogen -stijf dichtgeknepen, om niets, niets meer te zien. - -O! Kon het toch zoo maar blijven, áltijd donker, dat zij niemand meer -behoefde aan te kijken, en dat niemand háár zag! Want zij was -besmet.... zij voélde het vuil op zich.... en het kon nooit, nooit meer -van haar af.... iedereen zou het dadelijk zien.... het kleefde aan haar -vast, het was ook in haar lief boudoir gekomen, en het was in ’t -gehééle huis.... hoe kon ze zich nog ooit vertoonen aan de menschen.... -het was toch van haar vader op háár overgegaan.... zij was er mee -besmet natuurlijk, het kwam nu ook op háár neer.... En het ergste, zij -voelde het in haar ziel, nu zij het voor ’t eerst gezien had, het vuil -van de wereld.... al waschte ze zich héélemaal schoon, met de fijnste -zeepen, in haar ziél voelde ze het toch, en daar kon het nooit meer -worden als vroeger.... - -En ze rilde van zichzelve, uit walging dat ze dit vuile in zich voelde, -of ze vergiftigd was met vies, stinkend vocht. - -Stil, daar kwam de meid boven. Er werd geklopt op haar deur. - -De meid. Met een brief. - -„Alstublieft, juffrouw. Ik moest den brief eigenhandig aan u geven.”— - -En zij, zoo kalm mogelijk: „Het is goed, Marietje. Dank je wel. Geen -antwoord. Zeg aan nicht, dat ik niet kom eten, dat ik niet wel ben -geworden.” - -Één blik op het handschrift. - -„Van Maurice!” - -En ze wist het al. Ze behoefde dien brief niet eens meer te lezen. Het -was van de schande! Alweêr van de schande! Nu kon Maurice haar -natuurlijk niet meer trouwen. Hij kon niet tot vrouw nemen de dochter -van een vluchteling, van een misdadiger, dien de politie zocht. Hij kon -zijn naam niet schandvlekken met een naam als dien van haar. En nu was -het voor altijd uit met het geluk. En al wou hij nog, zij zou het niet -meer van hem aannemen. Zij mocht hém niet ongelukkig maken met háár -schande. - -Toch brak zij den brief nog even open. - - - „Lieve Ellie! - - Wil mij vergeven, als ik je iets beken, wat ik je al zoo lang had - willen zeggen. Ik houd niet genoeg van je om je ooit gelukkig te - kunnen maken. En dat komt omdat ik je niet waard ben, omdat ik niet - meer rein en goed kan liefhebben zooals een meisje als jij - verdient. Daarom is het maar beter, dat je mij mijn woord - teruggeeft. Morgen zal Wies bij je komen, en je alles vertellen, - wat ik hier niet schrijven kan. Denk niet te slecht over me, en - geloof, dat je het beste en liefste bent wat ik ooit in mijn leven - heb gekend. Maar daarom juist voel ik, dat ik je niet mag maken tot - mijn vrouw. - - Maurice Mombreuil.” - - -En ze glimlachte over zijn goedheid. Hij had haar willen sparen. Hij -wilde het laten voorkomen, of hij niet goed genoeg voor háár was, of -hij niet waard was van haar te houden, maar natuurlijk was het juist -omgekeerd, dat sprak van zelf. Hij had het gehoord, van de schande, -zooals natuurlijk heel den Haag het gehoord had, en nu kon hij haar -niet meer kennen. Dat ging niet. Hij, een Mombreuil, en zij, de dochter -van een vluchtenden misdadiger, gezocht door de politie!—En hij had het -nu afgemaakt, loyaal en ridderlijk, zooals hij altijd was. - -Hij, de groote, de sterke, hij, de held, hij zou niet waard zijn haar -lief te hebben! - -En de tranen kwamen haar in de oogen, om de ridderlijkheid, waarmede -hij de schuld op zichzelf had genomen, en haar de eer had gelaten, hém -zijn woord terug te geven. - -Zij kuste den brief, zenuwachtig, keer op keer, met dankbare, gloeiende -kussen. - -„Mijn lieveling, mijn groote, mooie lieveling, ik had het moeten weten, -je was niet voor mij, het kón immers niet, ík zoo’n arm, klein -vlindertje maar, en jij zoo groot en zoo mooi....” - - - -Maar wat nu te doen?.... Hoe nu verder voort te leven zonder hem?.... -Wat was nu nog het leven zonder hem?.... Vroeger had ze nog haar -Kurhaus, haar strand, haar tennisclub, en al het plezier.... maar dat -was nu wèg, voor goed, dáár kon ze nu niet meer komen.... ze wezen haar -nu allemaal na.... kijk, daar gaat ze, de dochter van.... je weet -wel.... ze noemden haar vroeger het Vlindertje.... een mooi -Vlindertje!.... - -Ze keek rond in haar boudoir.... alles zoo netjes, zoo keurig, zoo -rein... al die zijde en dat satijn... dat was toch allemaal het oude -nog, allemaal van haar.... en ze was toch dezelfde nog van vroeger... -er was aan haar toch niets veranderd.... Ja, toch, er was wèl iets aan -haar veranderd.... al héél lang.... en nu, ineens, zonder waarschuwing, -bruut en grof, was het vuile van de wereld gekomen over haar blanke, -argelooze ziel.... Haar eigen vader... hoe was ’t mogelijk!.... haar -eigen lief, goed, oud vadertje, midden in ’t vuil.... híj, vies en -gemeen gedaan, met onschuldige kinderen.... meisjes als zíj.... ze wist -niet wat het was, en toch wist ze ’t, uit voorgevoel.... het moest iets -héél, héél verschrikkelijks zijn.... een schande, die nooit, nooit meer -is uit te wisschen, en die ze ook zullen neêr laten komen op háár, -onverbiddelijk.... - -En het was haar, of dat vuil ook háár besmet had, of er iets over haar -was gekomen als een vunze, giftige pestwalm, of het zat op haar hoofd, -haar haren, haar schouders, dat iedereen het zien kon, dádelijk.... - -Waarom was er nu niemand om haar te troosten?.... het klopte zoo in -haar hoofd, en overal beefde het zoo aan haar van walging en -ontzetting.... maar iedereen zou van haar wegloopen, niemand zou haar -willen kennen.... nu zou ze héél alleen staan,.... vadertje was weg... -het was erger dan of hij dood was en hij kon nu nooit meer vadertje -zijn van vroeger.... o! ze zou van hem schrikken, ze zou hem geen hand -meer durven geven.... en Maurice was nu ook weggegaan, die kon ook niet -meer bij haar blijven, na wat gebeurd was.... Kwam er dan niemand om -haar te helpen.... - -En ineens riep zij hem, intuïtief, wetend, dat hìj altijd trouw zou -zijn, tot aan den dood: - -„Pim!” - -Pim! Dát was de eenige, waar ze nog naar toe kon gaan, de éénige, die -haar nooit, nooit zou verlaten, al was de schande bergenhoog over haar -hoofd. - -En zij zag zijn trouwe, blauwe oogen en zijn nog zoo kinderlijk, open -jongensgezicht, en voelde een groote, onweerstaanbare behoefte om bij -hem te zijn, en hem alles, alles te vertellen. Voor ’t eerst in haar -leven voelde ze eigenlijk hoe lief hij haar was, hoe hij het laatste -toevluchtsoord was, dat altijd zou blijven staan zonder wankeling, -standvastig en oprecht, waar alles om haar heen nu zou wegvallen, in de -groote catastrophe van haar leven. - -Als zij hier alleen bleef zitten zou ze nog gek worden, dat voelde ze -zéker, in haar angst. Zij kon het zoo niet uithouden. Ze moést het -zeggen, aan iemand zeggen, die haar begrijpen zou, die haar kon -troosten, en haar niet verlaten zou in dezen uitersten, uitersten nood. - -Ze ging zooals ze was, in haar wit serge japonnetje, en zette een hoed -op, zonder zorg, zoo maar, héél gauw, om maar wat op te hebben. Ze wist -het, het stond niet, maar daar was ze nu overheen. Ze wilde naar Pim. -Ze zou hem opzoeken, in zijn kamer, en ze zou hem smeeken, om haar te -helpen. Hij was altijd zoo goed, zoo goed, zoo goed. Hij zou haar nooit -verlaten. - -En ze ging zachtjes de trap af, dat nicht Joséphine het niet zou -hooren. Nu stilletjes de voordeur open en ze was op straat. Het was -half zeven. Zou hij thuis zijn? of zou hij al naar ’t Kurhaus zijn -gegaan? - -Dáár was zijn pension, Javastraat No. 12. Nu maar flink gebeld. Johan, -zijn oppasser, deed open. Neen, de luitenant is niet thuis. Hij is om -half zes naar Scheveningen gegaan met luitenant de Sandt, en eet zeker -in het Kurhaus. - -Dáár zou ze hem wel vinden. Hoe zou ze gaan? Met de trem? Neen! In -zoo’n trem zat ze zoo alleen tusschen zooveel menschen. Die zouden haar -allemaal zoo aankijken. Want iedereen wist het nu natuurlijk. Iedereen -had het nu al gelezen. Neen, dat kon ze niet. Dán maar loopen. De -Javastraat uit, en dan bij den Ouden weg, door de Boschjes. Daar waren -nu niet zooveel menschen. - -Maar óók al in de Javastraat verbeeldde ze zich, dat de menschen naar -haar keken. Ja, ze vóelde het, al zag ze zelf naar den grond, ze vóelde -het. En ze dachten allemaal „daar gáát ze, Ellie van Taats, je weet -wel, de dochter van....” Ze voelde haar wangen gloeien van schaamte en -verontwaardiging. Een straatjongen bleef even staan, en trok een -leelijk gezicht tegen haar. Als hij haar nu maar niet nariep! Neen, -Goddank, hij liet haar met rust. - -Zoo liep ze, angstig en verschrikt, met kloppend hart, zoo hard ze maar -kon, om toch maar gauw bij Pim te zijn. Ze keek aldoor maar voor zich, -als zocht ze iets op den grond en zag ze niets van wat om haar -gebeurde. Maar toch was het haar altijd of ze door een cordon van -menschen ging, die het allemaal wisten, die haar uitlachten, en die -verachtelijk op haar neerzagen. Ook in de boschjes kon ze het niet -kwijtraken. Het vervolgde haar in de leêge laantjes, het keek van op -zij uit de struiken, en hoog uit de boomen. Ze was een schande, die -rondliep, voor iedereen ten spot. - -Eindelijk was ze, door het van Stolkpark, in Scheveningen gekomen, op -de Haringkade, op de brug bij de Badhuisstraat. Liet ze nu vooral niet -rechtuit gaan, met al die trems en rijtuigen, op den Gevers Deynootweg. -Neen, liever hier de brug over, en dan die nieuwe buurten door, dan -kwam ze vanzelf wel weêr bij ’t Kurhaus uit. Ze kende die straten nog -niet. Renbaanstraat stond hier, op een bordje. - -Het begon donker te worden, in die laatste dagen van September. Hier en -daar werden de lampen opgestoken in een café. En ineens begon een piano -te spelen, een woeste uitgelaten wals. Ellie schrikte er van, of ook -die muziek het uitschaterde over háár. - -Eindelijk, dáár was ze op het Gevers Deynootplein, voor het Kurhaus. - -Overal liepen menschen in vroolijke, lichte pakken, zacht-kleurend in -de schemering, die naar de muziek gingen. Er kwamen er uit de -electrische trem, uit de paardetrem, en zij zag een grooten drom -aankomen uit het station van de stoomtrem. Hier en daar begonnen al de -lichtjes te flikkeren van lantarens, weifelend en onzeker, in de bleeke -schemering. En het groote massale Kurhaus stond vreemd, met een -mystiek-rossigen glans in het late licht van den vallenden avond. Al -die menschen, die daar van alle kanten aanstroomden, schenen op te gaan -tot een bovenaardsch, wonderbaarlijk genot, dat hen daar wachtte in dat -groote, vreemd-glanzende gebouw. - -Ellie bleef even stilstaan. - -En inééns voelde zij, voor ’t eerst in haar bestaan, hoe genadeloos -wreed en koud dat groote, Haagsche leven was, waar ze zoo met haar -geheele hart in was opgegaan. Want alles ging nog precies zoo door, en -zoú ook altijd even onverstoorbaar doorgaan, nu zij er nooit meer aan -kon meêdoen. Ze had altijd gedacht, dat ze er zoo héélemaal -bijbehoorde, dat ze er zoo innig één mede was, in een warme, -vriendelijke verstandhouding met al die uitgaande, mooi gekleede -menschen. Maar plotseling, hoe vèr het buiten haar om was, en hoe het -niets, absoluut niets om haar gaf, en het er niet eens iets van -bemerken zou, als het Vlindertje er niet meer in rondfladderde! Dat zij -het nooit vroeger had geweten! Al die menschen, die zoo -schijnbaar-gezellig samen meêdeden aan de mondaine wereld, zij waren -héél aparte levens, alleen op eigen genot bedacht, en zonder warm -verband van vriendelijke broederschap. En niemand, niemand zou omkijken -en er om stilstaan, als één uit de groote bende verongelukt was, en -jammerlijk uitgeworpen langs den weg.... - -Ja, erger nog. Al diezelfde menschen, die haar vroeger zoo aardig -hadden gevonden, die haar bij het lieve bijnaampje hadden genoemd, en -haar zoo gechérisseerd hadden als een precieus, lief poppetje, tot hun -vermaak, zij zouden haar nú nawijzen met den vinger, en een anderen -kant opzien, als zij naar hen toekwam, zij, de dochter van den man, -wien de politie zocht voor een schandelijke, vuile misdaad.... - -Ze wist, dat ze het niet verdragen kon. Ze zou er onder bezwijken. Ze -kon niet, neen, ze kon dat niet dragen, ze was er nu eenmaal niet voor -aangelegd, om pijn te hebben en verdriet. Ze wist, dat ze niet den moed -zou hebben, dat Kurhaus in te gaan, en door al die menschen te loopen, -die het natuurlijk wisten, en die bang zouden zijn, dat zij hen -aansprak. - -En ineens voelde zij dat groote huis daar voor zich als iets onbestemd -vijandigs, waar haar wachtte een vaag gevaar, wát wist ze niet, maar -iets om van te sterven van angst.... - -En toch was daar Pim, dien ze zocht, Pim, de éénige die haar kon -helpen. Waarom was hij daar in dat groote, vijandige gebouw, onder al -die kwaadwillende menschen, nu zij hem zocht, om zich aan hem vast te -klemmen als een láátste toevlucht, nu alles, alles om haar wègviel, -waar ze ééns van leefde? Waarom wist hij nu niet, dat zij daar stond, -waarom voélde hij het niet, en vloog hij haar niet te hulp, nu zij zelf -zoo bang, zoo heel bang was, en niet durfde binnen te gaan, waar -zooveel menschen waren, die haar bespotten zouden? - -Neen, hij kwam niet. - -Hij niet, en niemand kwam. Niemand kon het iets schelen of zij daar al -te wachten stond, en leed, en bang was. Het groote Leven dáár ging -onbewogen door, en wist niet, en zag niet naar ééne, die het niet bij -had kunnen houden. - -En opeens werd het besef in haar klaar van haar groote absolute -verlatenheid in het Leven, dat zij ééns zoo vertrouwd dacht, en vol van -warme éénheid, die de menschen aan elkaar verbond. Nooit had ze het -geweten, maar eigenlijk had ze daar altijd rondgefladderd als een -vogeltje in een woestijn, heel eenzaam en heel apart, gelukkig met -dingen, die niet waren dan schijn, als een Fata Morgana, dat dra in -niets verdwijnt. Ze voelde zich totaal onnoodig voor al die menschen, -een arm, zwak wezentje, dat evengoed gemist kon worden, en waar niemand -om zou treuren. - -Zoo peinzende liep zij door, zonder recht te weten waarheen zij ging, -het Kurhaus voorbij, éven haastig door de menschen op den Boulevard, en -dan de eerste steenen trapjes af, naar het strand. - -Hier was het goed, hier waren nu geen menschen, en hier zou niemand -haar zien, haar, waardeloos, nietig ding, dat toch niemand miste. - -De avond begon nu al dichter neder te vallen, met donkerder en -donkerder schaduwen. O! Kon ze zich nu maar voor altijd verstoppen in -dat donker, dat niemand haar meer zag, en dat zij zelf de oogen niet -meer behoefde dicht te doen om niets meer te zien van al dat leven, dat -zoo wreed was, en haar niet meer wilde kennen! - -O! Niet meer te weten, niet meer te herinneren, en in vergetelheid -zachtjes wègdroomend te vergaan! - -In wanhoop staarde zij voor zich uit, als wilde zij iets vinden, dat -haar genadiglijk zou opnemen, waar zij zich uitgestooten voelde van de -menschen, voor goed. - -En opééns voelde haar ziel de zee.... - - - -Donker en eindeloos was het vóór haar, het reine wereld-water, op -eeuwigen adem deinende, vér en vér.... - -Het was een oneindigheid, in het vallende duister, die zij meer voelde -dan zag, en die zij sidderend hoorde, in de ruischende muziek van haar -majestueus rythme. - -Daar riep haar iets, van uit die verre verten; iets dat haar ziel -herkende, of ze het méér gehoord had, of ze er eenmaal één mee was -geweest.... - -En het werd haar op eenmaal licht en vreemd te moede, of zij wonderlijk -droomde. - -Ze zag even om, naar het Kurhaus terug, waar zij de werkelijkheid dacht -te zijn. - -Maar alles vervaagde, en zonk er zachtjes weg, als voor het láátst. Een -ijle avond-nevel was over alle dingen gegleden, die er lucht in -vervluchtigden, als wèg in het niet. Vreemd schenen daarin -lantaren-lichtjes hoog boven op het terras, in flauwe verdooving. Het -leek alles herinnering en ver verleden, om ééns geweest te zijn, maar -niet meer terug te komen. Het Kurhaus was een zachte schaduwing van -donkere vormen, onzeker en onreëel als een paleis uit een nevelig -sprookje, in de fantasie van een kind. En Ellie voelde het aan, of het -was van jaren her, en niet meer van haar leven. - -Dat leek opééns nu alles ver, zoo heel vaag en ver, nu haar ziel zoo -sidderend gevoeld had de eindeloosheid van het wereld-wezen, in het -machtig ruischen van de zee!... - -O! Hier was het goed, hier was het goed, in dat genadevolle duister, -dat zij om zich voelde vallen als een veiligen, alle schande -bedekkenden mantel, zoo luidloos, zoo liefderijk voorzichtig, zonder -zwaarte om haar heen.... - -Hoe zacht verging het daar alles òm haar, hoe gleden de dingen -onhoorbaar weg, zonder pijn, in dien rustigen droom van den avond, kalm -en vreezeloos, als kinderen, die slapen gaan! - -Ze was nu moê, heel moê. Ze wilde nu ook wel héél graag slapen en niet -meer weten. - -Eigenlijk was ze al heel lang zoo moê geweest, en had ze nooit meer de -reine, onbewogen rust gekend, als die ze nu zag droomen over de wereld, -in dezen teeder-ademenden avondnacht. - -Sedert haar maagde-ziel gebeefd had onder den donkeren blik van een -man, had daar een weeë, bange onrust in haar gewoeld, die niet haar -innige wezen was. Die liefde had haar ziel toch eigenlijk maar -droeviglijk beroerd, met vreemde huivering van pijnigend verlangen. En -eigenlijk was ze altijd bang geweest, heel bang, voor iets dat breken -zou, het teerste in haar, door dat verlangen naar dien lieven, en toch -altijd vaag-vijandigen man. - -Maar nu was ze te moê, te moê, o, veel te moê. Te moê was ze van -lieven, en te moê van bang zijn, en te moê van schreien, en van -alles.... En niets zou nu meer helpen, het was te laat.... Ook niet -Maurice meer, al kwam hij biddend terug, om haar weer op te nemen in -zijn armen.... En ook niet Pim, haar lieve, trouwe broer, haar jongen, -met zijn vriendelijk, blond pagegezicht, en zijn trouwe blauwe -oogen.... - -Het was gedaan, en vér verleden, en het zonk alles voor haar weg, -zooals de werelddingen òm haar, verdroomend in nevelig duister.... - -En ook zij moest nu maar weg, ze voelde het, ze hoorde er niet meer en -had er niets meer over. Ze was nu leeg, van alles los, en moest nu ook -maar stil verdwijnen in het niet, in die eindelijk weergevonden rust, -die het veilig thuis was van haar ziel, wèg van al dat lieve en toch -zoo bange, dat zoo droef beroerde wat vroeger vrede in haar was.... - -Zij voelde zich loopen, een wandelpier op, langs groote, glibberige -steenen, aangetrokken door de zee, die haar vanzelf deed voortgaan. - -Nu was zij op het uiterste eind gekomen, ze kon niet verder. - -Wat nu?.... wat ging ze doen?.... droomde zij?.... hoe stond ze daar nu -zoo ineens, zonder iemand, héél alleen, een arm, klein schepseltje, -daar bij die groote, groote zee?.... - -O ja.... o ja.... de schande, de schande.... het vuil, het vreeselijke, -vieze vuil van de wereld.... het was op haar hoofd, op haar hals, op -haar lijf, het was héél binnen in haar gekropen, en het sijpelde in -haar door, vèr door haar ziel.... - -De zee, de zee kan het afwasschen.... de zee is groot, en goed, en -eeuwig rein.... Het moet wel héél zalig zijn, daar zoo heel diep onder -de zee te liggen, van alles wèg, en overal is water om je, en alles -wordt weer rein, wordt weer heerlijk schoon, en niets kan nu ooit meer -smetten.... Boven gaan de golven nog rusteloos, maar wat moet het daar -onder rustig zijn.... zoo rustig, en zoo vredig, en zoo stil.... - -Een vreemde aantrekking, zacht en bedwelmend, deed haar overbuigen naar -het water.... haar voet gleed uit op een glibberigen steen, en ze viel -voorover, de handen uitslaande naar een steunpunt in het leege, in de -machtig-ebbende zee.... - - - -En als een arm, nietig vlindertje, dat verongelukt in wijden, wijden -plas, en trilt nog wat spartelend met de natte wiekjes, en zinkt dan, -droef-gehavend, zóó dreef het broze figuurtje van het maagd-meisje nog -éven boven, een wit, bevend vlekje op de donkere golven, en zonk toen -weg, klaaglijk en hulpeloos, in de diepten van de zee.... - - - September—November 1900. - Scheveningen—Amsterdam. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VLINDERTJE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/69163-0.zip b/old/69163-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 26184a0..0000000 --- a/old/69163-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/69163-h.zip b/old/69163-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 2f64f85..0000000 --- a/old/69163-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/69163-h/69163-h.htm b/old/69163-h/69163-h.htm deleted file mode 100644 index ae35796..0000000 --- a/old/69163-h/69163-h.htm +++ /dev/null @@ -1,6644 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-10-15T20:12:42Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Vlindertje: een Haagsche roman</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/"> -<meta name="DC.Title" content="Vlindertje: een Haagsche roman"> -<meta name="DC.Creator" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -span.accent { -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { -line-height: 0.40em; -} -span.accent span.top { -font-weight: bold; -font-size: 5pt; -} -span.accent span.base { -display: block; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.externalUrl { -font-size: small; -font-family: monospace; -color: gray; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -margin-left: -0.1em; -margin-top: 0.9em; -min-width: 1.0em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -.apparatusnote:target, .fndiv:target { -background-color: #eaf3ff; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -vertical-align: bottom; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.splitListTable td { -vertical-align: top; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em; -padding: 5em 10% 6em; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 8.4pt; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -letter-spacing: normal; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tableCaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.small { -font-size: small; -} -.large { -font-size: large; -} -.center { -text-align: center; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:514px; -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> -<div lang='en' xml:lang='en'> -<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Vlindertje</span>, by Henri Borel</p> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Vlindertje</span></p> -<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>een Haagsche roman</span></p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henri Borel</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: October 15, 2022 [eBook #69163]</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> - <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</p> -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>VLINDERTJE</span> ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first center large">VLINDERTJE -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="514" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">VLINDERTJE</div> -<div class="subTitle">EEN HAAGSCHE ROMAN</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">HENRI BOREL</span></div> -<div class="docImprint">AMSTERDAM<br> -P. N. VAN KAMPEN & ZOON</div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first center small">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„—Ziezoo Pim, dat is dus uitgemaakt, wit serge zal het zijn, en natuurlijk tailor-made, -dat waren we allebei ééns. Maar nu de voering, dat is altijd een heel ding, zie je, -wat denk je dáár van, gele zij of wit satijn?…” -</p> -<p>„—Je weet wel dat je ze allebei kunt dragen, Ellie, wit en geel staan je allebei goed.…. -’t Is eigenlijk een lastig geval.… Maar als je ’t mij vraagt vind ik wit je toch nog -’t beste staan.… ’t Is of dat geel eigenlijk altijd een beetje minder goed doet tegen -je blonde haar … Maar je moet het natuurlijk zelf weten.…” -</p> -<p>„—Zóó, vin je?… Ja, daar is ook wel iets van aan … Ik had het anders al zoo héélemaal -met dat geel bedacht. Als ik het costuumpje met gele zij had laten voeren, had ik -er ook een geel zijden blouse bij genomen, gegarneerd weet je, met entre-deux van -witte kant bijvoorbeeld … En dan een groote hoed <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>van wit stroo er bij, óók met iets geels, gele rozen bijvoorbeeld, gele handschoenen, -en een geelgevoerde parasol.… Dat zou wel aardig kunnen worden.… je weet, die tailor-made -costuumpjes staan me zoo goed.… maar als je nu denkt dat al dat geel niet goed doet -tegen mijn haar.…” -</p> -<p>„—Ik ben geen orakel Ellie,”—zei Pim—„en ik heb er ook eigenlijk geen verstand van, -al beweer je altijd van wèl … maar als je nu met alle geweld mijn opinie er over wilt -hebben, moet ik je ook eerlijk zeggen wat ik vind, hè?… Nu, léélijk vind ik dat geel -niet, dat zég ik niet … ’t doet zelfs meestal juist héél goed bij blonden, dat weet -ik wel.… maar jouw blond is zoo héél apart, dat wéét je heel goed, Ellietje, en ’t -is niet om je eens een complimentje te maken.… er is zooiets van de echte zonnestralen -in, iets dat bijna brandt, zou ik zeggen.… ik vind dat het beter doet bij jou met -wit … -</p> -<p>„—Nu, wat zou je dán willen, wijsneus?” -</p> -<p>„—Wit serge, net als je zegt, en tailor-made óók, maar ik zou het voeren met wit, -met wit satijn, en géén zijde.… En nu de blouse … laat eens kijken … die zou ik blauw -nemen, kindje lief, een blauw-zijden blouse, zoo van dat licht-turquoise blauw … dát -vind ik iets voor jou, en je zult eens zien hoe je dat staat … het mooiste strandfiguurtje -<span class="corr" id="xd31e147" title="Bron: wordt">word</span> je er mee, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>wát ik je zeg … je garneering vind ik goed, met witte entre-deux, uitstekend zelfs, -en dan moet je de sluiting maken met van die knoopjes van kristal, die vind ik zoo -aardig … Zou je dat bevallen?…” -</p> -<p>Ze dacht eens even na, met haar fijne handje onder haar kin, in heel ernstig peinzen -over zóóiets gewichtigs. En toen ineens, ernstig vragend: -</p> -<p>„—En wat voor hoed dan?…” -</p> -<p>„—Wel, de hoed zooals je wou, van wit stroo, maar dan zonder die gele rozen natuurlijk … -Weet je wat ik doen zou? Ik zou er een nemen met van die groote witte wieken … en -dan een zwart fluweel lint er aan, door zoo’n gesp van strass, je weet wel … dan natuurlijk -wit suède-leeren molière-schoentjes er bij, over wit zijden kousen en wit glacé handschoenen … -en, dat is waar ook, ik zou je immers een nieuw parasolletje cadeau doen … nu, die -neem ik dan met een rand van hetzelfde turquoise-blauw als je blouse … en zóó zal -je er wat chic uitzien hoor!… mijn woord er op!… Bevalt het nu zóó de freule?… -</p> -<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> -</p> -<p>Het beviel Ellie wèl, en zij nam zich ernstig voor, de raadgevingen te volgen van -het kleine huzarenofficiertje, dat op een pouf in haar blauwe boudoir als een volleerde -modiste zat te spreken. -</p> -<p>Eduard van Wedell had nu eenmaal een renommée <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>onder de dames van een kenner te zijn van vrouwentoiletten en, al plaagden ze hem -er dikwijls om, in ’t geheim werd hij door menig meisje van zijn kennisjes geraadpleegd -over dat allergewichtigste vraagstuk in het Haagsche jongedames leven, het kiezen -van een nieuw costuum. En het was bekend, dat de mooie en toch zoo eenvoudige toiletjes -van Ellie van Taats, waar ze altijd zoo’n enorm succes mede had, meestal door haar -stiefbroer Eduard van Wedell, den kleinen huzaren-luitenant, waren uitgedacht. -</p> -<p>Het liep nu tegen den zomer, en het nieuwe Kurhaus-seizoen was begonnen. Het was tijd, -dat Ellie met wat nieuws voor den dag kwam, en zij hield eene conferentie met Eduard, -even serieus of ze met eene prima modiste uit Parijs in <span class="corr" id="xd31e166" title="Bron: besprek">gesprek</span> was. -</p> -<p>Blond meisje als ze was, van het goudblond, dat gloeit van zomerstralen op rijp koren, -had ze haar boudoir, haar „toren” zooals ze het noemde, van een exquis Peacock-blauw -gemaakt Het was een boudoirtje als van zooveel fijne, teêre dame-meisjes, met allemaal -brooze, zachte, breekbare dingen, met étagèretjes vol porseleinen miniatuur-poppetjes, -en satijnen poufs, en crapauds, en luchtige, lichte stoeltjes met blauwe zijde bekleed. -Een oud, italiaansch schrijfbureautje, véél te fijn om ooit bij ’t schrijven op te -leunen, <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>een paar lage, turksche tafeltjes, ingelegd met ivoor en paarlemoer, en een groote -standaardlamp van onyx, met een rond blad vol kleine Rozenburg-vaasjes en fotografietjes, -en een groote, blauwe kap. Een rand van hout met blauw peluche langs een wand, met -japansche pulletjes, en hier en daar mandjes met groote strikken, en vooral ook foto’s -naar heel bekende schoonheden van Mora en Reutlinger. -</p> -<p>Aan de wanden nog van die erg mooie, groote gravures in dofbruine lijsten, „<span lang="de">Das Mährchen</span>”, en „<span lang="fr">Le Balançoir</span>” en „Paul en Virginie in den storm” en „De schoone Melusine bij het witte paard”, -die dame-meisjes nu eenmaal o! zoo beeldig en snoezig vinden. Op den grond, over een -donkerder vilten kleed, een Amersfoortsch tapijt van Colenbrander, van een superbe -pauwen-blauw, met dofgele ornamenten, voornaam en erg zacht. -</p> -<p>Op een ezel, rijk met draperie behangen, natuurlijk een groot portret van de jonge -koningin, door Kameke, het nieuwste dat van Hare Majesteit was verschenen, van de -vorstin, die immers het állereerste en koninklijke dame-meisje was van den Haag! -</p> -<p>En dan al die vage kleinigheden, die ’t hem juist doen, <span lang="fr">petits riens</span>, een boeketje hier, een fijn strikje dáar, en hier weer een bizonder mooi boekbandje -toevallig op een kleurig satijnen kleedje, al die broze <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>teederheidjes waar zoo’n onbewust meisjeszieltje intuïtief haar behoefte om gracieus -lief en zacht te doen in uit. -</p> -<p>Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar licht-blauwe-droom-oogen en haar rank, -teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp dan een vrouw voor het groote -Leven. Als een vreemde, exotische orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van -allergevoeligste essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte -couleuren, omgeven van zijde en satijn, en van dingen, die alleen de aanraking verdragen -van heel eerbiedige vingeren en heel luchtigen stap van voeten. -</p> -<p>Het keurige, kleine huzaren-luitenantje dat bij haar zat, correct in zijn nauwsluitende -uniform, met zijn baardeloos, blank melk-en-bloed gezicht, zijn kort, witachtig-blond -haar, en even zachte blauwe oogen als zij, leek ook niet zoo reëel en serieus als -een officier moet zijn. Er was iets van travesti, en iets van bijna miniatuur aan -hem, dat óók den indruk gaf van een héél teer, allersubtielst bloeisel, als een allerláatst -exemplaar van een bizonder, fijn ras, dat juist door die tot het uiterste doorgekweekte, -van alle andere verscheidenheden zuiver gehouden verfijning, ten einde liep, van te -zwakke vitaliteit door de al te groote teêrheid van essences. <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>Jonkheer Eduard van Wedell was dan ook de laatste van een overoud geslacht, verzwakt -door eene serie van huwelijken in de familie, uit overgroote vrees voor vreemd bloed. -</p> -<p>In het lichtblauwe boudoir, te midden van al die broze dames-dingen, die zijden en -satijnen poufs en kussens, die teêre, breekbare stoeltjes, dat zachte tapijt, en die -bij ál te harden voetstap trillende étagèretjes vol miniatuur-poppetjes en pullen, -leken die twee echt Haagsche, mondaine wezens wel absoluut thuis, veilig en vertrouwd -tusschen al de luxe en het comfort, die hun eigen teedere natuur completeerden. -</p> -<p>Maar er was iets in hun beider distinctie en al te ranke gratie als van kasplanten, -of heel vreemde, uit verre sferen overgevoerde vogels, die te teêr zijn voor wreede, -koude winden buiten, en maar altijd binnen de veilige muren moesten blijven van hun -goede, warme huis. Want buiten is het groote, harde Leven, genadeloos, en zonder piëteit -voor wat apart is en bizonder, dat groote, harde Leven waarin alleen het sterke, grof-gezonde -kan gedijen, maar al wat teêr en broos is droeviglijk moet breken.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Als je nu héel dankbaar bent voor zooveel eer,” zeide Ellie, „mag je zelf meê naar -de stad, waar ik de stofjes moet gaan uitzoeken. Je dogcart staat tóch <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>te wachten, dus dat is meteen een uitstekende gelegenheid. Ik ga even bij Haefely -en bij Emmerechts. Je zet me daar dan heel netjes af, rijdt maar een kwartiertje in -het rond, en komt me daarna behoorlijk weêr halen. En ik beloof je plechtig, dat ik -niet langer zal noodig hebben. Natuurlijk neem ik de stalen mee naar huis, want jij -moet ze óók zien, en zóó kom je er niet af.… Het is nu drie uur.… dan kunnen we net -tegen half vijf nog even bij Monchen inwippen.… Welk paardje heb je vandaag? De bruine -Rosa?.… O ja, ik zie haar al.…” -</p> -<p>Ze schoof even de gordijn wat op zijde van het balconvenster, en zag beneden op straat -de dogcart van Eduard voor de deur staan. -</p> -<p>Een klein, broos wagentje, op heel luchtige veeren, glimmend in vroolijke kleur van -lichtgeel vernis. Het mooie paardje stond, den kop trotsch, recht voor zich uit, onbewegelijk -op de fijnen voorbeenen te wachten. De keurige palfrenier, serieus, correct op den -bok, starend voor zich uit met een indrukwekkende ernst, als in diepe meditatie de -oogen naar één punt gericht. -</p> -<p>„Zoo écht gezellig ziet dat bakje er toch uit, Pim. Laten we nu gauw gaan,” zei ze. -</p> -<p>Ze verdween door een zijdeur in haar slaapkamer, en kwam gauw weer terug, met haar -witte matelotje <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>op, en haar manteltje over den arm. En blij neuriënd trippelde ze met Pim de trap -af, onhoorbaar, luchtig zwevend over den zwaren looper. -</p> -<p>Het wagentje veêrde maar éven onder den druk van het ranke dame-meisje, dat met een -vluggen zwaai van de treê op het voorbankje sprong. Eduard nam de teugels, en de palfrenier -klom op het achterbankje, waar hij roerloos zitten bleef, de armen gekruist, met groote -waardigheid. Toen een klein rukje aan de teugels, een zacht, vleiend woordje, en de -bruine draafde met elegante, korte stapjes hoef-kletterend over de straat. -</p> -<p>Zóó gingen ze, luchtige, vluchtige, mondaine leventjes van bevalligheid en elegante -gratie, en reden in het broze, vaag-veêrende wagentje lachend de lichte stad in van -schoonen schijn en illuzie, die den Haag is.… -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Pim was Ellie’s broertje. Hij was wèl twee en twintig jaar, en luitenant bij de huzaren, -maar toch zeide ze altijd haar broertje, en nooit haar broer. Ook was hij eigenlijk -in ’t geheel geen broer van haar, maar dat deed er niet toe, zei ze. -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> -<p>De oude heer van Taats was kort na den dood van zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, -hertrouwd met de weduwe van Jhr. van Wedell, die haar zoontje Eduard, toen pas vijftien -jaar, medebracht. En zoo kwam het dat Eduard met Ellie samen was opgevoed als broer -met zuster. Maar hij was Jhr. van Wedell en zij Ellie van Taats. Ze was heel gauw -familjaar geworden met haar nieuwen broer, en was de baas over hem gaan spelen zoodra -ze voelde, dat hij dol van haar hield. Zij was toen pas twaalf jaar, en drie jaar -jonger, maar toch was hij „broertje,” en Eduard was een veel te serieuze naam voor -hem. Pim, dát was goed voor zoó’n ventje. En dus heette hij voortaan Pim, zijn leven -lang. Hij had nooit een zusje gehad, en was heel blij geweest, er een te krijgen. -Het was zoo heel nieuw voor hem, al dat broze, luchtige, reine en fijne aan haar, -waar hij zoo voorzichtig mede moest wezen, en waar je zoo heel anders tegen doen moest -dan tegen een jongen. Hij had een stillen eerbied voor haar, omdat ze altijd zoo netjes -was, nooit eens vuile handen had, en zoo’n heel schoon, wit, sprookjesachtig prinsessen-slaapkamertje -bezat, waar allemaal broze en vreemde dingen stonden, al was ze pas een klein nufje -van twaalf. En zij, echt Haagsch dametje dat ze was, had het dadelijk erg chic van -hem gevonden dat hij een <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>jonkheertje was. En nogwel jonkheer van Wedell, een van de beste namen uit den Haag, -die iedereen kende! -</p> -<p>Toen Pim op de Militaire Academie was, stierf zijn moeder, en was van Taats voor de -tweede maal weduwnaar, maar toch bleef hij zijn stiefzoon als zijn eigen zoon behandelen, -en als Ellie’s broertje. Hij vond het wenschelijk, altijd door Eduard een band te -blijven houden met de aristocratie. Wel was het hem tegengevallen dat hij na zijn -huwelijk met een weduwe van Wedell zoo weinig toenadering van de beau monde had ontvangen, -maar tóch vond hij het wel deftig staan, een van Wedell als zoon te beschouwen. Eduard -zelf hield niet veel van zijn stiefvader, wien hij niet meer dan den verplichten eerbied -betuigde, maar om zijn zusje vooral niet te verliezen, bleef hij als kind bij van -Taats aan huis komen. Hij was nu eenmaal het broertje van Ellie, al was hij de zoon -niet van van Taats. -</p> -<p>Pim was de kleinste huzaren-officier van het leger. Daarom kon Ellie ook nooit „broer” -zeggen, maar altijd „broertje.” Hij vond het onuitstaanbaar dat hij zoo klein was, -maar deed net of het hem niet schelen kon. Sommige officieren fluisterden wel eens, -dat de heeren van de keuring zich vergist moesten hebben, <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>want dat van Wedell eigenlijk onder de maat was. En Ellie praatte maar altijd over -„broertje” alsof hij nog een kleine schooljongen was, in plaats van een officier. -Hij had dan ook een heel zacht, fijn jongensgezicht gehouden, zonder een spoor van -baard of knevel, al was hij al twee en twintig jaar en ook zijn licht, zilverig blond -haar, op wit áf, dun zijde-achtig en glanzend als het was, gaf hem het uiterlijk van -een grooten knaap. Hij had een mooi, slank figuur, en zijn uniform stond hem keurig, -maar tóch had hij altijd veel meer van een grooten jongen, die officiertje speelde -in travesti, dan van een heuschen krijgsman. -</p> -<p>„Je hadt eigenlijk een meisje moeten worden,” zei Ellie altijd, „het is heusch een -vergissing geweest dat je een jongen bent geworden.—Maar weet je waar je ook goed -voor zou zijn? Voor een blonde page van een prinses. Als ik de koningin was benoemde -ik je tot page.”— -</p> -<p>Dan lachte hij, of hij het heel aardig vond, maar in zijn hart vond hij het beroerd, -en het deed hem pijn. Ellie deed hem héél dikwijls pijn, zonder dat ze het bedoelde, -en daarom hield hij misschien juist zooveel van haar. -</p> -<p>Pim werd onder zijn kameraden een excentrieke vent gevonden. Als hij niet Jhr. van -Wedell ware geweest <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>niet over zooveel geld had beschikt, en niet zoo’n prettige trouwhartige vriendelijkheid -over zich had gehad, zou hij al lang onaangenaamheden hebben gekregen in zijn corps. -Het was bijna ongeloofelijk, zeiden ze, voor een officier, die bovendien van adel -was, maar Pim was in ’t geheel niet militairistisch gezind, en had zelfs socialistische -neigingen. Hij las allerlei „rare” boeken, niet alleen gewoon socialistische maar -zelfs anarchistische, van Jean Graves en Kropotkine, en hij durfde te verkondigen, -dat hij in veel dingen met die schrijvers sympathiseerde. Ook was hij een soort orakel -onder de kameraden voor literatuur, en als ergens aan een der officieren van het <span class="corr" id="xd31e233" title="Bron: eskradon">eskadron</span> naar zijn oordeel over een boek werd gevraagd, zeide hij altijd maar wat Pim er over -dacht. Dan was hij zeker dat het ook wel zoo zijn zou. Het was wel eens gebeurd, dat -Pim in een gesprek in vuur raakte en stellingen verkondigde, die gevaarlijk konden -worden voor zijn carrière, maar nooit had een van de kameraden hem verraden, en wat -ze van géén ander verdragen zouden, vergaven ze hèm gaarne. Ook namen ze hem eigenlijk -niet heelemaal au sérieux. Hij was zoo klein, zoo jongensachtig met zijn blanke, baardelooze -gezicht, en die heel licht-blauwe, zachte meisjes-oogen, en daar leek hij zoo weinig -gevaarlijk mede. En hij was zoo goedhartig <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>in alle dingen, zoo ridderlijk en zoo altijd bereid een kameraad te helpen. „Die goeie -Pim,” zei iedereen van hem die hem kende, en vijanden had hij nooit gehad, al zei -hij somtijds zulke gevaarlijke dingen. Eéns waren ze bang geweest dat het mis zou -loopen. Hij was met een peloton naar Rotterdam gecommandeerd, waar een oproertje was -van werkstakers, en ze wisten, dat hij zich had uitgelaten, dat die kerels in den -grond recht hadden. Toch was hij moeten gaan, gehoorzaam aan ’t consigne. En ’t was -heel anders geloopen dan ze dachten. Op een critiek moment, toen er een catastrophe -dreigde, had kleine Pim de oproermakers gechargeerd, en er geducht op los laten slaan. -Ze hadden hem zelfs in de kranten gesignaleerd, en de „Sociaal-Democraat” had hem -een waren afstammeling genoemd van de roofridders en tyrannen uit de middeneeuwen. -Toen hij terugkwam wilden ze hem allen feliciteeren met zijn kranig gedrag, maar hij -had hun in vertrouwen gezegd, dat hij zich schaamde. Hij was driftig geworden, zeide -hij, woedend om hun scheldwoorden, hun beestachtige door hartstocht verwrongen tronies—God! -wat waren die lui leelijk! En wat vuil! en wat stonken ze!—en toen ze zijn huzaren -met steenen gooiden had hij ruim baan laten maken, en er zelf óók op ingeslagen. Maar -nu schaamde hij zich eigenlijk, <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>bekende hij. Want die kerels hadden gelijk, en dat ze zoo beestachtig waren, kwam -omdat ze in de misère waren opgegroeid van uitbuiting en ontbering. Maar toen een -intimus hem eens serieus vroeg, waarom hij dan officier was geworden, en nóg officier -bleef, antwoordde hij, dat hij dat zelf niet wist. Maar hij wist het heel goed. Hij -was officier geworden omdat Ellie het zoo gewild had. Ellie had hem altijd gezegd, -dat ze alleen trotsch op haar broer zou blijven als hij officier bij de cavalerie -werd. Dat had ze zich nu eenmaal in haar hoofd gezet. Haar broer, Jhr. Eduard van -Wedell, luitenant van de huzaren, dat stond nu eenmaal! En natuurlijk was het dan -ook gebeurd. -</p> -<p>Pim was veel liever in de letteren gaan studeeren. Van kinds af aan was hij dol op -literatuur geweest. Maar toen hij pas zijn zusje had gekregen en ze hem gezegd had, -dat hij cadet moest worden, had hij het heel gehoorzaam gedaan. Toen was er in de -drukke studiejaren weinig van lezen gekomen, maar sedert hij tweede luitenant was -geworden, was hij weer veel aan literatuur gaan doen. Zonder leiding las hij maar -alles, wat hem onder de handen kwam, en in ’t begin was zijn smaak nog al onzeker, -maar langzamerhand begon er zich toch een idee in hem te vormen, wat voor hem het -mooi was, dat aanpaste <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>aan het innigste en liefste van zijn ziel. Toen was hij ook zoo goed en zoo kwaad -als het ging aan filosofie gaan doen, en hij was Spinoza, Kant en Schopenhauer gaan -lezen, en had zich zelfs verdiept in brahmanisme en boeddhisme. Maar Pim was niet -sterk genoeg om er zelfbewust uit te komen. Hij had niemand in zijn omgeving, die -hem kon helpen en was te veel in beslag genomen door zijn officiersbaantje, om uit -die omgeving weg te gaan. Er was geen denken aan, om ontslag te nemen uit den dienst -en te gaan studeeren. Dat wilde Ellie niet. -</p> -<p>En Ellie was het eenige hoûvast in zijn leven. -</p> -<p>—Zijn zwakke natuur, te zwak om door den schijn van décepties en leelijkheden heen -de hoogste schoonheid te vinden in de literatuur en de filosofie, en te sterk, om -het gewone leventje van de menschen om hem heen zoo maar als gewoon en goed aan te -nemen, had zich héélemaal, willoos, zonder denken, in zalige onbewustheid overgegeven -aan dat ééne gevoel: de liefde voor zijn zuster. Dat was eigenlijk het eenige, waar -hij een steun aan had, waar hij van leefde. Zonder Ellie zou zijn geheele leven geen -<span lang="fr">raison d’être</span> meer gehad hebben, en alles om hem heen zou in elkaar gevallen zijn, als bij een -catastrophe. Hij leefde nu eenmaal heelemaal alléén van Ellie. Van het oogenblik af -aan dat hij, als een kleine jongen <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>van veertien jaar, in eens voor het fijne blonde meisje had gestaan, in haar mooi -wit-en-blauw kamertje vol broze, teedere dingen, en ze hem gezegd hadden: „dit is -nu je zusje”, was hij met zijn heele ziel van haar gaan houden en had hij haar eene -aanbidding gewijd of ze een godin was. Ze had hem dadelijk bij de hand genomen, en -de baas over hem gespeeld, of ze véél ouder was dan hij. Hij was dan ook niets grooter -dan zij geweest, want ze was vroeg gegroeid, en toen hij vijftien was leek hij veel -jonger. -</p> -<p>Intuïtief had het kleine meisje gevoeld, dat ze een macht over hem had, en dat ze -hem regeeren kon precies zoo als ze wilde. En altijd had ze die macht over hem gehouden. -Ze had gewild dat hij cadet werd, en later luitenant bij de huzaren. En daarom was -hij dat nu ook; hij had wel gemoeten. -</p> -<p>Door zijn vele lezen van alles door elkaar en zijn zwakke, ál te droomerig bespiegelende -natuur had Pim eigenlijk nergens een hoûvast in zijn leven. Het was hem nog alles -zoo onzeker en vaag, waar hij dacht van te houden, en dikwijls verloor hij heel veel -moois, waar hij enthoesiast mede gedweept had, weer een paar dagen daarna, als hij -onder andere indrukken was gekomen. Zelfs van de dingen, waar hij in de literatuur -en de kunst het <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>mééste van hield, was hij nooit heelemaal zeker, dat ze hem op een gegeven dag weêr -niet afgenomen zouden worden. Hij was ook te veel passief dilettant en te weinig scheppend -artiest om iets groots welbewust in zich op te nemen en vast te houden als een deel -van eigen onsterfelijk en onafneembaar wezen. Ook menschen kende hij evenmin als dingen, -en er was eigenlijk niemand op de wereld, ook onder zijn beste kameraden niet, die -onverbrekelijk met zijn eigen bestaan samenging. -</p> -<p>En zijn gehééle zelf liet hij nu, zonder te weten waarom, op dat broze, fragiele, -liefelijke wezentje rusten van mooiheid en teêrheid, dat Ellie was. -</p> -<p>Ellie was voor hem nu eenmaal het centrum van zijn geheele leven, dat alleen met háár -bestond. Van haar leefde hij, en alles wat òm en bij haar gebeurde, en wat maar eenigszins -met haar in verband stond, maakte de heel gewichtige gebeurtenissen van zijn leven. -Al de andere dingen, de dienst in het <span class="corr" id="xd31e261" title="Bron: escadron">eskadron</span>, en wat er in den Haag alzoo voorviel en de wereldgeschiedenis van het buitenland -en zoo, zij waren er óók wel, maar voor hém was het hoogste, van direct belangzijnde, -en vóór alles gaande: het leven van zijn zuster, Ellie van Taats. -</p> -<p>Een héél enkelen keer was hij wel eens aan ’t bespiegelen gegaan, en had hij zich -afgevraagd: „Wat <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>zie ik nu eigenlijk in Ellie? Wat voor bizonders is er aan haar? En is ze nu zoo’n -apart superieur wezen?” maar daar was hij al gauw mede uitgescheden, omdat hij het -te dol vond om daarover te redeneeren.—Want hij zag niets in Ellie, dat wist hij héél -goed. En er was ook niets bijzonders aan haar, gelukkig niet. En ze was ook volstrekt -niet buitengewoon knap of geleerd—o jee! dát heelemaal niet, het leek er niet naar!—en -een superieur wezen, zooals waarvan je in boeken leest, was ze ook al niet. -</p> -<p>Maar hij hield van Ellie eenvoudig <i>omdat ze Ellie was</i>. Dat leek nu wel heel nonsensachtig, omdat het natuurlijk geen reden was, maar toch -was het zoo klaar als een klontje, vond hij. Omdát ze Ellie was. En Ellie was nu eenmaal -Ellie. -</p> -<p>Dát bestond weer wèl heel apart. -</p> -<p>Er was niets op de heele wereld dat nu eenmaal zoo was als Ellie. Als hij niet bij -haar was waren alle dingen net of er eigenlijk nog iets aan mankeerde. Bijvoorbeeld -een mooie dag, en een mooie natuur buiten, dat was toch niet je dát, als hij niet -met Ellie samen liep. Maar als ze bij hem was kwam alles pas weer in orde. Dan was -hij een andere kerel van binnen en voelde hij een harmonie in zich, of alles in de -wereld wel in orde was. Zoo bijvoorbeeld ook als hij alleen in <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>een kamer zat, en ze kwam binnen. Dan werd het er immers veel intiemer, of er een -licht was binnen gekomen en alles werd ineens zooveel klaarder en helderder. En dan -voelde hij zich zoo lekker van binnen, of nu eigenlijk alles pas in hem was zooals -het hoorde. -</p> -<p>En dan, wat mooi aangaat vond hij, zelfs in de grootste kunst, of de beste literatuur, -is er toch nooit iets zóó moois, dat zóo leeft, en zoo heelemaal echt en waar is, -als het mooi van een mooi meisje. Dát is toch altijd het prachtigste wat er is. Hij -had wel eens hooren zeggen: „wat is dat nu, een mooi meisje, dat is toch geen verdienste!” -Maar hij vond dat wel degelijk een héél groote verdienste. Zelfs als zoo’n meisje -niet bijzonder fijn voelde of niet veel wist, of niet erg ontwikkeld was.—Een mooi -meisje is toch nog mooier dan een mooie bloem. En denkt een bloem? Is een mooie bloem -ontwikkeld? -</p> -<p>Ellie was véél mooier dan de mooiste bloem, dan de schitterendste ster aan den hemel, -vond hij. En dát was het vooral, het gevoel dat niets in het leven, of de literatuur, -of de kunst hem kon geven, het gevoel van nu héélemaal tevreden en voldaan te zijn -van rustig, zéker, veilig geluk, dat altijd zal blijven, en nooit minder worden, dat -gaf hem alleen het <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>mooi van Ellie’s meisje-zijn. Een lijn van haar hals, een ronding van haar arm, de -om-van-te-weenen teedere lelie-witheid van haar borst, de fijne omtrek van haar enkel, -een eenvoudig handgebaartje, een vriendelijk knikje, álles, álles van haar was mooi, -en het was méér dan mooi, het was lief, en intiem, en vertrouwd, ja, het was <i>goed</i>. Goéd, dat voelde hij zóó, dat als je bijvoorbeeld heel ellendige dingen dacht, van -misère, en onrecht, en wreedheid en zoo, en je twijfelde aan alles, dat je dan ineens, -enkel door een lief gebaartje van haar hand, of door het voelen van de vriendelijkheid -van haar lachje, <i>wist</i>, dat álles tóch in orde, dat álles <span lang="fr">malgré tout</span> <i>tóch</i> goed was. Nu leek het wel, of er in ’t geheel geen verband kon bestaan tusschen háár -en al de wereld-dingen buiten haar, maar tóch voelde hij het zoo voor zich.—En zij -was zelfs het centrum van al die dingen, dát, waarom ze eerst waarde voor hem kregen. -De mooiste: een mooie schilderij, een mooi vers, en mooie muziek, ze gaven hem een -heel groot geluk, maar toch wist hij, dat wat hij voor Ellie voelde, véél inniger -nog was dan het gevoel voor die schoonheid. -</p> -<p>Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter en bang in -het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door zijn <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed van een te oud -geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij was niet erg hartstochtelijk -van temperament, en de harde ruwheden van passie, die hij òm zich wist, irriteerden -hem met een afkeer van vage walging. Hij wist dat het kinderachtig werd gevonden, -en hij er met een soort medelijdende verachting om werd aangekeken, maar hij had in -’t geheel geen neiging voor wat zijn kameraden „de vrouwen” noemden. Wel moest hij -enkele keeren meêdoen aan jongeluis-fuifjes, en kwam hij bij die gelegenheden met -Haagsche vrouwen van minder-allooi in aanraking, maar hun platheid en hun ongracieuze, -ruwe manieren hadden hem altijd gechoqueerd, en nooit was hij met ééne van haar intiem -geworden. Hij voelde heel goed het lieve en aantrekkelijke van enkelen, die nog een -mooi figuurtje en een prettig, lachend gezichtje hadden, maar zoodra hij een grof -woord hoorde of een lichtelijk obsceen gebaar zag, was zijn afkeer grooter dan zijn -zinnelijke opwelling kon zijn. Hij werd dan ook een unicum in het corps gevonden, -omdat hij nog „maagd” was, zooals ze dat noemden. Je bent óók „<i>Le</i> Vierge”, had van den Bergh van de grenadiers, een van zijn goede kennissen, tegen -hem gezegd, toen zij samen in de stad het boek van Valette met dien voor hem zoo <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>vreemden titel eens voor een boekwinkel zagen liggen.—En dat was Pim ook altijd gebleven. -Dat hij daarom niet slap of verwijfd was, had hij bewezen bij de laatste Clingendaal-wedstrijden, -toen hij den grooten hurdle-race had gewonnen, en hij werd dan ook algemeen voor den -besten ruiter van het regiment gehouden. Maar zijn ziel neeg nu eenmaal naar het zachte, -fijne, teedere, meer dan naar het harde, bruyante, en hevige. -</p> -<p>En Ellie was het zachtste, fijnste, teederste wat er voor hem bestond. De droomerige -schijn in haar diepe, blauwe oogen, de rozige blos op haar wangen, het lelieë blanke -van haar huid, haar vriendelijk, zacht sopraanstemmetje, haar gracieuze bewegingen -en gebaren, en al de broze, ijle, blanke, fluweelig aanvoelende dingen, die bij haar -behoorden, alles van en òm haar was aangepast aan zijn ziel, en gaf hem behagelijke, -wèldadige rust. Er was een atmosfeer van maagdelijkheid om haar heen, waarin hij zijn -ziel voelde als een lelie in heilige lucht. Zóó was het goed, in háár sfeer, zóó met -dat blanke, en zachte, en kuische, en zóó was hij tevreden, niets méér verlangend, -in rustig evenwicht van geluk.… -</p> -<p>En het was haar kinderlijke blijheid, haar onwetende, onbezorgde vroolijkheid, die -hem zelf óók er bovenop hielden. Het enkele feit dat zij bestond, en hier op <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>de aarde liep te lachen en plezier te hebben, maakte dat hij zich eigenlijk óók altijd -gelukkig voelde, al zag hij vlak in de droefste waarheden, die hem somtijds ineens -aankeken vanuit den anderen kant van zijn bestaan, dáár, waar Ellie niet was. Die -konden hem toch nooit ongelukkig maken, en hem zóó aanpakken, dat hij de veilige overzijde -er voor altijd voor overliet, waar hij in de vreugdesfeer van Ellie leefde. Hij kon -niet ongelukkig zijn en ook niet zijn leven besteden aan het helpen van ongeluk en -het strijden voor wat hij waarheid en recht wist, zoolang Ellie er was om zich aan -te wijden. Omdat zij er was, voelde hij zijn leven, zooals hij het nu leefde, als -goed en wèlbesteed. Zij vulde zijn geheele bestaan, dat geen leegte kende zoolang -zij er was, en ook geen behoefte had aan méér dan haar. Intieme vrienden had hij dan -ook weinig behalve één, die eigenlijk te groot voor hem was om intiem te durven zijn, -wèl goede kameraden en kennissen, die aan de oppervlakte van zijn leven veel bij hem -waren. Hij ging erg joviaal met hen om, en dacht zelf ook wel, dat zij beste, intieme -vrienden van hem waren, maar als hij hen allen eens verloren had zou hij tóch niet -ongelukkig of eenzaam zijn geweest, als Ellie maar overbleef. Ook hield hij veel meer -van zijn paarden en honden. Die waren zoo <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>héélemaal wáár en eenvoudig, vond hij, en zoo gemakkelijk om te begrijpen. Je kon -er zoo op áán, en ze waren zoo oprecht in hun simpele natuur. Balder en Isolde, zijn -lievelingspaarden, waren hem lief als de beste vrienden, en hij werd zelden gezien -zonder een van zijn mooie honden, Hector, een pracht van een pointer, Karl, een groote -koningspoedel en Jim, een fijne fox-terrier van het edelste ras. Jim was de favoriet -omdat Ellie hem zoo vertroetelde en zoo dikwijls kuste. -</p> -<p>Pim was bij de Haagsche uitgaande jongemeisjes erg gezien, en had overal vriendinnetjes, -in de meest verschillende kringen, maar zij behandelden hem eigenlijk allen meer of -min als een soort prettigen broer, wien ze alles konden vertellen, en met wien ze -vrij en intiem konden omgaan, zonder een mogelijke „partij” in hem te zien. Hij was -haar te veel verwant, door het zacht-vrouwelijke in zijn natuur, en het was somtijds -of hij eigenlijk óók te veel meisje was, en het haar daardoor onmogelijk zou zijn, -op zoo iemand te verlieven. Ook was hij voor een man te klein, en te weinig forsch. -Hij was wèl een mooie jongen, erg blank, erg aristocratisch, maar een beetje té mooi, -te veel naar het vrouwelijke toe, met dat soms nog zoo kinderachtig lijkende, baardelooze -gezicht, en die zachte, onschuldig-blauwe oogen, als van een maagd. -<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> -<p>„Je bent niet flink genoeg tegenover vrouwen,” zei zijn vriend de Sandt wel eens, -„ik zou bijna zeggen je bent niet bruut genoeg. Zoo’n héél klein beetje bruut, dat -heb je eigenlijk noodig tegenover vrouwen. Je bent altijd zoo poeslief, kerel, en -daar houden ze niet van, geloof me!” -</p> -<p>En Pim voelde het ook wel, dat hij eigenlijk geen kerel genoeg was, en dat hij door -de meeste meisjes zoo’n beetje als een soort broer werd behandeld die niet gevaarlijk -kon worden. Zelfs in een stad als den Haag, waar zooveel besproken wordt en de kleinste -incorrectie stof tot laster geeft, was nooit gekheid gemaakt op zijn intiemen omgang -met Ellie, die toch eigenlijk geen zuster van hem was, en met wie hij zich elken dag -in ’t publiek vertoonde. Van een ander in zijn plaats zou misschien gesproken zijn, -maar niet van hem. Hij was immers maar „de kleine Pim”, „het kleine huzaartje”, dat -geen kwaad zou doen! Maar hij wás nu eenmaal zoo, hij kon er niets aan doen, en hij -verlangde ook niet anders. Zijn weinig onstuimige natuur, waarin nog geen hartstocht -was uitgebarsten, had volstrekt geen behoefte aan hevige sentimenten, en gloeiende -kussen, en hoog-gaande liefde-scènes, die het bijna religieus mooie van rust en vrede, -dat hij in meisjes zag, voor hem zouden bederven. Hij <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>had genoeg aan de gratie van hun wezen, en als er maar een mooi meisje bij hem was, -met fijne lijnen en gevoelige gebaren, was het of een liefelijke harmonie van muziek -zacht door de stille onbewustheden van zijn maagdelijke ziel klonk. Hij was haar dankbaar, -alsof zij hem áldoor groote weldaden bewezen, alleen als ze maar mooi waren; en gracieus, -en gevoelig, en een rank figuurtje, een nobel-gewelfde buste, een paar fijne, blanke -handen waren de groote vreugden van zijn leven, dat nu eenmaal bestond van wat bevallig, -lief en aangenaam van rythme, en kleur, en gebaar was. -</p> -<p>Dat luchtige wezentje van niets dan uiterlijkheid en schijn, dat teedere en „<span lang="fr">frêle objet d’art</span>” dat het echte Haagsche dame-meisje is, had Pim bestudeerd zooals een kunstkenner -schilderijen. Hij wist de vage geheimen en nuances van haar toiletten als een ingewijde, -kon voor dit of dát meisje een costuum teekenen, als een artiest van het vak, en zag -als bij intuïtie welke fijne nuance van kleur alléén paste bij welken toon van haar, -en welken teint van gelaat. Goede, intieme kennisjes raadpleegden hem zelfs bij het -inkoopen van dasjes en linten, en vroegen zijn oordeel bij het kiezen van een kleur -zijde of satijn voor een toilet. En het was bij hem zonder een zweem van poenerigheid -of pedanterie, dat hij zoo’n specialiteit <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>was op dat gebied, waar hij als man niet behoorde, het was enkel de artiest in hem, -die genoot van de kleuren en lijnen van mooie vrouwen, even oprecht en innig als een -andere zijn vreugde vindt in de mooie natuur van luchten en landschappen en horizonnen -buiten. -</p> -<p>Een mooi meisje kon bij hem geen kwaad doen, en hij dacht er nooit diep over door, -dat de schoonheid, waar hij zoo van genoot, toch maar schijn van buiten was, en daarom -nog géén afspiegeling van ziele-mooi van binnen. Het ephémère, vluchtige, onbeduidende -van al die fladder-leventjes viel hem niet op, in zijn verrukking over het liefelijk -rythme hunner verschijning. „<span lang="en">A thing of beauty is a joy for ever</span>”, dat was zijn antwoord, als iemand hem verweet, dat hij te veel naar ’t uiterlijke -mooie van vrouwen keek. Dat die vage schoonheid als die van vlinders en bloemen is, -die dra vergaat, hij wilde er liever niet over denken. Hij dúrfde ook niet, hij was -er te zwak voor, en hij was véél te blij, dat het goed ging met zijn leven, zooals -het nú was. Met die meisjes-, en vrouwen-vereering, en als innigste uiting daarvan -zijn reverentie voor Ellie, die bijna een godsdienst was, zóo onvoorwaardelijk en -blindelings van geloof, stond of viel zijn geheele bestaan. -</p> -<p>Hij voelde absoluut niet als „verliefd” op Ellie, <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>en hij had ook nooit gedacht dat zijn innige houden van haar iets anders zou kunnen -zijn dan de groote vriendschaps-gehechtheid van een broer. Natuurlijk hield je toch -véél meer van je zuster dan van anderen, vond hij, dat sprak van zelf. Het feit, dat -ze in ’t geheel niet zijn zuster wás, dat ze eigenlijk precies voor hem was als ieder -ander meisje, zag hij absoluut niet, juist omdat het zoo vlak voor de hand lag. Als -hij intiem met haar in haar boudoir zat, en hij haar, bijvoorbeeld als zij jarig was, -weleens kuste en door haar gekust werd, zooals hij dat gewoon was te doen, sedert -dien dag, dat hij voor ’t eerst in haar kamer had gestaan, dan was dat niets bizonders -voor hem. Hij was toch haar broer! Ook was hij er nooit onrustig of zenuwachtig van -geworden, en had hij zich nog nooit verlegen tegenover haar gevoeld. Het gaf hem juist -zoo’n weldadige, behagelijke rust, bij haar te zijn. Heelemaal niets van geagiteerdheid -of zoo. Zóó als het nu was tusschen hem en Ellie, was het goed, en dat was juist het -heerlijke voor hem, dat voldane, tevredene, veilig-weldadige, dat als een zachte harmonie -in hem vloeide als hij bij haar was. Als hij niet voor haar voelde of ze zijn zuster -was, als hij haar anders liefhad dan als een goede kameraad, die tevens artiest was, -en met vreugde het mooie genoot <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>van haar uiterlijke verschijning, dan moest dat gevoel in de verre onbewustheden van -zijn diepste wezen slapende zijn, als een kind in moeders schoot, dat nog niet bewogen -heeft. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen Ellie van Taats zestien jaar was, had haar vader haar op een kostschool gedaan -van de Hernhutters, in Neuwied. -</p> -<p>Daar was ze bizonder streng opgevoed, met orthodox-christelijke principes, en het -geheele onderwijs was van godsdienstige bespiegelingen doortrokken, als van een essence. -De groote evenementen in het jongemeisjesleven daar bestonden uit de predikingen van -een’ geliefden, jongen dominé. Alle meisjes dweepten met hem, en aanbaden hem als -een heilige, die Jezus Christus naderbijkwam in vroomheid en geloof. Er waren er, -die zwoeren, afstand te doen van alle aardsche dingen, en hun geheele leven aan den -godsdienst te wijden. Een geest van fanatisme ging over de pensionaires. -</p> -<p>Ellie’s jong, ontvankelijk gemoed kwam al heel gauw onder den indruk van haar omgeving, -en zij schreef opgewonden brieven naar huis over den <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>godsdienst, die haar vader verbaasden. Langzamerhand werd het al erger. Zij verweet -zich, dat zij eene zondares was, jammerde over de kleinste tekortkomingen, als een -jokkentje of een klein koketterietje, en verheerlijkte den geliefden dominé in vurige, -pathetische bewoordingen, als een nieuwen Heiland. -</p> -<p>Ten laatste hinderden haar geëxalteerde brieven haar vader zóó, dat hij, toen zij -pas een jaar op het pensionaat was geweest, besloot, haar maar weer thuis te nemen, -vóór het te laat was. En zoo kwam Ellie op haar zeventiende jaar van de kostschool -in den Haag terug. -</p> -<p>In ’t begin nog onder den indruk van den geest van vroomheid en „<span lang="de">Entsagung</span>”, die haar een jaar overheerscht had, wilde zij niets van het mondaine leven weten, -en weigerde zij beslist om uit te gaan. Maar binnen een paar maanden had het Haagsche -leventje haar inééns ingepakt en was het dwepende bakvischje van de kostschool een -echt Haagsch „dame-meisje” geworden. -</p> -<p>De oude heer van Taats, die een afkeer had van godsdienstdwepen en fanatisme, had -alles gedaan om Ellie van haar religieuze droomerijen af te brengen. -</p> -<p>Hij had zijn ongetrouwde nicht <span class="corr" id="xd31e350" title="Bron: Josephine">Joséphine</span> in huis genomen, en haar opgedragen, voor Ellie een slaapkamer <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>en een boudoirtje zóó in te richten dat zij niets meer zou kunnen verlangen. Hij bewoonde -een groot, nieuw gebouwd huis op de Koninginnegracht éven voorbij de brug van de Javastraat. -Zooals de gewoonte was geworden bij den bouw van de Haagsche nieuwe huizen, was aan -ééne zijde een soort toren uitgebouwd, in imitatie van oude kasteelen. En in dien -toren was Ellie’s boudoir, zoodat ze zich wel eens verbeeldde, een prinsesje te zijn, -en het altijd met zekeren trots haar „toren” noemde. Nicht Joséphine moest met Ellie -de nieuwste en beste toiletjes gaan bestellen, die bij de voornaamste modistes waren -te krijgen, en kreeg carte blanche, om alles aan te schaffen, wat een deftig dame-meisje -uit den Haag maar noodig kan hebben. -</p> -<p>Daar was Ellie al gauw voor bezweken, en de godsdienstige dogma’s en strenge leefregels -waren uit haar zieltje verdwenen voor de charmes van elegante toiletjes en wereldsche -amusementen. Binnen korten tijd was ze aan bevriende families en kennissen gepresenteerd, -en was het bekend, dat Ellie van Taats „uitging”. -</p> -<p>Zij werd lid van een tennisclubje, van een fietsclubje, en van een dansclub, ging -naar het Kurhaus, naar de opera, en naar concerten, en van het dwepende, vrome kostschoolmeisje -was eindelijk niets <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>meer over dan een vage herinnering in haar, dat ze ééns zoo’n vreeselijk nuchter, -dom gansje was geweest, dat nog niets afwist van de wereld. -</p> -<p>Ze had nu wel wat anders te doen dan bijbellezen en de aanteekeningen uitwerken, die -zij maakte onder de preêken van den geliefden dominé. -</p> -<p>Ellie’s leven werd het geheele jaar door gevuld door de verschillende Haagsche amusementen, -en nooit voelde zij haar bestaantje leeg van verveling. -</p> -<p>’s Winters, als het mooi weer was, maar vooral in de lente, nam de tennis-club haar -in beslag. Dat werd dan een tijdje een „rage” bij haar, en ze ging er héélemaal in -op. Ze werd dan een echt „tennis-meisje”, zooals Pim dat plagend noemde, en den geheelen -dag praatte zij over rackets, en scores, en <span class="corr" id="xd31e365" title="Verbeterd door de auteur van: innings">games</span>, of het de gewichtigste dingen van het leven waren. Ze was bekend als een goede, -ijverige speelster, zoolang het Kurhaus haar nog niet van het spel aftrok. ’s Ochtends -vroeg fietste ze naar <span class="corr" id="xd31e368" title="Verbeterd door de auteur van: den Bataafschen Boer">de terreinen van Leimonias</span>, kwam om één uur even terug om koffie te drinken, en peddelde om twee haastig weer -weg naar de lawn. Ze had een echt gezellig clubje van dame-meisjes en jonge heeren, -en was zelfs als Presidente gekozen in de commissie, waar haar voornaamste bemoeiingen -bestonden in het arrangeeren van fuifjes en het zorgen voor fijne schoteltjes. En -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>ze was er zóó populair, dat ze van drie heeren tegelijk de sleutels had van de délicatessen-kistjes, -waaruit ze somtijds de dames fijne sweets <span class="corr" id="xd31e373" title="Bron: presenteerden">presenteerde</span>, een eerepostje van vertrouwen, waarop alle tennis-meisjes trotsch zijn. Zij was -dan ook een echte favorite in het clubje. In die tennis-periode was het groote evenement -in haar leven als zij op de score-tafel mocht zitten, om het koord te houden. Op het -bal in de Théater-zaal van het Kurhaus, na een groote match, had zij haar balboekje -een week te voren al vol, en de beste spelers vroegen haar altijd om in de heeren- -en dames-double met haar uit te mogen komen. -</p> -<p>Er was iets in dat tennissen, dat precies aanpaste aan haar luchtige, bewegelijke -natuur. Zóó voelde ze zich heelemaal zooals ze wezen moest, als ze met vlugge stapjes -over het tennis-veld vloog, en met sierlijk gebaar serveerde, of met een bevallig -zwaaitje de racket omhoog wierp bij het tossen. Ze had dan iets eigenaardig lichts -in haar rythmisch bewegen, als een vogeltje, dat de vlerken uitspreidt en straks vliegen -gaat. Ze tenniste meestal in heel eenvoudige, witte costuumpjes, waaraan ze door smaakvol -aangebrachte strooken en kanten en volants iets wuivends, heel luchtig transparants -wist te geven, dat bizonder mooi deed in ’t loopen. -</p> -<p>Eens, jaren geleden toen ze nog een bakvischje <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>was en ze wijde pofmouwen droeg, die in een sterken wind heen en weer wapperden, had -Pim lachend, zonder bedoeling, gezegd, dat ze wel een vlindertje daarmee leek. Later -had hij dat, bij het tennissen, nog eens herhaald en ineens, zooals het met bijnamen -gaat, was het tennisclubje haar „Vlindertje” gaan noemen. Kennissen hadden het gehoord, -en weêr aan anderen overgebriefd, en zóó was Ellie ineens in den Haag „het Vlindertje” -geworden, dat bijna iedereen van aanzien kende. -</p> -<p>Pim vond het in ’t begin erg jammer, dat hij haar zoo een bijnaam had bezorgd, maar -later, toen hij wist, dat ze het eigenlijk wel aardig vond, had hij het juist uitstekend -gevonden. Want was ze niet echt een vlindertje, zijn zuster? Fladderde ze niet net -zóó, onbewust, op gracieuze rythmen, blank en blij door het leven, en zocht ze niet -geluk in alles wat lief en licht was van kleur? Was ze niet even broos en teeder als -een vlindertje, om even voorzichtig mee om te gaan, en enkel te beroeren met fijne, -eerbiedige vingeren? <span class="corr" id="xd31e383" title="Bron: Wat">Was</span> er iets mooiers te bedenken om met Ellie te vergelijken, dan zoo’n transparant, gevoelig -wezentje van rythme en teêre kleur, zacht-wiegelend in licht en blijden zonneschijn? -</p> -<p>Ook als zij op haar fiets zat, met het luchtig wapperende rokje om de fijn gelijnde -beenen, en <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>de broos-geënkelde voetjes vlug rondvliedend op de pedalen, leek ze wel zoo’n rythmisch -lucht-wezentje, voortfladderend in zwierigen zwaai van bevallig gebaren. -</p> -<p>En als Hagenaars over haar spraken was het zelden over Ellie van Taats, maar bijna -altijd over „het Vlindertje.” -</p> -<p>Als nicht Joséphine of pa haar wel eens beknorden, dat zij zoo weinig thuis was, en -altijd maar uitging, zeide ze zelf lachende: „Maar ik ben toch immers het Vlindertje? -Die zit immers nooit stil? Die fladdert toch altijd uit, van ’t eene op ’t andere!” -</p> -<p>Ook ’s winters was er genoeg te doen voor een dame-meisje als zij. Daar had je ten -eerste „de stad” ’s middags. „De stad,” dat is de Hoogstraat, de Veenestraat, de Spuistraat, -de Passage, de Lange Pooten, de „stad” zooals je nergens in Holland, ook niet in de -Kalverstraat in Amsterdam, iets zóó gezelligs terugvindt. In „de stad” gaat zoo’n -dame-meisje met een oude dame of met eene vriendin „boodschappen doen,” of als ze -’t heel deftig zegt „shopping”, ontzachelijk gewichtige wereld-dingen, als stalen -zien bij Emmerechts of Haefely, handschoenen koopen bij Laimböck, schoenen aanpassen -bij Berenbak, lintjes en dasjes uitzoeken bij Michel, onmisbare nietsjes bij Manusje -van Alles, snoeperijen bij Krul of Sprecher, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>fijne broodjes bij Lensvelt Nicola, en o! zooveel prettige comissies méér. Vooral -tegen St. Nicolaas wordt dat echt gezellig, als het overal zoo druk is, en de winkels -op hun mooist zijn. Dan trippelt zoo’n dame-meisje heel geäffaireerd over het trottoir, -verbazend ingespannen met kleine pakjes aan touwtjes, of àl haar gedachten gewijd -zijn aan het lastige, moeilijke shoppen. Maar het is niets dan lieve schijn, dien -ze om zich doet, want ze gaat in „de stad” zooals ze ’s zomers naar het Kurhaus gaat, -alléén om van haar liefelijkheid aan de menschen te laten zien, en bewonderd te worden, -en zich begeerlijk te maken. Ze weet ook wel, hoe charmant die gewichtigheid van „boodschappen -doen” haar staat, en ze weet op welk uur ze die en die kan tegenkomen, en eerbiedig -gegroet worden door dezen en genen. Daar heeft zoo’n wezentje van glans en gratie -nu eenmaal behoefte aan, en ze ziet ook in „de stad” alleen het prettige en aangename, -dat haar streelt en huldigt, en ze gelooft in den schoonen schijn. Je ontmoet er al -de kennissen, en blijft even wat staan praten op het trottoir, of in een winkel, je -loopt eerst heelemaal naar het Plein om iets te bestellen, gaat dán in ’t Noordeinde -iets halen, en bedenkt dán ineens dat je in de Pooten iets „vergeten” hebt, om nógeens -door „de stad” te kunnen teruggaan, en omdat je dan <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>tóch bij Sprecher of Monchen bent heb je ineens dollen lust in gebakjes of een plombière -en een likeurtje. En als je naar Monchen gaat moet je langs „de Witte,” dan moet je -heel zedig vóór je kijken, want daar zitten heeren die je kent, en je ziet ze tóch -allemaal, ofschoon je niet dien kant op moogt kijken. Want een Haagsch dame-meisje -ziet altijd iemand eerst recht als ze in ’t geheel niet naar hem kijkt. Ook vóelt -ze, bij intuïtie, dat iemand naar háár ziet en haar bewondert, al loopt die iemand -achter haar, zoodat haar oogen hem niet bemerken. En zonder die intuïtie zou „de stad” -niet zoo aantrekkelijk voor haar zijn. -</p> -<p>Ook voor Ellie was dit de eigenlijke charme van „de stad,” al was ze het zich niet -zoo precies bewust: bewonderd te worden door heeren. Maar ook alléén het bewonderd -worden, en het gegroet worden, en het terug-groeten, en niets meer. Ze vond het aangenaam -die en die tegen te komen, ze vond het van den een prettiger dan van den ander, en -knikte dien dan ook vriendelijker toe; ook zou ze de hulde van al de heeren, die zij -kende, niet graag gemist hebben, maar naar méér dan dat verlangde ze niet. Zóó was -het nu juist gezellig, zóó was het goed, en het moest ook maar altijd zóó blijven. -En ofschoon ze het met haar vriendinnen altijd heel druk <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>had over engagementen, en of die wel die zou vragen, en of het waar was, dat het àf -was tusschen Klaasje en Pietje; ofschoon ze ook doordrongen was van de onvermijdelijkheid -dat ten slotte háár dame-meisje-tijd ook ééns zou moeten uitloopen op een verloving, -en dat daar ook eigenlijk al dat „uitgaan” op gericht was, en op niets anders, toch -had ze nog absoluut geen lust om zelf al zoover te wezen, en kon ze zich niet voorstellen, -dat ze ooit zooiets doen zou. En er was juist zooiets pikants in het idee, dat er -onder al die duizenden menschen ergens één rondliep die ééns haar man zou worden, -en dat ze geen flauw idee had hoe hij er wel uit zou zien, evenmin als hij van haar. -Maar dat het niemand was van de heeren die ze nú kende, dáár was ze zeker van. In -dat uitgaan, uitgaan en aldoor maar uitgaan van zoo’n dame-meisje als Ellie ligt onbewust -een altijd zoeken, zoeken naar den Eéne, die érgens wezen moet, en wien ze haar gehééle -charme van ongerept maagd-meisje dan inééns genadiglijk zal geven.… -</p> -<p>Ze wist wel, dat heel veel van haar kennissen zich niet verloofden uit enkel liefde, -en ze hoorde dikwijls de materieelste dingen uit den mond van meisjes, die er uitzagen -als liefde-godinnetjes, en toch niets dan berekening over geld en positie in haar -denken brachten over een aanstaanden man, maar zíj was vastbesloten, <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>alléén te trouwen met iemand „waar ze van hield,” al was dat „houden” een vaag en -verward begrip voor haar, omdat ze het nooit diep in zich gevoeld had. -</p> -<p>Er was nú nog maar alléén het genot van het zich mooi aankleeden in elegante toiletjes, -van zich daarmede onder andere menschen te bewegen en dan bewonderd te worden, en -er was de pret die je hadt op partijtjes, en de conquêtes die je deed op heeren, zoodat -ze je het hof maakten en allerlei aangename, vleiende dingen zeiden, waar je wel eens -om bloosde, en er was vooral de vroolijkheid en het lachen, het heerlijke, uitgeschaterde, -weldadige lachen, dat zoo goed doet aan een onbezorgd, levenslustig jongmeisje. Er -was „de stad,” en de fransche opera of de hollandsche komedie zoo nu en dan, tennisclub -met de matches, en in de Theaterzaal van het Kurhaus het bal daarna, en er was de -dansclub in <span class="corr" id="xd31e409" title="Bron: de foyer van het Gebouw">het Hôtel des Indes</span>, ééns in de 14 dagen, met tusschenbeide een groot bal in serieus decolleté-toilet -met souper. Die heerlijke dansclub-avondjes, zoo gezellig, allemaal jongelui onder -elkaar, met twee mama’s er bij, voor de convenance, met Gaillard of Bino als dansmeester, -en zoo tusschenbeide muziek van de Polackjes! En dan de fietsclub, als het mooi weêr -was, en de dinertjes, en de soireetjes <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>en de sauterietjes bij haar zelf aan huis, die ze zoo amusant wist te arrangeeren! -</p> -<p>Een bal was nog het verrukkelijkste van alles, vooral als er een goede cotillon bij -was. Daar kwam ze gloeiende van opgewondenheid van thuis, de handen vol bloemen en -eereteekenen, die ze behaald had van de heeren, sterretjes, en decoraties en broches -en allerlei kleinigheidjes van den cotillon, die ze lang bewaarde. Ze had haar hééle -balboekje volgehad, en ál de extra dansen, ze was den geheelen cotillon door in de -weêr geweest en had geen rust gehad, en verbeeld je, ze had een wals en de quadrille -gehad met den spaanschen attaché, den graaf de Testas, die er ook was, en haar door -Pim was voorgesteld. Dat kreeg de oude heer van Taats dan den volgenden morgen in -een vloed van opgewonden woorden te hooren en hij vond het heel natuurlijk, dat zijn -Ellie, die het mooiste meisje van den Haag was, zoo werd gefêteerd. -</p> -<p>Maar haar vreugde over de dansen met den adellijken diplomaat kwam alleen daarvan, -dat ze, als elk Haagsch dame-meisje, idolaat was van de hooge aristocratie, niet omdat -zij den graaf zelf zoo bizonder aantrekkelijk vond, en al haar genot op zoo’n bal -was alleen om de hulde, en het dansen en het geluk en al den rijkdom van het bal. -Maar de diepste, <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>heiligste onbewustheden van het maagd-zijn, waar ééns de liefde uit oprijst als zij -er niet eeuwig slapen blijft, waren ongerept gebleven in al die glorie van feestende -vreugde. -</p> -<p>Zóó ging Ellie den winter door in eene aaneenschakeling van pretjes, wáár er maar -gelegenheid toe was. In de lente, als de winteramusementen ophielden, ging ze op in -tennissen en fietsen. Maar al het plezier, dat zij ’s winters had genoten en al de -dolle pret die ze soms op de clubjes had, was voor haar toch nog niets bij wat de -zomer haar zou brengen. Want als de Philharmonische Kapel in ’t land kwam, en het -bad-seizoen begon, verflauwde haar ijver voor de tennis- en de fietsclub, en het Kurhaus -werd nu een ware rage. Het tennis-meisje was dan ineens Kurhaus-meisje geworden. -</p> -<p>Hoe blij was Ellie geweest, toen het eindelijk Juni was en het Kurhaus open voor het -eerste concert! Dat werd nu haar tweede huis, voor vier maanden lang, een huis, waar -ze met een heeleboel net gekleede, mondaine menschen samen in woonde, en waar ze haar -vaste plekje in had, haar fauteuil in vak A, de vierde rij van achteren, dicht bij -de diplomatie. En je moet echt Haagsch dame-meisje zijn als Ellie, om de volle heerlijkheid -van zoo’n groot en toch gezellig huis te beseffen. Daar <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>komen al de nieuwe toiletjes van ’t seizoen, van uit alle steden van Europa, russische, -hongaarsche, duitsche, engelsche, daar komen al de intieme kennissen uit den Haag, -en al de menschen, die je ’s winters tusschen twee en vijf in „de stad” ziet, en daar -komt de hooge aristocratie, en al de chic uit de diplomaten-loge in de opera. Dat -is juist zoo gezellig, dat die daar nu allemaal zoo door elkaar in een zelfde zaal -zitten, voor dezelfde prijzen, huiselijk en gelijk. Den Haag is net genoeg een kleine -stad om zoowat alle uitgaande menschen van aanzien met elkaar bekend te maken, en -zóó had Ellie in haar tweede huis, het Kurhaus, een massa kennissen die ze, al had -zij die ook nog nooit gesproken, toch niet graag zou gemist hebben, omdat ze in zekeren -zin eigenlijk tot haar familie, de Kurhaus-familie, behoorden. Dát was juist het in-gezellige -en knusse van het Kurhaus-leventje, zoo’n groote familie te hebben in dat zelfde, -ééne, groote huis, die allemaal hetzelfde genot hadden en, ofschoon onbekend, toch -allemaal elkaars trouwe opkomst noodig hadden om het er eerst recht aangenaam en mondain -te maken. -</p> -<p>Ook was nergens zoo’n verrukkelijke pantoffel-parade als in de pauze op het terras. -Daar haalde nu eenmaal niets bij. Je ontmoette er nu letterlijk iederéén. En door -daar stelselmatig iederen dag en <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>avond met trouwe geregeldheid te komen, ontstond er een soort stille, zwijgende verstandhouding -tusschen de verschillende wandelaars. Onwillekeurig gaven ze elkaar blikjes van herkennen, -bijna als iets van aanmoediging en dankbaarheid, dat ze er alweer waren, dat ze de -prettige, gezellige boel gaande hielden, waar ze zoo van genoten. -</p> -<p>Dat heerlijke zitten voor Ellie in haar fauteuil, bij ’t begin van ’t concert, en -ook éven bijtijds vóór ’t begin van ’t tweede gedeelte! Dan kon je zoo op je gemak -iedereen zien binnenkomen, en al de toiletjes één voor één opnemen, en er met degene -waar je mee was, over praten. Wat lief zag Annetje Wesman er weer uit, en wat een -keurig costuumpje had freule Herthe aan! Wat durfde Lize van Elsmeet een breeden, -grooten hoed dragen! Dat ze niet bang was voor opspraak! En wat waren die pikzwarte -nonnatjes van resident Lachmann toch dom om zulke gloeiende, vuurroode blouses altijd -te dragen! Kijk, daar <span class="corr" id="xd31e430" title="Bron: hadt">had</span> je „het hoedje” weer, net als verleden jaar, nog altijd even snoezig en popperig! -„Het hoedje” was een van de bekendste Haagsche Kurhaus-typen, een eigenlijk niet jong -meer zijnde dame, een weduwe van Beloo, uit de deftigste kringen, die al groote kinderen -had. Maar, als wilde ze verstoppertje spelen met den ouderdom, schuilde ze zich weg -in de <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>luchtigste, keurigste jongemeisjes-toiletjes, licht crême of licht roze, en tooide -zich met in heel Scheveningen beroemd geworden hoedjes, broos en teêr als bloemenbundeltjes -op haar mooie, zwarte krullen, en kinderlijk-lief onder de kin vastgehouden met zijden -keel-bandjes, van een werkelijk allercharmantst effect. En met haar exquis figuurtje, -haar altijd schitterende, donkere oogjes, en haar altijd liefelijk glimlachenden mond, -was ze werkelijk een zonnestraaltje in het Kurhaus, dat menig jong dame-meisje jaloersch -maakte. Zonder „het hoedje”, zooals men haar noemde, zou het Kurhaus niet meer compleet -zijn geweest. En altijd, zonder ooit een keer over te slaan, keek Ellie naar de voorste -fauteuils in vak C, of ze er wel was. Ze had een geheime sympathie voor het deftige -weduwvrouwtje, omdat ze in haar de verwantschap voelde om óók, als zij, er zoo lief -en prettig mogelijk uit te zien, en vroolijk te lachen tegen de lieve, gezellige, -aangename, mondaine wereld. -</p> -<p>Heel gewichtig was voor Ellie ook de hoek van de diplomatie, waar ze vlak bij zat, -waar ze heimelijk expres een plaats dicht bij had genomen, om er vooral goed naar -te kunnen zien. Als alle echte Haagsche dame-meisjes had ze een stille, eerbiedige -vereering voor de hooge aristocratie, de diplomaten en de hof-clique. Wèl werd ze -door een paar van de <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>heeren er uit gegroet, en knikte ze ook wel eens tegen enkele <span class="corr" id="xd31e439" title="Bron: danes">dames</span>, wèl ontmoette ze ook hier en daar van die zoo bevoorrechte wezens, maar, dát wist -ze heel goed, het eigenlijke, intieme, exclusieve chic-kringetje van den Haag was -voor haar gesloten. Het was héél moeielijk om daar vasten voet te krijgen, als je -niet zelf van heel ouden adel was. Ze had het wel eens zoo wat geprobeerd, en als -elk dame-meisje zou ze er alles voor over hebben gehad, maar het was niet gelukt, -en nu had ze er zich bij neêrgelegd. Ze was nu al heel blij, als de spaansche attaché, -de graaf de Testas,—een grof, dikbuikig kereltje met een rood slagersgezicht,—met -wien ze eens gedanst had, haar groette, of de markiezin de Beauregard, de vrouw van -den franschen gezant, haar een genadig knikje gaf. Het was een genot voor haar, de -toiletten van al die vreemde, adellijke dames te bekijken, en te zien, hoe ze onder -elkaar deden, in dien heerlijken, ontoegankelijken kring van uitverkorenen.—Het pikantste -in die menschen vond Ellie, dat zij konden doen, wat andere menschen niet konden, -en dat dan toch nog bizonder chic van hen werd gevonden. Bijvoorbeeld dat vrouwtje -van dien poolschen graaf en haar russische vriendin, die kakelden en babbelden hardop -onder een vioolsolo of een heel zacht adagio, zóódat andere menschen <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>wien het hinderde, omkeken, en toch stoorden ze er zich volstrekt niet aan, en gichelden -maar hardop door. Héél chic was ook, om midden onder muziek binnen te komen, en dan -met veel lawaai fauteuils open te kleppen, en nog even een praatje te maken, hardop, -zonder om de stoornis te denken.— -</p> -<p>Wat Ellie óók heerlijk amusant vond, was een vriend van Eduard, een schrijver, Frederik -van Klaerbeke, die een echte melomaan was, en een fauteuil vóór haar had. Die zat -altijd in een soort stomme extaze, met zijn hoofd diep gebogen, naar de muziek te -luisteren, en als er in de buurt wat leven werd gemaakt, werd hij eerst zenuwachtig -onrustig, en keek dan met vernietigende blikken woedend om zich heen, of hij van plan -was een moord te begaan aan de rustverstoorders.— -</p> -<p>Zóó waren er nog méér types in haar fauteuil-omgeving, die er nu eenmaal bij hoorden. -De twee half doove oude juffrouwen, die allebei een knevel hadden, en de drie nonnatjes, -met van die intelligente aapjes-gezichtjes, die zoo met de r rolden, en de mama met -het blauwe meisje, dat er zoo lief uitzag, en maar één japonnetje scheen te hebben. -En dan nog zooveel anderen, die je geregeld avond aan avond terugziet, en die daardoor -altijd heel eventjes een beetje in je leven komen, net als de dingen uit <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>de omgeving van je huis dat nu eenmaal doen. Je hoort van dezen of genen hun namen, -je weet waar ze vandaan komen, en zóó had Ellie heel veel van die Kurhaus-bekenden, -die ze nooit gesproken had, maar die haar toch een beetje intiem waren, van wie ze -zoo langzamerhand al de toiletjes wist, zóó, dat het haar opviel als ze wat nieuws -aan hadden, en die ze altijd met prettige herkenning iederen dag terugzag in het groote, -lichte Kurhaus, waar al die menschen het samen zoo echt Haagsch gezellig voor haar -maakten. -</p> -<p>Ze hield natuurlijk ook dol van muziek, want ieder Kurhaus-meisje houdt daar nu eenmaal -van, en ze verbeeldde zich ook, dat het heel serieus was, wat ze van muziek voelde. -Ze kende van de programma’s een heeleboel moderne composities, en sprak mede over -Glazounow, en Tschaikowsky, en Borodin en Richard Strauss. En ze verheugde zich op -een vrijdagschen symphonie-avond, met een symphonie van Brahms, en een Beethovensch -viool-concert door Witek. Ook kende ze zoo wat het geheele orchest, en wist, als ze -er een paar musici buiten van tegenkwam, precies te zeggen of het een violist was, -of een clarinettist, of een bazuinblazer. Voor Rebicek, met zijn eeuwig vriendelijk, -mondain glimlachje, die toch zoo heerlijk en vol <span lang="fr">feu sacré</span> <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>dirigeeren kon, had ze een soort stille vereering en ook een zekere dankbaarheid, -dat hij haar elken avond zooveel genot gaf, alsof hij dat ook persoonlijk aan háár -had bedoeld. -</p> -<p>Maar nooit imponeerde de muziek haar zóó, of zoodra het stuk uit was, had ze toch -haar gewoon vroolijk, lachend lief-doend gezichtje van dame-meisje, dat in de eerste -plaats in het Kurhaus komt om gezien te worden en zelf te zien. En het prettigste -er van was toch eigenlijk het wandelen op het terras in de pauze, langzaam, met Haagsche -pantoffel-paradestapjes het vierkant om, tusschen allemaal net gekleede, wel-verzorgde, -uitzijnde, mondaine menschen. -</p> -<p>Zij zag al die chic gekleede, deftige Haagsche wereld, meneeren en mevrouwen, nu eenmaal -als allemaal beschaafde, deugdzame, fatsoenlijke menschen, menschen uit de beste kringen, -die weten hoe ’t behoort, en die smaak hebben, en amusant zijn. Zij twijfelde er ook -niet aan, of de meesten van die menschen waren goede menschen, die goede dingen deden, -de élite, zoowel zedelijk als van stand. En het was nu eenmaal prettig om als mooi, -deftig jong meisje daar onder te loopen, een gracieus costuumpje aan te hebben, en -bewonderd te worden. Het streelde haar ook, anderen mooi te zien, omdat ze gelukkig -was met mooie kleuren, en vormen, en lijnen. Al <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>die drukte en die bevallige beweging maakte haar vroolijk, en daarom lachte ze tegen -het leven, en was blij dat ze er bij was, dat ze óók haar deel mocht hebben in die -algemeene blijdschap en al dat plezier, en dat ze óók jong en lief was om te zien, -zoodat ze allemaal naar haar keken, en er zooveel eerbied en reverentie was in den -blik van de heeren, die haar groetten. Zij vond het nu eenmaal heerlijk, in dat lichte, -luchtige Haagsche leven lief te doen en lief gedaan te wezen. -</p> -<p>Maar in ál den gloed van de hartstochten om en vlak bij haar, die ze niet zag, was -haar maagdelijke ziel ongerept gebleven, en achter den schijn van bijna verliefde -coquetterie en flirtspelletjes, die als dame-meisje nu eenmaal om haar was, had nog -geen passie gebrand, en lag nog onontroerd de kalme rust van het maagdelijke, in vredig -evenwicht bewaard. -</p> -<p>En in al haar pogen om er toch maar aantrekkelijk en adorabel uit te zien, waarin -ze haar teer maagde-lijfje op het voordeeligste liet uitkomen, was niet de minste -berekening om met andere invloeden te werken dan die van liefheid en vriendelijkheid -van bevallige ronding en kleur. -</p> -<p>Dat onschuldige, bijna kinderlijke mooi willen zijn en van mooi houden uitte zich -het karakteristiekste in die twee woordjes, waar zoo’n dame-meisje het <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>voor háár hoogste schoon in uitdrukt: „beeldig” en „snoezig”. Een schilderij, een -boek, een fotografietje waren „beeldig”, een hoedje, een kindje, een hondje waren -„snoezig”, en dat waren de sterkste uitingen van haar mooivinden. Beeldig en snoezig -zijn, dat was het innige, lieve doel van haar leven, waarnaar zij streefde in ál haar -doen van alledag, en dat zij ook héélemaal bereikte. Ze was niet een regelmatige beauté, -daar was ze niet forsch, niet „fesch” genoeg voor, en er was nog eigenlijk te veel -van het kind in haar, met te weifelende, vage vormen, om een mooie vrouw te zijn, -maar er ging een lieve, warme vriendelijkheid van haar uit, die onweêrstaanbaar was. -Zóó als zij lachte géén ander meisje, met zoo’n zonnige, oprechte vroolijkheid, en -er was in haar geheele áankomen, op haar luchtige pasje, met het fijne, ranke gebaren -van haar slank, virginaal lijfje iets als het bewegen van een lieve melodie. En haar -grootste charme was het maagdelijk reine van haar blik, het onschuldige aanzien van -haar lichtblauwe oogen, waarin haar ongerepte ziel in vertrouwelijke overgave, vreezeloos -en zonder erg, lag te glanzen. -</p> -<p>Wel was het leelijke heel dikwijls voor de oppervlakte van haar leven gekomen, en, -Haagsch meisje als zij was, had ze dikwijls gepraat over schandaaltjes <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>met haar vriendinnen, en had ze ook wel eens in haar omgeving gewaagde dingen hooren -zeggen, maar toch was het wezen er van nooit diep in haar doorgedrongen. Zij dacht, -als negentienjarige jonge dame, wèl goed op de hoogte te zijn, en heusch geen kind -meer, maar achter de vage, verwarde voorstellingen, die zij van de levensdingen had, -lag een absolute onwetendheid van hun ware wezen, omdat nog géén vlam van hartstocht -was opgeslagen uit de onbewustheden van haar maagd-zijn. En zonder erg liep ze met -haar meisjeslichaam lief en verleidelijk te doen, zonder eigenlijk te weten, hoe ver -de charme ging, die zij er mede verspreidde. Alleen vond ze het prettig, dat ze mooi -gevonden werd, en men haar fijne complimentjes zeide, en de heeren haar het hof maakten, -zooals zij dacht vol eerbied. -</p> -<p>Haar parade-loopen op het Kurhaus-terras was dan ook niets anders dan een onbewust -wèggeven van haar vriendelijken, mooien schijn aan al de menschen, en het terug genieten -van den lieven schijn der anderen. Daar had ze nooit genoeg van, dat was haar een -behoefte geworden, even vertrouwd als die van het licht en de lucht, en dag aan dag, -avond aan avond begon zij het blijde spel op nieuw, dat altijd belangrijk en verrukkelijk -was, en nooit verveelde. Zij had het al een paar jaren gedaan, en zou <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>zich kunnen voorstellen, dat het alle jaren zoo duurde. -</p> -<p>En dit seizoen was het nog heerlijker geworden dan vroeger. De winkelgalerij en het -nieuwe rotonde-café „de la Plage” waren geopend. Dat was weer een héél nieuw, apart -genot geworden. Dat gezellige zitje onder die rotonde, buiten, op een „snoezig” groen -rieten stoeltje, aan een tafeltje en dan onder het snoepen aan een Plombière of een -Mélange al de menschen te zien voorbijgaan! Na half vijf vooral, als het middagconcert -uit was, dan met Wies en Pim, en nog een paar kennissen te zitten, als de drukte op -zijn ergst was, en al de heeren na vieren uit den Haag even kwamen overwippen om daar -een bittertje te nemen. Op zoo’n mooien, open dag met blauwe lucht, met vóór haar -de groote, glanzende zee, en al die vroolijke, lachende menschen, waaronder ze zelf -mooi en voornaam was, zoo echt intiem met vertrouwde kennissen, en met overal de zonneschijn -over de dingen, voelde ze zich dol gelukkig als een vogeltje, blij met het licht en -het leven. -</p> -<p>Dán naar huis gaan, in ’t karretje van Pim, of in de electrische tram, gaúw even kleeden, -dan eten, even koffie inschenken, en dan weer dadelijk terug naar het Kurhaus, voor -het avondconcert. En later, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>als ’t kón, nog niet dadelijk naar huis als het uit was, maar nog éven naar Berenbak, -of nog liever naar de <span class="corr" id="xd31e481" title="Bron: Kurhausbar">Kurhaus-bar</span>, waar de Zigeuners speelden. Daar kon het zoo gezellig zijn, zoo echt sans-gêne, -soms wel eens een beetje te rumoerig, ordinair, maar daar lag juist weer een beetje -pikants in. -</p> -<p>Eindelijk weer naar huis, éven in de courant kijken, en naar bed, om den volgenden -morgen hetzelfde leventje weer te beginnen, en even naar het strand te fietsen, vóór -de koffie, van tien tot twaalf, in een lucht morgenjaponnetje, heel eenvoudigjes. -</p> -<p>Naar andere gelegenheden ging ze nooit. De Dierentuin was te bourgeois geworden, en -het Bosch vond ze vervelend. Hoe was het mogelijk, dacht ze, dat er vroeger niets -anders was dan dát! -</p> -<p>Want er was niets dat háálde bij Scheveningen, bij haar Kurhaus vol mooie muziek en -licht en prettige menschen, haar tweede huis, waar ze zich zoo dol amuseerde in al -de gezelligheid van het verrukkelijke, mondaine leven. -<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Niet enkel de zachte droomerige ziel van Eduard van Wedel leefde van Ellie’s luchtig, -liefelijk licht vlinder-wezentje, want ook voor haar vader was zij het groote, éénig -reëele hoûvast van zijn bestaan. -</p> -<p>Mr. van Taats was een typische Haagsche figuur, bekend bij iedereen, die het Haagsche -leven goed medemaakte. Hij was een van die karakteristieke oude heeren, die eeuwig -’s middags tusschen vieren en vijven in „de stad” flaneeren, in den bedriegelijken -schijn van eerwaardigheid en deftigheid van mannen op jaren, die hun volk en hun vorst -trouw en ijverig hebben gediend, maar dan ook nu van een welverdiende rust mogen genieten. -Ze zijn nog erg licht en jong gekleed, en loopen nog met vrij elastischen stap, alsof -de fut er nog lang niet uit is, en ze nog best van het leven kunnen genieten. En de -demi-mondainetjes kennen hen allen, weten dat ze goed betalen, en maken hen gelukkig -met knipoogjes en lonkende blikjes van verstandhouding, als ze stiekem blijven staan -voor een winkel, quasi bekijkend <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>de étalage. Daar maken zij de oudjes lekker mede, die zich dan nog zoo echt „jong” -voelen. De oude van Taats vooral was een goede bekende van de dametjes uit de buurt -van het Bezuidenhout en de Fluweelen Burgwal en het Hollandsche Spoor. De meeste vrouwen, -die iets beteekenden in de galante wereld, had hij gehad, en ieder ingewijde wist -dat híj het was, die het beruchte blonde Antje in de kleeren hielp, dat er altijd -zoo copurchic uitzag, en haar vriendinnen de oogen uitstak met de nieuwste Parijsche -toiletten van Hirsch. -</p> -<p>De vrouwen waren altijd de groote, alles overheerschende hartstocht geweest van van -Taats. Zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, was ziek geworden van jaloezie, toen ze -hem aldoor betrapte op overspel van het ordinairste soort. Toen was ze een jaar later -gestorven. Naaistertjes, kinderjuffrouwen, dienstmeisjes, die bij hem in betrekking -waren, geen vrouwelijk wezen was voor hem veilig. Het was een rage, een obsessie, -maar alle vrouwen, die er maar een beetje aantrekkelijk uitzagen en onder zijn bereik -kwamen, wekten zijn wilden hartstocht op. In een krankzinnigen roes van passie had -hij zijn geheele leven vergooid aan de vrouwen, niets ontziende, zelfs de vrouwen -van zijn vrienden niet, als hij maar ergens gelegenheid zag om wat hij noemde van -een <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>buitenkansje, een „bonne fortune”, te genieten. -</p> -<p>Naar buiten was hij altijd even respectabel en fatsoenlijk gebleven en wie hem niet -kenden zouden in het ordinaire, ietwat dikbuikige mannetje, met dat stereotiep voorkomen -van algemeen geacht, notabel ingezetene, niet meer dan een gegoed, alledaagsch, welgedaan -bourgeois hebben vermoed. -</p> -<p>Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene vreemde, nooit tot -klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van wist, maar waar véél over gefluisterd -werd in den Haag, en waarin eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was -ook zijn naam genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet -herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en daarom deed de -zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht, fatsoenlijk man. Door zijn -tweede huwelijk met een douairière van Wedell was hij geparenteerd geworden aan de -beste beau monde van het land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te -zijn met die aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld -ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich verder uiterlijk -aan al de conventies hield van de burgerlijke maatschappij, op zijn tijd <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>visites maakte, kaartjes pousseerde, op de societeit kwam, en een groot, deftig ingericht -huis op de Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij verder -achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel eens, gefluisterd -dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou zeggen, een stille „pierewaaier” -was, maar hij was immers weduwnaar, en nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste -jaar niet als een monnik te leven! -</p> -<p>Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt, pieterig klein -ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar hij voelde ook, dat hij er -niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon niet anders, of hij wilde of niet. En die -hartstocht, die eerst nog iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare -levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd, ontaard. Hij had -te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne uitspattingen waren ten laatste meer -cerebraal dan reëel geworden. -</p> -<p>Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen dan gewone débauches -met één enkele vrouw, en hij was in de „basse misère” aangeland, proevend van de verfijnde, -savante geheimenissen der allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>met entremetteuses van verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste -gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche chronique-scandaleuse nog -niet van had gehoord. In die verre, ongure duisternissen van ontaarden hartstocht -liep zijn leven langzaam, langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend -dat hij geen kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort noodlot, -waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval aangenamer en inniger sensaties -geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, -notabel burger was ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke, -onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet weten wil, en -stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch portwijn heeft staan. Hij wilde -ook zijne familie en zijne kennissen er geen aanstoot door geven, en deed dan ook -al zijne uitspattingen strikt alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, -niemand was ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden. -</p> -<p>De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij ooit te zien -dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog eerder trots dan schijnheiligheid -achter zijn bedriegelijken schijn <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>van fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van zijn ziel -verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n zwakkeling was, zoo’n laffe -kerel eigenlijk, die maar met zich sollen liet wat zijn noodlot wilde en nu in het -duister, achter de coulissen van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat -zijn lage wellustjes begeerden. -</p> -<p>Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een geheel andere -sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich af te zonderen van al ’t -lagere, bloeide, rein als een blanke waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, -zijn liefde voor Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden. -Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige edele en heelemaal -zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was opgerezen tot het licht. En hij koesterde -die liefde met iets van het gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die -in zijn gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten troost. -</p> -<p>Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar hij onmeedoogenlijk -laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in zijn dochter, met een soort sombere, -wanhopige vereering, die iets <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>diep tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn eigen bestaan. -</p> -<p>Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid bijna de boete -was voor al het leelijke in zijn duister leven. -</p> -<p>Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn geheele leven -misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn uitspattingen, des te hooger -zag hij haar ideale beeld in zijn dochter. Het was misschien véél onbewust égoïsme, -want uit de behoefte voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, -maar de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in zijn geheele -bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken, eenvoudigen heer te spelen, terwijl -hij inwendig wel wist, hoe die geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich -somtijds als een tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet -passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met familie en -kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig hinderde. Maar hij wist -vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde, zijn liefde voor Ellie absoluut waar -en zuiver was. Tegenover haar voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. -Want voor háár bestond het leelijke eenvoudig niet, vond <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>hij. Haar leven was in een geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, -en vanwaar je het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het licht, -waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van zijn verborgen leven -niet konden tieren. En de gedachte aan den dood van zijn eerste vrouw, die door zijn -schuld zenuwziek was geworden en gestorven was, deed hem een groote schuld voelen -tegenover Ellie, alsof hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover -háár misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot van zijn -leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een einde aan hebben gemaakt, -als Ellie niet bestaan had, die de eenige reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang -hij háár maar had, en hij maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet -zoo diep van zijn ignobel gedoe in het duister. -</p> -<p>Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt troetelkindje. Het mooiste -was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat ze maar wenschte, wist hij voor haar -te krijgen. Toen ze nog kind was sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed -onder zijn arm door de stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. -Na den dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>een oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde, nu zij -wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle zorgen besteedde, die -een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie als een echt lievelingetje van allen -opgegroeid, verafgood en vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, -over wie ze danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht, -als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine was weinig in -haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie beschouwde haar meer als een dame, -die het huishouden deed, en tegen wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog -niet vertrouwelijk moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, -het eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden, vond Ellie -iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine bemerkte wel, dat zij Ellie’s -hart niet kon vinden, maar dit verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen -moeder had. Dat ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken -aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die haar eigen waren. -Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen iedereen lief en aangenaam te wezen, -en ook liefheid in anderen op te wekken <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er was nog geen enkel -diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke vreugde-glans van haar wezen deed -iedereen prettig aan, met wie ze in aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, -en een lachende bloem. -</p> -<p>Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar afgescheiden -waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar thuis en met haar uitgaan, -en dat, waarin hij alleen was. Door een merkwaardige psychologische eenvoudigheid -in hem, waren die twee levens bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap -handelen van een slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd. -Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus dochtertje -in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds niet voorstellen, hoe hij -in donkere krochten van verborgen zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat -wellust te stelen, die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo -aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen schijn van wèlgesteld -fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van buiten eigenlijk een droom leken. En hij -praatte met Ellie op zoo’n vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone -dingen, zooals een <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. -Dikwijls bleef hij dagen, somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij -zooals een rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de gezelligheid -van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook aldoor liefgedaan. Hij las dan -’s ochtends zijn couranten en tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog -wat op zijn kamer en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen -weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de buitenlucht geniet. -Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op tijd dineeren. Na den eten de koffie -en de sigaar, nog een beetje lezen en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half -elf, naar bed. Maar het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd, -fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur niet in het schoone, -warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de duistere wijken, waar het vuile woont. -Dan ging hij theedrinken bij blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij -zich had, of amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en studentikoos -jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een enkel woord van zou gebruikt -hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en wel zat, in zijn andere rol <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo héélemaal in, dat het tweede leven, het -reine, van thuis, weêr droom scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, -die hem op den duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de -lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele keeren, hij was -o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop hij, langs omwegen en steegjes -en binnengrachtjes, naar een straat achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig -rendez-vous was, alleen bekend bij adepten.… -</p> -<p>Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep ellendig voelde, -als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep, en hij van de eene in de andere -moest trachten te komen. Als hij bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late -vergadering moest, of een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief -in een steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar huis -te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij daar met zijn vuile -lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling weêr in ’t licht moest komen, en -dat morgenochtend Ellie in een blank morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en -hem goeien dag kussen op beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen -voor hij naar bed <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure parfumerietjes aan hem was -blijven hangen. -</p> -<p>Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als de poes, die -in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij was dan erg blij, als het -slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet naar het Kurhaus ging, en eens thuis -bleef. Dan was het thee-uurtje om half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan -voor het theeblad, met de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd -begon te zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met haar -gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van het thee-schenken. -Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de canapé zat met een boek, en hem zoo -vriendelijk vleide: „Dáár, lief vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne -chineesche bij gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed -in het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge maagd, nog -met <span class="corr" id="xd31e544" title="Bron: naieve">naïeve</span> intonaties van een kind! De verandadeuren stonden dan open, en buiten was het droomerig -getik van de vallende regendroppelen op de bladeren. -</p> -<p>Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht duren, dat hij -altijd hier <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>mocht blijven, in die intieme stilte van zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte -lieveling, het éénige wat in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, -zijn Ellie, die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook gebeurd -was, liefhad als een goed vader.… -</p> -<p>Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te bestaan, ganschelijk -steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat Ellie was, en dat zelf nog maar -zoo heel vaag leefde, van den bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche -amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en liefelijk zwak -in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand, fladderend dame-meisje, en toch -droeg zij ganschelijk het leven van den ouden van Taats en van Pim, voor wien zij -de eenige vreugde en het eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder -háár zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En juist -met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen en vleien van haar -jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus gebaren van haar kleine, blanke -handen, en het bevallig bewegen van haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen -met een geluk, dat al de misère van hun ander leven buiten haar <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>deed vergeten, en alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan. -</p> -<p>Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een wezen buiten -de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten en vol verschrikking. Zij -was iets heel beters dan ál het andere bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, -en voor wie de wereld ook niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, -waarin zij voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande van -genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet glanzen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vóór het etensuur zat Pim dikwijls zijn borreltje te drinken in Ellie’s boudoirtje. -Dat was dan echt gezellig, zoo vóór het diner te zitten babbelen onder een glaasje -port. Nicht Joséphine mocht het niet weten, maar Ellie hield dol van een likeurtje -’s middags, en had heimelijk in een kristallen stelletje wat Kiss me quick en Marasquin, -heel fijne, uit de Kurhaus-bar, en voor Pim witte port van Aguilar. Ze had bij Baraké -in de Galeries twee keurige likeurglaasjes <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>er bij gekocht, op zilveren, geciseleerde voetjes, en daar zat ze dan, echt stiekem-gezelligjes, -zoo tusschenbeide met „broertje” uit te pimpelen. Zij noemde dat haar „<span lang="fr">pêché mignon</span>.” Alleen kwam ze er zoo niet toe, al had ze er altijd trek in, want dat was toch -je ware niet, en er moest altijd iemand bij zijn. Pim kwam geregeld tweemaal in de -week eten. Hij deed het alleen om Ellie, want van zijn stiefvader hield hij niet. -Hij wist te veel van van Taats om respect voor hem te voelen. Maar toch behandelde -hij hem altijd met een eerbiedige correctheid, omdat hij nu eenmaal de vader van Ellie -was, en zou hij niet geduld hebben dat in zijn tegenwoordigheid iets ten nadeele van -hem gezegd werd. Ellie hield van hem, dát was genoeg, en daarom hield hij hem hoog. -Op de dagen dat hij dineerde, kwam hij altijd een uurtje vroeger bij Ellie zitten -praten. Hij zorgde dan behoorlijk, een zakje „<span lang="en">sweets</span>” mee te brengen van Monchen of Nieuwerkerk, want dat hoorde er nu eenmaal zoo bij, -en anders had Jimmy, de terrier, er niets aan. Zóó was er altijd een vast snoep-complotje -van drieën, Ellie, Pim en Jimmy, Woensdags en Zaterdags in het blauwe boudoirtje van -den „toren.”— -</p> -<p>Hij zat dezen keer op haar te wachten om half zes, en verwonderde zich, dat ze nog -niet thuis was. Gewoonlijk was ze er al om vijf uur. -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>Dáár hoorde hij haar vlugge stapjes luchtigjes op de trap, en ze stoof binnen, haastig, -met den hoed nog op. -</p> -<p>Zoo licht en vriendelijk als zoo’n boudoirtje ineens wordt, als een jong, lachend -kind er binnenkomt, met lief frou-frou van rokken, en goud-schijn van blond haar! -</p> -<p>„Dag Jimmy, dag engelachtig beestje … mijn heerlijke, lieve dot!.… is de vrouw daar -dan weêr, snoesje?… heb je op haar zitten wachten … dáár heb je een zoentje, hoor!… -nog eentje … en nog eentje … maar niet mijn rok vuilmaken, hoor!… koest nu!… zoet -zijn!…” -</p> -<p>En het witte terriertje, fijn-zacht als glacé, wrong zijn lijfje in allerlei bochten, -zenuwachtig kwispelend met korte schokjes van zijn stomp-staartje, en de spitse, puntige -bek heen en weêr wrijvend in haar hand. -</p> -<p>„En jij Pim?… zit je op je borreltje te wachten?… je krijgt het dadelijk, hoor!… even -geduld maar, dat ik hiernaast mijn goed uitdoe … en wat zeg je wel van me, zie ik -er nu niet dood eenvoudigjes uit?… dát is nu mijn costuumpje voor als ik eens heel -gewoontjes wil zijn, eigenlijk meer voor ’s morgens misschien …” -</p> -<p>Haar gezichtje bloosde als een gezonde, frissche bloem onder uit den blankwit strooien -sailor-hat hem tegen. Hoe lief-eenvoudig was ze in haar beige tailor-made <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>costuumpje, met het fijn batisten blousetje van heel teeder-roze rozenkleur! Wat sloot -het hooge linnen boordje voorzichtigjes om haar hals, en hoe parmantig zwierde het -zelf gestrikte dasje daaronder! Wat een wondertje was ze toch van lichtheid en blijde -kleur, zooals ze daar met haar rank maagde-lichaampje in het blauwe boudoir stond! -</p> -<p>„—Zie ik niet een beetje rood?” vroeg ze weer, „verbeeld je, we hebben terug héélemaal -geloopen … en ik wou je niet te lang laten wachten, toen hebben we van de Witte Brug -af zoo gehold.” -</p> -<p>„—Neen, niet bizonder,” zei Pim geruststellend, „—je hebt je gewone mooie kleurtje -van altijd, hoor zus, en dat eenvoudige kleedje staat je wàt lief.… je hebt gelijk -dat je altijd tailor-made neemt, daar komt je figuurtje zoo goed in uit.… weet je -wel dat je hoe langer hoe slanker wordt, en je het fijnste middeltje van den Haag -krijgt?.…” -</p> -<p>„—Nu, het fijnste is wel een beetje sterk, Pim, maar ik weet toch wèl, dat ik er mee -voor den dag kan komen. Wies is er een beetje jaloersch op, die dikt zoo aan, en het -rijgen helpt haar maar niet.… ze wil maar niet gelooven dat ik me heelemáál niet behoef -te rijgen.… Nu éven geduld nog.…” -</p> -<p>En ze verdween in haar slaapkamer door de zijdeur, om dadelijk weer terug te komen. -Toen wipte ze <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>gauw naar een etagère-kastje, haalde er het likeur-stelletje uit, en zette het klaar -op een laag turksch tafeltje vóór de pouf, waar Pim op zat. -</p> -<p>„—Asjeblieft meneer!.… je portje is ingeschonken.… en wat heb je daar meêgebracht -voor lekkers?… <span lang="fr">marrons glacés</span> en wafeltjes … délicieus, goed uitgekozen, hoor!.…” -</p> -<p>„—En vertel me nu eens, hoe je er zoo toe gekomen bent om heelemaal van het strand -te loopen.… was je met Wies?…” -</p> -<p>„—Ja, met Wies … en toen zijn we de Sandt tegengekomen.… hij was per fiets, maar hij -had een schroefje ergens er uit verloren en toen zei hij dat hij terug moest loopen -met zijn machien … toen zijn we meêgegaan om hem gezelschap te houden, den armen jongen.… -is dat nu niet lief van ons?” -</p> -<p>„—Zoo? alweer met de Sandt … dat is áán tegenwoordig! Hij schijnt jullie in den laatsten -tijd nogal het hof te maken.… maar voor wie is het nu eigenlijk bedoeld, voor jou -of voor Wies?.…” -</p> -<p>„—Dat weet ik niet, hoor, en ’t kan me ook niets schelen!… misschien voor Wies, misschien -voor mij … ik hoop niet voor mij …” -</p> -<p>„—En waarom niet?…” -</p> -<p>„—Wel, omdat ik hem dan niet meer zoo aardig zou vinden … je weet toch wel, Pim, als -mannen <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>verliefd zijn beginnen ze altijd zoo raar te doen, zoo gek … ik kan het heusch niet -helpen, maar ik vind <span class="corr" id="xd31e602" title="Bron: dan">dat</span> altijd een beetje ridicuul … dan kijken ze bijvoorbeeld zóó … smachtend, of zóó … -net of ze slaap krijgen.…” -</p> -<p>En ze trok een gezichtje, dat kostbaar was van uiterste komiekheid. -</p> -<p>„—Ik geloof dat jij met álles den gek steekt,” zei Pim verwijtend. „Verliefd zijn -is héél ernstig, en niets om te lachen. Maar je weet niet wat het is, daar komt het -van.” -</p> -<p>„—Weet jij ’t dan wèl, broertje?” -</p> -<p>„—Niet bij ondervinding gelukkig, maar ik zie het toch zoo wel van anderen, dat het -om den dood geen gekheid is, hoor!… Wacht maar tot je het zelf eens te pakken krijgt!…” -</p> -<p>„—Nu, dat zal vooreerst wel niet gebeuren, reken dáár maar gerust op!” -</p> -<p>„—En toch maken jullie dame-meisjes je allemaal zoo mooi mogelijk, en steek je je -in de fijnste veertjes om de jongelui het hoofd op hol te brengen … je zoudt wát ongelukkig -zijn als er niemand was, die naar je keek, en je aardig vond … zeg het nu eens eerlijk, -zou je het prettig vinden als ze geen notitie van je namen?” -</p> -<p>„—Nu ja, dát natuurlijk óók niet … je moet <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>ook niet denken dat ik het niet aardig vind als ze me een beetje het hof maken. Je -zusje is nu eenmaal een beetje koket, dat wil ze wel bekennen, en als er geen heeren -waren zouden we ons natuurlijk vervelen.… Maar ik vind het juist aardig zooals het -nú is … En waarom zou ik dan willen dat het ánders werd?… Ik vind mijn leventje van -nú wàt aardig. Mijn tennisclubje, mijn fiets, mijn strand, mijn Kurhaus vooral, en -mijn partijtjes. Zoo leuk allemaal onder elkaar, met de luitjes die je kent, samen -pretmaken, en een beetje flirten desnoods, dát doe je nu eenmaal van zelf … Maar het -moet niet te serieus worden, want dan wordt het vervelend, en dan is juist het aardige -er af … Verbeeld je, verliefd worden, en geëngageerd zijn, en dan niet meer mee mogen -doen, en niet meer pret mogen maken met anderen, omdat meneer je fiancé jaloersch -zou zijn! Ik zou je danken, hoor!… Het is véél te leuk zooals het is.… En nu net met -het nieuwe seizoen en het Kurhaus!.… Zaterdag is het bal in de theaterzaal, en den -volgenden Zaterdag in de Kurzaal. Het is wel een beetje mêlé altijd, maar je kunt -er toch bést dansen.… de Sandt heeft beloofd te komen, en hij heeft al een wals van -me. En jij zorgt dat je er ook bent, begrepen?.…” -</p> -<p>Pim had haar lachend zitten aanhooren. Zóó was <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>ze toch maar de echte, éénige Ellie! En zóó had hij haar ook het liefste, zoo luchtigjes, -zorgeloos fladderend door de pleziertjes van het Haagsche leven, ongerept en onbewust, -als een vroolijk, fijn vlindertje.… -</p> -<p>„—Maar is er nu niemand onder al de jongelui waar je dan láter misschien eens op zou -kunnen verlieven?” vroeg hij nog eens. „Is de Sandt dan geen aardige kerel? En van -den Bergh, en Waalen?” -</p> -<p>„—Zeker, héél aardig, Pim, en ik zou ze niet graag missen, maar toch heelemaal niet -om verliefd op te zijn, vind ik. Heelemaal niets bizonders voor jouw Ellie.”— -</p> -<p>„—Dus dan zul je wel nooit trouwen, denk je?—” -</p> -<p>„—Dat zeg ik niet.… je weet nooit wat er later nog eens kan gebeuren.… Maar nú op -het moment dénk ik er in alle geval nog niet aan. Het is veel te leuk zooals het nu -is, Pim. Ik ben veel te gelukkig met al mijn pretjes en mijn lieve huisje, met pa -en jou. Laat het nu maar zoo blijven. Het is goed zooals het is. En ik ben nog pas -negentien. Ik voel me zoo jong en zoo prettig. Dacht je nu dat ik me daar maar zoo -eens even door den eerste den beste uit zou laten halen? Ik zou je danken. Weet je -wel dat ik het niets erg zou vinden als het maar altijd zóó hetzelfde bleef, en er -nooit iets veranderde?” -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>Hij voelde een groote blijdschap over hem komen. Dat was nu immers precies wat hij -zelf altijd had gezegd! Waarom zou het niet altijd zóó blijven? Was het niet goed -zoo? Was zijn leven niet veilig bewaard in zijn vriendschap voor Ellie, en was alles -niet rustig en wèl-vertrouwd tusschen hen? -</p> -<p>„—Dus dan ben je nú toch wat je noemt gelukkig,” zeide hij, „en weet je wel, dat de -meeste menschen volhouden, dat het geluk niet bestaat? De Boeddhisten zeggen zelfs -dat al het leven niets dan ellende is.” -</p> -<p>„—Nu ja, nu kom je weêr met al die geleerdheden aan. Daar weet ik niets van. Ik weet -alleen, dat ik me niets ellendig voel, hoor!” -</p> -<p>„—Maar je begint ook nog eigenlijk pas te leven. Je bent nog maar éven over het bakvischje -heen. En je bent nog niet ééns flink verliefd geweest!” -</p> -<p>„—Nu alweer dat verliefd zijn! Moet een meisje dan per se maar altijd verliefd zijn?” -</p> -<p>„—Ja, daar begint haar innigste leven toch eigenlijk pas mee.” -</p> -<p>„—Nu, Pim, dan leef ik voorloopig zeker nog maar niet. Want ik geloof niet, dat ik -ooit op iemand van al de mannen, die ik nu alzoo ken, verliefd zou kunnen zijn.” -</p> -<p>„—Zoo?” plaagde Pim, „zijn die dan allemaal niet goed genoeg voor mijn kokette zusje?” -<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>„—Nu, eerlijk gezegd, neen!” antwoordde ze oprecht, en onbewust een beetje ernstig -wordend. „Om je de waarheid te zeggen ben ik wel wat erg op mijn eigen persoontje -gesteld. Ik vind me zelf nog zoo kwaad niet. Het is toch heusch wel aardig zoo’n meisje -als ik ben, al zeg ik het zelf. En dat nu maar zoo heelemaal weg te geven aan een -of ander, ik denk er niet aan. Ik zou het zonde vinden. Denk nu zelf eens de Sandt, -of den Bergh, of Waalen, die je daar noemde. <span class="corr" id="xd31e639" title="Bron: Vindt">Vind</span> je dat nu luitjes om je heele bestaan zoo maar aan over te geven en je prettige, -leuke meisjesleventje voor weg te doen?” -</p> -<p>Nu, Pim vond het, eigenlijk gezegd, ook niet. En toen hij het haar bekende, zeide -hij niet eens, waarom en wat hij alzoo van hen wist. -</p> -<p>„—Neen Pim, als jouw Ellie ooit verliefd raakt, dan zal het op héél iemand anders -moeten zijn!” zei ze nog, trotsch. -</p> -<p>„—Zoo zoo, en wat moet dat dan wel voor een wonder wezen?” vroeg hij nieuwsgierig. -</p> -<p>„—Wel, Pim, hij zou héél anders moeten zijn dan de anderen, o! zoo anders. Iets bizonders, -weet je. Iets groots en heel sterks. Iets, waar ik, geloof ik, eigenlijk bang van -zou zijn. Iets waar je kleine zusje zichzelf zoo heelemaal niets bij zou vinden. Zoo’n -heel groote, mooie held, als uit een boek van <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>Ouïda bijvoorbeeld, die iets vrééselijk moeilijks en edels zou gedaan hebben, waarom -alle menschen tegen hem opzagen<span class="corr" id="xd31e650" title="Niet in bron">.</span> Natuurlijk heel groot, zooals alle helden, en donker, met zwart haar, en mooie, sprekende -oogen. Heelemaal niet als al die malle kereltjes die op het Kurhaus rondloopen. Je -zult zeggen dat ik die toch wel aardig vind en er lief tegen ben, maar heusch, in -den grond van mijn hart vind ik ze toch niet zoo bizonder. Nu heb ik ook geen behoefte -aan iets bizonders, Pim. Ik heb nu juist pret in al het heel gewone, dat weet je wel. -Maar als je spreekt van verliefd zijn en trouwen en zoo, waar ik juist mijn gewone -leventje van nu voor zou moeten weggeven, dan.… ja, dan zou het toch, geloof ik, wèl -iets heel bizonders moeten zijn.… Want ik ben veel te gelukkig, hoor! met wat ik nu -heb.…” -</p> -<p>Ze zeide dit ernstiger dan ze gewoonlijk sprak. Pim had nog nooit met haar over dat -onderwerp gesproken, en toevallig was ze er nu zoo diep in doorgegaan. Hij schrikte -van den ernst in haar stem, die hij niet gewoon was. En ineens kwam ze hem een beetje -vreemd voor en was het hem, of er ergens, heel vaag en ver, een Ellie in haar was, -die hij nog niet kende en die ook zijn zuster niet kon zijn. Was er dan ergens vèr -achter dat vlinderleventje van haar iets, dat onbewust naar <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>nieuw en heviger leven verlangde, waren er in zijn Ellie, die hij zoo goed kende, -dan onbewustheden, die vérder reikten dan naar wat in hun vertrouwd samen-broer-en-zuster -leven lag? Maar neen, dat kon toch niet, dat was toch immers onmogelijk! Leek ze, -daar nu gezelligjes, in haar keurig costuumpje, haar likeurtje zittend genieten, zoo -gracieus en zoo teeder, zoo heelemaal niet iemand om iets hoogs of hevigs van het -groote, harde Leven te voelen, enkel lieflijkheid en broze bevalligheid, om met voorzichtige -bewondering ontroerd naar te zien! Ze leek nog zoo véél meer een kind dan een vrouw -eigenlijk! -</p> -<p>En in een hoopvolle opwelling om het gelukkige van nú dan toch vooral goed vast te -houden, zeide hij maar geruststellend: -</p> -<p>„Dan zullen we dien bizonderen held van jou nog maar wat laten wachten, hoor, en ondertusschen -maar doorleven zooals we nú doen. Je hebt groot gelijk dat je je te goed vindt om -je zoo maar door iemand te laten inpalmen. En ik doe met je meê, om ons leventje door -te zetten zooals het is. We hebben nu eenmaal pret, hè?.…” -</p> -<p>Hij voelde, dat het niet heelemaal waar was, wat hij zeide. Hij wist te goed, dat -er te véél was, wat hem hinderde, te veel van het leelijke en duistere in het leven, -dat Ellie niet wist, en dat hij alléén <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>kon vergeten omdat zíj er was om het bestaan voor hem blij te maken. Maar zij stond -dan ook zoo vèr, zoo onbereikbaar vèr van al het donkere en slechte! -</p> -<p>„—Zeker, hebben we pret,” antwoordde zij lachend, „en laat die vervelende verliefdheden -het nu niet gaan bederven! Verliefde menschen zijn altijd vervelend, je moet maar -eens opletten! Je zoudt denken dat ze juist altijd pret moesten hebben en gelukkig -zijn. Maar de meesten doen toch eigenlijk net of er ik weet niet wat met hen gebeurt -en worden ineens zoo héél anders. En ik wil niet anders worden als ik ben. Ik wil -altijd dezelfde pret in mijn leven hebben als nu, en altijd even opgeruimd zijn. Zoo -ben ik nu eenmaal, dat wéét je wel.” -</p> -<p>„—Ja maar, Ellie, je zult toch ook wel eens narigheid krijgen, en verdriet hebben. -Dat hebben nu eenmaal alle menschen. Al kan ik me jou niet voorstellen met erg veel -verdriet. En jij?” -</p> -<p>„—Ik ook niet,” antwoordde ze luchtig. -</p> -<p>Maar ineens, peinzend, alsof ze luisterde naar een vage intuïtie, die heel vèr uit -de onbewustheden van haar ziel kwam opdroomen: -</p> -<p>„—Ik zou geen verdriet kúnnen hebben, Pim. Daar ben ik heelemaal geen meisje voor. -Neen, dat voél ik wel. Ik ben niet gemaakt voor verdriet. Ik zou liever dood zijn.….” -<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p> -<p>Die ongewone ernst, die ándere, dieper stem, die hij niet van haar kende.…. -</p> -<p>Wat wás het ineens? Wie was het, die daar zoo vreemd uit zijn Ellie sprak, die toch -nog net eender, broos, fijn vlindertje, daar bij hem zat? -</p> -<p>En ineens voelde hij eene vreemde siddering, alsof, in het luchtige, vluchtige leventje -van alledag, een vaag mysterie van Noodlot, nooit vermoed, voor den eersten keer plotseling -tusschen Ellie en hem oprees, en tusschen hun beider zielen éven beefde.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar dadelijk daarna was het weer weg. Zij was aan ’t stoeien gegaan met Jimmy, die -haar mooi batisten zakdoekje wilde grijpen, en lachte luidkeels haar hoog, helder -sopraanlachje van lief, vroolijk jong meisje.… -</p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule Louise Mombreuil. -</p> -<p>Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin kende als Ellie. -Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan een emotie, en handelend naar -den eersten aandrang, zonder te <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>denken. Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van romans, -was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in den Haag een „folie” -noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk verliefd geworden op een ténor van -de fransche opera, Lamarty, die de afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een -paar keer als Faust en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar -romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó maar gloeiende -brieven geschreven, met „<span lang="fr">Mon cher Roméo</span>” en zelfs „<span lang="fr">Mon Roméo bien aimé</span>” er boven. -</p> -<p>Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken, maar in ’t gewone -leven een „<span lang="fr">bon bourgeois</span>” en een „<span lang="fr">bon père de famille</span>,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van bakvischjes te lezen. -</p> -<p>Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude dame, in de -Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening, die zijn stem dreigde aan -te tasten, en voortdurend in geldzorgen en allerlei drukten. Iederen dag kwamen er -brieven en bloemen en cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes -en de bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij wie hij -inwoonde, mocht de brieven voor <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>hem lezen. Somtijds las ze er een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty -zeide, dat het hem embêteerde. -</p> -<p>Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven wegraakten, durfde eindelijk -zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te vragen, of zij eigenhandig een brief voor -haar wilde geven aan Monsieur Lamarty. -</p> -<p>Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar een lesje gegeven, -waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij Wies door een kiertje van de -suite-deur laten zien.—Roméo zat in een chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels -aan, heel niet romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op -zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte doeken te leggen -om zijn keel. -</p> -<p>Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de oogen was Wies, -die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis uitgeloopen, geheel genezen -van haar adoratie voor Faust en Roméo. -</p> -<p>Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische liefdesgeschiedenis -had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had -kunnen zijn. En zij begreep <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet bemerken, en -dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die ontgoocheling was gebroken, dat niet -zoo gauw weer in orde zou komen. En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld -en hartstochtelijk met iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel -niet meer, en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns. -</p> -<p>Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat het zoo ver -weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was haar broer Maurice. Er -was géén man op de geheele wereld als haar broer Maurice Mombreuil. Hij was officier -in Atjeh, en vocht daar als een held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren -hoe mooi, hoe edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de ridder -sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten werkelijk zijn naam -las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát gevecht, hoe hij zijn commandant -van den dood had gered, met eigen levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch -hoofd, dien men voor onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk -zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een mysterieuzen -held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>vèr, vèr over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van Aimard -en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende, en waar ze dol op -was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen Atjehers vocht in plaats van -tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders was het toch hetzelfde, en Maurice was een -even groot held als Edelhart of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept -had, en die, zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans. -</p> -<p>En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi, en dat hij zoo -groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand, ofschoon zoo vèr in Indië, -een vertrouwde van hun beider vriendschap, alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in -haar intimiteit. Omdat ze wist, <span class="corr" id="xd31e715" title="Bron: hoe'n">hoe ’n</span> plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze geen tijding van haar broer -had, en hoe hij het maakte, en wat hij had geschreven. En door zijn vér zijn, en toch -altijd besproken worden met enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie -als een droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel vaag -tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel eigenlijk om te bestaan, -alleen maar om aan te denken met eerbiedige bewondering. -</p> -<p>Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>boudoirtje binnenstoof, haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het -uitschreeuwde van vreugde: -</p> -<p>„Ellie! Ellie! Hij komt terug.… er is een telegram gekomen.… hij komt terug, heúsch, -heúsch.… hij kan al héél gauw hier zijn.… o Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!.…” -</p> -<p>En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar helden-broer, -die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu inééns áánkwam, dáár van -zoo héél verre, uit den droom.… -</p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van den Haag geweest. -<span class="corr" id="xd31e729" title="Verbeterd door de auteur van: Twaalf">Tien</span> jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter was, studeerde Louise’s groote broer -te Leiden in de rechten. Hij was toen een van de meest getapte studenten, lid van -de grootste aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui door -zijn <span class="corr" id="xd31e732" title="Bron: maitresses">maîtresses</span> en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets, en toen Leiden hem begon te vervelen, -ging hij in den Haag op <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>kamers wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder er doorgebracht, -en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen zijn crediteuren ongeduldig -werden, en met een groot schandaal dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil -bij, om den naam van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice -tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw Mombreuil en zijn -zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als een jongen god, deden alles om -den minister te vermurwen, maar er hielp niets aan, en den gevierden student bleef -niets over dan zich te vernederen en als koloniaal te teekenen. -</p> -<p>Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden Mombreuil. Want Maurice, -wélke verhalen er ook over hem rondgingen in den Haag, was nu eenmaal „<span lang="fr">l’enfant chéri des dames</span>”, die álles kon doen. Hij was „<span lang="fr">le beau Maurice</span>”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde. O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, -géén meisje was er tegen bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn -zwart, coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn kersroode -mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van den Haag, zeide men—, -die mond, zoo <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>lief-zinnelijk tot kussen geplooid, zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was -niet verliefd op den mooien mond van Maurice! -</p> -<p>En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar Indië. Er werd -schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als hij was, had Maurice toch -best kunnen helpen om door te studeeren. Hij was weduwnaar, zonder kinderen, en het -zou hem toch gemakkelijk zijn gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die -arme, mooie Maurice, <span class="corr" id="xd31e749" title="Bron: verbeeldt">verbeeld</span> je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel in Nederland, als gewoon koloniaal -naar Harderwijk. Was het geen crime? -</p> -<p>Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn schoonzuster -verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken was dat uiterst louche bleek -te zijn, een geschiedenis van een valsche promesse, niet dan met de grootste moeite -uit de handen van den Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. -En hij liet zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn -schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en Maurice alleen -wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd hebben, het <span class="corr" id="xd31e754" title="Bron: blasoen">blazoen</span> van de Mombreuils bijna bezoedeld had. -</p> -<p>Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>voor zijn grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem -de hand geweigerd. -</p> -<p>„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een gentleman bent -geworden,” had hij gezegd. -</p> -<p>Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij zichzelf een duren -eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou komen, vóór de minister hem er zelf -bij de hand zou binnenleiden als een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te gelooven. -</p> -<p>Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over Maurice gekomen. -Hij had zich onderscheiden, had een eervolle vermelding gekregen, was korporaal, daarna -spoedig sergeant geworden, en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen -van een benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend, maar tevens—een -unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot tweeden luitenant was bevorderd. -Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. -Mombreuil geweest was, en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den -<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>minister van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in geheel -Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct getelegrafeerd: „Ik ben -blij je de hand te kunnen reiken.” -</p> -<p>Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad bij de kampong -Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een der voornaamste vijandelijke -panglima’s met eigen hand gevangen genomen had, en later, bij een nachtelijken overval, -zijn bataljonscommandant het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal -had gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder derde -klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter tegelijkertijd zijn -carrière gebroken, want een klewang-houw over den linkerarm had hem verder onbruikbaar -gemaakt voor den dienst. -</p> -<p>De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep met de verhalen -over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn eigen zoon was geweest, die -ze bedreven had. Dát was nu pas een verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd -had! Trouwens, van een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! <span lang="fr">Bon sang ne peut mentir</span>. Ridder van de Militaire Willemsorde <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>derde klasse, door H. M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél -nobeler en kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was. Zeker, -hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een echte chevalier had -hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden zijner vorstin, en het blazoen van -de Mombreuils had hij verheerlijkt met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het -geheele verleden dan ook weg en er zou niet meer over gesproken worden. -</p> -<p>Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice! Die heerlijke, -beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel gezegd! En nu zág je het zelf! -Hij was ridder geworden, net als vroeger in de oude tijden, ridder door de kracht -van zijn zwaard! Ze waren trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. -Het oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van Godfried van -Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En in de verblinding van hun -adellijke ideeën, nog opgezweept door den militairistischen waanzin van den minister, -zagen zij nú in den geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn -dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel, hij was rechtvaardig, -hij was wijs. <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>Hij was het toonbeeld van grootheid en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu -vergloried door den glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen menschelijke -grootheid of zij straalde van hem uit. -</p> -<p>Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had den „grooten -broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker zien worden en zij vertelde -opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn heldendaden. Zij liet hun zijn portret -zien, in vol uniform, met de gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. -En zóó was Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een sprookje, -een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere heldendaden. -</p> -<p>„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien, „wat een flinke, -mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien knevel! En dien mond! je mag -blij zijn met zoo’n broer, hoor!” -</p> -<p>En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden. Allemaal moesten -ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en de dapperste, en de knapste -jongen van de wereld? -</p> -<p>Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar zou wezen. -Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd, gedecoreerd, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, -toch mocht hij de uniform blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij -die altijd aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t Indische -leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala, die eeresabel, met dat -blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél meer uit kunnen gaan dan vroeger, want -als mama geen lust had, of te moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk -op Maurice rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was toch -op den duur vervelend. -</p> -<p>Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen, geridderden broer! -</p> -<p>Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets losgelaten, van dat -hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te zoeken. Maar ze moest hem éérst een -flinken tijd voor háár houden; níet hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, -dát ging niet aan. Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later -wel eens voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten ganschelijk -om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en huwelijken, besloot ze, dat -zij dat zaakje wel zou opknappen, en een <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst héélemaal -goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er niets aan. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een van Pims eigenaardigheden was, dat hij met allerlei lui omging, die je, zooals -men dat in den Haag noemt „niet ziet,” en die niet in gezelschappen komen die nu eenmaal -tot de uitgaande fashionabele wereld behooren. -</p> -<p>Onder die „rare” vrienden en kennissen, die Pim er op nahield, behoorde Frederik van -Klaerbeke, een jong auteur, die in de laatste jaren veel opgang had gemaakt. Hij was -van wat men in den Haag noemt „goede familie,” en zijn vader was een hooggeplaatst -hoofdambtenaar van algemeene bekendheid. Frederik had allen omgang met zijne familie -afgebroken en was met een meisje „beneden zijn stand” getrouwd. Hij leefde met zijn -vrouw geheel afgezonderd, en vermeed alle Haagsche kennissen, met wie hij zijn jeugd -had doorgemaakt. En daar hij, ofschoon vrijwillig, nergens „kwam” en niet meêdeed -aan de conventies en gebruikelijkheden der Haagsche wereld, <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>was men hem van zelf zoowat als een uitgestootene gaan beschouwen, bij wien het niet -heelemaal pluis was. Fabelachtige verhalen omtrent zijn leven, dat juist heel gewoon -en eenvoudig was, deden de rondte in de Haagsche kringen, en hij en zijn vrouw werden -beschouwd als twee gevaarlijke wezens, die met God en wetten gebroken hadden, en in -een soort wilden natuurstaat een leven leidden zooals hunne hartstochten en grillen -dat wilden, zonder égards voor maatschappij en conventie. Maar zijne werken werden -door het groote publiek erg mooi gevonden en hadden zulk een debiet, dat hij van zijne -verdiensten als literator financieel goed kon bestaan. Maar je moest heelemaal niet -denken dat hij was als zijn boeken, zeide men. Boeken schrijven was heel gemakkelijk, -maar er naar leven was een andere zaak. En de Haagsche wereld, die zoo fatsoenlijk -was, en zoo deftig, dweepte met Frederiks boeken, en belasterde hem tegelijk, in ééne -moeite door, van de infaamste dingen. -</p> -<p>Pim wist wel beter dan zijn Haagsche vrienden, wie Frederik van Klaerbeke eigenlijk -was. Hij had met hem kennis gemaakt toen hij, in een spontane opwelling van bewondering -en dankbaarheid, aan den schrijver van „Eenzame Zielen” een langen brief had geschreven, -waarin hij hem opbiechtte, hoe dit <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>boek hem had aangedaan. Van Klaerbeke, getroffen door den warmen, oprechten toon van -zijn schrijven, had hem geantwoord met eene uitnoodiging, om eens bij hem te komen, -en zóó waren die twee geheel verschillende levens met elkaar in aanraking gebracht. -</p> -<p>Frederik, die zich al zoo lang had teruggetrokken uit de kringen, waar Pim in leefde, -was verrast, in den jongen huzarenofficier, die toch uit het milieu kwam dat hij was -gaan verfoeien, een zoo fijne en gevoelige ziel te vinden, die zoo verwant was aan -de zijne, en toch in het Haagsche wereldje van waan en schijn was blijven gedijen.—En -Pim, die onder zijn eigen kennissen nooit een nauw verwant hart had gevonden, had -met den eenvoud en de oprechtheid van een groot kind al heel gauw alles van zijn innigste -wezen aan zijn nieuwen vriend verteld, als aan een biechtvader. Hoe hij zich eigenlijk -zoo klein en zoo zwak voelde in het groote Leven, hoe dikwijls de grofheden van zijne -kameraden hem pijn deden, hoe hij zich goedhield en niets liet blijken, maar eigenlijk -altijd schuw en angstig was, dat ze iets in hem breken zouden, en hoe hij wel eens -dacht, dat het misschien wat ziekelijk en ongezond was, en of het niet beter zou zijn, -een man te wezen, en met sterke handen over het broze en teedere heen te gaan en te -doen als de anderen, koud, en wreed, en onverschillig. <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>Eindelijk vertelde hij hem van Ellie en van haar apart en bizonder mooi zijn, en hoe -hij bij háár altijd rust en vrede vond, en hoe dóór haar over ál het andere voor hem -een glans van mooiheid en goedheid ging, die alles vergoedde. Hoe zij de steun was -van zijn geheele leven, en hij zich niet denken kon, wat ooit met hem gebeuren zou, -als niet haar teêre maagdelijke schoonheid bestond, die hij vereerde met een zoo rustige -en vredige veneratie. Toen had Frederik hem een groot kind genoemd, en een echten -„jongen” nog, al was hij nu twee en twintig jaren, maar heimelijk had hij groote sympathie -voor hem gevoeld, omdat hij ééns óók zoo was geweest, en hij iets van zijn oude-zelf -van vroeger nu in het kleine luitenantje terugzag. Toch had hij hem er voor gewaarschuwd, -dat zoo’n leven in niets dan schijn en waan ééns breken moest, en nog maar héél kort -zou kunnen duren. Want den schijn en den waan van het leven was hij gaan haten met -groote innigheid, sinds de Waarheid, die wreed was, maar oprecht, ééns het fijne droomen-weefsel -van zijn ziel had verscheurd. -</p> -<p>„Je weet héél goed, Pim, hoe’n leugen dat mondaine Haagsche leven is,” had hij hem -gezegd. „Hoe’n bedriegelijke schijn, al dat lichte, glanzende, kleurige, quasi-gedistingeerde -van die Kurhaus-menschen <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>waar je elken dag onder leeft. Je weet wel dat het meestal niets dan mensch-beesten -zijn, die zich met dien schoonen schijn omhangen, maar niettemin mensch-beesten blijven. -Je weet ook heel goed, wie die fijngekleede, nette jongelui zijn, die zoo galant doen -tegen de dames, en complimentjes maken, en zoo eerbiedig zijn. Den eerbied, dien ze -aan de vrouw moesten wijden, hebben ze al lang verloren bij de veile deernen, die -ze geregeld bezoeken, voor geld, en die in hun misère van slachtoffers onzer verdorven -maatschappij toch nog niet zoo laag zijn als die kerels, die er van profiteeren. Hun -diepe hoedegroet vol respect voor een dame, hun eerbiedige buigingen, ze zijn leugen, -want ze hebben het idee vrouw al te veel bezoedeld in hun gemakkelijke débauches om -er iets serieus van over te hebben. En als zoo’n jongmensch van de „wereld” eindelijk -uit is gesjouwd, en er genoeg van heeft en nu aan trouwen moet gaan denken, dan is -zoo’n ongerept, maagdelijk dame-meisje altijd voor hem klaar om de restjes aan te -nemen, die Antje of Nelly of Jo hebben overgelaten. Ik zeg het een beetje crû, Pim, -maar zoo is het.” -</p> -<p>Pim wist het wel, maar hij wilde het liever niet weten. Als hij altijd zoo de dingen -zag, zou hij zijn leven zoo niet door kunnen leven. -</p> -<p>En Frederik ging onmeedoogend door. -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>„Ik zal niet eens praten van het gruwelijke onrecht, dat al die menschen ál maar pret -maken en om niets denken dan hun pieterige amusementjes, waar het bewezen is dat onze -geheele maatschappij op onrecht, op diefstal, op het brute recht van den sterkste -is gebaseerd. Dat zestien menschen—de statistiek heeft het uitgemaakt—misère moeten -lijden en in hun zweet moeten zwoegen, om één zoo’n bourgeois heertje of dametje zoo’n -prettig, mondain leventje te laten doorlummelen. Dat dus al die menschen, zoodrá ze -deze dingen weten—en ze kunnen het weten, want de groote sociaal-democraten hebben -het wiskunstig duidelijk aangetoond—evengoed bewuste dieven zijn en roovers van anderer -geluk en eigendom, als de dief, die iets van je steelt. Dáarover wil ik het niet ééns -hebben. Maar wat ik verfoei en veracht, dat is de leugen, die zoo’n mondaine wereld -om zich heen heeft, als die van het traditioneele, uitgaande publiek van een stad -als den Haag. Zoo heelemaal in orde lijkt het, hé, zoo’n pantoffel-parade op het strand, -of op het terras, al die menschen zoo netjes aangedaan, zoo fatsoenlijk, met zoo’n -air van rechtschapenheid en comme-il-faut-heid en distinctie. Maar kijk naar de beest-menschen -achter dien schoonen schijn, het gelonk en geloer naar duistere, leelijke dingen, -de verlaging <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>van de vrouw-idee in de blikken van al die kerels, het ignobele te koop loopen met -dochters, dat deftige, beschaafde mama’s doen, en let dan eens op, waar alles eigenlijk -om draait. En dan die onverstoorbare schijnheiligheid van zooveel geposeerde <span lang="fr">pères-de-famille</span>, dat air van ernstige eerwaardigheid, waarmede ze er bijloopen! Ik kén er een heeleboel -van vroeger, en ik weet hun gesprekken, als de dames er niet bij zijn; en ik weet, -naar wie ze, heimelijk als laffe dieven, heensluipen, nog met den kus van vrouw en -dochter op de wangen. Als alle publieke vrouwen uit den Haag eens gingen vertellen -wat zij wisten, ik geloof dat er weinig van die eerwaardigheid zou overblijven. Trouwens, -die dingen vindt niemand eigenlijk schandelijk. Als ze maar stiekum gebeuren, geniepig, -lafhartig, in ’t duister. Als de leugen-schijn van naar buiten fatsoenlijk en eerbiedwaardig -en <span lang="fr">comme-il-faut</span> maar wordt bewaard. En daarom haat en veracht ik dat wereldje waar jij in leeft, -en waar jij al je genoegen in schijnt te zoeken.…” -</p> -<p>Als Frederik over dit pénibele onderwerp begon, kon hij zich onmatig opwinden, en -zeide hij Pim ongenadig waar het op stond, zonder medelijden. Maar Pim had zijn antwoord -klaar. -</p> -<p>„Dat is zooals jíj het ziet, Frederik.… en ik <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>weet ook wel dat het zoo is … daarvoor zie ik te veel om me gebeuren, en hoor ik te -veel, en ik ben heusch niet blind of doof. Maar neem nu eens zoo’n meisje als mijn -zuster Ellie, zoo’n „dame-meisje” zooals jij het met een zeker dédain noemt. Die ziet -dat toch allemaal héél anders. Wat weet die van wat de sociaal-democratie is, en het -onrecht, en het verkeerde van het privaat-eigendom? Wat weet die van al het leelijke -en het slechte af? Hoe kunnen zulke meisjes beseffen, hoe die galante, tegenover háár -eerbiedige en buigende jongelui leven en achter de schermen scharrelen en knoeien? -Ze zijn daar immers héélemaal niet voor opgevoed. Ze weten immers niet beter of alles -is echt om haar heen, en ze hebben pret in al het mooie, en verrukken ons door haar -eigen gratie en liefelijken schijn! Ellie ziet dat alles zoo héél, héél anders dan -jij dat doet, Frederik. En voor mij is nu juist het heerlijke dat ik al het leelijke -vergeet, en zélf weer als zoo’n argeloos kind voel, dat alleen het mooie ziet … als -ik maar bij háár ben … Kun je je dat niet voorstellen, hoe heerlijk dat voor me moet -zijn?” -</p> -<p>Maar Frederik was ongeloovig, en had niet het simpele naïeve meer van Pim. -</p> -<p>„Als het zoo is als jij ’t voorstelt,” zeide hij, „is ’t altijd nog heel treurig, -om de onwaarheid er van, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>maar lief is ’t zeker óók. Ik kan me heel goed voorstellen een onschuldig meisje, -dat zoo, argeloos, enkel maar het mooie van het leven ziet. Maar hoe tragisch wordt -dan tegelijk een leven als van zoo’n argeloos, niets vermoedend meisje, die alle menschen -en dingen om zich heen mooi en goed ziet! Want die leeft dan toch eigenlijk maar in -een schijn, die niet bestaat! Wat een verschrikkelijke catastrophe moet er dan later -niet gebeuren in haar ziel, als ze ééns die wereld om zich heen gaat doorzien, in -’t licht van de plotseling voor haar opdoemende waarheid. Als ze eens te weten komt, -hoe haar vader, haar broeders, haar eigen man misschien hebben geleefd of nog leven! -Dan moet zoo’n wezentje wel alles, waar ze op steunde, om zich voelen wegvallen, en -den geheelen droom van haar jeugd als een ruïne vóór haar zien liggen. Want altijd -zoo argeloos en onwetend blijven kán ze niet. Dáár zorgt het groote, harde Leven wel -voor … Maar in den Haag lijkt me dat toch een exceptie, beste Pim, en de Haagsche -dame-meisjes zijn over ’t algemeen alles behalve naïef. Jij hebt nu eenmaal de groote -fout, kerel, dat je in ieder meisje een of ander hemelsch wezen wil zien. En het prouveert -voor je, dat zeg ik je er bij. Ik wil je wel bekennen dat ik óók zoo geweest ben, -héél lang geleden, en <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>dat ik me toen erg gelukkig voelde. Maar je moet nu maar eens eindelijk leeren dat -die fijne, zoo apart en bizonder lijkende schepseltjes óók menschen zijn, beste jongen, -menschen net als jij en ik, hoor, van vleesch en bloed, en met net dezelfde menschelijke -dingen. Ik zeg niet dat ze er daarom minder om zijn. Misschien zijn ze er juist meer -om. Ik zeg alleen dat ze anders zijn dan jouw droom van dweperig dichtertje. En met -dat vergoden doe je haar onrecht, want als ze later blijken niet goddelijk maar menschelijk -te zijn, val je haar er dubbel hard om. Nu ken ik je Ellie nog niet, zal je zeggen. -Maar daarom ben ik toch overtuigd, dat ze heúsch ook een wezentje van vleesch en bloed -is, en dat je haar waarschijnlijk ook véél te aetherisch en onreëel ziet in je gedweep -met haar.” -</p> -<p>Toen was Pim opgestoven. Ellie was niets mooier dan wat hij van haar dacht, had hij -gezegd. Zij mocht al niet aetherisch en onreëel wezen, maar zéker wist hij, dat haar -ziel niets dan reins en moois zag van de wereld, en dat er niet één onzuiver ding -was in haar lief- en mooi-doen tegen al de menschen om haar heen, van wie zij ook -niets dan goeds zag. Hij beschreef haar luchtig leventje van uitgaand meisje, en hoe -zij altijd gratie en schoonheid van zich af deed stralen, en hoe haar ziel <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>nog altijd ongerept was gebleven in haar omgeving, als van een onschuldig, rustig -kind. -</p> -<p>En hij had absoluut gewild, dat Frederik met Ellie kennis maakte. Hij had hem overgehaald, -eens aan het strand in Scheveningen te komen en had hem toen aan haar voorgesteld. -Zij had hem dadelijk geïnviteerd, een kopje thee meê te blijven drinken in haar tentje. -Ellie had het erg interessant gevonden, zoo’n bekend schrijver te ontmoeten; zij had -óók zijn boek „Eenzame Zielen” gelezen, dat zij erg „snoezig” en „beeldig” vond, en -waar ze zelfs bij gehuild had, aan het slot. Hij was haar ook erg meêgevallen. Zij -had altijd hooren zeggen, dat hij een socialist was, die geen égards had voor dames, -en zedeloos leefde, en niet aan God geloofde. Maar hij was juist heel aardig, en zelfs -galant geweest, en zij vond hem niets minder dan de anderen. Alleen erg jammer, dat -hij niet met een dame-meisje was getrouwd, hij, die toch van goede familie was, en -daarbij zoo knap … Dat vond ze bepaald leelijk van hem, en zij voelde zich vijandig -tegen zijn vrouw, die zij geen recht op hem vond hebben. Want Ellie zat nog héélemaal -onder bekrompen ideeën van rang en stand. Ze had nooit anders geleerd. Het was een -hééle concessie van Frederik geweest, dat hij zich zoo aan een dametje als Ellie had -laten voorstellen, en <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>als een echt Haagsch heertje had zitten afternoonen in haar tentje. Maar hij had het -ook alleen gedaan om Pim plezier te doen, en had niet eens gelachen, toen Ellie hem -zeide, hoe „snoezig” zij het boek had gevonden, waarin hij zijn geheele ziel had gegeven. -</p> -<p>En zij had een groote impressie op hem gemaakt. Toen zij in haar witte kleedje met -haar lief, vriendelijk maagd-gezichtje zoo ongedwongen met hem zat te praten, nu en -dan een sierlijk gebaartje makend met haar blank-en-roze handje, en hij haar helder -sopraanstemmetje zacht in hem voelde door-zingen, was het hem inééns of, midden in -zijn stille leven, éven een licht visioen van lang, héél lang geleden was teruggekomen. -Dit luchtige, vluchtige, en zoo héél lichte, dit om-van-te-weenen blanke en teedere, -dit allerfijnst reine en kinderlijke van aristocratisch maagd-meisje, o! hoe had hij -het gekend, hoe was het ééns de geheele wereld van droom en ideaal voor hem geweest, -toen hij nog een jong, niets vermoedend kereltje was, dat heelemaal leefde van den -schoonen schijn der dingen.… -</p> -<p>En toen hij afscheid nam had hij, die het fiere hoofd voor weinig menschen meer wilde -neigen, met den hoed in de hand, diep voor haar gebogen, omdat hij in haar groette -een verloren ideaal, dat ééns heilig was geweest, en hem in háár weer tegen had geschenen. -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>Na het diner was Pim nog gauw even bij hem aangeloopen, om toch dadelijk te hooren, -welken indruk Ellie op zijn vriend had gemaakt. -</p> -<p>„—Nu? Hoe <span class="corr" id="xd31e857" title="Bron: vindt">vind</span> je haar nu?—” -</p> -<p>En Frederik had heel ernstig gezegd: -</p> -<p>„Ik ben erg blij, dat ik haar eens ontmoet heb, Pim. Het heeft me goed gedaan. Het -is verwonderlijk, hoe zoo’n lief meisje door haar enkele verschijning een man kan -gelukkig maken. Je weet niet wat het is. Het is iets heel teêrs en mysterieus, dat -van zoo’n meisje in je komt en je ineens goed maakt. Er zijn, geloof ik, maar weinig -mannen die het voelen, maar die het voelen, weten ook wat het is, al kunnen ze het -niet uitdrukken. Je zuster Ellie heeft het heel erg. Ze is niet bepaald wat ze zouden -noemen een mooi meisje. Daar is ze ook te klein voor, en niet statig genoeg van lijn. -Maar ze heeft dat lieve, dat vriendelijk-inpalmende, dat allercharmantste ik-en-weet-niet-wat, -dat je direct zoo vleiend en warm-hartelijk uit haar tegemoet komt. Zoo’n echt zonnestraaltje -is ze. En wat een gratie, wat een gratie in ál haar beweginkjes en gebaartjes! En -haar stemmetje! Net een vogeltje, hè? Die lieve, vroolijke intonatie, die moet uit -een nog heel jong, argeloos kinderzieltje komen, zou je zeggen. Nu Pim, ben je nu -tevreden? Als ik een tien jaren jonger was, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>en een beetje minder wist, en niet zoo’n eenvoudige, goede vrouw had als Marie, dan -was ik zéker verliefd op haar geworden, hoor!” -</p> -<p>Pim’s gezicht straalde van vreugde. Hij had altijd alles wat Frederik zeide voor orakeltaal -gehouden. Frederik was zijn groote vriend, voor wien hij maar zoo héél weinig kon -zijn, en dien hij zoo sterk en alléén wist te staan in het harde, groote Leven, waar -hij zoo bang voor was. En dat Frederik zoo enthoesiast over Ellie sprak, maakte dat -hij haar nóg mooier zag dan vroeger. -</p> -<p>„Vin je het geen mooi naampje dat ze heeft?” vroeg hij. „Ze noemen haar hier het Vlindertje. -Is ze niet net zoo’n mooi, blank kapelletje, dat met van die heel fijne, transparante -vleugeltjes door de lucht zweeft, zoo glanzend in den zonneschijn, en dat alle dingen -zoo mooi en schitterend vindt, en zoo heel gelukkig ál maar voort-wiegelt?.…” -</p> -<p>Frederik zat op de canapé, met zijn hand onder het hoofd, zooals hij altijd deed, -als hij ergens over peinsde. Hij zweeg een tijdje, en zei toen ineens, met dien vagen -zacht-droeven klank, die zijn stem dikwijls zoo vreemd melancholiek maakte: -</p> -<p>„Hoe mooi toch, hè Pim, zoo’n meisje, als ze nog zoo jong is.… dat ze dat niet állemaal -zien!.… de wereld zou misschien anders worden.… <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>maar héél weinigen voelen het. Daar <span class="corr" id="xd31e873" title="Bron: hadt">had</span> je Heine, de grootste dichter van het Meisje, voor mij blijft hij altijd de gróótste.… -dat vers van „<span lang="de">Du bist wie eine Blume</span>”.… dáár ligt het in, wat ik bedoel.… Maar dan te denken, dat zoo’n arm kind zoo héélemaal -leeft in den schijn, in de leugen om haar heen.… te denken dat zoo’n broos, transparant -vlinder-zieltje ééns plotseling in dat groote, wreede vuur zal vliegen van het felle -leven.… en mééstal gebeurt dat zoo bruut aan haar, zoo genadeloos hard!.… wat weten -de meeste kerels, die met zulke meisjes trouwen en God weet wat voor leven achter -den rug hebben, van zoo’n teêr meisjes-zieltje af?.… En dan is het dikwijls inééns -uit.… je moet eens zien, hoe de meeste vrouwen kort na hun trouwen een héel ander -gezicht krijgen.… er komt dan zooiets hards op, en dat rustig maagdelijke is inééns -heelemaal weg.… ze lijken nog wel op het oude Meisje.… maar het mysterie is heen, -en komt nooit meer terug.… o! Ik weet het Pim, ik weet het zoo héél, héél goed, en -heb het zelf gezien bij een meisje, waar ik zoo van hield.…” -</p> -<p>Pim zat eerbiedig naar hem te luisteren, en het was of Frederik’s woorden uit zijn -eigen ziel kwamen, zoo voelde hij ze als de uitdrukking van zijn eigen diepste gedachten. -<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p> -<p>„—Ja, als je zoo bij zoo’n meisje zit als jouw Ellie, dan voel je ineens weer het -verschrikkelijke van de maatschappij, waarin zoo’n wezentje leeft,” ging Frederik -door, nadat hij even had zitten peinzen. „Je zoudt het dan kunnen uitschreeuwen van -angst, dat zoo’n kind het op een’ goeden dag inééns zien zal, al die leugens en dat -vuile om haar heen.… al dat onrecht, die wreedheid, dat genadelooze egoïsme op de -wereld, waaraan, bewust of onbewust, maar mééstal toch bewust, haar vader, haar moeder, -haar broers meêdoen.…. als ze eens plotseling te weten kwamen, maar goéd te weten, -in al de ontzachelijke horreur van vuilheid en zonde, de misdaden, die aan háár zusteren -worden begaan, die door de verdorven maatschappij toevallig tot slachtoffers zijn -gemaakt.… niemand van die ongelukkige wezens, die hun vrouw-zijn prostitueeren, doet -het uit louter bestialiteit.… het zijn allemaal ééns slachtoffers geworden, dat weet -iedereen.… verbeeld je, Pim, dat zoo’n kind ineens de vreeselijke waarheid zag, van -wat haar eigen vader, haar eigen broeders hebben gedaan of nog doen aan hare zusteren, -van wie de dominé haar in de kerk voorpreekt, dat ze haar moet liefhebben als zichzelve.… -Is het niet verschrikkelijk?.… en te denken, dat dáár eigenlijk de geheele wereld -om draait, met zijn schandelijke <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>politiek van roofzucht en wreedaardig kapitalisme.… de drijfveer is toch altijd maar -geld, en geld, en geld.… En waar is dat geld voor?.… Voor Liefde niet, die is voor -geld niet te koopen, dat is het éénige, en Liefde is goddank voor den armste te krijgen.… -maar het geld is dan ook alléén om te knoeien en te zwelgen in wat de Liefde ontheiligt, -en voor dat lage doel staat weldra de wereld in vlammen. -</p> -<p>„In Afrika is het al in vollen gang, om het geld, en in China gaan de roof en de diefstal -beginnen, om het geld, waar tóch nooit Liefde van kan gekocht worden.… Verbééld je, -dit te weten, en dan tóch nog kalm te kunnen blijven, en als een rustig bourgeoistje -in dat Kurhaus te flaneeren, met een hoogen boord en een fantasiehoedje.… Je zult -zeggen, dat ik zelf er óók zooveel kom, maar je weet wel, dat het alleen voor de muziek -is en het groote meerendeel van ’t publiek komt daar niet om.… ik vind dat die Berlijners -heerlijk spelen, en ik zit daar soms te genieten als een zalige.… zoo’n Symfonie van -Beethoven, of de D-dur Suite van Bach, of de Ouverture Léonore III, of die Variationen -uit het A-dur quartett.… dat hoor je nergens zóó verrukkelijk mooi, en het is eenvoudig -de opperste volmaaktheid die je je van muziek maar denken kunt.… Dan vergeet ik de -heele bende om me <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>heen, en weet alleen dat ik gemeenschap heb met zoo’n goden-ziel als van Beethoven -of Bach … Maar in de pauze moet je wel naar buiten om frissche lucht te krijgen na -die bedompte atmosfeer in de zaal, en dán komt de werkelijkheid ook weder om je heen.… -al die menschen daar rond te zien paradeeren met een air van christelijke rechtschapenheid -en deftige distinctie, of er verder niets aan de hand was, en er niets beters te doen -valt dan geuren en affecteeren!.… Hoe houd je dat leventje toch uit, Pim? Voel je -je nooit eens angstig als je met Ellie onder al die menschen loopt?… ben je nooit -eens bang voor die blikken, waarmeê ze haar aanzien, die gedachten, waarmee ze haar -kunnen besmetten?… Vin je het dan niet wreed, dat de wereld zoo héél anders is, dan -zoo’n argeloos, jong meisje wel denkt, die alleen den schitter en den glans ziet van -den schijn?.…” -</p> -<p>Dat was de zóóveelste maal, dat Frederik hem wees op het inferieure van zijn mondain -leventje in den Haag, en zijn meêdoen aan al de futiele amusementen. Het ergste was, -dat hij het heel goed voelde, dat hij wel wist hoe al het plezier van zulk een leven -tóch al vergald was, zoolang het niet onbewust meer kon genoten worden, en hij het -leege er van besefte. Maar wat te doen, als hij er van af <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>moest zien, en hij die dingen eens niet meer had? Waar dán van te leven? Hij was niet -sterk genoeg om alléén te staan, als Frederik, hij, zwak, klein mannetje, in het groote, -hoog over hem, nietigheidje, heen slaande Leven. Hij kon hoogstens wat mokken in stilte, -en wat pijn hebben, en wat verachten, maar méér ook niet. Hij was nu eenmaal in het -leven gezet als Jhr. Eduard van Wedell, luitenant van de nederlandsche cavalerie, -zóó en zóó in de wereld-dingen geplaatst, in dit bepaald milieutje van die en die -menschen. En het eenige, wat hem, klein, zwak mannetje was geraden, was het niet om -mede te gaan met den stroom, waarin hij nu eenmaal stond, daar hij niet groot en sterk -genoeg was, om zich uit de wiemelende menigte om hem heen wèg te wringen, en een eigen, -eenzamen weg te gaan, waar Ellie niet meer zijn zou, het liefste goed van zijn ziel? -</p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dien verderen avond bleef Pim bij Frederik theedrinken. Hij bladerde wat in de nieuwe -boeken, die bij hem op de schrijftafel lagen, keek hier en daar <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>een bladzijde in, las even een klein gedicht. Hij had in den laatsten tijd weinig -gelezen. Al die mooie dingen, waarvan hij las, maakten hem toch altijd droef. Hij -voelde ze zoo onvereenigbaar met het leven dat hij leidde, in zijn mondain Haagsch -milieutje. Hij wist, dat al dat mooie toch te groot voor hem was en dat, als hij er -zich heelemaal aan overgaf, er een revolutie in zijn leven van nu moest komen, die -het voor goed zou doen uiteenvallen. -</p> -<p>Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging te beseffen, -dat het leger eer het onrecht dan het recht moest beschermen, en dat het militairisme -de ontwikkeling van den waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak -en te lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk zou veranderen. -</p> -<p>Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het verboden mooi, -als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet zich door hem vertellen van -de groote beweging, die op handen was, van de ontzachelijke wereld-dingen, die te -gebeuren stonden, en waardoor de oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin -híj thuis hoorde, door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd -gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van Willem <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde ontroering, of er -in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een ongekend licht van groote goedheid -was opgeschenen. Als een kind zat hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, -die nog zoo heelemaal vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien -sterken, energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger eens -zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en eenzaam-trotsch boven conventie -en traditie stond, levende zooals híj goed vond, vreezeloos en wèl-bewust. -</p> -<p>Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag hij onrustig -te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had hoofdpijn en voelde een angstige, -zware beklemming. Eindelijk viel hij in een doffen slaap. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de oude van vroeger. -Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij maakte een rit door het Bosch. -</p> -<p>Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had. -</p> -<p>Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde, voelde hij -zich weer de <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>echte officier, die dienst heeft. Hij hield even een praatje, met van den Bergh en -Waalen, en reed toen naar zijn manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht -en zonneschijn en vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s -„toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze beneden zou komen, -vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even kwam ze voor de deur, zijn paard -streelend langs den fijnen kop. -</p> -<p>Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat vroolijke, weldadige -lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver geluk in zoo’n lief wezentje, dat -in een licht japonnetje daar ineens voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! -Waar was nu het donker van gisteren, en al de duistere gedachten?… -</p> -<p>„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit déjeuneeren, -en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen pas terug … en Wies is waarachtig -ook al niet thuis. Nu zit ik me heel alleen te vervelen.… Zeg, als we nu eens naar -Scheveningen gingen lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.… ze hebben daar -zulke lekkere plats du jour.… Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of kan je weer -niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo iets.…” -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend idee. Liet ze -maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard even terug naar de kazerne, -en liet zich wat afstoffen. En voort galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, -en gerinkel van zijn sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, -kleine officiertje op het groote, zwarte paard. -</p> -<p>Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar Scheveningen, een keurig, -Haagsch paartje, hij in zijn nette huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, -zij een exquis dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht -en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder materie, van -louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram dachten dat zij verloofden -waren, zoo intiem babbelden zij samen, en lachten wat tegen elkander over het elegante, -Haagsche paartje. -</p> -<p>Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was roerloos-rustig, -van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van een zacht-transparant parelmoer, -in liefdevolle mengeling van harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend -lagen de blonde duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en vreugde-om-te-leven. -Menschen <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>in lichte pakken wandelden vroolijk heen en weer, en helder lachen van kinderen klonk -in de lucht. -</p> -<p>Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan een plaatsje -zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten wèlgekleede, vroolijk-kijkende -menschen aan tafeltjes gezellig te eten, en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár -was een goed plaatsje, net een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, -wat er alzoo was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al -goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een fleschje Haut-Sauternes, -met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet knus? -</p> -<p>Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was nu net iets -voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En dat typische ronde middenzaaltje. -Hoe leuk vond ze in ’t midden dien bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes -er boven. En wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout! -Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél vroolijk geluid van -stemmen om zich heen. -</p> -<p>Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie, groenrieten stoeltjes. -En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half drie werd het tijd om <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>even naar het strand te gaan, in het tentje. Er waren een boel kennissen. Wies kwam -met Jo van Herencate, bij wie ze geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje -van Westen. En wat was het vol! Alle badstoelen waren bezet. -</p> -<p>Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met al de kennissen, -en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in vroolijke, lichte pakken, en -het zonlicht blonk zoo heerlijk over de stille, parele zee, en alles glansde van geluk -in de algemeene vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij -ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het leven wàs niet -leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het was een droeve, booze droom -geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. -Hij wilde niets weten, hij wilde niet, niet weten meer en niet denken! -</p> -<p>O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele zeelucht rondom! Het -was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en niet te weten. En hij was nog zoo -jong, hij was blij met het leven, en het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, -genieten van al het blijde en lichte rondom.… -</p> -<p>Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn kamer om zich -te verkleeden. <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>Hij dronk zijn glaasje port in haar boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. -En na het eten chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus. -</p> -<p>Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had een japon van -mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant, op den rug, op den rok en -op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden -kraag! Het corsage was hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, -en daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem op den rechten -stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen, naar beneden toe verwijdend, -gracieus van lijn als de klok van een <span class="corr" id="xd31e940" title="Verbeterd door de auteur van: orchidee">campanula</span>. -</p> -<p>En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop een witte aigrette -soms even veerend trilde! -</p> -<p>Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij mede, omdat -hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren boa dragen, héél voorzichtig, -dat er niets aan al die als materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte -hadden, en zóó zouden wegwaaien in den wind. -</p> -<p>Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>een prachtig programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en -gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit de D-dur Suite -van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als stemmen van lichte engelen -droomend boven de menschenscharen, en hier en daar bewoog een licht meisjeshoofd, -onbewust medewiegend op den adem van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte -zweving van tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen -in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door dien droom voelde -hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage essence van Violettes de Parme, -die zij altijd bij zich droeg, subtiel of het de geur was van haar maagdelijke ziel -van meisje.… -</p> -<p>In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar wilde. Ze wou -absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup probeeren. En ze won, haar bal bleef -liggen in het vakje van haar kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En -ze schaterde het uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar -de leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus daar binnenkomen, -heel stil, want je moogt er niet praten, met je voeten zacht over het dikke rood-bruine -<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>kleed. En dan even aan de eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, -met den wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten lezen, -in den schijn van dat uitstralende licht.… -</p> -<p>Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die Donauwellen, bijna -onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch wilde Ellie niet zelf dansen, want -er waren te veel menschen. Daarvoor moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo -na de pauze, als ze een erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. -Dan zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een wals vragen, -dát is je ware.… -</p> -<p>Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras. -</p> -<p>En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer, waarmede hij -den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het leek alles zoo vertrouwd -en reëel om hem heen! Het was zoo echt de omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin -hij nu eenmaal behoorde, en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde -der dingen, en onvermijdelijk. -<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen Wies haar boudoir -binnenstoof. -</p> -<p>„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om elf uur, met -den laatsten trein uit Parijs.… en hij is zoo heelemaal veranderd! Zoo donker is hij -geworden, van de zon, en zoo groot en breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel.….. -hij is de mooiste man van de wereld … en ik ben zoo trotsch op hem!.….” -</p> -<p>Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of ze niet van -een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een paar maal van vreugde door -de kamer. -</p> -<p>„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!… zoo’n knappen, grooten, dapperen broer!.… alle -anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk tegen!… neem nu eens de Sandt of Waalen! -Dat zijn toch eigenlijk maar van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten -in den slag, als een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb -hem al gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling staat met -gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.… En dat <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>is nu mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!.…. En hij is zoo lief, hij heeft -dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met hem naar het strand, dan -kunnen ze hem allemaal zien.….. Ik geef hem een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd -ben … wat zullen ze kijken!.… en hij komt dadelijk hier … Hij moest eerst even op -het ministerie van <span class="corr" id="xd31e968" title="Bron: Kolonien">Koloniën</span> zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier moest komen halen. Natuurlijk komt hij -heel gauw een visite bij jullie maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas -zag. Daar kennen we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè.…. daarom -vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen.…. dan laat je hem natuurlijk -even boven.… zulke intiemen als wíj, hè, die moeten niet met stijve visites beginnen … -en ik heb hem al zooveel van je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent.…. Nu, -wat kijk je raar, je vindt het toch wel goed?.….” -</p> -<p>„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de puntjes, maar -omdat het jouw broer is.… En dan zoo’n heel bizondere broer, zoo’n held.…” -</p> -<p>Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge aankomen van -dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote, mooie dingen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had ze hem bewonderd, zooals -ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, -en <span class="corr" id="xd31e976" title="Bron: misschen">misschien</span> straks plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té overweldigend ineens, -en ze voelde een vagen angst, als voor een onbestemd gevaar. -</p> -<p>En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe meisjes-kamer -met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een vreemde man was binnengekomen. -Dat boudoirtje was een stuk van haar zelf, dat nooit een andere man dan haar vader -of Pim had gezien, en er was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote -donkere man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij voelde een -lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de zwakke, fijn gelede dingen -om haar, of er misschien iets breken zou onder zijn hevigen, zwaren stap van man, -hier waar alles was gemaakt voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.…. -</p> -<p>Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet verlegen of preutsch -schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en hartelijk had voorbereid. -</p> -<p>Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>Maurice daar zoo zonder stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, -en zoo’n beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen. -</p> -<p>„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist bijbehoord, en -zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling -in Parijs, en zal daar nog een week of vier blijven.” -</p> -<p>„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies. „Pim, het kleinste -officiertje van het leger, en Maurice een van de grootste. Hij is wel zes voet hoog, -geloof ik. Wat een verschil, hè, Pim of Maurice!” -</p> -<p>Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar intérieur, -en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in een van die broze stoeltjes, -die híj niet zou breken. Zij wenschte in stilte, dat hij nu bij haar was. Want het -onrustige gevoel in haar werd al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg -zou zijn als Pim er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets -gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch kon zij het -vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat haar beving nu ze wist dat -aanstonds die donkere, mooie man zou komen, van zoo héél verre, uit den droom.… -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>Daar werd gescheld. -</p> -<p>„Zou hij het al zijn?” riep Wies. -</p> -<p>En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie. En ik ken -dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt altijd zoo zacht, net -of hij niet durft.” -</p> -<p>Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van Anna Wesman -die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had gekregen van negenentwintig, -die doodelijk van haar was, over Emma Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou -spelen, over een nieuw hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het -Kurhaus, en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de volgende -Clingendaalraces. -</p> -<p>Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice, die ieder -oogenblik kon komen. -</p> -<p>Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op, alsof zij voor -de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns tegen Wies: -</p> -<p>„Daar is hij!” -</p> -<p>Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur, en zware stappen -in de <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de trap op, en nader, en naderbij.… -</p> -<p>De deur ging open. -</p> -<p>En daar stond hij. -</p> -<p>Groot, donker, en zwaar. -</p> -<p>Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte, luchtige boudoirtje -vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur. -</p> -<p>Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart in het lichte -van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk. -</p> -<p>Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag zijn breeden, -zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende -oogen, als sombere, magnetische sterren, die haar tégenstraalden. -</p> -<p>En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water, en wijder, -wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof wemelt dóór, zóó zonk de zoete, -donkere blik van Mombreuils oogen in den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef -er zachtkens, zachtkens drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van -haar maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar … -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen Mombreuil weg was, bleef Ellie achter als in een droom. -</p> -<p>Zij bleef lang zwijgend zitten, met een loom, mat gevoel over al haar leden, alsof -zij heel, heel moê was. -</p> -<p>Zij wist nog maar zoowat even, wat er eigenlijk gebeurd was. Hij was door Wies aan -haar voorgesteld, en hij had zijn hooge gestalte eerbiedig voor haar gebogen. Toen -had hij wat gepraat, en vriendelijk gelachen, en zij had ook geantwoord. Heel kort -had het maar geduurd. Toen was hij weêr opgestaan van een stoeltje, waar hij op zat, -en groot had zijn figuur in de kamer <span class="corr" id="xd31e1018" title="Bron: gedaan">gestaan</span>. Zij had zijn handdruk gevoeld, heel warm en sterk in haar angstig, koud handje, -en toen was ze alleen geweest. -</p> -<p>Erg moê was ze en erg loom. -</p> -<p>Zij voelde, of hij nog niet heelemaal weg was, of hij ook nooit, nooit meer weg zou -kúnnen zijn. Héél van binnen was het haar, of ze iets van hem in zich had, iets wat -daar zacht was blijven branden en gloeien in haar lijf. Ze had het van zijn oogen -in zich voelen komen, en toen hij haar een hand gaf was het in haar doorgetrild, vèr -en vèr in haar. -</p> -<p>Ook haar lief, vertrouwd boudoir leek haar niet <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>meer hetzelfde van vroeger, sinds zijn hooge, groote schaduw er zoo donker in gestaan -had. Het was of er nog iets van zijn zware man-zijn in was gebleven, iets vreemd-hevigs, -dat het intieme er van verstoorde. -</p> -<p>Als een vogeltje, dat bang is, zat ze zoo een poos op een pouf, met het hoofd moê -neergebogen op een groot kussen, dat er naast lag. -</p> -<p>Het was of iets zwaars over haar was gekomen, waar ze niets tegen vermocht, en dat -ze half-bang, half-blij, onderging, in een vreemde charme van loome betoovering. -</p> -<p>Totdat nicht Joséphine binnenkwam, en haar vroeg, waar ze toch bleef. -</p> -<p>O ja, ze zou uitgaan. Met nicht Joséphine. Boodschappen doen, in de stad. -</p> -<p>—„Scheelt je wat, kind?” vroeg nicht. „Je gloeit zoo. Je hebt toch geen koorts?” -</p> -<p>„—Neen, heusch niet, nicht. Maar ik ben wat moê, ik weet niet waarvan, maar ik ben -moê.” -</p> -<p>En moê was ze, heel moê, van dien zoeten, donkeren droom die uit zijn oogen in haar -ziel van maagd was gevloeid.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den volgenden dag sprak zij hem weêr. Zij was met Wies in haar tentje aan het strand, -en hij kwam even bij haar zitten. Zij was erg stil, en kon niet <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>veel zeggen. Hij praatte veel, met een diepe, zware stem, en nu en dan een breed gebaar. -Ook zijn stem deed haar hevig aan. Alles was zoo groot en sterk aan hem. Hij was zoo -héél anders dan de anderen, om wie ze altijd kon lachen. Maar hij was absoluut niet -om te lachen. Ze was een beetje bang voor hem, en toch vond ze het prettig om hem -te hooren praten. En hij had zulke mooie oogen. Als ze hem aankeek was het of ze niet -meer een anderen kant op kon kijken, zoo hielden die oogen haar vast. Het was angstig, -en tegelijk streelend, met een vreemde charme. Ze voelde dat hij véél sterker was -dan allen die zij kende, dat zij niet tegen hem op zou kunnen, en hem bijvoorbeeld -nooit een beetje voor den gek zou kunnen houden, zooals ze het de Sandt of Waalen -wel eens deed, als ze een dolle bui had. -</p> -<p>Hij deed ook zoo heel anders tegen haar dan ze gewoon was. Erg eerbiedig en erg vriendelijk -tegelijk, maar zonder complimentjes te maken, of iets onbeduidends te zeggen over -haar toilet, al zijn woorden meer genadiglijk naar haar neder van uit zijn groote, -mannelijke hoogte, dan vleiend tot haar op zooals die van anderen. En ze vond zich -dan ook nog maar zoo’n nietig kind bij hem, den sterke. -</p> -<p>Den dag daarna, kwam hij eene visite maken bij <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>den ouden van Taats, met zijne moeder de douairière en zijn zuster. En weêr was het -Ellie, of zij een schok voelde in haar hart toen hij aanschelde, met dat hevig, bruusk -geluid. Toen zij het hoorde, liep zij haastig naar beneden, als werd zij door een -vreemd magnetisme tot dien man getrokken, die buiten stond. -</p> -<p>En nu ontmoette ze hem geregeld, aan het strand, in het Kurhaus, en bij Wies aan huis, -als zij haar kwam afhalen. Zonder het zich nog goed bewust te zijn, werd nu eigenlijk -Mombreuils tegenwoordigheid de groote aantrekking van haar amusementen. Vroeger ging -ze er alleen heen, om lief en gracieus te doen met haar mooi lichaampje voor allen, -en van de gratie van anderen te genieten. Maar nu dacht ze altijd of Mombreuil er -wel wezen zou, en of hij haar ook misschien aardig zou vinden in dit of dát toiletje, -en of hij haar zou aanspreken of niet. Als ze hem zag was ze een beetje bang, en hoopte -ze dat hij het niet doen zou, maar als hij dan naar haar toe kwam en ze zag in zijn -oogen, voelde ze zich weer verwonderlijk blij. Als hij er eenige dagen niet was voelde -zij of het groote, volle Kurhaus, waar ze vroeger zooveel genoot, toch eigenlijk leêg -was, en keek ze onrustig overal rond waar hij wezen zou. -</p> -<p>Van Wies hoorde zij elken dag allerlei nieuws van <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>hem, kleine intieme dingen, waardoor zij het waagde, een beetje in zijn leven door -te dringen. Wies vertelde, hoe laat hij opstond, waarmee hij ontbeet, waar hij gevoelig -voor was. Ze zeide Ellie, dat oom de minister wel een betrekking voor hem zou vinden, -misschien wel iets aan het hof, en hoe de koningin zelfs eens naar hem geïnformeerd -had, toen oom in het paleis had gegeten. Ook van zijn heldenfeiten in Indië, die hij -haar tot in de kleinste bizonderheden had moeten beschrijven, vertelde zij Ellie in -opgewonden, gloeiende woorden. -</p> -<p>Zóó kwam hij altijd grooter en grooter in Ellie’s leven, en zij voelde zich tot hem -heengetrokken met een onweerstaanbare macht, waaraan zij niet eens trachtte te ontkomen. -</p> -<p>Zij was zich ook in ’t geheel niet bewust, wat haar zoo naar hem toedreef, en liet -zich, gewillig kind als ze was, zonder denken heengaan, waar haar neigingen haar stuwden. -En ze werd nu eenmaal door die vreemde macht, die zij niet kende en ook niet begrijpen -kon, gedrongen naar dien grooten, donkeren man, die daar ineens zoo hevig in haar -leven was komen staan. Het was onrustig, en het was beklemmend, en het was bang. Als -zij hem niet zag, was zij zenuwachtig en gejaagd, als trok haar iets van verre onweêrstaanbaar -aan, wèg van waar ze was. <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>Somtijds was ze er verdrietig over, en huilde ze wel eens, zonder te weten waarom -eigenlijk. Zelfs in haar boudoir, te midden van al haar intieme dingen, in haar kalme -atmosfeer van meisje, vond ze niet meer de rust van vroeger. Zij voelde er zich onbevredigd, -incompleet, hunkerend naar méér, maar wist niet naar wat. En een vaag verlangen voer -door haar ziel van maagd-meisje, een verlangen om te zien zijn donkere, wonderdoende -oogen, en te ademen in zijn sfeer van grooten, sterken man.… -</p> -<p>Zij trachtte niet eens, het van zich wèg te willen, en er tegen te vechten met al -haar energie, want zij voelde, diep en zeker, dat zij er te zwak voor was, en dat -het toch te lief en te zalig was om het weêr te verliezen. Zij kon alléén maar somtijds -stil wegkruipen in een hoekje van haar boudoir, en wat weenen om die zoete onrust, -die haar rustige ziel van meisje had bevangen. Dikwijls verlangde zij naar Pim, om -hem alles te vertellen, om hulp bij hem te zoeken, en hem te vragen, of hij er niets -aan doen kon, dat haar onbezorgd, lustig leventje van vroeger weêr terugkwam. Hij -was de éénige van wien zij wist dat hij haar begrijpen zou. Aan haar vader had ze -het niet eens durven zeggen. Maar Pim was in Parijs. Ééns probeerde zij hem een brief -te schrijven, maar toen zij hem alles precies <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>wilde uitleggen, bemerkte zij, dat zij het zelf niet eens wist, en het niet kon zeggen, -wát haar zoo onrustig en zenuwachtig maakte. -</p> -<p>Ze had ook wel oogenblikken, dat zij Mombreuil bijna haatte. Het was, of hij haar -iets had afgenomen, of hij haar pijn had gedaan, als vijandig. Als een groote reus -had hij opeens in haar kuische rust van meisje gestaan, en de stille, witte bloemen -van haar ziel wreedelijk vertreden. Het was of hij een brand had ontstoken in haar -kalm, heilig huis. Zij voelde vage, langzaam opgloeiende emoties in zich, die zij -nooit gekend had, en die zachtkens opvlamden door haar lichaam, met onrustige rilling, -als van koorts. -</p> -<p>Voor haar vader en voor nicht Joséphine probeerde zij het te verbergen, beschaamd -voor haar zoo lief en bang geheim. -</p> -<p>Maar Wies was niet zoo gemakkelijk te misleiden. Zij begon aan allerlei kleine dingen -te zien, dat Ellie niet meer het onbezorgde, vroolijke kind was van vroeger, en dat -zij onder den indruk was gekomen van haar mooien, grooten broer. -</p> -<p>„Ik geloof heusch, Ellie, dat je een beetje verliefd bent op Maurice,” had ze haar -eens, plagend, gezegd. -</p> -<p>En Ellie was doodsbleek geworden, en had van <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>angst niet geantwoord. Ze had het zelf niet geweten. Ze zou het zichzelf, in haar -groote onschuld, niet bewust zijn geworden, als haar vriendin het haar niet gezegd -had. -</p> -<p>Nu keek ze Wies alleen maar ontzet aan, met groote, angstig starende oogen, zonder -te ontkennen wat haar nu eindelijk zelf geopenbaard was als een zoo groot geluk en -een zoo groote smart. -</p> -<p>Als een arm, wit vlindertje, dat een fel licht heeft gezien en blindelings, in wonder-zalige -betoovering van zijn teêr lijfje, zenuwachtig wiektrillend rondbeeft om de verzengende -vlam, zoo voelde Ellie haar maagdelijke ziel heenduizelen om het sombere vuur, dat -blonk in de oogen van dien grooten, donkeren man.… -</p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen Mombreuil uit Indië terugkwam, was hij nog dezelfde van zes jaren geleden. Hij -was uiterlijk wel veranderd, en zijn gezicht was gebruind door de zon, maar zijn innerlijk -leven was nog altijd dat van vroeger. -</p> -<p>Zijn heldendaden in Atjeh waren daden van wanhoop geweest, omdat het leven hem zonder -de genietingen, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>waaraan hij behoefte had, niets meer waard was, en hij er weinig om gaf, of hij het -behield of niet. Toen hij, zonder fortuin meer, als gewoon koloniaal naar Indië ging, -was het hem verder om ’t even geweest wat er gebeurde. In een soort stompzinnige verdooving -had hij het misère-leven van troepensoldaat medegemaakt, telkens bij een gevecht met -den vijand hopende dat er een eind aan zou komen, en in ’t hevigste gevaar loopende -meer uit lafheid om zóó voort te blijven bestaan, dan uit dapperheid. Toen was het -hem verbazend medegeloopen, zoodat hij er zelf verwonderd over was, en zonder dat -hij er ooit op had gerekend, was hij officier geworden. Van dat oogenblik af was de -hoop om nog ééns van het leven te genieten weer in hem teruggekomen. Genieten, dát -was zijn éénige aspiratie. Hij had er nog lang niet genoeg van gehad, toen hij zoo -bruusk uit zijn heerlijk jongelui’s leventje was weggerukt, en een ondragelijke, alles -overweldigende honger naar genot had in hem gebrand, al die jaren in Atjeh, en had -hem voor alle andere dingen verstompt en ongevoelig gemaakt. Hij wist heel goed, dat -het niet waar was, wat zijn oom, en zijne moeder, en zijne zuster van hem dachten, -dat het niet uit vaderlandsliefde, noch uit liefde voor de koningin was, dat hij er -in den oorlog zoo op los had geslagen. -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p>Hij had volstrekt niets gevoeld van vaderlandsliefde, en de gedachte om te strijden -voor de koningin was niet in hem opgekomen. Hij voelde veel te goed dat de Atjehers, -die hij moest bevechten, geen vijanden van de koningin konden zijn, die haar kwaad -zouden willen of haar haten, en dat zij maar een vage voorstelling konden hebben van -die blanke vorstin, ver over de zeeën. Ook had hij nooit het overtuigend gevoel in -zich voelen gloeien, dat hij voor het Recht vocht, en dat die dappere kerels, die -zoo prachtig volhielden en toch hun eigen land verdedigden, werkelijk de natuurlijke -vijanden van het hollandsche volk waren. -</p> -<p>Hij had gevochten uit wanhoop, uit pure vertwijfeling over zijn eigen, gebroken bestaan, -zooals hij tegen iederen anderen zoogenaamden vijand zou gevochten hebben, bij wien -hij kans had, een kogel te krijgen die aan zijn misère een einde maakte. En hij was -eerlijk genoeg om zichzelf in ’t geheel niet den held te voelen, dien ze van hem maakten. -Het hinderde hem zelfs, in de couranten zulke dolle dingen over hem te lezen na zijne -buitengewone benoeming tot officier. Toen hij tweede luitenant was geworden, voelde -hij zich genoegzaam gerehabiliteerd van de vroegere vernederingen, maar toch vond -hij, dat hij er niet zoo veel verder mede was. -</p> -<p>Het leven op Atjeh vond hij verschrikkelijk, en <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>het idee van eene plaatsing later ergens in Indië maakte hem de toekomst niet lichter. -Hij miste er de dingen, die in Holland zijn natuurlijke omgeving waren, zijn amusementen -van uitgaand jongmensch, zijn café’s, zijn boemelvrienden, zijn fijne restauraties, -de chantants, en vooral de vrouwen. Van inlandsche vrouwen had hij instinctmatig een -vreesachtigen afkeer gehad, zoo sterk, dat het hem onmogelijk was, er intiem mede -te worden. Wèl had hij zoo nu en dan een kortstondige liaison met een of andere kampong-nonna -gehad, omdat zijne hevige, van brute levenskracht overvloeiende natuur nu eenmaal -niet lang kuisch kon blijven, maar het ware genot van vroeger vond hij er niet in -terug, en hij deed het omdat er niets beters te krijgen was, zonder het intenze, er -heelemaal in òpgaan van vroeger, toen het grandioze, volmaakt-zalig in vreugde wegzwijmelen -met vrouwen hem zich bijna als een God deed voelen. -</p> -<p>Hij bekende het dan ook eerlijk, niet de meerdere beschaving, de omgang met de élite -van kunst en intellect, en ook niet het klimaat deden hem zoo naar Holland terugverlangen, -maar alleen de vrouwen, de fijne, blanke, zachthuidige vrouwen, waar zijn warm, onstuimig -bloed van jong, krachtig man-dier heet naar verlangde, even smartelijk-fèl als een -dorstende naar water in de dorre woestijn. -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> -<p>En dat schrijnend, wee-brandend verlangen was in hem blijven gloeien, al de lange -jaren door zonder hem ooit rust te laten. Het idee van weer een mooie blanke vrouw -te hebben werd een soort van obsessie in hem, en maakte hem wel eens of hij dronken -was. Het leven was hem niets meer waard zonder dat groote, zalige genot waar zijn -sensueele natuur zoo’n onleschbare begeerte naar voelde, en in de wanhoop over zijn -gemis, daar in dat land, waar blanke vrouwen onbereikbaar voor hem waren, deed hij -in het gevecht als een krankzinnige, die den dood zoekt. Op een paar kleine schrammen -na, kwam hij er altijd ongedeerd af, totdat eindelijk een klewang-houw van den vijand -hem trof in den arm. Hij werd geëvacueerd en twee maanden in het hospitaal te Padang -verpleegd. Toen de commissie hem afgekeurd had voor den dienst en hem voorschreef, -direct naar Holland terug te gaan, was het voor hem als een droom. Hij kon het bijna -niet gelooven. Alles, alles van vroeger weer terug! Weer terug in het heerlijke drukke -leven van Holland, weêr loopen in volle, helderverlichte straten, weer lekker eten -in goede restaurants, weer vrouwen zien, echte, blanke, europeesche vrouwen krijgen -in je verlangende armen, en gezellig stiekem uitgaan in Amsterdam, met een mooi, blond -wezentje aan je arm! Weer genieten, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>weer gelukkig zijn, weer meêdoen aan het heerlijke, hoog ademende leven van een groote -stad, waar ál genot te krijgen is! -</p> -<p>Hij had brieven van oom Mombreuil gekregen, vol geestdrift over zijn gedrag, en enthoesiast -over de koninklijke onderscheidingen, die hij had verdiend. Het huis van den oud-minister -stond voor hem open, zijn rijtuigen en paarden waren tot zijne beschikking, en als -hij geld noodig had, zou hij ’t maar te zeggen hebben. Alles was vergeven. Hij had -den naam van de Mombreuils hoog gehouden, en in het geheele land doen weêrklinken, -en hij kon verzekerd zijn, dat oom het nooit vergeten zou. De oude man bedankte hem -zelfs voor zijne toewijding aan de zaak van het vaderland, en de dappere wijze waarop -hij zijn leven had veil gehad voor zijne koningin. -</p> -<p>Er was iets in die brieven van den ouden Mombreuil, dat hem hinderde. Zijn oprechte -natuur was te loyaal om niet het onware in zijn positie te voelen. Want hij wist zich -volstrekt niet den geestdriftigen held van vaderland en vorstin, dien men met alle -geweld in hem wilde zien. Die motieven, die iedereen hem toeschreef, had hij nooit -zoo gevoeld. Maar in de groote vreugde over zijn nieuw, heerlijk leven vergat hij -die teleurstelling. De hoofdzaak was, dat zijn oom, van wien hij trouwens toch eenmaal -moest erven, <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>hem genoeg <span class="corr" id="xd31e1099" title="Bron: financiëel">financieel</span> zou steunen om eens recht feestelijk de schade in te halen van zijn verloren jaren -in Indië. -</p> -<p>En wat zou Wies blij zijn, die goeie beste zus, die hem altijd zoo trouw geschreven -had en van alles op de hoogte gehouden van wat er in den Haag gebeurde! -</p> -<p>En die beste oude moeder, die zoo had geleden onder de vernedering toen hij koloniaal -was, nu zou ze wel weer tevreden zijn, nu hij er weer heelemaal bovenop was. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wat heerlijk vond hij het, toen hij den eersten dag, als vrij, jong man, in zijn oude -positie van Haagsch aristocraat, correct gekleed, met een goed gevulde portefeuille, -weer in „de stad” liep. Dat was dan nu eindelijk weer eens het Leven. -</p> -<p>En zijn geheele zware, kommervolle, avontuurlijke bestaan van zes jaren in Indië leek -hem als een korte, booze droom. -</p> -<p>Hij herinnerde zich nog zoo goed, of het gisteren was, dat hij hier liep, in dezelfde -straten, langs dezelfde winkels, en met bijna al dezelfde menschen. Hoe goed kende -hij ze nog, en hoe weinig waren ze veranderd. <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>Precies dezelfde typen nog van vroeger. En het was, of dat misère-bestaan in Indië, -onder al die vreemde, bruine menschen, maar een kleine interruptie was geweest, en -hij zijn leven weêr op dezelfde plaats begon, waar hij het hoogstens een paar dagen -geleden had afgebroken. -</p> -<p>Omdat hij zich in Indië, in zijn vreemde omgeving eigenlijk nooit thuis had gevoeld, -was die geheele serie jaren daar, eenmaal voorbij, ook voor goed vergeten, maar hier, -waar zijn eigen, oude, intieme thuis was, kwam ineens alles van vroeger terug, en -hij had het wel kunnen uitschreeuwen van plezier, dat alles toch weer zoo keurig op -zijn pootjes was terecht gekomen, en hij er weer heelemaal bovenop was, en nu weer -terug in het leven, dat genieten was. -</p> -<p>Het duurde niet lang of hij had in „de stad” gevonden wat hij zocht. Johtje van den -Berg was nu nét een meisje voor hem. Van „<span lang="de">öffentliche</span>” vrouwen hield hij niet, dat was hem te gemeen, en niet pikant genoeg. Maar zoo’n -echt Haagsch, verleidelijk wezentje, zoo’n vroolijk burgermeisje, dat van een pretje -houdt en voor haar eigen plezier met je meê gaat, omdat ze jong is en profiteeren -wil, dát was voor hem je ware. Hij had het vroeger óók altijd gezegd, géén snolletjes, -daar <span class="corr" id="xd31e1120" title="Bron: hadt">had</span> je niets aan, maar een scharreltje, daar moet je ’t van hebben. -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -<p>En Johtje van den Berg was zeker wel ’t aardigste „scharreltje”, dat Maurice ooit -was tegengekomen. Ze ging nog maar pas een half jaar „uit”, en was verleden maand -pas negentien geworden. Een frisch, vol, blozend gezicht had ze, dikke, roode lippen, -altijd een beetje half-open geplooid, als voor een kus, een mooie buste en flinke, -stevige armen, een meid van melk en bloed, zwellend van jong, gezond, warm, naar genot -langend leven. Dát was, waar Mombreuil behoefte aan had, aan een vol, welig, blank -meisje, met veel dik, blond haar, en een prettig, jolig gezicht, dat gul en guitig -lachte. Dat lachen vooral deed hem zoo goed, dat lachen van zoo’n mooien, roodlippigen, -volbloedigen meisjesmond. -</p> -<p>Ze had hem, dadelijk toen ze hem in de Veenestraat zag loopen, een erg aardigen, mooien -man gevonden, en toen hij haar met zijn donkere, fluweelige oogen een beetje lief -aanzag, had zij moeten lachen, of zij wilde of niet. Zoo was ze hem een paar dagen -tegengekomen, had tegen hem gelachen nu en dan, en eindelijk was ’t het gewone gangetje -gegaan: zij nu en dan blijven staan voor een winkel, hij ook, even wat gekeken, wat -gefluisterd, en toen samen in de Wagenstraat een zijstraatje in. Of ze eens meê uit -ging een avondje? Ze kon zoo moeilijk, want ze was tot negen uur op het atelier, ze -leerde voor <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>modiste. Maar ze zou probeeren van avond. Om acht uur, op het Plein, bij het wachthuisje. -</p> -<p>Ze was gekomen, en nog denzelfden avond was ze zóó onder den indruk van zijn mooie, -donkere oogen van charmeur, dat ze den eersten keer al dadelijk met hem meê was gegaan -naar een kamer, op den Fluweelen Burgwal. En ze vonden hier allebei niets in. Ze vonden -elkaar aardig. Ze waren verliefd op elkaar. Ze waren allebei jong en levenslustig. -Waarom zouden ze dan niet van elkaar genieten? -</p> -<p>Mombreuil voelde dit absoluut niet als iets slechts. Het lag in de strooming van de -natuur, vond hij. Hij voelde zich er juist heelemaal harmonisch van, en het deed hem -goed, en bracht hem in weldadig evenwicht. -</p> -<p>Er was geen kwestie van leugen, of bedrog, of verleiding. Zij wist heel goed, dat -zij een burgermeisje was, een „scharreltje” maar, met wie hij niet zou trouwen, maar -zij vond het nu eenmaal prettig met nette „heertjes” uit te gaan, en pret te hebben. -Thuis, waar ze met haar moeder armoedig leefde, in ééne nauwe, muffe kamer met een -alkoof, en slecht eten kreeg, was het heusch zoo amusant niet. En nu had ze besloten, -te genieten wat er te genieten viel, en had wel geweten wat ze deed. Maurice van zijn -kant wist óók waar het op stond, en dat het maar een liaison van hoogstens <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>enkele maanden zou zijn. Maar voor het oogenblik vond hij haar lief, en begeerlijk, -en was hij gecharmeerd van haar. En zij van hém ook. Daarom namen zij elkaar, vrijwillig, -omdat ze er trek in hadden en allebei van genot hielden. Heel eenvoudig.— -</p> -<p>En dit was eigenlijk de eenige vorm van liefde dien Mombreuil begreep, en waarin hij -zich eerlijk, met alle intensiteit, kon geven. Hij hield niet van roerende, sentimenteele -bespiegelingen en meditaties; daar was zijne natuur nu eenmaal niet op ingericht. -Hij hield alleen van ’t genot van ’t oogenblik, zonder al te veel omhaal en combinaties, -maar dán ook echt, alles eerlijk, franchement gegeven, en ook zoo teruggekregen. En -in zekere mate werd hij dan ook aan een meisje gehecht, waarmede hij uit was, omdat -ze hem genot gaf, uit eigen, vrijen wil, en hij haar daarvoor dankbaar was. Ook zou -hij nooit ontrouw kunnen zijn aan één meisje, zoolang hij het met haar hield. -</p> -<p>En zóó was hij al heel gauw gehecht aan Joh, die zich zoo dadelijk aan hem had gegeven, -en hem zooveel genot gaf, dat genot, voor hem nu eenmaal het allerhoogste levensgeluk -dat hij kende, en waarin hij de volkomen bevrediging vond van zijn innigste en sterkste -verlangens en aspiraties. -</p> -<p>Om geen aanstoot te geven aan familie en kennissen <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>en het vooral niet aan oom Mombreuil te laten bemerken, ging hij bij voorkeur met -haar uit in Amsterdam. Hoe in-gezellig was dat voor hem, die jaren lang liefde-honger -had geleden, om met zoo’n frisch, jong ding in Amsterdam uit te gaan. Eerst ergens -eten, en dan naar een operette, of een chantant, om eindelijk bij Kras nog wat te -soupeeren. Het guitig-stiekeme, van daar in zoo’n vreemde stad, onder menschen, die -je niet kennen, met zoo’n lief kind te zitten smullen, onder de witte gasgloeilichtballons -van zoo’n restaurant. Al die drukte om hen heen, dat geroep, en geloop, ál dat brouhaha, -en dáárin, tusschen al die vreemde, woelende menschen, het heel stille elkaar aankijken, -met zacht-aangloeiend lijfsverlangen, van twee paar verliefde oogen! En dan dat idee -van straks stilletjes naar een hôtel te gaan, zoo’n echt rendez-vous-tje voor ingewijden, -op den Nieuwe-Zijds-Voorburgwal, en elkaar te omhelzen met lief-verlangende lijven.… -</p> -<p>Dát was het hoogste moment van Mombreuils leven, dat nu eenmaal geen ander zóó genotvol -kende. Wat was hij gelukkíg, dat hij dit weer terug had, dit ééne genot, waarnaar -zijn lijf verlangen had geleden, zoo vele jaren lang. Het beving hem met een geluk, -of hij er van sterven zou. -</p> -<p>En ééns op een morgen, om elf uur, toen hij pas <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>van Joh kwam, die nog wat was blijven slapen in het Hotel, had hij het kunnen uitjubelen -van geluk. Hij was de Kalverstraat doorgeloopen, die vol was van menschen en kwam -opeens op het Sophiaplein bij de Munt. Hoe daar opeens alles openging, die zijstraten, -naar ’t Rokin, naar de Doelenstraat, naar den Singel, naar de Reguliersbreestraat -en de Vijzelstraat, hoe wijd en ruim werd alles opeens! En de zon die uit wolken te -voorschijn kwam, scheen hem met volle glorie in het gelaat. -</p> -<p>Al dat licht, al dat geluid, al die drukte van het groote, heerlijke, ruischende Leven -bedwelmden hem met een overweldigende verrukking. -</p> -<p>Toen was het hem, of in hém ook iets openging, of het warme, gloeiende, gezonde Leven, -waarvan hij zoo boordevol was, al grooter en grooter in hem werd, en hij zijn eigen -wezen wijd voelde uitdeinen, in goddelijken groei. -</p> -<p>O! De heerlijkheid voor hem, om ook een stuk van dat groote, om hem heen ruischende -Leven te zijn, waarin het geluk zóó maar te krijgen was, voor wie maar grijpen dorst, -om van te drinken met vele, volle teugen van genot!.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar den Haag, en ook Amsterdam, zijn eigenlijk toch kleine steden, waar het heel -moeielijk is, uit te gaan zonder door kennissen gezien te worden. -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>Het duurde dan ook niet lang, of de oude heer Mombreuil kwam er achter, welke prouesses -Maurice weer begon te maken. Hij was er al bang voor geweest, en was er eigenlijk -al zoowat op voorbereid. Iemand, die zoolang ontbering had moeten lijden in Indië, -en dan met zoo’n hevig temperament als Maurice!… -</p> -<p>Maar de minister wist er wel wat op. Het moest nu maar eens voor goed uit zijn, met -die buitensporigheden van het jonge bloed. Het jonge mensch moest nu maar eens een -geregeld leven gaan leiden; en als hij niet buiten een vrouw kon, welnu, dan moest -er maar een vaste vrouw voor hem gezocht worden. Er was niets anders op. Het was de -eenige redding voor hem. Maurice moest trouwen.—Hij moest een lief, jong, eenvoudig -meisje trouwen, waar hij zich van zelf wel aan zou hechten, en die hem door haar goeden -invloed wel in het rechte spoor zou houden.— -</p> -<p>Geen oogenblik dacht de oude aristocraat, versteend in de fossiele ideeën van een -door en door bedorven maatschappelijke conventie, aan het schandelijke, in-gemeene, -om een onschuldig, eenvoudig, ongerept meisje zoo maar samen te koppelen met een ervaren, -savant viveur als Maurice, die al door zooveel dingen van het lagere leven was gegaan. -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>Integendeel, hij dacht, dat hij nu precies in de natuurlijke orde der deftige, beschaafde, -christelijke samenleving handelde, door Maurice te bewegen, een huwelijk aan te gaan -met een meisje van stand, en daardoor als een fatsoenlijk, geposeerd man te gaan leven. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De oude Mombreuil verklaarde, in een ernstig gesprek, aan Maurice’s moeder, waar het -op stond. -</p> -<p>Hij wilde het jonge mensch met al zijn invloed en met zijne financiën steunen, maar -hij was niet van plan, zijn geld te laten verspillen aan de vrouwen. Maurice was nu -acht en twintig jaar, en waarlijk oud genoeg om eens eindelijk een geregeld leven -te beginnen. Er was door bemiddeling van invloedrijke vrienden eene betrekking voor -hem open, als hij maar als een geposeerd, fatsoenlijk man wilde leven. Het tractement -was nog wel niet hoog, maar daar behoefde Maurice zich niet ongerust over te maken. -Zijn oude oom, van wien hij toch eenmaal moest erven, zou hem wel steunen en zorgen, -dat hij goed voor den dag kon komen. <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>Maar dat gepierewaai moest voor goed uit zijn, dat was de eerste en éénige voorwaarde. -Maurice moest trouwen, en indien hij dit niet verkoos, trok oom, zooals hij dat noemde, -de handen van hem af. -</p> -<p>Mevrouw Mombreuil had er weinig tegen in te brengen en, als een verstandige vrouw -van de conventie, was zij het natuurlijk volkomen met den oud-minister eens, dat haar -zoon zijn leven moest regelen door een fatsoenlijk huwelijk. -</p> -<p>Zij praatte er denzelfden avond nog over met Wies, en vertelde haar, hoe oom zijn -huwelijk als voorwaarde had gesteld om hem financieel te helpen. Dat was een groote -déceptie voor Wies. Het was nu net zoo heerlijk, een broer te hebben als chaperon, -en nu, nadat ze nog geen zes weken van hem genoten had, wilden ze hem alweer van haar -afnemen! Maar zij wist te goed, hoe Maurice van ooms genade afhing, om niet in te -zien, dat er geen kwestie was van verzet. Maurice moest trouwen, dat stond vast, en -het kwam er nu alleen maar op aan, een goed meisje voor hem te vinden. En toen mama -haar vroeg, met wie van haar vriendinnetjes Maurice zich alzoo geöccupeerd had, viel -het haar ineens helder in, wie dat meisje zou kunnen wezen. -</p> -<p>„Maar mamaatje!” riep ze uit, in de handen klappend <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>over haar mooie trouvaille, „dat is al heel gemakkelijk. Weet u wel dat Ellie bepaald -gecharmeerd is van Maurice?” -</p> -<p>Ellie van Taats! Dat was al een héél geschikte oplossing, vond de oude mevrouw. Was -het mogelijk! Die kleine Ellie, dat vlindertje, verliefd op Maurice! Wie had dát kunnen -denken! Het was net een goed vrouwtje om een wildzang tot rust te brengen. Lief, elegant, -gedistingueerd, en toch eenvoudig, en zelfs naïef. Er was nu letterlijk geen kwaad -áán haar, vond mevrouw Mombreuil. En ze had nog al wat geld ook, van haar gestorven -moeder, en later nog te wachten van haar vader, die van zijn tweede vrouw flink had -geërfd. Ze was wel niet van adel, maar dat was nu zoo heel erg niet, en de van Taatsen -waren toch van goede familie. Er was geen liever en aardiger meisje voor Maurice te -bedenken dan Ellie, en dat ze bovendien zelf al van hem gecharmeerd was, trof nu al -buitengewoon. -</p> -<p>Den volgenden dag was de oude mevrouw Mombreuil al bij den minister om hem het groote -nieuws te vertellen, dat ze een geschikt meisje voor Maurice had gevonden. Hij was -er dadelijk erg mede ingenomen, en schreef een briefje aan zijn neef met verzoek, -dien middag bij hem te komen, om over gewichtige zaken te spreken. -<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p> -<p>Toen Maurice bij hem was, verklaarde de oud-minister hem met groote autoriteit, waar -het op stond. Hij releveerde nogeens zijn heldhaftig gedrag op Atjeh, en bracht hem -onder het oog dat het niet aanging, na de Koninklijke onderscheidingen, nu weer als -een boemelend student te gaan leven. Alleen door een huwelijk was zijn leven te regelen. -Op strengen, vaderlijken toon las hij hem de les, en verklaarde uitdrukkelijk, dat -hij zijn beurs voor goed gesloten zou houden, als Maurice niet precies deed wat hij -verlangde. Hij wilde hem voor het huwelijk geen meisje opdringen, dát vond hij onzedelijk, -maar vroeg hem alleen ronduit, of hij Ellie van Taats een goede vrouw voor hem zou -vinden. -</p> -<p>Maurice zag wel in, dat het nergens toe dienen zou, zich te willen verzetten. Oom -had nu eenmaal het geld, en daar hield alles mee op. Alleen vroeg hij een paar dagen -bedenktijd, om het eerst degelijk te overwegen. -</p> -<p>Hij praatte er thuis nog eens over met Wies, die hem vertelde hoe zij gezien had, -dat Ellie van ’t eerste oogenblik af op hem verliefd was, en hoe vol bewondering zij -over hem sprak. -</p> -<p>En hij zag dat er hem niets anders overbleef, dan aan oom te gehoorzamen. Hij had -Ellie altijd een heel lief meisje gevonden, al was ze een vreemd <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>leven voor hem, ver buiten zijn sfeer. Hij kon zich ook absoluut niet meer indenken -in zoo’n meisje als Ellie. Wèl vermoedde hij, dat het iets veel hoogers en beters -was, dan hij ooit had kunnen droomen, iets dat voor hém misschien veel te goed en -te rein was, maar hij besefte niet, hoe broos en breekbaar zoo’n meisjeszieltje was -van essentie. Hij dacht, dat het wel terecht zou komen, als hij maar eerbiedig en -galant tegen haar was, en dat hij, als ze maar eenmaal zijn vrouw was, haar wel nader -zou komen, en vertrouwelijker met haar zou kunnen omgaan. Nú had hij nog maar een -vage teederheid voor haar, met een beetje medelijden vermengd, omdat ze nog zoo’n -kind bleek te zijn. Dat ze zoo dadelijk verliefd op hem was geworden, verwonderde -hem niet, en streelde hem niet eens zoo bizonder. Het was iets heel natuurlijks voor -hem. Hij was nu eenmaal een mooie man, en van zijn vroegste jeugd af aan had men hem -„le beau Maurice” genoemd. Zonder er bepaald trotsch op te zijn, of er mede te affecteeren, -had hij vroeger, in zijn goeden tijd, als een pacha altijd de hulde van meisjes en -vrouwen aangenomen, als iets dat van zelf sprak. En dat Ellie nu op hem verliefd was, -vond hij volstrekt niet zoo’n groote conquête. Physiek was zij zijn „genre” niet eens. -Hij hield niet van die kind-meisjes, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>die nog zoo onnoozel zijn, en nog zoo vaag van vormen, en waar je den eersten tijd -maar zoo weinig aan hebt. Hij kon er ook nog zoo slecht mede omgaan, en je moest altijd -zoo voorzichtig zijn, dat je haar niet verschrikte met een verkeerd woord, of gebaar. -</p> -<p>Maar er was nu eenmaal niets aan te doen geweest. Hij moést trouwen, had zijn oom -gezegd, daar stond hij op. En oom had het geld. Daar viel weinig tegen te redeneeren. -Oom vond Ellie nu eenmaal een geschikt meisje voor hem. Wel is waar was ze niet van -adel, maar dat was juist wel goed, want om haar in de aristocratie te doen komen, -zou papa van Taats eerder over een minder glansrijke periode in Maurice’s leven heenzien. -Ze was een lief, onschuldig jong meisje, had oom gezegd, die juist een verzachtenden, -veredelenden invloed op hem zou uitoefenen. En ze had ook wel wat geld ook. Dus het -moest Ellie zijn, Ellie en geen ander. En Maurice had er verder niets tegen ingebracht. -Als hij toch moest trouwen, was het hem vrijwel om het even, of het met Ellie van -Taats was of met een andere. En hij vond haar gedistingueerd en aristocratisch genoeg -om eene mevrouw Mombreuil te worden. -</p> -<p>Maurice was zoo ingeroest in de heerschende <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>Haagsche begrippen, dat hij er volstrekt niets slechts en ignobels in zag, met een -meisje geëngageerd te zijn, waar hij eigenlijk niet van hield. Zelfs vond hij, dat -het wel degelijk een eer voor haar was, zijn verloofde te zijn, en eene Mombreuil -te worden, al was hij te veel gentleman, om dat ooit te laten bemerken. -</p> -<p>Hij had haar altijd met een hartelijke, welwillende vriendelijkheid behandeld, meer -als een goed, argeloos kind dan als een vrouw, met iets medelijdends, omdat ze nog -zoo naïef was, en nog zoo weinig van het leven wist. Hij verwonderde er zich dikwijls -over, dat ze in sommige opzichten nog zoo onnoozel was. Van een Haagsch meisje had -hij dat niet verwacht. En eigenlijk hinderde het hem een beetje. Hij hield niet van -ingénues. Dat werd later altijd zoo lastig. En hij kon zich zoo verbazend moeilijk -in zoo’n wezentje verplaatsen, hij, die zooveel ervaring had, en zoo goed wist, wat -nu eenmaal het leven was! -</p> -<p>Het speet hem erg voor Joh. Die goeie, beste meid, waar hij zoo’n innigen lol mee -had gehad! Die zou hij nu natuurlijk er aan moeten geven. Oom, die nu eenmaal van -zijn liaison met haar afwist, zou hem den eersten tijd natuurlijk wel in de gaten -houden. En er viel niet met hem te spotten. Het was een kwestie van <span lang="en">to be or not to be</span>. -<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> -<p>Hij ging naar oom Mombreuil, en zeide hem, dat hij, na rijp nadenken, alles zou doen -wat hij van hem verlangde, en voortaan een geregeld leven zou trachten te leiden. -En hij vroeg zijn oom tevens, den ouden heer van Taats eens te gaan polsen over het -plan. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wies was den volgenden morgen al heel vroeg bij Ellie, om haar voor te bereiden op -het groote nieuws. Het was nog vroeg, en Ellie was juist uit haar slaapkamer in haar -boudoir gekomen, waar zij altijd ’s morgens vroeg haar kop chocolade dronk. -</p> -<p>„—Alweer groot nieuws, Ellie!” riep Wies, „nu <span class="corr" id="xd31e1209" title="Bron: raadt">raad</span> je nooit wat ik je te vertellen heb!” -</p> -<p>„—Nu? Wat dan? Is het héél gewichtig?” -</p> -<p>„—Héél, héél erg, hoor!.… Maar je kunt het tóch niet raden.…. Het is iets van Maurice!…” -</p> -<p>„—Van Maurice!.…” -</p> -<p>En Wies zag, dat Ellie erg schrikte, en bleek werd. -</p> -<p>„—Ja, van Maurice!” zei ze, een beetje plagend … „nou kijk maar niet zoo verschrikt.… -er is geen ongeluk met hem gebeurd, hoor!.… héélemáál niet.… maar je raadt nooit wat -hij doen wil.…” -</p> -<p>„—Nu, wat dan?.…” -</p> -<p>„—Hij wil gaan trouwen!” -<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p> -<p>Ellie keek haar aan, met groote, starende oogen. Ze vroeg niet eens met wie. Het was -haar zoo inééns overvallen, dat ze niet spreken kon. -</p> -<p>En Wies vertelde dóór. -</p> -<p>„Ja, hij gaat trouwen … met een héél lief meisje … het liefste meisje van den Haag.… -lichtblond haar heeft ze, en erg zachte, blauwe oogen, die niet zoo verschrikt mogen -kijken, want daar zijn ze véél te mooi voor.… ben je nu niet nieuwsgierig?.… weet -je nu nog niet wie het is?.… Maar hij heeft het zelf nog niet durven zeggen.… dat -is niets voor hem, zulke dingen … hij kan beter vechten en heldendaden doen.… maar -vandaag of morgen komt oom Mombreuil er al over spreken met den papa van het meisje.… -weet je ’t nog altijd niet, wie het is?.… ze zit toch zoo héél dicht bij me, hier, -in dit mooie boudoirtje.…” -</p> -<p>„—Wies!” -</p> -<p>Ellie stond op, en knielde bij Wies neer op een pouf, met de handen smeekend opgeheven. -Haar oogen keken heel bang, als van een verschrikt vogeltje. -</p> -<p>„—Wies!.… het is toch niet waar, hè?.… je maakt maar een grapje, hè?.… het is toch -niet voor mij, hè, dat Maurice komt.… dat kán immers niet.… wat zou hij aan mij kunnen -vinden.… ik, zoo’n arm, klein vlindertje maar!.…” -<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p> -<p>Wies kuste haar op de wangen, en nogeens, en nogeens. -</p> -<p>„—Het is voor jou, hoor!.… jij wordt het vrouwtje van Maurice, heusch, en dan <span class="corr" id="xd31e1234" title="Bron: wordt">word</span> je mijn lief mooi zustertje meteen!.… maar waarom kijk je nu zoo verschrikt?.…” -</p> -<p>Toen legde Ellie het hoofd in haar schoot, en zei heel zacht, of ze meer in zichzelve -sprak dan tot Wies: -</p> -<p>„Ik kán het bijna niet gelooven dat het waar is.… en toch heb ik het al voelen áánkomen … -ik ben zoo gelukkig, zoo heel gelukkig.… maar ook zoo bang, zoo bang.… ik ben somtijds -zoo heel bang voor het geluk.…” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XIV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den laatsten avondtrein, -vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe kende hij de kleine, roze envelopjes, -waar haar lievelingsparfum hem uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van <span class="corr" id="xd31e1243" title="Bron: violettes">Violettes</span> de Parme! Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor morgen. -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first salute"><i>Beste Pim!</i> -</p> -<p><i>Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het publiek te maken. -Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult het niet kunnen gelooven. Hij, de -held van Atjeh, de groote, sterke held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En -toch is het heusch waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig -zijn met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15<sup>en</sup>, is er een klein dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom -je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent?</i> -</p> -<p class="signed"><i>Je liefhebbende zusje</i> -</p> -<p class="signed"><i>Ellie.</i></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de letters, en wist wel -de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog niet heelemaal in hem doordringen. -Nog eens goed overlezen.… Nu nog eens … hárd op, heel duidelijk.… -</p> -<p>Maar dat kan toch niet.… welneen, verbééld je nu eens, dat is toch immers onmogelijk.… -het is te dol.… Ellie geëngageerd.… Ellie, zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, -zijn fijne, broze, blanke vlindertje.… geëngageerd.… trouwen.… trouwen met een man.… -hoor je, met een man.… met een man trouwen.… met een man.… <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich alleen, héél haar leliewitte, -mysterieus reine maagde-lijfje.… een mán.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit de innigste, -heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was, stuipte het in hem op, -en uitte zich in een hoogen gil van angst en vreugde: -</p> -<p>Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.… want zij is van mij, van mij, en niemand anders.… -ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel die groote, groote wereld.… en zonder -haar is er niets meer.… -</p> -<p>En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de stem van een -ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde, verschrikkelijke tijding: -</p> -<p>„<i>Maar ik heb haar zelf lief!.… Ik heb haar lief, mijn God!.…</i>” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde nieuws, dat uit -die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo plotseling omhoog was gerezen, -hel en onverwacht, als een opgebliksemde vuurpijl in den nacht. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -<p>Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten hebben, als -daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was gekomen, en gegrepen had naar -het allerlichtste en liefste van zijn ziel. -</p> -<p>Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo van-zelf-sprekend, zoo -altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er het eindelooze en zéér bizondere -geluk niet eens geheel van beseft had. Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk -met zijn gansche leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die -zich zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel als de -lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne oogen, dat hij opnam, zonder -te weten, van-zelve, in de onbewustheid van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, -dat zij ooit uit zijn leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen -zijn, en het daglicht niet meer zien. -</p> -<p>Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd zijn, en geëngageerd -raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het zelf te gelooven, en nooit er ernstig -over denkende, dat het nog eens werkelijk zou kunnen gebeuren. -</p> -<p>En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend voor zijn verbaasde -oogen. Hier <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>stond het, in sombere, zwarte letters, door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare -realiteit, plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven. En -hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in zijn ziel: -</p> -<p>„Ze gaat van je weg.… Ellie gaat van je weg, naar een ánder.…” -</p> -<p>Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart. -</p> -<p>„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van mij geweest. -Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke, gouden, blonde haar, en -haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar -ze zijn toch van mij, van mij alléén.… ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er -toch altijd meê geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel.… -hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.… het is toch een deel -van mijn eigen wézen.… neen, het kán niet, het kán niet.… dat gáát toch maar zoo niet.…” -</p> -<p>En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing over de allergewichtigste -ontdekking, die nú eerst geopenbaard: -</p> -<p>„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.… maar dan is ze ook niet alleen maar -mijn zuster <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>geweest.… en dat kon ook niet.… want als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook -in ’t gehéél geen zuster van me.… ze had een ánderen vader, een andere moeder.… o -God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik haar lief, heb -ik haar lief, heb ik haar lief!.…” -</p> -<p>Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren angst, dat hij haar -verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde, toen hij opeens den rijkdom zag -van zijn ziel. -</p> -<p>Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te weten? Had hij -dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor Ellie met zich rondgedragen -als een kostbaren schat, dien niemand, ook hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan -rijk geweest, wat was hij dan vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot -en volheerlijk van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls -klein en nietig dacht!.… -</p> -<p>Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van zijn ziel, toch -had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht, waarvan hij zooveel in boeken -las, toch had hij nooit gebeefd en zijn hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds -kuste, en had hij nooit de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.… En in het even -denken hieraan <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet met een profane gedachte. -</p> -<p>Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het láátst? -</p> -<p>Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een vrouw te voelen, -was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den fellen gloed, waarin passie uitslaat, -en was zijn ziel te schuchter en te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht -is? -</p> -<p>Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was opgebloeid uit -louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide aan hare voeten, van kuische -witte bloemen, waar géén winde-adem zucht? Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle -aanbidding het opwellen van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt? -</p> -<p>Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets anders voor -Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme vriendschap. -</p> -<p>Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig man, en het denkbeeld -flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon begeeren en de zware handen leggen op haar -lief, blank lijf van meisje, nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn -hoofd, en een felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden. -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -<p>Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren gezien had, hij -dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen half-open, als vragend om een kus, -en alles van haar, de vage welving van haar borst, het blanke, zachte vleesch van -haar hals, het lichtte opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht. -</p> -<p>„Maar dat is van mij, van mij<span class="corr" id="xd31e1316" title="Bron: .,..">,…</span> van mij,” riep hij angstig in de stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in -hem op, de tranen stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als -van koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen sluimer eindelijk -gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een duizeling van al zijn bloed het groot -menschen-verlangen in hem opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles -om hem heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge armen -uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het liefelijk, eindelijk begeerlijk -geworden beeld te omvatten van zijn Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem -was geopenbaard.… -<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch15.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toch had Pim zich heel goed gehouden, na die felle uitbarsting in zijn ziel. -</p> -<p>Hij was den volgenden ochtend naar Ellie gegaan, en had haar, met zoo vroolijk mogelijke -stem, hartelijk gefeliciteerd. -</p> -<p>Maar met die fijne intuïtie, die een meisje heeft, had ze gevoeld dat er iets haperde, -en heel bezorgd gevraagd: -</p> -<p>„Je vindt het toch ook wel heerlijk, Pim? Je voelt je toch ook wel gelukkig?” -</p> -<p>Hij had geen ja geantwoord, dat kon hij niet; maar om zijn pijn te verbergen, had -hij een quasi-pruilenden toon aangenomen, en gezegd, dat hij nu verwaarloosd zou worden, -dat hij zijn gezellige half-uurtjes niet meer hebben zou in haar boudoirtje, en hij -nooit meer mede zou mogen om boodschappen te doen, of samen met haar te lunchen in -Scheveningen. -</p> -<p>Toen had ze hem uitgelachen, en een bedorven kindje genoemd, en hem gezegd, dat hij -altijd de oude Pim zou blijven, altijd en altijd, en niets te kort zou worden gedaan. -Hij bleef toch immers haar broer? Daar werd toch nooit iets aan veranderd, al was -ze nu geëngageerd? -<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span></p> -<p>Ze had hem nu juist heel erg noodig, want er kwam nu van alles te doen. En hij moest -helpen adressen schrijven op verlovingskaarten. -</p> -<p>„Overmorgen is er een diner, voor heel intiemen,” zei ze, „en dan kom je op den gewonen -tijd om vijf uur in mijn boudoir, hoor, net als vroeger, om me te laten zien dat er -niets veranderd is. Ik heb een nieuw costuum aan, dat je ’t éérst zien moet.… dat -zou Maurice nog niet eens mogen, zoo heel intiem alleen in mijn boudoirtje komen.… -ik réken er op, hoor!<span class="corr" id="xd31e1333" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Hij had niet durven weigeren en had beloofd te komen. Hij voelde dat hij zijn pas -aan hem bewust geworden geheim van liefde altijd voor haar moest verbergen, om toch -vooral háár geluk niet te storen. -</p> -<p>En den volgenden dag om vijf uur kwam hij in ’t boudoir, als vroeger, of er niets -gebeurd was. -</p> -<p>Even keek hij rond. Niets was veranderd, alles stond nog als vroeger, even teêr, even -intiem. -</p> -<p>Dáár ging de deur open. -</p> -<p>Een licht frou-frou van rokken, en ze stond voor hem, opeens, als een verschijning -van droom. -</p> -<p>Zoo teêr, zoo heel blank en bloode, in haar costuum van witte chineesche zijde, dat -zachtjes tintelde van zuiveren glans! -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>Heel eenvoudig was ze, als een kalm kind, met de lage, afzakkende mouwtjes, en over -beide schouders een parelsnoertje, alsof de japon daaraan hing. Dat gaf iets heel -broos en luchtigs, alsof die witte zijde zonder zwaarte was, en al dat glanzende en -lichte los om haar droomde, als een wade van licht. -</p> -<p>Hoe kinderlijk was ook nog haar hoofdje, al was het <span class="corr" id="xd31e1347" title="Verbeterd door de auteur van: dikke">fijne</span>, blonde haar deftig gekapt, met een wit struisveeren kopje. En in welke zaligheden -van onschuldige onbewustheden lachten haar blauwe oogen, glanzende van haar ziel! -</p> -<p>„Ziezoo, hier ben ik,” zeide ze vroolijk. „Ben ik nu niet mooi, Pim? Draagt mijn toiletje -je hooge goedkeuring weg? Vin je ’t goed zoo, die kanten berthe om ’t décolleté, en -diezelfde kant geïncrusteerd op mijn rok! Mooie kant, hè, en allemaal echt, uit Brussel! -Ik had eerst het corsage ruimer willen nemen en dan schuin gesloten, met een chou -van wit satijn lint, en dan dikke, witte bloemen geborduurd op den rok. Maar zoo vond -ik het toch nog beter.” -</p> -<p>Pim zeide niets. Hij had haar maar stil aangezien, en had opeens een vreemde droefheid -gevoeld. -</p> -<p>Zoo blank, zoo blank, zoo blank.… -</p> -<p>Haar blanke hals, haar kuische borst van maagd-meisje, weifelend en vaag als een droom, -in een <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>éven-opwelving, een ronding van broze teederheid, het deed hem aan met een droevige -ontroering. -</p> -<p>Er was in die blankheid iets dat hem sloeg met een stille ontzetting, een angst, dat -deze teederheid zich zoo toonde in weerlooze naaktheid van onschuld, en dat één adem -die reinheid zou besmetten. -</p> -<p>Neen, dit is te fijn, dacht hij, te zwak, te broos, dit kán niet zoo maar in het Leven -gaan, het zou breken. En toch.… -</p> -<p>„Nu, Pim? Zeg je niets?” vroeg ze ongeduldig. -</p> -<p>Toen zag ze ineens dat hij heel bleek zag. Zoo bleek, en zoo vreemd, en zoo oud ineens.… -</p> -<p>„Wat is er Pim.… Ben je ziek?.…” -</p> -<p>En bezorgd boog ze zich over hem heen, waar hij gedoken zat in een fauteuil, of hij -van iets erg moe was, en legde haar wit geganteerde hand op zijn voorhoofd. -</p> -<p>„Niets, Ellie, niets,” zeide hij zacht, „ik weet zelf niet wat het is. En ik vind -je costuumpje prachtig, hoor! Ik ben alleen een beetje zenuwachtig, van de emotie, -weet je, dat je nu straks aan de menschen zult vertellen dat je geëngageerd bent. -Dat komt me nog zoo vreemd voor. En ik kan het nog bijna niet goed gelooven!” -</p> -<p>„—Malle jongen, is het dáárvan? Nu, daar behoef je niet zenuwachtig om te zijn. Het -is toch <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>niets dan geluk? Is het geen geluk voor me dat Maurice me heeft willen hebben? Hij, -zoo’n groote, mooie held, zoo’n ridder, en ik, zoo’n héél gewoon, fladderend vlindertje?” -</p> -<p>Hoe enthoesiast zei ze dat weer, „zoo’n groote, mooie held!” Wat moest ze van hem -houden! -</p> -<p>„—Heeft willen hebben!” antwoordde hij, zacht-verwijtend. „Hij mag blij zijn. Het -liefste, mooiste meisje van den Haag! Wie zou te goed zijn voor mijn Ellie? Kijk eens -in den spiegel en zeg dan eens of het waar is of niet!” -</p> -<p>Lachend keek ze. En heimelijk vond ze dat hij gelijk had. Ze zág er lief uit, allerliefst, -dát moest ze toegeven. -</p> -<p>„—Ja Ellie,” schertste ze koket tegen het beeld in den spiegel. „Het is waar, je mag -gezien worden, al zeg ik het zelf. En die groote held zal zijn kleine vrouwtje nog -niet zoo heel kwaad vinden, hoop ik. Denk jij ook niet, Pim?” -</p> -<p>„—Ik denk dat hij al een heel erge held zal moeten zijn om mijn Ellie waard te wezen.” -</p> -<p>„—Maar waarom kijk je nu zoo ernstig? En je bent zoo bleek. Is er wat, Pim? Waarom -zeg je het dan niet?” -</p> -<p>Toen kon hij zich niet meer inhouden en barstte los. -</p> -<p>„—Er is eigenlijk niets, Ellie, dan iets heel vreemds. <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>Maar ik zal het je zeggen. Ik kan nu eenmaal niets voor je verbergen, dat weet je -wel. Het is misschien heel gek, maar je moogt er niet boos om zijn. Ik ben bedroefd, -dat je de oude Ellie niet meer bent. Dat je verliefd bent op iemand. Niet omdat het -Mombreuil is. Als het een ander was zou het net eender zijn. Ik wou dat je nog net -zoo was als vroeger. Als ik je zoo vóór me zie, zooals nu, zoo heelemaal blank en -wit, zoo met al de vriendelijkheid van je oogen, en den glans van je haar, dan vind -ik je toch zoo’n heel apart, bizonder wezentje, al weet ik dat je maar heel gewoon -bent, zoo apart en bizonder voor mij alléén dan ook. Ik vind je dan véél te goed voor -wien ook, véél te goed voor het Leven. Ik wou dan, dat je maar altijd een meisje kon -blijven, en nooit trouwen, en nooit ouder worden, altijd blijven zooals je nú bent, -en nooit, nooit veranderen. Ik vond het zoo heerlijk en zoo goed, zooals het was. -En dat zal nu allemaal weggaan.…” -</p> -<p>„—Arme Pim,” zeide ze medelijdend. „Trek je je dat zóó aan? Maar ik vind juist, dat -ik nu pas begin te leven, nu ik van Maurice ben gaan houden. Ik voel me nu juist of -ik eigenlijk pas geboren ben, en eigenlijk nooit bestaan heb voor dien tijd. Je wéét -dat zoo niet, Pim, omdat je het nog niet kent.” -</p> -<p>Hij was op het punt om het uit te gillen, dat hij <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>het kénde, o! dat hij het zoo héél, héél goed kende, al was het hem pás geopenbaard. -Maar hij hield zich goed. -</p> -<p>„—Ik ben nu zoo gelukkig, Pim,” ging ze voort. „Veel gelukkiger nog dan vroeger. Ik -zou altijd kunnen zingen van geluk. En nu moet je niet bedroefd zijn om mijn geluk. -Ik ben toch je zuster. Jij moet toch ook blij zijn als ik gelukkig ben.—Straks aan -tafel zal pa aan al de kennissen zeggen, dat ik het aanstaande vrouwtje ben van Maurice. -Ik ben eigenlijk een beetje verlegen, dat ze dat dan allemaal zullen weten. Maar toch -ook zoo blij, zoo blij! Kom, laten we nu maar vast naar beneden gaan. Ze zullen nu -wel gauw komen. Wil je mijn langen mantel even naar beneden dragen? We gaan misschien -nog wat in den tuin na het dessert. En hoe <span class="corr" id="xd31e1388" title="Bron: vindt">vind</span> je mijn nieuwen witten waaier? Een cadeautje van hém.…” -</p> -<p>En ze wuifde zich even wat koelte toe met den ivoren, beschilderden waaier. Zachtjes -bewogen wat losse gouden haren uit haar kapsel, en het struisveeren kopje trilde en -trilde.… -</p> -<p>En in zijn hart beefde het van ingehouden smart. Hoe ze daar stond in haar witte blankheid, -zoo teêr als een bloem met haar lucht, rank kinderfiguurtje, zoo heelemaal niet iets -voor het Leven, want véél, véél te broos.… -<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p> -<p>„—Ellie,” zeide hij ernstig, „je kent toch wel dat mooie vers van Heine: -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Du bist wie eine Blume -</p> -<p class="line">So schön und hold und rein; -</p> -<p class="line">Ich schau dich an und Wehmuth -</p> -<p class="line">Schleicht mir ins Herz hinein?”</p> -</div> -<p class="first">Ze begreep hem niet. -</p> -<p>„—O ja, een mooi vers. Waarom?” -</p> -<p>„—Omdat ik het nu ineens zoo heel erg voel, dat vers, nu ik jou daar zoo zie staan, -Ellie. -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Mir ist als ob ich die Hände -</p> -<p class="line">Aufs Haupt dir legen sollt, -</p> -<p class="line">Betend dass Gott dich erhalte -</p> -<p class="line">So schön und rein und hold.”</p> -</div> -<p class="first">De tranen stonden hem in de oogen, en zijn stem beefde. -</p> -<p>Maar ze was te veel het Vlindertje om het allerfijnst mooie van het vers te begrijpen. -Ze voelde alleen, dat Maurice straks komen zou, en dat ze naar hem verlangde, verlangde, -verlangde. -</p> -<p>Maar waarom beefde Pim nu zoo? En kijk, er rolde een traan over zijn wang, dien hij -gauw afveegde.… -</p> -<p>„—Dat vers doet me zoo aan,” zeide hij. „Je weet, hoe gevoelig ik ben voor verzen. -En nu ik op het punt ben om mijn zuster te verliezen.…” -<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> -<p>„—Maar ik zal toch altijd je zuster blijven,” troostte ze. „Wat dacht je nu? Al ben -ik nu honderdmaal geëngageerd, daarom blijf jij toch Pim voor me. Hoe kom je dáár -nu aan. Dacht je, dat ik ooit zonder Pim zou kunnen leven, jongen, en dat ik hem ooit -zou vergeten.…” -</p> -<p>„—Je moet denken, Ellie, ik heb niet veel, behalve jou. Jij bent alles, wat ik heb -op de wereld, dat weet je wel. En als jij ooit van me werd afgenomen.…” -</p> -<p>Hij kon niet doorgaan. Hij kon zich absoluut niet voorstellen wat zijn leven ooit -zijn zou zonder háár. -</p> -<p>„—Malle jongen! Wie wil je nu iets afnemen? Toe, geef me een arm, dan gaan we heel -deftig naar papa beneden. Nu ben jij nog mijn cavalier, hoor, en als Maurice er niet -is, neem ik je dadelijk in beslag.” -</p> -<p>Gewillig nam Pim den langen, wit-bonten avondmantel over zijn linkerarm, en gaf den -rechter aan Ellie, als zoovéél keeren vroeger. Maar inééns bedacht hij zich, hoe heerlijk -het zou zijn als zij als zijn verloofde eens zoo naast hem liep, en straks de gasten -het nieuws eens hoorden, dat hij de bruidegom zou worden van het ranke, blanke meisje -aan zijne zijde. -</p> -<p>Beneden hoorde hij al stemmen roezemoezen in de gang. Er waren zeker al menschen gekomen. -De feestvreugde zou zóó beginnen. -<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p> -<p>En het was hem opeens bij het langzaam afdalen van de trap, of hij haar nu van de -sfeer, waarin ze altijd voor hem geleefd had, naar de ruwe werkelijkheid geleidde, -naar het harde, meêdoogenlooze leven, waar de droom niet was, waar heel gewoon een -man een maagd-meisje wachtte, om haar, fijn, broos, melkblank kind, te nemen in zijn -ruwe, sterke armen, zonder medelijden, zonder vrees voor het heilig mysterie, dat -haar omhulde, om haar te maken tot zijn vrouw, zooals zoovéél andere meisjes de vrouwen -worden van anderen, heel gewoon en natuurlijk.… -</p> -<p>Dáár stond Mombreuil al beneden in de gang. Hij hoorde zijn diepe stem, hij zag zijn -groote, forsche gestalte van sterken man, en zijn dikke, zwarte wenkbrauwen, en zijn -grooten, zwarten knevel.… -</p> -<p>De mán van Ellie.… de mán.… voor dit ranke kind-meisje de groote, zware, donkere màn.… -</p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch16.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XVI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving van Ellie van -Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het eene verrassing. „Het Vlindertje” -geëngageerd, wie <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>had dat ooit gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh! -</p> -<p>Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t Kurhaus, en -werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen. Er was dan ook iets bizonder -romantisch in, hen zoo gearmd te zien loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met -die rechte, militaire houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten -knevel, en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke zachtheid, -met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte viooltjes, en het glanzend -goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in het zich toeneigen van het teedere, zachte -en lichte van kind-meisje naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand -hen zoo samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar neêrziend, -zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde hij, hoe gemakkelijk het -hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen te breken, als een ranke bloem, met één -hardheid te knakken voor goed.… -</p> -<p>In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel menschen waren, -om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de menschen moesten zien, hoe zij was -uitverkoren, en hoe die groote, mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje -<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>als ze was, uit allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede -men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van vrienden en -kennissen. -</p> -<p>Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met hem alleen -te zijn. -</p> -<p>Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch. -</p> -<p>Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er hoe langer hoe -meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich langzamerhand meer verwant gevoeld -aan de natuur, sedert de liefde in haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die -aan den hemel voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en -keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die zij nooit had -gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch voelde zij zich nu véél meer -thuis dan vroeger aan het strand, in al die drukte van menschen, of in het Kurhaus. -</p> -<p>Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem samen in dat groote, -groote Bosch. De zomer begon al zacht te verdroomen in den herfst, en de laatste, -lage zonnestralen maakten de boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een -nieuw, heerlijk land, waar zijn hand haar <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>voortleidde door een droom van geluk, die altijd zou duren. -</p> -<p>„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,” had ze eens -tegen hem gezegd. -</p> -<p>Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust. -</p> -<p>Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en hoffelijk als een -ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het heel voorzichtig, zonder hartstocht, -als was hij bang, haar te verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk -gebabbel, en als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn -eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh. Dan werd ze -dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde, waarin hij gestaan had, -en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te voelen dat hij er heusch nog was. -</p> -<p>Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten eerbied voor haar -gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige -ontmoetingen. En naarmate die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid -grooter worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had verzocht, -om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>er pas goed de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe -weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven. -</p> -<p>Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend, en wat hij -van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de vrouwen uit zijn studententijd -hem konden geven, en wat hij nu pas weêr met Joh had doorgemaakt. -</p> -<p>Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie woonde, dat te -rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven aanraken, en waar hij vèr van -behoorde te blijven, als hij geen misdaad wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, -maar er wás iets aan Ellie, en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende -liefde voor hem, dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol -met haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid, wetend, al -wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was zooals ’t behoorde, en hem -iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en dat hij niet mocht aannemen, als hij een -eerlijk man was. -</p> -<p>Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan; zijn aanleg -en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner emoties vatbaar gemaakt -dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>eenmaal niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut niet -wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij doen ging door zich -met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie -in haar leefde, dat hij niet waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op -te wellen, dat langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder bewustzijn. -</p> -<p>Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit meisje hem -in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij was, en wie hij geweest was. -Hij wist dat hij door veel te veel dingen was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke -Liefde te kunnen voelen, die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig -voor zijn begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte, hij -eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen gezien had, dat -hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als toen met de anderen, zijn groote, -ruwe handen zou slaan om haar teêr, maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen -met dezelfde kussen, die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. -En hij voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een misdaad -zou zijn. -<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p> -<p>Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat hij enkel maar -vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten zijn sfeer, daar was hij toch -geen man meer voor, dát wist hij zeker. Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij -te veel meêgemaakt. -</p> -<p>Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig naar haar verlangde, -naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat hij het toch op den duur niet zou -uithouden, die onthouding, die hij zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had -zich goedgehouden, en zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij -toch bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou het dan -voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest kussen, na een nacht -van wilden hartstocht met eene andere? -</p> -<p>Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in hem liefhad, -was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en met al de dingen van zijn -verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet -liefhebben. En hij begon zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, -en die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast haar zonder -iets te zeggen, met het groote <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>berouw opwellend in zijn hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar -eerlijk alles te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal -Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het engagement -verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die mooie reine liefde, die -Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en grooter zag worden. Als hij haar een arm -gaf, deed hij het licht en voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor -hem was, en als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat -zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild beest, en bang, -haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine lippen. En ook in hém trilde een -bevende ongerustheid, een onbestemde vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar -dit heen zou moeten op den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als -geluk, van een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die groote -teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld. Voor ’t eerst in zijn -leven vermoedde hij het heilig mysterie van het Meisje en voelde hij met een vaag -berouw, dat hij in zijn wilde leven van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk -was van wezen. -<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> -<p>Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar reinen invloed -werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was juist het bewustzijn in hem gekomen, -dat hij niet mocht aannemen, waar hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde -hem elken dag met grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf -te redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven. -</p> -<p>Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid en zwijgen aan -voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor, dat hij zoo heel voorzichtig -met haar deed, want, al verlangde zij er heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd -wat bang, als hij dicht bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen -op haar zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een gloeiing, -bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch verschrikkelijk, en zij had kunnen -lachen van geluk en tegelijk weenen van verdriet er over. Er was iets in haar, dat -met onweerstaanbaren aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, -en wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en huiverend wegkroop -als het den gloed voelde van zijn schitterende, donkere oogen. -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er in beiden -een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar verborgen, hij bang -voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard was, en angstig dat hij ooit voor -haar zou durven voelen als voor andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem -te zijn, om meer kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn -handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets, wat heel teêr -en broos was, in haar zou breken. -</p> -<p>En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille bosch, bladeren -vielen ritselend in langzamen val, en overal was de vage en vreemde weemoed van het -mooie, dat de verre nadering voelt van den dood.…. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch17.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XVII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe verkeerd het -was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te zien, als in een bizondere -sfeer. Zij was een meisje als alle anderen, had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen -<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>van vleesch en bloed, heelemaal menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. -En eens zou ze ook doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met -hem trouwen en kinderen krijgen. -</p> -<p>Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor hèm was Ellie -wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich heen zag, en veel te teeder, -in een veel te reine sfeer, om te doen de voor hem grove, harde dingen die des levens -zijn. -</p> -<p>Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste jongensdroomen het droomden, -met altijd iets van de engel in zich, die is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten -en te zegenen, en wier wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles -van haar: een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van -haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel gevoelig is alles -aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en ontwijd het niet met ruwe handen, -want het is heilig tot in eeuwigheid.… -</p> -<p>En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij hem, was hij -in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist het, dat het ongezond was, -dat het was uit den tijd, dat het was niet modern, en romantiek, maar hij kon er <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>niets aan doen. De grond van zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding -van een onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om, en ver -boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van wezen ongenaakbaar en -hoog-heilig, die zich in haar openbaarde. -</p> -<p>En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid overtogen. Wat werd -een bloem anders als zij in de handen was geweest van een lieve vrouw! Wat klonken -heel gewone woorden anders uit den mond van een lief meisje! Wat was er iets héél -bizonders gekomen aan een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een -vrouw waren gedragen! -</p> -<p>Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden, die Pim altijd -van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem kuisch had doen blijven. Een ruw -woord, een ongracieus gebaar van een vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. -En hij die heelemaal van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn -vrienden zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil hielden, -omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls in al zijn hevigheid -kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij ook nog altijd met <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen van roovers en draken bevrijdden, -en met onmenschelijk nobele en edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden -als Corrèze uit „<span lang="en">Moths</span>” en Bertie Cecil uit „<span lang="en">Under two Flags</span>.” -</p> -<p>Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij bang. Hij voelde -intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was, dat hij, klein mannetje, met -zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op kon, en er op den duur in onder zou gaan. -</p> -<p>Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te durven en het -leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel anders dan hij droomde. Maar hij -had niet gedurfd. Hij was maar stil en veilig verscholen gebleven in zijne vereering -voor Ellie en voor het lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen -en muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar teeder -en fluweelig was om áán te voelen. -</p> -<p>En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe Ellie ineens was -veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die zenuwachtigheid, die het angeliek -kalme van haar kind-gezicht verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat -hij niet kende, en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor -hem, wat <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar een andere Ellie had <span class="corr" id="xd31e1506" title="Bron: geopenbard">geopenbaard</span>, dat verre, mysterieuze wezen in haar, dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, -en waarvoor hij al ééns was bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken -over verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet verwant was, -keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen, ongekenden glans hadden, als -zij sprak over Maurice, of als zij met hem samen was.—Het deed hem aan, met een zacht -medelijden, en tegelijk een vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, -die haar rustige schoonheid zou verwoesten. -</p> -<p>Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende, vèr buiten -de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar verbond? <span class="corr" id="xd31e1511" title="Bron: Wat">Was</span> het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die kalmte en engelachtige rust -van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad, en had er achter dat blank-maagdelijke, -lelieë-sneeuwen van haar meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat -nú wel eens blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was, zag -gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste? -</p> -<p>En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>bijna alles van de tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie -naar Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere liefde, dat -het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte lelie-weiden van haar maagdelijke -ziel, maar plotseling was uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch -zij zelve in haar vermoedden. -</p> -<p>Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele natuur zoo -bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een blijvend deel van haar -beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan toch voor geheimzinnigs in haar kunnen -gebeuren, dat zij inééns, in een paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige -meisjesleventje aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig -wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene pretje naar het -andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders dan dien éénen kant was blijven -neigen, waar zijn vroeger haar geheel vreemde leven was? -</p> -<p>Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje opeens in -dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig wiekjesgeklep, en waar zij straks -jammerlijk in zou vergaan? -</p> -<p>Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>zulke zwarte oogen, zulke dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe -stem, zoo heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een groote, -donkere, dreigende schaduw.… -</p> -<p>En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo fijn en blank -gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe onschuld-oogen, en het klare -sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje zoo teer!.… -</p> -<p>Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere, het blanke met -het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het sombere van den duisteren nacht.… -</p> -<p>Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt worden als -zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij angstig, o! droeviglijk zal zij -gehavend worden in het harde, groote Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid -en vrede, als een arm vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige boudoir-middagjes werden niet -meer gehouden, want meestal kwam Ellie pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. -Ook wandelde hij weinig meer <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet als derde wilde -opdringen. -</p> -<p>Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs terugkwam, -was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder schokken. Hij wist zich -nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij wist dat het geluk was voor de sterken -en grooten. Hij voelde, wat Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. -En de hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig mannetje, met -zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie gelukkig was? En als Mombreuil haar -geluk was, dan zou hij hem respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten -vriend. Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie maar -gelukkig bleef. -</p> -<p>Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij was het éénige -liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo klein en eenzaam voelde. -</p> -<p>Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar boudoir en -ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog iets van haar bij hem -was. Er was iets van haar <span class="corr" id="xd31e1539" title="Bron: teere">teêre</span> ziel in al die broze, fijne, zachte meisjesdingen <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>om hem heen. Jim, zijn terrier, liep onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek -nu en dan vragend naar hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken -van het hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen kreeg. -</p> -<p>Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden, met een gevoel -van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij haar behoorde, en hij niets -meer in haar huis te maken had. -</p> -<p>Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor niets was. -</p> -<p>En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk weer eens één -vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met haar samenzijn.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam. -</p> -<p>Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in Helène Swarth’s -gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat aan zijne voeten. -</p> -<p>Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen neêrgedaald. De hooge -boomen aan den overkant van de Koninginnegracht, over het weiland, gloeiden al van -donker stervensgoud, en er was ik weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>door die stille boomen, die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De -koeien in de weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het -gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren, in treurig -langzamen val. -</p> -<p>Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld van mooi dat -gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om nooit weer terug te komen. -Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de -natuur, en het was of hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit -de zomer heen ging sterven. -</p> -<p>Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat een troost -ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem genegen! -</p> -<p>Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel niet blij. -</p> -<p>„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te wachten, al kom -ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn hart eens aan je te luchten.” -</p> -<p>Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en kwam vlak -naast zijn <span class="corr" id="xd31e1563" title="Bron: fanteuil">fauteuil</span> zitten op een pouf. -<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p> -<p>„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den herfst, die al -in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar ik voel me niets prettig -vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim, en nu heb ik behoefte om bij je te zijn -en met je te praten. Je kent me zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.” -</p> -<p>„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat is toch niet -alleen.…” -</p> -<p>„—Dat is het juist, Pim.… dat is het vreeselijke voor me, ik voel me bij hem wel eens -alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook van me, dat weet ik wel. Maar -soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar ik voél het—is het of ik heel alleen ben -als ik tegen hem praat, of hij niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het -is zoo vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een vreemde -is.… En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer zonder hem.… maar.… soms is -het of hij het toch niet is, of hij niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.… Zoo -vreemd, Pim, zoo vreemd.… En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. -Ik ben altijd onrustig als hij er niet is.… Pim, het is net of ik de oude Ellie niet -meer ben.…” En ineens, als een vogeltje dat bang <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>en heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder. -</p> -<p>Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo heelemaal -een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen, niet begrijpend, en hulpeloos. -</p> -<p>„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.… niet huilen.… een flinke meid zijn, -hoor, en niet zoo toegeven.… Kom jij maar bij je ouden, trouwen Pim, hoor, die je -wel zal helpen.… en vertel me nu maar eens alles, maar kalm hoor.…” -</p> -<p>En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze eindelijk, eindelijk -weer bij haar broer troost zocht, als vroeger. -</p> -<p>„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet heelemaal.… -ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in den laatsten tijd pas gekomen.… -Maar ik ben zoo onrustig.… Als hij er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat -verlangen.… Het is of er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd -maar vooruit, naar hém toe.… Soms hoor ik mijn hart bonzen.… En tóch ben ik bang voor -hem, echt bang.… Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn zware, zwarte wenkbrauwen, en -zijn zwarte knevel.… Als hij zijn arm om me heen slaat, en mij zoent, dan beef <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>ik, Pim.… en toch ben ik blij ook, en vind ik het prettig.… Als hij weg is, voel ik -of hij iets van mij meegenomen heeft.… Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij heeft iets -van me weggenomen.… En.… het is zoo moeielijk om te zeggen, zoo héél vreemd … tegelijk -is het, of er iets van hém in mij is gekomen.… iets, wat er vroeger niet was, Pim, -iets heel vreemds in me, dat niet meer weg wil.… en me zoo onrustig maakt.… en van -mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.… ik ben de oude Ellie niet -meer.… er is iets wèg in me, iets weg.… en daarom heb ik nu geen rust meer, en voel -ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet meer als anders.…” -</p> -<p>Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar troostend op -haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr. -</p> -<p>„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan? Zooals met jou. -Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal alles vertellen, zoo als echte -kameraden samen óp deelen alles, zoo kan ik maar niet met hem zijn. Het is altijd -onrustig, en ik ben altijd een beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft -nog nooit iets gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me -alles zegt wat <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet. Hij is ook eigenlijk veel -te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? -Want al zeggen ze dat ik er wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat -weet ik wel.… Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.… wáárom houd ik toch eigenlijk van -hem? wáárom?.… soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of er nog een ándere -Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op hem is, dol.… maar of de oude -Ellie van vroeger doodgaat, heel langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, -of hij die heeft doodgemaakt eigenlijk.… en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal -niet verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt van haar -oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme dingetjes, die houdt alleen -van pa, en van jou, goeie, beste Pim,.… maar dan komt die andere, en die heeft geen -rust meer, die wil ál maar vooruit, naar hém toe, naar hém.… en daar ben ik zoo moê -van, Pim, en ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor.…” -</p> -<p>Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar hoofdje schokte -zenuwachtig op zijn schouder. -</p> -<p>Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>Hij voelde, dat troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, -als ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan, dacht hij. -Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie zoo heftig beroerde. -</p> -<p>Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven moet, zoodra -een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en vrede. De ziel van het Meisje -schreide in haar uit, die ziel van niets dan teederheid en lichten droom, die bang -was voor het groote Leven buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, -waarin zij branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van moeder-zijn, -waartoe zij is gewijd. -</p> -<p>En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige vlindernatuurtje wel sterk -genoeg was voor het groote vuur, of het niet véél te teer en te ijl was en of zij -niet angstig, met droef gehavende wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking -met iets dat harder was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven.… -</p> -<p>Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen hem aanleunde, -en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht. -</p> -<p>Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat zachte tapijt, -die porseleinen <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>vaasjes en pullen, al die satijnen strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige -bloemen, hoe behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar verschijning. -Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n voorzichtig, als een exquis „<span lang="fr">objet d’art</span>” opgekweekt dame-meisje toch voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, -en waar ze opééns, genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk! -</p> -<p>Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door: -</p> -<p>„Het kán niet meer Pim.… maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat hij me dit heeft -aangedaan.… soms wou ik dat ik maar weer het oude vlindertje was, dat in alles zoo’n -pret had en toch altijd rustig was, zonder dat angstige voortjagen van binnen.… zou -dat altijd zoo blijven?.… En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.… de -blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor onze voeten.… -die waren dood.… vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu dacht ik er ineens om, hoe nu -die heele, mooie zomer doodging, waar ik mijn nieuw geluk in heb gekregen.… en toen -was het ineens of er iets wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer -terug zou komen.… Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes.… het had -altijd zoo moeten blijven.…” -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -<p>Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en probeerde zich weer -goed te houden. -</p> -<p>„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad … die wordt nu verwaarloosd -voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons vroolijke leventje is gekomen … -En Jimmy, arme lieveling, die wacht op zijn koekje … gauw hoor, hier is het karafje, -ziezoo.… en nu de glaasjes.… alstjeblieft meneer.… wees maar niet boos dat je dwaze, -verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje zenuwachtig.… Maar ze meent -het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal altijd Pim blijven, en als ik eens lekker -wil uithuilen mag ik toch altijd weer bij je komen, hè?.…” -</p> -<p>Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of hij toch eigenlijk -niets verloren had, of het beste en innigste van Ellie toch nog altijd van hém was -gebleven, en er iets in haar voor hém was, dat haar man misschien nooit krijgen zou. -</p> -<p>Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van het reinste -in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en moeder, en dat niemand hem -ooit af kon nemen.… -</p> -<p>„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim blijven, aan -mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net als vroeger.” -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<p>„—Heusch, Pim, heusch altijd?” -</p> -<p>„—Altijd, Ellie, geloof me.” -</p> -<p>„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn … want ik ben weleens bang, zei ik je daarnet -al … ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet ik niet. En ik kán nu eenmaal -niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik ben er nu eenmaal niet voor gemaakt … Ik -ben immers het Vlindertje maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het -Vlindertje.…” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch18.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XVIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was een zware slag geweest voor van Taats, toen de oude Mombreuil om Ellie’s hand -was komen vragen voor zijn neef. -</p> -<p>Hij was er in ’t geheel niet op voorbereid, en nooit had hij ernstig gedacht om de -mogelijkheid, dat hij ooit Ellie zou kunnen verliezen. Zij was het éénige, dat nog -heilig voor hem was in het leven, het éénige klare, reine licht in zijn duister. Als -zij van hem wegging was er niets meer voor hem dan de misère, zonder er ooit weer -uit weg te kunnen, en dan moê uit te rusten in een goed, warm thuis. <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>Zonder háár zou hij zich ook thuis niet meer veilig voelen, en er zou niets meer voor -hem over zijn dan zijn eigen ellende. -</p> -<p>En tóch had hij niet allereerst om zich zelf gedacht, maar alleen om háár. Hij dacht -er geen oogenblik aan, haar aan zijn eigen geluk op te offeren, of met unfaire middelen -haar liefde in den weg te staan. En hij had den ouden Mombreuil geantwoord, dat hij -alles aan Ellie zou overlaten. Hield zij van Maurice, dan vond hij het huwelijk goed, -hield zij niet van hem, dan kon er ook geen sprake van zijn. Toen hij dit zeide, had -hij niet vermoed, dat Ellie werkelijk van Mombreuil kon houden. Hij beschouwde haar -nog altijd meer als een kind dan als een vrouw, nog zoo ver buiten het eigenlijke -Leven, iets aparts en bizonders in haar ranke teederheid, waarbij het denkbeeld van -trouwen immers véél te hard en te reëel leek. En hij was erg tevreden over de diplomatieke -manier, waarop hij den ouden Mombreuil weer had weggekregen. -</p> -<p>Groot was dan ook zijn verwondering, en pijnlijk zijn schrik, toen Ellie hem dadelijk -bekende, dat zij van Maurice hield, en hem snikkend om den hals was gevallen en hem -smeekte, haar lief, goed, oud vadertje, om haar toch gelukkig te maken, want dat ze -anders zeker zou sterven van verdriet. Maar <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>hij had zich goed gehouden en dapper zijn noodlot aanvaard. Tegenover háár, zijn eenige -liefs op aarde, wilde hij onbaatzuchtig en eerlijk blijven. Hij wist dat het een genadeslag -voor hem was, maar Ellie’s geluk ging vóór, en hij gaf zijn toestemming tot de verloving. -Hij had ook met véél respect Maurice’s loopbaan in Indië gevolgd, en dacht niet anders, -of hij was als een serieus, degelijk man teruggekeerd, die zijn vroeger leven door -edele daden voor goed had uitgewischt. Met de betrekking, die voor hem open was en -het groote fortuin, dat hij later van den minister zou erven, was hij in alle opzichten -een uitstekende partij voor Ellie, die als de vrouw van een Mombreuil in de hoogste -kringen van den Haag zou worden ontvangen. -</p> -<p>En zoo had van Taats zich gewillig overgegeven aan zijn naderend noodlot, bereid tot -alles, als Ellie maar gelukkig werd. Hij voelde, dat hij, als hij haar niet meer had, -nu ook al dieper en dieper zou zinken in zijne ontaarding, en zich voor altijd zou -overgeven aan de misère van zijn verloren leven. -</p> -<p>Hij probeerde het zoo goed mogelijk te verbergen, om Ellie toch vooral geen pijn te -doen, en was altijd hartelijk en vriendelijk tegen Maurice, tegen wien hij in zijn -hart vijandig voelde, omdat <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>die hem zou afnemen zijn kind, het éénige licht in zijn leven van donkere zonden. -Zoo weinig kende hij van het ware wezen der liefde, dat hij ook huiverde bij het idee, -dat Ellie was gaan houden van een man, en het hem was, of zij er minder om was geworden, -en alsof zij iets verloren had van haar maagdelijkheid, die nu niet meer zoo rein -voor hem scheen als vroeger. Hij had, onbewust, eigenlijk altijd gehoopt dat zij altijd -hetzelfde, onbezorgde meisje zou blijven, veilig buiten het groote Leven, in een aparte -sfeer van blanke reinheid, ver boven hartstocht, als een blij, kalm kind van God, -in wit gewaad van onschuld. Maar nu zij lief had, en hij haar de oogen had zien sluiten -van geluk onder den kus van een man, was het hem, of zij uit die teêre sfeer was neergedaald -in de harde realiteit van het Leven, en zij niet meer dát voor hem zijn kon, wat zij -ééns geweest was. Dat het van háár iets absoluut reins en heiligs zijn kon, was te -ver boven zijn begrip van cynischen viveur, die nooit de ware liefde had vermoed, -maar enkel het gemeene kende van den hartstocht in het menschelijke beest. En elken -keer, dat hij haar met Mombreuil samen zag, was het hem, of er iets van zijn kind -wegging, of het mooie in haar van hem werd afgenomen, en zij langzamerhand dichter -en dichter <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>daalde naar laagten van de realiteit, waarin hij leefde. Het deed hem pijn, alsof -hij haar zag naderen tot een gevaar, zonder dat hij ook maar een woord kon zeggen, -om haar te waarschuwen voor wat haar wachtte. -</p> -<p>In de ziekelijke degeneratie van zijn verbeelding, die hem geen vrouw kon doen zien -zonder perverse bijgedachten, had hij, in een ander uiterste, zijn kind in een onbestaanbare -sfeer van bovenmenschelijke heiligheid gedacht, maar wat tusschen die twee uitersten -van laagste verdorvenheid en opperste goddelijkheid lag, kende hij niet. En door Ellie -elken dag samen te zien met een man, een man, die haar weg zou nemen uit zijn huis -en tot zijn vrouw zou maken, als zooveel mannen doen met meisjes, werd het engelachtig -beeld, dat hij van haar had, al meer en meer verduisterd, en verloor hij het éénige -in zijn leven, waar hij met reine oogen naar kon zien, en waarvoor zijn vuile, duistere -gedachten angstig wégscholen, als wilde dieren voor een heilig vuur. Toen zocht hij -het verdriet hierover te vergeten in een’ láátsten roes van ontaard zingenot. Hij -was juist erg moê geweest de laatste maanden, en was véél thuis gebleven, of uitgegaan -met Ellie mede, als een goed vader, respectabel en fatsoenlijk. Maar nu barstte het -beest in hem weêr los, en hij <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>brak weêr uit, in een serie van duistere gangen, heimelijk als een dief. Het kwam -er nu niet meer zoo erg op aan, vond hij. Hij zou nu toch heel gauw alleen zijn, en -niets anders meer hebben. Het éénige licht van reine goedheid in zijn leven was niet -meer voor hém. En ook zij, dacht hij, zijn blanke kind van onschuld, zij zou uit de -sfeer van rustige zielevrede vallen in het vuur van hartstocht, dat hem verteerd had, -zijn geheele, onzalige leven lang. -</p> -<p>En het blonde Antje, die hem héélemaal kende, en precies wist, wat hij van haar wilde, -zag hem weer avonden achtereen bij haar. -</p> -<p>Totdat het fatale gebeurde, onverbiddelijk en onverwacht. -</p> -<p>Van Taats, een bezoek voorwendende aan een oom in Utrecht, was een nacht bij Antje -gebleven. Hij was laat opgestaan, en had het zich gemakkelijk gemaakt, had fijn bij -haar geluncht, met champagne, en was een sigaar blijven rooken, tot drie uur. Daarna -voelde hij zich weer behagelijk genoeg om in zijn pose van achtenswaardig, bezadigd -oud heer wat te flaneeren door de stad. Toen hij de trap afging hoorde hij schellen. -Erg onaangenaam, als ze je op zoo’n bekend adres uit de deur zagen komen, op den Fluweelen -Burgwal. Maar aan den anderen kant, wie zou hier loopen, die hem kende? Misschien -<span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>was het een slager of een bakker, of zoo iets. En hij liep gerust door, en deed de -deur open om haastig naar den anderen kant van de straat te gaan. -</p> -<p>Vóór den drempel stond Mombreuil. -</p> -<p>Beiden schrikten. Zij zagen elkander éven met bevreemding, ietwat droevig, aan. Zij -begrepen onmiddellijk de ontzettende portée van wat gebeuren zou als zij elkaar herkenden. -De vader van Ellie, de verloofde van Ellie, beiden de gunsten betalend van ééne veile -deerne.… Ze dachten allebei, tegelijk en alleen om háár. Het kón niet, het mocht niet, -wat hier nu voorviel. Het lag niet in de natuurlijke orde der dingen. Het zou haar -dood zijn. Dit gruwzame feit moest genegeerd worden, wèg uit de realiteit, en het -was eenvoudig nooit gebeurd, en kón ook nooit gebeurd zijn.… -</p> -<p>En beiden beseften zij dat er maar één weg was. Zij zwegen en kenden elkaar niet, -evenmin als vreemden. Mombreuil week even wat ter zijde om van Taats door te laten, -die hem niet aanzag en kalm voortstapte, schijnbaar in gepeinzen. -</p> -<p>Zij hadden elkaar begrepen. -</p> -<p>Zij hadden elkaar niet gezien.… -<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch19.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XIX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het werd nu een treurige tijd voor Pim. Hij had geen plezier meer in het strand, en -zelfs ’s avonds in het Kurhaus kon het mooi van de muziek hem niet meer troosten. -Hij had behoefte aan iets, waar zijn verdriet in weêrklonk, en zijn eigen zielsstemming -in weende. En de muziek van de Berlijners vond hij nu ineens te beschaafd, te geacheveerd, -alsof de uiterste volmaaktheid de smart zelfs in het droevigste Adagio had verweekt. -</p> -<p>Toen vond hij het eindelijk bij de Zigeuners, wat hij zocht. -</p> -<p>Het vorig jaar had hij een Hongaarschen huzarenluitenant ontmoet, Zichy, die hem met -enthoesiasme had gesproken van de muziek der Zigeuners. Hij was toen met hem naar -de Kurhaus-bar geweest en naar het Seinpost-paviljoen, waar Zichy had gevraagd, om -Hongaarsche wijzen te spelen. Maar Pim had het niet zoo bizonder mooi gevonden, en -dat ook eerlijk bekend.— -</p> -<p>„Dan heb je zeker nog nooit een groot verdriet gehad,” had Zichy gezegd. „En zonder -groot verdriet kan je de Hongaarsche muziek niet begrijpen.” -</p> -<p>Pim was het al lang vergeten, maar op een avond, toen hij langs de Kurhaus-bar liep, -dacht hij er ineens <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>aan, en ging binnen. En hij vroeg den kapelmeester of hij eens wat Hongaarsch wilde -spelen. De Zigeuner, altijd even beleefd, liet dadelijk het bordje ophangen met „Hongaarsche -Wijze.” -</p> -<p>Er waren weinig menschen, want het was nog vroeg. Pim ging zitten in een stil hoekje. -</p> -<p>En ineens barstte het los. Hoog uitgeschrei van een viool, als een klagende ziel, -wilde val van cimbaal-klanken als een neêrstroomen van sombere tranen, en het donker -mineur uithuilen van een doodsbedroefde cel, als de laatste wanhoopsjammer van een -van liefde stervend hart. Hoor, daar smeekte het hoog-weenend uit, het liefde-leed -van de biddende viool, dáár vielen de donker-zilveren tranen brandend in de ziel, -uit den zondvloed van ’t ruischende cimbaal, en donkerder en donkerder gromde de wanhoop -door de lang uitgehaalde klachten der sombere violoncel! -</p> -<p>Hoe eindeloos droevig treurde het zielsverdriet in de langzame opneurieïng van het -„Lassen”, met het tranen-droppelen van cimbalen-klanken, hoe staat het trotsch, op -fieren cadans, weer op in het „Czardas” om dan ineens in wilden triomf woest-dansend -uit te barsten in de hoog-opslaande golfrythmen van den onstuimigen „Frisko”! -</p> -<p>Dan is de ziel aan de smart ontstegen, triomfeerend <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>opgerezen boven de vlammen van hartstocht uit, en in een wild opdeinenden roes van -vrijheid danst zij op de trotsche cadanzen van het glorierijk geluk, dat niets haar -meer kan nemen.… -</p> -<p>Toen voelde Pim ineens wat het eigenlijk was, de Hongaarsche muziek. En met gloeiend -hoofd en tranen bevend in zijn oogen liet hij zich met ál zijn verdriet wegduizelen -in die stormen van trots en geluk, die uitjuichten na zoo eindelooze smart. -</p> -<p>En een groote bewondering kwam in hem op voor die Zigeuners. Zeker, het waren héél -ordinaire kerels in het gewone leven. Zichy had het hem verteld, hoe onbetrouwbaar -ze meestal waren, en hoe lui, en hoe weinig ze wisten. Maar hun ziel was één en al -muziek. Als ze maar éven speelden waren ze tot de reinste hoogten van de ziel gestegen, -waar ál ’t weten nooit kan reiken, en alleen ’t intuïtieve voelen komt. En ze kenden -geen noot muziek, omdat dat ook niet noodig was, omdat ze zélve al muziek waren, onbewust.— -</p> -<p>Het spel van die vreemde Zigeuners werd een lieve troost voor Pim, en het éénige, -waar hij groot belang in stelde. Hij praatte veel met den kapelmeester, die hem alles -van hun muziek vertelde. Hij liet zich door hun voorspelen van de mooiste liederen, -„<span lang="hu">Repülj <span class="corr" id="xd31e1678" title="Bron: fieskim">fecském</span></span>”, van het meisje, dat bedroefd is en een zwaluw ziet vliegen; „<span lang="hu">Kék ne felet</span>”, van <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>het blauwe vergeet-mij-nietje, dat groeit op een berg, en het maagdelijn dat vraagt, -of ook zoo’n bloempje moge groeien op haar graf; „<span lang="hu">Sárga cserebogár</span>”, van den minnaar die een gelen kever ziet, en met hem spreekt over zijn beminde, -en zooveel andere heerlijke volkswijzen, waar de ziel in lacht en weent. Elken avond -zat Pim daar zijn eigen verdriet te vergeten in het majestueuze leed dier ruischende -melodieën, maar toch kwam het altijd weêr grooter en grooter terug. En toen begon -hij te begrijpen, wat Zichy hem eens verteld had, hoe Hongaren zelfmoord plegen in -Hongarije. Als zij alles hebben verloren wat hun lief is, en de wanhoop is in hun -hart, gaan zij toch nog éénmaal naar de Zigeuners. Dán laten zij zich nog ééns de -heerlijk-droeve wijzen voorspelen, die zingen wat in hun eigen ziel is, tracteeren -de geliefde spelers op champagne, en loopen dan <span class="corr" id="xd31e1689" title="Bron: wélbewust">wèlbewust</span> naar de blauwe Donau, naar den dood,—dien zij niet vreezen en die altijd als een -vriend met hen praatte, in de muziek—, te trotsch om nog langer door zichzelf en het -leven te lijden, dat zij verachten.— -</p> -<p>Hoe misplaatst en vèr-verloren leken hem nu ineens die Zigeuners in dat leelijke, -wanstaltige hok dat de Kurhaus-bar was, spelend voor dat ongevoelige, koude publiek, -dat hen niet begrijpen kon, <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>wilde natuurmenschen als ze waren. Mopjes, walsjes en polkatjes moesten ze spelen, -nu en dan in het luide lawaai zelfs iets Hongaarsch, waar niemand wat van voelde, -en waar wel eens idioot om werd gelachen.—Hij trachtte den kapelmeester wat op te -vroolijken door hem attenties te bewijzen als in Hongarije, tracteerde hen op <span class="corr" id="xd31e1696" title="Bron: Champagne">champagne</span>, en stuurde met een kellner, netjes op een blaadje, zooals het behoorde, nu en dan -een Hongaarsch bankbiljet, dat hij had gekocht in een wisselkantoor.—Als tegenattentie -speelden zij dan een extra-nummer, iets echt-Hongaarsch, expres voor hém, tusschen -de andere nummers in.—En die heel gewone, slordig uitziende kerels, die daar zaten -te werken voor hun brood als armzalige muzikanten, zij vermoedden heel goed, zoodrá -zij maar speelden en hun ziel muziek was, dat daar iemand zat te luisteren, die een -groot leed had in het leven, om liefde’s wil.—Zij kenden dat maar ál te goed, uit -Hongarije.— -</p> -<p>Pim kwam nu heel weinig meer in ’t Kurhaus, waar hij geen troost kon vinden, en zat -als een trouw bewonderaar om den anderen avond in de Kurhaus-bar of het Seinpost-paviljoen, -om naar de Zigeuners te luisteren. Hoe maakten zij alles ineens heel anders, wat zij -speelden! Een gewoon mopje, een bekende polka, of een wals, kregen een hoog-zwaaiend -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>rythme, dat hij er vroeger nooit in gevoeld had. En in de vroolijkste wijzen kwam -ineens iets vreemds, iets bijna mineurs, of door ál de blijheid heen toch nog even -vage tranen weenden van liefde-leed. -</p> -<p>En dáár, juist in zijn veilig toevluchtsoord, waar hij zijn láátsten troost vond, -gebeurde het vreeselijke, dat hem een nieuwe pijn aandeed, die het oude lijden nog -wreeder maakte. -</p> -<p>Het was laat, bij éénen, en de kellners begonnen al op te ruimen in het paviljoen -van de Seinpost, waar hij, dicht bij het orchest, tot het laatste te luisteren zat. -</p> -<p>Toen zag hij in de half leêge zaal een wèlbekende, hooge gestalte binnenkomen. -</p> -<p>Hij schrikte op. -</p> -<p>Het was Mombreuil. Zijn donkere gezicht was een beetje rood, alsof hij opgewonden -was van wat veel drinken, en zijn gang was onzeker, met een lichten zwaai. Hij had -een cocotte aan zijn arm, in een opzichtige, vuurroode blouse, en met een brutalen, -breedgeranden hoed op. -</p> -<p>Zij bleven even staan, als besluiteloos wat te doen, en zagen de zaal rond. -</p> -<p>Mombreuil keek op zijn horloge, zag dat het laat was, en zei iets tegen de vrouw aan -zijn arm, die hard en lachend antwoordde. -<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p> -<p>Toen gingen ze beiden de zaal weer uit. -</p> -<p>Pim voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen van schrik en verontwaardiging, en hoorde -het zich ineens hardop zeggen: -</p> -<p>„De ellendeling!.… Hoe durft-ie.… de laffe ellendeling!.…” -</p> -<hr class="tb line"><p> -</p> -<p>Den volgenden middag om twee uur gaf hij zijn kaartje af bij Mombreuil en werd dadelijk -binnengelaten. -</p> -<p>Het was een ongezellige huurkamer, met laag plafond, waar Maurice’s hooge gestalte -nog grooter in deed dan anders. -</p> -<p>Toen Pim binnenkwam, ging Maurice hem vriendschappelijk tegemoet. -</p> -<p>„—Zóó, ben je daar eens, kerel, dat vind ik een aardig idee van je, om me eens op -te zoeken. Ga zitten.… ga zitten.…” -</p> -<p>Maar Pim nam de hand niet aan, die hij hem toestak. -</p> -<p>„—Ik kom hier niet om je zoo maar eens op te zoeken,” zeide hij. „Ik kom met je spreken, -over iets ernstigs, in ’t belang van Ellie.… anders was ik hier nooit gekomen.” -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -<p>Maurice kon het niet helpen, dat hij glimlachte. Het klonk zoo raar, Pim op dien toon -te hooren spreken, en over iets ernstigs nog wel. Met dat minachtende, en toch welwillende -medelijden, dat groote, sterke menschen altijd voor kleinen en zwakken hebben, had -hij van Wedell altijd meer beschouwd als een arm stumperdje, tegen wien je maar lief -en hartelijk moet zijn, dan als een man. Hij savoureerde zijn elegante dandy-achtigheid, -zijn koketterie met meisjes, en zijn zachte vrouwelijkheid, en had hem nooit erg au -sérieux genomen. Alleen omdat ze elkaar zoo veel zagen bij van Taats, waren ze elkaar -gaan tutoyeeren, zonder daarom intiem te worden. -</p> -<p>„—Zoo zoo,” zei Maurice, met een lichten spot, dien hij niet geheel kon verbergen, -„iets ernstigs? Daar ben ik benieuwd naar. Ik zal er bij gaan zitten en ik luister, -hoor!” -</p> -<p>Pim was niet gaan zitten. Het was hem, of hij dan nog kleiner zou schijnen. En hij -had weêr dat hinderlijke, nerveuze gevoel van kleinheid, tegenover dien zooveel grooteren, -zwaren man. Maar zijne verontwaardiging hielp hem over zijn zenuwachtige verlegenheid -heen. -</p> -<p>„—Mombreuil,” begon hij resoluut. „Ik kom je zeggen, dat ik je gisteren avond in het -Seinpost-paviljoen gezien heb. Je was met een meid. Met een <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>gemeene meid was je. En je bent de verloofde van Ellie. Ik zeg je er bij, dat ik dit -een gemeenen streek van je vind. Je hebt daar het recht niet toe, zoolang je met haar -geëngageerd bent. En ik kom het je verbieden.” -</p> -<p>Mombreuil kon een oogenblik niet spreken van verbazing. Was dát Pim? Was dat kleine -Pim, het meisjesachtige kereltje, het miniatuur-huzaartje? Hoe uitdagend keek hij -hém, den groote, aan! En hij wilde hem blijkbaar de les lezen ook. Dat werd toch wèl -een beetje ál te bar! Hij kon nog niet eens dadelijk boos worden. Het was ál te dol! -</p> -<p>„—Zoo,” spotte hij terug. „Heb je me gezien? En met een meid nogwel! Nu, dat gaat -joú dan toch niet aan, hè? En ik behoef joú toch in elk geval geen rekenschap te geven -van mijn daden!” -</p> -<p>„—Wat je doet gaat me ook niet aan. Dat weet ik heel goed. Maar door met een meid -te loopen beleedig je Ellie. En dan gaat het me wèl aan. Ik verzoek je niet zoo spottend -te kijken. Je moet goed begrijpen wat ik hier doen kom. Ik kom je verbieden Ellie -te beleedigen. En als je niet naar mij luisteren wilt zal ik genoodzaakt zijn om je -te dwingen. Wij staan hier tegenover elkaar als mannen van eer, als officieren zoo -je wilt, ofschoon dát er hier weinig toe doet. Ik vind dat je een gemeenen <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>streek hebt gedaan tegenover Ellie. Ja, een lafheid zelfs, een laffe, gemeene daad.” -</p> -<p>Nu begon Maurice te begrijpen. Hij voelde zijn drift opkomen, en kreeg een opwelling, -dat nietige, kleine ventje daar vóór hem neêr te slaan, met één slag van zijn groote -hand. Maar hij hield zich nog in, bang voor de gevolgen, en de ruchtbaarheid, waardoor -zijn oom het zou hooren. -</p> -<p>„—Dus je komt mij beleedigen?” vroeg hij, ongeduldig. „Je komt mij dwingen om met -je te vechten misschien?” -</p> -<p>„—Neen, dáár kom ik niet voor. Maar als het er op uitloopt kan ik het niet helpen. -Ik kom alleen op voor Ellie.” -</p> -<p>„—En met welk recht, alstublieft?” -</p> -<p>„—Met het recht van een broer!” -</p> -<p>„—Van een broer! Puuh! je weet heel goed, dat je in ’t geheel niets van haar bent.… -je hebt een anderen vader en een andere moeder … wat wil je dan praten van broer?” -</p> -<p>„Broer of géén broer, dat doét er niet toe. In elk geval is zij mij dierbaar, en kan -ik het niet aanzien, dat zij wordt beleedigd. Je ontkent het niet. Je bent met een -meid uitgeweest, een gemeene meid van de straat, die iedereen kan hebben, als hij -maar geld heeft. En dat is een lage, gemeene streek. Vat <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>het op zooals je wilt, het kan mij niet schelen. Maar ik zal het niet langer dulden. -Dat verzéker ik je. De man worden van Ellie!… en tegelijk uitgaan met zoo’n meid! -Hoe kon je ooit zóó iets doen!” -</p> -<p>Hij kon zich niet meer inhouden, en de tranen van leed en verontwaardiging sprongen -in zijn oogen. -</p> -<p>„Hoe kon je het doen, Maurice! Heb je dan heelemaal geen gevoel?… voel je er dan de -laagheid niet van? Een meisje als Ellie!… Een lief, goed kind van onschuld, dat nooit -anders heeft gezien dan het mooie van ’t leven.… ik ken haar langer dan jij … ik ken -haar hééle hart … en het is niets dan reinheid, dan blanke, engelachtige reinheid … -elke gedachte van vuilheid moet daar vèr van blijven.… hoe heb je ooit bij haar kunnen -zijn met een slechte gedachte in je ziel?… ben je dan nooit geschrokken van haar witte -kleed?… heb je dan nooit gehuiverd als je haar aanraakte, en ben je dan nooit bang -geweest, dat je iets besmetten zou?… heb je dan nooit God op je bloote knieën gedankt, -dat zoo’n kind van je is gaan houden?… hoe dúrfde je, hoe dúrfde je … nooit, nooit -heeft ze het slechte gekend, ik wéét het van lange jaren, altijd is ze vèr gebleven -van wat duister en gemeen was … ik ben altijd zoo bang geweest, zoo héél, héél bang, -dat ze het ééns zien zou, zoo ongenadig, inééns <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>al het vuile van de wereld voor haar reine, blauwe kinderoogen … en ze heeft het nooit -gezien, Goddank, ofschoon het vlàk bij haar was … je weet, Mombreuil, haar vader … -ik heb er niet over willen spreken, maar natuurlijk wéét je het, iedereen wéét het -in den Haag, al zal niemand het hardop zeggen … nooit heeft ze het geweten … altijd -heeft ze, als een blank, onschuldig wezentje vlak naast het vuile en slechte geleefd, -en is zelf rein gebleven, en heeft niets geweten … somtijds, als ik met haar in de -stad liep, en ik zag al het gemeene overal, dat haar bijna ráákte, dan was ik zoo -bang, zoo bang … en nu zou jij het vuile in haar leven brengen, Maurice, jij, die -ze liefheeft, jij, die ze gekust heeft met haar reine lippen, waarvoor je God eeuwig -dankbaar zou moeten zijn!… hoe kún je dat doen, hoe kun je dat doen?…” -</p> -<p>Maurice was opgestaan. Hij was heel bleek, hij beefde, en bracht de hand aan zijn -hoofd, of hij pijn had. Hij voelde de drift in hem weg deinzen voor een groot verdriet. -Wat Pim daar zeide had hij zélf al heel dikwijls in zich hooren spreken, in bange -uren, als hij alleen was. En het was of zijn eigen geweten het hem toeschreeuwde uit -Pims woorden: -</p> -<p>„Ze zeggen dat je een held bent, Mombreuil. Ik heb het óók altijd geloofd, en ik heb -je bewonderd <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>telkens als ik van je hoorde, hoe je hebt gevochten in den oorlog. Maar als je nu -werkelijk een held wilt blijven, doe dan niet laf tegen een arm, zwak meisje, dat -van je houdt. Trap dan geen zielig, broos vogeltje dood, scheur dan geen teêr, fijn -vlindertje uit elkaar. Jij, die zoo’n groote, sterke kerel bent, breek niet dat kleine, -weêrlooze zusje van me dood in je ruwe vuisten. Ik wil met je vechten om alles wat -ik je nu zeg. En ik hoop dat je me dood zult steken, want van joú houdt ze, en ik -wil niet iemand dooden dien zíj liefheeft. Ik ben toch nergens goed voor in de wereld, -en niemand verliest wat als ik dood ga. Als je duelleeren wilt stuur me dan morgen -maar dadelijk je getuigen. Maar dénk om wat ik je gezegd heb. Je bent een lafaard -als je zoo langer doorgaat. Als je niet zonder die meiden kunt, blijf dan wég van -Ellie, en geef haar direct haar woord terug, al zou ze er misschien van sterven. Liever -dan haar te besmetten met het vuil van de vuile wereld. Of geef me je woord van eer, -dat het nooit meer gebeuren zal en wordt waard de uitverkorene te wezen, die bij háár -onschuld mag leven.…” -</p> -<p>Pim hield zich al gereed, om den slag af te weren dien hij nu van Mombreuil in drift -verwachtte. -</p> -<p>Maar Maurice was in zijn fauteuil blijven zitten, met een hand onder het hoofd, en -staarde in gedachten <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>voor zich uit. En zonder zijn tegenstander aan te zien zei hij heel zacht, als kwam -het uit verre onbewustheden van zijn ziel, die nu voor ’t eerst durfden spreken: -</p> -<p>„—Eigenlijk heb je gelijk, Pim. Er kan hier geen kwestie zijn van vechten, want je -komt op voor wat recht is. Ik weet heel goed, dat ik geen kerel ben voor een meisje -als Ellie. Toch was het niet zoo gemeen van me als je wel denkt, om met die meid uit -te gaan. Ik kan nu eenmaal niet anders, Pim, ik bén nu eenmaal zoo. Je praat daar -van reinheid, en onschuld, en maagdelijkheid, en al die dingen, maar eigenlijk weet -ik tóch niet wat je daar meê bedoelt. Ik weet alleen dat het dingen zijn waar ik niet -bij kan. Je vraag me of ik nooit bang geweest ben, als ik bij Ellie was. Welnu ja, -ik bén bang geweest. Er is iets aan haar, wat weet ik niet, waar ik mij niet op mijn -gemak bij voel. Het is of ik weet, dat ik daarvan áf moet blijven, of ik het niet -waard ben. Dat zal dan zeker zijn wat jij bedoelt. En ik ben al te oud en te ver heen -om het nog waard te worden, dat weet ik óók wel. Al die dingen die jij daar zegt, -Pim, heb ik al zoo dikwijls in mezelf hooren zeggen, maar ik heb er niet naar willen -luisteren. En nu het zoo inééns van een ander naar me toekomt, moét ik wel. Als dat -niet zoo was, ik zou op je aangevlogen zijn, ik zou niet gerust hebben <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>voor ik je vernietigd had, als een hond. Maar nú kan ik dat niet meer, want ik voel -dat je gelijk hebt. Ik bén geen vent voor Ellie. Ik zou haar ongelukkig maken. Ik -zou het tóch niet kunnen laten, om naar andere vrouwen te loopen, en ik kan tóch niet -genoeg hebben aan ééne. Zoo bén ik nu eenmaal.” -</p> -<p>„—Maar waarom ben je ’t dan begonnen?” vroeg Pim ongenadig, „dat wist je toch van -te voren óók!” -</p> -<p>„—Omdat ik wel moést, Pim. Oom Mombreuil wilde dat ik trouwde. Je weet wel dat hij -het geld heeft en ik heelemaal van hem afhang. Toen heeft mijn zusje Wies Ellie uitgekozen. -En het kon me eigenlijk weinig schelen wie het was, als ik toch moest trouwen. Ik -dacht dat Ellie was als zoovéél Haagsche meisjes, die blij zijn als ze een man krijgen -met een titel, en fortuin te wachten. Ik wist niet dat ze zoo’n teêr poppetje was, -zoo’n kind nog.” -</p> -<p>Pim schrikte van de oprechtheid, zonder schaamte, waarmeê Mombreuil die dingen opbiechtte -als doodgewoon, die voor hèm zoo laag en gemeen waren. -</p> -<p>„—Dus je houdt niet van Ellie?” vroeg hij. -</p> -<p>„—Niet wat jij, geloof ik, houden noemt, op je poëtische manier. Ik vind haar een -lief, goed kind, en als zoodanig houd ik van haar. Maar ik heb haar niet lief, zooals -in een boek, als je dat bedoelt. Ik zou het zonder haar ook wel uithouden.” -<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p> -<p>Mombreuil verwonderde zich, dat hij alles zoo eerlijk aan dien kleinen Pim vertelde, -die toch geen recht had, hem rekenschap te vragen. Maar hij voelde tegelijk dat hij -eigenlijk niet eens tegen Pim sprak, en veel meer tegen een stem in zichzelf, die -hetzelfde tegen hem zeide als Pim. Het was eigenlijk eene afrekening, die hij hield -met zichzelf. Zoolang hij Ellie’s verloofde was, had die stem al in hem gesproken, -eerst even fluisterend, toen al luider en luider tot hij haar eindelijk aldoor in -zich hoorde, geheele dagen lang. Het was zijn beter ik, nog niet heelemaal verdoofd -in een wild leven van harde dingen, dat hem had gewaarschuwd, geen daad van laagheid -te doen. -</p> -<p>En hij kon niet driftig meer op hem worden, véél te goed wetend, dat hij gelijk had, -toen Pim uitriep: -</p> -<p>„—Dan moet er ook een eind aan komen, Mombreuil. Als je niet van haar houdt mág je -haar niet trouwen. Je moogt een meisje als Ellie niet opofferen aan geld, dat zou -een groote laagheid zijn. O! Als je werkelijk een held bent, toon het dan! Zeg eerlijk -aan je oom, waar het op staat, al zou hij je geen cent meer geven! Je bent toch groot -en sterk, en kunt toch nog werken! Een man van eer vermoordt toch zóó maar geen meisjesziel -uit grof égoïsme, om dat vuile geld.” -<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p> -<p>Hij zag aan Mombreuils somber gezicht, dat het een harde strijd in hem was van eergevoel -en egoïsme. -</p> -<p>„—Maar als ik nu Ellie bedank,” vroeg Maurice. „Wat dan? Zal ik haar dan geen pijn -doen? Zal ze daar geen erg verdriet van hebben? Want van míj houdt ze, dat weet ik -zeker. Mag ik haar die pijn aandoen?” -</p> -<p>„En dacht je dan, dat je haar niet véél meer pijn zou doen als je haar trouwde?” antwoordde -Pim waarschuwend. „Dán zou je haar voor haar geheele leven lang pijn doen, en van -je huwelijk ééne lange groote misère voor haar maken. Dan is het toch in elk geval -beter als ze nu ééns wat lijdt.—Ik laat het nu aan jezelf over, wat je doen zult. -Maar ik heb gezegd waar het op staat. Het liefste wou ik dat jezelf beloven kon een -goede man voor haar te worden, en haar nooit meer te bedriegen, en dat je van haar -kon houden zooals zij van jou. O! Mombreuil ik wou dat je dat kon, want dan zou zij -gelukkig zijn! En het is toch zoo gemakkelijk, dunkt me.…” -</p> -<p>Inééns ging Mombreuil een licht op. Dat hij dáár niet aan had gedacht! -</p> -<p>„—Hoe weet je dat?” vroeg hij ineens, bruusk. „En waarom maak je eigenlijk zoo’n drukte -over die zaak! Ze is toch in ’t geheel niet je zuster. Zeg, zou jij soms zelf.…” -<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p> -<p>Pim raadde wat hij dacht. Het lag niet in zijn aard om te liegen. Hij keek Mombreuil -recht in ’t gezicht. -</p> -<p>„—Ja, Mombreuil. Ik durf het wel te zeggen. <i>Ik</i> houd van haar, al zal ze het nooit weten.” -</p> -<p>„—En je raadt me daar aan, van haar te houden en een goeden man voor haar te worden!” -</p> -<p>„—Juist omdat ik van haar houd,” zei Pim, heel eenvoudig. „Omdat ik haar gelukkig -wil zien, en ik weet, dat ze nu eenmaal van jou houdt, en niet van mij.” -</p> -<p>Een warm gevoel van sympathie welde in Mombreuil op voor den kleinen, zwakken, die -daar voor hem stond, en maar even tot zijn schouder reikte. En eerlijk zei hij het, -zooals hij het ook voelde. -</p> -<p>„—Ik geloof dat jij de held bent van ons tweeën, Pim, niet ik. Want ik heb maar zoowat -bruut gevochten tegen lui, die toch eigenlijk hun eigen land verdedigden, maar jij -zoudt jezelf heelemaal willen opofferen, om een ander gelukkig te maken.” -</p> -<p>En ineens, voelende wat de laatste weken voor Pim moesten geweest zijn, stak hij hem -de hand toe en zei met oprecht medegevoel: -</p> -<p>„—Wat moet jij den laatsten tijd geleden hebben, kerel. Het spijt mij zoo, geloof -me. Ik heb niet beseft wat ik deed. Maar ik zal het goed maken, ik beloof het je, -ik zal het goed maken.” -<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> -<p>Pim was geen karakter om zoo loyaal aangeboden excuses af te wijzen. Hij legde zijn -blanke, gesoigneerde hand in den grooten, gebruinden knuist van Mombreuil. -</p> -<p>„—Ik dank je, Mombreuil,” antwoordde hij. „Ik vertrouw er op dat je doen zult wat -recht is. Je zult er ernstig over denken, en dan weten, of je voor jezelf Ellie durft -behouden en haar waardig kunt blijven, of haar eerlijk zult zeggen, dat je van haar -moet afzien. Je ziet wel in, dat het zoo niet langer kan duren.” -</p> -<p>En Maurice voelde de sympathie, die in hem was opgekomen al grooter en grooter worden, -hoe meer hij Pim in het eerlijke, open gezicht zag. -</p> -<p>„—Hoe jammer, Pim,” zeide hij treurig. „Hoe jammer, dat alles altijd verkeerd loopt -in de wereld. Waarom houdt ze niet van jou? Waarom nu juist van mij, die het niet -waard ben? Jij bent toch zoo heelemaal aangepast aan haar. Weet je wel, dat jullie -allebei nog iets van kinderen hebt? Ik bedoel hier geen <span class="corr" id="xd31e1810" title="Bron: aardigheid">onaardigheid</span> mee, begrijp me wel. Ik bedoel dat jullie allebei nog zoo heelemaal onbesmet bent -van alles wat vuil is, maar ik, zoo’n oude, grove troupier!.… Ik hoor daar niet bij. -Waarom moest ik nu ineens zoo bruut in jullie mooie, kalme leven komen staan? Misschien -zou ze anders nog wel eens <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>van jou zijn gaan houden. Geloof me, het spijt me kerel, het spijt me zoo.…” -</p> -<p>Pim drukte hem nog eens warm de hand. -</p> -<p>„Ik dank je, Mombreuil. Je kon het niet helpen. Ik ga nu zonder rancune. Ik dank je.” -</p> -<p>En zwijgend ging hij heen, om de tranen te verbergen, die in zijne oogen stonden. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch20.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Van dien noodlottigen middag af dat van Taats en Mombreuil elkaar hadden betrapt, -ontweken zij elkaar zoo veel zij konden. Van Taats trachtte zichzelf wijs te maken, -dat het toch zoo erg niet was van Mombreuil, dat het een noodzakelijke escapade van -hem was, die wel niet meer herhaald zou worden, als hij maar eenmaal getrouwd was. -Mombreuil van zijn kant had al lang geweten van de „louche” avonturen van zijn schoonvader, -die hij trouwens ook niet eens zoo bizonder ordinair vond, vooral omdat hij niet meer -getrouwd, en dus vrij man was. Als echte Hagenaars, en mannen van de wereld, namen -zij die dingen niet zoo serieus op. Zoo was nu eenmaal het leven. De kwestie was maar -alléén dat <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>je zorg droeg, het stiekem te doen, en naar buiten correct het fatsoen te bewaren. -Dan was iedereen in den Haag tevreden. -</p> -<p>En toch kwam er een zekere, hinderlijke gêne tusschen die beide mannen, zoodra zij -samen met Ellie waren. Het was of zij dan allebei voelden, dat zij niet waard waren, -in dezelfde sfeer als zij te ademen, en of zij bang waren van elkaar dat zij met hun -vuil de reinheid van haar maagdelijke onschuld zouden besmetten. En het geheim, dat -zij van elkaar bewaarden, werd dan als een benauwing, die hen beklemde, en die ook -Ellie op zich voelde drukken, als een vaag gevaar, dat zij niet kende, maar toch voorgevoelde, -zonder te weten. Het was haar, of er iets om haar was, dat haar bedreigde, iets, wat -ieder oogenblik op haar àf kon komen, onverwacht, uit een hoek, en dat rondwaarde -in het geheele huis. -</p> -<p>Ééns was het rakelings vlak bij haar geweest, en toch nog weggegaan, zonder dat het -haar bewust werd. -</p> -<p>Mombreuil zat bij haar in de serre een kop thee te drinken, waar de oude heer „het -Vaderland” las. -</p> -<p>Maurice had haar een paar nieuwe glacé handschoenen mede gebracht, waar zij om verlegen -was. -</p> -<p>„Vin je deze niet erg mooi?” vroeg hij. „Ze zijn <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>uit dat nieuwe magazijn van Madame Berthier op den Vijverberg.” -</p> -<p>Sedert een halfjaar was er in een van de groote huizen op den Vijverberg een zaak -opgericht in de allerfijnste soorten handschoenen, die bizonder in trek was bij de -hooge aristocratie en de patricische beau-monde. Zij was met véél chic ingericht, -in een gesloten huis, véél te deftig om een gewonen winkel te schijnen, en een eenvoudig -burgerman zou het niet in zijn hart hebben gekregen, daar binnen te gaan. -</p> -<p>Van Taats keek plotseling op van de courant. -</p> -<p>„—Zijn die handschoenen van Madame Berthier?” vroeg hij, als bang. -</p> -<p>„—Ja, papa, kijk eens hoe mooi!” riep Ellie. „Zijn ze niet beeldig? Maurice heeft -ze voor mij meêgebracht. Ik ga voortaan dáár alleen mijn handschoenen koopen.” -</p> -<p>Haar vader was bleek geworden van schrik. En opeens zeide hij heftig: -</p> -<p>„—Dat moet je niet doen, Ellie. Ik wil niet dat jij daar in dat huis komt. Doe me -een plezier, en beloof me dat je daar nooit zult komen.” -</p> -<p>Ellie begreep er niets van. En weêr voelde zij dat vage gevaar, dat om haar heen hing, -de laatste dagen. -</p> -<p>„—Waarom niet, papa?” -<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p> -<p>Van Taats zag Mombreuil aan. Maar ook Maurice keek verwonderd. Hij scheen dus nog -van niets te weten. Toch vermoedde hij iets, met de fijne „flair,” die hij van zulke -dingen had.… -</p> -<p>„—Dat kan ik je zoo niet zeggen, kind,” zei van Taats, op een zacht-autoritairen, -vaderlijken toon. „Dat zijn geen dingen voor jonge meisjes. Laat het genoeg zijn dat -ik niet wil, dat je daar komt.” -</p> -<p>En zij, gedwee, als een gehoorzame dochter: -</p> -<p>„—O! Dat is natuurlijk genoeg. Ik beloof u, ik zal er heusch niet komen, als u ’t -liever niet hebt.” -</p> -<p>Maar toch vroeg zij zich onrustig af, wat het dan toch wel zijn kon, wat papa bedoelde, -en waarom soms alles zoo vreemd werd, zoo vreemd en zoo bang in huis, of er iets verschrikkelijks -zou gebeuren.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Totdat het haar ineens geopenbaard werd, genadeloos, met een zwaren, onbehouwen slag -in haar teeder, maagdelijk leven. -</p> -<p>Het was denzelfden dag, dat Pim op Mombreuil’s kamer kwam, om hem rekenschap te vragen. -</p> -<p>Ellie zat even wat te lezen, vóór de lunch, toen opeens haar vader, bleek en zenuwachtig, -in zijn reispak, met zijn groot valies in de hand binnenliep. Het was maar heel zelden, -dat hij in haar boudoir kwam, waar hij zich niet op zijn gemak voelde. -<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p> -<p>„Ellie!” zeide hij, met een lichtelijk bevende stem, „ik kreeg daar net een telegram, -waardoor ik op reis moet. Het zijn héél dringende zaken. Ik moet even naar Londen, -misschien zelfs wel naar Amerika. Dat zal ik je wel nader schrijven. Maar nu moet -ik direct weg. Ik heb geen tijd te verliezen, kind. En nu kom ik je gauw even goeden -dag zeggen. Geef me een zoen als je wilt.…” -</p> -<p>En weêr voelde Ellie het héél dicht bij, het vage, onzichtbare dat in het huis hing -den laatsten tijd. Wat deed papa vreemd.… Wat zag hij er bleek uit.… -</p> -<p>Ze kuste hem liefdevol op zijn voorhoofd, en zijn beide wangen. En liefdevol vroeg -ze: -</p> -<p>„—Er is toch niets, papaatje?.… Het is toch niet erg, dat telegram?.… Bent u er erg -ongerust over?.…” -</p> -<p>„—Welneen, kind, het is niets, hoor!.… alleen maar geldzaken.… kwesties met effecten.…” -</p> -<p>En hij liep naar de deur. -</p> -<p>Maar ineens kwam hij weêr terug. -</p> -<p>Hij nam haar hoofd in zijn handen en keek haar innig aan. -</p> -<p>„—Zeg, Ellie, als er nu eens iets gebeurde, met den trein of zoo.… je kan nooit weten.… -en ik kreeg eens een ongeluk.… het is natuurlijk maar <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>gekheid, maar stel ’t je nu eens voor.… en ik was eens dood, zie je, en er kwamen -eens menschen, die allemaal kwaad van me vertelden.… wat zou je dan wel van me denken?.…” -</p> -<p>Zij keek hem verbaasd aan. -</p> -<p>„—Wat een vraag, papa.… wat zou ik ooit anders denken, dan dat u mijn lief, goed vadertje -bent, die zooveel van mij houdt?.…” -</p> -<p>Hij kuste haar, en nog eens, en <span class="corr" id="xd31e1875" title="Bron: nogeens">nog eens</span>. -</p> -<p>„—Als je dát maar altijd gelooft, Ellie, dat ik heel veel van je gehouden heb altijd.… -al ’t andere moeten ze maar van me vergeten.… maar dat ik véél van je houd, lieve, -dát is alleen waar.…” -</p> -<p>Toen knikte hij haar nog eens vriendelijk toe, en liep haastig het boudoirtje uit. -</p> -<p>En Ellie bleef achter, verwonderd, met een vreemde ongerustheid. -</p> -<p>Wat had papa raar gedaan.… wat zou hij eigenlijk hebben bedoeld.… hoe bleek was hij.… -zou het een erg nare tijding voor hem geweest zijn in dat telegram? -</p> -<p>Dáár hoorde zij de voordeur hard dichtslaan. -</p> -<p>En zij schrikte op, angstig, of die slag op haar hart was gevallen, zwaar en onheilspellend. -</p> -<p>En weêr dichter, al kon ze ’t altijd nog niet begrijpen, voelde zij het op zich af -komen, dát, ze wist <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>niet wat, dat al zoolang dreigde, van overal, van nergens, en dat toch maar niet wou -komen.… -</p> -<p>Wat kon papa toch wel bedoelen?.… Wat een vraag! of zij geloofde, dat hij van haar -hield.… Dat ze al ’t andere maar van hem moeten vergeten.… vergeten?.… wat vergeten -dan toch?.… en welk andere?… -</p> -<p>Het dienstmeisje kwam haar roepen, voor de lunch. Toen ze in de kamer kwam, zag ze -nicht Joséphine vragend aan. -</p> -<p>Maar de oude dame keek voor zich, en het was Ellie, of zij haar liever niet wilde -aanzien. -</p> -<p>„—Nicht!” vroeg ze angstig, „weet u niet wat er stond in dat telegram? Er is toch -niets met pa?.… hij was zoo bleek.… o! als er iets is, zeg het me dan toch.…” -</p> -<p>Maar nicht Joséphine bleef heel bedaard, en probeerde haar te kalmeeren met verstandige -woordjes. -</p> -<p>„—Zeker Ellie, er zal wel iets zijn, natuurlijk.… je vader zit in veel engelsche en -amerikaansche ondernemingen.… zijn fortuin is bijna heelemaal in ’t buitenland belegd.… -maar dat zijn zaken, waar vrouwen zich heusch niet mede moeten bemoeien.…” -</p> -<p>En Ellie liet zich overreden, zeide dat ze het begreep, dat het wáár was dat zij er -niets mede te <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>maken had, natuurlijk niet, dat sprak van zelf.… -</p> -<p>Maar toch voelde ze, dat nicht niet alles wilde zeggen en dat er meer moest zijn, -meer.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Ze had geen lust om uit te gaan. ’s Avonds, na het diner, zou Mombreuil komen. Ze -kon nú Wies wel halen, om te wandelen, of even een briefje sturen aan Pim, maar het -kon haar nu toch niet meer schelen, naar ’t strand gaan, of naar ’t Kurhaus, zonder -Maurice. -</p> -<p>En ze bleef wat lezen, wat borduren, wat knutselen met een kant, die ze aan ’t maken -was. -</p> -<p>Om vier uur werd er gebeld, en ze hoorde, dat er iemand werd binnengelaten, in de -vestibule. Nieuwsgierig keek ze even boven aan de trap. Het was een vreemde heer. -In ’t zwart was hij, met een hoogen hoed op. Hij vroeg haar vader te spreken. Verder -kon ze ’t niet meer hooren wat hij tegen Marietje zeide. Maar hij werd binnengelaten, -bij nicht. Wie kon het zijn? Na een kwartier ging hij weer weg. -</p> -<p>En inééns voelde ze ’t weer, dien angst, dien vreeselijken angst voor wat ze niet -wist.… -</p> -<p>Ze belde Marietje. -</p> -<p>En Marietje vertelde het weinigje wat ze wist. De vreemde had meneer willen spreken. -Toen had zij gezegd, dat meneer uit de stad was. Wie of er <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>dan nog meer in huis was, had hij gevraagd. Juffrouw Joséphine had ze gezegd, maar -die ontving vandaag niet. Maar dat moést dan maar, had de vreemde meneer gezegd. En -ze had hem moeten aandienen, of ze wilde of niet. Op zijn kaartje stond Meester van -Henke, of zoo iets en hij was de Officier van Justitie. -</p> -<p>Ellie hield zich kalm. -</p> -<p>„Zoo, de Officier van Justitie,” zei ze bedaard, alsof het niets bizonders was. -</p> -<p>Maar daar wás het weer, daar was het weer nader bij, veel nader bij gehuiverd.… het -was als een kring van ontzetting, die om haar dichttrok.… zou het nu eindelijk, eindelijk -komen.…? -</p> -<p>En ze verlángde, ze verlangde, dat het er nu maar zijn zou, dat verschrikkelijke, -opdat ze het tenminste wist, en niet langer zou voelen die ontzettende ongerustheid, -die erger was dan het állerergste wat ooit kon komen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Totdat het kwam, afschuwelijker dan wat ze ooit had kunnen denken. -</p> -<p>Het was vijf uur, en Ellie was even naar den salon gegaan, om in de serre naar de -bloemen te kijken. -</p> -<p>Toen ze terug wilde gaan, naar boven, zag ze <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>een courant liggen in de bus. Het was het groote socialistische dagblad „De Zon”, -dat haar vader nu en dan las, voor de curiositeit, juist omdat hij zoo’n hevig anti-socialist -was. En ineens kreeg ze een voorgevoel, dat ze die courant moést lezen, waaróm wist -ze niet, maar er was iets aan dat witte ding daar in de bus, dat haar onweêrstaanbaar -aantrok. -</p> -<p>Ze had het blad wel eens meer gelezen, uit verveling, zonder er belang in te stellen. -En toch kreeg ze opeens een behoefte, om het even in te zien, als voelde ze intuïtief, -dat er iets instond, wat haar aanging. -</p> -<p>Voor dat ze zich bewust was, waarom ze het eigenlijk deed, had ze de courant meêgenomen -naar haar boudoir. -</p> -<p>Niets bizonders.… iets over een werkstaking.… over de ongevallenwet.… over een kamerzitting.… -wat kon dat haar nu schelen.… nu maar het tweede blad even inkijken.… -</p> -<p>En daar stond het. -</p> -<p>„Een Haagsch schandaal”, met groote letters. -</p> -<p>Ze las.… ze las.… en nogeens.… -</p> -<p>Ze begreep het eerst niet heel goed. Als een, die van de eerste ontzetting te verstomd -is, om dadelijk te beseffen, dan, langzaam, langzaam doemt het op.… -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> -<p>Maar, groote God, dat kón toch niet, dat kón toch immers niet zijn.… -</p> -<p>Het groote huis van Madame Berthier.… op den Vijverberg.… zoogenaamde handschoenen-magazijn.… -maar schandelijk rendez-vous van een zedelooze club.… schaamtelooze veilheid van getrouwde -vrouwen, voor geld, om rekeningen te betalen.… en nog erger.… afschuwelijke misdrijven -tegen de zeden.… minderjarige meisjes.… daar gelokt met bonbons en andere cadeautjes.… -de dochtertjes van fatsoenlijke ouders op straat niet meer veilig.… personen uit de -aanzienlijkste standen betrokken, tot zelfs in de hoogste kringen van het Hof.… klassenjustitie.… -maar nú al te duidelijk, bijna niet meer te sussen.… eenige personen nu al zeker gevlucht.… -expres gelegenheid gegeven.… een gewezen staatsraad, een gewezen kamerlid, wèlbekend, -Koninginnegracht.… Officier van Justitie zal onderzoek beginnen.…. maar natuurlijk -te laat.… vogels gevlogen.… en later toch wel weer gesust, het schandaal.… ellendelingen.…<span id="xd31e1939"></span> -</p> -<p>Ellie gaf een schreeuw van walging. Het was, of ze ineens met iets afschuwelijk vuils -was overgoten … of het vieze overal langs haar heen droop, over haar hoofd, door haar -kleeren heen, op haar lijf. Zij voelde het zwáár op zich drukken, of ze er van <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>zou stikken, en voelde den adem stokken in haar keel. -</p> -<p>Neen, dat kón niet, dat was té vreeselijk.… en toch, het stond er.… dat moést haar -vader zijn, het kon niet anders, het kwam allemaal zoo uit.… inééns was hij weggegaan, -als op een vlucht.… en dan zoo straks, de Officier van Justitie.… -</p> -<p>Wát het precies was, wist ze niet eens, kón ze ook niet weten.… maar iets héél verschrikkelijks, -afschúwelijks, diep verachtelijks, dát voelde ze, uit maagdelijk instinct.… -</p> -<p>Maar haar eigen vadertje, haar lief, goed, oud vadertje, neen, het kon niet, het kon -niet.… het moest lage laster zijn.… -</p> -<p>Ze moest, ze zoú weten.… -</p> -<p>En dadelijk liep ze trap af, naar nicht Joséphine, in den salon. -</p> -<p>„Nicht!… lees u.… gauw.… is het wáár nicht, kán dat wáár zijn?.…” -</p> -<p>Zij zag het oude mensch schrikken en heel bleek worden. Nicht Joséphine wist niet -wat ze zeggen zou.… ze mompelde iets, maar zij begon te stamelen, en kon er niet uitkomen.… -En met angstige oogen keek ze Ellie aan.… -</p> -<p>Toen stotterde ze nog iets, van geen lectuur voor een meisje.… kan zij niet begrijpen.… -zich er niet mede bemoeien.… niet alles altijd willen weten.… <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>en later wel weer terecht komen.… niet ongerust maken.… vuil courantengeschrijf.… -</p> -<p>Maar Ellie voélde het, met de fijne voelhorens van haar ziel.… ze voelde den leugen -in al die onbeduidende, huichelachtige woorden, die zoo bedriegelijk héén draaiden -om de waarheid. -</p> -<p>En met de handen van schaamte voor haar oogen, om nicht niet meer aan te zien, liep -zij snikkend de kamer uit, naar haar boudoir. -</p> -<p>Zij viel op een canapé, en verborg haar gezicht in een kussen, bijtend in het zachte -satijn, om het niet uit te gillen van pijn, de oogen stijf dichtgeknepen, om niets, -niets meer te zien. -</p> -<p>O! Kon het toch zoo maar blijven, áltijd donker, dat zij niemand meer behoefde aan -te kijken, en dat niemand háár zag! Want zij was besmet.… zij voélde het vuil op zich.… -en het kon nooit, nooit meer van haar af.… iedereen zou het dadelijk zien.… het kleefde -aan haar vast, het was ook in haar lief boudoir gekomen, en het was in ’t gehééle -huis.… hoe kon ze zich nog ooit vertoonen aan de menschen.… het was toch van haar -vader op háár overgegaan.… zij was er mee besmet natuurlijk, het kwam nu ook op háár -neer.… En het ergste, zij voelde het in haar ziel, nu zij het voor ’t eerst gezien -had, het vuil van de wereld.… <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>al waschte ze zich héélemaal schoon, met de fijnste zeepen, in haar ziél voelde ze -het toch, en daar kon het nooit meer worden als vroeger.… -</p> -<p>En ze rilde van zichzelve, uit walging dat ze dit vuile in zich voelde, of ze vergiftigd -was met vies, stinkend vocht. -</p> -<p>Stil, daar kwam de meid boven. Er werd geklopt op haar deur. -</p> -<p>De meid. Met een brief. -</p> -<p>„Alstublieft, juffrouw. Ik moest den brief eigenhandig aan u geven.”— -</p> -<p>En zij, zoo kalm mogelijk: „Het is goed, Marietje. Dank je wel. Geen antwoord. Zeg -aan nicht, dat ik niet kom eten, dat ik niet wel ben geworden.” -</p> -<p>Één blik op het handschrift. -</p> -<p>„Van Maurice!” -</p> -<p>En ze wist het al. Ze behoefde dien brief niet eens meer te lezen. Het was van de -schande! Alweêr van de schande! Nu kon Maurice haar natuurlijk niet meer trouwen. -Hij kon niet tot vrouw nemen de dochter van een vluchteling, van een misdadiger, dien -de politie zocht. Hij kon zijn naam niet schandvlekken met een naam als dien van haar. -En nu was het voor altijd uit met het geluk. En al wou hij nog, zij zou het niet meer -van hem aannemen. Zij mocht hém niet ongelukkig maken met háár schande. -<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p> -<p>Toch brak zij den brief nog even open. -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">„<i>Lieve Ellie!</i> -</p> -<p><i>Wil mij vergeven, als ik je iets beken, wat ik je al zoo lang had willen zeggen. Ik -houd niet genoeg van je om je ooit gelukkig te kunnen maken. En dat komt omdat ik -je niet waard ben, omdat ik niet meer rein en goed kan liefhebben zooals een meisje -als jij verdient. Daarom is het maar beter, dat je mij mijn woord teruggeeft. Morgen -zal Wies bij je komen, en je alles vertellen, wat ik hier niet schrijven kan. Denk -niet te slecht over me, en geloof, dat je het beste en liefste bent wat ik ooit in -mijn leven heb gekend. Maar daarom juist voel ik, dat ik je niet mag maken tot mijn -vrouw.</i> -</p> -<p class="signed"><i>Maurice Mombreuil.</i><span class="corr" id="xd31e1987" title="Niet in bron">”</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>En ze glimlachte over zijn goedheid. Hij had haar willen sparen. Hij wilde het laten -voorkomen, of hij niet goed genoeg voor háár was, of hij niet waard was van haar te -houden, maar natuurlijk was het juist omgekeerd, dat sprak van zelf. Hij had het gehoord, -van de schande, zooals natuurlijk heel den Haag het gehoord had, en nu kon hij haar -niet meer kennen. Dat ging niet. Hij, een Mombreuil, en <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>zij, de dochter van een vluchtenden misdadiger, gezocht door de politie!—En hij had -het nu afgemaakt, loyaal en ridderlijk, zooals hij altijd was. -</p> -<p>Hij, de groote, de sterke, hij, de held, hij zou niet waard zijn haar lief te hebben! -</p> -<p>En de tranen kwamen haar in de oogen, om de ridderlijkheid, waarmede hij de schuld -op zichzelf had genomen, en haar de eer had gelaten, hém zijn woord terug te geven. -</p> -<p>Zij kuste den brief, zenuwachtig, keer op keer, met dankbare, gloeiende kussen. -</p> -<p>„Mijn lieveling, mijn groote, mooie lieveling, ik had het moeten weten, je was niet -voor mij, het kón immers niet, ík zoo’n arm, klein vlindertje maar, en jij zoo groot -en zoo mooi.…” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar wat nu te doen?.… Hoe nu verder voort te leven zonder hem?.… Wat was nu nog het -leven zonder hem?.… Vroeger had ze nog haar Kurhaus, haar strand, haar tennisclub, -en al het plezier.… maar dat was nu wèg, voor goed, dáár kon ze nu niet meer komen.… -ze wezen haar nu allemaal na.… kijk, daar gaat ze, de dochter van.… je weet wel.… -ze noemden haar vroeger het Vlindertje.… een mooi Vlindertje!.… -</p> -<p>Ze keek rond in haar boudoir.… alles zoo netjes, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>zoo keurig, zoo rein … al die zijde en dat satijn … dat was toch allemaal het oude -nog, allemaal van haar.… en ze was toch dezelfde nog van vroeger … er was aan haar -toch niets veranderd.… Ja, toch, er was wèl iets aan haar veranderd.… al héél lang.… -en nu, ineens, zonder waarschuwing, bruut en grof, was het vuile van de wereld gekomen -over haar blanke, argelooze ziel.… Haar eigen vader … hoe was ’t mogelijk!.… haar -eigen lief, goed, oud vadertje, midden in ’t vuil.… híj, vies en gemeen gedaan, met -onschuldige kinderen.… meisjes als zíj.… ze wist niet wat het was, en toch wist ze -’t, uit voorgevoel.… het moest iets héél, héél verschrikkelijks zijn.… een schande, -die nooit, nooit meer is uit te wisschen, en die ze ook zullen neêr laten komen op -háár, onverbiddelijk.… -</p> -<p>En het was haar, of dat vuil ook háár besmet had, of er iets over haar was gekomen -als een vunze, giftige pestwalm, of het zat op haar hoofd, haar haren, haar schouders, -dat iedereen het zien kon, dádelijk.… -</p> -<p>Waarom was er nu niemand om haar te troosten?.… het klopte zoo in haar hoofd, en overal -beefde het zoo aan haar van walging en ontzetting.… maar iedereen zou van haar wegloopen, -niemand zou haar <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>willen kennen.… nu zou ze héél alleen staan,.… vadertje was weg … het was erger dan -of hij dood was en hij kon nu nooit meer vadertje zijn van vroeger.… o! ze zou van -hem schrikken, ze zou hem geen hand meer durven geven.… en Maurice was nu ook weggegaan, -die kon ook niet meer bij haar blijven, na wat gebeurd was.… Kwam er dan niemand om -haar te helpen.… -</p> -<p>En ineens riep zij hem, intuïtief, wetend, dat hìj altijd trouw zou zijn, tot aan -den dood: -</p> -<p>„Pim!” -</p> -<p>Pim! Dát was de eenige, waar ze nog naar toe kon gaan, de éénige, die haar nooit, -nooit zou verlaten, al was de schande bergenhoog over haar hoofd. -</p> -<p>En zij zag zijn trouwe, blauwe oogen en zijn nog zoo kinderlijk, open jongensgezicht, -en voelde een groote, onweerstaanbare behoefte om bij hem te zijn, en hem alles, alles -te vertellen. Voor ’t eerst in haar leven voelde ze eigenlijk hoe lief hij haar was, -hoe hij het laatste toevluchtsoord was, dat altijd zou blijven staan zonder wankeling, -standvastig en oprecht, waar alles om haar heen nu zou wegvallen, in de groote catastrophe -van haar leven. -</p> -<p>Als zij hier alleen bleef zitten zou ze nog gek worden, dat voelde ze zéker, in haar -angst. Zij kon <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>het zoo niet uithouden. Ze moést het zeggen, aan iemand zeggen, die haar begrijpen -zou, die haar kon troosten, en haar niet verlaten zou in dezen uitersten, uitersten -nood. -</p> -<p>Ze ging zooals ze was, in haar wit serge japonnetje, en zette een hoed op, zonder -zorg, zoo maar, héél gauw, om maar wat op te hebben. Ze wist het, het stond niet, -maar daar was ze nu overheen. Ze wilde naar Pim. Ze zou hem opzoeken, in zijn kamer, -en ze zou hem smeeken, om haar te helpen. Hij was altijd zoo goed, zoo goed, zoo goed. -Hij zou haar nooit verlaten. -</p> -<p>En ze ging zachtjes de trap af, dat nicht Joséphine het niet zou hooren. Nu stilletjes -de voordeur open en ze was op straat. Het was half zeven. Zou hij thuis zijn? of zou -hij al naar ’t Kurhaus zijn gegaan? -</p> -<p>Dáár was zijn pension, Javastraat N<sup>o</sup>. 12. Nu maar flink gebeld. Johan, zijn oppasser, deed open. Neen, de luitenant is -niet thuis. Hij is om half zes naar Scheveningen gegaan met luitenant de Sandt, en -eet zeker in het Kurhaus. -</p> -<p>Dáár zou ze hem wel vinden. Hoe zou ze gaan? Met de trem? Neen! In zoo’n trem zat -ze zoo alleen tusschen zooveel menschen. Die zouden haar allemaal zoo aankijken. Want -iedereen wist het nu <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>natuurlijk. Iedereen had het nu al gelezen. Neen, dat kon ze niet. Dán maar loopen. -De Javastraat uit, en dan bij den Ouden weg, door de Boschjes. Daar waren nu niet -zooveel menschen. -</p> -<p>Maar óók al in de Javastraat verbeeldde ze zich, dat de menschen naar haar keken. -Ja, ze vóelde het, al zag ze zelf naar den grond, ze vóelde het. En ze dachten allemaal -„daar gáát ze, Ellie van Taats, je weet wel, de dochter van.…” Ze voelde haar wangen -gloeien van schaamte en verontwaardiging. Een straatjongen bleef even staan, en trok -een leelijk gezicht tegen haar. Als hij haar nu maar niet nariep! Neen, Goddank, hij -liet haar met rust. -</p> -<p>Zoo liep ze, angstig en verschrikt, met kloppend hart, zoo hard ze maar kon, om toch -maar gauw bij Pim te zijn. Ze keek aldoor maar voor zich, als zocht ze iets op den -grond en zag ze niets van wat om haar gebeurde. Maar toch was het haar altijd of ze -door een cordon van menschen ging, die het allemaal wisten, die haar uitlachten, en -die verachtelijk op haar neerzagen. Ook in de boschjes kon ze het niet kwijtraken. -Het vervolgde haar in de leêge laantjes, het keek van op zij uit de struiken, en hoog -uit de boomen. Ze was een schande, die rondliep, voor iedereen ten spot. -</p> -<p>Eindelijk was ze, door het van Stolkpark, in <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>Scheveningen gekomen, op de Haringkade, op de brug bij de Badhuisstraat. Liet ze nu -vooral niet rechtuit gaan, met al die trems en rijtuigen, op den Gevers Deynootweg. -Neen, liever hier de brug over, en dan die nieuwe buurten door, dan kwam ze vanzelf -wel weêr bij ’t Kurhaus uit. Ze kende die straten nog niet. Renbaanstraat stond hier, -op een bordje. -</p> -<p>Het begon donker te worden, in die laatste dagen van September. Hier en daar werden -de lampen opgestoken in een café. En ineens begon een piano te spelen, een woeste -uitgelaten wals. Ellie schrikte er van, of ook die muziek het uitschaterde over háár. -</p> -<p>Eindelijk, dáár was ze op het Gevers Deynootplein, voor het Kurhaus. -</p> -<p>Overal liepen menschen in vroolijke, lichte pakken, zacht-kleurend in de schemering, -die naar de muziek gingen. Er kwamen er uit de electrische trem, uit de paardetrem, -en zij zag een grooten drom aankomen uit het station van de stoomtrem. Hier en daar -begonnen al de lichtjes te flikkeren van lantarens, weifelend en onzeker, in de bleeke -schemering. En het groote massale Kurhaus stond vreemd, met een mystiek-rossigen glans -in het late licht van den vallenden avond. Al die menschen, die daar van alle kanten -aanstroomden, schenen op te gaan tot <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>een bovenaardsch, wonderbaarlijk genot, dat hen daar wachtte in dat groote, vreemd-glanzende -gebouw. -</p> -<p>Ellie bleef even stilstaan. -</p> -<p>En inééns voelde zij, voor ’t eerst in haar bestaan, hoe genadeloos wreed en koud -dat groote, Haagsche leven was, waar ze zoo met haar geheele hart in was opgegaan. -Want alles ging nog precies zoo door, en zoú ook altijd even onverstoorbaar doorgaan, -nu zij er nooit meer aan kon meêdoen. Ze had altijd gedacht, dat ze er zoo héélemaal -bijbehoorde, dat ze er zoo innig één mede was, in een warme, vriendelijke verstandhouding -met al die uitgaande, mooi gekleede menschen. Maar plotseling, hoe vèr het buiten -haar om was, en hoe het niets, absoluut niets om haar gaf, en het er niet eens iets -van bemerken zou, als het Vlindertje er niet meer in rondfladderde! Dat zij het nooit -vroeger had geweten! Al die menschen, die zoo schijnbaar-gezellig samen meêdeden aan -de mondaine wereld, zij waren héél aparte levens, alleen op eigen genot bedacht, en -zonder warm verband van vriendelijke broederschap. En niemand, niemand zou omkijken -en er om stilstaan, als één uit de groote bende verongelukt was, en jammerlijk uitgeworpen -langs den weg.… -</p> -<p>Ja, erger nog. Al diezelfde menschen, die haar <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>vroeger zoo aardig hadden gevonden, die haar bij het lieve bijnaampje hadden genoemd, -en haar zoo gechérisseerd hadden als een precieus, lief poppetje, tot hun vermaak, -zij zouden haar nú nawijzen met den vinger, en een anderen kant opzien, als zij naar -hen toekwam, zij, de dochter van den man, wien de politie zocht voor een schandelijke, -vuile misdaad.… -</p> -<p>Ze wist, dat ze het niet verdragen kon. Ze zou er onder bezwijken. Ze kon niet, neen, -ze kon dat niet dragen, ze was er nu eenmaal niet voor aangelegd, om pijn te hebben -en verdriet. Ze wist, dat ze niet den moed zou hebben, dat Kurhaus in te gaan, en -door al die menschen te loopen, die het natuurlijk wisten, en die bang zouden zijn, -dat zij hen aansprak. -</p> -<p>En ineens voelde zij dat groote huis daar voor zich als iets onbestemd vijandigs, -waar haar wachtte een vaag gevaar, wát wist ze niet, maar iets om van te sterven van -angst.… -</p> -<p>En toch was daar Pim, dien ze zocht, Pim, de éénige die haar kon helpen. Waarom was -hij daar in dat groote, vijandige gebouw, onder al die kwaadwillende menschen, nu -zij hem zocht, om zich aan hem vast te klemmen als een láátste toevlucht, nu alles, -alles om haar wègviel, waar ze ééns van leefde? Waarom wist hij nu niet, dat zij daar -stond, waarom <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>voélde hij het niet, en vloog hij haar niet te hulp, nu zij zelf zoo bang, zoo heel -bang was, en niet durfde binnen te gaan, waar zooveel menschen waren, die haar bespotten -zouden? -</p> -<p>Neen, hij kwam niet. -</p> -<p>Hij niet, en niemand kwam. Niemand kon het iets schelen of zij daar al te wachten -stond, en leed, en bang was. Het groote Leven dáár ging onbewogen door, en wist niet, -en zag niet naar ééne, die het niet bij had kunnen houden. -</p> -<p>En opeens werd het besef in haar klaar van haar groote absolute verlatenheid in het -Leven, dat zij ééns zoo vertrouwd dacht, en vol van warme éénheid, die de menschen -aan elkaar verbond. Nooit had ze het geweten, maar eigenlijk had ze daar altijd rondgefladderd -als een vogeltje in een woestijn, heel eenzaam en heel apart, gelukkig met dingen, -die niet waren dan schijn, als een Fata Morgana, dat dra in niets verdwijnt. Ze voelde -zich totaal onnoodig voor al die menschen, een arm, zwak wezentje, dat evengoed gemist -kon worden, en waar niemand om zou treuren. -</p> -<p>Zoo peinzende liep zij door, zonder recht te weten waarheen zij ging, het Kurhaus -voorbij, éven haastig door de menschen op den Boulevard, en dan de eerste steenen -trapjes af, naar het strand. -<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p> -<p>Hier was het goed, hier waren nu geen menschen, en hier zou niemand haar zien, haar, -waardeloos, nietig ding, dat toch niemand miste. -</p> -<p>De avond begon nu al dichter neder te vallen, met donkerder en donkerder schaduwen. -O! Kon ze zich nu maar voor altijd verstoppen in dat donker, dat niemand haar meer -zag, en dat zij zelf de oogen niet meer behoefde dicht te doen om niets meer te zien -van al dat leven, dat zoo wreed was, en haar niet meer wilde kennen! -</p> -<p>O! Niet meer te weten, niet meer te herinneren, en in vergetelheid zachtjes wègdroomend -te vergaan! -</p> -<p>In wanhoop staarde zij voor zich uit, als wilde zij iets vinden, dat haar genadiglijk -zou opnemen, waar zij zich uitgestooten voelde van de menschen, voor goed. -</p> -<p>En opééns voelde haar ziel de zee.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Donker en eindeloos was het vóór haar, het reine wereld-water, op eeuwigen adem deinende, -vér en vér.… -</p> -<p>Het was een oneindigheid, in het vallende duister, die zij meer voelde dan zag, en -die zij sidderend hoorde, in de ruischende muziek van haar majestueus rythme. -</p> -<p>Daar riep haar iets, van uit die verre verten; iets dat haar ziel herkende, of ze -het méér gehoord <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>had, of ze er eenmaal één mee was geweest.… -</p> -<p>En het werd haar op eenmaal licht en vreemd te moede, of zij wonderlijk droomde. -</p> -<p>Ze zag even om, naar het Kurhaus terug, waar zij de werkelijkheid dacht te zijn. -</p> -<p>Maar alles vervaagde, en zonk er zachtjes weg, als voor het láátst. Een ijle avond-nevel -was over alle dingen gegleden, die er lucht in vervluchtigden, als wèg in het niet. -Vreemd schenen daarin lantaren-lichtjes hoog boven op het terras, in flauwe verdooving. -Het leek alles herinnering en ver verleden, om ééns geweest te zijn, maar niet meer -terug te komen. Het Kurhaus was een zachte schaduwing van donkere vormen, onzeker -en onreëel als een paleis uit een nevelig sprookje, in de fantasie van een kind. En -Ellie voelde het aan, of het was van jaren her, en niet meer van haar leven. -</p> -<p>Dat leek opééns nu alles ver, zoo heel vaag en ver, nu haar ziel zoo sidderend gevoeld -had de eindeloosheid van het wereld-wezen, in het machtig ruischen van de zee!… -</p> -<p>O! Hier was het goed, hier was het goed, in dat genadevolle duister, dat zij om zich -voelde vallen als een veiligen, alle schande bedekkenden mantel, zoo luidloos, zoo -liefderijk voorzichtig, zonder zwaarte om haar heen.… -<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p> -<p>Hoe zacht verging het daar alles òm haar, hoe gleden de dingen onhoorbaar weg, zonder -pijn, in dien rustigen droom van den avond, kalm en vreezeloos, als kinderen, die -slapen gaan! -</p> -<p>Ze was nu moê, heel moê. Ze wilde nu ook wel héél graag slapen en niet meer weten. -</p> -<p>Eigenlijk was ze al heel lang zoo <span class="corr" id="xd31e2089" title="Bron: moe">moê</span> geweest, en had ze nooit meer de reine, onbewogen rust gekend, als die ze nu zag -droomen over de wereld, in dezen teeder-ademenden avondnacht. -</p> -<p>Sedert haar maagde-ziel gebeefd had onder den donkeren blik van een man, had daar -een weeë, bange onrust in haar gewoeld, die niet haar innige wezen was. Die liefde -had haar ziel toch eigenlijk maar droeviglijk beroerd, met vreemde huivering van pijnigend -verlangen. En eigenlijk was ze altijd bang geweest, heel bang, voor iets dat breken -zou, het teerste in haar, door dat verlangen naar dien lieven, en toch altijd vaag-vijandigen -man. -</p> -<p>Maar nu was ze te moê, te moê, o, veel te moê. Te moê was ze van lieven, en te moê -van bang zijn, en te moê van schreien, en van alles.… En niets zou nu meer helpen, -het was te laat.… Ook niet Maurice meer, al kwam hij biddend terug, om haar weer op -te nemen in zijn armen.… En ook niet Pim, haar lieve, trouwe broer, haar jongen, <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>met zijn vriendelijk, blond pagegezicht, en zijn trouwe blauwe oogen.… -</p> -<p>Het was gedaan, en vér verleden, en het zonk alles voor haar weg, zooals de werelddingen -òm haar, verdroomend in nevelig duister.… -</p> -<p>En ook zij moest nu maar weg, ze voelde het, ze hoorde er niet meer en had er niets -meer over. Ze was nu leeg, van alles los, en moest nu ook maar stil verdwijnen in -het niet, in die eindelijk weergevonden rust, die het veilig thuis was van haar ziel, -wèg van al dat lieve en toch zoo bange, dat zoo droef beroerde wat vroeger vrede in -haar was.… -</p> -<p>Zij voelde zich loopen, een wandelpier op, langs groote, glibberige steenen, aangetrokken -door de zee, die haar vanzelf deed voortgaan. -</p> -<p>Nu was zij op het uiterste eind gekomen, ze kon niet verder. -</p> -<p>Wat nu?.… wat ging ze doen?.… droomde zij?.… hoe stond ze daar nu zoo ineens, zonder -iemand, héél alleen, een arm, klein schepseltje, daar bij die groote, groote zee?.… -</p> -<p>O ja.… o ja.… de schande, de schande.… het vuil, het vreeselijke, vieze vuil van de -wereld.… het was op haar hoofd, op haar hals, op haar lijf, het was héél binnen in -haar gekropen, en het sijpelde in haar door, vèr door haar ziel.… -<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -<p>De zee, de zee kan het afwasschen.… de zee is groot, en goed, en eeuwig rein.… Het -moet wel héél zalig zijn, daar zoo heel diep onder de zee te liggen, van alles wèg, -en overal is water om je, en alles wordt weer rein, wordt weer heerlijk schoon, en -niets kan nu ooit meer smetten.… Boven gaan de golven nog rusteloos, maar wat moet -het daar onder rustig zijn.… zoo rustig, en zoo vredig, en zoo stil.… -</p> -<p>Een vreemde aantrekking, zacht en bedwelmend, deed haar overbuigen naar het water.… -haar voet gleed uit op een glibberigen steen, en ze viel voorover, de handen uitslaande -naar een steunpunt in het leege, in de machtig-ebbende zee.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En als een arm, nietig vlindertje, dat verongelukt in wijden, wijden plas, en trilt -nog wat spartelend met de natte wiekjes, en zinkt dan, droef-gehavend, zóó dreef het -broze figuurtje van het maagd-meisje nog éven boven, een wit, bevend vlekje op de -donkere golven, en zonk toen weg, klaaglijk en hulpeloos, in de diepten van de zee.… -</p> -<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> -</p> -<p class="dateline">September—November 1900. -</p> -<p class="dateline"><span class="sc">Scheveningen—Amsterdam</span>. -<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="errata" class="div1 errata"><span class="pageNum">[<a href="#errata.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">ERRATA.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Blz. 33, reg. 11 v. o. staat: „<i>innings</i>”, lees: „<i>games</i>”. -</p> -<p>Blz. 33, reg. 7 en 8 v. o. staat: „<i>naar den Bataafschen Boer</i>”, lees: „<i>naar de terreinen van Leimonias</i>”. -</p> -<p>Blz. 40, reg. 8 v. o. staat: „<i>in de foyer van het Gebouw</i>”, lees: „<i>in het Hôtel des Indes</i>”. -</p> -<p>Blz. 87, reg. 9 v. o. staat: „<i>Twaalf</i>”, lees: „<i>Tien</i>”. -</p> -<p>Blz. 120, reg. 11 v. o. staat: „<i>orchidee</i>”, lees: „<i>campanula</i>”. -</p> -<p>Blz. 169, regel 9 v. b. staat: „<i>dikke</i>”, lees: „<i>fijne</i>”. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr id="ch1.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">HOOFDSTUK I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr id="ch2.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">HOOFDSTUK II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">9</a></td> -</tr> -<tr id="ch3.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">HOOFDSTUK III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">30</a></td> -</tr> -<tr id="ch4.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">HOOFDSTUK IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">55</a></td> -</tr> -<tr id="ch5.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">HOOFDSTUK V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">69</a></td> -</tr> -<tr id="ch6.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">HOOFDSTUK VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">82</a></td> -</tr> -<tr id="ch7.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">HOOFDSTUK VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">87</a></td> -</tr> -<tr id="ch8.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">HOOFDSTUK VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">95</a></td> -</tr> -<tr id="ch9.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">HOOFDSTUK IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">113</a></td> -</tr> -<tr id="ch10.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">HOOFDSTUK X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">123</a></td> -</tr> -<tr id="ch11.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">HOOFDSTUK XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">129</a></td> -</tr> -<tr id="ch12.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">HOOFDSTUK XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">136</a></td> -</tr> -<tr id="ch13.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">HOOFDSTUK XIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">150</a></td> -</tr> -<tr id="ch14.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">HOOFDSTUK XIV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">159</a></td> -</tr> -<tr id="ch15.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch15">HOOFDSTUK XV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">167</a></td> -</tr> -<tr id="ch16.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch16">HOOFDSTUK XVI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">176</a></td> -</tr> -<tr id="ch17.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch17">HOOFDSTUK XVII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">185</a></td> -</tr> -<tr id="ch18.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch18">HOOFDSTUK XVIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">202</a></td> -</tr> -<tr id="ch19.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch19">HOOFDSTUK XIX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">209</a></td> -</tr> -<tr id="ch20.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch20">HOOFDSTUK XX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">228</a></td> -</tr> -<tr id="errata.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#errata">ERRATA.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#errata">257</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Vlindertje: een Haagsche roman</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Henri Jean François Borel (1869–1933)</td> -<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/71515941/</span></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td> -<td>2022-10-15 20:12:42 UTC</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>[1901]</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2022-10-13 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e147">2</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1234">159</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">wordt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">word</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e166">4</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">besprek</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">gesprek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e233">13</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">eskradon</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">eskadron</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e261">18</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">escadron</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">eskadron</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e350">31</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Josephine</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Joséphine</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e365">33</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">innings</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">games</td> -<td class="bottom">6</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e368">33</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">den Bataafschen Boer</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">de terreinen van Leimonias</td> -<td class="bottom">21</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e373">34</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">presenteerden</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">presenteerde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e383">35</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1511">189</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Wat</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Was</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e409">40</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">de foyer van het Gebouw</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">het Hôtel des Indes</td> -<td class="bottom">18 / 17</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e430">44</a>, <a class="pageref" href="#xd31e873">109</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1120">143</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">hadt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">had</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e439">46</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">danes</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">dames</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e481">54</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Kurhausbar</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Kurhaus-bar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e544">67</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">naieve</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">naïeve</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e602">74</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">dan</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">dat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e639">78</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Vindt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Vind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e650">79</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e715">86</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">hoe’n</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">hoe ’n</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e729">87</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Twaalf</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Tien</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e732">87</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">maitresses</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">maîtresses</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e749">89</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">verbeeldt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">verbeeld</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e754">89</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">blasoen</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">blazoen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e857">107</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1388">173</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">vindt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">vind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e940">120</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">orchidee</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">campanula</td> -<td class="bottom">9</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e968">124</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Kolonien</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Koloniën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e976">125</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">misschen</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">misschien</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1018">129</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">gedaan</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">gestaan</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1099">142</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">financiëel</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">financieel</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1209">157</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">raadt</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">raad</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1243">159</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">violettes</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Violettes</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1316">166</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">.,..</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">,…</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1333">168</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1987">242</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1347">169</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">dikke</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">fijne</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1506">189</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">geopenbard</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">geopenbaard</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1539">192</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">teere</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">teêre</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1563">194</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">fanteuil</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">fauteuil</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1678">211</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="hu">fieskim</td> -<td class="width40 bottom" lang="hu">fecském</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1689">212</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">wélbewust</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">wèlbewust</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1696">213</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">Champagne</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">champagne</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1810">227</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">aardigheid</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">onaardigheid</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1875">233</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">nogeens</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">nog eens</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1939">238</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">”</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2089">254</a></td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">moe</td> -<td class="width40 bottom" lang="nl-1900">moê</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div lang='en' xml:lang='en'> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>VLINDERTJE</span> ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> -</div> -</body> -</html> diff --git a/old/69163-h/images/new-cover.jpg b/old/69163-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 713664a..0000000 --- a/old/69163-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/69163-h/images/titlepage.png b/old/69163-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 508a98a..0000000 --- a/old/69163-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
